<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91-->
  
  
  
  
  
  
  
  
  <meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR384346_1</dcterms:identifier><dcterms:title>VERORDENING OP DE HEFFING EN INVORDERING VAN ZUIVERINGSHEFFING WATERSCHAP BRABANTSE DELTA</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Waterschap">Waterschap Brabantse Delta</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-07-04</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Waterschap">Waterschap Brabantse Delta</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Waterschapsblad, 2015, 9734</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening zuiveringsheffing waterschap Brabantse Delta 2016</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005108&amp;artikel=110">Waterschapswet, art. 110</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanWaterschap">algemeen bestuur</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-11-11</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-12-18</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2016-12-31</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>15IT027092</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta>
  
  <body><intitule>
      VERORDENING OP DE HEFFING EN INVORDERING VAN ZUIVERINGSHEFFING WATERSCHAP BRABANTSE DELTA
    </intitule>
    
    <regeling>
      <aanhef>
        <preambule>
          <al>Het algemeen bestuur van waterschap Brabantse Delta;</al>
          <al/>
          <al>gelezen het voorstel van het dagelijks bestuur van 11 oktober 2015
                        15IT027092;</al>
          <al>gelet op de artikelen 110, hoofdstuk XVIIb van de Waterschapswet en
                        hoofdstuk 6.2 van het Waterschapsbesluit; </al>
          <al>B E S L U I T :</al>
          <al>vast te stellen de:</al>
          <al>VERORDENING OP DE HEFFING EN INVORDERING VAN ZUIVERINGSHEFFING WATERSCHAP
                        BRABANTSE DELTA </al>
          <al/>
        </preambule>
      </aanhef>
      <regeling-tekst>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>1</nr>
            <titel>Begripsbepalingen</titel>
          </kop>
          <al>Deze verordening verstaat onder:</al>
          <lijst>
            <li nr="a."><al>zuiveringtechnisch werk: een werk voor het zuiveren van afvalwater
                                of het transport van afvalwater, niet zijnde een riolering;</al></li>
            <li nr="b."><al>stoffen: de stoffen genoemd in artikel 6 van deze verordening;</al></li>
            <li nr="c."><al>afvoeren: het brengen van stoffen op een riolering of op een
                                zuiveringtechnisch werk in beheer bij het waterschap;</al></li>
            <li nr="d."><al>woonruimte: een ruimte die blijkens haar inrichting bestemd is om
                                als een afzonderlijk geheel te voorzien in woongelegenheid en
                                waarvan de delen blijkens de inrichting van die ruimte niet bestemd
                                zijn om afzonderlijk in gebruik te worden gegeven;</al></li>
            <li nr="e."><al>bedrijfsruimte: een naar zijn of haar aard en inrichting als
                                afzonderlijk geheel te beschouwen terrein of ruimte, niet zijnde een
                                woonruimte, een zuiveringtechnisch werk of een riolering.</al></li>
            <li nr="f."><al>riolering: een voorziening voor de inzameling en het transport van
                                afvalwater, in beheer bij een gemeente;</al></li>
            <li nr="g."><al>de heffingsambtenaar van het waterschap: de door het dagelijks
                                bestuur aangewezen ambtenaar, bedoeld in artikel 123, derde lid,
                                onderdeel b, Waterschapswet; </al></li>
            <li nr="h."><al>de heffingsambtenaar BWB: de krachtens de Gemeenschappelijke
                                Regeling Belastingsamenwerking West-Brabant aangewezen ambtenaar
                                bedoeld in artikel 124, vijfde lid, onderdeel a, van de
                                Waterschapswet;</al></li>
            <li nr="i."><al>drinkwater: water als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de
                                Drinkwaterwet;</al></li>
            <li nr="j."><al>ingenomen water: geleverd drink– en industriewater en warm tapwater,
                                onttrokken grond– en oppervlaktewater en opgevangen hemelwater;</al></li>
            <li nr="k."><al>drinkwaterbedrijf: drinkwaterbedrijf als bedoeld in artikel 1,
                                eerste lid van de Drinkwaterwet;</al></li>
            <li nr="l."><al>afvalwater: afvalwater als bedoeld in artikel 3.4 van de
                                Waterwet;</al></li>
            <li nr="m."><al>warm tapwater: warm tapwater als bedoeld in artikel 1, eerste lid,
                                van de Drinkwaterwet.</al></li>
          </lijst>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>2</nr>
            <titel>Bijlagen</titel>
          </kop>
          <al>Bij deze verordening behoren de volgende bijlagen:</al>
          <lijst>
            <li nr="1."><al>Bijlage I: voorschriften voor meting, bemonstering, analyse en
                                berekening;</al></li>
            <li nr="2."><al>Bijlage II: tabel afvalwatercoëfficiënten, zoals opgenomen in
                                artikel 122k, derde lid, van de Waterschapswet. </al></li>
          </lijst>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>3</nr>
            <titel>Belastbaar feit en heffingsplicht</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>Ter bestrijding van kosten die zijn verbonden aan de behartiging van de
                            taak inzake het zuiveren van afvalwater, wordt onder de naam
                            zuiveringsheffing een directe belasting geheven ter zake van direct of
                            indirect afvoeren op een zuiveringstechnisch werk in beheer bij het
                            waterschap. </al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>Aan de heffing worden onderworpen:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>ter zake het afvoeren vanuit een woonruimte of een
                                    bedrijfsruimte: degene die het gebruik heeft van die
                                    ruimte;</al></li>
              <li nr="b."><al>ter zake het afvoeren anders dan bedoeld onder a: degene die
                                    afvoert.</al></li>
            </lijst>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>3.</lidnr>
            <al>Voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel a, is
                            heffingsplichtig:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>in geval van gebruik van een woonruimte door de leden van een
                                    huishouden: degene die door de heffingsambtenaar BWB is
                                    aangewezen;</al></li>
              <li nr="b."><al>in geval van gebruik door degene aan wie een deel van een
                                    bedrijfsruimte in gebruik is gegeven: degene die dat deel in
                                    gebruik heeft gegeven met dien verstande dat degene die het deel
                                    in gebruik heeft gegeven, bevoegd is de heffing als zodanig te
                                    verhalen op degene aan wie dat deel in gebruik is gegeven;</al></li>
              <li nr="c."><al>in geval van het voor volgtijdig gebruik ter beschikking stellen
                                    van een woonruimte of bedrijfsruimte: degene die de ruimte ter
                                    beschikking heeft gesteld, met dien verstande dat degene die de
                                    ruimte ter beschikking heeft gesteld, bevoegd is de heffing als
                                    zodanig te verhalen op degene aan wie de ruimte ter beschikking
                                    is gesteld.</al></li>
            </lijst>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>4.</lidnr>
            <al>Indien stoffen met behulp van een riolering worden afgevoerd, is degene
                            bij wie die riolering in beheer is, slechts voor die stoffen die de
                            beheerder zelf op de riolering heeft gebracht aan een heffing
                            onderworpen.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>5.</lidnr>
            <al>De opbrengst van de heffing kan tevens worden besteed:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>aan het verstrekken van subsidies ter tegemoetkoming in de
                                    kosten van het voorbereiden en uitvoeren van maatregelen die
                                    verband houden met het zuiveren van afvalwater aan diegenen die
                                    tot het treffen van die maatregelen zijn gehouden;</al></li>
              <li nr="b."><al>aan het verstrekken van subsidies aan heffingsplichtigen tot
                                    behoud van het gebruik van zuiveringtechnische werken teneinde
                                    een stijging van het tarief van de heffing zoveel mogelijk te
                                    voorkomen.</al></li>
            </lijst>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>6.</lidnr>
            <al>Het afvoeren door het waterschap is vrijgesteld van de heffing.</al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>4</nr>
            <titel>Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar
                            tijdsevenredigheid</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>De heffing ter zake van woonruimten en van bedrijfsruimten als bedoeld
                            in artikel 15 is verschuldigd bij het begin van het heffingsjaar of, zo
                            dit later is, bij de aanvang van de heffingsplicht.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>Indien ter zake van woonruimten de heffingsplicht als bedoeld in het
                            eerste lid in de loop van het heffingsjaar aanvangt, is de heffing
                            verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar
                            verschuldigde belasting als er in dat jaar, na de aanvang van de
                            heffingsplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. Indien de
                            heffingsplicht aanvangt op de eerste dag van een kalendermaand wordt die
                            kalendermaand aangemerkt als een volle kalendermaand.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>3.</lidnr>
            <al>Indien ter zake van woonruimten de heffingsplicht bedoeld in het eerste
                            lid in de loop van het heffingsjaar eindigt, bestaat aanspraak op
                            ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar
                            verschuldigde heffing als er in dat jaar, na het einde van de
                            heffingsplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. Indien de
                            heffingsplicht eindigt op de eerste dag van een kalendermaand wordt die
                            kalendermaand aangemerkt als een volle kalendermaand.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>4.</lidnr>
            <al>Indien de heffingsplicht voor woonruimten is beëindigd na de dagtekening
                            van de aanslag, kan de heffingsplichtige een aanvraag tot ontheffing
                            indienen bij de heffingsambtenaar BWB.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>5.</lidnr>
            <al>Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing indien de
                            heffingsplichtige verhuist binnen het gebied van het waterschap en
                            daarbij weer het gebruik krijgt van een woonruimte van waaruit eveneens
                            wordt afgevoerd.</al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>5</nr>
            <titel>Heffingsjaar</titel>
          </kop>
          <al>Het heffingsjaar is gelijk aan het kalenderjaar.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>6</nr>
            <titel>Grondslag en heffingsmaatstaf</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>Voor de heffing bedoeld in artikel 3 geldt als grondslag de hoeveelheid
                            en de hoedanigheid van de stoffen die in een kalenderjaar worden
                            afgevoerd.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>Voor de heffing geldt als heffingsmaatstaf de vervuilingswaarde van de
                            stoffen die in een kalenderjaar worden afgevoerd. De vervuilingswaarde
                            wordt uitgedrukt in vervuilingseenheden.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>3.</lidnr>
            <al>Het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot zuurstofbindende
                            stoffen wordt bepaald op basis van de som van het chemisch
                            zuurstofverbruik en het zuurstofverbruik door omzetting van
                            stikstofverbindingen, zoals voorgeschreven in Bijlage I van deze
                            verordening. Eén vervuilingseenheid vertegenwoordigt met betrekking tot
                            zuurstofbindende stoffen een verbruik in het heffingsjaar van 54,8
                            kilogram zuurstof.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>4.</lidnr>
            <al>Het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot de stof fosfor wordt
                            bepaald op basis van de afgevoerde gewichtshoeveelheid, zoals
                            voorgeschreven in Bijlage I van deze verordening. Een vervuilingseenheid
                            vertegenwoordigt een in het heffingsjaar afgevoerde gewichtshoeveelheid
                            van 20 kilogram van de stof fosfor.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>5.</lidnr>
            <al>De stoffen chroom, koper, lood, nikkel, zilver, zink, arseen, kwik,
                            cadmium, chloride en sulfaat worden niet aan de heffing
                            onderworpen.</al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>7</nr>
            <titel>Meting, bemonstering en analyse</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1</lidnr>
            <al>Het aantal vervuilingseenheden van zuurstofbindende en andere stoffen
                            wordt berekend met behulp van door meting, bemonstering en analyse
                            verkregen gegevens. De meting, bemonstering, analyse en berekening
                            geschieden met in achtneming van de in Bijlage I opgenomen
                            voorschriften.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2</lidnr>
            <al>De in het eerste lid bedoelde meting, bemonstering en analyse geschieden
                            ieder etmaal van het heffingsjaar, behoudens het bepaalde in artikel
                            8.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>3</lidnr>
            <al>De meting, bemonstering en analyse geschieden zodanig dat:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>de gemeten hoeveelheid afvalwater niet meer dan 5% afwijkt van
                                    de werkelijke hoeveelheid afvalwater;</al></li>
              <li nr="b."><al>het verkregen monster representatief is voor de totale
                                    hoeveelheid stoffen die gedurende de bemonsteringsperiode vanuit
                                    het bedrijf of het bedrijfsonderdeel wordt afgevoerd.</al></li>
            </lijst>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>4</lidnr>
            <al>De heffingsplichtige brengt de wijze van meting en bemonstering met een
                            beschrijving van de daarvoor te gebruiken apparatuur, voor aanvang van
                            het heffingsjaar, ter kennis van de heffingsambtenaar van het
                            waterschap.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>5</lidnr>
            <al>De heffingsambtenaar van het waterschap:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>kan ambtshalve bepalen dat meting en bemonstering geschieden in
                                    afwijking van één of meer van de in Bijlage I, onderdeel A,
                                    opgenomen voorschriften, indien deze aannemelijk maakt dat dit
                                    noodzakelijk is ter voldoening aan het bepaalde in het derde
                                    lid, onderdelen a en b;</al></li>
              <li nr="b."><al>beslist op aanvraag van de heffingsplichtige, dat meting en
                                    bemonstering kunnen geschieden in afwijking van een of meer van
                                    de in Bijlage I, onderdeel A, opgenomen voorschriften, indien de
                                    heffingsplichtige aannemelijk maakt dat daarbij wordt voldaan
                                    aan het bepaalde in het derde lid, onderdelen a en b;</al></li>
              <li nr="c."><al>beslist op aanvraag van de heffingsplichtige, dat kan worden
                                    afgeweken van de in Bijlage I, onderdeel B, opgenomen
                                    analysevoorschriften, indien de heffingsplichtige aannemelijk
                                    maakt dat de nauwkeurigheid van de uitkomsten van de analyse
                                    hierdoor niet wordt beïnvloed;</al></li>
              <li nr="d."><al>kan omtrent de afwijkingen als bedoeld in de onderdelen a, b en
                                    c nadere voorschriften geven.</al></li>
            </lijst>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>6</lidnr>
            <al>De heffingsambtenaar van het waterschap neemt zijn beslissing, bedoeld
                            in het vijfde lid, onderdelen a, b en c, bij voor bezwaar vatbare
