<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR383566_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening op de heffing en de invordering van belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten 2016</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Haarlemmerliede en Spaarnwoude</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-01-09</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Haarlemmerliede en Spaarnwoude</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Digitaal gemeenteblad, 2-12-2015</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening op de heffing en de invordering van belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten 2016</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=221">Gemeentewet, art. 221</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-11-05</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>MID 15/013.2</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling vervangt Verordening belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten 2015.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>VERORDENING BELASTINGEN OP ROERENDE WOON- EN BEDRIJFSRUIMTEN
                    2016.</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Haarlemmerliede en Spaarnwoude;</al><al/><al>Gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 13
                        oktober 2015;</al><al/><al>Gelet op artikel 221 van de Gemeentewet;</al><al/><al>Besluit:</al><al>vast te stellen de:</al><al/><al><vet>Verordening op de heffing en de invordering van belastingen op roerende
                            woon- en</vet><vet>bedrijfsruimten 201</vet><vet>6</vet></al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>ruimte: een roerende woon- of bedrijfsruimte, welke duurzaam aan een
                                plaats gebonden is en dient tot permanente bewoning of permanent
                                gebruik;</al></li><li nr="b."><al>woonruimte: een ruimte waarvan de vastgestelde waarde in hoofdzaak
                                kan worden toegerekend aan delen van de ruimte die dienen tot woning
                                dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden;</al></li><li nr="c."><al>bedrijfsruimte: een ruimte die niet kan worden aangemerkt als
                                woonruimte.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Belastingplicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onder de naam ‘belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten’ worden
                            voor binnen de gemeente gelegen ruimten twee directe belastingen
                            geheven:</al><lijst><li nr="a."><al>een gebruikersbelasting van degene die bij het begin van het
                                    kalenderjaar een bedrijfsruimte al dan niet krachtens eigendom,
                                    bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt, verder te
                                    noemen: gebruikersbelasting;</al></li><li nr="b."><al>een eigenarenbelasting van degene die bij het begin van het
                                    kalenderjaar van een ruimte het genot heeft krachtens eigendom,
                                    bezit of beperkt recht, verder te noemen:
                                    eigenarenbelasting.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de gebruikersbelasting wordt:</al><lijst><li nr="a."><al>gebruik door degene aan wie een deel van een bedrijfsruimte in
                                    gebruik is gegeven aangemerkt als gebruik door degene die dat
                                    deel in gebruik heeft gegeven;</al></li><li nr="b."><al>het ter beschikking stellen van een bedrijfsruimte voor
                                    volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene die de
                                    ruimte ter beschikking heeft gesteld.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Degene die een in het vorige lid bedoelde bedrijfsruimte in gebruik
                            heeft gegeven of ter beschikking heeft gesteld is bevoegd de belasting
                            als zodanig te verhalen op degene aan wie die ruimte of deel daarvan in
                            gebruik is gegeven of ter beschikking is gesteld. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Belastingobject</titel></kop><al>Als één ruimte wordt aangemerkt:</al><lijst><li nr="a."><al>een binnen de gemeente gelegen ruimte;</al></li><li nr="b."><al>een gedeelte van een in onderdeel a. bedoelde ruimte dat blijkens
                                zijn indeling is bestemd om als een afzonderlijk geheel te worden
                                gebruikt;</al></li><li nr="c."><al>een samenstel van twee of meer in onderdeel a. bedoelde ruimten of
                                in onderdeel b. bedoelde gedeelten daarvan die bij dezelfde persoon
                                in gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij
                                elkaar behoren;</al></li><li nr="d."><al>het binnen de gemeente gelegen deel van een in onderdeel a. bedoelde
                                ruimte, van een in onderdeel b. bedoeld gedeelte daarvan of van een
                                in onderdeel c. bedoeld samenstel.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Maatstaf van heffing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De heffingsmaatstaf is de waarde die aan de ruimte dient te worden
                            toegekend indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen
                            worden overgedragen en de verkrijger de ruimte in de staat waarin deze
                            zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen
                            nemen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking in zoverre van het eerste lid wordt de waarde van een
                            bedrijfsruimte, met uitzondering van ruimten die zijn ingeschreven in
