<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--
      meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR381710_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening reinigingsheffingen 2016</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Ommen</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-02-28</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Ommen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad, 22-12-2015</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening reinigingsheffingen 2016</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 229, lid 1, aanhef en onderdelen a en b, Wet milieubeheer, art. 15.33</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-12-03</dcterms:issued><dcterms:rights>
          De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
          databankrecht
        </dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-12-30</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>1500861</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging><overheidrg:externeBijlage>exb-2017-7581</overheidrg:externeBijlage></cvdripm></meta><body><intitule>VERORDENING REINIGINGSHEFFINGEN 2016</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Ommen;</al><al/><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 10 november 2015,
                        kenmerk 1500861;</al><al/><al>gelet op artikel 229, eerste lid, aanhef en onderdelen a en b van de
                        Gemeentewet en artikel 15.33 van de Wet Milieubeheer;</al><al/><al><vet>Besluit:</vet></al><al/><al>vast te stellen de:</al><al/><al><vet><onderstreept>VERORDENING REINIGINGSHEFFINGEN 2016</onderstreept></vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>I</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Inleidende bepaling</titel></kop><al>Krachtens deze verordening worden geheven: </al><lijst><li nr="a."><al>een afvalstoffenheffing;</al></li><li nr="b."><al>reinigingsrechten.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="1."><al><onderstreept>G.F.T.-afval: </onderstreept></al><al> groente-, fruit- en tuinafval;</al></li><li nr="2."><al><onderstreept>P.M.D.-afval</onderstreept></al><al>plastic verpakkingen, metalen verpakkingen en
                                    drankenkartons</al></li><li nr="3."><al><onderstreept>restafval</onderstreept><onderstreept>: </onderstreept></al><al> huishoudelijk afval niet zijnde G.F.T.-afval en
                                    P.M.D.-afval;</al></li><li nr="4."><al><onderstreept>bedrijfsafval:</onderstreept></al><al>afval van beperkte omvang afkomstig van bedrijven neit zijnde
                                    huishoudelijk afval dan wel G.F.T.-afval;</al></li><li nr="5."><al><onderstreept>mini-container:</onderstreept></al><al> de vanwege de gemeente uitgezette ophaalbakken, waaronder
                                    city-bins, onderverdeeld in de verschillende volumina;</al></li><li nr="6."><al><onderstreept>verzamelcontainer:</onderstreept></al><al> de vanwege de gemeente geplaatste verzamelcontainers, die
                                    kunnen worden ontsloten door middel van chipkaarten;</al></li><li nr="7."><al><onderstreept>grof huishoudelijk afval:</onderstreept></al><al> huishoudelijke afvalstoffen die met enige regelmaat in een
                                    huishouden vrij komen, doch die te groot en/of te zwaar zijn om
                                    op dezelfde wijze als andere huishoudelijke afvalstoffen aan de
                                    inzameldienst te worden aangeboden;</al></li><li nr="8."><al><onderstreept>bedrijfspand:</onderstreept></al><al> een gebouwde onroerende zaak - of een zelfstandig gebruikt
                                    gedeelte ervan - niet zijnde een perceel als bedoeld in artikel
                                    10.11 van de Wet milieubeheer;</al></li><li nr="9."><al><onderstreept>hoogbouwlocatie:</onderstreept></al><al> een verzameling percelen, gesitueerd in één gebouw over
                                    verschillende bouwlagen, die niet afzonderlijk afvalcontainers
                                    in bruikleen hebben, doch gebruik kunnen maken van (een)
                                    gemeenschappelijke afvalcontainer(s), die ten behoeve van dat
                                    hoogbouwcomplex daar door de gemeente is/zijn geplaatst.</al></li><li nr="10."><al><onderstreept>'gebruik maken' in hoofdstuk II
                                        Afvalstoffenheffing:</onderstreept></al><al>gebruik maken in de zin van artikel 15.33 Wet Milieubeheer.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>II</nr><titel>Afvalstoffenheffing</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Aard van de belasting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onder de naam ‘afvalstoffenheffing’ wordt een directe belasting
                                geheven als bedoeld in artikel 15.33 van de Wet milieubeheer (Stb.
