<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR385966_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening jeugdhulp gemeente Zevenaar 2016</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Zevenaar</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-01-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Zevenaar</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Zevenaar Post 23 december
                2015</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening jeugdhulp gemeente Zevenaar 2016</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 2.9, 2.10, 2.12 en 8.1.1 vierder lid van de Jeugdwet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-12-21</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2019-11-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>IN15.01854</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Zowel in de beleidsregel als de verordeningen van Wmo en Jeugd zijn wijzigingen aangebracht met het oog op een betere afstemming tussen deze regelingen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening jeugdhulp gemeente Zevenaar 2016</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Verordening jeugdhulp gemeente Zevenaar 2016</vet></al><al>De raad van de gemeente Zevenaar</al><al/><al>gelezen het voorstel van de colleges van burgemeester en wethouders van 3
                        november 2015;</al><al/><al>gelet op de artikelen 2.9, 2.10, 2.12 en 8.1.1 vierde lid van de
                        Jeugdwet;</al><al>gezien het advies van de commissie Samenleving;</al><al/><al>overwegende dat de Jeugdwet de verantwoordelijkheid voor het organiseren van
                        goede en toegankelijke jeugdhulp bij de gemeente heeft belegd, waarbij het
                        uitgangspunt is dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig
                        opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf
                        ligt;</al><al/><al>overwegende voorts dat het noodzakelijk is om regels vast te stellen:</al><al/><lijst><li nr="a."><al>over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en
                                overige voorzieningen, met betrekking tot de voorwaarden voor
                                toekenning en de wijze van beoordeling van, en de afwegingsfactoren
                                bij een individuele voorziening;</al></li><li nr="b."><al>over de wijze waarop de toegang tot en de toekenning van een
                                individuele voorziening wordt afgestemd met andere
                                voorzieningen,</al></li><li nr="c."><al>over de wijze waarop de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt
                                vastgesteld,</al></li><li nr="d."><al>voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een
                                individuele voorziening of een persoonsgebonden budget alsmede
                                misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet;</al></li><li nr="e."><al>over waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de
                                levering van jeugdhulp of de uitvoering van een
                                kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die
                                worden gesteld aan de kwaliteit daarvan;</al></li></lijst><al>besluit vast te stellen de Verordening jeugdhulp gemeenten Zevenaar
                        2016</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>I.</nr><titel>Algemeen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
                            onder:</al><lijst><li nr="1."><al>andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de
                                    Jeugdwet, maar op het gebied van zorg, onderwijs,
                                    maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen;</al></li><li nr="2."><al>hulpvraag: behoefte van een jeugdige of zijn ouders aan
                                    jeugdhulp in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen,
                                    psychische problemen en stoornissen, als bedoeld in artikel 2.3,
                                    eerste lid, van de wet;</al></li><li nr="3."><al>individuele voorziening: op de jeugdige of zijn ouders
                                    toegesneden voorziening als bedoeld in artikel 2, tweede lid;
                                    (niet-vrij toegankelijk)</al></li><li nr="4."><al>melding: melding van een hulpvraag als bedoeld in artikel 4,
                                    eerste lid;</al></li><li nr="5."><al>overige voorziening: overige voorziening als bedoeld in artikel
                                    2, eerste lid; (vrij toegankelijk)</al></li><li nr="6."><al>pgb: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1 van de
                                    wet, zijnde een door het college verstrekt budget aan een
                                    jeugdige of zijn ouders, dat hen in staat stelt de jeugdhulp die
                                    tot de individuele voorziening behoort van derden te
                                    betrekken;</al></li><li nr="7."><al>wet: Jeugdwet.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>II.</nr><titel>Voorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Vormen van jeugdhulp</titel></kop><al>De raad legt vormen van jeugdhulp op hoofdlijnen vast en delegeert
                            uitwerking aan het college</al><lijst><li nr="1."><al>De volgende vormen van overige voorzieningen zijn
                                    beschikbaar:</al><lijst><li nr="a."><al>informatie en advies over opvoeden en opgroeien;</al></li><li nr="b."><al>welzijnsactiviteiten;</al></li><li nr="c."><al>jeugdgezondheidszorg.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De volgende vormen van individuele voorzieningen zijn
                                    beschikbaar:</al><lijst><li nr="a."><al>ambulante hulpverlening;</al></li><li nr="b."><al>dagbehandeling;</al></li><li nr="c."><al>pleegzorg;</al></li><li nr="d."><al>residentiele zorg;</al></li><li nr="e."><al>crisishulp.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het college stelt bij nadere regeling vast welke overige en
                                    individuele voorzieningen op basis van het eerste en tweede lid
                                    beschikbaar zijn.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>III.</nr><titel>Procedure</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of
                                jeugdarts</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college draagt zorg voor de inzet van jeugdhulp na een
                                verwijzing door de huisarts, medisch specialist en jeugdarts naar
                                een jeugdhulpaanbieder, als en voor zover genoemde
                                jeugdhulpaanbieder van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is.
                            </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college legt de te verlenen individuele voorziening, dan wel het
                                afwijzen daarvan, vast in een beschikking als bedoeld in artikel
                                    9<cursief>.</cursief></al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In spoedeisende gevallen treft het college zo spoedig mogelijk een
                                passende tijdelijke maatregel of vraagt het college een machtiging
                                gesloten jeugdhulp als bedoeld in hoofdstuk 6 van de wet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Jeugdigen en ouders kunnen zich rechtstreeks wenden tot een overige
                                voorziening. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Toegang jeugdhulp via de gemeente, melding hulpvraag</titel></kop><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Jeugdigen en ouders kunnen een hulpvraag schriftelijk melden bij het
                                college.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college bevestigt de ontvangst van een melding
                                schriftelijk.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4 a.</nr><titel>Cliëntondersteuning</titel></kop><al>Het college wijst de jeugdige en/of de ouder voorafgaand aan het
                            onderzoek bedoeld in artikel 6 op de mogelijkheid gebruik te kunnen
                            maken van onafhankelijke cliëntondersteuning.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Vooronderzoek</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verzamelt alle voor het onderzoek, bedoeld in artikel 7,
                                van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de jeugdige en zijn
                                situatie, met inachtneming van de bepalingen over privacy en
                                gegevensuitwisseling die gelden op grond van de Jeugdwet en de Wet
                                op de bescherming persoonsgegevens, en maakt vervolgens zo spoedig
                                mogelijk met hem een afspraak voor een gesprek.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor het gesprek verschaffen de jeugdige of zijn ouders aan het
                                college alle overige gegevens en bescheiden die naar het oordeel van
                                het college voor het onderzoek nodig zijn en waarover zij
                                redelijkerwijs de beschikking kunnen krijgen. De jeugdige of zijn
                                ouders verstrekken in ieder geval een identificatiedocument als
                                bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter
                                inzage.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan in overleg met de jeugdige of zijn ouders afzien van
                                een vooronderzoek als bedoeld in het eerste en tweede lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Het onderzoek</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college onderzoekt in een gesprek tussen deskundigen en de
                                jeugdige of zijn ouders, zo spoedig mogelijk en voor zover
                                nodig:</al><lijst><li nr="a."><al>de behoeften, persoonskenmerken, voorkeuren, veiligheid,
                                        ontwikkeling en gezinssituatie van de jeugdige en het
                                        probleem of de hulpvraag;</al></li><li nr="b."><al>het gewenste resultaat van het verzoek om jeugdhulp;</al></li><li nr="c."><al>het vermogen van de jeugdige of zijn ouders om zelf of met
                                        ondersteuning van de naaste omgeving een oplossing voor de
                                        hulpvraag te vinden; </al></li><li nr="d."><al>de mogelijkheden om gebruik te maken van een andere
                                        voorziening;</al></li><li nr="e."><al>de mogelijkheden om jeugdhulp te verlenen met gebruikmaking
                                        van een overige voorziening;</al></li><li nr="f."><al>de mogelijkheden om een individuele voorziening te
                                        verstrekken; </al></li><li nr="g."><al>de wijze waarop een mogelijk toe te kennen individuele
                                        voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het
                                        gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning,
                                        of werk en inkomen;</al></li><li nr="h."><al>hoe rekening zal worden gehouden met de godsdienstige
                                        gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond
                                        van de jeugdige en zijn ouders, en;</al></li><li nr="i."><al>de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een
                                        pgb, waarbij de jeugdige of zijn ouders in begrijpelijke
                                        bewoordingen worden ingelicht over de gevolgen van die
                                        keuze.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In de gevallen bedoeld in artikel 8.2.1 (in situaties van jeugdhulp
                                buiten de thuissituatie) van de wet informeert het college de ouders
                                dat een ouderbijdrage is verschuldigd en hoe deze bijdrage wordt
                                geïnd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college informeert de jeugdige of zijn ouders over de gang van
                                zaken bij het gesprek, hun rechten en plichten en de
                                vervolgprocedure en vraagt hen toestemming om hun persoonsgegevens
                                te verwerken.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan in overleg met de jeugdige of zijn ouders afzien van
                                een gesprek.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Verslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college zorgt voor schriftelijke verslaglegging van het
                                onderzoek, bedoeld in artikel 6.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Opmerkingen of latere aanvullingen van de jeugdige of zijn ouders
                                worden aan het verslag toegevoegd<cursief>. </cursief></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Kwaliteitseisen jeugdhulp</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Door het voeren van jaarlijkse evaluatiegesprekken met aanbieders en
                                onafhankelijke klanttevredenheidsonderzoeken, wordt toezicht
                                gehouden op het naleven van de kwaliteitseisen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het besluit op de aanvraag is zo nodig afgestemd op de domeinen
                                onderwijs, zorg, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen,
                                politie en justitie.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor de Zorg in Natura aanbieders gelden de standaardregels zoals
                                opgenomen in de contractering. Voor PGB zorgaanbieders gelden
                                daarbij de volgende kwaliteitseisen:</al><lijst><li nr="a."><al>Vog verklaring van de professionals</al></li><li nr="b."><al>Een zorgaanbieder mag niet op de zwarte lijst van de
                                        gemeente staan vanwege ondeskundige zorg, het handelen in
                                        strijd met de Jeugdwet, de nadere regels en de gemeentelijke
                                        voorwaarden en beleid, misleiding, fraude en uitbuiting
                                        personeel. </al></li><li nr="c."><al>Jeugdhulpverleners zijn geregistreerd in het beroepsregister
                                        zoals bedoeld in de nadere regels. </al></li><li nr="d."><al>Hulpaanbieders zijn verplicht te melden in de verwijsindex
                                        (VIR) en hanteren de meldcode Huiselijk Geweld en
                                        Kindermishandeling. </al></li><li nr="e."><al>Hulpverleners kunnen de grenzen van het eigen kunnen en
                                        bevoegdheden inschatten en aangeven wanneer specialistische
                                        ondersteuning is gewenst, bijvoorbeeld van uit het flexibele
                                        aanbod dan wel specialistische hulp. </al></li><li nr="f."><al>De hulpaanbieder werkt actief samen met andere
                                        jeugdhulpverleners wanner er sprake is van een bedreiging
                                        van de veiligheid of welzijn van de jeugdige of betrokkenen.
