<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR383490_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening watersysteemheffing Waterschap De Dommel 2016</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Waterschap">Waterschap De Dommel</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-03-20</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Waterschap">Waterschap De Dommel</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">elektronisch waterschapsblad nr. 1320, d.d. 28 november 2015</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening watersysteemheffing Waterschap De Dommel 2016</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005108&amp;artikel=110,117">artikelen 110 en 117 van de Waterschapswet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanWaterschap">algemeen bestuur</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-11-25</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-11-29</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>financiën en belastingen</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening watersysteemheffing Waterschap De Dommel</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Het algemeen bestuur van het waterschap De Dommel;</al><al>op voordracht van het dagelijks bestuur van 13 oktober 2015;</al><al>gelet op de artikelen 110 en 117 van de Waterschapswet;</al><al>B E S L U I T :</al><al>vast te stellen de Verordening watersysteemheffing Waterschap De Dommel
                        2016</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>I:</nr><titel>Inleidende bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>Deze verordening verstaat onder: </al><lijst><li nr="a."><al>ingezetene: degene die blijkens de basisregistratie personen bij
                                    het begin van het kalenderjaar woonplaats heeft in het gebied
                                    van het waterschap en die aldaar gebruik heeft van woonruimte,
                                    met dien verstande dat gebruik van woonruimte door de leden van
                                    een gezamenlijke huishouding wordt aangemerkt als gebruik door
                                    een lid van dat huishouden, dat wordt aangewezen door de in
                                    artikel 123, derde lid, onderdeel b, van de Waterschapswet
                                    bedoelde ambtenaar van het waterschap.;</al></li><li nr="b."><al>heffingsambtenaar: de ambtenaar bedoeld in artikel 123, derde
                                    lid, onderdeel b, van de Waterschapswet;</al></li><li nr="c."><al>invorderingsambtenaar: de ambtenaar bedoeld in artikel 123,
                                    derde lid, onderdeel c, van de Waterschapswet;</al></li><li nr="d."><al>woonruimte: een ruimte die blijkens zijn inrichting bestemd is
                                    om als een afzonderlijk geheel te voorzien in woongelegenheid en
                                    waarvan de delen blijkens de inrichting van die ruimte niet
                                    bestemd zijn om afzonderlijk in gebruik te worden gegeven;</al></li><li nr="e."><al>kostentoedelingsverordening: de verordening van het waterschap,
                                    bedoeld in artikel 120, eerste lid, eerste volzin, van de
                                    Waterschapswet;</al></li><li nr="f."><al>waterbergingsgebieden: een krachtens de Wet ruimtelijke ordening
                                    voor waterstaatkundige doeleinden bestemd gebied, niet zijnde
                                    een oppervlaktewaterlichaam of onderdeel daarvan, dat dient ter
                                    verruiming van de bergingscapaciteit van een of meer
                                    watersystemen en ook als bergingsgebied op de legger is
                                    opgenomen;</al></li><li nr="g."><al>natuurterreinen: ongebouwde onroerende zaken waarvan de
                                    inrichting en het beheer geheel of nagenoeg geheel en duurzaam
                                    zijn afgestemd op het behoud of de ontwikkeling van natuur.
                                    Onder natuurterreinen worden mede verstaan bossen en open
                                    wateren met een oppervlakte van tenminste één hectare;</al></li><li nr="h."><al>ongebouwde onroerende zaken: ongebouwde onroerende zaken die
                                    geen natuurterreinen zijn;</al></li><li nr="i."><al>gebied van het waterschap: het gebied dat is aangegeven op de
                                    bij het provinciaal reglement behorende kaart waarin de zorg
                                    voor het watersysteem aan het waterschap is opgedragen;</al></li><li nr="j."><al>de heffing: de watersysteemheffing als genoemd in artikel 117,
                                    aanhef, van de Waterschapswet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Belastbaar feit en belastingplichtigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ter bestrijding van kosten die zijn verbonden aan de zorg voor het
                                watersysteem wordt onder de naam watersysteemheffing een directe
                                belasting geheven.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De heffing wordt geheven van hen die:</al><lijst><li nr="a."><al>ingezetenen zijn als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, met
                                        dien verstande dat gebruik van woonruimte door de leden van
                                        een gezamenlijke huishouding wordt aangemerkt als gebruik
                                        door een door de heffingsambtenaar aan te wijzen lid van dat
                                        huishouden;</al></li><li nr="b."><al>krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben
                                        van ongebouwde onroerende zaken in het gebied van het
                                        waterschap;</al></li><li nr="c."><al>krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben
                                        van natuurterreinen in het gebied van het waterschap;</al></li><li nr="d."><al>krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben
                                        van gebouwde onroerende zaken in het gebied van het
                                        waterschap.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Heffingplichtig in de zin van het tweede lid, onderdelen b, c en d,
                                is degene die bij het begin van het kalenderjaar als rechthebbende
                                in de basisregistratie kadaster is vermeld, tenzij blijkt dat hij op
                                dat tijdstip geen rechthebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt
                                recht is.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voor de toepassing van het tweede lid, onderdelen b, c en d, is
                                heffingplichtig de:</al><lijst><li nr="a."><al>beperkt gerechtigde en niet de eigenaar, ingeval de
                                        onroerende zaak is onderworpen aan het recht van beklemming,
                                        van erfpacht, van opstal of van vruchtgebruik;</al></li><li nr="b."><al>eigenaar voor wat betreft het recht van opstal, indien dat
                                        recht uitsluitend is gevestigd ten behoeve van de aanleg of
                                        het onderhoud, dan wel ten behoeve van de aanleg en het
                                        onderhoud, van ondergrondse dan wel bovengrondse
                                        leidingen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien de onroerende zaak is onderworpen aan beperkte rechten als
                                bedoeld in het vorige artikellid, heeft voor de heffingplicht:</al><lijst><li nr="a."><al>de vruchtgebruiker voorrang boven zowel de opstaller als de
                                        erfpachter;</al></li><li nr="b."><al>de opstaller voorrang boven de erfpachter.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Heffingsmaatstaf</titel></kop><al>Als heffingsmaatstaf geldt: </al><lijst><li nr="a."><al>ter zake van ingezetenen: de woonruimte;</al></li><li nr="b."><al>ter zake van ongebouwde onroerende zaken en ter zake van
                                    natuurterreinen: de oppervlakte van de onroerende zaak,
                                    uitgedrukt in een aantal hectaren of een gedeelte daarvan;</al></li><li nr="c."><al>ter zake van gebouwde onroerende zaken: de waarde die voor het
                                    kalenderjaar voor de onroerende zaak wordt bepaald op de voet
