<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR382862_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Roermond houdende regels omtrent maarschappelijke ondersteuning Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Roermond 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Roermond</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-16</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Roermond</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://www.officielebekendmakingen.nl/gmb-2017-193676.html">Gemeenteblad 2017, 193676</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Roermond 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 2.1.3 Wet maatschappelijke ondersteuning 2015</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 2.1.4 lid 1 Wet maatschappelijke ondersteuning 2015</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 2.1.4 lid 2 Wet maatschappelijke ondersteuning 2015</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 2.1.4 lid 3 Wet maatschappelijke ondersteuning 2015</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 2.1.4 lid 7 Wet maatschappelijke ondersteuning 2015</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 2.1.5 lid 1 Wet maatschappelijke ondersteuning 2015</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 2.1.6 Wet maatschappelijke ondersteuning 2015</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 2.1.7 Wet maatschappelijke ondersteuning 2015</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 2.3.6 lid 4 Wet maatschappelijke ondersteuning 2015</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 2.6.6 lid 1 Wet maatschappelijke ondersteuning 2015</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 3.8 lid 2 Uitvoeringsbesluit Wmo 2015</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 5.4 Uitvoeringsbesluit Wmo 2015</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-10-26</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2017-11-08</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2017-06-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2019-06-26</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>artikel 5.2, 9.1</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2017/067/1</overheidrg:kenmerk></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Roermond houdende regels omtrent maarschappelijke ondersteuning Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Roermond 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>De raad van de gemeente Roermond</vet></al><al/><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 9 september 2014,
                        raadsvoorstelnummer 2014/074/1;</al><al>gezien het advies van de commissie Burgers en Samenleving van 14 oktober
                        2014;</al><al>gelet op het bepaalde Vaststelling van de Wet maatschappelijke ondersteuning
                        2015;</al><al/><al><vet>besluit:</vet></al><al>de verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Roermond 2015 vast te
                        stellen.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene Bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt
                                verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>Algemeen gebruikelijke voorziening: </al><al>een voorziening die niet speciaal bedoeld is voor mensen met
                                        een beperking, die algemeen verkrijgbaar is en die niet
                                        duurder is dan vergelijkbare producten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><lijst><li nr="b."><al>Bijdrage:bijdrage in de kosten als bedoeld in artikel 2.1.4
                                        van de wet.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><lijst><li nr="c."><al>Collectieve voorziening:een maatwerkvoorziening die
                                        individueel wordt verstrekt maar door meerdere personen
                                        tegelijk gebruikt kan worden.</al></li><li nr="d."><al>Gebruikelijke hulp:de hulp die naar algemeen aanvaarde
                                        opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht
                                        vanhuisgenoten.</al></li><li nr="e."><al>Hoofdverblijf:de woonruimte, bestemd en geschikt voor
                                        permanente bewoning, waar de cliënt zijn of haar vaste woon
                                        en verblijfplaats heeft en op welk adres de cliënt in de
                                        basisregistratie personen staat ingeschreven of zal staan
                                        ingeschreven, dan wel het feitelijk woonadres.</al></li><li nr="f."><al>Huisgenoot:iedere persoon met het hoofdverblijf op hetzelfde
                                        adres als de cliënt of het hoofdverblijf op hetzelfde
                                        perceel.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><lijst><li nr="g."><al>Informele zorg: zorg verleend door mantelzorgers en
                                        vrijwilligers.</al></li><li nr="h."><al>Mantelzorger een persoon die mantelzorg in de zin van
                                        artikel 1.1.1. van de wet biedt.</al></li><li nr="i."><al>Melding: melding als bedoeld in artikel 2.3.2 van de
                                        wet.</al></li><li nr="j."><al>Uitvoeringsbesluit Wmo 2015: de landelijk vastgestelde
                                        Algemene maatregel van bestuur. </al></li><li nr="k."><al>Voorliggende voorziening: een voorziening op grond van een
                                        andere wettelijke bepaling.</al></li><li nr="l."><al>Wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.</al></li><li nr="m."><al>Wmo-besluit: het door het college vast te stellen Besluit
                                        maatschappelijke ondersteuning gemeente Roermond 2015.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>2. Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die
                                niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de
                                wet, het Besluit maatschappelijke ondersteuning 2015 en de Algemene
                                wet bestuursrecht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 1.2 Verantwoordelijkheid college</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college ondersteunt ingezetenen in het nemen van eigen
                                    verantwoordelijkheid.</al></li><li nr="2."><al>Het college ondersteunt en draagt zorg voor de zelfredzaamheid
                                    en participatie van ingezetenen.</al></li><li nr="3."><al>Het college draagt zorg voor de kwaliteit en de continuïteit van
                                    de voorzieningen.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Melding, Onderzoek en aanvraag</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf 1 Melding</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 2.1 Melding</label></kop><lijst><li nr="1."><al>De melding wordt gedaan door of namens de cliënt bij het
                                        college. </al></li><li nr="2."><al>De melding moet schriftelijk plaatsvinden middels een door
                                        het college opgesteld meldingsformulier.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.2 Cliëntondersteuning</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college zorgt ervoor dat ingezetenen een beroep kunnen
                                        doen op onafhankelijke cliëntondersteuning, waarbij het
                                        belang van de cliënt uitgangspunt is.</al></li><li nr="2."><al>Het college wijst cliënten die een melding doen erop dat zij
                                        zich gedurende de procedure desgewenst kunnen laten bijstaan
                                        door een onafhankelijke cliëntondersteuner.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 2 Onderzoek</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 2.3 Onderzoek</label></kop><al>Het college verstrekt de cliënt of diens vertegenwoordiger een
                                weergave van de uitkomsten van het onderzoek, tenzij de cliënt of
                                diens vertegenwoordiger heeft meegedeeld dit niet te wensen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.4 Medewerking cliënt en huisgenoten</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college is, onverminderd artikel 2.3.8 van de wet, in
                                        ieder geval bevoegd om, voor zover dit van belang kan zijn
                                        voor het onderzoek:</al><lijst><li nr="a."><al>de cliënt, en bij gebruikelijke hulp diens
                                                huisgenoten, op te roepen in persoon te verschijnen
                                                op een door het college te bepalen plaats en
                                                tijdstip en hem te bevragen;</al></li><li nr="b."><al>de cliënt, en bij gebruikelijke hulp diens
                                                huisgenoten, op een door het college te bepalen
                                                plaats en tijdstip door een of meer daartoe
                                                aangewezen deskundigen te laten bevragen en/of
                                                onderzoeken.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Huisgenoten zijn verplicht de medewerking te verlenen die
                                        redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de wet.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 3 Aanvraag</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 2.5 De aanvraag</label></kop><lijst><li nr="1."><al>De aanvraag voor een maatwerkvoorziening moet door of namens
                                        de cliënt schriftelijk worden ingediend bij het
                                        college.</al></li><li nr="2."><al>De aanvraag wordt ingediend door middel van een door het
                                        college vastgesteld aanvraagformulier of ondertekend
                                        onderzoeksverslag als bedoeld in artikel 2.3 van deze
                                        verordening.</al></li><li nr="3."><al>De artikelen 2.2 en 2.4 zijn van overeenkomstige toepassing
                                        op de aanvraag.</al></li></lijst></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Maatwerkvoorziening</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf 1 Beoordeling aanspraak</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 3.1 Criteria voor een maatwerkvoorziening</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college neemt het onderzoeksverslag als uitgangspunt bij
                                        de beoordeling van de aanspraak op een
                                        maatwerkvoorziening.</al></li><li nr="2."><al>Het college verstrekt een maatwerkvoorziening indien er
                                        sprake is van een langdurige noodzaak tot compensatie en de
                                        cliënt niet of niet volledig in staat is tot zelfredzaamheid
                                        of participatie door gebruik te maken van:</al><lijst><li nr="a."><al>eigen kracht en/of:</al></li><li nr="b."><al>gebruikelijke hulp en/of;</al></li><li nr="c."><al>mantelzorg en/of</al></li><li nr="d."><al>hulp van andere personen uit het sociale netwerk
                                                en/of;</al></li><li nr="e."><al>algemene voorzieningen en/of;</al></li><li nr="f."><al>voorliggende voorzieningen.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Indien meerdere maatwerkvoorzieningen als passend aan te
                                        merken zijn, verstrekt het college de goedkoopst passende
                                        voorziening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 3.2 Algemene weigeringsgronden</label></kop><al>Geen aanspraak op een maatwerkvoorziening bestaat:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de maatwerkvoorziening voor de persoon van de cliënt
                                        algemeen gebruikelijk is;</al></li><li nr="b."><al>indien de cliënt geen ingezetene is van de gemeente
                                        Roermond;</al></li><li nr="c."><al>voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de
                                        cliënt voorafgaand aan het moment van aanvragen of het
                                        moment van beschikken heeft gemaakt;</al></li><li nr="d."><al>voor zover een voorziening als die waarop de aanvraag
