<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr owms-version="3.5" cvdr-version="1.0" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd" xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance"><meta><owmskern><dcterms:identifier>383114_5</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening POP3 subsidies provincie Gelderland</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Provincie">Gelderland</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-04-19T11:12:52</dcterms:modified></owmskern><owmsmantel><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanProvincie">gedeputeerde staten</overheid:isRatifiedBy><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Provinciaal Blad 2016 nr.
                2194</dcterms:isFormatOf><dcterms:issued>2016-04-12</dcterms:issued><dcterms:alternative>Verordening POP3 subsidies provincie
                Gelderland</dcterms:alternative><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                databankenrecht</dcterms:rights><dcterms:source resourceIdentifier="">Provinciewet, artikel 105 jo. 143</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Provinciewet, artikel 139</dcterms:source></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-04-16</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2015-12-15</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2016-11-23</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>wijziging regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>zaaknummer 2015-010261</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>subsidies, agrarische sector, europa</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule></intitule><regeling><aanhef><preambule><al>GEDEPUTEERDE STATEN VAN GELDERLAND</al><al>Gelet op artikel 4.3 van de Verordening POP3 subsidies Gelderland;</al><al>BESLUITEN</al><al>Vast te stellen de navolgende gewijzigde regeling: Verordening POP3
                        subsidies provincie Gelderland</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 1 Algemeen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 1.1 definities</titel></kop><al>In deze regeling en de daarop berustende nadere regels wordt verstaan
                            onder:</al><lijst><li nr="a."><al> bruto jaarloon: het in enig jaar aan een werknemer betaalde
                                    salaris, inclusief een niet-prestatiegebonden
                                    eindejaarsuitkering of een beloning in de vorm van een dertiende
                                    maand, zijnde een vast bedrag of vastgesteld percentage van het
                                    salaris dat werknemers als extra loon ontvangen, voor zover dit
                                    is geregeld in de geldende CAO of arbeidsovereenkomst, exclusief
                                    vakantiegeld, exclusief overige vergoedingen, bijzondere
                                    beloningen, winst- of prestatieafhankelijke uitkeringen en
                                    aanvullende werkgeverslasten;</al></li><li nr="b."><al> grondgebruiker: gebruikgerechtigde van de grond;</al></li><li nr="c."><al> inpassingsmaatregelen: maatregelen die noodzakelijk zijn om
                                    kavels goed bewerkbaar te maken en eventuele negatieve
                                    neveneffecten van de herverkaveling tegen te gaan;</al></li><li nr="d."><al> landbouwer: een natuurlijk persoon of rechtspersoon dan wel een
                                    groep natuurlijke personen of rechtspersonen, ongeacht de
                                    rechtspositie van de groep en haar leden volgens het nationale
                                    recht, van wie het bedrijf zich bevindt binnen het territoriale
                                    toepassingsgebied van de verdragen als omschreven in artikel 52
                                    VEU in samenhang met de artikelen 349 en 355 VWEU (PbEU 2012,
                                    C326) en die een landbouwactiviteit uitoefent;</al></li><li nr="e."><al> landbouwbedrijf: alle eenheden op het grondgebied van eenzelfde
                                    lidstaat die voor landbouwactiviteiten worden gebruikt en door
                                    een landbouwer worden beheerd;</al></li><li nr="f."><al> netto inkomsten: instroom van kasmiddelen die gebruikers
                                    genereren door rechtstreeks te betalen voor de door middel van
                                    de gesubsidieerde activiteit verstrekte goederen of diensten,
                                    minus alle operationele kosten en de kosten voor de vervanging
                                    van uitrusting met een korte levensduur die in de
                                    overeenkomstige periode zijn gemaakt. Besparingen op
                                    operationele kosten die gerealiseerd worden door de
                                    gesubsidieerde activiteit worden als netto inkomsten
                                    gerekend;</al></li><li nr="g."><al> niet-productieve investering: investering die niet leidt tot
                                    een aanzienlijke stijging van de waarde of de rentabiliteit van
                                    het landbouwbedrijf of een andere onderneming;</al></li><li nr="h."><al> ELFPO: het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling
                                    als bedoeld in VO (EU) 1305/2013 (PbEU L 347);</al></li><li nr="i."><al> VO (EU) 1303/2013: Verordening (EU) Nr. 1303/2013 (PbEU L 347)
                                    van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013
                                    houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds
                                    voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het
                                    Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor
                                    plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme
                                    zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees
                                    Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds,
                                    het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en
                                    visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006
                                    (PbEG L 210) van de Raad;</al></li><li nr="j."><al> VO (EU) 1305/2013: Verordening (EU) Nr. 1305/2013 (PbEU L 347)
                                    van het Europees Parlement en de Raad 17 december 2013 inzake
                                    steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees
                                    Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (ELFPO) en tot
                                    intrekking van Verordening (EG) nr. 1698/2005 (PbEG L 277) van
                                    de Raad;</al></li><li nr="k."><al> VO (EU) 702/2014: Verordening (EU) Nr. 702/2014 (PbEU 193) van
                                    de Commissie van 25 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun
                                    in de landbouw- en de bosbouwsector in plattelandsgebieden op
                                    grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de
                                    werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar
                                    worden verklaard;</al></li><li nr="l."><al> Voorbereidingskosten: alle kosten die worden gemaakt
                                    voorafgaand aan het indienen van een subsidieaanvraag en die
                                    aantoonbaar zijn gemaakt ten behoeve van de ontwikkeling van het
                                    projectplan en noodzakelijk voor de subsidieaanvraag.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1.2 toepassingsbereik</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Subsidie op grond van deze regeling wordt slechts verstrekt voor
                                activiteiten waarvan de resultaten aantoonbaar ten goede komen aan
                                het landelijk gebied, het platteland of de agrarische sector binnen
                                de Provincie Gelderland.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Tot het platteland van Gelderland behoort het gehele grondgebied
                                van Gelderland met uitzondering van aaneengesloten woonkernen met
                                meer dan 30.000 inwoners.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1.3 openstelling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen een openstellingsbesluit
                                vaststellen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Gedeputeerde Staten stellen per openstellingsbesluit vast: </al><lijst><li nr="a."><al> één of meerdere subsidieplafonds; en</al></li><li nr="b."><al> per plafond een periode waar binnen een aanvraag om
                                        subsidie moet zijn ontvangen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> In het openstellingsbesluit kunnen Gedeputeerde Staten nadere
                                regels stellen m.b.t.: </al><lijst><li nr="a."><al> de categorieën van activiteiten die voor subsidie in
                                        aanmerking komen;</al></li><li nr="b."><al> de thema’s waarop een activiteit betrekking moet
                                        hebben;</al></li><li nr="c."><al> de categorieën van begunstigden;</al></li><li nr="d."><al> de kostensoorten die voor subsidie in aanmerking
                                        komen;</al></li><li nr="e."><al> de territoriale begrenzing van de openstelling;</al></li><li nr="f."><al> een drempelbedrag met betrekking tot de subsidiabele
                                        kosten;</al></li><li nr="g."><al> de maximale hoogte van de subsidie;</al></li><li nr="h."><al> de gegevens of bescheiden die bij de aanvraag om subsidie
                                        overlegd moeten worden; of</al></li><li nr="i."><al> het indienen van een voortgangsrapportage;</al></li><li nr="j."><al> Overige verplichtingen die aan een subsidieontvanger kunnen
                                        worden opgelegd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> In het openstellingsbesluit stellen Gedeputeerde Staten vast: </al><lijst><li nr="a."><al> de selectiecriteria;</al></li><li nr="b."><al> het puntenaantal dat per selectiecriterium behaald kan
                                        worden;</al></li><li nr="c."><al> de wegingsfactor per selectiecriterium; en</al></li><li nr="d."><al> het minimaal aantal punten dat een aanvraag op basis van de
                                        selectiecriteria moet behalen om voor subsidie in aanmerking
                                        te kunnen komen.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1.4 samenstelling subsidieplafond en
                                subsidiepercentages</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Een subsidieplafond bestaat uit: </al><lijst><li nr="a."><al> financiering afkomstig uit ELFPO;</al></li><li nr="b."><al> financiering afkomstig uit ELFPO en provinciale middelen;
                                        of</al></li><li nr="c."><al> provinciale middelen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien een subsidieplafond deels of geheel bestaat uit financiering
                                afkomstig uit ELFPO bestaan de in deze regeling genoemde
                                subsidiepercentages voor 50% uit financiering afkomstig uit ELFPO en
                                voor 50% uit nationale overheidsfinanciering.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1.5 doelgroep</titel></kop><al>Indien op grond van deze regeling subsidie kan worden verstrekt aan
                            landbouwondernemingen wordt de subsidie uitsluitend verstrekt aan
                            ondernemingen die voldoen aan de definitie van kleine, middelgrote of
                            micro-ondernemingen (mkb) als opgenomen in bijlage 1 bij verordening
                            651/2014 (AGV) (PbEU2014 L 187).</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1.6 samenwerkingsverbanden</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien bij of krachtens deze regeling is bepaald dat een subsidie
                                kan worden verstrekt aan een samenwerkingsverband, komen slechts
                                voor subsidie in aanmerking samenwerkingsverbanden: </al><lijst><li nr="a."><al> waarvan de deelnemers natuurlijke personen of
                                        rechtspersonen, ieder met een andere eigenaar en niet in
                                        eigendom van een deelnemende natuurlijke persoon zijn;
                                        en</al></li><li nr="b."><al> die voldoen aan de concurrentieregels zoals die gelden
                                        krachtens de artikelen 206 tot en met 210 van Verordening
                                        (EU) nr. 1308/2013 (PbEU L 347) van het Europees Parlement
                                        en de Raad.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien een aanvraag namens de deelnemers aan een
                                samenwerkingsverband wordt ingediend bevat de aanvraag om subsidie
                                tevens: </al><lijst><li nr="a."><al> een door alle partijen ondertekende
                                        samenwerkingsovereenkomst van de deelnemende partijen waarin
                                        onder meer door alle partijen wordt verklaard dat iedere
                                        partij hoofdelijk aansprakelijk is voor onverschuldigd
                                        betaalde subsidiebedragen;</al></li><li nr="b."><al> de verdeling van de verantwoordelijkheden, bevoegdheden en
                                        financiële verplichtingen bevattende de baten en de lasten
                                        van de deelnemende partijen; en</al></li><li nr="c."><al> gegevens waaruit blijkt dat de penvoerder is aangewezen
                                        door de deelnemende partijen aan het samenwerkingsverband om
                                        de aanvraag om subsidie in te dienen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Ingeval een subsidie wordt verstrekt aan een samenwerkingsverband: </al><lijst><li nr="a."><al> berusten de verplichtingen die daaruit voortvloeien
                                        hoofdelijk op iedere deelnemer aan het
                                        samenwerkingsverband;</al></li><li nr="b."><al> is de penvoerder verplicht de projectadministratie als
                                        bedoeld in artikel 1.17, onder g, te voeren; en</al></li><li nr="c."><al> kunnen onverschuldigd betaalde subsidiebedragen
                                        overeenkomstig artikel 4:57 van de Algemene wet
                                        bestuursrecht hoofdelijk worden teruggevorderd bij iedere
                                        deelnemer aan het samenwerkingsverband. Bij terugvordering
                                        van onverschuldigd betaalde subsidiebedragen zal de
                                        penvoerder van het project als eerste worden
                                        aangesproken.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1.7 wijze van indien van en vereisten aan een
                                aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Een aanvraag om subsidie: </al><lijst><li nr="a."><al> wordt ingediend bij Gedeputeerde Staten; en</al></li><li nr="b."><al> wordt ingediend met gebruik making van de meest recente
                                        versie van een door Gedeputeerde Staten beschikbaar
                                        formulier.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Een aanvraag om subsidie bevat ten minste: </al><lijst><li nr="a."><al> een begroting van de kosten van de activiteit;</al></li><li nr="b."><al> een toelichting op de begroting;</al></li><li nr="c."><al> een financieringsplan van de kosten van de activiteit;</al></li><li nr="d."><al> een opgave van subsidies of vergoedingen die voor dezelfde
                                        activiteiten bij andere bestuursorganen, private
                                        organisaties of personen zijn aangevraagd, onder vermelding
                                        van de stand van zaken daarvan;</al></li><li nr="e."><al> een overzicht van inkomsten die met de uitvoering van de
                                        activiteit gegenereerd worden; en</al></li><li nr="f."><al> een projectplan waarin ten minste is opgenomen: </al><lijst><li nr="1."><al> de doelstellingen van het project;</al></li><li nr="2."><al> een probleemanalyse waaruit onder andere de
                                                noodzaak van het project en de ter uitvoering van
                                                het project te maken kosten blijkt;</al></li><li nr="3."><al> de wijze van uitvoering van het project;</al></li><li nr="4."><al> de wijze waarop de resultaten van het project
                                                worden getoetst;</al></li><li nr="5."><al> de verwachte realisatietermijn van het project;
                                                en</al></li><li nr="6."><al> de verwachte resultaten van het project.</al></li></lijst></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien de aanvraag betrekking heeft op een investering en de
                                investering leidt naar waarschijnlijkheid tot negatieve
                                omgevings-effecten bevat de aanvraag om subsidie een verkenning naar
                                de mogelijke negatieve omgevings-effecten van de investering.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Indien de verwachte realisatietermijn van het project langer is dan
                                één jaar bevat de aanvraag om subsidie tevens: </al><lijst><li nr="a."><al> een meerjarenbegroting met een liquiditeitsplanning per
                                        jaar; en</al></li><li nr="b."><al> een overzicht in de tijd van de te onderscheiden fasen van
                                        het project.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Een aanvraag om subsidie van een onderneming bevat tevens een
                                verklaring waaruit blijkt dat de onderneming geen onderneming in
                                moeilijkheden is als bedoeld in artikel 2, lid 14, van Verordening
                                (EU) Nr. 702/2014 (PbEU L 193) van de Commissie van 25 juni
                                2014.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1.8 weigeringsgronden</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 4:35 Algemene wet bestuursrecht,
                            wordt een subsidie geheel of gedeeltelijk geweigerd indien:</al><lijst><li nr="a."><al> voor dezelfde activiteit reeds subsidie is aangevraagd in
                                    dezelfde openstellingsperiode;</al></li><li nr="b."><al> voor dezelfde activiteiten en subsidiabele kosten op grond van
                                    enige regeling reeds subsidie is verstrekt tot het op grond van
                                    Europese verordeningen toegestane maximale subsidiepercentage of
                                    -bedrag;</al></li><li nr="c."><al> de activiteit niet overwegend plaatsvindt in de provincie
                                    Gelderland, tenzij de activiteit of de resultaten ervan
                                    aantoonbaar ten goede komt of komen aan ingezetenen van de
                                    provincie Gelderland, of de activiteit of de resultaten daarvan
                                    aantoonbaar op enigerlei wijze het belang van de provincie
                                    Gelderland dient of dienen;</al></li><li nr="d."><al> met de uitvoering van de activiteit, niet zijnde de uitvoering
                                    van voorbereidingshandelingen voor de uitvoering van de
                                    activiteit, is gestart voordat de aanvraag om subsidie is
                                    ingediend;</al></li><li nr="e."><al> in het opstellingsbesluit de benodigde nationale
                                    overheidsfinanciering als bedoeld in artikel 1.4, tweede lid,
                                    niet of niet volledig beschikbaar is gesteld en de aanvraag niet
                                    voorzien is van een bijdrageverklaring, of een
                                    subsidiebeschikking voor de benodigde resterende nationale
                                    overheidsfinanciering;</al></li><li nr="f."><al> een aanvraag minder scoort dan het minimum aantal punten als
                                    bedoeld in artikel 1.3, vierde lid, onderdeel d;</al></li><li nr="g."><al> de aanvrager een onderneming in moeilijkheden is als bedoeld in
                                    artikel 2, lid 14, van Verordening (EU) 702/2014 (PbEU L 193);
                                    of</al></li><li nr="h."><al> ten aanzien van de subsidieaanvrager een uitstaand bevel tot
                                    terugvordering bestaat, volgend op een eerdere beschikking van
                                    de Commissie van de Europese Gemeenschap waarin steun
                                    onrechtmatig en onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt is
                                    verklaard.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1.9 personeelskosten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Werkelijk gemaakte personeelskosten worden per uur berekend door
                                het meest recente bruto jaarloon te delen door 1.720 uren op basis
                                van een werkweek van 40 uur, vermeerderd met een opslag van 43,5 %
                                voor de werkgeverslasten en een opslag van 15 % voor de indirecte
                                kosten.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien er sprake is van een parttime dienstverband worden de
                                personeelskosten per uur naar rato berekend.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Personeelskosten zijn subsidiabel tot maximaal 1.720 uur per
                                persoon per jaar.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1.10 kosten aankoop van gronden</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Kosten van de aankoop van bebouwde en niet bebouwde gronden zijn
                                subsidiabel tot maximaal 10% van de totale subsidiabele kosten.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien de bebouwde of onbebouwde gronden zijn gelegen in
                                verwaarloosde gebieden of voormalige industriezones zijn de kosten
                                van de aankoop van de gronden subsidiabel tot maximaal 15% van de
                                totale subsidiabele kosten, indien dit in een openstellingsbesluit
                                is bepaald.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen in uitzonderlijke gevallen in een
                                openstellingsbesluit een hoger percentage vaststellen voor de
                                aankoop van bebouwde en niet bebouwde gronden in het kader van
                                activiteiten ten behoeve van milieubehoud. Indien de bebouwde of
                                niet bebouwde gronden zijn gelegen in Natura 2000 gebieden of
                                onderdeel uitmaken van Kader Richtlijn Water opgaven buiten de EHS
                                én in het concrete geval redelijke alternatieven ontbreken om de
                                milieudoelen te behalen, kan het subsidiepercentage, mits onderbouwd
                                in de toekenningsbeschikking, verhoogd worden tot 30 % van de totale
                                subsidiabele kosten.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1.11 berekeningswijze bijdragen in natura</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Bijdragen in natura kunnen bestaan uit werken, goederen, diensten,
                                grond en onroerend goed waarvoor geen door facturen of documenten
                                met gelijkwaardige bewijskracht gestaafde contante betalingen zijn
                                verricht.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Bijdragen in natura zijn subsidiabel indien: </al><lijst><li nr="a."><al> voor zover de te verlenen subsidie niet meer bedraagt dan
                                        de totale subsidiabele kosten in het project exclusief de
                                        bijdragen in natura;</al></li><li nr="b."><al> indien de aan de bijdrage in natura toegekende waarde niet
                                        hoger is dan de waarde die gewoonlijk op de desbetreffende
                                        markt wordt aanvaard;</al></li><li nr="c."><al> indien er een onafhankelijke beoordeling en verificatie van
                                        de waarde van de bijdragen in natura mogelijk is.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien de bijdrage in natura bestaat uit de verstrekking van
                                gronden of onroerende goederen is de bijdrage, in afwijking van het
                                tweede lid, onderdeel c, slechts subsidiabel indien de waarde is
                                getaxeerd en gecertificeerd door een onafhankelijke gekwalificeerde
                                deskundige of een hiertoe gemachtigde officiële instantie.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Een bijdrage in natura in de vorm van verstrekking van gronden is
                                subsidiabel tot maximaal 10% van de subsidiabele kosten.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Indien de bijdrage in natura bestaat uit gronden of onroerende
                                goederen kan een contante betaling worden gedaan met het oog op een
                                huurovereenkomst voor een nominaal bedrag per jaar dat niet meer
                                bedraagt dan € 1,-.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Indien de bijdrage in natura bestaat uit onbetaalde arbeid is de
                                bijdrage slechts subsidiabel indien de werkelijke arbeidstijd voor
                                de uitvoering van de activiteit gecontroleerd kan worden.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> De waarde van onbetaalde eigen arbeid wordt gewaardeerd op € 35,-
                                per uur.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al> De waarde van onbetaalde arbeid van vrijwilligers wordt gewaardeerd
                                op € 22,- per uur.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1.12 subsidiabiliteit van de kosten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Kosten zijn slechts subsidiabel indien zij gemaakt zijn nadat de
                                aanvraag om subsidie is ingediend.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> In afwijking van het eerste lid komen voorbereidingskosten ook voor
                                subsidie in aanmerking indien zij gemaakt zijn binnen één jaar
                                voordat de aanvraag om subsidie is ingediend, tenzij in het
                                openstellingsbesluit anders is bepaald.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De voorbereidingskosten kunnen uitsluitend bestaan uit: </al><lijst><li nr="a."><al> kosten van architecten, ingenieurs en adviseurs;</al></li><li nr="b."><al> kosten van adviezen over duurzaamheid op milieu- en
                                        economisch gebied;</al></li><li nr="c."><al> kosten van haalbaarheidsstudies; </al></li><li nr="d."><al> personeelskosten of inbreng eigen arbeid, voor zover deze
                                        kosten betrekking hebben op werkzaamheden zoals bedoeld
                                        onder de leden a, b en c van dit artikel.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1.13 niet-subsidiabele kosten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Subsidie wordt in ieder geval niet verstrekt voorde volgende
                                kosten: </al><lijst><li nr="a."><al> kosten die niet aantoonbaar rechtstreeks aan de activiteit
                                        waarop de subsidie betrekking heeft zijn toe te
                                        rekenen;</al></li><li nr="b."><al> kosten die reeds uit andere hoofde zijn gesubsidieerd tot
                                        het op grond van Europese verordeningen toegestane maximale
                                        subsidiepercentage of -bedrag;</al></li><li nr="c."><al> kosten van rente, debetrente, bankdiensten, financieringen,
                                        gerechtelijke procedures, kosten van juridische advisering
                                        of bijstand ten behoeve van gerechtelijke procedures, boetes
                                        en sancties;</al></li><li nr="d."><al> vervangingsinvesteringen;</al></li><li nr="e."><al> legeskosten, tenzij deze kosten expliciet subsidiabel
                                        gesteld worden;</al></li><li nr="f."><al> reguliere investeringen in de onderneming van de
                                        subsidieontvanger;</al></li><li nr="g."><al> kosten voor de vervaardiging van producten die melk en
                                        zuivelproducten imiteren of vervangen;</al></li><li nr="h."><al> verrekenbare of compensabele BTW; of</al></li><li nr="i."><al> kosten die naar het oordeel van Gedeputeerde Staten niet
                                        noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het project of
                                        bovenmatig zijn.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien de activiteit betrekking heeft op een investering in de
                                landbouw wordt eveneens geen subsidie verstrekt voor de aankoop van: </al><lijst><li nr="a."><al> landbouwproductierechten;</al></li><li nr="b."><al> betalingsrechten;</al></li><li nr="c."><al> dieren; of</al></li><li nr="d."><al> zaai- en pootgoed van eenjarige gewassen alsmede het
                                        planten daarvan.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1.14 adviescommissie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen één of meer adviescommissies
                                instellen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen in nadere regels bepalen dat aanvragen
                                die voor subsidie in aanmerking komen worden voorgelegd aan een
                                adviescommissie.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1.15 prioritering subsidieaanvragen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Aanvragen die voor subsidie in aanmerking komen, worden op een
                                prioriteitenlijst gerangschikt.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De rangschikking wordt bepaald door toepassing van alle in het
                                openstellingsbesluit geselecteerde selectiecriteria met de in
                                hetzelfde openstellingsbesluit aangegeven weging van die criteria.
