<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91-->
  
  
  
  
  
  
  
  
  <meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR384342_1</dcterms:identifier><dcterms:title>VERORDENING OP DE HEFFING EN INVORDERING VERONTREINIGINGSHEFFING WATERSCHAP BRABANTSE DELTA</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Waterschap">Waterschap Brabantse Delta</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-07-04</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Waterschap">Waterschap Brabantse Delta</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Waterschapsblad, 2015, 9736</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening verontreinigingsheffing waterschap Brabantse Delta 2016</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005108&amp;artikel=110">Waterschapswet, art. 110</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanWaterschap">algemeen bestuur</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-11-11</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-12-18</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2016-12-31</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>15IT027084</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta>
  
  <body><intitule>
      VERORDENING OP DE HEFFING EN INVORDERING VERONTREINIGINGSHEFFING WATERSCHAP BRABANTSE DELTA
    </intitule>
    
    <regeling>
      <aanhef>
        <preambule>
          <al>Het algemeen bestuur van waterschap Brabantse Delta;</al>
          <al>gelezen het voorstel van het dagelijks bestuur van 13 oktober 2015 nummer
                        15IT027084</al>
          <al>gelet op de artikelen 110 en 113 van de Waterschapswet;</al>
          <al>B E S L U I T :</al>
          <al>vast te stellen de:</al>
          <al>VERORDENING OP DE HEFFING EN INVORDERING VERONTREINIGINGSHEFFING WATERSCHAP
                        BRABANTSE DELTA</al>
          <al/>
        </preambule>
      </aanhef>
      <regeling-tekst>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>1</nr>
            <titel>Begripsomschrijving</titel>
          </kop>
          <al>Deze verordening verstaat onder:</al>
          <lijst>
            <li nr="a."><al>oppervlaktewaterlichaam: samenhangend geheel van vrij aan het
                                aardoppervlak voorkomend water, met de daarin aanwezige stoffen,
                                alsmede de bijbehorende bodem en oevers, flora en fauna ten aanzien
                                waarvan het waterschap ingevolge artikel 3.2. van de Waterwet is
                                aangewezen als beheerder, met uitzondering van de gronden die
                                ingevolge artikel 3.1. of 3.2 van de Waterwet zijn aangewezen als
                                drogere oevergebieden; </al></li>
            <li nr="b."><al>stoffen: de stoffen genoemd in artikel 6 van deze verordening;</al></li>
            <li nr="c."><al>lozen: het brengen van stoffen in een oppervlaktewaterlichaam in
                                beheer bij het waterschap;</al></li>
            <li nr="d."><al>woonruimte: een ruimte die blijkens haar inrichting bestemd is om
                                als een afzonderlijk geheel te voorzien in woongelegenheid en
                                waarvan de delen blijkens de inrichting van die ruimte niet bestemd
                                zijn om afzonderlijk in gebruik te worden gegeven;</al></li>
            <li nr="e."><al>bedrijfsruimte: een naar zijn of haar aard en inrichting als
                                afzonderlijk geheel te beschouwen terrein of ruimte, niet zijnde een
                                woonruimte, een zuiveringtechnisch werk of een openbaar
                                vuilwaterriool;</al></li>
            <li nr="f."><al>openbaar vuilwaterriool: een voorziening voor de inzameling en het
                                transport van stedelijk afvalwater, in beheer bij een gemeente of
                                een rechtspersoon die door een gemeente met het beheer is
                                belast;</al></li>
            <li nr="g."><al>zuiveringtechnisch werk: een werk voor het zuiveren van stedelijk
                                afvalwater, in exploitatie bij een waterschap of gemeente, dan wel
                                een rechtspersoon die door het bestuur van een waterschap met de
                                zuivering van stedelijk afvalwater is belast, met inbegrip van het
                                bij dat werk behorende werk voor het transport van stedelijk
                                afvalwater;</al></li>
            <li nr="h."><al>stedelijk afvalwater: huishoudelijk afvalwater of een mengsel
                                daarvan met bedrijfsafvalwater, afvloeiend hemelwater, grondwater of
                                ander afvalwater;</al></li>
            <li nr="i."><al>de heffingsambtenaar van het waterschap: de door het dagelijks
                                bestuur aangewezen ambtenaar, bedoeld in artikel 123, derde lid,
                                onderdeel b, Waterschapswet;</al></li>
            <li nr="j."><al>de heffingsambtenaar BWB: de krachtens de Gemeenschappelijke
                                Regeling Belastingsamenwerking West-Brabant aangewezen ambtenaar
                                bedoeld in artikel 124, vijfde lid, onderdeel a, van de
                                Waterschapswet;</al></li>
            <li nr="k."><al>watersysteem: het watersysteem zoals bedoeld in artikel 1, tweede
                                lid, van de Waterschapswet;</al></li>
            <li nr="l."><al>drinkwater: water als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de
                                Drinkwaterwet;</al></li>
            <li nr="m."><al>ingenomen water: geleverd drink– en industriewater en warm tapwater,
                                onttrokken grond– en oppervlaktewater en opgevangen hemelwater;</al></li>
            <li nr="n."><al>drinkwaterbedrijf: een bedrijf als bedoeld in artikel 1, eerste lid,
                                onderdeel d, van de Drinkwaterwet;</al></li>
            <li nr="o."><al>warm tapwater: warm tapwater als bedoeld in artikel 1, eerste lid,
                                van de Drinkwaterwet.</al></li>
          </lijst>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>2</nr>
            <titel>Bijlagen</titel>
          </kop>
          <al>Bij deze verordening behoren de volgende bijlagen:</al>
          <lijst>
            <li nr="1."><al>Bijlage I: voorschriften voor meting, bemonstering, analyse en
                                berekening;</al></li>
            <li nr="2."><al>Bijlage II: tabel afvalwatercoëfficiënten, zoals opgenomen in
                                artikel 122k, derde lid, van de Waterschapswet. </al></li>
          </lijst>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>3</nr>
            <titel>Belastbaar feit en heffingsplicht</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1</lidnr>
            <al>Onder de naam verontreinigingsheffing wordt een directe belasting
                            geheven ter zake van lozen.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2</lidnr>
            <al>Aan de heffing worden onderworpen:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>ter zake van het lozen vanuit een woonruimte of een
                                    bedrijfsruimte: degene die het gebruik heeft van die
                                    ruimte;</al></li>
              <li nr="b."><al>ter zake van het lozen met behulp van een riolering of van een
                                    zuiveringstechnisch werk: degene bij wie die riolering of dat
                                    zuiveringstechnisch werk in beheer is;</al></li>
              <li nr="c."><al>ter zake van het lozen anders dan bedoeld onder a en b: degene
                                    die loost.</al></li>
            </lijst>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>3</lidnr>
            <al>Voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel a, is
                            heffingsplichtig:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>in geval van gebruik van een woonruimte door de leden van een
                                    huishouden: degene die door de heffingsambtenaar BWB is
                                    aangewezen;</al></li>
              <li nr="b."><al>in geval van gebruik door degene aan wie een deel van een
                                    bedrijfsruimte in gebruik is gegeven: degene die dat deel in
                                    gebruik heeft gegeven met dien verstande dat degene die het deel
                                    in gebruik heeft gegeven, bevoegd is de heffing als zodanig te
                                    verhalen op degene aan wie dat deel in gebruik is gegeven;</al></li>
              <li nr="c."><al>in geval van het voor volgtijdig gebruik ter beschikking stellen
                                    van een woonruimte of bedrijfsruimte: degene die de ruimte ter
                                    beschikking heeft gesteld, met dien verstande dat degene die de
                                    ruimte ter beschikking heeft gesteld, bevoegd is de heffing als
                                    zodanig te verhalen op degene aan wie de ruimte ter beschikking
                                    is gesteld.</al></li>
            </lijst>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>4</lidnr>
            <al>De opbrengst van de verontreinigingsheffing komt ten goede aan de
                            bekostiging van het beheer van het watersysteem door het
                            waterschap.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>5</lidnr>
            <al>Van de heffing is vrijgesteld een lozing van het waterschap zelf met
                            behulp van een werk voor het zuiveren van afvalwater op een
                            oppervlaktewaterlichaam als bedoeld in artikel 1, onderdeel a.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>6</lidnr>
            <al>Van de heffing is vrijgesteld een lozing door middel van een openbaar
                            vuilwaterriool.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>7</lidnr>
            <al>Van de heffing is vrijgesteld het lozen van stoffen afkomstig vanuit een
                            zuiveringstechnisch werk anders dan door het waterschap zelf, mits de
                            hoeveelheid afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen niet
                            is toegenomen.</al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>4</nr>
            <titel>Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar
                            tijdsevenredigheid</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>De heffing ter zake van woonruimten en van bedrijfsruimten als bedoeld
                            in artikel 13 is verschuldigd bij het begin van het heffingsjaar of, zo
                            dit later is, bij de aanvang van de heffingsplicht.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>Indien ter zake van woonruimten de heffingsplicht als bedoeld in het
                            eerste lid in de loop van het heffingsjaar aanvangt, is de heffing
                            verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar
                            verschuldigde belasting als er in dat jaar, na de aanvang van de
                            heffingsplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. Indien de
                            heffingsplicht aanvangt op de eerste dag van een kalendermaand wordt die
                            kalendermaand aangemerkt als een volle kalendermaand.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>3.</lidnr>
            <al>Indien ter zake van woonruimten de heffingsplicht bedoeld in het eerste
                            lid in de loop van het heffingsjaar eindigt, bestaat aanspraak op
                            ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar
                            verschuldigde heffing als er in dat jaar, na het einde van de
                            heffingsplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. Indien de
                            heffingsplicht eindigt op de eerste dag van een kalendermaand wordt die
                            kalendermaand aangemerkt als een volle kalendermaand.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>4.</lidnr>
            <al>Indien de heffingsplicht voor woonruimten is beëindigd na de dagtekening
                            van de aanslag, kan de heffingsplichtige een aanvraag tot ontheffing
                            indienen bij de heffingsambtenaar BWB.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>5.</lidnr>
            <al>Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing indien de
                            heffingsplichtige verhuist binnen het gebied van het waterschap en
                            daarbij weer het gebruik krijgt van een woonruimte van waaruit eveneens
                            wordt geloosd.</al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>5</nr>
            <titel>Heffingsjaar</titel>
          </kop>
          <al>Het heffingsjaar is gelijk aan het kalenderjaar.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>6</nr>
            <titel>Grondslag en heffingsmaatstaf</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>Voor de heffing bedoeld in artikel 3 geldt als grondslag de hoeveelheid
                            en de hoedanigheid van de stoffen die in een kalenderjaar worden
                            geloosd.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>Voor de heffing geldt als heffingsmaatstaf de vervuilingswaarde van de
                            stoffen die in een kalenderjaar worden geloosd. De vervuilingswaarde
                            wordt uitgedrukt in vervuilingseenheden.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>3.</lidnr>
            <al>Het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot zuurstofbindende
                            stoffen wordt bepaald op basis van de som van het chemisch
                            zuurstofverbruik en het zuurstofverbruik door omzetting van
                            stikstofverbindingen, zoals voorgeschreven in Bijlage I van deze
                            verordening. Eén vervuilingseenheid vertegenwoordigt met betrekking tot
                            zuurstofbindende stoffen een verbruik in het heffingsjaar van 54,8
                            kilogram zuurstof.</al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>7</nr>
            <titel>Meting, bemonstering en analyse</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1</lidnr>
            <al>Het aantal vervuilingseenheden van zuurstofbindende stoffen wordt
                            berekend met behulp van door meting, bemonstering en analyse verkregen
                            gegevens. De meting, bemonstering, analyse en berekening geschieden met
                            in achtneming van de in Bijlage I opgenomen voorschriften.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2</lidnr>
            <al>De in het eerste lid bedoelde meting, bemonstering en analyse geschieden
                            ieder etmaal van het heffingsjaar, behoudens het bepaalde in artikel
                            8.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>3</lidnr>
            <al>De meting, bemonstering en analyse geschieden zodanig dat:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>de gemeten hoeveelheid afvalwater niet meer dan 5% afwijkt van
                                    de werkelijke hoeveelheid afvalwater;</al></li>
              <li nr="b."><al>het verkregen monster representatief is voor de totale
                                    hoeveelheid stoffen die gedurende de bemonsteringsperiode vanuit
                                    het bedrijf of het bedrijfsonderdeel wordt geloosd.</al></li>
            </lijst>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>4</lidnr>
            <al>De heffingsplichtige brengt de wijze van meting en bemonstering met een
                            beschrijving van de daarvoor te gebruiken apparatuur, voor aanvang van
                            het heffingsjaar, ter kennis van de heffingsambtenaar van het
                            waterschap. Indien het gebruik van de apparatuur in de loop van het
                            heffingsjaar aanvangt of wijzigt, dan wordt dit voor de ingebruikname of
                            de wijziging ter kennis van de heffingsambtenaar van het waterschap
                            gebracht.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>5</lidnr>
            <al>De heffingsambtenaar van het waterschap:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>kan ambtshalve bepalen dat meting en bemonstering geschieden in
                                    afwijking van één of meer van de in Bijlage I, onderdeel A,
                                    opgenomen voorschriften, indien deze aannemelijk maakt dat dit
                                    noodzakelijk is ter voldoening aan het bepaalde in het derde
                                    lid, onderdelen a en b;</al></li>
              <li nr="b."><al>beslist op aanvraag van de heffingsplichtige, dat meting en
                                    bemonstering kunnen geschieden in afwijking van een of meer van
                                    de in Bijlage I, onderdeel A, opgenomen voorschriften, indien de
