<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR382506_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Gemeenschappelijke regeling Regionale Afvalstoffendienst Hoeksche Waard</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Binnenmaas</dcterms:creator><dcterms:modified>2015-12-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Hoeksche Waard</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Staatscourant</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Gemeenschappellijke regeling Regionale Afvalstoffendienst Hoeksche Waard</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet gemeenschappelijke regelingen, Wet milieubeheer</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>milieu</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-07-09</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-12-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2021-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>wijziging</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Gemeenschappelijke regelingen</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Gemeenschappelijke regeling Regionale Afvalstoffendienst Hoeksche Waard</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>GEMEENSCHAPPELIJKE REGELING RAD HOEKSCHE WAARD</vet></al><al/><al>De raden, alsmede de colleges van burgemeester en wethouders van de
                        gemeenten: Binnenmaas, Cromstrijen, Korendijk, Oud-Beijerland en
                        Strijen, ieder voor zover zijn bevoegdheden betreft;</al><al/><al>Gelet op de Wet gemeenschappelijke regelingen;</al><al/><al>Besluiten:</al><al/><al>De gemeenschappelijke regeling Regionale Afvalstoffendienst Hoeksche
                        Waard te wijzigen en deze regeling te lezen als volgt:</al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>I</nr><titel>BEGRIPSBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze gemeenschappelijke regeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>regeling : gemeenschappelijke regeling Regionale
                                        Afvalstoffendienst</al><al> Hoeksche Waard;</al></li><li nr="b."><al>gemeenten : gemeenten die aan de regeling deelnemen;</al></li><li nr="c."><al>openbaar lichaam : openbaar lichaam, bedoeld in artikel 2
                                        van de regeling;</al></li><li nr="d."><al>gedeputeerde staten : gedeputeerde staten van
                                        Zuid-Holland;</al></li><li nr="e."><al>wet : Wet gemeenschappelijke regelingen.</al><al/></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Waar in deze regeling artikelen van de Gemeentewet, van enige andere
                                wet of van enig ander wettelijk voorschrift van overeenkomstige
                                toepassing worden verklaard, wordt in de plaats van de gemeente, de
                                raad, het college van burgemeester en wethouders, de burgemeester en
                                de secretaris onderscheidenlijk gelezen: de Regionale
                                Afvalstoffendienst Hoeksche Waard, het algemeen bestuur, het
                                dagelijks bestuur, de voorzitter en de secretaris.</al><al/></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>II</nr><titel>HET OPENBAAR LICHAAM</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Naam en vestigingsplaats</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Er is een openbaar lichaam als bedoeld in artikel 8, lid 1 van de
                                wet, genaamd “Regionale Afvalstoffendienst Hoeksche Waard”.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid genoemde openbaar lichaam is gevestigd in de
                                gemeente Binnenmaas.</al><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Bestuur</titel></kop><al>Het bestuur van het openbaar lichaam bestaat uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het algemeen bestuur </al></li><li nr="b."><al>het dagelijks bestuur </al></li><li nr="c."><al>de voorzitter. </al><al/></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>III</nr><titel>BELANGEN TEN BEHOEVE WAARVAN DE REGELING WORDT GETROFFEN EN DE TAKEN EN BEVOEGHEDEN
                                VAN HET OPENBAAR LICHAAM</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Belang en taken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In het belang van bescherming van het milieu en een doelmatig beheer
                                van afvalstoffen heeft het openbaar lichaam tot taak zorg te dragen
                                voor:</al><lijst><li nr="a."><al>de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen als bedoeld in
                                        artikel 10.21, eerste lidvan de Wet
                                        milieubeheer;</al></li><li nr="b."><al>de inzameling van grove huishoudelijke afvalstoffen als
                                        bedoeld in artikel 10.22van de Wet
                                        milieubeheer;</al></li><li nr="c."><al>de inzameling van groente-, fruit- en tuinafval als bedoeld
                                        in artikel 10.21, tweede lid van de Wet milieubeheer;</al></li><li nr="d."><al>het inzamelen van andere bestanddelen van huishoudelijke
                                        afvalstoffen, die krachtens artikel 10.21, derde
                                        lidvan de Wet milieubeheer zijn aangewezen;</al></li><li nr="e."><al>het (doen) verwerken van de afvalstoffen, bedoeld in de
                                        onderdelen a tot en met d;</al></li><li nr="f."><al>de inzameling van bedrijfsafvalstoffen als bedoeld in
                                        artikel 1:1 van de Wet milieubeheer;</al></li><li nr="g."><al>andere taken op het terrein van de milieuwetgeving, die door