                                        betrekking heeft reeds eerder in het kader van enige
                                        wettelijke bepaling of regeling is verstrekt en de normale
                                        afschrijvingstermijn van de voorziening nog niet verstreken
                                        is, tenzij de eerder verstrekte voorziening verloren is
                                        gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt
                                        zijn toe te rekenen;</al></li><li nr="e."><al>voor zover de cliënt een beroep kan doen op een voorliggende
                                        voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor
                                        de cliënt toereikend en passend te zijn;</al></li><li nr="f."><al>indien de aanspraak niet is vast te stellen doordat de
                                        cliënt niet of onvoldoende voldoet aan de verplichtingen als
                                        bedoeld in artikel 2.3.8 lid 1 en 3 van de wet of artikel
                                        2.4 van deze verordening of doordat een huisgenoot niet of
                                        onvoldoende voldoet aan de verplichting als bedoeld in
                                        artikel 2.4 van deze verordening;</al></li><li nr="g."><al>indien de maatwerkvoorziening of de noodzaak daarvan voor de
                                        cliënt redelijkerwijs vermijdbaar was;</al></li><li nr="h."><al>indien de maatwerkvoorziening voorzienbaar was, tenzij van
                                        de cliënt redelijkerwijs niet verwacht kon worden
                                        maatregelen te hebben getroffen die de maatwerkvoorziening
                                        overbodig hadden gemaakt. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 3.3 Maatwerkvoorziening ten behoeve van het wonen</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Geen aanspraak op een maatwerkvoorziening in het kader van
                                        het wonen bestaat indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de ondervonden problemen bij het normale gebruik van
                                                de woning voortvloeien uit de aard van in de woning
                                                gebruikte materialen of de slechte staat van
                                                onderhoud;</al></li><li nr="b."><al>de cliënt niet zijn hoofdverblijf heeft in de woning
                                                ten behoeve waarvan de maatwerkvoorziening wordt
                                                aangevraagd;</al></li><li nr="c."><al>deze betrekking heeft op voorzieningen in
                                                gemeenschappelijke ruimten anders dan automatische
                                                deuropeners, hellingbanen en extra trapleuningen,
                                                verbrede toegangsdeuren, vlonders en een
                                                opstelplaats voor de rolstoel;</al></li><li nr="d."><al>de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn of haar
                                                beperkingen op dat moment beschikbare, meest
                                                geschikte woning, tenzij voorafgaand aan de
                                                verhuizing schriftelijk toestemming is verleend door
                                                het college voor de verhuizing;</al></li><li nr="e."><al>de voorziening strekt ter renovatie of ter
                                                aanpassing aan de eisen van de tijd;</al></li><li nr="f."><al>er sprake is van het treffen van een
                                                maatwerkvoorziening aan hotels/pensions,
                                                trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen,
                                                vakantiewoningen, recreatiewoningen en bij
                                                kamerverhuur;</al></li><li nr="g."><al>deze betrekking heeft op een woongebouw, dat
                                                specifiek gericht is op mensen met beperkingen of
                                                dat in de praktijk bewoond wordt door een specifieke
                                                groep en waarvan vast staat dat de voorziening niet
                                                voldoet aan de voor een dergelijke woning op grond
                                                van wettelijke voorschriften, algemeen aanvaarde
                                                regels of contractuele bepalingen geldende vereisten
                                                en waarvan is aangetoond dat de aangevraagde
                                                voorziening bij wel voldoen aan die vereisten niet
                                                nodig is;</al></li><li nr="h."><al>de maatwerkvoorziening bij nieuwbouw of renovatie
                                                zonder noemenswaardige meerkosten kan worden
                                                meegenomen;</al></li><li nr="i."><al>de cliënt verhuisd is vanuit of naar een woonruimte
                                                die niet geschikt is het gehele jaar door bewoond te
                                                worden;</al></li><li nr="j."><al>de cliënt voor het eerst zelfstandig gaat wonen,
                                                voor zover de aanvraag een maatwerkvoorziening ten
                                                behoeve van de verhuizing betreft;</al></li><li nr="k."><al>indien de noodzaak tot het treffen van de
                                                maatwerkvoorziening het gevolg is van een verhuizing
                                                waartoe op grond van beperkingen bij de
                                                zelfredzaamheid en participatie, geen aanleiding
                                                bestond en er geen andere belangrijke reden aanwezig
                                                was.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het college kan bij het verstrekken van een
                                        maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen bij
                                        normale gebruik van de woning en het zich verplaatsen in de
                                        woning het primaat van verhuizen toepassen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 3.4 Maatwerkvoorziening ten behoeve van vervoer</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Een te verstrekken maatwerkvoorziening voor vervoer ter
                                        compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid en
                                        participatie stelt de cliënt in staat zich lokaal te
                                        verplaatsen met een omvang van maximaal 1500 tot 2000
                                        kilometer per jaar.</al></li><li nr="2."><al>Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening geldt het
                                        primaat van de collectieve voorziening, zoals het collectief
                                        vervoer.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 2 Vorm van maatwerkvoorziening</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 3.5 Vaststelling vorm van maatwerkvoorziening</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college verstrekt de maatwerkvoorziening in natura.</al></li><li nr="2."><al>In afwijking van lid 1 kan het college een persoonsgebonden
                                        budget verstrekken indien de cliënt bij het college een
                                        budgetplan heeft ingediend. </al></li><li nr="3."><al>Het budgetplan wordt ingediend conform een door het college
                                        vastgesteld model.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 3.6 Criteria persoonsgebonden budget</label></kop><al>Een persoonsgebonden budget wordt, onverminderd artikel 2.3.6 lid 2
                                van de wet, geweigerd indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de cliënt geen volledig ingevuld budgetplan heeft overgelegd
                                        volgens het door het college vastgestelde model; </al></li><li nr="b."><al>de cliënt weigert het budgetplan desgevraagd met het college
                                        te bespreken of, na voor bespreking van het budgetplan te
                                        zijn opgeroepen, zonder geldige reden niet verschijnt; </al></li><li nr="c."><al>de cliënt, of, indien de cliënt jonger is dan 18 jaar, één
                                        van diens ouders of voogden, surseance van betaling heeft
                                        aangevraagd of failliet is verklaard; </al></li><li nr="d."><al>ten aanzien van de cliënt of, indien de cliënt jonger is dan
                                        18 jaar, ten aanzien van één van diens ouders of voogden, de
                                        schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing
                                        is verklaard, dan wel een verzoek daartoe bij de rechtbank
                                        is ingediend;</al></li><li nr="e."><al>naar het oordeel van het college onvoldoende aannemelijk is
                                        dat met het persoonsgebonden budget zal worden voorzien in
                                        toereikende zorg van goede kwaliteit.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 3.7 Hoogte persoonsgebonden budget</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college neemt het door de cliënt opgestelde budgetplan
                                        als uitgangspunt bij de bepaling van de hoogte van het
                                        persoonsgebonden budget.</al></li><li nr="2."><al>De hoogte van een persoonsgebonden budget voor hulpmiddelen
                                        en woningaanpassingen bedraagt in ieder geval niet meer dan
                                        de huur- dan wel aanschafprijs van de goedkoopst passende
                                        voorziening, inclusief onderhoud, reparatie en verzekering,
                                        van hulpmiddelen en roerende woonvoorzieningen zoals die
                                        door het college aan de leverancier zou zijn
                                        verschuldigd.</al></li><li nr="3."><al>De hoogte van een persoonsgebonden budget voor diensten
                                        bedraagt:</al></li></lijst><lijst><li nr="a."><al>indien sprake is van dienstverlening door een professional,
                                        al dan niet werkzaam voor een instelling conform de geldende
                                        kwaliteitsstandaarden, in ieder geval niet meer dan de
                                        laagste prijs waarvoor het college deze dienst heeft
                                        gecontracteerd;</al></li><li nr="b."><al>indien sprake is van dienstverlening door een persoon uit
                                        het informele netwerk van de cliënt of familieleden in de
                                        derde of hogere graad, in ieder geval niet meer dan het door
                                        het college in het Wmo-besluit vastgestelde percentage van
                                        de prijs waarvoor het college deze dienst heeft
                                        gecontracteerd;</al></li><li nr="c."><al>indien sprake is van dienstverlening door een persoon uit
                                        het informele netwerk van de cliënt, zijnde familieleden in
                                        de eerste of tweede graad, in ieder geval niet meer dan het
                                        door het college in het Wmo-besluit vastgestelde percentage
                                        van de prijs waarvoor het college deze dienst heeft
                                        gecontracteerd.</al></li><li nr="4."><al>Het college kan, onverminderd de vorige leden, in het
                                        Wmo-besluit nadere regels stellen over de hoogte van een