                                    heffingsplichtige aannemelijk maakt dat daarbij wordt voldaan
                                    aan het bepaalde in het derde lid, onderdelen a en b;</al></li>
              <li nr="c."><al>beslist op aanvraag van de heffingsplichtige, dat kan worden
                                    afgeweken van de in Bijlage I, onderdeel B, opgenomen
                                    analysevoorschriften, indien de heffingsplichtige aannemelijk
                                    maakt dat de nauwkeurigheid van de uitkomsten van de analyse
                                    hierdoor niet wordt beïnvloed;</al></li>
              <li nr="d."><al>kan omtrent de afwijkingen als bedoeld in de onderdelen a, b en
                                    c nadere voorschriften geven.</al></li>
            </lijst>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>6</lidnr>
            <al>De heffingsambtenaar van het waterschap neemt zijn beslissing, bedoeld
                            in het vijfde lid, onderdelen a, b en c, bij voor bezwaar vatbare
                            beschikking. Deze beschikking bevat in elk geval:</al>
            <lijst>
              <li nr="-"><al>de voorschriften van Bijlage I, onderdelen A en B, waarvan wordt
                                    afgeweken;</al></li>
              <li nr="-"><al>de afwijkingen bedoeld in het vijfde lid, onderdelen a, b en
                                    c;</al></li>
              <li nr="-"><al>de nadere voorschriften bedoeld in het vijfde lid, onderdeel
                                    d;</al></li>
              <li nr="-"><al>een vermelding van het heffingsjaar of de heffingsjaren waarvoor
                                    de beschikking wordt gegeven. </al></li>
            </lijst>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>7</lidnr>
            <al>De heffingsambtenaar van het waterschap kan bij veranderingen of te
                            verwachten veranderingen in de hoeveelheid of hoedanigheid van de
                            geloosde, respectievelijk te lozen stoffen, de desbetreffende
                            beschikkingen, bedoeld in het vijfde lid, ambtshalve wijzigen of
                            intrekken in verband met het bepaalde in het eerste lid en het derde
                            lid.</al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>8</nr>
            <titel>Beperkte meting, bemonstering en analyse</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>Op aanvraag van de heffingsplichtige, die aannemelijk maakt dat voor de
                            berekening van het aantal vervuilingseenheden kan worden volstaan met
                            gegevens welke met behulp van meting, bemonstering en analyse in een
                            beperkt aantal etmalen zijn verkregen, besluit de heffingsambtenaar van
                            het waterschap dat meting, bemonstering en analyse geschieden in
                            afwijking van het bepaalde in artikel 7, tweede lid. Het besluit op
                            aanvraag wordt genomen bij een voor bezwaar vatbare beschikking. Deze
                            beschikking bevat in elk geval:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>een opgave van de afvalstromen en de stoffen welke in het
                                    onderzoek dienen te worden betrokken;</al></li>
              <li nr="b."><al>de tijdvakken waarin meting, bemonstering en analyse geschieden,
                                    hetzij ieder etmaal van die tijdvakken, hetzij één of meer
                                    daartoe aangewezen etmalen daarvan;</al></li>
              <li nr="c."><al>de wijze waarop de op de voet van letter b verkregen uitkomsten
                                    worden herleid tot het aantal vervuilingseenheden over een
                                    aldaar bedoeld tijdvak, onderscheidenlijk over het
                                    heffingsjaar;</al></li>
              <li nr="d."><al>een vermelding van het heffingsjaar of de heffingsjaren waarvoor
                                    de beschikking wordt gegeven. </al></li>
            </lijst>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>De heffingsambtenaar van het waterschap kan bij veranderingen of te
                            verwachten veranderingen in de hoeveelheid of hoedanigheid van de
                            geloosde, respectievelijk te lozen stoffen, de desbetreffende
                            beschikking, bedoeld in het eerste lid, ambtshalve wijzigen of
                            intrekken, indien toepassing van berekeningsvoorschrift IV van onderdeel
                            C van bijlage I leidt tot een ander aantal etmalen dan in die
                            beschikking is opgenomen.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>3.</lidnr>
            <al>De heffingsambtenaar van het waterschap neemt zijn beslissing, bedoeld
                            in het tweede lid, bij voor bezwaar vatbare beschikking.</al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>9</nr>
            <titel>Hoedanigheidscorrectie</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>Indien de uitkomst van de methode tot bepaling van het chemisch
                            zuurstofverbruik bedoeld in artikel 6 in belangrijke mate is beïnvloed
                            door biologisch niet of nagenoeg niet afbreekbare stoffen, wordt op
                            aanvraag van de heffingsplichtige op die uitkomst een correctie
                            toegepast.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>De berekening van de correctie geschiedt met inachtneming van de
                            voorschriften welke zijn opgenomen in Bijlage I, onderdeel C.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>3.</lidnr>
            <al>De heffingsambtenaar van het waterschap neemt zijn beslissing als
                            bedoeld in het eerste lid, bij voor bezwaar vatbare beschikking. Deze
                            beschikking bevat in elk geval:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>de wijze van berekening van de correctie;</al></li>
              <li nr="b."><al>de hoeveelheid en samenstelling van het afvalwater waarop de
                                    correctie van toepassing is;</al></li>
              <li nr="c."><al>de frequentie en de wijze van onderzoek met betrekking tot
                                    meting, bemonstering en analyse;</al></li>
              <li nr="d."><al>een vermelding van het heffingsjaar of de heffingsjaren waarvoor
                                    de beschikking wordt gegeven.</al></li>
            </lijst>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>10</nr>
            <titel>Tabel afvalwatercoëfficiënten</titel>
          </kop>
          <lijst>
            <li nr="1."><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 7, eerste lid, kan het
                                aantal vervuilingseenheden met betrekking tot het zuurstofverbruik
                                in een kalenderjaar voor een bedrijfsruimte of een onderdeel daarvan
                                worden vastgesteld met behulp van de in Bijlage II van deze
                                verordening opgenomen tabel afvalwatercoëfficiënten, indien door de
                                heffingsplichtige aannemelijk is gemaakt dat het aantal
                                vervuilingseenheden met betrekking tot het zuurstofverbruik in een
                                kalenderjaar 1.000 of minder bedraagt en dit aantal aan de hand van
                                de hoeveelheid ingenomen water kan worden bepaald.</al></li>
            <li nr="2."><al>Het aantal vervuilingseenheden als bedoeld in het eerste lid wordt
                                berekend volgens de formule A x B, waarbij</al><al>A het aantal m³ in het kalenderjaar ten behoeve van de
                                bedrijfsruimte of het onderdeel van de bedrijfsruimte ingenomen
                                water;</al><al>B de afvalwatercoëfficiënt behorende bij de klasse van de in Bijlage
                                II opgenomen tabel met de klassengrenzen waarbinnen de
                                vervuilingswaarde met betrekking tot het zuurstofverbruik per m³ ten
                                behoeve van de bedrijfsruimte of van het onderdeel van de
                                bedrijfsruimte ingenomen water is gelegen.</al></li>
          </lijst>
          <lijst>
            <li nr="3."><al>Indien de in het kalenderjaar ingenomen hoeveelheid water niet kan
                                worden vastgesteld aan de hand van watermeterstanden die aan het
                                begin en aan het einde van het kalenderjaar zijn opgenomen, stelt de
                                heffingsambtenaar BWB die hoeveelheid vast op een door hem nader
                                vast te stellen wijze.</al></li>
            <li nr="4."><al>De vervuilingswaarde met betrekking tot het zuurstofverbruik per m³
                                als bedoeld in het tweede lid wordt, ingevolge artikel 7.5, vijfde
                                lid, van de Waterwet, bepaald met toepassing van de algemene
                                maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 122k, tweede lid, van
                                de Waterschapswet.</al></li>
            <li nr="5."><al>Indien het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot het
                                zuurstofverbruik in een kalenderjaar voor een bedrijfsruimte of een
                                onderdeel daarvan meer dan 1.000 bedraagt en de heffingsplichtige
                                aannemelijk maakt dat de berekening van het aantal
                                vervuilingseenheden met toepassing van de in het eerste lid, aanhef,
                                bedoelde tabel tot geen lagere uitkomst leidt dan die welke wordt
                                verkregen bij berekening op de voet van artikel 7, eerste lid,
                                beslist de heffingsambtenaar BWB bij voor bezwaar vatbare
                                beschikking op aanvraag van heffingsplichtige dat het aantal
                                vervuilingseenheden wordt berekend met toepassing van de tabel.</al></li>
          </lijst>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>11</nr>
            <titel>Vervuilingswaarde van tuinbouwkassen</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>In afwijking van artikel 7, eerste lid, wordt de vervuilingswaarde van
                            de stoffen die worden geloosd vanuit een bedrijfsruimte of een onderdeel
                            van een bedrijfsruimte bestemd om in het kader van de uitoefening van
                            een beroep of een bedrijf onder een permanente opstand van glas of
                            kunststof gewassen te telen, bepaald op basis van het tweede lid.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>De vervuilingswaarde bedraagt drie vervuilingseenheden per hectare
                            vloeroppervlak waarop onder glas of kunststof wordt geteeld en per deel
                            van een hectare vloeroppervlak een evenredig deel van drie
                            vervuilingseenheden.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>3.</lidnr>
            <al>Indien in de loop van het kalenderjaar het gebruik van een in het eerste
                            lid bedoelde bedrijfsruimte of onderdeel van een bedrijfsruimte, dan wel
                            van een deel daarvan, door de gebruiker aanvangt of eindigt, wordt hij
                            in dat kalenderjaar voor die bedrijfsruimte, voor dat onderdeel of voor
                            dat deel voor een evenredig gedeelte van het op basis van het tweede lid
                            bepaald aantal vervuilingseenheden aan een heffing onderworpen.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>4.</lidnr>
            <al>Een vervuilingswaarde voor de bedrijfsruimte of het onderdeel van een
                            bedrijfsruimte, berekend op basis van het tweede of derde lid, van
                            minder dan vijf vervuilingseenheden wordt op drie vervuilingseenheden,
                            en van één of minder dan één vervuilingseenheid op één
                            vervuilingseenheid gesteld.</al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>12</nr>
            <titel>Totale vervuilingswaarde van een bedrijfsruimte</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>De vervuilingswaarde van een bedrijfsruimte, wordt bepaald op de som van
                            de aantallen vervuilingseenheden als berekend overeenkomstig de
                            artikelen 7 tot en met 11, voor zover deze van toepassing zijn.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>De heffingsambtenaar van het waterschap is bevoegd twee of meer
                            beschikkingen gebaseerd op de artikelen 7, 8, 9, 10 van de Verordening
                            verontreinigingsheffing waterschap Brabantse Delta 2016 en/of de
                            Verordening zuiveringsheffing waterschap Brabantse Delta 2016 die
                            betrekking hebben op dezelfde bedrijfsruimte of onderdelen daarvan in
                            een geschrift te verenigen.</al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>13</nr>
            <titel>Vervuilingswaarde van kleine bedrijfsruimten</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>In afwijking van artikel 7, eerste lid, wordt de vervuilingswaarde van
                            de stoffen die vanuit een bedrijfsruimte of vanuit een
                            zuiveringtechnisch werk voor het zuiveren van afvalwater worden geloosd
                            gesteld op drie vervuilingseenheden indien door de heffingsplichtige
                            aannemelijk is gemaakt dat die vervuilingswaarde minder dan vijf
                            vervuilingseenheden bedraagt en op één vervuilingseenheid indien door de
                            heffingsplichtige aannemelijk is gemaakt dat die één vervuilingseenheid
                            of minder bedraagt.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>Indien de aanslag in het heffingsjaar al is opgelegd voor drie
                            vervuilingseenheden en de heffingsplichtige aannemelijk maakt dat de
                            vervuilingswaarde één vervuilingseenheid of minder bedraagt, bestaat
                            aanspraak op vermindering. De heffingsplichtige kan daartoe na afloop
                            van het heffingsjaar of, bij beëindiging van de heffingsplicht, in de
                            loop van het heffingsjaar een aanvraag indienen bij de heffingsambtenaar
                            BWB.</al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>14</nr>
            <titel>Vervuilingswaarde van woonruimten</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1</lidnr>
            <al>In afwijking van artikel 7, eerste lid, wordt de vervuilingswaarde van
                            de stoffen die vanuit een woonruimte worden geloosd, gesteld op drie
                            vervuilingseenheden. De vervuilingswaarde van de stoffen die vanuit een
                            door één persoon gebruikte woonruimte worden geloosd, bedraagt één
                            vervuilingseenheid.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2</lidnr>
            <al>Het eerste lid is niet van toepassing op de voor recreatiedoeleinden
                            bestemde woonruimten die zich bevinden op een voor verblijfsrecreatie
                            bestemd terrein dat als zodanig wordt geëxploiteerd. De in de vorige
                            volzin bedoelde woonruimten worden tezamen aangemerkt als een
                            bedrijfsruimte dan wel als onderdeel van een bedrijfsruimte.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>3</lidnr>
            <al>Indien de in het eerste lid bedoelde situatie dat een woonruimte wordt
                            gebruikt door één persoon ontstaat in de loop van het heffingsjaar,
                            wordt de vervuilingswaarde op één vervuilingseenheid vastgesteld met
                            ingang van de eerste dag van de kalendermaand volgend op de
                            kalendermaand waarin die situatie is ontstaan. Indien de hiervoor
                            bedoelde situatie ontstaat op de eerste dag van een kalendermaand, wordt
                            de vervuilingswaarde met ingang van die dag op één vervuilingseenheid
                            vastgesteld.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>4</lidnr>
            <al>Indien de in het derde lid bedoelde situatie ontstaat ná de dagtekening
                            van de aanslag, bestaat aanspraak op vermindering. De heffingsplichtige
                            kan daartoe een aanvraag indienen bij de heffingsambtenaar BWB.</al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>15</nr>
            <titel>Schatting</titel>
          </kop>
          <al>De heffingsambtenaar BWB kan het aantal vervuilingseenheden in een
                        kalenderjaar geheel of gedeeltelijk door middel van schatting vaststellen,
                        indien door de heffingsplichtige:</al>