                                    </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Inhoud beschikking</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij het treffen van een voorziening legt het college in ieder geval
                                de volgende onderdelen bij beschikking vast: </al><lijst><li nr="a."><al>de conclusies uit het onderzoek;</al></li><li nr="b."><al>de resultaten die bereikt dienen te worden;</al></li><li nr="c."><al>de duur van de voorziening; </al></li><li nr="d."><al>welke voorziening(en) het college treft om het resultaat te
                                        bereiken; </al></li><li nr="e."><al>in welke vorm de voorziening wordt verstrekt;</al></li><li nr="f."><al>of er sprake is van een tussentijdse evaluatie en de wijze
                                        waarop dit plaatsvindt;</al></li><li nr="g."><al>de voorwaarden waaronder de voorziening is verstrekt;</al></li><li nr="h."><al>de wijze waarop bezwaar gemaakt kan worden tegen de
                                        beschikking.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij het verstrekken van een voorziening in de vorm van een pgb wordt
                                tevens in de beschikking in ieder geval vastgelegd:</al><lijst><li nr="a."><al>welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het
                                        pgb;</al></li><li nr="b."><al>wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen;
                                        en</al></li><li nr="c."><al>de wijze van verantwoording van de besteding van het
                                        pgb.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als sprake is van een te betalen ouderbijdrage worden de jeugdige of
                                zijn ouders daarover in de beschikking
                                    geïnformeerd<cursief>.</cursief></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of
                                terugvordering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd artikel 8.1.2 van de wet doen een jeugdige of zijn
                                ouders op verzoek of onverwijld uit eigen beweging aan het college
                                mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hun
                                redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn
                                tot heroverweging van een beslissing aangaande een individuele
                                voorziening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd artikel 8.1.4 van de wet kan het college een beslissing
                                aangaande een individuele voorziening herzien dan wel intrekken als
                                het college vaststelt dat:</al><lijst><li nr="a."><al>de jeugdige of zijn ouders onjuiste of onvolledige gegevens
                                        hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige
                                        gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid;</al></li><li nr="b."><al>de jeugdige of zijn ouders niet langer op de individuele
                                        voorziening of op het pgb zijn aangewezen;</al></li><li nr="c."><al>de individuele voorziening of het pgb niet meer toereikend
                                        is te achten;</al></li><li nr="d."><al>de jeugdige of zijn ouders niet voldoen aan de voorwaarden
                                        van de individuele voorziening of het pgb, of;</al></li><li nr="e."><al>de jeugdige of zijn ouders de individuele voorziening of het
                                        pgb niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het
                                        is bestemd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als het college een beslissing op grond van het tweede lid, onder a,
                                heeft ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige
                                gegevens opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het college van
                                degene die opzettelijk onjuiste of onvolledige gegevens heeft
                                verschaft geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten
                                onrechte genoten individuele voorziening of het ten onrechte genoten
                                pgb.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als
                                blijkt dat het pgb binnen zes maanden na uitbetaling niet is
                                aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de
                                verlening heeft plaatsgevonden.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college onderzoekt uit het oogpunt van kwaliteit van de
                                geleverde zorg, al dan niet steekproefsgewijs, de bestedingen van
                                pgb’s.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>IV.</nr><titel>Persoonsgebonden Budget (PGB)</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Regels voor een PGB</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verstrekt, indien cliënt dit wenst, een persoonsgebonden
                                budget indien:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>de jeugdige en zijn ouder naar het oordeel van het college in staat
                                zijn de aan een budget verbonden taken op verantwoorde wijze uit te
                                voeren; </al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de jeugdige en zijn ouder zich gemotiveerd op het standpunt stellen
                                dat zij de individuele voorziening niet wensen geleverd te krijgen
                                door een door het college voorgestelde jeugdhulpaanbieder, en </al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de jeugdhulp die
                                tot de individuele voorziening behoort en die de jeugdige en zijn
                                ouder van het budget willen betrekken, van goede kwaliteit is. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd artikel 8.1.1 van de wet verstrekt het college geen pgb
                                voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de
                                belanghebbende voorafgaand aan de indiening van de aanvraag heeft
                                gemaakt en niet meer is na te gaan of de ingekochte voorziening
                                noodzakelijk was.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De maximale omvang van het persoonsgebonden budget wordt op maat
                                vastgesteld en wordt bepaald aan de hand van en tot het maximum van
                                de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst
                                compenserende voorziening in natura.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het persoonsgebonden budget is toereikend voor de aanschaf van de
                                maatwerkvoorziening.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college regelt de manier waarop het persoonsgebonden budget
                                wordt vastgesteld in de nadere regels die behoren bij de Verordening
                                jeugdhulp Zevenaar 2016.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Hoogte persoonsgebonden budget</titel></kop><al>De hoogte van een persoonsgebonden budget:</al><lijst><li nr="a."><al>wordt mede bepaald aan de hand van een door de cliënt opgesteld
                                    plan over hoe hij het persoonsgebonden budget gaat besteden;
                                </al></li><li nr="b."><al>bedraagt niet meer dan de kostprijs van de in de betreffende
                                    situatie goedkoopst adequate voorziening in natura; </al></li><li nr="c."><al>bedraagt nooit meer dan de werkelijk gemaakte kosten.</al></li><li nr="2."><al>De hoogte van een persoonsgebonden budget voor:</al></li><li nr="a."><al>individuele begeleiding door een niet daartoe opgeleid persoon
                                    die mantelzorger is of afkomstig is uit het sociale netwerk van
                                    de cliënt bedraagt maximaal € 20,00 per uur.</al></li><li nr="b."><al>individuele begeleiding door een daartoe opgeleide persoon (en
                                    aangesloten bij de voor deze branche van toepassing zijnde
                                    beroepsorganisatie) bedraagt maximaal € 65,00 per uur.
