<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd" xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance"><meta><owmskern><dcterms:identifier>384382_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Algemene Plaatselijke Verordening 2016</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Steenbergen</dcterms:creator><dcterms:modified>2015-12-10</dcterms:modified></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/zoeken/resultaat/?zkt=Uitgebreid&amp;pst=Gemeenteblad&amp;dpr=Alle&amp;spd=20151211&amp;epd=20151211&amp;sdt=DatumPublicatie&amp;org=Steenbergen&amp;orgt=gemeente&amp;planId=&amp;pnr=1&amp;rpp=10">Gemeenteblad</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Algemene plaatselijke verordening</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="BWB://1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=147">Gemeentewet art 147</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>openbare orde en veiligheid</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-01-28</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-02-05</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-02-08</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>raadsvoorstel BM1502347 APV BM1502323 toelichting BM1502324</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp></overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule></intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Steenbergen;</al><al></al><al>In behandeling genomen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 17
                        november 2015</al><al></al><al>Gelet op:</al><al>artikel 147 Gemeentewet</al><al></al><al>Overwegende dat het aanbeveling verdient regels te stellen ter handhaving
                        van de openbare orde</al><al></al><al>besluit:</al><al></al><al>vast te stellen de volgende Algemene Plaatselijke Verordening 2016. </al><al></al><al></al><al>Steenbergen, 28 januari 2016</al><al>De raad voornoemd,</al><al>de griffier de voorzitter</al><al></al><al></al><al></al><al></al><al>drs. E P.M. van der Meer R.P. van den Belt MBA</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="-"><al>bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld
                                    op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994;</al></li><li nr="-"><al>bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van
                                    een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld
                                    in artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of
                                    ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning;</al></li><li nr="-"><al>bouwwerk: hetgeen in artikel 1 van de Bouwverordening gemeente
                                    Steenbergen daaronder wordt verstaan;</al></li><li nr="-"><al>college: het college van burgemeester en wethouders;</al></li><li nr="-"><al>gebouw: hetgeen in artikel 1, eerste lid, onder c, van de
                                    Woningwet daaronder wordt verstaan;</al></li><li nr="-"><al>handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of
                                    diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang
                                    te dienen;</al></li><li nr="-"><al>openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op
                                    andere wijze toegankelijk zijn;</al></li><li nr="-"><al>openbare plaats: hetgeen in artikel 1 van de Wet openbare
                                    manifestaties daaronder wordt verstaan;</al></li><li nr="-"><al>rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft
                                    krachtens een zakelijk of persoonlijk recht;</al></li><li nr="-"><al>weg: hetgeen in artikel 1, eerste lid, onder b van
                                    deWegenverkeerswet daaronder wordt verstaan.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:2</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een
                                vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst
                                van de aanvraag, tenzij in deze Verordening een afwijkende
                                beslistermijn is bepaald.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken
                                verdagen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het tweede lid is artikel 3.9 van de Wet algemene
                                bepalingen omgevingsrecht van toepassing indien beslist wordt op een
                                aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 2:10, vijfde lid,
                                of een vergunning als bedoeld in artikel 2:11, tweede lid, aanhef en
                                onder a, of artikel 4:11 of een vergunning als bedoeld in artikel
                                2:12.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:3</nr><titel>Indiening aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een aanvraag voor een vergunning of ontheffing wordt
                                ingediend minder dan drie weken vóór het tijdstip waarop de
                                aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft, kan het
                                bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor bepaalde, door het bestuursorgaan aan te wijzen, vergunningen
                                of ontheffingen kan de in het eerste lid genoemde termijn worden
                                verlengd tot ten hoogste twaalf weken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:4</nr><titel>Voorschriften en beperkingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen
                                worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts
                                tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de
                                vergunning of ontheffing is vereist.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is
                                verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te
                                komen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:5</nr><titel>Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing</titel></kop><al>De vergunning of ontheffing is persoonlijk, tenzij bij of krachtens deze
                            verordening anders is bepaald.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:6</nr><titel>Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing</titel></kop><al>De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd:</al><lijst><li nr="a."><al>indien ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens
                                    zijn verstrekt;</al></li><li nr="b."><al>indien op grond van een verandering van de omstandigheden of
                                    inzichten opgetreden na het verlenen van de ontheffing of
                                    vergunning, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het
                                    belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of
                                    ontheffing is vereist;</al></li><li nr="c."><al>indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden
                                    voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;</al></li><li nr="d."><al>indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt
                                    gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij het
                                    ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke
                                    termijn; of</al></li><li nr="e."><al>indien de houder dit verzoekt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:7</nr><titel>Termijnen</titel></kop><al>De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de
                            vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning
                            of ontheffing zich daartegen verzet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:8</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><al>De vergunning of ontheffing kan door het bevoegd gezag of het bevoegde
                            bestuursorgaan worden geweigerd in het belang van:</al><lijst><li nr="a."><al>de openbare orde;</al></li><li nr="b."><al>de openbare veiligheid;</al></li><li nr="c."><al>de volksgezondheid;</al></li><li nr="d."><al>de bescherming van het milieu.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Openbare orde</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1.</nr><titel>Bestrijding van ongeregeldheden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:1</nr><titel>Samenscholing en ongeregeldheden</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden op een openbare plaats op enigerlei wijze de
                                        orde te verstoren, zich hinderlijk te gedragen, personen
                                        lastig te vallen, te vechten, deel te nemen aan een
                                        samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend
                                        gedrag aanleiding te geven tot wanordelijkheden.</al></li><li nr="2."><al>Degene die op een openbare plaats</al><lijst><li nr="a."><al>aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden
                                                ontstaan of dreigen te ontstaan;</al></li><li nr="b."><al>aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft
                                                tot toeloop van publiek waardoor ongeregeldheden
                                                ontstaan of dreigen te ontstaan; of</al></li><li nr="c."><al>zich bevindt in of aanwezig is bij een
                                                samenscholing;</al><al>is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie
                                                zijn weg te vervolgen of zich in de door hem
                                                aangewezen richting te verwijderen.</al></li></lijst></li></lijst><lijst><li nr="3."><al>Het is verboden zich te begeven naar of te bevinden op
                                        openbare plaatsen die door of vanwege het bevoegd
                                        bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of
                                        ter voorkoming van ongeregeldheden zijn afgezet.</al></li><li nr="4."><al>Het is verboden een voorwerp dat ter afzetting of afsluiting
                                        van een gedeelte van een openbare plaats door of vanwege het
                                        bevoegde gezag is aangebracht, te verplaatsen, te
                                        verwijderen of omver te halen.</al></li><li nr="5."><al>De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde
                                        lid gestelde verbod.</al></li><li nr="6."><al>Het bepaalde in de voorgaande leden is niet van toepassing
                                        op betogingen, vergaderingen en godsdienstige en
                                        levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet
                                        openbare manifestaties.</al></li><li nr="7."><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                        bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet
                                        tijdig beslissen) niet van toepassing.</al></li></lijst></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2.</nr><titel>Betoging</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:2</nr><titel>Optochten</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:3</nr><titel>Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een
                                    betoging te houden, waaronder begrepen een samenkomst als
                                    bedoeld in artikel 3, eerste lid van de Wet openbare
                                    manifestaties, geeft daarvan vóór de openbare aankondiging en
                                    ten minste 48 uur voordat de betoging wordt gehouden,
                                    schriftelijk kennis aan de burgemeester.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De kennisgeving bevat:</al><lijst><li nr="a."><al>naam en adres van degene die de betoging houdt;</al></li><li nr="b."><al>het doel van de betoging;</al></li><li nr="c."><al>de datum waarop de betoging wordt gehouden en het
                                            tijdstip van aanvang en van beëindiging;</al></li><li nr="d."><al>de plaats en, voor zover van toepassing, de route en de
                                            plaats van beëindiging;</al></li><li nr="e."><al>voor van toepassing, de wijze van samenstelling; en</al></li><li nr="f."><al>maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen
                                            om een regelmatig verloop te bevorderen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Degene die de kennisgeving doet ontvangt daarvan een bewijs
                                    waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien het tijdstip van de uiterlijke termijn van de
                                    schriftelijke kennisgeving van de betoging valt op een vrijdag
                                    na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende
                                    feestdag, wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk op de werkdag
                                    die aan de dag van dat tijdstip voorafgaat vóór 12.00 uur.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden op verzoek een
                                    kennisgeving in behandeling nemen buiten de in lid 1 gestelde
                                    termijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:4</nr><titel>Afwijking termijn</titel></kop><al>[Vervallen; opgenomen in artikel 2:3]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:5</nr><titel>Te verstrekken gegevens</titel></kop><al>[Vervallen; opgenomen in artikel 2:3]</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3.</nr><titel>Verspreiden van gedrukte stukken</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:6</nr><titel>Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken
                                    of afbeeldingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden gedrukte of geschreven stukken dan wel
                                    afbeeldingen onder publiek te verspreiden dan wel openlijk aan
                                    te bieden op door het college aangewezen openbare plaatsen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan de werking van het verbod beperken tot bepaalde
                                    dagen en uren.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod is niet van toepassing op het huis-aan-huis
                                    verspreiden of het aan huis bezorgen van gedrukte of geschreven
                                    stukken en afbeeldingen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste
                                    lid.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) van toepassing.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4.</nr><titel>Vertoningen e.d. op de weg</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:7</nr><titel>Feest, muziek en wedstrijd e.d.</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:8</nr><titel>Dienstverlening</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:9</nr><titel>Straatartiest</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>5.</nr><titel>Bruikbaarheid en aanzien van de wegen/of openbare plaats</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:10</nr><titel>Voorwerpen op of aan de weg/openbare plaats</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder voorafgaande vergunning
                                    (objectvergunning) van het bevoegde bestuursorgaan een weg en/of
                                    openbare plaats anders te gebruiken dan overeenkomstig de
                                    publieke functie daarvan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>evenementen als bedoeld in artikel 2:24;</al></li><li nr="b."><al>standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17; en</al></li><li nr="c."><al>overige gevallen waarin krachtens een wettelijke
                                            regeling een vergunning voor het gebruik van de weg
                                            en/of openbare plaats is verleend.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid geldt tevens niet voor de volgende
                                    voorwerpen mits wordt voldaan aan het bepaalde in de nadere
                                    regels uit hoofde van het vierde lid:</al><lijst><li nr="a."><al>terrassen als bedoeld in artikel 2:27 eerste lid onder
                                            b;</al></li><li nr="b."><al>uitstallingen;</al></li><li nr="c."><al>bouwobjecten;</al></li><li nr="d."><al>reclameborden;</al></li><li nr="e."><al>plantenbakken en banken;</al></li><li nr="f."><al>nader door het college aan te wijzen categorieën van
                                            voorwerpen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan in het belang van de openbare orde of de woon-
                                    en leefomgeving nadere<vet></vet>regels stellen ten aanzien van de
                                    categorieën van voorwerpen als bedoeld in het derde lid.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het
                                    in het eerste lid bedoelde gebruik, voor zover dit een
                                    activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder
                                    j of k, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties
                                    waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatwerken,
                                    artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, of de Verordening wegen
                                    Noord-Brabant 2010.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Op de vergunning als bedoeld in het eerste lid is paragraaf
                                    4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve
                                    beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:11</nr><titel>(Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en
                                    veranderen van een weg</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning een
                                    weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een
                                    weg te graven of te spitten, aard of breedte van de
                                    wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen
                                    in de wijze van aanleg van een weg.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vergunning wordt verleend:</al><lijst><li nr="a."><al>als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, indien
                                            de activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan,
                                            beheersverordening, exploitatieplan of
                                            voorbereidingsbesluit; of</al></li><li nr="b."><al>door het college in de overige gevallen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing indien in
                                    opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam publieke
                                    taken worden verricht.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin
                                    wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer
                                    rijkswaterstaatswerken, de Verordening wegen Noord-Brabant 2010,
                                    de waterschapskeur, de Telecommunicatiewet of de Algemene
                                    Verordening Ondergrondse Infrastructuren.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Op de vergunning bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3
                                    van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve
                                    beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:12</nr><titel>(Omgevings)vergunning voor het maken, veranderen van een
                                    uitweg</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag
                                    een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een
                                    bestaande uitweg naar de weg.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 wordt de vergunning
                                    slechts geweigerd:</al><lijst><li nr="a."><al>ter voorkoming van gevaar voor het verkeer op de
                                            weg;</al></li><li nr="b."><al>indien de uitweg zonder noodzaak ten koste gaat van een
                                            openbare parkeerplaats;</al></li><li nr="c."><al>indien door de uitweg het openbaar groen op
                                            onaanvaardbare wijze wordt aangetast; of</al></li><li nr="d."><al>indien er sprake is van een uitweg van een perceel dat
                                            al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg
                                            van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare
                                            parkeerplaats of het openbaar groen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties
                                    waarin wordt voorzien door de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken,
                                    de Waterschapskeur of de Verordening wegen Noord-Brabant
                                    2010.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>6.</nr><titel>Veiligheid op de weg</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:13</nr><titel>Hinderlijke voorwerpen, modder of stoffen op de weg</titel></kop><al>Het is onverminderd de daaromtrent bestaande wettelijke bepalingen
                                verboden op een weg voorwerpen, modder of stoffen, die aanleiding
                                kunnen geven tot verontreiniging, beschadiging of slechte afwatering
                                van de weg, of tot gevaarlijke situaties op de weg, aldaar in
                                directe of indirecte zin te plaatsen, te werpen, uit te gieten, over
                                te brengen, te laten afvloeien of te laten vallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:14</nr><titel>Bruikbaar houden van de weg</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><lijst><li nr=""><al>In het belang van de orde en netheid van de weg, de
                                            veiligheid van het verkeer, het voorkomen van
                                            beschadiging van het wegdek en de afwatering van de weg
                                            is het degene, door wiens handelen of toe doen een of
                                            meer voorwerpen, modder of stoffen als bedoeld in
                                            artikel 2:13 op een weg zijn geraakt, verboden deze
                                            daarop te laten. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><lijst><li nr=""><al> Met het oog op deze belangen dient de in het eerste lid
                                            bedoelde persoon de weg terstond dan wel op aanwijzing
                                            van politiefunctionarissen of gemeenteambtenaren te
                                            ontdoen of te laten ontdoen van voorwerpen of stoffen
                                            als bedoeld in artikel 2.13.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:15</nr><titel>Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><lijst><li nr=""><al>Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te
                                            brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het
                                            wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of dat er
                                            op andere wijze voor het wegverkeer hinder of gevaar kan
                                            ontstaan.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><lijst><li nr=""><al> Het college kan ten aanzien van het in het eerste lid
                                            bepaalde nadere regels stellen in het belang van de
                                            veiligheid op de weg. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:16</nr><titel>Openen straatkolken e.d.</titel></kop><al>Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een
                                straatkolk, rioolput, brandkraan of een andere afsluiting die
                                behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te
                                maken of af te dekken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:17</nr><titel>Kelderingangen e.d.</titel></kop><al>[vervallen]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:18</nr><titel>Rookverbod in bossen en natuurterreinen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>1. Het is verboden in bossen, op heide of veengronden dan wel in
                                    duingebieden of binnen een afstand van dertig meter daarvan: </al><lijst><li nr="a."><al> te roken gedurende een door het college aangewezen
                                            periode;</al></li><li nr="b."><al>voor zover het de open lucht betreft, brandende of
                                            smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of
                                            te laten liggen. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> De verboden in het eerste lid zijn niet van toepassing op
                                    situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en
                                    onder 3, van het Wetboek van Strafrecht. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> De verboden zijn voorts niet van toepassing voor zover het
                                    roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:19</nr><titel>Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:20</nr><titel>Vallende voorwerpen</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:21</nr><titel>Voorzieningen voor verkeer en verlichting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat
                                    op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten
                                    behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden
                                    aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt
                                    voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet, of de
                                    Belemmeringenwet Privaatrecht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:22</nr><titel>Objecten onder hoogspanningslijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het is verboden binnen een afstand van zes meter aan
                                    weerszijden van voor stroomgeleiding bestemde draden van
                                    bovengrondse hoogspanningslijnen voorwerpen, opgaand houtgewas
                                    of andere objecten, die niet zijn aan te merken als bouwwerken,
                                    hoger dan twee meter te plaatsen of te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het college kan van het verbod ontheffing verlenen indien de
                                    elektrische spanning van de bovengrondse hoogspanningslijn dat
                                    toelaat.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Het verbod is niet van toepassing op objecten die deel uitmaken
                                    van de hoogspanningslijn.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:23</nr><titel>Veiligheid op het ijs</titel></kop><al>[vervallen]</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>7.</nr><titel>Evenementen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:24</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor
                                    publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering
                                    van:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>bioscoopvoorstellingen;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de
                                    Gemeentewet;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>het in een inrichting in de zin van de Drank- en Horecawet
                                    gelegenheid geven tot dansen;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet
                                    openbare manifestaties;</al></lid><lid><lidnr>f.</lidnr><al>activiteiten als bedoeld in artikel 2:9 en 2:39 van deze
                                    verordening</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder evenement wordt mede verstaan:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>een herdenkingsplechtigheid;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>een braderie;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3
                                    van deze verordening, op de weg;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de
                                    weg;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>een straatfeest of buurtbarbecue;</al></lid><lid><lidnr>f.</lidnr><al>een snuffelmarkt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In deze afdeling wordt verstaan onder snuffelmarkt: een markt in
                                    een voor het publiek toegankelijk gebouw waar hoofdzakelijk
                                    tweedehands en incourante goederen worden verhandeld of diensten
                                    worden aangeboden vanaf een standplaats. Onder een snuffelmarkt
                                    wordt niet verstaan een markt of jaarmarkt als bedoeld in
                                    artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de
                                    Gemeentewet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:25</nr><titel>Evenement</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning
                                        van de burgemeester een evenement te organiseren.</al></li><li nr="2."><al>Geen vergunning is vereist voor een evenement, indien:</al></li><li nr="a."><al>het aantal aanwezigen niet meer bedraagt dan 250
                                        personen;</al></li><li nr="b."><al>het evenement tussen 9.00 en 23.00 uur plaats vindt;</al></li><li nr="c."><al>geen muziek ten gehore wordt gebracht voor 09.00 uur of na
                                        23.00 uur en op zondag voor 13.00 uur of na 23.00 uur;</al></li><li nr="d."><al>het maximaal toelaatbare geluidsniveau van 70 dB(A) en 83
                                        dB(c) op de gevels van omringende woningen niet wordt
                                        overschreden.</al></li><li nr="e."><al>het evenement geen belemmering vormt voor het verkeer en de
                                        hulpdiensten;</al></li><li nr="f."><al>slechts kleine objecten worden geplaatst met een oppervlakte
                                        van minder dan 50 m2 per object en zich hier minder dan 50
                                        personen gelijktijdig in/op verblijven;</al></li><li nr="g."><al>er een organisator is; en</al></li><li nr="h."><al>de organisator ten minste 14 dagen voorafgaand aan het
                                        evenement daarvan schriftelijk melding heeft gedaan aan de
                                        burgemeester;</al></li><li nr="i."><al>het geen vechtsportwedstrijden of –gala’s betreft, waaronder
                                        in ieder geval wordt begrepen kooigevechten,
                                        kickboksevenementen, freefightevenementen en daarmee
                                        vergelijkbare activiteiten en al dan niet in
                                        wedstrijdverband georganiseerde evenementen waarbij de
                                        menselijke waardigheid in het geding is.</al></li><li nr="j."><al>het geen evenementen betreft die vallen binnen de
                                        categorieën evenementen die door de burgemeester zijn
                                        aangewezen.</al></li><li nr="3."><al>De burgemeester kan binnen 14 dagen na ontvangst van de
                                        melding besluiten een evenement als bedoeld in lid 2 te
                                        verbieden dan wel daaraan nadere voorwaarden verbinden,
                                        indien er aanleiding is te vermoeden dat door het evenement
                                        de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid
                                        of het milieu in gevaar komt.</al></li><li nr="4."><al>De burgemeester kan nadere regels stellen in het belang van
                                        de openbare orde, openbare veiligheid, volksgezondheid en
                                        het milieu.</al></li><li nr="5."><al>Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op een
                                        wedstrijd op of aan de weg, in situaties waarin voorzien
                                        wordt door artikel 10 juncto 148, van de Wegenverkeerswet
                                        1994.</al></li><li nr="6."><al>Het bepaalde in het tweede lid is niet van toepassing op een
                                        evenement dat plaatsvindt in een door de burgemeester
                                        aangewezen gebied.</al></li><li nr="7."><al>Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                        bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet
                                        tijdig beslissen) niet van toepassing.</al></li><li nr="8."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigert de
                                        burgemeester een vergunning als de organisator van een
                                        evenement als bedoeld in artikel 2:25 lid 2 sub i en j van
                                        slecht levensgedrag is.</al></li><li nr="9."><al>De burgemeester kan nadere regels stellen omtrent het
                                        organiseren van periodiek terugkerende evenementen</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:25a</nr><titel>Weigering vergunning</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan een vergunning zoals
                                bedoeld in artikel 2:25, eerste lid, worden geweigerd, indien door
                                het bevoegd gezag is geconstateerd dat de organisator van het
                                evenement de vergunningvoorschriften van hetzelfde evenement in het
                                jaar voorafgaand heeft overtreden. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:26</nr><titel>Ordeverstoring</titel></kop><al>Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>8.</nr><titel>Toezicht op openbare inrichtingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:27</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze afdeling wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al>openbare inrichting: </al></li></lijst><lijst><li nr="i."><al>een hotel, restaurant, pension, café, cafetaria,
                                            snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis;</al></li><li nr="ii."><al> elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten
                                            ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij
                                            bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken
                                            worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe
                                            consumptie worden verstrekt of bereid;</al></li><li nr="b."><al>terras: een buiten de besloten ruimte van de openbare
                                            inrichting liggend deel daarvan waar sta- of
                                            zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen
                                            vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen
                                            voor directe consumptie kunnen worden bereid of
                                            verstrekt.</al></li><li nr="c."><al>leidinggevende: </al><lijst><li nr="i."><al>de natuurlijke persoon of de bestuurders van een
                                                  rechtspersoon of hun gevolmachtigden, voor wiens
                                                  rekening en risico de openbare inrichting wordt
                                                  geëxploiteerd;</al></li><li nr="ii."><al>de natuurlijke persoon, die algemene leiding
                                                  geeft aan een onderneming, waarin de openbare
                                                  inrichting wordt geëxploiteerd;</al></li><li nr="iii."><al>de natuurlijke persoon, die onmiddellijk leiding
                                                  geeft aan de exploitatie van een openbare
                                                  inrichting </al></li></lijst></li></lijst><lijst><li nr="d."><al> bezoeker: een ieder die zich in de inrichting bevindt,
                                            met uitzondering van leidinggevenden, personen die
                                            dienst doen in de inrichting, en personen wier
                                            aanwezigheid in de inrichting wegens dringende redenen
                                            noodzakelijk is</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder openbare inrichting wordt mede verstaan een terras.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:28</nr><titel>Exploitatie openbare inrichting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder
                                    vergunning van de burgemeester.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigert de burgemeester
                                    de vergunning indien de exploitatie van de openbare inrichting
                                    in strijd is met een geldend bestemmingsplan,
                                    beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit en
                                    geen medewerking is of zal worden verleend aan het afwijken
                                    middels een omgevingsvergunning. De burgemeester kan de
                                    vergunning als bedoeld in het eerste lid eveneens weigeren
                                    indien de leidinggevende(n) in enig opzicht van slecht
                                    levensgedrag is/zijn.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In aanvulling op het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester
                                    de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren indien naar zijn
                                    oordeel moet worden aangenomen dat de woon- of leefsituatie in
                                    de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op
                                    ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het is verboden een openbare inrichting voor het publiek geopend
                                    te houden indien in de inrichting geen leidinggevende aanwezig
                                    is die vermeld staat op een vergunning of verleende vrijstelling
                                    met betrekking tot die inrichting.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Een vergunninghouder doet een melding aan de burgemeester
                                    indien:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>een leidinggevende op de vergunning dient te worden
                                    bijgeschreven;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>een leidinggevende van de vergunning dient te worden verwijderd
                                    als deze geen bemoeienis meer heeft met de bedrijfsvoering of de
                                    exploitatie van de openbare inrichting.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich
                                    bevindt in</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor
                                    zover de activiteiten van de openbare inrichting een
                                    nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>een zorginstelling;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>een museum; of</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>een bedrijfskantine of – restaurant;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>een schoolkantine.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De burgemeester verleent op verzoek of ambtshalve vrijstelling
                                    van het verbod genoemd in het eerste lid aan openbare
                                    inrichtingen die horecabedrijf zijn als bedoeld in artikel 1 van
                                    de Drank- en Horecawet, indien</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>zich in de zes maanden voorafgaand aan de datum van aanvraag om
                                    vergunning als bedoeld in het eerste lid geen incidenten gepaard
                                    gaande met geweld, overlast op straat of drugsgebruik en -handel
