<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91-->
  
  
  
  
  
  
  
  
  <meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR384343_1</dcterms:identifier><dcterms:title>VERORDENING OP DE HEFFING EN INVORDERING VAN DE WATERSYSTEEMHEFFING WATERSCHAP BRABANTSE DELTA</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Waterschap">Waterschap Brabantse Delta</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-07-04</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Waterschap">Waterschap Brabantse Delta</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Waterschapsblad</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening watersysteemheffing waterschap Brabantse Delta 2016</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005108&amp;artikel=110">Waterschapswet, art. 110</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanWaterschap">algemeen bestuur</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-11-11</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-12-18</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2016-12-31</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>15IT027091</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta>
  
  <body><intitule>
      VERORDENING OP DE HEFFING EN INVORDERING VAN DE WATERSYSTEEMHEFFING WATERSCHAP BRABANTSE DELTA
    </intitule>
    
    <regeling>
      <aanhef>
        <preambule>
          <al>Het algemeen bestuur van waterschap Brabantse Delta;</al>
          <al>gelezen het voorstel van het dagelijks bestuur van 13 oktober 2015
                        15IT027091</al>
          <al>gelet op artikelen 110, 113 en 117 Waterschapswet;</al>
          <al>B E S L U I T :</al>
          <al>vast te stellen de:</al>
          <al>VERORDENING OP DE HEFFING EN INVORDERING VAN DE WATERSYSTEEMHEFFING
                        WATERSCHAP BRABANTSE DELTA</al>
          <al/>
        </preambule>
      </aanhef>
      <regeling-tekst>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>I</nr>
            <titel>Inleidende bepalingen</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>1</nr>
              <titel>Begripsbepalingen</titel>
            </kop>
            <al>Deze verordening verstaat onder:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>ingezetene: degene die blijkens de basisregistratie personen bij
                                    het begin van het kalenderjaar woonplaats heeft in het gebied
                                    van het waterschap en die aldaar gebruik heeft van
                                    woonruimte;</al></li>
              <li nr="b."><al>heffingsambtenaar: de krachtens de Gemeenschappelijke Regeling
                                    Belastingsamenwerking West-Brabant aangewezen ambtenaar bedoeld
                                    in artikel 123, derde lid, onderdeel b van de Waterschapswet;
                                </al></li>
              <li nr="c."><al>invorderingsambtenaar: de krachtens de Gemeenschappelijke
                                    Regeling Belastingsamenwerking West-Brabant aangewezen ambtenaar
                                    bedoeld in artikel 123, derde lid, onderdeel c van de
                                    Waterschapswet;</al></li>
              <li nr="d."><al>woonruimte: een ruimte die blijkens zijn inrichting bestemd is
                                    om als een afzonderlijk geheel te voorzien in woongelegenheid en
                                    waarvan de delen blijkens de inrichting van die ruimte niet
                                    bestemd zijn om afzonderlijk in gebruik te worden gegeven;</al></li>
              <li nr="e."><al>kostentoedelingsverordening: de verordening van het waterschap,
                                    bedoeld in artikel120, eerste lid, eerste volzin, van de
                                    Waterschapswet;</al></li>
              <li nr="f."><al>natuurterreinen: ongebouwde onroerende zaken waarvan de
                                    inrichting en het beheergeheel of nagenoeg geheel en duurzaam
                                    zijn afgestemd op het behoud of de ontwikkeling van natuur.