                                    </al></li><li nr="c."><al>begeleiding groep bedraagt maximaal € 50,00 per dagdeel </al></li><li nr="d."><al>kortdurend verblijf bedraagt maximaal € 101,00 per etmaal</al></li><li nr="e."><al>vervoer van en naar de zorgaanbieder bij c en d wordt bepaald op
                                    basis een kilometervergoeding van € 0,31 per kilometer die
                                    uitgaat van de dichtst bij de woning van de jeugdige gelegen
                                    geschikte locatie. </al></li><li nr="f."><al>persoonlijke verzorging bedraagt maximaal € 27,01 per uur</al></li><li nr="3."><al>Tussenpersonen of belangenbehartigers mogen niet uit het
                                    persoonsgebonden budget worden betaald.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>V.</nr><titel>Algemene en bijzondere bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Meldingsregeling calamiteiten en geweld</titel></kop><al>Calamiteiten en geweldsincidenten dienen zo spoedig mogelijk maar
                            uiterlijk binnen 5 werkdagen gemeld te worden bij de toezichthoudend
                            ambtenaar. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Betrekken van ingezetenen bij het beleid</titel></kop><al>De wijze van medezeggenschap van ingezetenen is geregeld in de
                            Verordening Participatieraad gemeente Zevenaar.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Monitoring</titel></kop><al>Het college verzamelt ter bevordering van de kwaliteit en de
                            continuïteit van voorzieningen, systematisch informatie over:</al><lijst><li nr="a."><al>De ervaringen bij de toegekende voorzieningen</al></li><li nr="b."><al>De mate waarop de toegekende voorzieningen bijdragen aan de
                                    (sociaal/economische) zelfredzaamheid en participatie van
                                    cliënten;</al></li><li nr="c."><al>In hoeverre de resultaten uit de beschikkingen daadwerkelijk
                                    worden bereikt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Nadere regels</titel></kop><al>Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot het bepaalde in
                            deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Indexering</titel></kop><al>Het college kan jaarlijks per 1 januari de bedragen, neergelegd in de op
                            deze verordening berustende nadere regels, verhogen of verlagen conform
                            de trendmatige aanpassing van de gemeente Zevenaar.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan de bepalingen in deze verordening ten gunste van de
                            cliënt buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover van
                            toepassing, gelet op het belang dat deze verordening beoogt te
                            beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>VI.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Intrekking oude verordening en overgangsrecht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De Verordening Jeugdhulp gemeente Zevenaar 2015 wordt
                                ingetrokken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond
                                van de Verordening Jeugdhulp Zevenaar 2015, totdat het college een
                                nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze
                                voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening Jeugdhulp Zevenaar
                                2015, en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van
                                deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze
                                verordening.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de Verordening
                                Jeugdhulp Zevenaar 2015, wordt beslist met inachtneming van die
                                verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2016</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening jeugdhulp
                                    gemeente Zevenaar 2016</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad van de gemeente
                        Zevenaar gehouden op 21 december 2015,</al><al>De raad voornoemd,</al></slotformulering><ondertekening>de griffier de voorzitter</ondertekening><ondertekening>H.Westra J.A. de Ruiter</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting bij de verordening Jeugdhulp Zevenaar 2016</titel></kop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>Deze verordening geeft uitvoering aan de Jeugdwet. Deze wet maakt onderdeel uit
                    van de bestuurlijke en financiële decentralisatie naar gemeenten van de
                    jeugdzorg, de jeugd-ggz, de zorg voor verstandelijk beperkte jeugdigen en de
                    begeleiding en persoonlijke verzorging van jeugdigen. Daarnaast wordt met deze
                    wet een omslag gemaakt van een stelsel gebaseerd op een wettelijk recht op zorg
                    (aanspraak) naar een stelsel op basis van een voorzieningenplicht voor gemeenten
                    (voorziening), op een wijze zoals eerder is gebeurd met de Wet maatschappelijke
                    ondersteuning (Wmo). Het wettelijke recht op jeugdzorg en individuele aanspraken
                    op jeugdzorg worden hierbij vervangen door een voorzieningenplicht waarvan de
                    aard en omvang in beginsel door de gemeente worden bepaald (maatwerk). Het doel
                    van het jeugdzorgstelsel blijft echter onverminderd overeind: jeugdigen en
                    ouders krijgen waar nodig tijdig bij hun situatie passende hulp, met als beoogd
                    doel ervoor te zorgen de eigen kracht van de jongere en het zorgend en
                    probleemoplossend vermogen van het gezin te versterken.</al><al/><al>De Jeugdwet schrijft in de artikelen 2.9, 2.10 en 2.12 voor dat de gemeenteraad
                    per verordening in ieder geval regels opstelt:</al><al/><al>over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en overige
                    (jeugdhulp)voorzieningen; </al><al/><al>met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning, de wijze van beoordeling van
                    en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening;</al><al/><al>over de wijze waarop de toegang tot en de toekenning van een individuele
                    voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op gebied van zorg,
                    onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen;</al><al/><al>over de wijze waarop de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt
                    vastgesteld;</al><al/><al>voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele
                    voorziening of persoonsgebonden budget, alsmede van misbruik of oneigenlijke
                    gebruik van de Jeugdwet; </al><al/><al>over de wijze waarop ingezetenen worden betrokken bij de uitvoering van de
                    Jeugdwet, en</al><al/><al>ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering en de
                    eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van jeugdhulp,
                    kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, waar het college ten aanzien
                    daarvan de uitvoering van de Jeugdwet door derden laat verrichten. Hierbij dient
                    rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de
                    toepasselijke arbeidsvoorwaarden. </al><al/><al>Artikel 2.9 van de Jeugdwet biedt verder ruimte om met inachtneming van het
                    bepaalde bij of krachtens de Jeugdwet andere regels te stellen. Deze verordening
                    maakt hier spaarzaam gebruik van; om een meer compleet beeld te geven van de
                    rechten en plichten van burgers en de gemeente. </al><al/><tussenkop>Toeleiding naar de jeugdhulp</tussenkop><al/><al>De toeleiding naar de jeugdhulp kan op verschillende manieren plaatsvinden.</al><al/><tussenkop>Vrij toegankelijk</tussenkop><al/><al>In de verordening is onderscheid gemaakt tussen overige (vrij-toegankelijke) en
                    individuele (niet vrij-toegankelijke) voorzieningen op het gebied van jeugdhulp
                    (zie artikel 2, eerste, respectievelijk tweede lid). Voor een deel van de
                    hulpvragen zal volstaan kunnen worden met een vrij-toegankelijke voorziening.
                    Hier kunnen de jeugdige en zijn ouders gebruik van maken zonder dat zij daarvoor
                    een verwijzing of een besluit van de gemeente nodig hebben. De jeugdige en zijn
                    ouders kunnen zich voor deze jeugdhulp dus rechtstreeks tot de
                    jeugdhulpaanbieder wenden.</al><al/><tussenkop>Toegang jeugdhulp via de gemeente</tussenkop><al/><al>Ook kan een hulpvraag van een jeugdige of zijn ouder binnenkomen bij de
                    gemeente. De beslissing door de gemeente welke zorg een jeugdige of zijn ouder
                    precies nodig heeft, komt vervolgens tot stand in overleg met die jeugdige en
                    zijn ouders. In een gesprek tussen een door de gemeente ingezette deskundige en
                    de jeugdige en zijn ouders zal gekeken worden wat de jeugdige en zijn ouders
                    eventueel zelf of met behulp van hun netwerk kunnen doen aan het probleem. Als
                    aanvullend daarop een voorziening op het gebied van jeugdhulp nodig is, dan zal
                    eerst gekeken worden of dit een vrij-toegankelijke voorziening is of een niet
                    vrij-toegankelijke voorziening. Is het laatste het geval dan neemt deze
                    deskundige, namens het college, een besluit en verwijst hij de jeugdige door
                    naar de jeugdhulpaanbieder die volgens de deskundige de aangewezene is om de
                    betreffende problematiek aan te pakken. </al><al/><tussenkop>Toegang via de huisarts, de jeugdarts en de medisch
                    specialist</tussenkop><al/><al>De Jeugdwet regelt daarnaast dat de jeugdhulp toegankelijk is na een verwijzing
                    door de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist. Na een dergelijke
                    verwijzing staat echter nog niet vast welke specifieke behandelvorm van
                    jeugdhulp (dus bijvoorbeeld welke therapie) een jeugdige of zijn ouder precies
                    nodig heeft. Een jeugdige kan op dat moment terecht bij de jeugdhulpaanbieders
                    die de gemeente heeft ingekocht. In de praktijk zal het de jeugdhulpaanbieder
                    zelf zijn die op basis van zijn professionele autonomie na de verwijzing
                    beoordeelt welke voorziening precies nodig is (de behandelvorm), hoe vaak iemand
                    moet komen (de omvang) en hoe lang (de duur). Bij deze beoordeling dient de
                    jeugdhulpaanbieder zich te houden aan de afspraken die hij daarover met de