                                    hebben voorgedaan in of bij de inrichting, dan wel</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de inrichting zich nieuw in de gemeente vestigt en er zich geen
                                    weigeringsgronden voordoen als bedoeld in artikel 1:8 of 2:28,
                                    tweede of derde lid.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>De vrijstelling wordt ingetrokken wanneer zich een incident
                                    heeft voorgedaan als bedoeld in het zevende lid onder a.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve
                                    fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van
                                    toepassing op de vergunning bedoeld in het eerste lid en op de
                                    vrijstelling bedoeld in het zevende lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.28a</nr><titel>Intrekkingsgronden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><lijst><li nr=""><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 wordt een
                                            exploitatievergunning of verleende vrijstelling
                                            ingetrokken indien:</al></li><li nr="a."><al>de vergunning/vrijstelling is verleend op grond van door
                                            de exploitant verstrekte onjuiste of onvolledige
                                            informatie en een ander besluit op de aanvraag zou zijn
                                            genomen indien bij het nemen daarvan de juiste
                                            omstandigheden volledig bekend waren geweest;</al></li><li nr="b."><al>een leidinggevende niet langer voldoet aan de eisen,
                                            zoals die zijn vermeld in artikel 2:28 tweede lid;</al></li><li nr="c."><al>zich in of in de nabijheid van de horeca-inrichting
                                            feiten hebben voorgedaan, die – naar het oordeel van de
                                            burgemeester – de vrees wettigen, dat het van kracht
                                            blijven van de vergunning gevaar zou opleveren voor de
                                            openbare orde, de veiligheid, de volksgezondheid, het
                                            woon- en leefklimaat of de zedelijkheid;</al></li><li nr="d."><al>indien voor de exploitatie van een horeca-inrichting
                                            tevens een vergunning op basis van de Drank- en
                                            Horecawet is vereist en deze vergunning is
                                            ingetrokken.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een exploitatievergunning of vrijstelling kan worden
                                    ingetrokken:</al><lijst><li nr="a."><al>indien is of wordt gehandeld in strijd met de verleende
                                            vergunning en/of de daaraan verbonden
                                            voorschriften;</al></li><li nr="b."><al>niet langer wordt voldaan aan de eisen die bij of
                                            krachtens deze verordening zijn bepaald;</al></li><li nr="c."><al>de intrekking van de vergunning op grond van het eerste
                                            lid, onder b, kan eerst geschieden een maand nadat van
                                            het voornemen daartoe aan de vergunninghouder
                                            schriftelijk mededeling is gedaan tenzij de
                                            vergunninghouder zelf niet langer voldoet aan de eisen
                                            zoals gesteld in artikel 2:28 tweede lid;</al></li><li nr="d."><al>in een horeca-inrichting de functie van leidinggevende
                                            wordt uitgeoefend door een persoon, die niet op de
                                            vergunning met betrekking tot dat bedrijf als zodanig is
                                            vermeld;</al></li><li nr="e."><al>op verzoek van de exploitant. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Ten aanzien van horeca-inrichtingen waarvan de
                                    exploitatievergunningen ingevolge het eerste lid onder c van dit
                                    artikel wordt ingetrokken kan tevens worden bepaald dat een
                                    exploitatievergunning voor de desbetreffende locatie gedurende
                                    een bepaalde termijn van maximaal vijf jaar zal worden
                                    geweigerd. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.28b</nr><titel>Vervallen vergunning</titel></kop><al>De exploitatievergunning of verleende vrijstelling vervalt
                                wanneer:</al><lijst><li nr="a."><al>de exploitatie van het horecabedrijf feitelijk is beëindigd
                                        of (gedeeltelijk) overgedragen;</al></li><li nr="b."><al>zes maanden zijn verlopen na het onherroepelijk worden van
                                        de exploitatievergunning, zonder dat van deze vergunning
                                        gebruik is gemaakt;</al></li><li nr="c."><al>gedurende zes maanden anders dan wegens overmacht geen
                                        gebruik is gemaakt van de exploitatievergunning.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:29</nr><titel>Sluitingstijd</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Openbare inrichtingen zijn gesloten tussen 02:00 uur en 6:00
                                        uur (sluitingstijd).</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers
                                        geopend te hebben, of bezoekers in de inrichting te laten
                                        verblijven na sluitingstijd.</al></li><li nr="3."><al>In afwijking van lid 1 kan de burgemeester een andere
                                        sluitingstijd vaststellen. </al></li><li nr="4."><al>Voor een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:28,
                                        zesde lid onder a, gelden dezelfde sluitingstijden als voor
                                        de winkel.</al></li><li nr="5."><al>Het eerste en het derde lid zijn niet van toepassing op
                                        situaties waarin bij of krachtens de Wet milieubeheer is
                                        voorzien.</al></li><li nr="6."><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                        bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet
                                        tijdig beslissen) niet van toepassing.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:30</nr><titel>Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De burgemeester kan in het belang van de openbare orde,
                                    veiligheid of gezondheid of in geval van bijzondere
                                    omstandigheden voor een of meer openbare inrichtingen tijdelijk
                                    andere sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting
                                    bevelen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin
                                    artikel 13b van de Opiumwet voorziet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:31</nr><titel>Verboden gedragingen</titel></kop><al>Het is verboden in een openbare inrichting:</al><lijst><li nr="a."><al>de orde te verstoren;</al></li><li nr="b."><al>zich als bezoeker te bevinden na sluitingstijd of gedurende
                                        de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn op grond
                                        van een besluit krachtens artikel 2:30, eerste lid;</al></li><li nr="c."><al>op het terras spijzen of dranken te verstrekken aan personen
                                        die geen gebruik maken van het terras.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:32</nr><titel>Handel binnen openbare inrichtingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In dit artikel wordt onder handelaar verstaan: de handelaar als
                                    bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op
                                    grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van
                                    Strafrecht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De exploitant van een openbare inrichting staat niet toe dat een
                                    handelaar of een voor hem handelend persoon in die inrichting
                                    enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enige andere wijze
                                    overdraagt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:33</nr><titel>Het college als bevoegd bestuursorgaan</titel></kop><al>Indien een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand
                                gebouw of bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 van de
                                Gemeentewet, treedt het college bij de toepassing van artikel 2:28
                                tot en met 2:30 op als bevoegd bestuursorgaan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:33a</nr><titel>Gebruik van glas- en vaatwerk</titel></kop><al>De burgemeester kan in het belang van de openbare orde of
                                veiligheid, of in geval van bijzondere omstandigheden, te zijner
                                beoordeling, voor één of meer openbare inrichtingen tijdelijk het
                                gebruik van glas- en vaatwerk, anders dan van kunststof of karton
                                materiaal, voor het verstrekken van dranken, verbieden en nadere
                                regels stellen omtrent het gebruik van glas- en vaatwerk. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:34</nr><titel>Het college als bevoegd bestuursorgaan</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>8A</nr><titel>Bijzondere bepalingen over horecabedrijven als bedoeld in de
                                Drank- en Horecawet</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:34a</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="-"><al>alcoholhoudende drank,</al></li><li nr="-"><al>horecabedrijf,</al></li><li nr="-"><al>horecalokaliteit,</al></li><li nr="-"><al>inrichting,</al></li><li nr="-"><al>paracommerciële rechtspersonen,</al></li><li nr="-"><al>sterke drank,</al></li><li nr="-"><al>slijtersbedrijf en</al></li><li nr="-"><al>zwak-alcoholhoudende drank, dat wat daaronder wordt verstaan
                                        in de Drank- en Horecawet</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.34b</nr><titel>schenktijden paracommerciële rechtspersonen</titel></kop><al>Paracommerciele rechtspersonen verstrekken uitsluitend
                                alcoholhoudende drank gedurende de periode niet eerder beginnende
                                één uur voorafgaande aan de activiteit(en) en eindigende na maximaal
                                twee uren na beëindiging van activiteiten die passen binnen de
                                statutaire doelomschrijving van de desbetreffende paracommerciële
                                rechtspersoon, maar niet later dan 01:30 uur.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.34c</nr><titel>bijeenkomsten bij paracommerciële rechtspersonen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Paracommerciele rechtspersonen verstrekken geen alcoholhoudende
                                    drank tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard en
                                    bijeenkomsten die gericht zijn op personen die niet of niet
                                    rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende
                                    rechtspersoon zijn betrokken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>het verbod in het eerste lid geldt niet voor gelegenheden die
                                    betrekking hebben op een uitvaart (koffietafel, samenkomst,
                                    etcetera) en voor de duur van deze gelegenheid.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>9.</nr><titel>Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van
                                nachtverblijf</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:35</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder inrichting: elke al dan niet
                                besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan
                                personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot
                                kamperen wordt verschaft.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:36</nr><titel>Kennisgeving exploitatie</titel></kop><al>Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of de
                                exploitatie of feitelijke leiding van een inrichting staakt, is
                                verplicht binnen drie dagen daarna daarvan schriftelijk kennis te
                                geven aan de burgemeester.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:37</nr><titel>Nachtregister</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De houder van een inrichting is verplicht. een register, als
                                    bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht, bij te
                                    houden dat is ingericht volgens het door de burgemeester
                                    vastgestelde model.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De houder van een inrichting of een voor hem handelend persoon
                                    is verplicht het in het eerste lid bedoelde register aan de
                                    burgemeester over te leggen op een door de burgemeester te
                                    bepalen wijze.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:38</nr><titel>Verschaffing gegevens nachtregister</titel></kop><al>Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt dan wel de
                                kampeerder is verplicht onverwijld aan de houder van de inrichting
                                volledig en naar waarheid zijn of haar naam, woonplaats, dag van
                                aankomst en de dag van vertrek te verstrekken.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>10.</nr><titel>Toezicht op speelgelegenheden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:39</nr><titel>Speelgelegenheden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In dit artikel wordt onder speelgelegenheid verstaan: een voor
                                    het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in
                                    een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt
                                    geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld
                                    inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een
                                    speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. Het
                                    verbod is niet van toepassing op:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>speelautomatenhallen waarvoor op grond van artikel 30c, eerste
                                    lid, onder b, van de Wet op de Kansspelen vergunning is
                                    verleend;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>speelgelegenheden waarvoor de minister van Veiligheid en
                                    Justitie of de Kamer van Koophandel bevoegd is vergunning te
                                    verlenen; en</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>speelgelegenheden waar de mogelijkheid wordt geboden om het
                                    kleine kansspel als bedoeld in artikel 7c van de Wet op de
                                    kansspelen te beoefenen, of te spelen op speelautomaten als
                                    bedoeld in artikel 30 van de Wet op de kansspelen, of de
                                    handeling als in artikel l, onder a, van de Wet op de kansspelen
                                    te verrichten.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De burgemeester weigert de vergunning:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en
                                    leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de
                                    openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed
                                    door de exploitatie van de speelgelegenheid; of</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>indien de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met
                                    een geldend bestemmingsplan.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:40</nr><titel>Kansspelautomaten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In dit artikel wordt verstaan onder:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>Wet: de Wet op de kansspelen;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>kansspelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder c.
                                    van de Wet;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>hoogdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30,
                                    onder d, van de Wet;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>laagdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30,
                                    onder e, van de Wet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In hoogdrempelige inrichtingen zijn twee kansspelautomaten
                                    toegestaan.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In laagdrempelige inrichtingen zijn kansspelautomaten niet
                                    toegestaan.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>10A.</nr><titel>Winkelbedrijven</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:40a</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><lid><lidnr>a.</lidnr><al>de inrichting: een voor het publiek toegankelijke ruimte waarin
                                    bedrijfsmatig, in een omvang alsof zij bedrijfsmatig is of
                                    anders dan om niet handelingen en/of werkzaamheden worden
                                    verricht die zijn aan te merken als het exploiteren van hetgeen
                                    in het maatschappelijk verkeer wordt aangeduid als smartshop,
                                    headshops, belshop of internetcafé;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de exploitant: de natuurlijke of rechtspersoon die een
                                    inrichting exploiteert op grond van artikel 2:40c;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>de beheerder: de natuurlijke persoon of personen die de
                                    onmiddellijke leiding uitoefent of uitoefenen;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>het gebied: het op basis van artikel 2:40b, eerste lid, door het
                                    college aangewezen gebied waarop deze afdeling van toepassing
                                    is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:40b</nr><titel>Gebiedsaanwijzing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college is bevoegd een gebied aan te wijzen waarbinnen ter
                                    bevordering, dan wel ter voorkoming van verdere aantasting, van
                                    het woon- en leefklimaat deze afdeling van toepassing is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot het
                                    maximale aantal inrichtingen, al dan niet categorisch, binnen
                                    het gebied.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:40c</nr><titel>Vergunningplicht</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een
                                        inrichting als bedoeld in 2:40a te exploiteren;</al></li><li nr="2."><al>Voor het verkrijgen en behouden van een vergunning moet een
                                        aanvraag bij de burgemeester worden ingediend;</al></li><li nr="3."><al>In de aanvraag om vergunning en in de vergunning wordt in
                                        ieder geval vermeld;</al><lijst><li nr="a."><al>de persoonsgegevens van de exploitant; en</al></li><li nr="b."><al>de persoonsgegevens van de beheerder.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                        bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet
                                        tijdig beslissen) niet van toepassing.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:40d</nr><titel>Gedragseisen</titel></kop><al>De exploitant en de beheerder:</al><lijst><li nr="a."><al>staan niet onder curatele en zijn niet ontzet uit de
                                        ouderlijke macht of de voogdij;</al></li><li nr="b."><al>zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag; en</al></li><li nr="c."><al>hebben de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:40e</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden
                                geweigerd indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de exploitant of beheerder niet voldoet aan de in artikel
                                        2:40d gestelde eisen;</al></li><li nr="b."><al>de exploitant of beheerder binnen drie jaar voor de aanvraag
                                        een inrichting heeft geëxploiteerd die op grond van
                                        (ernstige vrees voor) verstoring van de openbare orde, dan
                                        wel op grond van artikel 13b van de Opiumwet, gesloten is
                                        geweest;</al></li><li nr="c."><al>de vestiging of de exploitatie van de inrichting in strijd
                                        is met een geldend bestemmingsplan, stadsvernieuwingsplan of
                                        leefmilieuverordening en geen medewerking is of zal worden
                                        verleend aan het afwijken middels een
                                        omgevingsvergunning;</al></li><li nr="d."><al>de vestiging of exploitatie strijd oplevert met de nadere
                                        regels als bedoeld in artikel 2:40b, tweede lid;</al></li><li nr="e."><al>naar het oordeel van de burgemeester moet worden aangenomen
                                        dat het woon- en leefklimaat in de omgeving van de
                                        inrichting en/of de openbare orde op ontoelaatbare wijze
                                        nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van de
                                        inrichting;</al></li><li nr="f."><al>de inrichting binnen een straal van 350 meter van gevoelige
                                        objecten zoals scholen buurthuizen of jongerencentra
                                        gevestigd is;</al></li></lijst><lijst><li nr="g."><al>de aanvrager van een vergunning geen verklaring omtrent
                                        gedrag van hem en alle leidinggevenden overlegt, die
                                        uiterlijk drie maanden voor de datum waarop de aanvraag is
                                        ingediend, is afgegeven.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:40f</nr><titel>Sluiting</titel></kop><al>De burgemeester kan een inrichting, al dan niet voor een bepaalde
                                termijn, gesloten verklaren indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de exploitant of beheerder handelt in strijd met het
                                        bepaalde in de artikelen 2:40c, eerste lid, of 2:40d onder
                                        sub a en b;</al></li><li nr="b."><al>de exploitant of beheerder handelt in strijd met de aan de
                                        vergunning verbonden voorschriften.</al></li></lijst><al></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:40g</nr><titel>Aanwezigheid in gesloten inrichting</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden gedurende de tijd dat een inrichting
                                        ingevolge de reguliere sluitingstijden voor bezoekers
                                        gesloten dient te zijn zich als bezoeker daarin te
                                        bevinden.</al></li><li nr="2."><al>Het is de exploitant of beheerder verboden gedurende de tijd
                                        dat een inrichting bij of krachtens de Winkeltijdenwet, of
                                        krachtens een op grond van artikel 2:40f genomen besluit
                                        voor bezoekers gesloten dient te zijn, de inrichting voor
                                        bezoekers geopend te hebben of daarin één of meer bezoekers
                                        toe te laten of te laten verblijven.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:40gg</nr><titel>Aanwezigheid leidinggevende</titel></kop><al>Het is verboden een inrichting voor het publiek geopend te hebben
                                indien in de inrichting geen leidinggevende aanwezig is die vermeld
                                staat op de vergunning.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:40h</nr><titel>Intrekking vergunning</titel></kop><lijst><li nr="1."><al> Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 wordt de
                                        vergunning ingetrokken indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de exploitatie van de inrichting door een andere dan
                                                de in de vergunning genoemde houder wordt
                                                overgenomen;</al></li><li nr="b."><al>de exploitant of de beheerder niet meer voldoet aan
                                                de in artikel 2:40d onder sub a en b gestelde
                                                eisen.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al> De burgemeester kan de vergunning ook intrekken, indien: </al><lijst><li nr="a."><al> aannemelijk is dat de exploitant of andere
                                                leidinggevenden betrokken zijn of hen ernstige
                                                nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten als
                                                bedoeld in artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet
                                                of bij andere activiteiten in of vanuit de openbare
                                                inrichting die een gevaar voor de openbare orde
                                                opleveren en/of een bedreiging vormen voor het woon-
                                                en leefklimaat in de omgeving van de openbare
                                                inrichting, dan wel indien naar zijn oordeel de
                                                wijze van bedrijfsvoering of het levensgedrag, als
                                                bedoeld in artikel 2:40d, onder b, een dergelijk
                                                gevaar of een dergelijke bedreiging vormen;</al></li><li nr="b."><al> dit anderszins noodzakelijk is in het belang van de
                                                openbare orde, aantasting of bedreiging van het
                                                woon- en leefklimaat daaronder begrepen;</al></li><li nr="c."><al> een in de artikelen 2:40g en 2:40h gesteld verbod
                                                wordt overtreden</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:40hh</nr><titel>Wijziging vergunning</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Wanneer de vergunning door een verandering van
                                        omstandigheden dient te worden gewijzigd, dient de
                                        exploitant onverwijld een aanvraag om wijziging van de
                                        vergunning in te dienen.</al></li><li nr="2."><al>Indien het verzoek niet binnen een maand na de verandering
                                        van omstandigheden is ingediend, kan de burgemeester de
                                        verleende vergunning intrekken.</al></li></lijst></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>11.</nr><titel>Maatregelen tegen overlast en baldadigheid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:41</nr><titel>Betreden gesloten woning of lokaal</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder ontheffing van de burgemeester een
                                    krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een
                                    niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of
                                    dat lokaal behorend erf te betreden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden zonder ontheffing van de burgemeester een
                                    krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet
                                    voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat
                                    lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk lokaal of
                                    bij dat lokaal behorend erf te betreden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Deze verboden zijn niet van toepassing op personen wier
                                    aanwezigheid in de woning of het lokaal wegens dringende reden
                                    noodzakelijk is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:42</nr><titel>Plakken en kladden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een
                                    onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen
                                    of te bekladden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de
                                    rechthebbende op een openbare plaats of dat gedeelte van een
                                    onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is:</al><lijst><li nr="a."><al>een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of
                                            aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere
                                            wijze aan te brengen of te doen aanbrengen;</al></li><li nr="b."><al>met kalk, krijt, teer of een kleur of verfstof een
                                            afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te
                                            doen aanbrengen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod in het tweede lid is niet van toepassing indien
                                    gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van
                                    meningsuitingen en bekendmakingen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het is verboden de aanplakborden te gebruiken voor het
                                    aanbrengen van handelsreclame.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van
                                    meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen
                                    hebben op de inhoud van de meningsuitingen en
                                    bekendmakingen.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De houder van de schriftelijke toestemming is verplicht die aan
                                    een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter
                                    inzage af te geven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:43</nr><titel>Vervoer plakgereedschap e.d.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op de weg of openbaar water enig aanplakbiljet,
                                    aanplakdoek, kalk, teer, kleur of verfstof of verfgereedschap te
                                    vervoeren of bij zich te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Dit verbod is niet van toepassing, indien de genoemde materialen
                                    of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor
                                    handelingen als verboden in artikel 2:42.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:44</nr><titel>Vervoer inbrekerswerktuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te
                                    vervoeren of bij zich te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Dit verbod is niet van toepassing indien de bedoelde werktuigen
                                    niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd om zich onrechtmatig de
                                    toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig
                                    sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van
                                    braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te
                                    voorkomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:44A</nr><titel>Vervoer geprepareerde voorwerpen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden op een openbare plaats in de nabijheid van
                                        winkels te vervoeren of bij zicch te hebben een voorwerp dat
                                        er kennelijk toe is uitgerust om het plegen van
                                        (winkel)diefstal te vergemakkelijken.</al></li><li nr="2."><al>Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing
                                        indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het in dat
                                        lid bedoelde voorwerp niet bestemd is voor de in dat lid
                                        bedoelde handelingen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:45</nr><titel>Betreden van plantsoenen e.d.</titel></kop><al>[vervallen]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:45</nr><titel>Rijden over bermen e.d.</titel></kop><al>[vervallen]</al></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label></label><nr></nr><titel></titel></kop><afdeling><kop><label></label><nr></nr><titel></titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:47</nr><titel>Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op een openbare plaats:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument,
                                    overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig,
                                    hekheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair of daarvoor
                                    niet bestemd straatmeubilair;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>zich op te houden op een wijze die aan andere gebruikers of aan
                                    bewoners van nabij die openbare plaats gelegen woningen onnodig
                                    overlast of hinder berokkent.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt
                                    voorzien door artikel 424, 426bis of 431 van het Wetboek van
                                    Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:48</nr><titel>Verboden drankgebruik</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben
                                    bereikt verboden op een openbare plaats, die deel uitmaakt van
                                    een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te
                                    gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met
                                    alcoholhoudende drank bij zich te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod is niet van toepassing op:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>een terras dat behoort bij een horecabedrijf als bedoeld in
                                    artikel 1 van de Drank- en Horecawet; en</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>een andere plaats dan een horecabedrijf als bedoeld onder a,
                                    waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Drank-
                                    en Horecawet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:49</nr><titel>Verboden gedrag bij of in gebouwen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>zich zonder redelijk doel in een portiek of poort op te
                                    houden;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>zonder redelijk doel in, op of tegen een raamkozijn of een
                                    drempel van een gebouw te zitten of te liggen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van een
                                    flatgebouw, appartementsgebouw of een soortgelijke
                                    meergezinswoning of van een gebouw dat voor publiek toegankelijk
                                    is, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor
                                    gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van dat gebouw.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:50</nr><titel>Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke
                                    ruimten</titel></kop><al>Het is verboden zich zonder redelijk doel en op een voor anderen
                                hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek
                                toegankelijke ruimte, dan wel deze te verontreinigen of te gebruiken
                                voor een ander doel dan waarvoor deze ruimte is bestemd. Onder deze
                                ruimten worden in elk geval begrepen: portalen, telefooncellen,
                                wachtlokalen voor het openbaar vervoer, parkeergarages en
                                rijwielstallingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:51</nr><titel>Neerzetten van fietsen e.d.</titel></kop><al>Het is verboden op een openbare plaats een fiets of een bromfiets te
                                plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur,
                                de gevel van een gebouw of in de ingang van een portiek indien:</al><lijst><li nr="a."><al>dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de
                                        gebruiker van dat gebouw of dat portiek; of</al></li><li nr="b."><al>daardoor die ingang versperd wordt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:52</nr><titel>Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein
                                    e.d.</titel></kop><al>Het is verboden op uren en plaatsen die door het college of de
                                burgemeester zijn aangewezen, zich met een fiets of bromfiets te
                                bevinden op een door het college of de burgemeester aangewezen
                                terrein waar een markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of
                                plechtigheid wordt gehouden die publiek trekt, mits dit verbod
                                kenbaar is aan de bezoekers van het terrein.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:53</nr><titel>Bespieden van personen</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:54</nr><titel>Bewakingsapparatuur</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:55</nr><titel>Nodeloos alarmeren</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:56</nr><titel>Alarminstallaties</titel></kop><al>[gereserveerd]</al><al></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:57</nr><titel>Loslopende honden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te
                                    laten verblijven of te laten lopen:</al><lijst><li nr="a."><al>op openbare plaatsen binnen de bebouwde kom of op een
                                            andere door het college aangewezen openbare plaats
                                            zonder dat die hond aangelijnd is;</al></li><li nr="b."><al>op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als
                                            zodanig ingerichte school- en speelterrein, speelweide,
                                            zandbak en op een andere kennelijk voor sport- enof
                                            speeldoeleinden ingerichte plaats of op een andere door
                                            het college aangewezen plaats;</al></li></lijst><lijst><li nr="c."><al> buiten de bebouwde kom op een door het college aanwezen
                                            plaats indien de hond niet is aangelijnd; </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het college kan plaatsen aanwijzen waar het verbod genoemd in
                                    het eerste lid onder a niet geldt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> De verboden genoemd in het eerste lid onder a en b gelden niet
                                    voorzover de eigenaar of houder van een hond zich vanwege zijn
                                    handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat
                                    begeleiden of als een eigenaar of houder van een hond deze
                                    aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale
                                    hulphond.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:58</nr><titel>Verontreiniging door honden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Degene die zich met een hond op een openbare plaats begeeft is
                                    verplicht ervoor te zorgen dat de uitwerpselen van die hond
