<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR383482_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening zuiveringsheffing Waterschap De Dommel 2016</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Waterschap">Waterschap De Dommel</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-03-20</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Waterschap">Waterschap De Dommel</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">elektronisch waterschapsblad nr 1321, d.d. 28 november 2015</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening zuiveringsheffing Waterschap De Dommel 2016</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005108&amp;artikel=110,113,XVIIb">artikelen 110 en 113 en hoofdstuk XVIIb van de Waterschapswet </dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0023025">Waterschapsbesluit hoofdstuk 6, § 2</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanWaterschap">algemeen bestuur</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-11-25</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-11-29</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>financiën en belastingen</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening zuiveringsheffing Waterschap De Dommel</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Het algemeen bestuur van het waterschap De Dommel;</al><al>op voordracht van het dagelijks bestuur van 13 oktober 2015;</al><al>gelet op de artikelen 110 en 113 en hoofdstuk XVIIb van de Waterschapswet en
                        hoofdstuk 6, § 2, van het Waterschapsbesluit;</al><al>B E S L U I T :</al><al>vast te stellen de Verordening zuiveringsheffing Waterschap De Dommel
                        2016</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr></kop><al>Deze verordening verstaat onder:</al><lijst><li nr="a."><al>stoffen: de stoffen genoemd in artikel 6 van deze
                                    verordening;</al></li><li nr="b."><al>riolering: een voorziening voor de inzameling en het transport
                                    van afvalwater, in beheer bij een gemeente;</al></li><li nr="c."><al>zuiveringtechnisch werk: een werk voor het zuiveren van
                                    afvalwater of het transport van afvalwater, niet zijnde een
                                    riolering;</al></li><li nr="d."><al>afvoeren: het brengen van stoffen op een riolering of op een
                                    zuiveringtechnisch werk in beheer bij het waterschap;</al></li><li nr="e."><al>woonruimte: een ruimte die blijkens zijn inrichting bestemd is
                                    om als een afzonderlijk geheel te voorzien in woongelegenheid en
                                    waarvan de delen blijkens de inrichting van die ruimte niet
                                    bestemd zijn om afzonderlijk in gebruik te worden gegeven;</al></li><li nr="f."><al>bedrijfsruimte: een naar zijn aard en inrichting als
                                    afzonderlijk geheel te beschouwen ruimte of terrein, niet zijnde
                                    een woonruimte, een zuiveringtechnisch werk of een
                                    riolering;</al></li><li nr="g."><al>de ambtenaar belast met de heffing:</al></li></lijst><al>de door het dagelijks bestuur aangewezen ambtenaar, bedoeld in artikel
                            123, derde lid, onderdeel b, van de Waterschapswet; </al><lijst><li nr="h."><al>drinkwater: drinkwater als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van
                                    de Drinkwaterwet;</al></li><li nr="i."><al>ingenomen water: geleverd drink- en industriewater, warm
                                    tapwater, onttrokken grond- en oppervlaktewater en opgevangen
                                    hemelwater;</al></li><li nr="j."><al>drinkwaterbedrijf: drinkwaterbedrijf als bedoeld in artikel 1,
                                    eerste lid, van de Drinkwaterwet;</al></li><li nr="k."><al>afvalwater: afvalwater als bedoeld in artikel 3.4 van de
                                    Waterwet;</al></li><li nr="l."><al>warm tapwater: warm tapwater als bedoeld in artikel 1, eerste
                                    lid, van de Drinkwaterwet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr></kop><al>Bij deze verordening behoren de volgende bijlagen:</al><lijst><li nr="·"><al>Bijlage I: voorschriften voor meting, bemonstering, analyse en
                                    berekening;</al></li><li nr="·"><al>Bijlage II: tabel afvalwatercoëfficiënten, zoals opgenomen in
                                    artikel 122k, derde lid, van de Waterschapswet. </al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Belastbaar feit en heffingsplicht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr></kop><al>1 Ter bestrijding van kosten die zijn verbonden aan de behartiging van
                            de taak inzake het zuiveren van afvalwater, wordt onder de naam
                            zuiveringsheffing een directe belasting geheven ter zake van direct of
                            indirect afvoeren op een zuiveringtechnisch werk in beheer bij het
                            waterschap. </al><al>2 Aan de heffing worden onderworpen:</al><lijst><li nr="a."><al>ter zake van het afvoeren vanuit een woonruimte of een
                                    bedrijfsruimte: degene die het gebruik heeft van die
                                    ruimte;</al></li><li nr="b."><al>ter zake van het afvoeren anders dan bedoeld onder a: degene die
                                    afvoert.</al></li></lijst><al>3 Voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel a, is
                            heffingsplichtig:</al><lijst><li nr="a."><al>in geval van gebruik van een woonruimte door de leden van een
                                    huishouden: degene die door de ambtenaar belast met de heffing
                                    is aangewezen;</al></li><li nr="b."><al>in geval van gebruik door degene aan wie een deel van een
                                    bedrijfsruimte in gebruik is gegeven: degene die dat deel in
                                    gebruik heeft gegeven met dien verstande dat degene die het deel
                                    in gebruik heeft gegeven, bevoegd is de heffing als zodanig te
                                    verhalen op degene aan wie dat deel in gebruik is gegeven;</al></li><li nr="c."><al>in geval van het voor volgtijdig gebruik ter beschikking stellen
                                    van een woonruimte of bedrijfsruimte: degene die die ruimte ter
                                    beschikking heeft gesteld, met dien verstande dat degene die de
                                    ruimte ter beschikking heeft gesteld, bevoegd is de heffing als
                                    zodanig te verhalen op degene aan wie de ruimte ter beschikking
                                    is gesteld.</al></li></lijst><al>4 Indien stoffen met behulp van een riolering worden afgevoerd, is
                            degene bij wie die riolering in beheer is, slechts voor die stoffen die
                            de beheerder zelf op de riolering heeft gebracht aan een heffing
                            onderworpen.</al><al>5 De opbrengst van de heffing kan tevens worden besteed:</al><lijst><li nr="a."><al>aan het verstrekken van subsidies ter tegemoetkoming in de
                                    kosten van het voorbereiden en uitvoeren van maatregelen die
                                    verband houden met het zuiveren van afvalwater aan diegenen die
                                    tot het treffen van die maatregelen zijn gehouden;</al></li><li nr="b."><al>aan het verstrekken van subsidies aan heffingsplichtigen tot
                                    behoud van het gebruik van zuiveringtechnische werken teneinde
                                    een stijging van het tarief van de heffing zoveel mogelijk te
                                    voorkomen.</al></li></lijst><al>6 Het afvoeren door het waterschap is vrijgesteld van de heffing.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar
                            tijdsevenredigheid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr></kop><al>1 De heffing ter zake van woonruimten en van bedrijfsruimten als bedoeld
                            in artikel 15 is verschuldigd bij het begin van het heffingsjaar of, zo
                            dit later is, bij de aanvang van de heffingsplicht.</al><al>2 Indien ter zake van woonruimten de heffingsplicht als bedoeld in het
                            eerste lid in de loop van het heffingsjaar aanvangt, is de heffing
                            verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar
                            verschuldigde belasting als er in dat jaar, na de aanvang van de
                            heffingsplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. Indien de
                            heffingsplicht aanvangt op de eerste dag van een kalendermaand wordt die
                            kalendermaand aangemerkt als een volle kalendermaand.</al><al>3 Indien ter zake van woonruimten de heffingsplicht bedoeld in het
                            eerste lid in de loop van het heffingsjaar eindigt, bestaat aanspraak op
                            ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar
                            verschuldigde heffing als er in dat jaar, na het einde van de
                            heffingsplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. Indien de
                            heffingsplicht eindigt op de eerste dag van een kalendermaand wordt die
                            kalendermaand aangemerkt als een volle kalendermaand.</al><al>4 Indien de heffingsplicht voor woonruimten is beëindigd na de
                            dagtekening van de aanslag, kan de heffingplichtige een aanvraag tot
                            ontheffing indienen bij de ambtenaar belast met de heffing.</al><al>5 Het tweede en het derde lid zijn niet van toepassing indien de
                            heffingplichtige het gebruik van de woonruimte beëindigt en direct
                            aansluitend het gebruik krijgt van een woonruimte van waaruit eveneens
                            wordt afgevoerd.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Heffingsjaar</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr></kop><al>Het heffingsjaar is gelijk aan het kalenderjaar.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Aangifte </titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5a</nr></kop><al>Met betrekking tot de zuiveringsheffing geheven van gebruikers van
                            bedrijfsruimten, wordt de uitnodiging tot het doen van aangifte gedaan
                            door: </al><al>a het uitreiken of toezenden van een aangiftebiljet; </al><al>b het uitreiken of toezenden van een aangiftebrief waarin wordt verzocht
                            om aangifte te doen op de wijze als bedoeld in artikel 5b.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5b</nr></kop><al>Het doen van aangifte geschiedt door: </al><al>a het inleveren of toezenden van het aangiftebiljet met de daarbij
                            gevraagde bescheiden; </al><al>b het op elektronische wijze toezenden van de door de betreffende
                            programmatuur gevraagde gegevens. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Grondslag en heffingsmaatstaf</titel></kop><structuurtekst><al>Algemeen</al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr></kop><al>1 Voor de heffing bedoeld in artikel 3 geldt als grondslag de
                            hoeveelheid en de hoedanigheid van de stoffen die in een kalenderjaar
                            worden afgevoerd.</al><al>2 Voor de heffing geldt als heffingsmaatstaf de vervuilingswaarde van de
                            stoffen die in een kalenderjaar worden afgevoerd. De vervuilingswaarde
                            wordt uitgedrukt in vervuilingseenheden.</al><al>3 Het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot zuurstofbindende
                            stoffen wordt bepaald op basis van de som van het chemisch
                            zuurstofverbruik en het zuurstofverbruik door omzetting van
                            stikstofverbindingen, zoals voorgeschreven in Bijlage I van deze
                            verordening. Eén vervuilingseenheid vertegenwoordigt met betrekking tot
                            zuurstofbindende stoffen een verbruik in het heffingsjaar van 54,8
                            kilogram zuurstof.</al><al>4 Het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot de stoffen chroom,
                            koper, lood, nikkel, zilver, zink, arseen, kwik en cadmium wordt bepaald
                            op basis van de afgevoerde gewichtshoeveelheden, zoals voorgeschreven in
                            Bijlage I van deze verordening. Eén vervuilingseenheid vertegenwoordigt
                            een in het heffingsjaar afgevoerde gewichtshoeveelheid van:</al><al>a 1,00 kilogram van de stoffen chroom, koper, lood, nikkel, zilver en
                            zink;</al><al>b 0,100 kilogram van de stoffen arseen, cadmium en kwik.</al><al>5 De stoffen chloride, sulfaat en fosfor worden niet aan de heffing
                            onderworpen.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Meting, bemonstering en analyse</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr></kop><al>1 Het aantal vervuilingseenheden van zuurstofbindende en andere stoffen
                            wordt berekend met behulp van door meting, bemonstering en analyse
                            verkregen gegevens. De meting, bemonstering, analyse en berekening
                            geschieden met in achtneming van de in Bijlage I opgenomen
                            voorschriften.</al><al>2 De in het eerste lid bedoelde meting, bemonstering en analyse
                            geschieden ieder etmaal van het heffingsjaar, behoudens het bepaalde in
                            artikel 8.</al><al>3 De meting en de bemonstering geschieden zodanig dat:</al><al>a de gemeten hoeveelheid afvalwater niet meer dan 5% afwijkt van de
                            werkelijke hoeveelheid afvalwater;</al><al>b het verkregen monster representatief is voor de totale hoeveelheid
                            stoffen die gedurende de bemonsteringsperiode vanuit het bedrijf of het
                            bedrijfsonderdeel wordt afgevoerd.</al><al>4 De heffingsplichtige brengt de wijze van meting en bemonstering met
                            een beschrijving van de daarvoor te gebruiken apparatuur voor aanvang
                            van het heffingsjaar ter kennis van de ambtenaar belast met de heffing.
                            Indien het gebruik van de apparatuur in de loop van het heffingsjaar
                            aanvangt of wijzigt, dan wordt dit vóór de ingebruikname of de wijziging
                            ter kennis van de ambtenaar belast met de heffing gebracht.</al><al>5 De ambtenaar belast met de heffing:</al><al>a kan ambtshalve bepalen dat meting en bemonstering geschieden in
                            afwijking van één of meer van de in Bijlage I, onderdeel A, opgenomen
                            voorschriften, indien deze aannemelijk maakt dat dit noodzakelijk is ter
                            voldoening aan het bepaalde in het derde lid, onderdelen a en b;</al><al>b beslist op aanvraag van de heffingsplichtige, dat meting en
                            bemonstering kunnen geschieden in afwijking van een of meer van de in
                            Bijlage I, onderdeel A, opgenomen voorschriften, indien de
                            heffingsplichtige aannemelijk maakt dat daarbij wordt voldaan aan het
                            bepaalde in het derde lid, onderdelen a en b;</al><al>c beslist op aanvraag van de heffingsplichtige dat kan worden afgeweken
                            van de in Bijlage I, onderdeel B, opgenomen analysevoorschriften, indien
                            de heffingsplichtige aannemelijk maakt dat de nauwkeurigheid van de
                            uitkomsten van de analyse hierdoor niet wordt beïnvloed;</al><al>d kan omtrent de afwijkingen als bedoeld in de onderdelen a, b en c
                            nadere voorschriften geven.</al><al>6 De ambtenaar belast met de heffing neemt zijn beslissing, bedoeld in
                            het vijfde lid, onderdelen a, b en c, bij voor bezwaar vatbare
                            beschikking. Deze beschikking bevat in elk geval:</al><al>a de voorschriften van Bijlage I, onderdelen A en B, waarvan wordt
                            afgeweken;</al><al>b de afwijkingen bedoeld in het vijfde lid, onderdelen a, b en c;</al><al>c de nadere voorschriften bedoeld in het vijfde lid, onderdeel d;</al><al>d een vermelding van het heffingsjaar of de heffingsjaren waarvoor de
                            beschikking wordt gegeven. </al><al>7 De ambtenaar belast met de heffing is bevoegd twee of meer ingevolge
                            het vijfde lid genomen beschikkingen, die betrekking hebben op hetzelfde
                            bedrijf of hetzelfde bedrijfsonderdeel, in één geschrift te
                            verenigen.</al><al>8 De ambtenaar belast met de heffing kan bij veranderingen of te
                            verwachten veranderingen in de hoeveelheid of hoedanigheid van de
                            afgevoerde, respectievelijk af te voeren stoffen, de desbetreffende
                            beschikkingen, bedoeld in het vijfde lid, ambtshalve wijzigen of
                            intrekken in verband met het bepaalde in het eerste lid en het derde
                            lid.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Beperkte meting, bemonstering en analyse</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr></kop><al>1 Op aanvraag van de heffingsplichtige, die aannemelijk maakt dat voor
                            de berekening van het aantal vervuilingseenheden kan worden volstaan met
                            gegevens welke met behulp van meting, bemonstering en analyse in een
                            beperkt aantal etmalen zijn verkregen, besluit de ambtenaar belast met
                            de heffing dat meting en bemonstering geschieden in afwijking van het
                            bepaalde in artikel 7, tweede lid. Het besluit op aanvraag wordt genomen
                            bij een voor bezwaar vatbare beschikking. Deze beschikking bevat in elk
                            geval:</al><al>a een opgave van de afvalwaterstromen en de stoffen welke in het
                            onderzoek dienen te worden betrokken;</al><al>b de tijdvakken waarin meting en bemonstering geschieden, hetzij ieder
                            etmaal van die tijdvakken, hetzij één of meer daartoe aangewezen etmalen
                            daarvan;</al><al>c de wijze waarop de op de voet van letter b verkregen uitkomsten worden
                            herleid tot het aantal vervuilingseenheden over een aldaar bedoeld
                            tijdvak, onderscheidenlijk over het heffingsjaar;</al><al>d een vermelding van het heffingsjaar of de heffingsjaren waarvoor de
                            beschikking wordt gegeven. </al><al>2 De ambtenaar belast met de heffing kan bij veranderingen of te
                            verwachten veranderingen in de hoeveelheid of hoedanigheid van de
                            afgevoerde, respectievelijk af te voeren stoffen, de desbetreffende
                            beschikking, bedoeld in het eerste lid, ambtshalve wijzigen of
                            intrekken, indien toepassing van berekeningsvoorschrift IV van onderdeel
                            C van bijlage I leidt tot een ander aantal etmalen dan in die
                            beschikking is opgenomen.</al><al>3 De ambtenaar belast met de heffing neemt zijn beslissing, bedoeld in
                            het tweede lid, bij voor bezwaar vatbare beschikking.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoedanigheidscorrectie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr></kop><al>1 Indien de uitkomst van de methode tot bepaling van het chemisch
                            zuurstofverbruik bedoeld in artikel 6 in belangrijke mate is beïnvloed
                            door biologisch niet of nagenoeg niet afbreekbare stoffen, wordt op
                            aanvraag van de heffingsplichtige op die uitkomst een correctie
                            toegepast.</al><al>2 De berekening van de correctie geschiedt met inachtneming van de
                            voorschriften welke zijn opgenomen in Bijlage I, onderdeel C.</al><al>3 De ambtenaar belast met de heffing neemt zijn beslissing als bedoeld
                            in het eerste lid, bij voor bezwaar vatbare beschikking. Deze
                            beschikking bevat in elk geval:</al><al>a de wijze van berekening van de correctie;</al><al>b de hoeveelheid en samenstelling van het afvalwater waarop de correctie
                            van toepassing is;</al><al>c de frequentie en de wijze van onderzoek met betrekking tot meting,
                            bemonstering en analyse;</al><al>d een vermelding van het heffingsjaar of de heffingsjaren waarvoor de
                            beschikking wordt gegeven.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Tabel afvalwatercoëfficiënten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr></kop><al>1 In afwijking van het bepaalde in artikel 7, eerste lid, kan het aantal
                            vervuilingseenheden met betrekking tot het zuurstofverbruik in een
                            kalenderjaar voor een bedrijfsruimte of een onderdeel daarvan worden
                            vastgesteld met behulp van de in Bijlage II van deze verordening
                            opgenomen tabel afvalwatercoëfficiënten, indien door de
                            heffingsplichtige aannemelijk is gemaakt dat het aantal
                            vervuilingseenheden met betrekking tot het zuurstofverbruik in een
                            kalenderjaar 1.000 of minder bedraagt en dit aantal aan de hand van de
                            hoeveelheid ingenomen water kan worden bepaald.</al><al>2 Het aantal vervuilingseenheden als bedoeld in het eerste lid wordt
                            berekend volgens de formule A x B, waarbij,</al><al>A = het aantal m³ in het kalenderjaar ten behoeve van de bedrijfsruimte
                            of het onderdeel van de bedrijfsruimte ingenomen water;</al><al>B = de afvalwatercoëfficiënt behorende bij de klasse van de in Bijlage