                                    Onder natuurterreinen worden mede verstaan bossen en open
                                    wateren met een oppervlakte van tenminste één hectare;</al></li>
              <li nr="g."><al>ongebouwde onroerende zaken: ongebouwde onroerende zaken die
                                    geen natuurterreinenzijn;</al></li>
              <li nr="h."><al>gebied van het waterschap: het gebied dat is aangegeven op de
                                    bij het provinciaal reglement behorende kaart;</al></li>
              <li nr="i."><al>de heffing: de watersysteemheffing als genoemd in artikel 117,
                                    aanhef, Waterschapswet;</al></li>
              <li nr="j."><al>verharde openbare wegen: de wegen genoemd in artikel 6.4, lid 2,
                                    Waterschapsbesluit.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>2</nr>
              <titel>Belastbaar feit en belastingplichtigen</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Ter bestrijding van kosten die zijn verbonden aan de zorg voor het
                                watersysteem wordt onder de naam watersysteemheffing een directe
                                belasting geheven.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>De watersysteemheffing wordt geheven van hen die:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>ingezetenen zijn als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, met
                                        dien verstande dat gebruik van woonruimte door de leden van
                                        een gezamenlijke huishouding wordt aangemerkt als gebruik
                                        door een door de heffingsambtenaar aan te wijzen lid van dat
                                        huishouden;</al></li>
                <li nr="b."><al>krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben
                                        van ongebouwde onroerende zaken in het gebied van het
                                        waterschap;</al></li>
                <li nr="c."><al>krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben
                                        van natuurterreinen in het gebied van het waterschap;</al></li>
                <li nr="d."><al>krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben
                                        van gebouwde onroerende zaken in het gebied van het
                                        waterschap;</al></li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Heffingsplichtig in de zin van het tweede lid, onderdelen b, c en d,
                                zijn degenen die bij het begin van het kalenderjaar als
                                rechthebbende in de basisregistratie kadaster is vermeld, tenzij
                                blijkt dat hij op dat tijdstip geen rechthebbende krachtens
                                eigendom, bezit of beperkt recht is;</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4.</lidnr>
              <al>Voor de toepassing van het tweede lid, onderdelen b, c en d, is
                                heffingsplichtig de:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>beperkt gerechtigde en niet de eigenaar, ingeval de
                                        onroerende zaak is onderworpen aan het recht van beklemming,
                                        van erfpacht, van opstal of van vruchtgebruik;</al></li>
                <li nr="b."><al>eigenaar voor wat betreft het recht van opstal, indien dat
                                        recht uitsluitend is gevestigd ten behoeve van de aanleg of
                                        het onderhoud, dan wel ten behoeve van de aanleg en het
                                        onderhoud, van ondergrondse dan wel bovengrondse
                                        leidingen.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>5.</lidnr>
              <al>Indien de onroerende zaak is onderworpen aan beperkte rechten als
                                bedoeld in het vorige artikellid, heeft voor de heffingsplicht:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>de vruchtgebruiker voorrang boven zowel de opstaller als de
                                        erfpachter, onderscheidenlijk de beklemde meier;</al></li>
                <li nr="b."><al>de opstaller voorrang boven de erfpachter, onderscheidenlijk
                                        de beklemde meier.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>3</nr>
              <titel>Heffingsmaatstaf</titel>
            </kop>
            <al> Voor de heffing geldt als heffingsmaatstaf:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>ter zake van ingezetenen: de woonruimte;</al></li>
              <li nr="b."><al>ter zake van ongebouwde onroerende zaken en ter zake van
                                    natuurterreinen: de oppervlakte van de onroerende zaak,
                                    uitgedrukt in een aantal hectaren of een gedeelte daarvan;</al></li>
              <li nr="c."><al>ter zake van gebouwde onroerende zaken: de waarde die voor het
                                    kalenderjaar voor de onroerende zaak wordt bepaald op de voet
                                    van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>II</nr>
            <titel>Watersysteemheffing ingezetenen</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>4</nr>
              <titel>Tarief ingezetenen</titel>
            </kop>
            <al>Met inachtneming van het bepaalde dienaangaande in de
                            Kostentoedelingsverordening, bedraagt het tarief van de
                            watersysteemheffing voor de categorie ingezetenen: € 52,34 per
                            woonruimte.</al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>III</nr>
            <titel>Watersysteemheffing ongebouwde onroerende zaken</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>5</nr>
              <titel>Belastingobject</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk en van artikel 2, lid 2,
                                onderdeel b en artikel 9, derde lid van deze verordening, wordt als
                                één ongebouwde onroerende zaak aangemerkt een kadastraal perceel of
                                een gedeelte daarvan, met dien verstande dat buiten aanmerking wordt
                                gelaten:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>hetgeen ingevolge artikel 9, eerste en tweede lid, wordt
                                        aangemerkt als een gebouwde onroerende zaak;</al></li>
                <li nr="b."><al>een natuurterrein.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden openbare land- en