                                    onmiddellijk worden verwijderd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Degene die zich met een hond op een openbare plaats begeeft is
                                    verplicht een doeltreffend hulpmiddel bij zich te hebben dat
                                    geschikt is voor onmiddellijke verwijdering van de uitwerpselen
                                    van de hond. Onder doeltreffend hulpmiddel wordt verstaan:
                                    iedere fysieke voorziening die geschikt is om uitwerpselen mee
                                    op te ruimen zoals een plastic of papieren zakje, schepje en
                                    dergelijke.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Degene die zich met een hond op een openbare plaats begeeft is
                                    verplicht dit hulpmiddel op vordering van een toezichthoudende
                                    ambtenaar te laten zien.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het eerste lid is niet van toepassing op de eigenaar of houder
                                    van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond
                                    of sociale hulphond laat begeleiden.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op door
                                    het college aangewezen plaatsen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:59</nr><titel>Gevaarlijke honden</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag
                                        gevaarlijk of hinderlijk acht, kan hij de eigenaar of houder
                                        van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en
                                        muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of
                                        loopt op een openbare plaats of op het terrein van een
                                        ander.</al></li><li nr="2."><al>Een aanlijngebod houdt in dat de eigenaar of houder
                                        verplicht is de hond aangelijnd te houden met een lijn met
                                        een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste
                                        1,50 meter.</al></li><li nr="3."><al>Een muilkorfgebod houdt in dat de eigenaar of houder
                                        verplicht is de hond voorzien te houden van een muilkorf
                                        die:</al></li><li nr="a."><al>vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van
                                        beide stoffen;</al></li><li nr="b."><al>door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals
                                        is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens
                                        niet mogelijk is; en</al></li><li nr="c."><al>zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de
                                        afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de
                                        bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf
                                        aanwezig zijn.</al></li></lijst><lijst><li nr="4."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2:57, eerste lid onder
                                        d, dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te
                                        zijn van een door de bevoegde minister op aanvraag verstrekt
                                        uniek identificatienummer door middel van een microchip die
                                        met een chipreader afleesbaar is.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:60</nr><titel>Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke
                                    dieren</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op door het college ter voorkoming of opheffing
                                    van overlast of schade aan de openbare gezondheid aangewezen
                                    plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet
                                    milieubeheer, bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>aanwezig te hebben;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het
                                    college gestelde regels; of</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>aanwezig te hebben in een groter aantal dan in die aanwijzing is
                                    aangegeven; of</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>te voeren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen
                                    binnen een plaats die krachtens het eerste lid is aangewezen,
                                    ontheffing verlenen van een of meer verboden bedoeld in het
                                    eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:61</nr><titel>Wilde dieren</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:62</nr><titel>Loslopend vee</titel></kop><al>De rechthebbende op herkauwende en eenhoevige dieren of varkens
                                (vee) die zich bevinden in een weiland of op een terrein dat niet
                                van de weg is afgescheiden door een deugdelijke veekering, is
                                verplicht ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen getroffen worden
                                dat dit vee die weg niet kan bereiken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:63</nr><titel>Duiven</titel></kop><al>[Vervallen]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:64</nr><titel>Bijen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden bijen te houden:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>binnen een afstand van 30 meter van woningen of andere gebouwen
                                    waar overdag mensen verblijven;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>binnen een afstand van 30 meter van de weg.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing indien op
                                    een afstand van ten hoogste zes meter vanaf de korven of kasten
                                    een afscheiding is aangebracht van twee meter hoogte of zoveel
                                    hoger als noodzakelijk is om het laag uit- en invliegen van de
                                    bijen te voorkomen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder a, is niet van
                                    toepassing voor de bijenhouder die rechthebbende is op de
                                    woningen of gebouwen bedoeld in dat lid.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder b is niet van
                                    toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de
                                    verordening Wegen Noord- Brabant 2012.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan van het verbod in het eerste lid ontheffing
                                    verlenen.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:65</nr><titel>Bedelarij</titel></kop><al>Het is verboden in door het college aangewezen gebieden op of aan de
                                weg of in een voor het publiek toegankelijk gebouw te bedelen om
                                geld of andere zaken.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>12.</nr><titel>Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:66</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder handelaar: een handelaar als
                                bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond
                                van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:67</nr><titel>Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle
                                    gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere
                                    wijze overdraagt, in een door de burgemeester aangewezen
                                    digitaal register en daarin vermeldt hij onverwijld:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het
                                    goed;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de datum van verkoop of overdracht van het goed;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>een omschrijving van het goed, daaronder begrepen - voorzover
                                    dat mogelijk is - soort, merk en nummer van het goed;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het
                                    goed;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>de naam en het adres van degene die het goed heeft
                                    verkregen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester is bevoegd vrijstelling te verlenen van deze
                                    verplichtingen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op de vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:68</nr><titel>Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van
                                    Strafrecht</titel></kop><al>De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht:</al><lijst><li nr="a."><al>de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te
                                        stellen:</al></li><li nr="1."><al>dat hij het beroep van handelaar uitoefent met vermelding
                                        van zijn woonadres en het adres van de bij zijn onderneming
                                        behorende vestiging;</al></li><li nr="2."><al>van een verandering van de onder a, sub 1, bedoelde
                                        adressen;</al></li><li nr="3."><al>dat hij het beroep van handelaar niet langer uitoefent;</al></li><li nr="4."><al>dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een
                                        misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is
                                        gegaan;</al></li><li nr="b."><al>de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of
                                        register ter inzage te geven;</al></li><li nr="c."><al>aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben
                                        waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk
                                        zichtbaar zijn;</al></li><li nr="d."><al>een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie
                                        dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed
                                        verkregen is.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:69</nr><titel>Vervreemding van door opkoop verkregen goederen</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:70</nr><titel>Handel in horecabedrijven</titel></kop><al>[Dit artikel is verplaatst naar afdeling 8 (Toezicht op openbare
                                inrichtingen) onder artikel 2:32]</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>13.</nr><titel>Vuurwerk</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:71</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder consumentenvuurwerk: hetgeen
                                daaronder wordt verstaan in het Besluit van 22 januari 2002,
                                houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en
                                professioneel vuurwerk (Vuurwerkbesluit ).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:72</nr><titel>Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de
                                    verkoopdagen.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of
                                    nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan
                                    wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden, zonder
                                    een vergunning van het college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:73</nr><titel>Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de
                                    jaarwisseling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden consumentenvuurwerk te gebruiken op een door het
                                    college in het belang van de voorkoming van gevaar, schade of
                                    overlast aangewezen plaats.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats te
                                    gebruiken als dat gevaar, schade of overlast kan
                                    veroorzaken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De verboden bedoeld in het eerste en tweede lid zijn niet van
                                    toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429,
                                    aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>14.</nr><titel>Drugsoverlast</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:74</nr><titel>Drugshandel op straat</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden zich op een
                                openbare plaats op te houden met het kennelijke doel om middelen als
                                bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende
                                waar, al dan niet tegen betaling, af te leveren, aan te bieden of te
                                verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:74a</nr><titel>Verzamelingen van personen in verband met drugs</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op of aan openbare plaatsen die door de
                                    burgemeester zijn aangewezen, indien de openbare orde dat in
                                    verband met het openlijk gebruik van en/of de handel in middelen
                                    als voornoemd in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet naar zijn
                                    oordeel noodzakelijk maakt, aan een verzameling van meer dan
                                    vier personen deel te nemen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet als de
                                    verzameling personen geen verband houdt met het openlijk gebruik
                                    en/of de handel in middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3
                                    van de Opiumwet.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een ieder die zich bevindt in een verzameling van personen als
                                    bedoeld in het eerste lid, is verplicht op een daartoe strekkend
                                    bevel van een opsporingsambtenaar zijn weg te vervolgen of zich
                                    in de door deze aangewezen richting te verwijderen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:74b</nr><titel>Openlijk drugsgebruik</titel></kop><al>Het is verboden, op openbare plaatsen, op een voor publiek
                                toegankelijke plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw,
                                middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet te
                                gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te
                                verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen en/of stoffen
                                voorhanden te hebben.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:74c</nr><titel>Achterlaten van spuiten e.d.</titel></kop><al>Het is verboden injectiespuiten of onderdelen daarvan zoals naalden,
                                reservoirs, zuigers en dergelijke of daarop gelijkende voorwerpen op
                                een openbare plaats dan wel in afvalbakken achter te laten. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:74d</nr><titel>Verblijfsontzegging/gebiedsverbod in verband met
                                    drugs</titel></kop><al>[vervallen]</al></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel></titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>15</nr><titel>Bestuurlijke ophouding, veiligheidsrisicogebieden en
                                cameratoezicht op openbare plaatsen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:75</nr><titel>Bestuurlijke ophouding</titel></kop><al>De burgemeester is bevoegd overeenkomstig artikel 154a van de
                                Gemeentewet te besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door
                                hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen
                                plaats indien deze personen het bepaalde in artikelen 2:1, 2:47.
                                2:48, 2:49, 2:50 en 2:73 van de Algemene plaatselijke verordening
                                groepsgewijs niet naleven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:76</nr><titel>Veiligheidsrisicogebieden</titel></kop><al>De burgemeester is bevoegd overeenkomstig artikel 151b van de
                                Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid
                                van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan,
                                een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek
                                openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aan te wijzen als
                                veiligheidsrisicogebied.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:77</nr><titel>Cameratoezicht op openbare plaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De burgemeester is bevoegd overeenkomstig artikel 151c van de
                                    Gemeentewet te besluiten tot plaatsing van vaste camera’s voor
                                    een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare
                                    plaats en ten aanzien van alle voor door het publiek
                                    toegankelijke parkeerterreinen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester heeft die bevoegdheid eveneens ten aanzien van
                                    andere door de gemeenteraad aan te wijzen plaatsen die voor het
                                    publiek toegankelijk zijn.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>16</nr><titel>GEBIEDSONTZEGGING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:78</nr><titel>Gebiedsontzegging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het
                                    voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken
                                    van aantastingen van het woon- of leefklimaat, de veiligheid van
                                    personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan een
                                    persoon die strafbare feiten of openbare orde verstorende
                                    handelingen verrichten een bevel geven zich gedurende ten
                                    hoogste 14 dagen niet in een of meer bepaalde delen van de
                                    gemeente op een openbare plaats op te houden</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de
                                    burgemeester aan een persoon aan wie tenminste eenmaal een bevel
                                    als bedoeld in dat lid is gegeven en die opnieuw strafbare
                                    feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, een
                                    bevel geven zich gedurende ten hoogste vier weken niet in een of
                                    meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te
                                    houden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een bevel krachtens het tweede lid kan slechts worden gegeven
                                    als het strafbare feit of de openbare orde verstorende handeling
                                    binnen zes maanden na het geven van een eerder bevel, gegeven op
                                    grond van het eerste of tweede lid, plaatsvindt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> De burgemeester beperkt de in het eerste of tweede lid gestelde
                                    bevelen, als hij dat in verband met de persoonlijke
                                    omstandigheden van betrokkene noodzakelijk oordeelt. De
                                    burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van
                                    een bevel.</al></lid></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3.</nr><titel>REGULERING PROSTITUTIE, SEKSBRANCHE EN AANVERWANTE
                            ONDERWERPEN</titel></kop><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>1.</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:1</nr><titel>Afbakening</titel></kop><al>De artikelen 1:2, 1:3 en 1:5 tot en met 1:8 zijn niet van toepassing
                                op het bij of krachtens dit hoofdstuk bepaalde.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:2</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="-"><al>Advertentie: elke commerciële uiting in een medium, die een
                                        seksbedrijf of een prostituee onder de aandacht van het
                                        publiek brengt;</al></li><li nr="-"><al>Beheerder: de natuurlijke persoon die door de exploitant is
                                        aangesteld voor de feitelijke leiding van een
                                        seksbedrijf;</al></li><li nr="-"><al>Escortbedrijf: de activiteit, bestaande uit het
                                        bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie in de vorm
                                        van bemiddeling tussen klant en prostituee;</al></li><li nr="-"><al>Exploitant: de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon
                                        of, indien van toepassing, de tot vertegenwoordiging van die
                                        rechtspersoon bevoegde natuurlijk persoon, voor wiens
                                        rekening en risico een seksbedrijf wordt uitgeoefend;</al></li><li nr="-"><al>Klant: degene die gebruik maakt van de door een exploitant
                                        van een prostitutiebedrijf of een prostituee aangeboden
                                        seksuele diensten;</al></li><li nr="-"><al>Prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het
                                        verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen
                                        betaling;</al></li><li nr="-"><al>Prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten
                                        van seksuele handelingen met een ander tegen betaling;</al></li><li nr="-"><al>Raamprostitutiebedrijf: de activiteit, bestaande uit het
                                        bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie, waarbij het
                                        werven van klanten gebeurt door een prostituee die zichtbaar
                                        is vanuit een voor publiek toegankelijk plaats;</al></li><li nr="-"><al>Seksbedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig
                                        gelegenheid geven tot prostitutie of tot het verrichten van
                                        seksuele handelingen voor een ander tegen betaling of uit
                                        het bedrijfsmatig aanbieden van vertoningen van
                                        erotisch-pornografische aard in een seksinrichting tegen
                                        betaling;</al></li><li nr="-"><al>Seksinrichting: voor het publiek toegankelijke besloten
                                        ruimte, onderdeel van een seksbedrijf;</al></li><li nr="-"><al>Werkruimte: als zelfstandig aan te merken onderdeel van een
                                        seksinrichting waarin de seksuele handelingen met ene ander
                                        tegen betaling worden verricht.</al></li></lijst></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2.</nr><titel>VERGUNNING SEKSBEDRIJF</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:3</nr><titel>Vergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een seksbedrijf uit te oefenen zonder
                                    vergunning.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester beslist binnen twaalf weken op de aanvraag om
                                    een vergunning.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De in het tweede lid gestelde termijn kan door de burgemeester
                                    met ten hoogste twaalf weken worden verlengd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht is niet van
                                    toepassing.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Een vergunning kan mede voor één seksinrichting worden
                                    verleend.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De vergunning wordt voor bepaalde of onbepaalde tijd verleend
                                    aan de exploitant en op diens naam gesteld. De vergunning is
                                    niet overdraagbaar.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De vergunning kan worden verlengd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:4</nr></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:5</nr><titel>0-optie raamprostitutiebedrijven en maximering aantal
                                    seksinrichtingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor het uitoefen van een raamprostitutiebedrijf wordt geen
                                    vergunning verleend;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan een maximum stellen aan het totaal aantal
                                    seksinrichtingen van seksbedrijven, niet zijnde
                                    raamprostitutiebedrijven, waarvoor vergunning kan worden
                                    verleend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:6</nr><titel>Aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een aanvraag om een vergunning wordt ingediend door
                                    gebruikmaking van een door burgemeester vastgesteld
                                    formulier.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de aanvraag om een vergunning wordt vermeld voor welke
                                    activiteit vergunning wordt gevraagd, en worden in ieder geval
                                    de volgende gegevens en bescheiden overgelegd:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>De persoonsgegevens van de exploitant;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>Het nummer van inschrijving in het handelsregister bij de Kamen
                                    van Koophandel;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>of in de vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag de exploitant een
                                    vergunning voor een seksbedrijf is geweigerd of een aan de
                                    exploitant verleende vergunning voor een seksbedrijf is
                                    ingetrokken;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>het adres waar het seksbedrijf wordt uitgeoefend;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>het adres van een onder het seksbedrijf vallende
                                    seksinrichting;</al></lid><lid><lidnr>f.</lidnr><al>het vaste telefoonnummer dat in advertenties voor het
                                    seksbedrijf zal worden gebruikt;</al></lid><lid><lidnr>g.</lidnr><al>een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet
                                    op de identificatieplicht van de exploitant;</al></lid><lid><lidnr>h.</lidnr><al>indien van toepassing, de verblijfstitel van de exploitant;</al></lid><lid><lidnr>i.</lidnr><al>een actuele verklaring betalingsgedrag nakoming fiscale
                                    verplichtingen, verstrekt door de Belastingdienst;</al></lid><lid><lidnr>j.</lidnr><al>bewijs waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is tot het
                                    gebruik van de ruimtes bestemd voor de uitoefening van het
                                    seksbedrijf;</al></lid><lid><lidnr>k.</lidnr><al>indien van toepassing de plaatselijke ligging van de
                                    seksinrichting waarvoor vergunning wordt aangevraagd, door
                                    middel van een situatieschets met een noordpijl en
                                    schaalaanduiding;</al></lid><lid><lidnr>l.</lidnr><al>indien van toepassing, de plattegrond van de seksinrichting
                                    waarvoor vergunning wordt aangevraagd, door middel van een
                                    tekening met een schaalaanduiding.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als er een beheerder is aangesteld, is het tweede lid, onder a,
                                    b, c, g en h, van overeenkomstige toepassing op de
                                    beheerder.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als de burgemeester dat nodig acht voor de beoordeling van een
                                    aanvraag, kan hij verlangen dat aanvullende gegevens worden
                                    overgelegd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:7</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een vergunning wordt geweigerd als:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>De exploitant of de beheerder onder curatele staat;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>De exploitant of de beheerder is ontzet uit het ouderlijk gezag
                                    of de voogdij;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>De exploitant of de beheerder onherroepelijk is veroordeeld voor
                                    een gewelds- of zedendelict of voor mensenhandel, of in enige
                                    ander opzicht van slecht levensgedrag is;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>De exploitant of de beheerder de leeftijd van 21 jaar nog heeft
                                    bereikt;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>Redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand
                                    niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal
                                    zijn;</al></lid><lid><lidnr>f.</lidnr><al>Redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de aanvrager in strijd
                                    zal handelen met aan de vergunning verbonden beperkingen of
                                    voorschriften;</al></lid><lid><lidnr>g.</lidnr><al>Er aanwijzingen zijn dat voor of bij het seksbedrijf personen
                                    tewerkgesteld zijn of zullen zijn die als het prostituees
                                    betreft, nog niet de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt, als
                                    het overige personen betreft, nog niet de leeftijd van 18 jaar
                                    hebben bereikt, slachtoffer zijn van mensenhandel of verblijven
                                    of werken in strijd met het bepaalde bij of krachtens de
                                    Vreemdelingenwet 2000;</al></lid><lid><lidnr>h.</lidnr><al>De exploitant of beheerder minder dan vijf jaar gelden voor de
                                    dag dat de vergunning wordt aangevraagd, wegens een misdrijf
                                    onherroepelijk is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke
                                    vrijheidsstraf van meer dan zes maanden.</al></lid><lid><lidnr>i.</lidnr><al>De exploitant of beheerder minder dan vijf jaar geleden voor de
                                    dag dat de vergunning wordt aangevraagd, bij meer dan één
                                    rechterlijke uitspraak of strafbeschikking onherroepelijk
                                    veroordeeld is tot een onvoorwaardelijke geldboete van 500,--
                                    euro of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel
                                    9, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht, wegens
                                    dan wel mede wegens overtreding van:</al></lid><lid><lidnr>1)</lidnr><al>Bepalingen, gesteld bij of krachtens de Drank- en Horecawet, de
                                    Opiumwet, de Vreemdelingenwet 2000, de Wet arbeid vreemdelingen
                                    en hoofdstuk 3 van de Algemene Plaatselijke Verordening
                                    2016;</al></lid><lid><lidnr>2)</lidnr><al>De artikelen 137c tot en met 137g, 140, 416, 417, 417bis, 420bis
                                    tot en met 420quinquies, 426 en 429quater van het wetboek van
                                    Strafrecht;</al></lid><lid><lidnr>3)</lidnr><al>Artikel 69 van de Algemene wet rijksbelastingen;</al></lid><lid><lidnr>4)</lidnr><al>De artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6 juncto
                                    artikel 8 of juncto artikel 163 van de Wegenverkeerswet
                                    1994;</al></lid><lid><lidnr>5)</lidnr><al>De artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen;</al></lid><lid><lidnr>6)</lidnr><al>De artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie.</al></lid><lid><lidnr>j.</lidnr><al>Een maximum als bedoeld in artikel 3:5 al is bereikt;</al></lid><lid><lidnr>k.</lidnr><al>De voorgenomen uitoefening van het seksbedrijf strijd op zal
                                    leveren met een geldend bestemmingsplan, een bestemmingsplan in
                                    ontwerp dat ter inzage is gelegd, een beheersverordening. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Met een veroordeling als bedoeld in het eerste lid, onder h,
                                    wordt gelijk gesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>Een bevel tot tenuitvoerlegging van een zodanige
                                            voorwaardelijke straf;</al></li><li nr="b."><al>Vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in
                                            artikel 74, tweede lid, onder a, van het Wetboek van
                                            Strafrecht of artikel 76, derde lid, onder a, van de
                                            Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom
                                            minder dan 375,-- euro bedraagt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De periode van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, onder h en
                                    i, wordt bij de intrekking van een vergunning teruggerekend
                                    vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voor de berekening van de periode van vijf jaar, bedoeld in het
                                    eerste lid, onder h. en i, telt de periode waarin een
                                    onvoorwaardelijke vrijheidsstraf is ondergaan, niet mee.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><lijst><li nr=""><al>Een vergunning kan in ieder geval worden geweigerd:</al></li><li nr="a."><al>Voor een seksbedrijf waarvoor de vergunning op grond van
                                            artikel 3:9, eerste lid, aanhef en onder a. tot en met
                                            f, of tweede lid, aanhef onder a tot en g, of in het
                                            geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van
                                            de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het
                                            openbaar bestuur is ingetrokken, gedurende een periode
                                            van vijf jaar na de intrekking;</al></li><li nr="b."><al>Als niet is voldaan aan de bij of krachtens artikel 3:6
                                            gestelde eisen met betrekking tot de aanvraag, mits de
                                            aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen
                                            een door de burgemeester gestelde termijn aan te
                                            vullen;</al></li><li nr="c."><al>Als de vergunning geheel of gedeeltelijk betrekking
                                            heeft op het uitoefenen van een prostitutiebedrijf in
                                            een seksinrichting waarvoor eerder een vergunning is
                                            ingetrokken, of in die seksinrichting eerder zonder
                                            vergunning een prostitutiebedrijf is uitgeoefend;</al></li><li nr="d."><al>Als de openbare orde, de woon- en leefomgeving of de
                                            veiligheid en de gezondheid van de prostituees of
                                            klanten nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van
                                            de seksinrichting warvoor vergunning is
                                            aangevraagd;</al></li><li nr="e."><al>Als het bedrijfsplan niet voldoet aan het bepaalde bij
                                            artikel 3:15, eerste en tweede lid;</al></li><li nr="f."><al>Als onvoldoende aannemelijk is dat de exploitant de bij
                                            artikel 3:17 gestelde verplichtingen zal naleven;</al></li></lijst><lijst><li nr="g."><al>Als het escortbedrijf wordt gevestigd in een woonruimte
                                            waarvoor geen vergunning als bedoeld in artikel
                                            21,aanhef en onder a, van de Huisvestingswet 2014 is
                                            verleend.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:8</nr><titel>Eisen met betrekking tot vergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergunning vermeldt in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>De exploitant;</al></li><li nr="b."><al>Indien van toepassing, de beheerder;</al></li><li nr="c."><al>Voor welke activiteit de vergunning is verleend;</al></li><li nr="d."><al>Het adres waar het seksbedrijf wordt uitgeoefend;</al></li><li nr="e."><al>Het vaste nummer dat in advertenties voor het
                                            seksbedrijf zal worden gebruikt;</al></li><li nr="f."><al>Indien van toepassing, het adres van de onder dat
                                            seksbedrijf vallende seksinrichting waarvoor de
                                            vergunning reeds is verleend;</al></li><li nr="g."><al>De voorschriften of beperkingen die aan de vergunning
                                            zijn verbonden;</al></li><li nr="h."><al>De geldigheidsduur van de vergunning;</al></li><li nr="i."><al>Het nummer van de vergunning.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De exploitant draagt er zorg voor dat de vergunning of een
                                    afschrift daarvan zichtbaar aanwezig is in de seksinrichting
                                    waarvoor de vergunning mede verleend, en dat tevens aan de
                                    buitenzijde van de seksinrichting zichtbaar is dat hij over een
                                    vergunning voor een seksinrichting beschikt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:9</nr><titel>Intrekkingsgronden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergunning wordt ingetrokken als:</al><lijst><li nr="a."><al>de verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig
                                            blijken te zijn dat op de aanvraag een andere beslissing
                                            zou zijn genomen als bij de beoordeling daarvan de
                                            juiste gegevens bekend waren geweest;</al></li><li nr="b."><al>de vergunning in strijd met een wettelijk voorschrift is
                                            gegeven;</al></li><li nr="c."><al>is gehandeld in strijd met de artikelen 3:10, 3:13,
                                            aanhef en onder a, 3:14, 3:15 en 3:17, eerste lid, en
                                            tweede lid, aanhef en onderdeel b, aanhef en onder
                                            1°;</al></li><li nr="d."><al>zich binnen het seksbedrijf feiten hebben voorgedaan die
                                            de vrees wettigen, dat het van kracht blijven van de
                                            vergunning gevaar oplevert voor de openbare orde of
                                            veiligheid;</al></li><li nr="e."><al>zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in artikel
                                            3:7, eerste lid, onder a tot en met i;</al></li><li nr="f."><al>de vergunninghouder dat verzoekt;</al></li><li nr="g."><al>de uitoefening van het seksbedrijf strijd oplevert met
                                            een geldend bestemmingsplan, een
                                            beheersverordening.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vergunning kan worden geschorst of ingetrokken als:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>is gehandeld in strijd met aan de vergunning verbonden
                                    voorschriften of beperkingen;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>in verband met gewijzigde wettelijke voorschriften, gewijzigde
                                    omstandigheden of gewijzigde inzichten de bescherming van de
                                    belangen met het oog waarop het vergunningsvereiste is gesteld,
                                    zwaarder wegen dan het belang van de vergunninghouder bij behoud