                                    van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>II:</nr><titel>Watersysteemheffing ingezetenen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Tarief ingezetenen</titel></kop><al>Met inachtneming van het bepaalde dienaangaande in de
                            kostentoedelingsverordening, bedraagt het tarief van de
                            watersysteemheffing voor de categorie ingezetenen € 37,90 per
                            woonruimte.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>III:</nr><titel>Watersysteemheffing ongebouwde onroerende zaken</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Belastingobject</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk en van artikel 2, tweede lid,
                                onderdeel b en artikel 9, derde lid, van deze verordening, wordt als
                                één ongebouwde onroerende zaak aangemerkt een kadastraal perceel of
                                een gedeelte daarvan, met dien verstande dat buiten aanmerking wordt
                                gelaten:</al><lijst><li nr="a."><al>hetgeen ingevolge artikel 9, eerste en tweede lid, wordt
                                        aangemerkt als een gebouwde onroerende zaak;</al></li><li nr="b."><al>een natuurterrein.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de heffing worden openbare land- en waterwegen en banen voor
                                openbaar vervoer per rail, een en ander met inbegrip van
                                kunstwerken, alsmede waterverdedigingswerken die worden beheerd door
                                organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke
                                rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken
                                die dienen als woning, aangemerkt als ongebouwde onroerende
                                zaken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Tarief ongebouwde onroerende zaken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Met inachtneming van het bepaalde dienaangaande in de
                                kostentoedelingsverordening, bedraagt het tarief van de heffing voor
                                ongebouwde onroerende zaken € 42,71 per hectare.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid en met inachtneming
                                van het bepaalde dienaangaande in artikel 4 van de
                                kostentoedelingsverordening, bedraagt het tarief voor ongebouwde
                                onroerende zaken die als waterbergingsgebied worden gebruikt € 29,90
                                per hectare.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid en met inachtneming
                                van het bepaalde dienaangaande in artikel 3, tweede lid, van de
                                Kostentoedelingsverordening, bedraagt het tarief voor verharde
                                openbare wegen, € 85,43 per hectare.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>IV:</nr><titel>Watersysteemheffing natuurterreinen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Belastingobject</titel></kop><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk en van artikel 2, tweede lid,
                            onderdeel c, van deze verordening, wordt als één natuurterrein
                            aangemerkt een kadastraal perceel of gedeelte daarvan, met dien
                            verstande dat buiten aanmerking wordt gelaten: </al><lijst><li nr="a."><al>hetgeen ingevolge artikel 9, eerste en tweede lid, wordt
                                    aangemerkt als een gebouwde onroerende zaak;</al></li><li nr="b."><al>hetgeen ingevolge artikel 5 wordt aangemerkt als een ongebouwde
                                    onroerende zaak.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Tarief natuurterreinen</titel></kop><al>Met inachtneming dienaangaande van het bepaalde in de
                            kostentoedelingsverordening, bedraagt het tarief van de heffing voor
                            natuurterreinen € 1,63 per hectare. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>V:</nr><titel>Watersysteemheffing gebouwde onroerende zaken</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Belastingobject</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk en van artikel 2, tweede lid,
                                onderdeel d, van deze verordening, wordt als één gebouwde onroerende
                                zaak aangemerkt:</al><lijst><li nr="a."><al>een gebouwd eigendom;</al></li><li nr="b."><al>een gedeelte van een gebouwd eigendom dat blijkens zijn
                                        indeling is bestemd om als een afzonderlijk geheel te worden
                                        gebruikt;</al></li><li nr="c."><al>een samenstel van twee of meer van de in onderdeel a
                                        bedoelde gebouwde eigendommen of van in onderdeel b bedoelde
                                        gedeelten daarvan die bij dezelfde belastingplichtige in
                                        gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij
                                        elkaar behoren;</al></li><li nr="d."><al>het binnen het gebied van een gemeente gelegen deel van een
                                        in onderdeel a bedoelde eigendom, van een in onderdeel b
                                        bedoeld gedeelte of van een in onderdeel c bedoeld
                                        samenstel;</al></li><li nr="e."><al>het binnen het gebied van het waterschap gelegen deel van
                                        een in onderdeel a bedoelde eigendom, van een in onderdeel b
                                        bedoeld gedeelte, van een in onderdeel c bedoeld samenstel
                                        of van een in onderdeel d bedoeld deel.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de toepassing van het eerste lid maken de ongebouwde
                                eigendommen voor zover die een samenstel vormen met een gebouwd
                                eigendom als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a tot en met e,
                                deel uit van de gebouwde onroerende zaak.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in het vorige artikellid maken de
                                ongebouwde eigendommen, voor zover de waarde daarvan bij de
                                waardebepaling op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering
                                onroerende zaken op basis van het bepaalde krachtens artikel 18,
                                vierde lid, van die wet buiten aanmerking wordt gelaten, geen deel
                                uit van de gebouwde onroerende zaak.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Tarief</titel></kop><al>Met inachtneming dienaangaande van het bepaalde in de
                            kostentoedelingsverordening, bedraagt het tarief van de heffing voor
                            gebouwde onroerende zaken 0,02035 % van de heffingsmaatstaf als bedoeld
                            in artikel 3, onderdeel c, van deze verordening. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>VI:</nr><titel>Heffing en invordering</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Wijze van heffing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De heffing wordt bij wege van aanslag geheven.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, wordt de heffing
                                ter zake van ingezetenen via een gedagtekende schriftelijke
                                kennisgeving geheven. De kennisgeving wordt via toezending of
                                uitreiking aan de belastingschuldige bekend gemaakt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Tenaamstelling en invordering belastingaanslag bij meer
                                belastingplichtigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien ter zake van hetzelfde voorwerp van de belasting of hetzelfde
                                belastbare feit twee of meer personen belastingplichtig zijn, stelt
                                de heffingsambtenaar de aanslag ten name van een van hen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de belastingplicht, bedoeld in het eerste lid, voortvloeit
                                uit het genot van een onroerende zaak krachtens eigendom, bezit of
                                beperkt recht en de aanslag ten name van één van de
                                belastingplichtigen is gesteld, kan de invorderingsambtenaar de
