<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91-->
  
  
  
  
  
  
  
  
  <meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR383597_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening op de heffing en de invordering onroerende zaakbelasting 2016</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Olst-Wijhe</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-05-02</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Olst-Wijhe</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2015-122527.html">Gemeenteblad 2015, 122527</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening onroerende zaakbelastingen 2016</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416">Gemeentewet, art. 220 t/m 220h</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-12-14</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-12-19</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Raadsstuk 2015/59</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze verordening vervangt de Verordening op de heffing en invordering van onroerende zaakbelastingen 2015, laatstelijk vastgesteld bij raadsbesluit van 15 december 2014</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta>
  
  <body><intitule>
      Verordening op de heffing en de invordering van Onroerende zaakbelastingen
      2016
    </intitule>
    
    <regeling>
      <aanhef>
        <preambule>
          <al>De raad van de gemeente Olst-WIjhe;</al>
          <al>Gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 1 december 2015;</al>
          <al>Gelet op artikel 220 tot en met 220h van de Gemeentewet:</al>
          <al>BESLUIT</al>
          <al>vast te stellen de volgende verordening:</al>
          <al>Verordeing op de heffing en de invordering van Onroerende zaakbelastingen 2016</al>
        </preambule>
      </aanhef>
      <regeling-tekst>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>1</nr>
            <titel>Belastingplicht</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>Onder de naam 'onroerende zaakbelastingen' worden ter zake van binnen de gemeente
              gelegen onroerende zaken twee directe belastingen geheven:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>een gebruikersbelasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar een
                  onroerende zaak die niet in hoofdzaak tot woning dient, al dan niet krachtens
                  eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt, verder te noemen:
                  gebruikersbelasting;</al></li>
              <li nr="b."><al>een eigenarenbelasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar van een
                  onroerende zaak het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, verder
                  te noemen: eigenarenbelasting.</al></li>
            </lijst>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>Bij de gebruikersbelasting wordt:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>gebruik door de leden van een huishouden aangemerkt als gebruik door een door de
                  in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde
                  gemeenteambtenaar aan te wijzen lid van dat huishouden;</al></li>
              <li nr="b."><al>gebruik door degene aan wie een deel van een onroerende zaak in gebruik is
                  gegeven, aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven;
                  degene die het deel in gebruik heeft gegeven, is bevoegd de belasting als zodanig
                  te verhalen op degene aan wie dat deel in gebruik is gegeven;</al></li>
              <li nr="c."><al>het ter beschikking stellen van een onroerende zaak voor volgtijdig gebruik
                  aangemerkt als gebruik door degene die die onroerende zaak ter beschikking heeft
                  gesteld; degene die de onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld is bevoegd de
                  belasting als zodanig te verhalen op degene aan wie die zaak ter beschikking is
                  gesteld.</al></li>
            </lijst>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>3.</lidnr>
            <al>Met betrekking tot de eigenarenbelasting wordt als genothebbende krachtens eigendom,
              bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het kalenderjaar als
              zodanig in de kadastrale registratie is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip
              geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.</al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>2</nr>
            <titel>Belastingobject</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>Als onroerende zaak wordt aangemerkt de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III
              van de Wet waardering onroerende zaken.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>Een onroerende zaak dient in hoofdzaak tot woning indien de waarde die op grond van
              hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken is vastgesteld voor die onroerende
              zaak in hoofdzaak kan worden toegerekend aan delen van die onroerende zaak die dienen
              tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden.</al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>3</nr>
            <titel>Maatstaf van heffing</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>De heffingsmaatstaf is de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering
              onroerende zaken voor de onroerende zaak vastgestelde waarde voor het kalenderjaar
              bedoeld in artikel 1.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>Indien met betrekking tot een onroerende zaak geen waarde is vastgesteld op de voet
              van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken wordt de heffingsmaatstaf van
              die onroerende zaak bepaald met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of
              krachtens de artikelen 17, 18 en 20, tweede lid, van de Wet waardering onroerende
              zaken.</al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>4</nr>
            <titel>Vrijstellingen</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf
              buiten aanmerking gelaten, voor zover dit niet reeds is geschied bij de bepaling van
              de in dat artikel bedoelde waarde, de waarde van:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>ten behoeve van de land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond,
                  daaronder mede begrepen de open grond, alsmede de ondergrond van glasopstanden,
                  die bedrijfsmatig aangewend wordt voor de kweek of teelt van gewassen, zonder
                  daarbij de ondergrond als voedingsbodem te gebruiken;</al></li>
              <li nr="b."><al>glasopstanden, die bedrijfsmatig worden aangewend voor de kweek of teelt van
                  gewassen, voor zover de ondergrond daarvan bestaat uit de in onderdeel a bedoelde
                  grond;</al></li>
              <li nr="c."><al>onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare eredienst of
                  voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard,
                  een en ander met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen
                  als woning;</al></li>
              <li nr="d."><al>één of meer onroerende zaken die deel uitmaken van een op de voet van de
                  Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed dat voldoet aan de voorwaarden genoemd in
                    <onderstreept>artikel 8 van het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet
                    1928</onderstreept> met uitzondering van de daarop voorkomende gebouwde
                  eigendommen;</al></li>
              <li nr="e."><al>natuurterreinen, waaronder mede worden verstaan duinen, heidevelden,
                  zandverstuivingen, moerassen en plassen, die door rechtspersonen met volledige
                  rechtsbevoegdheid welke zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het behoud van
                  natuurschoon ten doel stellen, beheerd worden;</al></li>
              <li nr="f."><al>openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per rail, een en
