<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR383628_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening jeugdhulp 2016</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Tilburg</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-05-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Tilburg</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2015-117374.html">Gemeenteblad, 2015-117374</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening jeugdhulp gemeente Tilburg 2016</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="jci1.3:c:BWBR0005416">Gemeentewet, art. 149</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:JEUGDWET">Jeugdwet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-11-02</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening jeugdhulp Tilburg 2016</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Tilburg;</al><al>gezien het voorstel van burgemeester en wethouders;</al><lijst><li nr="-"><al>Gemeentewet, art. 149</al></li><li nr="-"><al>Jeugdwet</al></li></lijst><al>Gezien het advies van de commissie Sociale Stijging;</al><al>Overwegende dat:</al><lijst><li nr="-"><al>In de lijn van de transformatie in het Sociaal Domein is de nadruk
                                gelegd zeker de uitvoering van de wetten Maatschappelijke
                                Ondersteuning en Jeugdwet dichter bij elkaar te brengen, zo ook in
                                de technische zin van uitwerking en behandeling van de onderwerpen.
                            </al></li><li nr="-"><al>Bij de toegang jeugdhulp via justitieel kader er geen beschikking
                                meer wordt verstrekt door het college. Deze afspraak komt tevens
                                overeen met de werkwijze in de regio.</al></li><li nr="-"><al>De regels voor het pgb zijn verder aangescherpt op de toekenning of
                                weigering van het pgb en de kwaliteitseisen voor de te leveren
                                zorg.</al></li><li nr="-"><al>Toegevoegd zijn de hardheidsclausule en de voorwaarden voor
                                jeugdhulp.</al></li></lijst><al><vet>Besluit</vet></al><lijst><li nr="A."><al>In te trekken de verordening Jeugdhulp gemeente Tilburg 2015 , zoals
                                vastgesteld op 3 november 2014.</al></li><li nr="B."><al>Vast te stellen de nieuwe verordening Jeugdhulp gemeente Tilburg
                                2016.</al></li></lijst><al/><al/><al><vet>Verordening jeugdhulp Tilburg 2016</vet></al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
                            onder:</al><lijst><li nr="a."><al>andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de
                                    Jeugdwet, op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke
                                    ondersteuning of werk en inkomen</al></li><li nr="b."><al>familiegroepsplan of wel het integraal plan van aanpak:
                                    hulpverleningsplan of plan van aanpak opgesteld door de ouders,
                                    samen met bloedverwanten, aanverwanten of anderen die tot de
                                    sociale omgeving van de jeugdige behoren</al></li><li nr="c."><al>gesprek: hierin worden alle feiten en omstandigheden van de
                                    specifieke hulpvraag onderzocht</al></li><li nr="d."><al>hulpvraag: behoefte van een jeugdige of zijn ouders aan
                                    jeugdhulp in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen,
                                    psychische problemen en stoornissen, als bedoeld in artikel 2.3,
                                    eerste lid, van de wet;</al></li><li nr="e."><al>individuele voorziening: op de jeugdige of zijn ouders
                                    toegesneden voorziening als bedoeld in artikel 2, tweede
                                    lid;</al></li><li nr="f."><al>jeugdige: persoon die de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft
                                    bereikt; </al></li><li nr="g."><al>overige voorziening: overige voorziening als bedoeld in artikel
                                    2, eerste lid;</al></li><li nr="h."><al>pgb: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1 van de
                                    wet, zijnde een door het college verstrekt budget aan een
                                    jeugdige of zijn ouders, dat hen in staat stelt de jeugdhulp die
                                    tot de individuele voorziening behoort van derden te
                                    betrekken;</al></li><li nr="i."><al>toegang, toegangsteams; op wijkniveau georganiseerd
                                    multidisciplinair team dat de hulpvraag van jeugdigen of hun
                                    ouders afhandelt;</al></li><li nr="j."><al>wet: Jeugdwet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.2</nr><titel>Doelgroep van deze verordening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De voorzieningen die worden geregeld in deze verordening zijn
                                toegankelijk voor:</al><lijst><li nr="a."><al>jeugdigen die hun woonplaats in de gemeente Tilburg hebben
                                        en hun ouders;</al></li><li nr="b."><al>jeugdige vreemdelingen die rechtmatig in Nederland
                                        verblijven in de zin van artikel 8 van de Vreemdelingenwet
                                        en die hun woonplaats hebben in de gemeente Tilburg, en hun
                                        ouders, met inachtneming van artikel 1.2 vierde lid
                                        Besluit;</al></li><li nr="c."><al>jeugdige vreemdelingen die geen rechtmatig verblijf hebben
                                        in Nederland maar verblijven in de gemeente Tilburg met
                                        inachtneming van artikel 1.2 tweede en derde Besluit.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid zijn de voorzieningen als geregeld
                                in artikel 3.1 toegankelijk voor jeugdigen die niet woonachtig zijn
                                in de gemeente Tilburg maar staan ingeschreven bij een
                                onderwijsinstelling in de gemeente Tilburg en hun ouders.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Vormen van jeugdhulp</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1</nr><titel>Overige voorzieningen</titel></kop><al>De volgende overige, algemeen toegankelijke voorzieningen zijn
                            beschikbaar;</al><lijst><li nr="a."><al>advies en informatie, mede ten behoeve van de mogelijk toegang
                                    tot individuele voorzieningen</al></li><li nr="b."><al>enkelvoudige, ambulante opgroei- en opvoedondersteuning anders
                                    dan specialistische ondersteuning</al></li><li nr="c."><al>advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2</nr><titel>individuele voorzieningen</titel></kop><al>De volgende individuele voorzieningen zijn beschikbaar;</al><lijst><li nr="a."><al>zonder verblijf; </al><lijst><li nr="1."><al>Persoonlijke verzorging</al></li><li nr="2."><al>Begeleiding</al></li><li nr="3."><al>Specialistische ambulante jeugdhulp (incl. eerste en
                                            tweedelijns psychologische hulp / specialistische
                                            jeugd-geestelijke gezondheidszorg);</al></li><li nr="4."><al>Onderzoek en diagnostiek</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>met verblijf;</al><lijst><li nr="1."><al>pleegzorg</al></li><li nr="2."><al>gezinsgericht</al></li><li nr="3."><al>residentieel (specialistische jeugd-geestelijke