                                1992, 551).</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De afvalstoffenheffing als bedoeld in deze verordening en de daarbij
                                behorende tarieventabel wordt naar afzonderlijke grondslagen geheven
                                ter zake van het feitelijk gebruik van een perceel ten aanzien
                                waarvan krachtens de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet
                                milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke
                                afvalstoffen geldt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Belastbaar feit en belastingplicht</titel></kop><al>De belasting wordt geheven van degene die in de gemeente naar de
                            omstandigheden beoordeeld al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt
                            recht of persoonlijk recht gebruik maakt van een perceel ten aanzien
                            waarvan ingevolge de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer
                            een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen
                            geldt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Maatstaf van heffing en belastingtarief</titel></kop><al>De belasting wordt geheven naar de maatstaven en de tarieven,opgenomen
                            in hoofdstuk 1 en 2 van de bij deze verordening behorende
                            tarieventabel.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Belastingjaar</titel></kop><al>Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Wijze van heffing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De belasting wordt bij wege van aanslag geheven.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid wordt de belasting bedoeld in
                                hoofdstuk 2 van de bij deze verordening behorende tarieventabel,
                                geheven bij wege van aanslag dan wel gedagtekende kennisgeving
                                waarop de verschuldigde belasting is vermeld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Per belastbaar feit kan afzonderlijk worden geheven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar
                                tijdsgelang</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De belasting als bedoeld in onderdeel 1.1 van de tarieventabel, is
                                verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, zo dit later
                                is, bij de aanvang van de belastingplicht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De belasting als bedoeld in onderdeel 1.2 en 1.3 van de
                                tarieventabel, is verschuldigd na afloop van het belastingjaar of,
                                zo dit eerder is, na beëindiging van de belastingplicht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het gevorderde bedrag, als bedoeld in hoofdstuk 2 van de
                                tarieventabel, is verschuldigd bij aanvang van de
                                dienstverlening.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar aanvangt,
                                is de belasting als bedoeld in hoofdstuk 1 van de tarieventabel,
                                verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar
                                verschuldigde belasting als er in dat jaar, na de aanvang van de
                                belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar eindigt,
                                bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van
                                de voor dat jaar verschuldigde belasting, als bedoeld in hoofdstuk 1
                                van de tarieventabel, als er in dat jaar na het einde van de
                                belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het vierde en vijfde lid zijn niet van toepassing indien de
                                belastingplichtige binnen de gemeente verhuist en aldaar van een
                                ander perceel gebruik maakt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Termijn van betaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990
                                moeten de aanslagen worden betaald in twee gelijke termijnen waarvan
                                de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand
                                die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede
                                twee maanden later.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in het eerste
                                lid gestelde termijnen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking in zoverre van het eerste lid geldt, voor aanslagen die
                                worden opgelegd in het belastingjaar waarop zij betrekking hebben,
                                ingeval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde
                                aanslagen , of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het
                                bedrag daarvan, meer is dan € 100,-- doch minder dan € 2.000,-- en
                                zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische
                                betalingsincasso van de betaalrekening van de belastingschuldige
                                kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald
                                in tien gelijke termijnen waarvan de eerste termijn vervalt op de
                                laatste dag van de maand volgende op de maand die in de dagtekening
                                van het aanslagbiljet is vermeld en elke van de volgende termijnen
                                telkens een maand later, met dien verstande dat, indien na de
                                kalendermaand, waarin de aanslagen worden opgelegd, minder dan tien
                                kalendermaanden in het belastingjaar overblijven, de aanslagen
                                moeten worden betaald in zoveel bedoelde termijnen al er nog
                                kalendermaanden in het jaar overblijven, met een minimum van
                                vier.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In afwijking in zoverre van het eerste lid geldt, voor aanslagen die
                                worden opgelegd na afloop van het belastingjaar waarop zij
                                betrekking hebben, ingeval het totaalbedrag van de op één
                                aanslagbiljet verenigde aanslagen , of als het aanslagbiljet maar
                                één aanslag bevat het bedrag daarvan, meer is dan € 100,-- doch