                            beschikking. Deze beschikking bevat in elk geval:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>de voorschriften van Bijlage I, onderdelen A en B, waarvan wordt
                                    afgeweken;</al></li>
              <li nr="b."><al>de afwijkingen bedoeld in het vijfde lid, onderdelen a, b en
                                    c;</al></li>
              <li nr="c."><al>de nadere voorschriften bedoeld in het vijfde lid, onderdeel
                                    d;</al></li>
              <li nr="d."><al>een vermelding van het heffingsjaar of de heffingsjaren waarvoor
                                    de beschikking wordt gegeven. </al></li>
            </lijst>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>7</lidnr>
            <al>De heffingsambtenaar van het waterschap kan bij veranderingen of te
                            verwachten veranderingen in de hoeveelheid of hoedanigheid van de
                            afgevoerde, respectievelijk af te voeren stoffen, de desbetreffende
                            beschikkingen, bedoeld in het vijfde lid, ambtshalve wijzigen of
                            intrekken in verband met het bepaalde in het eerste lid en het derde
                            lid.</al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>8</nr>
            <titel>Beperkte meting, bemonstering en analyse</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1</lidnr>
            <al>Op aanvraag van de heffingsplichtige, die aannemelijk maakt dat voor de
                            berekening van het aantal vervuilingseenheden kan worden volstaan met
                            gegevens welke met behulp van meting, bemonstering en analyse in een
                            beperkt aantal etmalen zijn verkregen, besluit de heffingsambtenaar van
                            het waterschap dat meting, bemonstering en analyse geschieden in
                            afwijking van het bepaalde in artikel 7, tweede lid. Het besluit op
                            aanvraag wordt genomen bij een voor bezwaar vatbare beschikking. Deze
                            beschikking bevat in elk geval:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>een opgave van de afvalstromen en de stoffen welke in het
                                    onderzoek dienen te worden betrokken;</al></li>
              <li nr="b."><al>de tijdvakken waarin meting, bemonstering en analyse geschieden,
                                    hetzij ieder etmaal van die tijdvakken, hetzij één of meer
                                    daartoe aangewezen etmalen daarvan;</al></li>
              <li nr="c."><al>de wijze waarop de op de voet van letter b verkregen uitkomsten
                                    worden herleid tot het aantal vervuilingseenheden over een
                                    aldaar bedoeld tijdvak, onderscheidenlijk over het
                                    heffingsjaar;</al></li>
              <li nr="d."><al>een vermelding van het heffingsjaar of de heffingsjaren waarvoor
                                    de beschikking wordt gegeven. </al></li>
            </lijst>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2</lidnr>
            <al>De heffingsambtenaar van het waterschap kan bij veranderingen of te
                            verwachten veranderingen in de hoeveelheid of hoedanigheid van de
                            afgevoerde, respectievelijk af te voeren stoffen, de desbetreffende
                            beschikking, bedoeld in het eerste lid, ambtshalve wijzigen of
                            intrekken, indien toepassing van berekeningsvoorschrift IV van onderdeel
                            C van bijlage I leidt tot een ander aantal etmalen dan in die
                            beschikking is opgenomen.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>3</lidnr>
            <al>De heffingsambtenaar van het waterschap neemt zijn beslissing, bedoeld
                            in het tweede lid, bij voor bezwaar vatbare beschikking.</al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>9</nr>
            <titel>Hoedanigheidscorrectie</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1</lidnr>
            <al>Indien de uitkomst van de methode tot bepaling van het chemisch
                            zuurstofverbruik bedoeld in artikel 6 in belangrijke mate is beïnvloed
                            door biologisch niet of nagenoeg niet afbreekbare stoffen, wordt op
                            aanvraag van de heffingsplichtige op die uitkomst een correctie
                            toegepast.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2</lidnr>
            <al>De berekening van de correctie geschiedt met inachtneming van de
                            voorschriften welke zijn opgenomen in Bijlage I, onderdeel C.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>3</lidnr>
            <al>De heffingsambtenaar van het waterschap neemt zijn beslissing als
                            bedoeld in het eerste lid, bij voor bezwaar vatbare beschikking. Deze
                            beschikking bevat in elk geval:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>de wijze van berekening van de correctie;</al></li>
              <li nr="b."><al>de hoeveelheid en samenstelling van het afvalwater waarop de
                                    correctie van toepassing is;</al></li>
              <li nr="c."><al>de frequentie en de wijze van onderzoek met betrekking tot
                                    meting, bemonstering en analyse;</al></li>
              <li nr="d."><al>een vermelding van het heffingsjaar of de heffingsjaren waarvoor
                                    de beschikking wordt gegeven.</al></li>
            </lijst>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>10</nr>
            <titel>Tabel afvalwatercoëfficiënten</titel>
          </kop>
          <lijst>
            <li nr="1."><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 7, eerste lid, kan het
                                aantal vervuilingseenheden met betrekking tot het zuurstofverbruik
                                in een kalenderjaar voor een bedrijfsruimte of een onderdeel daarvan
                                worden vastgesteld met behulp van de in Bijlage II van deze
                                verordening opgenomen tabel afvalwatercoëfficiënten, indien door de
                                heffingsplichtige aannemelijk is gemaakt dat het aantal
                                vervuilingseenheden met betrekking tot het zuurstofverbruik in een
                                kalenderjaar 1.000 of minder bedraagt en dit aantal aan de hand van
                                de hoeveelheid ingenomen water kan worden bepaald.</al></li>
            <li nr="2."><al>Het aantal vervuilingseenheden als bedoeld in het eerste lid wordt
                                berekend volgens de formule A x B, waarbij :</al><al>A het aantal m³ in het kalenderjaar ten behoeve van de
                                bedrijfsruimte of het onderdeel van de bedrijfsruimte ingenomen
                                water;</al><al>B de afvalwatercoëfficiënt behorende bij de klasse van de in Bijlage
                                II opgenomen tabel met de klassengrenzen waarbinnen de
                                vervuilingswaarde met betrekking tot het zuurstofverbruik per m³ ten
                                behoeve van de bedrijfsruimte of van het onderdeel van de
                                bedrijfsruimte ingenomen water is gelegen.</al></li>
          </lijst>
          <lijst>
            <li nr="3."><al>Indien de in het kalenderjaar ingenomen hoeveelheid water niet kan
                                worden vastgesteld aan de hand van watermeterstanden die aan het
                                begin en aan het einde van het kalenderjaar zijn opgenomen, stelt de
                                heffingsambtenaar BWB die hoeveelheid vast op een door hem nader
                                vast te stellen wijze.</al></li>
            <li nr="4."><al>De vervuilingswaarde met betrekking tot het zuurstofverbruik per m³
                                als bedoeld in het tweede lid wordt bepaald met toepassing van de
                                algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 122k van de
                                Waterschapswet.</al></li>
            <li nr="5."><al>Indien het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot het
                                zuurstofverbruik in een kalenderjaar voor een bedrijfsruimte of een
                                onderdeel daarvan meer dan 1.000 bedraagt en de heffingsplichtige
                                aannemelijk maakt dat de berekening van het aantal
                                vervuilingseenheden met toepassing van de in het eerste lid, aanhef,
                                bedoelde tabel tot geen lagere uitkomst leidt dan die welke wordt
                                verkregen bij berekening op de voet van artikel 7, eerste lid,
                                beslist de heffingsambtenaar BWB bij voor bezwaar vatbare
                                beschikking op aanvraag van heffingsplichtige dat het aantal
                                vervuilingseenheden wordt berekend met toepassing van de tabel.</al></li>
          </lijst>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>11</nr>
            <titel>Vervuilingswaarde van tuinbouwkassen</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>In afwijking van artikel 7, eerste lid, wordt de vervuilingswaarde van
                            de stoffen die worden afgevoerd vanuit een bedrijfsruimte of een
                            onderdeel van een bedrijfsruimte bestemd om in het kader van de
                            uitoefening van een beroep of een bedrijf onder een permanente opstand
                            van glas of kunststof gewassen te telen, bepaald op basis van het tweede
                            lid.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>De vervuilingswaarde bedraagt drie vervuilingseenheden per hectare
                            vloeroppervlak waarop onder glas of kunststof wordt geteeld en per deel
                            van een hectare vloeroppervlak een evenredig deel van drie
                            vervuilingseenheden.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>3.</lidnr>
            <al>Indien in de loop van het kalenderjaar het gebruik van een in het eerste
                            lid bedoelde bedrijfsruimte of onderdeel van een bedrijfsruimte, dan wel
                            van een deel daarvan, door de gebruiker aanvangt of eindigt, wordt hij
                            in dat kalenderjaar voor die bedrijfsruimte, voor dat onderdeel of voor
                            dat deel voor een evenredig gedeelte van het op basis van het tweede lid
                            bepaald aantal vervuilingseenheden aan een heffing onderworpen.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>4.</lidnr>
            <al>Een vervuilingswaarde voor de bedrijfsruimte of het onderdeel van een
                            bedrijfsruimte, berekend op basis van het tweede of derde lid, van
                            minder dan vijf vervuilingseenheden wordt op drie vervuilingseenheden,
                            en van één of minder dan één vervuilingseenheid op één
                            vervuilingseenheid gesteld.</al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>12</nr>
            <titel>Franchise en drempel</titel>
          </kop>
          <al>Voor de berekening van het aantal vervuilingseenheden van de stof fosfor
                        wordt een aftrek toegepast, met dien verstande dat het aantal
                        vervuilingseenheden niet lager dan op nihil kan worden gesteld. De aftrek
                        wordt bepaald door het totaal aantal vervuilingseenheden van de
                        zuurstofbindende stoffen, als berekend op grond van de artikelen 7 tot en
                        met 11, te vermenigvuldigen met 0,657 voor fosfor.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>13</nr>
            <titel>Meetverplichting</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>Indien de vervuilingswaarde met betrekking tot de zuurstofbindende
                            stoffen van een bedrijfsruimte minder bedraagt dan 1.000
                            vervuilingseenheden wordt, in afwijking van het bepaalde in artikel 7,
                            het aantal vervuilingseenheden van de stof fosfor op nihil gesteld,
                            tenzij de heffingsambtenaar van het waterschap aannemelijk maakt dat het
                            aantal vervuilingseenheden met betrekking tot deze stof de in artikel
                            12, derde lid, bedoelde aftrek te boven gaat.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>Indien de vervuilingswaarde met betrekking tot de zuurstofbindende
                            stoffen van een bedrijfsruimte 1.000 vervuilingseenheden of meer
                            bedraagt, wordt, in afwijking van het bepaalde in artikel 7, het aantal
                            vervuilingseenheden van de stof fosfor op nihil gesteld, indien de
                            heffingsplichtige aannemelijk maakt dat het aantal vervuilingseenheden
                            met betrekking tot deze stoffen de in artikel 12 bedoelde aftrek niet te
                            boven gaat.</al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>14</nr>
            <titel>Totale vervuilingswaarde van een bedrijfsruimte</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>De vervuilingswaarde van een bedrijfsruimte, wordt bepaald op de som van
                            de aantallen vervuilingseenheden als berekend overeenkomstig de
                            artikelen 7 tot en met 13, voor zover deze van toepassing zijn.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>De heffingsambtenaar van het waterschap is bevoegd twee of meer
                            beschikkingen gebaseerd op de artikelen 7, 8, 9, 10, van de Verordening
                            zuiveringsheffing waterschap Brabantse Delta 2016 en/of de Verordening
                            verontreinigingsheffing waterschap Brabantse Delta 2016 die betrekking
                            hebben op dezelfde bedrijfsruimte of onderdelen daarvan in een geschrift
                            te verenigen.</al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>15</nr>
            <titel>Vervuilingswaarde van kleine bedrijfsruimten</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>In afwijking van artikel 7, eerste lid, wordt de vervuilingswaarde van
                            de stoffen die vanuit een bedrijfsruimte of vanuit een
                            zuiveringtechnisch werk voor het zuiveren van afvalwater worden
                            afgevoerd gesteld op drie vervuilingseenheden indien door de
                            heffingsplichtige aannemelijk is gemaakt dat die vervuilingswaarde
                            minder dan vijf vervuilingseenheden bedraagt en op één
                            vervuilingseenheid indien door de heffingsplichtige aannemelijk is
                            gemaakt dat die één vervuilingseenheid of minder bedraagt.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>Indien de aanslag in het heffingsjaar al is opgelegd voor drie
                            vervuilingseenheden en de heffingsplichtige aannemelijk maakt dat de
                            vervuilingswaarde één vervuilingseenheid of minder bedraagt, bestaat
                            aanspraak op vermindering. De heffingsplichtige kan daartoe na afloop
                            van het heffingsjaar of, bij beëindiging van de heffingsplicht, in de
                            loop van het heffingsjaar een aanvraag indienen bij de heffingsambtenaar
                            BWB.</al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>16</nr>
            <titel>Vervuilingswaarde van woonruimten</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>In afwijking van artikel 7, eerste lid, wordt de vervuilingswaarde van
                            de stoffen die vanuit een woonruimte worden afgevoerd, gesteld op drie
                            vervuilingseenheden. De vervuilingswaarde van de stoffen die vanuit een
                            door één persoon gebruikte woonruimte worden afgevoerd, bedraagt één
                            vervuilingseenheid.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>Het eerste lid is niet van toepassing op de voor recreatiedoeleinden
                            bestemde woonruimten die zich bevinden op een voor verblijfsrecreatie
                            bestemd terrein dat als zodanig wordt geëxploiteerd. De in de vorige
                            volzin bedoelde woonruimten worden tezamen aangemerkt als een
                            bedrijfsruimte dan wel als onderdeel van een bedrijfsruimte.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>3.</lidnr>
            <al>Indien de in het eerste lid bedoelde situatie dat een woonruimte wordt
                            gebruikt door één persoon ontstaat in de loop van het heffingsjaar,
                            wordt de vervuilingswaarde op één vervuilingseenheid vastgesteld met
                            ingang van de eerste dag van de kalendermaand volgend op de
                            kalendermaand waarin die situatie is ontstaan. Indien de hiervoor
                            bedoelde situatie ontstaat op de eerste dag van een kalendermaand, wordt
                            de vervuilingswaarde met ingang van die dag op één vervuilingseenheid
                            vastgesteld.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>4.</lidnr>
            <al>Indien de in het derde lid bedoelde situatie ontstaat ná de dagtekening
                            van de aanslag, bestaat aanspraak op vermindering. De heffingsplichtige
                            kan daartoe een aanvraag indienen bij de heffingsambtenaar BWB.</al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>17</nr>
