<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91-->
  
  
  
  
  
  
  
  
  <meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR385325_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening op de heffing en de invordering van onroerendezaakbelastingen 2016 (Verordening onroerende zaakbelastingen 2016).</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Beuningen</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-07-25</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Beuningen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://www.overheid.nl">Gemeenteblad, 7 januari 2016</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening onroerende zaakbelastingen 2016</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=220">Gemeentewet, artikel 220 tot en met 220h</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-12-15</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-01-15</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2016-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>BW15.00759</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta>
  
  <body><intitule>
      Verordening op de heffing en de invordering van onroerendezaakbelastingen 2016 (Verordening onroerende zaakbelastingen 2016).
    </intitule>
    
    <regeling>
      <aanhef>
        <preambule>
          <al>De raad van de gemeente Beuningen in openbare vergadering bijeen;</al>
          <al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 17
                        november 2015; </al>
          <al>gelet op de artikelen 220 tot en met 220h van de Gemeentewet; </al>
          <al>B E S L U I T : </al>
          <al>vast te stellen de volgende verordening: <vet>Verordening op de heffing en
                            de invordering van onroerende</vet><vet>zaakbelastingen
                            201</vet><vet>6</vet> (Verordening onroerende zaakbelastingen 2016). </al>
          <al/>
        </preambule>
      </aanhef>
      <regeling-tekst>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>1</nr>
            <titel>Belastingplicht</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>Onder de naam 'onroerende-zaakbelastingen' worden ter zake van binnen de
                            gemeente gelegen onroerende zaken twee directe belastingen geheven: </al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>een gebruikersbelasting van degene die bij het begin van het
                                    kalenderjaar een onroerende zaak die niet in hoofdzaak tot
                                    woning dient, al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt
                                    recht of persoonlijk recht gebruikt, verder te noemen:
                                    gebruikersbelasting; </al></li>
              <li nr="b."><al>een eigenarenbelasting van degene die bij het begin van het
                                    kalenderjaar van een onroerende zaak het genot heeft krachtens
                                    eigendom, bezit of beperkt recht, verder te noemen:
                                    eigenarenbelasting. </al></li>
            </lijst>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>Bij de gebruikersbelasting wordt: </al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>gebruik door degene aan wie een deel van een onroerende zaak in
                                    gebruik is gegeven (verder: de gebruiker), aangemerkt als
                                    gebruik door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven
                                    (verder: de gebruikgever); de gebruikgever is bevoegd de
                                    belasting als zodanig te verhalen op de gebruiker; </al></li>
              <li nr="b."><al>het ter beschikking stellen van een onroerende zaak voor
                                    volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene die die
                                    onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld; degene die de
                                    onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld is bevoegd de
                                    belasting als zodanig te verhalen op degene aan wie die zaak ter
                                    beschikking is gesteld. </al></li>
            </lijst>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>3.</lidnr>
            <al>Voor de eigenarenbelasting wordt als genothebbende krachtens eigendom,
                            bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het
                            kalenderjaar als zodanig in de kadastrale registratie is vermeld, tenzij
                            blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom,
                            bezit of beperkt recht is. </al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>2</nr>
            <titel>Belastingobject</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>Als onroerende zaak wordt aangemerkt de onroerende zaak, bedoeld in
                        hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken. 2. Een onroerende zaak
                        dient in hoofdzaak tot woning indien de waarde die op grond van hoofd- stuk
                        IV van de Wet waardering onroerende zaken is vastgesteld voor die onroerende
                        zaak in hoofdzaak kan worden toegerekend aan delen van die onroerende zaak
                        die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan
                        woondoeleinden.</al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>3</nr>
            <titel>Maatstaf van heffing</titel>
          </kop>
          <al>De heffingsmaatstaf is de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering
                        onroerende zaken voor de onroerende zaak vastgestelde waarde voor het
                        kalenderjaar bedoeld in artikel 1. </al>
          <lijst>
            <li nr="1."><al>Als voor een onroerende zaak geen waarde is vastgesteld op de voet van
                        hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken wordt de
                        heffingsmaatstaf van die onroerende zaak bepaald met overeenkomstige
                        toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18 en 20,
                        tweede lid van de Wet waardering onroerende zaken. </al></li>