                                minder dan € 2.000,-- en zolang de verschuldigde bedragen door
                                middel van automatische betalingsincasso van de betaalrekening van
                                de belastingschuldige kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen
                                moeten worden betaald in vier gelijke termijnen waarvan de eerste
                                termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgende op de maand
                                die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elke van
                                de volgende termijnen telkens een maand later.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>In afwijking van het vierde lid geldt, voor aanslagen die betrekking
                                hebben op de belasting als bedoeld in onderdeel 1.2 en 1.3 uit de
                                bij deze verordening behorende tarieventabel en die worden opgelegd
                                na afloop van het belastingjaar waarop zij betrekking hebben, en die
                                worden gecombineerd op één aanslagbiljet met aanslagen voor het
                                direct daaropvolgende belastingjaar, dat ingeval het totaalbedrag
                                van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, meer is dan €
                                100,-- doch minder dan € 2.000,-- en zolang de verschuldigde
                                bedragen door middel van automatische betalingsincasso van de
                                betaalrekening van de belastingschuldige kunnen worden afgeschreven,
                                dat de aanslagen moeten worden betaald in tien gelijke termijnen
                                waarvan de eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand
                                volgende op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is
                                vermeld en elke van de volgende termijnen telkens een maand later,
                                met dien verstande dat, indien na de kalendermaand, waarin de
                                aanslagen worden opgelegd, minder dan tien kalendermaanden in het
                                belastingjaar overblijven, de aanslagen moeten worden betaald in
                                zoveel bedoelde termijnen als er nog kalendermaanden in het jaar
                                overblijven, met een minimum van vier.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De belasting bedoeld in hoofdstuk 2 van de bij deze verordening
                                behorende tarieventabel welke bij wege van gedagtekende kennisgeving
                                wordt geheven, moet worden betaald:</al><lijst><li nr="a."><al>ingeval van uitreiking van de kennisgeving:</al><al> op het tijdstip van de uitreiking;</al></li><li nr="b."><al>ingeval van toezending van de kennisgeving:</al><al> binnen 30 dagen na dagtekening.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>III</nr><titel>Reinigingsrechten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Belastbaar feit</titel></kop><al>Onder de naam ‘reinigingsrechten’ worden rechten geheven zowel voor het
                            genot van door het gemeentebestuur verstrekte diensten als voor het
                            gebruik van voor de openbare dienst bestemde gemeentebezittingen, werken
                            of inrichtingen die bij de gemeente in beheer of in onderhoud zijn.
                        </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Belastingplicht</titel></kop><al>De rechten worden geheven van degene op wiens aanvraag dan wel ten
                            behoeve van wie de dienst wordt verricht of van degene die van de
                            bezittingen, werken of inrichtingen gebruik maakt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Maatstaf van heffing en belastingtarief</titel></kop><al>De rechten worden geheven naar de maatstaven en de tarieven, opgenomen
                            in de hoofdstuk 3 van de bij deze verordening behorende
                            tarieventabel.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Belastingjaar</titel></kop><al>Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Wijze van heffing</titel></kop><al>De rechten bedoeld in hoofdstuk 3 van de tarieventabel worden geheven
                            bij wege van aanslag met dien verstande dat per belastbaar feit een
                            afzonderlijke aanslag kan worden opgelegd. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Ontstaan van de belastingschuld en de heffing naar
                                tijdsgelang</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De rechten, als bedoeld in onderdeel 3.1 van de tarieventabel, zijn
                                verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, zo dit later
                                is, bij de aanvang van de belastingplicht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De rechten, als bedoeld in onderdeel 3.2 van de tarieventabel, zijn
                                verschuldigd na afloop van het belastingjaar of, zo dit eerder is,
                                na beëindiging van de belastingplicht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar aanvangt,
                                zijn de rechten als bedoeld in onderdeel 3.1 van de tarieventabel,
                                verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar
                                verschuldigde rechten als er in dat jaar, na de aanvang van de
                                belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar eindigt,
                                bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van
                                de voor dat jaar verschuldigde rechten, als bedoeld in onderdeel 3.1
                                van de tarieventabel, als er in dat jaar na het einde van de
                                belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het derde en vierde lid zijn niet van toepassing indien de
                                belastingplichtige binnen de gemeente verhuist.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Vrijstelling</titel></kop><al>Het recht wordt niet geheven van gebruikers van gebouwde eigendommen of
                            gedeelten daarvan, welke uitsluitend worden gebruikt: </al><lijst><li nr="a."><al>voor de publieke dienst der gemeente Ommen;</al></li><li nr="b."><al>voor de openbare eredienst.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Kwijtschelding</titel></kop><al>Bij de invordering van reinigingsrechten wordt geen kwijtschelding