                                Het totaal aantal punten dat na toepassing van deze criteria wordt
                                behaald, bepaalt de rangschikking.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De aanvragen worden gehonoreerd op volgorde van de
                                prioriteitenlijst.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Indien meerdere aanvragen op dezelfde plaats op de
                                prioriteitenlijst worden gerangschikt en door honorering van deze
                                aanvragen het subsidieplafond wordt overschreden, wordt door middel
                                van loting bepaald welke aanvraag als eerste wordt gehonoreerd.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1.16 beslistermijn</titel></kop><al>Gedeputeerde Staten beslissen binnen 22 weken na afloop van de periode
                            waarbinnen een aanvraagom subsidie ontvangen moet zijn.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1.17 verplichtingen subsidieontvanger</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De subsidieontvanger is verplicht: </al><lijst><li nr="a."><al> indien de subsidieontvanger aanbestedingsplichtig is op
                                        grond van de Aanbestedingswet 2012, dienen de voorschriften
                                        uit de Aanbestedingswet 2012 in acht genomen te worden;</al></li><li nr="b."><al> te voldoen aan de communicatieverplichtingen zoals
                                        omschreven in Uitvoeringsverordening (EU) Nr 808/2014 van de
                                        Commissie van 17 juli 2014 tot vaststelling van
                                        uitvoeringsbepalingen voor Verordening ( EU) nr
                                        1305/2013;</al></li><li nr="c."><al> in geval van investeringen de investering op het moment van
                                        indiening van de aanvraag tot vaststelling van de subsidie
                                        gebruiksklaar te hebben;</al></li><li nr="d."><al> een investering gedurende vijf jaar gebruiksklaar in stand
                                        te houden, indien de activiteit een investering in
                                        infrastructuur of een productieve investering omvat;</al></li><li nr="e."><al> binnen twee maanden na ontvangst van de subsidiebeschikking
                                        te starten met de uitvoering van de activiteit, tenzij in
                                        het openstellingsbesluit of in de beschikking tot
                                        subsidieverlening anders is bepaald;</al></li><li nr="f."><al> de activiteiten binnen drie jaar na ontvangst van de
                                        subsidiebeschikking te hebben voltooid, tenzij in de
                                        beschikking tot subsidieverlening anders is bepaald;</al></li><li nr="g."><al> een administratie te voeren die te allen tijde de
                                        informatie bevat die nodig is voor een juist inzicht in de
                                        realisatie van de gesubsidieerde activiteiten en voor een
                                        juiste subsidieverstrekking, hetgeen inhoudt dat alle
                                        inkomsten en uitgaven in de administratie zijn vastgelegd
                                        met de onderliggende bewijsstukken: </al><lijst><li nr="1."><al> een sluitende urenadministratie;</al></li><li nr="2."><al> een deugdelijk en volledig inkoopdossier; en</al></li><li nr="3."><al> bewijsstukken ten name van de subsidieontvanger
                                                waaruit de aard van de geleverde goederen en
                                                diensten duidelijk blijkt;</al></li></lijst></li><li nr="h."><al> de administratie en de daartoe beherende bescheiden te
                                        bewaren tot 31 december 2028;</al></li><li nr="i."><al> eenmaal per jaar een verslag omtrent de voortgang van de
                                        activiteiten in te dienen, tenzij in de beschikking tot
                                        subsidieverlening anders is bepaald;</al></li><li nr="j."><al> de subsidieverstrekker onverwijld schriftelijk mee te delen
                                        indien de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend
                                        niet, niet tijdig of niet geheel zullen worden
                                        verricht;</al></li><li nr="k."><al> de subsidieverstrekker onverwijld schriftelijk mee te delen
                                        indien niet, niet tijdig of niet geheel zal worden voldaan
                                        aan de verplichtingen die aan de subsidie verbonden zijn;
                                        en</al></li><li nr="l."><al> medewerking te verlenen aan met het toezicht op deze
                                        regeling belaste toezichthouders.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Een verslag omtrent de voortgang van de activiteiten als bedoeld in
                                het eerste lid, onder i, bevat ten minste: </al><lijst><li nr="a."><al> de uitgevoerde activiteiten;</al></li><li nr="b."><al> de eventuele afwijkingen van het projectplan, alsmede de
                                        oorzaak daarvan;</al></li><li nr="c."><al> de mate waarin de uitgevoerde activiteiten hebben
                                        bijgedragen aan de in het projectplan beschreven
                                        doelstellingen;</al></li><li nr="d."><al> de activiteiten die in het komende jaar uitgevoerd zullen
                                        worden;</al></li><li nr="e."><al> de eventuele maatregelen die genomen worden om een
                                        eventuele achterstand in te lopen; en</al></li><li nr="f."><al> de financiële voortgang waarin ten minste is opgenomen: </al><lijst><li nr="1."><al> een actueel kostenoverzicht in relatie tot de
                                                begroting;</al></li><li nr="2."><al> een financieringsoverzicht alsmede een overzicht
                                                van toegezegde financiering van derden; en</al></li><li nr="3."><al> de financiële planning voor de resterende looptijd
                                                van de activiteit.</al></li></lijst></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1.18 niet doelgebonden verplichtingen</titel></kop><al>Gedeputeerde Staten kunnen aan een subsidieontvanger verplichtingen als
                            bedoeld in artikel 4:39 van de Algemene wet bestuursrecht opleggen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1.19 verrekening vermogensvoordeel</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> In de gevallen als bedoeld in artikel 4:41, tweede lid van de
                                Algemene wet bestuursrecht is de subsidieontvanger een vergoeding
                                verschuldigd.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De hoogte van de vergoeding is het gedeelte van de waarde van het
                                vermogen van de subsidieontvanger, dat evenredig is aan het gedeelte
                                van zijn totale inkomsten dat gedurende de laatste tien jaar de
                                subsidie is geweest. Bij de bepaling van de waarde van de
                                vermogensbestanddelen wordt uitgegaan van hun waarde op het tijdstip
                                waarop de vergoeding verschuldigd wordt, met dien verstande dat bij
                                verlies of beschadiging van goederen wordt uitgegaan van het bedrag
                                dat als schadevergoeding door de subsidieontvanger is
                                ontvangen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De waarde van de onroerende goederen wordt bepaald op basis van hun
                                waarde in het economisch verkeer, vastgesteld door een
                                onafhankelijke deskundige, die daartoe door Gedeputeerde Staten in
                                overleg met de subsidieontvanger wordt aangewezen.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De waarde van roerende goederen wordt bepaald op basis van hun
                                boekwaarde, geldmiddelen, waaronder begrepen de banksaldi, worden
                                gewaardeerd op hun nominale waarde.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1.20 verrekening netto inkomsten gedurende
                                uitvoering</titel></kop><al>Indien de subsidie betrekking heeft op paragraaf 1, 7 of 8 van hoofdstuk
                            2 of op hoofdstuk 3 worden netto inkomsten die tijdens de uitvoering van
                            de activiteit gegenereerd worden, overeenkomstig artikel 65 van Vo (EU)
                            1303/2013 in mindering gebracht op de subsidiabele kosten.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1.21 verrekening netto inkomsten na uitvoering</titel></kop><al>Indien de subsidie betrekking heeft op paragraaf 1, 7 of 8 van hoofdstuk
                            2 of op hoofdstuk 3 worden netto inkomsten die na de uitvoering van de
                            activiteit gegenereerd worden overeenkomstigen artikel 61 van Vo (EU)
                            1303/2013 in mindering bebracht op de subsidiabele kosten. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1.22 verlaging in verband met het niet voldoen aan de
                                verplichting tot instandhouding van een investering in
                                infrastructuur of een productieve investering</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien de subsidie betrekking heeft op een investering in
                                infrastructuur of op een productieve investering verlagen
                                Gedeputeerde Staten de subsidievaststelling indien binnen vijf jaar
                                na vaststelling van de subsidie: </al><lijst><li nr="a."><al> de productieactiviteit wordt beëindigd of wordt verplaatst
                                        naar een locatie buiten het grondgebied van Gelderland;</al></li><li nr="b."><al> een verandering in de eigendom van een
                                        infrastructuurvoorziening plaatsvindt waardoor een
                                        onderneming of een overheidsinstantie een onrechtmatig
                                        voordeel behaalt; of</al></li><li nr="c."><al> een substantiële verandering in de aard, de doelstellingen
                                        of de uitvoeringsvoorwaarden plaatsvindt waardoor de
                                        oorspronkelijke doelstelling of doelstellingen van de
                                        investering of investeringen worden geschaad.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De verlaging van de subsidie wordt naar rato berekend op basis van
                                de periode waarvoor niet aan de vereisten wordt voldaan.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het eerste lid is niet van toepassing indien de productiecapaciteit
                                wordt beëindigd wegens een niet-frauduleus faillissement.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1.23 bevoorschotting op basis van realisatie
                                (tussentijdse betalingen)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen op aanvraag voorschotten op basis van
                                realisatie verlenen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het voorschot wordt verleend op basis van werkelijke kosten en
                                betalingen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Een aanvraag om een voorschot bevat ten minste facturen en
                                betaalbewijzen, een verslag omtrent de voortgang als bedoeld in
                                artikel 1.17, sub i en voor zover van toepassing: </al><lijst><li nr="a."><al> bewijsstukken inzake de gemaakte personeelskosten;</al></li><li nr="b."><al> bewijsstukken inzake geleverde inbreng in natura;</al></li><li nr="c."><al> bewijsstukken inzake afschrijvingskodten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De aanvraag om een voorschot heeft betrekking op minimaal 25% van
                                de subsidie of minimaal € 50.000,-</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Gedeputeerde Staten beslissen binnen 13 weken op een aanvraag om
                                voorschot.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1.24 verlagen voorschot (sanctie)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Gedeputeerde Staten stellen bij een verzoek om voorschot als
                                bedoeld in artikel 1.23 vast welk bedrag op grond van deze regeling,
                                het openstellingsbesluit of de beschikking tot subsidieverlening kan
                                worden verstrekt.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien het gevraagde bedrag aan voorschot meer dan 10% hoger is dan
                                het onder het eerste lid berekende bedrag, wordt het onder het
                                eerste lid berekende bedrag verlaagd.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De verlaging is gelijk aan het verschil tussen het gevraagde bedrag
                                aan voorschot en het onder het eerste lid berekende bedrag.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Het voorschot wordt maximaal verlaagd tot nihil.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Het voorschot wordt niet verlaagd indien de subsidieontvanger
                                aantoont dat het verzoek om voorschot buiten zijn schuld facturen,
                                betaalbewijzen of bewijsstukken bevat van kosten die niet
                                subsidiabel zijn of indien Gedeputeerde Staten anderszins van
                                oordeel is dat de betrokken begunstigde geen schuld treft.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1.25 voorschotten vooruitlopend op realisatie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen op verzoek voorschotten vooruitlopend op
                                realisatie verlenen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Een voorschot vooruitlopend op realisatie kan slechts worden
                                verleend indien er sprake is van investeringsgerelateerde steun of
                                subsidie op grond van paragraaf 3.4.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen een voorschot verlenen voordat kosten
                                zijn gemaakt en betaald door subsidieverkrijger, indien er een
                                bankgarantie of een gelijkwaardige garantie voor 100% van het
                                voorschot is gesteld.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Een door een overheidsinstantie ter beschikking gestelde
                                garantiefaciliteit wordt beschouwd als gelijkwaardig aan de in het
                                derde lid bedoelde garantie, indien de instantie zich ertoe verbindt
                                het door die garantie gedekte bedrag te betalen wanneer er geen
                                recht op betaling van het voorschot wordt vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Een voorschot kan maximaal 50 % van de oorspronkelijk verleende
                                subsidie bedragen.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Gedeputeerde Staten beslissen binnen 13 weken op een verzoek om een
                                voorschot.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1.26 wijzigingsverzoeken</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Gedeputeerde staten kunnen op verzoek de beschikking tot
                                subsidieverlening wijzigingen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Een wijzigingsverzoek kan niet worden gehonoreerd indien de
                                wijziging: </al><lijst><li nr="a."><al> leidt tot een activiteit die op grond van het
                                        openstellingsbesluit niet subsidiabel is;</al></li><li nr="b."><al> leidt tot een lager behaald aantal punten op basis van de
                                        selectiecriteria dan het minimum aantal punten om voor
                                        subsidie in aanmerking te komen;</al></li><li nr="c."><al> zou leiden tot een lagere plaats op de prioriteitenlijst
                                        dan de plaats waarop het subsidieplafond is bereikt.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1.27 subsidievaststelling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Een subsidieontvanger is verplicht zijn aanvraag tot
                                subsidievaststelling uiterlijk op de in de verleningsbeschikking
                                genoemde uiterste datum voor het indienen van bedoelde aanvraag in
                                te dienen;</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De aanvraag om vaststelling bevat ten minste: </al><lijst><li nr="a."><al> een inhoudelijk en financieel verslag; en</al></li><li nr="b."><al> facturen en betaalbewijzen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Bij een aanvraag tot subsidievaststelling wordt mededeling gedaan
                                van alle aan het project gelieerde inkomsten, waaronder mede
                                begrepen eventueel toegekende andere subsidies die op de
                                gesubsidieerde activiteit of activiteiten betrekking hebben.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Bij de rekening en verantwoording, bedoeld in artikel 4:45, tweede
                                lid, van de Algemene wet bestuursrecht, maakt de subsidieontvanger
                                een onderverdeling naar de onderscheiden subsidiabele kosten.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Het inhoudelijk verslag bevat ten minste: </al><lijst><li nr="a."><al> een beschrijving van de activiteiten die in het kader van
                                        het project zijn verricht;</al></li><li nr="b."><al> een evaluatie van de mate waarin de activiteiten hebben
                                        bijgedragen aan de doelstellingen, omschreven in het
                                        projectplan dat onderdeel vormt van de beschikking tot
                                        subsidieverlening;</al></li><li nr="c."><al> de kennis en informatie die met het project zijn opgedaan,
                                        en</al></li><li nr="d."><al> de wijze waarop de kennis en informatie, bedoeld in
                                        onderdeel c, openbaar is of zal worden gemaakt, ingeval is
                                        bepaald dat openbaarmaking plaatsvindt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Gedeputeerde Staten beslissen binnen 13 weken na ontvangst van de
                                aanvraag tot vaststelling.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> Indien de aanvraag tot vaststelling tevens een verzoek om
                                uitbetaling van de subsidie op basis van facturen en betaalbewijzen,
                                gemaakte personeelskosten of geleverde inbreng in natura bevat, is
                                artikel 1.24 van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1.28 wettelijke rente bij terugvordering</titel></kop><al>Indien toepassing wordt gegeven aan artikel 4:57 van de Algemene wet
                            bestuursrecht, worden terug te vorderen bedragen vermeerderd met de
                            wettelijke rente. De rente wordt berekend over de periode die verstrijkt
                            tussen de in de terugvorderingsopdracht voor de begunstigde vastgestelde
                            betalingstermijn, die niet meer dan 60 dagen mag bedragen, en de datum
                            van de terugbetaling dan wel verrekening.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1.29 verlagingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Gedeputeerde Staten verlagen de verleende of vastgestelde subsidie
                                indien er onregelmatigheden zijn geconstateerd bij de uitvoering van
                                controles als bedoeld in artikel 48 en 49 van de
                                Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 809/2014 van de Commissie van 17
                                juli 2014 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor
                                Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad
                                wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem (PbEU L
                                227), plattelandsontwikkelingsmaatregelen en de
                                randvoorwaarden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Onder onregelmatigheid wordt elke inbreuk op het Gemeenschapsrecht
                                verstaan die bestaat uit een handeling of een nalaten van een
                                subsidieontvanger waardoor de algemene begroting van de
                                Gemeenschappen of de door de Gemeenschappen beheerde begrotingen
                                worden of zouden kunnen benadeeld, hetzij door de vermindering of
                                het achterwege blijven van ontvangsten uit de eigen middelen, die
                                rechtstreeks voor rekening van de Gemeenschappen worden geïnd,
                                hetzij door een onverschuldigde uitgave.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 2 Maatregelen</titel></kop><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 1 Trainingen, workshops, ondernemerscoaching en
                                demonstraties: gereserveerd</titel></kop></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 2 Fysieke investeringen voor innovatie en modernisering
                                van agrarische ondernemingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 2.2.1 subsidiabele activiteit</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Subsidie kan worden verstrekt voor fysieke investeringen: </al><lijst><li nr="a."><al> die nodig zijn voor het ontwikkelen, beproeven of
                                            demonstreren van innovaties in agrarische ondernemingen;
                                            of</al></li><li nr="b."><al> voor de bredere uitrol van innovaties binnen de
                                            agrarische sector.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Subsidie wordt uitsluitend verstrekt indien de activiteit
                                    betrekking heeft op ten minste één van de volgende thema’s: </al><lijst><li nr="a."><al> verschuiving van de bestaande kostenreductiestrategie
                                            naar een meerwaardestrategie, met nieuwe marktconcepten,
                                            nieuwe verdienmodellen, meerwaardecreatie;</al></li><li nr="b."><al> beter beheer van productierisico’s, versterking van de
                                            positie van de primaire producent in de handelsketen,
                                            verminderen van marktfalen;</al></li><li nr="c."><al> maatregelen die leiden tot een geringer
                                            grondstoffengebruik en een gesloten kringloop, met als
                                            resultaat een emissievermindering van milieubelastende
                                            stoffen naar bodem, lucht en grond- en oppervlaktewater
                                            en minder uitputting van hulpbronnen en
                                            grondstoffen;</al></li><li nr="d."><al> klimaatmitigatie. Aan klimaatmitigatie kan bijgedragen
                                            door uitvoering van activiteiten die leiden tot
                                            vermindering van de uitstoot van broeikasgassen door een
                                            zuiniger energiegebruik, reductie van het gebruik van
                                            fossiele energie, door omschakeling op hernieuwbare
                                            energie en productie van hernieuwbare energie;</al></li><li nr="e."><al> klimaat adaptatie. Aan klimaat adaptie kan bijgedragen
                                            worden door uitvoering van activiteiten die leiden tot
                                            het tegen gaan van dan wel het verminderen van de
                                            effecten van grotere watertekorten en -overschotten en
                                            toenemende verzilting;</al></li><li nr="f."><al> verbetering van dierenwelzijn of diergezondheid en
                                            verminderd risico voor de volksgezondheid bij de
                                            interactie tussen mens en dier; of</al></li><li nr="g."><al> behoud en versterking van biodiversiteit en
                                            omgevingskwaliteit.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.2.2 aanvrager</titel></kop><al>Subsidie wordt verstrekt aan landbouwers.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.2.3 subsidiabele kosten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Subsidie wordt verstrekt voor de volgende kosten: </al><lijst><li nr="a."><al> de kosten van de bouw, verbetering, verwerving of
