<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR383463_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening verontreinigingsheffing Waterschap De Dommel 2016</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Waterschap">Waterschap De Dommel</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-03-20</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Waterschap">Waterschap De Dommel</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">elektronisch waterschapsblad nr 1322, d.d. 28 november 2015</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening verontreinigingsheffing Waterschap De Dommel 2016</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005108&amp;artikel=110, 113">artikelen 110 en 113 van de Waterschapswet</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0025458">hoofdstuk 7 van de Waterwet</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0023025">hoofdstuk 6, § 2, van het Waterschapsbesluit</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanWaterschap">algemeen bestuur</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-11-25</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-11-29</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>financiën en belastingen</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening verontreinigingsheffing Waterschap De Dommel</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Het algemeen bestuur van het waterschap De Dommel;</al><al/><al>op voordracht van het dagelijks bestuur van 13 oktober 2015;</al><al/><al>gelet op de artikelen 110 en 113 van de Waterschapswet, hoofdstuk 7 van de
                        Waterwet en hoofdstuk 6, § 2, van het Waterschapsbesluit;</al><al/><al>B E S L U I T :</al><al/><al>vast te stellen de Verordening verontreinigingsheffing Waterschap De Dommel
                        2016</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr></kop><al>Deze verordening verstaat onder: </al><lijst><li nr="a."><al>oppervlaktewaterlichaam: samenhangend geheel van vrij aan het
                                    aardoppervlak voorkomend water, met de daarin aanwezige stoffen,
                                    alsmede de bijbehorende bodem en oevers, flora en fauna ten
                                    aanzien waarvan het waterschap ingevolge artikel 3.2 van de
                                    Waterwet is aangewezen als beheerder, met uitzondering van de
                                    gronden die ingevolge artikel 3.1 of 3.2 van de Waterwet zijn
                                    aangewezen als drogere oevergebieden; </al></li><li nr="b."><al>stoffen: de stoffen genoemd in artikel 9 van deze verordening;
                                </al></li><li nr="c."><al>lozen: het brengen van stoffen in een oppervlaktewaterlichaam in
                                    beheer bij het waterschap; </al></li><li nr="d."><al>woonruimte: een ruimte die blijkens zijn inrichting bestemd is
                                    om als een afzonderlijk geheel te voorzien in woongelegenheid en
                                    waarvan de delen blijkens de inrichting van die ruimte niet
                                    bestemd zijn om afzonderlijk in gebruik te worden gegeven; </al></li><li nr="e."><al>bedrijfsruimte: een naar zijn aard en inrichting als
                                    afzonderlijk geheel te beschouwen ruimte of terrein, niet zijnde
                                    een woonruimte, een zuiveringtechnisch werk of een openbaar
                                    vuilwaterriool; </al></li><li nr="f."><al>openbaar vuilwaterriool: een voorziening voor de inzameling en
                                    het transport van stedelijk afvalwater, in beheer bij een
                                    gemeente of een rechtspersoon die door een gemeente met het
                                    beheer is belast; </al></li><li nr="g."><al>zuiveringtechnisch werk: een werk voor het zuiveren van
                                    stedelijk afvalwater, in exploitatie bij een waterschap of
                                    gemeente, dan wel een rechtspersoon die door het bestuur van een
                                    waterschap met de zuivering van stedelijk afvalwater is belast,
                                    met inbegrip van het bij dat werk behorende werk voor het
                                    transport van stedelijk afvalwater; </al></li><li nr="h."><al>stedelijk afvalwater: huishoudelijk afvalwater of een mengsel
                                    daarvan met bedrijfsafvalwater, afvloeiend hemelwater,
                                    grondwater of ander afvalwater; </al></li><li nr="i."><al>de ambtenaar belast met de heffing: de door het dagelijks
                                    bestuur aangewezen ambtenaar, bedoeld in artikel 123, derde lid,
                                    onderdeel b, van de Waterschapswet; </al></li><li nr="j."><al>watersysteem: het watersysteem zoals bedoeld in artikel 1,
                                    tweede lid, van de Waterschapswet; </al></li><li nr="k."><al>drinkwater: drinkwater als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van
                                    de Drinkwaterwet; </al></li><li nr="l."><al>ingenomen water: geleverd drink- en industriewater, warm
                                    tapwater, onttrokken grond- en oppervlaktewater en opgevangen
                                    hemelwater; </al></li><li nr="m."><al>drinkwaterbedrijf: drinkwaterbedrijf als bedoeld in artikel 1,
                                    eerste lid, van de Drinkwaterwet;</al></li><li nr="n."><al>warm tapwater: warm tapwater als bedoeld in artikel 1, eerste
                                    lid, van de Drinkwaterwet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr></kop><al>Bij deze verordening behoren de volgende bijlagen: </al><lijst><li nr="-"><al>Bijlage I: voorschriften voor meting, bemonstering, analyse en
                                    berekening; </al></li><li nr="-"><al>Bijlage II: tabel afvalwatercoëfficiënten zoals opgenomen in
                                    artikel 122k, derde lid, van de Waterschapswet.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Belastbaar feit en heffingsplicht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onder de naam verontreinigingsheffing wordt een directe belasting
                                geheven ter zake van lozen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aan de heffing worden onderworpen: </al><lijst><li nr="a."><al>ter zake van het lozen vanuit een woonruimte of een
                                        bedrijfsruimte: degene die het gebruik heeft van die ruimte;
                                    </al></li><li nr="b."><al>ter zake van het lozen met behulp van een riolering of van
                                        een zuiveringtechnisch werk: degene bij wie die riolering of
                                        dat zuiveringtechnisch werk in beheer is; </al></li><li nr="c."><al>ter zake van het lozen anders dan bedoeld onder a of b:
                                        degene die loost.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor de toepassing van het tweede lid onder a, wordt:</al><lijst><li nr="a."><al>gebruik van een woonruimte door de leden van een huishouden
                                        aangemerkt als gebruik door het door de ambtenaar belast met
                                        de heffing aangewezen lid van dat huishouden;</al></li><li nr="b."><al>gebruik door degene aan wie een deel van een bedrijfsruimte
                                        in gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik door degene
                                        die dat deel in gebruik heeft gegeven, met dien verstande
                                        dat degene die het deel in gebruik heeft gegeven, bevoegd is
                                        de heffing als zodanig te verhalen op degene aan wie dat
                                        deel in gebruik is gegeven;</al></li><li nr="c."><al>het ter beschikking stellen van een woonruimte of
                                        bedrijfsruimte voor volgtijdig gebruik aangemerkt als
                                        gebruik door degene die die ruimte ter beschikking heeft
                                        gesteld, met dien verstande dat degene die de ruimte ter
                                        beschikking heeft gesteld, bevoegd is de heffing als zodanig
                                        te verhalen op degene aan wie de ruimte ter beschikking is
                                        gesteld.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De opbrengst van de verontreinigingsheffing komt ten goede aan de
                                bekostiging van het beheer van het watersysteem door het waterschap.
                            </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Vrijstellingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr></kop><al>Van de verontreinigingsheffing zijn vrijgesteld: </al><al>a het lozen met behulp van een openbaar vuilwaterriool; </al><al>b het lozen vanuit een zuiveringtechnisch werk door het waterschap zelf; </al><al>c het lozen vanuit een zuiveringtechnisch werk anders dan door het
                            waterschap zelf, mits de hoeveelheid stoffen niet is toegenomen. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar
                            tijdsevenredigheid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De heffing ter zake van woonruimten en van bedrijfsruimten als
                                bedoeld in artikel 18 is verschuldigd bij het begin van het
                                heffingsjaar of, zo dit later is, bij de aanvang van de
                                heffingsplicht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien ter zake van woonruimten de heffingsplicht als bedoeld in het
                                eerste lid in de loop van het heffingsjaar aanvangt, is de heffing
                                verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar
                                verschuldigde belasting als er in dat jaar, na de aanvang van de
                                heffingsplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. Indien de
                                heffingsplicht aanvangt op de eerste dag van een kalendermaand wordt
                                die kalendermaand aangemerkt als een volle kalendermaand.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien ter zake van woonruimten de heffingsplicht bedoeld in het
                                eerste lid in de loop van het heffingsjaar eindigt, bestaat
                                aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor
                                dat jaar verschuldigde heffing als er in dat jaar, na het einde van
                                de heffingsplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. Indien de
                                heffingsplicht eindigt op de eerste dag van een kalendermaand wordt
                                die kalendermaand aangemerkt als een volle kalendermaand.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien de heffingsplicht voor woonruimten is beëindigd na de
                                dagtekening van de aanslag, kan de heffingsplichtige een aanvraag
                                tot ontheffing indienen bij de ambtenaar belast met de heffing.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het tweede en het derde lid zijn niet van toepassing indien de
                                heffingsplichtige het gebruik van de woonruimte beëindigt en direct
                                aansluitend het gebruik krijgt van een woonruimte van waaruit
                                eveneens wordt geloosd. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Aangifte</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr></kop><al>Met betrekking tot de verontreinigingsheffing geheven van gebruikers van
                            bedrijfsruimten, wordt de uitnodiging tot het doen van aangifte gedaan
                            door: </al><lijst><li nr="a."><al>het uitreiken of toezenden van een aangiftebiljet; </al></li><li nr="b."><al>het uitreiken of toezenden van een aangiftebrief waarin wordt
                                    verzocht om aangifte te doen op de wijze als bedoeld in artikel
                                    7.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr></kop><al>Het doen van aangifte geschiedt door: </al><lijst><li nr="a."><al>het inleveren of toezenden van het aangiftebiljet met de daarbij
                                    gevraagde bescheiden; </al></li><li nr="b."><al>het op elektronische wijze toezenden van de door de betreffende
                                    programmatuur gevraagde gegevens </al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Heffingsjaar</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr></kop><al>Het heffingsjaar is gelijk aan het kalenderjaar. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Grondslag en heffingsmaatstaf</titel></kop><structuurtekst><al>Algemeen</al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de heffing bedoeld in artikel 3 geldt als grondslag de
                                hoeveelheid en de hoedanigheid van de stoffen die in een
                                kalenderjaar worden geloosd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de heffing geldt als heffingsmaatstaf de vervuilingswaarde van
                                de stoffen die in een kalenderjaar worden geloosd. De
                                vervuilingswaarde wordt uitgedrukt in vervuilingseenheden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot zuurstofbindende
                                stoffen wordt bepaald op basis van de som van het chemisch
                                zuurstofverbruik en het zuurstofverbruik door omzetting van
                                stikstofverbindingen, zoals voorgeschreven in Bijlage I van deze
                                verordening. Eén vervuilingseenheid vertegenwoordigt met betrekking
                                tot zuurstofbindende stoffen een verbruik in het heffingsjaar van
                                54,8 kilogram zuurstof.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Meting, bemonstering en analyse</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het aantal vervuilingseenheden van zuurstofbindende en andere
                                stoffen wordt berekend met behulp van door meting, bemonstering en
                                analyse verkregen gegevens. De meting, bemonstering, analyse en
                                berekening geschieden met in achtneming van de in Bijlage I
                                opgenomen voorschriften.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde meting, bemonstering en analyse
                                geschieden ieder etmaal van het heffingsjaar, behoudens het bepaalde
                                in artikel 11.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De meting en de bemonstering geschieden zodanig dat: </al><lijst><li nr="a."><al>de gemeten hoeveelheid afvalwater niet meer dan 5% afwijkt
                                        van de werkelijke hoeveelheid afvalwater;</al></li><li nr="b."><al>het verkregen monster representatief is voor de totale
                                        hoeveelheid stoffen die gedurende de bemonsteringsperiode
                                        vanuit het bedrijf of het bedrijfsonderdeel wordt
                                        geloosd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De heffingsplichtige brengt de wijze van meting en bemonstering met
                                een beschrijving van de daarvoor te gebruiken apparatuur voor
                                aanvang van het heffingsjaar ter kennis van de ambtenaar belast met
                                de heffing. Indien het gebruik van de apparatuur in de loop van het
                                heffingsjaar aanvangt of wijzigt, dan wordt dit vóór de
                                ingebruikname of de wijziging ter kennis van de ambtenaar belast met
                                de heffing gebracht.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De ambtenaar belast met de heffing: </al><lijst><li nr="a."><al>kan ambtshalve bepalen dat meting en bemonstering geschieden
                                        in afwijking van één of meer van de in Bijlage I, onderdeel
                                        A, opgenomen voorschriften, indien deze aannemelijk maakt
                                        dat dit noodzakelijk is ter voldoening aan het bepaalde in
                                        het derde lid, onderdelen a en b;</al></li><li nr="b."><al>beslist op aanvraag van de heffingsplichtige dat meting en
                                        bemonstering kunnen geschieden in afwijking van een of meer
                                        van de in Bijlage I, onderdeel A, opgenomen voorschriften,
                                        indien de heffingsplichtige aannemelijk maakt dat daarbij
                                        wordt voldaan aan het bepaalde in het derde lid, onderdelen
                                        a en b;</al></li><li nr="c."><al>beslist op aanvraag van de heffingsplichtige dat kan worden
                                        afgeweken van de in Bijlage I, onderdeel B, opgenomen
                                        analysevoorschriften, indien de heffingsplichtige
                                        aannemelijk maakt dat de nauwkeurigheid van de uitkomsten
                                        van de analyse hierdoor niet wordt beïnvloed;</al></li><li nr="d."><al>kan omtrent de afwijkingen als bedoeld in de onderdelen a, b
                                        en c nadere voorschriften geven.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De ambtenaar belast met de heffing neemt zijn beslissing, bedoeld in
                                het vijfde lid, onderdelen a, b en c, bij voor bezwaar vatbare
                                beschikking. Deze beschikking bevat in elk geval: </al><lijst><li nr="a."><al>de voorschriften van Bijlage I, onderdelen A en B, waarvan
                                        wordt afgeweken;</al></li><li nr="b."><al>de afwijkingen bedoeld in het vijfde lid, onderdelen a, b en
                                        c;</al></li><li nr="c."><al>de nadere voorschriften bedoeld in het vijfde lid, onderdeel
                                        d;</al></li><li nr="d."><al>een vermelding van het heffingsjaar of de heffingsjaren
                                        waarvoor de beschikking wordt gegeven.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De ambtenaar belast met de heffing is bevoegd twee of meer ingevolge
                                het vijfde lid genomen beschikkingen, die betrekking hebben op
                                hetzelfde bedrijf of hetzelfde bedrijfsonderdeel, in één geschrift
                                te verenigen.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>De ambtenaar belast met de heffing kan bij veranderingen of te
                                verwachten veranderingen in de hoeveelheid of hoedanigheid van de
                                geloosde, respectievelijk te lozen stoffen, de desbetreffende
                                beschikkingen, bedoeld in het vijfde lid, ambtshalve wijzigen of
                                intrekken in verband met het bepaalde in het eerste lid en het derde
                                lid. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Beperkte meting, bemonstering en analyse</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op aanvraag van de heffingsplichtige, die aannemelijk maakt dat voor
                                de berekening van het aantal vervuilingseenheden kan worden volstaan
                                met gegevens welke met behulp van meting, bemonstering en analyse in
                                een beperkt aantal etmalen zijn verkregen, besluit de ambtenaar
                                belast met de heffing dat meting en bemonstering geschieden in
                                afwijking van het bepaalde in artikel 10, tweede lid. Het besluit op
                                aanvraag wordt genomen bij een voor bezwaar vatbare beschikking.
