<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR383552_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Besluit Terugvordering , boete en verhaal Participatiewet, Ioaw, Ioaz en Bbz gemeente Smallingerland 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Smallingerland</dcterms:creator><dcterms:modified>2015-11-13</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Smallingerland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Breeduit, 12-11-2015</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Besluit Terugvordering , boete en verhaal Participatiewet, Ioaw, Ioaz en Bbz gemeente Smallingerland 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005537&amp;artikel=4:81">Algemene wet bestuursrecht, art. 4:81</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=54, 58, 59, 60, 61, 62">Participatiewet, artt. 54 en 58 t/m 62</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0004044&amp;artikel=17, 25, 26, 27, 28, 29, 30, 31">Ioaw, artt. 17 en 25 t/m 31</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0004163&amp;artikel=17, 25, 26, 27, 28, 29, 30, 31">Ioaz , artt. 17 en 25 t/m 31</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0015711&amp;artikel=44, 45, 46, 47">Bbz, artt. 44 t/m 47</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">college van burgemeester en wethouders</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-11-03</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-11-13</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2015-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2020-05-07</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>03-11-2015, nr. 2</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Besluit Terugvordering , boete en verhaal Participatiewet, Ioaw, Ioaz en Bbz gemeente Smallingerland 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>begripsbepalingen</titel></kop><structuurtekst><al>Besluit Terugvordering , boete en verhaal Participatiewet, Ioaw, Ioaz en
                            Bbz gemeente Smallingerland 2015</al><al/><al>Collegebesluit van 3 november 2015, houdende vaststelling van het
                            Besluit terugvordering , boete en verhaal Participatiewet, Ioaw , Ioaz
                            en Bbz gemeente Smallingerland 2015 </al><al/><al>Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop dit besluit is
                            gebaseerd:</al><al/><lijst><li nr="1."><al>Art.4:81 Awb ;</al></li><li nr="2."><al>Participatiewet , artt 54,58 t/m 62 ;</al></li><li nr="3."><al>Ioaw , artt 17 en 25 t/m 31 ;</al></li><li nr="4."><al>Ioaz , artt 17 en 25 t/m 31;</al></li><li nr="5."><al>Bbz , artt 44 t/m 47;</al></li></lijst></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Alle begrippen die in dit besluit worden gebruikt en die niet
                                    nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de
                                    wetten waarop dit Besluit betrekking heeft en op de Algemene wet
                                    bestuursrecht en het Burgerlijk Wetboek. </al></li></lijst><lijst><li nr="2."><al>Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :</al><lijst><li nr="a."><al>Bbz : Besluit bijstandsverlening zelfstandigen
                                            2004;</al></li><li nr="b."><al>Belanghebbende : </al><lijst><li nr="1."><al>de persoon die in aanmerking wenst te komen voor
                                                  een uitkering of bijstand , hieronder worden
                                                  tevens de eventuele partner en de ten laste
                                                  komende kinderen gerekend ;</al></li><li nr="2."><al>de persoon op wie de kosten van de bijstand
                                                  wordt verhaald overeenkomstig het bepaalde in
                                                  paragraaf 6.5 van de participatiewet;</al></li></lijst></li><li nr="c."><al>Besluit : Besluit terugvordering , boete en verhaal
                                            Participatiewet , Ioaw , Ioaz en Bbz gemeente
                                            Smallingerland 2015;</al></li><li nr="d."><al>Bruteren : het verhogen van de vordering met de
                                            loonbelasting en premies volksverzekeringen waarvoor de
                                            gemeente die de uitkering verstrekt krachtens de Wet op
                                            de loonbelasting 1964 inhoudingsplichtig is , voor zover
                                            deze belasting en premies niet verrekenend kunnen worden
                                            met de door het college af te dragen loonbelasting en
                                            premies volksverzekeringen; </al></li><li nr="e."><al>BW : Burgerlijk Wetboek;</al></li><li nr="f."><al>College : college van burgemeester en wethouders van de
                                            gemeente Smallingerland;</al></li><li nr="g."><al>Dringende redenen : onaanvaardbaarheid van sociale en/of
                                            financiële consequenties voor de belanghebbende;</al></li><li nr="h."><al>Fraudevordering : vordering in verband met ten onrechte
                                            of tot een te hoog bedrag verstrekte uitkering als
                                            gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de
                                            inlichtingenplicht;</al></li><li nr="i."><al>Ioaw : Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                            arbeidsongeschikte werkloze werknemers;</al></li><li nr="j."><al>Ioaz : Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                            arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</al></li><li nr="k."><al>Rv : Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering;</al></li><li nr="l."><al>Uitkering : bijstandsuitkering op grond van de
                                            Participatiewet, uitkering op grond van de Ioaw ,Ioaz en
                                            Bbz; </al></li><li nr="m."><al>Wet : Participatiewet;</al></li></lijst></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Beleidsregels Terugvordering</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Toepassingsgebied beleidsregels terugvordering</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De beleidsregels terugvordering zijn van toepassing op
                                    terugvordering ingevolge de Participatiewet, Ioaw, Ioaz en
                                    Bbz.</al></li><li nr="2."><al>De artikelen 6 tot en met 19 en artikel 25 van dit besluit zijn
                                    van overeenkomstige toepassing op vorderingen op belanghebbenden
                                    ingevolge onverschuldigde betaling ( artikel 8:2013 e.v. BW )
                                    voor zover in het BW niet dwingend anders is bepaald.</al></li><li nr="3."><al>De beleidsregels terugvordering zijn niet van toepassing op
                                    vorderingen die worden gedekt door pand- of hypotheekrecht op
                                    een zaak behoudens het gestelde in artikel 7 lid 2 sub b en
                                    artikel 8 lid 5 van dit Besluit. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Herziening en intrekking</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college herziet het besluit tot toekenning van de uitkering,
                                    dan wel trekt een besluit tot toekenning van de uitkering in
                                    overeenkomstig het bepaalde in artikel 54 lid 3 en 4 van de wet
                                    respectievelijk in artikel 17 lid 3 en 4 Ioaw , in artikel 17
                                    lid 3 en 4 Ioaz en in artikel 44 Bbz tenzij in dit Besluit
                                    anders is bepaald.</al></li><li nr="2."><al>Het eerste lid is niet van toepassing indien er sprake is van
                                    een dringende reden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Terugvordering</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college vordert de kosten van de uitkering terug
                                    overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 58 en 59 van de wet
                                    , respectievelijk overeenkomstig artikel 25 en 26 Ioaw , in
                                    artikel 25 en 26 Ioaz en in artikel 45,46 en 47 Bbz tenzij in
                                    dit Besluit anders is bepaald.</al></li><li nr="2."><al>Het eerste lid is niet van toepassing indien er sprake is van
                                    een dringende reden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Terugvordering bruto of netto</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college vordert in beginsel de vordering bruto van
                                    belanghebbende terug.</al></li><li nr="2."><al>Indien de vordering evenwel betrekking heeft op het lopende jaar
                                    én belanghebbende voldoet de vordering vóór het einde van het
                                    boekjaar, kan belanghebbende volstaan met een nettobetaling van
                                    de vordering. Bij uitblijven van volledige voldoening van de
                                    vordering vóór het einde van het boekjaar, wordt het restant van
                                    de vordering alsnog gebruteerd. </al></li><li nr="3."><al>Indien sprake is van een vordering, die is ontstaan buiten
                                    toedoen van betrokkene en betrokkene niet verweten kan worden
                                    dat de betaling van de schuld niet reeds in het kalenderjaar
                                    waarop deze betrekking heeft is voldaan, kan volstaan worden met
                                    een nettobetaling van de vordering.</al></li><li nr="4."><al>Indien sprake is van een dringende reden vindt geen brutering
                                    van de vordering plaats door het college. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Uitzonderingen terugvordering</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 4 lid 1 van dit Besluit
                                    , vordert het college een</al><al> door haar na ontvangst van een signaal ten onrechte of tot een
                                    te hoog bedrag verstrekte </al><al> uitkering niet terug , voor zover deze uitkering ook zes
                                    maanden na ontvangst van dit </al><al> signaal nog onterecht of tot een te hoog bedrag is verleend ,
                                    tenzij belanghebbende in </al><al> dit kader de inlichtingenplicht heeft geschonden.</al></li><li nr="2."><al>Onder signaal als genoemd in lid 1 van dit artikel wordt
                                    verstaan relevante informatie</al><al> waaruit kan worden afgeleid dat sprake is van een dusdanige
                                    fout , dat het college op </al><al> grond daarvan actie had moeten ondernemen.</al></li><li nr="3."><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 4 lid 1 beperkt het
                                    college de terugvordering tot</al><al> het bedrag dat te veel aan uitkering zou zijn verstrekt , zo
                                    belanghebbende wel aan de </al><al> inlichtingenplicht had voldaan , indien sprake is van
                                    intrekking van het recht op de </al><al> uitkering over een langere periode omdat belanghebbende over de
                                    gehele periode in </al><al> beperkte mate beschikte over in aanmerking te nemen
                                    vermogen.</al></li></lijst><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Kwijtschelding of buiten invorderingstelling </label></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Gedeeltelijke kwijtschelding of buiten invorderingstelling bij
                                schuldregeling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan in geval van een schuldregeling besluiten tot
                                    gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van de teruggevorderde
                                    uitkering indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: </al><lijst><li nr="a."><al>redelijkerwijs te voorzien is dat de belanghebbende niet
                                            zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden;
                                            en </al></li><li nr="b."><al>redelijkerwijs te voorzien is dat een schuldregeling met
                                            betrekking tot alle vorderingen van de overige
                                            schuldeisers zonder een zodanig besluit niet tot stand
                                            zal komen; en </al></li><li nr="c."><al>de vordering van de gemeente wegens teruggevorderde
                                            uitkering ten minste zal worden voldaan naar
                                            evenredigheid met de vorderingen van de schuldeiser in
                                            gelijke rang; en</al></li><li nr="d."><al>het verzoek tot medewerking aan een schuldsanering/
                                            bemiddeling wordt ingediend door een bij het NVVK
                                            aangesloten schuldbemiddelingsorganisatie of een
                                            Nederlandse gemeente.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Van kwijtschelding als bedoeld in lid 1 van dit artikel wordt
                                    met inachtneming van de mogelijkheid op grond van artikel 58 lid
                                    7 van de wet respectievelijk artikel 26 lid 6 Ioaw en Ioaz
                                    afgezien indien: </al><lijst><li nr="a."><al>De terugvordering het gevolg is van het niet, niet
                                            tijdig of niet volledig voldoen aan de
                                            inlichtingenplicht ; of </al></li><li nr="b."><al>De vordering wordt gedekt door pand of hypotheek op een
                                            zaak of zaken , behoudens voor zover de vordering niet
                                            op die zaken verhaald kan worden. </al></li></lijst></li><li nr="3."><al>In afwijking van lid 2 sub a van dit artikel kan kwijtschelding
                                    worden verleend in geval de vordering is voortgekomen uit
                                    schending van de inlichtingenplicht én de vordering is ontstaan
                                    vóór 1 januari 2013 , als , naast de voorwaarden genoemd in lid
                                    1 van dit artikel :</al><lijst><li nr="a."><al>Bij fraudevorderingen onder de € 6000,- er minimaal 12
                                            maanden is afgelost en minimaal 15% van de vordering is
                                            afgelost; </al></li><li nr="b."><al>Bij fraudevorderingen boven de € 6000,- en onder de €
                                            12.000,- er minimaal 18 maanden is afgelost en minimaal
                                            15% van de vordering is afgelost; </al></li><li nr="c."><al>Bij fraudevorderingen boven de € 12.000,- er minimaal 36
                                            maanden is afgelost en minimaal 15% van de vordering is
                                            afgelost. </al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Het besluit tot gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van de
                                    vordering treedt niet in werking voordat een schuldregeling
                                    overeenkomstig lid 1 van dit artikel tot stand is gekomen. </al></li><li nr="5."><al>Het besluit tot gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van een
                                    vordering als bedoeld in artikel 1 van dit besluit wordt
                                    ingetrokken of ten nadele van de belanghebbende gewijzigd indien