                                belastingaanslag op de gehele onroerende zaak verhalen op degene op
                                wiens naam de aanslag ingevolge het eerste lid is gesteld, zonder
                                rekening te houden met de rechten van de overige
                                belastingplichtigen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Niet opleggen van aanslagen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een aanslag die een bedrag van € 2,27 niet te boven gaat, wordt niet
                                opgelegd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de toepassing van het eerste lid wordt het totaal van de op één
                                aanslagbiljet verenigde aanslagen als één aanslag aangemerkt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Vrijstellingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De watersysteemheffing ongebouwde onroerende zaken wordt niet
                                geheven ter zake van ongebouwde onroerende zaken waarvan het
                                waterschap genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht
                                is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De watersysteemheffing natuurterreinen wordt niet geheven ter zake
                                van natuurterreinen waarvan het waterschap genothebbende krachtens
                                eigendom, bezit of beperkt recht is.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De watersysteemheffing gebouwde onroerende zaken wordt niet geheven
                                ter zaken van:</al><lijst><li nr="a."><al>straatmeubilair, waaronder alle zodanige gebouwde
                                        eigendommen - niet zijnde gebouwen - worden begrepen die
                                        zijn geplaatst ten gerieve of in het belang van het publiek,
                                        ten dienste van het verkeer of ter verfraaiing van een in
                                        het waterschapsgebied gelegen gemeente, zoals lichtmasten,
                                        verkeersinstallaties, standbeelden, monumenten, fonteinen,
                                        banken, abri’s, hekken en palen;</al></li><li nr="b."><al>gebouwde onroerende zaken waarvan het waterschap
                                        genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht
                                        is.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Betaaltermijnen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990
                                is een belastingaanslag invorderbaar twee maanden na de dagtekening
                                van het aanslagbiljet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een navorderingsaanslag is invorderbaar een maand na de dagtekening
                                van het aanslagbiljet.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, moet een
                                kennisgeving als bedoeld in artikel 11, tweede lid, gelijktijdig met
                                en op dezelfde wijze als de voldoening van de andere vordering aan
                                de schuldeiser van die andere vordering, worden voldaan.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste en het tweede lid is,
                                indien een machtiging voor automatische incasso is afgegeven, de
                                aanslag invorderbaar in één termijn die vervalt op de laatste dag
                                van de maand volgend op die van de dagtekening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Kwijtschelding</titel></kop><al>Van de watersysteemheffing natuurterreinen, de watersysteemheffing
                            ongebouwd en de watersysteemheffing gebouwd wordt geen kwijtschelding
                            verleend. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Nadere regels</titel></kop><al>Het dagelijks bestuur van het waterschap kan nadere regels geven met
                            betrekking tot de heffing en de invordering van de heffing. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Intrekking, inwerkingtreding, tijdstip van ingang van de heffing
                                en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De ‘Verordening watersysteemheffing Waterschap De Dommel’,
                                    vastgesteld bij besluit van 10 december 2014, wordt ingetrokken
                                    met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van
                                    de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op
                                    belastbare feiten die zich voor die datum hebben
                                    voorgedaan.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag
                                    na die van haar bekendmaking.</al></li><li nr="3."><al>De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2016.</al></li><li nr="4."><al>Deze verordening kan worden aangehaald als ‘Verordening
                                    watersysteemheffing Waterschap De Dommel 2016’.</al></li></lijst><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de vergadering van het algemeen bestuur van 25
                            november 2015 .</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>mr. drs. P.C.G. Glas drs. R.E. Viergever</ondertekening><ondertekening>(watergraaf) (secretaris)</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting op de Verordening watersysteemheffing Waterschap De Dommel 2016</titel></kop><al/><al><vet>Algemeen </vet></al><al>1.Wettelijke basis</al><al>De verordening op de watersysteemheffing is gebaseerd op de tekst van de
                    Waterschapswet, zoals die is komen te luiden na de inwerkingtreding van de Wet
                    modernisering waterschapsbestel (Staatsblad 2007, 208).)</al><al>2.De watersysteemtaak</al><al>In artikel 1, tweede lid, van de Waterschapswet is “de zorg voor het
                    watersysteem” als eerste hoofdtaak van het waterschap vermeld. De zorg voor het
                    watersysteem omvat de zorg voor de waterkering en de zorg voor de
                    waterhuishouding, waaronder ook de zorg voor de waterkwaliteit. Met het gebruik
                    van de term “zorg voor het watersysteem” wordt benadrukt dat zij een nauwe
                    onderlinge samenhang kennen en als één integrale taak moeten worden uitgevoerd. </al><al>In artikel 1, tweede lid, van de Waterschapswet is de zorg voor de zuivering van
                    afvalwater op de voet van artikel 3.4 van de Waterwet als andere hoofdtaak van
                    het waterschap genoemd. Ook is bepaald dat de zorg voor een of meer andere
                    waterstaatsaangelegenheden aan de waterschappen kan zijn of worden opgedragen.
                    De uitvoering van de wegen- en de vaarwegentaak door een aantal waterschappen is
                    een uiting van dit laatste. </al><al>In de Waterschapswet wordt de zorg voor het watersysteem in algemene zin aan de
                    waterschappen toegekend. De nadere invulling ervan vindt plaats in het
                    provinciale waterschapsreglement en in de praktijk ook in belangrijke mate in
                    bijzondere wetgeving, zoals de Waterwet. Op grond van artikel 2 van de
                    Waterschapswet worden het gebied en de taken van het waterschap door Provinciale
                    Staten bepaald.</al><al>3.De watersysteemheffing</al><al>Belastingplichtig voor de watersysteemheffing zijn: </al><al>de ingezetenen; </al><al>de eigenaren van ongebouwde onroerende zaken, niet zijnde natuurterreinen; </al><al>de eigenaren van natuurterreinen;</al><al>en de eigenaren van gebouwde onroerende zaken. </al><al>Dit zijn de belastingplichtige categorieën. </al><al>4.De heffingsmaatstaven en de tarieven van de heffing</al><al>De heffingsmaatstaf voor de ingezetenen is de woonruimte. Voor ongebouwde
                    onroerende zaken die geen natuurterreinen zijn en voor natuurterreinen is de
                    heffingsmaatstaf de oppervlakte van de onroerende zaak en voor gebouwde
                    onroerende zaken is de heffingsmaatstaf de op de voet van de Wet waardering
                    onroerende zaken (Wet WOZ) vastgestelde waarde. Het tarief van de belasting moet
                    op grond van de Waterschapswet worden gesteld op een gelijk bedrag per
                    woonruimte (ingezetenen), op een gelijk bedrag per hectare (ongebouwd niet
                    zijnde natuur en natuur) of op een vast percentage van de WOZ-waarde (gebouwd).