                                Deze beschikking bevat in elk geval:</al><lijst><li nr="a."><al>een opgave van de afvalwaterstromen en de stoffen welke in
                                        het onderzoek dienen te worden betrokken;</al></li><li nr="b."><al>de tijdvakken waarin meting en bemonstering geschieden,
                                        hetzij ieder etmaal van die tijdvakken, hetzij één of meer
                                        daartoe aangewezen etmalen daarvan;</al></li><li nr="c."><al>de wijze waarop de op de voet van letter b verkregen
                                        uitkomsten worden herleid tot het aantal vervuilingseenheden
                                        over een aldaar bedoeld tijdvak, onderscheidenlijk over het
                                        heffingsjaar;</al></li><li nr="d."><al>een vermelding van het heffingsjaar of de heffingsjaren
                                        waarvoor de beschikking wordt gegeven. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De ambtenaar belast met de heffing kan bij veranderingen of te
                                verwachten veranderingen in de hoeveelheid of hoedanigheid van de
                                geloosde, respectievelijk te lozen stoffen, de desbetreffende
                                beschikking, bedoeld in het eerste lid, ambtshalve wijzigen of
                                intrekken, indien toepassing van berekeningsvoorschrift IV van
                                onderdeel C van bijlage I leidt tot een ander aantal etmalen dan in
                                die beschikking is opgenomen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De ambtenaar belast met de heffing neemt zijn beslissing, bedoeld in
                                het tweede lid, bij voor bezwaar vatbare beschikking.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoedanigheidscorrectie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de uitkomst van de methode tot bepaling van het chemisch
                                zuurstofverbruik bedoeld in artikel 9 in belangrijke mate is
                                beïnvloed door biologisch niet of nagenoeg niet afbreekbare stoffen,
                                wordt op aanvraag van de heffingsplichtige op die uitkomst een
                                correctie toegepast.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De berekening van de correctie geschiedt met inachtneming van de
                                voorschriften welke zijn opgenomen in Bijlage I, onderdeel C.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De ambtenaar belast met de heffing neemt zijn beslissing als bedoeld
                                in het eerste lid, bij voor bezwaar vatbare beschikking. Deze
                                beschikking bevat in elk geval: </al><lijst><li nr="a."><al>de wijze van berekening van de correctie; </al></li><li nr="b."><al>de hoeveelheid en samenstelling van het afvalwater waarop de
                                        correctie van toepassing is; </al></li><li nr="c."><al>de frequentie en de wijze van onderzoek met betrekking tot
                                        meting, bemonstering en analyse; </al></li><li nr="d."><al>een vermelding van het heffingsjaar of de heffingsjaren
                                        waarvoor de beschikking wordt gegeven. </al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Tabel afvalwatercoëfficiënten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr></kop><lijst><li nr="1."><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 10, eerste lid, kan het
                                    aantal vervuilingseenheden met betrekking tot het
                                    zuurstofverbruik in een kalenderjaar voor een bedrijfsruimte of
                                    een onderdeel daarvan worden vastgesteld met behulp van de in
                                    Bijlage II van deze verordening opgenomen tabel
                                    afvalwatercoëfficiënten, indien door de heffingsplichtige
                                    aannemelijk is gemaakt dat het aantal vervuilingseenheden met
                                    betrekking tot het zuurstofverbruik in een kalenderjaar 1.000 of
                                    minder bedraagt en dit aantal aan de hand van de hoeveelheid
                                    ingenomen water kan worden bepaald.</al></li><li nr="2."><al>Het aantal vervuilingseenheden als bedoeld in het eerste lid
                                    wordt berekend volgens de formule A x B, waarbij, </al></li></lijst><al>A = het aantal m³ in het kalenderjaar ten behoeve van de bedrijfsruimte
                            of het onderdeel van de bedrijfsruimte ingenomen water; </al><al>B = de afvalwatercoëfficiënt behorende bij de klasse van de in Bijlage
                            II opgenomen tabel met de klassengrenzen waarbinnen de vervuilingswaarde
                            met betrekking tot het zuurstofverbruik per m³ ten behoeve van de
                            bedrijfsruimte of van het onderdeel van de bedrijfsruimte ingenomen
                            water is gelegen.</al><lijst><li nr="3."><al>Indien de in het kalenderjaar ingenomen hoeveelheid water niet
                                    kan worden vastgesteld aan de hand aan watermeterstanden die aan
                                    het begin en aan het einde van het kalenderjaar zijn opgenomen,
                                    stelt de ambtenaar belast met de heffing die hoeveelheid vast op
                                    een door hem nader vast te stellen wijze.</al></li><li nr="4."><al>De vervuilingswaarde met betrekking tot het zuurstofverbruik per
                                    m³ als bedoeld in het tweede lid wordt ingevolge artikel 7.5,
                                    vijfde lid, van de Waterwet bepaald met toepassing van de
                                    algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 122k,
                                    tweede lid, van de Waterschapswet.</al></li><li nr="5."><al>Indien het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot het
                                    zuurstofverbruik in een kalenderjaar voor een bedrijfsruimte of
                                    een onderdeel daarvan meer dan 1.000 bedraagt en de
                                    heffingsplichtige aannemelijk maakt dat de berekening van het
                                    aantal vervuilingseenheden met toepassing van de in het eerste
                                    lid, aanhef, bedoelde tabel tot geen lagere uitkomst leidt dan
                                    die welke wordt verkregen bij berekening op de voet van artikel
                                    10, eerste lid, beslist de ambtenaar belast met de heffing bij
                                    voor bezwaar vatbare beschikking op aanvraag van
                                    heffingsplichtige dat het aantal vervuilingseenheden wordt
                                    berekend met toepassing van de tabel. </al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Vervuilingswaarde van tuinbouwkassen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking van artikel 10, eerste lid, wordt de vervuilingswaarde
                                van de stoffen die worden geloosd vanuit een bedrijfsruimte of een
                                onderdeel van een bedrijfsruimte bestemd om in het kader van de
                                uitoefening van een beroep of een bedrijf onder een permanente
                                opstand van glas of kunststof gewassen te telen, bepaald op basis
                                van het tweede lid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vervuilingswaarde bedraagt drie vervuilingseenheden per hectare
                                vloeroppervlak waarop onder glas of kunststof wordt geteeld en per
                                deel van een hectare vloeroppervlak een evenredig deel van drie
                                vervuilingseenheden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien in de loop van het kalenderjaar het gebruik van een in het
                                eerste lid bedoelde bedrijfsruimte of onderdeel van een
                                bedrijfsruimte, dan wel van een deel daarvan, door de gebruiker
                                aanvangt of eindigt, wordt hij in dat kalenderjaar voor die
                                bedrijfsruimte, voor dat onderdeel of voor dat deel voor een
                                evenredig gedeelte van het op basis van het tweede lid bepaald
                                aantal vervuilingseenheden aan een heffing onderworpen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een vervuilingswaarde voor de bedrijfsruimte of het onderdeel van
                                een bedrijfsruimte, berekend op basis van het tweede of derde lid,
                                van minder dan vijf vervuilingseenheden wordt op drie
                                vervuilingseenheden, en van één of minder dan één vervuilingseenheid
                                op één vervuilingseenheid gesteld. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Totale vervuilingswaarde van een bedrijfsruimte</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr></kop><al>De vervuilingswaarde van een bedrijfsruimte wordt bepaald op de som van
                            de aantallen vervuilingseenheden als berekend overeenkomstig de
                            artikelen 10 tot en met 14, voor zover deze van toepassing zijn. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Vervuilingswaarde van kleine bedrijfsruimten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking van artikel 10, eerste lid, wordt de vervuilingswaarde
                                van de stoffen die vanuit een bedrijfsruimte of vanuit een
                                zuiveringtechnisch werk voor het zuiveren van afvalwater worden
                                geloosd gesteld op drie vervuilingseenheden indien door de
                                heffingsplichtige aannemelijk is gemaakt dat die vervuilingswaarde
                                minder dan vijf vervuilingseenheden bedraagt en op één
                                vervuilingseenheid indien door de heffingsplichtige aannemelijk is
                                gemaakt dat die één vervuilingseenheid of minder bedraagt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de aanslag in het heffingsjaar al is opgelegd voor drie
                                vervuilingseenheden en de heffingsplichtige aannemelijk maakt dat de
                                vervuilingswaarde één vervuilingseenheid of minder bedraagt, bestaat
                                aanspraak op vermindering. De heffingsplichtige kan daartoe na
                                afloop van het heffingsjaar of, bij beëindiging van de
                                heffingsplicht, in de loop van het heffingsjaar een aanvraag
                                indienen bij de ambtenaar belast met de heffing. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Vervuilingswaarde van woonruimten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking van artikel 10, eerste lid, wordt de vervuilingswaarde
                                van de stoffen die vanuit een woonruimte worden geloosd, gesteld op
                                drie vervuilingseenheden. De vervuilingswaarde van de stoffen die
                                vanuit een door één persoon gebruikte woonruimte worden geloosd,
                                bedraagt één vervuilingseenheid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het eerste lid is niet van toepassing op de voor recreatiedoeleinden
                                bestemde woonruimten die zich bevinden op een voor
                                verblijfsrecreatie bestemd terrein dat als zodanig wordt
                                geëxploiteerd. De in de vorige volzin bedoelde woonruimten worden
                                tezamen aangemerkt als een bedrijfsruimte dan wel als onderdeel van
                                een bedrijfsruimte.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de in het eerste lid bedoelde situatie dat een woonruimte
                                wordt gebruikt door één persoon ontstaat in de loop van het
                                heffingsjaar, wordt de vervuilingswaarde op één vervuilingseenheid
                                vastgesteld met ingang van de eerste dag van de kalendermaand
                                volgend op de kalendermaand waarin die situatie is ontstaan. Indien
                                de hiervoor bedoelde situatie ontstaat op de eerste dag van een
                                kalendermaand, wordt de vervuilingswaarde met ingang van die dag op
                                één vervuilingseenheid vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien de in het derde lid bedoelde situatie ontstaat ná de
                                dagtekening van de aanslag, bestaat aanspraak op vermindering. De
                                heffingsplichtige kan daartoe een aanvraag indienen bij de ambtenaar
                                belast met de heffing. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Schatting</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr></kop><al>De ambtenaar belast met de heffing kan het aantal vervuilingseenheden in
                            een kalenderjaar geheel of gedeeltelijk door middel van schatting
                            vaststellen, indien door de heffingsplichtige: </al><lijst><li nr="a."><al>meting, bemonstering en analyse niet of niet geheel zijn
                                    geschied in overeenstemming met de in Bijlage I opgenomen
                                    voorschriften; </al></li><li nr="b."><al>het aantal vervuilingseenheden niet is berekend met behulp van
                                    meting, bemonstering en analyse en bepaling van de
                                    vervuilingswaarde op basis van artikel 13, eerste of vijfde lid,
                                    14, eerste lid, 16, eerste lid, of 17, eerste lid, niet mogelijk
                                    is; </al></li><li nr="c."><al>het aantal vervuilingseenheden niet is berekend met behulp van
                                    meting, bemonstering en analyse en bepaling van de
                                    vervuilingswaarde op basis van artikel 13, vijfde lid, wel
                                    mogelijk is, maar door de heffingsplichtige gedurende het
                                    heffingsjaar geen aanvraag als bedoeld in dat artikel is gedaan;
                                </al></li><li nr="d."><al>niet of niet geheel is voldaan aan de voorwaarden, verbonden aan
                                    de in artikel 10, 11 of 12 bedoelde toestemming. </al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Tarief</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr></kop><al>Het tarief bedraagt € 49,32 per vervuilingseenheid. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Wijze van heffing en termijnen van betaling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De belasting wordt geheven bij wege van aanslag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanslag – niet zijnde een aanslag voor een woonruimte of een
                                bedrijfsruimte als bedoeld in artikel 15 – moet worden betaald
                                uiterlijk twee maanden na dagtekening van het aanslagbiljet. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De aanslagen voor een woonruimte of een bedrijfsruimte als bedoeld
                                in artikel 16, moeten worden betaald tegelijk met en op dezelfde
                                wijze als die waarop de nota’s van de waterleidingmaatschappij
                                Brabant Water moeten worden betaald. In dat geval moet de aanslag
                                worden betaald in een aantal termijnen dat overeenkomt met het
                                aantal nota’s dat in het heffingsjaar van de
                                waterleidingmaatschappij Brabant Water verschijnt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien de heffingsplicht voor een woonruimte of een bedrijfsruimte
                                als bedoeld in artikel 16 in de loop van het heffingsjaar ontstaat
                                dan wel indien een aanslag wordt opgelegd nadat reeds een of meer
                                van de in het tweede lid genoemde nota’s zijn verschenen, is de
                                aanslag invorderbaar in zoveel gelijke termijnen als na het opleggen
                                van de aanslag in het heffingsjaar nog nota’s van de
                                waterleidingmaatschappij Brabant Water verschijnen. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>In andere gevallen dan bedoeld in het derde lid moeten de aanslagen
                                voor een woonruimte als bedoeld in artikel 17 eerste lid of een
                                bedrijfsruimte als bedoeld in artikel 16 worden betaald binnen twee
                                maanden na dagtekening van de aanslag.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het bedrag vermeld op de beschikking inzake een bestuurlijke boete
                                moet worden betaald uiterlijk binnen twee maanden na de
                                dagtekening.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Nadere regels</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr></kop><al>Het dagelijks bestuur van het waterschap kan nadere regels geven met
                            betrekking tot de heffing en de invordering. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr></kop><lijst><li nr="1."><al>De ‘Verordening verontreinigingsheffing Waterschap De Dommel',
                                    vastgesteld bij besluit van 10 december 2014 wordt ingetrokken
                                    met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van
                                    de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op
                                    de belastbare feiten die zich voor die datum hebben
                                    voorgedaan.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag
                                    na die van de bekendmaking.</al></li><li nr="3."><al>De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2016.</al><al> Deze verordening wordt aangehaald als ‘Verordening
                                    verontreinigingsheffing Waterschap De Dommel 2016'.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de vergadering van het algemeen bestuur van 25
                            november 2015.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>mr. drs. P.C.G. Glas drs. R.E. Viergever</ondertekening><ondertekening>(watergraaf) (secretaris)</ondertekening></regeling-sluiting><bijlage><kop><titel>Bijlage I </titel></kop><tussenkop>Voorschriften voor meting, bemonstering, analyse en
                    berekening</tussenkop><tussenkop>behorende bij de Verordening verontreinigingsheffing Waterschap De Dommel
                    2016</tussenkop><tussenkop>Definitiebepalingen</tussenkop><al>In deze bijlage wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>etmaal: de aaneengesloten periode van 24 uur waarover een