          </lijst>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>4</nr>
            <titel>Vrijstellingen</titel>
          </kop>
          <al>In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de
                        heffingsmaatstaf buiten aanmerking gelaten, voor zover dit niet reeds is
                        geschied bij de bepaling van de in dat artikel bedoelde waarde, de waarde
                        van: </al>
          <lijst>
            <li nr=""><lijst>
                <li nr="a."><al>ten behoeve van de land- of bosbouw bedrijfsmatig
                                        geëxploiteerde cultuurgrond, daaronder mede begrepen de open
                                        grond, alsmede de ondergrond van glasopstanden, die
                                        bedrijfsmatig aangewend wordt voor de kweek of teelt van
                                        gewassen, zonder daarbij de ondergrond als voedingsbodem te
                                        gebruiken; </al></li>
                <li nr="b."><al>glasopstanden, die bedrijfsmatig worden aangewend voor de
                                        kweek of teelt van gewassen, voorzover de ondergrond daarvan
                                        bestaat uit de in onderdeel a bedoelde grond; </al></li>
                <li nr="c."><al>onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de
                                        openbare eredienst of voor het houden van openbare
                                        bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard, een en
                                        ander met uitzondering van delen van zodanige onroerende
                                        zaken die dienen als woning; </al></li>
                <li nr="d."><al>één of meer onroerende zaken die deel uitmaken van een op de
                                        voet van de Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed dat
                                        voldoet aan de voorwaarden genoemd in artikel 8 van het
                                        Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928, met uitzondering
                                        van de daarop voorkomende gebouwde eigendommen; </al></li>
                <li nr="e."><al>natuurterreinen, waaronder mede worden verstaan duinen,
                                        heidevelden, zandverstuivingen, moerassen en plassen, die
                                        door rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid welke
                                        zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het behoud van
                                        natuurschoon ten doel stellen, beheerd worden; </al></li>
                <li nr="f."><al>openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer
                                        per rail, een en ander met inbegrip van kunstwerken; </al></li>
                <li nr="g."><al>waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden
                                        beheerd door organen, instellingen of diensten van
                                        publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de
                                        delen van zodanige werken die dienen als woning; </al></li>
                <li nr="h."><al>werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en
                                        ander afvalwater en die worden beheerd door organen,
                                        instellingen of diensten van publiekrechtelijke
                                        rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige
                                        werken die dienen als woning; </al></li>
                <li nr="i."><al>werktuigen die van een onroerende zaak kunnen worden
                                        afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis aan die
                                        werktuigen wordt toegebracht en die niet op zichzelf als
                                        gebouwde eigendommen zijn aan te merken. </al></li>
                <li nr="j."><al>onroerende zaken voor zover die bestemd zijn te worden
                                        gebruikt voor de publieke dienst van de gemeente, met
                                        uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die
                                        bestemd zijn te worden gebruikt voor het geven van
                                        onderwijs; </al></li>
                <li nr="k."><al>straatmeubilair, waaronder begrepen alle zodanige gebouwde
                                        eigendommen - niet zijnde gebouwen - welke zijn geplaatst
                                        ten gerieve of in het belang van het publiek, ten dienste
                                        van het verkeer of ter verfraaiing van de gemeente, zoals
                                        lichtmasten, verkeersinstallaties, standbeelden, monumenten,
                                        fonteinen, banken, abri's, hekken en palen; </al></li>
                <li nr="l."><al>plantsoenen, parken en waterpartijen, die bij de gemeente in
                                        beheer zijn of waarvan de gemeente het genot heeft krachtens
                                        eigendom, bezit of beperkt recht, met uitzondering van delen
                                        van zodanige onroerende zaken die dienen als woning; </al></li>
                <li nr="m."><al>begraafplaatsen, urnentuinen, met uitzondering van delen van
                                        zodanige onroerende zaken die dienen als woning. </al></li>
              </lijst></li>
            <li nr="2."><al>De vrijstelling met betrekking tot de in onderdeel j van het eerste
                                lid bedoelde onroerende zaken voor de eigenarenbelasting geldt niet
                                voor zover de gemeente van die zaken niet het genot heeft krachtens
                                eigendom, bezit of beperkt recht. </al></li>
            <li nr="3."><al>In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de
                                heffingsmaatstaf voor de gebruikersbelasting buiten aanmerking
                                gelaten de waarde van gedeelten van de onroerende zaak die in