                                    van de vergunning;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>een niet in de vergunning vermelde persoon exploitant of
                                    beheerder is geworden;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>is gehandeld in strijd met een of meer van de bij of krachtens
                                    dit hoofdstuk gestelde bepalingen, onverminderd het eerste lid,
                                    aanhef en onder c;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>is gehandeld in strijd met de in het bedrijfsplan beschreven
                                    maatregelen;</al></lid><lid><lidnr>f.</lidnr><al>zich binnen het seksbedrijf feiten hebben voorgedaan die de
                                    vrees wettigen dat het van kracht blijven van de vergunning
                                    gevaar oplevert voor de woon- en leefomgeving of de gezondheid
                                    van prostituees of klanten;</al></lid><lid><lidnr>g.</lidnr><al>de exploitant of de beheerder het toezicht op de naleving van
                                    het in dit hoofdstuk bepaalde belemmert of bemoeilijkt;</al></lid><lid><lidnr>h.</lidnr><al>er bij het seksbedrijf personen tewerkgesteld zijn die
                                    onherroepelijk zijn veroordeeld voor een gewelds- of zedendelict
                                    of voor mensenhandel;</al></lid><lid><lidnr>i.</lidnr><al>gedurende ten minste zes maanden geen gebruik is gemaakt van de
                                    vergunning.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:10</nr><titel>Melding gewijzigde omstandigheden</titel></kop><al>De vergunninghouder meldt elke verandering waardoor zijn seksbedrijf
                                niet langer in overeenstemming is met de op grond van artikel 3:8,
                                eerste lid, in de vergunning opgenomen gegevens, zo spoedig mogelijk
                                aan de burgemeester. Deze verleent een gewijzigde vergunning, als
                                het seksbedrijf aan de vereisten voldoet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:11</nr><titel>Verlenging vergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op een aanvraag om verlenging van een vergunning zijn de
                                    artikelen 3:3, 3:6, 3:7, 3:8 en 3:15, derde lid, van
                                    overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat actuele
                                    gegevens en bescheiden waarover de burgemeester al beschikking
                                    heeft niet nogmaals overgelegd dienen te worden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als ten minste twaalf weken voorafgaand aan de vervaltermijn van
                                    de vergunning verlenging van de vergunning is aangevraagd,
                                    blijft de vergunning van kracht totdat op de aanvraag om
                                    verlenging is besloten.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>3</nr><titel>UITOEFENEN SEKSBEDRIJF</titel></kop><paragraaf><kop><label>PARAGRAAF</label><nr>3.1</nr><titel>REGELS VOOR ALLE SEKSBEDRIJVEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:12</nr><titel>Sluitingstijden seksinrichtingen; aanwezigheid;
                                        toegang</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is de exploitant en de beheerder verboden een
                                        seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben of daarin
                                        bezoekers toe te laten of te laten verblijven tussen 03:00
                                        uur en 08:00 uur, tenzij bij vergunning anders is
                                        bepaald.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin
                                        te bevinden gedurende de tijd dat die inrichting gesloten
                                        dient te zijn voor bezoekers.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is een prostituee verboden zich te bevinden in een
                                        seksrichting tussen 03:30 uur en 07:30 uur, tenzij bij
                                        vergunning anders is bepaald.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het is de exploitant en de beheerder verboden personen die
                                        nog niet de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt toe te laten
                                        of te laten verblijven in een seksinrichting.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:13</nr><titel>Adverteren</titel></kop><al>Het is verboden in advertenties voor een seksbedrijf:</al><lijst><li nr="a."><al>geen vermelding op te nemen van het telefoonnummer,
                                            bedoeld in artikel 3:8, eerste lid, onder e, van het
                                            nummer, bedoeld in artikel 3:8, eerste lid, onder i, en
                                            van de bedrijfsnaam;</al></li><li nr="b."><al>vermelding op te nemen van een ander telefoonnummer dan
                                            bedoeld onder a, en</al></li><li nr="c."><al>als het een prostitutiebedrijf betreft, onveilige seks
                                            aan te bieden of te garanderen dat prostituees die voor
                                            of bij het betreffende bedrijf werken vrij zijn van
                                            seksueel overdraagbare aandoeningen. </al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>PARAGRAAF</label><nr>3.2</nr><titel>REGELS VOOR ALLE PROSTITUTIEBEDRIJVEN EN PROSTITUEES</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:14</nr><titel>Leeftijd en verblijfstitel prostituees; verbod werken
                                        voor onvergund prostitutiebedrijf</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Prostitutie vindt uitsluitend plaats door een prostituee die
                                        de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is een exploitant verboden een prostituee voor of bij
                                        zich te laten werken die:</al><lijst><li nr="a."><al>nog niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt;</al></li><li nr="b."><al>in Nederland verblijft of werkt in strijd met het
                                                bepaalde bij of krachtens de Vreemdelingenwet
                                                2000.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is een prostituee verboden:</al><lijst><li nr="a."><al>te handelen in strijd met het eerste lid;</al></li><li nr="b."><al>werkzaam te zijn voor of bij een exploitant aan wie
                                                geen vergunning voor een prostitutiebedrijf is
                                                verleend.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:15</nr><titel>Bedrijfsplan</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een prostitutiebedrijf beschikt over een bedrijfsplan,
                                        waarin in ieder geval wordt beschreven welke maatregelen de
                                        exploitant treft:</al><lijst><li nr="a."><al>de hygiëne in een seksinrichting voldoet aan de
                                                algemene eisen die hiervoor in de branche gelden en
                                                dat dit controleerbaar is;</al></li><li nr="b."><al>inzichtelijk en controleerbaar is welke maatregelen
                                                een exploitant in zijn bedrijfsvoering en inrichting
                                                van de werkruimten treft voor gezonde en veilige
                                                werkomstandigheden voor prostituees;</al></li><li nr="c."><al>in de werkruimten te allen tijde voldoende condooms
                                                met een CE-markering voor gebruik beschikbaar
                                                zijn;</al></li><li nr="d."><al>in de werkruimten voor de prostituees een goed
                                                functionerende alarmvoorziening aanwezig is;</al></li><li nr="e."><al>de prostituee zich regelmatig kan laten onderzoeken
                                                op seksueel overdraagbare aandoeningen en door de
                                                exploitant voldoende geïnformeerd is over de
                                                mogelijkheden van een dergelijk onderzoek;</al></li><li nr="f."><al>de prostituee niet gedwongen wordt zich geneeskundig
                                                te laten onderzoeken;</al></li><li nr="g."><al>de prostituee vrij is in de keuze van de arts(en)
                                                die zij wil bezoeken;</al></li><li nr="h."><al>de prostituee klanten en diensten kan weigeren
                                                zonder dat dat voor haar andere werkzaamheden
                                                gevolgen heeft;</al></li><li nr="i."><al>de prostituee kan weigeren alcohol of drugs te
                                                gebruiken zonder dat dat voor haar werkzaamheden
                                                gevolgen heeft;</al></li><li nr="j."><al>aan de voor de exploitant werkzame beheerder
                                                voldoende professionele eisen op het gebied van
                                                agressiebeheersing en bedrijfshulpverlening worden
                                                gesteld en waar nodig wordt gezorgd voor scholing
                                                hierin;</al></li><li nr="k."><al>de exploitant zich een oordeel vormt over de mate
                                                van zelfredzaamheid van de prostituee voordat deze
                                                voor of bij hem gaat werken, teneinde vast te
                                                stellen of zij voldoet aan de eisen die hij hiervoor
                                                in zijn bedrijfsplan heeft opgenomen;</al></li><li nr="l."><al>de exploitant voor elke voor of bij hem werkzame
                                                prostituee kan aantonen onder welke verhuur- of
                                                arbeidsvoorwaarden zij haar diensten aanbiedt;</al></li><li nr="m."><al>de exploitant of beheerder zich er regelmatig van
                                                vergewist dat de prostituee niet door derden
                                                gedwongen wordt tot prostitutie en dat hij in dit
                                                kader informatie van hulpverleningsinstanties ter
                                                beschikking stelt;</al></li><li nr="n."><al>de exploitant aan de voor of bij hem werkzame
                                                prostituees informatie ter beschikking stelt over de
                                                mogelijkheden om hulp te krijgen als een prostituee
                                                wil stoppen met haar werk in de prostitutie;</al></li></lijst><lijst><li nr="o."><al>de overlast aan de omgeving van de onder het
                                                seksbedrijf vallende seksinrichtingen beperkt
                                                wordt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bedrijfsplan wordt overgelegd bij de aanvraag om een
                                        vergunning.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De exploitant meldt een voorgenomen wijziging van het
                                        bedrijfsplan onverwijld aan de burgemeester. De wijziging
                                        wordt na goedkeuring van de burgemeester als onderdeel van
                                        het bedrijfsplan aangemerkt, als deze voldoet aan de eisen
                                        die overeenkomstig het eerste en tweede lid aan een
                                        bedrijfsplan worden gesteld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De rechten voor prostituees, die worden gewaarborgd op grond
                                        van het tweede lid, worden op schrift gesteld en in een voor
                                        haar begrijpelijke taal uitgereikt aan elke prostituee die
                                        werkzaam is voor of bij de exploitant.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>In de seksinrichting wordt in ten minste twee talen en voor
                                        de klant goed zichtbaar bekend gemaakt dat een prostituee
                                        klanten en diensten mag weigeren en mag weigeren alcohol of
                                        drugs te gebruiken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:16</nr></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:17</nr><titel>Verdere verplichtingen van de exploitant en beheerder
                                        prostitutiebedrijf</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De exploitant of beheerder is aanwezig gedurende de uren dat
                                        het prostitutiebedrijf daadwerkelijk wordt uitgeoefend.
                                    </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De exploitant van een prostitutiebedrijf draagt er zorg voor
                                        dat:</al><lijst><li nr="a."><al>de voor of bij het prostitutiebedrijf werkzame
                                                prostituees redelijkerwijs hun eigen werktijden
                                                kunnen bepalen;</al></li><li nr="b."><al>er een deugdelijke bedrijfsadministratie wordt
                                                gevoerd waarin de actuele gegevens zijn opgenomen
                                                van in ieder geval;</al><lijst><li nr="1)."><al>de voor of bij het prostitutiebedrijf werkzame
                                                  prostituees;</al></li><li nr="2)."><al>de verhuuradministratie;</al></li><li nr="3)."><al>met betrekking tot alle voor of bij het
                                                  prostitutiebedrijf werkzame prostituees, de
                                                  documentatie die ten grondslag ligt aan de vorming
                                                  van het oordeel over de mate van zelfredzaamheid,
                                                  bedoeld in artikel 3:15, tweede lid, onder k;</al></li><li nr="4)."><al>de werkroosters van de beheerders.</al></li></lijst></li></lijst></lid><lid><lidnr></lidnr><al></al><lijst><li nr="c."><al>de bedrijfsadministratie met inachtneming van de
                                                wettelijke termijnen wordt bewaard en te allen tijde
                                                beschikbaar is voor toezichthouders;</al></li><li nr="d."><al>medewerkers van de gemeentelijke gezondheidsdienst
                                                en van andere door de burgemeester of het college
                                                aangewezen instellingen worden toegelaten tot
                                                seksinrichtingen als ze voornemens zijn
                                                voorlichtings- en preventieactiviteiten uit te
                                                voeren of voorlichtingsmateriaal te
                                                verspreiden;</al></li><li nr="e."><al>onverwijld bij de politie wordt gemeld ieder signaal
                                                van mensenhandel of andere vormen van dwang en
                                                uitbuiting;</al></li><li nr="f."><al>onverwijld aan de burgemeester wordt gemeld als
                                                gedurende ten minste één maand geen gebruik gemaakt
                                                zal worden van de vergunning. Deze melding vermeldt
                                                de reden en de verwachte duur;</al></li><li nr="g."><al>gedaan wordt wat nodig is voor een goede gang van
                                                zaken binnen het prostitutiebedrijf.</al></li></lijst></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>PARAGRAAF</label><nr>3.3</nr><titel>RAAM- EN STRAATPROSTITUTIE</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:18</nr><titel>Raamprostitutie</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is een prostituee verboden:</al></li></lijst><lijst><li nr="a."><al>zich vanuit een gebouw of vanuit de toegang naar een
                                            gebouw aan klanten die zich op of aan de weg bevinden
                                            beschikbaar te stellen; en</al></li><li nr="b."><al>passanten hinderlijk te bejegenen of zich aan passanten
                                            op te dringen dan wel zich ongekleed of vrijwel
                                            ongekleed achter het raam van een seksinrichting of in
                                            de toegang tot een seksinrichting op te houden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:19</nr><titel>Straatprostitutie</titel></kop><al>Het is verboden zich op of aan de weg of op, aan of in een
                                    andere vanaf de weg zichtbare plaats, niet zijnde een
                                    seksinrichting waarvoor een vergunning is verleend, op te houden
                                    met het kennelijke doel zich beschikbaar te stellen voor
                                    prostitutie of op of aan de weg ontuchtige handelingen te
                                    verrichten als dit kennelijk geschiedt in het kader van
                                    prostitutie.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:20</nr></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel></paragraaf></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>4.OVERIGE</nr><titel>BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:21</nr><titel>Verbodsbepalingen klanten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is een klant verboden seksuele handelingen te verrichten met
                                    een prostituee van wie hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden
                                    dat zij werkzaam is voor of bij een exploitant aan wie geen
                                    vergunning voor een prostitutiebedrijf is verleend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden op of aan de weg of op, aan of in een andere
                                    voor publiek toegankelijke plaats gebruik te maken van de
                                    diensten van een prostituee.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het tweede lid genoemde verbod geldt niet in een
                                    seksinrichting waarvoor een vergunning is verleend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:22</nr></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het
                            uiterlijk aanzien van de gemeente</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1.</nr><titel>Geluidhinder en verlichting</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>Besluit: het Activiteitenbesluit milieubeheer;</al></li><li nr="b."><al>inrichting: inrichting type A of type B als bedoeld in het
                                        Besluit;</al></li><li nr="c."><al>houder van een inrichting: degene die als eigenaar,
                                        bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting
                                        drijft;</al></li><li nr="d."><al>collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan
                                        één of een klein aantal inrichtingen is verbonden;</al></li><li nr="e."><al>incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die
                                        gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen;</al></li><li nr="f."><al>geluidsgevoelige gebouwen: woningen en gebouwen die op grond
                                        van artikel 1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als
                                        geluidsgevoelige gebouwen met uitzondering van gebouwen
                                        behorende bij de betreffende inrichting;</al></li><li nr="g."><al>geluidsgevoelige terreinen: terreinen die op grond van
                                        artikel 1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als
                                        geluidsgevoelige terreinen met uitzondering van terreinen
                                        behorende bij de betreffende inrichting;</al></li><li nr="h."><al>onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is
                                        versterkt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:2</nr><titel>Aanwijzing collectieve festiviteiten</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De geluidsnormen bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20
                                        dan wel artikel 6.12 van het Besluit en artikel 4:5 van deze
                                        verordening gelden niet voor door het college per
                                        kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten
                                        gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.</al></li><li nr="2."><al>De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve
                                        van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel
                                        3.148, eerste lid, van het Besluit gelden niet voor door het
                                        college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve
                                        festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of
                                        dagdelen.</al></li><li nr="3."><al>In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid,
                                        kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in
                                        een of meer delen van de gemeente.</al></li><li nr="4."><al>Het college maakt de aanwijzing ten minste vier weken voor
                                        het begin van een nieuw kalenderjaar bekend.</al></li><li nr="5."><al>Het college kan wanneer een collectieve festiviteit
                                        redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit
                                        terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het
                                        eerste lid <vet>aanwijzen</vet>.</al></li><li nr="6."><al>Tijdens het van toepassing zijn van een collectieve
                                        festiviteit, mag het geluidsniveau, veroorzaakt door de
                                        inrichting, niet meer bedragen dan de waarde, die is
                                        opgenomen in onderstaande tabel.</al></li></lijst><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colwidth="46*"></colspec><colspec colname="col2" colwidth="18*"></colspec><colspec colname="col3" colwidth="19*"></colspec><colspec colname="col4" colwidth="17*"></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Dagperiode</vet></al><al><vet>(7.00-19.00 uur)</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>Avondperiode</vet></al><al><vet>(19.00-23.00 uur)</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>Nachtperiode</vet></al><al><vet>(23.00-7.00 uur)</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>LAr.LT op de gevel van gevoelige gebouwen</al></entry><entry colname="col2"><al>68 dB(A)</al></entry><entry colname="col3"><al>63 dB(A)</al></entry><entry colname="col4"><al>58 dB(A)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>LAr.LT in in- en aanpandige gevoelige
                                                  gebouwen</al></entry><entry colname="col2"><al>53 dB(A)</al></entry><entry colname="col3"><al>48 dB(A)</al></entry><entry colname="col4"><al>43 dB(A)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen</al></entry><entry colname="col2"><al>78 dB(A)</al></entry><entry colname="col3"><al>73 dB(A)</al></entry><entry colname="col4"><al>68 dB(A)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>LAmax in in- en aanpandige gevoelige
                                                  gebouwen</al></entry><entry colname="col2"><al>63 dB(A)</al></entry><entry colname="col3"><al>58 dB(A)</al></entry><entry colname="col4"><al>53 dB(A)</al></entry></row></tbody></tgroup></table><lijst><li nr="7."><al>De geluidswaarde als bedoeld in het zesde lid is inclusief
                                        onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege
                                        muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie
                                        buiten beschouwing gelaten.</al></li><li nr="8."><al>Op de dagen als bedoeld in het eerste lid dient het ten
                                        gehore brengen van extra muziek -hoger dan de geluidsnorm
                                        als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 danwel
                                        artikel 6.12 van het Besluit en artikel 4:5 van deze
                                        verordening- uiterlijk op de voor de horecainrichting
                                        geldende sluitingstijd als bedoeld in de artikelen 2:29 en
                                        2:30 van deze verordening te worden beëindigd.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:3</nr><titel>Kennisgeving incidentele festiviteiten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is een inrichting toegestaan maximaal 12 incidentele
                                    festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de
                                    geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 dan
                                    wel artikel 6.12 van het Besluit en artikel 4:5 van deze
                                    verordening niet van toepassing zijn, mits de houder van de
                                    inrichting ten minste drie werkdagen voor de aanvang van de
                                    festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal 12
                                    incidentele festiviteiten per kalenderjaar de verlichting langer
                                    aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel
                                    4.113, eerste lid, van het Besluit niet van toepassing is, mits
                                    de houder van de inrichting ten minste drie werkdagen voor de
                                    aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft
                                    gesteld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college stelt een formulier vast voor het doen van een
                                    kennisgeving.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De kennisgeving wordt geacht te zijn gedaan wanneer het
                                    formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, ten minste drie
                                    werkdagen voor de aanvang van de festiviteit is ingeleverd op de
                                    plaats op dat formulier vermeld.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De kennisgeving wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer het
                                    college op verzoek van de houder van een inrichting een
                                    incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien
                                    was, terstond toestaat.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Tenminste drie werkdagen voor de aanvang van de festiviteit
                                    stelt de houder van de inrichting de direct omwonenden daarvan
                                    in kennis.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Tijdens het van toepassing zijn van een incidentele festiviteit,
                                    mag het geluidsniveau, veroorzaakt door de inrichting, niet meer
                                    bedragen dan de waarde, die is opgenomen in de tabel onder 4:2
                                    lid 6.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>De geluidswaarde als bedoeld in het zevende lid is inclusief
                                    onversterkte muziek en exclusief 10 dB (A) toeslag vanwege
                                    muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten
                                    beschouwing gelaten.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>Op de dagen als bedoeld in het eerste lid wordt het ten gehore
                                    brengen van extra muziek - hoger dan de geluidsnorm als bedoeld
                                    in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit en artikel
                                    4:5 van deze verordening - uiterlijk om op de voor de
                                    horecainrichting geldende sluitingstijd als bedoeld in de
                                    artikelen 2:29 en 2:30 van deze verordening beëindigd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:4</nr><titel>Verboden incidentele festiviteiten</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:5</nr><titel>Onversterkte muziek</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Bij het ten gehore brengen van onversterkte muziek als
                                        bedoeld in artikel 2.18, eerste lid onder f en vijfde lid
                                        van het Besluit binnen inrichtingen is de onder e. opgenomen
                                        tabel van toepassing, met dien verstande dat:</al></li><li nr="a."><al>de in de tabel aangegeven waarden binnen in- of aanpandige
                                        gevoelige gebouwen niet gelden indien de gebruiker van deze
                                        gevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in
                                        redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van
                                        geluidsmetingen;</al></li><li nr="b."><al>de in de tabel aangegeven waarden op de gevel ook gelden bij
                                        gevoelige terreinen op de grens van het terrein;</al></li><li nr="c."><al>de waarden in in- en aanpandige gevoelige gebouwen, voor
                                        zover het woningen betreft, gelden in geluidsgevoelige
                                        ruimten en verblijfsruimten;</al></li><li nr="d."><al>bij het bepalen van de geluidsniveaus zoals vermeld in de
                                        tabel geen bedrijfsduurcorrectie wordt toegepast.</al></li></lijst><lijst><li nr="e."><al>Tabel</al></li></lijst><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colwidth="50*"></colspec><colspec colname="col2" colwidth="16*"></colspec><colspec colname="col3" colwidth="17*"></colspec><colspec colname="col4" colwidth="17*"></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>7.00-19.00 uur</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>19.00-23.00 uur</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>23.00-7.00 uur</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>LAr.LT op de gevel van gevoelige gebouwen</al></entry><entry colname="col2"><al>50 dB(A)</al></entry><entry colname="col3"><al>45 dB(A)</al></entry><entry colname="col4"><al>40 dB(A)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>LAr.LT in in- en aanpandige gevoelige
                                                  gebouwen</al></entry><entry colname="col2"><al>35 dB(A)</al></entry><entry colname="col3"><al>30 dB(A)</al></entry><entry colname="col4"><al>25 dB(A)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen</al></entry><entry colname="col2"><al>70 dB(A)</al></entry><entry colname="col3"><al>65 dB(A)</al></entry><entry colname="col4"><al>60 dB(A)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>LAmax in in- en aanpandige gevoelige
                                                  gebouwen</al></entry><entry colname="col2"><al>55 dB(A)</al></entry><entry colname="col3"><al>50 dB(A)</al></entry><entry colname="col4"><al>45 dB(A)</al></entry></row></tbody></tgroup></table><lijst><li nr="2."><al>Voor de duur van 12 uur in de week is onversterkte muziek,
                                        vanwege het oefenen door muziekgezelschappen zoals orkesten,
                                        harmonie- en fanfaregezelschappen, in een inrichting
                                        gedurende de dag- en avondperiode uitgezonderd van de
                                        genoemde geluidsniveaus in het eerste lid.</al></li><li nr="3."><al>Indien versterkte elementen worden gecombineerd met
                                        onversterkte elementen, wordt het hele samenspel beschouwd
                                        als versterkte muziek en is het Besluit van toepassing.</al></li><li nr="4."><al>Het eerste lid is niet van toepassing op collectieve en
                                        incidentele festiviteiten als bedoeld in artikel 4:2 en
                                        artikel 4:3.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:6</nr><titel>Overige geluidhinder</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet
                                    milieubeheer of van het Besluit op een zodanige wijze toestellen
                                    of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te
                                    verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving
                                    geluidhinder wordt veroorzaakt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt
                                    voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet
                                    openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de Provinciale
                                    milieuverordening Noord- Brabant 2010.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet indien het een
                                    geluidswagen betreft en wordt voldaan aan elk van de volgende
                                    voorwaarden:</al></lid><lid><lidnr>a)</lidnr><al>De geluidswagen mag niet worden ingezet op zondagen en daarmee
                                    gelijkgestelde dagen.</al></lid><lid><lidnr>b)</lidnr><al>De geluidswagen mag niet worden ingezet tussen 22.00 uur en
                                    09.00 uur.</al></lid><lid><lidnr>c)</lidnr><al>De verkeersveiligheid is gewaarborgd tijdens de inzet van de
                                    geluidswagen.</al></lid><lid><lidnr>d)</lidnr><al>Het gebruik van de geluidswagen is in overeenstemming met de
                                    door het college te stellen nadere regels. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voor het gebruik van
                                    knalapparatuur, voor zover het gebruik in overeenstemming is met
                                    de door het college te stellen nadere regels.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:6a</nr><titel>Mosquito</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In dit artikel wordt onder een mosquito verstaan: een apparaat
                                    dat een slechts voor jongeren hoorbare, hinderlijke hoge
                                    pieptoon produceert, met als doel groepen jongeren weg te houden
                                    van plaatsen waar zij overlast veroorzaken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 4:6 kan de burgemeester
                                    in het belang van de openbare orde besluiten op een openbare
                                    plaats een mosquito aan te brengen bij gebleken ernstige
                                    overlast door jongeren op die plaats.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De aanwezigheid van een mosquito wordt duidelijk kenbaar gemaakt
                                    op de plaats waar deze is aangebracht.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een mosquito is alleen in werking op die tijdstippen dat
                                    overlast redelijkerwijs valt te verwachten.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Een mosquito wordt aangebracht voor een periode van ten hoogste
                                    6 maanden. De burgemeester kan die periode telkens met een
                                    periode van ten hoogste 6 maanden verlengen.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2.</nr><titel>Bodem-, weg- en milieuverontreiniging</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:7</nr><titel>Straatvegen</titel></kop><al>Het is verboden op een door het college ten behoeve van de
                                werkzaamheden van de gemeentelijke reinigingsdienst aangewezen
                                weggedeelte, een voertuig te parkeren of enig ander voorwerp te
                                laten staan gedurende een daarbij aangeduide tijdsperiode.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:8</nr><titel>Natuurlijke behoefte doen</titel></kop><al>Het is verboden binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zijn
                                natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:9</nr><titel>Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen
                                    en putten buiten gebouwen</titel></kop><al>Sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten
                                gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar
                                oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder
                                voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3.</nr><titel>Het bewaren van houtopstanden</titel></kop><structuurtekst><al>[gereserveerd]</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4.</nr><titel>Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:13</nr><titel>Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen
                                    enz.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op door het college in het belang van het
                                    uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing
                                    van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare
                                    gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin
                                    van de Wet milieubeheer, in de openlucht of buiten de weg de
                                    volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of
                                    aanwezig te hebben:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken
                                    voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4:17 of onderdelen
                                    daarvan, indien het plaatsen of aanwezig hebben daarvan
                                    geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een
                                    commercieel doel; of</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van vuil, een
                                    verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde
                                    landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan bij de aanwijzing nadere regels stellen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt
                                    voorzien krachtens de Wet ruimtelijke ordening of door of
                                    krachtens de Wegenverordening Noord- Brabant 2010.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:14</nr><titel>Stankoverlast door gebruik van meststoffen</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:15</nr><titel>Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te
                                    maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging
                                    of afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of
                                    ernstige hinder ontstaat voor de omgeving.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt
                                    voorzien door het Besluit algemene regels voor inrichtingen
                                    milieubeheer.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:16</nr><titel>Vergunningplicht lichtreclame</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>5.</nr><titel>Kamperen buiten kampeerterreinen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:17</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan: een onderkomen
                                of voertuig waarvoor geen omgevingsvergunning voor het bouwen in de
                                zin van artikel 2.1, eerste lid onder a van de Wet algemene
                                bepalingen omgevingsrecht is vereist, dat bestemd of opgericht is
                                dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief
                                nachtverblijf.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:18</nr><titel>Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf
                                    kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een
                                    kampeerterrein dat als zodanig in het bestemmingsplan, de