                            etmaalverzamelmonster wordt samengesteld;</al></li><li nr="b."><al>debiet: de hoeveelheid afgevoerd afvalwater gedurende het etmaal;</al></li><li nr="c."><al>debietmeter: meter waarmee (bijvoorbeeld door middel van magnetische
                            inductie) het debiet gemeten wordt;</al></li><li nr="d."><al>momentaan debiet: de hoeveelheid afgevoerd afvalwater gedurende een
                            moment van meting;</al></li><li nr="e."><al>kalibreren: bepalen van de waarde van de afwijkingen ten opzichte van
                            een van toepassing zijnde standaard;</al></li><li nr="f."><al>droog kalibreren: kalibreren van een debietmeter waarbij een
                            doorstroming van een hoeveelheid water door de debietmeter wordt
                            gesimuleerd;</al></li><li nr="g."><al>nat kalibreren: kalibreren van een debietmeter waarbij daadwerkelijk een
                            nauwkeurig bekende hoeveelheid vloeistof door de debietmeter wordt
                            geleid;</al></li><li nr="h."><al>gesloten meetsysteem: meetsysteem dat het debiet meet in een gesloten
                            leiding of in een gesloten drukleiding, waarbij het afvalwater niet in
                            contact staat met de buitenlucht;</al></li><li nr="i."><al>open meetsysteem: meetsysteem waarbij het oppervlak van het stromende
                            afvalwater in contact staat met de buitenlucht;</al></li><li nr="j."><al>moedermeter: debietmeter, waarvan de installatie kan worden herleid naar
                            de nationale volumestandaard van het Nederlands Meetinstituut;</al></li><li nr="k."><al>bewaartermijn: de periode tussen het einde van het etmaal en het begin
                            van de voorbehandeling ten behoeve van de uitvoering van de
                            analyse;</al></li><li nr="l."><al>aantoonbaarheidsgrens: laagste concentratie van de component in het
                            monster waarvan de aanwezigheid nog met een bepaalde betrouwbaarheid kan
                            worden vastgesteld, zijnde 3x de spreiding van
                            binnenlabreproduceerbaarheid.</al></li></lijst><tussenkop>A Wijze van meting, bemonstering en monsterbehandeling</tussenkop><tussenkop>Paragraaf 1 Algemeen</tussenkop><al>De meet– en bemonsteringsvoorzieningen verkeren in een goede staat, worden
                    regelmatig schoongemaakt en zijn altijd goed en veilig toegankelijk. De meet– en
                    bemonsteringsvoorzieningen worden overeenkomstig onderstaande bepalingen
                    respectievelijk NEN 6600–1 (Water–Monsterneming–Deel 1: Afvalwater 2009)
                    geïnstalleerd en onderhouden. Een afvalwaterstroom kan zowel in een open als in
                    een gesloten meetsysteem worden gemeten en bemonsterd.</al><al>In paragraaf 2 wordt nader ingegaan op de meting en in paragraaf 3 op de
                    bemonstering.</al><al>In paragraaf 4 wordt nader ingegaan op de behandeling van het samengestelde
                    etmaalverzamelmonster.</al><tussenkop>Paragraaf 2 Meting</tussenkop><al>De meting betreft het debiet. Het debiet wordt in de afvalwaterstroom
                    gemeten.</al><al>In de plaats van de meting in de afvalwaterstroom kan het debiet worden bepaald
                    op basis van meting van de hoeveelheid water in het watertoevoersysteem van het
                    bedrijf of van de bedrijfsonderdelen. In het laatstbedoelde geval mag de per
                    etmaal afgevoerde hoeveelheid afvalwater niet groter zijn dan de in dezelfde
                    periode toegevoerde hoeveelheid water.</al><tussenkop>2.1 Open meetsystemen</tussenkop><al>Bij open meetsystemen wordt een meetput of een meetgoot toegepast.</al><al>Bij toepassing van een meetput gelden de volgende eisen:</al><lijst><li nr="1."><al>de momentane debieten in het etmaal, gemeten bij overstorthoogten van
                            minder dan 0,05 meter, bedragen gesommeerd minder dan 5% van het gemeten
                            debiet;</al></li><li nr="2."><al>de momentane debieten in het etmaal, gemeten bij overstorthoogten van
                            minder dan 0,125 meter, bedragen gesommeerd minder dan 10% van het
                            gemeten debiet.</al></li></lijst><al>Bij toepassing van een meetgoot bedragen de momentane debieten in het etmaal,
                    van minder dan 16,4% van het maximaal mogelijk momentane debiet, gesommeerd,
                    minder dan 10% van het gemeten debiet.</al><al>De apparatuur voor de hoogtemeting wordt minimaal éénmaal per jaar bij
                    overstorthoogten van 5, 10, 15, 20 en 25 centimeter droog gekalibreerd. In het
                    kalibratierapport wordt voor elke overstorthoogte een vergelijking gemaakt
                    tussen de gemeten hoeveelheid afvalwater gedurende de periode van het
                    kalibreren, en de bij de desbetreffende overstorthoogte met behulp van de
                    afvoerrelatie van de meetvoorziening berekende hoeveelheid afvalwater over de
                    periode van het kalibreren. Zowel het absolute als het procentuele verschil
                    wordt hierbij worden aangegeven. Bij ultrasone hoogtemeting wordt ook de
                    temperatuurmeting en de temperatuurcorrectie gecontroleerd en gecorrigeerd bij
                    afwijking. De werking van de volgapparatuur bij meting wordt gecontroleerd door
                    vergelijking van de aanwijzing, registratie (recorder en/of printer), integratie
                    en telling.</al><tussenkop>2.2 Gesloten meetsystemen</tussenkop><al>De momentane debieten in het etmaal, van minder dan 10% van het maximaal
                    mogelijk momentaan debiet, bedragen gesommeerd minder dan 5% van het gemeten
                    debiet.</al><al>Het gesloten meetsysteem is voorzien van een niet–resetbare pulsteller.</al><al>Registratie van momentane meetgegevens vindt plaats door middel van een printer
                    of datalogger.</al><al>Inbouw</al><al>Bij de inbouw van een nieuwe debietmeter in een gesloten meetsysteem wordt een
                    ‘af fabriek’ kalibratierapport meegeleverd, waarop naast de meterspecifieke
                    kalibratiefactor, óók de correctiefactor, of meterconstante staat aangegeven.
                    Natte kalibratie in ingebouwde toestand vindt direct plaats na inwerkingstelling
                    van de debietmeter.</al><al>Voorts worden aan de inbouw de volgende eisen gesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>Bij het inbouwen wordt rekening gehouden worden met de mogelijkheid tot
                            het uitvoeren van een natte kalibratie in–situ.</al></li><li nr="b."><al>De lengte van de rechte leiding vóór de meetbuis bedraagt minimaal vijf
                            maal de diameter van de meetbuis, gerekend vanuit het hart van de
                            meter.</al></li><li nr="c."><al>De lengte van de rechte leiding ná de meetbuis bedraagt minimaal twee
                            maal de diameter van de meetbuis, gerekend vanuit het hart van de
                            meter.</al></li><li nr="d."><al>De diameter van de rechte leiding vóór en ná de meetbuis is gelijk aan
                            de nominale diameter van de meetbuis (de inwendige diameters van de
                            meetbuis en in – en uitlaatstukken zijn gelijk).</al></li><li nr="e."><al>Toegepaste pakkingen steken niet naar binnen toe uit.</al></li><li nr="f."><al>De meetbuis is dusdanig ingebouwd dat deze altijd volledig gevuld is met
                            water.</al></li><li nr="g."><al>De meter is geaard door middel van een aardring, dan wel met een
                            aardelektrode die is ingebouwd in de meter.</al></li></lijst><al>Natte kalibratie</al><al>De meetapparatuur wordt ten minste éénmaal per drie jaar in ingebouwde toestand
                    nat gekalibreerd. In het jaar van natte kalibratie hoeft niet tevens een droge
                    kalibratie te worden uitgevoerd.</al><al>Voor debietmeters in mobiele meetapparatuur vindt de natte kalibratie jaarlijks
                    plaats in ingebouwde toestand bij minimaal de volgende vijf meetpunten: 10%,
                    25%, 50%, 75% en 100% van het werkgebied van de te kalibreren meter op een
                    ijkinstallatie waarvan de installatie kan worden herleid naar de nationale
                    volumestandaard van het Nederlands Meetinstituut (NMi). Onder werkgebied wordt
                    verstaan: het meetgebied tussen het minimale momentane debiet en het maximale
                    momentane debiet waarin de te kalibreren debietmeter in de praktijk wordt
                    toegepast. </al><al>Voorts worden aan de natte kalibratie de volgende eisen gesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>Minimaal éénmaal per drie jaar worden gesloten meetsystemen in
                            ingebouwde toestand nat gekalibreerd. Onder natte kalibratie wordt
                            verstaan dat een vooraf nauwkeurig bepaalde hoeveelheid water door de te
                            kalibreren meter wordt geleid (waarbij deze hoeveelheid is vastgesteld
                            bij een onder b genoemde instelling), dan wel dat tijdelijk een tweede,
                            bij voorkeur op hetzelfde meetprincipe gebaseerd meetsysteem in serie
                            wordt geplaatst en fungeert als moedermeter, dan wel op een andere, door
                            de heffingsambtenaar van het waterschap goedgekeurde methode. De wijze
                            van natte kalibratie vindt in overleg met de afdeling Toezicht en
                            Handhaving van het waterschap plaats. De natte kalibratie dient
                            uiterlijk twee weken voor aanvang te worden gemeld via
                            meetbedrijven@dommel.nl.</al></li><li nr="b."><al>Indien bij de natte kalibratie gebruik gemaakt wordt van een
                            moedermeter, wordt deze in ingebouwde toestand nat gekalibreerd bij
                            minimaal de volgende vijf meetpunten: 10%, 25%, 50%, 75% en 100% van het
                            werkgebied van de te kalibreren meter. De natte kalibratie van de
                            moedermeter vindt plaats op een ijkinstallatie van een ijkbevoegde
                            instelling, waarvan de installatie kan worden herleid naar de nationale
                            volumestandaard van het Nederlands Meetinstituut (NMi). Ook wanneer de
                            moedermeter nieuw is, wordt deze gekalibreerd op één van de genoemde
                            installaties, waarbij de meter is ingebouwd in de meetset of meetwagen
                            waarin deze in de praktijk zal worden ingezet.</al></li><li nr="c."><al>Het kalibratierapport van de moedermeter, waaruit het onder b bepaalde
                            moet blijken, mag niet ouder zijn dan één jaar. Dit kalibratierapport
                            wordt bij die van het gekalibreerde meetsysteem gevoegd.</al></li><li nr="d."><al>Tijdens de natte kalibratie wordt zoveel water door het te kalibreren
                            meetsysteem geleid, dat minimaal 1.000 waarnemingen worden bereikt.
                            Indien nodig kan hiertoe voor de kalibratieperiode de pulsinstelling
                            tijdelijk aangepast worden. De kalibratie vindt plaats in het werkgebied
                            waarin de te kalibreren meter onder normale bedrijfsomstandigheden
                            functioneert.</al></li><li nr="e."><al>Tijdens de natte kalibratie worden de gemeten hoeveelheden water van de
                            te kalibreren flowmeter (én van de moedermeter, wanneer daarvan sprake
                            is) door middel van printers of dataloggers met een frequentie van
                            minimaal éénmaal per uur geregistreerd. In geval van het toepassen van
                            dataloggers worden ook de ruwe, onbewerkte data bij het
                            kalibratierapport gevoegd.</al></li><li nr="f."><al>Bij de natte kalibratie wordt ook de randapparatuur, voor zover die
                            betrokken is bij de registratie van de meetgegevens, op een goede
                            werking gecontroleerd.</al></li></lijst><al>Droge kalibratie</al><al>Meetapparatuur voor debietmetingen wordt ten minste éénmaal per jaar droog
                    gekalibreerd,</al><al>tenzij in dat jaar een natte kalibratie plaatsvindt.</al><al>Voorts worden aan de droge kalibratie de volgende eisen gesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>Bij een droge kalibratie wordt de weerstand of de geleidbaarheid tussen
                            de elektroden gemeten. Wanneer aan de hand van deze controle blijkt dat
                            de meetbuis (mogelijk) vervuild is, dient deze te worden gereinigd.</al></li><li nr="b."><al>Op het kalibratierapport van een droge kalibratie wordt de weerstand of
                            de geleidbaarheid tussen de elektroden weergegeven. Wanneer de meetbuis
                            is gereinigd, wordt deze waarde zowel vóór, als ná het reinigen in het
                            kalibratierapport vermeld.</al></li><li nr="c."><al>Bij de droge kalibratie wordt ook de werking van randapparatuur, voor
                            zover die betrokken is bij de registratie van de meetgegevens, op een
                            goede werking gecontroleerd.</al></li><li nr="d."><al>Wanneer bij een droge kalibratie blijkt dat de meetfout groter is dan
                            5%, wordt het gesloten meetsysteem onmiddellijk in ingebouwde toestand
                            nat gekalibreerd, volgens de bepalingen welke van toepassing zijn bij
                            een natte kalibratie.</al></li></lijst><al>Kalibratierapport</al><al>Van een debietmeter moet het kalibratierapport binnen 1 maand na de kalibratie
                    toegezonden worden aan meetbedrijven@dommel.nl.</al><al>Bij een natte kalibratie in ingebouwde toestand (dat wil zeggen: ter plekke op
                    het bedrijf, of als</al><al>complete mobiele meetset op een ijkbank van een daartoe bevoegde instantie),
                    worden de volgende aspecten vastgesteld én gerapporteerd op het
                    kalibratierapport:</al><lijst><li nr="-"><al>de ‘as–found’ meetafwijking (de gevonden meetafwijking, nog vóór
                            eventuele reiniging van de debietmeter);</al></li><li nr="-"><al>eventuele hardwarematige aanpassingen (nieuwe spoel, etc.);</al></li><li nr="-"><al>de justering (softwarematige aanpassing van de
                            correctiefactor/meterconstante);</al></li><li nr="-"><al>de ‘as–left’ meetafwijking, eventueel na hardwarematige
                            aanpassing/justering;</al></li><li nr="-"><al>de (eventueel nieuwe) correctiefactor, of meterconstante.</al><al><vet><onderstreept>Paragraaf 3</onderstreept></vet><vet><onderstreept>
                                    Bemonstering</onderstreept></vet></al></li></lijst><tussenkop>3.1 Algemeen, instelling en uitvoering van apparatuur</tussenkop><al>De bemonstering dient plaats te vinden met behulp van automatische
                    monstername–apparatuur. De bemonstering geschiedt in overeenstemming met NEN
                    6600–1 (Water–Monsterneming–Deel 1: Afvalwater 2009), met dien verstande dat
                    bemonstering door steekbemonstering niet is toegestaan, tenzij anders
                    bepaald.</al><tussenkop>Paragraaf 4 Monsterbehandeling</tussenkop><tussenkop>4.1 Algemeen</tussenkop><al>De monsterbehandeling geschiedt in overeenstemming met NEN 6600–1
                    (Water–Monsterneming–Deel 1: Afvalwater 2009) en conform paragraaf 9 van NEN
                    6600-1 (2009) wordt direct na monsterneming geconserveerd volgens NEN-EN-ISO
                    5667-3 (2012). De monsters worden gekoeld en in donker bewaard tussen 1° en 5°
                    C.</al><al>Van elk verzameld monster wordt een representatief deel van 3 liter gedurende 24
                    uur in een goed gesloten vat/fles bij maximaal 5° C in het donker te worden
                    bewaard ten behoeve van contra-analyse door het waterschap. De monsterflessen
                    bestemd voor analyse door de heffingplichtige en voor contra–analyse vanwege de
                    heffingsambtenaar van het waterschap worden om en om gevuld. Op deze wijze wordt
                    bewerkstelligd dat het monster voor de analyse op een heffingsparameter door de
                    heffingplichtige en voor de desbetreffende contra–analyse vanwege de
                    heffingsambtenaar van het waterschap zoveel mogelijk identiek zijn.</al><tussenkop>4.2 Conservering en maximale bewaartermijn</tussenkop><al>De monsters uit het etmaalverzamelmonster worden tot en met het einde van de
                    bewaartermijn geconserveerd op de wijze zoals is aangegeven in tabel A. Wanneer
                    een monster uit het etmaalverzamelmonster wordt ingevroren of chemisch
                    geconserveerd, geschiedt dit binnen 12 uur na afloop van de
                    bemonsteringsperiode. De eventuele voorschriften met betrekking tot chemische
                    conservering gelden in aanvulling op de voorschriften met betrekking tot de
                    conserveringstemperatuur gedurende de bewaartermijn.</al><al>In tabel A zijn tevens de maximale bewaartermijnen opgenomen die gelden voor de
                    onderscheidenlijk uit te voeren analyses. De voorbehandeling ten behoeve van een
                    analyse vangt na het einde van het etmaal aan, binnen de maximale bewaartermijn
                    die bij de desbetreffende analyse in tabel A is vermeld. De voorbehandeling van
                    het monster ten behoeve van de analyse, waaronder ondermeer wordt begrepen het
                    ontdooien van bevroren monsters, wordt uitgevoerd op een wijze en binnen een
                    zodanige termijn dat daardoor de representativiteit van het monster niet wordt
                    verstoord. Een monster dat op één van de in tabel A aangegeven wijzen chemisch
                    is geconserveerd wordt niet gebruikt voor één van de in tabel A opgenomen wijzen
                    van analyse, waarvoor op basis van tabel A geen of andere voorschriften op het
                    vlak van de chemische conservering gelden.</al><table><tgroup cols="5"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="24*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="12*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="18*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="26*"/><colspec colname="col5" colnum="5" colwidth="19*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Tabel A</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Voor analyse op</vet></al></entry><entry colname="col2" nameend="col3" namest="col2"><al><vet>Omgevingstemperatuur</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>Methode conservering</vet></al></entry><entry colname="col5"><al><vet>Maximale bewaartijd</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al><vet>tijdens transport</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>tot einde bewaartermijn</vet></al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="1"><al>Biochemisch zuurstofverbruik </al></entry><entry colname="col2" morerows="1"><al>tussen 2 en 8 °C</al></entry><entry colname="col3"><al>tussen 1 en 5 °C</al></entry><entry colname="col4"><al>Koelen onder uitsluiting van licht.</al></entry><entry colname="col5"><al>1 dag</al></entry></row><row><entry colname="col3"><al>&lt;-18 °C</al></entry><entry colname="col4"><al>Invriezen binnen 12 uur </al></entry><entry colname="col5"><al>1 mnd (indien BZV &lt; =50 mg/l) 6 mnd (indien BZV &gt;50