            <titel>Schatting</titel>
          </kop>
          <al>De heffingsambtenaar BWB kan het aantal vervuilingseenheden in een
                        kalenderjaar geheel of gedeeltelijk door middel van schatting vaststellen,
                        indien door de heffingsplichtige:</al>
          <lijst>
            <li nr="a."><al> zonder de in artikel 8 genoemde beschikking niet is voldaan aan de
                                in artikel 7, tweede lid, opgenomen verplichting;</al></li>
            <li nr="b."><al>niet of niet geheel is voldaan aan de voorwaarden, verbonden aan de
                                in artikel 8 of 9 genoemde beschikking;</al></li>
            <li nr="c."><al>meting, bemonstering en analyse niet of niet geheel zijn geschied in
                                overeenstemming met de in bijlage I opgenomen voorschriften;</al></li>
            <li nr="d."><al>niet is voldaan aan de in artikel 7, eerste lid, eerste volzin,
                                opgenomen verplichting en bepaling van de vervuilingswaarde
                                overeenkomstig de artikelen 10, 11, 15 en 16 niet mogelijk is, dan
                                wel bepaling van de vervuilingswaarde op basis van artikel 10,
                                vijfde lid, wel mogelijk is en door de heffingsplichtige gedurende
                                het heffingsjaar geen aanvraag als bedoeld in artikel 10, vijfde
                                lid, is ingediend.</al></li>
          </lijst>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>18</nr>
            <titel>Tarief</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>Het tarief bedraagt € 52,74 per vervuilingseenheid. </al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>Het tarief van een eenpersoonshuishouden bij gebruik van een woonruimte
                            bedraagt € 52,74</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>3.</lidnr>
            <al>Het tarief van een meerpersoonshuishouden bij gebruik van een woonruimte
                            bedraagt € 158,22 </al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>19</nr>
            <titel>Wijze van heffing en termijnen van betaling</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>De belasting wordt geheven bij wege van aanslag vastgesteld door de
                            heffingsambtenaar BWB.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990
                            moeten de aanslagen worden betaald in twee gelijke termijnbedragen
                            waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de
                            maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de
                            tweede twee maanden na de eerste vervaldatum.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>3.</lidnr>
            <al>Indien een bestuurlijke boete is opgelegd is het bedrag inzake deze
                            bestuurlijke boete invorderbaar in twee gelijke termijnbedragen waarvan
                            de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die
                            in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee
                            maanden na de eerste vervaldatum.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>4.</lidnr>
            <al>In afwijking van het bepaalde in het tweede en derde lid geldt in geval
                            het totaalbedrag van alle op één aanslagbiljet verenigde aanslagen meer
                            bedraagt dan € 10.000 dat dit bedrag en een bestuurlijke boete op dit
                            aanslagbiljet moeten worden betaald op de laatste dag van de maand
                            volgend op die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>5.</lidnr>
            <al>In afwijking van het bepaalde in het tweede, derde en vierde lid geldt
                            ingeval machtiging is verleend tot automatische incasso en het
                            totaalbedrag van de op een aanslagbiljet verenigde aanslagen € 100,00 of
                            meer doch niet meer dan € 10.000,00 bedraagt, dat de aanslagen en de
                            bestuurlijk boete op dit aanslagbiljet moeten worden betaald in tien
                            gelijke termijnbedragen waarvan de eerste termijn vervalt op de 28e dag
                            van de maand volgende op de maand die in de dagtekening van het
                            aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een
                            maand later. </al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>6.</lidnr>
            <al>De in het vijfde lid bedoelde machtiging tot automatische incasso wordt
                            geacht niet te zijn verleend indien twee van de tien termijnen niet zijn
                            betaald doordat automatische incasso van de betaalrekening van de
                            belastingschuldige niet mogelijk blijkt dan wel binnen 56 dagen na
                            afschrijving zijn gestorneerd. Alsdan geldt de betaaltermijn in het
                            tweede lid.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>7.</lidnr>
            <al>In afwijking van de voorgaande leden moet een voorlopige aanslag worden
                            betaald in zoveel gelijke termijnbedragen als er na de maand van de
                            dagtekening van het aanslagbiljet nog maanden van het belastingjaar
                            overblijven, met dien verstande dat het aantal betalingstermijnen steeds
                            minimaal twee telt. De eerste termijn vervalt een maand na de
                            dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen
                            telkens een maand later.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>8.</lidnr>
            <al>In afwijking van de voorgaande leden is een navorderingsaanslag
                            invorderbaar een maand na de dagtekening van het aanslagbiljet.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>9.</lidnr>
            <al>De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in dit artikel
                            gestelde termijnen.</al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>20</nr>
            <titel>Niet opleggen van aanslagen</titel>
          </kop>
          <al>Belastingbedragen van minder dan € 10,00 worden niet geheven. Voor de
                        toepassing van de vorige volzin wordt het totaal van op een aanslagbiljet
                        verenigde aanslagen aangemerkt als één belastingbedrag.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>21</nr>
            <titel>Aangifte</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1</lidnr>
            <al>Met betrekking tot de zuiveringsheffing geheven van gebruikers van
                            bedrijfsruimten wordt de uitnodiging door de heffingsambtenaar BWB tot
                            het doen van aangifte gedaan door: </al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>het uitreiken of toezenden van een aangiftebiljet;</al></li>
              <li nr="b."><al>het uitreiken of toezenden van een aangiftebrief waarin wordt
                                    verzocht om aangifte te doen op de wijze als bedoeld in het
                                    tweede lid, letter b.</al></li>
            </lijst>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2</lidnr>
            <al>Het doen van aangifte bij de heffingsambtenaar BWB geschiedt door:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>het inleveren of toezenden van het aangiftebiljet met de daarbij
                                    gevraagde bescheiden;</al></li>
              <li nr="b."><al>het op elektronische wijze toezenden van de door de betreffende
                                    programmatuur gevraagde gegevens.</al></li>
            </lijst>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>22</nr>
            <titel>Kwijtschelding</titel>
          </kop>
          <al>Bij de invordering kan van de heffing ter zake van het afvoeren vanuit een
                        woonruimte kwijtschelding worden verleend.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>23</nr>
            <titel>Nadere regels</titel>
          </kop>
          <al>Het dagelijks bestuur van de Belastingsamenwerking West-Brabant kan nadere
                        regels geven met betrekking tot de heffing en de invordering van de
                        zuiveringsheffing met dien verstande dat het dagelijks bestuur van het
                        waterschap ook nadere regels kan geven met betrekking tot de taak en
                        bevoegdheden van de heffingsambtenaar van het waterschap. </al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>24</nr>
            <titel>Overgangsrecht en inwerkingtreding</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>De Verordening zuiveringsheffing waterschap Brabantse Delta 2015,
                            vastgesteld bij besluit van 12 november 2014 wordt ingetrokken met
                            ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing,
                            met dien verstande, dat zij van toepassing blijft op de belastbare
                            feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. </al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>Deze verordening treedt inwerking met ingang van de eerste dag na die
                            van de bekendmaking. </al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>3.</lidnr>
            <al>De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2016. </al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>25</nr>
            <titel>Citeertitel</titel>
          </kop>
          <al>Deze verordening wordt aangehaald als: ‘"Verordening zuiveringsheffing
                        waterschap Brabantse Delta 2016"</al>
          <al/>
        </artikel>
      </regeling-tekst>
      <regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering>
        
        <ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van het algemeen bestuur van 11
                        november 2015 .</ondertekening>
        <ondertekening/>
        <ondertekening>De 1e loco-dijkgraaf</ondertekening>
        <ondertekening>C.A.A. Coppens</ondertekening>
        <ondertekening/>
        <ondertekening>De plv. secretaris-directeur</ondertekening>
        <ondertekening>dr. A.F.M. Meuleman</ondertekening>
      </regeling-sluiting>
      <bijlage>
        <kop>
          <titel>Bijlage I </titel>
        </kop>
        <al>
          <onderstreept>Voorschriften voor meting, bemonstering, analyse en berekening
                        behorende bij de verordening zuiveringsheffing waterschap Brabantse Delta
                        2016.</onderstreept>
        </al>
        <al/>
        <tussenkop>
          <vet>
            <cursief>Definitiebepalingen</cursief>
          </vet>
        </tussenkop>
        <al>In deze bijlage wordt verstaan onder:</al>
        <lijst>
          <li nr="a."><al>etmaal: de aaneengesloten periode van 24 uur waarover een
                            etmaalverzamelmonster wordt samengesteld;</al></li>
          <li nr="b."><al>debiet: de hoeveelheid afgevoerd afvalwater gedurende het etmaal;</al></li>
          <li nr="c."><al>debietmeter: meter waarmee (bijvoorbeeld door middel van magnetische
                            inductie) het debiet gemeten wordt;</al></li>
          <li nr="d."><al>momentaan debiet: de hoeveelheid afgevoerd afvalwater gedurende een
                            moment van meting;</al></li>
          <li nr="e."><al>kalibreren: bepalen van de waarde van de afwijkingen ten opzichte van
                            een van toepassing zijnde standaard;</al></li>
          <li nr="f."><al>droog kalibreren: kalibreren van een debietmeter waarbij een
                            doorstroming van een hoeveelheid water door de debietmeter wordt
                            gesimuleerd;</al></li>
          <li nr="g."><al>nat kalibreren: kalibreren van een debietmeter waarbij daadwerkelijk een
                            nauwkeurig bekende hoeveelheid vloeistof door de debietmeter wordt
                            geleid;</al></li>
          <li nr="h."><al>gesloten meetsysteem: meetsysteem dat het debiet meet in een gesloten
                            leiding of in een gesloten drukleiding, waarbij het afvalwater niet in
                            contact staat met de buitenlucht;</al></li>
          <li nr="i."><al>open meetsysteem: meetsysteem waarbij het oppervlak van het stromende
                            afvalwater in contact staat met de buitenlucht;</al></li>
          <li nr="j."><al>moedermeter: debietmeter, waarvan de installatie kan worden herleid naar
                            de nationale volumestandaard van het Nederlands Meetinstituut;</al></li>
          <li nr="k."><al>bewaartermijn: de periode tussen het einde van het etmaal en het begin
                            van de voorbehandeling ten behoeve van de uitvoering van de
                            analyse;</al></li>
          <li nr="l."><al>aantoonbaarheidsgrens: laagste concentratie van de component in het
                            monster waarvan de aanwezigheid nog met een bepaalde betrouwbaarheid kan
                            worden vastgesteld, zijnde 3x de spreiding van
                            binnenlabreproduceerbaarheid.</al></li>
        </lijst>
        <tussenkop>A Wijze van meting, bemonstering en monsterbehandeling</tussenkop>
        <tussenkop>Paragraaf 1 Algemeen</tussenkop>
        <al>De meet– en bemonsteringsvoorzieningen verkeren in een goede staat, worden
                    regelmatig schoongemaakt en zijn altijd goed en veilig toegankelijk. De meet– en
                    bemonsteringsvoorzieningen worden overeenkomstig onderstaande bepalingen
                    respectievelijk NEN 6600–1 (Water–Monsterneming–Deel 1: Afvalwater 2009)
                    geïnstalleerd en onderhouden. Een afvalwaterstroom kan zowel in een open als in
                    een gesloten meetsysteem worden gemeten en bemonsterd.</al>
        <al>In paragraaf 2 wordt nader ingegaan op de meting en in paragraaf 3 op de
                    bemonstering.</al>
        <al>In paragraaf 4 wordt nader ingegaan op de behandeling van het samengestelde
                    etmaalverzamelmonster.</al>
        <tussenkop>Paragraaf 2 Meting</tussenkop>
        <al>De meting betreft het debiet. Het debiet wordt in de afvalwaterstroom
                    gemeten.</al>
        <al>In de plaats van de meting in de afvalwaterstroom kan het debiet worden bepaald
                    op basis van meting van de hoeveelheid water in het watertoevoersysteem van het
                    bedrijf of van de bedrijfsonderdelen. In het laatstbedoelde geval mag de per
                    etmaal afgevoerde hoeveelheid afvalwater niet groter zijn dan de in dezelfde
                    periode toegevoerde hoeveelheid water.</al>
        <tussenkop>2.1 Open meetsystemen</tussenkop>
        <al>Bij open meetsystemen wordt een meetput of een meetgoot toegepast.</al>
        <al>Bij toepassing van een meetput gelden de volgende eisen:</al>
        <lijst>
          <li nr="1."><al>de momentane debieten in het etmaal, gemeten bij overstorthoogten van
                            minder dan 0,05 meter, bedragen gesommeerd minder dan 5% van het gemeten
                            debiet;</al></li>
          <li nr="2."><al>de momentane debieten in het etmaal, gemeten bij overstorthoogten van
                            minder dan 0,125 meter, bedragen gesommeerd minder dan 10% van het
                            gemeten debiet.</al></li>
        </lijst>
        <al>Bij toepassing van een meetgoot bedragen de momentane debieten in het etmaal,
                    van minder dan 16,4% van het maximaal mogelijk momentane debiet, gesommeerd,
                    minder dan 10% van het gemeten debiet.</al>
        <al>Het open meetsysteem is voorzien van een niet-resetbare pulsteller. Registratie
                    van momentane meetgegevens vindt plaats door middel van een printer of
                    datalogger.</al>
        <al>De apparatuur voor de hoogtemeting wordt minimaal éénmaal per jaar bij
                    overstorthoogten van 5, 10, 15, 20 en 25 centimeter droog gekalibreerd. In het
                    kalibratierapport wordt voor elke overstorthoogte een vergelijking gemaakt
                    tussen de gemeten hoeveelheid afvalwater gedurende de periode van het
                    kalibreren, en de bij de desbetreffende overstorthoogte met behulp van de
                    afvoerrelatie van de meetvoorziening berekende hoeveelheid afvalwater over de
                    periode van het kalibreren. Zowel het absolute als het procentuele verschil
                    wordt hierbij worden aangegeven. Bij ultrasone hoogtemeting wordt ook de
                    temperatuurmeting en de temperatuurcorrectie gecontroleerd en gecorrigeerd bij
                    afwijking. De werking van de volgapparatuur bij meting wordt gecontroleerd door
                    vergelijking van de aanwijzing, registratie (recorder en/of printer), integratie
                    en telling.</al>
        <tussenkop>2.2 Gesloten meetsystemen</tussenkop>
        <al>De momentane debieten in het etmaal, van minder dan 10% van het maximaal
                    mogelijk momentaan debiet, bedragen gesommeerd minder dan 5% van het gemeten
                    debiet.</al>
        <al>Het gesloten meetsysteem is voorzien van een niet–resetbare pulsteller.</al>
        <al>Registratie van momentane meetgegevens vindt plaats door middel van een printer
                    of datalogger.</al>
        <tussenkop>Inbouw</tussenkop>
        <al>Bij de inbouw van een nieuwe debietmeter in een gesloten meetsysteem wordt een
                    ‘af fabriek’ kalibratierapport meegeleverd, waarop naast de meterspecifieke
                    kalibratiefactor, óók de correctiefactor, of meterconstante staat aangegeven.