                                    beheersverordening, exploitatieplan of een voorbereidingsbesluit
                                    is bestemd of mede bestemd of buiten een kampeerterrein valt
                                    waarvoor de medewerking is of zal worden verleend aan het
                                    afwijken middels een omgevingsvergunning.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor
                                    eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld
                                    in het eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8. kan de ontheffing
                                    worden geweigerd in het belang van:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>de bescherming van natuur en landschap; of</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de bescherming van een stadsgezicht.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:19</nr><titel>Aanwijzing kampeerplaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het verbod van artikel 4:18, eerste lid is niet van toepassing
                                    op door het college aangewezen plaatsen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan daarbij nadere regels stellen ter bescherming
                                    van de belangen genoemd artikel 4:18, vierde lid, onder a en
                                    b.</al></lid></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1.</nr><titel>Parkeerexcessen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>voertuigen: voertuigen als bedoeld in artikel 1, onder al,
                                        van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV
                                        1990) met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens,
                                        kinderwagens en rolstoelen;</al></li><li nr="b."><al>parkeren: parkeren als bedoeld in artikel 1, onder ac, van
                                        het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV
                                        1990).</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:2</nr><titel>Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d.</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede
                                        verstaan:</al></li><li nr="a."><al>het gebruiken van een voertuig voor het geven van
                                        lessen;</al></li><li nr="b."><al>het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van
                                        personen tegen betaling.</al></li><li nr="2."><al>Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet
                                        gerekend:</al></li><li nr="a."><al>voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden
                                        worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen,
                                        en dit gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor
                                        deze werkzaamheden;</al></li><li nr="b."><al>voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het derde lid
                                        bedoelde persoon.</al></li><li nr="3."><al>Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een
                                        gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te
                                        slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden:</al></li><li nr="a."><al>drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn
                                        toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met
                                        een straal van 25 meter met als middelpunt een van deze
                                        voertuigen;</al></li><li nr="b."><al>de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.</al></li><li nr="4."><al>Het college kan ontheffing van het verbod verlenen.</al></li><li nr="5."><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                        bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet
                                        tijdig beslissen) niet van toepassing.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:3</nr><titel>Te koop aanbieden van voertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op een door het college aangewezen weg een
                                    voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te
                                    bieden of te verhandelen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan ontheffing van het verbod verlenen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:4</nr><titel>Defecte voertuigen</titel></kop><al>Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan
                                eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden,
                                langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te
                                parkeren.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:5</nr><titel>Voertuigwrakken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende
                                    staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde
                                    toestand verkeert op de weg te parkeren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt
                                    voorzien door de Wet milieubeheer.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:6</nr><titel>Kampeermiddelen e.a.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins
                                    voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>langer dan op drie achtereenvolgende dagen te plaatsen of te
                                    hebben op een door het college aangewezen weg, waar dit naar
                                    zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van
                                    beschikbare parkeerruimte of schadelijk is voor het uiterlijk
                                    aanzien van de gemeente;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit
                                    naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van
                                    de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste
                                    lid, aanhef en onder a.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties
                                    waarin wordt voorzien door het Verordening wegen Noord-Brabant
                                    2010.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:7</nr><titel>Parkeren van reclamevoertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding
                                    van handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijk doel
                                    om daarmee handelsreclame te maken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:8</nr><titel>Parkeren van grote voertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading,
                                    een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan
                                    2,4 meter te parkeren op een door het college aangewezen plaats,
                                    waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk
                                    aanzien van de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading,
                                    een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een door
                                    het college aangewezen weg, waar dit parkeren naar zijn oordeel
                                    buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare
                                    parkeerruimte.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod in het tweede lid is niet van toepassing op werkdagen
                                    van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00
                                    uur.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het verbod in het tweede lid is voorts niet van toepassing op
                                    campers, kampeerauto’s, caravans en kampeerwagens, voor zover
                                    deze voertuigen niet langer dan drie achtereenvolgende dagen op
                                    de weg worden geplaatst of gehouden.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan van de in het eerste en tweede lid gestelde
                                    verboden ontheffing verlenen.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:9</nr><titel>Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een
                                    lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4
                                    meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander
                                    dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor
                                    het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op
                                    hinderlijke wijze wordt belemmerd of hen anderszins hinder of
                                    overlast wordt aangedaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod geldt niet gedurende de tijd die nodig is voor en
                                    gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de
                                    aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:10</nr><titel>Parkeren van voertuigen met stankverspreidende
                                    stoffen</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:11</nr><titel>Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden met een voertuig te rijden door een park of
                                    plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of
                                    groenstrook, of het daarin te doen of te laten staan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Dit verbod is niet van toepassing:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>op de weg;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden door of
                                    vanwege de overheid; en</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>op voertuigen waarmee standplaats wordt of is ingenomen op
                                    terreinen die voor dit doel zijn bestemd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:12</nr><titel>Overlast van fiets of bromfiets</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op door het college in het belang van het
                                    uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing
                                    van overlast, of ter voorkoming van schade aan de openbare
                                    gezondheid aangewezen plaatsen fietsen of bromfietsen onbeheerd
                                    buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten
                                    staan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden op door het college aangewezen plaatsen fietsen
                                    of bromfietsen langer dan een door het college vastgestelde
                                    periode onafgebroken te laten staan.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2.</nr><titel>Collecteren</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:13</nr><titel>Inzameling van geld of goederen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het college een openbare
                                    inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een
                                    intekenlijst aan te bieden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder een inzameling van geld of goederen wordt mede verstaan:
                                    het bij het aanbieden van goederen, waartoe ook worden gerekend
                                    geschreven of gedrukte stukken, dan wel bij het aanbieden van
                                    diensten aanvaarden van geld of goederen, indien daarbij te
                                    kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst
                                    geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is
                                    bestemd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor een inzameling die in besloten kring
                                    gehouden wordt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) van toepassing.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3.</nr><titel>Venten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:14</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze afdeling wordt onder venten verstaan: het in de
                                    uitoefening van de ambulante handel te koop aanbieden, verkopen
                                    of afleveren van goederen dan wel diensten op een openbare en in
                                    de open lucht gelegen plaats of aan huis. Onder venten wordt
                                    mede verstaan het om niet uitreiken van (monsters van) goederen
                                    en het om niet aanbieden van (een proeve van) diensten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder venten wordt niet verstaan:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>het aan huis afleveren van goederen in het kader van de
                                    exploitatie van een winkel als bedoeld in artikel 1 van de
                                    Winkeltijdenwet;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan
                                    wel het aanbieden van diensten op jaarmarkten en markten als
                                    bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet
                                    of artikel 5:22;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan
                                    wel het aanbieden van diensten op een standplaats als bedoeld in
                                    artikel 5:17.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:15</nr><titel>Ventverbod</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden te venten:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>op door het college in het belang van de openbare orde
                                    aangewezen openbare plaatsen; of</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>op door het college in het belang van de openbare orde
                                    aangewezen dagen en uren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste
                                    lid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen omtrent het venten.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op de ontheffing bedoeld in het tweede lid is paragraaf 4.1.3.3
                                    van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve
                                    beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties
                                    waarin wordt voorzien door artikel 5 van de
                                    Wegenverkeerswet.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het verbod bedoeld in artikel 5:15, eerste lid, is niet van
                                    toepassing op het venten met gedrukte of geschreven stukken
                                    waarin gedachten en gevoelens worden geopenbaard.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:16</nr><titel>Vrijheid van meningsuiting</titel></kop><al>[vervallen]</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4.</nr><titel>Standplaatsen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:17</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze afdeling wordt verstaan onder standplaats: het vanaf een
                                    vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats
                                    te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel
                                    diensten, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam,
                                    een wagen of een tafel.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder standplaats wordt niet verstaan:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in
                                    artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de
                                    Gemeentewet;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel
                                    2:24.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:18</nr><titel>Standplaatsvergunning en weigeringsgronden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het college een
                                    standplaats in te nemen of te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college weigert de vergunning wegens strijd met een geldend
                                    bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of
                                    voorbereidingsbesluit en geen medewerking is of zal worden
                                    verleend aan het afwijken middels een omgevingsvergunning.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning
                                    worden geweigerd:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>indien de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband met
                                    de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>indien als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente
                                    of in een deel van de gemeente redelijkerwijs te verwachten is
                                    dat door het verlenen van de vergunning voor een standplaats
                                    voor het verkopen van goederen een redelijk verzorgingsniveau
                                    voor de consument ter plaatse in gevaar komt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:19</nr><titel>Toestemming rechthebbende</titel></kop><al>Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat
                                daarop zonder vergunning van het college standplaats wordt of is
                                ingenomen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:20</nr><titel>Afbakeningsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het verbod van artikel 5:18, eerste lid is niet van toepassing
                                    op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de
                                    Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Verordening wegen
                                    Noord-Brabant 2010.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De weigeringsgrond van artikel 5:18, derde lid, onder a, is niet
                                    van toepassing op bouwwerken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:21</nr><titel>Aanhoudingsplicht</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>5.</nr><titel>Snuffelmarkten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:22</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>[Vervallen]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:23</nr><titel>Organiseren van een snuffelmarkt</titel></kop><al>[Vervallen]</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>6.</nr><titel>Openbaar water</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:24</nr><titel>Voorwerpen op, in of boven openbaar water</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is in verband met de veiligheid op het openbaar water
                                    verboden een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven
                                    openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien
                                    dit door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van
                                    bevestiging gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van het
                                    openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan
                                    dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en
                                    onderhoud van het openbaar water.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Degene die voornemens is een steiger, een meerpaal of een ander
                                    voorwerp met een permanent karakter op, in of boven openbaar
                                    water te plaatsen, doet daarvan uiterlijk twee weken tevoren een
                                    melding aan het college.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De melding bevat in ieder geval naam, adres en contactgegevens
                                    van de melder, en een beschrijving van de aard en omvang van het
                                    voorwerp.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid geldt is niet van toepassing op
                                    situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht,
                                    de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement, de
                                    Waterwet, Verordening water Noord- Brabant, de
                                    Woonschepenverordening, de Havenverordening, de
                                    Telecommunicatiewet of Algemene Verordening Ondergrondse
                                    Infrastructuren.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:25</nr><titel>Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te
                                    hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te
                                    stellen op door het college aangewezen gedeelten van openbaar
                                    water.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen
                                    van een ligplaats met dan wel voor een vaartuig op niet
                                    krachtens het eerste lid aangewezen gedeelten van openbaar
                                    water:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>nadere regels stellen in het belang van de openbare orde,
                                    volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het aanzien van de
                                    gemeente;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>beperkingen stellen naar soort en aantal vaartuigen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties
                                    waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer, het
                                    Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet, de Verordening water
                                    Noord- Brabant, de Woonschepenverordening of de
                                    Havenverordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:26</nr><titel>Aanwijzingen ligplaats</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan aan de rechthebbende op een vaartuig
                                    aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of
                                    gebruik van een ligplaats in het belang van de openbare orde,
                                    volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het aanzien van
                                    de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door of
                                    vanwege het college gegeven aanwijzingen met betrekking tot het
                                    innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op te
                                    volgen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op situaties
                                    waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet
                                    beheer Rijkswaterstaatswerken, het Binnenvaartpolitiereglement,
                                    de Waterwet of de Verordening water Noord- Brabant.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:27</nr><titel>Verbod innemen ligplaats</titel></kop><al>Het is verboden een ligplaats in te nemen, te hebben of beschikbaar
                                te stellen in strijd met het krachtens artikel 5:26, tweede lid
                                bepaalde.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:28</nr><titel>Beschadigen van waterstaatswerken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan
                                    te brengen in de toestand van openbare wateren, havens, dijken,
                                    wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing,
                                    bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen,
                                    aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen die bij de gemeente
                                    in beheer zijn.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt
                                    voorzien door het Wetboek van Strafrecht, het
                                    Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet of de Verordening water
                                    Noord- Brabant.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:29</nr><titel>Reddingsmiddelen</titel></kop><al>Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en
                                daartoe bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een
                                ander doel dan wel voor dadelijk gebruik ongeschikt te maken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:30</nr><titel>Veiligheid op het water</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is aan een ieder die zich als bader of zwemmer in het
                                    openbaar water ophoudt, verboden zich zodanig te gedragen dat
                                    het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan
                                    ondervinden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt
                                    voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet of de
                                    Verordening water Noord- Brabant.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:31</nr><titel>Overlast aan vaartuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zich zonder redelijk doel vast te houden aan een
                                    vaartuig in openbaar water, daarop te klimmen of zich daarop of
                                    daarin te begeven of te bevinden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een
                                    vaartuig, liggend in of aan een openbaar water, los te
                                    maken.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>7.</nr><titel>Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in
                                natuurgebieden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:31a</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="-"><al>motorvoertuig; hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel
                                        1, onder z, van het Reglement verkeersregels en
                                        verkeerstekens 1990;</al></li><li nr="-"><al>bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1,
                                        eerste lid onder e, van de Wegenverkeerswet 1994.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:32</nr><titel>Crossterreinen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een
                                    motorvoertuig of een bromfiets een wedstrijd dan wel, ter
                                    voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te
                                    houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel
                                    een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel
                                    daartoe aanwezig te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op door het
                                    college aangewezen terreinen. Het college kan daarbij nadere
                                    regels stellen voor het gebruik van deze terreinen:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>in het belang van het voorkomen of beperken van overlast;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van
                                    de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>in het belang van de veiligheid van de deelnemers van de in het
                                    eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het
                                    publiek.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties
                                    waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer of het Besluit
                                    geluidproductie sportmotoren.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:33</nr><titel>Beperking verkeer in natuurgebieden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke
                                    natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik
                                    beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een
                                    motorvoertuig, een bromfiets, een fiets of een paard.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op door het
                                    college aangewezen terreinen. Het college kan daarbij nadere
                                    regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang
                                    van:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>het voorkomen van overlast;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de bescherming van natuur- of milieuwaarden;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>de veiligheid van het publiek.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op
                                    motorvoertuigen, bromfietsen, fietsen en paarden:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige
                                    hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid,
                                    Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de bevoegde
                                    minister aangewezen hulpverleningsdiensten;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of
                                    exploitatie van de terreinen als in het eerste lid bedoeld;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>die worden gebruikt in verband met werken die krachtens
                                    wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen
                                    die gelegen zijn binnen de terreinen als in het eerste lid
                                    bedoeld;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van
                                    de onder d bedoelde personen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod is voorts niet van
                                    toepassing:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>op wegen die gelegen zijn binnen de in het eerste lid bedoelde
                                    gebieden of terreinen;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>binnen de bij of krachtens de Provinciale milieuverordening
                                    Noord- Brabant aangewezen stiltegebieden ten aanzien van
                                    motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn
                                    aangewezen als 'toestel'.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid
                                    gestelde verbod.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>8.</nr><titel>Verbod vuur te stoken</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:34</nr><titel>Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of
                                    anderszins vuur te stoken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden
                                    buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer of
                                    anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Mits er geen sprake is van gevaar, overlast of hinder voor de
                                    omgeving, is het verbod niet van toepassing op:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, indien geen
                                    afvalstoffen worden verbrand;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>vuur voor koken, bakken en braden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing
                                    worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt
                                    voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het
                                    Wetboek van Strafrecht of de Provinciale milieuverordening
                                    Noord- Brabant 2010.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Op de ontheffing bedoeld in het derde lid is paragraaf 4.1.3.3
                                    van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve
                                    beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>9.</nr><titel>Verstrooiing van as</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:35</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder incidentele asverstrooiing:
                                het verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging op
                                een door de overledene of nabestaande(n) gewenste plek buiten een
                                permanent daartoe bestemd terrein.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:36</nr><titel>Verboden plaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Incidentele asverstrooiing is verboden op:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>verharde delen van de weg;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>gemeentelijke sportvelden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan voor een bepaalde termijn verbieden dat op
                                    andere plaatsen dan die genoemd in het eerste lid asverstrooiing
                                    plaatsvindt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan op verzoek van de nabestaande die zorg draagt
                                    voor de asbus op grond van bijzondere omstandigheden ontheffing
                                    verlenen van het verbod uit het eerste lid, behoudens de
                                    gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:37</nr><titel>Hinder of overlast</titel></kop><al>Incidentele asverstrooiing is verboden indien daardoor hinder of
                                overlast wordt veroorzaakt voor derden.</al></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6.</nr><titel>Straf-, overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:1</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde en de
                                op grond van artikel 1:4 daarbij gegeven voorschriften en
                                beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie
                                maanden of geldboete van de tweede categorie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid is artikel 1a van de Wet op de
                                economische delicten van toepassing op overtreding van het bepaalde
                                bij of krachtens de artikelen 2.10, vijfde lid, 2:11, tweede lid,
                                2:12, eerste lid en 4:11, eerste lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:2</nr><titel>Toezichthouders</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens
                                deze verordening, behoudens hoofdstuk 3, zijn belast de als
                                buitengewoon opsporingsambtenaar of andere beëdigde ambtenaren zoals
                                bedoeld in artikel 142 van het Wetboek van Strafvordering en de
                                ambtenaren van de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant en
                                Staatsbosbeheer die vanuit hun functie belast zijn met toezicht
                                en/of handhaving.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze
                                verordening, behoudens hoofdstuk 3, bepaalde zijn naast de in lid 1
                                genoemde personen belast: ambtenaren van de afdeling beleid,
                                onderdeel ‘handhaving’ en de afdeling publiekszaken, onderdeel
                                ‘vergunningen’ van de gemeente, die vanuit hun functie belast zijn
                                met toezicht en/of handhaving.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college dan wel de burgemeester kan daarnaast andere personen
                                met dit toezicht belasten.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Met het toezicht op de naleving van het bij hoofdstuk 3 bepaalde
                                zijn belast ambtenaren van de politie, bedoeld in artikel 141, onder
                                b, van het Wetboek van Strafvordering.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De burgemeester kan daarnaast andere personen belasten met het
                                toezicht, bedoeld in het vierde lid;</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Onverminderd het eerste tot en met vijfde lid zijn de ambtenaren van
                                politie, bedoeld in artikel 141, onder b, van het Wetboek van
                                Strafvordering, eveneens belast met het toezicht op de naleving van
                                de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:3</nr><titel>Binnentreden woningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing
                                van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening,
                                behoudens hoofdstuk 3, gegeven voorschriften die strekken tot
                                handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het
                                leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het
                                binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in artikel 6:2, vierde lid, bedoelde ambtenaren, voor zover zij
                                zijn belast met de opsporing van de strafbare feiten, bedoeld in de
                                artikelen 3:14, tweede en derde lid, en 3:21, eerste lid, zijn
                                bevoegd zonder toestemming van de bewoner in een woning binnen te
                                treden waar een overtreding van een dergelijk strafbaar feit wordt
                                gepleegd of naar hun redelijk vermoeden wordt gepleegd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De in artikel 6:2, vierde lid, bedoelde ambtenaren zijn in het kader
                                van hun toezichtstaak bevoegd zonder toestemming van de bewoner in
                                een woning binnen te treden, als daar bedrijfsmatig prostitutie
                                plaatsvindt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:4</nr><titel>Intrekking oude verordening</titel></kop><al>De Algemene plaatselijke verordening 2013, zoals vastgesteld op 20 juni
                            2013, wordt ingetrokken. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:5</nr><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><al>Besluiten, genomen krachtens de verordening bedoeld in artikel 6:4 die
                            golden op het moment van de inwerkingtreding van deze verordening en
                            waarvoor deze verordening overeenkomstige besluiten kent, gelden als
                            besluiten genomen krachtens deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:6</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op de derde dag na die waarop zij is
                            bekendgemaakt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:7</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene plaatselijke
                            verordening. </al><al></al><al></al><al></al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Steenbergen, 28 januari 2016</al><al>De raad voornoemd,</al><al>de griffier de voorzitter</al><al></al><al></al><al>drs. E P.M. van der Meer R.P. van den Belt, MBA</al></slotformulering></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting op de Algemene plaatselijke verordening 2016 (APV) </titel></kop><al>(behoort bij de op 28 januari 2016 door de raad van de gemeente Steenbergen
                    vastgestelde APV met nummer BM1502323)</al><tussenkop></tussenkop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al></al><al>Periodiek wordt de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) geactualiseerd in
                    verband met wijzigingen in wet- en regelgeving, jurisprudentie en
                    praktijkervaringen. De Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) heeft haar
                    model-APV in de zomer van 2015 herzien. </al><al></al><al>In regionaal verband is in 2012 een regionaal model van de APV tot stand
                    gekomen, gebaseerd op het model van de VNG en aangepast naar de regionale
                    behoeften. Gezien de ontwikkelingen en de wijziging van het model door de VNG in
                    2015, is in regionaal verband in september 2015 wederom een regionaal model-APV
                    vastgesteld. Dit regionale model is uitgangspunt van de APV 2016 van de gemeente
                    Steenbergen. Op deze manier kan worden bereikt dat op regionaal niveau de
                    uniformiteit en kwaliteit van deze regelgeving zo veel mogelijk wordt geborgd.
