<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR381341_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Visie Lokaal Spoor Vervoerregio Amsterdam</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:RegionaalSamenwerkingsorgaan">Vervoerregio Amsterdam</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-07-21</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Aalsmeer</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Amstelveen</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Amsterdam</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Beemster</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Diemen</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Edam-Volendam</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Haarlemmermeer</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Landsmeer</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Oostzaan</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Ouder-Amstel</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Purmerend</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Uithoorn</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Waterland</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Wormerland</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Zaanstad</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/bgr-2017-398.html?zoekcriteria=%3fzkt%3dUitgebreid%26pst%3dBladGemeenschappelijkeRegeling%26dpr%3dAlle%26spd%3d20170728%26epd%3d20170728%26sdt%3dDatumPublicatie%26org%3dVervoerregio%2bAmsterdam%26orgt%3dregionaal%2bsamenwerkingsorgaan%26planId%3d%26pnr%3d1%26rpp%3d10&amp;resultIndex=0&amp;sorttype=1&amp;sortorder=4">Blad gemeenschappelijke regeling 20 juli 2017, nr. 398</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Visie Lokaal Spoor Vervoerregio Amsterdam</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0034363&amp;artikel=17, lid 1&amp;g=2017-01-01">Wet lokaal spoor, artikel 17 lid 1</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanRegionaalSamenwerkingsorgaan">dagelijks bestuur</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer</dcterms:subject><dcterms:issued>2017-02-09</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2017-07-21</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2017-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2019-12-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Wijziging naar aanleiding van wijziging naam Stadsregio Amsterdam in Vervoerregio Amsterdam</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>BBV/2017/3687</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Wet lokaal spoor</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>De gemeenschappelijke regeling Stadsregio Amsterdam heeft met ingang van 1 januari 2017 de naam gewijzigd in “Vervoerregio Amsterdam”. De geldende regelgeving van de Stadsregio Amsterdam in de periode van 1 januari 2014 tot 1 januari 2017 is terug te vinden onder regelgeving van de Vervoerregio Amsterdam.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Visie Lokaal Spoor Vervoerregio Amsterdam</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><nr>1</nr><titel>Inleiding</titel></kop><paragraaf><kop><nr>1.1</nr><titel>Nieuwe wetgeving</titel></kop><structuurtekst><al>De Wet lokaalspoor (verder: Wls) beoogt wetgeving over lokaal spoor
                                – metro en (snel)tram – te vernieuwen en bestuurlijke
                                verantwoordelijkheden te verhelderen. De Wls treedt in werking op 1
                                december 2015. Voor het lokaal spoor is de wetgeving tot nu toe
                                versnipperd en gedateerd. Zo geldt er nog de Spoorwegwet 1875, de
                                Lokaalspoor- en Tramwegwet 1900 en het Metroreglement 1981. Ook
                                ontbreekt het deels aan wetgeving en is het toezicht versnipperd. De
                                nieuwe Wls heeft tot doel om:</al><lijst><li nr="1."><al>Decentrale overheden op bestuurlijk niveau integraal
                                        eindverantwoordelijk maken voor (i) aanleg en instandhouding
                                        van lokale spoorweginfrastructuur, (ii) veiligheid van de
                                        lokale spoorwegen en (iii) financiering van lokale
                                        spoorwegen. De Wls belegt het toezicht bij door de minister
                                        van Infrastructuur en Milieu aangewezen ambtenaren van de
                                        Inspectie voor Leefomgeving en Transport, IL&amp;T.</al></li><li nr="2."><al>Nieuwe en veilige vervoertechnieken op flexibele en
                                        doelmatige wijze te kunnen implementeren. Het
                                        veiligheidsniveau op het lokaal spoor moet daarbij ten
                                        minste gelijk blijven.</al></li><li nr="3."><al>Eenduidige regelgeving op alle lokale spoorwegen te
                                        introduceren en te laten aansluiten bij bestaande wettelijke
                                        kaders, zoals de Spoorwegwet 2003 en de Wet personenvervoer
                                        2000.</al></li></lijst><al>Decentrale overheden flexibiliteit te bieden om de genoemde
                                eindverantwoordelijkheid in te vullen.</al><al/><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><thead><row><entry><al>Lokaal spoor omvat WEL</al></entry><entry><al>Lokaal spoor omvat NIET</al></entry></row></thead><tbody><row><entry><al>Alle metro- en traminfrastructuur</al></entry><entry><al>treinspoor</al></entry></row><row><entry><al>Rails, inclusief ondergrond</al></entry><entry><al>Remises, werkplaatsen, stationsgebouwen</al></entry></row><row><entry><al>Stroomvoorziening</al></entry><entry><al>Spoor dat specifiek voor besloten vervoer
                                                  (historische tram</al></entry></row><row><entry><al>Rail gebonden systemen</al></entry><entry><al>Viaducten, tunnels, bruggen niet exclusief voor
                                                  (sne)tram en/of metro</al></entry></row><row><entry><al>Perrons</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>Viaducten, tunnels, bruggen exclusief voor
                                                  (snel)tram en/of metro</al></entry><entry><al/></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al/></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><nr>1.2</nr><titel>Veranderingen als gevolg van de Wls</titel></kop><structuurtekst><al>De Wls legt de eindverantwoordelijkheid voor gebruik, aanleg, beheer
                                en veiligheid van lokaal spoor bij het dagelijks bestuur van de
                                Vervoerregio Amsterdam.</al><al/><al>De Wet lokaal spoor leidt tot de volgende veranderingen:</al><lijst><li nr="*"><al>het dagelijks bestuur van de Vervoerregio Amsterdam is
                                        eindverantwoordelijk voor gebruik, aanleg, beheer en
                                        veiligheid van lokaal spoor</al></li><li nr="*"><al>het dagelijks bestuur van de Vervoerregio Amsterdam stelt
                                        inhoudelijke kaders voor aanleg en beheer in Visie lokaal
                                        spoor en Veiligheidsvisie</al></li><li nr="*"><al>de bevoegdheid tot het aanwijzen van de beheerder ligt bij
                                        het dagelijks bestuur van de Vervoerregio Amsterdam en volgt
                                        niet langer uit het eigendom van de lokale
                                        spoorweginfrastructuur</al></li><li nr="*"><al>de bevoegdheid voor vergunningverlening voor werken rond
                                        spoor weg ligt bij het dagelijks bestuur van de Vervoerregio
                                        Amsterdam en niet langer bij de vervoerder </al></li><li nr="*"><al>introductie van twee nieuwe vergunningen,</al><al>*indienststelling nieuwe of gewijzigde voertuig(typ)en</al><al>*indienststelling nieuwe of gewijzigde lokale
                                        spoorweginfrastructuur</al></li><li nr="*"><al>de bevoegdheid tot verlening van deze vergunningen ligt bij
                                        het dagelijks bestuur van de Vervoerregio Amsterdam
                                        ligt</al></li><li nr="*"><al>beheerder en de vervoerder moeten beschikken over een
                                        veiligheidsmanagementsysteem</al></li><li nr="*"><al>vervoerder moet metro- en trambestuurders periodiek medisch
                                        en psychologisch laten keuren</al></li><li nr="*"><al>de Inspectie voor Leefomgeving en Transport treedt op als
                                        toezichthouder namens het dagelijks bestuur van de
                                        Vervoerregio Amsterdam</al></li><li nr="*"><al>het dagelijks bestuur van de Vervoerregio Amsterdam kan last
                                        onder bestuursdwang, last onder dwangsom en / of
                                        bestuurlijke boetes opleggen ter handhaving van de
                                        verplichtingen die volgen uit de Wls</al></li></lijst><al/><al>De Wls regelt de onderlinge verhoudingen tussen het dagelijks
                                bestuur van de Vervoerregio Amsterdam, de vervoerder, de beheerder
                                en de rechthebbenden (omgeving) als het gaat om aanleg en beheer en
                                gebruik van metro- en traminfrastructuur. Daarbij is het materieel
                                en de interactie daarmee inbegrepen.</al><al/><al>Concreet maakt de Wls het dagelijks bestuur van de Vervoerregio
                                Amsterdam in eigen regio integraal eindverantwoordelijk voor het
                                lokaal spoor: de (snel)tram en de metro. De integraliteit heeft
                                betrekking op de verantwoordelijkheid voor gebruik, aanleg, beheer
                                en veiligheid. Dit vormt het uitgangspunt voor de verhouding tussen
                                de Vervoerregio Amsterdam als eindverantwoordelijke voor het lokaal
                                spoor, de gemeente Amsterdam als eigenaar en beheerder van de
                                infrastructuur ten behoeve van het lokaal spoor en het GVB
                                Exploitatie als vervoerder op het lokaal spoor.</al><al/><al>De veranderingen hebben een plek in de voorliggende Visie lokaal
                                spoor, waarin de kaders op hoofdlijnen zijn opgenomen. Een nadere
                                uitwerking van de veiligheid vindt plaats in de deel II van de
                                Veiligheidsvisie. Beide documenten vormen samen met het Convenant
                                BORI, het Convenant MVP metro en de jaarlijkse subsidiebeschikkingen
                                de kaders voor het gebruik, de aanleg, het beheer en de veiligheid
                                van het lokaal spoor in de vervoerregio Amsterdam.</al><al/></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><nr>1.3</nr><titel>Betekenis voor regio Amsterdam</titel></kop><structuurtekst><al>De integrale eindverantwoordelijkheid van het dagelijks bestuur van
                                de Vervoerregio Amsterdam voor het lokaal spoor is in lijn met
                                eerdere wetgeving. Zo was de Vervoerregio Amsterdam vanuit de Wet
                                personenvervoer 2000 al verantwoordelijk voor de voorzieningen van
                                het openbaar vervoer in de regio. In de Wet BDU 2005 werd de
                                Vervoerregio Amsterdam financieel verantwoordelijk voor het openbaar
                                vervoer. Sinds 1 januari 2015 heeft de Vervoerregio Amsterdam onder
                                deze wetgeving de status van vervoerregio.</al><al/><al>Aan genoemde verantwoordelijkheden is een aantal bevoegdheden
                                verbonden die de wetgever bij het dagelijks bestuur van de
                                Vervoerregio Amsterdam legt:</al><al/><al><cursief>Vanuit de Wet personenvervoer 2000</cursief></al><al>*verstrekking middelen voor de subsidieverlening ten behoeve van de
                                exploitatie van het openbaar vervoer, inclusief beheer, onderhoud en
                                vervanging van infrastructuur</al><al>*subsidiëren of financieren van aanleg van infrastructuur</al><al/><al><cursief>Vanuit de Wet lokaal spoor</cursief></al><al>*aanwijzen van een beheerder en het maken van afspraken met
                                beheerder over de uitvoering van het beheer</al><al>*verlenen van een veiligheidscertificaat aan de vervoerder</al><al>*aanwijzen van een verkeersleiding</al><al>*aanwijzen van de keuringsinstantie van veiligheidsfuncties en het
                                vaststellen van keuringseisen en protocollen</al><al>*het vaststellen van verkeersregels op het lokaal spoor</al><al>*verlenen van vergunningen voor indienststelling van nieuwe of
                                aangepaste railinfrastructuur</al><al>*verlenen van vergunningen voor indienststelling van nieuwe of
                                aangepaste railvoertuig(typ)en</al><al>*verlenen van vergunningen voor het verrichten van werkzaamheden op,
                                in, boven, naast of onder de lokale spoorinfrastructuur</al><al>*opstellen van een Visie lokaal spoor die kaderstellend is voor de
                                beheerder en toetsingscriteria geeft voor de veiligheid op het
                                lokaal spoor, via het stellen van prestatienormen die betrekking
                                hebben op de kwaliteit, betrouwbaarheid en beschikbaarheid van de
                                lokale spoorweginfrastructuur</al><al/><al>De Wls maakt het mogelijk dat het dagelijks bestuur van de
                                Vervoerregio Amsterdam een aantal bevoegdheden delegeert aan het
                                college van Burgemeester en Wethouders van een van de inliggende
                                gemeente. Het gaat hier enerzijds om de bevoegdheid om de beheerder
                                en een verkeersleiding aan te wijzen. Anderzijds betreft het de
                                bevoegdheid voor het verlenen van de drie hierboven genoemde
                                vergunningen, namelijk voor de indienststelling van nieuwe of
                                aangepaste railinfrastructuur en railvoertuig(typ)en en voor het
                                verrichten van werkzaamheden op, in, boven, naast of onder de lokale
                                spoorinfrastructuur. </al><al/><al>Bovengenoemde bevoegdheden stellen het dagelijks bestuur van de
                                Vervoerregio Amsterdam in staat proactief kaders te stellen om mee
                                te geven aan de beheerder, de verkeersleiding, de vervoerder, de
                                Inspectie voor Leefomgeving en Transport en, bij delegatie van één