                                            gezondheidszorg);</al></li><li nr="4."><al>gedwongen verblijf</al></li><li nr="5."><al>bovenregionale gespecialiseerde voorzieningen</al></li><li nr="6."><al>landelijke gespecialiseerde voorzieningen</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3</nr><titel>Vaststellen beschikbare individuele voorzieningen</titel></kop><al>Het college stelt bij nadere regels de beschikbare individuele
                            voorzieningen vast.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Toegang</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1</nr><titel>Toegang jeugdhulp via de gemeente</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Jeugdigen en ouders kunnen een hulpvraag melden bij het
                                college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college bevestigt de ontvangst van een melding schriftelijk
                                middels een meldingsbevestiging.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Jeugdigen en ouders kunnen zich rechtstreeks wenden tot een overige
                                voorziening zonder toestemming van het college.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In spoedeisende gevallen treft het college zo spoedig mogelijk een
                                passende tijdelijke voorziening of vraagt het college een
                                spoedmachtiging gesloten jeugdhulp als bedoeld in artikel 6.1.3
                                juncto artikel 6.1.8 van de wet. In het geval dat de jeugdige of
                                zijn ouders hierom verzoeken, legt het college de beslissing omtrent
                                de inzet vast in een beschikking als bedoeld in artikel 4.5.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2</nr><titel>Toegang jeugdhulp via het medisch domein</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college draagt zorg voor de inzet van jeugdhulp na verwijzing
                                door de huisarts, medisch specialist en jeugdarts naar een
                                jeugdhulpaanbieder, als en zover genoemde jeugdhulpaanbieder van
                                oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college legt de te verlenen individuele voorziening, dan wel het
                                afwijzen daarvan, vast in een beschikking als bedoeld in artikel
                                4.5.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.3</nr><titel>Toegang jeugdhulp via justitieel kader</titel></kop><al>Het college zorgt voor inzet van de jeugdhulp die de rechter of de
                            gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van een
                            kinderbeschermingsmaatregel, die de rechter, het openbaar ministerie, de
                            selectiefunctionaris, de inrichtingsarts of de directeur van de
                            justitiële inrichting nodig achten bij de uitvoering van een
                            strafrechtelijke beslissing, of die de gecertificeerde instelling nodig
                            acht bij de uitvoering van de jeugdreclassering. Hiervoor verstrekt het
                            college geen beschikking als bedoeld in artikel 4.5.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Procedure</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1</nr><titel>Vooronderzoek</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>het college verzamelt alle voor het onderzoek, bedoeld in artikel 5,
                                van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de jeugdige en zijn
                                situatie en maakt vervolgens zo spoedig mogelijk (maar binnen een
                                termijn van 2 weken) met hem of zijn ouders een afspraak voor een
                                gesprek. Hierbij brengt het college (toegangsprofessional) de
                                jeugdige en zijn ouders op de hoogte van de mogelijkheid om binnen
                                een redelijke termijn een familiegroepsplan als bedoeld in artikel
                                1.1 van de wet op te stellen. Als de jeugdige en zijn ouders daarom
                                verzoeken, draagt het college zorg voor ondersteuning bij het
                                opstellen van het familiegroepsplan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor het gesprek verschaffen de jeugdige of zijn ouders aan het
                                college alle overige gegevens en bescheiden die naar oordeel van het
                                college voor het onderzoek nodig zijn en waarover zij redelijkerwijs
                                de beschikking kunnen krijgen. De jeugdige of zijn ouders
                                verstrekken in ieder geval een identificatiedocument als bedoeld in
                                artikel 1 van de wet op de identificatieplicht ter inzage.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan in overleg met de jeugdige of zijn ouders afzien van
                                een vooronderzoek als bedoeld in het eerste en tweede lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2</nr><titel>Gesprek</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college onderzoekt in een gesprek tussen deskundigen en de
                                jeugdige of zijn ouders, zo spoedig mogelijk en voor zover
                                nodig:</al><lijst><li nr="a."><al>de behoeften, persoonskenmerken, voorkeuren, veiligheid,
                                        ontwikkeling en gezinssituatie van de jeugdige en het
                                        probleem of de hulpvraag;</al></li><li nr="b."><al>het gewenste resultaat van het verzoek om jeugdhulp;</al></li><li nr="c."><al>het vermogen van de jeugdige of zijn ouders om zelf of met
                                        ondersteuning van de naaste omgeving een oplossing voor de
                                        hulpvraag te vinden;</al></li><li nr="d."><al>de mogelijkheden om gebruik te maken van een andere
                                        voorziening;</al></li><li nr="e."><al>de mogelijkheden om jeugdhulp te verlenen met gebruikmaking
                                        van een overige voorziening;</al></li><li nr="f."><al>de mogelijkheden om een individuele voorziening te
                                        verstrekken;</al></li><li nr="g."><al>de wijze waarop een mogelijk toe te kennen individuele
                                        voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het
                                        gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning,
                                        of werk en inkomen;</al></li><li nr="h."><al>hoe rekening zal worden gehouden met de godsdienstige
                                        gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond
                                        van de jeugdige en zijn ouders en</al></li><li nr="i."><al>de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een
                                        pgb, waarbij de jeugdige of zijn ouders in begrijpelijke
                                        bewoordingen worden ingelicht over de gevolgen van die keuze
                                        en de te volgen procedure.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als er sprake is van een individuele voorziening met verblijf,
                                informeert het college de ouders dat een ouderbijdrage is
                                verschuldigd en hoe deze wordt geïnd, conform artikel 8.2.1 van de
                                wet.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als de jeugdige en zijn ouders een familiegroepsplan / integraal
                                Plan van als bedoeld in artikel 1.1 van de wet hebben opgesteld,