          <lijst>
            <li nr="a."><al>zonder de in artikel 8 genoemde beschikking niet is voldaan aan de
                                in artikel 7, tweede lid, opgenomen verplichting;</al></li>
            <li nr="b."><al>niet of niet geheel is voldaan aan de voorwaarden, verbonden aan de
                                in artikel 8 of 9 genoemde beschikking;</al></li>
            <li nr="c."><al>meting, bemonstering en analyse niet of niet geheel zijn geschied in
                                overeenstemming met de in bijlage I opgenomen voorschriften;</al></li>
            <li nr="d."><al>niet is voldaan aan de in artikel 7, eerste lid, eerste volzin,
                                opgenomen verplichting en bepaling van de vervuilingswaarde
                                overeenkomstig de artikelen 10, 11, 13 en 14 niet mogelijk is, dan
                                wel bepaling van de vervuilingswaarde op basis van artikel 10,
                                vijfde lid, wel mogelijk is en door de heffingsplichtige gedurende
                                het heffingsjaar geen aanvraag als bedoeld in artikel 10, vijfde
                                lid, is ingediend.</al></li>
          </lijst>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>16</nr>
            <titel>Tarief</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>Het tarief bedraagt € 52,74 per vervuilingseenheid. </al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>Het tarief van een eenpersoonshuishouden bij gebruik van een woonruimte
                            bedraagt € 52,74 </al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>3.</lidnr>
            <al>Het tarief van een meerpersoonshuishouden bij gebruik van een woonruimte
                            bedraagt € 158,22 </al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>17</nr>
            <titel>Wijze van heffing en termijnen van betaling</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>De belasting wordt geheven bij wege van aanslag vastgesteld door de
                            heffingsambtenaar BWB..</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990
                            moeten de aanslagen worden betaald in twee gelijke termijnbedragen
                            waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de
                            maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de
                            tweede twee maanden na de eerste vervaldatum.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>3.</lidnr>
            <al>Indien een bestuurlijke boete is opgelegd is het bedrag inzake deze
                            bestuurlijke boete invorderbaar in twee gelijke termijnbedragen waarvan
                            de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die
                            in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee
                            maanden na de eerste vervaldatum.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>4.</lidnr>
            <al>In afwijking van het bepaalde in het tweede en derde lid geldt in geval
                            het totaalbedrag van alle op één aanslagbiljet verenigde aanslagen meer
                            bedraagt dan € 10.000 dat dit bedrag en een bestuurlijke boete op dit
                            aanslagbiljet moeten worden betaald op de laatste dag van de maand
                            volgend op die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>5.</lidnr>
            <al>In afwijking van het bepaalde in het tweede, derde en vierde lid geldt
                            ingeval machtiging is verleend tot automatische incasso en het
                            totaalbedrag van de op een aanslagbiljet verenigde aanslagen € 100 of
                            meer doch niet meer dan € 10.000 bedraagt, dat de aanslagen en de
                            bestuurlijk boete op dit aanslagbiljet moeten worden betaald in tien
                            gelijke termijnbedragen waarvan de eerste termijn vervalt op de 28e dag
                            van de maand volgende op de maand die in de dagtekening van het
                            aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een
                            maand later.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>6.</lidnr>
            <al>De in het vijfde lid bedoelde machtiging tot automatische incasso wordt
                            geacht niet te zijn verleend indien twee van de tien termijnen niet zijn
                            betaald doordat automatische incasso van de betaalrekening van de
                            belastingschuldige niet mogelijk blijkt dan wel binnen 56 dagen na
                            afschrijving zijn gestorneerd. Alsdan geldt de betaaltermijn in het
                            tweede lid.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>7.</lidnr>
            <al>In afwijking van de voorgaande leden moet een voorlopige aanslag worden
                            betaald in zoveel gelijke termijnbedragen als er na de maand van de
                            dagtekening van het aanslagbiljet nog maanden van het belastingjaar
                            overblijven, met dien verstande dat het aantal betalingstermijnen steeds
                            minimaal twee telt. De eerste termijn vervalt een maand na de
                            dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen
                            telkens een maand later.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>8.</lidnr>
            <al> In afwijking van de voorgaande leden is een navorderingsaanslag
                            invorderbaar een maand na de dagtekening van het aanslagbiljet.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>9.</lidnr>
            <al>De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in dit artikel
                            gestelde termijnen.</al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>18</nr>
            <titel>Niet opleggen van aanslagen</titel>
          </kop>
          <al>Belastingbedragen van minder dan € 10,00 worden niet geheven. Voor de
                        toepassing van de vorige volzin wordt het totaal van op een aanslagbiljet
                        verenigde aanslagen aangemerkt als één belastingbedrag.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>19</nr>
            <titel>Aangifte</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1</lidnr>
            <al>Met betrekking tot de verontreinigingsheffing geheven van gebruikers van
                            bedrijfsruimten wordt de uitnodiging door de heffingsambtenaar BWB tot
                            het doen van aangifte gedaan door: </al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>het uitreiken of toezenden van een aangiftebiljet;</al></li>
              <li nr="b."><al>het uitreiken of toezenden van een aangiftebrief waarin wordt
                                    verzocht om aangifte te doen op de wijze als bedoeld in het
                                    tweede lid, letter b.</al></li>
            </lijst>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2</lidnr>
            <al>Het doen van aangifte bij de heffingsambtenaar BWB geschiedt door:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>het inleveren of toezenden van het aangiftebiljet met de daarbij
                                    gevraagde bescheiden;</al></li>
              <li nr="b."><al>het op elektronische wijze toezenden van de door de betreffende
                                    programmatuur gevraagde gegevens.</al></li>
            </lijst>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>20</nr>
          </kop>
          <al>Bij de invordering van de heffing ter zake van het lozen vanuit een
                        woonruimte kan kwijtschelding worden verleend.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>21</nr>
            <titel>Nadere regels</titel>
          </kop>
          <al>Het dagelijks bestuur van de Belastingsamenwerking West-Brabant kan nadere
                        regels geven met betrekking tot de heffing en de invordering van de
                        verontreinigingsheffing met dien verstande dat het dagelijks bestuur van het
                        waterschap ook nadere regels kan geven met betrekking tot de taak en
                        bevoegdheden van de heffingsambtenaar van het waterschap. </al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>22</nr>
            <titel>Overgangsrecht en inwerkingtreding</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>De verordening verontreinigingsheffing waterschap Brabantse Delta 2015,
                            vastgesteld bij besluit van het algemeen bestuur van 12 november 2014
                            wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van
                            ingang van de heffing, met dien verstande, dat zij van toepassing blijft
                            op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. </al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>Deze verordening treedt inwerking met ingang van de eerste dag na die
                            van de bekendmaking. </al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>3.</lidnr>
            <al>De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2016 </al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>23</nr>
            <titel>Citeertitel</titel>
          </kop>
          <al>Deze verordening wordt aangehaald als: 'Verordening verontreinigingsheffing
                        waterschap Brabantse Delta 2016’ </al>
          <al/>
        </artikel>
      </regeling-tekst>
      <regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering>
        
        <ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 11 november 2015.</ondertekening>
        <ondertekening/>
        <ondertekening>De 1e loco-dijkgraaf</ondertekening>
        <ondertekening>C.A.A. Coppens</ondertekening>
        <ondertekening/>
        <ondertekening>De plv. secretaris-directeur</ondertekening>
        <ondertekening>dr. A.F.M. Meuleman</ondertekening>
      </regeling-sluiting>
      <bijlage>
        <kop>
          <titel>Bijlage I </titel>
        </kop>
        <al>Voorschriften voor meting, bemonstering, analyse en berekening behorende bij de
                    verordening Verontreinigingsheffing waterschap Brabantse Delta 2016.</al>
        <tussenkop>Definitiebepalingen</tussenkop>
        <al>In deze bijlage wordt verstaan onder:</al>
        <lijst>
          <li nr="a."><al>etmaal: de aaneengesloten periode van 24 uur waarover een
                            etmaalverzamelmonster wordt samengesteld;</al></li>
          <li nr="b."><al>debiet: de hoeveelheid afgevoerd afvalwater gedurende het etmaal;</al></li>
          <li nr="c."><al>debietmeter: meter waarmee (bijvoorbeeld door middel van magnetische
                            inductie) het debiet gemeten wordt;</al></li>
          <li nr="d."><al>momentaan debiet: de hoeveelheid afgevoerd afvalwater gedurende een
                            moment van meting;</al></li>
          <li nr="e."><al>kalibreren: bepalen van de waarde van de afwijkingen ten opzichte van
                            een van toepassing zijnde standaard;</al></li>
          <li nr="f."><al>droog kalibreren: kalibreren van een debietmeter waarbij een
                            doorstroming van een hoeveelheid water door de debietmeter wordt
                            gesimuleerd;</al></li>
          <li nr="g."><al>nat kalibreren: kalibreren van een debietmeter waarbij daadwerkelijk een
                            nauwkeurig bekende hoeveelheid vloeistof door de debietmeter wordt
                            geleid;</al></li>
          <li nr="h."><al>gesloten meetsysteem: meetsysteem dat het debiet meet in een gesloten
                            leiding of in een gesloten drukleiding, waarbij het afvalwater niet in
                            contact staat met de buitenlucht;</al></li>
          <li nr="i."><al>open meetsysteem: meetsysteem waarbij het oppervlak van het stromende
                            afvalwater in contact staat met de buitenlucht;</al></li>
          <li nr="j."><al>moedermeter: debietmeter, waarvan de installatie kan worden herleid naar
                            de nationale volumestandaard van het Nederlands Meetinstituut;</al></li>
          <li nr="k."><al>bewaartermijn: de periode tussen het einde van het etmaal en het begin
                            van de voorbehandeling ten behoeve van de uitvoering van de
                            analyse;</al></li>
          <li nr="l."><al>aantoonbaarheidsgrens: laagste concentratie van de component in het
                            monster waarvan de aanwezigheid nog met een bepaalde betrouwbaarheid kan
                            worden vastgesteld, zijnde 3x de spreiding van binnenlab
                            reproduceerbaarheid.</al></li>
        </lijst>
        <tussenkop>A Wijze van meting, bemonstering en monsterbehandeling</tussenkop>
        <tussenkop>Paragraaf 1 Algemeen</tussenkop>
        <al>De meet– en bemonsteringsvoorzieningen verkeren in een goede staat, worden
                    regelmatig schoongemaakt en zijn altijd goed en veilig toegankelijk. De meet– en
                    bemonsteringsvoorzieningen worden overeenkomstig onderstaande bepalingen
                    respectievelijk NEN 6600–1 (Water–Monsterneming–Deel 1: Afvalwater 2009)
                    geïnstalleerd en onderhouden. Een afvalwaterstroom kan zowel in een open als in
                    een gesloten meetsysteem worden gemeten en bemonsterd.</al>
        <al>In paragraaf 2 wordt nader ingegaan op de meting en in paragraaf 3 op de
                    bemonstering.</al>
        <al>In paragraaf 4 wordt nader ingegaan op de behandeling van het samengestelde
                    etmaalverzamelmonster.</al>
        <tussenkop>Paragraaf 2 Meting</tussenkop>
        <al>De meting betreft het debiet. Het debiet wordt in de afvalwaterstroom
                    gemeten.</al>
        <al>In de plaats van de meting in de afvalwaterstroom kan het debiet worden bepaald
                    op basis van meting van de hoeveelheid water in het watertoevoersysteem van het
                    bedrijf of van de bedrijfsonderdelen. In het laatstbedoelde geval mag de per
                    etmaal afgevoerde hoeveelheid afvalwater niet groter zijn dan de in dezelfde
                    periode toegevoerde hoeveelheid water.</al>
        <tussenkop>2.1 Open meetsystemen</tussenkop>
        <al>Bij open meetsystemen wordt een meetput of een meetgoot toegepast.</al>
        <al>Bij toepassing van een meetput gelden de volgende eisen:</al>
        <lijst>
          <li nr="1."><al>de momentane debieten in het etmaal, gemeten bij overstorthoogten van
                            minder dan 0,05 meter, bedragen gesommeerd minder dan 5% van het gemeten
                            debiet;</al></li>
          <li nr="2."><al>de momentane debieten in het etmaal, gemeten bij overstorthoogten van
                            minder dan 0,125 meter, bedragen gesommeerd minder dan 10% van het
                            gemeten debiet.</al></li>
        </lijst>
        <al>Bij toepassing van een meetgoot bedragen de momentane debieten in het etmaal,
                    van minder dan 16,4% van het maximaal mogelijk momentane debiet, gesommeerd,
                    minder dan 10% van het gemeten debiet.</al>
        <al>Het open meetsysteem is voorzien van een niet-resetbare pulsteller. Registratie
                    van momentane meetgegevens vindt plaats door middel van een printer of
                    datalogger.</al>
        <al>De apparatuur voor de hoogtemeting wordt minimaal éénmaal per jaar bij
                    overstorthoogten van 5, 10, 15, 20 en 25 centimeter droog gekalibreerd. In het
                    kalibratierapport wordt voor elke overstorthoogte een vergelijking gemaakt
                    tussen de gemeten hoeveelheid afvalwater gedurende de periode van het
                    kalibreren, en de bij de desbetreffende overstorthoogte met behulp van de
                    afvoerrelatie van de meetvoorziening berekende hoeveelheid afvalwater over de
                    periode van het kalibreren. Zowel het absolute als het procentuele verschil
                    wordt hierbij worden aangegeven. Bij ultrasone hoogtemeting wordt ook de
                    temperatuurmeting en de temperatuurcorrectie gecontroleerd en gecorrigeerd bij
                    afwijking. De werking van de volgapparatuur bij meting wordt gecontroleerd door
                    vergelijking van de aanwijzing, registratie (recorder en/of printer), integratie
                    en telling.</al>
        <tussenkop>2.2 Gesloten meetsystemen</tussenkop>
        <al>De momentane debieten in het etmaal, van minder dan 10% van het maximaal
                    mogelijk momentaan debiet, bedragen gesommeerd minder dan 5% van het gemeten
                    debiet.</al>
        <al>Het gesloten meetsysteem is voorzien van een niet–resetbare pulsteller.</al>
        <al>Registratie van momentane meetgegevens vindt plaats door middel van een printer
                    of datalogger.</al>
        <tussenkop>Inbouw</tussenkop>
        <al>Bij de inbouw van een nieuwe debietmeter in een gesloten meetsysteem wordt een
                    ‘af fabriek’ kalibratierapport meegeleverd, waarop naast de meterspecifieke
                    kalibratiefactor, óók de correctiefactor, of meterconstante staat aangegeven.