                                of meer bevoegdheden, aan het college van Burgemeester en Wethouders
                                van de betreffende inliggende gemeente. Binnen de kaders maakt de
                                Vervoerregio Amsterdam integrale afwegingen en neemt zij besluiten
                                over het openbaar vervoersysteem binnen haar gebiedsgrenzen.</al><al/><al>Op basis van haar bevoegdheden en de financiële relaties die de
                                Vervoerregio Amsterdam heeft met de vervoerder en de beheerder,
                                voert de Vervoerregio Amsterdam proactief de regie bij dilemma’s
                                tussen gebruik, aanleg, beheer en fysieke veiligheid. Dit doet zij
                                door kaders te stellen en waar nodig knopen door te hakken. De
                                Vervoerregio Amsterdam weegt bij haar besluit eventuele financiële
                                consequenties hiervan voor de vervoerder en beheerder mee.</al><al/></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><nr>1.4</nr><titel>Regelkring openbaar vervoer</titel></kop><structuurtekst><al>Een werkend vervoerssysteem bestaat enerzijds uit infrastructuur met
                                daarop afgestemd materieel. De afstemming tussen deze twee
                                onderdelen heeft een duidelijke relatie en kent een functionele
                                specificatie. Anderzijds is vervoer nodig om het vervoersysteem te
                                completeren. In de onderstaande figuur is een werkend
                                vervoerssysteem weergegeven.</al><al><plaatje><illustratie id="idf7cba39-25af-4f4d-b085-deaddb5147a5" naam="i261214idf7cba39-25af-4f4d-b085-deaddb5147a5.png" type="foto" breedte="12cm" hoogte="7.98cm"/></plaatje></al><al><vet><cursief>Figuur 1: onderdelen werkend vervoerssysteem (bron:
                                        gemeente Amsterdam, Metro en Tram)</cursief></vet></al><al/><al>Om het vervoersysteem werkend te houden is een ‘regelkring OV’
                                ingesteld. In bijlage 1 is een overzicht opgenomen van de regelkring
                                openbaar vervoer, waarin ook de onderlinge afspraken tussen partijen
                                zijn opgenomen.</al><al>Alle partijen in de regio zijn tot nog toe tevreden over de
                                rolverdeling binnen de regelkring en de fysieke veiligheid van het
                                lokaal spoor. De grootste veranderingen als gevolg van de Wls zijn
                                dat partijen de onderlinge afspraken transparant en traceerbaar
                                maken en dat de Vervoerregio Amsterdam op een aantal punten
                                doorslaggevende zeggenschap krijgt. Voor het functioneren van de
                                stad als geheel vindt het dagelijks bestuur van de Vervoerregio
                                Amsterdam het wenselijk de bestaande taak- en
                                bevoegdhedenverdelingen waar mogelijk te handhaven. Daardoor blijven
                                afspraken en werkwijzen die tot de invoering van de Wls van kracht
                                waren zoveel mogelijk gerespecteerd. </al><al/><al>De Vervoerregio Amsterdam, de gemeente Amsterdam en GVB Exploitatie
                                hebben afspraken gemaakt over prestaties op het gebied van gebruik,
                                aanleg, beheer en veiligheid. De afspraken tussen de Vervoerregio
                                Amsterdam en GVB Activa BV en tussen Metro en Tram en GVB Infra BV
                                vallen buiten de scope van de voorliggende Visie lokaal spoor, omdat
                                deze buiten de kern van de Wls vallen. GVB Infra BV is
                                contractpartij van Metro en Tram en de vervoerder is
                                verantwoordelijk voor het gebruikte materieel.</al><al/><al>Daarnaast brengt de introductie van de Wls een toezichthouder als
                                nieuwe partij met zich mee: de Inspectie voor Leefomgeving en
                                Transport (ILT) houdt toezicht op de veiligheid van vervoersysteem
                                als geheel. En tot slot zijn er nog andere wegbeheerders en dus
                                colleges van Burgemeester en Wethouders die een rol spelen. Dat
                                betekent dat de partijen binnen de Visie lokaal spoor zich als volgt
                                laten weergegeven.</al><al><plaatje><illustratie id="id3e087ad-eeb9-47a3-a909-38b402b124e6" naam="i287209id3e087ad-eeb9-47a3-a909-38b402b124e6.png" type="foto" breedte="15.9cm" hoogte="10.12cm"/></plaatje></al><al><vet><cursief>Figuur 2: partijen en afspraken rondom de onderdelen
                                        van het vervoerssysteem in kader Wls</cursief></vet></al><al/><al>Ter naleving van de verplichtingen van de OV-concessie Amsterdam
                                2012 is tussen de Vervoerregio Amsterdam en GVB Exploitatie BV een
                                concessieovereenkomst gesloten. Ten behoeve van de
                                subsidieverstrekking voor beheer en onderhoud is tussen Vervoerregio
                                Amsterdam en de gemeente Amsterdam een convenant MVP Metro en een
                                convenant BORI gesloten. De uitgangspunten die hieraan ten grondslag
                                lagen en de afspraken in de documenten zelf zijn leidend. De
                                Vervoerregio Amsterdam stelt de Visie lokaal spoor in lijn hiermee
                                op, waarbij de visie prevaleert. Waar nodig passen de Vervoerregio
                                Amsterdam en de gemeente Amsterdam de convenanten in onderling
                                overleg aan op de Wls. De toegangsovereenkomst en de netverklaring
                                die het gebruik van de railinfrastructuur door de vervoerder regelen
                                zijn zodanig opgesteld dat deze passen binnen de gemaakte afspraken
                                bij voornoemde aanpassing van de concessie en de Wls.</al><al/></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><nr>1.5</nr><titel>Doel en scope Visie lokaal spoor</titel></kop><structuurtekst><al>Het doel van de Visie lokaal spoor is vierledig:</al><lijst><li nr="1."><al>bieden van een integratiekader van afspraken over vervoer,
                                        realisatie van nieuwe infrastructuur, beheer &amp; onderhoud
                                        en fysieke veiligheid;</al></li><li nr="2."><al>in beeld brengen van (nieuwe) rollen en taken om de
                                        samenwerking tussen de Vervoerregio Amsterdam en de gemeente
                                        Amsterdam efficiënt en effectief voort te zetten;</al></li><li nr="3."><al>vaststellen en kunnen toetsen van het jaarlijkse beheerplan
                                        van de beheerder op basis van het gewenste kwaliteitsniveau
                                        van de metro- en traminfrastructuur in de regio Amsterdam in
                                        termen van fysieke veiligheid, kwaliteit en
                                        prijs-kwaliteitverhouding;</al></li><li nr="4."><al>transparant en traceerbaar maken van afspraken en
                                        (werk)processen. </al></li></lijst><al/><al>Enerzijds dragen deze doelen bij aan het invullen van de
                                verantwoordelijkheden die de Vervoerregio Amsterdam op basis van de
                                Wls neemt. Anderzijds geven de doelstellingen het belang weer dat de
                                Vervoerregio Amsterdam hecht aan het regisseren en sturen van het
                                openbaar vervoer.</al><al/><al>De voorliggende visie beschrijft de sturingsfilosofie, rollen, taken
                                en prestatieafspraken over beheer, onderhoud en veiligheid. In de
                                prestatieafspraken staat het kwaliteitsniveau dat de Vervoerregio
                                Amsterdam voor ogen heeft en geeft aan wat zij onder kwalitatief
                                goed en doelmatig beheer van spoorweginfrastructuur en tunnels
                                verstaat. Het GVB is vervoerder en gebruiker van het lokaal spoor.
                                De gemeente Amsterdam is beheerder in de zin van de Wet lokaal spoor
                                (nadat deze op grond van de Wls hiertoe is aangewezen). Onderstaand
                                is verbeeld hoe deze onderwerpen samenhangen.</al><al/><al><plaatje><illustratie id="i2f1601a7-b150-4846-9327-ecbbe1e2bf4a" naam="i287210i2f1601a7-b150-4846-9327-ecbbe1e2bf4a.png" type="foto" breedte="15.9cm" hoogte="15.66cm"/></plaatje></al><al><vet><cursief>Figuur 3: samenhang onderwerpen Visie lokaal
                                        spoor</cursief></vet></al><al/><al>De term fysieke veiligheid is opgenomen, omdat het gaat over
                                systeemveiligheid, veilig werken en veiligheidscultuur. Deze
                                onderwerpen zijn verwoord in de – in samenspraak met de gemeente
                                Amsterdam en GVB opgestelde – Veiligheidsvisie.</al><al/></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><nr>1.6</nr><titel>Evaluatie en monitoring</titel></kop><structuurtekst><al><vet>Evaluatie</vet></al><al>De Visie lokaal spoor en de Veiligheidsvisie kennen een wettelijke
                                geldigheidsduur van maximaal vier jaar. Om een goed vervolg te
                                kunnen geven en de veiligheid te continueren, vindt een evaluatie
                                van de beide visies plaats. Het resultaat daarvan is gereed op 1
                                december 2018. Mede op basis van de evaluatie stelt het dagelijks
                                bestuur van de Vervoerregio Amsterdam de visies in 2019 opnieuw
                                vast.</al><al/><al><vet>Monitoring</vet></al><al>De Wet lokaal spoor gaat uit van kwaliteitsborging en
                                kwaliteitsverbetering op alle niveaus. Daarom is het monitoren van
                                de kwaliteit een belangrijk aspect in de voorliggende Visie lokaal
                                spoor en in de Veiligheidsvisie. Concreet houdt dat in dat de
                                Vervoerregio Amsterdam de cirkel van Deming hanteert op
                                organisatieniveau en op prestatieniveau. Op presatieniveua komt deze
                                terug in hoofdstuk 4. Onderstaand is de cirkel toegepast op
                                organisatieniveau.</al><al/><al>De cirkel is onderdeel van een methode die bestaat uit vier
                                activiteiten om kwaliteitsverbeteringen binnen de organisatie van
                                het lokaal spoor te realiseren. Het cyclische karakter bevordert dat
                                de kwaliteitsverbetering continu onder de aandacht is. De cirkel van
                                Deming ziet er als volgt uit.</al><al/><al><plaatje><illustratie id="i397bede6-9a9d-49f7-937d-1caedd97d2a9" naam="i261217i397bede6-9a9d-49f7-937d-1caedd97d2a9.jpg" type="foto" breedte="7.8cm" hoogte="6.00cm"/></plaatje></al><al><vet><cursief>Figuur 4: cirkel van Deming,
                                        Plan-Do-Check-Act</cursief></vet></al><al/><al>De figuur geeft aan hoe het systeem werkt. De cirkel van Deming
                                onderscheidt de volgende stappen.</al><lijst><li nr="1."><al>Plannen maken (Plan): het college van Burgemeester en
                                        Wethouders maakt inzichtelijk hoe ze haar gedelegeerde taken
                                        in het gemeentelijk apparaat organiseert.</al></li><li nr="2."><al>Uitvoeren (Do): het uitvoeren van de organisatie.</al></li><li nr="3."><al>Controle (Check): jaarlijks informeert het college van
                                        Burgemeester en Wethouders het dagelijks bestuur van de
                                        Vervoerregio Amsterdam over de werking van de organisatie en
                                        doet aanbevelingen voor verbetering.</al></li><li nr="4."><al>Verbetermaatregelen uitvoeren (Act): waar
                                        verbetermaatregelen mogelijk zijn, voert het college van
                                        Burgemeester en Wethouders deze door.</al></li></lijst><al/><al>Dit continu doorlopend proces leidt tot handhaving van het
                                kwaliteitsniveau van de organisatie en waar mogelijk verhoging
                                daarvan.</al><al/><al/></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><nr>1.7</nr><titel>Spoorboekje</titel></kop><structuurtekst><al/><al><plaatje><illustratie id="i16de9cc5-15ee-4e3f-b96b-c70e633fc745" naam="i287199i16de9cc5-15ee-4e3f-b96b-c70e633fc745.png" type="foto" breedte="15.9cm" hoogte="3.59cm"/></plaatje></al><al/><al/></structuurtekst></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><nr>2</nr><titel>Sturingsfilosofie</titel></kop><paragraaf><kop><nr>2.1</nr><titel><vet>Doen waar je goed in bent</vet></titel></kop><structuurtekst><al>De Vervoerregio Amsterdam wil partijen de werkzaamheden laten
                                verrichten waar ze goed en sterk in zijn. Als integraal
                                eindverantwoordelijke voor het lokaal spoor stelt de Vervoerregio
                                Amsterdam kaders vast voor vervoerder en beheerder en stuurt zij op
                                hoofdlijnen. Daarbij maakt zij keuzes over beleidsvelden heen. De
                                partijen moeten de onderlinge afspraken transparant en traceerbaar
                                opstellen en vastleggen. Op een aantal onderdelen krijgt het
                                dagelijks bestuur van de Vervoerregio Amsterdam doorslaggevende
                                zeggenschap.</al><al/></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><nr>2.2</nr><titel>Drie manieren om te sturen</titel></kop><structuurtekst><al>De Vervoerregio Amsterdam ziet voor zichzelf drie manieren om te
                                sturen:</al><lijst><li nr="1."><al>Regisseren</al></li><li nr="2."><al>Financieren</al></li><li nr="3."><al>Verbinden</al></li></lijst><al/><al>Deze drie manieren stellen de Vervoerregio Amsterdam in staat om te
                                sturen op openbaar vervoerprojecten. Hieronder zijn de drie manieren
                                kort toegelicht.</al><al/><tussenkop> 2.2.1 Vervoerregio Amsterdam regisseert</tussenkop><al>Vanuit de Wet lokaalspoor is het dagelijks bestuur van de
                                    Vervoerregio Amsterdam integraal eindverantwoordelijk voor het
                                    lokaal spoor en stelt zij de inhoudelijke kaders vast voor
                                    gebruik, aanleg, beheer en veiligheid van lokaal spoor.