                    gemeente heeft gemaakt in het kader van de contract- of subsidierelatie. Deze
                    afspraken zien toe op hoe de gemeente haar regierol kan waarmaken en op de
                    omvang van het pakket. Deze afspraken zullen verder ook ingaan op hoe de artsen
                    en de gemeentelijke toegang goed van elkaar op de hoogte zijn van de
                    doorverwijzing of behandeling van een kind, zodat de integrale benadering rond
                    het kind en het principe van 1 gezin – 1 regie – 1 plan, met name bij
                    multiproblematiek, kan worden geborgd; en er geen nieuwe ‘verkokering’ zal
                    plaatsvinden, waarbij professionals niet goed van elkaar weten dat zij bij het
                    gezin betrokken zijn. Daarnaast zal de jeugdhulpaanbieder rekening moeten houden
                    met de regels die de gemeente bij verordening heeft gesteld. Deze verordening
                    regelt welk aanbod van de gemeente alleen via verwijzing of met een besluit van
                    de gemeente toegankelijk is (zie artikel 2). Omdat de gemeente verder geen
                    nadrukkelijke rol speelt bij de toegang via de huisarts, de jeugdarts en de
                    medisch specialist, regelt deze slechts een enkel aspect met betrekking tot het
                    proces (zie artikel 3). Artikel 9 en verder zijn wel van overeenkomstige
                    toepassing.</al><al/><tussenkop>Toegang via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter, het openbaar
                    ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële
                    jeugdinrichting</tussenkop><al/><al>Een andere ingang tot de jeugdhulp is via de gecertificeerde instelling, de
                    kinderrechter (via een kinderbeschermingsmaatregel of een maatregel tot
                    jeugdreclassering), het openbaar ministerie en de directeur of de
                    selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting. De gecertificeerde
                    instelling is verplicht om bij de bepaling van de in te zetten jeugdhulp, in het
                    kader van een door de rechter opgelegde kinderbeschermingsmaatregel of
                    jeugdreclassering, te overleggen met de gemeente. Uiteraard kan bij dit overleg
                    een kostenafweging plaatsvinden. De gemeente is op haar beurt vervolgens
                    gehouden de jeugdhulp in te zetten die deze partijen nodig achten ter uitvoering
                    van de kinderbeschermingsmaatregel of de jeugdreclassering. Deze leveringsplicht
                    van de gemeente vloeit voort uit het feit dat uitspraken van rechters te allen
                    tijde moeten worden uitgevoerd om rechtsgelijkheid en rechtszekerheid te kunnen
                    garanderen. Ook hier geldt dat de gecertificeerde instelling in beginsel
                    gebonden is aan de jeugdhulp die de gemeente heeft ingekocht. Als de
                    kinderrechter een ondertoezichtstelling of gezagsbeëindiging uitspreekt, wijst
                    hij gelijktijdig in de beschikking de gecertificeerde instelling aan die de
                    maatregel gaat uitvoeren. Dit kan de rechter juist omdat de raad voor de
                    kinderbescherming in zijn verzoekschrift een concreet advies geeft over welke
                    gecertificeerde instelling de maatregel zou moeten uitvoeren. De raad voor de
                    kinderbescherming neemt een gecertificeerde instelling in zijn verzoekschrift
                    op, die, na overleg met de gemeente en gezien de concrete omstandigheden van het
                    geval, hiervoor het meest geschikt lijkt. De raad voor de kinderbescherming is
                    verplicht om hierover met de gemeente te overleggen. Deze toegang wordt al in de
                    Jeugdwet zelf geregeld en komt verder dus niet terug in deze verordening.</al><al/><tussenkop>Toegang via het advies- en meldpunt huiselijk geweld en
                    kindermishandeling (AMHK)</tussenkop><al/><al>Ten slotte vormt ook het AMHK een toegang tot onder andere jeugdhulp. Het AMHK
                    geeft advies over vermoedens en gevallen van huiselijk geweld en
                    kindermishandeling, onderzoekt indien nodig op basis van een melding of er
                    sprake is van kindermishandeling, motiveert zo nodig ouders tot accepteren van
                    jeugdhulp en legt daartoe contacten met de hulpverlening. Deze toegang wordt al
                    in de Jeugdwet zelf geregeld en komt verder dus niet terug in deze
                    verordening.</al><al/><tussenkop>Artikelsgewijs</tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 1. Begripsbepalingen</tussenkop><al/><al>Onder het begrip ‘<onderstreept>andere voorziening</onderstreept>’ wordt in deze
                    verordening verstaan een voorziening die niet op grond van de Jeugdwet wordt
                    getroffen, maar in het kader van maatschappelijke ondersteuning, onderwijs, werk
                    en inkomen of zorg. Zie ook artikel 2.9, onder b, van de wet. De
                        <onderstreept>individuele voorzieningen</onderstreept> en
                        <onderstreept>overige voorzieningen</onderstreept> zijn opgenomen in artikel
                    2. Hoe individuele voorzieningen verkregen kunnen worden, is nader geregeld in
                    artikel 3 [<cursief>e.v.</cursief>].</al><al/><tussenkop>De melding is het eerste contact van jeugdigen en ouders met het college
                    om aan te geven dat zij behoefte hebben aan jeugdhulp. De melding (artikel 4) is
                    iets anders dan de aanvraag om een individuele voorziening; dit laatste is
                    geregeld in artikel 8. </tussenkop><al/><al><cursief>Het
                        </cursief><cursief><onderstreept>gesprek</onderstreept></cursief><cursief>
                        is het mondeling contact bij het onderzoek naar de hulpvraag waarin het
                        college - in de praktijk zal het college deze bevoegdheid mandateren aan
                        deskundigen - met degene die jeugdhulp vraagt zijn gehele situatie bespreekt
                        ten aanzien van de ondervonden problemen en de gevolgen daarvan en de
                        gewenste resultaten van de te kiezen oplossingen.</cursief>]</al><al/><al>De definitie van ‘pgb’ is opgenomen omdat de afkorting
                        <onderstreept>pgb</onderstreept> in het spraakgebruik inmiddels meer is
                    ingeburgerd dan voluit ‘persoonsgebonden budget’.</al><al/><al>Het aantal definities van artikel 1 is beperkt aangezien de wet al een flink
                    aantal definities kent die ook bindend zijn voor deze verordening. Deze
                    wettelijke definities zijn dan ook niet nogmaals opgenomen in de verordening.
                    Het betreft onder meer definities van centrale begrippen als ‘jeugdhulp’,
                    ‘jeugdige’ en ‘ouder’. In de verordening gebruiken we de begrippen jeugdige en
                    ouder overeenkomstig de Jeugdwet. Indien mogelijk aangeduid algemeen als
                    ‘jeugdigen en ouders’ en specifiek veelal als ‘de jeugdige of zijn ouders’.
                    Gebruik van ‘of’ impliceert ook de betekenis ‘en’. Met de aanduiding ‘de
                    jeugdige of zijn ouders’ bedoelen we dus: de jeugdige (van bijvoorbeeld 16 jaar
                    of ouder) zelfstandig, de jeugdige met een of beide ouders (in de definitie van
                    artikel 1 van de wet: de gezaghebbend ouder, adoptiefouder, stiefouder of een
                    ander die een jeugdige als behorend tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, niet
                    zijnde een pleegouder) (bij een jeugdige tussen de 12 en de 16 jaar), of de
                    ouders namens de jeugdige (bij een jeugdige jonger dan 12 jaar). </al><al>In artikel 1.1 van de wet is jeugdhulp als volgt gedefinieerd:</al><al/><tussenkop>1°. ondersteuning van en hulp en zorg, niet zijnde preventie, aan
                    jeugdigen en hun ouders bij het verminderen, stabiliseren, behandelen en
                    opheffen van of omgaan met de gevolgen van psychische problemen en stoornissen,
                    psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de
                    jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouders of adoptiegerelateerde
                    problemen;</tussenkop><al/><tussenkop>2°. het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijk verkeer en van
                    het zelfstandig functioneren van jeugdigen met een somatische, verstandelijke,
                    lichamelijke of zintuiglijke beperking, een chronisch psychisch probleem of een
                    psychosociaal probleem en die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben
                    bereikt, en</tussenkop><al/><tussenkop>3°. het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het gebied
                    van de persoonlijke verzorging gericht op het opheffen van een tekort aan
                    zelfredzaamheid bij jeugdigen met een verstandelijke, lichamelijke of
                    zintuiglijke beperking of een somatische of psychiatrische aandoening of
                    beperking, die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, met dien
                    verstande dat de leeftijdgrens van achttien jaar niet geldt voor jeugdhulp in
                    het kader van jeugdstrafrecht.</tussenkop><al/><al>Ook de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kent een aantal
                    definitiebepalingen die voor deze verordening van belang zijn, zoals: ‘aanvraag’
                    (artikel 1:3, derde lid, van de Awb) en ‘beschikking’ (artikel 1:2 van de
                    Awb).</al><al/><tussenkop>Artikel 2. Vormen van jeugdhulp </tussenkop><al/><al>Dit artikel geeft een nadere uitwerking van de verplichte delegatiebepaling van
                    artikel 2.9, onder a, van de wet, waarin is bepaald dat de gemeente bij
                    verordening regels stelt over de door het college te verlenen individuele
                    voorzieningen en overige (jeugdhulp)voorzieningen. Uit de memorie van
                    toelichting op de wet (Kamerstukken II 2012/13, 33 684, nr. 3) komt naar voren
                    dat de burger recht heeft op een duidelijk beeld van het aanbod van
                    voorzieningen binnen de gemeente.</al><al/><al>Het begrip 'voorziening' is een lastig te vatten begrip. De wetgever waagt zich
                    dan ook niet aan een definitie, maar geeft wel in de memorie van toelichting aan
                    dat de door de gemeente te treffen voorziening zowel een algemene, vrij
                    toegankelijke voorziening kan zijn als een individuele voorziening. Een
                    individuele voorziening zal vaak betrekking hebben op meer gespecialiseerde
                    zorg. De gemeente bepaalt zelf welke hulp vrij toegankelijk is en welke niet.