                    Er zijn een aantal artikelen toegesneden op de eigen, lokale situatie in de
                    gemeente Steenbergen. </al><al></al><al>Deze toelichting is te beschouwen als een gebruiksaanwijzing voor het lezen en
                    interpreteren van de APV. Het bevat een aantal aanwijzingen voor het uitvoeren
                    van specifieke bepalingen. De toelichting is daarmee vooral een hulpmiddel bij
                    de uitvoering door de bestuursorganen van de gemeente Steenbergen, maar ook
                    gericht op burgers en bedrijven die rechten kunnen ontlenen aan de APV of met
                    bepaalde verplichtingen kunnen worden geconfronteerd. </al><al></al><al>In de APV wordt in diverse regelingen de Lex Silencio Positivo (LSP) niet van
                    toepassing verklaard. Dit is de zogenaamde positieve fictieve beschikking bij
                    niet tijdig beslissen. Dit wordt geregeld in paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene
                    wet bestuursrecht. De LSP houdt in dat een vergunning of ontheffing wordt geacht
                    te zijn verleend, indien een beslissing op een aanvraag door het bevoegde
                    bestuursorgaan binnen de wettelijke termijn uitblijft. Dit wordt ook wel het van
                    rechtswege verlenen van vergunningen of ontheffingen genoemd. </al><al></al><al>Op diverse plaatsen in de APV wordt aan het college of de burgemeester de
                    bevoegdheid verleend om nadere regels te stellen dan wel een aanwijzingsbesluit
                    te nemen. Deze nadere regels dan wel aanwijzingsbesluiten worden door het
                    college of de burgemeester bij afzonderlijk besluit genomen. </al><tussenkop></tussenkop><tussenkop>Geen bezwaar en beroep mogelijk tegen APV</tussenkop><al></al><al>De APV bevat algemeen verbindende voorschriften. Een algemeen verbindend
                    voorschrift is een naar buiten werkende, voor de daarbij betrokkenen bindende
                    algemene regel, uitgegaan van het openbaar gezag dat de bevoegdheid daartoe aan
                    de wet ontleent. Een algemeen verbindend voorschrift onderscheidt zich van
                    andere besluiten doordat het algemene abstracte regels bevat, die zich zonder
                    nadere normering voor herhaalde concrete toepassing lenen. Tegen een algemeen
                    verbindend voorschrift staan de bestuursrechtelijke rechtsmiddelen bezwaar en
                    beroep niet open. </al><tussenkop></tussenkop><tussenkop>toetsing ex nunc</tussenkop><al></al><al>Op aanvragen om een besluit, ingediend onder de oude verordening, wordt volgens
                    de Algemene wet bestuursrecht beslist overeenkomstig de nieuwe verordening
                    (toetsing ex nunc).</al><tussenkop></tussenkop><tussenkop>geen nadeliger positie</tussenkop><al></al><al>Op bezwaarschriften ingediend tegen besluiten genomen onder het oude recht,
                    wordt eveneens besloten krachtens deze verordening, met dien verstande dat de
                    bezwaarde niet in een nadeliger positie mag komen dan hij onder het oude recht
                    zou hebben gehad (verbod van reformatio in peius).</al><tussenkop></tussenkop><tussenkop>Artikelsgewijs </tussenkop><tussenkop><vet>Hoofdstuk 1</vet></tussenkop><al><cursief>1:1</cursief><vet></vet>(bebouwde kom)</al><al>Hier wordt de alternatieve bepaling omtrent ‘bebouwde kom’ van het APV-model van
                    de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) gevolgd. Dit alternatief brengt
                    namelijk de minste administratieve lasten met zich mee. Bovendien is er de
                    minste kans op een verkeerde uitleg van het begrip. </al><al></al><al><cursief>1:1</cursief><vet></vet>(openbare plaats)</al><al>Hiervoor is aangehaakt bij de Wet openbare manifestaties (Wom). De weg maakt
                    daar onderdeel van uit. Artikel 1, eerste lid, WOM bepaalt wat een openbare
                    plaats is, namelijk een plaats die krachtens bestemming of vast gebruik open
                    staat voor het publiek. Deze definitie kent dus twee criteria. Ten eerste moet
                    de plaats open staan voor het publiek. </al><al>Het tweede criterium is dat het open staan van de plaats moet zijn gebaseerd op
                    bestemming of vast gebruik. </al><al>Voorbeelden van openbare plaatsen in de zin van artikel 1, eerste lid, WOM zijn:
                    openbare wegen, plantsoenen, speelweiden en parken en vrij toegankelijke
                    gedeelten van overdekte passages, van winkelgalerijen, van stationshallen en van
                    vliegvelden, openbare waterwegen en recreatieplassen.</al><al>Omdat de definitie van het begrip “openbare plaats” ook een aantal “besloten
                    plaatsen” als bedoeld in artikel 6, tweede lid, Grondwet kan omvatten, is in
                    artikel 1, tweede lid, WOM expliciet aangegeven dat onder een openbare plaats
                    niet wordt begrepen een gebouw of besloten plaats als bedoeld in artikel 6,
                    tweede lid, van de Grondwet (TK 1986-1987, 19 427, nr. 5, p. 11-13, en nr.
                    6).</al><tussenkop></tussenkop><tussenkop>1:3, lid 2</tussenkop><al>Deze bepaling maakt een langere beslistermijn mogelijk voor de door het
                    bestuursorgaan aan te wijzen vergunningen of ontheffingen. </al><tussenkop></tussenkop><tussenkop>Hoofdstuk 2</tussenkop><tussenkop>2:1, lid 1</tussenkop><al>Het begrip “samenscholing” is ontleend aan artikel 186 WvSr: “Hij die
                    opzettelijk bij gelegenheid van een volksoploop zich niet onmiddellijk
                    verwijdert na het derde door of vanwege het bevoegde bestuursorgaan gegeven
                    bevel, wordt, als schuldig aan deelneming aan samenscholing, gestraft met
                    gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede
                    categorie.” Onder omstandigheden is het denkbaar dat een samenscholing het
                    karakter heeft van bijvoorbeeld een betoging. Gelet op de Wet openbare
                    manifestaties moeten dit soort samenscholingen van de werking van dit artikel
                    uitgezonderd worden. In het zesde lid is dit dan ook gebeurd.</al><tussenkop></tussenkop><tussenkop>2:1, lid 2</tussenkop><al>In het tweede lid wordt aan de burger de verplichting opgelegd om zich op bevel
                    van een politieambtenaar te verwijderen van een openbare plaats bij (dreigende)
                    ongeregeldheden. </al><al>De bevoegdheid van de politie om bevelen te geven volgt uit artikel 2 van de
                    Politiewet. Artikel 2:1, tweede lid bevat het geven van een bevel in een
                    concreet geval. Overtreding van een dergelijk bevel wordt strafbaar gesteld via
                    opname van artikel 2:1, tweede lid in artikel 6:1. Ook in het proces-verbaal en
                    de tenlastelegging moet het niet opvolgen van het politiebevel worden vervolgd
                    op grond van overtreding van artikel 2:1 jo. artikel 6:1. </al><al>Naast de politiebevelen ex artikel 2:1 blijven uiteraard ook de bevelen van de
                    burgemeester in het kader van diens openbare ordebevoegdheden mogelijk. Bevelen
                    van de burgemeester, bijvoorbeeld op grond van de Gemeentewet, of aanwijzingen
                    in het kader van de Wet Openbare Manifestaties die de politie in mandaat
                    uitvoert en die niet worden opgevolgd, kunnen nog steeds strafbaar worden
                    gesteld op grond van artikel 184, eerste lid Wetboek van Strafrecht. </al><al>Gemeentelijke BOA’s hebben alleen de bevoegdheid voor toepassing van artikel
                    2:1, eerste lid.</al><tussenkop></tussenkop><tussenkop>2:1, lid 4</tussenkop><al>Deze bepaling biedt de politie echter extra handvatten om op te treden tegen
                    wanordelijkheden. Het is namelijk een zelfstandig strafbaar feit waartegen de
                    politie proces verbaal kan opmaken. </al><tussenkop></tussenkop><tussenkop>2:3, lid 1</tussenkop><al>De termijn van achtenveertig uur is ook in de vorige APV gebruikt en blijkt in
                    de praktijk hanteerbaar en bruikbaar.</al><tussenkop></tussenkop><tussenkop>2:10</tussenkop><al>Sinds 2009 is de mogelijkheid opgenomen tot het vrijstellen van een
                    vergunningsplicht voor de meest voorkomende objecten. In de praktijk blijkt het
                    goed te werken.</al><tussenkop></tussenkop><tussenkop>2:12</tussenkop><al>Regionaal is het vergunningstelsel (opnieuw) ingevoerd na een aantal jaren
                    werken met een meldingstelsel. In Steenbergen is het vergunningstelsel nooit
                    vervallen en geeft het vaste beleid in combinatie met een vergunningplicht de
                    meeste garanties op een gemeentebrede eenduidige en overzichtelijke uitvoering
                    en realisering van uitwegen. </al><al>De rechtspraak van de Raad van State laat er geen twijfel over bestaan dat een
                    grondeigenaar in beginsel in staat moet worden gesteld om vanaf zijn perceel met
                    een voertuig de openbare weg te bereiken. Alleen om zwaarwegende redenen kan de
                    overheid daaraan in de weg staan. Om dat duidelijk te laten uitkomen is het
                    aantal weigeringsgronden beperkt.</al><tussenkop></tussenkop><tussenkop>2:13 en 2:14</tussenkop><al>Modder op de weg is een dermate probleem dat het effectief daarop kunnen
                    handhaven een must is. De Afvalstoffenverordening regelt andere motieven
                    (voornamelijk milieu) en daar is het modderprobleem zowel juridisch als
                    praktisch niet of nauwelijks op te handhaven. </al><al></al><al>Daarnaast neemt voor de gemeente de maatschappelijke druk toe om effectief tegen
                    wegvervuiling op te treden. Daarom voelt de gemeente zich geroepen om
                    beschermende regels te stellen die ondernemers tevens bewust maken tot het nemen
                    van hun maatschappelijke verantwoordelijkheid. Op die wijze wil de gemeente
                    inspelen op de tendens tot maatschappelijk verantwoord ondernemen die de laatste
                    jaren veel opgang maakt in het bedrijfsleven. De land- en tuinbouwsector vormt
                    een volwaardig onderdeel daarvan. Door het stimuleren van verantwoordelijkheid
                    om tijdens campagnes maatregelen op de weg te nemen die de risico’s voor andere
                    weggebruikers tot een minimum beperken meent de gemeente op integrale en
                    afgewogen wijze de belangen van alle verkeersdeelnemers, ondernemer of niet, te
                    dienen. Die belangen kunnen maar op één manier gediend worden: door modder die
                    onverhoopt op het wegdek terecht is gekomen, direct te verwijderen. Alleen op
                    die manier kunnen gevaarlijke situaties en bekeuringen worden voorkomen. Daarom
                    is een regeling over dit onderwerp in de Steenbergse APV opgenomen.</al><al></al><al>Belangrijk is om stil te staan bij de reikwijdte van het begrip ‘ontdoen’ in
                    artikel 2:14. Dit behelst nu ook het schoonspuiten. Het snel en effectief
                    berijdbaar maken van de rijweg in slechte weercondities is het sleutelwoord en
                    dat kan ook in alle redelijkheid worden gevraagd van de vervuiler. Het door het
                    schoonspuiten verdwijnen van modder in de bermen, hetgeen een al dan niet
                    tijdelijke verslechtering van de afwatering van de weg als gevolg kan hebben,
                    wordt als een zeer klein potentieel verkeersgevaar gezien, zeker in vergelijking
                    met het uitvoeren van voor andere verkeersdeelnemers hinderlijke werkzaamheden
                    tot het verzamelen en vervolgens verwijderen van modder (voor zover dat mogelijk
                    is). Overigens wordt door een adequaat bermbeheer (berminspectie) dit soort
                    mogelijke problemen in het algemeen voorkomen. </al><tussenkop></tussenkop><tussenkop>2:15</tussenkop><al>De bepaling wordt gezien als een vangnetbepaling. Indien door bomen of planten
                    het uitzicht zodanig wordt belemmerd dat de verkeersveiligheid in het gedrang
                    komt, kan het college op basis van zijn bevoegdheid om bestuursdwang toe te
                    passen ex artikel 125 Gemeentewet, een last opleggen om de bomen of beplanting
                    te verwijderen of te snoeien.</al><al></al><al>In de gemeente Steenbergen is er behoefte gebleken aan nadere regels over
                    overhangende begroeiing. Derhalve is in het tweede lid voor het college de
                    mogelijkheid opgenomen om deze nadere regels vast te stellen. Deze nadere regels
                    zijn bedoeld voor handhavingdoeleinden in overlastsituaties. Vanwege effectieve
                    handhaving is bewust gekozen voor deze vorm van concrete normstelling in nadere
                    regels en niet in beleidsregels. Beleidsregels maken handhaving moeilijker omdat
                    bij de toepassing daarvan in concrete situaties een algemene afweging op basis
                    van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur moet worden gemaakt. </al><tussenkop></tussenkop><tussenkop>2:18</tussenkop><al>In regionaal verband wordt geadviseerd een eenduidige periode te hanteren van 1
                    maart tot 1 oktober. De periode lijkt lang, maar biedt de mogelijkheid om direct
                    op te treden wanneer er bijvoorbeeld perioden van droogte voorkomen in het
                    vroege voorjaar. Een regionaal eenduidige periode geeft meer duidelijkheid voor
                    controlerende instanties en burgers en leidt bovendien tot administratieve
                    lastenverlichting.</al><tussenkop></tussenkop><tussenkop>2:22</tussenkop><al>De bepaling fungeert als vangnetbepaling voor wanneer het bestemmingsplan de
                    problematiek onvoldoende regelt.</al><tussenkop></tussenkop><tussenkop>2:24 en 2:25</tussenkop><al>Belangrijk is vast te stellen dat ook evenementen die plaatsvinden in een gebouw
                    binnen de werkingssfeer van deze bepaling vallen. Ook is regionaal besloten om
                    snuffelmarkten onder de evenementenvergunning te brengen. </al><al>Een ride out is een optocht, dus vergunningplichtig. Dit is slechts anders
                    indien wordt voldaan aan artikel 2:25 lid 2 en het daarmee een vergunningvrij
                    evenement betreft. </al><al></al><al>De regeling omtrent kleine evenementen is wat ruimer neergezet dan het VNG
                    model. Het VNG model biedt slechts de mogelijkheid om een vergunningsvrij
                    evenement te organiseren voor kleinschalige evenementen zoals een straat- of
                    buurtfeest. Vanwege deze ruimere bepaling is gekozen voor het opnemen van extra
                    (mogelijkheden tot het stellen van) voorwaarden, namelijk: </al><lijst><li nr="-"><al>Beperking van het geluidsniveau conform het model van de gemeente Bergen
                            op Zoom (lid 2, onder d).</al></li><li nr="-"><al>Het eventueel niet mogelijk maken een vergunningsvrij evenement te
                            organiseren in bijvoorbeeld het centrum, een kern of in een ander gebied
                            door middel van een aanwijzingsbesluit (lid 6).</al></li><li nr="-"><al>Voor evenementen waarvoor alleen een meldingsplicht bestaat, is de
                            mogelijkheid ingebouwd het evenement te verbieden dan wel extra
                            voorwaarden te stellen (lid 3). </al></li></lijst><al>De termijn van het melden van een evenement bedraagt veertien dagen (lid 2,
                    onder h). Dit geeft hulpdiensten de kans een inschatting te maken of nadere
                    voorwaarden of maatregelen nodig zijn voor het evenement of dat het wellicht
                    toch moet worden verboden.</al><al></al><al>Het aantal van 250 bezoekers heeft betrekking op het gehele evenement en niet
                    per dag. Indien het evenement meerdere dagen behelst, is het evenement alleen
                    als meldingsplichtig aan te merken indien het totaal aantal bezoekers van het
                    evenement, eventueel verspreid over meerdere dagen, minder dan 250 is en aan
                    alle overige voorwaarden van lid 2 wordt voldaan. </al><tussenkop></tussenkop><tussenkop>Vechtsportwedstrijden of –gala’s en andere door de burgemeester
                    aangewezen categorieën evenementen (lid 2, onder i. en j.)</tussenkop><al>Evenementen die nooit vergunningvrij kunnen plaatsvinden zijn
                    vechtsportwedstrijden of – gala’s. Daarnaast kan de burgemeester evenementen
                    aanwijzen die strikt genomen onder de meldingsplicht van lid 2 vallen, maar
                    waarvan het toch van belang is dat deze onder de vergunningplicht vallen. Te
                    denken valt aan evenementen die in strijd zijn met de menselijke waardigheid,
                    evenementen waarbij sprake is van professionele sportbeoefening, dierenwelzijn,
                    circussen met wilde dieren, snelheidswedstrijden met gemotoriseerde voer- en
                    vaartuigen, schuurfeesten, erotische evenementen en evenementen in
                    natuurgebieden.</al><al></al><al>Onder vechtsportwedstrijden of -gala’s wordt in ieder geval begrepen
                    kooigevechten, kickboksevenementen, freefightevenementen en daarmee
                    vergelijkbare activiteiten en al dan niet in wedstrijdverband georganiseerde
                    evenementen waarbij de menselijke waardigheid in het geding is. Voor deze
                    evenementen geldt dat ze expliciet vergunningplichtig zijn. </al><al></al><al>De titel of naamgeving van dergelijke evenementen zal niet leidend zijn (de
                    lading hoeft de inhoud niet te dekken). De onderscheidenlijk te organiseren
                    (deel)activiteiten tijdens zo’n evenement zullen steeds inhoudelijk worden
                    beoordeeld. De organisator dient de burgemeester daartoe de gelegenheid te
                    bieden door de gevraagde informatie daarover in de vergunningaanvraag dan wel op
                    verzoek te verstrekken. Het spreekt voor zich dat er een redelijk vermoeden moet
                    zijn, dat het (mede) om onwenselijke activiteiten zou kunnen gaan. Zo zou er bij
                    een lezing over bijvoorbeeld kickboksen naar omstandigheden in principe geen
                    reden tot een nader informatieverzoek hoeven te zijn. Een en ander is echter
                    afhankelijk van wie in welke context voornemens is wat te organiseren.</al><al></al><al>Tevens geldt voor deze evenementen in lid 8 van dit artikel een extra voorwaarde
                    dat de organisator niet van slecht levensgedrag mag zijn. Om dit te beoordelen
                    wordt een Verklaring Omtrent het Gedrag gevraagd.</al><tussenkop></tussenkop><tussenkop>aanleiding tot de vergunningplicht</tussenkop><al>De praktijk in den lande wijst uit dat bij sommige vechtevenementen een
                    verhoogde kans bestaat op ongewenste situaties rond en tijdens het evenement. De
                    organisator van een evenement is verantwoordelijk voor een goede gang van zaken
                    tijdens het evenement en voor een ordelijk verloop ervan, ook in de directe
                    woon- en leefomgeving. De extra eis van het levensgedrag wordt hier gesteld om
                    te kunnen toetsen of deze organisator op grond van zijn levensgedrag kan worden
                    geacht aan die verantwoordelijkheid te kunnen voldoen.</al><tussenkop></tussenkop><tussenkop>2:25a</tussenkop><al>Dit artikel regelt het preventieve weigeren van een evenementenvergunning,
                    indien is geconstateerd dat de organisator van het evenement de
                    vergunningvoorschriften van hetzelfde evenement in het jaar voorafgaand heeft
                    overtreden.</al><tussenkop></tussenkop><tussenkop>2:27</tussenkop><al>Het begrip leidinggevende is toegevoegd om duidelijk te maken wat in artikel
                    2:28 bij de toetsing in het kader van de Wet Bibob hieronder wordt verstaan. De
                    definitie is afkomstig vanuit de Drank- en Horecawet waarbij horecabedrijf is
                    vervangen door openbare inrichting.</al><al></al><al>Het begrip bezoeker is toegevoegd in lid 1 onder d. Dit om dit begrip te
                    verduidelijken. Voor dit begrip is aansluiting gezocht bij de Drank en
                    Horecawet. In deze wet is bezoeker omschreven als “een ieder die zich in de
                    inrichting bevindt, met uitzondering van leidinggevenden, personen die dienst
                    doen in de inrichting, en personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens
                    dringende redenen noodzakelijk is”</al><al>De begripsbepaling ‘bezoeker’ heeft betrekking op eenieder die zich in een
                    inrichting bevindt waarin het horeca- of het slijtersbedrijf wordt uitgeoefend,
                    met uitzondering van de leidinggevenden (exploitant, bedrijfsleider, beheerder)
                    en dienstdoende personen, zoals barpersoneel, keukenhulpen, schoonmakers en
                    portiers. Verder zijn uitgezonderd personen die nachtverblijf houden in de
                    inrichting en die als zodanig zijn vermeld in het daartoe bestemde register en
                    die personen van wie de aanwezigheid in de inrichting wegens dringende redenen
                    noodzakelijk is. Het betreft hier bijvoorbeeld ambulancepersoneel dat te hulp is
                    geroepen of een politieagent of toezichthouder die bezig is met wetshandhaving
                    en onder bepaalde omstandigheden ook de gezinsleden van de exploitant
                    bijvoorbeeld als de inrichting gesitueerd is in hetzelfde gebouw als de
                    woning.</al><al></al><al>In lid 2 is de definitie van terras gewijzigd vormgegeven t.o.v. het APV-model
                    van de VNG waarbij een herhaling van het begrip wordt voorkomen en toch wordt
                    aangegeven dat het terras tot de openbare inrichting behoort.</al><tussenkop></tussenkop><tussenkop>2:28</tussenkop><al>In lid 2 is toegevoegd ‘onverminderd het bepaalde in artikel 1:8’ om aan te
                    geven dat de weigeringsgronden van artikel 1:8 ook hier van toepassing
                    zijn.</al><al></al><al>De vergunning voor het exploiteren en geopend hebben van een openbare inrichting
                    is persoonsgebonden. De persoon van de exploitant speelt immers een belangrijke
                    rol in de wijze van exploitatie en dus ook in de wijze waarop deze exploitatie
                    het woon- en leefklimaat en de openbare orde beïnvloedt. Mede daarom is in het
                    tweede lid als weigeringsgrond opgenomen dat de vergunning kan worden geweigerd
                    indien de leidinggevende(n) in enig opzicht van slecht levensgedrag is/zijn.