                                    Daarnaast maakt zij transparante en traceerbare keuzes als het
                                    gaat om afwegingen tussen gebruik, aanleg, beheer en fysieke
                                    veiligheid. Als regisseur maakt zij ook de rollen van de
                                    betrokken partijen helder.</al><al/><tussenkop> 2.2.2 Vervoerregio Amsterdam financiert</tussenkop><al>Als financier geeft Vervoerregio Amsterdam sturing en stelt
                                    inhoudelijke kaders waaraan zij financiering toetst waar het
                                    gaat om vernieuwingsprojecten of uitbreiding van het lokaal
                                    spoor. Daarbij is het uitgangspunt dat voor dergelijke projecten
                                    gebruikt wordt gemaatk van het Integraal Programma van Eisen van
                                    de gemeente Amsterdam, MET. Voor financieringsaanvragen voor
                                    vernieuwing en uitbreiding geldt de Subsidieverordening BDU
                                    Infrastructuur Vervoerregio Amsterdam. Overigens wordt voor de
                                    vernieuwingsprojecten en uitbreidingsprojecten in het kader van
                                    subsidiëren naar financieren gewerkt aan een geactualiseerde
                                    verordening, waarin extra aandacht is voor de toetsing en
                                    voorwaarden voor besluitvorming in het DB van de
                                    Vervoerregio.</al><al/><al>Ook toetst en beoordeelt de Vervoerregio Amsterdam
                                    financieringsaanvragen voor beheer en onderhoud. Daarvoor is
                                    momenteel de Subsidieverordening Wp2000 van toepassing en zijn
                                    daarnaast de afspraken in de convenanten MVP Metro en BORI
                                    uitgangspunt.</al><al/><al>Daarnaast kent zij subsidies toe op basis van de gestelde kaders
                                    en vastgesteld beleid. In haar functie als concessieverlener
                                    verleent de Vervoerregio Amsterdam ook de exploitatiesubsidie
                                    voor openbaar vervoer.</al><al/><tussenkop> 2.2.3 Vervoerregio Amsterdam verbindt</tussenkop><al>De Vervoerregio Amsterdam heeft een verbindende functie als het
                                    gaat om programma’s en projecten. Als verbindende partij koppelt
                                    de Vervoerregio Amsterdam deze aan elkaar en bewaakt ze de
                                    raakvlakken. Zo is de Vervoerregio Amsterdam bijvoorbeeld
                                    voorzitter van de regiegroep metro waarin de gemeente Amsterdam
                                    en de vervoerder ook integrale vraagstukken afstemmen.</al><al/></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><nr>2.3</nr><titel>Delegatie van bevoegdheden</titel></kop><structuurtekst><al>Het dagelijks bestuur van de Vervoerregio Amsterdam is heeft bij
                                besluit van 17 september 2015 een aantal bevoegdheden gedelegeerd
                                aan het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente
                                Amsterdam. Het gaat om bevoegdheden die de gemeente in staat stellen
                                om haar rol als (opdrachtgever van de) beheerder en regisseur van de
                                openbare ruimte goed te kunnen vervullen:</al><lijst><li nr="1."><al>Aanwijzen beheerder en daarmee samenhangende
                                        bevoegdheden.</al></li><li nr="2."><al>Verlenen van vergunningen indienststelling nieuwe /
                                        gewijzigde voertuig(typ)en en verbieden van
                                        spoorvoertuigen.</al></li><li nr="3."><al>Verlenen/schorsen/intrekken van vergunningen
                                        indienststelling nieuwe / gewijzigde lokale
                                        railinfrastructuur.</al></li><li nr="4."><al>Verlenen van vergunningen voor werken rond de lokale
                                        spoorinfrastructuur op Amsterdams grondgebied.</al></li><li nr="5."><al>Regels uitvoering werkzaamheden spoorweg.</al></li></lijst><al/><al>Met het vijfde punt maakt het dagelijks bestuur van de Vervoerregio
                                Amsterdam het mogelijk dat het gemeentelijk coördinatiestelsel voor
                                werkzaamheden in de openbare ruimte goed kan blijven functioneren. </al><al/><al>Het dagelijks bestuur heeft bij de delegatie van deze bevoegdheden
                                beleidsregels gesteld waaraan de het college van Burgemeester en
                                Wethouders van de gemeente Amsterdam zich bij de uitoefening van de
                                gedelegeerde bevoegdheden dient te houden. Met deze beleidsregels
                                borgt het dagelijks bestuur haar integrale bestuurlijke
                                eindverantwoordelijkheid voor de veiligheid op het lokale spoor. </al><al/><al>Het delegatiebesluit en de beleidsregels zijn als bijlage 2 bij deze
                                visie gevoegd.</al><al/></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><nr>2.4</nr><titel>Overeenkomst met ILT</titel></kop><structuurtekst><al>Het dagelijks bestuur van de Vervoerregio Amsterdam sluit met de
                                door de Minister aangewezen toezichthouder, de ambtenaren van de
                                Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) een overeenkomst voor het
                                uitvoeren van de wettelijke taken van de toezichthouder. Deze taken
                                betreffen het toezicht op eigen beweging. ILT geeft hieraan
                                invulling in een vierjarenplan, waarin zij relevante aspecten van
                                het railvervoersysteem één keer inspecteert. Jaarlijks stelt ILT op
                                basis van dit vierjarenplan een jaarplan op. Beide plannen stemt ILT
                                af met de Vervoerregio Amsterdam. Daarnaast kan de Vervoerregio
                                Amsterdam opdracht geven extra toezicht uit te voeren. De
                                toezichthouder ILT houdt systeemtoezicht. Dat houdt in dat ILT de
                                wijze waarop partijen hun verantwoordelijkheid voor de veiligheid
                                invullen toetst, dat ILT beoordeelt of het veiligheidszorgsysteem
                                naar behoren functioneert en dat ILT toetst of de beheerder en
                                vervoerder de algemene regels en interne voorschriften naleven.</al><al/></structuurtekst></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><nr>3</nr><titel>Rol- en Taakverdeling</titel></kop><paragraaf><kop><nr>3.1</nr><titel>Partijen</titel></kop><structuurtekst><al>Bij het lokaal spoor spelen naast het dagelijks bestuur van de
                                Vervoerregio Amsterdam de volgende partijen een rol in het
                                realiseren van een werkend vervoersysteem:</al><lijst><li nr="1."><al>College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente
                                        Amsterdam</al></li><li nr="2."><al>Metro en Tram, gemeente Amsterdam</al></li><li nr="3."><al>Verkeer en Openbare Ruimte, gemeente Amsterdam</al></li><li nr="4."><al>GVB Exploitatie</al></li><li nr="5."><al>Inspectie Leefomgeving en Transport</al></li></lijst><al/><al>Deze partijen zijn eerder al benoemd als onderdeel van de regelkring
                                OV. Onderstaand vindt een verdere uitwerking plaats van de rol- en
                                taakverdeling.</al><al/></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><nr>3.2</nr><titel>Vervoerregio Amsterdam</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> 3.2.1 Regisseren</tussenkop><al>Als regisseur van het lokaal spoor geldt voor het dagelijks
                                    bestuur van de Vervoerregio Amsterdam</al><lijst><li nr="1."><al>zij stelt de inhoudelijke kaders vast voor de aanleg en
                                            het beheer – inclusief de veiligheid – van de lokale
                                            railinfrastructuur</al></li><li nr="2."><al>zij verleent een veiligheidscertificaat aan de
                                            vervoerder</al></li><li nr="3."><al>zij wijst de verkeersleiding aan</al></li><li nr="4."><al>zij beslist over de realisatie van nieuwe
                                            railinfrastructuur</al></li><li nr="5."><al>zij laat zich ambtelijk vertegenwoordigen in de safety
                                            board</al></li><li nr="6."><al>zij stelt beleidsregels voor de uitoefening van de
                                            gedelegeerde bevoegdheden</al></li><li nr="7."><al>zij bepaalt wie vergunningen mag verlenen en onder welke
                                            condities</al></li></lijst><al/><al>Als</al><al/><tussenkop> 3.2.2 Financieren</tussenkop><al>Als financier stuurt de Vervoerregio Amsterdam op basis van</al><lijst><li nr="1."><al>financiële toetsingskaders</al></li><li nr="2."><al>kwartaalrapportages</al></li><li nr="3."><al>toetsing van gebruik, aanleg, beheer en veiligheid</al></li></lijst><al/><al><vet>Gebruik</vet></al><al>Vanuit de Wet personenvervoer 2000 subsidieert de Vervoerregio
                                    Amsterdam de exploitatie van het openbaar vervoer. Daarmee heeft
                                    de Vervoerregio Amsterdam een sturingsmechanisme ingebouwd. Dat
                                    is in de concessie Amsterdam gericht op het genereren van
                                    inkomsten door de vervoerder en het minimaliseren van de
                                    afhankelijkheid van subsidie van de Vervoerregio Amsterdam.</al><al/><al><vet>Aanleg, beheer en onderhoud</vet></al><al>Als financier geeft Vervoerregio Amsterdam sturing op basis van
                                    vastgesteld beleid. In deze rol stelt de Vervoerregio Amsterdam
                                    kaders waaraan zij financiering (subsidies) toetst en op basis
                                    waarvan zij de financieringsaanvragen voor aanleg, beheer en
                                    onderhoud beoordeelt. </al><al/><al>De sturing uit zich ook in het beoordelen van (integrale)
                                    kwartaalrapportages over aanleg, beheer en onderhoud van
                                    openbaar vervoer infrastructuur. Projecten voor vernieuwing of
                                    uitbreiding doorlopen de stappen van Verkenning, Planstudie,
                                    Planuitwerking en Realisatie. De gemeente Amsterdam werkt met de
                                    PBI fasering. Mede afhankelijk van de wijze van aanbesteden,
                                    wordt op enig moment een ‘go / no go’-besluit genomen voor een
                                    project om te komen tot daadwerkelijke realisatie. In de stappen
                                    daarvoor stemmen de gemeente Amsterdam en van het dagelijks
                                    bestuur van de Vervoerregio Amsterdam de besluitvorming op
                                    elkaar af.</al><al/><tussenkop> 3.2.3 Verbinden</tussenkop><al>Als verbinder waarborgt de Vervoerregio Amsterdam</al><lijst><li nr="1."><al>de koppeling en bewaking van de raakvlakken tussen
                                            programma’s, projecten en vervoerplannen</al></li><li nr="2."><al>de verbinding tussen partijen als er sprake is van
                                            onduidelijkheid op raakvlakken</al></li><li nr="3."><al>de fysieke veiligheid met een ambtelijke
                                            vertegenwoordiging in de safety board</al><al/><al>Binnen de gehele breedte van haar taakveld heeft de
                                            Vervoerregio Amsterdam een verbindende functie als het
                                            gaat om programma’s en projecten aan elkaar te koppelen
                                            en raakvlakken daartussen te bewaken. Dat is
                                            bijvoorbeeld zichtbaar in het afsprakenkader van de
                                            Investeringsagenda openbaar vervoer.</al><al/><al>Om de fysieke veiligheid te monitoren is de Vervoerregio
                                            Amsterdam ambtelijk vertegenwoordigd in de ‘safety
                                            board’. Daar stemt zij af met de gemeente Amsterdam
                                            (Metro en Tram) en GVB Exploitatie en adviseert over de
                                            veiligheid in het kader van de Wls. </al><al/></li></lijst></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><nr>3.3</nr><titel>Gemeente Amsterdam</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> 3.3.1 Burgemeester en Wethouders, gemeente Amsterdam</tussenkop><al/><al>Het college van Burgemeester en Wethouders van Amsterdam krijgt
                                    een viertal bevoegdheden gedelegeerd. </al><al/><al>Via delegatie beschikt het over de bevoegdheid om een beheerder
                                    aan te wijzen en daarmee samenhangende bevoegdheden. Het college
                                    wijst de gemeente Amsterdam aan als beheerder en legt de
                                    uitvoering neer bij haar organisatieonderdeel Metro en Tram.