                            II opgenomen tabel met de klassengrenzen waarbinnen de vervuilingswaarde
                            met betrekking tot het zuurstofverbruik per m³ ten behoeve van de
                            bedrijfsruimte of van het onderdeel van de bedrijfsruimte ingenomen
                            water is gelegen.</al><al>3 Indien de in het kalenderjaar ingenomen hoeveelheid water niet kan
                            worden vastgesteld aan de hand aan watermeterstanden die aan het begin
                            en aan het einde van het kalenderjaar zijn opgenomen, stelt de ambtenaar
                            belast met de heffing die hoeveelheid vast op een door hem nader vast te
                            stellen wijze.</al><al>4 De vervuilingswaarde met betrekking tot het zuurstofverbruik per m³
                            als bedoeld in het tweede lid wordt bepaald met toepassing van de
                            algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 122k, tweede lid,
                            van de Waterschapswet.</al><al>5 Indien het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot het
                            zuurstofverbruik in een kalenderjaar voor een bedrijfsruimte of een
                            onderdeel daarvan meer dan 1.000 bedraagt en de heffingsplichtige
                            aannemelijk maakt dat de berekening van het aantal vervuilingseenheden
                            met toepassing van de in het eerste lid, aanhef, bedoelde tabel tot geen
                            lagere uitkomst leidt dan die welke wordt verkregen bij berekening op de
                            voet van artikel 7, eerste lid, beslist de ambtenaar belast met de
                            heffing bij voor bezwaar vatbare beschikking op aanvraag van
                            heffingsplichtige dat het aantal vervuilingseenheden wordt berekend met
                            toepassing van de tabel.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Vervuilingswaarde van tuinbouwkassen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr></kop><al>1 In afwijking van artikel 7, eerste lid, wordt de vervuilingswaarde van
                            de stoffen die worden afgevoerd vanuit een bedrijfsruimte of een
                            onderdeel van een bedrijfsruimte bestemd om in het kader van de
                            uitoefening van een beroep of een bedrijf onder een permanente opstand
                            van glas of kunststof gewassen te telen, bepaald op basis van het tweede
                            lid.</al><al>2 De vervuilingswaarde bedraagt drie vervuilingseenheden per hectare
                            vloeroppervlak waarop onder glas of kunststof wordt geteeld en per deel
                            van een hectare vloeroppervlak een evenredig deel van drie
                            vervuilingseenheden.</al><al>3 Indien in de loop van het kalenderjaar het gebruik van een in het
                            eerste lid bedoelde bedrijfsruimte of onderdeel van een bedrijfsruimte,
                            dan wel van een deel daarvan, door de gebruiker aanvangt of eindigt,
                            wordt hij in dat kalenderjaar voor die bedrijfsruimte, voor dat
                            onderdeel of voor dat deel voor een evenredig gedeelte van het op basis
                            van het tweede lid bepaald aantal vervuilingseenheden aan een heffing
                            onderworpen.</al><al>4 Een vervuilingswaarde voor de bedrijfsruimte of het onderdeel van een
                            bedrijfsruimte, berekend op basis van het tweede of derde lid, van
                            minder dan vijf vervuilingseenheden wordt op drie vervuilingseenheden,
                            en van één of minder dan één vervuilingseenheid op één
                            vervuilingseenheid gesteld.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Franchise en drempel</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr></kop><al>1 Voor de berekening van het aantal vervuilingseenheden in het
                            heffingsjaar voor de groep van stoffen chroom, koper, lood, nikkel,
                            zilver en zink wordt een aftrek toegepast, met dien verstande dat het
                            aantal vervuilingseenheden niet lager dan op nihil kan worden gesteld.
                            De aftrek wordt bepaald door het totaal aantal vervuilingseenheden van
                            de zuurstofbindende stoffen, als berekend op grond van de artikelen 7
                            tot en met 10, te vermenigvuldigen met 0,0162.</al><al>2 Voor de berekening van het aantal vervuilingseenheden in het
                            heffingsjaar voor de groep van stoffen arseen, cadmium en kwik wordt een
                            aftrek toegepast, met dien verstande dat het aantal vervuilingseenheden
                            niet lager dan op nihil kan worden gesteld. De aftrek wordt bepaald door
                            het totaal aantal vervuilingseenheden van de zuurstofbindende stoffen,
                            als berekend op grond van de artikelen 7 tot en met 10, te
                            vermenigvuldigen met 0,0027.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Meetverplichting</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr></kop><al>1 Indien de vervuilingswaarde met betrekking tot de zuurstofbindende
                            stoffen van een bedrijfsruimte minder bedraagt dan 1.000
                            vervuilingseenheden wordt, in afwijking van het bepaalde in artikel
                            7:</al><al>a het aantal vervuilingseenheden van de groep van stoffen chroom, koper,
                            lood, nikkel, zilver en zink op nihil gesteld, tenzij de ambtenaar
                            belast met de heffing aannemelijk maakt dat het aantal
                            vervuilingseenheden met betrekking tot deze stoffen de in artikel 12,
                            eerste lid, bedoelde aftrek te boven gaat;</al><al>b het aantal vervuilingseenheden van de groep van stoffen arseen,
                            cadmium en kwik op nihil gesteld, tenzij de ambtenaar belast met de
                            heffing aannemelijk maakt dat het aantal vervuilingseenheden met
                            betrekking tot deze stoffen de in artikel 12, tweede lid, bedoelde
                            aftrek te boven gaat.</al><al>2 Indien de vervuilingswaarde met betrekking tot de zuurstofbindende
                            stoffen van een bedrijfsruimte 1.000 vervuilingseenheden of meer
                            bedraagt, wordt in afwijking van het bepaalde in artikel 7:</al><al>a het aantal vervuilingseenheden van de groep van stoffen chroom, koper,
                            lood, nikkel, zilver en zink op nihil gesteld, indien de
                            heffingsplichtige aannemelijk maakt dat het aantal vervuilingseenheden
                            met betrekking tot deze stoffen de in artikel 12, eerste lid, bedoelde
                            aftrek niet te boven gaat;</al><al>b het aantal vervuilingseenheden van de groep van stoffen arseen,
                            cadmium en kwik op nihil gesteld, indien de heffingsplichtige
                            aannemelijk maakt dat het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot
                            deze stoffen de in artikel 12, tweede lid, bedoelde aftrek niet te boven
                            gaat.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Totale vervuilingswaarde van een bedrijfsruimte</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr></kop><al>De vervuilingswaarde van een bedrijfsruimte wordt bepaald op de som van
                            de aantallen vervuilingseenheden als berekend overeenkomstig de
                            artikelen 7 tot en met 13, voor zover deze van toepassing zijn.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Vervuilingswaarde van kleine bedrijfsruimten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr></kop><al>1 In afwijking van artikel 7, eerste lid, wordt de vervuilingswaarde van
                            de stoffen die vanuit een bedrijfsruimte of vanuit een
                            zuiveringtechnisch werk voor het zuiveren van afvalwater worden
                            afgevoerd gesteld op drie vervuilingseenheden indien door de
                            heffingsplichtige aannemelijk is gemaakt dat die vervuilingswaarde
                            minder dan vijf vervuilingseenheden bedraagt en op één
                            vervuilingseenheid indien door de heffingsplichtige aannemelijk is
                            gemaakt dat die één vervuilingseenheid of minder bedraagt.</al><al>2 Indien de aanslag in het heffingsjaar al is opgelegd voor drie
                            vervuilingseenheden en de heffingsplichtige aannemelijk maakt dat de
                            vervuilingswaarde één vervuilingseenheid of minder bedraagt, bestaat
                            aanspraak op vermindering. De heffingsplichtige kan daartoe na afloop
                            van het heffingsjaar of, bij beëindiging van de heffingsplicht, in de
                            loop van het heffingsjaar een aanvraag indienen bij de ambtenaar belast
                            met de heffing.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Vervuilingswaarde van woonruimten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr></kop><al>1 In afwijking van artikel 7, eerste lid, wordt de vervuilingswaarde van
                            de stoffen die vanuit een woonruimte worden afgevoerd, gesteld op drie
                            vervuilingseenheden. De vervuilingswaarde van de stoffen die vanuit een
                            door één persoon gebruikte woonruimte worden afgevoerd, bedraagt één
                            vervuilingseenheid.</al><al>2 Het eerste lid is niet van toepassing op de voor recreatiedoeleinden
                            bestemde woonruimten die zich bevinden op een voor verblijfsrecreatie
                            bestemd terrein dat als zodanig wordt geëxploiteerd. De in de vorige
                            volzin bedoelde woonruimten worden tezamen aangemerkt als een
                            bedrijfsruimte dan wel als onderdeel van een bedrijfsruimte.</al><al>3 Indien de in het eerste lid bedoelde situatie dat een woonruimte wordt
                            gebruikt door één persoon ontstaat in de loop van het heffingsjaar,
                            wordt de vervuilingswaarde op één vervuilingseenheid vastgesteld met
                            ingang van de eerste dag van de kalendermaand volgend op de
                            kalendermaand waarin die situatie is ontstaan. Indien de hiervoor
                            bedoelde situatie ontstaat op de eerste dag van een kalendermaand, wordt
                            de vervuilingswaarde met ingang van die dag op één vervuilingseenheid
                            vastgesteld.</al><al>4 Indien de in het derde lid bedoelde situatie ontstaat ná de
                            dagtekening van de aanslag, bestaat aanspraak op vermindering. De
                            heffingsplichtige kan daartoe een aanvraag indienen bij de ambtenaar
                            belast met de heffing.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Schatting</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr></kop><al>De ambtenaar belast met de heffing kan het aantal vervuilingseenheden in
                            een kalenderjaar geheel of gedeeltelijk door middel van schatting
                            vaststellen, indien door de heffingsplichtige:</al><al>a meting, bemonstering en analyse niet of niet geheel zijn geschied in
                            overeenstemming met de in Bijlage I opgenomen voorschriften;</al><al>b het aantal vervuilingseenheden niet is berekend met behulp van meting,
                            bemonstering en analyse en bepaling van de vervuilingswaarde op basis
                            van artikel 10, eerste of vijfde lid, 11, eerste lid, 15, eerste lid, of
                            16, eerste lid, niet mogelijk is;</al><al>c het aantal vervuilingseenheden niet is berekend met behulp van meting,
                            bemonstering en analyse en bepaling van de vervuilingswaarde op basis
                            van artikel 10, vijfde lid, wel mogelijk is, maar door de
                            heffingsplichtige gedurende het heffingsjaar geen aanvraag als bedoeld
                            in dat artikel is gedaan;</al><al>d niet of niet geheel is voldaan aan de voorwaarden, verbonden aan de in
                            artikel 7, 8 of 9 bedoelde toestemming. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Tarief</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr></kop><al>Het tarief bedraagt € 49,32 per vervuilingseenheid.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Wijze van heffing en termijnen van betaling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr></kop><al>1De belasting wordt geheven bij wege van aanslag.</al><al>2 De aanslag – niet zijnde een aanslag voor een woonruimte of een
                            bedrijfsruimte als bedoeld in artikel 15 – moet worden betaald uiterlijk
                            twee maanden na dagtekening van het aanslagbiljet.</al><al>3 De aanslagen voor een woonruimte of een bedrijfsruimte als bedoeld in
                            artikel 15, moeten worden betaald tegelijk met en op dezelfde wijze als
                            die waarop de nota’s van de waterleidingmaatschappij Brabant Water
                            moeten worden betaald. In dat geval moet de aanslag worden betaald in
                            een aantal termijnen dat overeenkomt met het aantal nota’s dat in het
                            heffingsjaar van de waterleidingmaatschappij Brabant Water
                            verschijnt.</al><al>4 Indien de heffingsplicht voor een woonruimte of een bedrijfsruimte als
                            bedoeld in artikel 15 in de loop van het heffingsjaar ontstaat dan wel
                            indien een aanslag wordt opgelegd nadat reeds een of meer van de in het
                            tweede lid genoemde nota’s zijn verschenen, is de aanslag invorderbaar
                            in zoveel gelijke termijnen als na het opleggen van de aanslag in het
                            heffingsjaar nog nota’s van de waterleidingmaatschappij Brabant Water
                            verschijnen.</al><al>5 In andere gevallen dan bedoeld in het derde lid moeten de aanslagen
                            voor een woonruimte of een bedrijfsruimte als bedoeld in artikel 15
                            worden betaald binnen twee maanden na de dagtekening van de
                            aanslag.</al><al>6 Het bedrag vermeld op de beschikking inzake een bestuurlijke boete
                            moet worden betaald uiterlijk binnen twee maanden na de
                            dagtekening.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Nadere regels</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr></kop><al>Het dagelijks bestuur van het waterschap kan nadere regels geven met
                            betrekking tot de heffing en de invordering.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr></kop><al>1 De ‘Verordening zuiveringsheffingsheffing Waterschap De Dommel',
                            vastgesteld bij besluit van 10 december 2014 wordt ingetrokken met
                            ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing,
                            met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten
                            die zich voor die datum hebben voorgedaan.</al><al>2 Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die
                            van de bekendmaking.</al><al>3 De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2016.</al><al>4 Deze verordening wordt aangehaald als ‘Verordening zuiveringsheffing
                            Waterschap De Dommel 2016'. </al><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de vergadering van het algemeen bestuur van 25
                            november 2016.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>mr. drs. P.C.G. Glas drs. R.E. Viergever</ondertekening><ondertekening>(watergraaf) (secretaris)</ondertekening></regeling-sluiting><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>I</nr><titel/></kop><al><vet>Voorschriften voor meting, bemonstering, analyse en berekening</vet></al><al><vet>behorende bij de Verordening zuiveringsheffing Waterschap De Dommel
                        2016.</vet></al><al/><al/><al>Definitiebepalingen </al><al/><al>In deze bijlage wordt verstaan onder:</al><al>a etmaal: de aaneengesloten periode van 24 uur waarover een
                    etmaalverzamelmonster wordt samengesteld;</al><al>b debiet: de hoeveelheid afgevoerd afvalwater gedurende het etmaal;</al><al>c debietmeter: meter waarmee (bijvoorbeeld door middel van magnetische inductie)
                    het debiet gemeten wordt;</al><al>d momentaan debiet: de hoeveelheid afgevoerd afvalwater gedurende een moment van
                    meting;</al><al>e kalibreren: bepalen van de waarde van de afwijkingen ten opzichte van een van
                    toepassing zijnde standaard;</al><al>f droog kalibreren: kalibreren van een debietmeter waarbij een doorstroming van
                    een hoeveelheid water door de debietmeter wordt gesimuleerd;</al><al>g nat kalibreren: kalibreren van een debietmeter waarbij daadwerkelijk een
                    nauwkeurig bekende hoeveelheid vloeistof door de debietmeter wordt geleid;</al><al>h gesloten meetsysteem: meetsysteem dat het debiet meet in een gesloten leiding
                    of in een gesloten drukleiding, waarbij het afvalwater niet in contact staat met
                    de buitenlucht;</al><al>i open meetsysteem: meetsysteem waarbij het oppervlak van het stromende
                    afvalwater in contact staat met de buitenlucht;</al><al>j moedermeter: debietmeter, waarvan de installatie kan worden herleid naar de
                    nationale volumestandaard van het Nederlands Meetinstituut;</al><al>k bewaartermijn: de periode tussen het einde van het etmaal en het begin van de
                    voorbehandeling ten behoeve van de uitvoering van de analyse;</al><al>l aantoonbaarheidsgrens: laagste concentratie van de component in het monster
                    waarvan de aanwezigheid nog met een bepaalde betrouwbaarheid kan worden
                    vastgesteld, zijnde 3x de spreiding van binnenlabreproduceerbaarheid.</al><al/><al/><al/><al>A Wijze van meting, bemonstering en monsterbehandeling </al><al/><al/><al>Paragraaf 1 Algemeen </al><al/><al>De meet– en bemonsteringsvoorzieningen verkeren in een goede staat, worden
                    regelmatig schoongemaakt en zijn altijd goed en veilig toegankelijk. De meet– en
                    bemonsteringsvoorzieningen worden overeenkomstig onderstaande bepalingen
                    respectievelijk NEN 6600–1 (Water–Monsterneming–Deel 1: Afvalwater 2009)
                    geïnstalleerd en onderhouden. Een afvalwaterstroom kan zowel in een open als in
                    een gesloten meetsysteem worden gemeten en bemonsterd.</al><al>In paragraaf 2 wordt nader ingegaan op de meting en in paragraaf 3 op de
                    bemonstering.</al><al>In paragraaf 4 wordt nader ingegaan op de behandeling van het samengestelde
                    etmaalverzamelmonster.</al><al/><al/><al>Paragraaf 2 Meting </al><al/><al>De meting betreft het debiet. Het debiet wordt in de afvalwaterstroom
                    gemeten.</al><al>In de plaats van de meting in de afvalwaterstroom kan het debiet worden bepaald
                    op basis van meting van de hoeveelheid water in het watertoevoersysteem van het
                    bedrijf of van de bedrijfsonderdelen. In het laatstbedoelde geval mag de per
                    etmaal afgevoerde hoeveelheid afvalwater niet groter zijn dan de in dezelfde
                    periode toegevoerde hoeveelheid water.</al><al/><al><vet>2.1 Open meetsystemen</vet></al><al>Bij open meetsystemen wordt een meetput of een meetgoot toegepast.</al><al>Bij toepassing van een meetput gelden de volgende eisen:</al><al>1 de momentane debieten in het etmaal, gemeten bij overstorthoogten van minder
                    dan 0,05 meter, bedragen gesommeerd minder dan 5% van het gemeten debiet;</al><al>2 de momentane debieten in het etmaal, gemeten bij overstorthoogten van minder
                    dan 0,125 meter, bedragen gesommeerd minder dan 10% van het gemeten debiet.</al><al/><al>Bij toepassing van een meetgoot bedragen de momentane debieten in het etmaal,
                    van minder dan 16,4% van het maximaal mogelijk momentane debiet, gesommeerd,
                    minder dan 10% van het gemeten debiet.</al><al>De apparatuur voor de hoogtemeting wordt minimaal éénmaal per jaar bij
                    overstorthoogten van 5, 10, 15, 20 en 25 centimeter droog gekalibreerd. In het
                    kalibratierapport wordt voor elke overstorthoogte een vergelijking gemaakt
                    tussen de gemeten hoeveelheid afvalwater gedurende de periode van het
                    kalibreren, en de bij de desbetreffende overstorthoogte met behulp van de
                    afvoerrelatie van de meetvoorziening berekende hoeveelheid afvalwater over de
                    periode van het kalibreren. Zowel het absolute als het procentuele verschil
                    wordt hierbij worden aangegeven. Bij ultrasone hoogtemeting wordt ook de
                    temperatuurmeting en de temperatuurcorrectie gecontroleerd en gecorrigeerd bij
                    afwijking. De werking van de volgapparatuur bij meting wordt gecontroleerd door
                    vergelijking van de aanwijzing, registratie (recorder en/of printer), integratie
                    en telling.</al><al/><al><vet>2.2 Gesloten meetsystemen</vet></al><al>De momentane debieten in het etmaal, van minder dan 10% van het maximaal
                    mogelijk momentaan debiet, bedragen gesommeerd minder dan 5% van het gemeten
                    debiet.</al><al>Het gesloten meetsysteem is voorzien van een niet–resetbare pulsteller.</al><al>Registratie van momentane meetgegevens vindt plaats door middel van een printer
                    of datalogger.</al><al><vet>Inbouw</vet></al><al>Bij de inbouw van een nieuwe debietmeter in een gesloten meetsysteem wordt een
                    ‘af fabriek’ kalibratierapport meegeleverd, waarop naast de meterspecifieke
                    kalibratiefactor, óók de correctiefactor, of meterconstante staat aangegeven.