                    De watersysteemheffing kent daarmee dus ook vier afzonderlijke tarieven.</al><al>5.Tariefdifferentiatie</al><al>Tariefdifferentiatie is een mogelijkheid voor de waterschappen om rekening te
                    houden met het feit dat het belang bij het watersysteembeheer voor bepaalde
                    onroerende zaken duidelijk afwijkend kan zijn dan dat van andere onroerende
                    zaken. In die gevallen heeft het algemeen bestuur van een waterschap de
                    mogelijkheid, maar niet de verplichting, de tarieven te differentiëren. Uit een
                    oogpunt van uniformiteit en vereenvoudiging zijn de gevallen waarin
                    tariefdifferentiatie mogelijk is, limitatief in de Waterschapswet opgesomd. Om
                    dezelfde redenen is de bandbreedte van de differentiatie wettelijk begrensd.
                    Tariefdifferentiatie kan alleen worden toegepast voor buitendijks gelegen
                    onroerende zaken, voor onroerende zaken die blijkens de legger van het
                    waterschap als waterbergingsgebied worden gebruikt, voor onroerende zaken
                    gelegen in bemalen gebieden, voor onroerende zaken die in hoofdzaak uit
                    glasopstanden bestaan en voor verharde openbare wegen. De regeling van de
                    tariefdifferentiatie staat in artikel 122 van de Waterschapswet. In deze
                    verordening watersysteembeheer wordt alleen uitgegaan van tariefdifferentiatie
                    voor waterbergingsgebied en voor verharde openbare wegen.</al><al><vet>Artikelsgewijze toelichting </vet></al><al><vet>Artikel 1 Begripsbepalingen</vet></al><al>In dit artikel zijn omwille van de duidelijkheid omschrijvingen opgenomen van in
                    de verordening vaker voorkomende begrippen.</al><al>a.Ingezetenen</al><al>De omschrijving van het begrip ingezetenen is ontleend aan artikel 116, onder a,
                    van de Waterschapswet. Om als ingezetene aangemerkt te kunnen worden, moet
                    sprake zijn van het hebben van woonplaats en het gebruik van woonruimte in het
                    gebied van het waterschap. De situatie bij het begin van het kalenderjaar is
                    bepalend. </al><al>Woonruimte is iedere ruimte die blijkens zijn inrichting bestemd is om als een
                    afzonderlijk geheel te voorzien in woongelegenheid. Dit betekent dat de
                    gebruiker van de woonruimte niet anders dan bijkomstig afhankelijk mag zijn van
                    voorzieningen elders in het gebouw. In het geval van woonruimten moet worden
                    gedacht aan voorzieningen als keuken, douche en toilet. Deze moeten de gebruiker
                    van de woonruimte, met uitsluiting van anderen die niet tot zijn of haar
                    huishouden behoren, exclusief ter beschikking staan. Bewoners van verpleeg- en
                    verzorgingshuizen kunnen om deze reden veelal niet als ingezetenen in de zin van
                    artikel 116, onder a, van de Waterschapswet worden aangemerkt. Hetzelfde geldt
                    voor bewoners van studentenhuizen.</al><al>b.Heffingsambtenaar</al><al>De ambtenaar van het waterschap die de heffingsbevoegdheden
                    (inspecteurbevoegdheden) uit de Algemene wet inzake rijksbelastingen uitoefent,
                    wordt in de verordening de heffingsambtenaar genoemd. Tot de
                    inspecteurbevoegdheden behoort de bevoegdheid tot het vaststellen van
                    belastingaanslagen en de bevoegdheid tot het doen van uitspraken op
                    bezwaarschriften. Het dagelijks bestuur van het waterschap moet een besluit
                    nemen waarin de heffingsambtenaar wordt aangewezen. De wettelijke basis is
                    artikel 123, derde lid, onder a, van de Waterschapswet.</al><al>c.Invorderingsambtenaar</al><al>De ambtenaar van het waterschap die de ontvangersbevoegdheden uit de
                    Invorderingswet 1990 uitoefent, wordt in de verordening met de term
                    ‘invorderingsambtenaar’ aangeduid. Tot de ontvangersbevoegdheden behoort de
                    bevoegdheid tot de invordering van de belasting. Ook het verlenen van
                    kwijtschelding van belasting is een ontvangersbevoegdheid. De Waterschapswet
                    noemt de ontvanger in artikel 123, derde lid, onder c.</al><al>d.Woonruimte</al><al>Voor een beschouwing op het begrip woonruimte wordt verwezen naar onderdeel a,
                    hiervoor.</al><al>e.Kostentoedelingsverordening</al><al>Elk waterschap moet ingevolge artikel 120, eerste lid, eerste volzin, van de
                    Waterschapswet ten behoeve van de watersysteemheffing een verordening
                    vaststellen waarin de toedeling van het kostenaandeel voor elk van de
                    belastingplichtige categorieën is vastgelegd. Deze verordening wordt de
                    kostentoedelingsverordening genoemd. De tariefdifferentiatie wordt hierin
                    opgenomen. </al><al>f.Waterbergingsgebieden</al><al>Waterbergingsgebieden zijn omschreven als krachtens de Wet ruimtelijke ordening
                    voor waterstaatkundige doeleinden bestemde gebieden, niet zijnde een
                    oppervlaktewaterlichaam of onderdeel daarvan, die dienen ter verruiming van de
                    bergingscapaciteit van een of meer watersystemen en ook als bergingsgebied op de
                    legger zijn opgenomen.</al><al>g.Natuurterreinen</al><al>De omschrijving van het begrip natuurterreinen is ontleend aan artikel 116,
                    onderdeel c, van de Waterschapswet. De wet geeft een kwalitatieve omschrijving
                    van het begrip, waarbij de nadruk op de duurzame inrichting en beheer als
                    natuurgebied ligt. Bij de beoordeling of sprake is van een ongebouwde onroerende
                    zaak waarvan de inrichting en het beheer geheel of nagenoeg geheel en duurzaam
                    zijn afgestemd op het behoud of de ontwikkeling van natuur (toetsing aan de
                    zojuist genoemde kwalitatieve omschrijving), zijn ook de feitelijke of
                    uiteindelijke bestemming van de onroerende zaak van belang. Zo zal een perceel
                    nog bouwrijp te maken grond dat al jaren niet is bewerkt en waar inmiddels