                                    : </al><lijst><li nr="a."><al>De belanghebbende zijn schuld aan de gemeente niet
                                            overeenkomstig de schuldregeling voldoet ; of </al></li><li nr="b."><al>onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en de
                                            verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een
                                            ander Besluit zou hebben geleid. </al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Kwijtschelding of buiteninvordering anders dan bij
                                schuldregeling</titel></kop><al/><lijst><li nr="1."><al>1. Op verzoek van de belanghebbende gaat het college over tot
                                    kwijtschelding van het restant van de vordering indien de
                                    belanghebbende : </al><lijst><li nr="a."><al>voorafgaand aan het verzoek minimaal 36 maanden op de
                                            betreffende vordering tijdig en volledig conform de
                                            overeengekomen aflossings- verplichtingen heeft afgelost
                                            ; én </al></li><li nr="b."><al> de vordering niet is voorgekomen uit schending van de
                                            inlichtingenplicht; </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het college stemt niet in met het verzoek tot kwijtschelding als
                                    bedoeld in lid 1 van dit artikel indien belanghebbende in de
                                    periode van 3 jaar voorafgaande aan het verzoek tot
                                    kwijtschelding , herhaaldelijk , in ieder geval meer dan 1 keer
                                    verwijtbaar, niet, niet tijdig of niet volledig heeft voldaan
                                    aan zijn aflossingsverplichtingen. </al></li><li nr="3."><al>In afwijking van het gestelde in lid 1 van dit artikel gaat het
                                    college op het verzoek van belanghebbende over tot
                                    kwijtschelding van het restant van de vordering welke is voort-
                                    gekomen uit schending van de inlichtingenplicht en welke is
                                    ontstaan vóór 1 januari 2013 indien de belanghebbende : </al><lijst><li nr="a."><al>voorafgaand aan het verzoek minimaal 60 maanden op de
                                            betreffende vordering heeft afgelost conform de
                                            overeengekomen aflossingsverplichtingen ; </al></li><li nr="b."><al>voorafgaand aan het verzoek niet minimaal 60 maanden aan
                                            de overeengekomen aflossingsverplichting heeft voldaan
                                            maar het achterstallige bedrag over deze periode van 60
                                            maanden , vermeerderd met de daarover verschuldigde
                                            wettelijke rente en de op de invordering betrekking
                                            hebbende kosten , alsnog heeft betaald.</al></li><li nr="c."><al>voorafgaand aan het verzoek gedurende 60 maanden geen
                                            betalingen heeft verricht en het niet aannemelijk is dat
                                            belanghebbende deze op enig moment zal gaan; of</al></li><li nr="d."><al> Een bedrag overeenkomend met tenminste 50% van de rest
                                            som in één keer aflost. </al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Het college stemt niet in met het verzoek tot kwijtschelding als
                                    bedoeld in lid 3 van dit artikel indien belanghebbende in de
                                    periode van 5 jaar voorafgaande aan het verzoek tot
                                    kwijtschelding , herhaaldelijk , in ieder geval meer dan 1 keer
                                    verwijtbaar, niet, niet tijdig of niet volledig aan zijn
                                    inlichtingenplicht dan wel aan zijn aflossingsverplichtingen
                                    heeft voldaan.</al></li><li nr="5."><al>Kwijtschelding van een vordering die gebaseerd is op een
                                    terugvorderingsbesluit ingevolgde artikel 58 lid 2 sub f onder 1
                                    en 2 van de Wet , artikel 25 lid 2 Ioaw of Ioaz of artikel 45
                                    Bbz is niet mogelijk. </al></li><li nr="6."><al>Kwijtschelding van een vordering welke wordt gedekt door pand of
                                    hypotheek op een zaak of zaken , behoudens voor zover de
                                    vordering niet op die zaken verhaald kunnen worden , is niet
                                    mogelijk. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Gedeeltelijke kwijtschelding van leenbijstand</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In afwijking van artikel 8 van dit Besluit geldt voor de
                                    kwijtschelding van vorderingen uit leenbijstand voor
                                    inrichtingskosten de regeling dat indien belanghebbende
                                    gedurende 36 maandtermijnen volledig aan zijn
                                    aflossingsverplichtingen heeft voldaan, het restant van de
                                    vordering ambtshalve volledig wordt kwijtscholden. </al></li><li nr="2."><al>Kwijtschelding ingevolge lid 1 van dit artikel is niet mogelijk
                                    indien de leenbijstand aan belanghebbende is verstrekt
                                    ingevolgde artikel 48 lid 2 van de wet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Inhoud besluit tot terugvordering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een besluit tot terugvordering vermeldt :</al><lijst><li nr="a."><al>tot welk bedrag en over welke periode de ten onrechte
                                        ontvangen uitkering wordt teruggevorderd;</al></li><li nr="b."><al>de termijnen of termijnen waarbinnen moet worden betaald
                                        door belanghebbende;</al></li><li nr="c."><al>op welke wijze het besluit, bij gebrekkige betaling, ten
                                        uitvoer zal worden gelegd waaronder tevens begrepen de
                                        aankondiging dat eventuele executiekosten vanwege
                                        inschakeling derden voor rekening van belanghebbende
                                        zijn.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>betalingsvoorstel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Op verzoek van belanghebbende tot een betalingsregeling of
                                    betalingsvoorstel stelt het college de maandelijkse
                                    aflossingsverplichting van belanghebbende vast.</al></li><li nr="2."><al>Binnen acht weken na ontvangst van het verzoek neemt het college
                                    een besluit over de aanvraag als bedoeld in het eerste lid. Het
                                    besluit vermeldt: </al><lijst><li nr="a."><al>de maandelijkse aflossingsverplichting;</al></li><li nr="b."><al>de datum van ingang van de aflossingsverplichting;</al></li><li nr="c."><al>de wijze waarop het besluit, bij gebreke van tijdige
                                            betaling, ten uitvoer wordt gelegd waaronder tevens
                                            begrepen: de aankondiging dat eventuele executie- kosten
                                            vanwege inschakeling derden voor rekening van
                                            belanghebbende zijn.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>In het verlengde van lid 2 sub c, zal aan belanghebbende in het
                                    besluit tevens worden medegedeeld dat, bij gebreke van tijdige
                                    betaling, de vordering in zijn geheel, zonder verdere
                                    vooraankondiging, ineens opeisbaar wordt en dat het college in
                                    dat geval niet langer gehouden is aan de vastgestelde
                                    aflossingsverplichting ingevolge lid 2 sub a. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Aflossingsverplichting</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien belanghebbende een inkomen heeft op bijstandsniveau,
                                    bedraagt de aflossingsverplichting 6% van de van toepassing
                                    zijnde bijstandsnorm per maand inclusief vakantietoeslag.</al></li><li nr="2."><al>Indien de vordering het gevolg is van het niet, niet tijdig of
                                    niet volledig voldoen aande inlichtingenplicht, bedraagt de
                                    aflossingsverplichting het maximaal mogelijk te verrekenen
                                    bedrag per maand.</al></li><li nr="3."><al>De aflossingsverplichting voor belanghebbenden met een inkomen
                                    boven bijstandsniveau bedraagt: </al><lijst><li nr="a."><al>Indien de vordering het gevolg is van niet, niet tijdig
                                            of niet volledig voldoen aan de inlichtingenplicht: 10%
                                            van de van toepassing zijnde bijstandsnorm per maand
                                            inclusief vakantietoeslag vermeerderd met 60% van het
                                            verschil tussen het inkomen en de toepasselijke
                                            bijstandsnorm inclusief vakantietoeslag. </al></li><li nr="b."><al>In de overige omstandigheden: 6% van de van toepassing
                                            zijnde bijstandsnorm per maand inclusief
                                            vakantietoeslag, vermeerderd met 50% van het verschil
                                            tussen het inkomen en de toepasselijke bijstandsnorm
                                            inclusief vakantietoeslag.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Een belanghebbende die een uitkering heeft ontvangen op grond
                                    van de wet , Ioaw-,Ioaz of,Bbz wordt, wat betreft de hoogte van
                                    de vast te stellen aflossingsverplichting, gedurende een periode
                                    van 12 maanden na beëindiging van de uitkering gelijkgesteld met
                                    een belanghebbende met een uitkering op grond van de Wet , Ioaw-
                                    , Ioaz of Bbz. </al></li><li nr="5."><al>In geval van beslaglegging door een derde, andere schuldeiser
                                    dan het college, kan de aflossingsverplichting ingevolge de
                                    bovengenoemde leden voor alle vorderingen worden bepaald op 10%
                                    van de voor belanghebbende geldende bijstandsnorm inclusief
                                    vakantietoeslag, zijnde de volledige beslagruimte zoals
                                    aangegeven in artikel 475d leden 1 en 2 van het wetboek van
                                    Burgerlijke Rechtsvordering.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Aflossingscapaciteit en vermogen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het verzoek van belanghebbende tot een betalingsregeling of
                                    betalingsvoorstel kan door het college worden afgewezen indien
                                    belanghebbende beschikt over vermogen dat, gelet op de
                                    omstandigheden van belanghebbende, redelijkerwijs te gelde
                                    gemaakt kan worden. </al></li><li nr="2."><al>Niet als vermogen wordt in aanmerking genomen: het aanwezige
                                    vermogen voor zover dit minder bedraagt dan de vermogensgrens
                                    zoals genoemd in artikel 34 lid 3 van de wet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Tussentijdse wijziging van aflossingsverplichting door het
                                college</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college is bevoegd om tussentijds de hoogte van een eerder
                                    vastgestelde aflossingsverplichting te verhogen c.q. te
                                    verlagen, dan wel te wijzigen in een aflossingsverplichting
                                    ineens ingevolge artikel 13 lid 1 van dit Besluit indien een
                                    draagkrachtonderzoek daartoe aanleiding geeft. </al></li><li nr="2."><al>Het college stelt nadere regels over de periode en de frequentie
                                    waarbinnen het draagkrachtonderzoek wordt gedaan .</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Verzoek tot wijziging van de aflossingsverplichting door
                                belanghebbende</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Belanghebbende kan een verzoek doen, onder bijvoeging van zijn
                                    financiële gegevens met bijbehorende afschriften van
                                    bewijsstukken, tot wijziging van een eerder
                                    vastgesteldeaflossingsverplichting. </al></li><li nr="2."><al>Binnen acht weken na ontvangst van het verzoek neemt het college
                                    een besluit over de aanvraag als bedoeld in het eerste lid.
                                </al></li><li nr="3."><al>Het besluit wordt genomen met inachtneming van de regels zoals
                                    neergelegd in de artikelen 12 en 13 van dit Besluit. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Verplichtingen met betrekking tot de invordering</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het aflossingsbedrag zoals medegedeeld in het
                                    terugvorderingsbesluit of dat met de belanghebbende op grond van
                                    een minnelijke regeling tot stand is gekomen , geldt als een
                                    opgelegde betalingsverplichting.</al></li><li nr="2."><al>Tenminste één keer per drie jaar verricht het college onderzoek
                                    naar de hoogte van het inkomen. Indien het inkomen daartoe
                                    aanleiding geeft wordt als gevolg van dit onderzoek de
                                    betalingsverplichting gewijzigd vastgesteld. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Aanmaning, dwangbevel, beslag en verrekening</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien de belanghebbende niet tot betaling van de vordering
                                    overgaat dan wel niet bereid is tot het treffen van een
                                    minnelijke betalingsregeling, of een eerder opgelegde of
                                    overeengekomen aflossingsverplichting niet meer nakomt, dan
                                    ontvangt belanghebbende een aanmaning tot nakoming van zijn
                                    aflossingsverplichtingen.</al></li><li nr="2."><al>In de aanmaning wordt de termijn van betaling gesteld op twee
                                    weken. De termijn van twee weken gaat in op de dag na de dag
                                    waarop de aanmaning is verzonden.</al></li><li nr="3."><al>Indien belanghebbende na verzending van de aanmaning in gebreke
                                    blijft tot tijdige en volledige betaling, vaardigen burgemeester
                                    en wethouders een dwangbevel uit. Na betekening wordt het
                                    dwangbevel middels beslaglegging ten uitvoer gelegd indien niet
                                    binnen de gestelde termijn tot betaling is overgegaan. De
                                    voorschriften ingevolge de Awb en Rv worden in acht genomen.