                                        persoonsgebonden budget.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 3 Besluitvorming</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 3.8 Beschikking</label></kop><lijst><li nr="1."><al>In de beschikking tot het verstrekken van een
                                        maatwerkvoorziening in natura wordt in ieder geval
                                        vastgelegd:</al></li><li nr="a."><al>welke de te verstrekken voorziening is en wat het beoogde
                                        resultaat daarvan is;</al></li><li nr="b."><al>wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is;</al></li><li nr="c."><al>hoe de voorziening wordt verstrekt.</al></li><li nr="2."><al>In de beschikking tot het verstrekken van een
                                        maatwerkvoorziening in de vorm van een persoonsgebonden
                                        budget wordt in ieder geval vastgelegd:</al></li><li nr="a."><al>voor welk resultaat het pgb moet worden aangewend, eventueel
                                        aangevuld met een programma van eisen waaraan bij besteding
                                        voldaan moet worden;</al></li><li nr="b."><al>welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het
                                        pgb;</al></li><li nr="c."><al>wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen;</al></li><li nr="d."><al>wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is
                                        bedoeld, en;</al></li><li nr="e."><al>de wijze van verantwoording van de besteding van het
                                        pgb.</al></li><li nr="3."><al>Als sprake is van een te betalen bijdrage, wordt de cliënt
                                        daarover in de beschikking geïnformeerd.</al></li></lijst></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Bijdrage in de kosten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel 4.1 Bijdrage voor maatwerkvoorzieningen</label></kop><lijst><li nr="1."><al>De cliënt is een bijdrage verschuldigd voor een
                                    maatwerkvoorziening in natura of persoonsgebonden budget.</al></li><li nr="2."><al>De bijdrage voor een maatwerkvoorziening in natura of
                                    persoonsgebonden budget ten behoeve van een woningaanpassing
                                    voor een minderjarige is verschuldigd door de in artikel 2.1.5
                                    van de wet genoemde persoon of personen. </al></li><li nr="3."><al>De bijdrage voor een maatwerkvoorziening in natura of
                                    persoonsgebonden budget wordt vastgesteld conform de maximale
                                    variant in het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015.</al></li><li nr="4."><al>De omvang van de bijdrage bedraagt in ieder geval niet meer dan
                                    de kostprijs van de voorziening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.2 Bijdrage voor algemene voorzieningen</label></kop><lijst><li nr="1."><al>De cliënt kan bij het gebruik van een door of vanwege de
                                    gemeente gerealiseerde algemene voorziening, met uitzondering
                                    van cliëntondersteuning, een bijdrage verschuldigd zijn. </al></li><li nr="2."><al>Het college legt in het Wmo-besluit vast in welke gevallen de
                                    bijdrage in de kosten wordt opgelegd en regelt de omvang van
                                    deze bijdrage in de kosten. </al></li><li nr="3."><al>De omvang van de bijdrage bedraagt in ieder geval niet meer dan
                                    de kostprijs van de algemene voorziening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.3 Kostprijs</label></kop><lijst><li nr="1."><al>De kostprijs bij een voorziening in natura is gelijk aan de
                                    prijs waarvoor de gemeente de voorziening in natura betrekt van
                                    de aanbieder. </al></li><li nr="2."><al>De kostprijs van een persoonsgebonden budget is gelijk aan het
                                    bedrag van het persoonsgebonden budget. </al></li></lijst><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Kwaliteit</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel 5.1 Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning</label></kop><lijst><li nr=""><lijst><li nr="1."><al>Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van
                                            voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid
                                            van beroepskrachten daaronder begrepen.</al></li><li nr="2."><al>Een voorziening wordt in ieder geval:</al></li><li nr="a."><al>veilig, doeltreffend en cliëntgericht verstrekt;</al></li><li nr="b."><al>afgestemd op de persoonlijke situatie en behoefte van de
                                            cliënt en sluit aan bij de informele zorg;</al></li><li nr="a."><al>afgestemd op andere vormen van zorg, waaronder informele
                                            zorg;</al></li><li nr="b."><al>afgestemd op andere vormen van zorg of hulp die de
                                            cliënt ontvangt;</al></li><li nr="c."><al>verstrekt in overeenstemming met de op de beroepskracht
                                            rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de
                                            professionele standaard;</al></li><li nr="d."><al>verstrekt met respect voor en met inachtneming van de
                                            aanspraken van de cliënt.</al></li><li nr="3."><al>De aanbieder, niet zijnde een aanbieder die hulpmiddelen
                                            of woningaanpassingen levert, moet een meldcode
                                            huiselijk geweld en kindermishandeling vaststellen.</al></li><li nr="4."><al>Het college toetst bij het toekennen van een
                                            persoonsgebonden budget in ieder geval of de aanbieder
                                            die de ondersteuning zal bieden, dat veilig,
                                            doeltreffend en cliëntgericht doet.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.2 Verhouding prijs en kwaliteit levering dienst door derden</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de
                                levering van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4
                                van de wet en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de
                                dienst stelt het college vast:</al><lijst><li nr="a."><al>een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld
                                        in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan van een
                                        overeenkomst met de derde; of</al></li><li nr="b."><al>een reële prijs die geldt als ondergrens voor:</al><lijst><li nr="1."><al>een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst
                                                met de derde, en</al></li><li nr="2."><al>de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a.</al></li></lijst></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast:</al><lijst><li nr="a."><al>overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst,
                                        waaronder de eisen aan de deskundigheid van de
                                        beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid,
                                        onderdeel c, van de wet, en</al></li><li nr="b."><al>rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening,
                                        bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de wet, tussen
                                        degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken
                                        hulpverleners.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college baseert de vaste prijs of de reële prijs op de volgende
                                kostprijselementen:</al><lijst><li nr="a."><al>de kosten van de beroepskracht;</al></li><li nr="b."><al>redelijke overheadkosten;</al></li><li nr="c."><al>kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als
                                        gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg;</al></li><li nr="d."><al>reis en opleidingskosten;</al></li><li nr="e."><al>indexatie van de reële prijs voor het leveren van een
                                        dienst;</al></li><li nr="f."><al>overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde
                                        verplichtingen voor aanbieders waaronder
                                        rapportageverplichtingen en administratieve
                                        verplichtingen.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.3 Meldingsregeling calamiteiten en geweld</label></kop><lijst><li nr=""><lijst><li nr="1."><al>Het college treft een regeling voor het melden van
                                            calamiteiten en geweldsincidenten bij de verstrekking
                                            van een voorziening door een aanbieder en wijst een
                                            toezichthoudend ambtenaar aan.</al></li><li nr="2."><al>Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder
                                            geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de
                                            verstrekking van een voorziening onverwijld aan de
                                            toezichthoudend ambtenaar.</al></li><li nr="3."><al>De toezichthoudend ambtenaar doet onderzoek naar de
                                            calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het
                                            college over het voorkomen van verdere calamiteiten en
                                            het bestrijden van geweld.</al></li><li nr="4."><al>Het college kan bij nadere regeling bepalen welke
                                            verdere eisen gelden voor het melden van calamiteiten en
                                            geweld bij de verstrekking van een voorziening.</al></li></lijst></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Eisen voor aanbieders</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel 6.1 Eisen aan klachtafhandeling door aanbieder</label></kop><al>Voor alle voorzieningen die door aanbieders worden verstrekt, geldt dat
                            de aanbieder een regeling moet treffen voor de behandeling van klachten
                            van cliënten ten aanzien van gedragingen van de aanbieder jegens een
                            cliënt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 6.2 Medezeggenschap</label></kop><al>Een regeling voor medezeggenschap van cliënten over voorgenomen
                            besluiten van de aanbieder die voor de gebruikers van belang zijn, is
                            voor geen enkele voorziening vereist. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7</nr><titel>Beëindiging, herziening, intrekking en terugvordering</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel 7.1 Beëindiging</label></kop><al>Het college kan, onverminderd artikel 2.3.10 van de wet, een toegekende
                            aanspraak op een maatvoorziening in natura of persoonsgebonden budget
                            geheel of gedeeltelijk beëindigen, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>niet wordt voldaan aan de voorwaarden gesteld bij of krachtens
                                    de wet of de verordening;</al></li><li nr="b."><al>de cliënt wordt opgenomen in een instelling in de zin van de Wet
                                    toelating zorginstellingen of ziekenhuis;</al></li><li nr="c."><al>de cliënt zich niet houdt aan de verplichtingen van gebruik,
                                    verantwoording en administratie van de voorziening; </al></li><li nr="d."><al>de cliënt is overleden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 7.2 Herziening en intrekking</label></kop><al>Het college kan, onverminderd artikel 2.3.10 van de wet, een besluit tot
                            toekenning van een aanspraak op een maatwerkvoorziening in natura of
                            persoonsgebonden budget geheel of gedeeltelijk herzien of intrekken
                            indien:</al><lijst><li nr="a."><al>niet is voldaan aan de voorwaarden gesteld bij of krachtens de