                    eventueel veel groen en leven aanwezig is, maar waar uiteindelijk wel gebouwd
                    zal worden, niet als een natuurterrein kwalificeren. Ook stadsparken,
                    plantsoenen en dergelijke zullen vanwege hun overwegende recreatieve functie
                    niet als natuurterrein in aanmerking genomen kunnen worden.</al><al>Onder natuurterreinen worden mede bossen en open wateren met een oppervlakte van
                    tenminste één hectare verstaan. Er is sprake van wetsduiding: zodra een bos of
                    open water een oppervlakte van één hectare of meer heeft, is sprake van een
                    natuurterrein. In deze gevallen is niet relevant of de inrichting en het beheer
                    van de onroerende zaak zijn afgestemd op het behoud of de ontwikkeling van
                    natuur. Dit leidt ertoe dat ook bedrijfsmatig geëxploiteerde bossen van
                    tenminste één hectare tot de categorie natuurterreinen worden gerekend. Geheel
                    of nagenoeg geheel staat overigens voor 90% of meer. </al><al>h.Ongebouwde onroerende zaken</al><al>Waar in deze verordening wordt gesproken over ongebouwde onroerende zaken,
                    worden steeds ongebouwde onroerende zaken die geen natuurterrein zijn, bedoeld.
                    Het gaat om de ongebouwde onroerende zaken bedoeld in artikel 117, onder b, van
                    de Waterschapswet. </al><al>i.Gebied van het waterschap</al><al>In artikel 1 van de Waterschapswet is het functionele karakter van de
                    waterschappen vastgelegd, hun taak is de waterstaatkundige verzorging van een
                    bepaald gebied. In verband hiermee is onder andere de zorg voor het watersysteem
                    aan hen opgedragen. De regeling van het gebied gebeurt door de provincie, bij
                    provinciaal reglement. In de praktijk wordt het gebied van het waterschap veelal
                    aangeduid op een (al dan niet elektronische) kaart die bij het provinciale
                    reglement behoort. Omdat de toekenning van ‘de zorg voor het watersysteem’ aan
                    de waterschappen niet impliceert dat alle zorg voor het watersysteem in een
                    bepaald gebied aan het waterschap is toegekend (ook andere overheden kunnen
                    immers ter zake taken uitoefenen), is in de verordening opgenomen dat het moet
                    gaan om het gebied waarin het waterschap de bevoegdheid tot uitoefening van het
                    watersysteembeheer heeft. </al><al>j.De heffing</al><al>Waar in de verordening over ‘de heffing’ wordt gesproken, wordt steeds de
                    watersysteemheffing, genoemd in artikel 117, aanhef, van de Waterschapswet,
                    bedoeld. </al><al><vet>Artikel 2 Belastbaar feit en belastingplichtigen</vet></al><al>In artikel 2 is aangegeven van wie de belasting wordt geheven. Tezelfdertijd is
                    in het artikel de belastbare feiten opgenomen. Deze vallen samen met de
                    omschrijving van de belastingplichtigen. Belastingplichtig zijn degenen te wiens
                    aanzien het belastbaar feit zich voordoet. In overeenstemming met artikel 117
                    van de Waterschapswet zijn als belastingplichtigen respectievelijk aangewezen
                    degenen die woonachtig zijn in het gebied van het waterschap en die aldaar het
                    gebruik hebben van woonruimte (de ingezetenen) en degenen die in het gebied van
                    het waterschap eigenaar zijn van ongebouwde onroerende zaken die geen
                    natuurterreinen zijn, van natuurterrein of van gebouwde onroerende zaken. Deze
                    vier belastingplichtige categorieën zijn in artikel 2, tweede lid, onderdelen a
                    tot en met d, van de verordening opgenomen. </al><al>In het derde lid van het artikel is vastgelegd dat het begin van het
                    kalenderjaar bepalend is voor de belastingplicht van de eigenaren van ongebouwde
                    onroerende zaken niet zijnde natuurterreinen, de eigenaren van natuurterreinen
                    en de eigenaren van gebouwde onroerende zaken. Dit volgt uit artikel 119, eerste
                    lid, van de Waterschapswet. Indien het genot krachtens eigendom, bezit of
                    beperkt recht van een onroerende zaak in de loop van het jaar aanvangt of
                    eindigt, heeft dat dus geen invloed op de belastingplicht vanwege het
                    tijdstipkarakter van de heffing. Het begin van het kalenderjaar is blijkens
                    artikel 1, onderdeel a, van de verordening overigens ook bepalend voor de
                    ingezetenen. Deze bepaling stoelt op artikel 116, onder a, van de
                    Waterschapswet. </al><al>In artikel 119, tweede en derde lid, van de Waterschapswet is voor een aantal
                    specifieke situaties de rangorde bij het bepalen van de heffingplichtige
                    aangegeven. Deze regelingen zijn in het vierde en vijfde lid van artikel 2 van
                    de verordening overgenomen. </al><al><vet>Artikel 3 Heffingsmaatstaf</vet></al><al>Artikel 3 geeft per belastingplichtige categorie de heffingsmaatstaf aan. De
                    bepaling is gebaseerd op artikel 121, eerste lid, van de Waterschapswet. De
                    heffingsmaatstaf voor ingezetenen is de woonruimte en voor natuurterreinen en
                    ongebouwde onroerende zaken die geen natuurterreinen zijn, is de
                    heffingsmaatstaf de oppervlakte van de onroerende zaak. Voor gebouwde onroerende
                    zaken is de heffingsmaatstaf de voor het kalenderjaar vastgestelde WOZ-waarde. </al><al><vet>Artikel 4 Tarief ingezetenen</vet></al><al>In artikel 4 is de relatie tussen het tarief en de kostentoedelingsverordening
                    tot uitdrukking gebracht en is, conform het bepaalde in artikel 121, eerste lid,
                    onder a, van de Waterschapswet, vastgelegd dat het tarief op een gelijk bedrag
                    per woonruimte wordt gesteld. </al><al><vet>Artikel 5 Belastingobject ongebouwde onroerende zaken </vet></al><al>De voorschriften voor de afbakening van de objecten waarop de heffing betrekking
                    heeft, staan in artikel 118 van de Waterschapswet. Het derde lid regelt de