                    Voor de niet vrij toegankelijke vormen van ondersteuning zal door de gemeente
                    (artikel 4 [<cursief>tot en met 8</cursief>]) of door de huisarts, medisch
                    specialist of jeugdarts en de jeugdhulpaanbieder (artikel 3) eerst beoordeeld
                    moeten worden of de jeugdige of zijn ouders deze ondersteuning daadwerkelijk
                    nodig hebben.</al><al/><al>Voorzieningen in de zin van de Jeugdwet zijn gerelateerd aan de drieledige
                    wettelijke definitie van jeugdhulp (zie de toelichting op artikel 1). Een
                    voorziening kan derhalve een breed spectrum van verschillende soorten
                    ondersteuning, hulp en zorg omvatten. Een beschrijving is gewenst omdat de
                    wetgever gemeenten opdraagt ervoor te zorgen dat de burger zich een beeld kan
                    vormen van de voorzieningen in het kader van jeugdhulp.</al><al/><tussenkop>Artikel 3 Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of
                    jeugdarts</tussenkop><al/><al>In artikel 2.6, eerste lid, onderdeel g, van de Jeugdwet is geregeld dat, naast
                    de gemeentelijk georganiseerde toegang tot jeugdhulp, ook de directe
                    verwijzingsmogelijkheid door de huisarts, medisch specialist en jeugdarts naar
                    de jeugdhulp blijft bestaan. Dit laatste geldt zowel voor de vrij-toegankelijke
                    (overige) voorzieningen als de niet vrij-toegankelijke (individuele)
                    voorzieningen. Met een dergelijke verwijzing kan de jeugdige rechtstreeks
                    aankloppen bij de jeugdhulpaanbieder. In de praktijk zal het de
                    jeugdhulpaanbieder (bijvoorbeeld de jeugdpsychiater, de gezinswerker of
                    orthopedagoog) zijn die na de verwijzing (stap 1) beoordeelt welke jeugdhulp
                    precies nodig is. Deze bepaalt in overleg met de jeugdige of ouder daadwerkelijk
                    de concrete inhoud, vorm, omvang en duur van de benodigde jeugdhulp. Deze
                    aanbieder stelt dus feitelijk vast wat naar zijn oordeel de inhoud van de
                    benodigde voorziening dient te zijn en hij zal zijn oordeel mede baseren op de
                    protocollen en richtlijnen die voor een professional de basis van zijn handelen
                    vormen (stap 2). Zie ook de algemene toelichting.</al><al/><al>Als de jeugdige of zijn ouders dit wensen òf in het uitzonderlijke geval dat het
                    college een besluit neemt dat afwijkt van het oordeel van de jeugdhulpaanbieder,
                    legt het college de te verlenen individuele voorziening, dan wel het afwijzen
                    daarvan, vast in een beschikking aan de jeugdige of zijn ouders. Op die manier
                    wordt de jeugdige en zijn ouders de benodigde rechtsbescherming geboden en wordt
                    voorkomen dat het college talloze beschikkingen moet afgeven die hetzelfde
                    luiden als hetgeen de jeugdige of zijn ouders naar het oordeel van de
                    jeugdhulpaanbieder nodig hebben.</al><al/><tussenkop>Artikel 4 Toegang jeugdhulp via de gemeente, melding
                    hulpvraag</tussenkop><al/><al>Voor het verkrijgen van een individuele, niet overige voorziening, geldt de in
                    artikel 4 tot en met 8 beschreven procedure. Bij het onderzoek ter beoordeling
                    van een aangemelde hulpvraag zal, zoals beschreven in artikel 6, in een gesprek
                    met de jeugdige en zijn ouders de gehele situatie worden bekeken en kan
                    bijvoorbeeld alsnog worden verwezen naar een overige jeugdhulpvoorziening in
                    plaats van, of naast, mogelijke toekenning van een individuele voorziening.</al><al/><al>Eerste lid: het college is verantwoordelijk voor de inzet van de noodzakelijke
                    voorzieningen op het gebied van jeugdhulp. Het college is bevoegd om de toegang
                    tot jeugdhulp te verlenen op grond van de wet. In de praktijk zal het college de
                    beslissing over het inzetten van jeugdhulp niet zelf uitvoeren, maar mandateren
                    aan deskundigen. Ook op andere plaatsen in deze verordening en in de wet waar
                    staat “het college”, kan het college deze bevoegdheid mandateren naar
                    ondergeschikten dan wel niet-ondergeschikten op grond van de algemene regels van
                    de Awb. </al><al/><al>Vierde lid: de jeugdige of zijn ouders die een beroep willen doen op een overige
                    voorziening kunnen hier direct naartoe zonder meldingsprocedure in de zin van
                    (artikel 4 en volgende) deze verordening.</al><al/><al>Zoals in de algemene toelichting al is aangehaald hebben jeugdigen en ouders
                    onder de Jeugdwet geen wettelijk recht op jeugdzorg en geen individuele
                    aanspraken op jeugdzorg. Wel is er een voorzieningenplicht voor de gemeente en
                    het daaruit voortvloeiende recht van jeugdigen en ouders op een zorgvuldige
                    procedure. Deze verordening bevat een aantal bepalingen die dit moeten
                    waarborgen. Hiermee kan ten onrechte de schijn worden gewekt dat het telkens om
                    een uitvoerig, onnodig bureaucratische proces gaat. Dit is echter geenszins de
                    bedoeling. Zo kan het vooronderzoek (artikel 5), afhankelijk van de inhoud van
                    de melding, meer of minder uitgebreid zijn. Er kan bovendien hiervan – en in
                    bepaalde gevallen ook van het gesprek (artikel 6) – in overleg met de jeugdige
                    of zijn ouders afgezien worden. Daartegenover staat dat, als dat nodig is, er
                    ook sprake kan zijn van meerdere (opeenvolgende gesprekken). Als de jeugdige al
                    bij de gemeente bekend is, zullen een aantal gespreksonderwerpen niet meer
                    uitgediept hoeven te worden. Komen een jeugdige of zijn ouders voor het eerst
                    bij de gemeente, dan zal een gesprek nodig zijn om een totaalbeeld van de
                    jeugdige en zijn situatie te krijgen. Een vooronderzoek en gesprek zullen
                    uiteindelijk vaak wel in enige vorm nodig zijn, omdat voor een zorgvuldig te
                    nemen besluit het van belang is dat alle feiten en omstandigheden van de
                    specifieke hulpvraag worden onderzocht. Ook andere bepalingen (schriftelijke
                    verslaglegging (artikel 7) en schriftelijke indiening aanvraag (artikel 8)) zijn
                    opgenomen met het oog op een zorgvuldige procedure en in het belang van een
                    zorgvuldige dossiervorming.</al><al/><tussenkop>Artikel 4a. Cliëntondersteuning</tussenkop><al/><al>Cliëntondersteuning houdt in: onafhankelijke ondersteuning met informatie,
                    advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de
                    zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke
                    dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve
                    zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen. Het college
                    moet ervoor zorg dragen dat cliëntondersteuning beschikbaar is en dat bij de
                    cliëntondersteuning het belang van cliënt uitgangspunt is.</al><al/><tussenkop>Artikel 5. Vooronderzoek</tussenkop><al/><al>Deze bepaling is hier opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen en te
                    zorgen dat jeugdigen en ouders goed worden geïnformeerd. </al><al/><al>Het eerste lid dient ter voorbereiding van het gesprek waarbij voor het
                    onderzoek naar aanleiding van de melding relevante bekende gegevens in kaart
                    worden gebracht, zodat cliënten niet worden belast met vragen over zaken die bij
                    de gemeente al bekend zijn en een goede afstemming mogelijk is met eventuele
                    andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke
                    ondersteuning of werk en inkomen. De regels met betrekking tot de privacy van
                    betrokkenen en gegevensuitwisseling die gelden op grond van de Jeugdwet en de
                    Wet bescherming persoonsgegevens zijn hierop van overeenkomstige toepassing.
                    Indien gegevens nodig zijn waartoe het college geen toegang heeft in verband met
                    de privacyregels, kan het college de jeugdige of zijn ouders vragen om
                    toestemming om deze op te vragen of in te zien. Het vooronderzoek kan
                    afhankelijk van de inhoud van de melding meer of minder uitgebreid zijn en omvat
                    ook de uitnodiging voor het gesprek.</al><al/><al>Tweede lid: bij de vaststelling van de datum, het tijdstip en de locatie voor
                    het gesprek kunnen dan ook al wat concrete vragen worden gesteld of aan de
                    jeugdige of zijn ouders worden verzocht om nog een aantal stukken te overleggen.