                                            leasing van onroerende goederen;</al></li><li nr="b."><al> de kosten van de koop of huurkoop van nieuwe machines
                                            en installaties tot maximaal de marktwaarde van de
                                            activa;</al></li><li nr="c."><al> de kosten van tweedehands goederen tot maximaal de
                                            marktwaarde van de activa;</al></li><li nr="d."><al> kosten van adviseurs, architecten en ingenieurs;</al></li><li nr="e."><al> de kosten van adviezen duurzaamheid op milieu en
                                            economisch gebied; of</al></li><li nr="f."><al> de kosten van haalbaarheidsstudies.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> In aanvulling op het eerste lid kunnen Gedeputeerde Staten
                                    bepalen dat ook subsidie kan worden verstrekt voor: </al><lijst><li nr="a."><al> de kosten van verwerving of ontwikkeling van
                                            computersoftware;</al></li><li nr="b."><al> de kosten van verwerving van octrooien, licenties,
                                            auteursrechten en merken;</al></li><li nr="c."><al> personeelskosten;</al></li><li nr="d."><al> bijdragen in natura;</al></li><li nr="e."><al> afschrijvingskosten; of</al></li><li nr="f."><al> niet verrekenbare of compensabele BTW.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>artikel 2.2.4 hoogte subsidie</titel></kop><al>De subsidie bedraagt 40 % van de subsidiabele kosten.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.2.5 selectiecriteria</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Gedeputeerde Staten hanteren voor de rangschikking als bedoeld
                                    in artikel 1.15 ten minste de volgende criteria: </al><lijst><li nr="a."><al> de mate waarin de investering bijdraagt aan één of
                                            meerdere van de in artikel 2.2.1, tweede lid genoemde
                                            thema’s;</al></li><li nr="b."><al> de mate waarin de investering bijdraagt aan één of
                                            meerdere beleidsdoelen;</al></li><li nr="c."><al> de mate waarin de investering bijdraagt aan innovatie
                                            en modernisering van het landbouwbedrijf of de
                                            landbouwsector; en</al></li><li nr="d."><al> de kosteneffectiviteit van de activiteit.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen tevens één of meerdere
                                    selectiecriteria vaststellen die betrekking hebben op: </al><lijst><li nr="a."><al> de mate waarin de steun daadwerkelijk nodig is om de
                                            activiteit mogelijk te maken en de verwachte bijdrage
                                            van de activiteit aan grootschalige toepassing van de
                                            innovatie door landbouwers; of</al></li><li nr="b."><al> de kwaliteit van het projectplan.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen de criteria als bedoeld in de eerste
                                    twee leden nader uitwerken in een openstellingsbesluit.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 3 Fysieke investeringen in verduurzaming van agrarische
                                ondernemingen van jonge land- bouwers</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 2.3.1 lijst van investeringen</titel></kop><al>In aanvulling op artikel 1.3 stellen Gedeputeerde Staten een lijst
                                op van fysieke investeringen gericht op verduurzaming van
                                landbouwbedrijven. Deze lijst bevat geen investeringen die alleen of
                                hoofdzakelijk gericht zijn op de verbetering van de rentabiliteit
                                van een landbouwbedrijf.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.3.2 activiteiten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Subsidie kan worden verstrekt voor investeringen die zijn
                                    opgenomen in de lijst als bedoeld in artikel 2.3.1.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien de fysieke investering een onroerend goed betreft, wordt
                                    uitsluitend subsidie verstrekt indien: </al><lijst><li nr="a."><al> de investering op eigen grond van de landbouwbedrijf
                                            plaats vindt; of</al></li><li nr="b."><al> er voor de investering het recht van opstal is verleend
                                            indien een derde eigenaar is van de grond waarop de
                                            investering plaats vindt.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.3.3 begunstigden</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Subsidie wordt verstrekt aan jonge landbouwers.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Een jonge landbouwer is een persoon die bij het indienen van de
                                    aanvraag om subsidie niet ouder is dan 40 jaar, een erkende
                                    landbouwkundige opleiding of een gelijkwaardige opleiding
                                    afgerond heeft of over ten minste drie jaar werkervaring op een
                                    landbouwbedrijf beschikt en die: </al><lijst><li nr="a."><al> zich voor het eerst als bedrijfshoofd op een
                                            landbouwbedrijf vestigt; en</al></li><li nr="b."><al> hetzij alleen hetzij gezamenlijk met andere landbouwers
                                            daadwerkelijke, langdurige zeggenschap over het
                                            landbouwbedrijf heeft wat betreft de beslissingen die op
                                            het gebied van het beheer, de voordelen en de financiële
                                            risico’s worden genomen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Van daadwerkelijke, langdurige zeggenschap als bedoeld in het
                                    tweede lid, onderdeel b, is sprake als de jonge landbouwer: </al><lijst><li nr="a."><al> op basis van de statuten of een schriftelijke door alle
                                            maten of vennoten ondertekende overeenkomst ten minste
                                            een blokkerende zeggenschap heeft ter zake van
                                            ondernemings</al><al></al><al> beslissingen met een financieel belang van meer dan €
                                            25.000,-; en</al></li><li nr="b."><al> ten minste mede belast is met de dagelijkse
                                            bedrijfsvoering.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Van daadwerkelijke, langdurige zeggenschap als bedoeld in het
                                    tweede lid, onderdeel b, is geen sprake indien: </al><lijst><li nr="a."><al> de jonge landbouwer een commanditaire vennoot van het
                                            betreffende landbouwbedrijf is; of</al></li><li nr="b."><al> de schriftelijke overeenkomst als bedoeld in het derde
                                            lid, onderdeel a, door elk der partijen eenzijdig kan
                                            worden opgezegd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Indien de investering waarvoor subsidie wordt gevraagd wordt
                                    gedaan om te voldoen aan de normen van de Europese Unie voor
                                    landbouwproductie, wordt in afwijking van het eerste lid
                                    subsidie verstrekt aan jonge landbouwers die zich voor het eerst
                                    als bedrijfshoofd o peen landbouwbedrijf vestigen, uiterlijk 24
                                    maanden na de datum waarop de betrokken landbouwer zich als
                                    bedrijfshoofd heeft gevestigd. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.3.4 aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> In aanvulling op artikel 1.7, tweede lid, bevat de aanvraag om
                                    subsidie: </al><lijst><li nr="i."><al> KVK nummer van het landbouwbedrijf;</al></li><li nr="ii."><al> De notariële akte van overdracht van aandelen of van de
                                            oprichting van de bv en het aandelenregister of de door
                                            alle maten getekende maatschapsakte met vermelding van
                                            alle maten;</al></li><li nr="iii."><al> Een projectplan zoals bedoeld in artikel 1.7, lid 2f,
                                            waarin opgenomen een beschrijving van de investeringen
                                            per categorie waaruit blijkt dat de betreffende
                                            investering voldoet aan de omschrijving van de categorie
                                            genoemd in de lijst.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien de subsidieaanvrager kiest voor de berekening van de
                                    subsidie op basis van de verdeling van het eigen vermogen van
                                    het landbouwbedrijf onder de verschillende bedrijfshoofden zoals
                                    bedoeld in artikel 2.3.7 lid 2, bevat de aanvraag om subsidie
                                    tevens een accountantsverklaring die is opgesteld volgens een
                                    door Gedeputeerde Staten beschikbaar gestelde modelverklaring.
                                </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.3.5 weigeringsgronden</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 wordt subsidie geweigerd
                                indien er op grond van deze paragraaf reeds subsidie is verstrekt
                                voor het landbouwbedrijf of er op grond van hoofdstuk 2, titel 6
                                paragraaf 2 van de Regeling LNV subsidies of de Subsidieregeling
                                jonge Agrariërs van de Minister van Landbouw, Natuur en
                                Voedselkwaliteit reeds een subsidie is verstrekt aan de
                                aanvrager.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.3.6 subsidiabele kosten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Subsidie voor wordt verstrekt voor: </al><lijst><li nr="a."><al> de kosten van de bouw, verbetering, verwerving of
                                            leasing van onroerende goederen;</al></li><li nr="b."><al> de kosten van de koop of huurkoop van nieuwe machines
                                            en installaties tot maximaal de marktwaarde van de
                                            activa;</al></li><li nr="c."><al> de kosten van architecten en ingenieurs;</al></li><li nr="d."><al> de kosten van adviseurs duurzaamheid op milieu en
                                            economisch gebied; of</al></li><li nr="e."><al> de kosten van haalbaarheidsstudies.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> In aanvulling op het eerste lid kunnen Gedeputeerde Staten
                                    bepalen dat ook subsidie kan worden verstrekt voor: </al><lijst><li nr="a."><al> de kosten van verwerving of ontwikkeling van
                                            computersoftware;</al></li><li nr="b."><al> de kosten van verwerving van octrooien, licenties,
                                            auteursrechten en merken;</al></li><li nr="c."><al> bijdragen in natura;</al></li><li nr="d."><al> niet verrekenbare BTW; of</al></li><li nr="e."><al> personeelskosten.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.3.7 hoogte subsidie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De subsidie bedraagt:</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> In afwijking van artikel 2.3.7. lid 1 , bedraagt de subsidie -
                                    indien de subsidieaanvrager kiest voor de berekening van de
                                    subsidie op basis van de verdeling van het eigen vermogen van de
                                    onderneming - 30% van de subsidiabele kosten vermenigvuldigd met
                                    het percentage eigen vermogen van het landbouwbedrijf dat in
                                    eigendom is van jonge landbouwers.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De subsidie bedraagt maximaal € 20.000,-.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Indien toepassing van het eerste lid er toe leidt dat de
                                    subsidie minder bedraagt dan € 10.000,- wordt de subsidie niet
                                    verstrekt.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Het minimum bedrag aan subsidiabele kosten per fysieke
                                    investering, als bedoeld in artikel 2.3.1 is € 20.000,-.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.3.8 rangschikking</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Gedeputeerde Staten stellen per fysieke investering op de lijst
                                    als bedoeld in artikel 2.3.1 een punten aantal vast.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Gedeputeerde Staten hanteren het punten aantal als bedoeld in
                                    het eerste lid voor de rangschikking als bedoeld in artikel
                                    1.15.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Voor de rangschikking als bedoeld in artikel 1.15 kunnen
                                    Gedeputeerde Staten tevens de bijdrage aan een in een
                                    openstellingsbesluit nader omschreven beleidsdoel hanteren.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 4 Investeringen in infrastructuur voor de ontwikkeling,
                                modernisering of aanpassing van landbouwbedrijven</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 2.4.1 subsidiabele activiteit</titel></kop><al>Subsidie kan worden verstrekt voor:</al><lijst><li nr="a."><al> de verbetering van de verkavelingsstructuur van
                                        landbouwbedrijven; of</al></li><li nr="b."><al> de verplaatsing van landbouwondernemingen gericht op
                                        verbetering van de landbouwinfrastructuur.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.4.2 aanvrager</titel></kop><al>Subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.4.1 onderdeel a
                                en b wordt verstrekt aan:</al><lijst><li nr="a."><al> landbouwers;</al></li><li nr="b."><al> grondeigenaren die geen landbouwer zijn;</al></li><li nr="c."><al> pachters;</al></li><li nr="d."><al> stichtingen voor kavelruil;</al></li><li nr="e."><al> landbouworganisaties;</al></li><li nr="f."><al> provincies;</al></li><li nr="g."><al> waterschappen;</al></li><li nr="h."><al> gemeenten; of</al></li><li nr="i."><al> natuur- en landschapsorganisaties.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.4.3 verbetering van de
                                    verkavelingsstructuur</titel></kop><al>Subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.4.1 onderdeel a
                                kan worden verstrekt voor:</al><lijst><li nr="a."><al> proceskosten verkaveling;</al></li><li nr="b."><al> procedurekosten verkaveling;</al></li><li nr="c."><al> investeringen om kavels beter bewerkbaar en bereikbaar te
                                        maken; of</al></li><li nr="d."><al> investeringen ten behoeve van inpassingsmaatregelen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.4.4 subsidiabele kosten verplaatsing van
                                    landbouwbedrijven</titel></kop><al>Subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.4.1 onderdeel b
                                kan worden verstrekt voor:</al><lijst><li nr="a."><al> Procedurekosten bedrijfsverplaatsing;</al></li><li nr="b."><al> Investeringen op de nieuwe bedrijfslocatie;</al></li><li nr="c."><al> Investeringen om kavels beter bereikbaar te maken; of</al></li><li nr="d."><al> Investeringen ten behoeve van inpassingsmaatregelen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.4.5 subsidiabele kosten van investeringen</titel></kop><al>De kosten van investeringen voor verbetering van de
                                verkavelingsstructuur of verplaatsing van landbouwbedrijven kunnen
                                bestaan uit:</al><lijst><li nr="a."><al> de kosten van de bouw, verbetering, verwerving of leasing
                                        van onroerende goederen;</al></li><li nr="b."><al> de kosten van de koop of huurkoop van nieuwe machines en
                                        installaties tot maximaal de marktwaarde van de activa;</al></li><li nr="c."><al> tweede hands installatiegoederen, indien noodzakelijk voor
                                        het project en de kosten aantoonbaar de marktwaarde niet
                                        overstijgen;</al></li><li nr="d."><al> bijdragen in natura;</al></li><li nr="e."><al> algemene kosten met betrekking tot investeringen;</al></li><li nr="f."><al> plan- en advieskosten;</al></li><li nr="g."><al> leges voor vergunningen en procedures;</al></li><li nr="h."><al> haalbaarheidsstudies; of</al></li><li nr="i."><al> personeelskosten.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.4.6 hoogte subsidie verbetering
                                    verkavelingsstructuur van landbouwbedrijven</titel></kop><al>De subsidie voor kosten als bedoeld in artikel 2.4.3 bedraagt:</al><lijst><li nr="a."><al> 100% van de subsidiabele kosten van investeringen ten
                                        behoeve van inpassingsmaatregelen; of</al></li><li nr="b."><al> 40% van de subsidiabele kosten van investeringen ten
                                        behoeve van een betere bereikbaarheid en bewerkbaarheid van
                                        kavels.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.4.7 hoogte subsidie verplaatsing van
                                    landbouwbedrijven</titel></kop><al>De subsidie voor kosten als bedoeld in artikel 2.4.4 bedraagt:</al><lijst><li nr="a."><al> 100% van de subsidiabele kosten ten behoeve van een
                                        bedrijfsverplaatsing voor zover dit niet leidt tot een
                                        verhoging van de productiecapaciteit, de waarde of
                                        rentabiliteit van de onderneming; of</al></li><li nr="b."><al> 40% van de subsidiabele kosten ten behoeve van een
                                        bedrijfsverplaatsing, voor zover dit leidt tot een verhoging
                                        van de productiecapaciteit, de waarde of rentabiliteit van
                                        de onderneming.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.4.8 hoogte subsidie voor juridische en algemene
                                    kosten in het kader van verbeteringverkavelingsstructuur of
                                    verplaatsing van landbouwbedrijven</titel></kop><al>De subsidie voor juridische en algemene kosten bedoeld in artikel
                                2.4.3 onder a en b en in artikel 2.4.4 onder a bedraagt 100 % van de
                                subsidiabele kosten.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.4.9 selectiecriteria</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Gedeputeerde Staten hanteren voor de rangschikking als bedoeld
                                    in artikel 1.15 ten minste de volgende criteria: </al><lijst><li nr="a."><al> de kosteneffectiviteit; en</al></li><li nr="b."><al> de mate waarin de activiteit bijdraagt aan één of
                                            meerdere beleidsdoelen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen tevens één of meerdere
                                    selectiecriteria vaststellen die betrekking hebben op: </al><lijst><li nr="a."><al> de noodzaak van de kavelruil of de
                                            bedrijfsverplaatsing;</al></li><li nr="b."><al> de integraliteit van de verbetering van de
                                            verkavelingsstructuur of de bedrijfsverplaatsing;</al></li><li nr="c."><al> het aantal hectaren waar de activiteit betrekking op
                                            heeft;</al></li><li nr="d."><al> het aantal partijen dat bij de activiteit betrokken
                                            is;</al></li><li nr="e."><al> de mate waarin de activiteit bijdraagt aan de
                                            verbetering van het milieu, de waterhuishouding of de
                                            natuur;</al></li><li nr="f."><al> de mate waarin de activiteit bijdraagt aan de
                                            verbetering van de leefbaarheid;</al></li><li nr="g."><al> de mate waarin de activiteit bijdraagt aan de
                                            verkeersveiligheid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen de criteria als bedoeld de eerste
                                    twee leden nader uitwerken in een openstellingsbesluit.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 5 Niet-productieve investeringen voor biodiversiteit,
                                natuur, landschap en hydrologischemaatregelen Programmatische Aanpak
                                Stikstof (PAS)</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 2.5.1 subsidiabele activiteit</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Subsidie kan worden verstrekt voor niet productieve
                                    hydrologische maatregelen PAS en niet-productieve investeringen
                                    voor herstel- of inrichtingsmaatregelen voor natuur, landschap,
                                    biodiversiteit.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Subsidie wordt uitsluitend verstrekt voor niet productieve
                                    hydrologische maatregelen PAS en niet-productieve investeringen
                                    als bedoeld in het eerste lid, met een aangetoonde directe link
                                    met de landbouw.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.5.2 aanvrager</titel></kop><al>Subsidie wordt verstrekt aan:</al><lijst><li nr="a."><al> landbouwers;</al></li><li nr="b."><al> grondeigenaren;</al></li><li nr="c."><al> grondgebruikers;</al></li><li nr="d."><al> landbouworganisaties;</al></li><li nr="e."><al> natuur-en landschapsorganisaties;</al></li><li nr="f."><al> provincies;</al></li><li nr="g."><al> waterschappen;</al></li><li nr="h."><al> gemeenten; of</al></li><li nr="i."><al> samenwerkingsverbanden van bovenstaande partijen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.5.3 subsidiabele kosten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Subsidie kan worden verstrekt voor: </al><lijst><li nr="a."><al> de kosten van de bouw, verbetering, verwerving of
                                            leasing van onroerende goederen;</al></li><li nr="b."><al> de kosten van de koop of huurkoop van nieuwe machines
                                            en installaties tot maximaal demarktwaarde van de
                                            activa;</al></li><li nr="c."><al> de kosten van tweedehands installaties tot maximaal de
                                            marktwaarde;</al></li><li nr="d."><al> de kosten van adviseurs, architecten en
                                            ingenieurs;</al></li><li nr="e."><al> de kosten van adviezen duurzaamheid op milieu en
                                            economisch gebied; of</al></li><li nr="f."><al> de kosten van haalbaarheidsstudies.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> In aanvulling op het eerste lid kunnen Gedeputeerde Staten
                                    bepalen dat ook subsidie kan worden verstrekt voor: </al><lijst><li nr="a."><al> de kosten van verwerving of ontwikkeling van
                                            computersoftware;</al></li><li nr="b."><al> de kosten van verwerving van octrooien, licenties,
                                            auteursrechten en merken;</al></li><li nr="c."><al> afschrijvingskosten zoals bedoeld in artikel 69 lid 2
                                            van Verordening (EU)nr. 1303/2013;</al></li><li nr="d."><al> niet verrekenbare of niet compensabele BTW; of</al></li><li nr="e."><al> personeelskosten.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.5.4 hoogte subsidie</titel></kop><al>De subsidie bedraagt 100% van de subsidiabele kosten.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.5.5 selectiecriteria</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Gedeputeerde Staten hanteren voor de rangschikking als bedoeld
                                    in artikel 1.15 ten minste de volgende criteria: </al><lijst><li nr="a."><al> de kosteneffectiviteit; en</al></li><li nr="b."><al> de mate waarin de activiteit bijdraagt aan één of
                                            meerdere beleidsdoelen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen tevens één of meerdere
                                    selectiecriteria vaststellen die betrekking hebben op: </al><lijst><li nr="a."><al> de mate waarin de activiteit bijdraagt aan de doelen
                                            zoals vastgesteld in een of meer van de navolgende
                                            plannen: </al><lijst><li nr="1."><al> provinciaal plan als bedoeld in artikel 2.2.
                                                  Wro;</al></li><li nr="2."><al> provinciaal plan als bedoeld in artikel 4.4.