                    Aansluiting is hier gezocht bij de terminologie en inhoud van wat hieronder
                    wordt verstaan in artikel 8 van de Drank- en Horecawet en het Besluit eisen
                    zedelijk gedrag Drank- en Horecawet 1999. De toetsingsgronden zijn hier van
                    overeenkomstige toepassing.</al><al></al><al>Lid 3 bevat een aanvulling op de toetsingsgronden genoemd in artikel 1:8 in die
                    zin dat nader wordt toegelicht hoe de toetsing in aanvulling op die
                    weigeringsgronden wordt uitgevoerd.</al><al></al><al>Lid 4 bevat de verplichting om gedurende openingstijden tenminste 1
                    leidinggevende zoals genoemd in de vergunning/ vrijstelling aanwezig te
                    hebben.</al><al></al><al>Lid 5 bevat de mogelijkheid om bij wijziging van een leidinggevende, anders dan
                    de exploitant/ vergunninghouder, middels de lichtere procedure van de melding
                    mededeling te laten doen van een bijschrijving dan wel verwijdering van een
                    leidinggevende op de vergunning/vrijstelling. Lid 2 is van overeenkomstige
                    toepassing dus de bij te schrijven leidinggevende dient te voldoen aan de
                    gestelde eisen omtrent het levensgedrag. </al><al>In lid 7 is een onjuiste omschrijving gewijzigd. De termijn dient uiteraard
                    gerelateerd te zijn aan die voor aanvang van de vergunning i.p.v. die van
                    inwerkingtreding van deze verordening.</al><tussenkop></tussenkop><tussenkop>2:28a</tussenkop><al>Dit artikel wordt opgenomen om duidelijk te maken wanneer een vergunning of
                    verleende vrijstelling wordt of kan worden ingetrokken. </al><tussenkop></tussenkop><tussenkop>2:28b</tussenkop><al>In dit artikel is opgenomen wanneer een vergunning of verleende vrijstelling
                    vervalt. Een vergunning houdt van rechtswege op te bestaan indien aan de
                    voorwaarden genoemd in dit artikel wordt voldaan. Dit voorkomt dat een
                    vergunning onbepaalde tijd geldig blijft indien de exploitatie van de inrichting
                    niet wordt opgestart, inmiddels is gestaakt en de vergunning niet om deze of
                    andere redenen is ingetrokken. Analoog aan datgene wat is opgenomen in de Drank
                    en Horecawet is in het tweede en derde lid een termijn van zes maanden genoemd. </al><al></al><al>De artikelen 2:28a en 2:28b zijn nieuw in de APV 2016. Voorheen werden de
                    intrekkingsgronden opgenomen in de verleende vergunning. Door opneming van de
                    intrekkingsgronden in de APV is er rechtszekerheid en duidelijkheid voor een
                    ieder. </al><tussenkop></tussenkop><tussenkop>2:29</tussenkop><al>Dit artikel is opnieuw ingevoerd in de APV 2016. De sluitingstijden werden
                    voorheen in de exploitatievergunning opgenomen. De belangenafweging omtrent het
                    vaststellen van de sluitingstijd werd gedaan op basis van het geldende
                    horecabeleid. Hiermee mist de vaststelling van de sluitingstijd echter een
                    wettelijke grondslag. Met dit artikel wordt geregeld dat inrichtingen gesloten
                    zijn van 12:00 uur tot 6:00 uur (van maandag tot en met vrijdag) dan wel van
                    2:00 uur tot 6:00 uur (zaterdag en zondag). Op grond van lid 3 is de
                    burgemeester wel bevoegd afwijkende sluitingstijden vast te stellen, waarbij het
                    horecabeleid de kaders hiervoor aangeeft. </al><al>In de praktijk is behoefte aan duidelijkheid omtrent wie bezoeker is in de
                    inrichting. Het begrip bezoeker is opgenomen in de definities in artikel 2:27 en
                    omvat een ieder die zich in de inrichting bevindt, met uitzondering van
                    leidinggevenden, personen die dienst doen in de inrichting, en personen wier
                    aanwezigheid in de inrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is.
                    Hieronder wordt niet verstaan de exploitant, diens gezinsleden en elders wonende
                    bloed- en aanverwanten, maar ook de personen die in de inrichting nachtverblijf
                    houden en als zodanig zijn vermeld in het daartoe bestemde register en de
                    personen die wegens dringende redenen in de inrichting aanwezig moeten zijn
                    zoals in de inrichting werkzame personeelsleden, of personen die de
                    tapinstallatie onderhouden.</al><tussenkop></tussenkop><tussenkop>2:30</tussenkop><al>Artikel 174 van de Gemeentewet vormt de grondslag voor de bevoegdheid om een of
                    meer horecabedrijven tijdelijk afwijkende sluitingsuren op te leggen of
                    tijdelijk te sluiten. Aanleiding voor tijdelijke afwijking of sluiting moet zijn
                    gelegen in het belang van de openbare orde, veiligheid of gezondheid, of in
                    bijzondere omstandigheden (zoals, al dan niet lokale, feestdagen). Het betreft
                    een algemene bevoegdheid die zich niet alleen kan uitstrekken tot een maar ook
                    tot meer of zelfs tot alle in de gemeente aanwezige horecabedrijven. Wel beperkt
                    de bevoegdheid zich tot het tijdelijk vaststellen van afwijkende sluitingstijden
                    of tot tijdelijke sluiting.</al><tussenkop></tussenkop><tussenkop>2:31</tussenkop><al><cursief>Onder a: </cursief>Deze bepaling geeft een verbod om de orde in
                    horecabedrijven te verstoren, dat zich in zijn algemeenheid tot bezoekers
                    richt.</al><al><cursief>Onder b: </cursief>Ook het bepaalde onder b lid richt zich tot de
                    (potentiële) bezoeker van de inrichting. Als die zich met goedvinden van de
                    exploitant in de inrichting bevindt in de tijd dat de inrichting gesloten moet
                    zijn, overtreedt hij artikel 2:31. Als hij geen toestemming van de exploitant
                    heeft en niet weggaat als de exploitant dat vraagt, overtreedt hij artikel 138
                    van het Wetboek van Strafrecht (lokaalvredebreuk).</al><al><cursief>Onder c</cursief>: doordat het niet langer vereist is dat gebruik wordt
                    gemaakt van de zitplaatsen die aanwezig zijn op het terras, bestaat de kans dat
                    achtienplussers van het terras aflopen met bijvoorbeeld glazen alcohol. Dit kan
                    wellicht leiden tot overlast, zoals gebroken glas op straat. In beginsel kan dan
                    niet worden gehandhaafd. Artikel 2:48 biedt echter de mogelijkheid voor het
                    college om openbare plaatsen aan te wijzen waar het verboden is alcoholhoudende
                    drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met
                    alcoholhoudende drank bij zich te hebben.</al><tussenkop></tussenkop><tussenkop>2:33</tussenkop><al>Dit artikel wordt in Steenbergen gehandhaafd omdat het één van speerpunten is in
                    het lokale horecabeleid.</al><tussenkop></tussenkop><tussenkop>2:34a-c</tussenkop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>Op 1 januari 2013 is de gewijzigde Drank - en horecawet in werking getreden.
                    Deze 'nieuwe Drank- en Horecawet' (nDHW) verplicht de gemeenteraad om bij
                    verordening regels te stellen ter voorkoming oneerlijke mededinging waaraan
                    paracommerciele rechtspersonen zich te houden hebben bij de verstrekking van
                    alcoholhoudende drank. Op 19 december 2013 zijn de artikelen 2:34a, 2:34b en
                    2:34c toegevoegd aan de APV.</al><al>Een paracommerciële rechtspersoon is volgens de nDHW: een rechtspersoon niet
                    zijnde een naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte
                    aansprakelijkheid, die zich naast activiteiten van recreatieve, sportieve,
                    sociaal-culturele, educatieve, levensbeschouwelijke of godsdienstige aard richt
                    op de exploitatie in eigen beheer van een horecabedrijf.</al><al>Hierbij kan gedacht worden aan de buurthuizen/dorpshuizen en kantines bij
                    sportverenigingen. Voorbeelden hiervan zijn dorpshuis de Stelle te De Heen,
                    sportcafé/restaurant 'de Buitelstee' in Dinteloord en gemeenschapshuis 'de
                    Vaert'.</al><tussenkop></tussenkop><tussenkop>2:34a</tussenkop><al>In artikel 2:34a zijn begripsbepalingen opgenomen. Verwezen wordt naar de Drank-
                    en Horecawet.</al><tussenkop></tussenkop><tussenkop>2:34b</tussenkop><al>In dit artikel staan de schenktijden voor paracommerciële rechtspersonen. Het
                    gaat hier uitdrukkelijk om het schenken van alcoholhoudende drank. De tijden
                    zijn gekoppeld aan activiteiten die passen binnen de statutaire doelomschrijving
                    van de desbetreffende paracommerciële rechtspersoon.</al><al>Het schenken van alcoholhoudende drank mag niet eerder beginnen dan 1 uur
                    voorafgaande aan de activiteit en eindigt maximaal 2 uur na de beëindiging van
                    de activiteit, maar nooit later dan 01:30 uur.</al><al>De activiteit staat centraal. Deze activiteit moet passen binnen de statutaire
                    doelomschrijving van de paracommerciële rechtspersoon. Daarbij moet telkens de
                    definitie van paracommerciële rechtspersoon zoals hierboven aangegeven en
                    opgenomen in de nDHW in het oog gehouden worden. Bij paracommerciële
                    rechtspersonen kan worden gedacht aan dorps- en buurthuizen, kerkgenootschappen
                    e.d. De gemene deler van deze categorie is dat het faciliteren van de sociale
                    interactie tussen de leden of de bezoekers een onmisbaar onderdeel vormt van de
                    wijze waarop de doelstelling wordt gerealiseerd. </al><al>Het horecadeel van een paracommerciële rechtspersoon is ondersteunend aan de
                    hoofdactiviteit van deze rechtspersoon. Het is de houder / exploitant van een
                    paracommerciële horeca-inrichting nadrukkelijk verboden alcoholhoudende drank
                    buiten de activiteiten en de daarbij behorende schenktijden zoals bedoeld in
                    artikel 2:34a APV te schenken.</al><al>In de gemeente Steenbergen kennen we diverse paracommerciële rechtspersonen
                    zoals bijvoorbeeld sportverenigingen en dorpshuizen. De activiteit van een
                    sportvereniging is uiteraard gericht op sport. Dat staat ook vermeld in de
                    statuten van de vereniging. Het schenken van alcohol en het in eigen beheer
                    exploiteren van een horecabedrijf is nevengeschikt. De activiteiten van de
                    sportvereniging moeten binnen de statuten vallen. Indien dat het geval is mag,
                    rekening houdend met de schenktijden, alcoholhoudende drank geschonken
                    worden.</al><al>Een dorpshuis kent ook een doelomschrijving die in de statuten is opgenomen.
                    Dorpshuis Kruisland heeft in de doelomschrijving (kort samengevat) het
                    navolgende opgenomen: a. Het beheren en exploiteren van een dorpshuis. b. Het
                    verrichten van alle verdere handelingen, die verband houden met het vorenstaande
                    in de ruimste zin verband houden of daartoe bevorderlijk kunnen zijn. Verder
                    tracht de stichting (het dorpshuis) haar doel in eerste instantie te
                    verwezenlijken door de verhuur van ruimten voor gebruik van onder andere
                    (jeugd)vormend, maatschappelijk, sociaal-economisch, en cultureel werk.</al><al>De hoofdactiviteit van de paracommerciële rechtspersoon het Dorpshuis Kruisland
                    is gericht op het verhuren van ruimten. Vervolgens zal deze ruimte door een
                    vereniging bijvoorbeeld worden gehuurd om aldaar bepaalde activiteiten uit te
                    voeren. Wat vervolgens van belang is, is dat deze activiteiten die door de
                    huurder worden uitgevoerd passen binnen de doelomschrijvingen (jeugd)vormend,
                    maatschappelijk, sociaal-economisch en cultureel werk.</al><tussenkop></tussenkop><tussenkop>2:34c</tussenkop><al>Lid 1: Met bijeenkomsten van persoonlijke aard wordt gedoeld op: bijeenkomsten,
                    waarbij meestal alcoholhoudende drank wordt genuttigd, die geen direct verband
                    houden met de activiteiten van de desbetreffende paracommerciële instelling,
                    zoals bruiloften en verjaardagen. Voor zover die bijeenkomsten ook een zakelijk
                    karakter hebben dat direct verband houdt met de activiteiten van de
                    rechtspersoon, zoals het afscheid van de voorzitter van een vereniging, vallen
                    deze niet onder het bereik van deze bepaling.</al><al>Paracommerciële rechtspersonen mogen geen alcoholhoudende drank schenken tijdens
                    bijeenkomsten die gericht zijn op personen die niet of niet rechtstreeks bij de
                    activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon zijn betrokken. Bij
                    bijeenkomsten die gericht zijn op personen die niet of niet rechtstreeks bij de
                    activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn, kan worden
                    gedacht aan activiteiten die niet verenigingsgebonden zijn. Dit doet zich voor
                    als een paracommerciële rechtspersoon zijn kantine of een andere ruimte verhuurt
                    aan derden om bijvoorbeeld een feest te geven (voor niet-leden van de vereniging
                    of niet-betrokkenen bij de stichting). Hierboven is al ingegaan op het voorbeeld
                    van de sportvereniging en het dorpshuis. De rechtstreekse betrokkenheid is
                    gericht op de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon. Deze
                    activiteiten moeten passen binnen de doelomschrijving. Een feest in een
                    buurthuis waar kaarten voor verkocht worden, waar publiciteit aan gegeven wordt
                    en openbaar is, past niet binnen de definitie van een paracommerciële
                    rechtspersoon en ook niet binnen de omschrijving van een buurthuis. Dit feest
                    heeft een commercieel karakter en door het schenken van alcoholhoudende drank
                    wordt oneigenlijk geconcurreerd met andere horecabedrijven. Dat is onwenselijk
                    en niet toegestaan. Een ander voorbeeld dat aangedragen kan worden om het een en
                    ander te verduidelijk is de toeneelvereniging die een uitvoering geeft in een
                    dorpshuis. Indien het dorpshuis een doelomschrijving heeft waarin ook culturele
                    activiteiten onder vallen, is het mogelijk dat alcoholhoudende drank wordt
                    geschonken, zolang de schenktijden maar in acht worden gehouden.</al><al></al><al>Lid 2: Het verbod van het eerste lid geldt niet voor gelegenheden die betrekking
                    hebben op een uitvaart en voor de duur van deze gelegenheid. Gedacht kan worden
                    aan een koffietafel en een samenkomst.</al><tussenkop></tussenkop><tussenkop>2:37 en 2:38</tussenkop><al>De plicht tot het bijhouden van een nachtregister door de exploitant van de
                    inrichting is neergelegd in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht. Dit
                    artikel komt de exploitant van een inrichting tegemoet. Degene die in de
                    inrichting de nacht doorbrengt, is op grond van deze bepaling verplicht de voor
                    registratie vereiste gegevens volledig en naar waarheid aan de exploitant te
                    verstrekken. Een dergelijke aanvulling van het Wetboek van strafrecht bij
                    plaatselijke verordening werd door de Hoge Raad toelaatbaar geacht: HR 10 april
                    1979, NJ 1979, 442. </al><tussenkop></tussenkop><tussenkop>2:40</tussenkop><al>Bij de wijziging van de Wet op de kansspelen in 2010 constateerde de wetgever
                    dat het gezien de regels van de Europese Dienstenrichtlijn niet viel te
                    verdedigen dat voor het aanwezig hebben van enkele behendigheidsautomaten een
                    vergunning vooraf wordt geëist. Nu geldt alleen nog een vergunningplicht voor
                    kansspelautomaten en niet meer voor behendigheidsautomaten. Om strijdigheid met
                    hogere regelgeving te voorkomen is artikel 2:40 aangepast. </al><tussenkop></tussenkop><tussenkop>Afdeling 10A (artikel 2:40a t/m 2:40i)</tussenkop><al>Van de vestiging van een grow-, smart- of headshop kan een nadelige invloed op
                    het woon- en leefklimaat in de directe omgeving uitgaan. Daarnaast hangt om
                    dergelijke shops een zweem van illegaliteit en criminaliteit. Het gaat om
                    winkels waarbij het, gelet op de aard van de verhandelde producten, de relatie
                    met verdovende middelen en de daarbij behorende bezoekersgroep, het wenselijk is
                    vanuit het motief van de openbare orde, woon- en leefomgeving, overlast- en
                    drugsbestrijding, de exploitatie van deze winkels beheersbaar te maken.</al><al></al><al>Onder growshop wordt verstaan<cursief> e</cursief>en winkel welke hoofdzakelijk
                    goederen voor de thuiskweek van hennep verkoopt zoals meststoffen, zaden,
                    groeilampen, lectuur enzovoorts.</al><al>Per 1 maart 2015 is het nieuwe artikel 11a van de Opiumwet in werking getreden,
                    welk artikel handelingen ter voorbereiding of vergemakkelijking van illegale
                    hennepteelt strafbaar stelt. Hiermee zijn de bedrijfsactiviteiten van growshops
                    strafbaar gesteld en dient de vergunningplicht voor growshops uit de APV
                    verwijderd te worden. </al><al></al><al>De vergunningplicht blijft wel bestaan voor smartshops, headshops, belshops en
                    internetcafés. Onder deze begrippen wordt het volgende verstaan: <cursief></cursief></al><al><cursief>Smartshop: e</cursief>en winkel die diverse niet-traditionele
                    genotsmiddelen als herbal XTC, frisdranken met guarana en producten met efedrine
                    verkoopt. De producten die in een smartshop verkocht worden, ook wel psychotrope
                    stoffen genoemd, zijn bedoeld als alternatief voor genotsmiddelen als soft- en
                    harddrugs.</al><al><cursief>Headshop: e</cursief>en headshop is een vorm van detailhandel waarbij
                    hoofdzakelijk artikelen die verwant zijn aan de hasjcultuur worden verkocht.
                    Hierbij moet men denken aan artikelen als waterpijpen, vloeipapier, aanstekers,
                    lectuur, maar ook cocaïnedoosjes en versnijdingsmiddelen zoals cafeïne.</al><al><cursief>Internetcafé: e</cursief>en internetcafé is een plaats waar men tegen
                    betaling op een computer kan internetten. Soms kan men er ook consumpties
                    gebruiken. Ook varianten in naamgeving, zoals cybercafés, worden hieronder
                    begrepen.</al><al><cursief>Belshop: e</cursief>en gebouw, dat geheel of gedeeltelijk wordt
                    gebruikt om daarin voor derden tegen vergoeding elektronisch berichtenverkeer,
                    zoals (internationaal) telefoonverkeer, dan wel aanverwante activiteiten te doen
                    plaatsvinden.</al><al></al><al>Er zijn nog meer benamingen in omloop als <cursief>ecoshops</cursief> en
                        <cursief>seedshops</cursief>. Waarschijnlijk bedacht om onder de greep van
                    regelgeving uit te komen. Afhankelijk van de hoofdactiviteit zijn ze te
                    rangschikken onder één van de vorige categorieën.</al><al></al><al>De APV-regeling ziet ook toe op belshops en internetcafés. Internetcafés en
                    belwinkels trekken met name 's avonds veel publiek, hetgeen overlast kan
                    veroorzaken. Het college dient een verantwoord uitvoeringbeleid te voeren ter
                    voorkoming van overlast door vestiging in bepaalde gebieden tegen te gaan of
                    door ten aanzien van de openingstijden vergunningvoorschriften te stellen.
                    Internetcafés en belshops zijn als volgt te duiden:</al><tussenkop></tussenkop><tussenkop>Regeling APV</tussenkop><al>Roosendaal en Bergen op Zoom hebben de afgelopen zeven jaar positieve ervaringen
                    opgedaan met de introductie van de winkel- exploitatievergunning voor grow- en
                    smartshops, belshops en internetcafés. Deze afdeling is in het regionale model
                    overgenomen. Deze vergunningplicht maakt het in combinatie met de Bibob- toets
                    mogelijk de overlast van deze inrichtingen aanzienlijk te beperken. </al><al>De Wet Bibob biedt nu ook de mogelijkheid om alle inrichtingen zoals bedoeld in
                    de winkelexploitatievergunning onder deze wet te laten vallen. </al><al>Om administratieve lasten te verlichten kan voor wat betreft de beheerder worden
                    volstaan met een melding zodat bij wijziging van de beheerder de vergunning kan
                    worden aangepast. Dit is conform het model waarmee wordt gewerkt bij een drank-
                    en horecavergunning en de horeca-exploitatievergunning. De mogelijkheid is wel
                    aanwezig dat bij nieuwe beheerders deze Bibob getoetst kunnen worden.</al><tussenkop></tussenkop><tussenkop>2:44</tussenkop><al>De politiechef Zeeland-West-Brabant heeft in een brief aangegeven in het kader
                    van heling misdaadbestrijding behoefte te hebben aan een artikel over
                    inbrekerswerktuigen. Het begrip inbrekerswerktuigen moet breed worden
                    gedefinieerd. Het woord inbrekerswerktuig is bewust niet gedefinieerd in het
                    artikel omdat het anders te eng uitgelegd zou kunnen worden. In ieder geval kan
                    worden gedacht aan lopers, valse sleutels, touwladders, lantaarns of enig ander
                    gereedschap, voorwerp of middel, dat ertoe kan dienen zich onrechtmatig de
                    toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen
                    of te verbreken, diefstal door middel van graag te vergemakkelijken of het maken
                    van sporen te voorkomen. Daarmee worden ook hulpmiddelen voor winkeldiefstal
                    onder het begrip inbrekerswerktuigen gebracht.</al><tussenkop></tussenkop><tussenkop>2:44A</tussenkop><al>De politie zou ook graag zien dat beter kan worden opgetreden tegen
                    winkeldiefstal en heeft hiervoor een voorstel ontwikkeld. In goed overleg met de
                    politie is besloten de alternatieve tekst van de VNG op te nemen. In dit artikel
                    wordt de mogelijkheid geboden bij gebruik van geprepareerde tassen verbaliserend
                    op te treden. Het biedt de politie een aanvullend handvat op te treden bij
                    (dreigende) diefstal. </al><tussenkop></tussenkop><tussenkop>2:47</tussenkop><al>Op basis van artikel 2:47 (en artikel 2:49) kan tegen vormen van onnodige hinder
                    of overlast worden opgetreden.</al><tussenkop></tussenkop><tussenkop>afbakening</tussenkop><al>Artikel 424 van het Wetboek van Strafrecht stelt “straatschenderij” strafbaar,
                    terwijl artikel 426bis het belemmeren van anderen op de openbare weg met straf
                    bedreigt. Artikel 431 stelt nachtelijk burengerucht strafbaar. Deze handelingen
                    zou men kunnen omschrijven als baldadigheid. De omschrijving is echter strakker
                    dan wat men in het taalgebruik meestal als baldadigheid ervaart. Deze bepaling
                    in de APV vormt hierop een aanvulling.</al><al></al><al>Artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 bepaalt dat het voor eenieder verboden is
                    zich zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden
                    veroorzaakt dan wel dat het verkeer op de weg wordt gehinderd of kan worden
                    gehinderd. De strekking van het begrip openbare plaats in artikel 2:47 gaat
                    verder dan het begrip weg als bedoeld in de Wegenverkeerswet 1994, (zie daarvoor
                    de toelichting op artikel 1.1). Voor zover een hinderlijke gedraging plaatsvindt
                    op de weg, als omschreven in artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, is artikel
                    2:47 niet van toepassing. Werd dit niet uitgesloten, dan zou een met een hogere
                    regelgeving strijdige situatie kunnen ontstaan.</al><tussenkop></tussenkop><tussenkop>2:48</tussenkop><al>Dit artikel wordt in Steenbergen gehandhaafd omdat het één van speerpunten is in
                    het lokale horecabeleid.</al><tussenkop></tussenkop><tussenkop>2:57-58</tussenkop><al>Op basis van 2:57 moeten honden binnen de bebouwde kom aangelijnd zijn en mogen
                    honden niet verblijven of lopen op een kinderspeelplaats, zandbak of speelweide.
                    Er kunnen gebieden aangewezen worden door het college waar de honden los mogen
                    lopen. </al><al></al><al>Op basis van 2:58 moet degene die zich met een hond op een openbare plaats
                    begeeft de uitwerpselen onmiddellijk verwijderen. Er kunnen gebieden aangewezen
                    worden door het college waar dit niet geldt. Voorts dient degene die zich met
                    een hond op een openbare plaats begeeft een doeltreffend hulpmiddel voor het
                    opruimen van uitwerpselen bij zich te dragen. Dit komt de handhaafbaarheid van
                    dit artikel ten goede, omdat op deze manier ook buiten “heterdaad” controles
                    door de Buitengewoon Opsporingsambtenaar kunnen plaatsvinden. </al><tussenkop></tussenkop><tussenkop>bebouwde kom, artikel 2:58, tweede lid, onder a</tussenkop><al>Het begrip bebouwde kom uit de Wegenverkeerswet 1994 wordt toegepast op de hele
                    APV. Dit betreft het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van
                    artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994. </al><tussenkop></tussenkop><tussenkop>aangifte honden; hondenbelasting</tussenkop><al>De verordening hondenbelasting 2012 biedt geen ruimte voor het opleggen van een
                    boete bij het niet voldoen aan de verplichting tot het doen van aangifte wanneer
                    sprake is van het houden van een hond. De APV is juridisch gezien niet bedoeld
                    om daarin boetebedingen op te nemen.</al><tussenkop></tussenkop><tussenkop>2:60</tussenkop><al>Dit artikel is gewijzigd naar aanleiding van een uitspraak van de rechtbank Den
                    Haag van 4 januari 2012 over artikel 5:12. In deze uitspraak bepaalt de rechter
                    dat omdat de bepaling geen direct verbod bevat, bestuursdwang niet kan worden
                    toegepast. Dit zou dan in strijd zijn met de Gemeentewet. Artikel 2:60 lid 1
                    bevat dezelfde constructie en is conform het voorstel van de VNG aangepast.</al><al></al><al>Het kan voor de omgeving hinderlijk zijn, als iemand dieren houdt. Er moet
                    kunnen worden ingegrepen als overlast of schade voor de volksgezondheid dreigt.