                    Natte kalibratie in ingebouwde toestand vindt direct plaats na inwerkingstelling
                    van de debietmeter.</al>
        <al>Voorts worden aan de inbouw de volgende eisen gesteld:</al>
        <lijst>
          <li nr="a."><al>Bij het inbouwen wordt rekening gehouden met de mogelijkheid tot het
                            uitvoeren van een natte kalibratie in–situ.</al></li>
          <li nr="b."><al>De lengte van de rechte leiding vóór de meetbuis bedraagt minimaal vijf
                            maal de diameter van de meetbuis, gerekend vanuit het hart van de
                            meter.</al></li>
          <li nr="c."><al>De lengte van de rechte leiding ná de meetbuis bedraagt minimaal twee
                            maal de diameter van de meetbuis, gerekend vanuit het hart van de
                            meter.</al></li>
          <li nr="d."><al>De diameter van de rechte leiding vóór en ná de meetbuis is gelijk aan
                            de nominale diameter van de meetbuis (de inwendige diameters van de
                            meetbuis en in – en uitlaatstukken zijn gelijk).</al></li>
          <li nr="e."><al>Toegepaste pakkingen steken niet naar binnen toe uit.</al></li>
          <li nr="f."><al>De meetbuis is dusdanig ingebouwd dat deze altijd volledig gevuld is met
                            water.</al></li>
          <li nr="g."><al>De meter is geaard door middel van een aardring, dan wel met een
                            aardelektrode die is ingebouwd in de meter.</al></li>
        </lijst>
        <tussenkop>Natte kalibratie</tussenkop>
        <al>De meetapparatuur wordt ten minste éénmaal per drie jaar in ingebouwde toestand
                    nat gekalibreerd. In het jaar van natte kalibratie hoeft niet tevens een droge
                    kalibratie te worden uitgevoerd.</al>
        <al>Voor debietmeters in mobiele meetapparatuur vindt de natte kalibratie jaarlijks
                    plaats in ingebouwde toestand bij minimaal de volgende vijf meetpunten: 10%,
                    25%, 50%, 75% en 100% van het werkgebied van de te kalibreren meter op een
                    ijkinstallatie waarvan de installatie kan worden herleid naar de nationale
                    volumestandaard van het Nederlands Meetinstituut (NMi). Onder werkgebied wordt
                    verstaan: het meetgebied tussen het minimale momentane debiet en het maximale
                    momentane debiet waarin de te kalibreren debietmeter in de praktijk wordt
                    toegepast. </al>
        <al>Voorts worden aan de natte kalibratie de volgende eisen gesteld:</al>
        <lijst>
          <li nr="a."><al>Minimaal éénmaal per drie jaar worden gesloten meetsystemen in
                            ingebouwde toestand nat gekalibreerd. Onder natte kalibratie wordt
                            verstaan dat een vooraf nauwkeurig bepaalde hoeveelheid water door de te
                            kalibreren meter wordt geleid (waarbij deze hoeveelheid is vastgesteld
                            bij een onder b genoemde instelling), dan wel dat tijdelijk een tweede,
                            bij voorkeur op hetzelfde meetprincipe gebaseerd meetsysteem in serie
                            wordt geplaatst en fungeert als moedermeter, dan wel op een andere, door
                            de heffingsambtenaar van het waterschap goedgekeurde methode. De wijze
                            van natte kalibratie vindt in overleg met de afdeling Handhaving van het
                            Waterschap plaats. De natte kalibratie dient uiterlijk twee weken voor
                            aanvang te worden gemeld via M&amp;B@brabantsedelta.nl.</al></li>
          <li nr="b."><al>Indien bij de natte kalibratie gebruik gemaakt wordt van een
                            moedermeter, wordt deze in ingebouwde toestand nat gekalibreerd bij
                            minimaal de volgende vijf meetpunten: 10%, 25%, 50%, 75% en 100% van het
                            werkgebied van de te kalibreren meter. De natte kalibratie van de
                            moedermeter vindt plaats op een ijkinstallatie van een ijkbevoegde
                            instelling, waarvan de installatie kan worden herleid naar de nationale
                            volumestandaard van het Nederlands Meetinstituut (NMi). Ook wanneer de
                            moedermeter nieuw is, wordt deze gekalibreerd op één van de genoemde
                            installaties, waarbij de meter is ingebouwd in de meetset of meetwagen
                            waarin deze in de praktijk zal worden ingezet.</al></li>
          <li nr="c."><al>Het kalibratierapport van de moedermeter, waaruit het onder b bepaalde
                            moet blijken, mag niet ouder zijn dan één jaar. Dit kalibratierapport
                            wordt bij die van het gekalibreerde meetsysteem gevoegd.</al></li>
          <li nr="d."><al>Tijdens de natte kalibratie wordt zoveel water door het te kalibreren
                            meetsysteem geleid, dat minimaal 1.000 waarnemingen worden bereikt.
                            Indien nodig kan hiertoe voor de kalibratieperiode de pulsinstelling
                            tijdelijk aangepast worden. De kalibratie vindt plaats in het werkgebied
                            waarin de te kalibreren meter onder normale bedrijfsomstandigheden
                            functioneert.</al></li>
          <li nr="e."><al>Tijdens de natte kalibratie worden de gemeten hoeveelheden water van de
                            te kalibreren flowmeter (én van de moedermeter, wanneer daarvan sprake
                            is) door middel van printers of dataloggers met een frequentie van
                            minimaal éénmaal per uur geregistreerd. In geval van het toepassen van
                            dataloggers worden ook de ruwe, onbewerkte data bij het
                            kalibratierapport gevoegd.</al></li>
          <li nr="f."><al>Bij de natte kalibratie wordt ook de randapparatuur, voor zover die
                            betrokken is bij de registratie van de meetgegevens, op een goede
                            werking gecontroleerd.</al></li>
        </lijst>
        <tussenkop>Droge kalibratie</tussenkop>
        <al>Meetapparatuur voor debietmetingen wordt ten minste éénmaal per jaar droog
                    gekalibreerd,</al>
        <al>tenzij in dat jaar een natte kalibratie plaatsvindt.</al>
        <al>Voorts worden aan de droge kalibratie de volgende eisen gesteld:</al>
        <lijst>
          <li nr="a."><al>Bij een droge kalibratie wordt de weerstand of de geleidbaarheid tussen
                            de elektroden gemeten. Wanneer aan de hand van deze controle blijkt dat
                            de meetbuis (mogelijk) vervuild is, dient deze te worden gereinigd.</al></li>
          <li nr="b."><al>Op het kalibratierapport van een droge kalibratie wordt de weerstand of
                            de geleidbaarheid tussen de elektroden weergegeven. Wanneer de meetbuis
                            is gereinigd, wordt deze waarde zowel vóór, als ná het reinigen in het
                            kalibratierapport vermeld.</al></li>
          <li nr="c."><al>Bij de droge kalibratie wordt ook de werking van randapparatuur, voor
                            zover die betrokken is bij de registratie van de meetgegevens, op een
                            goede werking gecontroleerd.</al></li>
          <li nr="d."><al>Wanneer bij een droge kalibratie blijkt dat de meetfout groter is dan
                            5%, wordt het gesloten meetsysteem onmiddellijk in ingebouwde toestand
                            nat gekalibreerd, volgens de bepalingen welke van toepassing zijn bij
                            een natte kalibratie.</al></li>
        </lijst>
        <tussenkop>Kalibratierapport</tussenkop>
        <al>Van een debietmeter moet het kalibratierapport binnen 1 maand na de kalibratie
                    toegezonden worden aan M&amp;B@brabantsedelta.nl.</al>
        <al>Bij een natte kalibratie in ingebouwde toestand (dat wil zeggen: ter plekke op
                    het bedrijf, of als</al>
        <al>complete mobiele meetset op een ijkbank van een daartoe bevoegde instantie),
                    worden de volgende aspecten vastgesteld én gerapporteerd op het
                    kalibratierapport:</al>
        <lijst>
          <li nr="-"><al>de ‘as–found’ meetafwijking (de gevonden meetafwijking, nog vóór
                            eventuele reiniging van de debietmeter);</al></li>
          <li nr="-"><al>eventuele hardwarematige aanpassingen (nieuwe spoel, etc.);</al></li>
          <li nr="-"><al>de justering (softwarematige aanpassing van de
                            correctiefactor/meterconstante);</al></li>
          <li nr="-"><al>de ‘as–left’ meetafwijking, eventueel na hardwarematige
                            aanpassing/justering;</al></li>
          <li nr="-"><al>de (eventueel nieuwe) correctiefactor, of meterconstante.</al></li>
        </lijst>
        <tussenkop>Paragraaf 3 Bemonstering</tussenkop>
        <tussenkop>3.1 Algemeen, instelling en uitvoering van apparatuur</tussenkop>
        <al>De bemonstering dient plaats te vinden met behulp van automatische
                    monstername–apparatuur. De bemonstering geschiedt in overeenstemming met NEN
                    6600–1 (Water–Monsterneming–Deel 1: Afvalwater 2009), met dien verstande dat
                    bemonstering door steekbemonstering niet is toegestaan, tenzij anders
                    bepaald.</al>
        <tussenkop>Paragraaf 4 Monsterbehandeling</tussenkop>
        <tussenkop>4.1 Algemeen</tussenkop>
        <al>De monsterbehandeling geschiedt in overeenstemming met NEN 6600–1
                    (Water–Monsterneming–Deel 1: Afvalwater 2009) en conform paragraaf 9 van NEN
                    6600-1009) wordt direct na monsterneming geconserveerd volgens NEN-EN-ISO 5667-3
                    (2012). De monsters worden gekoeld en in donker bewaard tussen 1° en 5° C.</al>
        <al>Van elk verzameld monster dient een representatief deel van 3 liter gedurende 24
                    uur in een goed gesloten vat/fles bij maximaal 5° C in het donker te worden
                    bewaard ten behoeve van contra-analyse door het waterschap. De monsterflessen
                    bestemd voor analyse door de heffingplichtige en voor contra–analyse vanwege de
                    heffingsambtenaar van het waterschap worden om en om gevuld. Op deze wijze wordt
                    bewerkstelligd dat het monster voor de analyse op een heffingsparameter door de
                    heffingplichtige en voor de desbetreffende contra–analyse vanwege de
                    heffingsambtenaar van het waterschap zoveel mogelijk identiek zijn.</al>
        <tussenkop>4.2 Conservering en maximale bewaartermijn</tussenkop>
        <al>De monsters uit het etmaalverzamelmonster worden tot en met het einde van de
                    bewaartermijn geconserveerd op de wijze zoals is aangegeven in tabel A.