                            een van de ingevolge de Monumentenwet 1988 vastgestelde registers van
                            beschermde monumenten, bepaald op de vervangingswaarde indien dit leidt
                            tot een hogere waarde dan die ingevolge het eerste lid. Bij de
                            berekening van de vervangingswaarde wordt rekening gehouden met:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>de aard en de bestemming van de ruimte;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de sedert de stichting van de ruimte opgetreden technische en
                            functionele veroudering waarbij de invloed van latere wijzigingen in
                            aanmerking wordt genomen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking in zoverre van het eerste lid wordt de waarde van een
                            ruimte in aanbouw bepaald op de vervangingswaarde, bedoeld in het tweede
                            lid. Onder een ruimte in aanbouw wordt verstaan een roerende zaak of
                            gedeelte daarvan waarvoor een bouwvergunning in de zin van de Woningwet
                            is afgegeven en dat door bouw nog niet geschikt is voor gebruik
                            overeenkomstig de beoogde bestemming.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In afwijking in zoverre van het eerste lid wordt de waarde van een
                            woonruimte, die deel uitmaakt van een op de voet van de Natuurschoonwet
                            1928 aangewezen landgoed dat voldoet aan de voorwaarden genoemd in
                            artikel 8 van het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928, bepaald
                            met inachtneming van een vooronderstelde verplichting om het landgoed
                            gedurende een tijdvak van 25 jaren als zodanig in stand te houden en
                            geen opgaand hout te vellen anders dan volgens de regels van normaal
                            bosbeheer noodzakelijk of gebruikelijk is. Ruimten die dienstbaar zijn
                            aan de woonruimte worden geacht deel uit te maken van die woonruimte.
                        </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Met betrekking tot een ruimte als bedoeld in artikel 3, aanhef en
                            onderdeel d, wordt de waarde gesteld op een evenredig deel van de waarde
                            die dient te worden toegekend aan de gehele ruimte.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Vrijstellingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking in zoverre van artikel 4 wordt bij de bepaling van de
                            heffingsmaatstaf buiten aanmerking gelaten, de waarde van:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>glasopstanden die bedrijfsmatig worden aangewend voor de kweek of teelt
                            van gewassen, voor zover de ondergrond daarvan bestaat uit cultuurgrond
                            die bedrijfsmatig wordt geëxploiteerd ten behoeve van de land- of
                            bosbouw. Onder cultuurgrond wordt mede begrepen de open grond, alsmede
                            de ondergrond van glasopstanden, die bedrijfsmatig aangewend wordt voor
                            de kweek of teelt van gewassen, zonder daarbij de ondergrond als
                            voedingsbodem te gebruiken; </al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>ruimten die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare eredienst of voor
                            het houden van openbare bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke
                            aard, een en ander met uitzondering van delen van zodanige ruimten die
                            dienen als woning; </al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>ruimten ten behoeve van waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die
                            worden beheerd door organen, instellingen of diensten van
                            publiekrechtelijke rechtspersonen, een en ander met uitzondering van
                            delen van zodanige ruimten die dienen als woning; </al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>ruimten die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander
                            afvalwater en die worden beheerd door organen, instellingen of diensten
                            van publiekrechtelijke rechtspersonen, een en ander met uitzondering van
                            delen van zodanige ruimten die dienen als woning; </al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>werktuigen die van een ruimte kunnen worden afgescheiden zonder dat
                            beschadiging van betekenis aan die werktuigen wordt toegebracht en die
                            niet op zichzelf als ruimten zijn aan te merken; </al></lid><lid><lidnr>f.</lidnr><al>bedrijfsruimten voor zover die bestemd zijn te worden gebruikt voor de
                            publieke dienst van de gemeente, met uitzondering van delen van zodanige
                            bedrijfsruimten die bestemd zijn te worden gebruikt voor het geven van
                            onderwijs;</al></lid><lid><lidnr>g.</lidnr><al>ruimten voor zover die bestemd zijn te worden gebruikt ten behoeve van
                            begraafplaatsen, urnentuinen en crematoria, een en ander met
                            uitzondering van delen van zodanige ruimten die dienen als woning.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vrijstelling met betrekking tot de in het eerste lid, onderdeel f,
                            bedoelde bedrijfsruimte geldt niet voor de eigenarenbelasting voor zover
                            de gemeente van die ruimten niet het genot heeft krachtens eigendom,
                            bezit of beperkt recht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking in zoverre van artikel 4 wordt bij de bepaling van de