                                    wet of deze verordening;</al></li><li nr="b."><al>beschikt is op grond van gegevens waarvan gebleken is dat die
                                    gegevens zodanig onjuist waren dat, waren de juiste gegevens
                                    bekend geweest, een andere beslissing zou zijn genomen;</al></li><li nr="c."><al>de cliënt de maatwerkvoorziening binnen zes maanden na
                                    toekenning niet heeft aangewend voor het resultaat waarvoor de
                                    maatwerkvoorziening is getroffen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 7.3 Terugvordering</label></kop><al>Het college kan, onverminderd artikel 2.4.1 van de wet, indien de
                            aanspraak op een voorziening is herzien of ingetrokken:</al><lijst><li nr="a."><al>het ten onrechte genoten betaalde persoonsgebonden budget
                                    terugvorderen;</al></li><li nr="b."><al>de geldwaarde van de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening in
                                    natura terugvorderen.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>8</nr><titel>Bestrijding misbruik of oneigenlijk gebruik</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel 8.1 Fraudepreventie</label></kop><al>Het college informeert cliënten over de rechten en plichten die aan het
                            ontvangen van een maatwerkvoorziening zijn verbonden en over de
                            consequenties van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8.2 Controle</label></kop><al>Het college doet onderzoek naar de rechtmatigheid van de
                            maatwerkvoorziening indien er een vermoeden bestaat van misbruik dan wel
                            oneigenlijk gebruik van de wet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8.3 Nadere regels</label></kop><al>Het college kan ten aanzien van het bepaalde in dit hoofdstuk in het
                            Wmo-besluit of beleidsregels nadere regels stellen.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>9</nr><titel>Jaarlijkse blijk van waardering en meerkosten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel 9.1 Jaarlijkse blijk van waardering</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een blijk van waardering wordt per kalenderjaar éénmaal op verzoek
                                aan een ingezetene verstrekt indien aan onderstaande voorwaarden
                                wordt voldaan:</al><lijst><li nr="a."><al>de mantelzorg wordt verleend aan een ingezetene van de
                                        gemeente Roermond en geen voorziening heeft vanuit de
                                        WLZ;</al></li><li nr="b."><al>de mantelzorger verleent minimaal drie maanden minstens acht
                                        uur uur per week onbetaalde zorg aan een chronisch zieke of
                                        hulpbehoevende partner, vriend(in), ouder, kind of ander
                                        familielid;</al></li><li nr="c."><al>de waardering wordt verstrekt voor één mantelzorger per
                                        ingezetene van de gemeente Roermond;</al></li><li nr="d."><al>de aanvraag is ingediend tussen 1 april van het betreffende
                                        kalenderjaar en 1 april van het daaropvolgende jaar.</al></li><li nr="e."><al>het college legt in het Wmo besluit vast waaruit de
                                        jaarlijkse blijk van waardering voor mantelzorgers
                                        bestaat.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 9.2 Tegemoetkoming meerkosten</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan op aanvraag aan personen met een beperking of
                                    chronische psychische of psychosociale problemen die daarmee
                                    verband houdende aannemelijke meerkosten hebben een
                                    tegemoetkoming verstrekken ter ondersteuning van de
                                    zelfredzaamheid en de participatie.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan in het Wmo-besluit of beleidsregels nadere
                                    regels vaststellen over de tegemoetkoming als bedoeld in lid
                                    1.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>10</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel 10.1 Hardheidsclausule</label></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt afwijken
                            van de bepalingen van deze verordening indien toepassing van de
                            verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 10.2 Verhogen/verlagen bedragen</label></kop><al>Het college kan de in het kader van deze verordening en het op deze
                            verordening berustende besluit maatschappelijke ondersteuning geldende
                            bedragen verhogen of verlagen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 10.3 Evaluatiebepaling</label></kop><al>Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt periodiek
                            geëvalueerd. Indien de evaluatie daartoe aanleiding geeft wordt het
                            beleid vervolgens aangepast. Het college zendt hiertoe aan de
                            gemeenteraad een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de
                            verordening in de praktijk.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 10.4 Inwerkingtreding</label></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2015.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 10.5 Overgangsrecht</label></kop><lijst><li nr="1."><al>De Verordening voorzieningen Wmo Roermond 2012 wordt ingetrokken
                                    met ingang van 1-1-2015, met dien verstande dat een cliënt recht
                                    houdt op een doorlopende voorziening verstrekt op grond van de
                                    Verordening voorzieningen Wmo Roermond 2012 met de daarbij
                                    behorende rechten en plichten, totdat het college een nieuw
                                    besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze
                                    voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken. </al></li><li nr="2."><al>Aanvragen die zijn ingediend vóór inwerkingtreding van deze
                                    verordening en waarop nog geen besluit is genomen ten tijde van
                                    de inwerkingtreding van deze verordening, worden afgehandeld op
                                    grond van de wet en deze verordening.</al></li><li nr="3."><al>Bezwaarschriften die zijn ingediend tegen op grond van de Wmo en
                                    de Verordening voorzieningen Wmo Roermond 2012 genomen
                                    besluiten, worden afgehandeld op grond van de Wmo en de
                                    Verordening voorzieningen Wmo Roermond 2012.</al></li><li nr="4."><al>Voorzieningen verstrekt op grond van voorgaande verordeningen
                                    kunnen op grond van deze verordening worden beëindigd, herzien
                                    of ingetrokken. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 10.6 Citeertitel</label></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als “Verordening maatschappelijke
                            ondersteuning gemeente Roermond 2015”.</al><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de gemeenteraad, op 30
                        oktober 2014.</ondertekening><ondertekening>De griffier, De voorzitter,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Toelichting bij Verordening maatschappelijke ondersteuning </label></kop><divisie><kop><label>Hoofdstuk 1 Begripsomschrijvingen</label></kop><lijst><li nr=""><al>Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen</al><al>Onder a Algemeen gebruikelijke voorziening</al><al>Wat in een concrete situatie als algemeen gebruikelijk te
                                    beschouwen is, hangt af van de geldende </al><al>maatschappelijke normen van het moment van de aanvraag. Het
                                    begrip “algemeen gebruikelijk” is reeds geconcretiseerd in de
                                    Wmo 2007-jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep. Om
                                    duidelijk te maken wat in de wet verstaan wordt onder dit begrip
                                    is de begripsomschrijving vanuit de jurisprudentie in de
                                    verordening opgenomen. Het gaat daarbij om de volgende
                                    voorzieningen die: </al><lijst><li nr="-"><al>in de reguliere handel verkrijgbaar zijn;</al></li><li nr="-"><al>niet speciaal voor personen met een beperking bedoeld
                                            zijn;</al></li><li nr="-"><al>die niet duurder is dan vergelijkbare producten.</al></li></lijst><al>Er moet altijd in het individuele geval worden bekeken of de
                                    voorziening ook voor de cliënt algemeen gebruikelijk is. De
                                    Centrale Raad heeft aangegeven dat als het gaat om vervanging
                                    van een zaak die (nog lang) niet afgeschreven is en als het gaat
                                    om een persoon die een inkomen heeft dat door onvermijdbare
                                    kosten op grond van de beperkingen onder de bijstandsnorm komt,
                                    wellicht een uitzondering op dit principe gemaakt moet
                                    worden.</al><al>Onder e Hoofdverblijf</al><al>Waar iemand woonachtig is wordt in eerste instantie bepaald door
                                    waar iemand staat ingeschreven in de Basisregistratie Personen.
                                    De zinsnede “dan wel zal staan ingeschreven” verwijst naar
                                    situaties waarin sprake is van een aanstaande verhuizing naar
                                    een andere woning die nog aangepast moet worden voordat deze
                                    daadwerkelijk wordt betrokken. De persoon met beperkingen dient
                                    een feitelijk woonadres, dat afwijkt van het adres in de
                                    Basisregistratie Personen, aan te tonen.</al><al>Onder f Huisgenoot</al><al>Iedereen met hetzelfde hoofdverblijf kan als huisgenoot worden
                                    aangemerkt, met uitzondering van de kamerhuurder en de
                                    kostganger. Deze uitzondering geldt alleen als er sprake is van
                                    een commerciële relatie tussen de kamerhuurder/kostganger en de
                                    hoofbewoner(s). Als er een familierelatie bestaat, zal er over
                                    het algemeen niet snel sprake zijn van kamerverhuur of
                                    kostgangerschap. </al><al>Het hoofdverblijf hoeft niet op hetzelfde adres te zijn. Het kan
                                    ook op hetzelfde perceel gelegen zijn. Ook bij een
                                    kangoeroe-woning kan dus sprake zijn van huisgenoten. </al><al>Onder k Voorliggende voorziening</al><al>Dit is een voorziening op grond van andere wetgeving, die
                                    voorgaat op de wet. Te denken valt hierbij aan onder meer
                                    voorzieningen waarop de cliënt aanspraak kan maken op basis van
                                    de Zorgverzekeringswet en de Algemene Wet Bijzondere
                                    Ziektekosten (Wet langdurige zorg).</al><al>Artikel 1.2 Verantwoordelijkheid college</al><al>Bij participatie gaat het om het deelnemen aan het
                                    maatschappelijk verkeer. Met maatschappelijk verkeer wordt
                                    hetzelfde bedoeld als maatschappelijk leven. Hiermee sluit de
                                    definitie van participatie aan bij die van de International
                                    Classification of Functioning, Disability and Health (ICF). Dit
                                    wil zeggen dat iemand, ondanks zijn lichamelijke of geestelijke
                                    beperkingen, op gelijke voet met anderen in redelijke mate
                                    mensen kan ontmoeten, contacten kan onderhouden, boodschappen
                                    kan doen en aan maatschappelijke activiteiten kan deelnemen.