                    Natte kalibratie in ingebouwde toestand vindt direct plaats na inwerkingstelling
                    van de debietmeter.</al>
        <al>Voorts worden aan de inbouw de volgende eisen gesteld:</al>
        <lijst>
          <li nr="a."><al>Bij het inbouwen wordt rekening gehouden met de mogelijkheid tot het
                            uitvoeren van een natte kalibratie in–situ.</al></li>
          <li nr="b."><al>De lengte van de rechte leiding vóór de meetbuis bedraagt minimaal vijf
                            maal de diameter van de meetbuis, gerekend vanuit het hart van de
                            meter.</al></li>
          <li nr="c."><al>De lengte van de rechte leiding ná de meetbuis bedraagt minimaal twee
                            maal de diameter van de meetbuis, gerekend vanuit het hart van de
                            meter.</al></li>
          <li nr="d."><al>De diameter van de rechte leiding vóór en ná de meetbuis is gelijk aan
                            de nominale diameter van de meetbuis (de inwendige diameters van de
                            meetbuis en in – en uitlaatstukken zijn gelijk).</al></li>
          <li nr="e."><al>Toegepaste pakkingen steken niet naar binnen toe uit.</al></li>
          <li nr="f."><al>De meetbuis is dusdanig ingebouwd dat deze altijd volledig gevuld is met
                            water.</al></li>
          <li nr="g."><al>De meter is geaard door middel van een aardring, dan wel met een
                            aardelektrode die is ingebouwd in de meter.</al></li>
        </lijst>
        <tussenkop>Natte kalibratie</tussenkop>
        <al>De meetapparatuur wordt ten minste éénmaal per drie jaar in ingebouwde toestand
                    nat gekalibreerd. In het jaar van natte kalibratie hoeft niet tevens een droge
                    kalibratie te worden uitgevoerd.</al>
        <al>Voor debietmeters in mobiele meetapparatuur vindt de natte kalibratie jaarlijks
                    plaats in ingebouwde toestand bij minimaal de volgende vijf meetpunten: 10%,
                    25%, 50%, 75% en 100% van het werkgebied van de te kalibreren meter op een
                    ijkinstallatie waarvan de installatie kan worden herleid naar de nationale
                    volumestandaard van het Nederlands Meetinstituut (NMi). Onder werkgebied wordt
                    verstaan: het meetgebied tussen het minimale momentane debiet en het maximale
                    momentane debiet waarin de te kalibreren debietmeter in de praktijk wordt
                    toegepast. </al>
        <al/>
        <al>Voorts worden aan de natte kalibratie de volgende eisen gesteld:</al>
        <lijst>
          <li nr="a."><al>Minimaal éénmaal per drie jaar worden gesloten meetsystemen in
                            ingebouwde toestand nat gekalibreerd. Onder natte kalibratie wordt
                            verstaan dat een vooraf nauwkeurig bepaalde hoeveelheid water door de te
                            kalibreren meter wordt geleid (waarbij deze hoeveelheid is vastgesteld
                            bij een onder b genoemde instelling), dan wel dat tijdelijk een tweede,
                            bij voorkeur op hetzelfde meetprincipe gebaseerd meetsysteem in serie
                            wordt geplaatst en fungeert als moedermeter, dan wel op een andere, door
                            de heffingsambtenaar van het waterschap goedgekeurde methode. De wijze
                            van natte kalibratie vindt in overleg met de afdeling Handhaving van het
                            Waterschap plaats. De natte kalibratie dient uiterlijk twee weken voor
                            aanvang te worden gemeld via M&amp;B@brabantsedelta.nl.</al></li>
          <li nr="b."><al>Indien bij de natte kalibratie gebruik gemaakt wordt van een
                            moedermeter, wordt deze in ingebouwde toestand nat gekalibreerd bij
                            minimaal de volgende vijf meetpunten: 10%, 25%, 50%, 75% en 100% van het
                            werkgebied van de te kalibreren meter. De natte kalibratie van de
                            moedermeter vindt plaats op een ijkinstallatie van een ijkbevoegde
                            instelling, waarvan de installatie kan worden herleid naar de nationale
                            volumestandaard van het Nederlands Meetinstituut (NMi). Ook wanneer de
                            moedermeter nieuw is, wordt deze gekalibreerd op één van de genoemde
                            installaties, waarbij de meter is ingebouwd in de meetset of meetwagen
                            waarin deze in de praktijk zal worden ingezet.</al></li>
          <li nr="c."><al>Het kalibratierapport van de moedermeter, waaruit het onder b bepaalde
                            moet blijken, mag niet ouder zijn dan één jaar. Dit kalibratierapport
                            wordt bij die van het gekalibreerde meetsysteem gevoegd.</al></li>
          <li nr="d."><al>Tijdens de natte kalibratie wordt zoveel water door het te kalibreren
                            meetsysteem geleid, dat minimaal 1.000 waarnemingen worden bereikt.
                            Indien nodig kan hiertoe voor de kalibratieperiode de pulsinstelling
                            tijdelijk aangepast worden. De kalibratie vindt plaats in het werkgebied
                            waarin de te kalibreren meter onder normale bedrijfsomstandigheden
                            functioneert.</al></li>
          <li nr="e."><al>Tijdens de natte kalibratie worden de gemeten hoeveelheden water van de
                            te kalibreren flowmeter (én van de moedermeter, wanneer daarvan sprake
                            is) door middel van printers of dataloggers met een frequentie van
                            minimaal éénmaal per uur geregistreerd. In geval van het toepassen van
                            dataloggers worden ook de ruwe, onbewerkte data bij het
                            kalibratierapport gevoegd.</al></li>
          <li nr="f."><al>Bij de natte kalibratie wordt ook de randapparatuur, voor zover die
                            betrokken is bij de registratie van de meetgegevens, op een goede
                            werking gecontroleerd.</al></li>
        </lijst>
        <tussenkop>Droge kalibratie</tussenkop>
        <al>Meetapparatuur voor debietmetingen wordt ten minste éénmaal per jaar droog
                    gekalibreerd,</al>
        <al>tenzij in dat jaar een natte kalibratie plaatsvindt.</al>
        <al>Voorts worden aan de droge kalibratie de volgende eisen gesteld:</al>
        <lijst>
          <li nr="a."><al>Bij een droge kalibratie wordt de weerstand of de geleidbaarheid tussen
                            de elektroden gemeten. Wanneer aan de hand van deze controle blijkt dat
                            de meetbuis (mogelijk) vervuild is, dient deze te worden gereinigd.</al></li>
          <li nr="b."><al>Op het kalibratierapport van een droge kalibratie wordt de weerstand of
                            de geleidbaarheid tussen de elektroden weergegeven. Wanneer de meetbuis
                            is gereinigd, wordt deze waarde zowel vóór, als ná het reinigen in het
                            kalibratierapport vermeld.</al></li>
          <li nr="c."><al>Bij de droge kalibratie wordt ook de werking van randapparatuur, voor
                            zover die betrokken is bij de registratie van de meetgegevens, op een
                            goede werking gecontroleerd.</al></li>
          <li nr="d."><al>Wanneer bij een droge kalibratie blijkt dat de meetfout groter is dan
                            5%, wordt het gesloten meetsysteem onmiddellijk in ingebouwde toestand
                            nat gekalibreerd, volgens de bepalingen welke van toepassing zijn bij
                            een natte kalibratie.</al></li>
        </lijst>
        <tussenkop>Kalibratierapport</tussenkop>
        <al>Van een debietmeter moet het kalibratierapport binnen 1 maand na de kalibratie
                    toegezonden worden aan M&amp;B@brabantsedelta.nl.</al>
        <al>Bij een natte kalibratie in ingebouwde toestand (dat wil zeggen: ter plekke op
                    het bedrijf, of als</al>
        <al>complete mobiele meetset op een ijkbank van een daartoe bevoegde instantie),
                    worden de volgende aspecten vastgesteld én gerapporteerd op het
                    kalibratierapport:</al>
        <lijst>
          <li nr="-"><al>de ‘as–found’ meetafwijking (de gevonden meetafwijking, nog vóór
                            eventuele reiniging van de debietmeter);</al></li>
          <li nr="-"><al>eventuele hardwarematige aanpassingen (nieuwe spoel, etc.);</al></li>
          <li nr="-"><al>de justering (softwarematige aanpassing van de
                            correctiefactor/meterconstante);</al></li>
          <li nr="-"><al>de ‘as–left’ meetafwijking, eventueel na hardwarematige
                            aanpassing/justering;</al></li>
          <li nr="-"><al>de (eventueel nieuwe) correctiefactor, of meterconstante.</al></li>
        </lijst>
        <tussenkop>Paragraaf 3 Bemonstering</tussenkop>
        <tussenkop>3.1 Algemeen, instelling en uitvoering van apparatuur</tussenkop>
        <al>De bemonstering dient plaats te vinden met behulp van automatische
                    monstername–apparatuur. De bemonstering geschiedt in overeenstemming met NEN
                    6600–1 (Water–Monsterneming–Deel 1: Afvalwater 2009), met dien verstande dat
                    bemonstering door steekbemonstering niet is toegestaan, tenzij anders
                    bepaald.</al>
        <tussenkop>Paragraaf 4 Monsterbehandeling</tussenkop>
        <tussenkop>4.1 Algemeen</tussenkop>
        <al>De monsterbehandeling geschiedt in overeenstemming met NEN 6600–1
                    (Water–Monsterneming–Deel 1: Afvalwater 2009) en conform paragraaf 9 van NEN
                    6600-1 (2009) wordt direct na monsterneming geconserveerd volgens NEN-EN-ISO
                    5667-3 (2012). De monsters worden gekoeld en in donker bewaard tussen 1° en 5°
                    C.</al>
        <al>Van elk verzameld monster dient een representatief deel van 3 liter gedurende 24
                    uur in een goed gesloten vat/fles bij maximaal 5° C in het donker te worden
                    bewaard ten behoeve van contra-analyse door het waterschap. De monsterflessen
                    bestemd voor analyse door de heffingplichtige en voor contra–analyse vanwege de
                    heffingsambtenaar van het waterschap worden om en om gevuld. Op deze wijze wordt
                    bewerkstelligd dat het monster voor de analyse op een heffingsparameter door de
                    heffingplichtige en voor de desbetreffende contra–analyse vanwege de
                    heffingsambtenaar van het waterschap zoveel mogelijk identiek zijn.</al>
        <tussenkop>4.2 Conservering en maximale bewaartermijn</tussenkop>
        <al>De monsters uit het etmaalverzamelmonster worden tot en met het einde van de
                    bewaartermijn geconserveerd op de wijze zoals is aangegeven in tabel A. Wanneer
                    een monster uit het etmaalverzamelmonster wordt ingevroren of chemisch
                    geconserveerd, geschiedt dit binnen 12 uur na afloop van het etmaal. De
                    eventuele voorschriften met betrekking tot chemische conservering gelden in
                    aanvulling op de voorschriften met betrekking tot de conserveringstemperatuur
                    gedurende de bewaartermijn.</al>