                                betrekt het college dat als eerste bij het onderzoek, bedoeld in het
                                eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college informeert de jeugdige of zijn ouders over de gang van
                                zaken bij het gesprek, hun rechten en plichten en de
                                vervolgprocedure en vraagt hen toestemming om hun persoonsgegevens
                                te verwerken.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan in overleg met de jeugdige of zijn ouders afzien van
                                een gesprek.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3</nr><titel>Verslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college zorgt voor schriftelijke verslaglegging van het
                                onderzoek, bedoeld in artikel 3.5.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Binnen 10 werkdagen na het gesprek verstrekt het college aan de
                                jeugdige of zijn ouders een verslag van de uitkomsten van het
                                onderzoek, tenzij zij hebben medegedeeld dit niet te wensen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Opmerkingen of latere aanvullingen van de jeugdige of zijn ouders
                                worden aan het verslag toegevoegd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4</nr><titel>Aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Jeugdigen en ouders kunnen een aanvraag om een individuele
                                voorziening schriftelijk indienen bij het college. Een aanvraag
                                wordt ingediend door middel van een door het college vastgesteld
                                aanvraagformulier.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan een ondertekend verslag van het gesprek aanmerken
                                als aanvraag als de jeugdige of zijn ouders dat op het verslag
                                hebben aangegeven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.5</nr><titel>Inhoud beschikking</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In de beschikking tot verstrekking van een individuele voorziening
                                wordt in ieder geval aangegeven of de voorziening in natura of als
                                pgb wordt verstrekt en wordt tevens aangegeven hoe bezwaar tegen de
                                beschikking kan worden gemaakt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij het verstrekken van een voorziening in natura wordt in de
                                beschikking tevens vastgelegd:</al><lijst><li nr="a."><al>welke de te verstrekken voorziening is en wat het beoogde
                                        resultaat daarvan is;</al></li><li nr="b."><al>wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is;</al></li><li nr="c."><al>hoe de voorziening wordt verstrekt, en indien van
                                        toepassing, en</al></li><li nr="d."><al>welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen
                                        zijn.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij het verstrekken van een voorziening in de vorm van een pgb wordt
                                in de beschikking tevens vastgelegd:</al><lijst><li nr="a."><al>voor welk resultaat het pgb kan worden aangewend</al></li><li nr="b."><al>welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het
                                        pgb;</al></li><li nr="c."><al>wat de hoogte is van het pgb en hoe hiertoe gekomen is;</al></li><li nr="d."><al>wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is
                                        bedoeld, en</al></li><li nr="e."><al>de wijze van verantwoording van de besteding van het
                                        pgb.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als sprake is van een te betalen ouderbijdrage worden de jeugdige of
                                zijn ouders daarover in de beschikking geïnformeerd (zie artikel
                                4.1). </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.6</nr><titel>Regels voor pgb</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verstrekt een pgb in overeenstemming met artikel 8.1.1
                                van de wet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Vastgesteld is dat ouders, al dan niet met hulp uit hun sociale
                                netwerk dan wel van een curator, bewindvoerder, mentor of
                                gemachtigde, in staat zijn tot een redelijke waardering van hun
                                belangen, en in staat zijn om de rechten en plichten die zijn
                                verbonden aan het pgb op een verantwoorde manier uit te voeren.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De hoogte van een pgb:</al><lijst><li nr="a."><al>wordt bepaald aan de hand van een door de jeugdige of zijn
                                        ouders opgesteld plan over hoe zij het pgb gaan
                                        besteden;</al></li><li nr="b."><al>is toereikend om veilige, doeltreffende en kwalitatief goede
                                        jeugdhulp in te kopen, en</al></li><li nr="c."><al>bedraagt niet meer dan de kostprijs van de in de betreffende
                                        situatie goedkoopste adequate individuele voorziening in
                                        natura.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De persoon aan wie een pgb wordt verstrekt, kan de jeugdhulp onder
                                de volgende voorwaarden betrekken van een persoon die behoort tot
                                het sociale netwerk:</al><lijst><li nr="a."><al>voor diensten genoemd in artikel 2.2 lid a 1 en 2 zijnde
                                        persoonlijke verzorging en begeleiding;</al></li><li nr="b."><al>de dienstverlener voldoet aan de wettelijke
                                        kwaliteitscriteria indien en zover die van toepassing zijn
                                        op de te verlenen zorg of ondersteuning;</al></li><li nr="c."><al>dat deze persoon heeft aangegeven dat de zorg aan de
                                        belanghebbende voor hem niet tot overbelasting leidt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De jeugdige of zijn ouders gemotiveerd aan kunnen tonen dat een
                                individuele voorziening uitgevoerd door een jeugdhulpaanbieder niet
                                passend achten.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Gewaarborgd is dat de voorziening die met het pgb betaald wordt, van
                                goede kwaliteit is.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De aanvraag voor een pgb omvat in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>de te treffen individuele voorziening en het beoogde
                                        doel;</al></li><li nr="b."><al>de vooringenomen uitvoering daarvan inclusief uitvoerder en
                                        kosten;</al></li><li nr="c."><al>de kwalificaties van de uitvoerder, en;</al></li><li nr="d."><al>een motivering waarom het aanbod van de door de gemeente
                                        gecontracteerde aanbieder (zorg in natura) niet passend is
                                        naar oordeel van de aanvrager.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Het college kan een pgb weigeren:</al><lijst><li nr="a."><al>indien aan de jeugdige of zijn ouders in de afgelopen die
                                        jaren, voorafgaand aan de datum van het gesprek, een pgb is
                                        verleend en waarbij door de jeugdige of zijn ouders niet is