                                waterwegen en banen voor openbaar vervoer per rail, een en ander met
                                inbegrip van kunstwerken, alsmede waterverdedigingswerken die worden
                                beheerd door organen, instellingen of diensten van
                                publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van
                                zodanige werken die dienen als woning, aangemerkt als ongebouwde
                                eigendommen, niet zijnde natuurterreinen.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>6</nr>
              <titel>Tarief ongebouwde onroerende zaken</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Met inachtneming van het bepaalde dienaangaande in de
                                Kostentoedelingsverordening, bedraagt het tarief van de heffing voor
                                ongebouwde onroerende zaken: € 47,34 per hectare.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid en met inachtneming
                                van het bepaalde dienaangaande in de Kostentoedelingsverordening
                                bedraagt het tarief voor verharde openbare wegen € 165,69 per
                                hectare. </al>
            </lid>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>IV</nr>
            <titel>Watersysteemheffing natuurterreinen</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>7</nr>
              <titel>Belastingobject</titel>
            </kop>
            <al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk en van artikel 2, onderdeel c van
                            deze verordening, wordt als één natuurterrein aangemerkt een kadastraal perceel of
                            gedeelte daarvan, met dien verstande dat buiten aanmerking wordt
                            gelaten:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>hetgeen ingevolge artikel 9, eerste en tweede lid, wordt
                                    aangemerkt als een gebouwde onroerende zaak;</al></li>
              <li nr="b."><al>hetgeen ingevolge artikel 5 wordt aangemerkt als een ongebouwde
                                    onroerende zaak.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>8</nr>
              <titel>Tarief natuurterreinen</titel>
            </kop>
            <al>Met inachtneming dienaangaande van het bepaalde in de
                            Kostentoedelingsverordening, bedraagt het tarief van de heffing voor
                            natuurterreinen: € 3,52 per hectare.</al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>V</nr>
            <titel>Watersysteemheffing gebouwde onroerende zaken</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>9</nr>
              <titel>Belastingobject</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk en van artikel 2, onderdeel d
                                van deze verordening, wordt als één gebouwde onroerende zaak
                                aangemerkt:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>een gebouwd eigendom;</al></li>
                <li nr="b."><al>een gedeelte van een gebouwd eigendom dat blijkens zijn
                                        indeling is bestemd om als een afzonderlijk geheel te worden
                                        gebruikt;</al></li>
                <li nr="c."><al>een samenstel van twee of meer van de in onderdeel a
                                        bedoelde gebouwde eigendommen of van in onderdeel b bedoelde
                                        gedeelten daarvan die bij dezelfde belastingplichtige in
                                        gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij
                                        elkaar behoren;</al></li>
                <li nr="d."><al>het binnen het gebied van een gemeente gelegen deel van een
                                        in onderdeel a bedoelde eigendom, van een in onderdeel b
                                        bedoeld gedeelte of van een in onderdeel c bedoeld
                                        samenstel;</al></li>
                <li nr="e."><al>het binnen het gebied van het waterschap gelegen deel van
                                        een in onderdeel a bedoelde eigendom, van een in onderdeel b
                                        bedoeld gedeelte, van een in onderdeel c bedoeld samenstel
                                        of van een in onderdeel d bedoeld deel.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Voor de toepassing van het eerste lid maken de ongebouwde
                                eigendommen voor zover die een samenstel vormen met een gebouwd
                                eigendom als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a tot en met e,
                                deel uit van de gebouwde onroerende zaak;</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>In afwijking van het bepaalde in het vorige artikellid maken de
                                ongebouwde eigendommen, voor zover de waarde daarvan bij de
                                waardebepaling op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering
                                onroerende zaken op basis van het bepaalde krachtens artikel 18,
                                vierde lid, van die wet buiten aanmerking wordt gelaten, geen deel
                                uit van de gebouwde onroerende zaak.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>10</nr>
              <titel>Tarief gebouwde onroerende zaken</titel>
            </kop>
            <al>Met inachtneming dienaangaande van het bepaalde in de
                            Kostentoedelingsverordening, bedraagt het tarief van de heffing voor
                            gebouwde onroerende zaken 0,0332 % van de heffingsmaatstaf als bedoeld
                            in artikel 3, onderdeel c, van deze verordening.</al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>VI</nr>
            <titel>Heffing en invordering</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>11</nr>
              <titel>Wijze van heffing</titel>
            </kop>
            <al>De heffing wordt bij wege van aanslag geheven.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>12</nr>
              <titel>Tenaamstelling en invordering belastingaanslag bij meer
                                belastingplichtigen</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Indien ter zake van hetzelfde voorwerp van de belasting of hetzelfde
                                belastbare feit twee of meer personen belastingplichtig zijn, kan de