                    Natte kalibratie in ingebouwde toestand vindt direct plaats na inwerkingstelling
                    van de debietmeter.</al><al/><al>Voorts worden aan de inbouw de volgende eisen gesteld:</al><al>a Bij het inbouwen wordt rekening gehouden worden met de mogelijkheid tot het
                    uitvoeren van een natte kalibratie in–situ.</al><al>b De lengte van de rechte leiding vóór de meetbuis bedraagt minimaal vijf maal
                    de diameter van de meetbuis, gerekend vanuit het hart van de meter.</al><al>c De lengte van de rechte leiding ná de meetbuis bedraagt minimaal twee maal de
                    diameter van de meetbuis, gerekend vanuit het hart van de meter.</al><al>d De diameter van de rechte leiding vóór en ná de meetbuis is gelijk aan de
                    nominale diameter van de meetbuis (de inwendige diameters van de meetbuis en in
                    – en uitlaatstukken zijn gelijk).</al><al>e Toegepaste pakkingen steken niet naar binnen toe uit.</al><al>f De meetbuis is dusdanig ingebouwd dat deze altijd volledig gevuld is met
                    water.</al><al>g De meter is geaard door middel van een aardring, dan wel met een aardelektrode
                    die is ingebouwd in de meter.</al><al/><al/><al/><al><vet>Natte kalibratie</vet></al><al>De meetapparatuur wordt ten minste éénmaal per drie jaar in ingebouwde toestand
                    nat gekalibreerd. In het jaar van natte kalibratie hoeft niet tevens een droge
                    kalibratie te worden uitgevoerd.</al><al>Voor debietmeters in mobiele meetapparatuur vindt de natte kalibratie jaarlijks
                    plaats in ingebouwde toestand bij minimaal de volgende vijf meetpunten: 10%,
                    25%, 50%, 75% en 100% van het werkgebied van de te kalibreren meter op een
                    ijkinstallatie waarvan de installatie kan worden herleid naar de nationale
                    volumestandaard van het Nederlands Meetinstituut (NMi). Onder werkgebied wordt
                    verstaan: het meetgebied tussen het minimale momentane debiet en het maximale
                    momentane debiet waarin de te kalibreren debietmeter in de praktijk wordt
                    toegepast. </al><al/><al>Voorts worden aan de natte kalibratie de volgende eisen gesteld:</al><al>a Minimaal éénmaal per drie jaar worden gesloten meetsystemen in ingebouwde
                    toestand nat gekalibreerd. Onder natte kalibratie wordt verstaan dat een vooraf
                    nauwkeurig bepaalde hoeveelheid water door de te kalibreren meter wordt geleid
                    (waarbij deze hoeveelheid is vastgesteld bij een onder b genoemde instelling),
                    dan wel dat tijdelijk een tweede, bij voorkeur op hetzelfde meetprincipe
                    gebaseerd meetsysteem in serie wordt geplaatst en fungeert als moedermeter, dan
                    wel op een andere, door de heffingsambtenaar van het waterschap goedgekeurde
                    methode. De wijze van natte kalibratie vindt in overleg met de afdeling Toezicht
                    en Handhaving van het waterschap plaats. De natte kalibratie dient uiterlijk
                    twee weken voor aanvang te worden gemeld via meetbedrijven@dommel.nl.</al><al>b Indien bij de natte kalibratie gebruik gemaakt wordt van een moedermeter,
                    wordt deze in ingebouwde toestand nat gekalibreerd bij minimaal de volgende vijf
                    meetpunten: 10%, 25%, 50%, 75% en 100% van het werkgebied van de te kalibreren
                    meter. De natte kalibratie van de moedermeter vindt plaats op een ijkinstallatie
                    van een ijkbevoegde instelling, waarvan de installatie kan worden herleid naar
                    de nationale volumestandaard van het Nederlands Meetinstituut (NMi). Ook wanneer
                    de moedermeter nieuw is, wordt deze gekalibreerd op één van de genoemde
                    installaties, waarbij de meter is ingebouwd in de meetset of meetwagen waarin
                    deze in de praktijk zal worden ingezet.</al><al>c Het kalibratierapport van de moedermeter, waaruit het onder b bepaalde moet
                    blijken, mag niet ouder zijn dan één jaar. Dit kalibratierapport wordt bij die
                    van het gekalibreerde meetsysteem gevoegd.</al><al>d Tijdens de natte kalibratie wordt zoveel water door het te kalibreren
                    meetsysteem geleid, dat minimaal 1.000 waarnemingen worden bereikt. Indien nodig
                    kan hiertoe voor de kalibratieperiode de pulsinstelling tijdelijk aangepast
                    worden. De kalibratie vindt plaats in het werkgebied waarin de te kalibreren
                    meter onder normale bedrijfsomstandigheden functioneert.</al><al>e Tijdens de natte kalibratie worden de gemeten hoeveelheden water van de te
                    kalibreren flowmeter (én van de moedermeter, wanneer daarvan sprake is) door
                    middel van printers of dataloggers met een frequentie van minimaal éénmaal per
                    uur geregistreerd. In geval van het toepassen van dataloggers worden ook de
                    ruwe, onbewerkte data bij het kalibratierapport gevoegd.</al><al> f Bij de natte kalibratie wordt ook de randapparatuur, voor zover die betrokken
                    is bij de registratie van de meetgegevens, op een goede werking
                    gecontroleerd.</al><al/><al><vet>Droge kalibratie</vet></al><al>Meetapparatuur voor debietmetingen wordt ten minste éénmaal per jaar droog
                    gekalibreerd,</al><al>tenzij in dat jaar een natte kalibratie plaatsvindt.</al><al/><al>Voorts worden aan de droge kalibratie de volgende eisen gesteld:</al><al>a Bij een droge kalibratie wordt de weerstand of de geleidbaarheid tussen de
                    elektroden gemeten. Wanneer aan de hand van deze controle blijkt dat de meetbuis
                    (mogelijk) vervuild is, dient deze te worden gereinigd.</al><al>b Op het kalibratierapport van een droge kalibratie wordt de weerstand of de
                    geleidbaarheid tussen de elektroden weergegeven. Wanneer de meetbuis is
                    gereinigd, wordt deze waarde zowel vóór, als ná het reinigen in het
                    kalibratierapport vermeld.</al><al>c Bij de droge kalibratie wordt ook de werking van randapparatuur, voor zover
                    die betrokken is bij de registratie van de meetgegevens, op een goede werking
                    gecontroleerd.</al><al>d Wanneer bij een droge kalibratie blijkt dat de meetfout groter is dan 5%,
                    wordt het gesloten meetsysteem onmiddellijk in ingebouwde toestand nat
                    gekalibreerd, volgens de bepalingen welke van toepassing zijn bij een natte
                    kalibratie.</al><al/><al><vet>Kalibratierapport</vet></al><al>Van een debietmeter moet het kalibratierapport binnen 1 maand na de kalibratie
                    toegezonden worden aan meetbedrijven@dommel.nl.</al><al>Bij een natte kalibratie in ingebouwde toestand (dat wil zeggen: ter plekke op
                    het bedrijf, of als</al><al>complete mobiele meetset op een ijkbank van een daartoe bevoegde instantie),
                    worden de volgende aspecten vastgesteld én gerapporteerd op het
                    kalibratierapport:</al><lijst><li nr="1."><al>de ‘as–found’ meetafwijking (de gevonden meetafwijking, nog vóór
                            eventuele reiniging van de debietmeter);</al></li><li nr="2."><al>eventuele hardwarematige aanpassingen (nieuwe spoel, etc.);</al></li><li nr="3."><al>de justering (softwarematige aanpassing van de
                            correctiefactor/meterconstante);</al></li><li nr="4."><al>de ‘as–left’ meetafwijking, eventueel na hardwarematige
                            aanpassing/justering;</al></li><li nr="5."><al>de (eventueel nieuwe) correctiefactor, of meterconstante.</al></li></lijst><al/><al>Paragraaf 3 Bemonstering </al><al/><al><vet>3.1 Algemeen, instelling en uitvoering van apparatuur</vet></al><al>De bemonstering dient plaats te vinden met behulp van automatische
                    monstername–apparatuur. De bemonstering geschiedt in overeenstemming met NEN
                    6600–1 (Water–Monsterneming–Deel 1: Afvalwater 2009), met dien verstande dat
                    bemonstering door steekbemonstering niet is toegestaan, tenzij anders
                    bepaald.</al><al/><al/><al>Paragraaf 4 Monsterbehandeling </al><al/><al><vet>4.1 Algemeen</vet></al><al>De monsterbehandeling geschiedt in overeenstemming met NEN 6600–1
                    (Water–Monsterneming–Deel 1: Afvalwater 2009) en conform paragraaf 9 van NEN
                    6600-1 (2009) wordt direct na monsterneming geconserveerd volgens NEN-EN-ISO
                    5667-3 (2012). De monsters worden gekoeld en in donker bewaard tussen 1° en 5°
                    C.</al><al>Van elk verzameld monster wordt een representatief deel van 3 liter gedurende 24
                    uur in een goed gesloten vat/fles bij maximaal 5° C in het donker te worden
                    bewaard ten behoeve van contra-analyse door het waterschap. De monsterflessen
                    bestemd voor analyse door de heffingplichtige en voor contra–analyse vanwege de
                    heffingsambtenaar van het waterschap worden om en om gevuld. Op deze wijze wordt
                    bewerkstelligd dat het monster voor de analyse op een heffingsparameter door de
                    heffingplichtige en voor de desbetreffende contra–analyse vanwege de
                    heffingsambtenaar van het waterschap zoveel mogelijk identiek zijn.</al><al/><al><vet>4.2 Conservering en maximale bewaartermijn</vet></al><al>De monsters uit het etmaalverzamelmonster worden tot en met het einde van de
                    bewaartermijn geconserveerd op de wijze zoals is aangegeven in tabel A. Wanneer
                    een monster uit het etmaalverzamelmonster wordt ingevroren of chemisch
                    geconserveerd, geschiedt dit binnen 12 uur na afloop van de
                    bemonsteringsperiode. De eventuele voorschriften met betrekking tot chemische
                    conservering gelden in aanvulling op de voorschriften met betrekking tot de
                    conserveringstemperatuur gedurende de bewaartermijn.</al><al>In tabel A zijn tevens de maximale bewaartermijnen opgenomen die gelden voor de
                    onderscheidenlijk</al><al>uit te voeren analyses. De voorbehandeling ten behoeve van een analyse vangt na
                    het einde van het etmaal aan, binnen de maximale bewaartermijn die bij de
                    desbetreffende analyse in tabel A is vermeld. De voorbehandeling van het monster
                    ten behoeve van de analyse, waaronder ondermeer wordt begrepen het ontdooien van
                    bevroren monsters, wordt uitgevoerd op een wijze en binnen een zodanige termijn
                    dat daardoor de representativiteit van het monster niet wordt verstoord. Een
                    monster dat op één van de in tabel A aangegeven wijzen chemisch is geconserveerd
                    wordt niet gebruikt voor één van de in tabel A opgenomen wijzen van analyse,
                    waarvoor op basis van tabel A geen of andere voorschriften op het vlak van de
                    chemische conservering gelden.</al><al/><table><tgroup cols="5"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><colspec colname="colD"/><colspec colname="colE"/><tbody><row><entry><al><vet>Tabel A</vet></al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al><vet>Voor analyse op</vet></al></entry><entry><al><vet>Omgevingstemperatuur</vet></al></entry><entry><al><vet>Methode conservering</vet></al></entry><entry><al><vet>Maximale bewaartijd</vet></al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al><vet>tijdens transport</vet></al></entry><entry><al><vet>tot einde bewaartermijn</vet></al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>Biochemisch zuurstofverbruik </al></entry><entry><al>tussen 2 en 8 °C</al></entry><entry><al>tussen 1 en 5 °C</al></entry><entry><al>Koelen onder uitsluiting van licht.</al></entry><entry><al>1 dag</al></entry></row><row><entry><al>&lt;-18 °C</al></entry><entry><al>Invriezen binnen 12 uur </al></entry><entry><al>1 mnd (indien BZV &lt; =50 mg/l) 6 mnd (indien BZV &gt;50
                                        mg/l)</al></entry></row><row><entry><al>Chemisch zuurstofverbruik</al></entry><entry><al>tussen 2 en 8 °C</al></entry><entry><al>tussen 1 en 5 °C</al></entry><entry><al>Koelen en aanzuren met H<inf>2</inf>SO<inf>4</inf> tot pH
                                        &lt; 2</al></entry><entry><al>6 maanden</al></entry></row><row><entry><al>&lt;-18 °C</al></entry><entry><al>Invriezen binnen 12 uur </al></entry><entry><al>6 maanden</al></entry></row><row><entry><al>Som ammoniumstikstof en organisch gebonden stikstof</al></entry><entry><al>tussen 2 en 8 °C</al></entry><entry><al>tussen 1 en 5 °C</al></entry><entry><al>Koelen en aanzuren met H<inf>2</inf>SO<inf>4</inf> tot pH
                                        &lt; 2</al></entry><entry><al>1 maand</al></entry></row><row><entry><al>&lt;-18 °C</al></entry><entry><al>Invriezen binnen 12 uur </al></entry><entry><al>6 maanden</al></entry></row><row><entry><al>Cadmium, chroom, koper, lood, nikkel, zilver en zink</al></entry><entry><al>tussen 2 en 8 °C</al></entry><entry><al>tussen 1 en 5 °C</al></entry><entry><al>Koelen en aanzuren met HNO<inf>3</inf> tot pH &lt; 2</al></entry><entry><al>6 maanden</al></entry></row><row><entry><al>Arseen</al></entry><entry><al>tussen 2 en 8 °C</al></entry><entry><al>tussen 1 en 5 °C</al></entry><entry><al>Koelen en aanzuren met HNO<inf>3</inf> tot pH &lt; 2 Indien
                                        hybride techniek wordt gebruikt aanzuren met HCl tot pH &lt;
                                        2</al></entry><entry><al>6 maanden</al></entry></row><row><entry><al>Kwik (Hg)</al></entry><entry><al>tussen 2 en 8 °C</al></entry><entry><al>tussen 1 en 5 °C</al></entry><entry><al>Koelen en aanzuren met HNO<inf>3</inf> tot pH &lt; 2 </al></entry><entry><al>6 maanden</al></entry></row><row><entry><al>Kwik (Hg)</al></entry><entry><al>tussen 2 en 8 °C</al></entry><entry><al>tussen 1 en 5 °C</al></entry><entry><al>Koelen en aanzuren met HCl, 1 ml/100 ml</al></entry><entry><al>2 dagen</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al>Het biochemisch zuurstofverbruik is weliswaar geen heffingsparameter voor de
                    zuiveringsheffing, maar wordt aangewend bij toepassing van
                    berekeningsvoorschrift II van Onderdeel C van deze bijlage. Op grond van dit
                    berekeningsvoorschrift wordt de methode van het biochemisch zuurstofverbruik
                    toegepast voor de bepaling van het percentage chemisch zuurstofverbruik van de
                    biologisch niet of nagenoeg niet afbreekbare stoffen.</al><al/><al/><al>B Analysevoorschriften </al><al/><al>Paragraaf 1 Algemeen </al><al>De analyses worden uitgevoerd in het representatieve monster, dat is verkregen
                    op de in onderdeel A van deze bijlage vermelde wijze. Het onderzoek wordt in het
                    water als zodanig </al><al>uitgevoerd, dus zonder dat daaruit bezinkbare of opdrijvende bestanddelen zijn
                    verwijderd. Er is in dit onderdeel verwezen naar normbladen, uitgegeven door het
                    Nederlands Normalisatie–Instituut. De publicatie van de normbladen wordt
                    aangekondigd in de Nederlandse Staatscourant. Een wijziging in een normblad
                    wordt eerst van kracht op 1 januari van het jaar volgende op dat waarin de
                    bekendmaking van de wijziging in de Nederlandse Staatscourant heeft
                    plaatsgevonden.</al><al>De in tabel B vermelde aantoonbaarheidsgrenzen zijn de concentraties van de
                    desbetreffende stoffen die bij de analyse ten minste aangetoond moeten kunnen
                    worden.</al><al/><al/><al>Paragraaf 2 Analyse </al><al>De analyse van het monster geschiedt op de wijze zoals die is aangegeven in