                    In het kader van de rechtmatigheid wordt in ieder geval de identiteit van de
                    jeugdige of ouders vastgesteld aan de hand van een document als bedoeld in
                    artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht. Tevens kan worden beoordeeld of
                    sprake is van een voorliggende voorziening en of het college op grond van
                    artikel 1.2 van de wet al dan niet is gehouden om een voorziening op basis van
                    deze wet te treffen.</al><al/><al>In het derde lid is een bepaling opgenomen ter voorkoming van onnodige
                    bureaucratie. Als de gemeente al een dossier heeft van de jeugdige of zijn
                    ouders, en de jeugdige of zijn ouders geven toestemming om dit dossier te
                    gebruiken, dan kan een vooronderzoek achterwege blijven. Een gesprek over de
                    acute hulpvraag is dan in de regel nog wel nodig. Indien de hulpvraag ook al
                    bekend is, en het bijvoorbeeld over een vervolgvraag gaat, dan kan in overleg
                    met de jeugdige of zijn ouders ook van het gesprek worden afgezien. Dit laatste
                    is bepaald in artikel 6, derde lid.</al><al/><tussenkop>Artikel 6. Het onderzoek</tussenkop><al/><al>Voor een zorgvuldig te nemen besluit is het van belang dat alle feiten en
                    omstandigheden van de specifieke hulpvraag worden onderzocht. Daarbij is het van
                    belang dat het onderzoek in samenspraak met de jeugdige en zijn ouders wordt
                    verricht. Voor een zorgvuldig onderzoek is veelal persoonlijk contact nodig om
                    een totaalbeeld van de jeugdige en zijn ouders te krijgen. Het ligt daarom ook
                    voor de hand dat tijdens een gesprek met de jeugdige en zijn ouders het een en
                    ander wordt besproken. Of dit gesprek op een gemeentelocatie (wijkteam)
                    plaatsvindt, op school, bij de jeugdige of zijn ouders thuis, of bij een andere
                    deskundige zal afhankelijk van de concrete situatie worden besloten. Indien
                    nodig voor het onderzoek, kan ook sprake zijn van meerdere (opeenvolgende)
                    gesprekken.</al><al/><al>In het gesprek zou duidelijk moeten worden hoe ook de meest complexe individuele
                    voorzieningen kunnen worden getroffen. De wetgever omkleedt de procedure om te
                    komen tot een individuele voorziening met allerlei waarborgen rond een
                    deskundige beoordeling. Het kan zelfs gaan om diagnostiek om voor een
                    psychiatrische behandeling in aanmerking te komen of voor een verblijf in
                    24-uursopvang. Dat zijn zwaarwegende beslissingen waaraan professioneel
                    onderzoek en afweging aan ten grondslag ligt. </al><al/><al>In het eerste lid is opgenomen dat het gesprek zo spoedig mogelijk moet
                    plaatsvinden. Het hangt af van de situatie hoe snel dat kan of moet
                    plaatsvinden.</al><al/><al>In de onderdelen a tot en met i zijn de onderwerpen van het gesprek weergegeven.
                    Het betreft uiteraard altijd maatwerk. Indien de jeugdige al bij de gemeente
                    bekend is, zullen een aantal gespreksonderwerpen niet meer uitgediept hoeven te
                    worden en zal bijvoorbeeld alleen kunnen worden gevraagd of er nog nieuwe
                    ontwikkelingen zijn. Komen een jeugdige of zijn ouders voor het eerst bij de
                    gemeente, dan zal het gesprek dienen om een totaalbeeld van de jeugdige en zijn
                    situatie te krijgen. In onderdeel c wordt de eigen kracht van jeugdigen en
                    ouders voorop gesteld overeenkomstig het in de considerans van de wet vermelde
                    uitgangspunt dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van
                    jeugdigen allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf ligt. Een te verstrekken
                    voorziening kan ook juist nodig zijn om de mate van probleemoplossend vermogen
                    van de jeugdige en zijn ouders en die van de naaste omgeving te versterken.</al><al/><al>Ten aanzien van de afstemmingsplicht in onderdeel g valt tedenken aan een
                    voorziening die een jeugdige ontvangt op grond van de AWBZ of de Zvw en een
                    voorziening op het gebied van passend onderwijs.</al><al/><al>Het tweede lid dient ertoe ouders te informeren. Het college neemt niet de
                    hoogte van de bijdrage in de kosten in de beschikking op. Dat loopt via het door
                    het college daartoe aangewezen bestuursorgaan, evenals de mogelijkheid van
                    bezwaar en beroep daartegen. In artikel 8.2.3 van de wet is bepaald dat de
                    ouderbijdrage door ‘het bestuursorgaan dat (door Onze Ministers) met (de
                    vaststelling en) de inning is belast’ wordt vastgesteld en ten behoeve van de
                    gemeente wordt geïnd. De ouderbijdrage geldt op grond van art. 8.2.1 van de wet
                    alleen in situaties van jeugdhulp buiten de thuissituatie. Zie ook artikel 9,
                    vierde lid.</al><al/><tussenkop>Artikel 7. Verslag</tussenkop><al/><al>Deze bepaling is opgenomen in het belang van een zorgvuldige dossiervorming en
                    een zorgvuldige procedure.</al><al/><al><onderstreept>Het eerste lid</onderstreept> borgt dat altijd verslag wordt
                    opgemaakt. De invulling van deze verslagplicht is vormvrij. Hierbij is een
                    voorbeeld genomen aan de praktijk van de Wmo.Het betreft geen woordelijk verslag
                    maar veelal een samenvatting danwel een overzicht van de gemaakte afspraken.
                    Hierbij kan worden voortgeborduurd op de praktijk van de Jeugdhulp. De gemeente
                    verstrekt aan de cliënt een weergave van de uitkomsten van het onderzoek om hem
                    in staat te stellen een aanvraag te doen voor een maatwerkvoorziening. Dat moet
                    in beginsel schriftelijk. Er wordt altijd een verslag gemaakt in de vorm van een
                    rapport waarna een beschikking volgt. Als de client er prijs op stelt wordt een
                    apart gespreksverslag opgestuurd. Een goede weergave maakt het voor de gemeente
                    inzichtelijk om een juiste beslissing te nemen op een aanvraag en draagt bij aan
                    een inzichtelijke communicatie met de cliënt. Uiteraard zal de weergave van de
                    uitkomsten van het onderzoek variëren met de uitkomsten van het onderzoek. Zo
                    zal de weergave van het onderzoek bijvoorbeeld heel beperkt kunnen zijn als de
                    cliënt van mening is goed geholpen te zijn en de uitkomst is dat geen aanvraag
                    van een maatwerkvoorziening noodzakelijk is. Bij meer complexe onderzoeken zal
                    uiteraard een uitgebreidere weergave noodzakelijk zijn. Indien een persoonlijk
                    plan is overhandigd, wordt dit plan ook opgenomen of toegevoegd aan het
                    verslag.</al><al/><al>Soms kan een verslag al direct worden meegegeven, maar vaak zal dit toch nog
                    moeten worden uitgewerkt en gaat daar een paar dagen overheen. Daarom is
                        <onderstreept>het tweede lid</onderstreept> toegevoegd. Het kan overigens
                    ook zijn dat na een gesprek de cliënt nog onderzoekt wat er in zijn omgeving
                    mogelijk is, bijvoorbeeld of hij met iemand kan meerijden om boodschappen te
                    doen, of dat hij nog een aanvullende opmerking heeft. Ook dan is een paar dagen
                    tijd na het gesprek nuttig.</al><al>Het later toevoegen van opmerkingen of het aanbrengen van wijzigingen of het
                    herstellen van feitelijke onjuistheden is eveneens vormvrij (derde lid).</al><al/><tussenkop>Artikel 8. Aanvraag</tussenkop><al/><al>Dit artikel bepaalt dat de gemeente bij verordening in ieder geval regels stelt
                    over de voorwaarden voor toekenning en de wijze van beoordeling van, en de
                    afwegingsfactoren bij een individuele voorziening. Een aanvraag is nodig om een
                    verleningsbeschikking voor een individuele voorziening te verkrijgen.</al><al/><al>In de Awb worden regels gegeven omtrent de aanvraag. Deze verordening wijkt
                    daarvan niet af. </al><al/><al>Op grond van artikel 4:1 van de Awb wordt een aanvraag tot het geven van een
                    beschikking schriftelijk ingediend bij het bestuursorgaan dat bevoegd is op de
                    aanvraag te beslissen (hier het college), tenzij bij wettelijk voorschrift
                    anders is bepaald. Deze bepaling is een uitwerking van de verplichte
                    delegatiebepaling van artikel 2.9, onder a, van de Jeugdwet.</al><al/><al>Beslistermijnen Awb</al><al/><al>In de verordening is geen termijn opgenomen om te beslissen op een aanvraag. De
                    regeling in de Awb geldt onverkort. In artikel 4:13 van de Awb is bepaald dat
                    een beschikking dient te worden gegeven binnen een redelijke termijn van acht
                    weken na ontvangst van de aanvraag. Indien een beschikking niet acht weken kan
                    worden gegeven, dient het bestuursorgaan dit binnen deze termijn aan de
                    aanvrager mede te delen en daarbij een redelijk termijn te noemen waarbinnen de
                    beschikking wel tegemoet kan worden gezien (artikel 4:14, derde lid, van de
                    Awb). </al><al/><al>Deze termijnen zijn maximiumtermijnen. Indien nodig kan na een melding binnen
                    enkele dagen een individuele voorziening worden verstrekt, in complexe situaties
                    zal in de regel in het belang van een zorgvuldig onderzoek een langere termijn
                    nodig zijn. Bijvoorbeeld, indien een langer durend diagnosetraject benodigd is,
                    kan dit ook tot een wat langere afhandelingsduur van de aanvraag leiden.</al><al/><tussenkop>Artikel 9. Inhoud beschikking</tussenkop><al/><al>Indien de jeugdige of zijn ouders een formele aanvraag bij het college indienen
                    (artikel 8) of er overeenkomstig artikel 3, tweede lid, een beschikking
                    afgegeven wordt, dient het college een schriftelijke beschikking op te stellen,
                    waartegen zij bezwaar en beroep kunnen indienen (op grond van de Awb).