                                                  Waterwet;</al></li><li nr="3."><al> plan als bedoeld in artikel 19
                                                  natuurbeschermingswet 1998;</al></li><li nr="4."><al> natuurbeheerplannen; of</al></li><li nr="5."><al> landschapsbeheerplannen.</al></li></lijst></li><li nr="b."><al> de mate waarin onderhoud van de inrichtingsmaatregelen
                                            is gegarandeerd; of</al></li><li nr="c."><al> de mate waarin de activiteit bijdraagt aan herstel voor
                                            natuur, landschap, biodiversiteit.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen de criteria als bedoeld de eerste
                                    twee leden nader uitwerken in een openstellingsbesluit.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 6 Niet-productieve investeringen water</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 2.6.1 subsidiabele activiteit</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Subsidie kan worden verstrekt voor niet-productieve
                                    investeringen in het landelijk gebied die betrekking hebben op
                                    de (her)inrichting, of transformatie en het beheer van het
                                    watersysteem voor landbouw -, water - en klimaatdoelen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Subsidie wordt uitsluitend verstrekt voor niet-productieve
                                    investeringen als bedoeld in het eerste lid, met een directe
                                    link met de landbouw.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.6.2 aanvrager</titel></kop><al>Subsidie wordt verstrekt aan:</al><lijst><li nr="a."><al> landbouwers;</al></li><li nr="b."><al> grondeigenaren;</al></li><li nr="c."><al> grondgebruikers;</al></li><li nr="d."><al> landbouworganisaties;</al></li><li nr="e."><al> natuur- en landschapsorganisaties;</al></li><li nr="f."><al> provincies;</al></li><li nr="g."><al> waterschappen;</al></li><li nr="h."><al> gemeenten; of</al></li><li nr="i."><al> samenwerkingsverbanden van bovenstaande partijen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.6.3 subsidiabele kosten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Subsidie kan worden verstrekt voor de volgende kosten: </al><lijst><li nr="a."><al> de kosten van de bouw, verbetering, verwerving of
                                            leasing van onroerende goederen;</al></li><li nr="b."><al> de kosten van de koop of huurkoop van nieuwe machines
                                            en installaties tot maximaal demarktwaarde van de
                                            activa;</al></li><li nr="c."><al> de kosten van tweedehands installaties tot maximaal de
                                            marktwaarde;</al></li><li nr="d."><al> de kosten van adviseurs, architecten en
                                            ingenieurs;</al></li><li nr="e."><al> de kosten van adviezen duurzaamheid op milieu en
                                            economisch gebied; of</al></li><li nr="f."><al> de kosten van haalbaarheidsstudies.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> In aanvulling op het eerste lid kunnen Gedeputeerde Staten
                                    bepalen dat ook subsidie kan worden verstrekt voor de navolgende
                                    kosten: </al><lijst><li nr="a."><al> de kosten van verwerving of ontwikkeling van
                                            computersoftware;</al></li><li nr="b."><al> de kosten van verwerving van octrooien, licenties,
                                            auteursrechten en merken;</al></li><li nr="c."><al> afschrijvingskosten;</al></li><li nr="d."><al> niet verrekenbare of niet compensabele BTW; of</al></li><li nr="e."><al> personeelskosten.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.6.4 hoogte subsidie en ELFPO
                                    subsidiepercentage</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De subsidie bedraagt 100% van de subsidiabele kosten.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> In afwijking van artikel 1.4, tweede lid, kunnen de in deze
                                    paragraaf genoemde subsidiepercentages voor 100 % uit ELFPO
                                    middelen bestaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.6.5 selectiecriteria</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Gedeputeerde Staten hanteren voor de rangschikking als bedoeld
                                    in artikel 1.15 ten minste de volgende criteria: </al><lijst><li><al>a. de kosteneffectiviteit; en</al></li><li><al>b. de mate waarin de activiteit bijdraagt aan één of
                                            meerdere beleidsdoelen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen tevens één of meerdere
                                    selectiecriteria vaststellen die betrekking hebben op: </al><lijst><li nr="a."><al> de mate waarin de activiteit bijdraagt aan de doelen
                                            zoals vastgesteld in een of meer van de navolgende
                                            provinciale plannen van de waterschappen of de
                                            provincie: </al><lijst><li nr="1."><al> provinciaal plan als bedoeld in artikel 2.2.
                                                  Wro;</al></li><li nr="2."><al> provinciaal plan als bedoeld in artikel 4.4.
                                                  Waterwet;</al></li><li nr="3."><al> beheerplan van de waterbeheerder als bedoeld in
                                                  artikel 4.6. Waterwet;</al></li><li nr="4."><al> plan als bedoeld in artikel 19
                                                  natuurbeschermingswet 1998; of</al></li><li nr="5."><al> wateronderdelen van natuurbeheerplannen;</al></li></lijst></li><li nr="b."><al> de mate waarin de activiteit bijdraagt aan het
                                            verminderen van nutriëntenemissies of eutrofiëring;</al></li><li nr="c."><al> de mate waarin de activiteit bijdraagt aan de KRW
                                            doelen;</al></li><li nr="d."><al> de urgentie van de maatregelen om de doelen te
                                            realiseren;</al></li><li nr="e."><al> de mate van samenwerking bij de uitvoering van de
                                            activiteit;</al></li><li nr="f."><al> de mate waarin onderhoud van de inrichtingsmaatregelen
                                            is gegarandeerd;</al></li><li nr="g."><al> het innovatieve karakter van de activiteit; of</al></li><li nr="h."><al> de mate waarin de activiteit samenhangt met andere
                                            initiatieven die bijdragen aan verbetering van de
                                            biodiversiteit, natuur of landschap.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen de criteria als bedoeld de eerste
                                    twee leden nader uitwerken in een openstellingsbesluit.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 7 Samenwerking voor innovaties</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 2.7.1. subsidiabele activiteit</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Subsidie kan worden verstrekt voor: </al><lijst><li nr="a."><al> de oprichting van een projectmatig
                                            samenwerkingsverband;</al></li><li nr="b."><al> gezamenlijk formuleren van een projectplan gericht op
                                            een innovatie; of</al></li><li nr="c."><al> uitvoering van een innovatieproject.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De activiteiten zijn gericht op gericht op het praktijkrijp
                                    maken van kennis en innovatie alsmede één of meerdere van de
                                    volgende thema’s: </al><lijst><li nr="a."><al> verschuiving van de bestaande kostenreductiestrategie
                                            naar een meerwaarde strategie, met nieuwe
                                            marktconcepten, nieuwe verdienmodellen of
                                            meerwaardecreatie;</al></li><li nr="b."><al> beter beheer van productierisico’s, versterking van de
                                            positie van de primaire producent in de handelsketen of
                                            het verminderen van marktfalen;</al></li><li nr="c."><al> maatregelen die leiden tot een geringer
                                            grondstoffengebruik en een gesloten kringloop, met als
                                            resultaat een vermindering van de emissie van
                                            milieubelastende stoffen naar bodem, lucht en grond- en
                                            oppervlakte water en minder uitputting van hulpbronnen
                                            en grondstoffen;</al></li><li nr="d."><al> klimaatmitigatie. Aan klimaatmitigatie kan bijgedragen
                                            worden door uitvoering van activiteiten die leiden tot
                                            vermindering van de uitstoot van broeikasgassen door een
                                            zuiniger energiegebruik, reductie van het gebruik van
                                            fossiele energie, door omschakeling op hernieuwbare
                                            energie en productie van hernieuwbare energie;</al></li><li nr="e."><al> klimaat adaptatie. Aan klimaat adaptie kan bijgedragen
                                            worden door uitvoering van activiteiten die leiden tot
                                            het tegen gaan van dan wel het verminderen van de
                                            effecten van grotere watertekorten en -overschotten en
                                            toenemende verzilting;</al></li><li nr="f."><al> verbetering van dierenwelzijn of diergezondheid en
                                            verminderd risico voor de volksgezondheid bij de
                                            interactie tussen mens en dier; of</al></li><li nr="g."><al> behoud en versterking van de biodiversiteit en de
                                            omgevingskwaliteit.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Onverminderd het bepaalde in artikel 1.6, tweede lid en artikel
                                    2.7.2 kunnen Gedeputeerde Staten in een openstellingsbesluit
                                    nadere regels stellen omtrent: </al><lijst><li nr="a."><al> deelnemende partijen in het samenwerkingsverband;</al></li><li nr="b."><al> het minimale aantal bij het samenwerkingsverband
                                            betrokken partijen; of</al></li><li nr="c."><al> het thema waarop de activiteit betrekking heeft.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.7.2. samenwerkingsverband</titel></kop><al>Het samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 2.7.1, eerste lid,
                                bestaat ten minste uit twee partijen die van belang zijn voor het
                                verwezenlijken van de doelstelling van de projectvraag en bevat ten
                                minste één landbouwer of een organisatie die hun
                                vertegenwoordigt.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.7.3. aanvrager</titel></kop><al>Subsidie wordt verstrekt aan de deelnemers van het
                                samenwerkingsverband of de initiatiefnemer van het
                                samenwerkingsverband in wording.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.7.4. aanvraag</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1.7 bevat de aanvraag:</al><lijst><li nr="a."><al> een beschrijving van het te ontwikkelen, te testen, aan te
                                        passen of uit te voeren innovatieve project;</al></li><li nr="b."><al> een beschrijving van de verwachte resultaten en van de
                                        bijdrage aan de doelstelling om de productiviteit en het
                                        duurzame beheer van hulpbronnen te verbeteren;</al></li><li nr="c."><al> een uitwerking van de beoogde activiteiten voor
                                        kennisverspreiding van de resultaten met gebruik van de
                                        hiertoe geëigende netwerken; en</al></li><li nr="d."><al> Een beschrijving van de interne procedures van het
                                        samenwerkingsverband waarmee transparante werking en
                                        besluitvorming gegarandeerd wordt en waarmee
                                        belangenconflicten worden voorkomen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.7.5 weigeringsgronden</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 wordt subsidie
                                geweigerd:</al><lijst><li nr="a."><al> indien er voor dezelfde activiteit en dezelfde subsidiabele
                                        kosten reeds op grond van hoofdstuk 3 van deze regeling
                                        (LEADER) subsidie is verstrekt; of</al></li><li nr="b."><al> voor kosten gericht op de reguliere bedrijfsvoering van
                                        bestaande reguliere samenwerkingsactiviteiten.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.7.6 subsidiabele kosten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Subsidie kan worden verstrekt voor de volgende kosten: </al><lijst><li nr="a."><al> de kosten voor het werven van deelnemers en het
                                            schrijven van een projectplan;</al></li><li nr="b."><al> coördinatie kosten voor het samenwerkingsverband;</al></li><li nr="c."><al> de kosten voor het verspreiden van resultaten van het
                                            project;</al></li><li nr="d."><al> de kosten van de bouw, verbetering, verwerving of
                                            leasing van onroerende goederen;</al></li><li nr="e."><al> de kosten van de koop of huurkoop van nieuwe machines
                                            en installaties tot maximaal de marktwaarde van de
                                            activa;</al></li><li nr="f."><al> de kosten van tweedehands goederen tot maximaal de
                                            marktwaarde;</al></li><li nr="g."><al> de kosten van adviseurs, architecten en
                                            ingenieurs;</al></li><li nr="h."><al> de kosten van adviezen duurzaamheid op milieu en
                                            economisch gebied; of</al></li><li nr="i."><al> haalbaarheidsstudies.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> In aanvulling op het eerste lid kunnen Gedeputeerde Staten
                                    bepalen dat ook subsidie kan worden verstrekt voor: </al><lijst><li nr="a."><al> de kosten van verwerving of ontwikkeling van
                                            computersoftware;</al></li><li nr="b."><al> de kosten van verwerving van octrooien, licenties,
                                            auteursrechten en merken;</al></li><li nr="c."><al> bijdragen in natura;</al></li><li nr="d."><al> afschrijvingskosten; of</al></li><li nr="e."><al> personeelskosten.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.7.7 niet subsidiabele kosten</titel></kop><al>In afwijking van artikel 1.12, tweede lid, wordt geen subsidie
                                verstrekt voor voorbereidingskosten die gemaakt zijn voordat de
                                aanvraag om subsidie is ingediend.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.7.8 hoogte subsidie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien de activiteit betrekking heeft op de handel in en de
                                    voortbrenging van landbouwproducten bedraagt de hoogte van
                                    subsidie: </al><lijst><li nr="a."><al> 70% van subsidiabele kosten als bedoeld in artikel
                                            2.7.6, eerste lid onderdelen b en c, en de kosten als
                                            bedoeld in artikel 2.7.6, tweede lid onderdeel e voor
                                            zover het kosten voor samenwerking en kennisverspreiding
                                            betreft;</al></li><li nr="b."><al> 100% van de subsidiabele kosten als bedoeld in artikel
                                            2.7.6, eerste lid onderdeel d tot en met i, en de kosten
                                            als bedoeld in artikel 2.7.6, tweede lid, voor zover het
                                            kosten van niet-productieve investeringen betreft;</al></li><li nr="c."><al> 40% van de subsidiabele kosten als bedoeld in artikel
                                            2.7.6, eerste lid onderdeel d tot en met i, en de kosten
                                            als bedoeld in artikel 2.7.6, tweede lid, voor zover het
                                            kosten van productieve investeringen betreft; of</al></li><li nr="d."><al> 100% van de subsidiabele kosten als bedoeld in artikel
                                            2.7.6, eerste lid onderdeel a en b, en de kosten als
                                            bedoeld in artikel 2.7.6, tweede lid onderdeel e, voor
                                            zover het kosten betreft voor de oprichting van een
                                            projectmatige samenwerking en het gezamenlijk formuleren
                                            van een projectplan.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien de activiteit geen betrekking heeft op de handel in en
                                    de voortbrenging van landbouwproducten bedraagt de hoogte van
                                    subsidie: </al><lijst><li nr="a."><al> 25% van de subsidiabele kosten als bedoeld in artikel
                                            2.7.6, onderdeel a tot en met h, en de kosten als
                                            bedoeld in artikel 2.7.6, tweede lid, indien de
                                            subsidieontvanger een grote onderneming is;</al></li><li nr="b."><al> 35% van de subsidiabele kosten als bedoeld in artikel
                                            2.7.6, onderdeel a tot en met h, en de kosten als
                                            bedoeld in artikel 2.7.6, tweede lid, indien de
                                            subsidieontvanger een middelgrote onderneming is;</al></li><li nr="c."><al> 45% van de subsidiabele kosten als bedoeld in artikel
                                            2.7.6, onderdeel a tot en met h, en de kosten als
                                            bedoeld in artikel 2.7.6, tweede lid, indien de
                                            subsidieontvanger een kleine onderneming is; of</al></li><li nr="d."><al> 40% van de subsidiabele kosten als bedoeld in artikel
                                            2.7.6 onderdeel i.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De percentages genoemd in het tweede lid, onder a tot en met c
                                    kunnen worden verhoogd met 15% indien: </al><lijst><li nr="a."><al> het samenwerkingsverband bestaat uit ten minste één
                                            kleine- of middelgrote onderneming en geen van de
                                            partijen meer dan 70% van de kosten draagt; en</al></li><li nr="b."><al> een onderzoeks- of onderwijsinstelling aan het
                                            samenwerkingsverband deelneemt en deze instelling
                                            minimaal 10% van de kosten draagt.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.7.9 selectiecriteria</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Gedeputeerde Staten hanteren voor de rangschikking als bedoeld
                                    in artikel 1.15 ten minste de volgende criteria: </al><lijst><li nr="a."><al> de mate waarin de activiteit bijdraagt aan één of
                                            meerdere beleidsdoelen;</al></li><li nr="b."><al> de slagingskans van de activiteit waarbij wordt gelet
                                            op de wijze waarop het innovatieproces wordt ingericht
                                            en gecommuniceerd; en</al></li><li nr="c."><al> de kosteneffectiviteit.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen tevens selectiecriteria vaststellen
                                    die betrekking hebben op: </al><lijst><li nr="a."><al> het innovatieve karakter van de activiteit;</al></li><li nr="b."><al> de mate waarin de activiteit aansluit bij gerelateerde
                                            nationale of Europese programma’s;</al></li><li nr="c."><al> de verbinding tussen praktijk en onderzoek; of</al></li><li nr="d."><al> de rol van de benodigde partners in het innovatieproces
                                            en de kennisverspreiding.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen de criteria als bedoeld in de eerste
                                    twee leden nader uitwerken in een openstellingsbesluit.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Bij de keuze en nadere uitwerking van de selectiecriteria als
                                    bedoeld in de vorige leden dient gelet te worden op economische
                                    doelmatigheid en milieuefficiëntie.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.7.10 verplichtingen aanvrager</titel></kop><al>De subsidieontvanger is verplicht om de resultaten van de activiteit
                                openbaar te maken en te verspreiden via de geëigende netwerken.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 8 Samenwerking in het kader van het EIP:
                                gereserveerd</titel></kop></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 3 Leader</titel></kop><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 1 Algemeen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 3.1.1 algemeen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al> LAG: locale actiegroep als bedoeld in artikel 34 van Vo
                                            (EG) nr. 1303/2013;</al></li><li nr="b."><al> Lokale ontwikkelingsstrategie (LOS): een vanuit de
                                            gemeenschap geleide plaatselijke ontwikkelingsstrategie
                                            als bedoeld in artikel 33 van Vo (EG) nr.
                                            1303/2013.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> In een openstellingsbesluit inzake Leader kan door Gedeputeerde
                                    Staten afgeweken worden van de artikelen 1.2 en 1.15 van deze
                                    verordening.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 2 Gereserveerd</titel></kop></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 3 Uitvoering van LEADER-projecten</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 3.3.1. subsidiabele activiteiten</titel></kop><al>Subsidie kan worden verstrekt voor de uitvoering van concrete acties
                                die passen binnen de LOS.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.3.2 aanvrager</titel></kop><al>Subsidie wordt verstrekt aan:</al><lijst><li nr="a."><al> publieke rechtspersonen;</al></li><li nr="b."><al> private rechtspersonen;</al></li><li nr="c."><al> een LAG; of</al></li><li nr="d."><al> de penvoerder van een LAG.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.3.3 subsidiabele kosten</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1.12 kan subsidie worden
                                verstrekt voor alle kosten gemaakt ter voorbereiding of uitvoering
                                van projecten die passen binnen de LOS.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.3.4 hoogte subsidie</titel></kop><al>De hoogte van de subsidie wordt bepaald door Gedeputeerde Staten, op
                                basis van een advies daarover door de LAG. Het advies van de LAG
                                dient te zijn gebaseerd op de berekeningsmethode als vastgelegd in
                                de door Gedeputeerde Staten goedgekeurde LOS.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.3.5 weigeringsgrond</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 wordt subsidie
                                geweigerd:</al><lijst><li nr="a."><al> indien voor dezelfde activiteit en dezelfde subsidiabele
                                        kosten reeds subsidie op grond van hoofdstuk 2 is verstrekt;
                                        of</al></li><li nr="b."><al> indien het project niet past binnen een door Gedeputeerde
                                        Staten goedgekeurde LOS.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.3.6 selectiecriteria</titel></kop><al>Selectie van de subsidie vindt plaats door de LAG op basis van een
                                door Gedeputeerde Staten goedgekeurde LOS. De selectiecriteria zijn
                                daarbij in ieder geval uitgewerkt op basis van de volgende 4
                                aspecten:</al><lijst><li nr="a."><al> de mate waarin het project bijdraagt aan de doelen van de
                                        LOS;</al></li><li nr="b."><al> de mate waarin het project past binnen de werkwijze van
                                        LEADER inhoudende bottom-up, integraal, innovatief,
                                        samenwerkend, gebiedsgericht;</al></li><li nr="c."><al> de mate waarin het project haalbaar is vanuit financieel en
                                        organisatorisch oogpunt; en</al></li><li nr="d."><al> de mate van efficiency en doelmatigheid van het
                                        project.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 4 Voorbereiding en uitvoering van
                                samenwerkingsactiviteiten van de lokale groep</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 3.4.1 subsidiabele activiteit</titel></kop><al>Subsidie kan worden verstrekt voor:</al><lijst><li nr="a."><al> de voorbereiding van samenwerkingsactiviteiten met het oog
                                        op het opstellen van een samenwerkingsproject en het zoeken
                                        van geschikte partners en gebieden daarvoor; of</al></li><li nr="b."><al> de uitvoering van samenwerkingsactiviteiten;</al></li><li nr="c."><al> de onder a. en b. bedoelde samenwerkingsactiviteiten kunnen
                                        plaats vinden binnen Nederland of tussen gebieden in
                                        verschillende lidstaten of met gebieden in derde
                                        landen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.4.2 aanvrager</titel></kop><al>Subsidie wordt verstrekt aan:</al><lijst><li nr="a."><al> de penvoerder van de LAG; of</al></li><li nr="b."><al> rechtspersonen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.4.3. weigeringsgrond</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 wordt subsidie uitsluitend
                                verstrekt indien het samenwerkingsproject past binnen een door
                                Gedeputeerde Staten goedgekeurde LOS.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.4.4. subsidiabele kosten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Subsidie in verband met de voorbereiding van
                                    samenwerkingsactiviteiten wordt verstrekt voor: </al><lijst><li nr="a."><al> de kosten van haalbaarheidsstudies voor
                                            inter-territoriale of transnationale samenwerking;</al></li><li nr="b."><al> de kosten voor het opstellen van een projectplan;</al></li><li nr="c."><al> operationele kosten en personeelskosten voor de
                                            organisatie van een samenwerkingsproject; of</al></li><li nr="d."><al> reis- en verblijfkosten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Subsidie in verband met de uitvoering van
                                    samenwerkingsactiviteiten wordt verstrekt voor: </al><lijst><li nr="a."><al> uitvoeringskosten;</al></li><li nr="b."><al> operationele kosten en personeelskosten voor de
                                            organisatie van een samenwerkingsproject; of</al></li><li nr="c."><al> reis- en verblijfkosten.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.4.5 hoogte subsidie</titel></kop><al>De hoogte van de subsidie wordt bepaald door Gedeputeerde Staten, op
                                basis van een advies daarover door de LAG. Het advies van de LAG
                                dient te zijn gebaseerd op de berekeningsmethode als vastgelegd in
                                de door Gedeputeerde Staten goedgekeurde LOS.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.4.6 selectiecriteria</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Selectie van de subsidie vindt plaats door de LAG op basis van
                                    een door Gedeputeerde Staten goedgekeurde LOS.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De selectiecriteria zijn daarbij in ieder geval uitgewerkt op
                                    basis van de volgende vier aspecten: </al><lijst><li nr="a."><al> de mate waarin het project bijdraagt aan de doelen van
                                            de LOS;</al></li><li nr="b."><al> de mate waarin het project past binnen de werkwijze van
                                            LEADER inhoudende bottom-up, integraal, innovatief,
                                            samenwerkend, gebiedsgericht;</al></li><li nr="c."><al> de mate waarin het project haalbaar is vanuit
                                            financieel en organisatorisch oogpunt; en</al></li><li nr="d."><al> de mate van efficiency en doelmatigheid van het
                                            project.</al></li></lijst></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 5 Lopende kosten, promotie en voorlichting</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 3.5.1 subsidiabele activiteit</titel></kop><al>Subsidie kan worden verstrekt voor:</al><lijst><li nr="a."><al> beheer van de uitvoering van de LOS; of</al></li><li nr="b."><al> promotie en voorlichting van de LOS.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.5.2 aanvrager</titel></kop><al>Subsidie wordt verstrekt aan:</al><lijst><li nr="a."><al> de penvoerder van de LAG; of</al></li><li nr="b."><al> rechtspersonen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.5.3. subsidievereiste</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 wordt subsidie uitsluitend
                                verstrekt indien het project past binnen een door Gedeputeerde
                                Staten goedgekeurde LOS.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.5.4 subsidiabele kosten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Subsidie in verband met beheer van de uitvoering van de LOS kan
                                    worden verstrekt voor: </al><lijst><li nr="a."><al> operationele kosten en personeelskosten;</al></li><li nr="b."><al> opleidingskosten;</al></li><li nr="c."><al> kosten voor public relations;</al></li><li nr="d."><al> in afwijking van het bepaalde in artikel 1.13: kosten
                                            voor financiële diensten, waaronder begrepen kosten voor
                                            bankdiensten en financieringen; of</al></li><li nr="e."><al> kosten voor monitoring en evaluatie.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Subsidie in verband met promotie en voorlichting wordt
                                    verstrekt voor: </al><lijst><li nr="a."><al> kosten voor het faciliteren van de uitwisseling tussen
                                            belanghebbenden;</al></li><li nr="b."><al> kosten voor het promoten van en verstrekken van
                                            informatie over de LOS; of</al></li><li nr="c."><al> kosten voor de ondersteuning van potentiële
                                            begunstigden bij de ontwikkeling van concrete projecten
                                            en het voorbereiden van aanvragen.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.5.5 hoogte subsidie</titel></kop><al>De steun bedraagt 100% van de subsidiabele kosten tot een maximum
                                van 25% van de totale publieke uitgaven voor de
                                ontwikkelingsstrategie.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 4 Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 4.1</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Met het toezicht op deze regeling zijn belast door RVO.nl en NVWA
                                aangewezen ambtenaren van RVO.nl en de NVWA.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen naast de toezichthouders als bedoeld in
                                het eerste lid andere toezichthouders aanwijzen die zijn belast met
                                het toezicht op de besteding van de verstrekte subsidies en de
                                naleving van aan subsidieontvangers opgelegde verplichtingen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.2</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Op deze regeling is de Algemene subsidieverordening Gelderland 1998
                                niet van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Na inwerkingtreding van de Algemene subsidieverordening Gelderland
                                2016, zal ook de Algemene subsidieverordening Gelderland 2016 niet
                                van toepassing zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.3.</titel></kop><al>Gedeputeerde Staten kunnen de bepalingen zoals opgenomen in onderhavige
                            verordening wijzigen en intrekken.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.4</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Deze verordening reedt in werking met ingang van de dag na de datum
                                van uitgifte van het provinciaal blad waarin zij is geplaatst.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Deze verordening wordt aangehaald als Verordening POP 3 subsidies
                                provincie Gelderland.</al></lid></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Gedeputeerde Staten van Gelderland</al><al></al></slotformulering></regeling-sluiting><nota-toelichting><al><vet>TOELICHTING</vet></al><al><vet>ALGEMEEN</vet></al><al><vet>§1. Inleiding</vet></al><al><vet>§1.1 Algemene inleiding</vet> Op grond van Verordening (EU) nr. 1305/2013
                    van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake steun voor
                    plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor
                    Plattelandsontwikkeling (ELFPO) en tot intrekking van verordening (EU) nr.
