<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR384702_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening op de heffing en invordering van rioolheffing gemeente Gennep</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Gennep</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-12-22</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Gennep</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2016-183950.html">Gemeenteblad 2016, nr. 183950</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening rioolheffing gemeente Gennep</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=228a">Gemeentewet, artikel 228a</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-12-12</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-12-25</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-12-24</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>wijziging art. 1 en art. 5, toevoeging art. 8a</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>229693</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>De wijzigingsverordening van 12 december 2016 bevat overgangsrecht.</al><al>Deze regeling vervangt de <extref doc="1.1:CVDR76915_3">Verordening rioolheffing 2011</extref>.</al><al>Artikel 12 bevat overgangsrecht.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging><overheidrg:externeBijlage>exb-2017-10450</overheidrg:externeBijlage></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening op de heffing en invordering van rioolheffing
                            gemeente Gennep</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De gemeenteraad van de gemeente Gennep: </al><al/><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 10
                        november 2015;</al><al/><al>gelet op artikel 228a van de Gemeentewet</al><al/><al><vet>BESLUIT:</vet></al><al/><al>vast te stellen de volgende verordening:</al><al/><al><vet>Verordening op de heffing en invordering van rioolheffing
                            gemeente Gennep (Verordening rioolheffing gemeente Gennep)</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening verstaat onder:</al><lijst><li nr="a."><al>perceel: een onroerende zaak bedoeld in Hoofdstuk III van de
                                        Wet WOZ of een roerende zaak of een zelfstandig gedeelte van
                                        een roerende zaak in de zin van artikel 4;</al></li><li nr="b."><al>gemeentelijke riolering: een voorziening of combinatie van
                                        voorzieningen voor inzameling, verwerking, zuivering of
                                        transport van afvalwater, hemelwater of grondwater, in
                                        eigendom, in beheer of in onderhoud bij de gemeente;</al></li><li nr="c."><al>verbruiksperiode: de periode waarop de afrekening van het
                                        waterbedrijf betrekking heeft;</al></li><li nr="d."><al>water: huishoudelijk afvalwater, bedrijfsafvalwater,
                                        hemelwater, grondwater of afvalwater.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking in zoverre van het eerste lid, aanhef en onderdeel a,
                                worden voor recreatiedoeleinden bestemde woonruimten die zich
                                bevinden op een voor verblijfsrecreatie bestemd terrein dat als
                                zodanig wordt geëxploiteerd, tezamen met de overige eigendommen op
                                dat terrein, voor de toepassing van deze verordening aangemerkt als
                                één perceel.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Aard van de belasting</titel></kop><al>Onder de naam rioolheffing wordt een directe belasting geheven ter
                            bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan:</al><lijst><li nr="a."><al>de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater en
                                    bedrijfsafvalwater, alsmede de zuivering van huishoudelijk
                                    afvalwater; en</al></li><li nr="b."><al>de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het
                                    ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen
                                    teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand
                                    voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te
                                    voorkomen of te beperken.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Belastbaar feit en belastingplicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De belasting wordt geheven:</al><al>a) van degene die bij het begin van het belastingjaar het genot
                                heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van een perceel dat
                                direct of indirect is aangesloten op de gemeentelijke riolering
                                verder te noemen: eigenarendeel; en </al><al>b) van de gebruiker van een perceel van waaruit water direct of
                                indirect op de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd, verder te
                                noemen: gebruikersdeel. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor het eigenarendeel wordt, ingeval het perceel een onroerende
                                zaak is, als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt
                                recht aangemerkt degene die bij het begin van het belastingjaar als
                                zodanig in de kadastrale registratie is vermeld, tenzij blijkt dat
                                hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of
                                beperkt recht is.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor het gebruikersdeel, wordt als gebruiker aangemerkt:</al><lijst><li nr="a)"><al>degene die naar de omstandigheden beoordeeld het perceel al