                    tabel B, volgens de actuele versie van die norm.</al><al/><table><tgroup cols="5"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><colspec colname="colD"/><colspec colname="colE"/><tbody><row><entry><al><vet>Tabel B </vet></al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al><vet>Parameter/stof</vet></al></entry><entry><al><vet>Ontsluiting volgens normblad</vet></al></entry><entry><al><vet>Meting volgens normblad</vet></al></entry><entry><al><vet>Aantoonbaar- heidsgrens <sup>1)</sup></vet></al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>Chemisch</al><al>zuurstofverbruik</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>NEN 6633 of</al><al>NEN-ISO 15705 <sup>2)</sup></al></entry><entry><al>5 mg/l <sup>3)</sup></al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>Biochemisch</al><al>zuurstofverbruik</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>NEN-EN 1899-1</al></entry><entry><al>Volgens norm</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>Som ammoniumstikstof en organisch gebonden stikstof</al></entry><entry><al>NEN 6645</al></entry><entry><al>NEN 6604 of</al><al>ISO 15923</al></entry><entry><al>0,5 mg/l</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>NEN 6646</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>NEN-EN-ISO 11732</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>NEN-EN 12260</al></entry><entry><al>NEN-EN 12260</al><al>Voor correctie nitriet/nitraat: NEN-EN-ISO 13395,</al><al>NEN 6604 of</al><al>ISO 15923-1</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>NEN-ISO 5663</al></entry><entry><al>NEN 6604 of ISO 15923-1</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>NEN-ISO 5663</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>NEN 6646</al></entry><entry><al>NEN 6646</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>NEN 6604 of</al><al>ISO 15923</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>Arseen</al></entry><entry><al>NEN-EN-ISO 11969</al></entry><entry><al>NEN-EN-ISO 11969</al></entry><entry><al>2 µg/l</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>NEN-EN-ISO 15587-1</al></entry><entry><al>NEN-EN-ISO 11885 (ICP-AES) </al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>NEN-EN-ISO 15587-1</al></entry><entry><al>NEN-EN-ISO 17294-2 (ICP-MS)</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>NEN-EN-ISO 17294-2 (ICP-MS)</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>Cadmium (Cd) Chroom (Cr) Koper (Cu) Lood (Pb) Nikkel (Ni)
                                        Zilver (Ag) Zink (Zn)</al></entry><entry><al>NEN-EN-ISO 15587-1</al></entry><entry><al>NEN-EN-ISO 11885 (ICP-AES)</al></entry><entry><al>Cd:0,3 µg/l Cr: 2 µg/l Cu: 10 µg/l Pb: 10 µg/l Ni: 7 µg/l
                                        Ag: 10 µg/l Zn: 40 µg/l</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry></row><row><entry><al>NEN-EN-ISO 17294-2 (ICP-MS)</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>NEN 6953</al><al>Hoofdstuk 5.3.3.3 <sup>4)</sup></al></entry><entry><al>NEN-EN-ISO 11885 (ICP-AES)</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>NEN-EN-ISO 17294-2 (ICP-MS)</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>Kwik</al></entry><entry><al>NEN-EN-ISO 15587-1</al></entry><entry><al>NEN-EN-ISO 12846 (AAS)</al></entry><entry><al>0,25 µg/l</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>NEN-EN-ISO 17852 (AFS)</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>NEN-EN-ISO 11885 (ICP-AES)</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>NEN-EN-ISO 17294-2 (ICP-MS)</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><lijst><li nr="1."><al>De aantoonbaarheidsgrenzen voor zware metalen zijn gebaseerd op een
                            afvalwatermonster met een soortelijke geleiding tot 1.500 μS/cm en een
                            zwevend stof gehalte tot 100 mg/l. Bij afvalwatermonsters met een matrix
                            die groter is dan genoemde waarden voor geleiding en zwevende stof kan
                            een hogere aantoonbaarheidsgrens gelden.</al></li><li nr="2."><al>De analyse volgens normblad NEN-ISO 15705 is toepasbaar voor onverdunde
                            monsters met een gehalte aan zuurstofverbruik tot aan 1.000 mg/l en
                            chloridenconcentraties die lager zijn dan 1.000 mg/l. De ambtenaar
                            belast met de heffing kan voorts de methode niet toepasbaar verklaren
                            indien naar zijn oordeel andere omstandigheden daartoe aanleiding
                            geven.</al></li><li nr="3."><al>De analyse volgens normblad NEN-ISO 15705 heeft een
                            aantoonbaarheidsgrens van 6 mg/l voor fotometrische detectie bij 600 nm
                            en 15 mg/l voor titrimetrische detectie (gebaseerd op één enkelvoudige
                            meting van één laboratorium) wanneer cuvetten worden gebruikt met een
                            bereik van maximaal 1.000 mg/l.</al></li><li nr="4."><al>NEN 6953, hoofdstuk 5.3.3.3 mag alleen worden toegepast op afvalmonsters
                            met een soortelijke geleiding tot 1.500 μS/cm en een zwevend stof
                            gehalte tot 100 mg/l.</al></li></lijst><al/><al>C Berekeningsvoorschriften </al><al/><al/><al>I Berekeningswijze van het aantal vervuilingseenheden</al><al> a Zuurstofbindende stoffen:</al><al> (artikel 6, derde lid)</al><al> Het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot het zuurstofverbruik wordt
                    berekend door het totale aantal kilogrammen zuurstofverbruik van de in het
                    kalenderjaar afgevoerde zuurstofbindende stoffen te delen door 54,8
                    kilogram.</al><al/><al> Het aantal kilogrammen zuurstofverbruik van de gedurende een etmaal afgevoerde
                    zuurstofbindende stoffen wordt berekend volgens de formule:</al><al/><al><onderstreept>Q x (CZV + 4,57 x N–Kj)</onderstreept></al><al> 1000</al><al/><al> In deze formule wordt verstaan onder:</al><al> Q: het aantal m³ afgevoerd afvalwater per etmaal;</al><al> CZV: het chemisch zuurstofverbruik bepaald volgens de in onderdeel B van deze
                    bijlage vermelde analysevoorschriften, in mg/l;</al><al> N–Kj: de som van ammoniumstikstof en organisch gebonden stikstof volgens de in
                    onderdeel B van de deze bijlage vermelde analysevoorschriften, in mg/l.</al><al/><al> b Andere dan zuurstofbindende stoffen:</al><al> (artikel 6, vierde lid)</al><al> Het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot de andere dan
                    zuurstofbindende stoffen wordt berekend door het totale aantal kilogrammen van
                    deze in het kalenderjaar afgevoerde stoffen te delen door respectievelijk:</al><al/><al> 1 1,00 kilogram voor de stoffen chroom, koper, lood, nikkel, zilver en
                    zink;</al><al> 2 0,100 kilogram voor de stoffen arseen, kwik en cadmium;</al><al> 3 650 kilogram voor de stoffen chloride en sulfaat;</al><al> 4 20,0 kilogram voor de stof fosfor.</al><al/><al> De afgevoerde hoeveelheden per etmaal voor de hierboven onder b genoemde
                    stoffen worden bepaald met behulp van de formule: <onderstreept>Q x
                        C</onderstreept></al><al> 1000</al><al/><al> In deze formules wordt verstaan onder:</al><al> Q: het aantal m³ afgevoerd afvalwater per etmaal;</al><al> C: de concentratie van de desbetreffende stoffen in mg/l, bepaald op de onder B
                    omschreven wijze.</al><al/><al>II Indien de CZV–waarde voor ten minste 25% afkomstig is van biologisch niet of
                    nagenoeg niet</al><al> afbreekbare stoffen in het afvalwater, wordt op die waarde een correctie
                    toegepast door deze te</al><al> vermenigvuldigen met de breuk: <onderstreept>100 – T</onderstreept></al><al> 75</al><al/><al> waarbij</al><al> T = het percentage CZV, afkomstig van biologisch niet of nagenoeg niet
                    afbreekbare stoffen.</al><al/><al/><al/><al>III Bij de bepaling van het aantal etmalen in artikel 8, wordt gebruik gemaakt
                    van de volgende</al><al> formule:</al><al> x N</al><al>n =  , waarbij</al><al> + N</al><al/><al> n = het berekende aantal meetdagen;</al><al> N = het aantal dagen per jaar waar op wordt afgevoerd;</al><al> sn = spreidingspercentage in de meetwaarden, uitgedrukt ten opzichte van de
                    gemiddelde hoeveelheid zuurstofverbruik van de onderzoeksresultaten gedurende
                    het heffingsjaar;</al><al> tso = toelaatbare statistische onnauwkeurigheid = 35/e 0,000175*VeO, met dien
                    verstande dat VeO vervangen kan worden door respectievelijk VeZ en VeG,
                    waarbij:</al><al> VeO = vervuilingswaarde van de afgevoerde zuurstofbindende stoffen;</al><al> VeG = vervuilingswaarde van de afgevoerde stoffen chroom, koper, lood, nikkel,
                    zilver en zink;</al><al> VeZ = vervuilingswaarde van de afgevoerde stoffen arseen, cadmium en kwik.</al><al/></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>II</nr></kop><al><vet>Tabel afvalwatercoëfficiënten (artikel 122k, derde lid
                        Waterschapswet)</vet></al><al><vet>behorende bij de Verordening zuiveringsheffing Waterschap De Dommel
                        2016.</vet></al><al/><al/><al/><table><tgroup cols="4"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><colspec colname="colD"/><tbody><row><entry><al>Klasse</al></entry><entry><al>Klassegrenzen uitgedrukt in aantal vervuilingseenheden met
                                        betrekking tot het zuurstofverbruik per m<sup>3</sup>
                                        ingenomen water</al></entry><entry><al>Afvalwatercoëfficiënt uitgedrukt in aantal
                                        vervuilingseenheden per m<sup>3</sup> ingenomen water in het
                                        heffingsjaar</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>ondergrens</al></entry><entry><al>bovengrens</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>1</al></entry><entry><al>&gt; 0</al></entry><entry><al>0,0013</al></entry><entry><al>0,0010</al></entry></row><row><entry><al>2</al></entry><entry><al>&gt; 0,0013</al></entry><entry><al>0,0020</al></entry><entry><al>0,0016</al></entry></row><row><entry><al>3</al></entry><entry><al>&gt; 0,0020</al></entry><entry><al>0,0031</al></entry><entry><al>0,0025</al></entry></row><row><entry><al>4</al></entry><entry><al>&gt; 0,0031</al></entry><entry><al>0,0048</al></entry><entry><al>0,0039</al></entry></row><row><entry><al>5</al></entry><entry><al>&gt; 0,0048</al></entry><entry><al>0,0075</al></entry><entry><al>0,0060</al></entry></row><row><entry><al>6</al></entry><entry><al>&gt; 0,0075</al></entry><entry><al>0,012</al></entry><entry><al>0,0094</al></entry></row><row><entry><al>7</al></entry><entry><al>&gt; 0,012</al></entry><entry><al>0,018</al></entry><entry><al>0,015</al></entry></row><row><entry><al>8</al></entry><entry><al>&gt; 0,018</al></entry><entry><al>0,029</al></entry><entry><al>0,023</al></entry></row><row><entry><al>9</al></entry><entry><al>&gt; 0,029</al></entry><entry><al>0,045</al></entry><entry><al>0,036</al></entry></row><row><entry><al>10</al></entry><entry><al>&gt; 0,045</al></entry><entry><al>0,070</al></entry><entry><al>0,056</al></entry></row><row><entry><al>11</al></entry><entry><al>&gt; 0,070</al></entry><entry><al>0,11</al></entry><entry><al>0,088</al></entry></row><row><entry><al>12</al></entry><entry><al>&gt; 0,11</al></entry><entry><al>0,17</al></entry><entry><al>0,14</al></entry></row><row><entry><al>13</al></entry><entry><al>&gt; 0,17</al></entry><entry><al>0,27</al></entry><entry><al>0,21</al></entry></row><row><entry><al>14</al></entry><entry><al>&gt; 0,27</al></entry><entry><al>0,42</al></entry><entry><al>0,33</al></entry></row><row><entry><al>15</al></entry><entry><al>&gt; 0,42</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>0,5</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/></bijlage><nota-toelichting><kop><label>Toelichting op de Verordening zuiveringsheffing Waterschap De Dommel 2016</label></kop><al>A ALGEMEEN </al><al/><al><cursief>Doelstelling en karakter zuiveringsheffing </cursief></al><al>Bij de inwerkingtreding van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Wet van
                    13 november 1969, Stb. 536) kreeg de toenmalige verontreinigingsheffing als
                    doelstelling de financiering van de kosten van maatregelen tot het tegengaan en
                    voorkomen van de verontreiniging van oppervlaktewateren (artikel 18, eerste
                    lid). </al><al/><al>De maatregelen om verontreiniging van oppervlaktewater tegen te gaan zijn onder
                    te verdelen in actief beheer (het feitelijk transporteren en zuiveren van
                    afvalwater, alsmede het verbranden van zuiveringsslib) en passief beheer
                    (vergunningverlening, toezicht en controle, handhaving,
                    waterkwaliteitsbeheersplannen). Deze activiteiten samen werden tot dusver geduid
                    als de zorg voor de kwaliteit van het oppervlaktewater. Met de inwerkingtreding
                    van de Wet modernisering waterschapsbestel (Wet van 21 mei 2007, Stb. 208) is
                    hier verandering in gekomen.</al><al/><al>Het zuiveren van stedelijk afvalwater is, zoals blijkt uit artikel 3.4 van de
                    Waterwet, een taak die bij het waterschap is ondergebracht. De financiering
                    daarvan (de Waterschapswet spreekt van: de behartiging van de taak inzake het
                    zuiveren van afvalwater) gebeurt met ingang van 2009 uit de opbrengst van de
                    zuiveringsheffing, waarvoor de bepalingen zijn opgenomen in de artikelen 122c
                    tot en met 122k van de Waterschapswet. De zuiveringsheffing is dus een
                    bestemmingsheffing (dekkingsmiddel van kosten).</al><al/><al>Alle overige activiteiten die niet tot het zuiveren en/of transporteren van
                    afvalwater behoren, zijn samen met de zorg voor de waterkering en de zorg voor
                    de beheersing van het oppervlaktewater nu ondergebracht in de zorg voor het
                    watersysteem. De kosten daarvan worden voortaan bestreden uit de opbrengst van
                    de watersysteemheffing, die in de plaats is gekomen van de waterschapsomslagen
                    (artikel 117 van de Waterschapswet).</al><al/><al/><al>B ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING </al><al/><al><vet>Considerans</vet></al><al/><al><cursief>Bevoegdheid algemeen bestuur</cursief></al><al>Uitsluitend het algemeen bestuur is bevoegd tot het vaststellen van de
                    heffingsverordening. Dit vloeit voort uit artikel 110 van de Waterschapswet. Het
                    dagelijks bestuur is belast met de voorbereiding van de heffingsverordening
                    (artikel 84 van de Waterschapswet).</al><al/><al><cursief>Wettelijke grondslag </cursief></al><al>De wettelijke basis voor het door waterschappen heffen van de zuiveringsheffing
                    ligt in hoofdstuk XVIIb van de Waterschapswet. Voorts zijn in hoofdstuk 6 § 2
                    van het Waterschapsbesluit nog enkele nadere regels gesteld.</al><al/><al/><al><onderstreept>Begripsbepalingen</onderstreept></al><al/><al>Artikel 1 </al><al/><al>Om duidelijkheid te scheppen over een aantal in de verordening voorkomende
                    begrippen en om de leesbaarheid van de tekst te bevorderen, is van deze
                    begrippen een omschrijving gegeven in artikel 1. Daarbij is aangesloten bij de
                    begripsbepalingen in artikel 122c van de Waterschapswet.</al><al/><al/><al/><al><cursief>Onderdeel a</cursief></al><al>Voor de omschrijving van ‘stoffen’ is verwezen naar de stoffen genoemd in
                    artikel 6. In dat artikel zijn de stoffen opgenomen die door het waterschap in
                    de heffing worden betrokken, alsmede de gewichtseenheden van die stoffen.</al><al/><al><cursief>Onderdeel b </cursief></al><al>Onder riolering wordt verstaan het gemeentelijk rioolstelsel zoals dat wordt
                    bedoeld in artikel 10.33, eerste lid, van de Wet milieubeheer.</al><al/><al><cursief>Onderdeel c </cursief></al><al>Een zuiveringtechnisch werk is voor de Waterschapswet een voorziening voor het
                    zuiveren of het transporteren van afvalwater. Het begrip omvat naast
                    afvalwaterzuiveringsinstallaties ook gemalen, persleidingen,
                    vrijvervalleidingen, open en dichte afvoergoten en pompstations ten behoeve van
                    het afvalwater. Ook voorzieningen voor individuele behandeling van afvalwater
                    (IBA’s) vallen onder het begrip zuiveringtechnisch werk. De gemeentelijke
                    riolering wordt hier niet onder begrepen (zie onderdeel b, waarbij het begrip