                  ander met inbegrip van kunstwerken;</al></li>
              <li nr="g."><al>waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden beheerd door organen,
                  instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering
                  van de delen van zodanige werken die dienen als woning;</al></li>
              <li nr="h."><al>werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater en die
                  worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke
                  rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als
                  woning;</al></li>
              <li nr="i."><al>werktuigen die van een onroerende zaak kunnen worden afgescheiden zonder dat
                  beschadiging van betekenis aan die werktuigen wordt toegebracht en die niet op
                  zichzelf als gebouwde eigendommen zijn aan te merken.</al></li>
              <li nr="j."><al>onroerende zaken voor zover die bestemd zijn te worden gebruikt voor de publieke
                  dienst van de gemeente, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken
                  die bestemd zijn te worden gebruikt voor het geven van onderwijs;</al></li>
              <li nr="k."><al>straatmeubilair, waaronder begrepen alle zodanige gebouwde eigendommen - niet
                  zijnde gebouwen - welke zijn geplaatst ten gerieve of in het belang van het
                  publiek, ten dienste van het verkeer of ter verfraaiing van de gemeente, zoals
                  lichtmasten, verkeersinstallaties, standbeelden, monumenten, fonteinen, banken,
                  abri's, hekken en palen;</al></li>
              <li nr="l."><al>plantsoenen, parken en waterpartijen, die bij de gemeente in beheer zijn of
                  waarvan de gemeente het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht,
                  met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als
                  woning;</al></li>
              <li nr="m."><al>begraafplaatsen, urnentuinen en crematoria, met uitzondering van delen van
                  zodanige onroerende zaken die dienen als woning.</al></li>
            </lijst>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>De vrijstelling met betrekking tot de in onderdeel j van het eerste lid bedoelde
              onroerende zaken voor de eigenarenbelasting geldt niet voor zover de gemeente van die
              zaken niet het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>3.</lidnr>
            <al>In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf
              voor de gebruikersbelasting buiten aanmerking gelaten de waarde van gedeelten van de
              onroerende zaak die in hoofdzaak tot woning dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar
              zijn aan woondoeleinden. </al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>5</nr>
            <titel>Belastingtarieven</titel>
          </kop>
          <al>Het tarief van de belasting bedraagt een percentage van de heffingsmaatstaf. Het
            percentage bedraagt voor:</al>
          <lijst>
            <li nr="a."><al>de gebruikersbelasting 0,2088 %;</al></li>
            <li nr="b."><al>de eigenarenbelasting</al><lijst>
                <li nr="1."><al>voor onroerende zaken die in hoofdzaak tot woning dienen 0,1763 %;</al></li>
                <li nr="2."><al>voor onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen 0,2660 %.</al></li>
              </lijst></li>
          </lijst>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>6</nr>
            <titel>Wijze van heffing</titel>
          </kop>
          <al>De belastingen worden bij wege van aanslag geheven.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>7</nr>
            <titel>Termijnen van betaling</titel>
          </kop>
          <lijst>
            <li nr="1a."><al>In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de
                aanslagen die worden opgelegd in het belastingjaar waarop zij betrekking hebben,
                worden betaald in twee gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag
                van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is
                vermeld en de tweede twee maanden later.</al></li>
            <li nr="1b."><al>In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de
                aanslagen die worden opgelegd na het belastingjaar waarop zij betrekking hebben,
                worden betaald in twee gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag
                van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is
                vermeld en de tweede twee maanden later.</al></li>
            <li nr="2."><al>In afwijking in zoverre van het eerste lid, letter a, geldt, in geval het
                totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het
                aanslagbiljet maar één aanslag bevat en het bedrag daarvan, minder is dan € 5000,-,
                en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso
                kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in zoveel gelijke
                termijnen als er na de maand van dagtekening van het aanslagbiljet nog maanden in
                het belastingjaar waarin de aanslagen worden opgelegd overblijven, met dien
                verstande dat het aantal termijnen ten minste drie en ten hoogste tien bedraagt. De
                eerste termijn vervalt op de 25<sup>e</sup> dag van de maand na de dagtekening van
                het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.</al></li>
            <li nr="3."><al>In afwijking van het tweede lid van dit artikel moeten aanslagen die worden
                opgelegd na het belastingjaar waarop zij betrekking hebben, worden betaald in drie
                gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend
                op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de volgende
                termijnen telkens een maand later.</al></li>
            <li nr="4."><al>De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden
                gestelde termijnen</al></li>
          </lijst>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel 8 Kwijtschelding</label>
          </kop>
          <al>Bij de invordering van onroerende zaakbelastingen wordt geen kwijtschelding
            verleend.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>9</nr>
            <titel>Nadere regels door het college van burgemeester en wethouders</titel>
          </kop>
          <al>Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels stellen met betrekking
            tot deheffing en invordering van de reclamebelasting.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>10</nr>
            <titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>De "Verordening op de heffing en invordering van onroerende zaakbelastingen
              2015",laatstelijk vastgesteld bij raadsbesluit van 15 december 2014 wordt ingetrokken
              met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien
              verstande dat zij</al>
            <al> van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben
              voorgedaan.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na die van de
              bekendmaking.</al>
            <al/>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>3.</lidnr>
            <al>De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2016.</al>
            <al/>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>4.</lidnr>
            <al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening onroerende zaakbelastingen
              2016.</al>
          </lid>
        </artikel>
      </regeling-tekst>
      <regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering>
        
        <ondertekening>Aldus besloten in de openbare raadsvergadering d.d. 14 december 2015.</ondertekening>
        <ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening>
        <ondertekening>de griffier, de voorzitter, </ondertekening>
        <ondertekening>B.A. Duursema A.G.J. Strien </ondertekening>
      </regeling-sluiting>
    </regeling>
  </body>
</cvdr>