                    1698/2005 van de Raad (PbEU L 347/487), verder: de POP verordening, heeft
                    Nederland in december 2014 haar Plattelandsontwikkelingsprogramma 2014 – 2020
                    (POP3) bij de Europese Commissie ingediend. Dit programma is op 13 februari 2015
                    door de Commissie goedgekeurd. Het POP3 programma is primair gebaseerd op
                    voorgenoemde verordening, maar naast deze verordeningen zijn ook enkele andere
                    verordeningen relevant voor het POP3 programma. Het gaat daarbij met name om de
                    verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17
                    december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het
                    gemeen- schappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr.
                    814/2000, (EG) nr. 1290/2005 en (EG) nr. 485/2008 van de Raad (PbEU L 347) en
                    verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17
                    december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds
                    voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het
                    Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor
                    maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds
                    voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het
                    Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van
                    Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad (PbEU L347/320) en alle bij genoemde
                    verordeningen behorende uitvoeringsverordeningen en controleverordeningen.
                    Hoewel genoemde verordeningen rechtstreeks doorwerken in de Nederlandse
                    rechtsorde, kunnen subsidies op grond van het goedgekeurde POP3 programma
                    slechts worden verstrekt op basis van een door een op nationaal of provinciaal
                    niveau vastgestelde subsidieregeling. De onderhavige provinciale Verordening
                    “Verordening POP3 subsidies provincie Gelderland” verder te noemen “de
                    Verordening” vormt, samen met nog vast te stellen openstellingsbesluiten, de
                    wettelijke basis voor de door de provincie te verstrekken POP3 subsidies (anders
                    dan subsidies voor agromilieu- en klimaatdiensten).</al><al>In deze verordening worden in hoofdstuk 1 de in de verordening gehanteerde
                    begrippen gedefinieerd. Daarbij is uitgangspunt dat waar mogelijk is aangesloten
                    bij de definities uit EU-verordeningen. Indien een begrip niet gedefinieerd is,
                    wordt er vanuit gegaan dat de betekenis in het normale spraakgebruik voldoende
                    duidelijk is. In hoofdstuk 2 wordt per door het bestuursorgaan open te stellen
                    maatregel de bij openstelling nader te bepalen en uit te werken voorwaarden en
                    beperkingen weergegeven. In hoofdstuk drie worden de Leadermaatregelen
                    beschreven en in hoofdstuk 4 volgen de slotbepalingen.</al><al>POP3 kent een gelaagde structuur. Op basis van genoemde EU-verordeningen en het
                    goedgekeurde POP-programma is de Verordening ontwikkeld. Dit betekent dat de
                    EU-verordeningen én de afspraken die bestaan tussen lidstaat Nederland en de
                    Europese Commissie over de uitvoering van POP3 in Nederland (het goedgekeurde
                    POP3 programma), bij eventuele strijdigheid van deze Verordening met een
                    EU-verordening of het POP-programma, vòòr gaan.</al><al><vet>§1.2 Openstellingsbesluit </vet> De maatregelen opgenomen in deze
                    Verordening kunnen door de provincie opengesteld worden door middel van een
                    openstellingsbesluit. In een openstellingsbesluit zal - naast het aanwijzen van
                    de maatregel(en) waarvoor subsidie kan worden aangevraagd en het vaststellen van
                    subsidieplafond(s) - onder meer aangegeven worden welke van de in deze
                    Verordening genoemde ‘facultatieve’ selectiecriteria, nààst de in sommige
                    gevallen altijd te hanteren selectiecriteria, in het concrete geval gehanteerd
                    zullen worden, welke wegingsfactoren op de selectiecriteria van toepassing
                    zullen zijn en welke minimale puntenscore door een project behaald dient te
                    worden om zo wie zo voor subsidie in aanmerking te kunnen komen.</al><al><vet>§1.3 Selectie van projecten door middel van tenders </vet> De selectie van
                    projecten zal - met uitzondering van Leaderprojecten waarbij tendering niet
                    verplicht is voorgeschreven - plaats vinden via een zogenaamde ‘tender-methode’:
                    alle binnen de in het openstellingsbesluit genoemde tijdvak ingediende projecten
                    worden, indien ze voldoen aan de subsidiabiliteitsvoorwaarden, gescoord.
                    Subsidiabiliteitsvoorwaarden (‘instapeisen’) zijn de voorwaarden waaraan een
                    aanvraag altijd moet voldoen, bijvoorbeeld: als alleen agrarisch ondernemers aan
                    kunnen vragen, wordt een aanvraag die niet van een agrarisch ondernemer
                    afkomstig is, direct op grond van het niet voldoen aan de
                    subsidiabiliteitsvoorwaarde ‘aanvrager is agrarisch ondernemer’ afgewezen.
                    Aanvragen die voldoen aan de subsidiabiliteitsvoorwaarden, worden gescoord op
                    basis van de in de betreffende openstelling gehanteerde selectiecriteria en de
                    weging van die criteria als aangegeven in het openstel- lingsbesluit. Ten
                    behoeve van de uitvoering van deze procedure kan een selectiecommissie ingesteld
                    worden. Op basis van de procedure ontstaat er een lijst met alle ingediende
                    projecten die aan de subsidiabiliteitscriteria voldoen, voorzien van een score
                    (cijfer). Projecten die meer dan het minimaal voorschreven aantal punten
                    behalen, kunnen voor subsidie in aanmerking komen. Indien de kostenvoor het
                    aantal projecten dat voor subsidie in aanmerking komt hoger zijn dan het
                    beschikbare subsidieplafond, worden subsidie toegekend op basis van de behaalde
                    scores (projecten met hogere scoresgaan voor). Indien er meerdere projecten met
                    hetzelfde puntenaantal zijn en niet al die projecten kunnengehonoreerd worden
                    omdat het subsidieplafond dan overschreden zou worden, dan kan door middelvan
                    loting bepaald worden welke projecten uit die groep voor subsidie in aanmerking
                    komen.</al><al><vet>§2. Maatregelen</vet> Het POP3 bestaat voornamelijk uit maatregelen die
                    door de Provincies zullen worden uitgevoerd. De volgende voor onderhavige
                    regeling relevante provinciale maatregelen en submaatregelen zijn in het
                    programmadocument van Nederland opgenomen:</al><al>1. Maatregel inzake Kennisoverdracht en voorlichting (artikel 14 Verordening
                    (EU) Nr.1305/2013) Het is nodig om voorlichting en andere kennisoverdrachtacties
                    te ondersteunen omdat reeds ontwikkelde (veelal technische) innovaties vaak
                    moeilijk voorbij de eindfase van de innovatiecyclus komen. Zonder deze maatregel
                    blijft grootschalige toepassing van noodzakelijke innovaties uit of wordt deze
                    vertraagd. Dit geldt in het bijzonder wanneer de toepassing van een innovatie
                    niet vanzelfsprekend zelfstandig door het bedrijfsleven en de markt worden
                    opgepakt. Daarnaast dient de maatregel bij te dragen aan kennisuitwisseling
                    tussen onderzoek en praktijk. Enerzijds voor toepassing van nieuwe
                    wetenschappelijke kennis in de praktijk en anderzijds voor onderzoek dat
                    gestuurd wordt door vragen vanuit de praktijk.</al><al>2. Maatregel inzake investeringen (artikelen 17 lid 1 (a), (c) en (d)
                    Verordening (EU) Nr. 1305/2013) Deze maatregel bestaat uit een vijftal
                    submaatregelen: a. fysieke investeringen nodig voor het ontwikkelen, beproeven
                    en demonstreren van innovaties en voor de brede uitrol van innovaties; b.
                    fysieke investeringen in verduurzaming van agrarische ondernemingen van jonge
                    landbouwers; c. investeringen in infrastructuur; d. niet-productieve
                    investeringen voor biodiversiteit, natuur, landschap en hydrologische
                    maatregelen PAS (Programmatische Aanpak Stikstof); en e. niet-productieve
                    investeringen voor water.</al><al>Deze maatregelen dragen bij het versterken van de levensvatbaarheid van
                    landbouwbedrijven en het concurrentievermogen van de landbouw en het bevorderd
                    het gebruik van van innovatieve landbouwtechnologieën. Er wordt een link gelegd
                    met duurzaamheid en innovatie door in te spelen op onderwerpen als milieu,
                    klimaat, water, bodembeheer, energie, dier- en plantgezondheid en dierenwelzijn,
                    biodiversiteit en landschap.</al><al>3. Maatregel inzake samenwerking (artikel 35 van Verordening (EU) Nr. 1305/2013)
                    Deze maatregel richt zich op het ontwikkelen en valideren van praktische kennis
                    en technologie met een groep van koplopers, die met name resulteert in
                    technische innovatie, productinnovatie, procesinnovatie, organisatie-innovatie,
                    innovatie in businessconcepten en/of uiteindelijk in systeeminnovatie. Deze
                    maatregel is op samenwerkingsvormen en bestaat uit de volgende submaatregelen:
                    (1) samenwerking met betrekking tot proefprojecten en de ontwikkeling van nieuwe
                    producten, praktijken, processen en technieken in de landbouw- en de
                    voedingsmiddelensector en (2) de oprichting en werking van operationele groepen
                    in het kader van het EIP voor de productiviteit en duurzaamheid in de
                    landbouw.</al><al>4. Maatregel inzake LEADER –lokale ontwikkeling (artikelen 32 tot en met 35 van
                    Verordening (EU) Nr. 1303/2013 en artikelen 42 tot en met 44 van Verordening
                    (EU) Nr. 1305/2013, LEADER beoogt bij te dragen aan de plaatselijke ontwikkeling
                    van plattelandsgebieden. De interactie tussen landbouw en samenleving wordt
                    steeds belangrijker. Er ligt een opgave om samen te werken aan de
                    sociaaleconomische ontwikkeling van het platteland en aan een duurzaam beheer
                    van de ruimte. De agrarische sector zal zich in moeten zetten voor
                    maatschappelijk draagvlak. De sector moet daarbij invulling geven aan haar
                    “license to produce”. Dat kan bijvoorbeeld door de relatie tussen het platteland
                    en de stad en tussen de boer en de burger te verstevigen. LEADER kan hier een
                    bijdrage aanleveren, want: • LEADER heeft een toegevoegde waarde bij projecten
                    waarvoor draagvlak en samenwerking tussen private en publieke partijen een
                    voorwaarde voor succes zijn; • LEADER projecten komen ten goede aan de
                    economische ontwikkeling en werkgelegenheid op het platteland, innovaties op
                    agrarische bedrijven, de leefomgeving van de agrarische sector, jonge boeren en
                    hun gezinnen; • LEADER kan ondersteunen in ‘krimp’ gebieden waar alle actoren de
                    opgave hebben om samen te werken aan een sociaal en economisch vitaal
                    platteland; • LEADER is een krachtige aanpak voor de opgaven voor integrale
                    plattelandsontwikkeling waarbij verschillende belanghebbenden zijn betrokken en
                    de landbouwsector een belangrijke speler is; • LEADER sluit goed aan bij de
                    huidige tijdsgeest die vraagt om een actievere inzet van burgers en
                    bedrijven.</al><al>Het resterende deel van de maatregelen genoemd in het POP3 programma betreft de
                    agromilieu- en klimaatmaatregelen, waarvoor een separate provinciale Verordening
                    ontwikkeld is, òf zal door de Minister van Economische Zaken worden uitgevoerd.
                    Hierbij gaat het bijvoorbeeld om de maatregelen inzake risicobeheer (artikelen
                    36 en 37 van de POP-verordening).</al><al><vet>§ 3 Subsidieverlening op basis van selectiecriteria en tendering</vet> Voor
                    boeren in Nederland is het een grote uitdaging om rendement en duurzaam
                    produceren (rekening houdend met milieu, klimaatbestendigheid, dierwelzijn,
                    diergezondheid/volksgezondheid, biodiversiteit en ruimtelijke kwaliteit) met
                    elkaar te combineren. De meeste boeren hebben voldoende rendement om daarin
                    voortdurend te investeren. Voor jonge boeren levert dan na start of overname van
                    een bedrijf vaak problemen op, ze hebben dan vanwege hoge investeringslasten te
                    maken met een investeringsdip. Daardoor blijven zij achter met verduurzaming van
                    hun bedrijven. Ook blijken ze te kampen met hogere financieringslasten die vaak
                    het gevolg zijn van recente overname of start van het bedrijf. Om deze reden
                    willen wij juist deze specifieke groep van jonge boeren steunen.</al><al>Bovendien is een ontwikkeling dat boeren op steeds hogere leeftijd pas een eigen
                    bedrijf starten of overnemen. Dit vinden we een ongewenste ontwikkeling omdat
                    ondernemers hiermee langer afhankelijk blijven van hun voorgangers -meestal hun
                    ouders- waardoor een kortere periode resteert om het bedrijf te moderniseren, de
                    aflossingstermijn van de investeringen wordt immers sterk bekort.</al><al>Met deze regeling willen we jonge boeren stimuleren om duurzaam te investeren in
                    hun bedrijf. Het zal voornamelijk gaan om de aanschaf van modernere installaties
                    en machines waarmee de jonge landbouwer een achterstand kan inlopen.</al><al>Vervanging door dezelfde goederen die al op het bedrijf aanwezig waren, komen
                    niet in aanmerking. De modernisering moet bijdragen aan verbetering van het
                    milieu, klimaatbestendigheid, dierenwelzijn, volks-en diergezondheid,
                    landschap/ruimtelijke kwaliteit of biodiversiteit. Investeringen die alleen of
                    hoofdzakelijk gericht zijn op verbetering van de rentabiliteit van bedrijven
                    komen niet in aanmerking.</al><al><vet>§ 4 Subsidiabele kosten en bijdragen in natura </vet>In onderhavige
                    Verordening wordt per maatregel aangegeven welke kosten subsidiabel gesteld
                    kunnen worden. Sommige kosten kunnen alleen onder voorwaarden subsidiabel
                    gesteld worden. Zo mag in bepaalde projecten de kosten voor aankoop van grond,
                    bebouwd of niet-bebouwd, subsidiabel gesteld worden, maar deze kosten zijn -
                    tenzij er sprake is van een uitzonderlijke situatie - voor maximaal 10% van de
                    totale subsidiabele kosten die in het project gemaakt worden subsidiabel.</al><al>Bij sommige maatregelen kunnen bijdragen in natura subsidiabel gesteld worden.
                    Bijdragen in natura zijn alle in het project ingebrachte bijdragen voor werken,
                    goederen, diensten, grond of onroerende goederen die NIET door facturen en
                    betaalbewijzen of daaraan gelijk te stellen documenten gestaafd worden. Deze
                    bijdragen dienen aan strikte eisen te voldoen, om de hoogte van de uitgaven toch
                    controleerbaar te maken. De waarde die wordt toegekend aan de bijdrage in natura
                    mag niet meer bedragen dan de kosten die gewoonlijk op de desbetreffende markt
                    worden aanvaard. Voor enkele kostensoorten (inbreng eigen arbeid,
                    vrijwilligerswerk) zijn standaardtarieven ontwikkeld die bij de inbreng van dat
                    soort kosten gehanteerd moeten worden.</al><al>Bijdragen in natura zijn slechts subsidiabel indien de verstrekte subsidie
                    minder dan 100% van de subsidiabele kosten bedraagt én binnen het project ook
                    voldoende àndere subsidiabele kosten gemaakt worden. De uit te betalen subsidie
                    - berekend als percentage van de subsidiabele kosten inclusief de bijdrage in
                    natura - kan nooit hoger zijn dan de subsidiabel gestelde kosten zònder die
                    bijdrage in natura.</al><al><vet>§ 5 Verplichtingen subsidieverkrijgers </vet> Subsidieverkrijgers dienen
                    aan alle in het subsidietoekenningsbesluit gestelde verplichtingen te voldoen.
                    In artikel 1.17 worden de algemene verplichtingen weergegeven waaraan - indien
                    de betreffende verplichting op het betreffende project van toepassing is -
                    altijd moet worden voldaan. Naast deze algemene, subsidiegerelateerde,
                    verplichtingen, kunnen ook specifieke verplichtingen opgelegd worden en op grond
                    van artikel 1.18 kunnen Gedeputeerde Staten de subsidieverkrijger ook niet
                    doelgebonden verplichtingen opleggen.</al><al><vet>§ 6 Financiële aspecten subsidie </vet>Een subsidie geeft een direct
                    financieel voordeel aan de subsidieverkrijger. Naast dit directe financiële
                    voordeel ten gevolge van de subsidie, kan er ook sprake zijn van een financieel
                    voordeel in de vorm van netto inkomsten die tijdens of na het uitvoeren van het
                    project verkregen worden. Ook kan er sprake zijn van een vermogensvoordeel ten
                    gevolge van de subsidie. In sommige gevallen dienen dit soort voordelen
                    verrekend of vergoed te worden. De artikelen 1.19, 1.20 en 1.21 geven daar de
                    voorschriften voor. Het gaat hierbij overigens alleen over rechtstreeks
                    gegenereerde netto-inkomsten, waarmee géén rekening is gehouden op het tijdstip
                    van goedkeuring van de actie. Met veel inkomsten, bijvoorbeeld kostenreductie
                    dank zij de investering of inkomsten door het verkopen van bedrijfsgebouwen in
                    het kader van een bedrijfsverplaatsing of het vragen van een bijdrage van
                    agrarisch ondernemers die aan een cursus deel zullen nemen, zal bij de
                    toekenning al rekening gehouden worden. Indien er verrekend zou moeten worden,
                    gelden er verschillende uitzonderingen op het voorschrift tot verrekening. Zo
                    hoeft bijvoorbeeld niet verrekend te worden indien het gaat om een concrete
                    actie waarvan de totale subsidiabele kosten ten hoogste 50.000 euro bedragen.