                                heffingsambtenaar de aanslag ten name van een van hen stellen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Indien de belastingplicht, bedoeld in het eerste lid, voortvloeit
                                uit het genot van een onroerende zaak krachtens eigendom, bezit of
                                beperkt recht en de aanslag ten name van een van de
                                belastingplichtigen is gesteld, kan de ambtenaar belast met de
                                invordering de belastingaanslag op de gehele onroerende zaak
                                verhalen op degene op wiens naam de aanslag ingevolge het eerste lid
                                is gesteld, zonder rekening te houden met de rechten van de overige
                                belastingplichtigen.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>13</nr>
              <titel>Niet opleggen van aanslagen</titel>
            </kop>
            <al>Belastingbedragen van minder dan € 10,00 worden niet geheven. Voor de
                            toepassing van de vorige volzin wordt het totaal van op een
                            aanslagbiljet verenigde aanslagen aangemerkt als één
                            belastingbedrag.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>14</nr>
              <titel>Vrijstellingen</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>De watersysteemheffing ongebouwde onroerende zaken wordt niet
                                geheven ter zake van ongebouwde onroerende zaken waarvan het
                                waterschap genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht
                                is.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>De watersysteemheffing natuurterreinen wordt niet geheven terzake
                                van natuurterreinen waarvan het waterschap genothebbende krachtens
                                eigendom, bezit of beperkt recht is.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>De watersysteemheffing gebouwde onroerende zaken wordt niet geheven
                                ter zaken van:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>straatmeubilair, waaronder alle zodanige gebouwde
                                        eigendommen - niet zijnde gebouwen worden begrepen die zijn
                                        geplaatst ten gerieve of in het belang van het publiek, ten
                                        dienste van het verkeer of ter verfraaiing van een in het
                                        waterschapsgebied gelegen gemeente, zoals lichtmasten,
                                        verkeersinstallaties, standbeelden, monumenten, fonteinen,
                                        banken, abri's, hekken en palen.</al></li>
                <li nr="b."><al>gebouwde onroerende zaken waarvan het waterschap
                                        genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht
                                        is.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>15</nr>
              <titel>Betaaltermijnen</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990
                                moeten de aanslagen worden betaald in twee gelijke termijnbedragen
                                waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op
                                de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en
                                de tweede twee maanden na de eerste vervaldatum.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid geldt in geval het
                                totaalbedrag van alle op één aanslagbiljet verenigde aanslagen meer
                                bedraagt dan € 10.000 dat dit bedrag moet worden betaald op de
                                laatste dag van de maand volgend op die in de dagtekening van het
                                aanslagbiljet is vermeld.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>In afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede lid geldt
                                ingeval machtiging is verleend tot automatische incasso en het
                                totaalbedrag van de op een aanslagbiljet verenigde aanslagen € 100
                                of meer doch niet meer dan € 10.000 bedraagt, dat de aanslagen
                                moeten worden betaald in tien gelijke termijnbedragen waarvan de
                                eerste termijn vervalt op de 28e dag van de maand volgende op de
                                maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk
                                van de volgende termijnen telkens een maand later.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4.</lidnr>
              <al>De in het derde lid bedoelde machtiging tot automatische incasso
                                wordt geacht niet te zijn verleend indien twee van de tien termijnen
                                niet zijn betaald doordat automatische incasso van de betaalrekening
                                van de belastingschuldige niet mogelijk blijkt dan wel binnen 56
                                dagen na afschrijving zijn gestorneerd. Alsdan geldt de
                                betaaltermijn in het eerste lid.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>5.</lidnr>
              <al>In afwijking van de voorgaande leden moet een voorlopige aanslag
                                worden betaald in zoveel gelijke termijnbedragen als er na de maand
                                van de dagtekening van het aanslagbiljet nog maanden van het
                                belastingjaar overblijven, met dien verstande dat het aantal
                                betalingstermijnen steeds minimaal twee telt. De eerste termijn
                                vervalt een maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van
                                de volgende termijnen telkens een maand later. </al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>6.</lidnr>
              <al>In afwijking van de voorgaande leden is een navorderingsaanslag
                                invorderbaar een maand na de dagtekening van het aanslagbiljet.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>7.</lidnr>
              <al>De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in dit artikel
                                gestelde termijnen.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>16</nr>
              <titel>Kwijtschelding</titel>
            </kop>
            <al>Bij de invordering kan van de watersysteemheffing als bedoeld in de
                            hoofdstukken II, III, IV en V van deze verordening kwijtschelding worden