                                </al></li><li nr="4."><al>Indien het college, ingevolge artikel 60 lid 3 van de wet ,
                                    artikel 28 lid 2 Ioaw of artikel 28 lid 2 I Ioaz, de bevoegdheid
                                    heeft tot verrekening van de vordering met een lopende uitkering
                                    of inkomensvoorziening ingevolge de wet, Ioaw of Ioaz, dan maakt
                                    het college gebruik van deze bevoegdheid. Ingevolge artikel 4:93
                                    Awb wordt belanghebbende in kennis gesteld van de verrekening
                                    met de uitkering onder vermelding van de hoogte van het bedrag
                                    van de verrekening. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Rente en Kosten</titel></kop><al>Indien moet worden overgegaan tot verrekening of beslaglegging als
                            bedoeld in artikel 18 van dit Besluit dan kan de vordering worden
                            verhoogd met :</al><lijst><li nr="a."><al>De wettelijke rente: en </al></li><li nr="b."><al>De op de invordering betrekking hebbende kosten , ten bedrage
                                    van 15% van de openstaande hoofdsom met een minimum van € 100,-
                                    en tot een maximum van € 500,- .</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Afzien van (verdere) invordering</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college is bevoegd om in individuele situaties af te zien
                                    van (verdere) invordering als het totaal van de
                                    (restant)vordering(en) minder bedraagt dan € 150,00 én het
                                    treffen van (verdere) invorderingsmaatregelen, naar het oordeel
                                    van het college, niet (langer) doelmatig is. </al></li><li nr="2."><al>Bij een totaal van de (restant)vordering(en) van € 150,00 en
                                    meer kan het college ookomwille van doelmatigheidsredenen
                                    besluiten van (verdere) invordering af te zien indien incasso
                                    van de vordering gedurende vijf jaren onmogelijk is gebleken en
                                    ook niet aannemelijk is dat belanghebbende op enig moment
                                    betalingen zal gaan verrichten. </al></li><li nr="3."><al>Indien het totaal van de (restant)vordering(en) het gevolg is
                                    van niet, niet tijdig of niet volledig voldoen aan de
                                    inlichtingenplicht en is ontstaan na 1 januari 2013 kan niet
                                    afgezien worden van invordering. </al></li><li nr="4."><al>Indien het totaal van de (restant)vordering(en) het gevolg is
                                    van niet, niet tijdig of niet volledig voldoen aan de
                                    inlichtingenplicht, ontstaan is vóór 1 januari 2013 , kan het
                                    totaal van de (restant)vordering(en) slechts dan worden
                                    afgeboekt indien incasso van de </al><al>vordering gedurende 5 jaar onmogelijk is gebleken en het niet
                                    aannemelijk is dat belanghebbende op enig moment betalingen zal
                                    gaan verrichten. </al></li></lijst><lijst><li nr="5."><al>Er wordt, in afwijking van lid 1, niet van terugvordering
                                    afgezien</al><lijst><li nr="a."><al>indien de vordering is ontstaan als gevolg van het tonen
                                            van onvoldoende besef van</al><al> verantwoordelijkheid als bedoeld in artikel 18 lid 2
                                            van de Wet en artikel 20 Ioaw/Ioaz; </al></li><li nr="b."><al>de bijstand of inkomensvoorziening ingevolge artikel 52
                                            van de Wet bij wijze van voorschot is verleend. </al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Opschorting invordering</titel></kop><al>Het college kan op verzoek van de belanghebbende de invordering
                            opschorten in het geval van een bezwaar-of beroepschrift tegen het
                            Besluit tot terugvordering op als de onmiddellijke invordering
                            onevenredig belastend is voor de belanghebbende. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Boete in verband met schending inlichtingenplicht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Waarschuwing en hoogte boete indien er geen sprake is van een
                                benadelingsbedrag</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college maakt gebruik van de bevoegdheid tot het geven van
                                    een schriftelijke waarschuwing zoals bedoeld in artikel 18a lid
                                    4 van de Wet alsmede in artikel 20a l lid 4 Ioaw en Ioaz</al></li><li nr="2."><al>Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de
                                    inlichtingenverplichtingen door belanghebbende niet heeft geleid
                                    tot een benadelingsbedrag dan wordt de boete op grond van
                                    artikel 18a lid 3 van de Wet vastgesteld op € 150,- </al></li><li nr="3."><al>Indien er geen sprake is van opzet of grove schuld wordt de
                                    boete als bedoeld in lid 2 van dit artikel vastgesteld op €
                                    75,-</al></li><li nr="4."><al>Indien er sprake is van verminderde verwijtbaarheid zoals
                                    bedoeld in artikel 2a , tweede lid van het Boetebesluit Sociale
                                    Zekerheidswetten wordt de bestuurlijke boete als bedoeld in lid
                                    3 van dit artikel gehalveerd.</al></li><li nr="5."><al>Indien verwijtbaarheid ontbreekt , wordt geen boete
                                    opgelegd</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Hoogte boete indien er sprake is van een benadelingsbedrag maar
                                geen opzet of grove schuld</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Aan de belanghebbende die gehouden is tot het verstrekken van
                                    gegevens of inlichtingen en aan wie het te verwijten is dat geen
                                    gegevens of inlichtingen zijn verstrekt wordt indien er geen
                                    sprake is van opzet of grove schuld een boete opgelegd van ten
                                    hoogste 50% van het benadelingsbedrag </al></li><li nr="2."><al>Indien er sprake is van verminderde verwijtbaarheid zoals
                                    bedoeld in artikel 2a , tweede lid van het Boetebesluit Sociale
                                    Zekerheidswetten wordt de boete als bedoeld in lid 1 van dit
                                    artikel gehalveerd.</al></li><li nr="3."><al>Indien verwijtbaarheid ontbreekt , wordt geen boete
                                    opgelegd.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Dringende redenen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college ziet af van het opleggen van een bestuurlijke boete
                                    indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.</al></li><li nr="2."><al>Dringende redenen kunnen slechts gelegen zijn in onaanvaardbare
                                    sociale en/of financiële consequenties van een terugvordering
                                    voor de belanghebbende.Het moet dan gaan om incidentele gevallen
                                    , waarin iets bijzondere en uitzonderlijks aan de hand is en
                                    waarin een individuele afweging van alle relevante
                                    omstandigheden plaatsvindt.</al></li><li nr="3."><al>Lichamelijke klachten en psychische klachten die al enige tijd
                                    bestaan en dus niet in het bijzonder het gevolg zijn van het
                                    boete besluit vormen op zichzelf geen dringende redenen.</al></li><li nr="4."><al>Dat de belanghebbende in een schuldsaneringstraject wordt
                                    opgenomen vormt op zich geen dringende reden. </al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Beleidsregels verhaal</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Verhaalsbevoegdheid</titel></kop><al>Het college maakt in alle gevallen gebruik van de bevoegdheid om de
                            kosten van bijstand ingevolge de Participatiewet te verhalen
                            overeenkomstig het bepaalde in paragraaf 6.5 van de wet tenzij in dit
                            Besluit anders is bepaald.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Verhalen van de kosten van bijstand</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Verhaal van de kosten bijstand op de onderhoudsplichtige
                                    ex-partner van een belanghebbende, aan wie het college een
                                    uitkering verstrekt ingevolge de wet geschiedt naar draagkracht
                                    en tot maximaal het bedrag van de bruto verstrekte
                                    uitkering.</al></li><li nr="2."><al>Verhaal van de kosten van bijstand, die ten behoeve van een ten
                                    laste komend kind wordt verstrekt , geschiedt naar draagkracht
                                    van de onderhoudsplichtige en tot maximaal de behoefte van het
                                    kind conform de Trema-/NIBUD normen , voor zover deze niet hoger
                                    zijn dan de bruto verstrekte bijstand.</al></li><li nr="3."><al>Verhaal van de kosten van bijstand ten behoeve van
                                    jong-meerderjarigen geschiedt naar draagkracht van de
                                    onderhoudsplichtige(n) en tot maximaal het bedrag van de
                                    aanvullende uitkering voor levensonderhoud.</al></li><li nr="4."><al>Indien er sprake is van een onderhoudsplicht ten opzichte van de
                                    ex-echtgeno(o) t(e) en één of meer kinderen wordt, indien de
                                    gevraagde gegevens door de onderhoudsplichtige niet worden
                                    overlegd en de gegevens door het college ook niet via de haar
                                    ten dienste staande middelen kunnen worden achterhaald , de
                                    maandelijkse verhaalbijdrage bij ambtshalve vaststelling bepaald
                                    op de maandelijks totaal verstrekte bruto-bijstand .</al></li><li nr="5."><al>Indien er slechts sprake is van een onderhoudsplicht ten
                                    opzichte van één of meer kinderen , wordt de maandelijkse
                                    verhaalsbijdrage bij ambtshalve vaststelling bepaald op de
                                    maximale behoefte van de kinderen. De behoefte van het kind of
                                    de kinderen wordt bepaald aan de hand van de "tabel eigen
                                    aandeelkosten van kinderen " behorende bij de Trema-/NIBUD
                                    normen. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>verhaal op grond van een rechtelijke uitspraak</titel></kop><al>Indien een rechtelijke uitspraak betreffende levensonderhoud
                            verschuldigd is op grond van Boek 1 van het BW die uitvoerbaar is , niet
                            wordt nagekomen , wordt verhaald in overeenstemming met deze
                            uitspraak.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr><titel>Afzien van verhaal</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college ziet af van het nemen van een verhaalsbesluit
                                    ingevolge artikel 62 en 62f van de wet indien het op te leggen
                                    verhaalsbedrag lager is dan € 50,00 per maand of € 600,00 per
                                    jaar. </al></li><li nr="2."><al>Het college ziet (gedeeltelijk) af van het nemen van een
                                    verhaalsbesluit indien daarvoor gelet op de omstandigheden van
                                    degene op wie verhaal wordt gezocht of degene die de bijstand
                                    ontvangt of heeft ontvangen, dringende redenen aanwezig zijn.
                                </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28</nr><titel>Kwijtschelding wegens schuldenproblematiek</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In afwijking van artikel 24 kan het college op verzoek van
                                    degene op wie wordt verhaald ,besluiten (gedeeltelijk) af te
                                    zien van verhaal van kosten van bijstand voor zover het betreft
                                    verschuldigde verhaalsbedragen die op het moment van het besluit
                                    opeisbaar zijn , indien:</al></li></lijst><lijst><li nr="a."><al>Redelijkerwijs is te voorzien is dat degene op wie wordt
                                    verhaald niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn
                                    schulden;</al></li><li nr="b."><al>Redelijkerwijs is te voorzien is dat een schuldregeling met
                                    betrekking tot alle vorderingen van de overige schuldeisers
                                    zonder een zodanig besluit niet tot stand zal komen ; en</al></li><li nr="c."><al>De vordering van de gemeente wegens verhaal van kosten van
                                    bijstand ten minste zal worden voldaan naar evenredigheid met de
                                    vorderingen van schuldeisers van gelijke rang. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29</nr><titel>Inwerkingtreding van het besluit tot afzien van verhaal wegens
                                schuldenproblematiek</titel></kop><al>Het besluit tot het (gedeeltelijk) afzien van verhaal treedt niet
                            in werking voordat een schuldregeling als bedoeld in artikel 28 onder b
                            van dit Besluit tot stand is gekomen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30</nr><titel>Intrekking van het besluit tot (gedeeltelijk) afzien van verhaal
                                wegens schuldenproblematie</titel></kop><al>Het besluit tot het (gedeeltelijk) afzien van verhaal wordt ingetrokken
                            of ten nadele van de belanghebbende gewijzigd indien :</al><lijst><li nr="a."><al>Niet binnen 12 maanden nadat dat besluit is bekendgemaakt, een
                                    schuldregeling is tot stand gekomen die voldoet aan de eisen als
                                    bedoeld in de artikel 28 van dit besluit genoemde voorwaarden a,
                                    b, en c ;</al></li><li nr="b."><al>De belanghebbende zijn schuld aan de gemeente niet
                                    overeenkomstig de schuldenregeling voldoet ; of</al></li><li nr="c."><al>Onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en de
                                    verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander
                                    besluit zou hebben geleid. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31</nr><titel>Het verhaalsbesluit</titel></kop><al>Het besluit vermeldt de ingangsdatum , het bedrag of de bedragen waarvan
                            ,evenals de termijn of termijnen waarbinnen, betaling wordt verlangd
                            alsmede de gronden waarop verhaal plaatsvindt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>32</nr><titel>Verhaal in rechte</titel></kop><al>Indien de belanghebbende niet uit eigen beweging bereid is de verlangde
                            gelden aan de gemeente te betalen dan wel niet of niet tijdig tot
                            betaling daarvan overgaat , besluit het college tot verhaal in rechte.
                            Het college ziet af van verhaal in rechte indien het te verhalen bedrag
                            een bedrag van € 600,- niet te boven gaat.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33</nr><titel>Ingangsdatum verhaalsbijdrage</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De verhaalsbijdrage ingevolge artikel 62 van de wet wordt
                                    opgelegd met ingang van de eerste van de maand volgend op de
                                    datum van eerste aanschrijving. </al></li><li nr="2."><al>Het college kan de ingangsdatum van het opleggen van de
                                    verhaalsbijdrage op een later tijdstip vaststellen indien
                                    daarvoor gelet op de omstandigheden van degene die de
                                    verhaalsbijdrage wordt opgelegd , dringende redenen aanwezig
                                    zijn. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>34</nr><titel>(Her-) onderzoek naar draagkracht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Tenminste één keer per drie jaar verricht het college onderzoek naar
                                de hoogte van het inkomen. Indien het inkomen daartoe aanleiding
                                geeft wordt als gevolg van dit onderzoek de verhaalsbijdrage
                                gewijzigd vastgesteld. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien gewijzigde omstandigheden daartoe aanleiding geven, wordt als
                                gevolg van dit onderzoek de verhaalsbijdrage gewijzigd vastgesteld.