                                    Daarvoor is ook een vereiste dat hij zich kan verplaatsen.</al><al>De omschrijving van zelfredzaamheid bevat twee elementen:</al><lijst><li nr="·"><al>Het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse
                                            levensverrichtingen. Algemene dagelijkse
                                            levensverrichtingen zijn de handelingen de mensen
                                            dagelijks in het gewone leven verrichten. Voor de
                                            zelfredzaamheid van cliënten kan gedacht worden aan: in
                                            en uit bed komen, aan- en uitkleden, persoonlijke
                                            verzorging (bij behoefte aan geneeskundige zorg, of een
                                            hoog risico daarop, valt de persoonlijke verzorging
                                            onder de Zorgverzekeringswet) bewegen/lopen, gaan zitten
                                            en weer opstaan, lichamelijke hygiëne, toiletbezoek,
                                            eten/drinken, medicijnen innemen, ontspanning en sociaal
                                            contact.</al></li><li nr="·"><al>Het voeren van een gestructureerd huishouden. Hierbij
                                            kan onder andere gedacht worden aan: zelfstandig wonen
                                            in een geschikt huis, zelfstandig wonen in een schoon en
                                            leefbaar huis, beschikken over schone, draagbare
                                            kleding, beschikken over goederen voor primaire
                                            levensbehoeften, beschikken over maaltijden, zelfstandig
                                            administratie kunnen voeren en het thuis kunnen zorgen
                                            voor kinderen die tot het gezin behoren.</al></li></lijst></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk 2 Melding, onderzoek en aanvraag</label></kop><lijst><li nr=""><al>Artikel 2.1 Melding</al><al>Dit artikel beschrijft wie de melding kan doen en hoe de melding
                                    kan worden gedaan. In principe kan iedereen namens de cliënt een
                                    signaal afgeven dat de cliënt behoefte heeft aan
                                    maatschappelijke ondersteuning. Echter de melding in de zin van
                                    artikel 2.3.2 van de wet kan alleen worden gedaan door of namens
                                    de cliënt. Voor die formele eis is bewust gekozen. Het college
                                    moet namelijk binnen zes weken na een melding een uitgebreid
                                    onderzoek hebben uitgevoerd.</al><al>Artikel 2.2 Cliëntondersteuning</al><al>Het eerste lid is een uitwerking van de wettelijke verplichting
                                    van het college in artikel 2.2.4 lid 1 onder a en lid 2 van de
                                    wet. De wet adresseert het college rechtstreeks en vraagt niet
                                    om hierover bij verordening een regeling op te stellen. De
                                    bepaling uit de wet is toch in de verordening opgenomen vanwege
                                    het belang om in de verordening een compleet overzicht van
                                    rechten en plichten van cliënten te geven. In de memorie van
                                    toelichting bij artikel 2.2.4 van de wet (Kamerstukken II
                                    2013/14, 33 841, nr. 3) is vermeld dat gemeenten hiermee de
                                    opdracht hebben in ieder geval een algemene voorziening voor
                                    cliëntondersteuning te realiseren, waar burgers informatie en
                                    advies over vraagstukken van maatschappelijke ondersteuning en
                                    hulp bij het verkrijgen daarvan kunnen krijgen. Ook uitgebreide
                                    vraagverheldering alsmede kortdurende en kortcyclische
                                    ondersteuning bij het maken van keuzes op diverse
                                    levensterreinen maken daarvan deel uit. Het gaat om
                                    onafhankelijke cliëntondersteuning. Die kan ook worden geboden
                                    door iemand uit het sociaal wijkteam die handelt vanuit zijn
                                    professionele autonomie.</al><al>In het tweede lid is overeenkomstig artikel 2.3.2 lid 3 van de
                                    wet bepaald dat het college de betrokkene na de melding van de
                                    hulpvraag inlicht over de mogelijkheid van
                                    cliëntondersteuning.</al><al>Artikel 2.3 Onderzoek</al><al>De wijze van onderzoek is omschreven in de wet. Er is bewust
                                    gekozen om de wijze van toegang summier in de verordening op te
                                    nemen. In de wet zijn al voldoende waarborgen voor de cliënt
                                    opgenomen waar het college zich aan moet houden. </al><al>Artikel 2.4 Medewerking cliënt en huisgenoten</al><al>Dit is een uitwerking van artikel 2.3.8 van de wet. Echter voor
                                    het beoordelen of gebruikelijke hulp verlangd kan worden, is het
                                    van belang om ook de huisgenoten te kunnen beoordelen. Daarom is
                                    ervoor gekozen om ook huisgenoten te kunnen oproepen om hen te
                                    bevragen dan wel te onderzoeken. In lid 2 is de verplichting
                                    beschreven voor de huisgenoot om medewerking te verlenen.
                                    Verleent de cliënt of de huisgenoot geen medewerking dan kan de
                                    aanspraak op een maatwerkvoorziening niet worden
                                    vastgesteld.</al><al>Artikel 2.5 De aanvraag</al><al>Dit artikel beschrijft wie de aanvraag kan doen en hoe de
                                    aanvraag kan worden gedaan. Een aanvraag kan alleen worden
                                    gedaan door of namens de cliënt. Voor die formele eis is bewust
                                    gekozen. Het college moet namelijk binnen twee weken na een
                                    aanvraag een besluit nemen. In het derde lid zijn een tweetal
                                    bepalingen van overeenkomstige toepassing verklaard.</al><al>Hoofdstuk 3 Maatwerkvoorziening</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel 3 Criteria voor een maatwerkvoorziening</label></kop><lijst><li nr=""><al>Lid 1 </al><al>Op grond van artikel 2.3.2 lid 5 van de wet is het college
                                    verplicht de cliënt of diens vertegenwoordiger een schriftelijke
                                    weergave van de uitkomsten van het onderzoek te verstrekken. Bij
                                    het beoordelen van de aanspraak voor een maatwerkvoorziening
                                    welke voorzieningen getroffen gaan worden, neemt het college dat
                                    onderzoeksverslag, indien aanwezig, als uitgangspunt. Het
                                    college kan alleen afzien van het verstrekken van de
                                    schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek
                                    indien de cliënt aangeeft geen prijs te stellen op het
                                    onderzoeksverslag. Dat kan zich onder andere voordoen als de
                                    onderzoeksprocedure ertoe heeft geleid dat de cliënt wegen heeft
                                    gevonden om zelf of met hulp van anderen te participeren.</al><al>Lid 2 </al><al>Het verstrekken van een maatwerkvoorziening is in het kader van
                                    de wet nadrukkelijk de hekkensluiter. Alleen wanneer iemand echt
                                    niet zelf of met hulp van zijn omgeving in staat is tot
                                    zelfredzaamheid of participatie en ook een algemene voorziening
                                    geen uitkomst bied, moet er een maatwerkvoorziening worden
                                    verstrekt. Dus het college zal zorgvuldig onderzoeken wat de
                                    cliënt op eigen kracht of met hulp van personen uit zijn sociale
                                    netwerk (gebruikelijke hulp, mantelzorg of anderszins) kan doen
                                    om de problematiek te verkleinen of op te lossen en wat
                                    gebruikmaken van algemene voorzieningen daaraan kan bijdragen. </al><al>Een algemene voorziening kan pas dan een oplossing voor een
                                    cliënt bieden zodra deze:</al><lijst><li nr="1."><al>daadwerkelijk beschikbaar is;</al></li><li nr="2."><al>door de cliënt financieel gedragen kan worden;</al></li><li nr="3."><al>naar verwachting adequate compensatie biedt.</al></li></lijst><al>Er moet een langdurige noodzaak aanwezig zijn. Er wordt rekening
                                    gehouden met de behoeften van de cliënt maar uitgangspunt is dat
                                    beoordeeld wordt wat noodzakelijk is om de cliënt te laten
                                    participeren en in staat te stellen tot zelfredzaamheid.</al><al>Lid 3</al><al>De voorzieningen die in het kader van deze verordening worden
                                    verstrekt dienen naar objectieve maatstaven gemeten zowel
                                    passend als de meest goedkope voorziening te zijn. Datgene wat
                                    de cliënt als een meest passende oplossing voor zijn beperkingen
                                    beschouwt wordt meegewogen in de beoordeling van het verantwoord
                                    zijn van de voorziening. Ook het criterium inzake de kosten van
                                    de voorziening, spelen een rol bij de uiteindelijke beoordeling
                                    van het al dan niet verantwoord zijn van een voorziening.
                                    Voorzieningen die kostenverhogend werken zonder dat zij de
                                    voorziening meer passend maken, komen in beginsel niet voor
                                    vergoeding in aanmerking.</al><al>Artikel 3.2 Algemene weigeringsgronden</al><al>Onder a</al><al>Geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt indien de
                                    maatwerkvoorziening voor de persoon van de cliënt algemeen
                                    gebruikelijk is. Voor het begrip algemeen gebruikelijk wordt
                                    verwezen naar de toelichting op artikel 1.1.</al><al>Onder b</al><al>Dit onderdeel bepaalt hetzelfde als artikel 1.2.1 van de wet. De
                                    plicht tot het verstrekken van een maatwerkvoorziening beperkt
                                    zicht tot ingezetene van de gemeente. </al><al>Onder c</al><al>Het doel van deze bepaling is het college niet in de positie te
                                    brengen dat de noodzaak, adequaatheid en passendheid van
                                    aangevraagde voorzieningen niet meer kunnen worden beoordeeld.
                                    Zijn de kosten reeds gemaakt dan wordt er vanuit gegaan dat de
                                    cliënt zijn beperkingen op eigen kracht kan oplossen.</al><al>Onder d</al><al>Hier wordt aangegeven dat de maatwerkvoorziening geweigerd kan
                                    worden als het gaat om een vergoeding of verstrekking die reeds
                                    eerder heeft plaatsgehad, terwijl het de cliënt verwijtbaar is
                                    dat het middel verloren is gegaan, bijvoorbeeld door
                                    roekeloosheid of verwijtbare onachtzaamheid, dus niet indien de
                                    cliënt geen schuld treft. Indien een ander aansprakelijk is voor
                                    het verloren gaan, dient bekeken te worden of het mogelijk is
                                    deze derde door de aanvrager hiervoor aansprakelijk te doen
                                    stellen om zodoende de kosten te kunnen verhalen. </al><al>Onder e</al><al>De wet bevat geen bepaling, zoals artikel 2 Wmo 2007, die regelt
                                    dat een aanspraak op grond van een andere wet voorgaat. Daarom
                                    is een dergelijke bepaling in de verordening opgenomen. Ook
                                    regelt de verordeningsbepaling, vergelijkbaar aan artikel 15 van
                                    de Wet werk en bijstand, dat kosten die in de voorliggende
                                    voorziening als niet noodzakelijk worden aangemerkt. Daarbij
                                    valt te denken aan rollators die niet meer vergoed worden via de
                                    basiszorgverzekering.</al><al>Onder f</al><al>In artikel 2.3.8 van de wet is de medewerkingsverplichting van
                                    de cliënt opgenomen. Op basis van lid 1 moet de cliënt op
                                    verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doen van
                                    alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs
                                    duidelijk moet zijn dat zij aanleiding geven tot een ander
                                    besluit. Voorts moet de cliënt op grond van lid 3 aan het
                                    college medewerking verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de
                                    uitvoering van de Wmo 2015. In artikel 2.3 van deze verordening
                                    is voor de huisgenoten van de cliënt een medewerkingsplicht
                                    neergelegd. Verleent de cliënt of de huisgenoot geen medewerking
                                    dan kan de aanspraak op een maatwerkvoorziening niet worden
                                    vastgesteld.</al><al>Onder g en h</al><al>Er bestaat geen aanspraak op een maatwerkvoorziening als de
                                    cliënt zijn hulpvraag redelijkerwijs van te voren had kunnen
                                    voorzien en met zijn beslissing had kunnen voorkomen. Indien een
                                    cliënt is aangewezen op een rolstoel en een huis koopt waarin
                                    veel dure aanpassingen moeten worden aangebracht, had het in de
                                    rede gelegen dat de cliënt in een al aangepast huis zou zijn
                                    gaan wonen. </al><al>Artikel 3.3 Maatwerkvoorziening ten behoeve van het wonen</al><al>Lid 1 onder a </al><al>Deze afwijzingsgrond is bedoeld voor situaties waarin gebruikte
                                    materialen voor problemen zorgen. Te denken valt aan
                                    bijvoorbeeld het opheffen van allergene factoren of van andere
                                    problemen die hun oorzaak vinden in de aard van de in of aan de
                                    woonruimte gebruikte materialen. Dit risico komt voor de cliënt.