                    afbakening van een ongebouwde onroerende zaak die geen natuurterreinen is. Het
                    ongebouwd wordt afgebakend op basis van de kadastrale registratie: als één
                    ongebouwde onroerende zaak wordt aangemerkt een kadastraal perceel of een
                    gedeelte daarvan. Hierbij geldt wel de nuancering dat hetgeen ingevolge de
                    Waterschapswet wordt aangemerkt als een gebouwde onroerende zaak en hetgeen
                    ingevolge de Waterschapswet een natuurterrein is, bij de afbakening van het
                    ongebouwde object buiten aanmerking moet worden gelaten. In artikel 5, eerste
                    lid, van de verordening komt deze wettelijke regeling terug. </al><al>In het tweede lid van artikel 5 is hetgeen in artikel 118, vijfde lid, van de
                    Waterschapswet, is bepaald, weergegeven. Er is niet zozeer sprake van een
                    afbakeningsvoorschrift, maar van een fictiebepaling op grond waarvan de in dit
                    artikellid genoemde objecten als ongebouwde eigendommen, niet zijnde
                    natuurterreinen, worden aangemerkt. Het gaat om openbare land- en waterwegen en
                    banen voor openbaar vervoer per rail en hun kunstwerken. Ook
                    waterverdedigingswerken die worden beheerd door organen, instellingen of
                    diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen worden in genoemde wettelijke
                    bepaling als ongebouwde onroerende zaken, niet zijnde natuurterreinen,
                    aangemerkt. Ook voor deze objecten geldt trouwens dat de afbakening plaatsvindt
                    op basis van kadastrale grenzen. Delen van waterverdedigingswerken die worden
                    aangemerkt als woning, worden uitdrukkelijk niet als ongebouwde objecten
                    gekwalificeerd. </al><al><vet>Artikel 6 Tarief ongebouwde onroerende zaken </vet></al><al>Lid 1</al><al>Op grond van het bepaalde in artikel 121, eerste lid, onder b, van de
                    Waterschapswet, wordt het tarief van de heffing ter zake van ongebouwde
                    onroerende zaken gesteld op een gelijk bedrag per hectare. Deze bepaling en de
                    relatie met de kostentoedelingsverordening, zijn in het eerste lid van artikel 6
                    opgenomen. </al><al><vet>Tariefdifferentiatie </vet></al><al>De Waterschapswet noemt in artikel 122 vijf situaties waarin het mogelijk is om
                    de tarieven van de belasting lager of hoger vast te stellen. Artikel 122 (de
                    bepaling die de tariefdifferentiatie regelt) maakt dus een inbreuk op het
                    uitgangspunt dat het tarief van de belasting op een gelijk bedrag per hectare
                    wordt gesteld. In artikel 6 van de verordening is vastgelegd, dat er bij het
                    waterschap De Dommel sprake is van tariefdifferentiatie voor
                    waterbergingsgebieden en voor verharde openbare wegen. De
                    kostentoedelingsverordening geeft uitsluitsel over de vraag of er in een
                    concreet geval gedifferentieerd wordt en zo ja, in welke mate.
                    Tariefdifferentiatie is geen verplichting voor de waterschappen. </al><al>Lid 2</al><al>In de Kostentoedelingsverordening is vastgelegd dat wordt overgegaan tot
                    tariefdifferentiatie voor waterbergingsgebieden voor die ongebouwde onroerende
                    zaken die blijkens de legger als waterbergingsgebied worden gebruikt, waarbij
                    het tarief wordt vastgesteld op 30% van het tarief voor ongebouwd (zie artikel 3
                    van de Kostentoedelingsverordening). In artikel 6, tweede lid, van deze
                    verordening staat het tarief na toepassing van de differentiatie.</al><al>Lid 3</al><al>In dit artikellid is de tariefdifferentiatie voor verharde openbare wegen
                    opgenomen. Het is mogelijk het tarief maximaal 100% hoger vast te stellen. In
                    artikel 6, derde lid van deze verordening staat het tarief na toepassing van de
                    differentiatie. </al><al><vet>Artikel 7 Belastingobject </vet></al><al>Het voorwerp van de belasting is het natuurterrein. De Waterschapswet merkt een
                    kadastraal perceel of gedeelte daarvan als één natuurterrein aan. Ook
                    natuurterreinen worden dus op basis van de kadastrale registratie afgebakend.
                    Hierbij wordt hetgeen als een gebouwde onroerende zaak en hetgeen als een
                    ongebouwde onroerende zaak, niet zijnde een natuurterrein, wordt aangemerkt,
                    buiten aanmerking gelaten (artikel 118, vierde lid, van de Waterschapswet). </al><al>Een natuurterrein is een ongebouwde onroerende zaak waarvan de inrichting en het
                    beheer geheel of nagenoeg geheel en duurzaam zijn afgestemd op het behoud of de
                    ontwikkeling van natuur. Of een onroerende zaak een natuurterrein is, wordt met
                    andere woorden door de feitelijke en niet door de toekomstige bestemming of de
                    bestemming volgens het bestemmingsplan bepaald. Geheel of nagenoeg geheel staat
                    voor 90% of meer, terwijl gebruik van het woord ‘duurzaam’ erop duidt dat geen
                    sprake mag zijn van een situatie die als tijdelijk is bedoeld. </al><al>Bossen en open wateren met een oppervlakte van tenminste één hectare worden op
                    grond van artikel 116, onderdeel c, van de Waterschapswet als natuurterreinen
                    aangemerkt. Zij hoeven niet aan het vereiste te voldoen dat zij geheel of
                    nagenoeg geheel en duurzaam moeten zijn afgestemd op het behoud of de
                    ontwikkeling van natuur. Dit leidt ertoe dat ook bossen die bedrijfsmatig worden
                    geëxploiteerd onder het begrip natuurterreinen vallen. De wetgever heeft
                    hiervoor gekozen omdat het onderscheid in niet-bedrijfsmatig geëxploiteerde
                    bossen enerzijds en bossen die wel als zodanig worden geëxploiteerd, in de
                    praktijk moeilijk is te maken. De objectafbakeningsvoorschriften van artikel
                    118, vierde lid, van de Waterschapswet gelden ook voor bossen en open wateren.