                    Ook concrete acties waarvoor voorschriften inzake staatssteun gelden, vallen
                    buiten de plicht tot verrekening.</al><al>In sommige gevallen kan een toegekende subsidie worden verlaagd. Dit is
                    bijvoorbeeld het geval indien er sprake is van onregelmatigheden. Verlaging is
                    ook nà afronding van een project mogelijk. Dit is bijvoorbeeld het geval indien
                    niet wordt voldaan aan de instandhoudings¬verplichting: een investering in
                    infrastructuur of een productieve investering dient in principe gedurende 5 jaar
                    na vaststelling van de subsidie - gebruiksklaar - in stand te worden gehouden.
                    Indien aan deze verplichting niet wordt voldaan, zal de subsidie evenredig
                    verlaagd worden.</al><al>Een ander financieel aspect betreft de bevoorschotting. Er bestaan twee soorten
                    voorschotten, te weten een voorschot dat vòòr afronding van een project wordt
                    verstrekt op basis van reeds uitgevoerde onderdelen van het project
                    (‘bevoorschotting op basis van realisatie’). Dit soort voorschotten zijn -
                    inPOP-terminologie - tussentijdse betalingen waarbij nààst een
                    voortgangsrapportage inzake het project, facturen en betaalbewijzen van de reeds
                    verrichte projectonderdelen, of - indien van toepassing - bewijsstukken ten
                    aanzien van de ingebrachte bijdrage(n) in natura - moeten worden overgelegd. Een
                    dergelijk voorschot zal worden verlaagd indien bij de aanvraag voor de
                    tussentijdse betaling té veel onjuiste facturen en betaalbewijzen overlegd
                    worden. Op grond van EU-regelgeving dient een tussentijds voorschot te worden
                    verlaagd met het bedrag van de onjuiste facturen en betaalbewijzen, indien het
                    bedrag aan onjuiste facturen en betaalbewijzen meer bedraagt dan 10% van het
                    bedrag aan ingediende facturen en betaalbewijzen van kosten die wel subsidiabel
                    gesteld zijn. Dit betekent dat niet alleen de onjuiste facturen/betaalbewijzen
                    niet worden vergoed, er wordt daarnaast een correctie van de betaling opgelegd
                    ter hoogte van het bedrag dat onjuist gedeclareerd is. Deze maatregel is een
                    verplichting opgelegd door de EU en is er op gericht aanvragers te bewegen
                    voldoende zorgvuldigheid te betrachten bij het indienen van declaraties. Van de
                    verplichte correctie van de betalingsaanvraag kan worden afgezien, indien de
                    aanvrager aan kan tonen dat zijn declaratie buiten zijn schuld onjuist was.
                    Overigensis de bepaling inzake het verlagen van een betaling òòk van toepassing
                    indien het verzoek om betaling geen verzoek tot tussentijdse betaling betreft,
                    maar een verzoek om eindafrekening indien bij dat verzoek om eindafrekening
                    facturen en betaalbewijzen overgelegd worden.</al><al>Naast tussentijdse betalingen, bestaan er ook voorschotten die worden
                    aangevraagd vooruitlopend op de uitvoering van het project. De EU-regelgeving
                    biedt slechts de mogelijkheid dit soort voorschotten te verlenen voor
                    investeringsgerelateerde steun en voor plaatselijke groepen voor zover het
                    daarbij gaat om functionerings- en dynamiseringskosten. Het voorschot kan
                    maximaal 50% van de toegekende overheidsbijdrage bedragen. Een dergelijk
                    voorschot kan slechts worden verleend indien er door de subsidieverkrijger een
                    bankgarantie of daaraan gelijk te stellen zekerheid wordt verstrekt van 100% van
                    het te verlenen voorschot.</al><al></al><al><vet>ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING </vet></al><al><vet>Hoofdstuk 1 </vet></al><al><vet>Artikel 1.1 Begripsbepalingen </vet>In dit artikel zijn de belangrijkste
                    begrippen gedefinieerd die in deze Verordening worden gehanteerd. De definities
                    sluiten daar waar mogelijk aan bij de definities zoals gehanteerd in de van
                    toepassing zijnde EU-regelgeving. Mocht er strijdigheid bestaan tussen de
                    definitie van een begrip in de van toepassing zijnde EU-verordeningen en de
                    begripsbepaling in deze Verordening, dan wel begrippen niet in de
                    begripsbepalingen van deze Verordening gedefinieerd zijn, dan worden de
                    begrippen geacht te zijn gedefinieerd conform de van toepassing zijnde
                    EU-definities.</al><al><vet>Artikel. 1.2 Toepassingsbereik </vet> POP subsidie kan slechts worden
                    verstrekt voor activiteiten die ten goede komen aan een duurzame ontwikkeling
                    van het platteland van Gelderland of de agrarische sector. Onder het platteland
                    van Gelderland wordt daarbij verstaan: het grondgebied van Gelderland met
                    uitzondering van aaneengesloten woonkernen met meer dan 30.000 inwoners.
                    Woonkernen met meer dan 30.000 inwoners worden geacht ‘stedelijk gebied’ te
                    zijn. Activiteiten worden geacht ten goede te komen aan een duurzame
                    ontwikkeling van het platteland indien de activiteit zelf of de resultaten van
                    de activiteit ten goede komen aan het platteland en/of de agrarische
                    sector.</al><al><vet>Artikel 1.3 Openstelling </vet> In het openstellingsbesluit worden de
                    subsidieplafonds vastgelegd, maar kunnen daarnaast ook de in deze Verordening
                    genoemde onderdelen, zoals bijvoorbeeld de doelgroep, de subsidiabele
                    activiteiten of thema’s, subsidiabele kosten en selectiecriteria, nader ingevuld
                    worden zodat bij openstelling duidelijk is waarvoor in het kader van de
                    openstelling precies subsidie aangevraagd kan worden en hoe aanvragen beoordeeld
                    zullen worden. Zo wordt in deze Verordening bijvoorbeeld aangegeven dat
                    ‘landbouwers’ de begunstigden kunnen zijn, maar in een openstellingsbesluit kan
                    dit nader gespecificeerd worden tot ‘varkenshouders’ , ‘biologische boeren’ of
                    ‘landbouwers waarvan het bedrijf tenminste grootte x heeft’. En de subsidiabele
                    activiteit kan in deze Verordening zijn omschreven als ‘kennisoverdracht’, maar
                    dat kan in een openstellingsbesluit nader gericht worden tot bv.
                    ‘kennisoverdracht inzake klimaatadaptatie’. Ook kan een Provincie er voor kiezen
                    om, vanwege beleidsmatige overwegingen, bepaalde kostensoorten die op grond van
                    deze Verordening subsidiabel gesteld zouden kunnen worden, in een specifiek
                    geval toch niet subsidiabel te stellen. Bijvoorbeeld: afschrijvingskosten kunnen
                    op grond van sommige artikelen subsidiabel gesteld worden, maar Provincies
                    kunnen er voor kiezen om die kosten, bijvoorbeeld vanwege de hoge
                    uitvoeringslasten die gemoeid zijn met het berekenen en beoordelen van die
                    kosten, niet subsidiabel te stellen.</al><al>Dit betekent dat de in deze Verordening genoemde mogelijkheden de maximale
                    mogelijkheden weergeven, welke ingeperkt kunnen worden in een
                    openstellingsbesluit. In die zin is openstelling per ‘submaatregel’ mogelijk.
                    Wat niet mogelijk is, is dat er in een openstellingsbesluit nieuwe, niet in deze
                    Verordening genoemde, onderdelen - bijvoorbeeld een andere doelgroep of een
                    andere subsidiabeleactiviteit - toegevoegd worden.</al><al>Voor de selectiecriteria geldt dat de criteria genoemd in deze Verordening
                    meestal algemene criteria zijn, die in het algemeen nader uitgewerkt zullen
                    worden in een openstellingsbesluit. Met name hetcriterium ‘de bijdrage aan in
                    een openstellingsbesluit nader omschreven beleidsdoelen’ biedt de provincie de
                    mogelijkheid bij openstelling van een maatregel voldoende sturingsmogelijkheden
                    te hebben om te kunnen sturen op het bereiken van de provinciale
                    beleidsdoelstellingen.</al><al>Bij alle maatregelen wordt het selectiecriterium ‘kosteneffectiviteit’ gebruikt.
                    Met dit selectiecriterium wordt beoogd toepassing gegeven aan artikel 49 van Vo
                    1305/2013, waarin onder meer is bepaald dat de selectiecriteria borg dienen te
                    staan voor een beter gebruik van financiële middelen. Met deze
                    kosteneffectiviteit wordt bedoeld: in welke mate draagt de subsidie bij aan het
                    realiseren van (beleids)doelstellingen. Voorbeeld: als er sprake is van een
                    project dat onderdeel is van een groter programma of samenhangt met enkele
                    andere (niet door de overheid of niet vanuit POP te subsidiëren) projecten, kan
                    - kijkend naar de opbrengst van het programma of de opbrengst van het project in
                    samenhang met die andere projecten (= spin off van het te subsidiëren project) -
                    er sprake zijn van een relatief kleine subsidie die, door de spin off, grote
                    (beleids)effecten sorteert. Als voorbeeld: een project van 100.000 euro dat een
                    noodzakelijk onderdeel oplevert voor een programma dat in zijn totaliteit voor 1
                    miljoeneuro aan ‘opbrengst’ voor een bepaald beleidsdoel genereert, zal naar
                    verwachting hoger op dit selectiecriterium scoren dan een verder vergelijkbaar
                    project met 100.000 euro aan subsidiabele kosten, waarbij er geen sprake is van
                    een spin off effect.</al><al><vet>Artikel 1.4 Samenstelling subsidieplafond en subsidiepercentages </vet> Een
                    subsidieplafond is het totaalbedrag dat bij een openstelling voor
                    subsidieaanvragers beschikbaar wordt gesteld. POP-subsidies bestaan - in het
                    algemeen - uit 50% nationaal overheidsgeld en een bijdrage van 50% die afkomstig
                    is uit het door de EU aan Nederland beschikbaar gestelde bedrag aan middelen uit
                    het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO). Provincies zijn
                    in het kader van onderhavige regeling aangewezen als beheerder van het
                    ELFPO-budget. Provincies kunnen in een openstellingsbesluit slechts ELFPO-budget
                    beschikbaar stellen, kunnen naast het ELFPO-budget òòk de benodigde nationale
                    cofinanciering beschikbaar stellen òf kunnen - indien daar in hetPOP programma
                    voor de betreffende maatregel in is voorzien - alleen nationale
                    overheidsmiddelen beschikbaar stellen (‘aanvullende nationale
                    financiering’).</al><al>Indien de Provincie slechts ELFPO-middelen beschikbaar stelt, dient een
                    aanvrager de verplicht voorgeschreven nationale overheidsfinanciering op een
                    andere manier te verkrijgen. In die gevallen zal een aanvraag slechts voor
                    (ELFPO)subsidie in aanmerking kunnen komen indien bij de subsidieaanvraag een
                    bewijs wordt overgelegd waaruit blijkt dat de nationale financiering die
                    benodigd is voor het project beschikbaar is of zal komen. Dit omdat er anders
                    geen sprake is van een sluitende begroting. Het te overleggen bewijs kan
                    bijvoorbeeld een reeds gedane subsidietoezegging of bijdrageverklaring
                    zijn.</al><al><vet>Artikel 1.5 Doelgroep </vet>In hoofdstuk 2 worden per maatregel de
                    doelgroep of doelgroepen gedefinieerd. In dit artikel wordt bepaald dat een
                    landbouwonderneming in het kader van deze Verordening een MKB-bedrijf dient te
                    zijn. Grote landbouwondernemingen, met meer dan 250 werknemers, komen in het
                    kader van deze Verordening niet voor subsidie in aanmerking.</al><al><vet>Artikel 1.6 Samenwerkingsverbanden </vet> In sommige gevallen kan een
                    subsidie worden verstrekt aan een samenwerkingsverband. Indien een
                    samenwerkingsverband, niet zijnde een formeel samenwerkingsverband in de vorm
                    van een rechtspersoon, subsidie wenst aan te vragen, zijn er aan het
                    samenwerkingsverband eisen gesteld die in dit artikel worden benoemd. Naast de
                    in dit artikel benoemde vereisten, kunnen ook in de artikelen in hoofdstuk 2 of
                    3 én in het openstellingsbesluit aanvullende eisen aan samenwerkingsverbanden
                    worden gesteld.</al><al><vet>Artikel 1.7 Wijze van indienen van en vereisten aan een subsidieaanvraag
                    </vet> Een subsidieaanvraag kan slechts worden ingediend door gebruik te maken
                    van het door Gedeputeerde Staten beschikbaar gestelde aanvraagformulier. Alleen
                    een volledig ingevuld aanvraagformulier, voorzien van alle voorgeschreven
                    bijlagen, zal in behandeling genomen worden. Aanvragen waarbij slechts een
                    gedeelte van de voorgeschreven informatie wordt aangeleverd en niet alle
                    voorgeschreven informatie vòòr de sluitingsdatum van de tender is aangeleverd
                    (zoals ‘pro forma aanvragen’) zullen niet in behandeling genomen worden. Dit om
                    rechtsongelijkheid tussen aanvragers te voorkomen. Enige uitzondering hierop
                    vormen gegevens en bijlagen die weliswaar wel aanwezig dienen te zijn bij een
                    aanvraag voor subsidietoekenning, maar niet essentieel zijn voor de inhoudelijke
                    beoordeling van de aanvraag. Hierbij kunt u bijvoorbeeld denken aan een Kamer
                    van Koophandel nummer. Een subsidieaanvrager kàn derhalve de mogelijkheid worden
                    geboden dergelijke gegevens ook na sluiting van de tender, maar binnen een door
                    Gedeputeerde Staten te stellen termijn, aan te vullen.</al><al>De aanvraag dient in ieder geval een projectplan te bevatten, waarin ook wordt
                    aangegeven wat de doelstelling(en) van het project is c.q. zijn, of er een
                    relatie is met andere projecten of het project onderdeel uitmaakt van een groter
                    programma en wat de doelstellingen daarvan zijn en hoe de resultaten van het
                    project worden getoetst. Met de ‘doelstelling’ wordt bedoeld: het beleidsdoel
                    wat nagestreefd wordt (bijvoorbeeld: meer fietsers in de gemeente). De
                    doelstelling is in het algemeen van een hoger abstractieniveau dan het
                    projectresultaat (bijvoorbeeld: projectresultaat zal zijn dat er 25 km fietspad
                    is aangelegd of verbeterd). Aanvragers worden geacht in het projectplan aan te
                    geven hoe bezien c.q. bepaald wordt of de doelstelling (meer fietsers in de
                    gemeente) is bereikt.</al><al>Indien een aanvraag betrekking heeft op een investering, dient op grond van
                    artikel 45 Verordening (EU) nr. 1305/2013 1e lid “de investering voorafgegaan te
                    worden door een beoordeling van de te verwachten milieueffecten overeenkomstig
                    het recht dat specifiek is voor deze soort investering, in gevallen waarin de
                    investering waarschijnlijk nadelige gevolgen zal hebben voor het milieu”. Dit
                    betekent dat investeringen waarvoor voorafgaand aan de investering een milieu-
                    of omgevingsvergunning verkregen moet zijn, die vergunning verkregen moet zijn
                    vòòr er vanuit ELFPO voor die investering betalingen gedaan kunnen worden.
                    Indien er geen milieu- of omgevingsvergunning verplicht is, bijvoorbeeld omdat
                    de betreffende investering op grond van de Omgevingswet slechts gemeld hoeft te
                    worden, dient de aanvrager een beperkte effectverkenning met een eigen oordeel
                    aan te leveren, op grond waarvan blijkt dat er geen sprake is van een
                    investering die waarschijnlijk negatieve gevolgen voor zal hebben voor het
                    milieu. De zwaarte van de verkenning zal afhangen van het soort/type
                    investering.</al><al>Een belangrijk aandachtspunt voor de Europese Commissie is het punt
                    ‘redelijkheid van kosten’. Indien er bij een project geen sprake is van een
                    aanbestedingstraject zal door het Betaalorgaan in het algemeen worden vereist
                    dat een aanvrager - ter onderbouwing van de redelijkheid van de kosten
                    waarvoorsubsidie wordt aangevraagd en als toelichting op de begroting -drie
                    offertes aan de aanvraag toevoegt, op basis waarvan het Betaalorgaan de
                    redelijkheid van de opgevoerde kosten kan bepalen.</al><al>Onderdeel van de aan te leveren gegevens is ook het aanleveren van informatie
                    over subsidies of vergoedingen c.q. bijdragen die voor dezelfde subsidiabele
                    activiteiten van andere bestuursorganen, private organisaties of personen
                    afkomstig zijn. Deze gegevens zijn enerzijds van belang om te kunnen beoordelen
                    of er sprake is van een sluitende begroting, anderzijds kan op basis van deze
                    gegevens ook worden bezien of er wellicht sprake zou kunnen zijn van cumulatie
                    van subsidies of cumulatie met andere vormen van steun.</al><al>Aanvragen zullen vaak elektronisch ingediend kunnen worden. Als elektronisch
                    indienen kàn, verdient elektronisch indienen van aanvragen sterk de voorkeur. Op
                    grond van de Algemene wet bestuursrecht is het echter niet mogelijk elektronisch
                    indienen van aanvragen te verplichten.</al><al><vet>Artikel 1.8 Weigeringsgronden</vet> In bepaalde gevallen zal een
                    subsidieaanvraag (geheel of gedeeltelijk) afgewezen worden. Indien er gewerkt
                    wordt met een tendersysteem (zie onder §1.3) en het in geval van dreigende
                    overschrijding van het subsidieplafond en het toepassen van loting in de groep
                    van ‘projecten met dezelfde score’, is het onwenselijk dat aanvrager(s) voor
                    dezelfde activiteit meerdere aanvragen indienen (om zo de kans bij een eventuele
                    loting te vergroten). Indien voor dezelfde activiteit en door dezelfde
                    aanvrager(s) meerdere aanvragen worden gedaan, zal - tenzij een eerder
                    ingediende aanvraag ingetrokken zou worden - alleen de eerst ingediende aanvraag
                    meegenomen worden in de tenderprocedure. De overige versies van dezelfde
                    aanvraag voor dezelfde activiteit en door dezelfde aanvrager(s) zullen afgewezen
                    worden.</al><al>Er zijn projecten waarvan het effect in meerdere provincies ‘neerslaat’ of neer
                    kan slaan. In dat geval kunnen provincies in onderling overleg besluiten over de
                    financiering van het project. Die besluitvorming zou er bijvoorbeeld toe kunnen
                    leiden dat één provincie subsidie verstrekt, maar een deel van de benodigde
                    financiering (naar rato) van een andere provincie verkrijgt. In geval van
                    investeringen zal het in het algemeen zo zijn dat de plaats van de investering
                    leidend is: subsidie voor een investering door een bedrijf in provincie x, maar
                    het grondgebied waar de investering geplaatst wordt is in provincie y, zal
                    aangevraagd kunnen worden bij provincie y. Door middel van fysieke controles dan
                    het daadwerkelijke gebruik van de investering gecontroleerd kunnen worden.</al><al>Op grond van de EU-regelgeving dienen subsidies in het algemeen een stimulerend
                    effect te hebben. Een stimulerend effect van een subsidie is niet aanwezig
                    indien de subsidiabele onderdelen van het project al zijn afgerond vòòr een
                    subsidieaanvraag ingediend is. Maar ook indien een project al is begonnen voor
                    de subsidieaanvraag is ingediend, is het de vraag of er sprake is van een
                    stimulerend effect door de subsidie. Een project mag dan ook pas gestart worden
                    als een subsidie aanvraag is ingediend. Uitzondering hierop vormen de zogenaamde
                    voorbereidende activiteiten voor het project. Kosten voor voorbereidende
                    activiteiten (= voorbereidingskosten) zijn algemene kosten ter voorbereiding van
                    het project, zoals het inschakelen van adviseurs en het (laten) uitvoeren van
                    haalbaarheidsstudies. De kosten moeten aantoonbaar zijn gemaakt ten behoeve van
                    het specifieke project. Het kan hierbij overigens NIET gaan om de inzet van
                    eigen personeel van een organisatie, indien de voorbereidende activiteiten
                    feitelijk reguliere werkzaamheden voor dit personeel betreffen.