                                        de gemeenten bij eensluidende besluit zijn aangewezen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een deelnemende gemeente onthoudt zich van afspraken of
                                overeenkomsten met een of meer niet deelnemende gemeenten en of
                                anderen inzake de in het eerste lid opgedragen taken, behoudens
                                toestemming van het bestuur van het openbaar lichaam. Afspraken of
                                overeenkomsten, als hier bedoeld, die ten tijde van het aangaan van
                                deze regeling bestaan, mogen blijven gehandhaafd.</al><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Bevoegdheden</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Ten behoeve van de uitvoering van de in artikel 4 genoemde taken
                                    komen aan het bestuur van het openbaar lichaam alle bevoegdheden
                                    tot regeling en bestuur toe als die daarvoor bij of krachtens
                                    enig wettelijk voorschrift aan de gemeentebesturen zijn of
                                    worden toegekend, zulks met uitzondering van de bevoegdheid
                                    andere belastingen te heffen dande rechten bedoeld in artikel
                                    229 van de Gemeentewet, de rechten waarvan de heffing krachtens
                                    andere wetten dan de Gemeentewet geschiedt en de heffing,
                                    bedoeld in artikel 15.33 van de Wet milieubeheer.
                                    </al></li><li nr="2."><al>Tot de bevoegdheden, bedoeld in het eerste lid, behoort in elk
                                    geval de bevoegdheid tot het vaststellen van de
                                    afvalstoffenverordening, bedoeld in artikel 10.23, eerste
                                    lidvan de Wet milieubeheer en de handhaving hierop als
                                    bedoeld in artikel 18.2d, onder a van de Wet milieubeheer.</al></li></lijst><al>In de aan het bestuur overgedragen bevoegdheden, zoals bedoeld in de
                            leden 1 en 2 van dit artikel, kan met inachtneming van artikel 10, lid 2
                            Wgr verandering worden gebracht, indien een meerderheid van de leden van
                            het algemeen bestuur hiermee instemt.</al><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>IV</nr><titel>HET ALGEMEEN BESTUUR</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Samenstelling en werkwijze</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan het hoofd van het openbaar lichaam staat het algemeen
                                bestuur.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De gemeenteraden van de gemeenten wijzen elk uit hun midden, de
                                voorzitter inbegrepen, en uit de wethouders twee leden van het
                                algemeen bestuur aan.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De gemeenteraden kunnen voor elk lid van het algemeen bestuur een
                                plaatsvervanger aanwijzen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het algemeen bestuur stelt een Reglement van Orde op voor het houden
                                van zijn vergaderingen.</al><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6a</nr><titel>Oprichting van en deelneming in privaatrechtelijke
                                rechtspersonen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het algemeen bestuur kan besluiten tot de oprichting van en de
                                deelneming in stichtingen, maatschappen, vennootschappen,
                                verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen,
                                indien dit in het bijzonder aangewezen moet worden geacht voor de
                                behartiging van het daarmee te dienen openbaar belang. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het besluit zoals bedoeld in lid 1 van dit artikel wordt niet
                                genomen dan nadat de raden van de gemeenten een ontwerpbesluit is
                                toegezonden en in de gelegenheid zijn gesteld hun wensen en
                                bedenkingen ter kennis van het algemeen bestuur te brengen. </al><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Onverenigbare functies</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 20 Wgr, is het lidmaatschap van het
                            algemeen bestuur onverenigbaar met de betrekking van ambtenaar door of
                            vanwege het bestuur van het openbaar lichaam aangesteld of daaraan
                            ondergeschikt. Voor de toepassing van deze bepaling wordt onder
                            ambtenaar mede verstaan degene die op arbeidsovereenkomst naar
                            burgerlijk recht in dienst van het openbaar lichaam werkzaam is.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Einde en aanvang lidmaatschap algemeen bestuur</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het lidmaatschap van het algemeen bestuur eindigt op de dag, waarop
                                de zittingsperiode van de raden van de gemeenten afloopt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De raden van de gemeenten beslissen uiterlijk in de tweede
                                vergadering van elke nieuwe zittingsperiode over de aanwijzing van
                                nieuwe leden en plaatsvervangende leden van het algemeen bestuur.