                    Dan moeten belangen worden afgewogen. Daarom is gekozen voor de constructie dat
                    het college bevoegd wordt verklaard om de plaatsen aan te wijzen waar naar zijn
                    oordeel het houden van bepaalde dieren overlast of schade voor de
                    volksgezondheid veroorzaakt.</al><tussenkop></tussenkop><tussenkop>het voeren van bepaalde dieren</tussenkop><al>Er kan behoefte zijn om het voeren van bijvoorbeeld meeuwen of duiven op
                    bepaalde plaatsen te verbieden om daar zo nodig handhavend tegen te kunnen
                    optreden. Het college kan daartoe plaatsen aanwijzen waar dit voeren is
                    verboden.</al><tussenkop></tussenkop><tussenkop>2:67</tussenkop><al>Volgens de wet moeten opkopers van tweedehands goederen hun ingekochte goederen
                    registreren. Zoals goudopkopers, telefoonwinkels, juweliers en pandjeshuizen en
                    fietsenhandelaars. Om de opkopers het makkelijker te maken is het Digitaal
                    Opkopers Register (DOR) ontwikkeld. Het DOR is de moderne variant van het
                    papieren register.</al><al>Het systeem checkt automatisch via een database van stopheling.nl of een
                    ingevoerd serienummer als gestolen goed geregistreerd staat. Wanneer dit het
                    geval is gaat hiervan een melding naar de politie, die daarop actie kan
                    ondernemen. Doordat steeds meer opkopers zich registeren in het digitaal
                    opkopersregister (DOR) wordt stopheling.nl steeds vollediger. Zo wordt het voor
                    de steler moeilijker om gestolen goederen door te verkopen en dringen we de
                    criminaliteit terug. Daarnaast kunnen burgers via de website www.stopheling.nl
                    controleren of een tweedehands product afkomstig is uit diefstal. Op
                    nadrukkelijk voorstel van de politie is in artikel 2:67 geregeld dat de opkopers
                    binnen de gemeente verplicht zijn nog slechts dit register te gaan gebruiken. De
                    burgemeester zal dit register nog wel aan moeten wijzen. Een vrijstelling van
                    het gebruik van dit register zal maar beperkt worden verleend, omdat anders
                    helers alsnog niet zichtbaar worden.</al><tussenkop></tussenkop><tussenkop>2:73</tussenkop><al>In het Vuurwerkbesluit is bepaald dat het verboden is om consumentenvuurwerk af
                    te steken op een ander tijdstip dan tussen 31 december 10.00 uur en 1 januari
                    02.00 uur van het daarop volgende jaar. Het afsteken van consumentenvuurwerk
                    wordt op dit tijdstip toelaatbaar geacht vanwege de koppeling van het
                    vuurwerkgebruik aan de feestelijkheden rond de jaarwisseling en de inbedding
                    daarvan in de Nederlandse volkscultuur. Toch kunnen er, ondanks dat dit alleen
                    op oudejaarsdag is toegelaten, plaatsen zijn waar het afsteken van
                    consumentenvuurwerk te allen tijde niet toelaatbaar moet worden geacht
                    (bijvoorbeeld bij ziekenhuizen, bejaardentehuizen, huizen met rieten daken, in
                    winkelstraten, bij dierenasiels enzovoorts). Dit artikel geeft het college via
                    het eerste lid de bevoegdheid om plaatsen aan te wijzen waar het afsteken van
                    consumentenvuurwerk altijd verboden is. Het tweede lid maakt het mogelijk om op
                    te treden tegen het bezigen van consumentenvuurwerk in bijvoorbeeld een
                    promenade, een passage, een portiek of een volksverzameling.</al><tussenkop></tussenkop><tussenkop>2:74 a t/m d</tussenkop><al>Ervaringen uit de regio met deze specifieke bepalingen zijn positief en
                    voorgesteld wordt deze voorschriften te handhaven. Aangezien hier in de regio
                    veelvuldig gebruik van is gemaakt. Ook voor deze bepalingen geldt dat het
                    mogelijk is dat die worden aangepast in verband met nieuwe jurisprudentie. Ook
                    hier wordt voorgesteld de uitkomsten van het overleg tussen VNG en het
                    ministerie van veiligheid af te wachten. Deze artikelen zijn opgenomen uit het
                    oogpunt van openbare orde en veiligheid, niet vanuit gezondheidsoverwegingen,
                    daarvoor is de Opiumwet van toepassing.</al><tussenkop></tussenkop><tussenkop>2:74d </tussenkop><al>Deze bepaling vervalt. Specifieke toepassing van dit artikel in plaats van 2:78
                    komt zelden voor. Het gebiedsverbod uit 2:78 kan hiervoor worden gebruikt.
                    Daarom is regionaal besloten dat dit artikel kan vervallen.</al><tussenkop>2:75</tussenkop><al>In dit artikel zijn de meest relevante APV-artikelen genoemd. Met name die
                    artikelen waarbij het groepsgewijs niet naleven daarvan een risico vormt voor de
                    openbare orde.</al><tussenkop></tussenkop><tussenkop>2:77</tussenkop><al>Op grond van artikel 151c van de Gemeentewet kan de gemeenteraad aan de
                    burgemeester bij verordening de bevoegdheid verlenen tot het uitvoeren van
                    cameratoezicht op openbare plaatsen in het belang van de handhaving van de
                    openbare orde en daarbij bepalen tot welke openbare plaatsen de bevoegdheid zich
                    uitstrekt en voor welke duur de plaatsing van camera’s ten hoogste mag
                    geschieden. De gemeenteraad bepaalt hoe ver de bevoegdheid van de burgemeester
                    reikt. De volgende varianten zijn bijvoorbeeld denkbaar:</al><lijst><li nr="-"><al>De gemeenteraad besluit expliciet/impliciet om binnen de gemeente geen
                            cameratoezicht toe te passen.</al></li><li nr="-"><al>De gemeenteraad bepaalt bij verordening dat de burgemeester mag
                            besluiten tot het toepassen van cameratoezicht op specifieke plaatsen,
                            bijvoorbeeld in de binnenstad, en geeft daarbij aan voor welke duur de
                            plaatsing van camera’s ten hoogste mag geschieden.</al></li><li nr="-"><al>De gemeenteraad verleent bij verordening zonder beperkingen de
                            bevoegdheid aan de burgemeester tot plaatsing van camera’s ten behoeve
                            van de handhaving van de openbare orde op openbare plaatsen.</al></li></lijst><al></al><al>Het besluit van de burgemeester tot plaatsing van camera’s op een openbare
                    plaats is een besluit van algemene strekking waartegen op grond van de Algemene
                    wet bestuursrecht (Awb) voor belanghebbenden bezwaar en beroep openstaat. De
                    eigenaren van panden waarvan beelden worden gemaakt zijn aan te merken als
                    belanghebbenden in de zin van de Awb, evenals bijvoorbeeld degenen die in zo’n
                    pand werken of wonen (huurders) of anderszins regelmatige bezoekers van zo’n
                    pand zijn.</al><tussenkop></tussenkop><tussenkop>doel van het cameratoezicht</tussenkop><al>Gemeentelijk cameratoezicht op grond van artikel 151c van de Gemeentewet mag
                    uitsluitend plaatsvinden voor het handhaven van de openbare orde. Dit begrip
                    omvat ook de algemene bestuurlijke voorkoming van strafbare feiten die invloed
                    hebben op de orde en rust in de gemeentelijke samenleving. Dit hoofddoel laat
                    onverlet dat deze vorm van cameratoezicht ook subdoelen mag dienen. Zo biedt
                    artikel 151c, lid 7, van de Gemeentewet de mogelijkheid om de opgenomen beelden
                    te gebruiken voor de opsporing en vervolging van strafbare feiten. Daarnaast
                    mogen camera’s worden gebruikt om de politie en andere hulpdiensten efficiënter
                    en effectiever in te zetten. De preventieve werking van cameratoezicht vergroot
                    bovendien hun veiligheid.</al><tussenkop></tussenkop><tussenkop>kenbaarheid</tussenkop><al>In artikel 151c, lid 4, van de Gemeentewet is vastgelegd dat het gebruik van
                    camera’s kenbaar moet zijn. Burgers moeten in elk geval in kennis worden gesteld
                    van de mogelijkheid dat zij op beelden kunnen voorkomen zodra zij het gebied
                    betreden dat valt binnen het bereik van de camera’s. Aan het
                    kenbaarheidsvereiste moet niet alleen worden voldaan als er beelden worden
                    vastgelegd, maar ook als sprake is van monitoring. Door het goed zichtbaar
                    plaatsen van borden, waarop wordt aangeven dat in het betrokken gebied met
                    camera’s wordt gewerkt, kan het publiek op deze mogelijkheid worden
                    geattendeerd. Overigens houdt het kenbaarheidsvereiste niet in dat camera’s
                    altijd zichtbaar moeten zijn of dat de burgers op de hoogte moeten worden
                    gesteld van de precieze opnametijden. In artikel 441b van het Wetboek van
                    Strafrecht is de niet-kenbare toepassing van cameratoezicht op voor het publiek
                    toegankelijke plaatsen strafbaar gesteld! De straf kan hechtenis van ten hoogste
                    twee maanden inhouden of een geldboete van vierduizend vijfhonderd euro.</al><tussenkop></tussenkop><tussenkop>2:78</tussenkop><al>Tot op heden had de VNG nog geen model voor gebiedsverboden. De VNG heeft nu wel
                    een modelbepaling, dit komt overeen met de bepaling dat al in het vorige
                    regionale model was opgenomen. In deze variant is een keuze gemaakt om in alle
                    situaties waarin sprake is van overlast in de brede zin van het woord een
                    gebiedsontzegging op te kunnen leggen.</al><al>Dit is op zichzelf een lichte bevoegdheid die in de APV is opgenomen. Voor
                    zwaardere overtredingen en zeker wanneer er sprake is van meerdere overtredingen
                    passen we ook de Voetbalwet toe ( art. 172a Gemeentewet) en daar zijn extra
                    waarborgen opgenomen alvorens die bepalingen kunnen worden toegepast. </al><tussenkop></tussenkop><tussenkop>Hoofdstuk 3</tussenkop><al>Op het moment van vaststellen van de APV 2016 ligt het wetsvoorstel Regeling
                    prostitutie en bestrijding misstanden seksbranche bij de Eerste Kamer. </al><al></al><al>De kern van het wetsvoorstel wordt gevormd door de invoering van een verplicht
                    en uniform vergunningenstelsel voor de uitoefening van een seksbedrijf. Hierdoor
                    ontstaat meer uniformiteit in lokaal vergunningenbeleid. In het wetsvoorstel is
                    opgenomen aan welke vergunningvoorwaarden de exploitant in ieder geval moet
                    voldoen. Ook krijgen gemeenten met dit wetsvoorstel de mogelijkheid onder
                    voorwaarden voor een nuloptie te kiezen. Verder voorziet het wetsvoorstel
                    in:</al><lijst><li nr="-"><al>een registratieplicht voor alle prostituees;</al></li><li nr="-"><al>een aantal maatregelen en instrumenten om toezicht en handhaving te
                            vergemakkelijken;</al></li><li nr="-"><al>het strafbaar stellen van het gebruikmaken van illegaal aanbod van
                            prostitutie.</al></li></lijst><al></al><al>Vooruitlopend op definitieve wetgeving is door de VNG een model voor hoofdstuk 3
                    vastgesteld. In samenspraak met Bergen op Zoom is besloten dit model van de VNG
                    te volgen.</al><tussenkop></tussenkop><tussenkop>Hoofdstuk 4</tussenkop><tussenkop>4:2 t/m 4:5</tussenkop><al>Op basis van de Wet Milieubeheer zijn in het landelijk Activiteitenbesluit de
                    geluidsnormen vastgelegd waaraan de horeca zich dient te houden. De gemeente
                    heeft de mogelijkheid om collectieve of individuele ontheffingen te verlenen en
                    de geluidniveaus waaraan moet worden voldaan te verlagen. Dat is geregeld in de
                    APV. </al><al>De bepalingen zijn grotendeels conform het regionaal vastgestelde model. De
                    punten waarop wordt afgeweken zijn de termijn van melding (in Steenbergen ten
                    minste 3 werkdagen voor de festiviteit) en het aantal incidentele festiviteiten
                    per jaar (in Steenbergen 12). </al><al>In artikel 4:5 lid 2 is opgenomen dat maximaal 12 uur onversterkte muziek voor
                    het oefenen van muziekgezelschappen is toegestaan, om zo mogelijk te maken dat
                    op één locatie meerdere muziekgezelschappen kunnen repeteren. </al><tussenkop></tussenkop><tussenkop>4:6</tussenkop><al>Tot een ‘toestel’ als bedoeld in het eerste lid, kan onder andere worden
                    gerekend:</al><lijst><li nr="a."><al>airgun- en andere knalapparatuur;</al></li><li nr="b."><al>een motorisch aangedreven werktuig met bijbehorende transportmiddelen,
                            te gebruiken in het kader van seismologisch onderzoek en
                            opsporingsonderzoek naar of ontginning van de in de bodem aanwezige
                            stoffen;</al></li><li nr="c."><al>een motorisch aangedreven werktuig, te gebruiken in het kader van de
                            aanleg van kabels en buisleidingen in of op de bodem;</al></li><li nr="d."><al>een omroepinstallatie, sirene, hoorn en een ander daarmee vergelijkbaar
                            toestel bestemd om geluid te versterken of voort te brengen;</al></li><li nr="e."><al>een modelvliegtuig, modelboot of modelauto, indien deze wordt
                            aangedreven door een verbrandingsmotor;</al></li><li nr="f."><al>een met een muziekinstrument vergelijkbaar geluidsapparaat, al dan niet
                            gekoppeld aan een geluidsversterker;</al></li><li nr="g."><al>een jetski die wordt aangedreven door een verbrandingsmotor;</al></li><li nr="h."><al>een schietwapen;</al></li><li nr="i."><al>een hei-installatie.</al></li></lijst><tussenkop></tussenkop><tussenkop>4:6A</tussenkop><al>De invoering van deze bepaling biedt de mogelijkheid om dit middel eventueel in
                    de toekomst in te zetten.</al><tussenkop></tussenkop><tussenkop>4:13 </tussenkop><al>Dit artikel is gewijzigd naar aanleiding van een uitspraak van de rechtbank Den
                    Haag van 4 januari 2012 over artikel 5:12. In deze uitspraak bepaalt de rechter
                    dat omdat de bepaling geen direct verbod bevat, bestuursdwang niet kan worden
                    toegepast. Dit zou dan in strijd zijn met de Gemeentewet. Artikel 4:13 lid 1
                    bevat dezelfde constructie en is daarom conform het voorstel van de VNG
                    aangepast. </al><tussenkop></tussenkop><tussenkop>Hoofdstuk 5</tussenkop><tussenkop>5:7</tussenkop><al>Het komt voor dat bedrijven een aanhangwagen of iets dergelijks met daarop de
                    bedrijfsgegevens parkeren op een parkeerplaats of in de berm van een openbare
                    weg om daarmee de aandacht van het publiek te trekken. Ook worden voertuigen
                    gebruikt om evenementen aan te kondigen. Door middel van dit artikel wordt
                    toegezien op het maken van handelsreclame via voertuigen. Uit jurisprudentie en
                    uit artikel 7, vierde lid, van de Grondwet blijkt dat de gemeentelijke wetgever
                    in ieder geval het maken van handelsreclame aan beperkingen mag onderwerpen. </al><al></al><al>Artikel 5:7 van de APV bepaalt dat het parkeren van voertuigen met het
                    kennelijke doel om daarmee handelsreclame te maken verboden is. Hiervoor dient
                    er sprake te zijn van een parkeerexces. Dit betekent dat het gebruik van de weg
                    als parkeerplaats op zichzelf niet ongeoorloofd is, maar wel dat de aard van het
                    voertuig, het met het parkeren beoogde doel of het aantal te parkeren voertuigen
                    relatief gezien een te grote ruimte opeist in vergelijking met de behoefte aan
                    parkeerruimte van anderen. Ook kan het excessieve gelegen zijn in het motief van
                    het tegengaan van ontsiering van het uiterlijk aanzien van de gemeente.
                    Ingevolge lid 2 kan het college ontheffing van het verbod verlenen.</al><al></al><al>Als handelsreclame in de zin van deze bepaling wordt niet gezien de vermelding
                    op een voertuig van de naam van het bedrijf waarbij het voertuig in gebruik is
                    en een (korte) aanduiding van de goederen of diensten die dat bedrijf pleegt aan
                    te bieden. Deze voertuigen worden immers niet primair gebruik “met het
                    kennelijke doel om daarmee handelsreclame te maken”, maar vooral als
                    vervoersmiddel.</al><tussenkop></tussenkop><tussenkop>jurisprudentie</tussenkop><al>De Afdeling bestuursrechtspraak acht het beleid van het college van Zierikzee
                    geen ontheffingen te verlenen voor het parkeren van reclamevoertuigen binnen de
                    bebouwde kom en de daaropvolgende bestuursdwangaanschrijving aanvaardbaar. De
                    bescherming van het uiterlijk aanzien (beschermd stadsgezicht) speelt een
                    belangrijke rol. ABRS 1-8-1994, JG 95.0245.</al><al></al><al>De Afdeling bestuursrechtspraak meent dat het college van Groningen terecht een
                    dwangsomaanschrijving heeft doen uitgaan tegen een voor een winkel geplaatste
                    riksja, waarmee handelsreclame werd gemaakt. Voor de toepassing van deze
                    bepaling is de aanwezigheid van een verkeersgevaarlijke situatie niet vereist.
                    ABRS 5-12-2001, nr. 200103426.</al><tussenkop></tussenkop><tussenkop>5:12</tussenkop><al>Dit artikel is aangepast naar aanleiding van een uitspraak van de rechtbank Den
                    Haag van 4 januari 2012. Omdat de bepaling geen direct verbod bevat, ontstaat er
                    strijd met de Gemeentewet wanneer bestuursdwang wordt toegepast. De regeling is
                    daarom, conform het voorstel van de VNG, gewijzigd.</al><tussenkop></tussenkop><tussenkop>5:15</tussenkop><al>Tot het afschaffen van het vergunningstelsel wordt besloten, omdat venten in de
                    meeste gevallen geen (overmatige) overlast oplevert. De praktijk van het
                    verlenen van ventvergunningen is dat deze vrijwel altijd worden verleend onder
                    dezelfde voorschriften en bepalingen. Overlast kan ook achteraf worden
                    aangepakt. Bovendien kunnen de vergunningvoorschriften worden opgenomen in
                    nadere regels, vastgesteld door het college, welke nadere regels rechtstreeks
                    werken voor een ieder. Bij het vaststellen van de nadere regels worden de uren
                    en dagen aangewezen waarop het vergunningvrij venten verboden is. Bovendien kan
                    het college, indien in de toekomst sprake zal zijn van overlast in bepaalde
                    plaatsen, deze plaatsen aanwijzen als plaatsen waar niet vergunningvrij mag
                    worden gevent. </al><al></al><al>Het vierde lid bevat een afbakening naar hogere regelgeving. Artikel 5 van de
                    Wegenverkeerswet luidt: Het is een ieder verboden zich zodanig te gedragen dat
                    gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt of dat het verkeer
                    op de weg wordt gehinderd of kan worden gehinderd.</al><tussenkop></tussenkop><tussenkop>5:18, lid 3, onder b</tussenkop><al>In het verleden is het beschermen van een redelijk voorzieningenniveau in de
                    gemeente ten behoeve van de consument als een openbare ordebelang aangemerkt. De
                    gedachte was dat gevestigde winkeliers geconfronteerd worden met hoge
                    exploitatiekosten die niet in verhouding staan tot de vrij lage
                    exploitatiekosten van de straathandelaren. Uit jurisprudentie van de Afdeling
                    bestuursrecht van de Raad van State blijkt dat het reguleren van de
                    concurrentieverhoudingen niet als een huishoudelijk belang van de gemeente wordt
                    aangemerkt. Hierop wordt door de Afdeling slechts één uitzondering toegestaan,
                    namelijk wanneer het voorzieningenniveau voor de consument in een deel van de
                    gemeente in gevaar komt. Wil een gemeente op basis hiervan een vergunning
                    weigeren dan moet worden aangetoond, mede aan de hand van de boekhouding van de
                    plaatselijke winkelier, dat het voortbestaan van de winkel in gevaar komt als
                    vanaf een standplaats dezelfde goederen aangeboden worden.</al><al></al><al>De Dienstenrichtlijn staat deze weigeringsgrond voor standplaatsen die (mede)
                    diensten verlenen niet toe, omdat dit wordt beschouwd als een economische, niet
                    toegestane, belemmering voor het vrij verkeer van diensten. Het blijft echter
                    nog wel mogelijk om deze weigeringsgrond te hanteren voor het verkopen van
                    goederen. De Dienstenrichtlijn is daarop immers niet van toepassing.</al><tussenkop></tussenkop><tussenkop>5:22-23</tussenkop><al>De bepalingen betreffende snuffelmarkten zijn in de APV 2016 komen te vervallen,
                    omdat snuffelmarkten worden geschaard onder evenementen en hiermee vallen onder
                    de regeling van artikel 2:25 e.v. </al><tussenkop></tussenkop><tussenkop>5:24</tussenkop><al>Onder een voorwerp als genoemd in artikel 5:24, eerste lid wordt mede verstaan
                    een boom, een heg, een struik of andere beplanting, welke aan het verkeer op een
                    openbaar water het vrije uitzicht kan belemmeren of daarvoor op andere wijze
                    hinder of gevaar oplevert. </al><tussenkop></tussenkop><tussenkop>5:25 en 5:26</tussenkop><al>De Woonschepenverordening en de op 20 december 2012 vastgestelde
                    Havenverordening gemeente Steenbergen dienen te worden uitgezonderd van de
                    artikelen 5:25 en 5:26 middels vermelding daarvan in artikel 5:25, derde lid en
                    artikel 5:26, derde lid.</al><tussenkop></tussenkop><tussenkop>Hoofdstuk 6</tussenkop><tussenkop>6:1</tussenkop><al>Op grond van artikel 154 van de Gemeentewet kan de gemeenteraad op overtreding
                    van zijn verordeningen straf stellen. Deze straf mag niet zwaarder zijn dan
                    hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie,
                    al dan niet met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak. De Gemeentewet
                    heeft aan de gemeenteraad de keuze gelaten op overtreding van verordeningen
                    geldboete te stellen van de eerste óf de tweede categorie voor de zwaardere
                    overtredingen. </al><al>Gezien de aard van de bepalingen van de APV kan als algemene lijn worden
                    gehanteerd dat op overtredingen een straf van de tweede categorie wordt gesteld.
                    Op de overtredingen die de gemeenteraad minder ernstig acht, kan een boete van
                    de eerste categorie worden gesteld. Gekozen is om voor alle overtredingen de
                    maximale strafbepaling te hanteren overeenkomstig het bepaalde in de vorige
                    APV.</al><tussenkop></tussenkop><tussenkop>6:2</tussenkop><al>Het artikel met betrekking tot toezichthouders is regionaal aangepast. Er wordt
                    onderscheid gemaakt tussen toezicht met betrekking tot hoofdstuk 3, welk
                    toezicht wordt uitgeoefend door de ambtenaren van de politie, en toezicht met
                    betrekking tot de overige hoofdstukken. Op de overige hoofdstukken van de APV
                    wordt toezicht gehouden door personen die zijn aangewezen in dit artikel dan wel
                    personen die door het college dan wel de burgemeester zijn aangewezen. Bovendien
                    zijn volgens lid 5 ambtenaren van de politie voor de gehele APV belast met het
                    toezicht hierop. </al><tussenkop></tussenkop><tussenkop>6:5</tussenkop><al>Van belang is in de overgangsbepalingen aan te geven of bestaande besluiten al
                    dan niet hun rechtskracht blijven behouden na de inwerkingtreding van deze
                    verordening. Het gaat hierbij om:</al><lijst><li nr="-"><al>vergunningen;</al></li><li nr="-"><al>ontheffingen;</al></li><li nr="-"><al>vrijstellingen;</al></li><li nr="-"><al>voorschriften en beperkingen als bedoeld in artikel 1:4;</al></li><li nr="-"><al>nadere regels;</al></li><li nr="-"><al>aanwijzingsbesluiten;</al></li><li nr="-"><al>beleidsregels en beleidslijnen.</al></li></lijst></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>