                            </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Er wordt niet overgegaan tot het gewijzigd vaststellen van een
                                betalingsverplichting indien de draagkracht niet meer blijkt te zijn
                                vermeerderd ten opzichte van het vorige onderzoek dan met € 50,- per
                                maand.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>35</nr><titel>Invordering en beslaglegging</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien de belanghebbende zijn betalingsverplichting (en) na
                                    verzending van een laatste betalingsverzoek , zo nodig door
                                    middel van een dwangbevel , niet of onvoldoende nakomt wordt
                                    overgegaan tot invordering.</al></li></lijst><lijst><li nr="2."><al>Invordering vindt plaats in de volgende volgorde :</al><lijst><li nr="a."><al>Vereenvoudigd derdenbeslag als bedoeld in artikel 60 lid
                                            5 van de Wet.</al></li><li nr="b."><al>Indien dit niet mogelijk is wordt overgegaan tot
                                            executoriaal beslag door middel van een
                                            deurwaarder.</al></li></lijst></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>36</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende
                            afwijken van de bepalingen in deze regeling, indien toepassing van de
                            regeling tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>37</nr><titel>Gewijzigde vaststelling bedragen</titel></kop><al>Het college kan jaarlijks de bedragen in dit Besluit gewijzigd
                            vaststellen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>38</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Dit Besluit treedt na bekendmaking in werking met ingang van 1 januari
                            2015 en vervangt de bestaande beleidsregels inzake terugvordering en
                            verhaal van de gemeente Smallingerland.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>39</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Dit Besluit wordt aangehaald als: Besluit terugvordering , boete en
                            verhaal Participatiewet Ioaw, Ioaz en Bbz gemeente Smallingerland
                            2015.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Vastgesteld op 3 november 2015</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>Het college van gemeente Smallingerland </ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting Besluit terugvordering , boete en verhaal </titel></kop><tussenkop>Algemeen </tussenkop><al>Het Besluit terugvordering, boete en verhaal maakt onderscheid tussen
                    terugvorderen van een uitkering en het verhalen van kosten van bijstand. Dit
                    zijn twee aparte zaken. </al><al>Terugvordering heeft betrekking op het terughalen van teveel of ten onrechte
                    verstrekte uitkering. De uitkering wordt teruggevorderd van degene aan wie de
                    uitkering is uitbetaald, dus van de uitkeringsgerechtigde zelf. Bij verhaal gaat
                    het om het terugkrijgen van de kosten van bijstand van een andere persoon dan de
                    uitkeringsgerechtigde, bijvoorbeeld in verband met: </al><lijst><li nr="-"><al>de onderhoudsplicht;</al></li><li nr="-"><al>verhaal op nalatenschappen;</al></li><li nr="-"><al>verhaal i.v.m. schenkingen.</al><al/></li></lijst><al>De bevoegdheid van het college om de kosten van de uitkering terug te vorderen
                    is opgenomen in de Participatiewet, Ioaw , Ioaz en Bbz De systematiek is voor
                    genoemde wetten grotendeels hetzelfde. De bevoegdheid om de kosten van verleende
                    bijstand te verhalen is gerelateerd aan de Participatiewet. De Ioaw, Ioaz en Bbz
                    kennen de mogelijkheid tot verhaal niet. Het college kan de bevoegdheid van
                    terugvordering en verhaal nader uitwerken in beleidsregels . De beleidsregels
                    zijn opgenomen in het Besluit terugvordening , boete en verhaal. </al><al>Hierbij dient te worden aangetekend dat door de inwerkingtreding van de Wet
                    aanscherping handhaving- en sanctiebeleid SZW-wetten ( Wet aanscherping ) per
                    1-1-2013 de bevoegdheid tot terugvordering gedeeltelijk is omgezet in een
                    wettelijke verplichting. </al><al>Dit betreft dan specifiek vorderingen die het gevolg zijn van ten onrechte
                    verstrekte uitkering in verband met de schending van de inlichtingenplicht. (
                    fraudevorderingen ) . De verplichting tot terugvordering betreft alleen die
                    vorderingen welke , als gevolg van de schending van de inlichtingenplicht , na 1
                    januari 2013 zijn ontstaan. Voor de vorderingen die vóór 1 januari 2013 zijn
                    ontstaan blijft terugvordering ( en verrekening ) een bevoegdheid. </al><al>Naast de verplichting tot terugvordering is voor dezelfde categorie vorderingen
                    in de Wet aanscherping ook bepaald dat deze vorderingen verplicht verrekend
                    dienen te worden met de aan belanghebbende toekomende uitkering (en) in het
                    kader van de Sociale Zekerheid.</al><al>Ondanks de wettelijke verplichtingen met betrekking tot terugvordering heeft de
                    wetgever in artikel 57 lid 7 van de Participatiewet de mogelijkheid geopend om
                    ook bij fraudevorderingen af te kunnen zien van ( verdere) invordering. Daarbij
                    wordt een termijn gesteld van 10 jaar gedurende dat aan de aflossing moet zijn
                    voldaan. Ook is wettelijk de mogelijkheid geboden om een vordering af te kopen
                    tegen tenminste 50% van de restsom. Daarbij is het verlenen van kwijtschelding
                    een bevoegdheid van het college. </al><al>Tot slot is er een wettelijk verbod om medewerking te verlenen aan een
                    schuldregeling indien de vordering ( of de daarmee samenhangende boete) is
                    ontstaan ( na 1 januari 2013 ) door het niet of niet behoorlijk nakomen van de
                    inlichtingenplicht ( artikel 60 c Participatiewet en artikel 29a Ioaw en Ioaz ) </al><al/><al>Door vaststelling van dit Besluit beoogt het college enerzijds een meer
                    slagvaardiger en doelgerichter uitvoeringspraktijk mogelijk te maken, anderzijds
                    om aan de klant rechtszekerheid te bieden voor wat betreft de wijze waarop het
                    college aan de gegeven beleidsruimte invulling geeft. </al><al/><al>Bij dit Besluit zijn nadrukkelijk de volgende uitgangspunten in ogenschouw
                    genomen: </al><al/><al> Hoofdregel is dat een schuld volledig moet worden terugbetaald. Eigen
                    verantwoordelijkheid van de burger staat voorop. altijd rigide vasthouden aan
                    deze hoofdregel kan betekenen dat burgers (financieel) in de knel komen. Met
                    name via de bepalingen over kwijtschelding, afkoop van schulden en de bepaling
                    van de aflossingscapaciteit is dan ook getracht om een goede balans te vinden
                    tussen de belangen van de gemeente als schuldeiser enerzijds en de belangen van
                    de burger als debiteur anderzijds. Ook voor oninbare vorderingen zijn praktische
                    regels opgenomen. Iets abstracter beredeneerd: de gemeente dient een
                    maatschappelijk (economisch) belang indien zij de belangen van de burger als
                    debiteur nadrukkelijk in haar besluitvorming betrekt. Met name ook bezien vanuit
                    die invalshoek is het van belang om oog te hebben voor de persoonlijke situatie
                    van de debiteur. Feitelijk gaat het dan om ook om armoedebeleid. Ook vanuit het
                    oogpunt van efficiency en effectiviteit zijn beleidsmatig keuzes gemaakt. In
                    bepalingen inzake de zogenaamde kruimelbedragen laat zich dat bijvoorbeeld heel
                    expliciet voelen. Bij de opmaak van dit Besluit is in die zin ook telkens een
                    globale kosten-baten-analyse gemaakt: welke inspanning en activiteiten zijn
                    reëel en gewenst om te komen tot de invordering van schulden? </al><al> Fraude mag niet lonen. Dat is het uitgangspunt. Ook hier is evenwel de balans
                    gezocht in relatie tot efficiency en effectiviteit en de belangen van de
                    debiteur. In het Besluit zie je dan ook terug dat bijvoorbeeld ook in geval van
                    fraudeschulden mogelijkheden bestaan voor kwijtschelding althans als het gaat om
                    fraudevorderingen die zijn ontstaan voor 1 januari 2013 . </al><al> Voorts is in dit Besluit een aantal artikelen opgenomen over de hoogte van de
                    boete naar aanleiding van een uitspraak van de CRvB van 24 november 2014. De
                    hoogte van de boete is 50% van het benadelingsbedrag indien opzet en grove
                    schuld niet is vastgesteld . Indien er sprake is van verminderde verwijtbaarheid
                    dan wordt de boete vastgesteld op 25% van het benadelingsbedrag. De vanaf 1
                    januari 2013 opgelegde boetes worden "herzien" op basis van de uitspraak van de
                    CRvB. Dat wil zeggen : het boetebesluit blijft wel van kracht maar we stellen
                    50% of 25% van de boete buiten invordering. Indien er geen sprake is van een
                    benadelingsbedrag ( de zogenaamde "nul" fraude ) dan bedraagt de boete indien
                    opzet of grove schuld niet is vastgesteld € 75,- . Bij verminderde
                    verwijtbaarheid wordt de boete van € 75,- gehalveerd. Tevens wordt gebruik
                    gemaakt van het geven van een waarschuwing als bedoeld in artikel 18a lid 4 van
                    de Participatiewet.</al><al/><al> Tot slot nog het volgende: In de Participatiewet wordt gesproken over een
                    bijstandsuitkering. De Ioaw, Ioaz en Bbz spreken over een uitkering. Kortom, de
                    wetgever werkt met verschillende termen. Uit praktisch oogpunt wordt in dit
                    Besluit de term uitkering gebezigd. Deze term is bedoeld als verzamelnaam en
                    duidt op de bijstandsuitkering ingevolge Participatiewet en de uitkeringen
                    ingevolge Ioaw, Ioaz en Bbz. </al><al> Als het gaat om verhaal dat heeft dit uitsluitend betrekking op verhaal van de
                    kosten van bijstand. In hoofdstuk 5 wordt daarom ook de term bijstand gebezigd
                    en niet de term uitkering. </al><al/><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting </tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 1 Begripsbepalingen </tussenkop><al>Als het gaat om verhaal en terugvordering, is er een duidelijke samenhang met de
                    Algemene wet bestuursrecht. Dat is evident. Maar ook met het civiele recht
                    bestaat een duidelijke samenhang. Het verhaalsrecht is feitelijk een direct
                    afgeleide van het personen-en familierecht (BW boek 1) waardoor begrippen zoals
                    gehanteerd in het familierecht ook gebruikelijk zijn in de verhaalspraktijk.