                                        mg/l)</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="1"><al>Chemisch zuurstofverbruik</al></entry><entry colname="col2" morerows="1"><al>tussen 2 en 8 °C</al></entry><entry colname="col3"><al>tussen 1 en 5 °C</al></entry><entry colname="col4"><al>Koelen en aanzuren met H2SO4 tot pH &lt; 2</al></entry><entry colname="col5"><al>6 maanden</al></entry></row><row><entry colname="col3"><al>&lt;-18 °C</al></entry><entry colname="col4"><al>Invriezen binnen 12 uur </al></entry><entry colname="col5"><al>6 maanden</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="1"><al>Som ammoniumstikstof en organisch gebonden stikstof</al></entry><entry colname="col2" morerows="1"><al>tussen 2 en 8 °C</al></entry><entry colname="col3"><al>tussen 1 en 5 °C</al></entry><entry colname="col4"><al>Koelen en aanzuren met H2SO4 tot pH &lt; 2</al></entry><entry colname="col5"><al>1 maand</al></entry></row><row><entry colname="col3"><al>&lt;-18 °C</al></entry><entry colname="col4"><al>Invriezen binnen 12 uur </al></entry><entry colname="col5"><al>6 maanden</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Het biochemisch zuurstofverbruik is weliswaar geen heffingsparameter voor de
                    zuiveringsheffing, maar wordt aangewend bij toepassing van
                    berekeningsvoorschrift II van Onderdeel C van deze bijlage. Op grond van dit
                    berekeningsvoorschrift wordt de methode van het biochemisch zuurstofverbruik
                    toegepast voor de bepaling van het percentage chemisch zuurstofverbruik van de
                    biologisch niet of nagenoeg niet afbreekbare stoffen.</al><tussenkop>B Analysevoorschriften</tussenkop><tussenkop>Paragraaf 1 Algemeen</tussenkop><al>De analyses worden uitgevoerd in het representatieve monster, dat is verkregen
                    op de in onderdeel A van deze bijlage vermelde wijze. Het onderzoek wordt in het
                    water als zodanig </al><al>uitgevoerd, dus zonder dat daaruit bezinkbare of opdrijvende bestanddelen zijn
                    verwijderd. Er is in dit onderdeel verwezen naar normbladen, uitgegeven door het
                    Nederlands Normalisatie–Instituut. De publicatie van de normbladen wordt
                    aangekondigd in de Nederlandse Staatscourant. Een wijziging in een normblad
                    wordt eerst van kracht op 1 januari van het jaar volgende op dat waarin de
                    bekendmaking van de wijziging in de Nederlandse Staatscourant heeft
                    plaatsgevonden.</al><al>De in tabel B vermelde aantoonbaarheidsgrenzen zijn de concentraties van de
                    desbetreffende stoffen die bij de analyse ten minste aangetoond moeten kunnen
                    worden.</al><tussenkop>Paragraaf 2 Analyse</tussenkop><al>De analyse van het monster geschiedt op de wijze zoals die is aangegeven in
                    tabel B, volgens de actuele versie van die norm.</al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="25*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="25*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="33*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="17*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Tabel B </vet></al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Parameter/stof</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Ontsluiting volgens normblad</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>Meting volgens normblad</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>Aantoonbaar- heidsgrens</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Chemisch</al><al>zuurstofverbruik</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>NEN 6633 of</al><al>NEN-ISO 15705 <sup>1)</sup></al></entry><entry colname="col4"><al>5 mg/l <sup>2)</sup></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Biochemisch</al><al>zuurstofverbruik</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>NEN-EN 1899-1</al></entry><entry colname="col4"><al>Volgens norm</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="7"><al>Som ammoniumstikstof en organisch gebonden stikstof</al></entry><entry colname="col2" morerows="2"><al>NEN 6645</al></entry><entry colname="col3"><al>NEN 6604 of</al><al>ISO 15923</al></entry><entry colname="col4" morerows="7"><al>0,5 mg/l</al></entry></row><row><entry colname="col3"><al>NEN 6646</al></entry></row><row><entry colname="col3"><al>NEN-EN-ISO 11732</al></entry></row><row><entry colname="col2"><al>NEN-EN 12260</al></entry><entry colname="col3"><al>NEN-EN 12260</al><al>Voor correctie nitriet/nitraat: NEN-EN-ISO 13395,</al><al>NEN 6604 of</al><al>ISO 15923-1</al></entry></row><row><entry colname="col2" morerows="1"><al>NEN-ISO 5663</al></entry><entry colname="col3"><al>NEN 6604 of ISO 15923-1</al></entry></row><row><entry colname="col3"><al>NEN-ISO 5663</al></entry></row><row><entry colname="col2" morerows="1"><al>NEN 6646</al></entry><entry colname="col3"><al>NEN 6646</al></entry></row><row><entry colname="col3"><al>NEN 6604 of</al><al>ISO 15923</al></entry></row></tbody></tgroup></table><lijst><li nr="1)"><al>De analyse volgens normblad NEN-ISO 15705 is toepasbaar voor onverdunde
                            monsters met een gehalte aan zuurstofverbruik tot aan 1.000 mg/l en
                            chloridenconcentraties die lager zijn dan 1.000 mg/l. De ambtenaar
                            belast met de heffing kan voorts de methode niet toepasbaar verklaren
                            indien naar zijn oordeel andere omstandigheden daartoe aanleiding
                            geven.</al></li><li nr="2)"><al>De analyse volgens normblad NEN-ISO 15705 heeft een
                            aantoonbaarheidsgrens van 6 mg/l voor fotometrische detectie bij 600 nm
                            en 15 mg/l voor titrimetrische detectie (gebaseerd op één enkelvoudige
                            meting van één laboratorium) wanneer cuvetten worden gebruikt met een
                            bereik van maximaal 1.000 mg/l.</al></li></lijst><tussenkop>C Berekeningsvoorschriften</tussenkop><lijst><li nr="I."><al>Berekeningswijze van het aantal vervuilingseenheden</al><al> Zuurstofbindende stoffen:</al><al> (artikel 6, derde lid)</al><al> Het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot het zuurstofverbruik
                            wordt berekend door het totale aantal kilogrammen zuurstofverbruik van
                            de in het kalenderjaar afgevoerde zuurstofbindende stoffen te delen door
                            54,8 kilogram.</al><al> Het aantal kilogrammen zuurstofverbruik van de gedurende een etmaal
                            afgevoerde zuurstofbindende stoffen wordt berekend volgens de
                            formule:</al><al><onderstreept>Q x (CZV + 4,57 x N–Kj)</onderstreept></al><al> 1000</al><al> In deze formule wordt verstaan onder:</al><al> Q: het aantal m³ afgevoerd afvalwater per etmaal;</al><al> CZV: het chemisch zuurstofverbruik bepaald volgens de in onderdeel B
                            van deze bijlage vermelde analysevoorschriften, in mg/l;</al><al> N–Kj: de som van ammoniumstikstof en organisch gebonden stikstof
                            volgens de in onderdeel B van de deze bijlage vermelde
                            analysevoorschriften, in mg/l.</al></li><li nr="II."><al>Indien de CZV–waarde voor ten minste 25% afkomstig is van biologisch
                            niet of nagenoeg niet</al><al> afbreekbare stoffen in het afvalwater, wordt op die waarde een
                            correctie toegepast door deze te</al><al> vermenigvuldigen met de breuk: <onderstreept>100 –
                            T</onderstreept></al><al> 75</al><al> waarbij</al><al> T = het percentage CZV, afkomstig van biologisch niet of nagenoeg niet
                            afbreekbare stoffen.</al></li><li nr="III."><al>Bij de bepaling van het aantal etmalen in artikel 8, wordt gebruik
                            gemaakt van de volgende</al><al> formule:</al><al> x N</al><al>n =  , waarbij</al><al> + N</al><al> n = het berekende aantal meetdagen;</al><al> N = het aantal dagen per jaar waar op wordt afgevoerd;</al><al> n = spreidingspercentage in de meetwaarden, uitgedrukt ten opzichte van
                            de gemiddelde hoeveelheid zuurstofverbruik van de onderzoeksresultaten
                            gedurende het heffingsjaar;</al><al> tso = toelaatbare statistische onnauwkeurigheid = 35/e 0,000175*VeO,
                            waarbij:</al><al> VeO = vervuilingswaarde van de afgevoerde zuurstofbindende
                            stoffen;</al></li></lijst></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage II</titel></kop><tussenkop>Tabel afvalwatercoëfficiënten (artikel 122k, derde lid,
                    Waterschapswet)</tussenkop><tussenkop>behorende bij de Verordening verontreinigingsheffing Waterschap De Dommel
                    2016</tussenkop><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colwidth="19*"/><colspec colname="col2" colwidth="26*"/><colspec colname="col3" colwidth="22*"/><colspec colname="col4" colwidth="34*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Klasse</al></entry><entry colname="col2" nameend="col3" namest="col2"><al>Klassegrenzen uitgedrukt in aantal vervuilingseenheden met
                                        betrekking tot het zuurstofverbruik per m<sup>3</sup>
                                        ingenomen water</al></entry><entry colname="col4"><al>Afvalwatercoëfficiënt uitgedrukt in aantal
                                        vervuilingseenheden per m<sup>3</sup> ingenomen water in het
                                        heffingsjaar</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>ondergrens</al></entry><entry colname="col3"><al>bovengrens</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1</al></entry><entry colname="col2"><al>&gt; 0</al></entry><entry colname="col3"><al>0,0013</al></entry><entry colname="col4"><al>0,0010</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2</al></entry><entry colname="col2"><al>&gt; 0,0013</al></entry><entry colname="col3"><al>0,0020</al></entry><entry colname="col4"><al>0,0016</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3</al></entry><entry colname="col2"><al>&gt; 0,0020</al></entry><entry colname="col3"><al>0,0031</al></entry><entry colname="col4"><al>0,0025</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4</al></entry><entry colname="col2"><al>&gt; 0,0031</al></entry><entry colname="col3"><al>0,0048</al></entry><entry colname="col4"><al>0,0039</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5</al></entry><entry colname="col2"><al>&gt; 0,0048</al></entry><entry colname="col3"><al>0,0075</al></entry><entry colname="col4"><al>0,0060</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>6</al></entry><entry colname="col2"><al>&gt; 0,0075</al></entry><entry colname="col3"><al>0,012</al></entry><entry colname="col4"><al>0,0094</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>7</al></entry><entry colname="col2"><al>&gt; 0,012</al></entry><entry colname="col3"><al>0,018</al></entry><entry colname="col4"><al>0,015</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>8</al></entry><entry colname="col2"><al>&gt; 0,018</al></entry><entry colname="col3"><al>0,029</al></entry><entry colname="col4"><al>0,023</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>9</al></entry><entry colname="col2"><al>&gt; 0,029</al></entry><entry colname="col3"><al>0,045</al></entry><entry colname="col4"><al>0,036</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>10</al></entry><entry colname="col2"><al>&gt; 0,045</al></entry><entry colname="col3"><al>0,070</al></entry><entry colname="col4"><al>0,056</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>11</al></entry><entry colname="col2"><al>&gt; 0,070</al></entry><entry colname="col3"><al>0,11</al></entry><entry colname="col4"><al>0,088</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>12</al></entry><entry colname="col2"><al>&gt; 0,11</al></entry><entry colname="col3"><al>0,17</al></entry><entry colname="col4"><al>0,14</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>13</al></entry><entry colname="col2"><al>&gt; 0,17</al></entry><entry colname="col3"><al>0,27</al></entry><entry colname="col4"><al>0,21</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>14</al></entry><entry colname="col2"><al>&gt; 0,27</al></entry><entry colname="col3"><al>0,42</al></entry><entry colname="col4"><al>0,33</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>15</al></entry><entry colname="col2"><al>&gt; 0,42</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>0,5</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>– – – – –</al></bijlage><nota-toelichting><al><vet>Toelichting op </vet></al><al>de verordening verontreinigingsheffing Waterschap De Dommel 2016</al><al>A.ALGEMEEN</al><al><vet>Doelstelling en karakter verontreinigingsheffing </vet></al><al>De verontreinigingsheffing vindt haar wettelijke basis in artikel 7.2, tweede
                    lid, van de Waterwet (Wet van 29 januari 2009, Stb. 107). Zij is daarmee de
                    opvolger van de verontreinigingsheffing zoals die tot en met 2009 werd geheven
                    op basis van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Wet van 13 november
                    1969, Stb. 536). </al><al>Die verontreinigingsheffing “oude stijl” tot en met 2008 diende ter financiering
                    van alle activiteiten in het kader van het waterkwaliteitsbeheer. Zowel de
                    kosten voor het actieve beheer (transporteren en zuiveren van afvalwater,
                    verbranden van zuiveringsslib en baggeren uit waterkwaliteitsoogpunt) als voor
                    het passieve beheer (vergunningverlening, toezicht en controle, handhaving,
                    waterkwaliteitsbeheersplannen) werden hiermee bekostigd. </al><al>Met de inwerkingtreding van de Wet modernisering waterschapsbestel (Wet van 21
                    mei 2007, Stb. 208) is hier verandering in gekomen. Met ingang van 2009 worden
                    de kosten ter bestrijding van de zorg voor het zuiveren van afvalwater, waar ook
                    het transporteren van afvalwater en het verbranden van zuiveringsslib toe worden
                    gerekend, gedekt uit de opbrengst van de zuiveringsheffing.</al><al>Het passieve waterkwaliteitsbeheer en het baggeren uit waterkwaliteitsoogpunt
                    horen sinds 2009 tot de zorg voor het watersysteem, waar ook de zorg voor de
                    waterkering en de waterbeheersing toe worden gerekend. De zorg voor het
                    watersysteem wordt bekostigd uit de opbrengst van de watersysteemheffing. Voor
                    directe lozingen op oppervlaktewater bleef in 2009 de verontreinigingsheffing op
                    grond van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren wel bestaan. De opbrengst
                    kwam ten goede aan de bekostiging van het beheer van het watersysteem. Die
                    praktijk vindt ook na 2009 toepassing, zij het dat de wettelijke basis voor de
                    heffing zoals gezegd met ingang van 2010 in de Waterwet is geregeld. De
                    essentialia van de heffing zijn niet veranderd en zij vertonen grote
                    overeenkomst met de zuiveringsheffing. Het kenmerkende verschil tussen de beide
                    heffingen is dat de zuiveringsheffing wordt geheven voor het afvoeren van
                    stoffen op de riolering of een zuiveringtechnisch werk, terwijl de
                    verontreinigingsheffing is verschuldigd voor het lozen van stoffen in een
                    oppervlaktewaterlichaam.</al><al>B.ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</al><al>B.Considerans </al><al>B.<cursief>Bevoegdheid algemeen bestuur </cursief></al><al>B.Uitsluitend het algemeen bestuur is bevoegd tot het vaststellen van de
                    heffingsverordening. Dit vloeit voort uit artikel 110 van de Waterschapswet. Het
                    dagelijks bestuur is belast met de voorbereiding van de heffingsverordening
                    (artikel 84 van de Waterschapswet).</al><al>B.<cursief>Bevoegdheid instellen verontreinigingsheffing </cursief></al><al>B.De bevoegdheid voor waterschappen om een verontreinigingsheffing in te
                    stellen, ligt in artikel 7.2 van de Waterwet, juncto artikel 113 van de
                    Waterschapswet, voorts zijn in hoofdstuk 6 § 2 van het Waterschapsbesluit nog
                    enkele nadere regels gesteld. In artikel 113 van de Waterschapswet geeft de
                    wetgever aan het waterschap de bevoegdheid om krachtens een bijzondere wet te
                    heffen. De Waterwet is een dergelijke bijzondere wet. </al><al><vet>Begripsbepalingen </vet></al><al><vet>Artikel 1</vet></al><al>Om duidelijkheid te scheppen over een aantal in de verordening voorkomende
                    begrippen en om de leesbaarheid van de tekst te bevorderen, is van deze
                    begrippen een omschrijving gegeven in artikel 1. Daarbij is zo veel mogelijk
                    aangesloten bij de begripsbepalingen in de artikelen 1 en 7.1 van de
                    Waterwet.</al><al><vet>Onderdeel a </vet></al><al>De Waterwet introduceert het begrip oppervlaktewaterlichaam. Dit is meer
                    omvattend dan het begrip oppervlaktewater zoals dat in de Wet verontreiniging
                    oppervlaktewateren wordt genoemd en later in jurisprudentie nader inhoud heeft
                    gekregen. In artikel 7.2, tweede lid, van de Waterwet wordt ten aanzien van de
                    verontreinigingsheffing een tweetal zaken uitgezonderd, te weten als zodanig
                    aangewezen drogere oevergebieden en de exclusieve economische zone. Er is voor
                    gekozen om van die uitzonderingen alleen de drogere oevergebieden als
                    uitzondering op te nemen. De exclusieve economische zone is het water in de
                    Noordzee buiten de territoriale wateren boven het Nederlandse deel van het
                    continentaal plat en zal daarom in geen enkel geval binnen het beheersgebied van
                    een waterschap vallen. De uitzondering van de exclusieve economische zone heeft
                    dus alleen effect voor zover het de verontreinigingsheffing door het rijk
                    betreft.</al><al>Nu het begrip oppervlaktewater is vervangen door oppervlaktewaterlichaam, doet
                    zich de vraag voor of en in hoeverre de in de loop der jaren ontstane
                    definiëring van het begrip oppervlaktewater ook van toepassing is op
                    oppervlaktewaterlichaam. </al><al>De Memorie van Toelichting op het wetsvoorstel (Kamerstuk 2006-2007, 30 818, nr.