                    Voorbereidingskosten zijn op grond van artikel 1.12 subsidiabel, mits ze zijn
                    gemaakt binnen een redelijke termijn voorafgaand aan het project. Die redelijke
                    termijn is in zijn algemeenheid gesteld op 1 jaar vòòr de aanvraag is ingediend,
                    maar in een openstellingsbesluit kunnen Gedeputeerde Staten van die termijn van
                    1 jaar afwijken.</al><al>Omdat in geval van POP-subsidies er sprake kàn zijn van een POP-subsidieplafond
                    dat slechts uit ELFPO-budget bestaat en een POP-subsidie waarbij ELFPO wordt
                    toegekend alleen rechtmatig verleend wordt indien er ook eenzelfde bedrag aan
                    nationale overheidsfinanciering voor het project beschikbaar gesteld wordt, is
                    als specifieke weigeringsgrond vermeld het feit dat een aanvraag - op het moment
                    van beschikken - niet is voorzien van een bijdrageverklaring dan wel een
                    subsidiebeschikking voor de benodigde nationale overheidsfinanciering.</al><al>Overigens is ook de weigeringsgrond genoemd in artikel 4.35, 1e lid, onder a van
                    de Algemene wet bestuursrecht in dit geval onverminderd van toepassing. Dit
                    betekent dat indien de uitvoering van de activiteit naar het oordeel van
                    gedeputeerde staten technisch, financieel, organisatorisch of economisch niet
                    haalbaar is, de subsidie geweigerd kan worden.</al><al><vet>Artikel 1.9 Personeelskosten </vet> Indien in een project eigen personeel
                    wordt ingezet, kunnen de kosten van dat personeel berekend worden volgens de
                    methode beschreven in dit artikel. Deze berekeningswijze is, voor wat betreft
                    het aantal uren bij een voltijds dienstverband, verplicht voorgeschreven vanuit
                    de van toepassing zijnde EU-verordeningen. De toeslag voor werkgeverslasten en
                    de opslag voor indirecte kosten zijn zogenaamde standaardschalen van
                    eenheidskosten. Indirecte kosten zijn daarbij alle kosten die niet direct toe te
                    rekenen zijn aan de uitvoering van de activiteit waarvoor subsidie is verleend,
                    bijvoorbeeld bureaukosten. Overigens zijn personeelskosten (waarbij sprake is
                    van de inzet van personeel waaraan salaris wordt uitbetaald) iets anders dat de
                    kosten van eigen arbeid (aanvrager stopt zelf tijd in een project, maar indien
                    de aanvrager niet in loondienst is en dus geen ‘loon’ krijgt, is er geen sprake
                    van personeelskosten) én iets anders dan kosten van vrijwilligers. Deze laatste
                    twee kostenposten zijn geregeld in artikel 1.11.</al><al>Aan de te vergoeden kosten voor personeel kàn in een openstellingsbesluit een
                    maximum gesteld worden. Maar ook als er geen maximum gesteld wordt, geldt als
                    algemeen uitgangspunt de redelijkheid van kosten. Loonkosten zijn dan ook
                    gemaximeerd tot een uurtarief dat redelijk is gelet op de aard van de te
                    verrichten werkzaamheden én het aantal te declareren uren is gemaximeerd op het
                    aantal uren dat redelijkerwijs, gelet op de verrichtte of te verrichten
                    werkzaamheden, aan de werkzaamheden besteed wordt. Hierbij is tevens van
                    toepassing dat personeel, op jaarbasis, nooit meer uren kan declareren dan
                    genoemd aantal van 1720 uur.</al><al>Bij de berekening van personeelskosten wordt uitgegaan van het meest recente
                    bruto jaarloon. Bij de aanvraag van subsidie zal dit de kosten betreffen van het
                    jaarloon voorafgaand aan de subsidieaanvraag, van een personeelslid van het
                    niveau waarop personeel ingezet wordt in het project. Bij afrekening gaat het om
                    de daadwerkelijk gemaakte kosten.</al><al><vet>Artikel 1.10 Kosten aankoop van gronden </vet> Indien het in het kader van
                    een project noodzakelijk is om gronden aan te kopen, mogen de kosten voor de
                    aankoop van die gronden maximaal 10% van de totale subsidiabele kosten van het
                    project bedragen, tenzij er een uitzondering op deze 10% Verordening van
                    toepassing is op grond van de leden 2 of 3 van dit artikel. Praktijkvoorbeeld:
                    Een project omvat de aanleg van een fietspad met EU-subsidiabele
                    inrichtingskosten van € 810.000 waarvoor in totaal 2 ha grond moet worden
                    aangekocht ad € 140.000,- De totale projectkosten bedragen dus € 950.000,- Als
                    de aankoopkosten tot 10% over de totale subsidiabele kosten mogen bedragen,
                    vormen de aanlegkosten van € 810.000 dus 90% van de totale subsidiabele kosten.
                    De totale subsidiabele kosten bedragen in dit voorbeeld dan teruggerekend
                    (100/90 x € 810.000,- =) € 900.000, waarvan € 90.000,- grondkosten. De overige €
                    50.000,- grondkosten zijn niet EU-subsidiabel.</al><al><vet>Artikel 1.11 Berekeningswijze bijdragen in natura </vet>Indien bij een
                    maatregel genoemd in hoofdstuk 2 of 3 bijdragen in natura subsidiabel gesteld
                    worden, worden in dit artikel de voorwaarden genoemd waaraan moet worden voldaan
                    om een bijdrage in natura vergoed te kunnen krijgen.</al><al><vet>Artikel 1.12 Subsidiabiliteit van de kosten </vet> Kosten zijn slechts
                    subsidiabel als de kosten worden gemaakt nadat een aanvraag om subsidie
                    ingediend is. Uitzondering daarop vormen de zogenaamde voorbereidingskosten,
                    zijnde kosten die aantoonbaar gemaakt zijn om te komen tot een projectplan. Het
                    gaat hierbij met name om kosten van bijvoorbeeld adviseurs of
                    haalbaarheidsstudies. Indien eigen personeel ten behoeve van een project wordt
                    ingezet, zijn de voorbereidingsactiviteiten die het personeel heeft uitgevoerd
                    slechts subsidiabel, indien die activiteiten aantoonbaar ten behoeve van het
                    project gemaakt zijn én niet het reguliere werk van hetbetreffende personeel
                    betreffen.</al><al><vet>Artikel 1.13 Niet subsidiabele kosten </vet> Bij de maatregelen genoemd in
                    hoofdstuk 2 en 3 worden de subsidiabele kosten benoemd. Bepaalde kostenposten
                    zullen, bijvoorbeeld op grond van EU-regelgeving of op basis van provinciale
                    beleidsafwegingen, nooit subsidiabel gesteld worden. In dit artikel worden deze
                    kosten benoemd.</al><al><vet>Artikel 1.14 Adviescommissie </vet> Subsidieaanvragen zullen, met
                    uitzondering van aanvragen onder Leader, worden geselecteerd op grond van een
                    tendersysteem aan de hand van tevoren vastgelegde selectiecriteria. Indien de
                    selectiecriteria daartoe aanleiding geven, bijvoorbeeld omdat de criteria niet
                    eenvoudig objectiveerbaar zijn, kunnen Gedeputeerde Staten besluiten ten behoeve
                    van de beoordeling van ingediende projecten die aan de
                    subsidiabiliteitsvoorwaarden voldoen, een adviescommissie in het leven te
                    roepen, conform artikel 82 Provinciewet. Er kan daarbij sprake zijn van een
                    ambtelijke adviescommissie, van een adviescommissie bestaande uit deskundigen of
                    een combinatie van beide. Indien gekozen wordt voor een deskundigen
                    adviescommissie, zal de commissie voldoen aan de voorwaarden zoals genoemd in
                    afdeling 3.3 van de Algemene wet bestuursrecht.</al><al><vet>Artikel 1.15 Prioritering subsidieaanvragen </vet> Zoals beschreven in §1.3
                    worden projecten die worden geselecteerd door middel van het toepassen van
                    tendering op basis van in het openstellingsbesluit aangegeven selectiecriteria
                    en weging daarvan - al dan niet na advisering door een adviescommissie -, van
                    een puntentotaal voorzien. Projecten worden op basis van dit puntentotaal
                    gerangschikt op een prioriteitenlijst. Projecten die niet voor subsidie in
                    aanmerking komen omdat niet is voldaan aan één of meerdere
                    subsidiabiliteitscriteria of de voorgeschreven minimale totaalscore niet wordt
                    behaald, worden niet op de prioriteitenlijst opgenomen. Subsidie wordt slechts
                    verstrekt aan projecten opgenomen op de prioriteitenlijst, voor zover het
                    subsidieplafond subsidiëring toelaat. Bij overschrijding van het subsidieplafond
                    en een gelijk aantal punten op de selectiecriteria, treedt de procedure van
                    loting, als beschreven in §1.3, in werking.</al><al><vet>Artikel 1.17 Verplichtingen </vet> Aan een subsidieverkrijger worden
                    verschillende verplichtingen opgelegd. In dit artikel staan de algemeen van
                    toepassing zijnde verplichtingen genoemd. Om te voorkomen dat projecten die nog
                    niet uitvoeringsgereed zijn al wel meedoen in een tender en beslag leggen op een
                    deel van het beschikbare budget, wordt een termijn ‘binnen twee maanden na
                    subsidietoekenning starten met het project’ gehanteerd. Van deze termijn kan
                    overigens in het openstellingsbesluit of de toekenningsbeschikking afgeweken
                    worden.</al><al>Een vanuit het oogpunt van controle belangrijke verplichting is de verplichting
                    tot het voeren van een inzichtelijke administratie. Die administratie dient tot
                    5 jaar nà de formele afsluiting van het POP3 op 31 december 2023, dus tot 31
                    december 2028, bewaard te worden.</al><al>Onder een sluitende urenadministratie en een volledig inkoopdossier wordt
                    verstaan wat deze begrippen in het normale taalgebruik betekenen, namelijk een
                    administratie zoals bijvoorbeeld een tijdschrijfsysteem van waaruit het
                    ingezette aantal uren ten behoeve van het project inzichtelijk is
                    respectievelijk een dossier waarin alle documenten die betrekking hebben op de
                    aankoop van een bepaalde investering overzichtelijk bijeen gebracht zijn.</al><al>In geval van investeringen is het niet alleen van belang dat aangetoond wordt
                    dat een investering daadwerkelijk gedaan is (‘de machine is gekocht’), maar is
                    ook van belang dat de investering daadwerkelijk gebruikt kàn worden en dus
                    gebruiksklaar is (‘de machine is aangesloten’). Of de investering vervolgens ook
                    daadwerkelijk gebruik wòrdt is niet controleerbaar en dus ook geen vereiste. Wel
                    wordt vereist dat de investering gedurende 5 jaar gebruiksklaar in stand
                    gehouden wordt en dus ook vijf jaar aantoonbaar bruikbaar blijft.</al><al><vet>Artikel 1.19 Verrekening vermogensvoordeel </vet> Voor zover het
                    verstrekken van een subsidie leidt tot vermogensvorming, kan op grond van de
                    Algemene wet bestuursrecht, artikel 4.41, tot verrekening van het
                    vermogensvoordeel worden overgegaan, mits dit - in geval van een subsidie op
                    basis van een wettelijk voorschrift - bij wettelijk voorschrift is bepaald. Dit
                    artikel strekt ertoe die bevoegdheid te creëren.</al><al><vet>Artikel 1.20 Verrekening netto inkomsten gedurende uitvoering </vet> Op
                    grond van artikel 65, lid 8 van verordening (EU) nr. 1303/2013 dient bij
                    projecten die tijdens de uitvoering ervan netto-inkomsten genereren waarmee
                    tijdens de goedkeuring van die actie geen rekening is gehouden, in bepaalde
                    gevallen een verrekening van die inkomsten plaats te vinden. Onder
                    netto-inkomsten worden òòk begrepen besparingen die worden behaald als gevolg
                    van de investeringen (zie de definitie in artikel 1.1). In artikel 65, lid 8 van
                    verordening (EU) nr. 1303/2013 worden verschillende uitzonderingen benoemd,
                    onder meer is bepaald dat verrekening niet hoeft plaats te vinden indien de
                    totale subsidiabele kosten minder dan € 50.000,- bedragen.</al><al><vet>Artikel 1.21 Verrekening netto inkomsten na uitvoering </vet> Op grond van
                    artikel 61 van Verordening (EU) nr. 1303/2013 dient bij projecten die na de
                    uitvoering ervan netto-inkomsten genereren, in bepaalde gevallen een verrekening
                    van die inkomsten plaats te vinden. In genoemd artikel worden verschillende
                    uitzonderingen benoemd, onder meer is bepaald dat verrekening niet hoeft plaats
                    te vinden indien de totale subsidiabele kosten minder dan €1.000.000,-
                    bedragen.</al><al><vet>Artikel 1.23 Bevoorschotting op basis van realisatie (tussentijdse
                        betalingen) </vet> Dit artikellid biedt subsidieverkrijgers de mogelijkheid
                    om tussentijds, vòòr afronding van het project, deelbetalingen (een tussentijdse
                    betaling of voorschot op basis van realisatie) aan te vragen voor reeds gemaakte
                    kosten. Om uitvoeringskosten te beperken, wordt de mogelijkheid tot het
                    aanvragen van een tussentijdse betaling beperkt tot aanvragen van minimaal 25%
                    van de verleende subsidie of minimaal 50.000 euro.</al><al><vet>Artikel 1.24 Verlagen voorschot </vet> Verlagen van een betalingsaanvraag
                    (dat kan een voorschot zijn, maar ook een subsidievaststelling of eindbetaling)
                    is van toepassing als in de betalingsaanvraag kosten zijn opgenomen waarvan niet
                    kan worden vastgesteld dat ze subsidiabel zijn. Het kan hierbij bijvoorbeeld
                    gaan onvoldoende onderbouwing van gemaakte kosten (bijvoorbeeld ontbrekende
                    facturen en/of betaalbewijzen), om kosten voor activiteiten die niet zijn
                    verricht in het kader van het project, om kosten voor activiteiten die wel in
                    het kadervan het project zijn verricht, maar waarvan de kosten in de
                    openstelling of in het besluit tot subsidieverlening niet subsidiabel gesteld
                    zijn of kosten die dubbel opgevoerd worden (in één declaratie of al betaalbaar
                    gesteld zijn in een eerdere declaratie). De betreffende - niet subsidiabele -
                    kosten worden vanzelfsprekend niet vergoed. Indien de onjuist gedeclareerde
                    kosten meer dan 10% bedragen van de totaal in de betreffende aanvraag
                    gedeclareerde wel subsidiabele kosten, wordt het te verstrekken voorschot ook
                    nog eens gecorrigeerd met het bedrag van de opgevoerde kosten die niet
                    subsidiabel zijn. Die verlaging kan overigens nooit leiden tot een negatief
                    bedrag. Deze regel is door de Europese Commissie ingesteld om zorgvuldigheid bij
                    aanvragers te stimuleren. Indien een aanvrager aan kan tonen dat hij geen schuld
                    heeft aan de onjuiste declaratie, kan van de korting worden afgezien.</al><al>Een rekenvoorbeeld: Er is een subsidietoekenning verstrekt van 200.000 euro. Er
                    wordt een betalingsverzoek ingediend (voorschot op basis van realisatie) van
                    100.000 euro (er wordt voor 100.000 euro aan facturen en betaalbewijzen
                    overlegd). Bij controle blijkt dat 20.000 euro aan facturen en betaalbewijzen
                    NIET betaalbaar gesteld kan worden, omdat de facturen en betaalbewijzen geen in
                    het kader van het project subsidiabel gestelde kosten betreffen. Er is dus
                    sprake van 20.000 euro aan ‘onjuiste’ facturen, 80.000 euro aan facturen is wel
                    subsidiabel. Er is daarmee sprake van een fout van 25% (20.000 ‘fout’ en 80.000
                    ‘goed’). Het te betalen voorschot van 80.000 euro (bedrag van de juiste
                    facturen), wordt nu verlaagd met 20.000 euro (het totaal bedrag aan onjuiste
                    facturen) en dus wordt een voorschot uitbetaald van 60.000 euro.</al><al><vet>Artikel 1.25 Voorschotten vooruitlopend op realisatie </vet> In een beperkt
                    aantal gevallen is het mogelijk om vòòr de uitvoering van een project
                    daadwerkelijk gestart is en kosten aantoonbaar gemaakt zijn, een voorschot
                    (‘voorschot vooruitlopend op realisatie’) aan te vragen. De verordening (EU)
                    1305/2013, artikel 42 lid 2 en art. 45 lid 4) beperkt de mogelijkheid voor
                    dergelijke voorschotten tot investeringsprojecten en functionerings- en
                    dynamiseringskosten bij Leader. Het voorschot bedraagt maximaal 50% van de
                    totaal toegekende overheidssteun en kan slechts toegekend worden indien er voor
                    100% van het voorschot een garantie is verstrekt. Een dergelijke garantie kan
                    worden verstrekt door een bank of daaraan gelijkgestelde instelling. Ook een
                    overheidsgarantie kan, mits aan de voorwaarden is voldaan, als garantiestelling
                    geaccepteerd worden.</al><al><vet>Artikel 1.26 Wijzigingsverzoeken </vet> De ervaring leert dat projecten
                    gedurende de looptijd vaak op één of meerdere punten gaan afwijken van hetgeen
                    in het oorspronkelijke projectplan werd vermeld. Een subsidieverkrijger kan bij
                    Gedeputeerde Staten in dat geval een wijzigingsverzoek indienen. Bij de
                    beoordeling van het wijzigingsverzoek zal Gedeputeerde Staten in ieder geval
                    beoordelen in hoeverre de voorgestelde aanpassing zou leiden tot een project
                    dat, indien het project in die aangepaste versie oorspronkelijk zou zijn
                    ingediend, niet voor subsidie in aanmerking gekomen zou zijn. Indien nodig
                    kunnen Gedeputeerde Staten zich hierbij laten adviseren door de adviescommissie
                    als bedoeld in 1.14. Voor zover van toepassing c.q. mogelijk, is het van belang
                    dat een wijzigingsverzoek ingediend én goedgekeurd is, vòòr de aanvrager de
                    uitvoering van het project daadwerkelijk aanpast. Aanpassingen die doorgevoerd
                    worden vòòr een wijzigingsverzoek is goedgekeurd, voert de aanvrager voor eigen
                    rekening en risico door.</al><al><vet>Artikel 1.27 Subsidievaststelling </vet> Een aanvraag tot vaststelling van
                    de subsidie dient tijdig bij Gedeputeerde Staten te worden ingediend. Een
                    aanvraag tot subsidievaststelling dient uiterlijk op de datum die vermeld is in
                    de subsidietoekenning te worden ingediend. Op grond van de Algemene wet
                    bestuursrecht kan deze termijn indien nodig worden verdaagd. Bij de aanvraag
                    dienen alle bescheiden te worden overlegd die noodzakelijk zijn om de
                    inhoudelijke uitvoering van het project, de financiële aspecten ervan en de
                    behaalde resultaten te kunnen beoordelen. Soms zal ten behoeve van de aanvraag
                    van subsidievaststelling een formulier zijn voorgeschreven dat gebruikt moet
                    worden. Er moet bij de aanvraag in ieder geval een onderverdeling gemaakt worden
                    naar de onderscheiden subsidiabele kosten. Daarbij kan het bijvoorbeeld gaan om
                    een onderscheid dat is gemaakt in de subsidiebeschikking of, indien daarnaar in
                    de subsidiebeschikking verwezen wordt, in de begroting bij de aanvraag. De
                    subsidieverkrijger dient een eigen beoordeling te geven van hetgeen het project
                    heeft opgeleverd. Deze beoordeling gaat verder dan het feitelijk beschrijven van
                    de activiteit(en) die is c.q. zijn verricht. Het is van belang dat de
                    subsidieverkrijger aangeeft in hoeverre de activiteit(en) daadwerkelijk heeft
                    danwel hebben bijgedragen aan de (meer abstracte) doelstellingen van het
                    project.</al><al><vet>Artikel 1.29 verlagingen </vet> Indien er sprake is van onregelmatigheden,
                    moet de verleende of zelfs een reeds vastgestelde subsidie - op grond van
                    EU-voorschriften - worden verlaagd. Onregelmatigheden zijn, kort gezegd, ‘een
                    handeling of een nalaten, waardoor de begroting van de Gemeenschappen wordt of
                    zou kunnen worden benadeeld’. Het is een koepelterm die feitelijk aanduidt dat
                    er ‘iets’ anders is gegaan dan is afgesproken. Dat ‘iets’ kan van alles zijn,
                    van een gebrekkige administratie tot investeringen waarvoor wel subsidie is
                    verkregen, maar die helemaal niet gedaan blijken te zijn.</al><al><vet>Hoofdstuk 2</vet></al><al><vet>§1 Trainingen, workshops en ondernemerscoaching en demonstraties :
                        gereserveerd </vet></al><al><vet>§2 Fysieke investeringen voor innovatie en modernisering van agrarische
                        ondernemingen </vet> Investeringen waarvoor op grond van deze verordening
                    subsidie kan worden verstrekt, moeten gericht zijn op modernisering van de
                    onderneming. De investeringen kunnen een maatschappelijk doel dienen, maar
                    zullen ook bijdragen aan het rendement van de onderneming. Dit is de reden dat
                    er een eigenbijdrage van 60% gevraagd wordt.</al><al>Een voorbeeld van een investering die primair een maatschappelijk doel dient
                    zijn maatregelen om de afspoeling van nutriënten en bestrijdingsmiddelen van het
                    boerenerf naar grond- en oppervlaktewater te reduceren met bassins waarin
                    erfafspoelwater opgevangen en gezuiverd wordt.</al><al>Naast subsidie voor innovatieve fysieke investeringen kan ook subsidie worden
                    verstrekt voor de eerste toepassing van nieuwe technieken, producten of
                    processen, bijvoorbeeld voor mestscheiders of mestmonovergisters.</al><al>Paragraaf 2.2 is verder bedoeld voor investeringen in de toepassing van
                    innovatieve technieken, processen of producten die nodig zijn voor projecten
                    gericht op het ontwikkelen, beproeven of demonstreren van innovaties waarvoor op
                    basis van paragraaf 2.1 subsidie kan worden verstrekt. Dat kan bijvoorbeeld een
                    innovatieve stal zijn, waarvan de investering een te zwaar beroep op het
                    innovatiebudget zou doen.</al><al>Om voor subsidie in aanmerking te komen moet de investering betrekking hebben op
                    één of meerdere van de thema’s zoals genoemd in artikel 2.2.1 lid 2.</al><al><vet>§3 Fysieke investeringen in verduurzaming van agrarische ondernemingen van
                        jonge landbouwers </vet>Jonge landbouwers hebben, doordat de start of
                    overname van een bedrijf veel financiële middelen vraagt, na de start c.q.
                    overname vaak te kampen met een tekort aan financiële middelen, waardoor geen
                    investeringen in het bedrijf mogelijk zijn. Deze zogenaamde investeringsdip
                    zorgt ervoor dat vooral deze groep achterblijft met verduurzaming van hun
                    bedrijven. Om deze reden wordt deze specifieke groep gesteund. Investeringen die
                    voor subsidie in aanmerking komen zijn fysieke investeringen in modernisering
                    van agrarische ondernemingen van jonge landbouwers. Het zal voornamelijk gaan om
                    de aanschaf van modernere installaties en machines waarmee de jonge landbouwer
                    een achterstand kan inlopen. Reguliere vervangingsinvesteringen, dwz. vervanging
                    van ‘versleten’ goederen door identieke goederen, komen niet in aanmerking. Ook
                    investeringen die alleen of hoofdzakelijk gericht zijn op verbetering van de
                    rentabiliteit van bedrijven komen niet voor subsidie in aanmerking. De
                    modernisering moet bijdragen aan verbetering van het milieu,
                    klimaatbestendigheid, dierenwelzijn, volks- en diergezondheid, landschap c.q.
                    ruimtelijke kwaliteit of biodiversiteit.</al><al><vet>PM </vet><vet>§4 Investeringen in infrastructuur Algemeen </vet>Om de
                    internationale concurrentiepositie van de Nederlandse landbouw te handhaven en
                    te versterken is een blijvende investering in de landbouwstructuur noodzakelijk.