                                    Delegatie van deze bevoegdheden leidt ertoe dat de
                                    P&amp;C-cyclus (van jaarlijkse beheerplannen en verantwoording)
                                    zich in de eerste plaats binnen de gemeente Amsterdam zal
                                    afspelen. De Vervoerregio Amsterdam hecht er echter aan dat de
                                    gemeente Amsterdam de afspraken die in het kader van de
                                    concessieaanpassing zijn gemaakt ten aanzien van planning en
                                    control voor het beheer en onderhoud, handhaaft. De Vervoerregio
                                    Amsterdam en de gemeente Amsterdam regelen dit via (aanpassing
                                    van) de convenanten MVP Metro en BORI. Ten aanzien van de aanleg
                                    of aanpassing van lokale spoorinfrastructuur gelden de afspraken
                                    die gemaakt zijn in de Bestuurlijke Samenwerkingsovereenkomst en
                                    het ambtelijk Afsprakenkader voor de Investeringsagenda openbaar
                                    vervoer, alsmede de Subsidieverordening BDU Infrastructuur
                                    Vervoerregio Amsterdam. Deze regelen onder meer dat de
                                    Vervoerregio Amsterdam bij de afsluiting van PBI-fase 2 een
                                    go/no-go besluit neemt dat bepalend is voor het al dan niet
                                    voortzetten van het betreffende railinfrastructuurproject.</al><al/><al>In de tweede en derde plaats beschikt het college via delegatie
                                    over de bevoegdheid om vergunning te verlenen voor de
                                    indienststelling van nieuwe of aangepaste spoorinfrastructuur en
                                    voor nieuwe of aangepaste railvoertuig(typ)en. Ook hieraan zijn
                                    via de beleidsregels kaders gesteld door het dagelijks bestuur
                                    van de Vervoerregio Amsterdam. Zo geldt voor beide bevoegdheden
                                    dat het college van Burgemeester en Wethouders de vergunning op
                                    basis van de verklaring van ILT en een ISA-verklaring verleent.
                                    Bij een voornemen om van de verklaring van ILT en/of de
                                    ISA-verklaring af te wijken consulteert het college het
                                    dagelijks bestuur van de Vervoerregio Amsterdam alvorens te
                                    besluiten. </al><al/><al>In de vierde plaats beschikt het college via delegatie over de
                                    bevoegdheid om vergunning te verlenen voor het verrichten van
                                    werkzaamheden op, in, boven, naast of onder de lokale
                                    spoorinfrastructuur binnen Amsterdam. In de beleidsregels bij de
                                    delegatie is gesteld dat het college een procedure voor deze
                                    vergunningverlening moet vaststellen, waarin onder afspraken met
                                    de betrokken wegbeheerders zijn vastgelegd. De gemeente verleent
                                    vergunning als het betreffende project is geaccordeerd binnen
                                    het stelsel van stedelijke programmering van de gemeente
                                    Amsterdam. Hiertoe behoort ook de beoordeling door de beheerder
                                    van de railinfrastructuur, die daarbij toetst op fysieke
                                    veiligheid. Het college van Burgemeester en Wethouders heeft een
                                    procedure moet hoe zij buurgemeenten betrekt als het gaat om
                                    lokaal spoor in buurgemeenten.</al><al/><tussenkop> 3.3.2 V&amp;OR, gemeente Amsterdam</tussenkop><al>Het onderdeel Verkeer en Openbare Ruimte (V&amp;OR) van de
                                    gemeente Amsterdam is een belangrijke partner van Vervoerregio
                                    Amsterdam als gaat om projecten. V&amp;OR vervult twee rollen
                                    binnen de regelkring OV. </al><al/><al>In de eerste plaats verzorgt V&amp;OR de stedelijke
                                    programmering binnen de gemeente Amsterdam. De afdeling
                                    Stedelijke Programmering inventariseert en ordent alle verwachte
                                    projecten in de openbare ruimte en geeft aan waar zij knelpunten
                                    verwacht, bijvoorbeeld omdat volgens de individuele
                                    projectplanningen twee hoofdroutes gelijktijdig buiten gebruik
                                    worden gesteld. De Eigenarentafel, waar alle eigenaren van
                                    assets in de openbare ruimte vertegenwoordigd zijn, stemt de
                                    uitvoering van individuele projecten op elkaar af. Zo neemt
                                    V&amp;OR de gesignaleerde knelpunten weg en waar mogelijk
                                    realiseert V&amp;OR efficiencyvoordelen. Projecten waarvoor een
                                    vergunning voor het verrichten van werkzaamheden op in, boven,
                                    naast of onder de lokale infrastructuur nodig is, doorlopen alle
                                    het hierboven beschreven traject. De beheerder van de
                                    railinfrastructuur (Metro en Tram) neemt deel aan de
                                    Eigenarentafel en toetst de voorgestelde activiteiten op fysieke
                                    veiligheid. </al><al/><al>In de tweede plaats verzorgt V&amp;OR binnen de gemeente
                                    Amsterdam PBI-fase 1 – Startnotitie – en 2 – Nota van
                                    Uitgangspunten – voor alle infrastructuurprojecten. Dat geldt
                                    dus ook voor de lokale spoorinfrastructuur. Aan het eind van
                                    PBI-fase 2 neemt het dagelijks bestuur van de Vervoerregio
                                    Amsterdam een go/no-go besluit om het project te promoveren naar
                                    PBI-fase 3 – Definitiefase. Een soortgelijk besluit neemt het
                                    dagelijks bestuur van de Vervoerregio Amsterdam voordat het
                                    project gerealiseerd wordt dan wel de aanbesteding begint. De
                                    gemeente Amsterdam is gehouden aan de hierboven beschreven
                                    besluiten van de Vervoerregio Amsterdam. De gemeente Amsterdam
                                    mag niet zelfstandig besluiten tot het wijzigen van het lokale
                                    spoornetwerk. De rol- en taakverdeling bij de realisatie van
                                    nieuwe railinfrastructuur of railinfrastructuur die aanmerkelijk
                                    wijziging ondergaat, is verder vastgelegd in de Bestuurlijke
                                    Samenwerkingsovereenkomst en het ambtelijk afsprakenkader
                                    behorende bij de Investeringsagenda OV. Voor minder ingrijpende
                                    vervangingsprojecten is vaak geen PBI-fase 1 en 2 nodig en
                                    gelden de afspraken in het convenanten MVP Metro en BORI. Hierin
                                    is V&amp;OR geen partij. </al><al/><al>Het proces van de aanleg van en aanmerkelijke wijzigingen in de
                                    railinfrastructuur is volgens het Amsterdamse model van de
                                    PBI-fasering vastgelegd. </al><al/><al>Naast bovenstaande rollen is V&amp;OR ook verantwoordelijk voor
                                    de openbare ruimte in de stad en hoe deze wordt gebruikt.
                                    Jaarlijks vinden evenementen plaats die een normaal gebruik van
                                    de lokale railinfrastructuur verhinderen. Voorbeelden hiervan
                                    zijn Dodenherdenking, Koningsdag en de Amsterdam Marathon. De
                                    gemeente Amsterdam kan sinds de inwerkingtreding van de Wls niet
                                    eigenstandig kan beslissen om lokale spoorinfrastructuur buiten
                                    gebruik te nemen (behoudens voor beheer zolang het de
                                    exploitatie niet hindert). Daarom maken V&amp;OR en Vervoerregio
                                    Amsterdam afspraken over het tijdelijk buiten gebruikstellen van
                                    de lokale railinfrastructuur voor deze evenementen.</al><al/><tussenkop> 3.3.3 MET, gemeente Amsterdam</tussenkop><al>Als beheerder van het lokaal spoor draagt de gemeente Amsterdam
                                    er zorg voor dat de spoorinfrastructuur in goede staat verkeert,
                                    betrouwbaar en beschikbaar is, geschikt is en veilig gebruikt
                                    kan worden. Daarvoor moet de beheerder over een
                                    veiligheidsmanagementsysteem (VMS) beschikken dat binnen de
                                    kaders van de Visie lokaal spoor en de Veiligheidsvisie past en
                                    door ILT is beoordeeld. Het VMS is een voorwaarde voor een
                                    aanwijzingsbesluit. De gemeente Amsterdam draagt ook zorg voor
                                    het veilig werken aan het spoor, het aanleggen en vrijgeven van
                                    – aanmerkelijk gewijzigde – infrastructuur, het verstrekken van
                                    specifieke vergunningen en het toelaten van – aanmerkelijk
                                    gewijzigde – voertuig(typ)en. De gemeente Amsterdam voert het
                                    beheer uit binnen de door de Vervoerregio Amsterdam gestelde
                                    kaders en legt verantwoording af aan de Vervoerregio
                                    Amsterdam.</al><al/><al><vet>Aanleg en vrijgave – aanmerkelijk gewijzigde –
                                        infrastructuur</vet></al><al>Metro en Tram (MET) is verantwoordelijk voor de PBI-fasen 3 tot
                                    en met 5 waar het gaat om de realisatie van nieuwe of gewijzigde
                                    railinfrastructuur. Hierbij gelden de Subsidieverordening BDU
                                    Infrastructuur Vervoerregio Amsterdam (nieuwe infrastructuur),
                                    de convenanten BORI en MVP Metro (beheer, onderhoud en
                                    vervangingsonderhoud) en vooralsnog de Subsidieverordening
                                    Wp2000 als kaders. Conform de Wls stelt MET ten behoeve van de
                                    vergunning voor indienststelling van de nieuwe of gewijzigde
                                    lokale spoorinfrastructuur bij iedere aanmerkelijke aanpassing
                                    van het railnetwerk een informatiedossier, inclusief safetycase,
                                    op en laat deze beoordelen door ILT. Het college verleent in de
                                    uitoefening van de gedelegeerde bevoegdheid de vergunning voor
                                    indienststelling. In het geval ISA en/of ILT operationele
                                    voorwaarden definieert ten aanzien van het gebruik en/of het
                                    beheer, handhaaft MET deze. MET zet de voorwaarden ook om in
                                    operationele voorwaarden, als onderdeel van de
                                    toegangsovereenkomst met GVB Exploitatie BV.</al><al/><al><vet>Beheer</vet></al><al>De gemeente Amsterdam beheert de infrastructuur zodanig dat deze
                                    in goede staat verkeert, betrouwbaar en beschikbaar is, geschikt
                                    is en veilig gebruikt kan worden (Wls, artikel 5). Daarvoor moet
                                    de beheerder over een veiligheidsmanagementsysteem (VMS)
                                    beschikken. Het VMS moet voldoen aan de in de Visie lokaal spoor
                                    en Veiligheidsvisie gestelde kaders en door ILT positief zijn
                                    beoordeeld. Het VMS vormt tevens een voorwaarde om een
                                    aanwijzingsbesluit tot stand te laten komen. De gemeente
                                    Amsterdam draagt als beheerder zorg voor veilig werken aan het
                                    spoor.</al><al/><al>De Vervoerregio Amsterdam heeft ervoor gekozen het
                                    assetmanagement bij de beheerder onder te brengen. De beheerder
                                    adviseert de Vervoerregio Amsterdam daarover vanuit haar kennis
                                    en kunde. Daarnaast houdt gemeente Amsterdam de Vervoerregio
                                    Amsterdam op basis van kwartaalrapportages op de hoogte van de
                                    voortgang en kostenontwikkeling. De Vervoerregio Amsterdam is te
                                    allen tijde bevoegd een audit en eindtoets uit te voeren om zo
                                    haar integrale eindverantwoordelijkheid te borgen. De
                                    convenanten BORI en MVP Metro bevatten de nadere kaders
                                    waarbinnen MET het beheer van de lokale railinfrastructuur
                                    uitvoert namens de gemeente Amsterdam.</al><al/><al><vet>Escalatie</vet></al><al>De voorzitter van de safetyboard geeft in eerste instantie
                                    advies aan de directeur van MET. Indien deze ervoor kiest het
                                    advies niet op te volgen, kan de voorzitter direct en zonder
                                    tussenkomst van een lijnmanager het college van Burgemeester en
                                    Wethouders van de gemeente Amsterdam informeren.</al><al/><al/></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><nr>3.4</nr><titel>GVB Exploitatie: vervoerder</titel></kop><structuurtekst><al>GVB is vervoerder op basis van de verleende vervoerconcessie. Ook
                                wijst het dagelijks bestuur van de Vervoerregio Amsterdam het GVB
                                aan als verkeersleiding. GVB heeft een veiligheidscertificaat dat
                                borgt dat het vervoerproces aan de veiligheidsvereisten voldoet. De
                                vervoerder is t.a.v. nieuwe of gewijzigde railivoertuig(typ)en
                                verantwoordelijk voor het aanleveren van een informatiedossier,
                                inclusief safetycase, ten behoeve van de toetsing door ILT.</al><al/><al><vet>Vervoerder</vet></al><al>De belangrijkste taken van GVB als vervoerder zijn:</al><lijst><li nr="1."><al>Veilig benutten van het lokaal spoor ten behoeve van