                    3) geeft daarover uitsluitsel. Op pagina 88 staat: “Onder de begripsomschrijving
                    vallen aldus de watereenheden waarop de jurisprudentie van de Hoge Raad inzake
                    het begrip oppervlaktewater uit de Wet verontreiniging oppervlaktewateren – dat
                    in die wet overigens niet is gedefinieerd – betrekking heeft”. Vervolgens wordt
                    ook aangegeven dat de definitie van oppervlaktewater uit de kaderrichtlijn water
                    niet geschikt is om in de Waterwet over te nemen.</al><al>Zoals bekend mag worden verondersteld, is er destijds bij de Wet verontreiniging
                    oppervlaktewateren bewust voor gekozen om, vanwege de grote verscheidenheid in
                    verschijningsvormen, het begrip oppervlaktewateren niet in de wet te
                    omschrijven. Nadere definiëring zou moeten plaatsvinden door middel van
                    jurisprudentie. In de Memorie van Toelichting is wel aangegeven welke eisen aan
                    oppervlaktewater zouden kunnen worden gesteld. </al><al>Zo zou het: </al><lijst><li nr="-"><al>geschikt moeten zijn om te dienen als grondstof voor drinkwater voor de
                            mens dat tegen een redelijke prijs is te distribueren;</al></li><li nr="-"><al>geschikt moeten zijn om te dienen als drinkwater voor vee;</al></li><li nr="-"><al>geschikt moeten zijn als sproei- en gietwater in de agrarische
                            sector;</al></li><li nr="-"><al>geschikt moeten zijn voor recreatieve doeleinden;</al></li><li nr="-"><al>geschikt moeten zijn voor industriële toepassingen; of</al></li><li nr="-"><al>vormen van aquatisch leven kunnen bevatten.</al></li></lijst><al>Uit de Memorie van Toelichting blijkt verder dat het begrip zich niet beperkt
                    tot openbare wateren. </al><al>Zoals verwacht is in de jurisprudentie aan het begrip oppervlaktewater de nodige
                    invulling gegeven. De meest uitgebreide definitie gaf de Hoge Raad in zijn
                    arrest van 30 november 1982 (BNB 1983/244): </al><al>‘Als oppervlaktewater in de zin der wet is te beschouwen een – anders dan louter
                    incidenteel aanwezige – aan het oppervlak en aan de open lucht grenzende
                    watermassa (met inbegrip van een bedding waarin zodanige watermassa al dan niet
                    bij voortduring voorkomt), tenzij daarin als gevolg van rechtmatig gebruik ten
                    behoeve van een specifiek doel geen normaal samenhangend geheel van levende
                    organismen en een niet-levende omgeving (ecosysteem) aanwezig is, dan wel het
                    een ter berging van afval gegraven bekken betreft waarin slechts in een
                    overgangsfase water aanwezig is en zich nog geen normaal ecosysteem heeft
                    ontwikkeld.’ </al><al>Op 8 november 1978 (BNB 1979/15) oordeelde de Hoge Raad dat bij een
                    zuiveringsinstallatie behorende bezinkbedden niet als oppervlaktewater
                    aangemerkt kunnen worden. </al><al>Een sloot van 300 meter lang en 2,5 meter breed die ‘s winters is gevuld en ‘s
                    zomers in de regel althans gedeeltelijk enig water bevat, moet onder andere
                    vanwege het feit dat de sloot kan dienen voor landbouwdoeleinden, worden
                    aangemerkt als oppervlaktewater (Hoge Raad 12 november 1980, BNB 1981/43 en na
                    verwijzing Hof Amsterdam 28 oktober 1981 BNB 1983/55, Belastingblad 1987, blz.
                    249). </al><al>Een sloot van waaruit geregeld – dat wil zeggen niet minder dan eenmaal per jaar
                    – gedurende enige tijd water wegvloeit naar een ander slotenstelsel kan als
                    oppervlaktewater worden aangemerkt (Hoge Raad 26 januari 1983, BNB 1983/89,
                    Belastingblad 1983, blz. 182 en Hoge Raad 22 juni 1983, BNB 1983/241,
                    Belastingblad 1983, blz. 465). </al><al>Ook afgedamde slootgedeelten kunnen oppervlaktewater zijn (Hoge Raad 25 mei
                    1983, BNB 1983/247, Belastingblad 1983, blz. 462). </al><al>Een open beekvak dat deel uitmaakt van een (ondergrondse) verbinding tussen twee
                    oppervlaktewateren kan als oppervlaktewater worden aangemerkt, ook als de klep
                    in de duiker onder de naast die verbinding gelegen weg gedurende het
                    heffingsjaar was gesloten (Hoge Raad 27 maart 1985, BNB 1985/167, Belastingblad
                    1985, blz. 464). </al><al>Een greppel van vijftig meter lang en een meter breed, die aan weerszijden van
                    het lozingspunt slechts over een lengte van tien meter enig water bevat en niet
                    in verbinding staat met enig oppervlaktewater, kan niet als oppervlaktewater
                    worden aangemerkt (Hoge Raad 27 januari 1988, BNB 1988/123, Belastingblad 1988,
                    blz. 223).</al><al><vet>Onderdeel b </vet></al><al>Voor de omschrijving van ‘stoffen’ is verwezen naar de stoffen genoemd in
                    artikel 9. In dat artikel zijn de stoffen opgenomen die door het waterschap in
                    de heffing worden betrokken, alsmede de gewichtseenheden van die stoffen.</al><al><vet>Onderdeel c </vet></al><al>Lozen is het brengen van stoffen in een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij
                    het waterschap. Welke oppervlaktewaterlichamen dat zijn, valt op te maken uit de
                    gebiedsomschrijving zoals die is opgenomen in het reglement voor het waterschap. </al><al><vet>Onderdeel d </vet></al><al>In artikel 7.1 van de Waterwet is een definitie van het begrip woonruimte
                    opgenomen. Dit onderdeel regelt in overeenstemming met de definitie uit de
                    Waterwet, wat onder een woonruimte moet worden verstaan. Niet elke bewoonde
                    ruimte kan als woonruimte worden aangemerkt. Een woonruimte wordt geacht te zijn
                    bestemd om als een afzonderlijk geheel te voorzien in woongelegenheid. Of dit
                    het geval is moet blijken uit de inrichting van de ruimte. In deze definitie
                    wordt tot uitdrukking gebracht dat het moet gaan om een ruimte die zelfstandig
                    bruikbaar is en derhalve niet meer dan bijkomstig afhankelijk is van elders in
                    het gebouw aanwezige voorzieningen die voor de woonfunctie wel van wezenlijk
                    belang zijn. Hierbij moet worden gedacht aan het met gebruikers van andere
                    ruimten delen van faciliteiten als kookgelegenheid, sanitair of bad- en
                    douchegelegenheid. Dit komt vaak in onder meer studentenhuizen en pensions voor.
                    In een dergelijke situatie kan niet worden gesproken van een woonruimte in de
                    zin van deze verordening. Zie hiervoor ook de arresten van de Hoge Raad van 23
                    juli 1984, BNB 1984/282, Belastingblad 1984, blz. 544, 8 februari 1995, BNB
                    1995/92, Belastingblad 1995, blz. 202, 10 januari 1996, BNB 1996/77,
                    Belastingblad 1996, blz. 168). </al><al>Dat het begrip woonruimte ruim moet worden uitgelegd valt af te leiden uit het
                    arrest van de Hoge Raad van 29 mei 1991 waarin een kajuitzeilschip als
                    woonruimte werd aangemerkt (BNB 1991/213, Belastingblad 1991, blz. 479).</al><al><vet>Onderdeel e </vet></al><al>In artikel 7.1 van de Waterwet is een definitie van het begrip bedrijfsruimte
                    opgenomen. Bij de omschrijving van het begrip bedrijfsruimte is gekozen voor een
                    negatieve formulering om een zo groot mogelijke reikwijdte aan het begrip te
                    geven. Alles wat geen woonruimte, openbaar vuilwaterriool of zuiveringtechnisch
                    werk is, moet als een bedrijfsruimte worden aangemerkt. </al><al><vet>Onderdeel f </vet></al><al>Onder openbaar vuilwaterriool wordt verstaan het algemene gemeentelijk
                    rioolstelsel. Dat loopt door tot het zogenaamde overnamepunt waar het
                    zuiveringtechnisch werk van het waterschap begint. Dit begrip betekent een
                    verruiming ten opzichte van het begrip riolering in artikel 17 van de Wet
                    verontreiniging oppervlaktewateren. Nu wordt ook rekening gehouden met de
                    omstandigheid dat het beheer bij een rechtspersoon en niet bij de gemeente zelf
                    berust. </al><al><vet>Onderdeel g </vet></al><al>De definitie van een zuiveringtechnisch werk komt in belangrijke mate overeen
                    met de omschrijving van het oude artikel 15a van de Wet verontreiniging
                    oppervlaktewateren. Het gebruik van de term stedelijk afvalwater betekent wel
                    een bekorting van de oude omschrijving. Ook is de term beheer vervangen door
                    exploitatie, omdat in het kader van de Waterwet het begrip beheer betrekking
                    heeft op watersystemen. Dit doet overigens niet af aan het vereiste in artikel
                    3.4 van de Waterwet dat het moet gaan om een installatie onder de zorg van een
                    waterschap of eventueel een gemeente. Naast afvalwaterzuiveringsinstallaties
                    vallen ook gemalen, persleidingen, vrijvervalleidingen, open en dichte
                    afvoergoten en pompstations ten behoeve van het afvalwater nog altijd onder de
                    definitie. Hiermee wordt aansluiting gezocht op de jurisprudentie van de Hoge
                    Raad dienaangaande. De gemeentelijke riolering wordt hier niet onder begrepen
                    (zie onderdeel f, waar het begrip openbaar vuilwaterriool is gedefinieerd). </al><al><vet>Onderdeel h </vet></al><al>De definitie van stedelijk afvalwater is ontleend aan artikel 1.1, eerste lid,
                    van de Waterwet.</al><al><vet>Onderdeel i </vet></al><al>De inspecteur is het bestuursorgaan aan wie de wetgever door middel van de
                    Algemene wet inzake rijksbelastingen de bevoegdheid tot het opleggen van
                    aanslagen en het doen van uitspraak op bezwaarschriften heeft geattribueerd. In
                    artikel 123 van de Waterschapswet wordt onder meer de Algemene wet inzake
                    rijksbelastingen van toepassing verklaard voor het heffen van belastingen door
                    waterschappen. Dit artikel bepaalt voorts dat de bevoegdheden van de inspecteur
                    toekomen aan de daartoe aangewezen ambtenaar van het waterschap. Die aanwijzing
                    geschiedt bij een door het dagelijks bestuur te nemen aanwijzingsbesluit.