        <al>In tabel A zijn tevens de maximale bewaartermijnen opgenomen die gelden voor de
                    onderscheidenlijk</al>
        <al>uit te voeren analyses. De voorbehandeling ten behoeve van een analyse vangt na
                    het einde van het etmaal aan, binnen de maximale bewaartermijn die bij de
                    desbetreffende analyse in tabel A is vermeld. De voorbehandeling van het monster
                    ten behoeve van de analyse, waaronder ondermeer wordt begrepen het ontdooien van
                    bevroren monsters, wordt uitgevoerd op een wijze en binnen een zodanige termijn
                    dat daardoor de representativiteit van het monster niet wordt verstoord. Een
                    monster dat op één van de in tabel A aangegeven wijzen chemisch is geconserveerd
                    wordt niet gebruikt voor één van de in tabel A opgenomen wijzen van analyse,
                    waarvoor op basis van tabel A geen of andere voorschriften op het vlak van de
                    chemische conservering gelden.</al>
        <al/>
        <al>
          <plaatje>
            <illustratie id="i704da44c-2968-487f-adfe-436080092097" naam="i262889i704da44c-2968-487f-adfe-436080092097.png" type="foto" breedte="15.9cm" hoogte="13.5cm"/>
          </plaatje>
        </al>
        <al/>
        <al>Het biochemisch zuurstofverbruik is weliswaar geen heffingsparameter voor de
                    zuiveringsheffing, maar wordt aangewend bij toepassing van
                    berekeningsvoorschrift II van Onderdeel C van deze bijlage. Op grond van dit
                    berekeningsvoorschrift wordt de methode van het biochemisch zuurstofverbruik
                    toegepast voor de bepaling van het percentage chemisch zuurstofverbruik van de
                    biologisch niet of nagenoeg niet afbreekbare stoffen.</al>
        <tussenkop>B Analysevoorschriften</tussenkop>
        <tussenkop>Paragraaf 1 Algemeen</tussenkop>
        <al>De analyses worden uitgevoerd in het representatieve monster, dat is verkregen
                    op de in onderdeel A van deze bijlage vermelde wijze. Het onderzoek wordt in het
                    water als zodanig </al>
        <al>uitgevoerd, dus zonder dat daaruit bezinkbare of opdrijvende bestanddelen zijn
                    verwijderd. Er is in dit onderdeel verwezen naar normbladen, uitgegeven door het
                    Nederlands Normalisatie–Instituut. De publicatie van de normbladen wordt
                    aangekondigd in de Nederlandse Staatscourant. Een wijziging in een normblad
                    wordt eerst van kracht op 1 januari van het jaar volgende op dat waarin de
                    bekendmaking van de wijziging in de Nederlandse Staatscourant heeft
                    plaatsgevonden.</al>
        <al>De in tabel B vermelde aantoonbaarheidsgrenzen zijn de concentraties van de
                    desbetreffende stoffen die bij de analyse ten minste aangetoond moeten kunnen
                    worden.</al>
        <tussenkop>Paragraaf 2 Analyse</tussenkop>
        <al>De analyse van het monster geschiedt op de wijze zoals die is aangegeven in
                    tabel B, volgens de actuele versie van die norm.</al>
        <al/>
        <al>
          <plaatje>
            <illustratie id="i1c52e3b6-1ff0-4f6c-9f7d-bcd83ac5a85c" naam="i262891i1c52e3b6-1ff0-4f6c-9f7d-bcd83ac5a85c.png" type="foto" breedte="15.9cm" hoogte="17.2cm"/>
          </plaatje>
        </al>
        <al/>
        <lijst>
          <li nr="1)"><al>De analyse volgens normblad NEN-ISO 15705 is toepasbaar voor onverdunde
                            monsters met een gehalte aan zuurstofverbruik tot aan 1.000 mg/l en
                            chloridenconcentraties die lager zijn dan 1.000 mg/l. De ambtenaar
                            belast met de heffing kan voorts de methode niet toepasbaar verklaren
                            indien naar zijn oordeel andere omstandigheden daartoe aanleiding
                            geven.</al></li>
          <li nr="2)"><al>De analyse volgens normblad NEN-ISO 15705 heeft een
                            aantoonbaarheidsgrens van 6 mg/l voor fotometrische detectie bij 600 nm
                            en 15 mg/l voor titrimetrische detectie (gebaseerd op één enkelvoudige
                            meting van één laboratorium) wanneer cuvetten worden gebruikt met een
                            bereik van maximaal 1.000 mg/l.</al></li>
        </lijst>
        <tussenkop>C Berekeningsvoorschriften</tussenkop>
        <al/>
        <al>
          <plaatje>
            <illustratie id="i2f27774c-4f48-4a7e-9d48-8b4a51e78922" naam="i262892i2f27774c-4f48-4a7e-9d48-8b4a51e78922.png" type="foto" breedte="15.9cm" hoogte="20.7cm"/>
          </plaatje>
        </al>
      </bijlage>
      <bijlage>
        <kop>
          <titel>Bijlage II Tabel afvalwatercoëfficiënten (artikel 122k, derde lid,
                        Waterschapswet) behorende bij de Verordening zuiveringsheffing waterschap
                        Brabantse Delta 2016</titel>
        </kop>
        <al>
          <plaatje>
            <illustratie id="icc4c65b4-f86e-44ab-a5c9-43b3d2d33bfc" naam="i262893icc4c65b4-f86e-44ab-a5c9-43b3d2d33bfc.png" type="foto" breedte="15.9cm" hoogte="8.6cm"/>
          </plaatje>
        </al>
        <tussenkop>Toelichting bij de Verordening zuiveringsheffing waterschap Brabantse
                    Delta 2016</tussenkop>
        <tussenkop>A ALGEMEEN</tussenkop>
        <al>Doelstelling en karakter zuiveringsheffing</al>
        <al>Bij de inwerkingtreding van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Wet van
                    13 november 1969, Stb. 536) kreeg de zuiveringsheffing als doelstelling de
                    financiering van de kosten van maatregelen tot het tegengaan en voorkomen van de
                    verontreiniging van oppervlaktewateren (artikel 18, eerste lid). De
                    zuiveringsheffing is dus een bestemmingsheffing (dekkingsmiddel van kosten). </al>
        <al>Het zuiveren van stedelijk afvalwater is een taak die bij het waterschap is
                    ondergebracht. De financiering daarvan (de Waterschapswet spreekt van: de
                    behartiging van de taak inzake het zuiveren van afvalwater) gebeurt met ingang
                    van 2009 uit de opbrengst van de zuiveringsheffing, waarvoor de bepalingen zijn
                    opgenomen in de artikelen 122c tot en met 122k van de Waterschapswet.</al>
        <al>Alle overige activiteiten die niet tot het zuiveren en/of transporteren van
                    afvalwater behoren, zijn samen met de zorg voor de waterkering en de zorg voor
                    de beheersing van het oppervlaktewater ondergebracht in de zorg voor het
                    watersysteem. De kosten daarvan worden bestreden uit de opbrengst van de
                    watersysteemheffing (artikel 117 van de Waterschapswet).</al>
        <tussenkop>B ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING</tussenkop>
        <al>Bevoegdheid algemeen bestuur</al>
        <al>Uitsluitend het algemeen bestuur is bevoegd tot het vaststellen van de
                    belastingverordening. Dit vloeit voort uit artikel 110 van de Waterschapswet. </al>
        <al>Wettelijke grondslag</al>
        <al>De wettelijke basis voor het door waterschappen heffen van de zuiveringsheffing
                    ligt in hoofdstuk XVIIb van de Waterschapswet. Voorts zijn in hoofdstuk 6 van
                    het Waterschapsbesluit nog enkele regels gesteld.</al>
        <tussenkop>Artikel 1 Begripsbepalingen</tussenkop>
        <al>Om duidelijkheid te scheppen over een aantal in de verordening voorkomende
                    begrippen en om de leesbaarheid van de tekst te bevorderen, is van deze
                    begrippen een omschrijving gegeven in artikel 1. Daarbij is aangesloten bij de
                    begripsbepalingen in artikel 122c van de Waterschapswet.</al>
        <tussenkop>Onderdeel a</tussenkop>
        <al>Een zuiveringtechnisch werk is voor de Waterschapswet een voorziening voor het
                    zuiveren of het transporteren van afvalwater. Het begrip omvat naast
                    afvalwaterzuiveringsinstallaties ook gemalen, persleidingen,
                    vrijvervalleidingen, open en dichte afvoergoten en pompstations ten behoeve van
                    het afvalwater. Ook voorzieningen voor individuele behandeling van afvalwater
                    (IBA’s) vallen onder het begrip zuiveringstechnisch werk. De gemeentelijke
                    riolering wordt hier niet onder begrepen.</al>
        <tussenkop>Onderdeel b</tussenkop>
        <al>Voor de omschrijving van ‘stoffen’ is verwezen naar de stoffen genoemd in
                    artikel 6. In dat artikel zijn de stoffen opgenomen die door het waterschap in
                    de heffing worden betrokken, alsmede de gewichtseenheden van die stoffen.</al>
        <tussenkop>Onderdeel c</tussenkop>
        <al>Afvoeren is het brengen van stoffen op een riolering of op een
                    zuiveringstechnisch werk in beheer bij het waterschap.</al>
        <tussenkop>Onderdeel d</tussenkop>
        <al>Dit onderdeel regelt wat onder een woonruimte moet worden verstaan waarbij wordt
                    aangesloten bij het begrip woonruimte als bedoeld in artikel 116, letter b
                    Waterschapswet (Watersysteemheffing). Niet elke bewoonde ruimte kan als
                    woonruimte worden aangemerkt. Een woonruimte wordt geacht te zijn bestemd om als
                    een afzonderlijk geheel te voorzien in woongelegenheid. Of dit het geval is moet
                    blijken uit de inrichting van de ruimte. In deze definitie wordt tot uitdrukking
                    gebracht dat het moet gaan om een ruimte die zelfstandig bruikbaar is en
                    derhalve niet meer dan bijkomstig afhankelijk is van elders in het gebouw
                    aanwezige voorzieningen die voor de woonfunctie wel van wezenlijk belang zijn.
                    Hierbij moet worden gedacht aan het met gebruikers van andere ruimten delen van
                    faciliteiten als kookgelegenheid, sanitair of bad- en douchegelegenheid. Dit
                    komt vaak in onder meer studentenhuizen en pensions voor. In een dergelijke
                    situatie kan niet worden gesproken van een woonruimte in de zin van deze
                    verordening. Zie hiervoor ook de arresten van de Hoge Raad van 23 juli 1984, BNB
                    1984/282, Belastingblad 1984, blz. 544, 8 februari 1995, BNB 1995/92,
                    Belastingblad 1995, blz. 202, 10 januari 1996, BNB 1996/77, Belastingblad 1996,
                    blz. 168).</al>
        <al>Dat het begrip woonruimte ruim moet worden uitgelegd valt af te leiden uit het
                    arrest van de Hoge Raad van 29 mei 1991 waarin een kajuitzeilschip als
                    woonruimte werd aangemerkt (BNB 1991/213, Belastingblad 1991, blz. 479).</al>
        <tussenkop>Onderdeel e</tussenkop>
        <al>Bij de omschrijving van het begrip bedrijfsruimte is gekozen voor een negatieve
                    formulering om een zo groot mogelijke reikwijdte aan het begrip te geven. Alles
                    wat geen woonruimte is moet als een bedrijfsruimte worden aangemerkt. Zo is
                    bijvoorbeeld ook een stuk landbouwgrond als een bedrijfsruimte aangemerkt (Hof
                    ‘s–Gravenhage 17 maart 1993, Belastingblad 1993, blz. 457). </al>
        <al>In een ogenschijnlijk soortgelijke situatie oordeelde de rechter echter anders.