                                    Er hoeft dan geen maatwerkvoorziening verstrekt te worden.
                                    Daarnaast is de cliënt verantwoordelijk, zoals ieder ander, om
                                    zaken als achterstallig onderhoud zelf op te lossen (indien het
                                    een eigen woning betreft) of zijn verhuurder hiervoor
                                    aansprakelijk te stellen.</al><al>Lid 1 onder b</al><al>Bij het verlenen van een voorziening is de reikwijdte van de
                                    verordening beperkt tot het hoofdverblijf van de cliënt. Er
                                    hoeft bijvoorbeeld geen maatwerkvoorziening te worden getroffen
                                    aan een tweede woning (vakantiewoning).</al><al>Lid 1 onder c</al><al>In dit artikel is aangegeven dat slechts enkele aanpassingen ten
                                    behoeve van gemeenschappelijke ruimten voor vergoeding in
                                    aanmerking komen. In het kader van de Wmo 2007 heeft de CRvB
                                    geoordeeld dat een dergelijke bepaling in het algemeen niet in
                                    strijd met de in artikel 4 lid 1 Wmo 2007 neergelegde
                                    compensatieplicht. Bij ondervonden beperkingen moet het college
                                    wel op andere wijze zorgdragen voor maatschappelijke
                                    ondersteuning. Het college kan dan bijvoorbeeld in plaats van
                                    een voorziening in de gemeenschappelijke ruimte, een
                                    verhuiskostenvergoeding verstrekken.</al><al>Lid 1 onder d</al><al>Het uitgangspunt is dat iedereen altijd zoekt naar een voor hem
                                    op dat moment meest geschikte beschikbare woning, uiteraard
                                    passend bij het bestedingspatroon. Laat de cliënt dat na, dan
                                    hoeft er geen maatwerkvoorziening voor de nieuwe woning
                                    verstrekt te worden. Uitgezonderd de situatie dat het college
                                    voorafgaand aan de verhuizing toestemming heeft gegeven.</al><al>Lid 1 onder e </al><al>Deze afwijzingsgrond is bedoeld voor situaties waarin de
                                    beperkingen opgeheven kunnen worden door renovatie of
                                    aanpassingen aan de eisen van de tijd. De cliënt is hier zelf
                                    voor verantwoordelijk.</al><al>Lid 1 onder f Een voorziening wordt alleen verstrekt als het
                                    woonruimten betreft die als zelfstandige woonruimte in het kader
                                    van de Wet op de huurtoeslag ook als zodanig aangemerkt worden. </al><al>Lid 1 onder g</al><al>Geen woonvoorzieningen worden verstrekt in woongebouwen voor
                                    ouderen of personen met beperkingen. Dit geldt voor woongebouwen
                                    die specifiek gericht zijn op mensen met beperkingen of die in
                                    de praktijk bewoond worden door een specifieke groep en waarvan
                                    vast staat dat de aangevraagde voorziening niet voldoet aan de
                                    voor een dergelijke woning op grond van wettelijke
                                    voorschriften, algemeen aanvaarde regels of contractuele
                                    bepalingen geldende vereisten. Indien het woongebouw wel zou
                                    voldoen aan die vereisten, dan zou de aangevraagde voorziening
                                    niet nodig zijn geweest. </al><al>Lid 1 onder i</al><al>Woningen die niet geschikt zijn om het gehele jaar te bewonen
                                    kunnen ook niet – als hoofdverblijf – </al><al>adequaat gemaakt worden. Daarvoor zal dus per definitie geen
                                    woonvoorziening worden verstrekt; </al><al>aanpassen leidt niet tot een adequate situatie en verhuizen
                                    vanuit een dergelijke woning naar een </al><al>woning die wel geschikt is om het gehele jaar te bewonen kan als
                                    algemeen gebruikelijk worden </al><al>beschouwd. Ook zonder beperking zal men immers moeten verhuizen
                                    naar een woning die wel het </al><al>gehele jaar bewoonbaar is. Ook deze weigeringsgrond heeft weer
                                    betrekking op de eigen kracht/eigen verantwoordelijkheid. </al><al>Lid 1 onder j</al><al>In feite gaat het bij verhuizing vanuit het ouderlijk huis of
                                    vanuit een vergelijkbare situatie naar een </al><al>zelfstandige woonruimte om een algemeen gebruikelijke
                                    verhuizing.</al><al>Lid 1 onder k</al><al>De verhuizing naar een inadequate woning wordt hier genoemd als
                                    weigeringsgrond. Niet de ondervonden beperking, maar de
                                    verhuizing naar een niet geschikte woning is dan de voornaamste
                                    oorzaak van de ondervonden problemen. Deze bepaling heeft
                                    voornamelijk betrekking op situaties waarin men gaat verhuizen
                                    zonder specifieke reden, maar gewoon omdat men daar zin in
                                    heeft. Een uitzondering in deze bepaling is de zogeheten
                                    ‘belangrijke reden’. Hierbij kan worden gedacht aan een
                                    verhuizing vanwege het aanvaarden van werk.</al><al>Lid 2 Primaat verhuizen</al><al>Dit lid regelt het primaat van primaat van verhuizen (lid 2).
                                    Bij de beoordeling of het primaat kan worden toegepast wordt
                                    altijd gekeken naar de individuele omstandigheden van het
                                    geval.</al><al>Artikel 3.4 Maatwerkvoorziening ten behoeve van vervoer</al><al>De omvang van een te verstrekken voorziening voor vervoer wordt
                                    begrensd op 1500-2000 km per jaar. Deze grens is overgenomen uit
                                    de Wmo 2007-jurisprudentie. Daarin is bepaald dat een
                                    vervoersvoorziening of een combinatie van vervoersvoorzieningen
                                    die neerkomt op een aflegbare afstand in de bandbreedte van
                                    ongeveer 1500 tot 2000 kilometer per jaar, in beginsel
                                    toereikend is om de cliënt in staat te stellen sociale contacten
                                    te onderhouden en deel te nemen aan het leven van alledag. Als
                                    de vervoersbehoefte lager is, kan ook een lager aantal
                                    kilometers toegekend worden.</al><al>In het tweede lid is het primaat van collectieve voorzieningen,
                                    zoals het collectief vervoer, geregeld.</al><al>Artikel 3.5 Vaststelling vorm van maatwerkvoorziening</al><al>Een maatwerkvoorziening kan in natura en in de vorm van een
                                    persoonsgebonden budget worden verstrekt. Natura en pgb zijn
                                    gelijkwaardige alternatieven. De cliënt kan daarbij kiezen voor
                                    een pgb. Wel stelt de wet een aantal voorwaarden en ook deze
                                    verordening. Om in aanmerking te komen voor persoonsgebonden
                                    budget moet de cliënt een budgetplan opstellen. In het
                                    budgetplan geeft de cliënt onder andere aan:</al><al>• welke zorg hij/zij nodig heeft;</al><al>• waarom hij/zij aan de slag wil met een persoonsgebonden
                                    budget;</al><al>• wat hij/zij wil realiseren; en</al><al>• hoe hij/zij deze wil inkopen (tegen welke prijs); en</al><al>• hoe de hulp bijdraagt in het resultaat (o.a. kwaliteit). </al><al>Dit is geen limitatieve opsomming. Het plan is een goede manier
                                    om de eigen regie in beeld te brengen en helpt startende
                                    budgethouders op weg.</al><al>Artikel 3.6 Criteria persoonsgebonden budget</al><al>Artikel 2.3.6 lid 2 en 4 bevatten een aantal (deels
                                    facultatieve) criteria om in aanmerking te komen voor een
                                    persoonsgebonden budget. In aanvulling daarop bevat dit artikel
                                    een aantal weigeringsgronden voor een persoonsgebonden budget.