                    Bij open wateren moet overigens worden gedacht aan wateren met een weids
                    karakter. Openbare waterwegen behoren niet tot deze categorie, maar tot de
                    categorie ongebouwd niet zijnde natuur. </al><al><vet>Artikel 8 Tarief natuurterreinen</vet></al><al>Het tarief van de heffing wordt op een gelijk bedrag per hectare gesteld. Dit is
                    in artikel 121, eerste lid, onderdeel c, van de Waterschapswet bepaald. In
                    artikel 8 van de verordening wordt dit ook zo aangegeven. Daarnaast wordt in
                    deze bepaling de relatie met de kostentoedelingsverordening tot uitdrukking
                    gebracht. </al><al><vet>Artikel 9 Belastingobject</vet></al><al>Het belastingobject is in dit geval de gebouwde onroerende zaak. Wat onder één
                    gebouwde onroerende zaak moet worden verstaan, blijkt uit artikel 118, eerste en
                    tweede lid, van de Waterschapswet. De regeling van de Waterschapswet is in
                    artikel 9 van de verordening overgenomen. </al><al>De Waterschapswet sluit wat betreft de afbakening ter zake van gebouwde
                    onroerende zaken zoveel als mogelijk aan bij de objectafbakening van de Wet
                    waardering onroerende zaken (hierna ook Wet WOZ genoemd). De wetgever heeft deze
                    aansluiting vorm gegeven door bij een samenstel van ongebouwde en gebouwde
                    eigendommen te bepalen dat sprake is van één gebouwde onroerende zaak. De
                    ongebouwde onroerende zaak gaat in deze gevallen deel uitmaken van de gebouwde
                    onroerende zaak. Onder de ‘oude’ Waterschapswet gold voor de vorming van
                    samenstellen tussen gebouwde en ongebouwde eigendommen nog het
                    dienstbaarheidscriterium. Indien het ongebouwde deel niet dienstbaar was aan het
                    gebouwde deel, konden geen samenstellen worden gevormd en moest een dergelijk
                    object deels als een gebouwd en deels als een ongebouwd object worden
                    aangemerkt. Deze objecten moesten dus ook deels naar de waarde in het
                    economische verkeer en deels naar de oppervlakte in de heffing worden betrokken.
                    Voorbeelden van dergelijke objecten zijn sportterreinen met kantine en
                    kleedkamers, golfbanen met clubgebouw, maneges, campings en kazerneterreinen met
                    oefenterreinen. Door de nieuwe regeling van de Waterschapswet zijn deze objecten
                    voortaan in hun geheel als gebouwde objecten aan te merken. De bepaling leidt
                    ertoe dat het aantal gebouwde objecten toe- en het aantal ongebouwde objecten
                    afneemt. De gemeentelijke objectafbakening is leidend. </al><al>Het is van belang op te merken dat niet alle ongebouwde eigendommen een
                    samenstel met een gebouwd eigendom kunnen vormen. Dit is in het derde lid van
                    artikel 9 tot uitdrukking gebracht. Op grond van deze bepaling kunnen ongebouwde
                    eigendommen die bij de waardebepaling op grond van de Wet waardering onroerende
                    zaken buiten aanmerking worden gelaten, geen deel uitmaken van de gebouwde
                    onroerende zaak. Het gaat concreet om de ongebouwde eigendommen die zijn
                    opgenomen in de Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten Wet WOZ, dus
                    bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond, Natuurschoonwetlandgoederen,
                    natuurterreinen, openbare land- en waterwegen en spoorwegen inclusief hun
                    kunstwerken. Deze onroerende zaken blijven, ook al vormen ze een samenstel met
                    een gebouwd eigendom, dus ongebouwd. </al><al><vet>Artikel 10 Tarief</vet></al><al>Het tarief van de belasting wordt voor gebouwde onroerende zaken op een vast
                    percentage van de WOZ-waarde gesteld. Deze regeling, die in artikel 121, eerste
                    lid, onderdeel d, van de Waterschapswet is opgenomen, is in de verordening
                    overgenomen. Daarnaast geeft artikel 10 van de verordening de relatie met de
                    kostentoedelingsverordening aan. </al><al><vet>Artikel 11 Wijze van heffing</vet></al><al>De watersysteemheffing wordt bij wege van aanslag geheven.</al><al><vet>Artikel 12 Tenaamstelling en invordering belastingaanslag bij meer
                    belastingplichtigen</vet></al><al>Waterschappen zijn bevoegd om in gevallen waarin ter zake van hetzelfde voorwerp
                    van de belasting of ter zake van hetzelfde belastbare feit twee of meer personen
                    belastingplichtig zijn, de belastingaanslag ten name van een van hen te stellen.