                    Wanneereen monster uit het etmaalverzamelmonster wordt ingevroren of chemisch
                    geconserveerd, geschiedt dit binnen 12 uur na afloop van het etmaal. De
                    eventuele voorschriften met betrekking tot chemische conservering gelden in
                    aanvulling op de voorschriften met betrekking tot de conserveringstemperatuur
                    gedurende de bewaartermijn.</al>
        <al>In tabel A zijn tevens de maximale bewaartermijnen opgenomen die gelden voor de
                    onderscheidenlijk</al>
        <al>uit te voeren analyses. De voorbehandeling ten behoeve van een analyse vangt na
                    het einde van het etmaal aan, binnen de maximale bewaartermijn die bij de
                    desbetreffende analyse in tabel A is vermeld. De voorbehandeling van het monster
                    ten behoeve van de analyse, waaronder ondermeer wordt begrepen het ontdooien van
                    bevroren monsters, wordt uitgevoerd op een wijze en binnen een zodanige termijn
                    dat daardoor de representativiteit van het monster niet wordt verstoord. Een
                    monster dat op één van de in tabel A aangegeven wijzen chemisch is geconserveerd
                    wordt niet gebruikt voor één van de in tabel A opgenomen wijzen van analyse,
                    waarvoor op basis van tabel A geen of andere voorschriften op het vlak van de
                    chemische conservering gelden.</al>
        <al>
          <plaatje>
            <illustratie id="i958148ef-b64b-4af1-b304-c1550fb8405c" naam="i263069i958148ef-b64b-4af1-b304-c1550fb8405c.png" type="foto" breedte="15.9cm" hoogte="10.8cm"/>
          </plaatje>
        </al>
        <al>Het biochemisch zuurstofverbruik is weliswaar geen heffingsparameter voor de
                    verontreinigingsheffing, maar wordt aangewend bij toepassing van
                    berekeningsvoorschrift II van Onderdeel C van deze bijlage. Op grond van dit
                    berekeningsvoorschrift wordt de methode van het biochemisch zuurstofverbruik
                    toegepast voor de bepaling van het percentage chemisch zuurstofverbruik van de
                    biologisch niet of nagenoeg niet afbreekbare stoffen.</al>
        <tussenkop>B Analysevoorschriften</tussenkop>
        <tussenkop>Paragraaf 1 Algemeen</tussenkop>
        <al>De analyses worden uitgevoerd in het representatieve monster, dat is verkregen
                    op de in onderdeel A van deze bijlage vermelde wijze. Het onderzoek wordt in het
                    water als zodanig </al>
        <al>uitgevoerd, dus zonder dat daaruit bezinkbare of opdrijvende bestanddelen zijn
                    verwijderd. Er is in dit onderdeel verwezen naar normbladen, uitgegeven door het
                    Nederlands Normalisatie–Instituut. De publicatie van de normbladen wordt
                    aangekondigd in de Nederlandse Staatscourant. Een wijziging in een normblad
                    wordt eerst van kracht op 1 januari van het jaar volgende op dat waarin de
                    bekendmaking van de wijziging in de Nederlandse Staatscourant heeft
                    plaatsgevonden.</al>
        <al>De in tabel B vermelde aantoonbaarheidsgrenzen zijn de concentraties van de
                    desbetreffende stoffen die bij de analyse ten minste aangetoond moeten kunnen
                    worden.</al>
        <tussenkop>Paragraaf 2 Analyse</tussenkop>
        <al>De analyse van het monster geschiedt op de wijze zoals die is aangegeven in
                    tabel B, volgens de actuele versie van die norm.</al>
        <al>
          <plaatje>
            <illustratie id="i4f8936cb-927e-4a40-948c-9bd27b9eaa01" naam="i263070i4f8936cb-927e-4a40-948c-9bd27b9eaa01.png" type="foto" breedte="15.9cm" hoogte="10.4cm"/>
          </plaatje>
        </al>
        <lijst>
          <li nr="1)"><al>De analyse volgens normblad NEN-ISO 15705 is toepasbaar voor onverdunde
                            monsters met een gehalte aan zuurstofverbruik tot aan 1.000 mg/l en
                            chloridenconcentraties die lager zijn dan 1.000 mg/l. De ambtenaar
                            belast met de heffing kan voorts de methode niet toepasbaar verklaren
                            indien naar zijn oordeel andere omstandigheden daartoe aanleiding
                            geven.</al></li>
          <li nr="2)"><al>De analyse volgens normblad NEN-ISO 15705 heeft een
                            aantoonbaarheidsgrens van 6 mg/l voor fotometrische detectie bij 600 nm
                            en 15 mg/l voor titrimetrische detectie (gebaseerd op één enkelvoudige
                            meting van één laboratorium) wanneer cuvetten worden gebruikt met een
                            bereik van maximaal 1.000 mg/l.</al></li>
        </lijst>
        <tussenkop>C Berekeningsvoorschriften</tussenkop>
        <al>
          <plaatje>
            <illustratie id="ie8a62520-af25-4b6c-a65f-53c2423f3402" naam="i263071ie8a62520-af25-4b6c-a65f-53c2423f3402.png" type="foto" breedte="15.9cm" hoogte="17.4cm"/>
          </plaatje>
        </al>
      </bijlage>
      <bijlage>
        <kop>
          <titel>Bijlage II Tabel afvalwatercoëfficiënten (artikel 122k, derde lid,
                        Waterschapswet) behorende bij de Verordening verontreinigingsheffing
                        waterschap Brabantse Delta 2016</titel>
        </kop>
        <al>
          <plaatje>
            <illustratie id="iab913671-6707-4c2c-9fe1-1d829e317227" naam="i263072iab913671-6707-4c2c-9fe1-1d829e317227.png" type="foto" breedte="15.9cm" hoogte="8.2cm"/>
          </plaatje>
        </al>
        <tussenkop>Toelichting bij de Verordening verontreinigingsheffing waterschap
                    Brabantse Delta 2016</tussenkop>
        <al/>
        <al>Doelstelling en karakter verontreinigingsheffing</al>
        <al>Het zuiveren van stedelijk afvalwater is een taak die bij het waterschap is
                    ondergebracht. De financiering daarvan (de Waterschapswet spreekt van: de
                    behartiging van de taak inzake het zuiveren van afvalwater) gebeurt met ingang
                    van 2009 uit de opbrengst van de zuiveringsheffing, waarvoor de bepalingen zijn
                    opgenomen in de artikelen 122c tot en met 122k van de Waterschapswet.</al>
        <al>Alle overige activiteiten die niet tot het zuiveren en/of transporteren van
                    afvalwater behoren, zijn samen met de zorg voor de waterkering en de zorg voor
                    de beheersing van het oppervlaktewater nu ondergebracht in de zorg voor het
                    watersysteem. De kosten daarvan worden bestreden uit de opbrengst van de
                    watersysteemheffing, die in de plaats is gekomen van de waterschapsomslagen
                    (artikel 117 van de Waterschapswet).</al>
        <al>Lozingen op oppervlaktewater zijn aan de verontreinigingsheffing onderworpen. De
                    verontreinigingsheffing voor deze lozingen is opgenomen in hoofdstuk 7 van de
                    Waterwet. De opbrengst daarvan komt ten goede aan het watersysteem. </al>
        <tussenkop>Artikel 1 Begripsbepalingen</tussenkop>
        <al>Om duidelijkheid te scheppen over een aantal in de verordening voorkomende
                    begrippen en om de leesbaarheid van de tekst te bevorderen, is van deze
                    begrippen een omschrijving gegeven in artikel 1. </al>
        <tussenkop>Onderdeel a</tussenkop>
        <al>De Waterwet introduceert het begrip oppervlaktewaterlichaam. Dit is meer
                    omvattend dan het begrip oppervlaktewater zoals dat in de Wet verontreiniging
                    oppervlaktewateren wordt genoemd en later in jurisprudentie nader inhoud heeft
                    gekregen. In artikel 7.1, tweede lid, van de Waterwet wordt ten aanzien van de
                    verontreinigingsheffing een tweetal zaken uitgezonderd, te weten als zodanig
                    aangewezen drogere oevergebieden en de exclusieve economische zone. Er is voor
                    gekozen om van die uitzonderingen alleen de drogere oevergebieden als
                    uitzondering op te nemen. De exclusieve economische zone is het water in de
                    Noordzee buiten de territoriale wateren boven het Nederlandse deel van het
                    continentaal plat en zal daarom in geen enkel geval binnen het beheersgebied van
                    een waterschap vallen. De uitzondering van de exclusieve economische zone heeft
                    dus alleen effect voor zover het de verontreinigingsheffing door het rijk
                    betreft.</al>
        <al>Nu het begrip oppervlaktewater is vervangen door oppervlaktewaterlichaam, doet
                    zich de vraag voor of en in hoeverre de in de loop der jaren ontstane
                    definiëring van het begrip oppervlaktewater ook van toepassing is op
                    oppervlaktewaterlichaam. </al>
        <al>De Memorie van Toelichting op het wetsvoorstel (Kamerstuk 2006-2007, 30 818, nr.
                    3) geeft daarover uitsluitsel. Op pagina 88 staat: “Onder de begripsomschrijving
                    vallen aldus de watereenheden waarop de jurisprudentie van de Hoge Raad inzake
                    het begrip oppervlaktewater uit de Wet verontreiniging oppervlaktewateren – dat
                    in die wet overigens niet is gedefinieerd – betrekking heeft”. Zoals bekend mag
                    worden verondersteld, is er destijds bij de Wet verontreiniging
                    oppervlaktewateren bewust voor gekozen om, vanwege de grote verscheidenheid in
                    verschijningsvormen, het begrip oppervlaktewateren niet in de wet te
                    omschrijven. Nadere definiëring zou moeten plaatsvinden door middel van
                    jurisprudentie. In de Memorie van Toelichting is wel aangegeven welke eisen aan
                    oppervlaktewater zouden kunnen worden gesteld.</al>
        <al>Zo zou het: </al>
        <lijst>
          <li nr="-"><al>geschikt moeten zijn om te dienen als grondstof voor drinkwater voor de
                            mens dat tegen een redelijke prijs is te distribueren;</al></li>
          <li nr="-"><al>geschikt moeten zijn om te dienen als drinkwater voor vee;</al></li>
          <li nr="-"><al>geschikt moeten zijn als sproei- en gietwater in de agrarische
                            sector;</al></li>
          <li nr="-"><al>geschikt moeten zijn voor recreatieve doeleinden;</al></li>
          <li nr="-"><al>geschikt moeten zijn voor industriële toepassingen; of</al></li>
          <li nr="-"><al>vormen van aquatisch leven kunnen bevatten.</al></li>
        </lijst>
        <al>Uit de Memorie van Toelichting blijkt verder dat het begrip zich niet beperkt
                    tot openbare wateren. </al>
        <al>Zoals verwacht is in de jurisprudentie aan het begrip oppervlaktewater de nodige
                    invulling gegeven. De meest uitgebreide definitie gaf de Hoge Raad in zijn
                    arrest van 30 november 1982 (BNB 1983/89):</al>
        <al>Als oppervlaktewater in de zin der wet is te beschouwen een – anders dan louter
                    incidenteel aanwezige – aan het oppervlak en aan de open lucht grenzende
                    watermassa (met inbegrip van een bedding waarin zodanige watermassa al dan niet
                    bij voortduring voorkomt), tenzij daarin als gevolg van rechtmatig gebruik ten
                    behoeve van een specifiek doel geen normaal samenhangend geheel van levende
                    organismen en een niet–levende omgeving (ecosysteem) aanwezig is, dan wel het
                    een ter berging van afval gegraven bekken betreft waarin slechts in een
                    overgangsfase water aanwezig is en zich nog geen normaal ecosysteem heeft
                    ontwikkeld.’</al>
        <al>Een sloot van 300 meter lang en 2,5 meter breed die ‘s winters is gevuld en ‘s
                    zomers in de regel althans gedeeltelijk enig water bevat, moet onder andere
                    vanwege het feit dat de sloot kan dienen voor landbouwdoeleinden, worden
                    aangemerkt als oppervlaktewater (Hoge Raad 12 november 1980, BNB 1981/43 en na
                    verwijzing Hof Amsterdam 28 oktober 1981 BNB 1983/55, Belastingblad 1987, blz.