                            verleend.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>17</nr>
              <titel>Nadere regels</titel>
            </kop>
            <al>Het dagelijks bestuur van de Belastingsamenwerking West-Brabant kan
                            nadere regels geven met betrekking tot de heffing en de invordering van
                            de watersysteemheffing.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>18</nr>
              <titel>Overgangsrecht en inwerkingtreding</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>De verordening watersysteemheffing waterschap Brabantse Delta 2015,
                                vastgesteld bij besluit van het algemeen bestuur van 12 november
                                2014 wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde
                                datum van ingang van de heffing, met dien verstande, dat zij van
                                toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum
                                hebben voorgedaan. </al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Deze verordening treedt inwerking met ingang van de eerste dag na
                                die van de bekendmaking. </al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2016 </al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>19</nr>
              <titel>Citeertitel</titel>
            </kop>
            <al>Deze verordening wordt aangehaald als "Verordening watersysteemheffing
                            waterschap Brabantse Delta 2016"</al>
            <al/>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
      </regeling-tekst>
      <regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering>
        
        <ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 11 november 2015</ondertekening>
        <ondertekening/>
        <ondertekening>De 1e loco-dijkgraaf</ondertekening>
        <ondertekening>C.A.A. Coppens</ondertekening>
        <ondertekening/>
        <ondertekening>De plv. secretaris-directeur</ondertekening>
        <ondertekening>dr. A.F.M. Meuleman</ondertekening>
      </regeling-sluiting>
      <nota-toelichting>
        <kop>
          <titel>Toelichting Verordening watersysteemheffing waterschap Brabantse Delta
                        2016</titel>
        </kop>
        <tussenkop>Algemeen</tussenkop>
        <tussenkop>1. Wettelijke basis</tussenkop>
        <al>De verordening op de watersysteemheffing is gebaseerd op de tekst van de
                    Waterschapswet, zoals die is komen te luiden na de inwerkingtreding van de Wet
                    modernisering waterschapsbestel (Staatsblad 2007, 208). </al>
        <tussenkop>2. De watersysteemtaak</tussenkop>
        <al>In artikel 1, tweede lid, van de Waterschapswet is "de zorg voor het
                    watersysteem" als eerste hoofdtaak van het waterschap opgenomen. De zorg voor
                    het watersysteem omvat de zorg voor de waterkering en de zorg voor de
                    waterhuishouding, waaronder ook de zorg voor de waterkwaliteit. Het gebruik van
                    de term 'zorg voor het watersysteem' benadrukt dat sprake is van een nauwe
                    onderlinge samenhang tussen deze taken en dat zij als één integrale taak worden
                    uitgevoerd. Hiermee is ook het integraal waterbeheer in de wet verankerd. In
                    artikel 1, tweede lid, van de wet is daarnaast de zorg voor de zuivering van
                    afvalwater als tweede hoofdtaak van het waterschap benoemd en is neergelegd dat
                    de zorg voor een of meer andere waterstaatsaangelegenheden aan de waterschappen
                    zijn of worden overgedragen. </al>
        <al>De zorg voor het watersysteem is één samenhangende taak die het waterschap in
                    zijn gehele beheersgebied uitoefent. Met de watersysteemheffing worden de kosten
                    verbonden aan deze zorg bestreden conform artikel 117 Waterschapswet. Op grond
                    van artikel 2 van de Waterschapswet zijn het gebied en de taken van het
                    waterschap door Provinciale Staten bepaald (Reglement voor het Waterschap
                    Brabantse Delta 2008, provinciaal blad van Noord-Brabant, nummer 49/08).</al>
        <tussenkop>3. De watersysteemheffing</tussenkop>
        <al>Belastingplichtig voor de watersysteemheffing zijn de volgende categorieën:</al>
        <lijst>
          <li nr="·"><al>de ingezetenen;</al></li>
          <li nr="·"><al>de eigenaren van ongebouwde onroerende zaken, niet zijnde
                            natuurterreinen;</al></li>
          <li nr="·"><al>de eigenaren van natuurterreinen en</al></li>
          <li nr="·"><al>de eigenaren van gebouwde onroerende zaken.</al></li>
        </lijst>
        <al>Degenen die tot de belastingplichtige categorieën behoren, hebben per definitie
                    belang bij de uitoefening van de taken van het waterschap.</al>
        <tussenkop>4. De heffingsmaatstaven en de tarieven van de heffing</tussenkop>
        <al>De heffingsmaatstaf voor de ingezetenen is de woonruimte. Voor ongebouwde
                    onroerende zaken die geen natuurterreinen zijn en voor natuurterreinen is de
                    heffingsmaatstaf de oppervlakte van de onroerende zaak en voor gebouwde
                    onroerende zaken is de heffingsmaatstaf de op basis van de Wet waardering
                    onroerende zaken bepaalde waarde. Het tarief van de belasting moet op grond van
                    de wet onderscheidenlijk worden gesteld op een gelijk bedrag per woonruimte, op
                    een gelijk bedrag per hectare of op een vast percentage van de WOZ waarde.</al>
        <tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop>
        <tussenkop>Hoofdstuk I Inleidende bepalingen</tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 2 Belastbaar feit en belastingplichtigen</tussenkop>
        <al>In artikel 2 is aangegeven van wie de belasting wordt geheven. Tezelfdertijd
                    zijn in het artikel de belastbare feiten opgenomen. Deze vallen samen met de
                    omschrijving van de belastingplichtigen. Belastingplichtig zijn degenen te wiens
                    aanzien het belastbaar feit zich voordoet. Belastingplichtig zijn
                    respectievelijk degenen die woonachtig zijn in het gebied van het waterschap en
                    die aldaar het gebruik hebben van woonruimte (de ingezetenen) en degenen die in
                    het gebied van het waterschap 'eigenaar' zijn van ongebouwde onroerende zaken
                    anders dan natuurterreinen, van natuurterrein of van gebouwde onroerende zaken.