                                        openbaar vervoer</al></li><li nr="2."><al>Bevoegd en bekwaam houden van veiligheidsfunctionarissen
                                        (opleiden en keuren)</al></li><li nr="3."><al>Het onderzoeken van incidenten en treffen van adequate
                                        maatregelen</al></li><li nr="4."><al>Proactief beoordelen van veiligheidsrisico’s en het treffen
                                        van mitigerende maatregelen </al></li><li nr="5."><al>Beschikbaar houden van voldoende en veilig materieel</al></li><li nr="6."><al>Het management van GVB faciliteert, beoordeelt en
                                        controleert veiligheidstaken en het creëert een cultuur
                                        waarin veiligheid voldoende is geborgd en continu
                                        verbetert.</al></li><li nr="7."><al>Opstellen, uitvoeren en continu verbeteren van een
                                        veiligheidsmanagementsysteem waarvan de kwaliteit voldoet
                                        aan de kaders vanuit de Visie lokaal spoor en de
                                        Veiligheidsvisie en tevens is beoordeeld door ILT en die
                                        voorwaarde is voor de afgifte van een
                                        veiligheidscertificaat.</al></li><li nr="8."><al>Het aanleveren van een informatiedossier, inclusief
                                        safetycase, ten behoeve van de toetsing door ILT voor nieuwe
                                        of gewijzigde voertuigtypen.</al></li></lijst><al/><al><vet>Verkeersleiding</vet></al><al>De aanwijzing van GVB als verkeersleiding was al geregeld in de
                                concessie, maar moet formeel voor de Wls nogmaals. Daarom is dit
                                hierboven expliciet opgenomen. De belangrijkste taken van GVB als
                                verkeersleiding zijn:</al><lijst><li nr="1."><al>Waar nodig aanwijzingen geven aan bestuurders van
                                        spoorvoertuigen met betrekking tot het verrichten van veilig
                                        en doelmatig vervoer.</al></li><li nr="2."><al>De verkeersleiding heeft bij de metro een veiligheidstaak en
                                        bij de tram door de bestuurdersverantwoordelijkheid als
                                        gevolg van rijden op zicht hoofdzakelijk een
                                        verkeerbegeleidende rol.</al></li><li nr="3."><al>Acteren tijdens noodsituaties en het alarmeren van de
                                        hulpdiensten bij calamiteiten.</al></li></lijst><al/><al><vet>Nieuwe of gewijzigde voertuig(typ)en</vet></al><al>GVB Activa BV is de eigenaar van alle railvoertuigen die GVB
                                Exploitatie BV gebruikt voor de exploitatie. De Wls legt de
                                verantwoordelijkheid voor veilige voertuigen bij de vervoerder, in
                                dit geval dus GVB Exploitatie BV.</al><al/><al>Ten behoeve van de vergunning voor indienststelling van de nieuwe of
                                gewijzigde spoorvoertuigen stelt GVB Exploiatie BV bij ieder nieuw
                                of aanmerkelijk gewijzigd railvoertuig(type) een informatiedossier
                                op, inclusief safetycase, en laat deze beoordelen door ILT. Het
                                college verleent in de uitoefening van de gedelegeerde bevoegdheid
                                de vergunning voor indienststelling.</al><al/></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><nr>3.5</nr><titel>Inspectie Leefomgeving en Transport: toezichthouder</titel></kop><structuurtekst><al>De Inspectie Leefomgeving en Transport is door de Minister
                                aangewezen als toezichthouder op de naleving van Wet lokaal spoor en
                                de regelgeving bij de beheerder en de vervoerder. Daarnaast geeft de
                                inspectie schriftelijke verklaringen af op basis waarvan
                                vergunningen voor indienststelling van lokale spoorweginfrastructuur
                                en spoorvoertuigen kunnen worden verleend.</al><al>De schriftelijke verklaringen van de Inspectie Leefomgeving en
                                Transport (ILT) hebben hoofdzakelijk betrekking op de kwaliteit van
                                veiligheidsmanagementsystemen van de beheerder en de vervoerder, het
                                toelaten van – aanmerkelijk gewijzigd – materieel en het in dienst
                                nemen van aanmerkelijk gewijzigde of nieuwe railinfrastructuur.</al><al>Daarnaast houdt ILT toezicht op de werkzaamheden van de beheerder en
                                vervoerder. Daarbij controleert ILT of de beheerder en vervoerder
                                hun werkzaamheden daadwerkelijk volgens het
                                veiligheidsmanagementsysteem uitvoeren.</al><al/><al>Voor wat betreft incidenten geldt dat in de praktijk de vervoerder
                                ernstige incidenten meldt aan ILT en tegelijkertijd aan de beheerder
                                en de Vervoerregio Amsterdam. Op basis van artikel 16 van de Wls
                                laat de Vervoerregio Amsterdam ernstige ongevallen onderzoeken.
                                Daarvoor heeft zij de toezichthouder ILT (artikel 42 van de Wls )
                                aangewezen als bevoegd ambtenaar voor het uitvoeren van onderzoeken.
                                ILT verricht ook piketdiensten namens de Vervoerregio Amsterdam als
                                reactie op meldingen die de vervoerder namens de beheerder doet op
                                grond van artikel 20. De Vervoerregio Amsterdam heeft met ILT
                                afspraken gemaakt over vervolgacties en zo nodig het uitvoeren van
                                onafhankelijk onderzoek.</al><al/><al/></structuurtekst></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><nr>4</nr><titel>Prestatieafspraken</titel></kop><paragraaf><kop><nr>4.1</nr><titel>Behoud van kwaliteit</titel></kop><structuurtekst><al>Vanuit de rol- en taakverdeling hebben partijen afspraken gemaakt om
                                te komen tot goede prestaties van het openbaar vervoer over het
                                lokaal spoor. Om na te gaan of de partijen aan de prestatieafspraken
                                voldoen, rapporteren de partijen de Vervoerregio Amsterdam daar
                                periodiek over.</al><al>Het dagelijks bestuur van de Vervoerregio Amsterdam hanteert het
                                principe van ‘stand still’. Dat betekent dat na de inwerkingtreding
                                van de Wet lokaal spoor de prestaties van een veilig werkend
                                vervoersysteem verbeteren of anders minimaal gelijk blijven. De
                                prestaties hebben betrekking op zowel het gebruik als op het
                                beheer.</al><al>Voor een concrete invulling van het ‘stand still’-principe zijn
                                prestatieafspraken gemaakt. Voor de onderwerpen gebruik, aanleg,
                                beheer &amp; onderhoud en veiligheid zijn hiervoor kern prestatie
                                indicatoren (KPI´s) en procesafspraken voor het aanleveren van een
                                informatiedossier gedefinieerd. In de OV-concessie Amsterdam
                                2012zijn voor het gebruik prestatieafspraken vastgelegd. Over het
                                beheer en onderhoud zijn op hoofdlijnen prestatieafspraken
                                vastgelegd in de convenanten BORI en MVP Metro van gemeente
                                Amsterdam en de Vervoerregio Amsterdam. Deze prestatieafspraken zijn
                                in het kader van één van de ontwikkeltrajecten verder uitgewerkt in
                                ‘Voorschrift Metro / Tram, Kern Prestatie-Indicatoren (KPI’s) en
                                Prestatie-Indicatoren (PI’s) voor het Convenant BORI
                                (Sturingsrelatie Gemeente-Vervoerregio)’, concept 24 maart 2015. De
                                Vervoerregio Amsterdam en de Gemeente Amsterdam evalueren deze KPI’s
                                en bijbehorende normeringen begin 2016. Daarna worden deze aan het
                                dagelijks bestuur van de Vervoerregio Amsterdam aangeboden voor
                                definitieve vaststelling en maken deze integraal onderdeel uit van
                                deze visie.</al><al/></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><nr>4.2</nr><titel>Gebruik: exploitatie openbaar vervoer</titel></kop><structuurtekst><al>De monitoring van de veiligheid van de exploitatie van het openbaar
                                vervoer vindt plaats met behulp van op incidentregistratie
                                gebaseerde KPI’s. Monitoring van deze KPI’s vindt plaats aan de hand
                                van kwartaalrapportages. Het betreft:</al><lijst><li nr="1."><al>het aantal aanrijdingen met medeweggebruikers met en zonder
                                        letsel (alleen tram);</al></li><li nr="2."><al>letsel in voertuigen en op perrons dan wel stations als
                                        indicatoren voor directe (on)veiligheid;</al></li><li nr="3."><al>ontsporingen (alleen tram);</al></li><li nr="4."><al>stoptonend sein (STS)-passages als incidenten met een hoog
                                        risico voor ernstig ongeval met letsel.</al></li></lijst><al/><al>Daarnaast zijn in de openbaar vervoerconcessie kern prestatie
                                indicatoren opgenomen om te kunnen (bij)sturen op een optimale
                                dienstverlening richting de reiziger. Hoewel deze KPI’s onder de Wet
                                Personenvervoer 2000 vallen, zijn ze hier vanuit de integrale
                                benadering wel opgenomen. Deze afspraken zijn gemaakt in de
                                concessieovereenkomst.</al><al/><al><plaatje><illustratie id="i5323b5ad-36c7-4b03-8220-09aede721146" naam="i262817i5323b5ad-36c7-4b03-8220-09aede721146.jpg" type="foto" breedte="15.9cm" hoogte="5.20cm"/></plaatje></al><al>Monitoring van lijngebonden KPI´s vindt plaats op basis van
                                maandelijkse rapportages. De monitoring van de modaliteitgebonden
                                KPI´s geschiedt aan de hand van kwartaalrapportages. Daarnaast is er
                                jaarlijks een financiële verrekening in de vorm van
                                bonus-malus.</al><al/></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><nr>4.3</nr><titel>Aanleg railinfrastructuur en aanmerkelijke wijzigingen</titel></kop><structuurtekst><al>In het Integraal Programma van Eisen Tram – IPvE Tram – en het
                                Integraal Programma van Eisen Metro Tram – IPvE Metro – zijn
                                inhoudelijke en functionele eisen vastgelegd voor alle facetten van
                                de betreffende vervoersystemen. Beide IPvE’s bestaan uit twee delen:
                                een topspecificatie en vijf segmentspecificaties. De topspecificatie
                                bevat de doelstellingen en randvoorwaarden van de opdrachtgever en
                                de topeisen die voor het railsysteem als geheel gelden. De
                                segmentspecificaties zijn afzonderlijke documenten die de volgende
                                onderwerpen bevatten: beheer &amp; onderhoud, exploitatie, stations
                                &amp; haltes, infrastructuur en materieel. Overigens beschrijven de
                                IPvE’s de zogenaamde SOLL-situatie en niet de IST-situatie. Hierdoor
                                kan het IPvE niet één-op-één dienen als uitgangspunt voor
                                bijvoorbeeld een aanbesteding van voertuigen, maar is er altijd
                                maatwerk nodig om op de bestaande situatie aan te kunnen sluiten. De
                                procedure waaraan de gemeente moet voldoen staat beschreven in de
                                Veiligheidsvisie.</al><al/><al/></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><nr>4.4</nr><titel>Beheer en onderhoud railinfrastructuur</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 17 van de Wls schrijft voor dat de Visie lokaal spoor
                                prestatienormen bevat die betrekking hebben op kwaliteit,
                                betrouwbaarheid en beschikbaarheid van de lokale
                                spoorweginfrastructuur. Daarnaast dienen tijdstippen te zijn bepaald
                                waarop de beheerder de verschillende onderdelen van de lokale
                                spoorweginfrastructuur periodiek schouwt.</al><al/><al>In de afspraken binnen de regio Amsterdam is artikel 17 vertaald
                                naar kern prestatie indicatoren – (K)PI’s – voor:</al><lijst><li nr="1."><al>Veiligheid</al></li><li nr="2."><al>Kwaliteit </al></li><li nr="3."><al>Value for money, dit is te vertalen als
                                        prijs-kwaliteitverhouding</al></li></lijst><al/><al>Onderliggend zijn prestatie indicatoren vastgesteld, de zogenaamde
                                PI’s. Voor de (K)PI’s is onderscheid gemaakt naar metro- en
                                traminfrastructuur. Onderstaand zijn de ‘dashboards’ met (K)PI’s
                                opgenomen voor metro en tram.</al><al/><al><plaatje><illustratie id="ie86b8647-7975-43dc-a3b2-8929f9e8aecf" naam="i262818ie86b8647-7975-43dc-a3b2-8929f9e8aecf.jpg" breedte="15.9cm" type="foto" hoogte="9.90cm"/></plaatje></al><al>De dashboards geven een samenvatting van de prestaties en maken deze
                                inzichtelijk. De som van de standen van de onderliggende PI’s
                                bepaalt de stand van de meter. </al><al/><al>Het ´Voorschrift Metro / Tram, Kern Prestatie-Indicatoren (KPI’s) en
                                Prestatie-Indicatoren (PI’s) voor het Convenant BORI
                                (Sturingsrelatie Gemeente-Vervoerregio)´, concept 24 maart 2015, is
                                opgenomen als bijlage. Daarin zijn de KPI’s nader uitgewerkt en zijn
                                ook de bijbehorende normen opgenomen. Zodra het dagelijks bestuur
                                van de Vervoerregio Amsterdam het definitieve voorschrift
                                bestuurlijk heeft vastgesteld, gelden de daarin opgenomen
                                KPI´s.</al><al/><al>Als de gemeente Amsterdam voldoet aan de normen die voor de KPI’s
                                zijn gesteld, voldoet zij aan de in de Wls gevraagde kwaliteit,
                                beschikbaarheid en betrouwbaarheid. Indien de gemeente Amsterdam
                                niet voldoet aan de afgesproken prestaties geldt een herstelperiode.