                    Maar denk bijvoorbeeld ook aan de invordering van vorderingen: begrippen als
                    “executiekosten”, “verzuim” en “minnelijk” zijn afkomstig uit het privaatrecht
                    en hebben in de bijstandspraktijk dezelfde betekenis. </al><al/><tussenkop>Artikel 2 Toepassingsgebied beleidsregels
                    terugvordering</tussenkop><al>De onderhavige beleidsregels zijn, wat betreft de terugvorderingsparagraaf, van
                    toepassing op terugvorderingen ingevolge de Participatiewet,, Ioaw, Ioaz en Bbz. </al><al>De verhaalsparagraaf ziet louter toe op de Participatiewet. Dit laatste houdt
                    verband met het feit dat verhaal ingevolge de Ioaw, Ioaz en Bbz niet mogelijk
                    is. Via lid 2 is dit Besluit inzake invordering eveneens van toepassing op
                    vorderingen voortkomend uit onverschuldigde betaling .Indien vorderingen worden
                    gedekt door een zekerheidsrecht (pand of hypotheek), zijn de regels van dit
                    Besluit niet van toepassing. De regels inzake pand en hypotheek zijn dusdanig
                    specifiek (en bieden dusdanige garantie) dat dit Besluit niet van toepassing is
                    op vorderingen die worden gedekt door pand of hypotheek. </al><al/><tussenkop>Artikel 3 Herzienings-en intrekking</tussenkop><al>Herziening en intrekking van de uitkering, vormen een belangrijke grondslag voor
                    de terugvordering. Evenals terugvordering van een uitkering is het met
                    terugwerkende kracht gewijzigd vaststellen van het recht op uitkering door
                    middel van een herzienings-of intrekkingsbesluit een algemene bevoegdheid van de
                    gemeente. Het college maakt in beginsel in alle gevallen waarin er aanleiding is
                    het toekenningsbesluit met terugwerkende kracht te wijzigen, gebruik van deze
                    bevoegdheid. In die zin is lid 1 van dit artikel dwingend geformuleerd. </al><al>Lid 2 van dit artikel formuleert de uitzondering op lid 1: herziening of
                    intrekking vindt niet plaats indien er sprake is van een dringende reden. </al><al>Voor een nadere toelichting van de betekenis van dringende redenen sluit het
                    college zich aan bij de criteria zoals die zijn ontwikkeld binnen de reguliere
                    jurisprudentie van de bestuursrechter. </al><al>Twee punten worden hierover nog nadrukkelijk opgemerkt. Bij de beoordeling van
                    dringende redenen is het gebruikelijk dat een onderscheid gemaakt wordt tussen
                    omstandigheden die toerekenbaar zijn aan de klant en omstandigheden die
                    toerekenbaar zijn aan het bestuursorgaan. In de laatste situatie is de
                    toepasselijkheid van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur van groot
                    belang, in het bijzonder het zorgvuldigheids-en het rechtszekerheidsbeginsel. </al><al>Overigens hoeft het college, indien zij besluit om geheel van herziening of
                    intrekking af te zien, de belanghebbende in beginsel niet op de hoogte te
                    stellen van dit besluit. Dit is anders indien de belanghebbende er zelf om heeft
                    verzocht. Het is overigens wel goed om altijd in het dossier te vermelden of het
                    college besloten heeft om van de bevoegdheid tot herziening/intrekking geen
                    gebruik te maken. </al><al/><tussenkop>Artikel 4 Terugvordering</tussenkop><al>Deze bepaling vormt de kernbepaling van het gemeentelijke terugvorderingsbeleid. </al><al>Om geen misverstand te laten bestaan over wanneer een uitkering moet worden
                    teruggevorderd, is lid 1, bij wijze van hoofdregel dwingend geformuleerd. Dit
                    laat onverlet dat het college ambtshalve gehouden is bij toepassing van de
                    beleidsregels, rekening te houden met haar inherente afwijkingsbevoegdheid op
                    grond van artikel 4:84 Awb en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. </al><al>De uitkering wordt teruggevorderd van degene aan wie de uitkering ten onrechte
                    is verleend: de belanghebbende. Een gezinsuitkering wordt van alle gezinsleden
                    teruggevorderd. In gevallen van een verzwegen partner wordt ook van de verzwegen
                    partner teruggevorderd (artikel 59 lid 2 Participatie-wet, artikel 26 lid 2 Ioaw
                    en artikel 26 lid 2 Ioaz ). </al><al>Alle gezinsleden van wie de uitkering wordt teruggevorderd zijn hoofdelijk
                    aansprakelijk voor de gehele vordering (artikel 59 lid 3 Participatiewet ,
                    artikel 26 lid 3 Ioaw, artikel 26 lid 3 Ioaz). Dit betekent in de praktijk dat
                    het gehele bedrag van elk gezinslid kan worden teruggevorderd. In gevallen
                    waarin één (of meer) gezinsleden niet in staat zijn om (het volledige) bedrag
                    terug te betalen, kunnen andere gezinsleden voor het gehele (restant) bedrag
                    worden aangesproken. In principe dienen alle debiteuren die hoofdelijk
                    aansprakelijk zijn hun aandeel in de aflossing onderling met elkaar te
                    verrekenen. Dit is niet het probleem van de gemeente. </al><al>Ingevolge lid 2 van artikel 4 kan worden afgezien van terugvordering wegens
                    dringende redenen. Voor een nadere toelichting van de betekenis van dringende
                    redenen sluit het college zich aan bij de criteria zoals die zijn ontwikkeld
                    binnen de reguliere jurisprudentie van de bestuursrechter. Zie ook het gestelde
                    in de inleiding rond het begrip 'dringende reden'. </al><al>Twee punten worden hierover nog nadrukkelijk opgemerkt. Bij de beoordeling van
                    dringende redenen is het gebruikelijk dat een onderscheid gemaakt wordt tussen
                    omstandigheden die toerekenbaar zijn aan de belanghebbende en omstandigheden die
                    toerekenbaar zijn aan het bestuursorgaan. In de laatste situatie is de
                    toepasselijkheid van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur van groot
                    belang, in het bijzonder het zorgvuldigheids-, het rechtszeker-heidsbeginsel en
                    het beginsel van een redelijke belangenafweging. </al><al/><tussenkop>Artikel 5 Terugvordering: bruto of netto</tussenkop><al>Een uitkering wordt netto uitbetaald. De gemeente draagt evenwel net als een
                    werkgever hierover loonbelasting, premies volksverzekering en de
                    inkomensafhankelijke bijdrage af aan de belastingdienst en het UWV. De gemeente
                    betaalt dus in feite een bruto uitkering. Bij terugvordering van een ten
                    onrechte verstrekte uitkering kan het college daarom de uitkering bruto
                    terugvorderen van de belanghebbende. Dit volgt uit artikel 58 lid 5
                    Participatiewet, artikel 25 lid 5 Ioaw, artikel 25 lid 5 Ioaz en artikel 46 Bbz. </al><al>De hoogte van het terugvorderingsbedrag wordt berekend aan de hand van hetgeen
                    in totaal aan loonbelasting en premies aan de belastingdienst en het UWV is
                    afgedragen. </al><al>Ingevolge lid 1 is de hoofdregel dat uitkeringsgelden bruto dienen te worden
                    terugbetaald.</al><al>In de volgende gevallen ziet het college af van brutering en wordt alleen de
                    netto uitkering teruggevorderd: </al><al>-Indien de vordering betrekking heeft op het lopende boekjaar én belanghebbende
                    de vordering voldoet vóór het einde van het boekjaar (lid 2) of </al><al>-indien er sprake is van een vordering die buiten toedoen van belanghebbende is
                    ontstaan en belanghebbende niet kan worden verweten dat deze niet in het lopende
                    kalenderjaar </al><al> wordt voldaan (lid 3). Bijvoorbeeld een administratieve fout van de gemeente </al><al>-indien sprake is van een dringende reden (lid 4). Voor wat betreft het begrip
                    dringende reden wordt hierbij verwezen naar de toelichting bij artikel 4 lid 2
                    of Hierbij wordt opgemerkt dat als de gemeente toch wil overgaan tot brutering,
                    omdat belanghebbende bijvoorbeeld weigert af te lossen, dan moet dit in het
                    besluit inzake het opleggen van de aflossing reeds aangekondigd zijn.</al><al/><tussenkop>Artikel 6 Uitzonderingen terugvordering</tussenkop><al>In artikel 6 staan de algemene – binnen de jurisprudentie geformuleerde –
                    uitzonderingen op de in artikel 4 genoemde hoofdregel beschreven. Het gaat om
                    situaties waarvan binnen de jurisprudentie is komen vast te staan dat het
                    college ongeacht een gehoudenheid tot terug-vordering dient af te zien van haar
                    bevoegdheid . Het college heeft in deze niet de vrijheid om van deze in de
                    jurisprudentie benoemd uitzonderingen af te wijken.</al><al>Het gaat specifiek om 2 situaties :</al><lijst><li nr="a)"><al>de zes maanden jurisprudentie. De zes maanden jurisprudentie komt er op
                            neer dat de gemeente binnen zes maanden nadat zij een signaal heeft
                            ontvangen , over dient te gaan tot aanpassing van het recht op
                            uitkering. Een signaal kan daar bij worden gedefinieerd als relevante
                            informatie over de belanghebbende waaruit kan worden afgeleid dat er
                            sprake is van een dusdanige fout , dat het college op grond daarvan
                            actie zou moeten ondernemen. Vindt geen aanpassing van het recht op de
                            uitkering plaats binnen de genoemde zes maanden dan dient college van
                            terugvordering af te zien voor het deel dat na deze zes maanden nog te
                            veel aan uitkering is verstrekt. Deze zes maanden jurisprudentie speelt
                            niet indien er sprake is van een schending van de
                            inlichtingenplicht.</al></li><li nr="b)"><al>Beperkte overschrijding van de vermogensgrens gedurende langere tijd. De
                            situatie kan bestaan dat belanghebbende niet heeft gemeld dat hij over
                            een vermogen beschikt dat in beperkte mate de vermogensgrens
                            overschrijdt. In deze situatie is het college gerechtigd om de uitkering
                            over de gehele periode van de overschrijding in te trekken. Vaste
                            jurisprudentie is echter dat in deze situatie de terugvordering dient te
                            worden beperkt tot het bedrag dat niet zou zijn verstrekt indien
                            belanghebbende de beperkte overschrijding van de vermogensgrens wel
                            tijdig had gemeld.</al><al/></li></lijst><tussenkop>Artikel 7 Gedeeltelijke kwijtschelding of buiten invorderingstelling
                        bij schuldregeling </tussenkop><al>Als een bijstandsvordering door middel van een terugvorderingsbesluit is
                    vastgelegd dan kan er in een later stadium reden zijn om de vordering
                    (gedeeltelijk) kwijt te schelden. Een dergelijke bepaling komt in de
                    Participatiewet , Ioaw, Ioaz en Bbz niet voor. In deze beleidsregel is het oude
                    artikel 78a Abw nagenoeg letterlijk overgenomen. De belangrijkste verschillen
                    met artikel 78a Abw zijn het gestelde in lid 1 onder sub d en lid 3 van artikel
                    6 van dit Besluit. </al><al>Door in lid 1 sub d van artikel 7 als voorwaarde te stellen dat een bij de NVVK
                    aangesloten bemiddelingsorganisatie betrokken is bij de schuldsanering, wordt
                    beoogd een kwaliteits-criterium in te bouwen.Omdat niet alle gemeenten standaard
                    bij de NVVK zijn aangesloten, maar de gemeente Smallingerland wel graag haar
                    medewerking wil kunnen verlenen aan een verzoek gedaan door een gemeente, is
                    naast de bij de NVVK aangesloten schuld-bemiddelingsorganisatie ook expliciet
                    melding gemaakt dat een verzoek van een (Nederlandse) gemeente ook mogelijk is. </al><al>In lid 3 van artikel 7 wordt gesteld dat ook (gedeeltelijke) kwijtschelding van
                    een fraudeschuld mogelijk moet kunnen zijn . Ook een fraudeschuld staat in
                    principe een schuldsanering in de weg. Dit zou betekenen dat iemand pas voor een
                    schuldsanering in aanmerking komt indien éérst de volledige fraudeschuld is
                    afgelost. De gemeente wil in beginsel bij een fraudeschuld niet een
                    schuldsanering in de weg staan. In lid 3 zijn daar nadere regels gesteld
                    afhankelijk van de hoogte van de fraudevordering. Hoewel het principe dient te
                    gelden dat fraude niet lonend mag zijn, moet het mogelijk kunnen zijn dat mensen
                    die kennelijk in dusdanig </al><al>financiële moeilijkheden zitten dat schuldsanering c.q. bemiddeling aan de orde
                    is, ondanks hun frauduleus gedrag, in aanmerking komen voor kwijtschelding. Let
                    wel, de vordering moet dan ontstaan zijn vóór 1 januari 2013. Op deze datum is
                    de Wet aanscherping in werking getreden en is het kwijtschelden van fraude
                    vorderingen niet meer mogelijk. ( zie artikel 58 lid 7 van de wet en artikel 25
                    lid 6 van de Ioaw en Ioaz</al><al/><tussenkop>Artikel 8 Kwijtschelding anders dan bij
                    schuldregeling</tussenkop><al>Ingevolge artikel 8 kan iedere debiteur voor kwijtschelding van de
                    restant-vordering in aanmerking komen indien men voorafgaand aan het verzoek
                    gedurende minimaal 36 of 60 maanden volledig aan de afbetalingsverplichting
                    heeft voldaan Ook ingevolge dit artikel is het dus mogelijk gemaakt dat
                    fraudeschulden die zijn ontstaan vóór 1 januari 2013 voor kwijtschelding in
                    aanmerking kunnen komen, zij het onder de verzwaarde criteria van 60 maanden
                    afbetaling ( zie artikel 8 lid 3 ). Uiteraard dient in deze periode volledig aan
                    de aflossingsverplichtingen te zijn voldaan. </al><al>Het verzoek tot kwijtschelding kan ook afgewezen worden indien de belanghebbende
                    weliswaar op de huidige vordering correct en tijdig gedurende 36 of 60 maanden
                    heeft betaald, maar niet op een andere vordering waarop hij voordien diende af
                    te lossen. </al><al>Door lid 5 van artikel 8 wordt voorkomen dat belanghebbende voor kwijtschelding
                    in aanmerking zou kunnen komen indien het gaat om een terugvorderingsschuld
                    ingevolge artikel 58 lid 2 sub f onder 1 en 2 Participatiewet, artikel 25 lid 2
                    Ioaw, artikel 25 lid 2 Ioaz en artikel 46 Bbz (achteraf verkregen middelen of
                    een achteraf verkregen vergoeding voor kosten, waarvoor met het oog op die
                    bestemming bijstand is verleend). </al><al>Gelet op het (achteraf) concreet ontvangen van gelden door belanghebbende
                    waardoor hij in staat is c.q. moet worden geacht om de ontvangen bijstand
                    (ineens) terug te betalen aan de gemeente, wordt kwijtschelding in die gevallen
                    ingevolge artikel 6 niet aan de orde geacht.</al><al/><tussenkop>Artikel 9 Gedeeltelijke kwijtschelding bij
                    leenbijstand</tussenkop><al>Uitgangspunt is dat een lening bij de Stichting Kredietbank Nederland als een
                    voorliggende voorziening dient te gelden. Indien een lening bij de Kredietbank
                    Nederland niet aan de orde kan zijn, heeft het uitgangspunt te gelden dat
                    leenbijstand voor inrichtingskosten wordt verstrekt met daaraan gekoppeld een
                    aflossingsverplichting voor de duur van 60 maanden. Indien na 60 maanden de
                    leenbijstand niet volledig is afgelost wordt het restant van de vordering
                    ambtshalve kwijtgescholden. Een verzoek tot kwijtschelding behoeft
                    belanghebbende dus niet in te dienen. </al><al>Ingevolge lid 2 is kwijtschelding redelijkerwijs evenwel niet aan de orde indien
                    de leenbijstand is verstrekt ingevolge artikel 48 lid 2 Participatiewet.: </al><lijst><li nr="•"><al>bijstand verstrekt in een situatie waarin redelijkerwijs kan worden
                            aangenomen dat de belanghebbende op korte termijn over voldoende
                            middelen zal beschikken om over de betreffende periode (zelf) in de
                            noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien; </al></li><li nr="•"><al>de noodzaak tot bijstandsverlening is het gevolg van een tekortschietend
                            besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan; </al></li><li nr="•"><al>het betreft een te betalen waarborgsom; </al></li><li nr="•"><al>bijstand ter gedeeltelijke of volledige aflossing van een schuldenlast. </al><al/></li></lijst><tussenkop>Artikel 10 Inhoud besluit tot terugvordering</tussenkop><al>Het besluit dient de hierna genoemde informatie te bevatten:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="7*"/><colspec colname="col2" colwidth="93*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>a. </al></entry><entry colname="col2"><al>hetgeen teruggevorderd wordt; </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>b. </al></entry><entry colname="col2"><al>de termijn of termijnen waarbinnen moet worden betaald;
                                    </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>c. </al></entry><entry colname="col2"><al>de mogelijkheid voor belanghebbende om voor het verstrijken
                                        van de betalingstermijn, </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>zoals genoemd in het besluit, een betalingsvoorstel te doen
                                        en/of een verzoek in te </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>dienen tot een betalingsregeling; </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>d. </al></entry><entry colname="col2"><al>op welke wijze het besluit, bij gebrekkige betaling, ten
                                        uitvoer zal worden gelegd </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>waaronder tevens begrepen: de aankondiging dat eventuele
                                        executiekosten vanwege </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>inschakeling derden voor rekening van belanghebbende zijn.