                    Hierbij ging het om een kavel los land –deels akkerbouw, deels weiland- dat niet
                    als bedrijfsruimte kon worden aangemerkt. Er stonden namelijk geen opstallen op
                    en voor de exploitatie maakte de agrariër gebruik van machines die elders, in de
                    schuur achter zijn boerderij, werden gestald. Hierdoor was hij meer dan
                    bijkomstig afhankelijk van elders aanwezige, voor de bedrijfsexploitatie
                    wezenlijke, voorzieningen (Hof ’s-Gravenhage, 18 februari 1997, Belastingblad
                    1997, blz. 729). </al>
        <al>Voor de vraag of sprake is van één of van twee bedrijfsruimten is onder andere
                    van belang het arrest van de Hoge Raad van 14 juni 1995 (BNB 1995/233,
                    Belastingblad 1995, blz. 627) waarin een bij twee verschillende personen in
                    gebruik zijnde stortplaats als één bedrijfsruimte werd aangemerkt. Daarbij
                    speelde onder andere een rol het feit dat de stortplaats maar één ingang heeft,
                    om de gehele stortplaats een hek staat en er geen deugdelijke afscheiding is
                    tussen beide delen van de stortplaats.</al>
        <tussenkop>Onderdeel f</tussenkop>
        <al>Onder riolering wordt verstaan het gemeentelijk rioolstelsel zoals dat wordt
                    bedoeld in artikel 10.33, eerste lid, van de Wet milieubeheer.</al>
        <tussenkop>Onderdeel g en h</tussenkop>
        <al>De inspecteur is het bestuursorgaan aan wie de wetgever door middel van de
                    Algemene wet inzake rijksbelastingen de bevoegdheid tot het opleggen van
                    aanslagen en het doen van uitspraak op bezwaarschriften heeft geattribueerd. In
                    artikel 123 van de Waterschapswet wordt onder meer de Algemene wet inzake
                    rijksbelastingen van toepassing verklaard voor het heffen van belastingen door
                    waterschappen. Dit artikel bepaalt voorts dat de bevoegdheden van de inspecteur
                    toekomen aan de daartoe aangewezen ambtenaar. De aanslagen van het waterschap
                    worden met ingang van 1 januari 2012 opgelegd en ingevorderd door de
                    Belastingsamenwerking West-Brabant (hierna BWB). Het feitelijk meten,
                    bemonsteren en analyseren van afvalwater en de uitvoering van de regelgeving
                    samenhangende met het feitelijk meten, bemonsteren en analyseren van afvalwater
                    wordt door het waterschap gedaan. Er zijn twee heffingsambtenaren aangewezen. Er
                    is een heffingsambtenaar van het waterschap aangewezen door het dagelijks
                    bestuur van het waterschap. Deze heffingsambtenaar is bevoegd en aangewezen voor
                    wat betreft het meten, bemonsteren en analyseren van afvalwater en de daarbij
                    horende (meet)beschikkingen. Het opleggen van aanslagen en het doen van
                    uitspraak op bezwaarschriften tegen de aanslagen komt krachtens de
                    Gemeenschappelijke Regeling West-Brabant en het aanwijzingsbesluit van het
                    dagelijks bestuur van de Belastingsamenwerking West-Brabant toe aan de
                    heffingsambtenaar BWB (Belastingsamenwerking West-Brabant). In de verordening
                    wordt daarom onderscheid gemaakt in de heffingsambtenaar BWB en de
                    heffingsambtenaar van het waterschap. </al>
        <tussenkop>Onderdeel i,j,k,l en m</tussenkop>
        <al>In het kader van deze verordening is ingenomen water niet uitsluitend voor
                    menselijke consumptie geschikt water. Ook zaken als warm tapwater (vaak
                    afkomstig van stadsverwarmingsbedrijven) en “grijs” water voor het wassen van
                    kleding vallen hier onder. </al>
        <al>Behalve via nutsbedrijven wordt ook op andere wijze water verkregen. Zo wordt op
                    steeds grotere schaal door bedrijven voor sanitair gebruik hemelwater
                    opgevangen. Omdat dit water na gebruik wordt afgevoerd, dient het eveneens in de
                    berekening van de vervuilingswaarde te worden betrokken.</al>
        <tussenkop>Artikel 2 Bijlagen</tussenkop>
        <al>De grondslag voor de zuiveringsheffing wordt gevormd door de hoeveelheid en de
                    hoedanigheid van de stoffen die worden afgevoerd. Als heffingsmaatstaf geldt de
                    vervuilingswaarde van de stoffen die in een kalenderjaar worden afgevoerd,
                    uitgedrukt in vervuilingseenheden. Zoals blijkt uit artikel 122g van de
                    Waterschapswet is de hoofdregel dat het aantal vervuilingseenheden wordt
                    vastgesteld met behulp van door middel van meting, bemonstering en analyse
                    verkregen gegevens. In Bijlage I zijn nadere regels gesteld over de wijze van
                    meting, bemonstering, analyse en berekening. Zie in dit verband ook de artikelen
                    7, 8 en 9 van de verordening.</al>
        <al>In de artikelen 122h, 122i en 122k van de Waterschapswet is ook een aantal
                    uitzonderingen op deze hoofdregel gegeven. Deze uitzonderingen, in casu voor
                    woonruimten, kleine bedrijfsruimten, glastuinbouwbedrijven en bedrijven met een
                    vervuilingswaarde van 1.000 vervuilingseenheden en minder, zijn eveneens in deze
                    verordening opgenomen.</al>
        <al>Voor bedrijven met een vervuilingswaarde met betrekking tot het zuurstofverbruik
                    van 1.000 vervuilingseenheden en minder kan onder voorwaarden de berekening van
                    het aantal vervuilingseenheden plaatsvinden met behulp van de tabel
                    afvalwatercoëfficiënten en dus niet door middel van meting, bemonstering en
                    analyse. Deze tabel is opgenomen in artikel 122k, derde lid, van de
                    Waterschapswet en volledigheidshalve eveneens in Bijlage II. De wijze waarop
                    deze tabel moet worden toegepast, is geregeld in artikel 10.</al>
        <al>De Bijlagen I en II maken deel uit van de verordening.</al>
        <al>Artikel 3 Belastbaar feit en heffingsplicht</al>
        <al>Eerste lid</al>
        <al>De opbrengst van de zuiveringsheffing dient ter bestrijding van de kosten die
                    zijn verbonden aan het zuiveren van afvalwater. De zuiveringsheffing is daarmee
                    primair een bestemmingsheffing. </al>
        <al>Tweede lid</al>
        <al>Heffingsplichtig zijn degenen die afvoeren. Dit afvoeren kan op verschillende
                    wijzen plaatsvinden. Voor de omschrijving van de belastingplicht wordt daarbij
                    een koppeling gemaakt met het object van waaruit wordt afgevoerd.</al>
        <al>Aan de hand van de feitelijke omstandigheden moet worden beoordeeld wie
                    gebruiker is. Ingeval er meerdere gebruikers zijn, zijn door het dagelijks
                    bestuur van de BWB beleidsregels vastgesteld op grond waarvan één van de
                    gebruikers door de heffingsambtenaar BWB als heffingsplichtige wordt aangewezen. </al>
        <tussenkop>Onderdeel a</tussenkop>
        <al>Vindt het afvoeren plaats vanuit een woonruimte of vanuit een bedrijfsruimte,
                    dan is de gebruiker van die ruimte aan de heffing onderworpen. Het komt voor dat
                    een woonruimte of een bedrijfsruimte aan een gebruiker wordt verhuurd, waarbij
                    één van de voorwaarden luidt dat de belastingen, waar onder de
                    zuiveringsheffing, worden gedragen door de verhuurder. Dergelijke overeenkomsten
                    doen niet af aan de heffingsplicht: de gebruiker blijft heffingsplichtig. Deze
                    kan op grond van de huurovereenkomst zelf het bedrag van de aanslag
                    terugvorderen bij de verhuurder.</al>
        <al>De omschrijving van woonruimte is ook dusdanig dat er geen misverstand kan
                    bestaan dat studentenhuizen met onzelfstandige wooneenheden dienen te worden
                    aangemerkt als bedrijfsruimte, waarvoor de verhuurder op grond van artikel 3,
                    derde lid, onderdeel c, in de heffing kan worden betrokken. (Zie ook Hoge Raad
                    23 juli 1984, BNB 1984/282, Belastingblad 1984, blz. 544 en Hoge Raad 8 februari
                    1995, BNB 1995/92).</al>
        <al>In zijn arrest van 1 mei 1991 oordeelde de Hoge Raad dat als gebruiker van een
                    bedrijfsruimte in de zin van de verordening slechts kan worden aangemerkt degene
                    die zich daadwerkelijk min of meer duurzaam te eigen behoeve van de
                    bedrijfsruimte kan bedienen. Daarom kon de aannemer die in opdracht van de
                    landeigenaar op een stuk grond werkzaamheden uitvoert om deze geschikt te maken
                    voor de bollenteelt, niet als gebruiker worden aangemerkt (BNB 1991/188,
                    Belastingblad 1991, blz. 478).</al>
        <al>Ook kan het gebruik van een woonruimte of van een bedrijfsruimte er op zijn
                    gericht om die voor kortere perioden ter beschikking te stellen van wisselende,
                    opeenvolgende gebruikers. In dergelijke gevallen is de verhuurder/exploitant
                    belastingplichtig.</al>
        <tussenkop>Onderdeel b</tussenkop>
        <al>Vindt het afvoeren niet vanuit een woonruimte of vanuit een bedrijfsruimte
                    plaats, dan is degene die afvoert heffingsplichtig.</al>
        <al>Deze bepaling maakt het mogelijk (incidentele) afvoeren anders afgevoerd dan
                    vanuit een bedrijfsruimte in de heffing te betrekken. In die gevallen biedt deze
                    bepaling soelaas, omdat degene die feitelijk afvoert (in het geval van een
                    tankauto de vervoerder) rechtstreeks in de heffing kan worden betrokken.</al>
        <al>Door de gekozen formulering zijn alle andere denkbare wijzen van afvoeren anders
                    dan vanuit een woonruimte of een bedrijfsruimte te belasten. Zo valt ook het
                    afvoeren vanuit een zuiveringstechnisch werk onder de ratio van deze bepaling. </al>
        <al>Derde lid</al>
        <tussenkop>Onderdeel a</tussenkop>
        <al>Wanneer er met betrekking tot dezelfde woonruimte sprake is van meerdere
                    gebruikers, wijst de heffingsambtenaar BWB voor het opleggen van de aanslag één
                    van hen aan als belastingplichtige. De criteria op grond waarvan die
                    belastingplichtige wordt aangewezen, liggen vast in beleidsregels.</al>
        <tussenkop>Onderdeel b</tussenkop>
        <al>Wanneer een (onzelfstandig) deel van een bedrijfsruimte in gebruik is gegeven
                    aan een ander, dan kan degene die dit in gebruik heeft gegeven de aan dat deel
                    toe te rekenen zuiveringsheffing verhalen op degene die het in gebruik heeft.
                    Hierbij kan worden gedacht aan bedrijfsverzamelgebouwen en dergelijke.</al>
        <tussenkop>Onderdeel c</tussenkop>
        <al>Wanneer het gaat om een woonruimte of een bedrijfsruimte die voor kortere
                    perioden aan wisselende, opeenvolgende gebruikers ter beschikking wordt gesteld,
                    kan de heffingsplichtige de zuiveringsheffing verhalen op degenen aan wie hij de
                    ruimte ter beschikking heeft gesteld.</al>
        <al>Vierde lid</al>
        <al>In verreweg de meeste gevallen vindt het afvoeren naar het zuiveringstechnisch
                    werk van het waterschap plaats via de gemeentelijke riolering. Dit vierde lid
                    voorziet er in dat in dergelijke gevallen niet de gemeente, maar degene die via
                    de riolering heeft afgevoerd in de heffing wordt betrokken. De gemeente zelf is
                    alleen heffingsplichtig voor zover het gaat om het afvoeren vanuit objecten
                    waarvan de gemeente als gebruiker kan worden aangemerkt.</al>
        <al>Vijfde lid</al>
        <al>Hier wordt aangegeven waar de opbrengst van de zuiveringsheffing, naast het
                    financieren van het zuiveren van afvalwater, aan kan worden besteed.</al>
        <al>Zesde lid</al>
        <al>Het waterschap heeft er om doelmatigheidsredenen voor gekozen om het afvoeren
                    vanuit objecten die het zelf in gebruik heeft, vrij te stellen van de
                    zuiveringsheffing. Hoewel de Waterschapswet geen specifieke
                    vrijstellingsbepaling kent voor het afvoeren door het waterschap zelf kan een
                    dergelijke vrijstellingsbepaling worden opgenomen op de voet van artikel 122l
                    van de Waterschapswet. </al>
        <tussenkop>Artikel 4 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar
                    tijdsevenredigheid</tussenkop>
        <al>Eerste lid</al>
        <al>Hoewel de zuiveringsheffing een tijdvakheffing is, ontstaat bij woonruimten en
                    kleine bedrijfsruimten de materiële belastingschuld door de regeling in het
                    eerste lid toch bij het begin van het heffingsjaar. Dit heeft als voordeel dat
                    al in het heffingsjaar zelf aanslagen kunnen worden opgelegd (formalisering van
                    de belastingschuld) en dat niet gewacht hoeft te worden tot het heffingsjaar
                    voorbij is. Bij een tijdvakbelasting is het echter niet zonder meer mogelijk om
                    een definitieve aanslag gedurende het heffingsjaar op te leggen, omdat de omvang
                    van de belastingschuld pas na afloop van het heffingsjaar bekend is. Dit blijkt
                    uit een aantal uitspraken van de belastingrechter. Zie hiervoor Hoge Raad van 2
                    november 1994 inzake precariorechten (BNB 1995/12, Belastingblad 1994, blz.
                    819), Hof Amsterdam 15 december 1995 inzake liggeld woonschepen (Belastingblad
                    1996, blz. 331) en Hof Amsterdam 23 april 1997 (Belastingblad 1997, blz. 495)
                    inzake zuiveringsheffing. Uit deze jurisprudentie valt af te leiden dat om een
                    definitieve aanslag al in het heffingsjaar zelf op te leggen, de
                    heffingsverordening in een aantal zaken moet voorzien. Het gaat hierbij om:</al>
        <lijst>
          <li nr="-"><al>een regeling op grond waarvan de belastingschuld wordt geacht bij het
                            begin van het heffingsjaar te ontstaan (artikel 4, eerste lid);</al></li>
          <li nr="-"><al>een regeling op grond waarvan aanspraak op ontheffing bestaat indien de
                            heffingsplicht in de loop van het jaar eindigt (voor woonruimten is dit
                            geregeld in artikel 4, derde en vierde lid en voor kleine
                            bedrijfsruimten voorziet artikel 15, tweede lid, daar in);</al></li>
          <li nr="-"><al>een regeling op grond waarvan aanspraak op vermindering bestaat indien
                            de heffingsmaatstaf in de loop van het heffingsjaar wijzigt (voor
                            woonruimten is dit geregeld in artikel 16, derde en vierde lid en voor
                            kleine bedrijfsruimten in artikel 15, tweede lid). </al></li>
        </lijst>
        <al>Tweede lid</al>
        <al>De vervuilingswaarde van een woonruimte wordt forfaitair vastgesteld op drie
                    vervuilingseenheden en bij bewoning door één persoon op één vervuilingseenheid
                    (artikel 16, eerste lid). De zuiveringsheffing is echter een tijdvakbelasting.
                    Dit betekent dat wanneer de heffingsplicht zich niet gedurende het gehele
                    heffingstijdvak voordoet, dit gevolgen heeft voor de berekening van de hoogte
                    van de verschuldigde heffing. Artikel 122h, zesde lid, van de Waterschapswet
                    bepaalt dat wanneer de heffingsplicht in de loop van het jaar aanvangt, de
                    heffingsplichtige aan de heffing wordt onderworpen voor een evenredig gedeelte
                    van het vastgestelde aantal vervuilingseenheden. In de verordening moet zijn
                    aangegeven op welke wijze dat evenredig deel wordt vastgesteld.</al>
        <al>In deze verordening is gekozen voor de maandnauwkeurige variant.</al>
        <al>Derde lid</al>
        <al>Wanneer de heffingsplicht in de loop van het jaar eindigt, dan is de heffing op
                    grond van artikel 122h, zesde lid, van de Waterschapswet eveneens voor een
                    evenredig deel verschuldigd. </al>
        <al>Vierde lid</al>
        <al>Wanneer ná het opleggen van de aanslag de heffingsplicht in de loop van het jaar
                    eindigt, is de heffingsambtenaar BWB niet in de gelegenheid geweest om daar bij
                    het vaststellen van de aanslag rekening mee te houden. Artikel 132 van de
                    Waterschapswet geeft aan op welke wijze de heffingsplichtige aanspraak kan maken
                    op ontheffing. Op de aanvraag zoals die kan worden ingediend, moet worden
                    beslist bij voor bezwaar vatbare beschikking. Dit opent voor de
                    heffingsplichtige in voorkomende gevallen de volledige fiscale rechtsgang.