                                In de beleidsregels bij de delegatie is vastgelegd dat het dagelijks
                                bestuur dan een verbeterplan kan opleggen. Als de gemeente Amsterdam
                                de prestaties na de herstelperiode nog niet behaalt of herstelt, dan
                                kan de Vervoerregio Amsterdam overgaan tot maatregelen.</al><al/><al>Voor het beheer en onderhoud van de railinfrastructuur in Amsterdam
                                zijn twee convenanten die het procesmatig en financieel mogelijk
                                maken om de gewenste prestaties af te dwingen, te weten:</al><lijst><li nr="1."><al>Convenant beheer en onderhoud railinfrastructuur 2013-2024,
                                        inclusief het meerjaren vervangingsprogramma tram</al></li><li nr="2."><al>Convenant meerjaren vervangingsprogramma metro </al></li></lijst><al/><al>Monitoring van deze afspraken vindt plaats op basis van KPI’s in
                                reguliere kwartaalrapportages. Daarin spiegelt de gemeente Amsterdam
                                samen met de Vervoerregio Amsterdam onder meer of de gemeente aan
                                het principe van ‘stand still’ voldoet.</al><al>Daarnaast vinden er periodiek schouwen plaats om de kwaliteit en de
                                veiligheid te controleren. In haar beheerplan neemt de gemeente
                                Amsterdam de frequentie van schouwen op en stemt dat af met het
                                dagelijks bestuur van de Vervoerregio Amsterdam.</al><al/><al/></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><nr>4.5</nr><titel>Kwaliteitsborging en kwaliteitsverbetering</titel></kop><structuurtekst><al>Om de kwaliteit van gebruik, beheer en onderhoud te borgen en te
                                verbeteren hanteert de Vervoerregio Amsterdam op prestatieniveau de
                                cirkel van Deming. De vier in de cirkel benoemde activiteiten
                                bevorderen dat kwaliteitsverbetering een continu onder de aandacht
                                is.</al><al><plaatje><illustratie id="i550c307d-5ae2-416b-987b-595e97fa374b" naam="i262819i550c307d-5ae2-416b-987b-595e97fa374b.jpg" type="foto" breedte="7.8cm" hoogte="6.00cm"/></plaatje></al><al>Voor prestaties onderscheidt de cirkel van Deming de volgende
                                stappen:</al><lijst><li nr="1."><al>Plannen maken (Plan): de gemeente stelt jaarlijks een
                                        beheerplan op om een voorgenomen resultaat te bereiken.</al></li><li nr="2."><al>Uitvoeren (Do): het uitvoeren van de activiteiten uit het
                                        beheerplan.</al></li><li nr="3."><al>Controle (Check): evalueren van uitgevoerde maatregelen en
                                        de stand van zaken opnemen om vast te stellen of de doelen
                                        zijn gehaald door beoordelen van KPI’s en onderzoeken in
                                        kwartaal- en jaarrapportages.</al></li><li nr="4."><al>Verbetermaatregelen uitvoeren (Act): binnen het kader van
                                        het beheerplan nader verbeteringen invullen en afspraken
                                        maken met de beheerder en vervoerder over bijstelling van de
                                        prestatie-eisen.</al></li></lijst><al/><al>Dit continu doorlopend proces leidt tot handhaving van het
                                kwaliteitsniveau van de prestaties en waar mogelijk verhoging
                                daarvan.</al><al/><al/></structuurtekst></paragraaf></hoofdstuk></regeling-tekst><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>1</nr><titel><vet>partijen en afspraken rondom de onderdelen van het bestaande
                            vervoerssysteem</vet></titel></kop><al/><al><plaatje><illustratie id="i1ea92fad-c828-410f-98fd-f19cc7620647" naam="i287211i1ea92fad-c828-410f-98fd-f19cc7620647.png" type="foto" breedte="15.9cm" hoogte="10.51cm"/></plaatje></al></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>2</nr><titel>Delegatiebesluit en beleidsregels</titel></kop><al/><al>Delegatiebesluit Wet lokaal spoor Kenmerk BBV/2015/1745</al><al/><al>Het dagelijks bestuur van de Vervoerregio Amsterdam,</al><al> overwegende dat, </al><lijst><li nr=""><al>-het dagelijks bestuur van de Vervoerregio Amsterdam ( het dagelijks
                            bestuur) per 1 december 2015 op grond van artikel 4, tweede lid, van de
                            Wet lokaal spoor, dient zorg te dragen voor de aanleg en het beheer van
                            de lokale spoorweginfrastructuur, voor zover die is gelegen in het
                            gebied van de stadsregio Amsterdam; </al></li><li nr=""><al>-daarmee de integrale bestuurlijke eindverantwoordelijkheid voor zowel
                            het regionale verkeer- en vervoerbeleid als voor de veiligheid op de
                            lokale spoorweginfrastructuur in het gebied van de stadsregio Amsterdam
                            bij het dagelijks bestuur komt te liggen; </al></li><li nr=""><al>-het dagelijks bestuur op grond van de Wet BDU verkeer en vervoer
                            bevoegd is om subsidies voor het beheer en onderhoud van de lokale
                            spoorweginfrastructuur in de stadsregio Amsterdam te verstrekken en
                            hieraan verplichtingen te verbinden; </al></li><li nr=""><al>-het dagelijks bestuur op grond van de Wet lokaal spoor ten minste een
                            maal in de vier jaar een visie dient vast te stellen ten aanzien van een
                            kwalitatief goed en doelmatig beheer van de lokale
                            spoorweginfrastructuur;</al></li><li nr=""><al>-het dagelijks bestuur op grond van artikel 4, derde lid, van de Wet
                            lokaal spoor, een aantal uitvoeringstaken uit deze wet mag delegeren aan
                            het college van burgemeester en wethouders van een van de in het gebied
                            van de stadsregio Amsterdam liggende gemeenten; </al><al>het dagelijks bestuur bij implementatie en uitvoering van de Wet lokaal
                            spoor zoveel mogelijk recht wil doen aan de positie van de gemeente
                            Amsterdam als rechthebbende en wegbeheerder van de lokale
                            spoorweginfrastructuur in de stadsregio Amsterdam; </al><al>het dagelijks bestuur bij implementatie en uitvoering van de Wet lokaal
                            spoor zoveel mogelijk wil aansluiten op bestaande afspraken en
                            verhoudingen tussen de Vervoerregio Amsterdam, de gemeente Amsterdam,
                            GVB en de betrokken wegbeheerders, te weten de gemeenten Amstelveen,
                            Diemen en Ouder-Amstel; </al><al>-gelet hierop het dagelijks bestuur de beheertaken die op grond van de
                            Wet lokaal spoor gedelegeerd mogen worden, te weten het aanwijzen van de
                            beheerder en daarmee samenhangende bevoegdheden en de bevoegdheden met
                            betrekking tot het verlenen van vergunningen, wenst te delegeren aan het
                            college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam;</al><al>-bij delegatie van deze beheertaken de bestuurlijke
                            eindverantwoordelijkheid voor de uitvoering ervan overgaat op het
                            college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam; </al><al>-de wettelijke aansprakelijkheid berust bij de gemeente Amsterdam als
                            eigenaar en beheerder van de lokale spoorweginfrastructuur; </al><al>-gelet op artikel 4, derde lid, van de Wet lokaal spoor en afdeling
                            10.1.2 van de Algemene wet bestuursrecht,</al><al/></li></lijst><al/><al><vet>BESLUIT:</vet></al><lijst><li nr=""><al/><lijst><li nr="1."><al>de bevoegdheid tot het verlenen, eisen, schorsen en intrekken
                                    van een vergunning voor het indienststellen van lokale
                                    spoorweginfrastructuur, als bedoeld in artikel 9, eerste lid,
                                    van de Wet lokaalspoor op grond van artikel 9, tweede lid,
                                    artikel 10, derde lid en artikel 11 van de Wet lokaal spoor te
                                    delegeren aan het college van burgemeester en wethouders van de
                                    gemeente Amsterdam; </al></li><li nr="2."><al>de bevoegdheden als bedoeld in artikel 12 van de Wet lokaalspoor
                                    met betrekking tot de vergunning voor het op, in boven, naast of
                                    onder de lokale spoorweg uitvoeren of doen uitvoeren van
                                    werkzaamheden of het plaatsen van zaken te delegeren aan het
                                    college van burgemeester en wethouders van de gemeente
                                    Amsterdam;</al></li><li nr="3."><al>de bevoegdheid tot het aanwijzen van de beheerder op grond van
                                    artikel 18, eerste lid, van de Wet lokaal spoor, alsmede de met
                                    het aanwijzen van de beheerder samenhangende bevoegdheden op
                                    grond van artikel 18, vierde tot en met tiende lid, artikel 17,
                                    derde lid, artikel 20, vierde lid, artikel 21, tweede tot en met
                                    vierde lid, en artikel 22, tweede lid, te delegeren aan het
                                    college van burgemeester en wethouders van de gemeente
                                    Amsterda</al></li><li nr="4."><al>de bevoegdheden met betrekking tot de vergunning voor
                                    indienststelling van een spoorvoertuig, een gewijzigd
                                    spoorvoertuig of een type spoorvoertuig op grond van artikel 32,
                                    tweede en vijfde lid, artikel 33, derde lid, en artikel 34,
                                    eerste en zesde lid, van de Wet lokaal spoor, alsmede de
                                    bevoegdheid tot het verbieden van het gebruik van een
                                    spoorvoertuig op grond van artikel 35, tweede lid, te delegeren
                                    aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente
                                    Amsterdam;</al></li><li nr="5."><al>het college van burgemeester en wethouders van de gemeente
                                    Amsterdam op te dragen bij de uitoefening van de gedelegeerde
                                    bevoegdheden onder 1 tot en met 4 te handelen overeenkomstig de
                                    door het dagelijks bestuur vastgestelde “Beleidsregels ter zake
                                    van gedelegeerde bevoegdheden Wet lokaal spoor”; </al></li><li nr="6."><al>te bepalen dat dit besluit wordt aangehaald als het
                                    “Delegatiebesluit Wet lokaal spoor Vervoerregio Amsterdam” en,
                                    na bekendmaking, in werking treedt op 1 december 2015 en geldt
                                    voor de duur van vier jaar, tot 1 december 2019;</al></li><li nr="7."><al>te bepalen dat het dagelijks bestuur tenminste een jaar voor
                                    afloop van deze periode van vier jaar een besluit neemt over al
                                    dan niet verlengen van onderhavig Delegatiebesluit.</al><al/></li></lijst></li></lijst><al>Aldus vastgesteld in de vergadering van het dagelijks bestuur van de
                    Vervoerregio Amsterdam op 17 september 2015,</al><al/><al>Secretaris</al><al>drs. A. Joustra </al><al/><al>Voorzitter</al><al> mr. E.E. van der Laan</al><al/><al><cursief>Beleidsregels ter zake van gedelegeerde bevoegdheden Wet lokaal
                        spoor</cursief></al><al/><al>Het dagelijks bestuur van de Vervoerregio Amsterdam,</al><al>Gelet op artikel 4, derde lid, Wet lokaal spoor en artikel 10:16 van de Algemene
                    wet bestuursrecht; </al><al>Besluit vast te stellen de navolgende beleidsregels:</al><al/><al><vet>Artikel 1 Toepassingsbereik</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Deze beleidsregels zijn van toepassing op de uitoefening van de
                            bevoegdheden door het college van burgemeester en wethouders van de
                            gemeente Amsterdam (het college) zoals gedelegeerd bij besluit van het
                            dagelijks bestuur van de Vervoerregio Amsterdam (het dagelijks bestuur)
                            d.d. 17 september 2015 met kenmerk BBV/2015/1745 (Delegatiebesluit) op
                            grond van artikel 4, derde lid, van de Wet lokaal spoor (Wls). </al></li><li nr="2."><al>Het college oefent deze bevoegdheden uit in het gebied van de stadsregio
                            Amsterdam, waaronder begrepen het grondgebied van de gemeenten
                            Amstelveen, Diemen en Ouder-Amstel.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2 Beheervisie</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het college oefent de gedelegeerde bevoegdheden uit binnen de kaders die
                            het dagelijks bestuur heeft gesteld in de Visie Lokaal Spoor
                            Vervoerregio Amsterdam d.d. 8 oktober 2015, de Veiligheidsvisie openbaar
                            vervoer Vervoerregio Amsterdam d.d. 8 oktober 2015, het Convenant beheer
                            en onderhoud railinfrastructuur Amsterdam 2013 tot en met 2024 d.d. 10
                            december 2013, de jaarlijkse Subsidiebeschikking Beheer en onderhoud
                            railinfrastructuur Amsterdam en de kaders die de Regioraad van de
                            Vervoerregio Amsterdam heeft gesteld in het Convenant Meerjaren
                            Vervangingsprogramma Metro d.d. 13 oktober 2015. Deze documenten vormen
                            tezamen de visie als bedoeld in artikel 17, lid 1, Wls waarin onder meer
                            prestatienormen en –indicatoren ten aanzien van de kwaliteit,
                            betrouwbaarheid en beschikbaarheid van de lokale spoorweginfrastructuur
                            zijn vastgelegd. </al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 3 Exploitatie</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het college houdt bij het uitoefenen van de gedelegeerde bevoegdheden
                            rekening met de gevolgen voor de exploitatie van de lokale
                            spoorweginfrastructuur</al></li><li nr="2."><al>Ten aanzien van de metro infrastructuur handelt het college conform de
                            Procedure tijdelijke buitengebruikname metrospoor zoals vastgesteld door
                            het dagelijks bestuur op 18 oktober 2012 (TBGN Metro).</al></li><li nr="3."><al>Het college handelt en draagt ervoor zorg dat andere betrokkenen
                            handelen conform de procedure TBGN Metro indien de uitoefening van de
                            gedelegeerde bevoegdheden leidt tot een tijdelijke buitengebruikstelling
                            van de metro infrastructuur </al></li><li nr="4."><al>Het college stelt in samenspraak met het dagelijks bestuur voor 1 maart
                            2016 een procedure op voor de tijdelijke buitengebruikstelling van
                            traminfrastructuur waarbij de TBGN Metro als basis dient; het dagelijks
                            bestuur stelt deze procedure vast. </al></li><li nr="5."><al>In de periode tot 1 maart 2016 draagt het college er zorg voor dat bij
                            tijdelijke buitengebruikstelling van de traminfrastructuur de
                            vervoerders tijdig op de hoogte worden gesteld.</al></li><li nr="6."><al>In de periode tot 1 maart 2016 draagt het college er zorg voor dat de
                            veroorzaker van de tijdelijke buitengebruikstelling van de
                            traminfrastructuur en de betreffende vervoerder(s) in overleg treden
                            over een vervangend vervoerplan indien hiertoe aanleiding is.</al></li></lijst><al/><al><vet> Artikel 4 Safety Board</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het college geeft opdracht tot het instellen van een onafhankelijk
                            adviesorgaan, in de vorm van een safety board (SB), waarin alle bij het
                            railvervoersysteem in de regio Amsterdam betrokken organisaties,
                            waaronder in ieder geval de gemeente Amsterdam, de Vervoerregio
                            Amsterdam en GVB, vertegenwoordigd zijn. </al></li><li nr="2."><al>Het college draagt dit adviesorgaan op onafhankelijk te adviseren over
                            de veiligheid in het kader van de Wls in de stadsregio Amsterdam en
                            draagt ervoor zorg dat de SB kan beschikken over alle relevante
                            informatie dienaangaande.</al></li><li nr="3."><al>Het college draagt de SB op om bij een niet-unaniem advies de
                            verschillende standpunten gemotiveerd in het advies weer te geven.</al></li><li nr="4."><al>Het college dient het advies van de SB te betrekken bij besluiten over
                            vergunningen in het kader van de Wls, voor zover veiligheidsrelevant.