                    Uitgangspunt van de wet is dat de jeugdige of zijn ouders een voorziening in
                    ‘natura’ krijgen. Indien gewenst door de jeugdige of zijn ouders bestaat echter
                    de mogelijkheid van het toekennen van een pgb. </al><al/><al>Het eerste lid bevestigt de regeling van deze onderwerpen in de Jeugdwet en de
                    Awb en is hier opgenomen in het belang van burgers om hen in de verordening een
                    zo compleet mogelijk beeld te geven van hun rechten en plichten. De mogelijkheid
                    om bezwaar in te dienen tegen de beschikking en ook de daarop volgende
                    mogelijkheid van beroep bij de rechter is geregeld in de Awb en geldt in
                    beginsel voor alle beschikkingen. Indien een jeugdige of zijn ouders in bezwaar
                    en beroep willen gaan, hebben zij op grond van de Awb het recht op het indienen
                    van een aanvraag, waarmee een voor bezwaar en beroep vatbaar besluit kan worden
                    uitgelokt. Ook de weigering, of het te lang uitblijven van een beschikking,
                    geeft de burger op grond van de Awb de ingang van bezwaar en beroep.</al><al/><al>In de beschikking wordt alleen ter informatie opgenomen dat een ouderbijdrage is
                    verschuldigd (derde lid). De vaststelling en inning geschiedt door het
                    bestuursorgaan dat namens de gemeente met de inning is belast. </al><al/><al>Art. 9, lid 3 (aldus artikel 8.2.1. jeugdwet)</al><al/><lijst><li nr="1."><al>De volgende personen zijn een ouderbijdrage verschuldigd in de kosten
                            van de aan een jeugdige geboden jeugdhulp, voor zover deze jeugdhulp
                            verblijf buiten het gezin inhoudt, of in de kosten van verblijf in een
                            justitiële jeugdinrichting van een jeugdige die met toepassing van
                            artikel 265b, vijfde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek aldaar
                            is geplaatst:</al></li><li nr="a."><al>de onderhoudsplichtige ouders, daaronder begrepen degene tegen wie een
                            op artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek gegrond verzoek is
                            toegewezen, en</al></li><li nr="b."><al>degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent
                            over een jeugdige.</al><al/></li></lijst><tussenkop>Artikel 10. Regels pgb</tussenkop><al/><al>Het verkrijgen van een pgb is afhankelijk van een aantal voorwaarden. Deze
                    voorwaarden worden in lid 1 beschreven. Zo moet, zoals onderdeel a voorschrijft,
                    de jeugdige, dan wel zijn ouder, in staat zijn de aan het pgb verbonden taken op
                    verantwoorde wijze uit te voeren. De verplichting geldt het budget te besteden
                    aan de doelstelling waar deze voor is toegekend. Het is een verantwoordelijkheid
                    van de jeugdige en zijn ouder om naar bedoeling en afspraak de besteding te
                    doen. </al><al/><al>De jeugdige en zijn ouder moet in staat zijn om de diensten, hulpmiddelen,
                    woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren,
                    zelf bij derden in te kopen. Het gaat daarbij om de vraag of hij, met de hulp
                    van zijn omgeving, in voldoende mate in staat is tot een redelijke waardering
                    van zijn belangen. De jeugdige moet immers een contract aangaan en dient daartoe
                    bekwaam te zijn. Indien de jeugdige dan wel zijn ouder niet zelf in voldoende
                    mate in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen, kan iemand uit
                    zijn sociale netwerk hem daarin bijstaan. Dit kunnen bijvoorbeeld een buurman,
                    een voogd etc. zijn. De wettelijk vertegenwoordiger van de jeugdige (curator,
                    bewindvoerder, mentor, gemachtigde) die wellicht (nog) niet tot het sociale
                    netwerk van de jeugdige behoort, kan deze ondersteunen bij het verantwoordelijk
                    inkopen van de diensten en hulpmiddelen en andere maatregelen die tot de
                    maatwerkvoorziening behoren. Ook voor de aan te wijzen vertegenwoordigers geldt,
                    dat getoetst wordt of de vertegenwoordigers van de jeugdige de
                    verantwoordelijkheden behorende bij een pgb aankunnen.</al><al/><al>Onderdeel b van lid 1 vereist dat de jeugdige en zijn ouder motiveren waarom de
                    individuele voorziening niet wensen geleverd te krijgen door een door het
                    college voorgestelde jeugdhulpaanbieder.</al><al/><al>Onderdeel c van lid 1 omschrijft de eisen die gelden aan de uitgave van het pgb.
                    Het pgb mag enkel worden uitgegeven aan een veilige en effectieve
                    maatwerkvoorziening van goede kwaliteit. </al><al/><al>Wat betreft het inzetten van mensen uit het sociaal netwerk met behulp van een
                    PGB is het college vanwege de kwaliteitseisen terughoudend. In voorkomende
                    gevallen kan het college, omdat het noodzakelijk is, afwijken van het
                    bovenstaande uitgangspunt. Belangrijk hierbij is dat de jeugdige en zijn ouder
                    zich in de motivatie zoals bedoeld onder artikel 10 lid 1 onder b argumenten
                    aandragen waarom een pgb besteedt moet worden aan ondersteuning geleverd door
                    mantelzorgers en/of personen uit het sociale netwerk. Een argument kan zijn, dat
                    de mantelzorger minder gaat werken om de benodigde hulp te kunnen bieden.</al><al/><al>Een aanvullend argument kan zijn, dat de mantelzorg redelijkerwijs aantoonbaar
                    tot betere en effectievere ondersteuning leidt en aantoonbaar doelmatiger is,
                    zoals ook door Mezzo (Landelijke vereniging voor mantelzorgers en
                    vrijwilligerszorg) wordt geadviseerd. Zo kan ondersteuning voor een kind in een
                    gezinssituatie door ouders vaak beter georganiseerd worden via een pgb dan via
                    een professionele aanbieder. De ouders hebben dan meer grip op en regie over de
                    zorgmomenten zodat de begeleiding beter afgestemd kan worden op de dagelijkse
                    gang van zaken in het gezin</al><al/><al>Wanneer het college het, in samenspraak met jeugdige en zijn ouder, in
                    specifieke gevallen nodig acht om een pgb beschikbaar te stellen om
                    maatwerkvoorzieningen te betrekken van personen uit het sociale netwerk, kan het
                    college afwijken van de kwaliteitsnorm. Bij het beoordelen van de kwaliteit
                    weegt het college mee of de in te kopen ondersteuning in redelijkheid geschikt
                    is voor het doel waarvoor het persoonsgebonden budget wordt verstrekt. Hierbij
                    geldt onverkort dat de ondersteuning veilig, doeltreffend en cliëntgericht is en
                    effectief bijdraagt aan het te bereiken resultaat.</al><al/><al>Lid 2 vloeit voort uit het gegeven dat een aanvraag tot een voorziening wordt
                    ingediend nadat het college onderzoek heeft uitgevoerd waaruit de noodzaak tot
                    ondersteuning is gebleken.</al><al/><al>Lid 3 omschrijft dat de hoogte van het pgb op maat wordt vastgesteld. De
                    maximale hoogte van het pgb wordt bepaald als tegenwaarde van de dienst/zaak die
                    jeugdige op dat moment ontvangen zou hebben als de dienst/zaak in natura zou
                    zijn verstrekt. De kostprijs van de voorziening is hierin leidend. Onder
                    kostprijs wordt verstaan: het geldbedrag dat het college betaalt voor de
                    voorziening in natura.</al><al/><al>Lid 4: uitgangspunt voor het vaststellen van de hoogte van een pgb is, dat de
                    jeugdige met een pgb passende ondersteuning kan verkrijgen. Hierbij wordt
                    rekening gehouden met eventuele overheadkosten, een afschrijftermijn en
                    onderhoud. Bij het bepalen van de hoogte van het pgb wordt de goedkoopst
                    compenserende voorziening als vertrekpunt genomen. </al><al/><al>In lid 5 wordt aangegeven dat de wijze waarop het pgb wordt berekend wordt
                    uitgewerkt in de nadere regels behorende bij de Verordening wet maatschappelijke
                    ondersteuning 2016. De hoogte wordt berekend op basis van de kosten voor een
                    maatwerkvoorziening in natura. Ook voor naturavoorzieningen worden prijsopgaven
                    opgevraagd of zijn deze bekend. De wijze van berekening is dan ook dezelfde als
                    voor voorzieningen in natura. </al><al/><tussenkop>Artikel 11. Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of
                    terugvordering</tussenkop><al/><al>In dit artikel wordt bepaald dat de gemeente bij verordening regels stelt voor
                    de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening,
                    alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Ook deze bepaling beoogt
                    het standaardiseren met de regelgeving met betrekking tot de aan elkaar verwante
                    beleidsterreinen van jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning. Zie ook de
                    toelichting onder artikel 10.</al><al/><al>De inlichtingenverplichting, vermeld in het eerste lid heeft als uitgangspunt
                    dat van de jeugdige en zijn ouders aan wie een individuele voorziening of een
                    daaraan gekoppeld pgb is verstrekt, verlangd kan worden dat ze voldoende