                    riolering is gedefinieerd).</al><al/><al><cursief>Onderdeel d </cursief></al><al>Afvoeren is het brengen van stoffen op een riolering of op een
                    zuiveringtechnisch werk in beheer bij het waterschap.</al><al/><al><cursief>Onderdeel e </cursief></al><al>In artikel 122c, juncto artikel 116, onder b, van de Waterschapswet is een
                    definitie van het begrip woonruimte opgenomen. Dit onderdeel regelt in
                    overeenstemming met de definitie uit de Waterschapswet wat onder een woonruimte
                    moet worden verstaan. Niet elke bewoonde ruimte kan als woonruimte worden
                    aangemerkt. Een woonruimte wordt geacht te zijn bestemd om als een afzonderlijk
                    geheel te voorzien in woongelegenheid. Of dit het geval is moet blijken uit de
                    inrichting van de ruimte. In deze definitie wordt tot uitdrukking gebracht dat
                    het moet gaan om een ruimte die zelfstandig bruikbaar is en derhalve niet meer
                    dan bijkomstig afhankelijk is van elders in het gebouw aanwezige voorzieningen
                    die voor de woonfunctie wel van wezenlijk belang zijn. Hierbij moet worden
                    gedacht aan het met gebruikers van andere ruimten delen van faciliteiten als
                    kookgelegenheid, sanitair of bad- en douchegelegenheid. Dit komt vaak in onder
                    meer studentenhuizen en pensions voor. In een dergelijke situatie kan niet
                    worden gesproken van een woonruimte in de zin van deze verordening. Zie hiervoor
                    ook de arresten van de Hoge Raad van 23 juli 1984, BNB 1984/282, Belastingblad
                    1984, blz. 544, 8 februari 1995, BNB 1995/92, Belastingblad 1995, blz. 202, 10
                    januari 1996, BNB 1996/77, Belastingblad 1996, blz. 168). </al><al>Dat het begrip woonruimte ruim moet worden uitgelegd valt af te leiden uit het
                    arrest van de Hoge Raad van 29 mei 1991 waarin een kajuitzeilschip als
                    woonruimte werd aangemerkt (BNB 1991/213, Belastingblad 1991, blz. 479).</al><al/><al><cursief>Onderdeel f </cursief></al><al>In artikel 122c van de Waterschapswet is een definitie van het begrip woonruimte
                    opgenomen. Bij de omschrijving van het begrip bedrijfsruimte is gekozen voor een
                    negatieve formulering om een zo groot mogelijke reikwijdte aan het begrip te
                    geven. Alles wat geen woonruimte, zuiveringtechnisch werk of een riolering is,
                    moet als een bedrijfsruimte worden aangemerkt. Zo is bijvoorbeeld ook een stuk
                    landbouwgrond als een bedrijfsruimte aangemerkt (Hof ’s-Gravenhage 17 maart
                    1993, Belastingblad 1993, blz. 457). </al><al/><al>In een ogenschijnlijk soortgelijke situatie oordeelde de rechter echter anders.
                    Hierbij ging het om een kavel los land – deels akkerbouw, deels weiland – dat
                    niet als bedrijfsruimte kon worden aangemerkt. Er stonden namelijk geen
                    opstallen op en voor de exploitatie maakte de agrariër gebruik van machines die
                    elders, in de schuur achter zijn boerderij, werden gestald. Hierdoor was hij
                    meer dan bijkomstig afhankelijk van elders aanwezige, voor de
                    bedrijfsexploitatie wezenlijke, voorzieningen (Hof ’s-Gravenhage, 18 februari
                    1997, Belastingblad 1997, blz. 729). </al><al/><al>Of ook sprake was van een bedrijfsruimte bij de zandopspuiting wordt uit de
                    casus niet duidelijk. Het Hof stelde alleen vast dat er sprake was van het lozen
                    van met slib verontreinigd perswater en liet de aanslag in stand (Hof Arnhem 22
                    augustus 1997, Belastingblad 1997, blz. 745). </al><al/><al>Voor de vraag of sprake is van één of van twee bedrijfsruimten is onder andere
                    van belang het arrest van de Hoge Raad van 14 juni 1995 (BNB 1995/233,
                    Belastingblad 1995, blz. 627) waarin een bij twee verschillende personen in
                    gebruik zijnde stortplaats als één bedrijfsruimte werd aangemerkt. Daarbij
                    speelde onder andere een rol het feit dat de stortplaats maar één ingang heeft,
                    om de gehele stortplaats een hek staat en er geen deugdelijke afscheiding is
                    tussen beide delen van de stortplaats.</al><al/><al><cursief>Onderdeel g </cursief></al><al>De inspecteur is het bestuursorgaan aan wie de wetgever door middel van de
                    Algemene wet inzake rijksbelastingen de bevoegdheid tot het opleggen van
                    aanslagen en het doen van uitspraak op bezwaarschriften heeft geattribueerd. In
                    artikel 123 van de Waterschapswet wordt onder meer de Algemene wet inzake
                    rijksbelastingen van toepassing verklaard voor het heffen van belastingen door
                    waterschappen. Dit artikel bepaalt voorts dat de bevoegdheden van de inspecteur
                    toekomen aan de daartoe aangewezen ambtenaar van het waterschap. Die aanwijzing
                    geschiedt bij een door het dagelijks bestuur te nemen aanwijzingsbesluit.
                    Behalve het opleggen van aanslagen en het doen van uitspraak op
                    bezwaarschriften, komt krachtens deze verordening aan deze functionaris ook de
                    bevoegdheid tot het afgeven van meetbeschikkingen toe (artikel 7 en
                    verder).</al><al/><al><cursief>Onderdeel h </cursief></al><al>De Drinkwaterwet bevat een definitie van het begrip drinkwater. In het kader van
                    deze verordening is echter al het ingenomen water van belang, waaronder niet
                    uitsluitend voor menselijke consumptie geschikt water worden verstaan. Ook zaken
                    als warm tapwater (vaak afkomstig van stadsverwarmingsbedrijven) en “grijs”
                    water voor het wassen van kleding, vallen hier onder. </al><al/><al><cursief>Onderdeel i </cursief></al><al>Met de inwerkingtreding van de Drinkwaterwet is het begrip warm tapwater
                    geïntroduceerd. Dit is water voor huishoudelijk gebruik dat door een leverancier
                    wordt opgewarmd alvorens het aan de consument wordt geleverd. Door de
                    Drinkwaterwet wordt warm tapwater nadrukkelijk uitgezonderd van het begrip
                    drinkwater. Het is echter wel water dat na gebruik wordt afgevoerd en valt
                    daarom binnen de ratio van ingenomen water. Om die reden wordt warm tapwater
                    afzonderlijk genoemd in dit onderdeel.</al><al>Behalve via nutsbedrijven wordt ook op andere wijze water verkregen. Zo wordt op
                    steeds grotere schaal door bedrijven voor sanitair gebruik hemelwater
                    opgevangen. Omdat dit water na gebruik wordt afgevoerd, dient het eveneens in de
                    berekening van de vervuilingswaarde te worden betrokken.</al><al/><al><cursief>Onderdeel j </cursief></al><al>Een drinkwaterbedrijf hoeft, zoals blijkt uit de begripsomschrijving in artikel
                    1, eerste lid, van de Drinkwaterwet niet uitsluitend te voorzien in het leveren
                    van water. Dergelijke leveringen kunnen deel uitmaken van een ruimer aanbod van
                    producten, bijvoorbeeld elektrische energie, warmte of aardgas.</al><al/><al><cursief>Onderdeel k</cursief></al><al>De definitie van afvalwater verwijst naar artikel 3.4 van de Waterwet en ziet
                    daarmee op stedelijk afvalwater in de zin van artikel 1.1, eerste lid, van de
                    Waterwet.</al><al/><al><cursief>Onderdeel l</cursief></al><al>Bij de definitie van warm tapwater wordt aangesloten bij de definitie die
                    gegeven is in artikel 1, eerste lid, van de Drinkwaterwet.</al><al/><al/><al/><al/><al><onderstreept>Bijlagen</onderstreept></al><al/><al>Artikel 2 </al><al/><al>De grondslag voor de zuiveringsheffing wordt gevormd door de hoeveelheid en de
                    hoedanigheid van de stoffen die worden afgevoerd. Als heffingsmaatstaf geldt de
                    vervuilingswaarde van de stoffen die in een kalenderjaar worden afgevoerd,
                    uitgedrukt in vervuilingseenheden. Zoals blijkt uit artikel 122g van de
                    Waterschapswet is de hoofdregel dat het aantal vervuilingseenheden wordt
                    vastgesteld met behulp van door middel van meting, bemonstering en analyse
                    verkregen gegevens. In Bijlage I zijn nadere regels gesteld over de wijze van
                    meting, bemonstering, analyse en berekening. Zie in dit verband ook de artikelen
                    7, 8, 9 van de verordening.</al><al/><al>In de artikelen 122h, 122i en 122k van de Waterschapswet is een aantal
                    uitzonderingen op deze hoofdregel gegeven. Deze uitzonderingen, in casu voor
                    woonruimten, kleine bedrijfsruimten, glastuinbouwbedrijven en bedrijven met een
                    vervuilingswaarde van 1.000 vervuilingseenheden en minder, zijn eveneens in deze
                    verordening opgenomen.</al><al/><al>Voor bedrijven met een vervuilingswaarde met betrekking tot het zuurstofverbruik
                    van 1.000 vervuilingseenheden en minder kan onder voorwaarden de berekening van
                    het aantal vervuilingseenheden plaatsvinden met behulp van de tabel
                    afvalwatercoëfficiënten en dus niet door middel van meting, bemonstering en
                    analyse. Deze tabel is opgenomen in artikel 122k, derde lid, van de
                    Waterschapswet en volledigheidshalve eveneens in Bijlage II. De wijze waarop
                    deze tabel moet worden toegepast, is geregeld in artikel 10.</al><al/><al>De Bijlagen I en II maken deel uit van de verordening.</al><al/><al/><al>Belastbaar feit en heffingsplicht </al><al/><al>Artikel 3 </al><al/><al><cursief>Eerste lid </cursief></al><al>De opbrengst van de zuiveringsheffing dient ter bestrijding van de kosten die
                    zijn verbonden aan het zuiveren van afvalwater. De zuiveringsheffing is daarmee
                    primair een bestemmingsheffing met een retributief karakter. Het belastbare feit
                    is het afvoeren van stoffen, dat wil zeggen het direct of indirect afvoeren van
                    stoffen op een zuiveringtechnisch werk in beheer bij het waterschap. Om
                    beheerder en daarmee heffingsbevoegd te zijn, is het niet vereist dat de
                    juridische eigendom van het zuiveringtechnisch werk daadwerkelijk bij het
                    waterschap berust. Dit is met name van belang is situaties waar sprake is van
                    zogeheten grensoverschrijdend afvalwater: het afvalwater ontstaat in het gebied
                    van het ene waterschap en wordt afgevoerd naar een zuiveringtechnisch werk van
                    een ander waterschap. In een dergelijk geval is het ontvangende waterschap
                    bevoegd om degene die de stoffen heeft afgevoerd in de zuiveringsheffing te
                    betrekken. Hierdoor kan de situatie ontstaan dat ten aanzien van hetzelfde adres
                    aanslagen worden opgelegd door verschillende waterschappen. Die veelal
                    ongewenste situatie kan worden voorkomen door het sluiten van een
                    medebeheersovereenkomst tussen de betrokken waterschappen, waarin onder andere
                    de wederzijdse financiële verplichtingen worden vastgelegd. Het waterschap waar
                    het afvalwater ontstaat wordt daardoor ook beheerder van het ontvangende
                    zuiveringtechnisch werk en daardoor heffingsbevoegd (Hoge Raad 11 december 1991,
                    nr. 27 512, Belastingblad 1992, blz. 350). Ook wordt de zuiveringsheffing
                    aangemerkt als een directe belasting. Dat is noodzakelijk voor de
                    toepasselijkheid van de bepalingen inzake de richtige heffing in hoofdstuk VI
                    van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.</al><al/><al><cursief>Tweede lid </cursief></al><al>Heffingsplichtig zijn degenen die afvoeren. Dit afvoeren kan op verschillende
                    wijzen plaatsvinden. Voor de omschrijving van de heffingsplicht wordt daarbij
                    een koppeling gemaakt met het object van waaruit wordt afgevoerd. Aan de hand
                    van de feitelijke omstandigheden moet worden beoordeeld wie de gebruiker is. In
                    het geval dat er meerdere gebruikers zijn, wordt op grond van door de ambtenaar
                    belast met de heffing vastgestelde beleidsregels één van de gebruikers als
                    heffingsplichtige aangewezen. Deze beleidsregels zijn gepubliceerd zodat ze
                    kenbaar zijn voor de heffingsplichtigen. Zie voor nadere informatie over dit
                    onderwerp en mogelijkheden voor de inhoud van de beleidsregels de brief van de
                    Unie van Waterschappen aan de leden-waterschappen van 23 maart 1995, nr. 951476
                    (Belastingblad 1995, blz. 326).</al><al/><al><cursief>Onderdeel a </cursief></al><al>Vindt het afvoeren plaats vanuit een woonruimte of vanuit een bedrijfsruimte,
                    dan is de gebruiker van die ruimte aan de heffing onderworpen. Het komt voor dat
                    een woonruimte of een bedrijfsruimte aan een gebruiker wordt verhuurd, waarbij
                    één van de voorwaarden luidt dat de belastingen, waaronder de zuiveringsheffing,
                    worden gedragen door de verhuurder. Dergelijke overeenkomsten doen niet af aan
                    de heffingsplicht: de gebruiker blijft heffingsplichtig. Deze kan op grond van
                    de huurovereenkomst zelf het bedrag van de aanslag terugvorderen bij de
                    verhuurder. De omschrijving van woonruimte is ook dusdanig dat er geen
                    misverstand kan bestaan dat studentenhuizen met onzelfstandige wooneenheden
                    dienen te worden aangemerkt als bedrijfsruimte, waarvoor de verhuurder op grond
                    van artikel 3, derde lid, onderdeel c, in de heffing kan worden betrokken (zie
                    ook Hoge Raad 23 juli 1984, BNB 1984/282, Belastingblad 1984, blz. 544 en Hoge
                    Raad 8 februari 1995, BNB 1995/92). In zijn arrest van 1 mei 1991 oordeelde de
                    Hoge Raad dat als gebruiker van een bedrijfsruimte in de zin van de verordening
                    slechts kan worden aangemerkt degene die zich daadwerkelijk min of meer duurzaam
                    te eigen behoeve van de bedrijfsruimte kan bedienen. Daarom kon de aannemer die
                    in opdracht van de landeigenaar op een stuk grond werkzaamheden uitvoert om deze
                    geschikt te maken voor de bollenteelt, niet als gebruiker worden aangemerkt (BNB
                    1991/188, Belastingblad 1991, blz. 478). Ook kan het gebruik van een woonruimte
                    of van een bedrijfsruimte er op zijn gericht om die voor kortere perioden ter
                    beschikking te stellen van wisselende, opeenvolgende gebruikers. In dergelijke
                    gevallen is de verhuurder/exploitant heffingsplichtig.</al><al/><al><cursief>Onderdeel b </cursief></al><al>Vindt het afvoeren niet vanuit een woonruimte of vanuit een bedrijfsruimte
                    plaats, dan is degene die afvoert heffingsplichtig. Deze bepaling komt overeen
                    met die in artikel 18, tweede lid, onderdeel c, van de Wet verontreiniging
                    oppervlaktewateren was opgenomen, welke was ingevoerd nadat was gebleken dat
                    (incidenteel) afvoeren vanuit een tankauto niet als afvoeren vanuit een
                    bedrijfsruimte kon worden aangemerkt. Bovendien bleek in de praktijk het
                    achterhalen van de identiteit van de achterliggende vervuiler niet altijd
                    mogelijk te zijn, evenals het vaststellen van individuele vervuilingswaarden
                    indien de stoffen van meer dan één adres afkomstig zijn. In die gevallen biedt
                    deze bepaling soelaas, omdat degene die feitelijk afvoert (in het geval van een
                    tankauto dus de vervoerder) rechtstreeks in de heffing kan worden betrokken.