                        </al></li><li nr="5."><al>Indien het college voornemens is om van een negatief advies van de SB
                            over afgifte van een vergunning af te wijken, dan is het college
                            gehouden het dagelijks bestuur te consulteren alvorens een besluit te
                            nemen. </al></li></lijst><al><vet>Artikel 5 Vergunning indienststelling spoorweginfrastructuur (artikel 9,
                        tweede lid, artikel 10, derde lid, Wls)</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het college verleent uitsluitend een vergunning als bedoeld in artikel
                            9, eerste lid, Wls indien de lokale spoorweginfrastructuur
                                <onderstreept>aantoonbaar</onderstreept> voldoet aan de artikelen 5
                            en 6, eerste lid, Wls.</al></li><li nr="2."><al>Het college eist dat voor elke aanmerkelijke verbetering, vernieuwing of
                            wijziging van de infrastructuur een vergunning wordt aangevraagd. </al></li><li nr="3."><al>Het college stelt overeenkomstig de methode Common Safety Methods
                            (Verordening (EU) 402/2013) (of toekomstige relevante wet- en
                            regelgeving) vast of een verbetering, vernieuwing of wijziging van de
                            lokale spoorweginfrastructuur aanmerkelijk is als bedoeld in artikel 10,
                            tweede lid, Wls.</al></li><li nr="4."><al>Het college eist dat bij elk project voor nieuwe of aanmerkelijk te
                            verbeteren, te vernieuwen of te wijzigen infrastructuur een safety
                            manager en een Independant Safety Assessor (ISA) worden aangesteld.
                        </al></li><li nr="5."><al>Het college eist dat ten behoeve van een vergunning als bedoeld in
                            artikel 9, eerste lid, Wls een ISA-verklaring wordt overgelegd die een
                            toets bevat op het proces en inhoudelijk op het realiseren van
                            veiligheidsdoelen/streefwaarden uit de Veiligheidsvisie openbaar vervoer
                            Vervoerregio Amsterdam d.d. 8 oktober 2015] of uit projectbesluiten;
                            tevens ziet het college erop toe dat de door ISA gesignaleerde
                            tekortkomingen aantoonbaar zijn hersteld.</al></li><li nr="6."><al>Het college eist dat in een project tekortkomingen en
                            aanbevelingen/adviezen uit de verklaring van de toezichthouder als
                            bedoeld in artikel 9, derde lid, Wls aantoonbaar zijn opgevolgd tenzij
                            het college beschikt over een ISA-verklaring waarin is onderbouwd dat
                            van deze aanbevelingen/adviezen kan worden afgeweken. </al></li><li nr="7."><al>Indien het college voornemens is om van een verklaring van de
                            toezichthouder als bedoeld in artikel 9, derde lid, Wls en/of van een
                            ISA-verklaring af te wijken, dan is het college gehouden het dagelijks
                            bestuur vooraf te consulteren.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 6 Schorsen/intrekken vergunning spoorweginfrastructuur (artikel 11
                        Wls)</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Een melding van de toezichthouder, de vervoerder of medewerkers van de
                            beheerder zelf over onveilige infrastructuur moet direct leiden tot
                            onderzoek en in geval van acuut gevaar moet het college direct
                            maatregelen treffen.</al></li><li nr="2."><al>Het college informeert het dagelijks bestuur en de toezichthouder direct
                            over de melding en de te treffen maatregelen.</al></li><li nr="3."><al>Het college volgt de aanwijzingen van de toezichthouder direct op en het
                            college beëindigt de maatregelen ingevolge de aanwijzingen niet eerder
                            dan nadat het hiervoor toestemming van de toezichthouder heeft
                            verkregen.</al></li><li nr="4."><al>Indien de getroffen maatregelen niet leiden tot een veilige situatie of
                            indien het college geen maatregelen treft, zodat de lokale
                            spoorweginfrastructuur niet langer voldoet aan de artikel 5 en 6, eerst
                            lid, Wls, dient het college over te gaan tot schorsen of intrekken van
                            een vergunning voor indienststelling van spoorweginfrastructuur als
                            bedoeld in artikel 9, eerst lid, Wls.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 7 Vergunning werkzaamheden lokale spoorweg (artikel 12
                    Wls)</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het college stelt vóór 1 december 2015 een procedure vast voor de
                            uitoefening van de gedelegeerde bevoegdheid tot het verlenen van
                            vergunningen voor het (doen) uitvoeren van werkzaamheden of het plaatsen
                            van zaken op, in, boven, naast of onder de lokale spoorweg ter borging
                            van een efficiënt en doelmatig vergunning proces. Het college legt in
                            deze procedure onder meer afspraken met de betrokken wegbeheerders
                            vast.</al></li><li nr="2."><al>Het college stelt het dagelijks bestuur in kennis van deze procedure en
                            verstrekt inlichtingen over de toepassing ervan.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 8 Afspraken met beheerder (artikel 17, derde lid, Wls)</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het college maakt via de jaarlijkse planning en control cyclus van de
                            gemeente Amsterdam afspraken met de beheerder over de uitvoering van de
                            beheertaken en de benodigde middelen ter realisatie van de afspraken als
                            bedoeld in artikel 17, derde lid, Wls.</al></li><li nr="2."><al>Het college baseert deze afspraken op de door het dagelijks bestuur
                            vastgestelde prestatienormen en –indicatoren als bedoeld in artikel 17,
                            eerste en tweede lid, Wls zoals deze zijn vastgelegd in de Visie lokaal
                            spoor d.d. 8 oktober 2015.</al></li><li nr="3."><al>Deze afspraken dienen tevens te passen binnen de door het dagelijks
                            bestuur vastgestelde kaders als bedoeld in artikel 2. </al></li><li nr="4."><al>Naast de afspraken die het college met de beheerder maakt om te voldoen
                            aan de vereisten van artikel 17, derde lid, Wls kan het college
                            afspraken met de beheerder maken mits:</al></li><li nr=""><al>a. deze afspraken niet strijdig zijn met wet- en regelgeving en de door
                            het dagelijks bestuur vastgestelde kaders als bedoeld in artikel 2;
                        </al></li><li nr=""><al>b. (meer)kosten ten gevolge van deze afspraken niet ten laste komen van
                            het budget dat door de Vervoerregio Amsterdam beschikbaar is
                            gesteld;</al></li><li nr=""><al>c. deze afspraken geen negatief effect hebben op de exploitatie van het
                            openbaar vervoer op de lokale spoorweginfrastructuur.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 9 Aanwijzen beheerder (artikel 18, eerste en vierde t/m tiende lid,
                        Wls)</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het college wijst de beheerder aan voor een periode tot uiterlijk eind
                            2024.</al></li><li nr="2."><al>Aan de aanwijzing van de beheerder verbindt het college op grond van
                            artikel 18, zesde lid, Wls de volgende voorschriften met betrekking tot
                            de uitvoering van de beheertaak en de door de beheerder te verstrekken
                            gegevens aan de toezichthouder:</al><lijst><li nr=""><al>-De beheerder is gehouden de Europese aanbestedingsregels in
                                    acht te nemen in het geval hij voornemens is het verrichten van
                                    het feitelijk onderhoud aan de lokale spoorweginfrastructuur
                                    door derden te laten verrichten.</al></li><li nr=""><al>-De beheerder is gehouden een proces in te richten waarin is
                                    uitgewerkt op welke wijze hij zal voldoen aan de vereisten uit
                                    de Veiligheidsvisie openbaar vervoer Vervoerregio Amsterdam d.d.