                                        voldaan aan de voorwaarden van het pgb; </al></li><li nr="b."><al>als het bieden van een keuze voor het pgb negatieve gevolgen
                                        zou hebben voor het voortbestaan van het systeem van de
                                        desbetreffende individuele voorzieningen in natura;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>Tussenpersonen en belangenbehartigers mogen niet uit het
                                persoonsgebonden budget worden betaald.</al></lid><lid><lidnr>10.</lidnr><al>Begeleidings- of administratiekosten mogen niet uit het pgb worden
                                betaald.</al></lid><lid><lidnr>11.</lidnr><al>Het college onderzoekt uit het oogpunt van kwaliteit van de
                                geleverde zorg, al dan niet steekproefsgewijs, de bestedingen van
                                pgb’s.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Bijdragen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1</nr><titel>(ouder)bijdrage</titel></kop><al>Voor jeugdhulp met verblijf is een ouderbijdrage verschuldigd. De
                            bijdrage is verschuldigd indien een kind (gedeeltelijk) buiten het gezin
                            wordt verzorgd of opgevoed.</al><al>Het college stelt bij nadere regels vast voor welke voorzieningen er een
                            ouderbijdrage zal worden geheven. De inning en de vaststelling van de
                            hoogte van de ouderbijdrage valt onder de verantwoordelijkheid van het
                            CAK (Centraal Administratie Kantoor). </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Toezicht en handhaving</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1</nr><titel>Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of
                                terugvordering</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd artikel 8.1.2 van de wet doen een jeugdige of zijn
                                    ouders op verzoek of onverwijld uit eigen beweging aan het
                                    college mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan
                                    hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding
                                    kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing aangaande een
                                    individuele voorziening. </al></li><li nr="2."><al>Onverminderd artikel 8.1.4 van de wet kan het college een
                                    beslissing aangaande een individuele voorziening herzien dan wel
                                    intrekken als het college vaststelt dat:</al><lijst><li nr="a."><al>de jeugdige of zijn ouders onjuiste of onvolledige
                                            gegevens hebben verstrekt en de</al></li></lijst></li></lijst><al>verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing
                            zou hebben geleid;</al><lijst><li nr="b."><al>de jeugdige of zijn ouders niet langer op de individuele
                                    voorziening of op het pgb zijn aangewezen;</al></li><li nr="c."><al>de individuele voorziening of het pgb niet meer toereikend is te
                                    achten;</al></li><li nr="d."><al>de jeugdige of zijn ouders niet voldoen aan de voorwaarden van
                                    de individuele</al><al> voorziening of het pgb, of</al></li><li nr="e."><al>de jeugdige of zijn ouders de individuele voorziening of het pgb
                                    niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het is
                                    bestemd.</al><lijst><li nr="3."><al>Als het college een beslissing op grond van het tweede
                                            lid, onder a, heeft ingetrokken en de verstrekking van
                                            de onjuiste of onvolledige gegevens opzettelijk heeft
                                            plaatsgevonden, kan het college van degene die
                                            opzettelijk onjuiste of onvolledige gegevens heeft
                                            verschaft geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen
                                            van de ten onrechte genoten individuele voorziening of
                                            het ten onrechte genoten pgb.</al></li><li nr="4."><al>Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden
                                            ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen <cursief>zes
                                                maanden</cursief> na uitbetaling niet is aangewend
                                            voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de
                                            verlening heeft plaatsgevonden.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.2</nr><titel>Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders
                                kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering</titel></kop><al>Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding
                            bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te
                            leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of
                            jeugdreclassering, rekening met:</al><lijst><li nr="a."><al>de aard en omvang van de te verrichten taken;</al></li><li nr="b."><al>de voor de sector toepasselijke cao-schalen in relatie tot de
                                    zwaarte van de functie;</al></li><li nr="c."><al>een redelijke toeslag voor overheadkosten;</al></li><li nr="d."><al>een voor de sector reële mate van non-productiviteit van het
                                    personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en
                                    werkoverleg; de kosten voor bijscholing van het personeel</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.3</nr><titel>Vertrouwenspersoon</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college wijst een onafhankelijke vertrouwenspersoon aan waarop
                                jeugdigen, ouders en pleegouders een beroep kunnen doen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college wijst jeugdigen en ouders erop dat zij zich desgewenst
                                kunnen laten bijstaan door een onafhankelijke
                                vertrouwenspersoon.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.4</nr><titel>Klachtregeling</titel></kop><al>Jeugdhulpaanbieders stellen een regeling vast voor de afhandeling van
                            klachten van cliënten ten aanzien van alle voorzieningen.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7</nr><titel>Inspraak</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.1</nr><titel>Betrekken ingezetenen bij het beleid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college betrekt ingezetenen van de gemeente, waaronder in ieder
                                geval cliënten of hun vertegenwoordigers, bij de voorbereiding van
                                het beleid betreffende jeugdhulp, overeenkomstig in de Gemeentewet
                                gestelde regels over de wijze waarop inspraak wordt verleend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt ingezetenen vroegtijdig in de gelegenheid
                                voorstellen voor het beleid betreffende jeugdhulp te doen, advies
                                uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en
                                beleidsvoorstellen betreffende jeugdhulp, en voorziet heb van
                                ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan
                                periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen
                                aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate
                                deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college stelt nadere regels vast ter uitvoering van het tweede
                                en derde lid.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>8</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de client afwijken
                            van de bepalingen in deze verordening, als toepassing van de verordening
                            tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.2</nr><titel>Voorwaarden</titel></kop><al>Het college kan aan het verstrekken van een voorziening voorwaarden
                            verbinden, die verband houden met de aard en het doel van een bepaalde
                            voorziening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3</nr><titel>Besluit en beleidsregels</titel></kop><al>Het college stelt een besluit jeugdhulp gemeente Tilburg en
                            beleidsregels vast. Hierin neemt het nadere regels op over de uitvoering
                            van deze verordening, over de omvang van de (financiële) verstrekkingen
                            en over de omvang van de (ouder)bijdrage.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.4</nr><titel>Indexering</titel></kop><al>Het college kan jaarlijks per 1 januari de in het kader van deze
                            verordening en het op deze verordening berustende besluit geldende
                            bedragen indexeren. In het Besluit is opgenomen voor welke bedragen dit
                            geldt, welk prijsindexcijfer gehanteerd wordt en over welke periode van
                            12 maanden de index berekend wordt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.5</nr><titel>Intrekking oude verordening en overgangsrecht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verordening jeugdhulp gemeente Tilburg 2015 wordt
                                ingetrokken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond
                                van de verordening jeugdhulp gemeente Tilburg 2015, totdat het
                                college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee
                                deze voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Aanvragen die zijn ingediend voor 1 januari 2015 onder de
                                verordening jeugdhulp gemeente Tilburg 2015 en waarop nog niet is
                                beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden
                                afgehandeld krachtens deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Van het in lid 3 gestelde kan ten gunste van de cliënt worden
                                afgeweken.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Beslissing op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de
                                verordening jeugdhulp gemeente Tilburg 2015, geschiedt op grond van
                                de verordening jeugdhulp gemeente Tilburg 2015 die ten aanzien van
                                de betreffende zaak zijn rechtskracht behoudt.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Van het in lid 5 gestelde kan ten gunste van de cliënt worden
                                afgeweken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.6</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2016.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening jeugdhulp
                                gemeente Tilburg 2016.</al></lid></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting op de verordening jeugdhulp </titel></kop><tussenkop>Artikelsgewijs</tussenkop><tussenkop>Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 1.1 Begripsbepalingen</tussenkop><lijst><li nr="a."><al>Onder het begrip ‘andere voorziening’ wordt in deze verordening verstaan
                            een voorziening die niet op grond van de Jeugdwet wordt getroffen, maar
                            in het kader van maatschappelijke ondersteuning, onderwijs, werk en
                            inkomen of zorg. Zie ook artikel 2.9, onder b, van de wet. </al></li><li nr="c."><al>Het gesprek is het mondeling contact bij het onderzoek naar de hulpvraag
                            waarin het college - in de praktijk zal het college deze bevoegdheid
                            mandateren aan deskundigen - met degene die jeugdhulp vraagt zijn gehele
                            situatie bespreekt ten aanzien van de ondervonden problemen en de
                            gevolgen daarvan en de gewenste resultaten van de te kiezen
                            oplossingen.</al></li><li nr="f."><al>In de verordening gebruiken we de begrippen jeugdige en ouder
                            overeenkomstig de Jeugdwet. Indien mogelijk aangeduid algemeen als
                            ‘jeugdigen en ouders’ en specifiek veelal als ‘de jeugdige of zijn
                            ouders’. Gebruik van ‘of’ impliceert ook de betekenis ‘en’. Met de
                            aanduiding ‘de jeugdige of zijn ouders’ bedoelen we dus: de jeugdige
                            (van bijvoorbeeld 16 jaar of ouder) zelfstandig, de jeugdige met een of
                            beide ouders (in de definitie van artikel 1 van de wet: de gezaghebbend
                            ouder, adoptiefouder, stiefouder of een ander die een jeugdige als
                            behorend tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, niet zijnde een pleegouder)
                            (bij een jeugdige tussen de 12 en de 16 jaar), of de ouders namens de
                            jeugdige (bij een jeugdige jonger dan 12 jaar).</al></li><li nr="h."><al>De definitie van ‘pgb’ is opgenomen omdat de afkorting
                                <onderstreept>pgb</onderstreept> in het spraakgebruik</al><al> inmiddels meer is ingeburgerd dan voluit ‘persoonsgebonden
                            budget’.</al></li></lijst><tussenkop>Hoofdstuk 2 Vormen van jeugdhulp</tussenkop><tussenkop>Artikel 2.1 Overige voorzieningen </tussenkop><al>Dit artikel geeft een nadere uitwerking van de verplichte delegatiebepaling van
                    artikel 2.9, onder a, van de wet, waarin is bepaald dat de gemeente bij
                    verordening regels stelt over de door het college te verlenen individuele
                    voorzieningen en overige (jeugdhulp)voorzieningen. </al><tussenkop>Artikel 2.2 Individuele voorzieningen</tussenkop><al>Dit artikel geeft een nadere uitwerking van de verplichte delegatiebepaling van
                    artikel 2.9, onder a, van de wet, waarin is bepaald dat de gemeente bij
                    verordening regels stelt over de door het college te verlenen individuele
                    voorzieningen en overige (jeugdhulp)voorzieningen. </al><tussenkop>Artikel 2.3 Vaststellen beschikbare individuele voorzieningen</tussenkop><al>Dit artikel geeft aan dat het college bij nadere regels de beschikbare
                    individuele voorzieningen vaststelt.</al><tussenkop>Hoofdstuk 3 Toegang</tussenkop><tussenkop>Artikel 3.1 Toegang jeugdhulp via de gemeente, melding
                    hulpvraag</tussenkop><al>Voor het verkrijgen van een individuele, niet overige voorziening, geldt de in
                    hoofdstuk 3 beschreven procedure. Bij het onderzoek ter beoordeling van een
                    aangemelde hulpvraag zal, in een gesprek met de jeugdige en zijn ouders de
                    gehele situatie worden bekeken en kan bijvoorbeeld alsnog worden verwezen naar
                    een overige jeugdhulpvoorziening in plaats van, of naast, mogelijke toekenning