                    Deze vier belastingplichtige categorieën zijn in artikel 2, onderdelen a tot en
                    met d, van de verordening benoemd. Artikel 119, tweede en derde lid, van de
                    Waterschapswet geeft voor een aantal specifieke situaties de rangorde aan bij
                    het bepalen van de persoon van de heffingsplichtige. Wat precies onder één
                    ongebouwde onroerende zaak, één natuurterrein of één gebouwde onroerende zaak
                    moet worden verstaan, is respectievelijk in de artikelen 5, 7 en 9 van de
                    verordening aangegeven.</al>
        <tussenkop>Artikel 3 Heffingsmaatstaf</tussenkop>
        <al>Artikel 121, eerste lid, van de Waterschapswet geeft per belastingplichtige
                    categorie een regeling van de heffingsmaatstaf. Voor de ingezetenen is dat de
                    woonruimte en voor de natuurterreinen en de ongebouwde onroerende zaken die geen
                    natuurterreinen zijn is dat de oppervlakte van de onroerende zaak. Voor gebouwde
                    onroerende zaken is de heffingsmaatstaf de WOZ waarde.</al>
        <tussenkop>Hoofdstuk II Watersysteemheffing ingezetenen</tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 4 Tarief ingezetenen</tussenkop>
        <al>In dit artikel is de relatie tussen het tarief en de Kostentoedelingsverordening
                    tot uitdrukking gebracht en is gevolg gegeven aan het bepaalde in artikel 121,
                    eerste lid, onder a, van de Waterschapswet dat het tarief wordt gesteld op een
                    gelijk bedrag per woonruimte.</al>
        <tussenkop>Hoofdstuk III Watersysteemheffing ongebouwde onroerende zaken</tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 5 Belastingobject ongebouwde onroerende zaken</tussenkop>
        <al>De Waterschapswet geeft in artikel 118 de voorschriften voor de afbakening van
                    de verschillende soorten objecten waarop de heffing betrekking heeft. In het
                    derde lid van deze wettelijke bepaling zijn de afbakeningsvoorschriften voor de
                    ongebouwde onroerende zaken die geen natuurterreinen zijn, opgenomen. Zoals
                    blijkt uit de Waterschapswet zijn de kadastrale grenzen bepalend: een kadastraal
                    perceel of een gedeelte daarvan wordt als één ongebouwde onroerende zaak
                    aangemerkt. Hierbij geldt de nuancering dat hetgeen ingevolge de wet wordt
                    aangemerkt als een gebouwde onroerende zaak en hetgeen ingevolge de wet een
                    natuurterrein is, bij de afbakening van het ongebouwde object buiten aanmerking
                    moet worden gelaten. Laatstbedoelde objecten mogen met andere woorden niet
                    worden meegenomen bij het bepalen van wat één ongebouwde onroerende zaak is. In
                    artikel 5, eerste lid, van de verordening komt de wettelijke regeling terug. In
                    het tweede lid van artikel 5 is het bepaalde in artikel 118, vijfde lid, van de
                    Waterschapswet, weergegeven. Er is niet zozeer sprake van een
                    afbakeningsvoorschrift, maar van een fictiebepaling op grond waarvan de in dit
                    artikellid genoemde objecten als ongebouwde eigendommen, niet zijnde
                    natuurterreinen, worden aangemerkt. </al>
        <tussenkop>Artikel 6 Tarief ongebouwde onroerende zaken</tussenkop>
        <al>Op grond van het bepaalde in artikel 121, eerste lid, onder b, van de
                    Waterschapswet, wordt het tarief van de heffing ter zake van ongebouwde
                    onroerende zaken gesteld op een gelijk bedrag per hectare. De tarieven worden
                    bepaald op basis van de toedeling in de Kostentoedelingsverordening van het
                    waterschap en de begroting van het heffingsjaar. In de
                    Kostentoedelingsverordening van het waterschap is bepaald dat het tarief per
                    hectare voor de verharde openbare wegen wordt verhoogd. </al>
        <al>Deze relatie met de Kostentoedelingsverordening is in artikel 6 aangegeven.