                                Afgetreden leden kunnen terstond weer opnieuw als lid worden
                                aangewezen. Zij blijven hun functies waarnemen tot het tijdstip,
                                waarop hun opvolgers de functies hebben aanvaard.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien tussentijds een zetel in het algemeen bestuur vacant is
                                geworden, wijst de gemeenteraad, die dit aangaat, in zijn
                                eerstvolgende vergadering een ander lid aan ter voorziening in de
                                vacature.</al><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Kennisgeving aanvang en einde lidmaatschap algemeen
                                bestuur</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Van elke aanwijzing tot lid van het algemeen bestuur geven
                                burgemeester en wethouders van de gemeente, die zulks aangaat,
                                binnen acht dagen kennis aan de voorzitter van het openbaar
                                lichaam.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een lidmaatschap van het algemeen bestuur, op grond van
                                artikel 13, tweede lid van de wet, eindigt, geven burgemeester en
                                wethouders van de gemeente, die zulks aangaat, daarvan kennis aan de
                                voorzitter van het openbaar lichaam binnen acht dagen, nadat het
                                voorzitterschap of het lidmaatschap van de gemeenteraad, dan wel het
                                wethouderschap is geëindigd.</al><al/></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>V</nr><titel>HET DAGELIJKS BESTUUR</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Samenstelling en werkwijze</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het aantal leden van het dagelijks bestuur is gelijk aan het aantal
                                deelnemende gemeenten. Dit betekent dat het dagelijks bestuur
                                bestaat uit ten minste drie leden, met inachtneming van het bepaalde
                                in artikel 14, lid 1 Wgr, met dien verstande dat de leden van het
                                dagelijks bestuur nooit de meerderheid uitmaken van het algemeen
                                bestuur.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Uit de tot lid van het algemeen bestuur benoemde vertegenwoordigers
                                wijst het algemeen bestuur de leden van het dagelijks bestuur aan,
                                met dien verstande dat ten minste drie gemeenten in het dagelijks
                                bestuur vertegenwoordigd zijn.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De vertegenwoordiging van een gemeente kan een aanbeveling doen
                                inzake de benoeming uit hun midden van een lid van het dagelijks
                                bestuur.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De aanwijzing van de leden van het dagelijks bestuur geschiedt
                                telkens in de eerste vergadering van het algemeen bestuur in zijn
                                nieuwe samenstelling.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Beëindiging van het lidmaatschap van het algemeen bestuur brengt van
                                rechtswege het einde van het lidmaatschap van het dagelijks bestuur
                                met zich mee.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De aanwijzing van de leden van het dagelijks bestuur ter vervulling
                                van plaatsen die door overlijden, ontslag of om een andere reden
                                tussentijds zijn opengevallen, vindt plaats,indien een vacature in
                                het dagelijks bestuur gepaard gaat met een vacature in het algemeen
                                bestuur. In dit gevalvindt de aanwijzing van een nieuw lid van het
                                dagelijks bestuur plaats binnen twee maanden, nadat door de
                                gemeente, die zulks aangaat, is voorzien in de vacature in het
                                algemeen bestuur.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Het algemeen bestuur kan besluiten om in andere gevallen dan zoals
                                bedoeld in lid 6 van dit artikel een opengevallen plaats te
                                vervullen, indien daar voldoende aanleiding voor bestaat.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur stelt een Reglement van Orde op voor het
                                houden van zijn vergaderingen.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>VI</nr><titel>DE VOORZITTER</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Benoeming</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het algemeen bestuur benoemt telkens in de eerste vergadering in
                                zijn nieuwe samenstelling de voorzitter en de vicevoorzitter uit de
                                leden, die op grond van artikel 10, tweede lid in het dagelijks
                                bestuur werden aangewezen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Hetgeen in deze regeling ten aanzien van de voorzitter is bepaald,
                                vindt mede toepassing ten aanzien van de vicevoorzitter.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de voorzittersfunctie, respectievelijk de
                                vicevoorzittersfunctie door overlijden, ontslag of om een andere
                                reden tussentijds vacant is, benoemt het algemeen bestuur in zijn
                                eerstvolgende vergadering een voorzitter onderscheidenlijk een
                                vicevoorzitter.</al><al/></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>VII</nr><titel>DE SECRETARIS</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Benoeming</titel></kop><al>Als secretaris van het algemeen en dagelijks bestuur fungeert de
                            directeur als bedoeld in artikel 17.</al><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>VII</nr><titel>VERANTWOORDELIJKHEDEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Interne inlichtingen- en verantwoordingsverplichtingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De leden van het dagelijks bestuur zijn, onverminderd het bepaalde