                    Behalve het opleggen van aanslagen en het doen van uitspraak op
                    bezwaarschriften, komt krachtens deze verordening aan deze functionaris ook de
                    bevoegdheid tot het afgeven van meetbeschikkingen toe (artikel 10 en
                    verder).</al><al><vet>Onderdeel j </vet></al><al>Hoewel de Waterschapswet dit begrip niet expliciet omschrijft, moet onder het
                    watersysteem worden verstaan de zorg voor de waterkering, de waterbeheersing en
                    het passieve waterkwaliteitsbeheer. Hoewel hiervoor in de vorm van de
                    watersysteemheffing een eigen financieringsmiddel in het leven is geroepen, is
                    voor directe lozingen op een oppervlaktewaterlichaam de verontreinigingsheffing
                    blijven bestaan. De opbrengst van die heffing komt ten goede aan de bekostiging
                    van het beheer van het watersysteem (artikel 7.2, vijfde lid, van de Waterwet). </al><al><vet>Onderdeel k </vet></al><al>De Drinkwaterwet bevat een definitie van het begrip drinkwater. In het kader van
                    deze verordening is echter al het ingenomen water van belang, waaronder niet
                    uitsluitend voor menselijke consumptie geschikt water worden verstaan. Ook zaken
                    als warm tapwater (vaak afkomstig van stadsverwarmingsbedrijven) en “grijs”
                    water voor het wassen van kleding, vallen hier onder. </al><al><vet>Onderdeel l </vet></al><al>Met de inwerkingtreding van de Drinkwaterwet is het begrip warm tapwater
                    geïntroduceerd. Dit is water voor huishoudelijk gebruik dat door een leverancier
                    wordt opgewarmd alvorens het aan de consument wordt geleverd. Door de
                    Drinkwaterwet wordt warm tapwater nadrukkelijk uitgezonderd van het begrip
                    drinkwater. Het is echter wel water dat na gebruik wordt geloosd en valt daarom
                    binnen de ratio van ingenomen water. Om die reden wordt warm tapwater
                    afzonderlijk genoemd in dit onderdeel.</al><al>Behalve via nutsbedrijven wordt ook op andere wijze water verkregen. Zo wordt op
                    steeds grotere schaal door bedrijven voor sanitair gebruik hemelwater
                    opgevangen. Omdat dit water na gebruik wordt geloosd, dient het eveneens in de
                    berekening van de vervuilingswaarde te worden betrokken.</al><al><vet>Onderdeel m </vet></al><al>Een drinkwaterbedrijf hoeft, zoals blijkt uit de begripsomschrijving in artikel
                    1, eerste lid, van de Drinkwaterwet niet uitsluitend te voorzien in het leveren
                    van water. Dergelijke leveringen kunnen deel uitmaken van een ruimer aanbod van
                    producten, bijvoorbeeld elektrische energie, warmte of aardgas. </al><al><vet>Onderdeel n</vet></al><al>Bij de definitie van warm tapwater wordt aangesloten bij de definitie die
                    gegeven is in artikel 1, eerste lid, van de Drinkwaterwet.</al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Bijlagen </titel></kop><al/><al><vet>Artikel 2</vet></al><al>De grondslag voor de verontreinigingsheffing wordt gevormd door de hoeveelheid
                    en de hoedanigheid van de stoffen die worden geloosd. Als heffingsmaatstaf geldt
                    de vervuilingswaarde van de stoffen die in een kalenderjaar worden geloosd,
                    uitgedrukt in vervuilingseenheden. Zoals blijkt uit artikel 7.5, eerste lid, van
                    de Waterwet is de hoofdregel dat het aantal vervuilingseenheden wordt
                    vastgesteld met behulp van door middel van meting, bemonstering en analyse
                    verkregen gegevens overeenkomstig bij belastingverordening te stellen regels.
                    Die regels zijn opgenomen in Bijlage I. Zie in dit verband ook de artikelen 10,
                    11 en 12 van de verordening. </al><al>Artikel 7.5, vijfde lid, van de Waterwet verklaart een aantal bepalingen met
                    betrekking tot de zuiveringsheffing in de Waterschapswet van overeenkomstige
                    toepassing voor de verontreinigingsheffing. Daardoor is er een aantal
                    uitzonderingen op deze hoofdregel van toepassing. Deze uitzonderingen, in casu
                    voor woonruimten, kleine bedrijfsruimten, glastuinbouwbedrijven en bedrijven met
                    een vervuilingswaarde van 1.000 vervuilingseenheden en minder, zijn eveneens in
                    deze verordening opgenomen. </al><al>Voor bedrijven met een vervuilingswaarde met betrekking tot het zuurstofverbruik
                    van 1.000 vervuilingseenheden en minder kan onder voorwaarden de berekening van
                    het aantal vervuilingseenheden plaatsvinden met behulp van de tabel
                    afvalwatercoëfficiënten en dus niet door middel van meting, bemonstering en
                    analyse. Deze tabel is opgenomen in artikel 122k, derde lid, van de
                    Waterschapswet en volledigheidshalve eveneens in Bijlage II. De wijze waarop
                    deze tabel moet worden toegepast, is geregeld in artikel 10. </al><al>De Bijlagen I en II maken deel uit van de verordening.</al><al><vet>Belastbaar feit en heffingsplicht </vet></al><al><vet>Artikel 3</vet></al><al><vet>Eerste lid </vet></al><al>De verontreinigingsheffing is verschuldigd wanneer stoffen in een
                    oppervlaktewaterlichaam worden geloosd. Deze doelstelling is tot uitdrukking
                    gebracht in het eerste lid van artikel 3. De opbrengst komt, zoals blijkt uit
                    het vierde lid, ten goede aan de bekostiging van het beheer van het
                    watersysteem. De verontreinigingsheffing is dus primair een bestemmingsheffing
                    die overigens wel een regulerende nevenwerking kan hebben. </al><al>Het belastbare feit is het lozen van stoffen, dat wil zeggen het direct brengen
                    van stoffen in een oppervlaktewaterlichaam dat in beheer is bij het waterschap.
                    De vraag of het geloosde water van slechtere kwaliteit is dan dat in het
                    oppervlaktewaterlichaam waar op wordt geloosd, is niet van belang. Dit bleek uit
                    een arrest waarbij het ging om de lozing van opgepompt bronwater dat werd
                    gebruikt als koelwater (Hoge Raad 12 september 1990, BNB 1991/15, Belastingblad
                    1990, blz. 771). </al><al><vet>Onderdeel a </vet></al><al>Vindt de lozing plaats vanuit een woonruimte of vanuit een bedrijfsruimte, dan
                    is de gebruiker van die ruimte aan de heffing onderworpen. Het komt voor dat een
                    woonruimte of een bedrijfsruimte aan een gebruiker wordt verhuurd, waarbij één
                    van de voorwaarden luidt dat de belastingen, waar onder de
                    verontreinigingsheffing, worden gedragen door de verhuurder. Dergelijke
                    overeenkomsten doen niet af aan de heffingsplicht: de gebruiker blijft
                    heffingsplichtig. Deze kan op grond van de huurovereenkomst zelf het bedrag van
                    de aanslag terugvorderen bij de verhuurder. </al><al>De omschrijving van woonruimte is ook dusdanig dat er geen misverstand kan
                    bestaan dat studentenhuizen met onzelfstandige wooneenheden dienen te worden
                    aangemerkt als bedrijfsruimte, waarvoor de verhuurder op grond van artikel 3,
                    derde lid, onderdeel c, in de heffing kan worden betrokken, (zie ook Hoge Raad
                    23 juli 1984, BNB 1984/282, Belastingblad 1984, blz. 544 en Hoge Raad 8 februari
                    1995, BNB 1995/92). </al><al>In zijn arrest van 1 mei 1991 oordeelde de Hoge Raad dat als gebruiker van een
                    bedrijfsruimte in de zin van de verordening slechts kan worden aangemerkt degene
                    die zich daadwerkelijk min of meer duurzaam te eigen behoeve van de
                    bedrijfsruimte kan bedienen. Daarom kon de aannemer die in opdracht van de
                    landeigenaar op een stuk grond werkzaamheden uitvoert om deze geschikt te maken
                    voor de bollenteelt, niet als gebruiker worden aangemerkt (BNB 1991/188,
                    Belastingblad 1991, blz. 478). </al><al>Ook kan het gebruik van een woonruimte of van een bedrijfsruimte er op zijn
                    gericht om die voor kortere perioden ter beschikking te stellen van wisselende,
                    opeenvolgende gebruikers. In dergelijke gevallen is de verhuurder/exploitant
                    heffingsplichtig.</al><al><vet>Onderdeel b </vet></al><al>Vindt de lozing plaats vanuit een riolering of vanuit een zuiveringtechnisch
                    werk, dan is de beheerder van die riolering of van dat zuiveringtechnisch werk
                    heffingsplichtig. Door het gebruik van het begrip riolering vallen alle soorten
                    lozingen, dus ook die via een niet openbare voorziening voor de inzameling en
                    het transport van afvalwater, onder het regime van de heffing.</al><al><vet>Onderdeel c </vet></al><al>Wanneer er sprake is van een lozing die niet kan worden gerangschikt onder één
                    van de in onderdeel a of onderdeel b genoemde situaties, dan is degene die
                    feitelijk loost aan de heffing onderworpen. Hierdoor zijn alle denkbare wijzen
                    van lozen anders dan vanuit een woonruimte, een bedrijfsruimte, een riolering of
                    een zuiveringtechnisch werk aan de heffing onderworpen.</al><al><vet>Derde lid </vet></al><al><vet>Onderdeel a </vet></al><al>Wanneer er met betrekking tot dezelfde woonruimte sprake is van meerdere
                    gebruikers, wijst de ambtenaar belast met de heffing voor het opleggen van de
                    aanslag één van hen aan als heffingsplichtige. De criteria op grond waarvan die
                    heffingsplichtige wordt aangewezen, liggen vast in beleidsregels.</al><al><vet>Onderdeel b </vet></al><al>Wanneer een (onzelfstandig) deel van een bedrijfsruimte in gebruik is gegeven
                    aan een ander, dan is degene die dit in gebruik heeft gegeven de
                    heffingsplichtige. Hij kan de aan dat deel toe te rekenen
                    verontreinigingsheffing verhalen op degene die het in gebruik heeft. Hierbij kan
                    worden gedacht aan bedrijfsverzamelgebouwen en dergelijke.</al><al><vet>Onderdeel c </vet></al><al>Wanneer het gaat om een woonruimte of een bedrijfsruimte die voor kortere
                    perioden aan wisselende, opeenvolgende gebruikers ter beschikking wordt gesteld,
                    dan is degene die de ruimte ter beschikking heeft gesteld de heffingsplichtige.
                    Hij kan de verontreinigingsheffing verhalen op degenen aan wie hij de ruimte ter
                    beschikking heeft gesteld.</al><al><vet>Vierde lid </vet></al><al>De opbrengst van de verontreinigingsheffing komt op grond van artikel 7.2,
                    vijfde lid, van de Waterwet ten goede aan de financiering van de kosten van het
                    watersysteem.</al><al><vet>Vrijstellingen </vet></al><al><vet>Artikel 4</vet></al><al>De vrijstellingen zijn ontleend aan artikel 7.8 van de Waterwet. </al><al><vet>Onderdeel a </vet></al><al>In de oorspronkelijke tekst van de Waterwet werden lozingen vanuit een openbaar
                    vuilwaterriool vrijgesteld van de verontreinigingsheffing. Hierbij werd,
                    blijkens de aan deze vrijstelling ten grondslag liggende motie (Tweede Kamer,
                    vergaderjaar 2007-2008, 30 818, nr. 33) gedoeld op overstorten vanuit het
                    gemeentelijk rioleringsstelsel. Bij de behandeling van de Invoeringswet Waterwet
                    is het aantal vrijstellingen naar aanleiding van een amendement (Tweede Kamer,
                    vergaderjaar 2008-2009, 31 858, nr. 16) uitgebreid en is het artikel opnieuw
                    geredigeerd. Daarbij is de toevoeging “openbaar” uit de tekst verdwenen zonder
                    dat daar in het amendement op wordt ingegaan. Wij gaan er daarom vanuit dat met
                    deze vrijstellingsbepaling nog altijd wordt gedoeld op overstorten vanuit het
                    gemeentelijk rioleringsstelsel.</al><al><vet>Onderdeel b </vet></al><al>Een lozing vanuit een zuiveringtechnisch werk door het waterschap zelf op een
                    “eigen” oppervlaktewaterlichaam is vrijgesteld van de heffing. </al><al><vet>Onderdeel c </vet></al><al>Het op een zuiveringsinstallatie van het waterschap gezuiverde afvalwater is
                    onder omstandigheden goed bruikbaar voor bedrijfsmatige toepassingen. Het is
                    daarom denkbaar dat (een deel van) het effluent niet wordt geloosd, maar door
                    een bedrijf wordt ingenomen. Indien dat bedrijf het gebruikte water weer loost
                    en daar zelf geen stoffen aan heeft toegevoegd, dan is die lozing door het
                    bedrijf vrijgesteld van de verontreinigingsheffing. Het is daarbij, anders dan
                    bij onderdeel b, geen voorwaarde dat het oppervlaktewaterlichaam bij hetzelfde
                    waterschap in beheer is. Achtergrond van deze vrijstelling is dat de regionale
                    zoetwatervoorziening daardoor niet wordt belast. </al><al><vet>Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsevenredigheid </vet></al><al><vet>Artikel 5</vet></al><al><vet>Eerste lid </vet></al><al>Hoewel de verontreinigingsheffing een tijdvakheffing is, ontstaat bij
                    woonruimten en kleine bedrijfsruimten de materiële belastingschuld door de
                    regeling in het eerste lid toch bij het begin van het heffingsjaar. Dit heeft
                    als voordeel dat al in het heffingsjaar zelf aanslagen kunnen worden opgelegd
                    (formalisering van de belastingschuld) en dat niet gewacht hoeft te worden tot
                    het heffingsjaar voorbij is. Bij een tijdvakheffing is het echter niet zonder
                    meer mogelijk om een definitieve aanslag gedurende het heffingsjaar op te
                    leggen, omdat de omvang van de belastingschuld pas na afloop van het
                    heffingsjaar bekend is. Dit blijkt uit een aantal uitspraken van de
                    belastingrechter. Zie hiervoor Hoge Raad van 2 november 1994 inzake
                    precariorechten (BNB 1995/12, Belastingblad 1994, blz. 819), Hof Amsterdam 15
                    december 1995 inzake liggeld woonschepen (Belastingblad 1996, blz. 331) en Hof
                    Amsterdam 23 april 1997 (Belastingblad 1997, blz. 495) inzake
                    verontreinigingsheffing. </al><al>Uit deze jurisprudentie valt af te leiden dat om een definitieve aanslag al in
                    het heffingsjaar zelf op te leggen, de heffingsverordening in een aantal zaken
                    moet voorzien. Het gaat hierbij om: </al><lijst><li nr="·"><al>een regeling op grond waarvan de belastingschuld wordt geacht bij het
                            begin van het heffingsjaar te ontstaan (artikel 5, eerste lid); </al></li><li nr="·"><al>een regeling op grond waarvan aanspraak op ontheffing bestaat indien de
                            heffingsplicht in de loop van het jaar eindigt (voor woonruimten is dit
                            geregeld in artikel 5, derde en vierde lid); </al></li><li nr="·"><al>een regeling op grond waarvan aanspraak op vermindering bestaat indien
                            de heffingsmaatstaf in de loop van het heffingsjaar wijzigt (voor
                            woonruimten is dit geregeld in artikel 16, derde en vierde lid en voor
                            kleine bedrijfsruimten in artikel 18, tweede lid). </al></li></lijst><al>Indien in de heffingsverordening dergelijke bepalingen zouden ontbreken, kan het
                    waterschap voor het einde van het heffingsjaar alleen voorlopige aanslagen
                    opleggen. Artikel 13 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen geeft hiertoe
                    de bevoegdheid.</al><al><vet>Tweede lid </vet></al><al>De vervuilingswaarde van een woonruimte wordt forfaitair vastgesteld op drie
                    vervuilingseenheden en bij bewoning door één persoon op één vervuilingseenheid
                    (artikel 19, eerste lid). De verontreinigingsheffing is echter een
                    tijdvakheffing. Dit betekent dat wanneer de heffingsplicht zich niet gedurende
                    het gehele heffingstijdvak voordoet, dit gevolgen heeft voor de berekening van
                    de hoogte van de verschuldigde heffing. Artikel 122h, zesde lid, van de
                    Waterschapswet bepaalt dat wanneer de heffingsplicht in de loop van het jaar
                    aanvangt, de heffingsplichtige aan de heffing wordt onderworpen voor een
                    evenredig gedeelte van het vastgestelde aantal vervuilingseenheden. In de
                    verordening moet zijn aangegeven op welke wijze dat evenredig deel wordt
                    vastgesteld. </al><al>In deze verordening is gekozen voor de maandnauwkeurige variant. </al><al><vet>Derde lid </vet></al><al>Wanneer de heffingsplicht in de loop van het jaar eindigt, dan is de heffing op
                    grond van artikel 122h, zesde lid, van de Waterschapswet eveneens voor een
                    evenredig deel verschuldigd. Ook hier is gekozen voor een maandnauwkeurig
                    variant. </al><al><vet>Vierde lid </vet></al><al>Wanneer ná het opleggen van de aanslag de heffingsplicht in de loop van het jaar
                    eindigt, is de ambtenaar belast met de heffing niet in de gelegenheid geweest om
                    daar bij het vaststellen van de aanslag rekening mee te houden. Artikel 132 van
                    de Waterschapswet geeft aan op welke wijze de heffingsplichtige aanspraak kan
                    maken op ontheffing. Op de aanvraag zoals die kan worden ingediend, moet worden
                    beslist bij voor bezwaar vatbare beschikking. Dit opent voor de
                    heffingsplichtige in voorkomende gevallen de volledige fiscale rechtsgang.