                    Door de gekozen formulering zijn overigens niet alleen lozingen vanuit
                    tankauto’s aan de heffing onderworpen, maar ook alle andere denkbare wijzen van
                    afvoeren anders dan vanuit een woonruimte of een bedrijfsruimte. Zo valt ook het
                    afvoeren vanuit een zuiveringtechnisch werk onder de ratio van deze bepaling. </al><al/><al><cursief>Derde lid </cursief></al><al/><al><cursief>Onderdeel a </cursief></al><al>Wanneer er met betrekking tot dezelfde woonruimte sprake is van meerdere
                    gebruikers, wijst de ambtenaar belast met de heffing voor het opleggen van de
                    aanslag één van hen aan als heffingsplichtige. De criteria op grond waarvan die
                    heffingsplichtige wordt aangewezen, liggen vast in beleidsregels.</al><al/><al><cursief>Onderdeel b </cursief></al><al>Wanneer een (onzelfstandig) deel van een bedrijfsruimte in gebruik is gegeven
                    aan een ander, dan is degene die dit in gebruik heeft gegeven de
                    heffingsplichtige. Hij kan de aan dat deel toe te rekenen zuiveringsheffing
                    verhalen op degene die het in gebruik heeft. Hierbij kan worden gedacht aan
                    bedrijfsverzamelgebouwen en dergelijke.</al><al/><al><cursief>Onderdeel c </cursief></al><al>Wanneer het gaat om een woonruimte of een bedrijfsruimte die voor kortere
                    perioden aan wisselende, opeenvolgende gebruikers ter beschikking wordt gesteld,
                    dan is degene die de ruimte ter beschikking heeft gesteld de heffingsplichtige.
                    Hij kan de zuiveringsheffing verhalen op degenen aan wie hij de ruimte ter
                    beschikking heeft gesteld.</al><al/><al><cursief>Vierde lid </cursief></al><al>In verreweg de meeste gevallen vindt het afvoeren naar het zuiveringtechnisch
                    werk van het waterschap plaats via de gemeentelijke riolering. Dit vierde lid
                    voorziet er in dat in dergelijke gevallen niet de gemeente, maar degene die via
                    de riolering heeft afgevoerd in de heffing wordt betrokken. De gemeente zelf is
                    alleen heffingsplichtig voor zover het gaat om het afvoeren vanuit objecten
                    waarvan de gemeente als gebruiker kan worden aangemerkt.</al><al/><al><cursief>Vijfde lid </cursief></al><al>Hier wordt aangegeven waar de opbrengst van de zuiveringsheffing, naast het
                    financieren van het zuiveren van afvalwater, aan kan worden besteed.</al><al/><al><cursief>Zesde lid </cursief></al><al>Het waterschap heeft er om doelmatigheidsredenen voor gekozen om het afvoeren
                    vanuit objecten die het zelf in gebruik heeft, vrij te stellen van de
                    zuiveringsheffing. Hoewel de Waterschapswet – anders dan de Waterwet – geen
                    specifieke vrijstellingsbepaling kent voor het afvoeren door het waterschap
                    zelf, kan een dergelijke vrijstellingsbepaling worden opgenomen op de voet van
                    artikel 122l van de Waterschapswet. </al><al/><al/><al>Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsevenredigheid </al><al/><al>Artikel 4 </al><al/><al><cursief>Eerste lid </cursief></al><al>Hoewel de zuiveringsheffing een tijdvakheffing is, ontstaat bij woonruimten en
                    kleine bedrijfsruimten de materiële belastingschuld door de regeling in het
                    eerste lid toch bij het begin van het heffingsjaar. Dit heeft als voordeel dat
                    al in het heffingsjaar zelf aanslagen kunnen worden opgelegd (formalisering van
                    de belastingschuld) en dat niet gewacht hoeft te worden tot het heffingsjaar
                    voorbij is. Bij een tijdvakheffing is het echter niet zonder meer mogelijk om
                    een definitieve aanslag gedurende het heffingsjaar op te leggen, omdat de omvang
                    van de belastingschuld pas na afloop van het heffingsjaar bekend is. Dit blijkt
                    uit een aantal uitspraken van de belastingrechter. Zie hiervoor Hoge Raad van 2
                    november 1994 inzake precariorechten (BNB 1995/12, Belastingblad 1994, blz.
                    819), Hof Amsterdam 15 december 1995 inzake liggeld woonschepen (Belastingblad
                    1996, blz. 331) en Hof Amsterdam 23 april 1997 (Belastingblad 1997, blz. 495)
                    inzake verontreinigingsheffing. Uit deze jurisprudentie valt af te leiden dat om
                    een definitieve aanslag al in het heffingsjaar zelf op te leggen, de
                    heffingsverordening in een aantal zaken moet voorzien. Het gaat hierbij om:</al><lijst><li nr="1."><al>een regeling op grond waarvan de belastingschuld wordt geacht bij het
                            begin van het heffingsjaar te ontstaan (artikel 4, eerste lid);</al></li><li nr="2."><al>een regeling op grond waarvan aanspraak op ontheffing bestaat indien de
                            heffingsplicht in de loop van het jaar eindigt (voor woonruimten is dit
                            geregeld in artikel 4, derde en vierde lid);</al></li><li nr="3."><al>een regeling op grond waarvan aanspraak op vermindering bestaat indien
                            de heffingsmaatstaf in de loop van het heffingsjaar wijzigt (voor
                            woonruimten is dit geregeld in artikel 16, derde en vierde lid en voor
                            kleine bedrijfsruimten in artikel 15, tweede lid). </al></li></lijst><al/><al>Indien in de heffingsverordening dergelijke bepalingen zouden ontbreken, kan het
                    waterschap voor het einde van het heffingsjaar alleen voorlopige aanslagen
                    opleggen. Artikel 13 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen geeft hiertoe
                    de bevoegdheid.</al><al/><al><cursief>Tweede lid </cursief></al><al>De vervuilingswaarde van een woonruimte wordt forfaitair vastgesteld op drie
                    vervuilingseenheden en bij bewoning door één persoon op één vervuilingseenheid
                    (artikel 16, eerste lid). De zuiveringsheffing is echter een tijdvakheffing. Dit
                    betekent dat wanneer de heffingsplicht zich niet gedurende het gehele
                    heffingstijdvak voordoet, dit gevolgen heeft voor de berekening van de hoogte
                    van de verschuldigde heffing. Artikel 122h, zesde lid, van de Waterschapswet
                    bepaalt dat wanneer de heffingsplicht in de loop van het jaar aanvangt, de
                    heffingsplichtige aan de heffing wordt onderworpen voor een evenredig gedeelte
                    van het vastgestelde aantal vervuilingseenheden. In de verordening moet zijn
                    aangegeven op welke wijze dat evenredig deel wordt vastgesteld. In deze
                    verordening is gekozen voor de maandnauwkeurige variant. </al><al/><al><cursief>Derde lid </cursief></al><al>Wanneer de heffingsplicht in de loop van het jaar eindigt, dan is de heffing op
                    grond van artikel 122h, zesde lid, van de Waterschapswet eveneens voor een
                    evenredig deel verschuldigd. Ook hier is gekozen voor een maandnauwkeurige
                    variant. </al><al/><al><cursief>Vierde lid </cursief></al><al>Wanneer ná het opleggen van de aanslag de heffingsplicht in de loop van het jaar
                    eindigt, is de ambtenaar belast met de heffing niet in de gelegenheid geweest om
                    daar bij het vaststellen van de aanslag rekening mee te houden. Artikel 132 van
                    de Waterschapswet geeft aan op welke wijze de heffingsplichtige aanspraak kan
                    maken op ontheffing. Op de aanvraag zoals die kan worden ingediend, moet worden
                    beslist bij voor bezwaar vatbare beschikking. Dit opent voor de
                    heffingsplichtige in voorkomende gevallen de volledige fiscale rechtsgang.
                    Hiermee is deze procedure uit het oogpunt van de rechtsbescherming van de
                    heffingsplichtige met voldoende waarborgen omkleed. Het staat het waterschap ook
                    vrij om, op grond van eigen gegevens, uit eigener beweging een dergelijke
                    ontheffing te verlenen zonder een aanvraag van de heffingsplichtige af te
                    wachten.</al><al/><al><cursief>Vijfde lid </cursief></al><al>Wanneer de heffingsplichtige verhuist naar een andere woonruimte van waaruit
                    eveneens wordt afgevoerd, zijn zowel het tweede als het derde lid van
                    toepassing. Er kan immers worden gesteld dat ook in dat geval sprake is van het
                    eindigen van de heffingsplicht en het opnieuw ontstaan van de heffingsplicht.
                    Dit zou resulteren in een vermindering van een al opgelegde, en mogelijk zelfs
                    al betaalde, aanslag voor de oude woning en een nieuwe aanslag voor de nieuwe
                    woning. Om pragmatische redenen is bepaald dat in een dergelijk geval het tweede
                    en het derde lid niet van toepassing zijn. De aanslag verhuist dan als het ware
                    mee. Uiteraard gaat dit niet op wanneer vanuit de nieuwe woning op een
                    oppervlaktewater in beheer bij het waterschap wordt afgevoerd, dan is de
                    verontreinigingsheffing verschuldigd. </al><al/><al/><al>Heffingsjaar </al><al/><al>Artikel 5 </al><al/><al>In artikel 5 is bepaald dat het heffingsjaar gelijk is aan het kalenderjaar. Dit
                    is wettelijk voorgeschreven zodat een afwijkende regeling in de verordening niet
                    meer mogelijk is.</al><al/><al/><al>Aangifte </al><al/><al>In artikel 127 van de Waterschapswet is de procedure voor het uitnodigen tot het
                    doen van aangifte geregeld. In het eerste lid van dat artikel is geregeld dat de
                    uitnodiging wordt gedaan door het uitreiken van een aangiftebiljet en in het
                    tweede lid is geregeld dat het doen van aangifte geschiedt door het in leveren
                    of het toezenden van het uitgereikte aangiftebiljet met de daarbij gevraagde
                    bescheiden. Op grond van artikel 127, vijfde lid, van de Waterschapswet kan bij
                    de heffingsverordening van de hiervoor beschreven procedure worden afgeweken.
                    Omdat de mogelijkheid wordt geboden om langs elektronische weg aangifte te doen,
                    zijn de artikelen 5a en 5b opgenomen.</al><al/><al>Artikel 5a </al><al/><al>Artikel 5a regelt de uitnodiging tot het doen van aangifte. In onderdeel a is
                    dat het uitreiken van een aangiftebiljet en in onderdeel b wordt een afwijkende
                    methode mogelijk gemaakt.</al><al/><al>Artikel 5b </al><al/><al>Dit artikel regelt de wijze waarop aangifte wordt gedaan. Bij onderdeel a is dat
                    de traditionele wijze van het inzenden van het uitgereikte formulier met de
                    vereiste bijlagen. Door middel van onderdeel b wordt de mogelijkheid geopend om
                    dat op elektronische wijze te doen, de zogenaamde digitale aangifte. </al><al/><al/><al>Grondslag en heffingsmaatstaf </al><al/><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al/><al>Artikel 6 </al><al/><al>De grondslag van de heffing is de hoeveelheid en hoedanigheid van de stoffen die
                    in een kalenderjaar worden afgevoerd. In het tweede lid is gekozen voor één
                    uniforme heffingsmaatstaf, namelijk de vervuilingswaarde van de stoffen die in
                    een kalenderjaar worden afgevoerd. Deze heffingsmaatstaf geldt dus zowel voor de
                    zuurstofbindende als de overige stoffen en is gedefinieerd in relatie tot de
                    stoffen ten aanzien waarvan het afvoeren is belast. Een verbruik van 54,8
                    kilogram zuurstof per heffingsjaar vertegenwoordigt één vervuilingseenheid. Voor
                    de stoffen die worden genoemd in het vierde lid, gelden verschillende
                    gewichtshoeveelheden per heffingsjaar. In het vierde lid zijn alle andere
                    stoffen opgenomen die in de heffing worden betrokken. Het waterschap heeft de
                    keuze om één of meer van de in artikel 122f, tweede lid, onder b tot en met f,
                    van de Waterschapswet bedoelde stoffen niet in de heffing te betrekken. Daartoe
                    dient op grond van artikel 122f, derde lid, onderdeel a, van de Waterschapswet
                    een afzonderlijke bepaling in de verordening te worden opgenomen. Het vijfde lid
                    van artikel 6 voorziet daar in.</al><al/><al>Bij de heffingsmaatstaf is een onderscheid gemaakt tussen zuurstofbindende
                    stoffen en andere stoffen. In beide gevallen is de heffingsmaatstaf de
                    vervuilingswaarde uitgedrukt in vervuilingseenheden. Bij zuurstofbindende
                    stoffen gaat het om de hoeveelheid zuurstof die nodig is om die stoffen af te
                    breken. Die hoeveelheid wordt bepaald op de som van het chemisch
                    zuurstofverbruik en het zuurstofverbruik door omzetting van
                    stikstofverbindingen. Daarbij is één vervuilingseenheid de zuurstofbehoefte die
                    ontstaat door de gemiddelde afvoer van huishoudelijk afvalwater van één persoon
                    per jaar.</al><al/><al>In 2001 is onderzoek gedaan naar de vervuilingswaarde van het afvalwater dat één
                    persoon gemiddeld per jaar produceert. Naar aanleiding van dit onderzoek
                    concludeerde de toenmalige Commissie Integraal Waterbeheer dat de op dat moment
                    geldende getalswaarde van 136 gram zuurstof per etmaal of 49,6 kilogram per jaar
                    beter in overeenstemming moest worden gebracht met de meest recente gegevens.
                    Als gevolg daarvan is de gemiddelde zuurstofbehoefte verhoogd naar 150 gram per
                    etmaal, of wel 54,8 kilogram per jaar. </al><al/><al>Bij de andere stoffen gaat het bij het vaststellen van de vervuilingswaarde om
                    de hoeveelheid van die stoffen die worden afgevoerd. Daarbij is één
                    vervuilingseenheid een omschreven hoeveelheid van in het heffingsjaar afgevoerde
                    stoffen. Bij chroom, koper, lood, nikkel, zilver en zink is één afgevoerde
                    kilogram één vervuilingseenheid. Vanwege de grotere schadelijkheid is bij
                    arseen, cadmium en kwik een afgevoerde hoeveelheid van 100 gram al één
                    vervuilingseenheid. </al><al/><al/><al>Meting, bemonstering en analyse </al><al/><al>Artikel 7 </al><al/><al>Hier is de hoofdregel opgenomen op grond waarvan bij de zuiveringsheffing de
                    vervuilingswaarde dient te worden vastgesteld. Deze hoofdregel geldt niet alleen
                    ter zake van het afvoeren vanuit bedrijfsruimten, maar ook ter zake van het
                    afvoeren vanuit zuiveringtechnische werken of op andere wijze.</al><al/><al><cursief>Eerste lid </cursief></al><al>Voor zowel de zuurstofbindende stoffen als voor de andere stoffen wordt het
                    aantal vervuilingseenheden bepaald door middel van meting, bemonstering en
                    analyse van het afvalwater. Daarbij maakt het niet uit of dit elk etmaal
                    geschiedt of gedurende een beperkt aantal etmalen.</al><al/><al>In Bijlage I zijn nadere regels gesteld met betrekking tot:</al><lijst><li nr="1."><al>de wijze van meting, bemonstering en monsterbehandeling;</al></li><li nr="2."><al>analysevoorschriften;</al></li><li nr="3."><al>berekeningsvoorschriften.</al></li></lijst><al/><al>De kosten van een dergelijk onderzoek zijn voor rekening van de
                    heffingsplichtige. Het spreekt voor zich dat de vervuilingswaarde zo nauwkeurig
                    mogelijk wordt vastgesteld. Echter niet tot elke prijs. Het Gerechtshof te
                    ’s-Gravenhage oordeelde op 16 maart 1988 dat de kosten in redelijke verhouding
                    tot de verschuldigde heffing moeten staan (Belastingblad 1988, blz. 626).