                    249).</al>
        <al>Een sloot van waaruit geregeld – dat wil zeggen niet minder dan eenmaal per jaar
                    – gedurende enige tijd water wegvloeit naar een ander slotenstelsel kan als
                    oppervlaktewater worden aangemerkt (Hoge Raad 26 januari 1983, BNB 1983/89,
                    Belastingblad 1983, blz. 182 en Hoge Raad 22 juni 1983, BNB 1983/241,
                    Belastingblad 1983, blz. 465).</al>
        <al>Ook afgedamde slootgedeelten kunnen oppervlaktewater zijn (Hoge Raad 25 mei
                    1983, BNB 1983/247, Belastingblad 1983, blz. 462).</al>
        <al>Een open beekvak dat deel uitmaakt van een (ondergrondse) verbinding tussen twee
                    oppervlaktewateren kan als oppervlaktewater worden aangemerkt, ook als de klep
                    in de duiker onder de naast die verbinding gelegen weg gedurende het
                    heffingsjaar was gesloten (Hoge Raad 27 maart 1985, BNB 1985/167, Belastingblad
                    1985, blz. 464).</al>
        <al>Een greppel van vijftig meter lang en een meter breed, die aan weerszijden van
                    het lozingspunt slechts over een lengte van tien meter enig water bevat en niet
                    in verbinding staat met enig oppervlaktewater, kan niet als oppervlaktewater
                    worden aangemerkt (Hoge Raad 27 januari 1988, BNB 1988/123, Belastingblad 1988,
                    blz. 223).</al>
        <tussenkop>Onderdeel b</tussenkop>
        <al>Voor de omschrijving van ‘stoffen’ is verwezen naar de stoffen genoemd in
                    artikel 6. In dat artikel zijn de stoffen opgenomen die door het waterschap in
                    de heffing worden betrokken.</al>
        <tussenkop>Onderdeel c</tussenkop>
        <al>Lozen is het brengen van stoffen in een oppervlaktewaterlichaam.</al>
        <tussenkop>Onderdeel d</tussenkop>
        <al>Dit onderdeel regelt wat onder een woonruimte moet worden verstaan. Niet elke
                    bewoonde ruimte kan als woonruimte worden aangemerkt. Een woonruimte wordt
                    geacht te zijn bestemd om als een afzonderlijk geheel te voorzien in
                    woongelegenheid. Of dit het geval is moet blijken uit de inrichting van de
                    ruimte. In deze definitie wordt tot uitdrukking gebracht dat het moet gaan om
                    een ruimte die zelfstandig bruikbaar is en derhalve niet meer dan bijkomstig
                    afhankelijk is van elders in het gebouw aanwezige voorzieningen die voor de
                    woonfunctie wel van wezenlijk belang zijn. Hierbij moet worden gedacht aan het
                    met gebruikers van andere ruimten delen van faciliteiten als kookgelegenheid,
                    sanitair of bad- en douchegelegenheid. Dit komt vaak in onder meer
                    studentenhuizen en pensions voor. In een dergelijke situatie kan niet worden
                    gesproken van een woonruimte in de zin van deze verordening. Zie hiervoor ook de
                    arresten van de Hoge Raad van 23 juli 1984, BNB 1984/282, Belastingblad 1984,
                    blz. 544, 8 februari 1995, BNB 1995/92, Belastingblad 1995, blz. 202, 10 januari
                    1996, BNB 1996/77, Belastingblad 1996, blz. 168).</al>
        <al>Dat het begrip woonruimte ruim moet worden uitgelegd valt af te leiden uit het
                    arrest van de Hoge Raad van 29 mei 1991 waarin een kajuitzeilschip als
                    woonruimte werd aangemerkt (BNB 1991/213, Belastingblad 1991, blz. 479).</al>
        <tussenkop>Onderdeel e</tussenkop>
        <al>Bij de omschrijving van het begrip bedrijfsruimte is gekozen voor een negatieve
                    formulering om een zo groot mogelijke reikwijdte aan het begrip te geven. Alles
                    wat geen woonruimte is moet als een bedrijfsruimte worden aangemerkt. Zo is
                    bijvoorbeeld ook een stuk landbouwgrond als een bedrijfsruimte aangemerkt (Hof
                    ‘s–Gravenhage 17 maart 1993, Belastingblad 1993, blz. 457). </al>
        <tussenkop>Onderdeel f, g en h</tussenkop>
        <al>Onder openbaar vuilwaterriool wordt verstaan het algemene gemeentelijk
                    rioolstelsel. Dat loopt door tot het zogenaamde overnamepunt waar het
                    zuiveringstechnisch werk van het waterschap begint. Dit begrip betekent een
                    verruiming ten opzichte van het begrip riolering in artikel 17 van de Wet
                    verontreiniging oppervlaktewateren. Nu wordt ook rekening gehouden met de
                    omstandigheid dat het beheer bij een rechtspersoon en niet bij de gemeente zelf
                    berust. </al>
        <al>Een zuiveringtechnisch werk is een voorziening voor het zuiveren of het
                    transporteren van afvalwater. Het begrip omvat naast
                    afvalwaterzuiveringsinstallaties ook gemalen, persleidingen,
                    vrijvervalleidingen, open en dichte afvoergoten en pompstations ten behoeve van
                    het afvalwater. Ook voorzieningen voor individuele behandeling van afvalwater
                    (IBA’s) vallen onder het begrip zuiveringstechnisch werk. </al>
        <tussenkop>Onderdeel i en j</tussenkop>
        <al>De inspecteur is het bestuursorgaan aan wie de wetgever door middel van de
                    Algemene wet inzake rijksbelastingen de bevoegdheid tot het opleggen van
                    aanslagen en het doen van uitspraak op bezwaarschriften heeft geattribueerd. In
                    artikel 123 van de Waterschapswet wordt onder meer de Algemene wet inzake
                    rijksbelastingen van toepassing verklaard voor het heffen van belastingen door
                    waterschappen. Dit artikel bepaalt voorts dat de bevoegdheden van de inspecteur
                    toekomen aan de daartoe aangewezen ambtenaar. De aanslagen van het waterschap
                    worden met ingang van 1 januari 2012 opgelegd en ingevorderd door de
                    Belastingsamenwerking West-Brabant (hierna BWB). Het feitelijk meten,
                    bemonsteren en analyseren van afvalwater en de uitvoering van de regelgeving
                    samenhangende met het feitelijk meten, bemonsteren en analyseren van afvalwater
                    wordt door het waterschap gedaan. Er zijn twee heffingsambtenaren aangewezen. Er
                    is een heffingsambtenaar van het waterschap aangewezen door het dagelijks
                    bestuur van het waterschap. Deze heffingsambtenaar is bevoegd en aangewezen voor
                    wat betreft het meten, bemonsteren en analyseren van afvalwater en de daarbij
                    horende (meet)beschikkingen. Het opleggen van aanslagen en het doen van
                    uitspraak op bezwaarschriften tegen de aanslagen komt krachtens de
                    Gemeenschappelijke Regeling West-Brabant en het aanwijzingsbesluit van het
                    dagelijks bestuur van de Belastingsamenwerking West-Brabant toe aan de
                    heffingsambtenaar BWB (Belastingsamenwerking West-Brabant). In de verordening
                    wordt daarom onderscheid gemaakt in de heffingsambtenaar BWB en de
                    heffingsambtenaar van het waterschap. </al>
        <tussenkop>Onderdeel k,l,m,n en o</tussenkop>
        <al>In het kader van deze verordening is ingenomen water niet uitsluitend voor
                    menselijke consumptie geschikt water. Ook zaken als warm tapwater (vaak
                    afkomstig van stadsverwarmingsbedrijven) en “grijs” water voor het wassen van
                    kleding vallen hier onder. </al>
        <al>Behalve via nutsbedrijven wordt ook op andere wijze water verkregen. Zo wordt op
                    steeds grotere schaal door bedrijven voor sanitair gebruik hemelwater
                    opgevangen. Omdat dit water na gebruik wordt geloosd, dient het eveneens in de
                    berekening van de vervuilingswaarde te worden betrokken.</al>
        <tussenkop>Artikel 2 Bijlagen</tussenkop>
        <al>De grondslag voor de verontreinigingsheffing wordt gevormd door de hoeveelheid
                    en de hoedanigheid van de stoffen die worden geloosd. Als heffingsmaatstaf geldt
                    de vervuilingswaarde van de stoffen die in een kalenderjaar worden geloosd,
                    uitgedrukt in vervuilingseenheden. Zoals blijkt uit artikel 7.5, eerste lid, van
                    de Waterwet is de hoofdregel dat het aantal vervuilingseenheden wordt
                    vastgesteld met behulp van door middel van meting, bemonstering en analyse
                    verkregen gegevens. In Bijlage I zijn nadere regels gesteld over de wijze van
                    meting, bemonstering, analyse en berekening. Zie in dit verband ook de artikelen
                    7, 8 en 9 van de verordening.</al>
        <al>In de artikelen 122h en 122i tot en met 122k van de Waterschapswet zijn een
                    aantal uitzonderingen op deze hoofdregel gegeven. Deze uitzonderingen, in casu
                    voor woonruimten, kleine bedrijfsruimten, glastuinbouwbedrijven en bedrijven met
                    een vervuilingswaarde van 1.000 vervuilingseenheden en minder, zijn eveneens in
                    deze verordening opgenomen (artikel 7.5, lid 5, Waterwet).</al>
        <al>Voor bedrijven met een vervuilingswaarde met betrekking tot het zuurstofverbruik
                    van 1.000 vervuilingseenheden en minder kan onder voorwaarden de berekening van
                    het aantal vervuilingseenheden plaatsvinden met behulp van de tabel
                    afvalwatercoëfficiënten en dus niet door middel van meting, bemonstering en
                    analyse. Deze tabel is opgenomen in artikel 122k van de Waterschapswet en
                    volledigheidshalve eveneens in Bijlage II. De wijze waarop deze tabel moet
                    worden toegepast, is geregeld in artikel 10.</al>
        <al>De Bijlagen I en II maken deel uit van de verordening.</al>
        <tussenkop>Artikel 3 Belastbaar feit en heffingsplicht</tussenkop>
        <al>Eerste lid</al>
        <al>De verontreinigingsheffing is verschuldigd wanneer stoffen in een
                    oppervlaktewaterlichaam worden geloosd. Deze doelstelling is tot uitdrukking
                    gebracht in het eerste lid van artikel 3. De opbrengst komt, zoals blijkt uit
                    het vierde lid, ten goede aan de bekostiging van het beheer van het
                    watersysteem. De verontreinigingsheffing is dus primair een bestemmingsheffing
                    die overigens wel een regulerende nevenwerking kan hebben. </al>
        <al>Het belastbare feit is het lozen van stoffen, dat wil zeggen het brengen van
                    stoffen in een oppervlaktewaterlichaam. De vraag of het geloosde water van
                    slechtere kwaliteit is dan het oppervlaktewater waarop wordt geloosd, is niet
                    van belang. Dit bleek uit een arrest waarbij het ging om de lozing van opgepompt
                    bronwater dat werd gebruikt als koelwater (Hoge Raad 12 september 1990, BNB
                    1991/15, Belastingblad 1990, blz. 771). </al>
        <tussenkop>Onderdeel a</tussenkop>
        <al>Vindt de lozing plaats vanuit een woonruimte of vanuit een bedrijfsruimte, dan
                    is de gebruiker van die ruimte aan de heffing onderworpen. Het komt voor dat een
                    woonruimte of een bedrijfsruimte aan een gebruiker wordt verhuurd, waarbij één
                    van de voorwaarden luidt dat de belastingen, waar onder de
                    verontreinigingsheffing, worden gedragen door de verhuurder. Dergelijke
                    overeenkomsten doen niet af aan de heffingsplicht: de gebruiker blijft
                    heffingsplichtig. Deze kan op grond van de huurovereenkomst zelf het bedrag van
                    de aanslag terugvorderen bij de verhuurder.</al>
        <al>De omschrijving van woonruimte is ook dusdanig dat er geen misverstand kan
                    bestaan dat studentenhuizen met onzelfstandige wooneenheden dienen te worden
                    aangemerkt als bedrijfsruimte, waarvoor de verhuurder op grond van artikel 3,
                    derde lid, onderdeel c, in de heffing kan worden betrokken. (Zie ook Hoge Raad
                    23 juli 1984, BNB 1984/282, Belastingblad 1984, blz. 544 en Hoge Raad 8 februari
                    1995, BNB 1995/92).</al>
        <al>In zijn arrest van 1 mei 1991 oordeelde de Hoge Raad dat als gebruiker van een
                    bedrijfsruimte in de zin van de verordening slechts kan worden aangemerkt degene
                    die zich daadwerkelijk min of meer duurzaam te eigen behoeve van de
                    bedrijfsruimte kan bedienen. Daarom kon de aannemer die in opdracht van de
                    landeigenaar op een stuk grond werkzaamheden uitvoert om deze geschikt te maken
                    voor de bollenteelt, niet als gebruiker worden aangemerkt (BNB 1991/188,
                    Belastingblad 1991, blz. 478).</al>
        <al>Ook kan het gebruik van een woonruimte of van een bedrijfsruimte er op zijn
                    gericht om die voor kortere perioden ter beschikking te stellen van wisselende,
                    opeenvolgende gebruikers. In dergelijke gevallen is de verhuurder/exploitant
                    belastingplichtig.</al>
        <tussenkop>Onderdeel b</tussenkop>
        <al>Vindt het lozen niet vanuit een woonruimte of vanuit een bedrijfsruimte plaats,
                    dan is degene die loost heffingsplichtig.</al>
        <al>Deze bepaling komt overeen met die in artikel 7.2 van de Waterwet welke is
                    ingevoerd nadat was gebleken dat (incidenteel) lozen vanuit een tankauto niet
                    als lozen vanuit een bedrijfsruimte kon worden aangemerkt. Bovendien bleek in de
                    praktijk het achterhalen van de identiteit van de achterliggende vervuiler niet
                    altijd mogelijk te zijn, evenals het vaststellen van individuele
                    vervuilingswaarden indien de stoffen van meer dan één adres afkomstig zijn. In
                    die gevallen biedt deze bepaling soelaas, omdat degene die feitelijk loost (in
                    het geval van een tankauto dus de vervoerder) rechtstreeks in de heffing kan
                    worden betrokken.</al>
        <al>Door de gekozen formulering zijn overigens niet alleen lozingen vanuit
                    tankauto’s aan de heffing onderworpen, maar ook alle andere denkbare wijzen van
                    lozen anders dan vanuit een woonruimte of een bedrijfsruimte. Zo valt ook het
                    lozen vanuit een zuiveringstechnisch werk onder de ratio van deze bepaling. </al>
        <al>Derde lid</al>
        <tussenkop>Onderdeel a</tussenkop>
        <al>Wanneer er met betrekking tot dezelfde woonruimte sprake is van meerdere