                            verleend.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Termijn van betaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990
                                moeten de aanslagen worden betaald in twee gelijke termijnen waarvan
                                de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand
                                die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede
                                twee maanden later.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in het eerste
                                lid gestelde termijnen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking in zoverre van het eerste lid geldt, voor aanslagen die
                                worden opgelegd in het belastingjaar waarop zij betrekking hebben,
                                ingeval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde
                                aanslagen , of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het
                                bedrag daarvan, meer is dan € 100,-- doch minder dan € 2.000,-- en
                                zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische
                                betalingsincasso van de betaalrekening van de belastingschuldige
                                kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald
                                in tien gelijke termijnen waarvan de eerste termijn vervalt op de
                                laatste dag van de maand volgende op de maand die in de dagtekening
                                van het aanslagbiljet is vermeld en elke van de volgende termijnen
                                telkens een maand later, met dien verstande dat, indien na de
                                kalendermaand, waarin de aanslagen worden opgelegd, minder dan tien
                                kalendermaanden in het belastingjaar overblijven, de aanslagen
                                moeten worden betaald in zoveel bedoelde termijnen al er nog
                                kalendermaanden in het jaar overblijven, met een minimum van
                                vier.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In afwijking in zoverre van het eerste lid geldt, voor aanslagen die
                                worden opgelegd na afloop van het belastingjaar waarop zij
                                betrekking hebben, ingeval het totaalbedrag van de op één
                                aanslagbiljet verenigde aanslagen , of als het aanslagbiljet maar
                                één aanslag bevat het bedrag daarvan, meer is dan € 100,-- doch
                                minder dan € 2.000,-- en zolang de verschuldigde bedragen door
                                middel van automatische betalingsincasso van de betaalrekening van
                                de belastingschuldige kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen
                                moeten worden betaald in vier gelijke termijnen waarvan de eerste
                                termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgende op de maand
                                die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elke van
                                de volgende termijnen telkens een maand later.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>In afwijking van het vierde lid geldt, voor aanslagen die betrekking
                                hebben op de rechten als bedoeld in onderdeel 3.2 uit de bij deze
                                verordening behorende tarieventabel en die worden opgelegd na afloop
                                van het belastingjaar waarop ze betrekking hebben, en die worden
                                gecombineerd op één aanslagbiljet met aanslagen voor het direct
                                daaropvolgende belastingjaar, dat ingeval het totaalbedrag van de op
                                één aanslagbiljet verenigde aanslagen, meer is dan € 100,-- doch
                                minder dan € 2.000,-- en zolang de verschuldigde bedragen door
                                middel van automatische betalingsincasso van de betaalrekening van
                                de belastingschuldige kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen
                                moeten worden betaald in tien gelijke termijnen waarvan de eerste
                                termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgende op de maand
                                die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elke van
                                de volgende termijnen telkens een maand later, met dien verstande
                                dat, indien na de kalendermaand, waarin de aanslagen worden
                                opgelegd, minder dan tien kalendermaanden in het belastingjaar
                                overblijven, de aanslagen moeten worden betaald in zoveel bedoelde
                                termijnen als er nog kalendermaanden in het jaar overblijven, met
                                een minimum van vier.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Nadere regels door het college van burgemeester en
                                wethouders</titel></kop><al>Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven met
                            betrekking tot de heffing en de invordering van de
                            reinigingsheffingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><al>De ‘Verordening reinigingsheffingen 2015’ van 4 december 2014, met
                            documentkenmerk 1081000, wordt ingetrokken met ingang van de in het
                            tweede lid van artikel 21 genoemde datum van ingang van de heffing, met
                            dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die
                            zich voor die datum hebben voorgedaan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de achtste dag na
                                die van de bekendmaking.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2016.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als ‘Verordening
                            reinigingsheffingen 2016'.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente
                        Ommen d.d. 3 december 2015.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De wnd. griffier, De voorzitter,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>A.B.H. Hoving mr. M. Boumans MPM</ondertekening></regeling-sluiting><bijlage><al><extref doc="/cvdr/images/Ommen/i263137.pdf">Tarieventabel Verordening reinigingsheffingen 2016</extref></al></bijlage></regeling></body></cvdr>