                    Hiervan is sprake wanneer de kosten niet hoger zijn dan 40% van de verschuldigde
                    heffing.</al><al/><al><cursief>Tweede lid </cursief></al><al>Volgens het tweede lid dienen meting, bemonstering en analyse plaats te vinden
                    gedurende alle dagen van het heffingsjaar. Hiervan kan echter onder
                    omstandigheden worden afgeweken. Zie hierna onder artikel 8.</al><al/><al><cursief>Derde lid </cursief></al><al>In het derde lid zijn de voorwaarden opgenomen waar meting en bemonstering aan
                    moeten voldoen. De voorschriften van meting en bemonstering in Bijlage I zijn
                    een waarborg voor de in het derde lid gestelde criteria. Als aan de
                    voorschriften van Bijlage I niet kan worden voldaan, kan hiervan onder
                    omstandigheden worden afgeweken.</al><al/><al><cursief>Vierde lid </cursief></al><al>De wijze van meting en bemonstering wordt, samen met een beschrijving van de te
                    gebruiken apparatuur, vooraf meegedeeld aan ambtenaar belast met de heffing. Op
                    grond van de tweede volzin vallen ook ingebruikname en wijziging van de
                    apparatuur gedurende het heffingsjaar onder de meldingsplicht.</al><al/><al><cursief>Vijfde lid </cursief></al><al>De ambtenaar belast met de heffing mag onder voorwaarden afwijken van de in
                    Bijlage I opgenomen voorschriften. Dit mag hij:</al><lijst><li nr="1."><al>ambtshalve wanneer hij aannemelijk maakt dat dit noodzakelijk is om te
                            voldoen aan de voorwaarden in het derde lid;</al></li><li nr="2."><al>op aanvraag van de heffingsplichtige indien deze aannemelijk maakt dat
                            ook dan nog steeds wordt voldaan aan de voorwaarden in het derde
                            lid;</al></li><li nr="3."><al>op aanvraag van de heffingsplichtige indien deze aannemelijk maakt dat
                            de nauwkeurigheid van de analyseresultaten er niet door wordt
                            beïnvloed.</al></li></lijst><al>Verder mag de ambtenaar belast met de heffing nadere voorschriften stellen. </al><al>De beslissing op aanvraag wordt bij een voor bezwaar vatbare beschikking
                    genomen. Hiertegen staat de gewone fiscale rechtsgang van bezwaar en beroep
                    open. Een belangrijk aandachtspunt daarbij is wel dat wanneer de
                    heffingsplichtige zich niet kan verenigen met de beschikking en gebruik maakt
                    van de hem ter beschikking staande rechtsmiddelen, de voorschriften in die
                    beschikking wel moeten worden nageleefd. Dit om te voorkomen dat wanneer de
                    heffingsplichtige in het ongelijk is gesteld en de beschikking onherroepelijk
                    vaststaat, hij over onvoldoende gegevens beschikt om de vereiste aangifte te
                    kunnen doen. De ambtenaar belast met de heffing zal in dat geval de aanslag
                    immers geheel of gedeeltelijk op basis van schatting vaststellen en de
                    heffingsplichtige kan vervolgens bij het betwisten van die schatting onvoldoende
                    of geen tegenbewijs leveren. </al><al/><al><cursief>Zesde lid </cursief></al><al>Hier is aangegeven welke elementen de bedoelde beschikking in ieder geval dient
                    te bevatten.</al><al/><al><cursief>Zevende lid </cursief></al><al>Wanneer het gaat om meer dan één beschikking betreffende hetzelfde bedrijf of
                    bedrijfsonderdeel, dan mag de ambtenaar belast met de heffing die in één
                    geschrift combineren.</al><al/><al><cursief>Achtste lid </cursief></al><al>De ambtenaar belast met de heffing kan een genomen beschikking ambtshalve
                    wijzigen of intrekken. Daarvoor is geen aanvraag van de heffingsplichtige nodig. </al><al/><al/><al>Beperkte meting, bemonstering en analyse </al><al/><al>Artikel 8 </al><al/><al>In veel gevallen kan worden volstaan met een lagere frequentie dan ieder etmaal
                    meten, bemonsteren en analyseren, zonder al te veel afbreuk te doen aan de
                    nauwkeurigheid van het eindresultaat. Het spreekt voor zich dat een lagere
                    frequentie zich vertaalt in lagere kosten voor de heffingsplichtige. De
                    heffingsplichtige die aannemelijk weet te maken dat met een lagere frequentie
                    kan worden volstaan, kan daar door middel van een aanvraag bij de ambtenaar
                    belast met de heffing toestemming voor vragen. Ook op deze aanvraag wordt
                    beslist bij voor bezwaar vatbare beschikking, waartegen de volledige fiscale
                    rechtsgang open staat. Hierbij geldt eveneens dat de voorschriften moeten worden
                    nageleefd indien de heffingsplichtige zich niet kan verenigen met de beschikking
                    en zolang deze nog niet onherroepelijk vaststaat. In zijn beschikking geeft hij
                    in ieder geval voorschriften met betrekking tot de in de onderdelen a tot en met
                    d genoemde onderwerpen. In dit kader zijn tevens van belang de
                    model-meetbeschikking (brief van de Unie van Waterschappen aan de
                    leden-waterschappen van 28 oktober 1994, kenmerk 942196 AJBZ/EK, Belastingblad
                    1994, blz. 802) en de richtlijnen in het ‘Rapport bepaling meetfrequentie ter
                    vaststelling van de vervuilingswaarde van afvalwater’ van de Commissie Integraal
                    Waterbeheer van augustus 1998. </al><al/><al/><al>Hoedanigheidscorrectie </al><al/><al>Artikel 9 </al><al/><al>Bij het bepalen van het chemisch zuurstofverbruik (CZV) kan in de uitkomst ook
                    zuurstofverbruik tot uitdrukking komen van stoffen die in het natuurlijk milieu
                    niet of nagenoeg niet afbreekbaar zijn. Op grond van jurisprudentie komt
                    “nagenoeg niet” overeen met een percentage van niet meer dan 10%. Wanneer het
                    gevonden zuurstofverbruik van dergelijke stoffen het totale chemisch
                    zuurstofverbruik in belangrijke mate beïnvloedt, dan wordt de gevonden CZV
                    gecorrigeerd. In de jurisprudentie staat “in belangrijke mate” voor ten minste
                    25%. De correctie die dan plaatsvindt, wordt veelal als T-correctie geduid. De
                    voorschriften die het waterschap betreffende de T-correctie stelt, zijn kenbaar
                    voor de heffingsplichtigen doordat de door de ambtenaar belast met de heffing
                    vastgestelde beleidsregels raadpleegbaar zijn via de website. </al><al>Daarnaast is in het artikel bepaald dat de heffingsplichtige voor toepassing van
                    de T-correctie een aanvraag moet indienen. De ambtenaar belast met de heffing
                    beslist hierop in een voor bezwaar vatbare beschikking. Dit opent voor de
                    heffingsplichtige in voorkomende gevallen de volledige fiscale rechtsgang.
                    Hiermee is deze procedure uit het oogpunt van de rechtsbescherming van de
                    heffingsplichtige met voldoende waarborgen omkleed. Tevens is voorgeschreven
                    welke elementen de bedoelde beschikking dient te bevatten.</al><al/><al/><al>Tabel afvalwatercoëfficiënten </al><al/><al>Artikel 10 </al><al/><al>Meting, bemonstering en analyse van afvalwater kan onder voorwaarden achterwege
                    blijven. Bij verreweg de meeste bedrijven gebeurt dit ook en daar wordt het
                    aantal vervuilingseenheden van het zuurstofverbruik berekend met behulp van de
                    tabel afvalwatercoëfficiënten. Deze tabel is opgenomen in Bijlage II en kent
                    vijftien klassen met elk een afvalwatercoëfficiënt.</al><al/><al><cursief>Eerste lid </cursief></al><al>Toepassing van de tabel is toegestaan indien:</al><lijst><li nr="1."><al>de heffingsplichtige aannemelijk maakt dat toepassing van de tabel niet
                            leidt tot een aantal vervuilingseenheden van meer dan 1.000 en</al></li><li nr="2."><al>er een relatie bestaat tussen de hoeveelheid ingenomen water en de
                            vervuilingswaarde van de afgevoerde stoffen.</al></li></lijst><al/><al><cursief>Tweede lid </cursief></al><al>De vervuilingswaarde van de over het heffingsjaar door het bedrijf of het
                    bedrijfsonderdeel afgevoerde stoffen kan met behulp van de tabel worden berekend
                    door het aantal kubieke meters in het heffingsjaar ingenomen water te
                    vermenigvuldigen met de bij de klasse behorende afvalwatercoëfficiënt.</al><al/><al><cursief>Derde lid </cursief></al><al>Vaak is de feitelijk in het heffingsjaar ingenomen hoeveelheid water niet direct
                    vast te stellen, omdat de verbruiksperiode waarover het drinkwaterbedrijf
                    afrekent, niet gelijk is aan het kalenderjaar. Ook kan er sprake zijn van een
                    andere tariefstructuur door het ontbreken van een watermeter. In dergelijke
                    gevallen worden de beschikbare gegevens herleid tot verbruiken over het
                    kalenderjaar. De wijze waarop dit gebeurt, liggen vast in beleidsregels van het
                    waterschap.</al><al/><al><cursief>Vierde lid </cursief></al><al>De indeling in een klasse is afhankelijk van de aard van het bedrijf of het
                    bedrijfsonderdeel. Daarbij wordt uitgegaan van de conversietabel in artikel 2
                    van het Besluit vervuilingswaarde ingenomen water 2009 (Besluit van 12 december
                    2008, Stb. 609). Uit onderzoek op initiatief van zowel de heffingsplichtige als
                    van de ambtenaar belast met de heffing kan blijken dat het bedrijf of het
                    bedrijfsonderdeel in een andere klasse moet worden ingedeeld. De voorwaarden
                    daarvoor staan in artikel 4 van het Besluit vervuilingswaarde ingenomen water
                    2009. </al><al/><al><cursief>Vijfde lid </cursief></al><al>De tabel kan ook worden toegepast bij vervuilingswaarden van meer dan 1.000
                    vervuilingseenheden. Voorwaarde is dan wel dat dit niet leidt tot een
                    vervuilingswaarde die lager is dan de vervuilingswaarde die wordt gevonden op
                    basis van meting, bemonstering en analyse.</al><al/><al/><al>Vervuilingswaarde van tuinbouwkassen </al><al/><al>Artikel 11 </al><al/><al>Op basis van artikel 11 worden tuinbouwkassen waarbinnen onder een permanente
                    opstand van glas of kunststof het telen van gewassen plaatsvindt in de heffing
                    betrokken op basis van een forfait van drie vervuilingseenheden per hectare
                    permanente opstand. Uit onderzoek naar een afvalwatercoëfficiënt voor
                    glastuinbouwbedrijven is gebleken dat de vervuilingswaarde van tuinbouwkassen
                    geen relatie heeft met de hoeveelheid ingenomen water. Bepaling van de
                    vervuilingswaarde op basis van meting, bemonstering en analyse bleek gezien de
                    relatief hoge perceptiekosten evenmin een reële mogelijkheid. In verband daarmee
                    is voor tuinbouwkassen een heffingsmaatstaf op basis van oppervlakte in de wet
                    opgenomen (artikel 122i, tweede lid, van de Waterschapswet). Indien de
                    vervuilingswaarde als berekend op grond van artikel 11 minder dan vijf
                    vervuilingseenheden bedraagt, is de forfaitregeling voor kleine bedrijfsruimten
                    van artikel 15 van toepassing.</al><al/><al/><al>Franchise en drempel </al><al/><al>Artikel 12 </al><al/><al>Artikel 12 bepaalt dat bij de berekening van de vervuilingswaarde voor
                    bedrijfsruimten ten aanzien van de niet-zuurstofbindende stoffen een
                    heffingsvrije grens (franchise) in acht wordt genomen. De hoogte van deze
                    franchise is bepaald op de gemiddelde vervuilingswaarde van huishoudelijk
                    afvalwater met betrekking tot genoemde stoffen. De achterliggende gedachte
                    hierbij is dat woonruimten uitsluitend worden aangeslagen voor het afvoeren van
                    zuurstofbindende stoffen en niet voor het afvoeren van andere stoffen. Uit
                    onderzoek blijkt echter dat ook in huishoudelijk afvalwater een, zij het zeer
                    geringe, hoeveelheid van die andere stoffen zit. Deze blijven bij woonruimten
                    echter onbelast. Om te voorkomen dat een ongelijkheid ontstaat tussen
                    woonruimten en bedrijfsruimten, is in artikel 12 een aftrek opgenomen gelijk aan
                    de gemiddelde vervuilingswaarde van huishoudelijk afvalwater met betrekking tot
                    genoemde stoffen.</al><al/><al/><al>Meetverplichting </al><al/><al>Artikel 13 </al><al/><al>Artikel 13 heeft als doel duidelijk te maken welke bedrijven onderzoek dienen te
                    verrichten naar de samenstelling van het afvoeren van niet-zuurstofbindende
                    stoffen (= andere stoffen). In de artikelen 7 en 8 staat dat de
                    vervuilingswaarde voor bedrijfsruimten wordt vastgesteld door middel van (al dan
                    niet dagelijkse) meting, bemonstering en analyse. Dit voorschrift geldt zowel
                    voor de zuurstofbindende stoffen als voor de andere stoffen. Volgens artikel 13
                    kunnen meting, bemonstering en analyse ten aanzien van de andere stoffen in
                    beginsel achterwege blijven bij bedrijfsruimten waarvoor de vervuilingswaarde
                    met betrekking tot de zuurstofbindende stoffen minder dan 1.000
                    vervuilingseenheden bedraagt. Indien de ambtenaar belast met de heffing echter
                    aannemelijk maakt dat de vervuilingswaarde van de andere stoffen hoger is dan de
                    heffingsvrije grens als bedoeld in artikel 12, dienen meting, bemonstering en
                    analyse plaats te vinden. Dit is geregeld in het eerste lid van artikel 13. Voor
                    bedrijfsruimten waarvoor de vervuilingswaarde met betrekking tot de
                    zuurstofbindende stoffen meer dan 1.000 vervuilingseenheden bedraagt, geldt het
                    omgekeerde. Ten aanzien van de andere stoffen dient in dat geval meting,
                    bemonstering en analyse plaats te vinden, tenzij het bedrijf aannemelijk maakt
                    dat de vervuilingswaarde van die stoffen lager is dan de heffingsvrije grens als
                    bedoeld in artikel 12. Dit is geregeld in het tweede lid van artikel 13.</al><al/><al>Ter verduidelijking van de artikelen 12 en 13 volgt hierna een voorbeeld.</al><al/><al>Stel een bedrijf heeft een vervuilingswaarde aan zuurstofbindende stoffen van
                    900 vervuilingseenheden. Ingevolge artikel 13 wordt het aantal
                    vervuilingseenheden van de overige stoffen in dit geval (minder dan 1.000
                    vervuilingseenheden) in beginsel op nihil gesteld en behoeft het bedrijf voor
                    die overige stoffen dus niet te bemeten en te bemonsteren. De voor het bedrijf
                    geldende franchise bedraagt in dit geval 900 x 0,0162 = 14,58
                    vervuilingseenheden. Stel echter dat het waterschap aannemelijk heeft gemaakt
                    dat het bedrijf een hoeveelheid lood afvoert dat groter is dan de berekende
                    14,58 vervuilingseenheden. Het bedrijf zal dus moeten gaan meten en bemonsteren
                    voor de overige stoffen (niet alleen lood maar in beginsel ook de andere stoffen
                    van dezelfde gewichtsgroep). Stel dat daaruit blijkt dat een hoeveelheid van 25
                    kilogram lood wordt afgevoerd. Dat komt overeen met een vervuilingswaarde van 25
                    vervuilingseenheden. Daarop moet als gevolg van artikel 12 de franchise van
                    14,58 in mindering worden gebracht. De vervuilingswaarde aan zware metalen is
                    dan 25 – 14,58 = 10,52 vervuilingseenheden. De totale vervuilingswaarde is dus
                    900 + (25 – 14,58) = 910,52 vervuilingseenheden. In geval naast de aangegeven
                    hoeveelheid lood ook nog vier kilogram zink (vier vervuilingseenheden) en 300
                    gram arseen (drie vervuilingseenheden) wordt afgevoerd, geldt het volgende. In
                    dat geval geldt een aftrek van 14,58 voor de stoffen lood en zink samen (per
                    groep) en een aftrek van 2,43 voor arseen (900 x 0,0027). De totale
                    vervuilingswaarde is dus 900 + (29 – 14,58) + (3 – 2,43) = 915,09