                    gebruikers, wijst de heffingsambtenaar voor het opleggen van de aanslag één van
                    hen aan als belastingplichtige. De criteria op grond waarvan die
                    belastingplichtige wordt aangewezen, liggen vast in beleidsregels.</al>
        <tussenkop>Onderdeel b</tussenkop>
        <al>Wanneer een (onzelfstandig) deel van een bedrijfsruimte in gebruik is gegeven
                    aan een ander, dan kan degene die dit in gebruik heeft gegeven de aan dat deel
                    toe te rekenen verontreinigingsheffing verhalen op degene die het in gebruik
                    heeft. Hierbij kan worden gedacht aan bedrijfsverzamelgebouwen en
                    dergelijke.</al>
        <tussenkop>Onderdeel c</tussenkop>
        <al>Wanneer het gaat om een woonruimte of een bedrijfsruimte die voor kortere
                    perioden aan wisselende, opeenvolgende gebruikers ter beschikking wordt gesteld,
                    kan de heffingsplichtige de verontreinigingsheffing verhalen op degenen aan wie
                    hij de ruimte ter beschikking heeft gesteld.</al>
        <al>Vierde lid</al>
        <al>Hoewel het watersysteem in de vorm van de watersysteemheffing een eigen
                    financieringsstructuur kent, komt de opbrengst van de verontreinigingsheffing
                    ten goede aan de financiering van de kosten van het watersysteem.</al>
        <al>Vijfde lid</al>
        <al>Wanneer er wordt geloosd vanuit een eigen zuiveringsinstallatie van het
                    waterschap, dan is die lozing vrijgesteld van de heffing. Deze bepaling is
                    ontleend aan artikel 7.8 van de Waterwet.</al>
        <al>Zesde lid</al>
        <al>Conform artikel 7.8 van de Waterwet is een lozing vanuit een openbaar
                    vuilwaterriool door middel van een riooloverstort vrijgesteld van de
                    verontreinigingsheffing.</al>
        <al>Zevende lid</al>
        <al>Deze vrijstelling is ontleend aan artikel 7.8 van de Waterwet.</al>
        <al>Het op een zuiveringsinstallatie van het waterschap gezuiverde afvalwater is
                    onder omstandigheden goed bruikbaar voor bedrijfsmatige toepassingen. Het is
                    daarom denkbaar dat (een deel van) het effluent niet wordt geloosd, maar door
                    een bedrijf wordt ingenomen. Indien dat bedrijf het gebruikte water weer loost
                    en daar zelf geen stoffen aan heeft toegevoegd, dan is die lozing door het
                    bedrijf vrijgesteld van de verontreinigingsheffing. Achtergrond van deze
                    vrijstelling is dat de regionale zoetwatervoorziening daardoor niet wordt
                    belast. </al>
        <tussenkop>Artikel 4 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar
                    tijdsevenredigheid</tussenkop>
        <al>Eerste lid</al>
        <al>Hoewel de verontreinigingsheffing een tijdvakheffing is, ontstaat bij
                    woonruimten en kleine bedrijfsruimten de materiële belastingschuld door de
                    regeling in het eerste lid toch bij het begin van het heffingsjaar. Dit heeft
                    als voordeel dat al in het heffingsjaar zelf aanslagen kunnen worden opgelegd
                    (formalisering van de belastingschuld) en dat niet gewacht hoeft te worden tot
                    het heffingsjaar voorbij is. Bij een tijdvakbelasting is het echter niet zonder
                    meer mogelijk om een definitieve aanslag gedurende het heffingsjaar op te
                    leggen, omdat de omvang van de belastingschuld pas na afloop van het
                    heffingsjaar bekend is. Dit blijkt uit een aantal uitspraken van de
                    belastingrechter. Zie hiervoor Hoge Raad van 2 november 1994 inzake
                    precariorechten (BNB 1995/12, Belastingblad 1994, blz. 819), Hof Amsterdam 15
                    december 1995 inzake liggeld woonschepen (Belastingblad 1996, blz. 331) en Hof
                    Amsterdam 23 april 1997 (Belastingblad 1997, blz. 495) inzake de
                    verontreinigingsheffing. Uit deze jurisprudentie valt af te leiden dat om een
                    definitieve aanslag al in het heffingsjaar zelf op te leggen, de
                    heffingsverordening in een aantal zaken moet voorzien. Het gaat hierbij om:</al>
        <lijst>
          <li nr="-"><al>een regeling op grond waarvan de belastingschuld wordt geacht bij het
                            begin van het heffingsjaar te ontstaan (artikel 4, eerste lid);</al></li>
          <li nr="-"><al>een regeling op grond waarvan aanspraak op ontheffing bestaat indien de
                            heffingsplicht in de loop van het jaar eindigt (voor woonruimten is dit
                            geregeld in artikel 4, derde en vierde lid en voor kleine
                            bedrijfsruimten voorziet artikel 13, tweede lid, daar in);</al></li>
          <li nr="-"><al>een regeling op grond waarvan aanspraak op vermindering bestaat indien
                            de heffingsmaatstaf in de loop van het heffingsjaar wijzigt (voor
                            woonruimten is dit geregeld in artikel 14, derde en vierde lid en voor
                            kleine bedrijfsruimten in artikel 13, tweede lid). </al></li>
        </lijst>
        <al>Tweede lid</al>
        <al>De vervuilingswaarde van een woonruimte wordt forfaitair vastgesteld op drie
                    vervuilingseenheden en bij bewoning door één persoon op één vervuilingseenheid
                    (artikel 14, eerste lid). De verontreinigingsheffing is echter een
                    tijdvakbelasting. Dit betekent dat wanneer de heffingsplicht zich niet gedurende
                    het gehele heffingstijdvak voordoet, dit gevolgen heeft voor de berekening van
                    de hoogte van de verschuldigde heffing. Artikel 122h, lid 6, Waterschapswet van
                    toepassing verklaard in artikel 7.5, lid 5 van de Waterwet bepaalt dat wanneer
                    de heffingsplicht in de loop van het jaar aanvangt, de heffingsplichtige aan de
                    heffing wordt onderworpen voor een evenredig gedeelte van het vastgestelde
                    aantal vervuilingseenheden. In de verordening moet zijn aangegeven op welke
                    wijze dat evenredig deel wordt vastgesteld.</al>
        <al>In deze verordening is gekozen voor de maandnauwkeurige variant.</al>
        <al>Derde lid</al>
        <al>Wanneer de heffingsplicht in de loop van het jaar eindigt, dan is de heffing
                    voor een evenredig deel verschuldigd. </al>
        <al>Vierde lid</al>
        <al>Wanneer ná het opleggen van de aanslag de heffingsplicht in de loop van het jaar
                    eindigt, is de heffingsambtenaar niet in de gelegenheid geweest om daar bij het
                    vaststellen van de aanslag rekening mee te houden. Artikel 132 van de
                    Waterschapswet geeft aan op welke wijze de heffingsplichtige aanspraak kan maken
                    op ontheffing. Op de aanvraag zoals die kan worden ingediend, moet worden
                    beslist bij voor bezwaar vatbare beschikking. Dit opent voor de
                    heffingsplichtige in voorkomende gevallen de volledige fiscale rechtsgang.
                    Hiermee is deze procedure uit het oogpunt van de rechtsbescherming van de
                    heffingsplichtige met voldoende waarborgen omkleed.</al>
        <al>Het staat het waterschap ook vrij om, op grond van eigen gegevens, uit eigener
                    beweging een dergelijke ontheffing te verlenen zonder een aanvraag van de
                    heffingsplichtige af te wachten.</al>
        <al>Vijfde lid</al>
        <al>Wanneer de heffingsplichtige verhuist naar een andere woonruimte van waaruit
                    eveneens wordt geloosd, zijn zowel het tweede als het derde lid van toepassing.
                    Er kan immers worden gesteld dat ook in dat geval sprake is van het eindigen van
                    de heffingsplicht en het opnieuw ontstaan van de heffingsplicht. Dit zou
                    resulteren in een vermindering van een al opgelegde, en mogelijk zelfs al
                    betaalde, aanslag voor de oude woning en een nieuwe aanslag voor de nieuwe
                    woning. Om pragmatische redenen is bepaald dat in een dergelijk geval het tweede
                    en het derde lid niet van toepassing zijn. De aanslag verhuist dan als het ware
                    mee.</al>
        <al>Uiteraard gaat dit niet op wanneer vanuit de nieuwe woning wordt afgevoerd op
                    een zuiveringstechnisch werk in beheer bij het waterschap: dan is de
                    zuiveringsheffing verschuldigd. </al>
        <tussenkop>Artikel 5 Heffingsjaar</tussenkop>
        <al>In artikel 5 is bepaald dat het heffingsjaar gelijk is aan het kalenderjaar. Dit
                    is wettelijk voorgeschreven zodat een afwijkende regeling in de verordening niet
                    meer mogelijk is.</al>
        <tussenkop>Artikel 6 Grondslag en heffingsmaatstaf</tussenkop>
        <al>De grondslag van de heffing is de hoeveelheid en hoedanigheid van de stoffen die
                    in een kalenderjaar worden geloosd. In het tweede lid is gekozen voor één
                    uniforme heffingsmaatstaf, namelijk de vervuilingswaarde van de stoffen die in
                    een kalenderjaar worden geloosd. Deze heffingsmaatstaf geldt dus zowel voor de
                    zuurstofbindende als de overige stoffen en is gedefinieerd in relatie tot de
                    stoffen ten aanzien waarvan het lozen belast. Een verbruik van 54,8 kilogram
                    zuurstof per heffingsjaar vertegenwoordigt één vervuilingseenheid. </al>
        <al>Bij de heffingsmaatstaf is in de Waterwet een onderscheid gemaakt tussen
                    zuurstofbindende stoffen en andere stoffen. In beide gevallen is de
                    heffingsmaatstaf de vervuilingswaarde uitgedrukt in vervuilingseenheden. Bij
                    zuurstofbindende stoffen gaat het om de hoeveelheid zuurstof die nodig is om die
                    stoffen af te breken. Die hoeveelheid wordt bepaald op de som van het chemisch
                    zuurstofverbruik en het zuurstofverbruik door omzetting van
                    stikstofverbindingen. Daarbij is één vervuilingseenheid de zuurstofbehoefte die
                    ontstaat door de gemiddelde afvoer van huishoudelijk afvalwater van één persoon
                    per jaar.</al>
        <al>In 2001 is onderzoek gedaan naar de vervuilingswaarde van het afvalwater dat één
                    persoon gemiddeld per jaar produceert. Naar aanleiding van dit onderzoek
                    concludeerde de toenmalige Commissie Integraal Waterbeheer dat de op dat moment
                    geldende getalswaarde van 136 gram zuurstof per etmaal of 49,6 kilogram per jaar
                    beter in overeenstemming moest worden gebracht met de meest recente gegevens.
                    Als gevolg daarvan is de gemiddelde zuurstofbehoefte verhoogd naar 150 gram per
                    etmaal, of wel 54,8 kilogram per jaar. </al>
        <al>De overige stoffen worden in lid 4 uitgesloten van de
                    verontreinigingsheffing.</al>
        <tussenkop>Artikel 7 Meting, bemonstering en analyse</tussenkop>
        <al>Hier is de hoofdregel opgenomen op grond waarvan bij de verontreinigingsheffing
                    de vervuilingswaarde dient te worden vastgesteld. </al>
        <al>Eerste lid</al>
        <al>Voor de zuurstofbindende stoffen wordt het aantal vervuilingseenheden bepaald
                    door middel van meting, bemonstering en analyse van het afvalwater. Daarbij
                    maakt het niet uit of dit elk etmaal geschiedt of gedurende een beperkt aantal
                    etmalen.</al>
        <al>In Bijlage I zijn nadere regels gesteld met betrekking tot:</al>
        <lijst>
          <li nr="-"><al>de wijze van meting, bemonstering en monsterbehandeling;</al></li>
          <li nr="-"><al>analysevoorschriften;</al></li>
          <li nr="-"><al>berekeningsvoorschriften.</al></li>
        </lijst>
        <al>De kosten van een dergelijk onderzoek zijn voor rekening van de
                    heffingsplichtige.</al>
        <al>Tweede lid</al>
        <al>Volgens het tweede lid dienen meting, bemonstering en analyse plaats te vinden
                    gedurende alle dagen van het heffingsjaar. Hiervan kan echter onder
                    omstandigheden worden afgeweken. Zie hierna onder artikel 8.</al>
        <al>Derde lid</al>
        <al>In het derde lid zijn de voorwaarden opgenomen waar meting en bemonstering aan
                    moeten voldoen. De voorschriften van meting en bemonstering in Bijlage I zijn
                    een waarborg voor de in het derde lid gestelde criteria. Als aan de
                    voorschriften van Bijlage I niet kan worden voldaan, kan hiervan onder
                    omstandigheden worden afgeweken.</al>
        <al>Vierde lid</al>
        <al>De wijze van meting en bemonstering wordt, samen met een beschrijving van de te
                    gebruiken apparatuur, vooraf meegedeeld aan heffingsambtenaar.</al>
        <al>Vijfde lid</al>
        <al>De heffingsambtenaar mag onder voorwaarden afwijken van de in Bijlage I
                    opgenomen voorschriften. Dit mag hij:</al>
        <lijst>
          <li nr="-"><al>ambtshalve wanneer hij aannemelijk maakt dat dit noodzakelijk is om te
                            voldoen aan de voorwaarden in het derde lid;</al></li>
          <li nr="-"><al>op aanvraag van de belastingplichtige indien deze aannemelijk maakt dat
                            ook dan nog steeds wordt voldaan aan de voorwaarden in het derde
                            lid;</al></li>
          <li nr="-"><al>op aanvraag van de belastingplichtige indien deze aannemelijk maakt dat
                            de nauwkeurigheid van de analyseresultaten er niet door wordt
                            beïnvloed.</al></li>
        </lijst>
        <al>Verder mag hij nadere voorschriften stellen.</al>
        <al>De beslissing op aanvraag wordt bij een voor bezwaar vatbare beschikking
                    genomen. Hiertegen staat de gewone fiscale rechtsgang van bezwaar en beroep
                    open. Een belangrijk aandachtspunt daarbij is wel dat wanneer de
                    heffingsplichtige zich niet kan verenigen met de beschikking en gebruik maakt
                    van de hem ter beschikking staande rechtsmiddelen, de voorschriften in die
                    beschikking wel moeten worden nageleefd. Dit om te voorkomen dat wanneer de
                    heffingsplichtige in het ongelijk is gesteld en de beschikking onherroepelijk
                    vaststaat, hij over onvoldoende gegevens beschikt om de vereiste aangifte te
                    kunnen doen. De heffingsambtenaar zal in dat geval de aanslag immers geheel of