                    Daarnaast geeft dit artikel gevolg aan het bepaalde in de Waterschapswet dat het
                    tarief wordt gesteld op een gelijk bedrag per hectare.</al>
        <tussenkop>Hoofdstuk IV Watersysteemheffing natuurterreinen</tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 7 Belastingobject</tussenkop>
        <al>Het voorwerp van de belasting is het natuurterrein. Een natuurterrein is een
                    ongebouwde onroerende zaak waarvan de inrichting en het beheer geheel of
                    nagenoeg geheel en duurzaam zijn afgestemd op het behoud of de ontwikkeling van
                    natuur. Of een onroerende zaak een natuurterrein is, wordt met andere woorden
                    door de feitelijke en de toekomstige bestemming of de bestemming volgens het
                    bestemmingsplan bepaald. Geheel of nagenoeg geheel staat voor 90% of meer,
                    terwijl gebruik van het woord 'duurzaam' erop duidt dat geen sprake mag zijn van
                    een situatie die als tijdelijk is bedoeld. De wet merkt als één natuurterrein
                    aan een kadastraal perceel of een gedeelte daarvan, met dien verstande dat
                    hetgeen wordt aangemerkt als een gebouwde of een ongebouwde onroerende zaak,
                    hierbij buiten aanmerking wordt gelaten.</al>
        <al>Bossen en open wateren met een oppervlakte van tenminste één hectare worden op
                    grond van artikel 116, onderdeel c, van de Waterschapswet ook als
                    natuurterreinen aangemerkt. Er is hier sprake van een fictie die erop neerkomt
                    dat bossen en open wateren, mits zij aan de oppervlakte eis voldoen voor de
                    heffing als natuurterrein worden aangemerkt. Daarom zijn ook bossen die
                    bedrijfsmatig worden geëxploiteerd voor de toepassing van de onderhavige
                    verordening natuurterreinen. De wetgever heeft hiervoor gekozen omdat het
                    onderscheid in niet-bedrijfsmatig geëxploiteerde bossen enerzijds en bossen die
                    wel als zodanig worden geëxploiteerd, in de praktijk moeilijk is te maken </al>
        <al>Gebieden met een agrarische functie en een natuurfunctie worden, zoals ook uit
                    de toelichting op het Waterschapsbesluit blijkt, niet als natuurterrein maar als
                    agrarische grond aangemerkt. </al>
        <al>De objectafbakeningsvoorschriften van artikel 118, lid 4, van de wet gelden
                    zowel voor natuurterreinen als voor bossen en open wateren. Bij open wateren
                    moet worden gedacht aan wateren met een weids karakter. Openbare waterwegen
                    behoren overigens niet tot de categorie natuurterreinen, maar tot de categorie
                    overig ongebouwd.</al>
        <tussenkop>Artikel 8 Tarief natuurterreinen</tussenkop>
        <al>Het tarief van de heffing wordt ingevolge artikel 121, eerste lid, onderdeel c,
                    van de Waterschapswet gesteld op een gelijk bedrag per hectare. Dit wordt in het
                    onderhavige artikel van de verordening tot uitdrukking gebracht. Daarnaast
                    brengt deze bepaling de relatie tussen het tarief en de
                    Kostentoedelingsverordening tot uitdrukking.</al>
        <tussenkop>Hoofdstuk V Watersysteemheffing gebouwde onroerende zaken</tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 9 Belastingobject</tussenkop>
        <al>Het belastingobject is de gebouwde onroerende zaak. Wat onder één gebouwde
                    onroerende</al>
        <al>zaak moet worden verstaan, blijkt uit artikel 118, eerste en tweede lid, van de
                    Waterschapswet.</al>
        <al>Ingevolge het eerste lid is één gebouwde onroerende zaak:</al>
        <lijst>
          <li nr="·"><al>een gebouwd eigendom;</al></li>
          <li nr="·"><al>een zelfstandig bruikbaar gedeelte van een gebouwd eigendom;</al></li>
          <li nr="·"><al>samenstellen van gebouwde eigendommen en samenstellen van zelfstandige
                            gedeelten van gebouwde eigendommen;</al></li>
          <li nr="·"><al>het deel van de hiervoor genoemde objecten dat binnen de gemeentegrenzen
                            ligt;</al></li>
          <li nr="·"><al>het deel van de hiervoor genoemde objecten dat binnen de
                            waterschapsgrenzen ligt.</al></li>
        </lijst>
        <al>In artikel 118, lid 2, van de Waterschapswet is een regeling opgenomen op grond
                    waarvan samenstellen kunnen worden gevormd tussen ongebouwde en gebouwde
                    eigendommen. Dit was onder de oude Waterschapswet niet mogelijk. In de nieuwe
                    situatie wordt een samenstel als hier bedoeld aangemerkt als een gebouwd
                    eigendom. De ongebouwde eigendommen die een samenstel met een gebouwde eigendom
                    vormen, gaan daarvan immers deel uit maken. Het is van belang op te merken dat
                    niet alle ongebouwde eigendommen een samenstel met een gebouwd eigendom kunnen
                    vormen. Dit geldt voor ongebouwde eigendommen die bij de waardebepaling op grond
                    van de Wet WOZ buiten aanmerking worden gelaten. Het gaat hier concreet om de
                    ongebouwde eigendommen die zijn opgenomen in de Uitvoeringsregeling
                    uitgezonderde objecten Wet WOZ, dus: bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond,
                    Natuurschoonwetlandgoederen, natuurterreinen, openbare land- en waterwegen
                    inclusief kunstwerken en spoorwegen inclusief kunstwerken.</al>
        <al>De samenstelbepaling leidt ertoe dat een aantal objecten opgaan in het gebouwde
                    object waarmee zij een samenstel vormen en worden dus 'gebouwd'. Dit betekent
                    ook dat deze objecten, tezamen met het gebouwde object waarmee zij een samenstel
                    vormen, naar de WOZ-waarde in de watersysteemheffing betrokken worden..