                                in de leden 1 en 2 van artikel 19a Wgr, tezamen en ieder
                                afzonderlijk, aan het algemeen bestuur verantwoording schuldig voor
                                het door het dagelijks bestuur gevoerde beleid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Zij geven, gezamenlijk of ieder afzonderlijk, uit eigen beweging,
                                dan wel op verzoek van het algemeen bestuur of een of meer leden
                                daarvan, aan het algemeen bestuur alle inlichtingen die nodig zijn
                                voor een juiste beoordeling van het door het dagelijks bestuur
                                gevoerde beleid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De aflegging van verantwoording als bedoeld in het eerste lid,
                                alsmede het na voorafgaand verzoek verstrekken van inlichtingen, als
                                bedoeld in het tweede lid, geschieden op de wijze, zoals is
                                aangegeven in het Reglement van Orde voor de vergaderingen van het
                                algemeen bestuur.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een verzoek om inlichtingen te verschaffen of verantwoording af te
                                leggen, kan uitsluitend worden geweigerd, indien en voor zover dit
                                in strijd zal zijn met artikel 16, vijfde lid van de wet of de
                                artikelen 10 en 11 van de Wetopenbaarheid van bestuur.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het algemeen bestuur is bevoegd in het Reglement van Orde voor zijn
                                vergadering nadere regels te stellen ten aanzien van de wijze,
                                waarop door het dagelijks bestuur, dan wel de leden daarvan,
                                inlichtingen dienen te worden verschaft, respectievelijk
                                verantwoording dient te worden afgelegd.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De leden 1 tot en met 5 zijn van overeenkomstige toepassing ten
                                aanzien van de voorzitter.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Het algemeen bestuur kan besluiten een lid van het dagelijks bestuur
                                ontslag te verlenen, indien dit lid het vertrouwen van het algemeen
                                bestuur niet meer bezit. In dat geval geldt het bepaalde in artikel
                                19a, lid 3 Wgr.</al><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Externe inlichtingen- en verantwoordingsverplichtingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het algemeen bestuur geeft aan de raden van de gemeenten alle
                                inlichtingen, die nodig zijn voor een juiste beoordeling van het
                                door haar gevoerde beleid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een lid van het algemeen bestuur verschaft de raad, die hem heeft
                                aangewezen, alle inlichtingen die door de raad of een of meer leden
                                daarvan worden verlangd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De leden van het algemeen bestuur zijn aan de raden, die hen hebben
                                aangewezen, verantwoording schuldig voor het door hen in dat bestuur
                                gevoerde beleid.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het op verzoek verstrekken van inlichtingen, als bedoeld in het
                                eerste en het tweede lid, alsmede het afleggen van verantwoording,
                                als bedoeld in het derde lid, geschiedt op de wijze, zoals die in
                                het Reglement van Orde voor de vergaderingen van de betreffende raad
                                is bepaald.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De verstrekking van inlichtingen kan door het orgaan c.q. door
                                degene, die deze moet verschaffen, uitsluitend worden geweigerd,
                                indien dit in strijd zal zijn met de belangen, genoemd
                                inartikel 16, vijfde lid van de wet of
                                deartikelen 10 en 11van de Wet openbaarheid van
                                bestuur</al><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Tussentijds ontslag leden algemeen bestuur</titel></kop><al>De raden van de gemeenten zijn bevoegd de door hen in het algemeen
                            bestuur benoemde leden tussentijds ontslag te verlenen, indien zij het
                            vertrouwen van de raad niet meer bezitten. Het ontslagbesluit vermeldt
                            de gronden waarop dit berust.</al><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>VIII</nr><titel>VERGOEDINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Vergoedingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het algemeen bestuur stelt krachtens het bepaalde in artikel 21 van
                                de wet de nodige regelen ten aanzien van de vergoedingen aan de
                                leden van het bestuur van het openbaar lichaam voor hun
                                werkzaamheden en ten aanzien van de tegemoetkoming die zij in de
                                kosten kunnen ontvangen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een regeling als in het voorgaande lid bedoeld, wordt niet
                                vastgesteld dan nadat de besturen van de gemeenten in de gelegenheid
                                zijn gesteld hun zienswijze daaromtrent kenbaar te maken.</al><al/></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>IX</nr><titel>DE AMBTENAREN VAN HET OPENBAAR LICHAAM</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Directeur</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De directeur staat het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de
                                voorzitter, bij alles wat de hen opgedragen taak aangaat, terzijde.