                                    </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><tussenkop>Artikel 11 Betalingsvoorstel </tussenkop><al>In 12 lid 1 sub a van dit artikel wordt aan belanghebbenden in de
                    terugvorderingsbeschikking de mogelijkheid geboden om een voorstel te doen tot
                    gespreide betaling van de schuld. </al><al>Op een dergelijk voorstel van belanghebbende dient de gemeente binnen 8 weken na
                    ontvangst te beschikken. </al><al>Indien de betalingsregeling tot stand komt en belanghebbende vervolgens op enig
                    moment zijn betalingen staakt, is het van belang dat de gemeente het heft in
                    handen neemt c.q. kan nemen. Zie hiertoe het gestelde niet alleen in lid 2 sub c
                    van het artikel, maar met name ook lid 3 van het artikel: de vordering is in dat
                    geval weer ineens opeisbaar c.q. de gemeente is niet langer gehouden aan de
                    betalingsregeling. </al><al/><tussenkop>Artikel 12 Aflossingsverplichting </tussenkop><al>De aflossingsverplichting ingevolge artikel 12 wordt berekend naar draagkracht.
                    In het onderhavige artikel worden deze draagkrachtregels neergelegd. </al><al>Hierbij gelden de navolgende uitgangspunten: </al><al>Lid 1: Belanghebbenden met een inkomen op bijstandsniveau hebben een
                    aflossingsverplichting van 6% van de voor hun geldende toepasselijke
                    bijstandsnorm inclusief vakantiegeld. </al><al>Lid 2: Voor belanghebbenden die de inlichtingenplicht hebben geschonden wordt
                    een maximale aflossing gehanteerd (aansluitend bij het Wetboek van Burgerlijke
                    Rechtsvordering (Rv). Hierbij wordt rekening gehouden met de beslagvrije voet
                    van 90% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm. Bij deze keuze wordt de
                    berekenings-systematiek ingevolge Rv gevolgd. Ingevolge artikel 475d lid 5 Rv
                    kan de gemeente formeel niet volstaan met het bepalen van een percentage van 10%
                    maar dienen correctiefactoren als ziektekosten en woonlasten in ogenschouw te
                    worden genomen. </al><al>Lid 3: Indien belanghebbenden een inkomen hebben boven bijstandsniveau wordt qua
                    aflossingsverplichting een nadrukkelijker onderscheid gemaakt tussen fraude-en
                    niet fraudevorderingen. In geval van fraudevorderingen bedraagt de aflossing 10%
                    van de bijstandsnorm (inclusief vakantiegeld) plus 60% van het verschil tussen
                    het netto inkomen (inclusief vakantiegeld) en de netto bijstandsnorm (inclusief
                    vakantiegeld). In geval van andere vorderingen bedraagt de aflossing 6% plus 50%
                    van het verschil. </al><al> Lid 4: Vanwege de zogenaamde armoedeval-problematiek alsook een financiële
                    stimulans tot werkaanvaarding, is bepaald dat belanghebbenden na beëindiging van
                    hun uitkering nog voor 12 maanden worden gelijkgesteld met
                    uitkeringsgerechtigden als het gaat om het bepalen van de
                    aflossingsverplichting. </al><al> Lid 5: Ingevolge de leden 1 tot en met 4 staat de gemeente voor een
                    invorderingsbeleid dat soepeler is dan de wettelijke norm ingevolge het Wetboek
                    van Burgerlijke Rechtsvordering. De uitgangspunten van een dergelijk beleid
                    kunnen evenwel teniet worden gedaan in geval van beslaglegging door een derde.
                    In geval een andere schuldeiser gaat invorderen met inachtneming van de
                    beslagvrije voet, wordt de </al><al> financiële armslag zoals de gemeente die aan mensen gunde niet meer gevoeld. In
                    dergelijke gevallen staat het de gemeente vrij om alsnog tot invordering over te
                    gaan conform Rv. Let wel, het gaat hier om een zogenaamde “kan”-bepaling. Het
                    betreft dus geen verplichting. Achterliggende gedachte daarbij is om de
                    medewerkers de ruimte te geven om, indien een dergelijke situatie ontstaat, met
                    de andere schuldeiser(s) in gesprek te treden en afspraken over de inning
                    /verdeling van de in te vorderen gelden te maken dan wel bijvoorbeeld een
                    debiteur aan te melden voor schuldhulpverlening.</al><al/><tussenkop>Artikel 13 Aflossingscapaciteit en vermogen </tussenkop><al>Ingevolge dit artikel heeft de gemeente de mogelijkheid om (deels) af te zien
                    van een maandelijkse betalingsregeling indien blijkt dat belanghebbende beschikt
                    over vermogen dat hij redelijkerwijs ten gelde kan maken Ingevolge lid 2 van dit
                    artikel blijft vermogen voor zover dit minder bedraagt dan de vermogensgrens
                    zoals genoemd in artikel 34 lid 3 Participatiewet buiten beschouwing. </al><al/><tussenkop>Artikel 14 Tussentijdse wijziging van aflossingsverplichting door
                        het college </tussenkop><al>Een eenmaal door het college vastgestelde aflossingsverplichting kan door het
                    college in de toekomst worden gewijzigd op basis van een heronderzoek
                    draagkracht. Zie hiertoe het heronderzoeksplan Participatiewet , Ioaw, Ioaz en
                    Bbz. Het huidige onderzoeksplan kent geen frequentie voor debiteurenonderzoeken.
                    De debiteuren, die hun verplichtingen nakomen worden verder niet onderzocht. De
                    actie wordt gericht op hen, die hun verplichtingen niet nakomen. Dit uit oogpunt
                    van efficiency en effectiviteit. </al><al/><tussenkop>Artikel 15 Verzoek tot wijziging van de aflossingsverplichting door
                        belanghebbende </tussenkop><al>De belanghebbende kan altijd een verzoek indienen bij het college tot een
                    wijziging van de vastgestelde aflossingsverplichting. Met inachtneming van de
                    Awb, neemt het college vervolgens een tijdig besluit. </al><al/><tussenkop>Artikel 16 Verplichtingen met betrekking tot de
                    invordering</tussenkop><al>In dit Besluit wordt meerdere malen gesproken over het aflossingsbedrag als
                    betalingsverplichting. Om er geen misverstand over te laten bestaan dat in dit
                    verband van een verplichting wordt gesproken wordt hier bepaald dat elk
                    aflossingsbedrag , of dit nu is overeengekomen ingevolge een minnelijke
                    betalingsregeling of op basis van het terugvorderingsbesluit eenzijdig wordt
                    medegedeeld , kan worden beschouwd als een betalingsverplichting. Het college
                    verricht regelmatig onderzoek naar de hoogte van het inkomen. Dit gebeurt
                    tenminste eenmaal per drie jaar of zoveel vaker als wijzigingen in het inkomen
                    hiertoe aanleiding geven. </al><al/><tussenkop>Artikel 17 Aanmaning, dwangbevel, beslag en verrekening
                    </tussenkop><al>In de uitvoeringspraktijk wordt onderscheid gemaakt tussen een aanmaning en een
                    dwangbevel. Aanmaning zijn brieven waarin belanghebbende, vanwege uitblijven
                    betaling, sec wordt verzocht om alsnog tot betaling over te gaan. Tegen de
                    brieven staat geen bezwaar en beroep open. </al><al>Indien betaling na verzending van de aanmaning uitblijft, vaardigen burgemeester
                    en wethouders een dwangbevel uit. Zie lid 3. Zie ook artikel 60 lid 2
                    Participatiewet, artikel 28 lid 1 Ioaw en artikel 28 lid 1 Ioaz. De regels met
                    betrekking tot het dwangbevel zijn bepaald in de Algemene wet bestuursrecht:
                    artikel 4:114 e.v. Awb. </al><al>Indien ook na het uitvaardigen van het dwangbevel betaling uitblijft, zal de
                    gemeente executiemaatregelen moeten nemen ter invordering (lid 3). Het stramien
                    daartoe is neergelegd in landelijke regelgeving (met name Wetboek van
                    Burgerlijke Rechtsvordering). </al><al>Naast de systematiek van invordering via dwangbevel / beslaglegging, kan de
                    gemeente ook invorderen via verrekening met een lopende uitkering van de
                    gemeente, een andere gemeente of een andere uitkerende instantie (artikel 60a
                    Participatiewet). </al><al>Daartoe is in de Participatiewet , Ioaw en Ioaz een wettelijke basis gecreëerd.