                                        dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of
                                        persoonlijk recht gebruikt;</al></li><li nr="b)"><al>ingeval een gedeelte van een perceel – niet een gedeelte als
                                        bedoeld in artikel 4 – voor gebruik is afgestaan: degene die
                                        dat gedeelte voor gebruik heeft afgestaan.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In afwijking van het tweede en derde lid wordt met betrekking tot
                                een in artikel 1,tweede lid, bedoeld perceel als genothebbende
                                krachtens eigendom, bezit of beperkt recht of als gebruiker
                                aangemerkt degene die bij het begin van het kalenderjaar als
                                genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht in de
                                kadastrale registratie is vermeld, dan wel degene die het terrein
                                exploiteert of daarover de zeggenschap heeft.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Zelfstandige gedeelten</titel></kop><al>Indien gedeelten van een in artikel 3 bedoeld perceel blijkens hun
                            indeling bestemd zijn om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt,
                            wordt de belasting geheven ter zake van elk als zodanig bestemd
                            gedeelte, met dien verstande dat indien twee of meer van die gedeelten
                            tezamen als één geheel worden gebruikt, deze als één perceel worden
                            aangemerkt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Maatstaf van heffing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het eigenarendeel wordt geheven naar een vast bedrag per
                                perceel.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het gebruikersdeel wordt geheven naar het aantal kubieke meters
                                water dat vanuit het perceel wordt afgevoerd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het aantal kubieke meters water wordt gesteld op het aantal kubieke
                                meters leidingwater, grondwater en oppervlaktewater dat in de
                                laatste verbruiksperiode voor 1 oktober voorafgaande aan het
                                belastingjaar naar het perceel is toegevoerd of opgepompt. Ingeval
                                de verbruiksperiode niet gelijk is aan een periode van twaalf
                                maanden, wordt de hoeveelheid water door herleiding naar tijdsgelang
                                bepaald. Bij die herleiding wordt een gedeelte van een kalendermaand
                                voor een volle maand gerekend.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In afwijking van het voorgaande lid wordt, indien geen laatste
                                verbruiksperiode voor 1 oktober voorafgaande aan het belastingjaar
                                beschikbaar is, het aantal kubieke meters water gesteld op het
                                aantal kubieke meters water dat naar het eigendom is toegevoerd of
                                opgepompt in de eerst bekende verbruiksperiode. Ingeval deze
                                verbruiksperiode niet gelijk is aan een periode van twaalf maanden,
                                wordt de hoeveelheid water door herleiding naar tijdsgelang bepaald.
                                Bij de herleiding wordt een gedeelte van een kalendermaand voor een
                                volle maand gerekend.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Ingeval gebruik wordt gemaakt van een pompinstallatie moet die
                                pompinstallatie zijn voorzien van een:</al><lijst><li nr="a."><al>watermeter, waarvan de hoeveelheid opgepompt water kan
                                        worden afgelezen, of</al></li><li nr="b."><al>bedrijfsurenteller, waarvan het aantal uren dat een
                                        pompinstallatie met vaste capaciteit in bedrijf is geweest
                                        kan worden afgelezen. De eerste volzin is niet van
                                        toepassing indien vaststelling van de hoeveelheid opgepompt
                                        water geschiedt op grond van enige andere wettelijke
                                        bepaling.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De op de voet van het derde en vierde lid berekende hoeveelheid
                                toegevoerd of opgepompt water wordt verminderd met de hoeveelheid
                                water die niet is afgevoerd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Belastingtarieven</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het eigenarendeel bedraagt: € 173,06</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het gebruikersdeel bedraagt voor elke eenheid van250 kubieke meters
                                water, bij een hoeveelheid water:</al><lijst><li nr="a."><al>per eenheid tot en met 500 m³: € 63,60;</al></li><li nr="b."><al>per eenheid boven de 500 m³ tot en met 1.000 m³: €
                                        57,66;</al></li><li nr="c."><al>per eenheid boven de 1.000 m³ tot en met 2.000 m³: €
                                        51,30;</al></li><li nr="d."><al>per eenheid boven de 2.000 m³ tot en met 5.000 m³: €
                                        47,75;</al></li><li nr="e."><al>per eenheid boven de 5.000 m³ tot en met 10.000 m³: €
                                        45,05;</al></li><li nr="f."><al>per eenheid boven de 10.000 m³ tot en met 50.000 m³: €
                                        37,90;</al></li><li nr="g."><al>per eenheid boven de 50.000 m³ tot en met 100.000 m³: €
                                        25,18;</al></li><li nr="h."><al>per eenheid boven de 100.000 m³: € 11,66, met dien verstande