                            heffingsmaatstaf voor de gebruikersbelasting buiten aanmerking gelaten
                            de waarde van gedeelten van de bedrijfsruimte die in hoofdzaak tot
                            woning dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan
                            woondoeleinden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Waardepeildatum</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De heffingsmaatstaf wordt bepaald naar de waarde die de ruimte op de
                            waardepeildatum heeft naar de staat waarin de ruimte op die datum
                            verkeert. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De waardepeildatum ligt één jaar voor het begin van het kalenderjaar
                            waarvoor de waarde wordt bepaald.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien een ruimte in het kalenderjaar voorafgaande aan het begin van het
                            kalenderjaar waarvoor de waarde wordt bepaald: </al><lijst><li nr="a."><al>opgaat in een andere ruimte dan wel in meer ruimten, of </al></li><li nr="b."><al>wijzigt als gevolg van hetzij bouw, verbouwing, verbetering,
                                    afbraak of vernietiging, hetzij verandering van bestemming, of
                                </al></li><li nr="c."><al>een verandering in waarde ondergaat als gevolg van een andere,
                                    specifiek voor de ruimte geldende, bijzondere omstandigheid,
                                    wordt, in afwijking van het eerste lid, de waarde bepaald naar
                                    de staat van die ruimte bij het begin van het kalenderjaar.
                                </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Belastingtarieven</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het tarief van de belasting bedraagt een percentage van de
                            heffingsmaatstaf. Het percentage bedraagt voor:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>de gebruikersbelasting 0,1610%;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de eigenarenbelasting</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>voor roerende zaken die in hoofdzaak tot woning dienen 0,1277%;</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>voor roerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen
                            0,2140%.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als het bedrag van de belasting beneden € 10,- blijft, wordt geen
                            belasting geheven. Voor de toepassing van de vorige volzin wordt het
                            totaal van op een aanslagbiljet verenigde verschuldigde bedragen aan
                            belastingen of andere heffingen aangemerkt als één belastingbedrag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Wijze van heffing</titel></kop><al>De belastingen worden bij wege van aanslag geheven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Termijnen van betaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking van artikel 9, eerste lid van de Invorderingswet 1990 moet
                            de aanslag worden betaald uiterlijk op de laatste dag van de tweede
                            maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is
                            vermeld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid geldt, in geval het totaalbedrag van de
                            op één aanslagbiljet verenigde aanslagen meer is dan € 70,- en zolang de
                            verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso
                            kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in 7
                            gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt op de laatste dag van de
                            maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is
                            vermeld en elk van de volgende termijnen telkens op de laatste dag van
                            de daarop volgende maand.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Met betrekking tot een ingevolge artikel 2, tweede lid, onderdeel c van
                            de Invorderingswet 1990, met een belastingaanslag gelijkgestelde
                            beschikking inzake een bestuurlijke boete is het eerste lid van
                            overeenkomstige toepassing, voor zover deze gelijktijdig wordt opgelegd
                            met de vaststelling van de aanslag.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande
                            leden gestelde termijnen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Nadere regels door het college van burgemeester en wethouders</titel></kop><al>Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven met
                        betrekking tot de heffing en de invordering van de belastingen op roerende
                        woon- en bedrijfsruimten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Overgangsrecht, inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De “Verordening op roerende woon- en bedrijfsruimten 2015”,
                                vastgesteld bij raadsbesluit van 6 november 2014, wordt ingetrokken
                                met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de
                                heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de
                                belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na
                                die van de bekendmaking.</al></li><li nr="3."><al>De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2016.</al></li><li nr="4."><al>Deze verordening wordt aangehaald als “Verordening op roerende woon-
                                en bedrijfsruimten 2016”. </al><al/></li></lijst></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 5 november 2015.</ondertekening><ondertekening>De griffier, de voorzitter,</ondertekening></regeling-sluiting></regeling></body></cvdr>