                    Hiermee is deze procedure uit het oogpunt van de rechtsbescherming van de
                    heffingsplichtige met voldoende waarborgen omkleed. </al><al>Het staat het waterschap ook vrij om, op grond van eigen gegevens, uit eigener
                    beweging een dergelijke ontheffing te verlenen zonder een aanvraag van de
                    heffingsplichtige af te wachten.</al><al><vet>Vijfde lid </vet></al><al>Wanneer de heffingsplichtige verhuist naar een andere woonruimte van waaruit
                    eveneens wordt geloosd, zijn zowel het tweede als het derde lid van toepassing.
                    Er kan immers worden gesteld dat ook in dat geval sprake is van het eindigen van
                    de heffingsplicht en het opnieuw ontstaan van de heffingsplicht. Dit zou
                    resulteren in een vermindering van een al opgelegde, en mogelijk zelfs al
                    betaalde, aanslag voor de oude woning en een nieuwe aanslag voor de nieuwe
                    woning. Om pragmatische redenen is bepaald dat in een dergelijk geval het tweede
                    en het derde lid niet van toepassing zijn. De aanslag verhuist dan als het ware
                    mee. </al><al>Uiteraard gaat dit niet op wanneer vanuit de nieuwe woning op een
                    zuiveringtechnisch werk van het waterschap wordt afgevoerd, dan is de
                    zuiveringsheffing verschuldigd. </al><al><vet>Aangifte </vet></al><al>In artikel 127 van de Waterschapswet is de procedure voor het uitnodigen tot het
                    doen van aangifte geregeld. In het eerste lid van dat artikel is geregeld dat de
                    uitnodiging wordt gedaan door het uitreiken van een aangiftebiljet en in het
                    tweede lid is geregeld dat het doen van aangifte geschiedt door het in leveren
                    of het toezenden van het uitgereikte aangiftebiljet met de daarbij gevraagde
                    bescheiden. Op grond van artikel 127, vijfde lid, van de Waterschapswet kan bij
                    de heffingsverordening van de hiervoor beschreven procedure worden afgeweken.
                    Omdat de mogelijkheid wordt geboden om langs elektronische weg aangifte te doen,
                    zijn de artikelen 5a en 5b opgenomen.</al><al><vet>Artikel 6</vet></al><al>Artikel 6 regelt de uitnodiging tot het doen van aangifte. In onderdeel a is dat
                    het uitreiken van een aangiftebiljet en in onderdeel b wordt een afwijkende
                    methode mogelijk gemaakt.</al><al><vet>Artikel 7</vet></al><al>Dit artikel regelt de wijze waarop aangifte wordt gedaan. Bij onderdeel a is dat
                    de traditionele wijze van het inzenden van het uitgereikte formulier met de
                    vereiste bijlagen. Door middel van onderdeel b wordt de mogelijkheid geopend om
                    dat op elektronische wijze te doen, de zogenaamde digitale aangifte. </al><al><vet>Heffingsjaar </vet></al><al><vet>Artikel 8</vet></al><al>In artikel 8 is bepaald dat het heffingsjaar gelijk is aan het kalenderjaar. </al><al><vet>Grondslag en heffingsmaatstaf </vet></al><al><vet>Algemeen </vet></al><al><vet>Artikel 9</vet></al><al>De grondslag van de heffing is de hoeveelheid en hoedanigheid van de stoffen die
                    in een kalenderjaar worden geloosd. In het tweede lid is gekozen voor één
                    uniforme heffingsmaatstaf, namelijk de vervuilingswaarde van de stoffen die
                        <onderstreept>in een kalenderjaar</onderstreept> worden geloosd. Deze
                    heffingsmaatstaf geldt dus zowel voor de zuurstofbindende als de overige stoffen
                    en is gedefinieerd in relatie tot de stoffen ten aanzien waarvan het lozen is
                    belast. Een verbruik van 54,8 kilogram zuurstof per heffingsjaar
                    vertegenwoordigt één vervuilingseenheid. Voor de stoffen die worden genoemd in
                    het vierde lid, gelden verschillende gewichtshoeveelheden per heffingsjaar. Bij
                    de heffingsmaatstaf is een onderscheid gemaakt tussen zuurstofbindende stoffen
                    en andere stoffen. In beide gevallen is de heffingsmaatstaf de vervuilingswaarde
                    uitgedrukt in vervuilingseenheden. Bij zuurstofbindende stoffen gaat het om de
                    hoeveelheid zuurstof die nodig is om die stoffen af te breken. Die hoeveelheid
                    wordt bepaald op de som van het chemisch zuurstofverbruik en het
                    zuurstofverbruik door omzetting van stikstofverbindingen. Daarbij is één
                    vervuilingseenheid de zuurstofbehoefte die ontstaat door de gemiddelde lozing
                    van huishoudelijk afvalwater van één persoon per jaar. </al><al>In 2001 is onderzoek gedaan naar de vervuilingswaarde van het afvalwater dat één
                    persoon gemiddeld per jaar produceert. Naar aanleiding van dit onderzoek
                    concludeerde de toenmalige Commissie Integraal Waterbeheer dat de op dat moment
                    geldende getalswaarde van 136 gram zuurstof per etmaal of 49,6 kilogram per jaar
                    beter in overeenstemming moest worden gebracht met de meest recente gegevens.
                    Als gevolg daarvan is de gemiddelde zuurstofbehoefte verhoogd naar 150 gram per
                    etmaal, of wel 54,8 kilogram per jaar. </al><al><vet>Meting, bemonstering en analyse </vet></al><al><vet>Artikel 10</vet></al><al>Hier is de hoofdregel opgenomen op grond waarvan bij de verontreinigingsheffing
                    de vervuilingswaarde dient te worden vastgesteld. Deze hoofdregel geldt niet
                    alleen ter zake van het lozen vanuit bedrijfsruimten, maar ook ter zake van het
                    lozen vanuit zuiveringtechnische werken of op andere wijze.</al><al><vet>Eerste lid </vet></al><al>Voor de zuurstofbindende stoffen wordt het aantal vervuilingseenheden bepaald
                    door middel van meting, bemonstering en analyse van het afvalwater. Daarbij
                    maakt het niet uit of dit elk etmaal geschiedt of gedurende een beperkt aantal
                    etmalen. </al><al>In Bijlage I zijn nadere regels gesteld met betrekking tot: </al><lijst><li nr="·"><al>de wijze van meting, bemonstering en monsterbehandeling; </al></li><li nr="·"><al>analysevoorschriften; </al></li><li nr="·"><al>berekeningsvoorschriften. </al></li></lijst><al>De kosten van een dergelijk onderzoek zijn voor rekening van de
                    heffingsplichtige. </al><al><vet>Tweede lid </vet></al><al>Volgens het tweede lid dienen meting, bemonstering en analyse plaats te vinden
                    gedurende alle dagen van het heffingsjaar. Hiervan kan echter onder
                    omstandigheden worden afgeweken. Zie hierna onder artikel 11.</al><al><vet>Derde lid </vet></al><al>In het derde lid zijn de voorwaarden opgenomen waar meting en bemonstering aan
                    moeten voldoen. De voorschriften van meting en bemonstering in Bijlage I zijn
                    een waarborg voor de in het derde lid gestelde criteria. Als aan de
                    voorschriften van Bijlage I niet kan worden voldaan, kan hiervan onder
                    omstandigheden worden afgeweken.</al><al><vet>Vierde lid </vet></al><al>De wijze van meting en bemonstering wordt, samen met een beschrijving van de te
                    gebruiken apparatuur, vooraf meegedeeld aan ambtenaar belast met de heffing. Op
                    grond van de tweede volzin vallen ook ingebruikname en wijziging van de
                    apparatuur gedurende het heffingsjaar onder de meldingsplicht.</al><al><vet>Vijfde lid </vet></al><al>De ambtenaar belast met de heffing mag onder voorwaarden afwijken van de in
                    Bijlage I opgenomen voorschriften. Dit mag hij: </al><lijst><li nr="·"><al>ambtshalve wanneer hij aannemelijk maakt dat dit noodzakelijk is om te
                            voldoen aan de voorwaarden in het derde lid; </al></li><li nr="·"><al>op aanvraag van de heffingsplichtige indien deze aannemelijk maakt dat
                            ook dan nog steeds wordt voldaan aan de voorwaarden in het derde lid;
                        </al></li><li nr="·"><al>op aanvraag van de heffingsplichtige indien deze aannemelijk maakt dat
                            de nauwkeurigheid van de analyseresultaten er niet door wordt beïnvloed.
                        </al></li></lijst><al>Verder mag de ambtenaar belast met de heffing nadere voorschriften stellen. </al><al>De beslissing op aanvraag wordt bij een voor bezwaar vatbare beschikking
                    genomen. Hiertegen staat de gewone fiscale rechtsgang van bezwaar en beroep
                    open. Een belangrijk aandachtspunt daarbij is wel dat wanneer de
                    heffingsplichtige zich niet kan verenigen met de beschikking en gebruik maakt
                    van de hem ter beschikking staande rechtsmiddelen, de voorschriften in die
                    beschikking wel moeten worden nageleefd. Dit om te voorkomen dat wanneer de
                    heffingsplichtige in het ongelijk is gesteld en de beschikking onherroepelijk
                    vaststaat, hij over onvoldoende gegevens beschikt om de vereiste aangifte te
                    kunnen doen. De ambtenaar belast met de heffing zal in dat geval de aanslag
                    immers geheel of gedeeltelijk op basis van schatting vaststellen en de
                    heffingsplichtige kan vervolgens bij het betwisten van die schatting onvoldoende
                    of geen tegenbewijs leveren. </al><al><vet>Zesde lid </vet></al><al>Hier is aangegeven welke elementen de bedoelde beschikking in ieder geval dient
                    te bevatten.</al><al><vet>Zevende lid </vet></al><al>Wanneer het gaat om meer dan één beschikking betreffende hetzelfde bedrijf of
                    bedrijfsonderdeel, dan mag de ambtenaar belast met de heffing die in één
                    geschrift combineren.</al><al><vet>Achtste lid </vet></al><al>De ambtenaar belast met de heffing kan een genomen beschikking ambtshalve
                    wijzigen of intrekken. Daarvoor is geen aanvraag van de heffingsplichtige nodig. </al><al><vet>Beperkte meting, bemonstering en analyse </vet></al><al><vet>Artikel 11</vet></al><al>In veel gevallen kan worden volstaan met een lagere frequentie dan ieder etmaal
                    meten, bemonsteren en analyseren, zonder al te veel afbreuk te doen aan de
                    nauwkeurigheid van het eindresultaat. Het spreekt voor zich dat een lagere
                    frequentie zich vertaalt in lagere kosten voor de heffingsplichtige. De
                    heffingsplichtige die aannemelijk weet te maken dat met een lagere frequentie
                    kan worden volstaan, kan daar door middel van een aanvraag bij de ambtenaar
                    belast met de heffing toestemming voor vragen. Ook op deze aanvraag wordt
                    beslist bij voor bezwaar vatbare beschikking, waartegen de volledige fiscale
                    rechtsgang open staat. Hierbij geldt eveneens dat de voorschriften moeten worden
                    nageleefd indien de heffingsplichtige zich niet kan verenigen met de beschikking
                    en zolang deze nog niet onherroepelijk vaststaat. </al><al>In zijn beschikking geeft hij in ieder geval voorschriften met betrekking tot de
                    in de onderdelen a tot en met d genoemde onderwerpen. </al><al><vet>Hoedanigheidscorrectie </vet></al><al><vet>Artikel 12</vet></al><al>Bij het bepalen van het chemisch zuurstofverbruik (CZV) kan in de uitkomst ook
                    zuurstofverbruik tot uitdrukking komen van stoffen die in het natuurlijk milieu
                    niet of nagenoeg niet afbreekbaar zijn. Op grond van jurisprudentie komt
                    “nagenoeg niet” overeen met een percentage van niet meer dan 10%. Wanneer het
                    gevonden zuurstofverbruik van dergelijke stoffen het totale chemisch
                    zuurstofverbruik in belangrijke mate beïnvloedt, dan wordt de gevonden CZV
                    gecorrigeerd. </al><al>De voorschriften die het waterschap betreffende de T-correctie stelt, zijn
                    kenbaar voor de heffingsplichtigen doordat de door de ambtenaar belast met de
                    heffing vastgestelde beleidsregels raadpleegbaar zijn via de website. </al><al>Daarnaast is in het artikel bepaald dat de heffingsplichtige voor toepassing van
                    de T-correctie een aanvraag moet indienen. De ambtenaar belast met de heffing
                    beslist hierop in een voor bezwaar vatbare beschikking. Dit opent voor de
                    heffingsplichtige in voorkomende gevallen de volledige fiscale rechtsgang.