                    Voor de Bbz is hier de Participatiewet vanzelfsprekend van toepassing. Tegen een
                    besluit tot verrekening (veelal gekoppeld / geïntegreerd in een besluit tot
                    terugvordering) staat bezwaar en beroep open. </al><al>Ingevolge artikel 4:87 Awb dient het college in geval van een besluit tot
                    terugvordering de belanghebbende een betalingstermijn te gunnen van minimaal 6
                    weken. Deze regel laat onverlet dat de gemeente niet aan deze termijn gehouden
                    is in geval van verrekening. In artikel 4:93 lid 3 Awb wordt immers bepaald dat
                    de verrekening terugwerkt overeenkomstig artikel 6:129 BW tot aan het tijdstip
                    waarop de verrekeningsbevoegdheid is ontstaan. Het besluit tot verrekening kan
                    dus per direct ten uitvoer worden gelegd. Een dwangbevel is in dergelijke
                    situaties niet noodzakelijk. </al><al/><tussenkop>Artikel 18 Rente en kosten</tussenkop><al>Invorderingskosten dienen, evenals in het reguliere betalingsverkeer voor
                    rekening van de onwillige debiteur te komen. Het is evident dat een onwillige
                    debiteur extra werkzaamheden veroorzaakt voor de gemeente en daarmee extra
                    kosten in de uitvoering. Het is redelijk dat de onwillige debiteur wordt
                    geconfronteerd met de gevolgen van zijn gedrag. </al><al>In de incassopraktijk wordt gewerkt met een forfaitair percentage van meestal
                    15% van de hoofdsom. De gemeente sluit zich bij dit systeem aan. Het is voor de
                    gemeente redelijk om de kosten van invordering te bepalen op 15% van de
                    (resterende) vordering (exclusief rente) met een minimum van € 100,- en een
                    maximum van € 500,- per geval. Indien de debiteur meerdere vorderingen onbetaald
                    laat kunnen op elk van de afzonderlijke vorderingen de kosten van de invordering
                    in mindering worden gebracht. De debiteur moet niet onnodig worden
                    geconfronteerd met de extra kosten . Enige inpassing van de schuldeiser om de
                    vordering betaald te krijgen is normaal. Daarom worden pas invorderings-kosten
                    in rekening gebracht op het moment dat de debiteur dusdanig onwillig is gebleken
                    dat er moet worden overgegaan tot beslaglegging of het inschakelen van een
                    deurwaarder. Om individuele redenen kan van de invorderingskosten worden
                    afgezien. </al><al/><tussenkop>Artikel 19 Afzien van (verdere) invordering </tussenkop><al>Binnen de debiteurenuitvoeringspraktijk doen zich regelmatig situaties voor
                    waarbij de kosten van de uitvoering van invorderingsmaatregelen niet langer in
                    verhouding staan tot de hoogte van een (restant-)vordering. De
                    doelmatigheidstoets in lid 1 van dit artikel beoogt in die zin nadrukkelijk aan
                    de medewerker terugvordering en verhaal een grote beoordelings-vrijheid te geven
                    om in individuele gevallen af te zien van (verdere) invordering van vorderingen
                    &lt; € 150,00. Gaat het om (restant-)vorderingen van meer dan € 150,00 dan geldt
                    ingevolge lid 2 als aanvullende voorwaarde dat incasso gedurende 5 jaren
                    onmogelijk is gebleken alsook niet aannemelijk is dat belanghebbende in de
                    toekomst tot betaling zal overgaan. Betreft het vorderingen die betrekking
                    hebben op het schenden van de inlichtingenverplichting en ontstaan na 1 januari
                    2013, dan kan binnen 10 jaar niet afgezien worden van verdere invordering. </al><al/><tussenkop>Artikel 20 Opschorting invordering </tussenkop><al>Een eventueel bezwaar-of beroepschrift van de belanghebbende tegen het besluit
                    tot terugvordering heeft geen schorsende werking. Wel kan de belanghebbende de
                    voorzieningenrechter van de rechtbank (of van de CRvB) hangende een bezwaar-of
                    beroepsprocedure verzoeken om een voorlopige voorziening te treffen, waaronder
                    begrepen een schorsing. Het zal echter niet altijd verstandig zijn om direct
                    over te gaan tot invordering. Zolang het besluit niet onherroepelijk is, bestaat
                    het risico dat de gemeente, indien achteraf blijkt dat het besluit ten onrechte
                    genomen is, geconfronteerd wordt met een schadevergoedingsactie van
                    belanghebbende. Een besluit is onherroepelijk als er voor belanghebbende geen
                    mogelijkheden van bezwaar of beroep meer open staan. Dit is zes weken na het
                    besluit of de rechterlijke uitspraak. De gemeente zal, zolang het besluit niet
                    onherroepelijk is, niet alleen moeten kijken naar haar belangen maar ook naar de
                    belangen van de (vermeende) schuldenaar. Indien het treffen van
                    executiemaatregelen hangende bezwaar/beroep onevenredig belastend is voor
                    belanghebbende is de gemeente ingevolge artikel 19 gehouden om de invordering op
                    te schorten. Tegen een aanmaning en dwangbevel is geen bezwaar en beroep
                    mogelijk. Tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel is verzet mogelijk bij
                    de rechtbank. </al><al/><tussenkop>Hoofdstuk 4 Boete in verband met schending
                    inlichtingenplicht</tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 21 Waarschuwing en hoogte boete indien er geen sprake
                    is van een </tussenkop><tussenkop> benadelingsbedrag </tussenkop><al>De gemeente Smallingerland kiest er voor om gebruik te maken van de bevoegdheid
                    tot het geven van een schriftelijke waarschuwing zoals bedoeld in artikel 18 lid
                    4 van de Participatiewet en in artikel 20a lid 4 van de Ioaw en Ioaz. </al><al>Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichtingen
                    door belang-hebbende niet heeft geleid tot een benadelingsbedrag dan wordt de
                    boete op grond van artikel 18a lid 3 van de Participatiewet vastgesteld op €
                    150,- . Gelet op de uitspraak van de CRvB ( zie de toelichting bij artikel 22 )
                    wordt de boete , indien er geen sprake is van opzet of grove schuld en er geen
                    sprake is van een benadelingsbedrag , vastgesteld op € 75,- . Indien er sprake
                    is van verminderde verwijtbaarheid zoals bedoeld in artikel 2a , tweede lid van
                    het Boetebesluit Sociale Zekerheidswetten wordt de bestuurlijke boete als
                    bedoeld in </al><al>lid 3 van artikel gehalveerd. Indien verwijtbaarheid ontbreekt , wordt geen
                    boete opgelegd.</al><al/><tussenkop>Artikel 22 Hoogte boete indien er sprake is van een
                        benadelingsbedrag maar geen opzet of grove schuld</tussenkop><al>De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft op 24 november 2014 een belangrijke
                    uitspraak gedaan over de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid
                    SZW-wetgeving(Fraudewet) en het op deze wet gebaseerde Boetebesluit sociale
                    zekerheidswetten (Boetebesluit). Minister Asscher van het Ministerie van Sociale
                    zaken en werkgelegenheid (SZW) reageert in zijn brief van 16 december 2014 op
                    deze uitspraak en stelt dat aanpassing van de wet- en regelgeving noodzakelijk
                    is. De CRvB heeft bepaald dat boetes die na 1 januari 2013 zijn opgelegd
                    indringender getoetst moeten worden aan het evenredigheidsbeginsel van artikel
                    5:46 lid 2 Awb. Het college zal dan ook niet automatisch meer een boete kunnen
                    opleggen van 100 % van het benadelings-bedrag. Een boete van 100% van het
                    benadelingsbedrag zal alleen dan opgelegd kunnen worden, als aangetoond wordt
                    dat de gedraging van de belanghebbende zo ernstig verwijtbaar is dat het
                    opleggen van dit maximumbedrag in beginsel wordt gerechtvaardigd. Dat wil zeggen
                    dat sprake moet zijn van opzet. Als sprake is van grove schuld dan legt het
                    college aan belanghebbende een boete van 75% van het benadelingsbedrag op. Kan
                    belanghebbende geen opzet of grove schuld verweten worden, dan is 50% van het
                    benadelingsbedrag bij afstemming passend. De boete wordt verlaagd tot 25% als
                    sprake is van verminderde verwijtbaarheid. Deze percentages kunnen als
                    uitgangspunten worden gehanteerd. Afwijking in verband met individuele
                    omstandigheden is uiteraard mogelijk. </al><al>De Minister van SZW heeft in de brief aan de Tweede kamer gemeld dat het UWV ,
                    SVB en gemeenten uitvoering moeten geven aan de uitspraak van de CRvB. </al><al>De CRvB heeft ook uitgesproken dat voor wat betreft de maximale op te leggen
                    boetes in het kader van het sociale zekerheidsrecht aansluiting moet worden
                    gezocht bij de maximale boetes die op grond van artikel 23 vierde lid van het
                    Wetboek van Strafrecht door een strafrechter kan worden opgelegd. Dit betekent
                    dat als er sprake is van opzet de maximale boete € 81.000,- bedraagt en in alle
                    overige gevallen is de maximale boete </al><al>€ 8.100,- Deze maximale bedragen gelden vanaf 1 januari 2014..</al><tussenkop>Aanpak / uitvoering</tussenkop><al>Smallingerland heeft het beleid conform de uitspraak aangepast Dit betekent voor
                    de praktijk dat in de meeste gevallen een boete wordt opgelegd van 50% en bij
                    verminderde verwijtbaarheid een boete van 25%. Het aantonen van opzet of grove
                    schuld zal in de praktijk meestal niet haalbaar zijn. Besloten is dat de
                    boetebesluiten die zijn genomen na 1-1-2013 worden "herzien" op basis van de
                    uitspraak van de CRvB van 24 november 2014. Dat wil zeggen: het boetebesluit
                    blijft van kracht maar we stellen indien een boete is opgelegd van 100% en het
                    aantonen van opzet of grove schuld is niet mogelijk 50% buiten invordering en
                    indien een boete is opgelegd van 50% in verband met verminderde verwijtbaarheid
                    stellen we 25% van de boete buiteninvordering.</al><al/><tussenkop>Artikel 23 Dringende redenen</tussenkop><al>Indien er sprake is van dringende redenen dan ziet het college af van het
                    opleggen van een bestuurlijke boete. In lid 2 van dit artikel wordt benoemd wat
                    onder dringende redenen wordt verstaan. In lid 3 en 4 van dit artikel wordt
                    aangegeven dat aanwezigheid van lichamelijke en psychische klachten op zich geen
                    dringende redenen vormen . Ook indien de belanghebbende in een
                    schuldsaneringstraject is of wordt opgenomen is op zich geen dringende
                    reden.</al><al/><tussenkop>Hoofdstuk 5 Beleidsregels verhaal </tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 24 Verhaalsbevoegdheid </tussenkop><al>Artikel 61 participatiewet is een zogeheten 'kan-bepaling'. Verhaal is derhalve
                    een bevoegdheid van het college en niet een verplichting. Om geen misverstand te
                    laten bestaan over wanneer bijstand moet worden verhaald, is lid 1 bij wijze van
                    hoofdregel dwingend geformuleerd. Dit laat onverlet dat het college ambtshalve
                    gehouden is bij toepassing van de beleidsregels, rekening te houden met haar
                    afwijkingsbevoegdheid op grond van artikel 4:84 Awb en de algemene beginselen
                    van behoorlijk bestuur. Ook artikel 26 van deze regeling (hardheidsclausule) kan
                    een rol spelen. Verhalen van uitkerings-kosten speelt alleen als een uitkering
                    op grond van de Participatiewet is verstrekt. </al><al/><tussenkop>Artikel 25 Verhalen van bijstand </tussenkop><al>In lid 1 wordt aangegeven dat verhaal van de kosten van bijstand die het college
                    aan de belanghebbende verstrekt , op de onderhoudsplichtige ex-partner van een
                    belanghebbende plaatsvindt naar draagkracht ( tot maximaal het bedrag van de
                    bruto verstrekte uitkering ) conform de Trema-/Nibudnormen. In lid 2 wordt
                    aangeven dat dit ook geldt voor het verhaal van de kosten van de uitkering die
                    ten behoeve van het ten laste komend kind wordt verstrekt. De zogeheten
                    tremanormen zijn de normen die door de rechtbank worden gehanteerd bij de
                    vaststelling van de alimentatie die voorzien in zowel een zgn. netto- als een
                    bruto berekening. Voor zover het gemeentelijk beleid voorziet in een niet in de
                    volle omvang uitvoeren van die tremanormen ( bij. Enkel de netto-berekening of
                    bijv. vaststelling van een forfaitair verhaalsbedrag ten behoeve van kinderen )
                    kan dat in de toelichting worden overgenomen.</al><al>De onderhoudsplicht t.a.v. jongmeerderjarigen is beschreven in de artikelen
                    3956a en 395b Boek 1 BW. Op grond van artikel 12 van de wet kan een
                    jongmeerderjarige ( leeftijd 18, 19 en 20 jaar) een beroep doen op aanvullende
                    bijzondere bijstand voor zover zijn nood-zakelijke kosten van het bestaan
                    uitgaan boven de bijstandsnorm en hij/zij voor deze kosten heen beroep kan doen
                    op zijn/haar ouders , omdat de middelen van de ouders daartoe niet toereikend
                    zijn of hij/zij redelijkerwijs zijn/haar onderhoudsrecht jegens zijn/haar ouders
                    niet te gelde kan maken. In de praktijk betekent dit dat de gemeente – alvorens
                    de bijzondere bijstand toe te kennen – de ouders van de jongmeerderjarige
                    aanschrijft om aan hun onderhoudsplcht te voldoen. Enkel daar waar de ouders van
                    de jongmeerderjarige aantoon-baar over te weinig draagkracht beschikken om aan
                    de onderhoudsplicht te kunnen voldoen of als zij – ondanks een dringend verzoek
                    – geen medewerkring wensen te verlenen , gaat de gemeente over tot verstrekking
                    van de bijzonder bijstand.</al><al>In lid 4 en 5 wordt bepaald dat het college , indien de gevraagde gegevens niet
                    worden overlegd door de onderhoudsplichtige en de gegevens ook niet via de haar
                    ten dienste staande middelen kunnen worden achterhaald , de maandelijkse
                    verhaalsbijdrage ambtshalve kan vaststellen op de wijze zoals in deze leden is
                    bepaald.</al><al/><tussenkop>Artikel 26 verhaal op grond van een rechterlijke uitspraak
                    </tussenkop><al>Er kan sprake zijn van een uitvoerbare rechtelijke uitspraak en geen uitvoerbare
                    rechtelijke uitspraak . Met een uitvoerbare rechterlijke uitspraak wordt hier
                    bedoeld een uitvoerbare rechterlijke uitspraak in de zin van artikel 62b van de
                    wet , dus een uitvoerbare rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud
                    krachtens Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, met andere woorden: een door de
                    rechter tussen belanghebbende en zijn ex-echtgenoot uitgesproken
                    onderhoudsverplichting. Als de onderhoudsplichtige niet aan zijn verplichting
                    voldoet en belanghebbende daardoor een (groter) beroep moet doen op bijstand, is
                    het college bevoegd de kosten van de bijstand op de onderhoudsplichtige te
                    verhalen, overeenkomstig de rechterlijke uitspraak. Dit is geregeld in artikel
                    62b van de wet. Indien een rechterlijke uitspraak niet wordt nagekomen, verhaalt
                    het college conform de rechterlijke uitspraak . Alsdan moet dit schriftelijk aan
                    de onderhoudsplichtige bekend gemaakt worden, met de aanmaning dat het
                    achterstallige bedrag binnen dertig dagen moet zijn voldaan. Tegen dit besluit
                    kan de onderhoudsplichtige geen bezwaar indienen. Wel kan belanghebbende binnen
                    een periode van 30 dagen in verzet komen bij de rechtbank, waarbij hij zich niet
                    kan verzetten tegen het opleggen van de onderhoudsbijdrage. Het verzet heeft een
                    schorsende werking (artikel 62b lid 3 van de wet ). Pas als het verzet is
                    ingetrokken of ongegrond is verklaard kan tot invordering worden
                    overgegaan.</al><al>Als de rechter geen uitspraak heeft gedaan over de wederzijdse onderhoudsplicht
                    en de onderhoudsplicht wordt niet op een minnelijke wijze nagekomen, dan is het
                    college bevoegd zelf een verhaalsbijdrage vast te stellen. Bij de hoogte van de
                    bijdrage wordt rekening gehouden met de maatstaven die gelden en de
                    omstandigheden die van belang zijn in het geval dat de rechter dient te
                    beslissen over de vraag of en, zo ja, tot welk bedrag een uitkering tot
                    levensonderhoud na echtscheiding, scheiding van tafel en bed of ontbinding van
                    het huwelijk na scheiding van tafel en bed zou moeten worden toegekend (artikel
                    62a van de wet.).Indien de persoon op wie verhaal wordt gezocht, nadat deze de
                    verhaalsbeschikking heeft ontvangen, niet uit eigen beweging bereid is de
                    verlangde gelden aan de gemeente te betalen dan wel niet of niet tijdig tot
                    betaling daarvan overgaat, besluit het college tot verhaal in rechte (zie
                    “verhaal in rechte " artikel 32 van dit Besluit ). </al><al/><tussenkop>Artikel 27 Afzien van verhaal </tussenkop><al>Ingevolge lid 1 wordt van verhaal afgezien indien het verhaalsbedrag lager is
                    dan € 50,00 per maand of € 600,00 per jaar. De keuze voor deze beperking is,
                    gelijk artikel 21 van deze beleidsregels, ingegeven door redenen van
                    doelmatigheid c.q. een kosten-baten-analyse. Lid 2 van dit artikel bepaalt dat
                    de gemeente geheel of gedeeltelijk van verhaal kan afzien indien daarvoor, gelet
                    op de omstandigheden van degene op wie verhaal wordt gezocht of degene die de
                    bijstand ontvangt of heeft ontvangen, dringende redenen aanwezig zijn. In het
                    algemeen kan er sprake zijn van dringende redenen indien bepaalde feiten ertoe
                    nopen om af te zien van verhaal ter bescherming van lijf en geest van de
                    belanghebbende. Uit de aard der zaak kan een dringende reden nimmer financieel
                    van aard zijn: indien de onderhoudsplichtige niet in staat is om bij te dragen
                    in de bijstandskosten is verhaal (tijdelijk) wegens het ontbreken van
                    draagkracht niet mogelijk. </al><al/><tussenkop>Artikel 28 Kwijtschelding wegens schuldenproblematiek
                    </tussenkop><al>Voor dit artikel geldt in het bijzonder dat het hierbij gaat om
                    verhaalsbijdragen , die op het moment van het besluit tot kwijtschelding
                    opeisbaar zijn. Daarbij behoort er sprake te zijn van een schuldregeling. Tevens
                    wordt expliciet gesproken van verhaalsbijdragen en niet van onderhoudsbijdragen.