                                hoofdzaak tot woning dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan
                                woondoeleinden. </al></li>
          </lijst>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>5</nr>
            <titel>Belastingtarieven</titel>
          </kop>
          <lijst>
            <li nr="1."><al>Het tarief van de belasting bedraagt een percentage van de
                                heffingsmaatstaf . Het percentage bedraagt voor:</al><lijst>
                <li nr="a."><al>de gebruikersbelasting 0,360527%</al></li>
                <li nr="b."><al>de eigenarenbelasting:</al><lijst>
                    <li nr="1."><al>voor onroerende zaken die in hoofdzaak tot woning
                                                dienen 0,179196%</al></li>
                    <li nr="2."><al>voor onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot
                                                woning dienen 0,458438%</al></li>
                  </lijst></li>
              </lijst></li>
            <li nr="2."><al>Voor belastingbedragen tot € 5,-- vindt geen invordering plaats.
                            </al></li>
          </lijst>
          <al>Voor de toepassing van de vorige volzin wordt het totaal van op een
                        aanslagbiljet verenigde verschuldigde bedragen onroerende-zaakbelastingen of
                        andere heffingen aangemerkt als één belastingbedrag. </al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>6</nr>
            <titel>Wijze van heffing</titel>
          </kop>
          <al>De belastingen worden bij wege van aanslag geheven. </al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>7</nr>
            <titel>Termijnen van betaling</titel>
          </kop>
          <lijst>
            <li nr="1."><al> In afwijking van artikel 9 eerste lid, van de Invorderingswet 1990
                                moeten de aanslagen worden betaald uiterlijk twee maanden na de
                                dagtekening van het aanslagbiljet.</al></li>
            <li nr="2."><al>In afwijking van het eerste lid geldt - ingeval het totaalbedrag van
                                de op één aanslag biljet verenigde aanslagen meer bedraagt dan €
                                45,-- met een maximum van € 3.000,-- en een machtiging is afgegeven
                                voor het automatisch incasseren van het verschuldigde bedrag -,
                                dat:</al><lijst>
                <li nr="a."><al>aanslagen, waarvan de dagtekening ligt tussen 1 januari en 1
                                        oktober van het belastingjaar waarop ze betrekking hebben,
                                        worden geïncasseerd in zoveel gelijke termijnen als er na de
                                        maand van dagtekening van het aanslagbiljet nog maanden in
                                        het belastingjaar overblijven met een maximum van acht;</al></li>
                <li nr="b."><al>aanslagen, waarvan de dagtekening ligt na 30 september van
                                        het belastingjaar waarop ze betrekking hebben, worden
                                        geïncasseerd in drie gelijke termijnen.</al></li>
              </lijst></li>
          </lijst>
          <al> Bij het van toepassing zijn van het vorenstaande vervalt de eerste
                        incassotermijn een maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende
                        termijnen telkens een maand later.</al>
          <lijst>
            <li nr="3."><al>In afwijking van het eerste lid geldt, voor aanslagen waarvan het
                                totaal bedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen € 45,-
                                of minder bedraagt en een machtiging is afgegeven voor het
                                automatisch incasseren van het verschuldigde bedrag, dat het
                                totaalbedrag van de aanslag in één keer wordt geïncasseerd twee
                                maanden na de dagtekening van het aanslagbiljet.</al></li>
            <li nr="4."><al>Voor aanslagen, waarvan het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet
                                verenigde aanslagen meer bedraagt dan € 3.000,--, is geen
                                automatische incasso mogelijk en is de betalingstermijn als onder
                                lid 1 van toepassing.</al></li>
            <li nr="5."><al>De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de
                                voorgaande leden gestelde termijnen.</al></li>
          </lijst>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>8</nr>
            <titel>Nadere regels door het college van burgemeester en wethouders</titel>
          </kop>
          <al> Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven
                        met betrekking tot de heffing en de invordering van de
                        onroerende-zaakbelastingen. </al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>9</nr>
            <titel>Overgangsrecht</titel>
          </kop>
          <al>De 'Verordening Onroerende Zaakbelastingen 2015, vastgesteld bij besluit van
                        16 december 2014, wordt ingetrokken met ingang van de in artikel 10, tweede
                        lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van
                        toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben
                        voorgedaan. </al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>10</nr>
            <titel>Inwerkingtreding</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die
                            van de bekendmaking.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2016. </al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>11.</nr>
            <titel>Citeertitel</titel>
          </kop>
          <al>Deze verordening wordt aangehaald als 'Verordening
                        onroerende-zaakbelastingen 2016’. </al>
        </artikel>
      </regeling-tekst>
      <regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering>
        
        <ondertekening>Beuningen, 15 december 2015 </ondertekening>
        <ondertekening>De raad voornoemd.</ondertekening>
        <ondertekening>De griffier, De voorzitter, </ondertekening>
      </regeling-sluiting>
    </regeling>
  </body>
</cvdr>