                    Hiermee is deze procedure uit het oogpunt van de rechtsbescherming van de
                    heffingsplichtige met voldoende waarborgen omkleed.</al>
        <al>Vijfde lid</al>
        <al>Wanneer de heffingsplichtige verhuist naar een andere woonruimte van waaruit
                    eveneens wordt afgevoerd, zijn zowel het tweede als het derde lid van
                    toepassing. Er kan immers worden gesteld dat ook in dat geval sprake is van het
                    eindigen van de heffingsplicht en het opnieuw ontstaan van de heffingsplicht.
                    Dit zou resulteren in een vermindering van een al opgelegde, en mogelijk zelfs
                    al betaalde, aanslag voor de oude woning en een nieuwe aanslag voor de nieuwe
                    woning. Om pragmatische redenen is bepaald dat in een dergelijk geval het tweede
                    en het derde lid niet van toepassing zijn. De aanslag verhuist dan als het ware
                    mee.</al>
        <al>Uiteraard gaat dit niet op wanneer vanuit de nieuwe woning op een
                    oppervlaktewater in beheer bij het waterschap wordt afgevoerd: dan is de
                    verontreinigingsheffing verschuldigd. </al>
        <tussenkop>Artikel 5 Heffingsjaar</tussenkop>
        <al>In artikel 5 is bepaald dat het heffingsjaar gelijk is aan het kalenderjaar. Dit
                    is wettelijk voorgeschreven zodat een afwijkende regeling in de verordening niet
                    meer mogelijk is.</al>
        <tussenkop>Artikel 6 Grondslag en heffingsmaatstaf</tussenkop>
        <al>De grondslag van de heffing is de hoeveelheid en hoedanigheid van de stoffen die
                    in een kalenderjaar worden afgevoerd. In het tweede lid is gekozen voor één
                    uniforme heffingsmaatstaf, namelijk de vervuilingswaarde van de stoffen die in
                    een kalenderjaar worden afgevoerd. Deze heffingsmaatstaf geldt dus zowel voor de
                    zuurstofbindende als de overige stoffen en is gedefinieerd in relatie tot de
                    stoffen ten aanzien waarvan het afvoeren is belast. Een verbruik van 54,8
                    kilogram zuurstof per heffingsjaar vertegenwoordigt één vervuilingseenheid. Voor
                    de stoffen die worden genoemd in het vierde lid, gelden verschillende
                    gewichtshoeveelheden per heffingsjaar. In het vierde lid zijn alle andere
                    stoffen opgenomen die in de heffing worden betrokken. Het waterschap heeft de
                    keuze om die stoffen niet in de heffing te betrekken. Daartoe dient op grond van
                    artikel 122f, derde lid, onderdeel a, van de Waterschapswet een afzonderlijke
                    bepaling in de verordening te worden opgenomen. Het vijfde lid van artikel 6
                    voorziet daar in.</al>
        <al>Bij de heffingsmaatstaf is een onderscheid gemaakt tussen zuurstofbindende
                    stoffen en andere stoffen. In beide gevallen is de heffingsmaatstaf de
                    vervuilingswaarde uitgedrukt in vervuilingseenheden. Bij zuurstofbindende
                    stoffen gaat het om de hoeveelheid zuurstof die nodig is om die stoffen af te
                    breken. Die hoeveelheid wordt bepaald op de som van het chemisch
                    zuurstofverbruik en het zuurstofverbruik door omzetting van
                    stikstofverbindingen. Daarbij is één vervuilingseenheid de zuurstofbehoefte die
                    ontstaat door de gemiddelde afvoer van huishoudelijk afvalwater van één persoon
                    per jaar.</al>
        <al>In 2001 is onderzoek gedaan naar de vervuilingswaarde van het afvalwater dat één
                    persoon gemiddeld per jaar produceert. Naar aanleiding van dit onderzoek
                    concludeerde de toenmalige Commissie Integraal Waterbeheer dat de op dat moment
                    geldende getalswaarde van 136 gram zuurstof per etmaal of 49,6 kilogram per jaar
                    beter in overeenstemming moest worden gebracht met de meest recente gegevens.
                    Als gevolg daarvan is de gemiddelde zuurstofbehoefte verhoogd naar 150 gram per
                    etmaal, of wel 54,8 kilogram per jaar. </al>
        <al>Voor de stof fosfor geldt een gewichtshoeveelheid van 20 kilogram voor één
                    vervuilingseenheid.</al>
        <tussenkop>Artikel 7 Meting, bemonstering en analyse</tussenkop>
        <al>Hier is de hoofdregel opgenomen op grond waarvan bij de zuiveringsheffing de
                    vervuilingswaarde dient te worden vastgesteld. Deze hoofdregel geldt niet alleen
                    ter zake van het afvoeren vanuit bedrijfsruimten, maar ook ter zake van het
                    afvoeren vanuit zuiveringtechnische werken of op andere wijze.</al>
        <al>Eerste lid</al>
        <al>Voor zowel de zuurstofbindende stoffen als voor de andere stoffen wordt het
                    aantal vervuilingseenheden bepaald door middel van meting, bemonstering en
                    analyse van het afvalwater. Daarbij maakt het niet uit of dit elk etmaal
                    geschiedt of gedurende een beperkt aantal etmalen.</al>
        <al>In Bijlage I zijn nadere regels gesteld met betrekking tot:</al>
        <lijst>
          <li nr="-"><al>de wijze van meting, bemonstering en monsterbehandeling;</al></li>
          <li nr="-"><al>analysevoorschriften;</al></li>
          <li nr="-"><al>berekeningsvoorschriften.</al></li>
        </lijst>
        <al>De kosten van een dergelijk onderzoek zijn voor rekening van de
                    heffingsplichtige.</al>
        <al>Tweede lid</al>
        <al>Volgens het tweede lid dienen meting, bemonstering en analyse plaats te vinden
                    gedurende alle dagen van het heffingsjaar. Hiervan kan echter onder
                    omstandigheden worden afgeweken. Zie hierna onder artikel 8.</al>
        <al>Derde lid</al>
        <al>In het derde lid zijn de voorwaarden opgenomen waar meting en bemonstering aan
                    moeten voldoen. De voorschriften van meting en bemonstering in Bijlage I zijn
                    een waarborg voor de in het derde lid gestelde criteria. Als aan de
                    voorschriften van Bijlage I niet kan worden voldaan, kan hiervan onder
                    omstandigheden worden afgeweken.</al>
        <al>Vierde lid</al>
        <al>De wijze van meting en bemonstering wordt, samen met een beschrijving van de te
                    gebruiken apparatuur, vooraf meegedeeld aan de heffingsambtenaar van het
                    waterschap.</al>
        <al>Vijfde lid</al>
        <al>De heffingsambtenaar van het waterschap mag onder voorwaarden afwijken van de in
                    Bijlage I opgenomen voorschriften. Dit mag hij:</al>
        <lijst>
          <li nr="-"><al>ambtshalve wanneer hij aannemelijk maakt dat dit noodzakelijk is om te
                            voldoen aan de voorwaarden in het derde lid;</al></li>
          <li nr="-"><al>op aanvraag van de belastingplichtige indien deze aannemelijk maakt dat
                            ook dan nog steeds wordt voldaan aan de voorwaarden in het derde
                            lid;</al></li>
          <li nr="-"><al>op aanvraag van de belastingplichtige indien deze aannemelijk maakt dat
                            de nauwkeurigheid van de analyseresultaten er niet door wordt
                            beïnvloed.</al></li>
        </lijst>
        <al>Verder mag hij nadere voorschriften stellen.</al>
        <al>De beslissing op aanvraag wordt bij een voor bezwaar vatbare beschikking
                    genomen. Hiertegen staat de gewone fiscale rechtsgang van bezwaar en beroep
                    open. Een belangrijk aandachtspunt daarbij is wel dat wanneer de
                    heffingsplichtige zich niet kan verenigen met de beschikking en gebruik maakt
                    van de hem ter beschikking staande rechtsmiddelen, de voorschriften in die
                    beschikking wel moeten worden nageleefd. Dit om te voorkomen dat wanneer de
                    heffingsplichtige in het ongelijk is gesteld en de beschikking onherroepelijk
                    vaststaat, hij over onvoldoende gegevens beschikt om de vereiste aangifte te
                    kunnen doen. De heffingsambtenaar BWB zal in dat geval de aanslag immers geheel
                    of gedeeltelijk op basis van schatting vaststellen en de heffingsplichtige kan
                    vervolgens bij het betwisten van die schatting onvoldoende of geen tegenbewijs
                    leveren. </al>
        <al>Zesde lid</al>
        <al>Hier is aangegeven welke elementen de bedoelde beschikking in ieder geval dient
                    te bevatten.</al>
        <tussenkop>Artikel 8 Beperkte meting en bemonstering</tussenkop>
        <al>In veel gevallen kan worden volstaan met een lagere frequentie dan ieder etmaal
                    meten, bemonsteren en analyseren, zonder al te veel afbreuk te doen aan de
                    nauwkeurigheid van het eindresultaat. Het spreekt voor zich dat een lagere
                    frequentie zich vertaalt in lagere kosten voor de heffingsplichtige. De
                    heffingsplichtige die aannemelijk weet te maken dat met een lagere frequentie
                    kan worden volstaan, kan daar door middel van een aanvraag bij de
                    heffingsambtenaar van het waterschap toestemming voor vragen. Ook op deze
                    aanvraag wordt beslist bij voor bezwaar vatbare beschikking, waartegen de
                    volledige fiscale rechtsgang open staat. Hierbij geldt eveneens dat de
                    voorschriften moeten worden nageleefd indien de heffingsplichtige zich niet kan
                    verenigen met de beschikking en zolang deze nog niet onherroepelijk
                    vaststaat.</al>
        <al>In zijn beschikking geeft hij in ieder geval voorschriften met betrekking tot de
                    in de onderdelen a t/m d genoemde onderwerpen.</al>
        <tussenkop>Artikel 9 Hoedanigheidscorrectie</tussenkop>
        <al>Bij het bepalen van het chemisch zuurstofverbruik (CZV) kan in de uitkomst ook
                    zuurstofverbruik tot uitdrukking komen van stoffen die in het natuurlijk milieu
                    niet of nagenoeg niet afbreekbaar zijn. Op grond van jurisprudentie komt
                    “nagenoeg niet” overeen met een percentage van niet meer dan 10%. Wanneer het
                    gevonden zuurstofverbruik van dergelijke stoffen het totale chemisch
                    zuurstofverbruik in belangrijke mate beïnvloedt, dan wordt de gevonden CZV
                    gecorrigeerd. </al>
        <al>Artikel 9 voorziet erin dat de voorschriften die het waterschap betreffende de
                    T–correctie stelt, kenbaar zijn voor de heffingsplichtigen (zie ook Bijlage I,
                    onderdeel C).</al>
        <al>Daarnaast is in het artikel bepaald dat de heffingsplichtige voor toepassing van
                    de T–correctie een aanvraag moet indienen. De heffingsambtenaar van het
                    waterschap beslist hier op in een voor bezwaar vatbare beschikking. </al>
        <tussenkop>Artikel 10 Tabel afvalwatercoëfficiënten </tussenkop>
        <al>Meting, bemonstering en analyse van afvalwater kan onder voorwaarden achterwege
                    blijven. Bij verreweg de meeste bedrijven gebeurt dit ook en daar wordt het
                    aantal vervuilingseenheden van het zuurstofverbruik berekend met behulp van de
                    tabel afvalwatercoëfficiënten. Deze tabel is opgenomen in Bijlage II en kent
                    vijftien klassen met elk een afvalwatercoëfficiënt.</al>
        <al>Eerste lid</al>
        <al>Toepassing van de tabel is toegestaan indien:</al>
        <al>1 de heffingsplichtige aannemelijk maakt dat toepassing van de tabel niet leidt
                    tot een aantal vervuilingseenheden van meer dan 1.000 en</al>
        <al>2 er een relatie bestaat tussen de hoeveelheid ingenomen water en de
                    vervuilingswaarde van de afgevoerde stoffen.</al>
        <al>Tweede lid</al>
        <al>De vervuilingswaarde van de over het heffingsjaar door het bedrijf of het
                    bedrijfsonderdeel afgevoerde stoffen kan met behulp van de tabel worden berekend
                    door het aantal kubieke meters in het heffingsjaar ingenomen water te
                    vermenigvuldigen met de bij de klasse behorende afvalwatercoëfficiënt.</al>
        <al>Derde lid </al>
        <al>Vaak is de feitelijk in het heffingsjaar ingenomen hoeveelheid water niet direct
                    vast te stellen, omdat de verbruiksperiode waarover het drinkwaterbedrijf
                    afrekent, niet gelijk is aan het kalenderjaar. Ook kan er sprake zijn van een
                    andere tariefstructuur dan gemeten waterverbruik. In dergelijke gevallen worden
                    de beschikbare gegevens herleid tot verbruiken over het kalenderjaar. </al>
        <al>Vierde lid</al>
        <al>De indeling in een klasse is afhankelijk van de aard van het bedrijf of het
                    bedrijfsonderdeel. Daarbij wordt uitgegaan van de conversietabel in artikel 2
                    van het Besluit vervuilingswaarde ingenomen water (Besluit van 12 december 2008,
                    Stb. 609, artikel 122k, lid 2, Waterschapswet).</al>
        <al>Uit onderzoek op initiatief van zowel de heffingsplichtige als de
                    heffingsambtenaar van het waterschap kan blijken dat het bedrijf of het