                    Dit betekent dat alleen die verhaalsbijdragen bij de regeling kunnen worden
                    betrokken , waarvoor een executoriale titel voorhanden is , met andere woorden ,
                    bijdragen die al in rechte zijn vastgesteld op grond van artikel 62b van de
                    Participatiewet. Nadrukkelijk moet worden bedacht dat de onderhoudsverplichting
                    , dus de betalingsverplichting van in rechte gestelde onderhoudsbijdragen, ook
                    na het besluit tot kwijtschelding blijft voortduren. Daarom is het van belang
                    dat daarmee rekening wordt gehouden bij een voortduring van de
                    onderhoudsverplchting. Dit leidt er toe dat de schuldhulpverlener bij de
                    draagkracht van de onderhoudsplichtige ten behoeve van zijn schuldregeling
                    rekening moet houden met de lopende verplichting. In beginsel zal worden
                    ingestemd met de aangeboden regeling .</al><al>Het oorspronkelijke verhaalsbesluit blijft gehandhaafd , echter de invordering
                    zal achterwege blijven zolang de onderhoudsplichtige naar behoren meewerkt aan
                    de schuldregeling.</al><al>Indien er sprake is van een door de rechtbank vastgestelde
                    alimentatieverplichting dient bij de rechtbank een nihil stelling van de
                    alimentatieverplichting te worden gevraagd voor de duur van de schuldregeling.
                    (meestal een periode van 3 jaar) .</al><al/><tussenkop>Artikel 29 Inwerkingtreding van het besluit tot ( gedeeltelijk
                    ) afzien van verhaal </tussenkop><tussenkop> wegens schuldenproblematiek</tussenkop><al>Het besluit tot het geheel of gedeeltelijk afzien van verhaal van de kosten van
                    bijstand treedt in werking op het moment dat een schuldenregeling als bedoeld in
                    artikel 27 onder b van dit Besluit tot stand is gekomen .</al><al/><tussenkop>Artikel 30 Intrekking van het besluit tot ( gedeeltelijk ) afzien
                        van verhaal wegens schuldenproblematiek</tussenkop><al>Gedurende de schuldregeling zal periodiek in een heronderzoek worden nagegaan ,
                    of de onderhoudsplichtige nog naar behoren meewerkt. Mocht blijken dat dit niet
                    ( meer ) het geval is dan zal het verhaalsbesluit alsnog geëffectueerd worden ,
                    wat inhoudt dat de nog niet geboekte verhaalsbijdrage alsnog wordt geboekt en
                    bij de onderhoudsplichtige wordt geïncasseerd. Het besluit tot het (gedeeltelijk
                    ) afzien van verhaal wordt ingetrokken.</al><al>In individuele gevallen kan verhaal in rechte worden ingesteld. Na afloop van de
                    schuldregeling zal een nieuw verhaalsonderzoek worden uitgevoerd , omdat immers
                    dan de onderhoudsplichtige geacht wordt schuldenvrij te zijn . </al><al/><tussenkop>Artikel 31 Verhaalsbesluit</tussenkop><al>Het besluit dient de hierna genoemde informatie te bevatten:</al><lijst><li nr="-"><al>De ingangsdatum van de betalingsverplichting.</al></li><li nr="-"><al>Het bedrag of de bedragen waarvan betaling wordt verlangd.</al></li><li nr="-"><al>De termijn of termijnen waarbinnen de betaling wordt verlangd.</al></li><li nr="-"><al>De gronden waarop het verhaal plaatsvindt.</al><al/></li></lijst><tussenkop>Artikel 32 Verhaal in rechte </tussenkop><al>Indien de belanghebbende niet of niet tot tijdige betaling overgaat dan besluit
                    het college tot verhaal in rechte tenzij het te verhalen bedrag lager of gelijk
                    is aan € 600,- per jaar. ( zie artikel 27 van dit Besluit ) </al><al>Hiertoe wordt een verzoekschrift ingediend bij de rechtbank ( artikel 62h van de
                    Wet ). Op de indiening en behandeling van het verzoekschrift, alsmede op de
                    procedure in hoger beroep, zijn de artikelen 799, tweede lid, en 801 van het
                    Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van overeenkomstige toepassing artikel
                    62h lid 2 van de Wet.</al><al>Voor de behandeling van verzoekschriften met betrekking tot verhaal in rechte en
                    verzoeken tot wijziging van een rechterlijke verhaalsuitspraak, is de rechtbank
                    bevoegd. Het college neemt een apart besluit tot verhaal in rechte ( artikel 62g
                    lid 2 van de Wet )</al><al>Op grond van artikel 62<sup>e</sup> lid 1 van de Wet kan een door de rechter
                    vastgestelde verhaals-bijdrage op verzoek van het college of van de
                    onderhoudsplichtige worden gewijzigd wegens gewijzigde omstandigheden.</al><al>De door de rechter gegeven verhaalsbeschikking voorziet zelf in een executoriale
                    titel. Anders dan verhaal op grond van een rechterlijke alimentatiebeschikking
                    als bedoeld in artikel 62b van de Wet kan het college de verhaalsvordering met
                    deze beschikking onmiddellijk via dwangmaatregelen, zoals vereenvoudigd
                    derdenbeslag, invorderen. Het college is dus voor invordering niet afhankelijk
                    van een dwangbevel. </al><al/><tussenkop>Artikel 33 Ingangsdatum verhaalsbijdrage </tussenkop><al>In het kader van de rechtszekerheid is bepaald om de (mogelijke) ingangsdatum
                    van de verhaalsbijdrage te bepalen op de eerste van de maand volgend op de datum
                    van eerste aanschrijving van belanghebbende. De ingangsdatum wordt op een later
                    tijdstip vastgesteld indien er sprake is van dringende redenen. Dit kan aan de
                    orde zijn indien gelet op de omstandigheden de belanghebbende niet verweten kan
                    worden dat het tijdvak tussen de door de gemeente vastgestelde ingangsdatum van
                    verhaal en de vaststelling van de verhaalsbijdrage te groot is. Indien de
                    belanghebbende niet overgaat tot betalen en de gemeente een verhaals-procedure
                    start bij de rechtbank, zal de rechtbank de ingangsdatum van verhaal ook anders
                    vaststellen indien het tijdvak groot is tussen de door de gemeente vastgestelde
                    ingangsdatum van verhaal en het aanhangig maken van de procedure. </al><al/><tussenkop>Artikel 34 (Her-)onderzoek naar draagkracht </tussenkop><al>Verhaalsonderzoeken zijn intensief en blijken in de praktijk slechts in beperkte
                    mate te leiden tot gewijzigde vaststelling van een verhaalsbijdrage.
                    Verhaalsonderzoeken vinden eens in de 36 maanden plaatsvinden, waarbij de
                    termijn verkort wordt (naar 12 maanden) als te verwachten is dat er eerder
                    wijzigingen in de inkomenssituatie van de onderhoudsplichtige kunnen
                    plaatsvinden. Hierbij valt te denken aan het aflopen van
                    aflossingsverplichtingen, zelfstandigen met wisselende inkomens, etc. </al><al/><tussenkop>Artikel 35 Invordering en beslag</tussenkop><al>Indien betaling door de onderhoudsplichtige uitblijft kan invordering - anders
                    dan een verhaalsbesluit op grond van artikel 62 en artikel 62f van de Wet
                    geschieden door middel van een dwangbevel. Alvorens een dwangbevel kan worden
                    uitgevaardigd moet het college eerst nog een aanmaning sturen Met het dwangbevel
                    kan het college overgaan tot (vereenvoudigd) derdenbeslag of overgaan tot beslag
                    door een gerechtsdeurwaarder.</al><al>De volgorde is dat eerst wordt overgegaan tot derdenbeslag en als dat niet
                    mogelijk is dan wordt overgegaan tot executoriaal beslag. </al><al>Van de mogelijkheid om vereenvoudigd derdenbeslag op het inkomen van de
                    onderhouds-plichtige te leggen, zal vooral gebruik gemaakt worden als de bron
                    van inkomsten van de onderhoudsplichtige bekend is en met dit vereenvoudigd
                    derdenbeslag de lopende en achterstallige verplichting kan worden voldaan. Het
                    besluit om de verhaalsvordering in handen te stellen van een gerechtsdeurwaarder
                    zal met name worden genomen als de inkomstenbron van de onderhoudsplichtige
                    onbekend is, of als de opbrengst van het vereenvoudigde (loon-)beslag
                    onvoldoende is om de lopende en de achterstallige onderhoudsbijdrage te voldoen.
                    Er zal dan mogelijk behoefte zijn aan executoriaal beslag op roerende en/of
                    onroerende zaken van de onderhoudsplichtige.</al><al/><tussenkop>Hoofdstuk 6 Slotbepalingen</tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 36 Hardheidsclausule</tussenkop><al>Indien de toepassing van deze beleidsregels tot onbillijkheden leiden, kunnen
                    burgemeester en wethouders ten gunste van de belanghebbende afwijken van de
                    bepalingen. Van deze mogelijkheid dient terughoudend gebruik gemaakt te worden
                    om het scheppen van precedenten tegen te gaan. Overigens laat dit artikel de
                    werking van artikel 4:84 Awb onverlet. </al><al/><tussenkop>Artikel 37 Gewijzigd vaststellen bedragen </tussenkop><al>In artikel 19 en 27 zijn vaste bedragen opgenomen. Als het bedrag moet worden
                    gewijzigd moet hiervoor een besluit tot wijziging van het Besluit worden
                    vastgesteld. Het is praktischer in het besluit te bepalen dat deze bedragen
                    jaarlijks door het college kunnen worden aangepast. Feitelijk dezelfde lijn als
                    bij belastingwetgeving. Jaarlijks wordt door de belastingdienst een
                    tarieventabel vastgesteld zonder dat daarvoor het besluit hoeft te worden
                    gewijzigd.</al><al/><tussenkop>Artikel 38 Inwerkingtreding</tussenkop><al>Dit Besluit treedt na bekendmaking in werking met ingang van 1 januari 2015 en
                    vervangt per die datum de bestaande beleidsregels/werkwijze inzake
                    terugvordering en verhaal van de gemeente Smallingerland. De hoofdregel is dus
                    dat dit nieuwe Besluit niet alleen geldt voor situaties van terug-en invordering
                    en verhaal gelegen na datum inwerkingtreding, maar ook voor reeds bestaande
                    rechtsverhoudingen op die datum. </al><al/><tussenkop>Artikel 39 Citeertitel</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen verdere toelichting. </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>