                    van een individuele voorziening. </al><al>Eerste lid: het college is verantwoordelijk voor de inzet van de noodzakelijke
                    voorzieningen op het gebied van jeugdhulp. Het college is bevoegd om de toegang
                    tot jeugdhulp te verlenen op grond van de wet. </al><al>Vierde lid: de jeugdige of zijn ouders die een beroep willen doen op een overige
                    voorziening kunnen hier direct naartoe zonder meldingsprocedure in de zin van
                    (hoofdstuk 3) deze verordening.</al><tussenkop>Artikel 3.2 Toegang jeugdhulp via het medisch domein</tussenkop><al>In artikel 2.6, eerste lid, onderdeel g, van de Jeugdwet is geregeld dat, naast
                    de gemeentelijk georganiseerde toegang tot jeugdhulp, ook de directe
                    verwijzingsmogelijkheid door de huisarts, medisch specialist en jeugdarts naar
                    de jeugdhulp blijft bestaan. Dit laatste geldt zowel voor de vrij-toegankelijke
                    (overige) voorzieningen als de niet vrij-toegankelijke (individuele)
                    voorzieningen. Met een dergelijke verwijzing kan de jeugdige rechtstreeks
                    aankloppen bij de jeugdhulpaanbieder. In de praktijk zal het de
                    jeugdhulpaanbieder (bijvoorbeeld de jeugdpsychiater, de gezinswerker of
                    orthopedagoog) zijn die na de verwijzing (stap 1) beoordeelt welke jeugdhulp
                    precies nodig is. Deze bepaalt in overleg met de jeugdige of ouder daadwerkelijk
                    de concrete inhoud, vorm, omvang en duur van de benodigde jeugdhulp. Deze
                    aanbieder stelt dus feitelijk vast wat naar zijn oordeel de inhoud van de
                    benodigde voorziening dient te zijn en hij zal zijn oordeel mede baseren op de
                    protocollen en richtlijnen die voor een professional de basis van zijn handelen
                    vormen (stap 2). </al><al>Het college legt de te verlenen individuele voorziening, dan wel het afwijzen
                    daarvan, in alle gevallen vast in een beschikking aan de jeugdige of zijn
                        ouders<cursief>.</cursief></al><tussenkop>Artikel 3.3 Toegang jeugdhulp via justitieel kader</tussenkop><al>Een verzoek ten aanzien van een machtiging gesloten jeugdzorg wordt, conform
                    artikel 6.1.8 eerste lid Jeugdwet, door het college van de gemeente waar de
                    jongere woont ingediend. De uitzondering op deze regel wordt verwoord in het
                    tweede lid van dat artikel. Als er sprake is van een
                    kinderbeschermingsmaatregel, dan is het de GI die het genoemde verzoek indient
                    en niet het college. In de Memorie van Toelichting bij de Veegwet VWS 2015
                    (Kamerstukken II, 2014/15, 34 191, nr. 3) geeft de wetgever eveneens aan dat
                    artikel 2.11 er toe strekt “de kwaliteit van de voorzieningen op grond van de
                    Jeugdwet te waarborgen alsmede de goede verhouding tussen de prijs en de
                    kwaliteit ervan”. Er wordt vervolgens duidelijk aangegeven dat er in “de
                    parlementaire behandeling diverse malen is aangegeven dat het college de
                    mogelijkheid heeft om jeugdhulpaanbieders te mandateren om namens het college te
                    besluiten welke jeugdhulp jeugdigen of ouders nodig hebben.” Door deze
                    voorgenomen wijziging in de Jeugdwet is daarmee artikel 2.11 eerste lid Jeugdwet
                    verduidelijkt; het college heeft, na inwerkingtreding van de Veegwet VWS 2015,
                    de mogelijkheid om de vaststelling van rechten en plichten, als bedoeld in een
                    verleningsbesluit, te mandateren.</al><tussenkop>Hoofdstuk 4 Procedure </tussenkop><tussenkop>Artikel 4.1 Vooronderzoek</tussenkop><al>Het eerste lid dient ter voorbereiding van het gesprek waarbij voor het
                    onderzoek naar aanleiding van de melding relevante bekende gegevens in kaart
                    worden gebracht, zodat cliënten niet worden belast met vragen over zaken die bij
                    de gemeente al bekend zijn en een goede afstemming mogelijk is met eventuele
                    andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke
                    ondersteuning of werk en inkomen. De regels met betrekking tot de privacy van
                    betrokkenen en gegevensuitwisseling die gelden op grond van de Jeugdwet en de
                    Wet bescherming persoonsgegevens zijn hierop van overeenkomstige toepassing.
                    Indien gegevens nodig zijn waartoe het college geen toegang heeft in verband met
                    de privacyregels, kan het college de jeugdige of zijn ouders vragen om
                    toestemming om deze op te vragen of in te zien. Het vooronderzoek kan
                    afhankelijk van de inhoud van de melding meer of minder uitgebreid zijn en omvat
                    ook de uitnodiging voor het gesprek.</al><al>Tweede lid: bij de vaststelling van de datum, het tijdstip en de locatie voor
                    het gesprek kunnen dan ook al wat concrete vragen worden gesteld of aan de
                    jeugdige of zijn ouders worden verzocht om nog een aantal stukken te overleggen.
                    In het kader van de rechtmatigheid wordt in ieder geval de identiteit van de
                    jeugdige of ouders vastgesteld aan de hand van een document als bedoeld in
                    artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht. Tevens kan worden beoordeeld of
                    sprake is van een voorliggende voorziening en of het college op grond van
                    artikel 1.2 van de wet al dan niet is gehouden om een voorziening op basis van
                    deze wet te treffen.</al><al>In het derde lid is een bepaling opgenomen ter voorkoming van onnodige
                    bureaucratie. Als de gemeente al een dossier heeft van de jeugdige of zijn
                    ouders, en de jeugdige of zijn ouders geven toestemming om dit dossier te
                    gebruiken, dan kan een vooronderzoek achterwege blijven. Een gesprek over de
                    acute hulpvraag is dan in de regel nog wel nodig. Indien de hulpvraag ook al
                    bekend is, en het bijvoorbeeld over een vervolgvraag gaat, dan kan in overleg
                    met de jeugdige of zijn ouders ook van het gesprek worden afgezien. Dit laatste
                    is bepaald in artikel 6, derde lid.</al><tussenkop>Artikel 4.2 Gesprek</tussenkop><al>Voor een zorgvuldig te nemen besluit is het van belang dat alle feiten en
                    omstandigheden van de specifieke hulpvraag worden onderzocht. Daarbij is het van
                    belang dat het onderzoek in samenspraak met de jeugdige en zijn ouders wordt
                    verricht. Voor een zorgvuldig onderzoek is veelal persoonlijk contact nodig om
                    een totaalbeeld van de jeugdige en zijn ouders te krijgen. Het ligt daarom ook
                    voor de hand dat tijdens een gesprek met de jeugdige en zijn ouders het een en
                    ander wordt besproken. Of dit gesprek op een gemeentelocatie (wijkteam)
                    plaatsvindt, op school, bij de jeugdige of zijn ouders thuis, of bij een andere
                    deskundige zal afhankelijk van de concrete situatie worden besloten. Indien
                    nodig voor het onderzoek, kan ook sprake zijn van meerdere (opeenvolgende)
                    gesprekken.</al><al>In het eerste lid is opgenomen dat het gesprek zo spoedig mogelijk moet
                    plaatsvinden. Het hangt af van de situatie hoe snel dat kan of moet
                    plaatsvinden.</al><al>In de onderdelen a tot en met i zijn de onderwerpen van het gesprek weergegeven.