                    Voorbeelden van gevallen waarin dit aan de orde kan zijn, zijn sportterreinen en
                    militaire oefenterreinen waarop zich ook gebouwde opstallen bevinden. Voordeel
                    van het vormen van samenstellen is een betere aansluiting bij de
                    objectafbakening van de Wet WOZ. De gemeentelijke objectafbakening is
                    leidend.</al>
        <tussenkop>Artikel 10 Tarief</tussenkop>
        <al>Het tarief van de belasting wordt ingevolge artikel 121, eerste lid, onderdeel
                    d, van de Waterschapswet gesteld op een vast percentage van de vastgestelde
                    WOZ-waarde. Daarnaast brengt deze bepaling de relatie tussen het tarief en de
                    Kostentoedelingsverordening tot uitdrukking.</al>
        <tussenkop>Hoofdstuk VI Heffing en invordering</tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 12 Tenaamstelling en invordering belastingaanslag bij meer
                    belastingplichtigen</tussenkop>
        <al>De heffingsambtenaar kan in gevallen waarin ter zake van hetzelfde voorwerp van
                    de belasting of ter zake van hetzelfde belastbare feit twee of meer personen
                    belastingplichtig zijn, de belastingaanslag ten name van een van hen stellen.
                    Dit is in artikel 142, eerste tot en met derde lid, van de Waterschapswet
                    bepaald. </al>
        <tussenkop>Artikel 13 Niet opleggen van aanslagen</tussenkop>
        <al>Deze bepaling voorkomt dat er aanslagen voor betrekkelijk geringe bedragen
                    moeten worden opgelegd. </al>
        <al>Indien meerdere aanslagen op één aanslagbiljet worden verenigd, geldt het
                    voorgaande voor het totaal van de aanslagbiljet zoals opgelegd door de
                    heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking West-Brabant. </al>
        <tussenkop>Artikel 14 Vrijstellingen</tussenkop>
        <al>Uit efficiencyoverwegingen is in artikel 14 bepaald dat de watersysteemheffing
                    niet wordt geheven ter zake van onroerende zaken die bij het waterschap in
                    eigendom zijn. Door een vrijstellingsbepaling in de verordening op te nemen
                    wordt voorkomen dat het waterschap aan zichzelf aanslagen moet laten opleggen
                    (vestzak-broekzak). Daarnaast is een vrijstelling opgenomen voor
                    straatmeubilair. </al>
        <tussenkop>Artikel 15 Betaaltermijnen</tussenkop>
        <al>Artikel 9 van de Invorderingswet kent een regeling inzake betaaltermijnen,
                    waarvan ingevolge artikel 139 van de Waterschapswet kan worden afgeweken. In dit
                    artikel wordt de afwijking van artikel 9 Invorderingswet geregeld.</al>
        <tussenkop>Artikel 17 Nadere regels</tussenkop>
        <al>Het dagelijks bestuur kan nadere regels geven op het gebied van de heffing en de
                    invordering van de watersysteemheffing. Deze bepaling is in de verordening
                    opgenomen om er geen misverstanden over te laten bestaan dat er op het gebied
                    van de heffing en de invordering van de belasting ook op andere plaatsen dan in
                    de verordening zelf, regels kunnen zijn opgenomen.</al>
      </nota-toelichting>
    </regeling>
  </body>
</cvdr>