                                    Deze sluiten deels aan bij de verplichting voor de cliënt om een
                                    budgetplan te overleggen, indien hij in aanmerking wil komen
                                    voor een persoonsgebonden budget. Voor het overige zijn de
                                    weigeringsgronden afgeleid van de Regeling subsidies AWBZ.</al><al>Artikel 3.7 Hoogte persoonsgebonden budget</al><al>Dit artikel bevat de hoofdregels voor het bepalen van de hoogte
                                    van het persoonsgebonden budget. Het is aan het college
                                    overgelaten om nadere regels vast te stellen, met inachtneming
                                    van het bepaalde in dit artikel.</al><al>Bij het bepalen van de hoogte van het persoonsgebonden budget
                                    neemt het college het door de cliënt opgesteld budgetplan in
                                    aanmerking. Bovendien is het persoonsgebonden budget nooit hoger
                                    dan de prijs die het college betaalt aan de leverancier of
                                    aanbieder.</al><al>Een cliënt mag diensten betrekken van personen die behoren tot
                                    het sociale netwerk. Die vrijheid mag de gemeente niet beperken.
                                    De gemeente mag alleen voorwaarden stellen ten aanzien van het
                                    tarief. In lid 3 onder b en c is gebruik gemaakt van de
                                    bevoegdheid om voorwaarden ten aanzien van het tarief vast te
                                    stellen. Het persoonsgebonden budget ten behoeve van het
                                    betrekken van diensten van personen die behoren tot het sociale
                                    netwerk is gemaximeerd op een percentage van de kosten die het
                                    college verschuldigd is aan de leverancier bij een voorziening
                                    in natura. Het college stelt het percentage vast in het
                                    Wmo-besluit.</al><al>Artikel 3.8 Beschikking</al><al>Dit artikel benoemt een aantal onderwerpen dat in een
                                    toekenningsbeschikking in ieder geval moet worden opgenomen.
                                    Daarnaast vloeien uit met name de Algemene wet bestuursrecht een
                                    aantal eisen, die niet zijn herhaald in deze verordening. Zo
                                    moet de beschikking de motivering bevatten.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk 4 Bijdrage in de kosten</label></kop><lijst><li nr=""><al> Artikel 4.1 Bijdrage in de kosten voor
                                    maatwerkvoorzieningen</al><al>Dit artikel regelt dat een cliënt bij de verstrekking van een
                                    maatwerkvoorziening een eigen bijdrage is verschuldigd. Onder de
                                    Wmo 2015 blijft geen bijdrage voor rolstoelen verschuldigd. Bij
                                    een woningaanpassing ten behoeve van kinderen jonger dan 18 jaar
                                    kan een bijdrage worden opgelegd, voor de overige voorzieningen
                                    ten behoeve van kinderen jonger dan 18 jaar is geen bijdrage
                                    mogelijk.</al><al>Voor de hoogte wordt aansluiting gezocht bij de landelijke
                                    bijdrageregeling (Uitvoeringsbesluit Wmo 2015). Hier wordt
                                    uitgegaan van de maximale variant. De bijdrage mag niet meer
                                    bedragen dan de kostprijs. De cliënt betaalt dus niet meer dan
                                    de gemeente kwijt is aan kosten voor het verstrekken van de
                                    voorziening.</al><al>Lid 4 geeft aan dat de bijdrage wordt vastgesteld en geïnd door
                                    het CAK. </al><al>De bijdrage mag niet meer bedragen dan de kostprijs. De
                                    kostprijs is omschreven in artikel 4.3 van deze
                                    verordening.</al><al>Artikel 4.2 Bijdrage in de kosten voor algemene
                                    voorzieningen</al><al>De wet maakt een onderscheid tussen de bijdragen in de kosten
                                    van algemene voorzieningen en maatwerkvoorzieningen. De
                                    bijdragen in de kosten van algemene voorzieningen mag de
                                    gemeente bepalen en dit mag kostendekkend zijn. In de
                                    verordening is bepaald dat voor een algemene voorziening een
                                    bijdrage in de kosten verschuldigd kan zijn. Het college bepaalt
                                    in het Wmo-besluit in welke gevallen de bijdrage in de kosten
                                    wordt opgelegd en regelt de omvang van deze bijdrage in de
                                    kosten.</al><al>De bijdrage mag niet meer bedragen dan de kostprijs. De
                                    kostprijs is omschreven in artikel 4.3 van deze
                                    verordening.</al><al>Artikel 4.3 Kostprijs</al><al>In de wet is bepaald dat de bijdrage in de kosten niet meer mag
                                    bedragen dan de kostprijs en dat in de verordening moet worden
                                    weergegeven op welke wijze de kostprijs wordt berekend. In dit
                                    artikel is de wijze van berekening van de kostprijs weergegeven.
                                    De kostprijs is bij een voorziening in natura de prijs die de
                                    gemeente aan de aanbieder betaald. </al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk 5 Kwaliteit</label></kop><lijst><li nr=""><al>Artikel 5.1 Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning</al><al>In dit artikel zijn de kwaliteitseisen neergelegd. De
                                    kwaliteitseisen vloeien voort uit de wet. </al><al>Artikel 5.2 Prijs- kwaliteitsverhouding</al><al>Om te voorkomen dat alleen gekeken wordt naar de laagste prijs
                                    voor de uitvoering worden in dit artikel een aantal andere
                                    aspecten genoemd waarmee het college bij het vaststellen van
                                    tarieven (naast de prijs) rekening dient te houden. Hiermee
                                    wordt bereikt dat een beter beeld ontstaat van reële prijs voor
                                    de activiteiten die zij door aanbieders willen laten uitvoeren.
                                    Uitgangspunt is dat de aanbieder kundig personeel inzet tegen de
                                    arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden.
                                    Hiervoor is ten minste een beeld nodig van de vereiste
                                    activiteiten en de arbeidsvoorwaarden die daarbij horen. Dit
                                    biedt een waarborg voor werknemers dat hun werkzaamheden
                                    aansluiten bij de daarvoor geldende arbeidsvoorwaarden.</al><al>Artikel 5.3 Meldingsregeling calamiteiten en geweld</al><al>In artikel 3.4 lid 1 van de wet is bepaald dat de aanbieder bij
                                    de toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1 van de wet
                                    onverwijld melding doet van iedere calamiteit die bij de
                                    verstrekking van een voorziening heeft plaatsgevonden en van
                                    geweld bij de verstrekking van een voorziening. In artikel 6.1
                                    van de wet is bepaald dat het college personen aanwijst die zijn
                                    belast met het houden van toezicht op de naleving van het
                                    bepaalde bij of krachtens de wet.</al><al>In aanvulling op het bovenstaande regelt artikel 5.3 dat er door
                                    het college een regeling wordt opgesteld over het doen van
                                    meldingen en dat de toezichthoudend ambtenaar deze meldingen
                                    onderzoekt en het college adviseert over het voorkomen van
                                    verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld.
                                    Overeenkomstig het vierde lid kan het college bij nadere
                                    regeling bepalen welke verdere eisen gelden voor het melden van
                                    calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een
                                    voorziening.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk 6 Eisen aan aanbieders</label></kop><lijst><li nr=""><al>Artikel 6.1 Eisen aan klachtafhandeling door aanbieder</al><al>In dit artikel is aangegeven dat alle leveranciers een regeling
                                    moeten treffen voor de behandeling van klachten van cliënten ten
                                    aanzien van gedragingen van de aanbieder jegens een cliënt. </al><al>De gemeente laat de leveranciers vrij om de regeling vorm te
                                    geven. Er wordt wel gecontroleerd of de leveranciers een
                                    regeling in het leven hebben geroepen.</al><al>Artikel 6.2 Medezeggenschap</al><al>De gemeente kiest er bewust voor om een regeling voor
                                    medezeggenschap ten aanzien van alle voorzieningen niet
                                    verplicht te stellen. Het verplicht stellen kan tot effect
                                    hebben dat kleine aanbieders/leveranciers afhaken en cliënten
                                    minder keuzevrijheid hebben bij een voorziening in natura. Dit
                                    is niet gewenst. </al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk 7 Beëindiging, herziening, intrekking en terugvordering</label></kop><lijst><li nr=""><al>De wettelijke bepaling over met name terugvordering zijn summier
                                    en artikel 2.3.10 maakt geen duidelijk onderscheid tussen
                                    enerzijds beëindiging en anderzijds intrekking en herziening.
                                    Bij beëindiging is sprake indien de aanspraak op een
                                    maatwerkvoorziening wordt aangetast met ingang van het heden of
                                    naar de toekomst toe. Het ongedaan maken van de aanspraak op een
                                    Wmo-voorzieningen over een periode in het verleden, wordt
                                    intrekken genoemd. Herzien is het over een periode in het
                                    verleden afwijkend vaststellen van de aanspraak op een
                                    maatwerkvoorziening.</al><al>Beëindiging heeft dus, in tegenstelling tot intrekking en
                                    herziening, geen terugwerkende kracht. Het college moet, voordat
                                    het besluit tot intrekking van een voorziening, een afweging
                                    maken tussen alle bij het te nemen besluit betrokken belangen,
                                    waarbij het belang van belanghebbende om te participeren zwaar
                                    dient te wegen.</al><al>In de wet is slechts een terugvorderingsgrond opgenomen. Alleen
                                    indien de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft
                                    verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens
                                    tot een andere beslissing zou hebben geleid, kan het college op
                                    grond van de wet overgaan tot terugvordering. De gemeente heeft
                                    er daarom voor gekozen om de terugvorderingsgronden uit te
                                    breiden. Er moet wel onderscheid worden gemaakt tussen de
                                    terugvorderingsbepaling in de wet en de terugvorderingsgronden
                                    in de verordening voor wat betreft de invordering. Bij de
                                    terugvorderingsgronden in de verordening moet de invordering
                                    langs civielrechtelijke weg moet geschieden. Dit betekent onder
                                    meer dat in elk afzonderlijk geval moet worden aangetoond dat er
                                    sprake is van onverschuldigde betaling (artikel 6:203 e.v. BW).