                    bedrijfsonderdeel in een andere klasse moet worden ingedeeld. De voorwaarden
                    daarvoor staan in artikel 4 van het Besluit vervuilingswaarde ingenomen water. </al>
        <al>Vijfde lid</al>
        <al>De tabel kan ook worden toegepast bij vervuilingswaarden van 1.000
                    vervuilingseenheden en meer. Voorwaarde is dan wel dat dit niet leidt tot een
                    vervuilingswaaarde die lager is dan de vervuilingswaarde die wordt gevonden op
                    basis van meting, bemonstering en analyse.</al>
        <tussenkop>Artikel 11 Belasting van tuinbouwkassen</tussenkop>
        <al>Op basis van artikel 11 worden tuinbouwkassen waarbinnen onder een permanente
                    opstand van glas of kunststof het telen van gewassen plaatsvindt in de heffing
                    betrokken op basis van een forfait van drie vervuilingseenheden per hectare
                    permanente opstand. Uit onderzoek naar een afvalwatercoëfficiënt voor
                    glastuinbouwbedrijven is gebleken dat de vervuilingswaarde van tuinbouwkassen
                    geen relatie heeft met de hoeveelheid ingenomen water. Bepaling van de
                    vervuilingswaarde op basis van meting, bemonstering en analyse bleek gezien de
                    relatief hoge perceptiekosten evenmin een reële mogelijkheid. In verband daarmee
                    is voor tuinbouwkassen thans een heffingsmaatstaf op basis van oppervlakte in de
                    wet opgenomen (artikel 122i Waterschapswet).</al>
        <tussenkop>Artikel 12 Franchise en drempel</tussenkop>
        <al>Artikel 12 bepaalt dat bij de berekening van de vervuilingswaarde voor
                    bedrijfsruimten ten aanzien van de niet–zuurstofbindende stoffen een
                    heffingsvrije grens (aftrek) in acht wordt genomen. De hoogte van deze aftrek is
                    bepaald op de gemiddelde vervuilingswaarde van huishoudelijk afvalwater met
                    betrekking tot genoemde stoffen. De achterliggende gedachte bij de aftrek is dat
                    woonruimten uitsluitend worden aangeslagen voor het afvoeren van
                    zuurstofbindende stoffen en niet voor het afvoeren van andere stoffen. Uit
                    onderzoek blijkt echter dat ook in huishoudelijk afvalwater een, zij het zeer
                    geringe, hoeveelheid van die andere stoffen zit. Deze blijven bij woonruimten
                    echter onbelast. Om te voorkomen dat een ongelijkheid ontstaat tussen
                    woonruimten en bedrijfsruimten is in artikel 12 een aftrek opgenomen gelijk aan
                    de gemiddelde vervuilingswaarde van huishoudelijk afvalwater met betrekking tot
                    genoemde stoffen.</al>
        <tussenkop>Artikel 13 Meetverplichting</tussenkop>
        <al>Artikel 13 heeft als doel duidelijk te maken welke bedrijven onderzoek dienen te
                    verrichten naar de samenstelling van het afvoeren van niet–zuurstofbindende
                    stoffen (= andere stoffen). In de artikelen 7 en 8 staat dat de
                    vervuilingswaarde voor bedrijfsruimten wordt vastgesteld door middel van (al dan
                    niet dagelijkse) meting, bemonstering en analyse. Dit voorschrift geldt zowel
                    voor de zuurstofbindende stoffen als voor de andere stoffen.</al>
        <al>Volgens artikel 13 kunnen meting, bemonstering en analyse ten aanzien van de
                    andere stoffen in beginsel achterwege blijven bij bedrijfsruimten waarvoor de
                    vervuilingswaarde met betrekking tot de zuurstofbindende stoffen minder dan
                    1.000 vervuilingseenheden bedraagt. Indien de heffingsambtenaar van het
                    waterschap echter aannemelijk maakt dat de vervuilingswaarde van de andere
                    stoffen hoger is dan de heffingsvrije grens als bedoeld in artikel 12, dienen
                    meting, bemonstering en analyse plaats te vinden. Dit is geregeld in het eerste
                    lid van artikel 13.</al>
        <al>Voor bedrijfsruimten waarvoor de vervuilingswaarde met betrekking tot de
                    zuurstofbindende stoffen meer dan 1.000 vervuilingseenheden bedraagt, geldt het
                    omgekeerde. Ten aanzien van de andere stoffen dient in dat geval meting,
                    bemonstering en analyse plaats te vinden, tenzij het bedrijf aannemelijk maakt
                    dat de vervuilingswaarde van die stoffen lager is dan de heffingsvrije grens als
                    bedoeld in artikel 12. Dit is geregeld in het tweede lid van artikel 13.</al>
        <tussenkop>Artikel 14 Totale vervuilingswaarde van een bedrijfsruimte</tussenkop>
        <al>Dit artikel voorziet in de totalisering van het bij de artikelen 7 t/m 13
                    berekende aantal vervuilingseenheden aan zuurstofbindende stoffen voor een
                    bedrijfsruimte. Een dergelijke totalisering is onder meer van belang indien
                    binnen één bedrijfsruimte:</al>
        <lijst>
          <li nr="-"><al>voor de verschillende onderdelen van die bedrijfsruimte afzonderlijke
                            meting, bemonstering en analyse plaatsvindt;</al></li>
          <li nr="-"><al>voor de verschillende onderdelen van die bedrijfsruimte afzonderlijke
                            afvalwatercoëfficiënten van toepassing zijn;</al></li>
          <li nr="-"><al>voor een onderdeel van die bedrijfsruimte wordt gemeten, bemonsterd en
                            geanalyseerd en voor een ander onderdeel van die bedrijfsruimte een
                            afvalwatercoëfficiënt van toepassing is;</al></li>
          <li nr="-"><al>naast zuurstofbindende stoffen eveneens niet–zuurstofbindende stoffen
                            worden afgevoerd die in de heffing worden betrokken (na aftrek van de
                            heffingsvrije grens van niet–zuurstofbindende stoffen).</al></li>
        </lijst>
        <al>De vervuilingswaarde wordt uitgedrukt in vervuilingseenheden tot in een decimaal
                    nauwkeurig. </al>
        <tussenkop>Artikel 15 Forfaits voor kleine bedrijfsruimten</tussenkop>
        <al>Eerste lid</al>
        <al>De regeling voor kleine bedrijfsruimten vindt haar basis vindt in artikel 122i,
                    eerste lid, van de Waterschapswet. Indien de heffingsplichtige aannemelijk maakt
                    dat het aantal vervuilingseenheden minder dan vijf bedraagt, wordt de
                    vervuilingswaarde op drie vervuilingseenheden gesteld en op één
                    vervuilingseenheid indien die één of minder bedraagt. </al>
        <al>Tweede lid</al>
        <al>Hoewel de zuiveringsheffing een tijdvakbelasting is, wordt aan bedrijven met een
                    vervuilingswaarde van minder dan vijf vervuilingseenheden in veel gevallen al
                    aan het begin van het heffingsjaar een aanslag voor drie vervuilingseenheden
                    opgelegd. Dit is in artikel 4, eerste lid, geregeld. Na afloop van het
                    heffingsjaar kan echter blijken dat de vervuilingswaarde één of minder
                    vervuilingseenheid bedraagt. </al>
        <al>Daarom voorziet de verordening in een regeling voor ontheffing of vermindering.
                    Indien de heffingsplichtige aannemelijk maakt dat het aantal vervuilingseenheden
                    één of minder bedraagt, wordt op aanvraag van de belastingplichtige de
                    vervuilingswaarde op 1 vervuilingseenheid gesteld. Het betreft hier een aanvraag
                    in de zin van artikel 132, eerste lid, van de Waterschapswet en de
                    heffingsambtenaar BWB beslist op de aanvraag bij voor bezwaar vatbare
                    beschikking. De aanvraag moet worden ingediend binnen zes weken nadat de
                    omstandigheid zich heeft voorgedaan. </al>
        <tussenkop>Artikel 16 Forfaits voor woonruimten</tussenkop>
        <al>Eerste lid</al>
        <al>In navolging van artikel 122h, eerste lid, van de Waterschapswet wordt de
                    vervuilingswaarde voor een woonruimte vastgesteld op drie vervuilingseenheden,
                    met dien verstande dat die wanneer de woonruimte door één persoon wordt bewoond
                    één vervuilingseenheid bedraagt.</al>
        <al>Tweede lid</al>
        <al>Een uitzondering op deze hoofdregel geldt voor woonruimten die voor
                    recreatiedoeleinden zijn bestemd en zich bevinden op een voor
                    recreatiedoeleinden bestemd terrein dat als zodanig wordt geëxploiteerd. Samen
                    met de andere voorzieningen op dat terrein worden zij als één bedrijfsruimte
                    aangemerkt. De exploitant van het terrein is dan de heffingsplichtige.</al>
        <al>Derde lid</al>
        <al>Na aanvang van de heffingsplicht kan het aantal bewoners verminderen tot één.
                    Dit heeft gevolgen voor de vervuilingswaarde. </al>
        <al>Vierde lid</al>
        <al>Omdat de aanslag voor een woonruimte meestal al aan het begin van het
                    heffingsjaar wordt opgelegd, moet de verordening voorzien in een regeling
                    waardoor aanspraak op vermindering kan worden gemaakt. Dit gebeurt door middel
                    van een aanvraag in de zin van artikel 132, eerste lid, Waterschapswet. Deze
                    moet worden ingediend binnen zes weken nadat de omstandigheid zich heeft
                    voorgedaan. </al>
        <tussenkop>Artikel 17 Schatting</tussenkop>
        <al>In artikel 122 j Waterschapswet is expliciet bepaald dat onder bepaalde, in de
                    onderdelen a tot en met d nader omschreven, omstandigheden de vervuilingswaarde
                    kan worden vastgesteld door middel van schatting. Bijvoorbeeld indien een
                    bedrijf niet voldoet aan zijn verplichting tot meting, bemonstering en analyse
                    of indien het bedrijf dat doet op een wijze die niet in overstemming is met de
                    in de verordening of meetbeschikking opgenomen voorschriften.</al>
        <al>De bepaling is tevens een vangnetbepaling voor het afvoeren ter zake van stoffen
                    vanuit objecten waarvoor in de verordening geen bijzondere regelingen zijn
                    opgenomen en waarvoor de hoofdregel van artikel 7 (meting, bemonstering en
                    analyse) niet kan worden toegepast.</al>
        <al>Overigens sluit dit artikel niet uit dat er ook andere omstandigheden kunnen
                    zijn op grond waarvan schatting kan plaatsvinden. </al>
        <tussenkop>Artikel 18 Tarief</tussenkop>
        <al>Dit artikel regelt het tarief per vervuilingseenheid. Het woonruimteforfait
                    gebaseerd op de grootte van een huishouden is als tarief per woonruimte
                    opgenomen.</al>
        <tussenkop>Artikel 19 Wijze van heffing en termijnen van betaling</tussenkop>
        <al>Ingevolge artikel 125 van de Waterschapswet kunnen waterschapsbelastingen worden
                    geheven bij wege van aanslag, bij wege van voldoening op aangifte of op andere
                    wijze. Het gaat hier om drie verschillende heffingstechnieken. In dit artikel is
                    gekozen voor de heffing bij wege van aanslag.</al>
        <al>Artikel 9 van de Invorderingswet kent een regeling inzake betaaltermijnen,
                    waarvan ingevolge artikel 139 van de Waterschapswet kan worden afgeweken. In
                    artikel 19 zijn de betalingstermijnen van de aanslagen opgelegd door het
                    waterschap opgenomen.</al>
        <tussenkop>Artikel 20</tussenkop>
        <al>Dit artikel regelt dat voor het bedrag van € 10 en lager geen aanslag wordt
                    opgelegd waarbij alle aanslagen op een aanslagbiljet worden opgeteld.</al>
        <tussenkop>Artikel 23 Nadere regels</tussenkop>
        <al>Artikel 23 is in de verordening opgenomen om expliciet aan de heffingsplichtige
                    kenbaar te maken dat ook het dagelijks bestuur van de Belastingsamenwerking
                    West-Brabant regels kan stellen met betrekking tot de heffing en de invordering
                    van de zuiveringsheffing. Het dagelijks bestuur van het waterschap heeft deze
                    bevoegdheid ook voor wat betreft de heffingsambtenaar van het waterschap</al>
        <tussenkop>Artikel 24 Inwerkingtreding </tussenkop>
        <al>Eerste lid</al>
        <al>Het eerste lid regelt dat de oude verordening wordt ingetrokken met ingang van
                    de datum van ingang van de heffing. De oude verordening blijft echter gelden
                    voor de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. Voor die
                    feiten kunnen dus door de BWB nog aanslagen worden opgelegd op basis van de oude
                    verordening.</al>
        <al>Tweede lid</al>
        <al>De Waterschapswet schrijft voor dat besluiten van het waterschapsbestuur die
                    algemeen verbindende regels inhouden, niet verbinden dan wanneer zij zijn
                    bekendgemaakt. Dit geldt derhalve ook voor belastingverordeningen. Bekendmaking
                    vindt plaats door plaatsing in een vanwege het waterschapsbestuur algemeen
                    verkrijgbaar gestelde (digitale) publicatie conform artikel 73 Waterschapswet.
                </al>
      </bijlage>
    </regeling>
  </body>
</cvdr>