                                        dat per perceel de heffing maximaal € 14.187,72
                                        bedraagt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor de berekening van de belasting wordt een gedeelte van de in het
                                vorige lid genoemde eenheid als een volle eenheid gerekend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Belastingjaar</titel></kop><al>Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Wijze van heffing</titel></kop><al>De belasting wordt bij wege van aanslag geheven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8a</nr><titel>Vrijstelling</titel></kop><al>Geen belasting wordt geheven van percelen waarvan de op de voet van
                            hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor de onroerende
                            zaak vastgestelde waarde € 25.000 of minder bedraagt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar
                                tijdsgelang</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De belasting is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of
                                voor het gebruikersdeel, zo dit later is, bij de aanvang van de
                                belastingplicht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de belastingplicht met betrekking tot het perceel voor het
                                gebruikersdeel in de loop van het belastingjaar aanvangt, is de
                                belasting verschuldigd over zoveel twaalfde gedeelten van het voor
                                dat jaar verschuldigde gebruikersdeel als er in dat jaar, na de
                                aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden
                                overblijven.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de belastingplicht met betrekking tot het perceel voor het
                                gebruikersdeel in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat
                                aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van het voor
                                dat jaar verschuldigde gebruikersdeel als er in dat jaar, na het
                                einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden
                                overblijven.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing indien de
                                belastingplichtige binnen de gemeente verhuist en aldaar een ander
                                perceel in gebruik neemt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Termijnen van betaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990
                                moeten de aanslagen als volgt worden betaald:</al><lijst><li nr="a."><al>Bij niet automatische incasso: in twee gelijke termijnen
                                        waarvan de eerste termijn vervalt op de laatste dag van de
                                        maand volgend op de maand die in de dagtekening van het
                                        aanslagbiljet is vermeld en de tweede termijn één maand
                                        later;</al></li><li nr="b."><al>Bij automatische incasso: in zoveel gelijke termijnen als er
                                        na de maand van dagtekening van het aanslagbiljet nog niet
                                        geëindigde maanden in het kalenderjaar overblijven, met dien
                                        verstande dat het aantal termijnen tenminste vier en
                                        maximaal tien bedraagt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid, onder b, geldt dat de aanslagen
                                moeten worden betaald in twee gelijke betaaltermijnen, ingeval het
                                totaalbedrag van de op een aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als
                                het aanslagbiljet maar een aanslag bevat, het bedrag van deze
                                aanslag hoger is dan € 20.000,00. De eerste termijn vervalt op de
                                laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening
                                van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede termijn een maand
                                later. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de
                                voorafgaande leden gestelde termijnen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Nadere regels door het college van burgemeester en
                                wethouders</titel></kop><al>Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven met
                            betrekking tot de heffing en de invordering van de rioolheffing. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><al>De 'Verordening rioolheffing 2011' van 6 december 2010 (2010/4307),
                            laatst gewijzigd bij besluit van 15 december 2014 (162954), wordt
                            ingetrokken met ingang van de in artikel 13 genoemde datum van ingang
                            van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de
                            belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de tweede dag na
                                die van de bekendmaking.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2016.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als 'Verordening rioolheffing gemeente
                            Gennep'.</al></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening> Aldus besloten in de openbare vergadering van 7 december 2015.</ondertekening><ondertekening> De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening> , voorzitter</ondertekening><ondertekening/><ondertekening> , griffier</ondertekening></regeling-sluiting><bijlage><al><extref doc="/cvdr/images/Gennep/i283742.pdf">Berekening limietopbrengst rioolheffing</extref></al></bijlage></regeling></body></cvdr>