                                Hij heeft een adviserende stem.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De directeur is belast met de dagelijkse leiding van de dienst.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur stelt voor de directeur een instructie vast.
                            </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur besluit over de benoeming, schorsing en
                                ontslag van de directeur. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De directeur wordt vervangen door een door het dagelijks bestuur aan
                                te wijzen plaatsvervanger.</al><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Overige ambtenaren</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur besluit over de benoeming, schorsing en
                                ontslag van de overige ambtenaren, alsmede het personeel werkzaam op
                                arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht in dienst van het openbaar
                                lichaam. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur kan de in lid 1 genoemde taken, overdragen aan
                                de directeur</al><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Rechtspositie</titel></kop><al>Op de ambtenaren zijn de Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling voor de
                            sector gemeenten en de Uitwerkingsovereenkomst (CAR/UWO) van toepassing,
                            voor zover de rechtspositie niet in bijzondere gevallen bij
                            afzonderlijke verordening wordt geregeld. </al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Klachten</titel></kop><al>Verzoekschriften in de zin van artikel 9:18 van de Algemene wet
                            bestuursrecht worden behandeld door de ombudscommissie Hoeksche
                            Waard.</al><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>X</nr><titel>FINANCIELE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Organisatie financieel beheer</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het algemeen bestuur stelt de nodige voorschriften vast met
                                betrekking tot de organisatie van de financiële administratie en het
                                geldelijk beheer van het openbaar lichaam. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de in het eerste lid bedoelde voorschriften wordt bepaald wie
                                met het doen van ontvangsten en betalingen voor het openbaar lichaam
                                en met de zorg voor de boekhouding zijn belast.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Ten aanzien van de controle op het geldelijk beheer en de
                                boekhouding zijn de artikelen 212 tot en met 215 van de Gemeentewet
                                van overeenkomstige toepassing, voor zover daarvan bij of krachtens
                                de wet niet is afgeweken. </al><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21a</nr><titel>Algemene financiële en beleidsmatige kaders</titel></kop><al>Het dagelijks bestuur zendt vóór 15 april van het jaar voorafgaande aan
                            dat waarvoor de begroting dient, de algemene financiële en beleidsmatige
                            kaders en de voorlopige jaarrekening aan de raden van de gemeenten. </al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22a</nr><titel>Procedure begrotingsbehandeling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het dagelijks bestuur voorziet de ramingen in de
                                    ontwerpbegroting als bedoeld in artikel 35 eerste lid van de wet
                                    van een behoorlijke toelichting.</al></li><li nr="2."><al>De gemeenteraden kunnen hun zienswijze omtrent het ontwerp van
                                    de begroting binnen acht weken na de verzending ervan aan het
                                    dagelijks bestuur kenbaar maken.</al></li><li nr="3."><al>Het dagelijks bestuur zendt het ontwerp van de begroting, onder
                                    bijvoeging van de zienswijzen van de
                                        gemeentenen zo nodig een nota van
                                    wijziging, uiterlijk twee weken voor de voorgenomen datum van
                                    vaststelling aan het algemeen bestuur. Het commentaar van het
                                    dagelijks bestuur en de eventuele nota van wijziging
                                        wordttegelijkertijd aan de
                                    gemeenteraden gezonden. Artikel 35, tweede lid van de wet is ten
                                    aanzien van dit commentaar van overeenkomstige toepassing.</al></li><li nr="4."><al>Onverminderd het bepaalde in het tweede lid kunnen de
                                    gemeenteraden tot uiterlijk zeven dagen voor de voorgenomen
                                    datum van vaststelling zienswijzen ten aanzien van het ontwerp
                                    van de begroting bij het algemeen bestuur indienen.</al></li><li nr="5."><al>De artikelen 186 tot en met 213 van de Gemeentewet zijn van
                                    overeenkomstige toepassing, voor zover daarvan bij of krachtens
                                    de wet niet is afgeweken. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22b</nr><titel>Procedure begroting</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het algemeen bestuur stelt de begroting op grond van artikel 34,