                    Door deze investeringen kan de efficiëntie van de sector worden verhoogd. Dit
                    kan worden bereikt door de juiste aanpassingen van percelen. Naast verbetering
                    van de bedrijfsefficiëntie draagt de herstructurering van landbouwbedrijven
                    tevens bij aan de realisatie van internationale doelen rondom water,
                    Programmatische Aanpak Stikstof (PAS), biodiversiteit en Natura-2000.</al><al>Deze maatregel betreft een combinatie van mogelijkheden ter verbetering van de
                    verkaveling, de toegankelijkheid en de landbouwinfrastructuur enerzijds en
                    verbetering van de ligging van landbouwbedrijven uit het oogpunt van milieu-,
                    water- en natuurdoelen anderzijds. Verder komen er ook mogelijkheden voor de
                    verbetering van de energie-infrastructuur van land- en tuinbouwbedrijven om
                    geproduceerde energie te kunnen delen met andere bedrijven en instellingen.</al><al>Hoewel het realiseren van infrastructuur zowel positieve als negatieve effecten
                    op natuur en milieu kàn hebben, afhankelijk van de omvang en de locatie van
                    projecten, zal deze maatregel overwegend positieve effecten hebben op het
                    milieu. Alle projecten moeten namelijk voldoen aan de (inter)nationale wet- en
                    regelgeving, zoals onder meer de voorwaarde dat het project moet passen binnen
                    vigerende bestemmingsplannen, waardoor negatieve effecten beperkt blijven. Een
                    verplaatsing van bedrijven uit natuuroverwegingen heeft een positief effect op
                    natuur. Een efficiëntere bedrijfsvoering kan leiden tot vermindering van de
                    emissies (zoals broeikasgassen, ammoniak, nutriënten en bestrijdingsmiddelen).
                    Dit heeft een direct positief effect op de kwaliteit van bodem, water en lucht.
                    Het schoner worden van het leefmilieu, betere luchtkwaliteit, meer groen, minder
                    geuremissies, minder verkeersbewegingen, heeft op zijn beurt weer indirecte
                    positieve effecten op het woon- en leefklimaat. Deze submaatregel is gericht op
                    investeringen in het landelijk gebied die bijdragen aan de verbetering van de
                    verkaveling van de landbouwbedrijven en de daarbij behorende toegankelijkheid,
                    bodemgesteldheid, waterhuishouding en/of de verplaatsing van landbouwbedrijven.
                    Het gaat daarbij om de volgendeconcrete acties: a) projecten gericht op
                    draagvlakontwikkeling, inhuur van kavelruil-coördinatoren en andere experts,
                    faciliteren aankoop ruilgronden opstellen en uitvoeren van verkavelingsplannen
                    en verkavelings-procedures, vacatiegelden voor gebiedscommissies, kadaster- en
                    notariskosten, projectmanagement;</al><al>In verband met de verbetering van de verkavelingsstructuur van
                    landbouwbedrijven: b) investeringen om kavels beter bewerkbaar en bereikbaar te
                    maken zoals: graven en dempen van sloten, met elkaar verbinden van percelen,
                    aanpassen van drainage, aanleg of verbetering van dammen en kavelpaden,
                    aanpassen van het wegenstelsel, aanpassen van de waterhuishouding; c)
                    investeringen ten behoeve van inpassingsmaatregelen om negatieve gevolgen van
                    het verkavelingsplan op de omgeving te voorkomen zoals: aanbrengen van
                    beplantingen, aanpassen van de wegen- en padenstructuur ten behoeve van het
                    algemeen belang, aanpassen van de waterhuishouding ten behoeve van het algemeen
                    belang;</al><al>In verband met bedrijfsverplaatsing van landbouwbedrijven: d) het demonteren,
                    verhuizen en weer opbouwen van bestaande voorzieningen, het vervangen van een
                    bestaand gebouw of voorziening door een nieuw, modern gebouw of nieuwe moderne
                    voorziening, zonder dat daarbij de betrokken productie of technologie
                    fundamenteel wordt gewijzigd; Bij deze concrete actie gaat het uitsluitend om de
                    verplaatsing van agrarische bedrijven met als doel verbetering van de
                    landbouwstructuur, meestal in combinatie met milieu-, water- en natuurdoelen
                    (bijvoorbeeld vanwege de nabijheid van Natura 2000 gebieden).</al><al><vet>§5 Niet productieve investeringen voor biodiversiteit, natuur, landschap en
                        hydrologische maatregelen PAS </vet> De wettelijke basis van deze maatregel
                    wordt gevormd door Verordening (EU) Nr. 1305/2013, in hetbijzonder artikel 5 lid
                    4 aanhef in combinatie met artikel 17 lid 1 (d) en de op deze maatregel van
                    toepassing zijnde gedelegeerde - en uitvoeringshandelingen. De maatregel is
                    gericht op niet-productieve investeringen voor herstel - en
                    inrichtingsmaatregelen voor natuur, landschap en biodiversiteit. De
                    investeringen dienen altijd een link te hebben met de landbouw. Indien er niet
                    productieve investeringen worden gedaan met een link met agrarische activiteiten
                    (bijvoorbeeld: aanleg van een dam om waterpeil in natuurgebied te verhogen maar
                    tegelijkertijd het waterpeil van nabijgelegen landbouwgronden niett e laten
                    stijgen), dan is het mogelijk om mitigerende maatregelen die gelijktijdig met de
                    investering genomen dienen te worden en die zijn gericht op het voorkomen van
                    schade aan of verbeteren van het milieu of de biodiversiteit, mede te
                    financieren (in genoemd voorbeeld: de dam wordt voorzien van een vistrap, om de
                    visstand niet negatief te beïnvloeden).</al><al>Niet productieve investeringen zijn die investeringen die geen aanmerkelijke
                    stijging van de waarde of rentabiliteit van een bedrijf tot gevolg hebben.
                    Daarbij wordt gedacht aan inrichtingsmaatregelen voor specifieke soorten, aanleg
                    en inrichting van landschapselementen zoals bijvoorbeeld houtwallen, singels en
                    poelen, inrichting van weidevogelkerngebieden, inrichtingsmaatregelen voor
                    hydrologische maatregelen PAS en daarvoor noodzakelijke ict- of technische
                    voorzieningen.</al><al>Bij de hydrologische maatregelen in Natura-2000-gebieden in het kader van de
                    Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) maatregelen kan gedacht worden aan
                    natuurversterkende maatregelen, die een link hebben met de landbouw, zoals de
                    aanleg van regenwaterbuffers en stuwen, (waterconserverende) drainagesystemen en
                    natte bufferzones, het omleggen van beken en het verhogen van waterpeilen.</al><al>Onderdeel van de subsidiabele kosten kan zijn de aankoop van grond. In dat geval
                    zijn de voorwaarden van artikel 1.10 onverkort van toepassing.
                    Inrichtingsmaatregelen op de (aangekochte) grond vallen onder ‘verbetering’ van
                    de gronden, waarop de voorwaarden voor de aankoop van grond niet van toepassing
                    zijn. Indien tweedehands installaties onderdeel uitmaken van de subsidiabele
                    kosten, zijn de kosten daarvan subsidiabel tot maximaal de marktwaarde van die
                    installaties.</al><al>De subsidiabele kosten in een project worden voor 100% gesubsidieerd. Indien de
                    provincie slechts het ELFPO-budget ter beschikking stelt, dient de aanvrager bij
                    de aanvraag bewijsstukken te overleggen dat ook de verplichte nationale
                    overheidsfinanciering ten behoeve van het project beschikbaar is (zie artikel
                    1.4 2e lid in combinatie met artikel 1.8 sub e). Het kan daarbij bijvoorbeeld
                    gaan om de inbreng van 50% van de totaal subsidiabele kosten door de aanvrager
                    zelf, indien de aanvrager een waterschap is.</al><al><vet>§6 Niet-productieve investeringen water</vet> De wettelijke basis wordt
                    gevormd door Verordening (EU) Nr. 1305/2013, in het bijzonder artikel 5 lid 4
                    aanhef in combinatie met artikel 17 lid 1 (d) en de toepasselijke gedelegeerde -
                    en uitvoeringshandelingen.</al><al>De submaatregel is gericht op niet-productieve investeringen in het landelijk
                    gebied die betrekking hebben op de (her)inrichting/transformatie en het beheer
                    van het watersysteem voor landbouw -, water - en klimaatdoelen. Deze
                    submaatregel is inzetbaar voor het gehele plattelandsgebied van Nederland. De
                    investeringen dienen altijd een link te hebben met de landbouw. Ook in dit geval
                    zijn mitigerende acties mede subsidiabel (zie paragraaf 5).</al><al>Niet productieve investeringen zijn die investeringen die geen aanmerkelijke
                    stijging van de waarde of rentabiliteit van een bedrijf tot gevolg hebben. Het
                    gaat dan bijvoorbeeld om investeringen gericht op verbetering van de
                    waterkwaliteit - en kwantiteit om daarmee een bijdrage te leveren aan
                    doelstellingen zoals beschreven in de Kaderrichtlijn Water en de
                    Nitraatrichtlijn, herstel natuurlijk toestand watersystemen, het duurzaam
                    optimaliseren van de waterhuishouding en om maatregelen gericht op voorkomen
                    en/of beperken van watertekorten, wateroverlast, verzilting en bodemdaling
                    waaronder het vergroten van het watervasthoudend vermogen van landbouwgrond en
                    daarvoor noodzakelijke ict- of technischevoorzieningen.</al><al>Voorbeelden van maatregelen zijn aanleg- en inrichting van natuurvriendelijk
                    oevers die bijdragen aan doelen KRW en tevens een buffer vormen voor emissies
                    naar oppervlaktewater, herstel watersystemen in of met invloed op landbouwgrond
                    naar hun natuurlijke toestand, waaronder beekherstel, hermeandering waterlopen,
                    herstellen migratiemogelijkheden, vernatting gronden , aanleg van bufferzone’s
                    langs watergangen, maatregelen die het waterbergend vermogen van gronden en
                    watersystemen in of met invloed op landbouwgrond vergroten, b.v. peilgestuurde
                    drainage, aanleg van helofytenfilters (natuurlijke waterzuiveringsystemen) en
                    waterhuishoudkundige aanpassingen in het watersysteem.</al><al>In het geval subsidie wordt verstrekt voor de kosten van tweedehands
                    installaties, wordt subsidie verstrekt tot maximaal de marktwaarde van de
                    activia. De concrete acties in het kader van deze submaatregel vinden plaats
                    binnen de nationale regelgeving en procedures voor de bescherming van milieu en
                    landschap. Dit houdt onder meer in dat subsidie aanvragen moeten voldoen aan
                    alle toepasselijke wetgeving.</al><al>Onderdeel van de subsidiabele kosten kan zijn de aankoop van grond. In dat geval
                    zijn de voorwaarden van artikel 1.10 onverkort van toepassing.
                    Inrichtingsmaatregelen op de (aangekochte) grond vallen onder ‘verbetering’ van
                    de gronden, waarop de voorwaarden voor de aankoop van grond niet vantoepassing
                    zijn.</al><al>De subsidiabele kosten in een project worden voor 100% gesubsidieerd. Indien de
                    provincie slechts het ELFPO-budget ter beschikking stelt, dient de aanvrager bij
                    de aanvraag bewijsstukken te overleggen dat ook de verplichte nationale
                    overheidsfinanciering ten behoeve van het project beschikbaar is (zie artikel
                    1.4). Het kan daarbij bijvoorbeeld gaan om de inbreng van 50% van de totaal
                    subsidiabele kosten door de aanvrager zelf, indien de aanvrager een waterschap
                    is.</al><al><vet>§7 Samenwerking voor innovaties Artikel 2.7.1. Subsidiabele activiteiten
                    </vet> Voor de bevordering van de productiviteit en duurzaamheid in de landbouw
                    zijn bruggen nodig tussen kennis en technologie met betrekking tot het onderzoek
                    enerzijds en landbouwers, bosbeheerders, plattelandsgemeenschappen, bedrijven,
                    ngo's en adviesdiensten anderzijds. Daarbij gaat het om innovatie en
                    modernisering van de agrarische sector rond de in dit artikel genoemde
                    thema’s.</al><al>Om dit te realiseren wordt de oprichting bevorderd van projectgerichte
                    samenwerkings¬verbanden. Deze zijn grotendeels vergelijkbaar met de operationele
                    groepen van het EIP in paragraaf 8. Aangezien het geen verplichting is om als
                    samenwerkingsverband onder paragraaf 7 deel te nemen aan het Europese
                    EIP-netwerk voor de productiviteit en duurzaamheid in de landbouw is deze
                    uitvoeringsmaatregel geformuleerd. Deze samenwerkingsverbanden werken vervolgens
                    op projectbasis aan een innovatieopgave die een antwoord moet geven aan een
                    concrete vraag of kans uit de praktijk. Daarbij gaat het om de uitvoering van
                    het gezamenlijke innovatieproject door het samenwerkingsverband. Het betreft met
                    name het verder ontwikkelen, valideren en verfijnen van kennis en innovaties,
                    met als doel dat die uiteindelijk deel uit gaan maken van een groter
                    ontwikkelingsproces dat gericht is op grootschalige toepassing ervan in de
                    praktijk. Dit proces kan bijvoorbeeld gestart worden door kleine actieve
                    samenwerkingsverbanden (living labs) met een schil van koplopers (early
                    adapters). Zolang de activiteiten nog gericht zijn op het praktijkrijp maken van
                    de kennis en innovatie, vallen ze onder deze maatregel. Wanneer het gaat om het
                    doelgericht communiceren over en demonstreren van reeds praktijkrijpe (geheel
                    beproefde) innovaties vallen ze onder paragraaf 1 ( in gelderland vooralsnog
                    niet opengesteld).</al><al>Stapeling van middelen is niet toegestaan, de begunstigde moet daarom aangeven
                    of voor dit project steun is ontvangen in het kader van maatregel 19 (LEADER) of
                    andere maatregelen. Indien dat het geval is dan moet aangegeven worden hoeveel
                    steun is ontvangen en voor welke onderdelen steun is gegeven. Ook moet dan
                    worden aangegeven hoe de afstemming met de LEADER-groep heeft
                    plaatsgevonden.</al><al><vet>Artikel 2.7.9. Selectiecriteria </vet> De selectiecriteria zijn een
                    belangrijk sturingsinstrument voor Provincies waarmee zij met het POP3-programma
                    de nodige accenten kunnen geven om goed in te kunnen spelen op de regionale en
                    lokale context. Er is onderscheid gemaakt tussen criteria die in elk geval
                    gebruikt dienen te worden omdat deze in het POP3-programma onder de betreffende
                    maatregel zijn benoemd of daarvan een logisch gevolg zijn, en aanvullende
                    criteria waaruit gekozen kozen kan worden. Om voldoende flexibiliteit te
                    behouden is mede bepaald dat Gedeputeerde Staten de opgesomde criteria nader
                    kunnen omschrijven. Dit beperkt zich niet alleen tot de beleidsdoelen waarop een
                    aanvraag gericht dient te zijn.</al><al><vet>§8 Samenwerking in het kader van het EIP : gereserveerd </vet></al><al><vet>Hoofdstuk 3 Leader </vet> Er zijn door de Europese Commissie meerdere
                    maatregelen ontwikkeld op basis waarvan Leader-initiatieven ondersteund kunnen
                    worden. Dit betreft: ondersteuning van de Locale Actie Groep (LAG) in de
                    uitvoering, ondersteuning van projecten, ondersteuning van
                    samenwerkingsprojecten van LAG’s onderling en het ondersteuning van organisaties
                    die de status van LAG willen bemachtigen. De inhoudelijke voorwaarden waaraan
                    projecten moeten voldoen en de voor de selectie van projecten te hanteren
                    selectiecriteria zijn neergelegd in de Lokale Ontwikkelings Strategie (LOS) van
                    het betreffende LAG.</al><al><vet>§ 2 Voorbereidingskosten ( submaatregel 19.1) : gereserveerd </vet></al><al><vet>§ 3 Uitvoering van LEADER-projecten ( submaatregel 19.2) </vet><vet>Artikel
                        3.3.3 subsidiabele kosten </vet> Onder deze kosten zijn ook algemene kosten
                    begrepen in verband met de uitgaven zoals voor het inschakelen van architecten,
                    ingenieurs en adviseurs, advies over duurzaamheid op milieu- en economisch
                    gebied, met inbegrip van het uitvoeren van haalbaarheidsstudies. Kosten voor het
                    uitvoeren van haalbaarheidsstudies blijven subsidiabele uitgaven, ook indien er
                    - mede op basis van de resultaten vande haalbaarheidsstudie - geen verdere
                    uitgaven zijn.</al><al><vet>§ 4 Voorbereiding en uitvoering van samenwerkings-activiteiten van de
                        lokale groep ( submaatregel19.3) </vet>De activiteiten onder deze maatregel
                    zijn gericht op het vormen van samenwerkingsactiviteiten tussen lokale groepen.
                    Er moet aansluiting zijn op de LOS anders wordt de subsidie geweigerd.</al><al><vet>§ 5 lopende kosten, promotie en voorlichting (maatregel 19.4) </vet>De
                    activiteiten onder deze submaatregel zijn niet beperkt opgenomen. Wel is er
                    budgettair een beperking opgelegd. Er mag maximaal 25% van het totaal
                    beschikbare budget voor de maatregel worden ingezet voor deze submaatregel. Ook
                    voor deze activiteiten geldt dat de LAG de mogelijkheid in de LOS moet hebben
                    geschapen om voor subsidie in aanmerking te komen.</al><al><vet>Hoofdstuk 4 Slotbepalingen</vet></al><al><vet>Artikel 4.1</vet></al><al>In artikel 4.1 wordt bepaald dat als toezichthouders op deze Verordening zijn
                    aangewezen de aangewezen ambtenaren van RVO.nl en de NVWA. Deze ambtenaren zijn
                    daartoe aangewezen op grond van de Betaalorgaanstatus van RVO.nl resp. het
                    verrichten van controles ten behoeve van RVO.nl. Daarnaast kunnen Gedeputeerde
                    Staten besluiten nog andere toezichthouders te benoemen. Subsidieverkrijgers
                    zijn verplicht altijd alle medewerking te verlenen aan aangewezen
                    toezichthouders. Overigens zijn subsidieverkrijgers òòk verplicht medewerking te
                    verlenen aan controlebezoeken die door aangewezen ambtenaren van de Europese
                    Unie uitgevoerd worden. Het gaat hierbij om EU auditors, bijvoorbeeld van de
                    Europese Commissie of van de Europese Rekenkamer.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>