                    gegevens en inlichtingen verstrekken om het college in staat te stellen te
                    beoordelen of het beroep op die individuele voorziening of het daaraan
                    gekoppelde pgb terecht is gedaan. Indien het de jeugdige of zijn ouders
                    redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat er feiten en omstandigheden, of daarin
                    opgetreden wijzigingen, zijn die van invloed kunnen zijn op de toekenning van de
                    individuele voorziening of het daaraan gekoppelde pgb, dienen zij dit onverwijld
                    aan het college te melden. Verstrekken zij niet onverwijld uit eigen beweging of
                    op verzoek van het college alle gevraagde inlichtingen en bewijsstukken, dan
                    heeft dat gevolgen voor de toekenning van de voorziening of het daaraan
                    gekoppelde pgb. Het college kan niet alleen bij een aanvraag, maar ook in andere
                    stadia concrete informatie en bewijsstukken van de belanghebbende vragen.</al><al/><al>In de toelichting op de nota van wijziging is voorts vermeld dat het tot de
                    gemeentelijke verantwoordelijkheid behoort misbruik van de geboden voorzieningen
                    te voorkomen en, waar nodig, op te treden tegen onterecht gebruik van
                    individuele voorzieningen of persoonsgebonden budgetten. Een zorgvuldig gebruik
                    van collectieve middelen is wezenlijk voor het draagvlak daarvan.</al><al/><al>Indien het de jeugdige of zijn ouders redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat er
                    feiten en omstandigheden, of daarin opgetreden wijzigingen, zijn die van invloed
                    kunnen zijn op de toekenning van de individuele voorziening of het daaraan
                    gekoppelde pgb, dienen zij dit onverwijld aan het college te melden. Verstrekken
                    zij niet onverwijld uit eigen beweging of op verzoek van het college alle
                    gevraagde inlichtingen en bewijsstukken, dan heeft dat gevolgen voor de
                    toekenning van de voorziening of het daaraan gekoppelde pgb. Het college kan
                    niet alleen bij een aanvraag, maar ook in andere stadia concrete informatie en
                    bewijsstukken van de belanghebbende vragen. </al><al/><tussenkop>Artikel 12. Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en
                    uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering</tussenkop><al/><al>Het college kan de uitvoering van de Jeugdwet, met uitzondering van de
                    vaststelling van de rechten en plichten van de jeugdige of zijn ouders, door
                    aanbieders laten verrichten (artikel 2.11, eerste lid, van de Jeugdwet). Met het
                    oog op gevallen waarin dit ten aanzien van jeugdhulp,
                    kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering gebeurt, moeten bij
                    verordening regels worden gesteld ter waarborging van een goede verhouding
                    tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of de uitvoering van een
                    kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld
                    aan de kwaliteit daarvan (artikel 2.12 va de Jeugdwet). Daarbij dient in ieder
                    rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de
                    toepasselijke arbeidsvoorwaarden<cursief>.</cursief></al><al/><al>Om te voorkomen dat er alleen gekeken wordt naar de laagste prijs voor de
                    uitvoering worden in dit artikel een aantal andere aspecten genoemd waarmee het
                    college bij het vaststellen van tarieven (naast de prijs) rekening dient te
                    houden. Hiermee wordt bereikt dat er een beter beeld ontstaat van reële
                    kostprijs voor de activiteiten die zij door aanbieders willen laten uitvoeren.
                    Uitgangspunt is dat de aanbieder kundig personeel inzet tegen de
                    arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden. Hiervoor is ten
                    minste een beeld nodig van de vereiste activiteiten en de arbeidsvoorwaarden die
                    daarbij horen. Dit biedt een waarborg voor werknemers dat hun werkzaamheden
                    aansluiten bij de daarvoor geldende arbeidsvoorwaarden.</al><al/><tussenkop>Artikel 13 Monitor</tussenkop><al/><al>In dit artikel is bepaald dat het college systematisch de ervaringen over de
                    toegekende voorzieningen monitort en systematisch informatie verzamelt over de
                    mate waarop de toegekende voorzieningen bijdragen aan de (sociale/economische)
                    zelfredzaamheid en participatie van cliënten. Daarnaast onderzoekt het college
                    structureel in hoeverre de resultaten uit de beschikkingen daadwerkelijk worden
                    bereikt. Het hoofddoel van de monitoring is het toezicht houden op en het
                    bevorderen van kwaliteit. </al><al/><tussenkop>Artikel 15. Melding klachten</tussenkop><al/><al>Dit artikel regelt het gemeentelijke klachtrecht. De gemeente is al op grond van
                    de Awb in het algemeen verplicht tot een behoorlijke behandeling van mondelinge
                    en schriftelijke klachten over gedragingen van personen en bestuursorganen die
                    onder haar verantwoordelijkheid werkzaam zijn. </al><al/><al>Gelet op het van toepassing zijnde hoofdstuk 9 van de Awb, waarin een uitvoerige
                    regeling omtrent klachtbehandeling is gegeven, en ook het recht is neergelegd om
                    na de afhandeling van de klacht de bevoegde ombudsman te verzoeken een onderzoek
                    in te stellen, kan in deze verordening met een enkele bepaling worden volstaan. </al><al/><al>In de regel zal eerst de aanbieder worden aangesproken bij klachten over de
                    wijze van behandeling. De klachtmogelijkheid tegenover de aanbieder is geregeld
                    in artikel 4.2.1 e.v. van de wet. Pas wanneer dit klachtrecht niet bevredigend
                    is, of niet logisch, bijvoorbeeld bij gedragingen van gemeenteambtenaren, dan
                    komt de gemeentelijke klachtmogelijkheid in zicht. </al><al/><tussenkop>Artikel 16. Inspraak en medezeggenschap</tussenkop><al/><al>In dit artikel zijn bepalingen opgenomen over inspraak en medezeggenschap bij de
                    gemeente. De mogelijkheid tot inspraak en medezeggenschap tegenover de aanbieder
                    is al geregeld in artikel 4.2.4 e.v. van de wet.</al><al/><al>In het eerste lid is verwezen naar de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet
                    vastgestelde inspraakverordening. Op deze manier wordt gewaarborgd dat eenzelfde
                    inspraakprocedure geldt voor het jeugdhulpbeleid als op andere terreinen. De
                    inspraak geldt voor alle ingezetenen. Dit is uitdrukkelijk de bedoeling van de
                    wetgever, omdat iedereen op enig moment aangewezen kan raken op ondersteuning.
                    Met het vierde lid wordt het aan het college overgelaten om de exacte invulling
                    van de medezeggenschap vorm te geven.</al><al/><al>Regeling van de inspraak en medezeggenschap is verplicht op grond van artikel
                    2.10 van de wet in samenhang met artikel 2.1.3, derde lid, van de Wmo 2016. In
                    artikel 2.10 (in de redactie van de Nota van wijziging op het wetsvoorstel Wmo
                    2016 van 12 maart 2014, kamerstukken II 22841, nr. 35) worden de artikelen
                    2.1.3, derde lid, en 2.5.1 (jaarlijks cliëntervaringsonderzoek) van de Wmo 2016
                    van overeenkomstige toepassing verklaard. Ingevolge artikel 2.1.3, derde lid,
                    van de Wmo 2016 dient bij verordening te worden bepaald op welke wijze
                    ingezetenen worden betrokken bij de uitvoering van deze wet.</al><al/><tussenkop>Artikel 17 Nadere regels</tussenkop><al/><al>Dit artikel geeft het college de bevoegdheid om nadere regels vast te stellen
                    als uitwerking van de kaders neergelegd in de verordening. Deze nadere regels
                    zijn algemeen verbindende voorschriften en kunnen leiden tot bepalingen</al><al/><tussenkop>Artikel 18 Indexering</tussenkop><al/><al>Bepaalde bedragen worden jaarlijks aangepast. Bedragen voor de eigen bijdrage
                    worden door het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport jaarlijks
                    aangepast. Op basis van artikel 25 is het college bevoegd om de bedragen voor de
                    maatwerkvoorzieningen, voor zover deze bekend zijn, aan te passen. Hierbij wordt
                    uitgegaan van de trendmatige aanpassing van de gemeente Zevenaar. </al><al/><tussenkop>Artikel 19 Hardheidsclausule</tussenkop><al/><al>Het opnemen van de hardheidsclausule opent de mogelijkheid voor het college om
                    een onderdeel van de verordening niet toe te passen of daarvan af te wijken, als
                    toepassing leidt tot onbillijkheid van overwegende aard. Omdat het college
                    maatwerk wil bieden en daarbij uitgaat van de persoonlijke situatie van de
                    cliënt, moet de hardheidsclausule als uiterste vangnet worden gezien, mocht er
                    sprake zijn van een niet billijke situatie.</al><al/><tussenkop>Artikel 20 Inwerkingtreding</tussenkop><al/><lijst><li nr="1."><al>deze verordening treedt in werking op 1 januari 2016</al></li><li nr="2."><al>deze verordening wordt aangehaald als: Verordening Jeugdhulp gemeente
                            Zevenaar 2016</al></li></lijst></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>