                    Het betreft uiteraard altijd maatwerk. In onderdeel c wordt de eigen kracht van
                    jeugdigen en ouders voorop gesteld overeenkomstig het in de considerans van de
                    wet [<cursief>en de verordening</cursief>] vermelde uitgangspunt dat de
                    verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen
                    allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf ligt. Een te verstrekken
                    voorziening kan ook juist nodig zijn om de mate van probleemoplossend vermogen
                    van de jeugdige en zijn ouders en die van de naaste omgeving te versterken.</al><al>Het derde lid bevestigt de regeling van het familiegroepsplan, Integraal Plan
                    van aanpak in de Jeugdwet (artikel 2.1, onder g, in samenhang met artikel 1.1).
                    De wet vraagt niet om hierover bij verordening een regeling op te stellen. De
                    bepaling is toch in de verordening opgenomen vanwege het belang om in de
                    verordening een compleet overzicht van rechten en plichten van jeugdigen en
                    ouders te geven. </al><tussenkop>Artikel 4.3 Verslag</tussenkop><al>Deze bepaling is opgenomen in het belang van een zorgvuldige dossiervorming en
                    een zorgvuldige procedure. Het college een weergave van de uitkomsten van het
                    onderzoek verstrekt om de cliënt in staat te stellen een aanvraag te doen voor
                    een maatwerkvoorziening. Dat moet in beginsel schriftelijk. Een goede weergave
                    maakt het voor de gemeente inzichtelijk om een juiste beslissing te nemen te
                    nemen op een aanvraag en draagt bij aan een inzichtelijke communicatie met de
                    cliënt. De schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek wordt ook
                    gebruikt als een met de cliënt overeengekomen plan (arrangement) waarin de
                    gemaakte afspraken en de verplichtingen die daaruit voortvloeien, zijn
                    vastgelegd. Het is in dat geval passend dat het college en de cliënt dit plan
                    ondertekenen. </al><al>Het later toevoegen van opmerkingen of het aanbrengen van wijzigingen of het
                    herstellen van feitelijke onjuistheden is eveneens vormvrij (derde lid).</al><tussenkop>Artikel 4.4 Aanvraag</tussenkop><al>De gemeente stelt bij verordening in ieder geval regels vast met betrekking tot
                    de voorwaarden voor toekenning en de wijze van beoordeling van, en de
                    afwegingsfactoren bij een individuele voorziening. Een aanvraag is nodig om een
                    verleningsbeschikking voor een individuele voorziening te verkrijgen.</al><tussenkop>Artikel 4.5 Inhoud beschikking</tussenkop><al>Indien de jeugdige of zijn ouders een formele aanvraag bij het college indienen
                    (artikel 7) of er overeenkomstig artikel 3, tweede lid, een beschikking
                    afgegeven wordt, dient het college een schriftelijke beschikking op te stellen,
                    waartegen zij bezwaar en beroep kunnen indienen. Uitgangspunt van de wet is dat
                    de jeugdige of zijn ouders een voorziening in ‘natura’ krijgen. Indien gewenst
                    door de jeugdige of zijn ouders bestaat echter de mogelijkheid van het toekennen
                    van een pgb. </al><al>In de beschikking wordt alleen ter informatie opgenomen dat een ouderbijdrage is
                    verschuldigd (vierde lid) (zie ook artikel 4.1). </al><tussenkop>Artikel 4.6 Regels pgb</tussenkop><al>Jeugdigen of hun ouders kunnen zelf bijbetalen wanneer het tarief van de door
                    hen gewenste aanbieder duurder is dan de in de betreffende situatie goedkoopst
                    adequate door het college te bieden individuele voorziening in natura. Het
                    college kan het pgb slechts weigeren voor dat gedeelte dat duurder is dan deze
                    door het college te bieden individuele voorziening in natura.</al><al>Het tweede lid berust op artikel 2.9, onder c, van de wet. In deze wetsbepaling
                    staat dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald op welke wijze de
                    hoogte van een pgb wordt vastgesteld. </al><al>Het derde lid berust op artikel 8.1.1, vierde lid, van de wet. </al><tussenkop>Hoofdstuk 5 bijdragen </tussenkop><tussenkop>Artikel 5.1 (ouder)bijdrage</tussenkop><al>Het college legt in het besluit jeugdhulp vast in welke situaties (van jeugdhulp
                    buiten de thuissituatie) er sprake is van een ouderbijdrage. </al><tussenkop>Hoofdstuk 6 Toezicht en handhaving</tussenkop><tussenkop>Artikel 6.1 Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of
                    terugvordering</tussenkop><al>Het eerste lid berust mede op artikel 8.1.2, eerste lid, van de wet. Ook de
                    overige onderdelen van artikel 8.1.2 en artikel 8.1.3 en 8.1.4 geven handen en
                    voeten aan de bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik en zijn opgenomen
                    in deze verordening. De wettekst van de artikelen 8.1.2 tot en met 8.1.4 is
                    veelal beperkt tot de pgb. Waar mogelijk en zinvol, is dit ter uitwerking van de
                    delegatiebepaling in artikel 2.9, onder d, van de wet, in de verordening
                    uitgebreid tot de individuele voorziening in natura. Hiervoor kan ook steun
                    gevonden worden in de tekst van de toelichting op artikel 8.1.2, waarbij is
                    vermeld dat de in het eerste lid geregelde inlichtingenverplichting als
                    uitgangspunt heeft dat van de jeugdige en zijn ouders aan wie een individuele
                    voorziening of een daaraan gekoppeld pgb is verstrekt, verlangd kan worden dat
                    ze voldoende gegevens en inlichtingen verstrekken om het college in staat te
                    stellen te beoordelen of het beroep op die individuele voorziening of het
                    daaraan gekoppelde pgb terecht is gedaan. Indien het de jeugdige of zijn ouders
                    redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat er feiten en omstandigheden, of daarin
                    opgetreden wijzigingen, zijn die van invloed kunnen zijn op de toekenning van de
                    individuele voorziening of het daaraan gekoppelde pgb, dienen zij dit onverwijld
                    aan het college te melden. Verstrekken zij niet onverwijld uit eigen beweging of
                    op verzoek van het college alle gevraagde inlichtingen en bewijsstukken, dan
                    heeft dat gevolgen voor de toekenning van de voorziening of het daaraan
                    gekoppelde pgb. Het college kan niet alleen bij een aanvraag, maar ook in andere
                    stadia concrete informatie en bewijsstukken van de belanghebbende vragen. </al><al>Het tweede lid is geënt op artikel 8.1.4 van de wet<cursief>.</cursief> Ook hier
                    is de tot de pgb beperkte reikwijdte van artikel 8.1.4 van de wet op grond van
                    het bepaalde in artikel 2.9, onder d, van de wet uitgebreid tot de individuele
                    voorziening in natura. </al><tussenkop>Artikel 6.2 Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en
                    uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering</tussenkop><al>Het college kan de uitvoering van de Jeugdwet, met uitzondering van de
                    vaststelling van de rechten en plichten van de jeugdige of zijn ouders, door
                    aanbieders laten verrichten (artikel 2.11, eerste lid, van de Jeugdwet). Met het
                    oog op gevallen waarin dit ten aanzien van jeugdhulp,
                    kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering gebeurt, moeten bij
                    verordening regels worden gesteld ter waarborging van een goede verhouding
                    tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of de uitvoering van een
                    kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld
                    aan de kwaliteit daarvan (artikel 2.12 va de Jeugdwet). Daarbij dient in ieder
                    rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de
                    toepasselijke arbeidsvoorwaarden<cursief>.</cursief></al><tussenkop>Artikel 6.3 Vertrouwenspersoon</tussenkop><al> In artikel 2.6, eerste lid, onder f, van de wet is bepaald dat het college
                    ervoor verantwoordelijk is dat jeugdigen, hun ouders of pleegouders een beroep
                    kunnen doen op een vertrouwenspersoon. Met de vertrouwenspersoon wordt een
                    functionaris bedoeld zoals deze nu al werkzaam is binnen de jeugdzorg.