                                    lid 1 Wgr vast in het jaar voorafgaande aan dat waarvoor zij
                                    dient.</al></li><li nr="2."><al>Het dagelijks bestuur zendt de begroting op grond van artikel
                                    34, lid 2 Wgr binnen twee weken na de vaststelling, doch in
                                    ieder geval vóór 1 augustus van het jaar voorafgaande aan dat
                                    waarvoor de begroting dient, aan gedeputeerde staten.</al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Procedure bij wijziging begroting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bepaalde in artikel 35, eerste en derde lid van de wet is niet
                                van toepassing op af- en overschrijvingen op de posten van de
                                begroting, alsmede op andere ontwerpwijzigingen voor zover daaruit
                                geen verhoging van de gemeentelijke bijdragen voortvloeit.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur biedt een voorstel tot af- of overschrijving
                                of tot een andere wijziging, bedoeld in het eerste lid, uiterlijk
                                twee weken voor de voorgenomen datum van vaststelling aan het
                                algemeen bestuur aan.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een besluit, tot wijziging van de begroting, wordt, indien daaruit
                                een verhoging van de gemeentelijke bijdrage voortvloeit, terstond na
                                de vaststelling aan de gemeenteraden gezonden.</al><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Gemeentelijke bijdragen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In de begroting van inkomsten en uitgaven wordt aangegeven de raming
                                van de verschuldigde bijdrage van elke gemeente voor het jaar,
                                waarvoor de begroting dient.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de berekening van de in het voorgaande lid bedoelde bijdrage
                                wordt, rekening houdend met inkomsten uit heffingen en belastingen
                                en eventuele inkomsten uit anderen hoofde, uitgegaan van het
                                inwonertal op 1 januari van het jaar, voorafgaande aan dat waarvoor
                                de begroting dient. Voor de vaststelling van de aantallen inwoners
                                worden aangehouden de door het Centraal Bureau voor de Statistiek
                                openbaar gemaakte bevolkingscijfers.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De gemeenten betalen bij wijze van voorschot jaarlijks vóór 15
                                januari en vóór 15 juli telkens de helft van de eventueel voor dat
                                jaar geraamde bijdrage.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij het niet overeenkomstig het bepaalde in het voorgaande lid
                                tijdig voldoen van de voorschotten kan aan de desbetreffende
                                gemeente rente in rekening worden gebracht overeenkomstig nader door
                                het algemeen bestuur te stellen regels.</al><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Kredietwaardigheid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De gemeenten zullen er steeds zorg voor dragen dat het openbaar
                                lichaam te allen tijde over voldoende middelen beschikt om aan al
                                zijn verplichtingen jegens derden te kunnen voldoen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien aan het algemeen bestuur van het openbaar lichaam blijkt dat
                                een gemeente weigert deze uitgaven op de begroting te zetten, doet
                                het algemeen bestuur onverwijld aan gedeputeerde staten het verzoek
                                over te gaan tot toepassing van de artikelen 194 en 195
                                Gemeentewet.</al><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Aanbieding jaarrekening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Van de inkomsten en uitgaven van het openbaar lichaam wordt door het
                                dagelijks bestuur over elk dienstjaar aan het algemeen bestuur
                                verantwoording gedaan onder overlegging van de jaarrekening. Het
                                dagelijks bestuur voegt daarbij het verslag van het onderzoek naar
                                de deugdelijkheid van de jaarrekening, ingesteld door de krachtens
                                artikel 213, tweede lid van de Gemeentewet aangewezen
                                deskundigen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde stukken worden aan het algemeen
                                bestuur en aan de raden van de gemeenten toegezonden vóór 1 juni van
                                het jaar dat volgt op het dienstjaar, waarop zij betrekking
                                hebben.</al><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr><titel>Vaststelling jaarrekening</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het algemeen bestuur onderzoekt de jaarrekening zonder uitstel
                                    en stelt haar op grond van artikel 34, lid 3 Wgr vast vóór 1
                                    juli van het jaar volgend op dat, waarop zij betrekking heeft.