                    Vloeit de belastingplicht voort uit de eigendom van een onroerende zaak en is de
                    aanslag ten name van een van de belastingplichtigen gesteld, dan kan de
                    invorderingsambtenaar van het waterschap de gehele belastingschuld op
                    laatstbedoelde persoon verhalen. Deze persoon moet het gehele bedrag van de
                    aanslag voldoen. </al><al><vet>Artikel 13 Niet opleggen van aanslagen</vet></al><al>Artikel 13 van de verordening is een weergave van hetgeen in artikel 115a van de
                    Waterschapswet is bepaald. Het eerste lid van artikel 115a bepaalt dat een
                    aanslag die een bij de belastingverordening te bepalen bedrag niet te boven
                    gaat, niet wordt opgelegd. Doelmatigheid van de heffing staat hierbij voorop; de
                    bepaling voorkomt dat aanslagen voor betrekkelijk geringe bedragen moeten worden
                    opgelegd. De kosten van de aanslagoplegging zouden het bedrag van de belasting
                    in deze gevallen immers als snel kunnen overstijgen. </al><al>Indien meerdere aanslagen op één aanslagbiljet worden verenigd, geldt het
                    voorgaande voor het totaal van de aanslag. Het belang van deze bepaling blijkt
                    in situaties waarin een belastingplichtige eigenaar van meerdere objecten met
                    een relatief geringe waarde in het gebied van het waterschap is. Indien het
                    waterschap de voor deze belastingplichtige bestemde aanslagen op één biljet
                    verenigt, wordt wellicht boven de eerder bedoelde doelmatigheidsdrempel
                    uitgekomen en kan dus wel een aanslag worden opgelegd. </al><al>Elk waterschap is vrij de hoogte van de doelmatigheidsdrempel voor zichzelf te
                    bepalen en in de heffingsverordening neer te leggen. </al><al><vet>Artikel 14 Vrijstellingen</vet></al><al>Uit efficiencyoverwegingen is in artikel 14 bepaald dat de watersysteemheffing
                    niet wordt geheven ter zake van onroerende zaken (ongebouwde, zowel als gebouwde
                    en natuurterreinen) die bij het waterschap in eigendom zijn. Door een
                    vrijstellingsbepaling in de verordening op te nemen wordt voorkomen dat het
                    waterschap aan zichzelf aanslagen moet opleggen. Dit is niet doelmatig
                    (vestzak-broekzak). In artikel 14 is daarnaast een vrijstelling voor
                    straatmeubilair opgenomen. Straatmeubilair behoort tot de categorie gebouwde
                    onroerende zaken. Het verschil met de eerdergenoemde gebouwde onroerende zaken
                    is dat het straatmeubilair niet in eigendom van het waterschap hoeft te zijn om
                    voor vrijstelling in aanmerking te komen. Artikel 14 betreft geen wettelijke
                    verplichte vrijstellingen, maar is een facultatieve bepaling. Individuele
                    waterschappen zijn vrij om de bepaling al dan niet in de eigen
                    heffingsverordening op te nemen. </al><al><vet>Artikel 15 Betaaltermijnen</vet></al><al>Artikel 9 van de Invorderingswet kent een regeling op het gebied van
                    betaaltermijnen, waarvan ingevolge artikel 139 van de Waterschapswet kan worden
                    afgeweken. In de verordening sluiten wij aan bij de oude regeling van de
                    Invorderingswet 1990. De betaaltermijn van artikel 9, eerste lid,
                    Invorderingswet 1990 is als gevolg van de Vierde tranche Awb verkort van twee
                    maanden naar zes weken. Bij besluit van 16 december 2009 is besloten de
                    betaaltermijn voor aanslagen te handhaven op twee maanden.</al><al>Een navorderingsaanslag moet in overeenstemming met artikel 9, tweede lid, van
                    de Invorderingswet 1990 binnen één maand na de dagtekening. De regeling van de
                    Invorderingswet kan niet worden gebruikt bij heffing op andere wijze, omdat de
                    betaaltermijnen in dit geval moeten aansluiten bij de betaaltermijnen van de
                    vordering waarmee de heffing meelift. In het derde lid van artikel 15 van de
                    verordening is hiervoor een regeling getroffen. </al><al>Het vierde lid van artikel 15 behelst een aparte regeling voor gevallen waarin
                    de belastingplichtige een machtiging tot automatisch incasso aan het waterschap
                    heeft afgegeven. </al><al><vet>Artikel 16 Kwijtschelding</vet></al><al>Op grond van het derde lid van artikel 144 Waterschapswet kan het algemeen
                    bestuur van een waterschap bepalen dat in het geheel geen dan wel slechts
                    gedeeltelijk kwijtschelding van belasting wordt verleend. Het algemeen bestuur
                    heeft van de bevoegdheid om in het geheel geen kwijtschelding te verlenen,
                    gebruik gemaakt ten aanzien van de watersysteemheffing natuurterreinen, de
                    watersysteemheffing ongebouwd en de watersysteemheffing gebouwd. Van de
                    watersysteemheffing ingezetenen wordt op grond van deze bepaling dus wel
                    kwijtschelding verleend. </al><al><vet>Artikel 17 Nadere regels</vet></al><al>Het dagelijks bestuur kan nadere regels geven op het gebied van de heffing en de
                    invordering van de watersysteemheffing. Deze bepaling is in de verordening
                    opgenomen om er geen misverstanden over te laten bestaan dat er op het gebied
                    van de heffing en de invordering van de belasting ook op andere plaatsen dan in
                    de verordening zelf relevante regels kunnen zijn opgenomen. Het gaat hierbij met
                    name om regels die gelden voor het doen van aangifte (voor de
                    watersysteemheffing minder relevant), regels in het kader van de
                    invorderingsrente en nadere regels in het kader van de heffing op andere wijze.
                    Voor dit laatste wordt ook verwezen naar artikel 125a, eerste lid, tweede
                    volzin, van de Waterschapswet. </al><al>De bevoegdheid van het dagelijks bestuur om nadere regels te stellen strekt zich
                    uit tot de bevoegdheden die in de Algemene wet inzake rijksbelastingen aan de
                    Minister van Financiën, het bestuur van ’s Rijksbelastingen en de directeur zijn
                    toegekend. </al><al><vet>Artikel 18 Intrekking, inwerkingtreding, tijdstip van ingang van de
                    heffing en citeertitel</vet></al><al>In het eerste lid van artikel 18 wordt de oude heffingsverordening ingetrokken
                    met ingang van de datum van de heffing. De datum van ingang van de heffing is 1
                    januari 2014. De oude verordening blijft van toepassing op belastbare feiten die
                    zich vóór 1 januari 2014 hebben voorgedaan. Het blijft dus mogelijk om deze
                    belastbare feiten op basis van de oude verordening te belasten, ook al is de
                    verordening ingetrokken. </al><al>Ingevolge het tweede lid van artikel 18 treedt de verordening één dag na haar
                    bekendmaking in werking. Deze regeling is gebaseerd op artikel 74 van de
                    Waterschapswet. Omtrent de bekendmaking van de verordening is verder hetgeen in
                    artikel 73 van de Waterschapswet is bepaald, van belang. Bekendmaking van de
                    verordening is essentieel, want zonder bekendmaking heeft de verordening immers
                    geen verbindende kracht. </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>