                    Onafhankelijkheid, beschikbaarheid en toegankelijkheid zijn belangrijke factoren
                    (wettelijke vereisten) voor een goede invulling van deze functie. </al><tussenkop>Artikel 6.4 Klachtregeling</tussenkop><al>Dit artikel regelt het gemeentelijke klachtrecht. De gemeente is al op grond van
                    de Awb in het algemeen verplicht tot een behoorlijke behandeling van mondelinge
                    en schriftelijke klachten over gedragingen van bestuursorganen en personen die
                    onder haar verantwoordelijkheid werkzaam zijn. </al><tussenkop>Hoofdstuk 7 Inspraak</tussenkop><tussenkop>Artikel 7.1 Betrekken van ingezetenen bij het beleid</tussenkop><al>In dit artikel zijn bepalingen opgenomen over de medezeggenschap bij de
                    gemeente. De mogelijkheid tot medezeggenschap tegenover de aanbieder is al
                    geregeld in artikel 4.2.4 e.v. van de wet. </al><al>Met het derde lid wordt het aan het college overgelaten om de exacte invulling
                    van de medezeggenschap vorm te geven.</al><tussenkop>Hoofdstuk 8 Slotbepalingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 8.1 Hardheidsclausule</tussenkop><al>Juist omdat het in de jeugdwet om maatwerk gaat zal het college er niet aan
                    ontkomen om, ook al is er een zorgvuldige afweging gemaakt, uiteindelijk toch te
                    beoordelen of deze afweging niet leidt tot onbillijkheden van overwegende
                    aard.</al><al>Deze afweging zal minder vaak voorkomen dan in normale omstandigheden te
                    verwachten is. Immers, bij de afwegingen gaat het al om een zeer persoonlijke
                    beoordeling. Als desondanks die zeer persoonlijke afweging toch nog sprake is
                    van een niet billijke situatie is de hardheidsclausule een vangnet. Daarbij kan
                    de aanvrager ook een beroep doen op deze hardheidsclausule.</al><al>Wordt de hardheidsclausule vaker voor één onderwerp gebruikt dan kan men zich
                    afvragen of het beleid terzake niet aangepast zou moeten worden.</al><tussenkop>Artikel 8.2 Voorwaarden</tussenkop><al>In dit artikel wordt bepaald dat er aan het verstrekken van voorzieningen
                    voorwaarden verbonden mogen worden.</al><tussenkop>Artikel 8.3 Besluit en Beleidsregels</tussenkop><al>In dit artikel wordt bepaald dat er een Besluit jeugdhulp gemeente Tilburg en
                    beleidsregels worden vastgesteld. Deze documenten bevatten richtlijnen over de
                    uitvoering van deze verordening. Het Besluit omvat ook de omvang van de diverse
                    (financiële) verstrekkingen en de hoogte van de (ouder)bijdrage.</al><tussenkop>Artikel 8.4 Indexering</tussenkop><al>Het college is op basis van dit artikel bevoegd eigen bijdragen aan te passen.
                    De bedragen zijn opgenomen in het Besluit jeugdhulp gemeente Tilburg.</al><tussenkop>Artikel 8.5 Intrekkingen oude verordening en overgangsrecht</tussenkop><al>De wet zelf bevat overgangsrecht voor cliënten die vanuit onder andere de AWBZ
                    overgaan naar de jeugdwet . In dit artikel is het overgangsrecht op gemeentelijk
                    niveau geregeld. Bestaande rechten lopen door, totdat een nieuwe beoordeling
                    heeft plaatsgevonden.</al><al>In het derde lid is als hoofdregel opgenomen dat aanvragen die nog bij het
                    college in behandeling zijn, op grond van deze verordening beoordeeld zullen
                    worden. Omdat dit nadelige gevolgen voor de cliënt kan hebben, is in het vierde
                    lid bepaald dat de vorige verordening gebruikt mag worden, als dit evident
                    voordeliger is voor de cliënt. Dit ter voorkoming dat de cliënt gedupeerd is als
                    zijn aanvraag enige tijd bij het college in behandeling is geweest en zijn
                    rechtspositie door het tijdsverloop wordt aangetast. De zelfde regeling is voor
                    de bezwaarfase opgenomen in het zesde lid.</al><tussenkop>Artikel 8.6 Inwerkingtreding</tussenkop><al>Dit artikel regelt de inwerkingtreding van deze verordening en de wijze waarop
                    deze wordt geciteerd.</al><al>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 2 november 2015</al><al/><al>de griffier, </al><al>de voorzitter,</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>