                    vervuilingseenheden.</al><al/><al/><al> Totale vervuilingswaarde van een bedrijfsruimte </al><al/><al>Artikel 14 </al><al/><al>Dit artikel voorziet in de totalisering van het bij de artikelen 7 tot en met 13
                    berekende aantal vervuilingseenheden aan zuurstofbindende stoffen voor een
                    bedrijfsruimte. Een dergelijke totalisering is onder meer van belang indien
                    binnen één bedrijfsruimte:</al><lijst><li nr="1."><al>voor de verschillende onderdelen van die bedrijfsruimte afzonderlijke
                            meting, bemonstering en analyse plaatsvindt;</al></li><li nr="2."><al>voor de verschillende onderdelen van die bedrijfsruimte afzonderlijke
                            afvalwatercoëfficiënten van toepassing zijn;</al></li><li nr="3."><al>voor een onderdeel van die bedrijfsruimte wordt gemeten, bemonsterd en
                            geanalyseerd en voor een ander onderdeel van die bedrijfsruimte een
                            afvalwatercoëfficiënt van toepassing is;</al></li><li nr="4."><al>naast zuurstofbindende stoffen eveneens niet-zuurstofbindende stoffen
                            worden afgevoerd die in de heffing worden betrokken (na aftrek van de
                            heffingsvrije grens van niet-zuurstofbindende stoffen).</al></li></lijst><al/><al>De vervuilingswaarde kan worden uitgedrukt in hele getallen of tot in decimalen
                    nauwkeurig. Indien hiervoor verschillende uitkomsten moeten worden opgeteld,
                    moet worden uitgegaan van niet afgeronde waarden. De uiteindelijke totale
                    vervuilingswaarde kan niet worden afgerond volgens de gebruikelijke
                    afrondingsregels. Er dient te worden “gekapt”. Zo wordt, afhankelijk van de
                    keuze, 7,94 uiteindelijk 7,9 of 7 op het aanslagbiljet en 20,49 wordt 20,4 of
                    20.</al><al/><al/><al>Vervuilingswaarde van kleine bedrijfsruimten </al><al/><al>Artikel 15 </al><al/><al><cursief>Eerste lid </cursief></al><al>De regeling voor kleine bedrijfsruimten vindt haar basis vindt in artikel 122i,
                    eerste lid, van de Waterschapswet. Indien de heffingsplichtige aannemelijk maakt
                    dat het aantal vervuilingseenheden minder dan vijf bedraagt, wordt de
                    vervuilingswaarde op drie vervuilingseenheden gesteld en op één
                    vervuilingseenheid indien die één of minder bedraagt. </al><al/><al><cursief>Tweede lid </cursief></al><al>Hoewel de zuiveringsheffing een tijdvakheffing is, wordt aan bedrijven met een
                    vervuilingswaarde van minder dan vijf vervuilingseenheden in veel gevallen al
                    aan het begin van het heffingsjaar een aanslag voor drie vervuilingseenheden
                    opgelegd. Dit is in artikel 4, eerste lid, geregeld. Na afloop van het
                    heffingsjaar of, indien dit eerder is bij beëindiging van de heffingsplicht, kan
                    echter blijken dat de vervuilingswaarde één of minder dan één vervuilingseenheid
                    bedraagt. Daarom moet de verordening ook voorzien in een deugdelijke regeling
                    voor vermindering. Indien de heffingsplichtige aannemelijk maakt dat het aantal
                    vervuilingseenheden één of minder bedraagt, wordt op aanvraag van de
                    heffingsplichtige de vervuilingswaarde op één vervuilingseenheid gesteld. Het
                    betreft hier een aanvraag in de zin van artikel 132, eerste lid, van de
                    Waterschapswet. Deze moet worden ingediend binnen zes weken nadat de
                    omstandigheid zich heeft voorgedaan. De vermindering kan door de ambtenaar
                    belast met de heffing ook ambtshalve worden verleend.</al><al/><al/><al/><al>Vervuilingswaarde van woonruimten </al><al/><al>Artikel 16 </al><al/><al><cursief>Eerste lid </cursief></al><al>In navolging van artikel 122h, eerste lid, van de Waterschapswet wordt de
                    vervuilingswaarde voor een woonruimte vastgesteld op drie vervuilingseenheden,
                    met dien verstande dat die wanneer de woonruimte door één persoon wordt bewoond,
                    één vervuilingseenheid bedraagt.</al><al/><al><cursief>Tweede lid </cursief></al><al>Een uitzondering op deze hoofdregel geldt voor woonruimten die voor
                    recreatiedoeleinden zijn bestemd en zich bevinden op een voor
                    recreatiedoeleinden bestemd terrein dat als zodanig wordt geëxploiteerd (artikel
                    122h, vijfde lid, van de Waterschapswet). Samen met de andere voorzieningen op
                    dat terrein worden zij als één bedrijfsruimte aangemerkt. De exploitant van het
                    terrein is dan de heffingsplichtige. Deze regeling gaat echter niet in alle
                    gevallen op. Steeds vaker komt het voor dat recreatiewoningen op een
                    recreatieterrein in eigendom zijn bij particulieren. Die kunnen de woning dan
                    alleen voor zichzelf beschikbaar houden, of de woning via de exploitant verhuren
                    aan wisselende gebruikers gedurende de weken dat zij er zelf niet zijn. In zijn
                    arrest van 22 november 2002, nummer 37 361, geeft de Hoge Raad aan dat dit onder
                    voorwaarden gevolgen kan hebben voor de heffingsplicht. Hoewel deze procedure
                    betrekking had op het gebruikersdeel van de onroerende-zaakbelastingen, is zij
                    ook van betekenis voor de zuiveringsheffing. Indien de woonruimte alleen ter
                    beschikking staat van de eigenaar, dan is hij de heffingsplichtige en is het
                    gewone woonruimteforfait van toepassing. Bij het vaststellen van de aanslag voor
                    het recreatieterrein moet de woonruimte buiten beschouwing worden gelaten. Wordt
                    de woonruimte echter ook via de exploitant aan anderen verhuurd, dan is de
                    heffingsplicht afhankelijk van de vraag op wie het exploitatierisico drukt.
                    Krijgt de eigenaar een vaste vergoeding ongeacht de werkelijke verhuurde
                    periode(s), dan wordt de woonruimte als onderdeel van de bedrijfsruimte
                    beschouwd en is de exploitant van het recreatieterrein heffingsplichtig. Is de
                    vergoeding die de eigenaar krijgt wel afhankelijk van de werkelijke verhuurde
                    periode(s), dan rust het exploitatierisico bij hem en is hij als
                    heffingsplichtige het gewone woonruimteforfait verschuldigd.</al><al/><al><cursief>Derde lid </cursief></al><al>Na aanvang van de heffingsplicht kan het aantal bewoners verminderen tot één.
                    Dit heeft gevolgen voor de vervuilingswaarde. Analoog aan artikel 4, derde lid,
                    is gekozen voor een maandnauwkeurige variant.</al><al/><al><cursief>Vierde lid </cursief></al><al>Omdat de aanslag voor een woonruimte meestal al aan het begin van het
                    heffingsjaar wordt opgelegd, moet de verordening voorzien in een regeling
                    waardoor aanspraak op vermindering kan worden gemaakt. Dit gebeurt door middel
                    van een aanvraag in de zin van artikel 132, eerste lid, van de Waterschapswet.
                    Deze moet worden ingediend binnen zes weken nadat de omstandigheid zich heeft
                    voorgedaan. De vermindering kan door de ambtenaar belast met de heffing ook
                    ambtshalve worden verleend. </al><al/><al/><al>Schatting </al><al/><al>Artikel 17 </al><al/><al>In artikel 122j van de Waterschapswet is expliciet bepaald dat onder bepaalde,
                    in de onderdelen a tot en met c nader omschreven, omstandigheden de
                    vervuilingswaarde kan worden vastgesteld door middel van schatting. Bijvoorbeeld
                    indien een bedrijf niet voldoet aan zijn verplichting tot meting, bemonstering
                    en analyse of indien het bedrijf dat doet op een wijze die niet in overstemming
                    is met de in de verordening opgenomen voorschriften. In artikel 122j van de
                    Waterschapswet ontbreekt de omstandigheid dat de heffingsplichtige de afgegeven
                    meetbeschikking niet heeft nageleefd, onderdeel d van artikel 17 is toegevoegd
                    op grond van artikel 122l van de Waterschapswet. Artikel 17 is tevens een
                    vangnetbepaling voor het afvoeren vanuit objecten waarvoor in de verordening
                    geen bijzondere regelingen zijn opgenomen en waarvoor de hoofdregel van artikel
                    7 (meting, bemonstering en analyse) niet kan worden toegepast. Overigens sluit
                    dit artikel niet uit dat er ook andere omstandigheden kunnen zijn op grond
                    waarvan schatting kan plaatsvinden. </al><al/><al/><al>Tarief </al><al/><al>Artikel 18 </al><al/><al>Dit artikel regelt het tarief per vervuilingseenheid.</al><al/><al/><al>Wijze van heffing en termijnen van betaling </al><al/><al>Artikel 19 </al><al/><al>Ingevolge artikel 125 van de Waterschapswet kunnen waterschapsbelastingen worden
                    geheven bij wege van aanslag, bij wege van voldoening op aangifte of op andere
                    wijze. Het gaat hier om drie verschillende heffingstechnieken. Het hangt van de
                    aard en de ingewikkeldheid van de desbetreffende belasting af, welke van deze
                    drie heffingstechnieken het meest doelmatig is. Voorts kunnen overwegingen uit
                    een oogpunt van perceptiekosten of op grond van het beginsel dat de
                    belastingheffing voor de heffingsplichtige met de minste pijn moet plaatsvinden,
                    bepalend zijn voor de keuze van de te hanteren heffingstechniek. In dit artikel
                    is gekozen voor de heffing bij wege van aanslag.</al><al/><al>De bepalingen in dit artikel zien op de betalingswijzen en betalingstermijnen.
                    In de leden 3 en 5 zijn bepalingen opgenomen die zien op het laten ‘meeliften’
                    van de zuiveringsheffing met de nota’s van Brabant Water.</al><al/><al>Het eerste lid ziet op de tabel- en meetbedrijven, waarbij het waterschap de
                    heffing en de inning zelf verzorgt. </al><al/><al>De betalingstermijnen voor een eventuele bestuurlijke boete is gelijk aan de
                    betalingstermijnen voor de aanslag, aangezien die in hetzelfde geschrift zijn
                    verenigd. Dit is niet in de verordening bepaald, maar vloeit rechtstreeks voort
                    uit artikel 9, derde lid, van de Invorderingswet 1990.</al><al/><al>In de leden twee tot en met vijf is afgeweken van de wettelijke betalingstermijn
                    van zes weken die is genoemd in de Invorderingswet 1990. De bevoegdheid om
                    afwijkende betalingstermijnen in de heffingsverordening op te nemen staat in
                    artikel 139, eerste lid, van de Waterschapswet.</al><al/><al>Het derde lid ziet op de situatie dat de betaling van de zuiveringsheffing loopt
                    via de nota’s van Brabant Water. Hierbij doet de situatie zich voor, dat de
                    afrekening plaatsvindt over de periode die Brabant Water als verbruiksjaar
                    hanteert. Dit is zelden gelijk aan het kalenderjaar, in casu het heffingsjaar
                    (artikel 5). Het bedrag van de verschuldigde heffing zou dan pas achteraf op de
                    jaarafrekening tot uitdrukking komen, terwijl de zuiveringsheffing al de
                    voorafgaande voorschotbedragen is begrepen. Daarom wordt aan het begin van het
                    heffingsjaar een aanslag opgelegd door het waterschap waarmee de belastingschuld
                    ter kennis wordt gebracht. Ook de wijze van betaling wordt daarin
                    aangegeven.</al><al/><al><cursief>Eerste lid </cursief></al><al>Zoals hiervoor is aangegeven is gekozen voor de heffing bij wege van
                    aanslag.</al><al/><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Betreffende de tabel- en meetbedrijven wordt zowel de aanslagoplegging als de
                    invordering door het waterschap zelf gedaan. De tabel- en meetbedrijven moeten
                    aanslagen aan het waterschap betalen uiterlijk twee maanden na de dagtekening
                    van het aanslagbiljet.</al><al/><al/><al><cursief>Derde lid </cursief></al><al>Hier is geregeld dat de met betrekking tot woonruimten en kleine bedrijfsruimten
                    opgelegde aanslagen worden geïnd tegelijk met en op dezelfde wijze als die
                    waarop de nota’s van Brabant Water worden betaald. Dit is mogelijk op grond van
                    artikel 139, tweede lid, van de Waterschapswet. </al><al/><al><cursief>Vierde lid</cursief></al><al>Dit lid kent een regeling voor het aantal betalingstermijnen met betrekking tot
                    een woonruimte of kleine bedrijfsruimte, indien geen nota’s door Brabant Water
                    worden verzonden. </al><al/><al><cursief>Vijfde lid </cursief></al><al>Het vijfde lid kent een regeling voor het aantal betalingstermijnen in geval van
                    meeliften indien de heffingsplicht in de loop van het heffingsjaar aanvangt dan
                    wel indien een aanslag wordt opgelegd nadat al één of meer nota’s zijn
                    verschenen.</al><al/><al/><al>Nadere regels </al><al/><al>Artikel 20 </al><al/><al>In verband met de inwerkingtreding van de derde tranche van de Algemene wet
                    bestuursrecht (Stb. 1996, 333) en de daarop gebaseerde aanpassingswetgeving
                    (Stb. 1997, 510 en 580) komen de bevoegdheden die in de Algemene wet inzake
                    rijksbelastingen en de Invorderingswet 1990 zijn toebedeeld aan de Minister van
                    Financiën vanaf 1 januari 1998 toe aan het dagelijks bestuur van het waterschap
                    (zie artikel 123, derde lid, onderdeel a, van de Waterschapswet). Voor die datum
                    kwamen deze formele belastingbevoegdheden toe aan het algemeen bestuur van het
                    waterschap. Het betreft onder andere het stellen van nadere regels ten aanzien
                    van de volgende bevoegdheden:</al><lijst><li nr="1."><al>de verplichting te verzoeken om uitreiking van een aangiftebiljet;</al></li><li nr="2."><al>de mogelijkheid een voorlopige aanslag op te leggen;</al></li><li nr="3."><al>het berekenen van invorderingsrente.</al></li></lijst><al/><al>De bovenstaande bevoegdheden waren voor 1 januari 1998 expliciet in de
                    heffingsverordening geregeld. Artikel 20 is in de verordening opgenomen om
                    expliciet aan de heffingsplichtige kenbaar te maken dat ook het dagelijks
                    bestuur regels kan stellen met betrekking tot de heffing en de invordering van
                    de zuiveringsheffing.</al><al/><al>Daarenboven heeft het dagelijks bestuur op grond van artikel 4:81 van de
                    Algemene wet bestuursrecht ook de bevoegdheid om beleidsregels vast te stellen.
                    Artikel 10:22 geeft het dagelijks bestuur verder de bevoegdheid om per geval of
                    in het algemeen instructies te geven ter zake van de uitoefening van de
                    toegedeelde bevoegdheid. </al><al/><al/><al>Inwerkingtreding en citeertitel </al><al/><al>Artikel 21 </al><al/><al><cursief>Eerste lid </cursief></al><al>Het eerste lid regelt dat de oude verordening wordt ingetrokken met ingang van
                    de datum van ingang van de heffing van deze verordening. De oude verordening
                    blijft echter gelden voor de belastbare feiten die zich voor die datum hebben
                    voorgedaan. Voor die feiten kunnen dus nog aanslagen worden opgelegd op basis
                    van de oude verordening.</al><al/><al><cursief>Tweede lid </cursief></al><al>Omtrent de bekendmaking van de verordening is verder hetgeen in artikel 73 en 74
                    van de Waterschapswet is bepaald, van belang. Bekendmaking van de verordening is
                    essentieel, want zonder bekendmaking heeft de verordening immers geen
                    verbindende kracht. </al><al/><al><cursief>Derde lid </cursief></al><al>Als gevolg van artikel 111 van de Waterschapswet is een van de onderwerpen die
                    in de heffingsverordening moet worden geregeld het tijdstip van ingang van de
                    heffing. Dit tijdstip kan samenvallen met het tijdstip van inwerkingtreding,
                    maar dit is niet beslist noodzakelijk. </al><al/><al><cursief>Vierde lid </cursief></al><al>Als gevolg van het vierde lid van het onderhavige artikel 21 wordt de
                    verordening voorzien van een citeertitel.</al><al/><al/></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>