                                    In de praktijk zal de onverschuldigdheid van de betaling
                                    ontstaan door het nemen van een herzienings- of
                                    intrekkingsbesluit. Bij de in de wet opgenomen
                                    terugvorderingsgrond heeft het college de mogelijkheid het terug
                                    te vorderen bedrag bij dwangbevel in te vorderen. Er is sprake
                                    van een executoriale titel, waarmee direct beslag kan worden
                                    gelegd.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk 8 Bestrijding misbruik of oneigenlijk gebruik</label></kop><lijst><li nr=""><al>In dit hoofdstuk is aangegeven op welke wijze het ten onrechte
                                    ontvangen van maatwerkvoorzieningen alsmede het misbruik of
                                    oneigenlijk gebruik van de wet wordt bestreden. Belangrijk is om
                                    de cliënt bij de verstrekking van een maatwerkvoorziening
                                    nadrukkelijk te wijzen op zijn rechten en plichten en te wijzen
                                    op de consequenties van misbruik en oneigenlijk gebruik. Het
                                    college controleert de rechtmatigheid van de maatwerkvoorziening
                                    en bij het vermoeden van misbruik en oneigenlijk gebruik van de
                                    wet. </al><al>Het college kan bij de controle onder meer gebruikmaken van
                                    huisbezoeken, risicoprofielen en bestandsvergelijkingen en de
                                    samenloopsignalen die daaruit voortkomen.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk 9 Jaarlijkse blijk van waardering</label></kop><lijst><li nr=""><al>Artikel 9.1 Jaarlijkse blijk van waardering</al><al>Dit artikel bepaalt op welke wijze het college zorg draagt voor
                                    een jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van
                                    cliënten in de gemeente. De voorwaarden om in aanmerking te
                                    komen voor de waardering zijn in dit artikel opgenomen. Het
                                    college moet in het Wmo-besluit vastleggen waaruit de blijk van
                                    waardering bestaat. De toegang is laagdrempelig in die zin dat
                                    zowel de cliënt als de mantelzorger kan verzoeken om de blijk
                                    van waardering.</al><al>Artikel 9.2 Meerkosten</al><al>Artikel 2.1.7 van de wet regelt dat bij verordening kan worden
                                    bepaald dat door het college aan personen met een beperking of
                                    chronische psychische of psychosociale problemen die daarmee
                                    verband houdende aannemelijke meerkosten hebben, een
                                    tegemoetkoming wordt verstrekt ter ondersteuning van de
                                    zelfredzaamheid en de participatie. </al><al>Artikel 9.2 geeft aan dat de gemeente ervoor kiest om de
                                    tegemoetkoming op grond van de wet te verstrekken. De wet bevat
                                    geen nadere bepalingen over de tegemoetkoming, zoals de
                                    voorwaarden en de doelgroep. Ook de wijze waarop de
                                    tegemoetkoming wordt verstrekt, zoals een financiële
                                    vergoeding</al><al>voor daadwerkelijke gemaakte meerkosten of een forfaitaire
                                    vergoeding voor aannemelijke meerkosten. is niet wettelijk
                                    bepaald. Er moeten derhalve de nodige (beleids)keuzes worden
                                    gemaakt. Het is aan het college overgelaten om nadere invulling
                                    te geven aan de regeling voor de tegemoetkoming in de
                                    meerkosten. Zo is het college vrij om inkomensgrenzen en
                                    draagkrachtregels te hanteren die afwijken van die van de
                                    bijzondere bijstand. </al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk 10 Slotbepalingen</label></kop><lijst><li nr=""><al>Artikel 10.1 Hardheidsclausule</al><al>Dit artikel geeft aan dat het college in bijzondere gevallen ten
                                    gunste van de cliënt kan afwijken van de bepalingen van deze
                                    verordening indien toepassing van de verordening tot
                                    onbillijkheden van overwegende aard leidt. Juist omdat het in de
                                    wet om maatwerk gaat zal het college er niet aan ontkomen om,
                                    ook al is er een zorgvuldige afweging gemaakt, uiteindelijk toch
                                    te beoordelen of deze afweging niet leidt tot onbillijkheden van
                                    overwegende aard. Deze afweging zal minder vaak voorkomen dan in
                                    normale omstandigheden te verwachten is, immers, bij de
                                    afwegingen gaat het al om een individuele beoordeling. Als
                                    desondanks bij die zeer persoonlijke afweging toch nog sprake is
                                    van een niet billijke situatie is de hardheidsclausule een
                                    vangnet. </al><al>Artikel 10.5 Overgangsrecht</al><al>Dit artikel bevat het overgangsrecht voor voorzieningen op basis
                                    van de vervallen Wmo 2007. Een cliënt behoudt zijn aanspraak op
                                    een doorlopende voorziening verstrekt op grond van de Wmo 2007
                                    totdat het college een nieuw besluit heeft genomen op grond van
                                    de Wmo 2015 en waarbij het besluit op grond van de Wmo 2007
                                    wordt ingetrokken. Er is nadrukkelijk aangegeven dat de cliënt
                                    zijn aanspraak behoudt met de daarbij behorende rechten en
                                    plichten. Als een cliënt onder de Wmo 2007 geen eigen bijdrage
                                    verschuldigd is en onder de Wmo 2015 wel dan is de cliënt de
                                    bijdrage pas verschuldigd vanaf het moment dat het college een
                                    nieuw besluit heeft genomen op grond van de Wmo 2015 en het
                                    besluit op grond van de Wmo 2007 heeft ingetrokken.</al><al>Het tweede lid bepaalt dat aanvragen die voor de
                                    inwerkingtreding van deze nieuwe verordening zijn ingediend maar
                                    waarop bij de inwerkingtreding nog niet is beslist, worden
                                    afgedaan op grond van de nieuwe verordening. In het derde lid is
                                    voor lopende bezwaarschriften bepaald dat deze volgens de oude
                                    verordening worden afgedaan. *</al><al><vet>Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente
                                        Roermond 2015</vet></al><al>Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen</al><al>Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen 1</al><al>Artikel 1.2 Verantwoordelijkheid college 1</al><al>Hoofdstuk 2 Melding, onderzoek en aanvraag 1</al><al>Paragraaf 1 Melding 2</al><al>Artikel 2.1 Melding 2</al><al>Artikel 2.2 Cliëntondersteuning 2</al><al>Paragraaf 2 Onderzoek 2</al><al>Artikel 2.3 Onderzoek 2</al><al>Artikel 2.4 Medewerking cliënt en huisgenoten 2</al><al>Paragraaf 3 Aanvraag 2</al><al>Artikel 2.5 De aanvraag 2</al><al>Hoofdstuk 3 Maatwerkvoorziening</al><al>Paragraaf 1 Beoordeling aanspraak 2</al><al>Artikel 3.1 Criteria voor een maatwerkvoorziening 2</al><al>Artikel 3.2 Algemene weigeringsgronden 3</al><al>Artikel 3.3 Maatwerkvoorziening ten behoeve van het wonen 3</al><al>Artikel 3.4 Maatwerkvoorziening ten behoeve van vervoer 4</al><al>Paragraaf 2 Vorm van maatwerkvoorziening 4</al><al>Artikel 3.5 Vaststelling vorm van maatwerkvoorziening 4</al><al>Artikel 3.6 Criteria persoonsgebonden budget 4</al><al>Artikel 3.7 Hoogte persoonsgebonden budget 4</al><al>Paragraaf 3 Besluitvorming 5</al><al>Artikel 3.8 Beschikking 5</al><al>Hoofdstuk 4 Bijdrage in de kosten 5</al><al>Artikel 4.1 Bijdrage voor maatwerkvoorzieningen 5</al><al>Artikel 4.2 Bijdrage voor algemene voorzieningen 5</al><al>Artikel 4.3 Kostprijs 5</al><al>Hoofdstuk 5 Kwaliteit 5</al><al>Artikel 5.1 Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning
                                    6</al><al>Artikel 5.2 Prijs-kwaliteitverhouding 6</al><al>Artikel 5.3 Meldingsregeling calamiteiten en geweld 6</al><al>Hoofdstuk 6 Eisen voor aanbieders 6</al><al>Artikel 6.1 Eisen aan klachtafhandeling door aanbieder 6</al><al>Artikel 6.2 Medezeggenschap 7</al><al>Hoofdstuk 7 Beëindiging, herziening, intrekking en
                                    terugvordering 7</al><al>Artikel 7.1 Beëindiging 7</al><al>Artikel 7.2 Herziening en intrekking 7</al><al>Artikel 7.3 Terugvordering 7</al><al>Hoofdstuk 8 Bestrijding misbruik of oneigenlijk gebruik 7</al><al>Artikel 8.1 Fraudepreventie 7</al><al>Artikel 8.2 Controle 7</al><al>Artikel 8.3 Nadere regels 7</al><al>Hoofdstuk 9 Jaarlijkse blijk van waardering en meerkosten 8</al><al>Artikel 9.1 Jaarlijkse blijk van waardering 8</al><al>Artikel 9.2 Tegemoetkoming meerkosten 8</al><al>Hoofdstuk 10 Slotbepalingen 8</al><al>Artikel 10.1 Hardheidsclausule 8</al><al>Artikel 10.2 Verhogen/verlagen bedragen 8</al><al>Artikel 10.3 Evaluatiebepaling 8</al><al>Artikel 10.4 Inwerkingtreding 8</al><al>Artikel 10.5 Overgangsrecht 8</al><al>Artikel 10.6 Citeertitel 9</al></li></lijst></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>