                    Hiermee is deze procedure uit het oogpunt van de rechtsbescherming van de
                    heffingsplichtige met voldoende waarborgen omkleed. </al><al>Tevens is voorgeschreven welke elementen de bedoelde beschikking dient te
                    bevatten.</al><al><vet>Tabel afvalwatercoëfficiënten </vet></al><al><vet>Artikel 13</vet></al><al>Meting, bemonstering en analyse van afvalwater kan onder voorwaarden achterwege
                    blijven. Bij verreweg de meeste bedrijven gebeurt dit ook en daar wordt het
                    aantal vervuilingseenheden van het zuurstofverbruik berekend met behulp van de
                    tabel afvalwatercoëfficiënten. Deze tabel is ontleend aan artikel 122k, derde
                    lid, van de Waterschapswet. Zij is opgenomen in Bijlage II en kent vijftien
                    klassen met elk een afvalwatercoëfficiënt.</al><al><vet>Eerste lid </vet></al><al>Toepassing van de tabel is toegestaan indien: </al><al>1 de heffingsplichtige aannemelijk maakt dat toepassing van de tabel niet leidt
                    tot een aantal vervuilingseenheden van meer dan 1.000 en </al><al>2 er een relatie bestaat tussen de hoeveelheid ingenomen water en de
                    vervuilingswaarde van de geloosde stoffen.</al><al><vet>Tweede lid </vet></al><al>De vervuilingswaarde van de over het heffingsjaar door het bedrijf of het
                    bedrijfsonderdeel geloosde stoffen kan met behulp van de tabel worden berekend
                    door het aantal kubieke meters in het heffingsjaar ingenomen water te
                    vermenigvuldigen met de bij de klasse behorende afvalwatercoëfficiënt.</al><al><vet>Derde lid </vet></al><al>Vaak is de feitelijk in het heffingsjaar ingenomen hoeveelheid water niet direct
                    vast te stellen, omdat de verbruiksperiode waarover het drinkwaterbedrijf
                    afrekent, niet gelijk is aan het kalenderjaar. Ook kan er sprake zijn van een
                    andere tariefstructuur door het ontbreken van een watermeter. In dergelijke
                    gevallen worden de beschikbare gegevens herleid tot verbruiken over het
                    kalenderjaar. </al><al><vet>Vierde lid </vet></al><al>De indeling in een klasse is afhankelijk van de aard van het bedrijf of het
                    bedrijfsonderdeel. Daarbij wordt uitgegaan van de conversietabel in artikel 2
                    van het Besluit vervuilingswaarde ingenomen water 2009 (Besluit van 12 december
                    2008, Stb. 609). </al><al>Uit onderzoek op initiatief van zowel de heffingsplichtige als van de ambtenaar
                    belast met de heffing kan blijken dat het bedrijf of het bedrijfsonderdeel in
                    een andere klasse moet worden ingedeeld. De voorwaarden daarvoor staan in
                    artikel 4 van het Besluit vervuilingswaarde ingenomen water 2009. </al><al><vet>Vijfde lid </vet></al><al>De tabel kan ook worden toegepast bij vervuilingswaarden van meer dan 1.000
                    vervuilingseenheden. Voorwaarde is dan wel dat dit niet leidt tot een
                    vervuilingswaarde die lager is dan de vervuilingswaarde die wordt gevonden op
                    basis van meting, bemonstering en analyse.</al><al><vet>Vervuilingswaarde van tuinbouwkassen </vet></al><al><vet>Artikel 14</vet></al><al>Op basis van artikel 14 worden tuinbouwkassen waarbinnen onder een permanente
                    opstand van glas of kunststof het telen van gewassen plaatsvindt in de heffing
                    betrokken op basis van een forfait van drie vervuilingseenheden per hectare
                    permanente opstand. Uit onderzoek naar een afvalwatercoëfficiënt voor
                    glastuinbouwbedrijven is gebleken dat de vervuilingswaarde van tuinbouwkassen
                    geen relatie heeft met de hoeveelheid ingenomen water. Bepaling van de
                    vervuilingswaarde op basis van meting, bemonstering en analyse bleek gezien de
                    relatief hoge perceptiekosten evenmin een reële mogelijkheid. In verband daarmee
                    is voor tuinbouwkassen een heffingsmaatstaf op basis van oppervlakte in de wet
                    opgenomen (artikel 122i, tweede lid, van de Waterschapswet).</al><al>Indien de vervuilingswaarde als berekend op grond van artikel 14 minder dan vijf
                    vervuilingseenheden bedraagt, is de forfaitregeling voor kleine bedrijfsruimten
                    van artikel 16 van toepassing.</al><al><vet>Totale vervuilingswaarde van een bedrijfsruimte </vet></al><al><vet>Artikel 15</vet></al><al>Dit artikel voorziet in de totalisering van het bij de artikelen 10 tot en met
                    14 berekende aantal vervuilingseenheden aan zuurstofbindende stoffen voor een
                    bedrijfsruimte. Een dergelijke totalisering is onder meer van belang indien
                    binnen één bedrijfsruimte: </al><lijst><li nr="·"><al>voor de verschillende onderdelen van die bedrijfsruimte afzonderlijke
                            meting, bemonstering en analyse plaatsvindt; </al></li><li nr="·"><al>voor de verschillende onderdelen van die bedrijfsruimte afzonderlijke
                            afvalwatercoëfficiënten van toepassing zijn; </al></li><li nr="·"><al>voor een onderdeel van die bedrijfsruimte wordt gemeten, bemonsterd en
                            geanalyseerd en voor een ander onderdeel van die bedrijfsruimte een
                            afvalwatercoëfficiënt van toepassing is; </al></li></lijst><al>De vervuilingswaarde kan worden uitgedrukt in hele getallen of tot in decimalen
                    nauwkeurig. </al><al><vet>Vervuilingswaarde van kleine bedrijfsruimten </vet></al><al><vet>Artikel 16</vet></al><al><vet>Eerste lid </vet></al><al>De regeling voor kleine bedrijfsruimten vindt haar basis vindt in artikel 122i,
                    eerste lid, van de Waterschapswet. Indien de heffingsplichtige aannemelijk maakt
                    dat het aantal vervuilingseenheden minder dan vijf bedraagt, wordt de
                    vervuilingswaarde op drie vervuilingseenheden gesteld en op één
                    vervuilingseenheid indien die één of minder bedraagt.</al><al><vet>Tweede lid </vet></al><al>Hoewel de verontreinigingsheffing een tijdvakheffing is, wordt aan bedrijven met
                    een vervuilingswaarde van minder dan vijf vervuilingseenheden in veel gevallen
                    al aan het begin van het heffingsjaar een aanslag voor drie vervuilingseenheden
                    opgelegd. Dit is in artikel 5, eerste lid, geregeld. Na afloop van het
                    heffingsjaar of, indien dit eerder is bij beëindiging van de heffingsplicht, kan
                    echter blijken dat de vervuilingswaarde één of minder dan één vervuilingseenheid
                    bedraagt. </al><al>Daarom moet de verordening ook voorzien in een deugdelijke regeling voor
                    vermindering. Indien de heffingsplichtige aannemelijk maakt dat het aantal
                    vervuilingseenheden één of minder bedraagt, wordt op aanvraag van de
                    heffingsplichtige de vervuilingswaarde op één vervuilingseenheid gesteld. Het
                    betreft hier een aanvraag in de zin van artikel 132, eerste lid, van de
                    Waterschapswet. Deze moet worden ingediend binnen zes weken nadat de
                    omstandigheid zich heeft voorgedaan. De vermindering kan door de ambtenaar
                    belast met de heffing ook ambtshalve worden verleend.</al><al><vet>Vervuilingswaarde van woonruimten </vet></al><al><vet>Artikel 17</vet></al><al><vet>Eerste lid </vet></al><al>In navolging van artikel 122h, eerste lid, van de Waterschapswet wordt de
                    vervuilingswaarde voor een woonruimte vastgesteld op drie vervuilingseenheden,
                    met dien verstande dat die één vervuilingseenheid bedraagt wanneer de woonruimte
                    door één persoon wordt bewoond. </al><al><vet>Tweede lid </vet></al><al>Een uitzondering op deze hoofdregel geldt voor woonruimten die voor
                    recreatiedoeleinden zijn bestemd en zich bevinden op een voor
                    recreatiedoeleinden bestemd terrein dat als zodanig wordt geëxploiteerd (artikel
                    122h, vijfde lid, van de Waterschapswet). Samen met de andere voorzieningen op
                    dat terrein worden zij als één bedrijfsruimte aangemerkt. De exploitant van het
                    terrein is dan de heffingsplichtige.</al><al><vet>Derde lid </vet></al><al>Na aanvang van de heffingsplicht kan het aantal bewoners verminderen tot één.
                    Dit heeft gevolgen voor de vervuilingswaarde. Analoog aan artikel 5, derde lid,
                    is gekozen voor een maandnauwkeurige variant.</al><al><vet>Vierde lid </vet></al><al>Omdat de aanslag voor een woonruimte meestal al aan het begin van het
                    heffingsjaar wordt opgelegd, moet de verordening voorzien in een regeling
                    waardoor aanspraak op vermindering kan worden gemaakt. Dit gebeurt door middel
                    van een aanvraag in de zin van artikel 132, eerste lid, van de Waterschapswet.
                    Deze moet worden ingediend binnen zes weken nadat de omstandigheid zich heeft
                    voorgedaan. De vermindering kan door de ambtenaar belast met de heffing ook
                    ambtshalve worden verleend. </al><al><vet>Schatting </vet></al><al><vet>Artikel 18</vet></al><al>In artikel 7.5, vijfde lid, van de Waterwet, juncto artikel 122j van de
                    Waterschapswet is geregeld dat onder bepaalde, in de onderdelen a tot en met c
                    nader omschreven, omstandigheden de vervuilingswaarde kan worden vastgesteld
                    door middel van schatting. Bijvoorbeeld indien een bedrijf niet voldoet aan zijn
                    verplichting tot meting, bemonstering en analyse of indien het bedrijf dat doet
                    op een wijze die niet in overstemming is met de in de verordening opgenomen
                    voorschriften..</al><al>Artikel 18 is tevens een vangnetbepaling voor het lozen vanuit objecten waarvoor
                    in de verordening geen bijzondere regelingen zijn opgenomen en waarvoor de
                    hoofdregel van artikel 10 (meting, bemonstering en analyse) niet kan worden
                    toegepast. </al><al>Overigens sluit dit artikel niet uit dat er ook andere omstandigheden kunnen
                    zijn op grond waarvan schatting kan plaatsvinden. </al><al><vet>Tarief </vet></al><al><vet>Artikel 19 </vet></al><al>Dit artikel regelt het tarief per vervuilingseenheid.</al><al><vet>Wijze van heffing en termijnen van betaling </vet></al><al><vet>Artikel 20</vet></al><al>Ingevolge artikel 125 van de Waterschapswet kunnen waterschapsbelastingen worden
                    geheven bij wege van aanslag, bij wege van voldoening op aangifte of op andere
                    wijze. Het gaat hier om drie verschillende heffingstechnieken. In dit artikel is
                    gekozen voor de heffing bij wege van aanslag. </al><al>De bepalingen in dit artikel zien op de betalingswijzen en betalingstermijnen.
                    In de leden 3 en 4 zijn bepalingen opgenomen die zien op het laten ‘meeliften’
                    van de verontreinigingsheffing met de nota’s van Brabant Water.</al><al>Het tweede lid ziet op de tabel- en meetbedrijven, waarbij het waterschap de
                    heffing en de inning zelf verzorgt. </al><al>De betalingstermijnen voor een eventuele bestuurlijke boete is gelijk aan de
                    betalingstermijnen voor de aanslag, aangezien die in hetzelfde geschrift zijn
                    verenigd. Dit is niet in de verordening bepaald, maar vloeit rechtstreeks voort
                    uit artikel 9, derde lid, van de Invorderingswet 1990.</al><al>In de leden twee tot en met vijf is afgeweken van de wettelijke betalingstermijn
                    van zes weken die is genoemd in de Invorderingswet 1990. De bevoegdheid om
                    afwijkende betalingstermijnen in de belastingverordening op te nemen staat in
                    artikel 139, eerste lid, van de Waterschapswet.</al><al>Het derde lid ziet op de situatie dat de betaling van de verontreinigingsheffing
                    loopt via de nota’s van Brabant Water. Hierbij doet de situatie zich voor, dat
                    de afrekening plaatsvindt over de periode die Brabant Water als verbruiksjaar
                    hanteert. Dit is zelden gelijk aan het kalenderjaar, in casu het heffingsjaar
                    (artikel 5). Het bedrag van de verschuldigde heffing zou dan pas achteraf op de
                    jaarafrekening tot uitdrukking komen, terwijl de verontreinigingsheffing al de
                    voorafgaande voorschotbedragen is begrepen. Daarom wordt aan het begin van het
                    heffingsjaar een aanslag opgelegd door het waterschap waarmee de belastingschuld
                    ter kennis wordt gebracht. Ook de wijze van betaling wordt daarin
                    aangegeven.</al><al><vet>Eerste lid </vet></al><al>Zoals hiervoor is aangegeven is gekozen voor de heffing bij wege van
                    aanslag.</al><al><vet>Tweede lid</vet></al><al>Betreffende de tabel- en meetbedrijven wordt zowel de aanslagoplegging als de
                    invordering door het waterschap zelf gedaan. De tabel- en meetbedrijven moeten
                    aanslagen aan het waterschap betalen uiterlijk twee maanden na de dagtekening
                    van het aanslagbiljet.</al><al><vet>Derde lid </vet></al><al>Hier is geregeld dat de met betrekking tot woonruimten en kleine bedrijfsruimten
                    opgelegde aanslagen worden geïnd tegelijk met en op dezelfde wijze als die
                    waarop de nota’s van Brabant Water worden betaald. Dit is mogelijk op grond van
                    artikel 139, tweede lid, van de Waterschapswet. </al><al><vet>Vierde lid</vet></al><al>Dit lid kent een regeling voor het aantal betalingstermijnen met betrekking tot
                    een woonruimte of kleine bedrijfsruimte, indien geen nota’s door Brabant Water
                    worden verzonden. </al><al><vet>Vijfde lid </vet></al><al>Het vijfde lid kent een regeling voor het aantal betalingstermijnen in geval van
                    meeliften indien de heffingsplicht in de loop van het heffingsjaar aanvangt dan
                    wel indien een aanslag wordt opgelegd nadat al één of meer nota’s zijn
                    verschenen.</al><al><vet>Nadere regels </vet></al><al><vet>Artikel 21</vet></al><al>In verband met de inwerkingtreding van de derde tranche van de Algemene wet
                    bestuursrecht (Stb. 1996, 333) en de daarop gebaseerde aanpassingswetgeving
                    (Stb. 1997, 510 en 580) komen de bevoegdheden die in de Algemene wet inzake
                    rijksbelastingen en de Invorderingswet 1990 aan de Minister van Financiën zijn
                    toebedeeld, vanaf 1 januari 1998 toe aan het dagelijks bestuur van het
                    waterschap (zie artikel 123, derde lid, onderdeel a, van de Waterschapswet).
                    Voor die datum kwamen deze formele belastingbevoegdheden toe aan het algemeen
                    bestuur van het waterschap. Het betreft onder andere het stellen van nadere
                    regels ten aanzien van de volgende bevoegdheden: </al><lijst><li nr="·"><al>de verplichting te verzoeken om uitreiking van een aangiftebiljet; </al></li><li nr="·"><al>de mogelijkheid een voorlopige aanslag op te leggen; </al></li><li nr="·"><al>het berekenen van invorderingsrente.</al></li></lijst><al>De bovenstaande bevoegdheden waren voor 1 januari 1998 expliciet in de
                    heffingsverordening geregeld. Artikel 23 is in de verordening opgenomen om
                    expliciet aan de heffingsplichtige kenbaar te maken dat ook het dagelijks
                    bestuur regels kan stellen met betrekking tot de heffing en de invordering van
                    de verontreinigingsheffing.</al><al>Daarenboven heeft het dagelijks bestuur op grond van artikel 4:81 van de
                    Algemene wet bestuursrecht ook de bevoegdheid om beleidsregels vast te stellen.
                    Artikel 10:22 geeft het dagelijks bestuur verder de bevoegdheid om per geval of
                    in het algemeen instructies te geven ter zake van de uitoefening van de
                    toegedeelde bevoegdheid. </al><al><vet>Inwerkingtreding en citeertitel </vet></al><al><vet>Artikel 22</vet></al><al><vet>Eerste lid </vet></al><al>Het eerste lid regelt dat de oude verordening wordt ingetrokken met ingang van
                    de datum van ingang van de heffing van deze verordening. De oude verordening
                    blijft echter gelden voor de belastbare feiten die zich voor die datum hebben
                    voorgedaan. Voor die feiten kunnen dus nog aanslagen worden opgelegd op basis
                    van de oude verordening.</al><al><vet>Tweede lid </vet></al><al>Omtrent de bekendmaking van de verordening is verder hetgeen in artikel 73 en 74
                    van de Waterschapswet is bepaald, van belang. Bekendmaking van de verordening is
                    essentieel, want zonder bekendmaking heeft de verordening immers geen
                    verbindende kracht.</al><al><vet>Derde lid </vet></al><al>Als gevolg van artikel 111 van de Waterschapswet is een van de onderwerpen die
                    in de heffingsverordening moet worden geregeld het tijdstip van ingang van de
                    heffing. Dit tijdstip kan samenvallen met het tijdstip van inwerkingtreding,
                    maar dit is niet beslist noodzakelijk. </al><al><vet>Vierde lid</vet></al><al>Als gevolg van het vierde lid van het onderhavige artikel 24 wordt de
                    verordening voorzien van een citeertitel.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>