                    gedeeltelijk op basis van schatting vaststellen en de heffingsplichtige kan
                    vervolgens bij het betwisten van die schatting onvoldoende of geen tegenbewijs
                    leveren. </al>
        <al>Zesde lid</al>
        <al>Hier is aangegeven welke elementen de bedoelde beschikking in ieder geval dient
                    te bevatten.</al>
        <tussenkop>Artikel 8 Beperkte meting en bemonstering</tussenkop>
        <al>In veel gevallen kan worden volstaan met een lagere frequentie dan ieder etmaal
                    meten, bemonsteren en analyseren, zonder al te veel afbreuk te doen aan de
                    nauwkeurigheid van het eindresultaat. Het spreekt voor zich dat een lagere
                    frequentie zich vertaalt in lagere kosten voor de heffingsplichtige. De
                    heffingsplichtige die aannemelijk weet te maken dat met een lagere frequentie
                    kan worden volstaan, kan daar door middel van een aanvraag bij de
                    heffingsambtenaar toestemming voor vragen. Ook op deze aanvraag wordt beslist
                    bij voor bezwaar vatbare beschikking, waartegen de volledige fiscale rechtsgang
                    open staat. Hierbij geldt eveneens dat de voorschriften moeten worden nageleefd
                    indien de heffingsplichtige zich niet kan verenigen met de beschikking en zolang
                    deze nog niet onherroepelijk vaststaat.</al>
        <al>In zijn beschikking geeft hij in ieder geval voorschriften met betrekking tot de
                    in de onderdelen a t/m d genoemde onderwerpen.</al>
        <tussenkop>Artikel 9 Hoedanigheidscorrectie</tussenkop>
        <al>Bij het bepalen van het chemisch zuurstofverbruik (CZV) kan in de uitkomst ook
                    zuurstofverbruik tot uitdrukking komen van stoffen die in het natuurlijk milieu
                    niet of nagenoeg niet afbreekbaar zijn. Op grond van jurisprudentie komt
                    “nagenoeg niet” overeen met een percentage van niet meer dan 10%. Wanneer het
                    gevonden zuurstofverbruik van dergelijke stoffen het totale chemisch
                    zuurstofverbruik in belangrijke mate beïnvloedt, dan wordt de gevonden CZV
                    gecorrigeerd. </al>
        <al>Artikel 9 voorziet erin dat de voorschriften die het waterschap betreffende de
                    T–correctie stelt, kenbaar zijn voor de heffingsplichtigen (zie ook Bijlage I,
                    onderdeel C).</al>
        <al>Daarnaast is in het artikel bepaald dat de heffingsplichtige voor toepassing van
                    de T–correctie een aanvraag moet indienen. De heffingsambtenaar beslist hier op
                    in een voor bezwaar vatbare beschikking. Dit opent voor de heffingsplichtige in
                    voorkomende gevallen de volledige fiscale rechtsgang. Hiermee is deze procedure
                    uit het oogpunt van de rechtsbescherming van de heffingsplichtige met voldoende
                    waarborgen omkleed.</al>
        <al>Tevens is voorgeschreven welke elementen de bedoelde beschikking dient te
                    bevatten.</al>
        <tussenkop>Artikel 10 Tabel afvalwatercoëfficiënten </tussenkop>
        <al>Meting, bemonstering en analyse van afvalwater kan onder voorwaarden achterwege
                    blijven. Bij verreweg de meeste bedrijven gebeurt dit ook en daar wordt het
                    aantal vervuilingseenheden van het zuurstofverbruik berekend met behulp van de
                    tabel afvalwatercoëfficiënten. Deze tabel is opgenomen in Bijlage II en kent
                    vijftien klassen met elk een afvalwatercoëfficiënt.</al>
        <al>Eerste lid</al>
        <al>Toepassing van de tabel is toegestaan indien:</al>
        <lijst>
          <li nr="1."><al>de heffingsplichtige aannemelijk maakt dat toepassing van de tabel niet
                            leidt tot een aantal vervuilingseenheden van meer dan 1.000 en</al></li>
          <li nr="2."><al>er een relatie bestaat tussen de hoeveelheid ingenomen water en de
                            vervuilingswaarde van de geloosde stoffen.</al></li>
        </lijst>
        <al>Tweede lid</al>
        <al>De vervuilingswaarde van de over het heffingsjaar door het bedrijf of het
                    bedrijfsonderdeel geloosde stoffen kan met behulp van de tabel worden berekend
                    door het aantal kubieke meters in het heffingsjaar ingenomen water te
                    vermenigvuldigen met de bij de klasse behorende afvalwatercoëfficiënt.</al>
        <al>Derde lid </al>
        <al>Vaak is de feitelijk in het heffingsjaar ingenomen hoeveelheid water niet direct
                    vast te stellen, omdat de verbruiksperiode waarover het drinkwaterbedrijf
                    afrekent, niet gelijk is aan het kalenderjaar. Ook kan er sprake zijn van een
                    andere tariefstructuur dan gemeten waterverbruik. In dergelijke gevallen worden
                    de beschikbare gegevens herleid tot verbruiken over het kalenderjaar. </al>
        <al>Vierde lid</al>
        <al>De indeling in een klasse is afhankelijk van de aard van het bedrijf of het
                    bedrijfsonderdeel. Daarbij wordt uitgegaan van de conversietabel in artikel 2
                    van het Besluit vervuilingswaarde ingenomen water 2009 (artikel 122k, lid 2,
                    Waterschapswet, Besluit van 12 december 2008, Stb. 609).</al>
        <al>Uit onderzoek op initiatief van zowel de heffingsplichtige als de
                    heffingsambtenaar kan blijken dat het bedrijf of het bedrijfsonderdeel in een
                    andere klasse moet worden ingedeeld. De voorwaarden daarvoor staan in artikel 4
                    van het Besluit vervuilingswaarde ingenomen water. </al>
        <al>Vijfde lid</al>
        <al>De tabel kan ook worden toegepast bij vervuilingswaarden van 1.000
                    vervuilingseenheden en meer. Voorwaarde is dan wel dat dit niet leidt tot een
                    vervuilingswaaarde die lager is dan de vervuilingswaarde die wordt gevonden op
                    basis van meting, bemonstering en analyse.</al>
        <tussenkop>Artikel 11 Vervuilingswaarde van tuinbouwkassen</tussenkop>
        <al>Op basis van artikel 11 worden tuinbouwkassen waarbinnen onder een permanente
                    opstand van glas of kunststof het telen van gewassen plaatsvindt in de heffing
                    betrokken op basis van een forfait van drie vervuilingseenheden per hectare
                    permanente opstand. Uit onderzoek naar een afvalwatercoëfficiënt voor
                    glastuinbouwbedrijven is gebleken dat de vervuilingswaarde van tuinbouwkassen
                    geen relatie heeft met de hoeveelheid ingenomen water. Bepaling van de
                    vervuilingswaarde op basis van meting, bemonstering en analyse bleek gezien de
                    relatief hoge perceptiekosten evenmin een reële mogelijkheid. In verband daarmee
                    is voor tuinbouwkassen thans een heffingsmaatstaf op basis van oppervlakte in de
                    wet opgenomen (artikel 122i, tweede lid, Waterschapswet).</al>
        <al>Indien de vervuilingswaarde als berekend op grond van artikel 11 minder dan vijf
                    vervuilingseenheden bedraagt, is de forfaitregeling voor kleine bedrijfsruimten
                    van artikel 13 van toepassing.</al>
        <tussenkop>Artikel 12</tussenkop>
        <al>Dit artikel voorziet in de totalisering van het bij de artikelen 7 t/m 11
                    berekende aantal vervuilingseenheden aan zuurstofbindende stoffen voor een
                    bedrijfsruimte. Een dergelijke totalisering is onder meer van belang indien
                    binnen één bedrijfsruimte:</al>
        <lijst>
          <li nr="-"><al>voor de verschillende onderdelen van die bedrijfsruimte afzonderlijke
                            meting, bemonstering en analyse plaatsvindt;</al></li>
          <li nr="-"><al>voor de verschillende onderdelen van die bedrijfsruimte afzonderlijke
                            afvalwatercoëfficiënten van toepassing zijn;</al></li>
          <li nr="-"><al>voor een onderdeel van die bedrijfsruimte wordt gemeten, bemonsterd en
                            geanalyseerd en voor een ander onderdeel van die bedrijfsruimte een
                            afvalwatercoëfficiënt van toepassing is;</al></li>
        </lijst>
        <al>De vervuilingswaarde wordt uitgedrukt in vervuilingseenheden tot in een decimaal
                    nauwkeurig</al>
        <tussenkop>Artikel 13 Forfaits voor kleine bedrijfsruimten</tussenkop>
        <al>Eerste lid</al>
        <al>De regeling voor kleine bedrijfsruimten vindt haar basis vindt in artikel 122i
                    van de Waterschapswet. Indien de heffingsplichtige aannemelijk maakt dat het
                    aantal vervuilingseenheden minder dan vijf bedraagt, wordt de vervuilingswaarde
                    op drie vervuilingseenheden gesteld en op één vervuilingseenheid indien die één
                    of minder bedraagt. </al>
        <al>Tweede lid</al>
        <al>Hoewel de verontreinigingsheffing een tijdvakbelasting is, wordt aan bedrijven
                    met een vervuilingswaarde van minder dan vijf vervuilingseenheden in veel
                    gevallen al aan het begin van het heffingsjaar een aanslag voor drie
                    vervuilingseenheden opgelegd. Dit is in artikel 4, eerste lid, geregeld. Na
                    afloop van het heffingsjaar kan echter blijken dat de vervuilingswaarde één of
                    minder vervuilingseenheid bedraagt. </al>
        <al>Daarom moet de verordening ook voorzien in een deugdelijke regeling voor
                    ontheffing of vermindering. Indien de heffingsplichtige aannemelijk maakt dat
                    het aantal vervuilingseenheden één of minder bedraagt, wordt op aanvraag van de
                    belastingplichtige de vervuilingswaarde op 1 vervuilingseenheid gesteld. Het
                    betreft hier een aanvraag in de zin van artikel 132, eerste lid, van de
                    Waterschapswet. Deze moet worden ingediend binnen zes weken nadat de
                    omstandigheid zich heeft voorgedaan. De vermindering kan door de
                    heffingsambtenaar ook ambtshalve worden verleend.</al>
        <tussenkop>Artikel 14</tussenkop>
        <al>Eerste lid</al>
        <al>In navolging van artikel 122h, eerste lid, van de Waterschapswet wordt de
                    vervuilingswaarde voor een woonruimte vastgesteld op drie vervuilingseenheden,
                    met dien verstande dat die wanneer de woonruimte door één persoon wordt bewoond
                    één vervuilingseenheid bedraagt.</al>
        <al>Tweede lid</al>
        <al>Een uitzondering op deze hoofdregel geldt voor woonruimten die voor
                    recreatiedoeleinden zijn bestemd en zich bevinden op een voor
                    recreatiedoeleinden bestemd terrein dat als zodanig wordt geëxploiteerd. Samen
                    met de andere voorzieningen op dat terrein worden zij als één bedrijfsruimte
                    aangemerkt. De exploitant van het terrein is dan de heffingsplichtige.</al>
        <al>Derde lid</al>
        <al>Na aanvang van de heffingsplicht kan het aantal bewoners verminderen tot één.
                    Dit heeft gevolgen voor de vervuilingswaarde. Het is, analoog aan artikel 4,
                    derde lid, de keuze van het waterschap hoe dit naar tijdsevenredigheid in de
                    aanslag tot uitdrukking komt.</al>
        <al>Vierde lid</al>
        <al>Omdat de aanslag voor een woonruimte meestal al aan het begin van het
                    heffingsjaar wordt opgelegd, moet de verordening voorzien in een regeling
                    waardoor aanspraak op vermindering kan worden gemaakt. Dit gebeurt door middel
                    van een aanvraag in de zin van artikel 132, eerste lid, Waterschapswet. Deze
                    moet worden ingediend binnen zes weken nadat de omstandigheid zich heeft
                    voorgedaan. De vermindering kan door de heffingsambtenaar ook ambtshalve worden
                    verleend. </al>
        <tussenkop>Artikel 15</tussenkop>
        <al>In artikel 122j van de Waterschapswet is expliciet bepaald dat onder bepaalde,
                    in de onderdelen a tot en met d nader omschreven, omstandigheden de
                    vervuilingswaarde kan worden vastgesteld door middel van schatting. Bijvoorbeeld
                    indien een bedrijf niet voldoet aan zijn verplichting tot meting, bemonstering
                    en analyse of indien het bedrijf dat doet op een wijze die niet in overstemming
                    is met de in de verordening of meetbeschikking opgenomen voorschriften.</al>
        <al>De bepaling is tevens een vangnetbepaling voor het lozen van stoffen vanuit
                    objecten waarvoor in de verordening geen bijzondere regelingen zijn opgenomen en
                    waarvoor de hoofdregel van artikel 7 (meting, bemonstering en analyse) niet kan
                    worden toegepast.</al>
        <al>Overigens sluit dit artikel niet uit dat er ook andere omstandigheden kunnen
                    zijn op grond waarvan schatting kan plaatsvinden. </al>
        <tussenkop>Artikel 16 Tarief</tussenkop>
        <al>Dit artikel regelt het tarief per vervuilingseenheid.</al>
        <tussenkop>Artikel 17 Wijze van heffing en termijnen van betaling</tussenkop>
        <al>Ingevolge artikel 125 van de Waterschapswet kunnen waterschapsbelastingen worden
                    geheven bij wege van aanslag, bij wege van voldoening op aangifte of op andere
                    wijze. Het gaat hier om drie verschillende heffingstechnieken. In dit artikel is
                    gekozen voor de heffing bij wege van aanslag </al>
        <al>Artikel 9 van de Invorderingswet kent een regeling inzake betaaltermijnen,
                    waarvan ingevolge artikel 139 van de Waterschapswet kan worden afgeweken. In
                    artikel 17 zijn de betalingstermijnen van de aanslagen opgelegd door het
                    waterschap opgenomen.</al>
        <tussenkop>Artikel 18 Minimum bedrag</tussenkop>
        <al>Dit artikel regelt dat voor het bedrag van € 10 en lager geen aanslag wordt
                    opgelegd waarbij alle aanslagen op een aanslagbiljet worden opgeteld.</al>
        <tussenkop>Artikel 21</tussenkop>
        <al>Artikel 21 is in de verordening opgenomen om expliciet aan de belastingplichtige
                    kenbaar te maken dat het dagelijks bestuur van de Belastingsamenwerking
                    West-Brabant regels kan stellen met betrekking tot de heffing en de invordering
                    van de verontreinigingsheffing. Het dagelijks bestuur van het waterschap heeft
                    deze bevoegdheid ook voor wat betreft de heffingsambtenaar van het
                    waterschap.</al>
      </bijlage>
    </regeling>
  </body>
</cvdr>