                                </al></li><li nr="2."><al>De jaarrekening wordt op grond van artikel 34, lid 4 Wgr binnen
                                    twee weken na vaststelling, doch in ieder geval vóór 15 juli,
                                    met alle bijbehorende stukken aan gedeputeerde staten gezonden.
                                    Van de vaststelling doet het dagelijks bestuur mededeling aan de
                                    raden van de gemeenten</al></li><li nr="3."><al>De vaststelling van de jaarrekening strekt degene, die belast is
                                    met het doen van ontvangsten en uitgaven en het dagelijks
                                    bestuur tot décharge, behoudens later in rechte gebleken
                                    valsheid in geschrifte of andere onregelmatigheden.</al></li><li nr="4."><al>In de jaarrekening wordt de door elk der gemeenten over het
                                    desbetreffende jaar werkelijk verschuldigde bijdrage
                                    opgenomen.</al></li><li nr="5."><al>Voor de berekening van de bijdrage, bedoeld in het voorgaande
                                    lid, wordt, rekening houdend met de inkomsten uit heffingen en
                                    belastingen en eventuele inkomsten uit anderen hoofde, uitgegaan
                                    van het inwonertal op 1 januari van het jaar, waarop de rekening
                                    betrekking heeft. Voor de vaststelling van de aantallen inwoners
                                    worden aangehouden de door het Centraal Bureau voor de
                                    Statistiek openbaar gemaakte bevolkingscijfers.</al></li><li nr="6."><al>De verrekening van het verschil tussen de op grond van artikel
                                    24, derde lid, betaalde voorschotten en de werkelijk
                                    verschuldigde bijdrage vindt plaats binnen een maand na
                                    verzending van de in het tweede lid bedoelde mededeling.</al></li></lijst><al>Bij de in het voorgaande lid bedoelde verrekening kan geen verrekening
                            plaatsvinden als bedoeld in Boek 6, Titel I, afdeling 12 van het
                            Burgerlijk Wetboek met andere vorderingen van of aan het openbaar
                            lichaam.</al><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>XI</nr><titel>ARCHIEFBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28</nr><titel>Zorg voor archiefbescheiden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur draagt zorg voor de archiefbescheiden van de
                                gemeenschappelijke regeling, overeenkomstig het bepaalde of
                                krachtens de wettelijke voorschriften daaromtrent;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Gedeputeerde staten oefenen toezicht uit op het beheer van de
                                archiefbescheiden; </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De directeur is belast met het beheer van de archiefbescheiden.</al><al/></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>XII</nr><titel>TOETREDING, UITTREDING, WIJZIGING EN OPHEFFING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29</nr><titel>Toetreding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor toetreding tot de regeling is instemming van tweederde van de
                                deelnemers vereist.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het algemeen bestuur kan aan de toetreding voorwaarden
                                verbinden.</al><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30</nr><titel>Uittreding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor uittreding uit de regeling wordt een opzegtermijn van tenminste
                                twee jaar genomen. Gedurende drie jaren na de datum van toetreding
                                is uittreding niet mogelijk.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het voornemen tot uittreding wordt bij aangetekende kennisgeving aan
                                de voorzitter van het bestuur medegedeeld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Na ontvangst van de in het tweede lid vermelde kennisgeving wordt
                                een, in overleg met de uittredende deelnemer aan te wijzen,
                                onafhankelijke accountant opdracht verleend een liquidatieplan op te
                                stellen als ware tot opheffing van de regeling besloten. Het
                                liquidatieplan wordt vastgesteld door het algemeen bestuur en de
                                daarin voor de uittredende deelnemer omschreven financiële
                                verplichtingen zijn bindend.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Nadat het liquidatieplan is vastgesteld is de uittredende deelnemer
                                gehouden om binnen zes maanden de daarin voor de uittredende
                                deelnemer omschreven financiële verplichtingen aan de
                                gemeenschappelijke regeling te voldoen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De kosten voor het opstellen van het liquidatieplan komen voor
                                rekening van de deelnemer, die het voornemen heeft om uit te
                                treden.</al><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31</nr><titel>Wijziging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor wijziging van de regeling is instemming van tweederde van de
                                deelnemers vereist.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Zowel het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur als elk der
                                deelnemers is bevoegd tot het doen van voorstellen tot wijziging van
                                de regeling.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Deze voorstellen worden ingediend bij de voorzitter.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De voorzitter agendeert deze voorstellen binnen 3 maanden, nadat hij
                                deze heeft ontvangen voor een vergadering van het algemeen bestuur
                                en hij voorziet deze voorstellen van zijn advies daaromtrent.</al><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>32</nr><titel>Opheffing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Instemming van tweederde van de deelnemers is vereist voor opheffing
                                van de regeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij opheffing van de regeling wordt een plan opgesteld als bedoeld
                                in artikel 30, derde lid van deze regeling. Het bepaalde in het
                                derde, vierde en vijfde lid van artikel 30 is van overeenkomstige
                                toepassing.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur is belast met de uitvoering van het
                                liquidatieplan. De bestuursorganen van het openbaar lichaam blijven
                                zo nodig ook na de opheffing in functie tot de liquidatie is
                                voltooid.</al><al/></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>XIII</nr><titel>OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33</nr><titel>Bestaande voorschriften</titel></kop><al>De krachtens de gemeenschappelijke regeling “Reinigingsdienst Hoeksche
                            Waard” en de gemeenschappelijke regeling “Inzameldienst Hoeksche Waard”
                            vastgestelde voorschriften blijven, voor zover zij niet met deze
                            regeling in strijd zijn, van kracht totdat zij worden ingetrokken of
                            vervangen. </al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>34</nr><titel>Tijdsduur, bekendmaking en inwerkingtreding van de
                                regeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze regeling geldt voor onbepaalde tijd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze regeling wordt bekendgemaakt met inachtneming van het bepaalde
                                in artikel 26, lid 2 Wgr. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Deze regeling treedt in werking op de eerste dag van de maand,
                                volgend op die waarin de regeling is opgenomen in het register,
                                bedoeld in artikel 27 van de wet.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De toezending van de in artikel 26, eerste lid van de wet genoemde
                                stukken geschiedt door het gemeentebestuur van Cromstrijen. De
                                hieraan verbonden kosten komen ten laste van het openbaar
                                lichaam.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Bekendmaking en inwerkingtreding van besluiten tot wijziging of
                                opheffing van de regeling en besluiten tot toetreding of uittreding
                                geschiedt ingevolge artikel 26 Wgr. </al><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>35</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze regeling kan worden aangehaald als “Gemeenschappelijke Regeling
                            Regionale Afvalstoffendienst Hoeksche Waard”</al><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld door de raad van de gemeente Korendijk op 7 juli 2015. </ondertekening><ondertekening>De griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening>Drs. A. Goslings drs. S. Stoop</ondertekening><ondertekening>Aldus vastgesteld door de raad van de gemeente Cromstrijen op 7 juli
                        2015. </ondertekening><ondertekening>De griffier, de voorzitter, </ondertekening><ondertekening>T.Teijema J.J. Luteijn</ondertekening><ondertekening>Aldus vastgesteld door de raad van de gemeente Binnenmaas op 9 juli
                        2015. </ondertekening><ondertekening>De griffier, de voorzitter</ondertekening><ondertekening>Drs. M.J.W. Tobeas mr. Drs. A.J. Borgdorff mpm</ondertekening><ondertekening>Aldus vastgesteld door de raad van de gemeente Oud-Beijerland op 7 juli
                        2015. </ondertekening><ondertekening>De griffier, de voorzitter</ondertekening><ondertekening>E.G. Bunt K. Tigelaar</ondertekening><ondertekening>Aldus vastgesteld door de raad van de gemeente Strijen op 1 september
                        2015. </ondertekening><ondertekening>De griffier, de voorzitter</ondertekening><ondertekening>M.Bourdrez A.J. Moerkerke</ondertekening></regeling-sluiting></regeling></body></cvdr>