                                    8 oktober 2015, en waarin is beschreven dat hij aan de
                                    Vervoerregio rapporteert over de veiligheidsprestaties, alsmede
                                    dat hij verbeterplannen opstelt en uitvoert in geval niet wordt
                                    voldaan aan de doelstellingen.</al></li><li nr=""><al>-De beheerder is gehouden een proces in te richten voor het
                                    opstellen van verbeterplannen naar aanleiding van bevindingen
                                    van de toezichthouder en het uitvoeren van deze verbeterplannen
                                    na instemming van de toezichthouder, alsmede voor de uitvoering
                                    van alle adviezen van de toezichthouder.</al></li><li nr=""><al>-De beheerder is gehouden aan de toezichthouder alle informatie
                                    te leveren die deze nodig acht voor het uitvoeren van de
                                    toezichthoudende taak.</al></li></lijst></li></lijst><al/><al>Artikel 10 Uitvoering beheertaak (artikel 20, vierde lid, artikel 21, tweede t/m
                    vierde lid, Wls)</al><lijst><li nr="1."><al>Het college rapporteert jaarlijks aan het dagelijks bestuur via vier
                            kwartaalrapportages en een jaarverslag/-rekening over de uitvoering van
                            de beheertaak door de beheerder conform de hieraan gestelde eisen in
                            artikel 10 van het Convenant beheer en onderhoud railinfrastructuur
                            Amsterdam 2013 tot en met 2024 d.d. 10 december 2013.</al></li><li nr="2."><al>In het geval het dagelijks bestuur constateert dat de beheerder bij de
                            uitvoering van de beheertaak niet voldoet aan wet- en regelgeving en/of
                            de door het dagelijks bestuur vastgestelde kaders als bedoeld in artikel
                            2, kan het dagelijks bestuur het college de verplichting opleggen om een
                            verbeterplan op te stellen. </al></li><li nr="3."><al>Bij het opleggen van deze verplichting beschrijft het dagelijks bestuur
                            de tekortkomingen van de beheerder en de termijn waarbinnen het college
                            het verbeterplan ter instemming aan het dagelijks bestuur dient voor te
                            leggen.</al></li><li nr="4."><al>In het verbeterplan beschrijft het college de adequate maatregelen en de
                            geplande uitvoering daarvan, ter opheffing van de tekortkomingen van de
                            beheerder.</al></li><li nr="5."><al>Na instemming van het dagelijks bestuur met het verbeterplan, neemt het
                            college de tenuitvoerlegging van het plan terstond ter hand, waarbij het
                            college gebruik kan maken van de gedelegeerde bevoegdheid om bindende
                            aanwijzingen aan de beheerder te geven. </al></li></lijst><al/><al>Artikel 11 Regels werkzaamheden lokale spoorweg (artikel 22, tweede lid,
                    Wls)</al><lijst><li nr="1."><al>Het college neemt bij het uitoefenen van de gedelegeerde bevoegdheid
                            ingevolge artikel 22, tweede lid, Wls de regelgeving voor Veilig Werken
                            van de Stichting RailAlert (of toekomstige relevante wet- en
                            regelgeving), te weten het Normenkader Veilig Werken (NVW), de
                            Voorschriften Veilig Werken Tram (VVW Tram) en de Voorschriften Veilig
                            Werken Metro (VVW Metro), in acht. </al></li><li nr="2."><al>Indien de regelgeving Veilig Werken van de Stichting RailAlert voor de
                            metro nog niet van kracht is op 1 december 2015, dient het college deze
                            regelgeving in acht te nemen zodra deze na deze datum van kracht
                            wordt.</al></li></lijst><al/><al>Artikel 12 Vergunning indienststelling spoorvoertuig en verbod spoorvoertuig
                    (artikel 32, tweede en vijfde lid, artikel 33, derde lid, artikel 34, eerste en
                    zesde lid, artikel 35, tweede lid, Wls)</al><lijst><li nr="1."><al>Het college verleent uitsluitend een vergunning voor indienstelling van
                            een spoorvoertuig als bedoeld in artikel 32, eerste lid, Wls indien het
                            spoorvoertuig <onderstreept>aantoonbaar</onderstreept> voldoet aan de
                            vereisten uit artikel 32, tweede lid, Wls. </al></li><li nr="2."><al>Het college eist dat voor iedere aanmerkelijke wijziging van een
                            spoorvoertuig als bedoeld in artikel 33, tweede lid, Wls een vergunning
                            voor indienstelling wordt aangevraagd. </al></li><li nr="3."><al>Het college stelt overeenkomstig de methode Common Safety Methods
                            (Verordening (EU) 402/2013) (of toekomstige relevante wet- en
                            regelgeving) vast of een wijziging van een spoorvoertuig aanmerkelijk is
                            als bedoeld in artikel 33, tweede lid, Wls.</al></li><li nr="4."><al>Het college eist dat bij elk project voor nieuwe of aanmerkelijk te
                            wijzigen spoorvoertuigen een safety manager en een Independant Safety
                            Assessor (ISA) worden aangesteld.</al></li><li nr="5."><al>Het college eist dat ten behoeve van een vergunning als bedoeld in
                            artikel 32, eerste lid, Wls een ISA-verklaring wordt overgelegd die een
                            toets bevat op het proces en inhoudelijk op het realiseren van
                            veiligheidsdoelen/streefwaarden uit de Veiligheidsvisie openbaar vervoer
                            Vervoerregio Amsterdam d.d. 8 oktober 2015 of projectbesluiten; tevens
                            ziet het college erop toe dat de door ISA gesignaleerde tekortkomingen
                            aantoonbaar zijn hersteld.</al></li><li nr="6."><al>Het college eist dat in een project tekortkomingen en
                            aanbevelingen/adviezen uit de verklaring van de toezichthouder in
                            artikel 32, derde lid, Wls aantoonbaar zijn opgevolgd tenzij het college
                            beschikt over een ISA-verklaring waarin is onderbouwd dat van deze
                            aanbevelingen/adviezen kan worden afgeweken. </al></li><li nr="7."><al>Indien het college voornemens is om van een verklaring van de
                            toezichthouder als bedoeld in artikel 32, derde lid, Wls en/of van een
                            ISA-verklaring af te wijken, dan is het college gehouden het dagelijks
                            bestuur vooraf te consulteren.</al></li><li nr="8."><al>Het college dient vergunningen op basis van een verklaring van
                            overeenstemming als bedoeld in artikel 34, vijfde lid, Wls voor
                            voertuigen waarvoor een typegoedkeuring bestaat, te onderbouwen met
                            rapportages die aantonen dat door de partij die de aanbesteding van de
                            voertuigen uitvoert, getoetst is dat het voertuig aan de
                            veiligheidseisen voldoet.</al></li><li nr="9."><al>Een melding van de toezichthouder, de beheerder of medewerkers van de
                            vervoerder zelf over een onveilig spoorvoertuig moet direct leiden tot
                            onderzoek en in geval van acuut gevaar tot een verbod van het college om
                            het voertuig in te zetten.</al></li><li nr="10."><al>Het college informeert het dagelijks bestuur en de toezichthouder direct
                            over de melding en de te treffen maatregelen.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 13 Informeren dagelijks bestuur</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Op grond van art. 10:16 Awb dient het college op verzoek van het
                            dagelijks bestuur inlichtingen te verschaffen over de uitoefening van de
                            gedelegeerde bevoegdheid. </al></li><li nr="2."><al>Het college doet vóór 1 december 2015 het dagelijks bestuur de
                            contactgegevens toekomen aan welke het dagelijks bestuur verzoeken om
                            inlichtingen dient te richten. </al></li><li nr="3."><al>Het college neemt een verzoek om inlichtingen per omgaande in
                            behandeling en bevestigt de ontvangst ervan met vermelding van de
                            (verwachte) reactietermijn.</al></li><li nr="4."><al>Het college informeert het dagelijks bestuur uit eigen beweging en
                            onverwijld indien wordt afgeweken van voorschriften of indien
                            aanwijzingen of aanbevelingen van de toezichthouder niet (kunnen) worden
                            opgevolgd.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 14 Mandatering gedelegeerde bevoegdheden</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Bij het mandatering van bevoegdheden die het college op grond van het
                            Delegatiebesluit toekomen, informeert het college het dagelijks bestuur
                            hierover.</al></li></lijst><al><vet> Artikel 15 Intrekken gedelegeerde bevoegdheid</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Op grond van art. 10:18 Awb kan het dagelijks bestuur het
                            Delegatiebesluit te allen tijde intrekken. </al></li><li nr="2."><al>Het dagelijks bestuur kan hiertoe overgaan indien het college deze
                            beleidsregels bij herhaling schendt of indien de delegatie ondoelmatig
                            blijkt. Het dagelijks bestuur neemt bij een eventueel intrekkingsbesluit
                            de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht. </al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 16 Evaluatie beleidsregels</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het dagelijks bestuur en het college evalueren deze beleidsregels
                            tenminste een maal in de vier jaar bij vaststelling van een nieuwe
                            beheervisie en/of ten behoeve van een eventuele verlenging van het
                            Delegatiebesluit. </al></li><li nr="2."><al>Op basis van deze evaluatie of indien het dagelijks bestuur hiertoe
                            anderszins (tussentijds) aanleiding ziet, kan het dagelijks bestuur deze
                            beleidsregels aanpassen.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 17 Inwerkingtreding</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Deze beleidsregels treden, na bekendmaking, in werking met ingang van 1
                            december 2015.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 18 Citeertite</vet><vet>l</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Deze beleidsregels worden aangehaald als “Beleidsregels ter zake van
                            gedelegeerde bevoegdheden Wet lokaal spoor”.</al></li></lijst><al/><al/><al><vet>Algemene toelichting </vet></al><al/><al>Op 1 december 2015 is de Wet lokaal spoor (Wls) in werking getreden. Vanaf deze
                    datum is het dagelijks bestuur van de Vervoerregio Amsterdam integraal
                    eindverantwoordelijk voor de veiligheid op het lokale spoor (metro en
                    (snel-)tram) in het gebied van de stadsregio Amsterdam; op het dagelijks bestuur
                    rust de zorgplicht voor de aanleg en het beheer (het onderhoud daaronder
                    begrepen) van de lokale spoorweginfrastructuur. De sporen voor het treinverkeer
                    vallen uitdrukkelijk buiten deze verantwoordelijkheid van het dagelijks bestuur. </al><al>De wetgever heeft met de Wet lokaal spoor beoogd een einde te maken aan de
                    versnippering van bestuurlijke bevoegdheden ten aanzien van de lokale
                    spoorwegen. Het dagelijks bestuur was op grond van de Planwet verkeer en vervoer
                    en de Wet personenvervoer 2000 reeds verantwoordelijk voor het regionale
                    verkeer- en vervoerbeleid, waarvoor op grond van de Wet BDU verkeer en vervoer
                    de financiële middelen worden verstrekt. Dit terwijl de bestuurlijke
                    eindverantwoordelijkheid voor de aanleg en instandhouding van de lokale
                    spoorwegen versnipperd was belegd. Met de inwerkingtreding van de Wet lokaal
                    spoor draagt het dagelijks bestuur de bestuurlijke integrale
                    eindverantwoordelijkheid voor zowel het regionale verkeer- en vervoerbeleid als
                    de daarmee samenhangende lokale spoorweginfrastructuur. De wetgever acht daarmee
                    de bevoegdheden ten aanzien van de lokale spoorwegen eenduidig en consistent
                    belegd.</al><al>In de Wet lokaal spoor is een wettelijke grondslag opgenomen om een aantal
                    bevoegdheden ten aanzien van met name het beheer van infrastructuur van de
                    lokale spoorwegen en de toelating van de spoorvoertuigen op de infrastructuur te
                    delegeren aan het college van burgemeester en wethouders. Dit gelet op de
                    omstandigheid dat de organisatie van de uitvoering per regio kan verschillen.
                    Ook kan met delegatie recht worden gedaan aan de bestaande eigendomsverhoudingen
                    ten aanzien van de infrastructuur en de daarmee gepaard gaande
                    privaatrechtelijke aansprakelijkheid. </al><al>De wetgever heeft geen onduidelijkheid willen laten bestaan over welke
                    bevoegdheden uit de Wls al dan niet overgedragen mogen worden. Daarom zijn de te
                    delegeren bevoegdheden limitatief opgesomd in de Wet lokaal spoor. De
                    mogelijkheid van delegatie is beperkt tot de uitvoeringstaken teneinde te
                    waarborgen dat de beleidsmatige integrale bestuurlijke verantwoordelijkheid van
                    het dagelijks bestuur voor het verkeer, het vervoer en de lokale
                    spoorweginfrastructuur op regionaal niveau in tact blijft.</al><al>Delegatie van de bevoegdheden ten aanzien van het beheer van de lokale
                    spoorweginfrastructuur aan het college van de gemeente Amsterdam stelt het
                    college in staat om de opdrachtgeversrol richting de beheerder volledig te
                    vervullen en de bijbehorende risico´s te beheersen dan wel te beïnvloeden.
                    Delegatie van deze bevoegdheden sluit aan bij de huidige situatie en doet recht
                    aan de bestaande eigendomsverhoudingen. Als eigenaar en beheerder van de lokale
                    spoorweginfrastructuur berust de wettelijke aansprakelijkheid bij de gemeente
                    Amsterdam. </al><al>Bij delegatie van bevoegdheden aan het college van de gemeente Amsterdam oefent
                    het college de gedelegeerde bevoegdheden onder eigen bestuurlijke
                    verantwoordelijkheid uit; alle risico’s die zich bij de uitoefening van de
                    gedelegeerde bevoegdheden voordoen liggen bij het college. Deze
                    verantwoordelijkheid heeft zowel betrekking op de politieke
                    verantwoordelijkheidsplicht alsook op de eventuele privaatrechtelijke
                    aansprakelijkheid in geval van foutieve beslissingen. Het college dient bij het
                    nemen van besluiten op basis van de gedelegeerde bevoegdheden altijd het
                    Delegatiebesluit Wet lokaal spoor Vervoerregio Amsterdam en de vindplaats ervan
                    te vermelden.</al><al>De bevoegdheden ten aanzien van het beheer van de lokale spoorweginfrastructuur
                    worden in het Delegatiebesluit Wet lokaal spoor Vervoerregio Amsterdam voor een
                    periode van vier jaar gedelegeerd aan het college van b en w. van de gemeente
                    Amsterdam. In dit besluit is bepaald dat tenminste een jaar voor de einddatum
                    van het Delegatiebesluit, uiterlijk 30 november 2018, het dagelijks bestuur een
                    besluit neemt over het al dan niet verlengen van het Delegatiebesluit. Deze
                    periode van vier jaar loopt samen met de geldigheid van de beheervisie, die het
                    dagelijks tenminste een maal in de vier jaar moet vaststellen. Enerzijds wil het
                    dagelijks bestuur zoveel mogelijk aansluiten bij bestaande afspraken en
                    verhoudingen tussen de Vervoerregio, de gemeente Amsterdam en GVB, zoals de
                    concessie- en BORI-afspraken die tot maximaal eind 2024 lopen. Anderzijds wil
                    het dagelijks bestuur op basis van onder meer de ervaringen met de delegatie en
                    de governance in de driehoek Vervoerregio Amsterdam-gemeente Amsterdam-GVB de
                    ruimte hebben de driehoek anders te organiseren. Aan een besluit om al dan niet
                    te verlengen zal dan ook een evaluatie ten grondslag liggen waarin onder meer
                    deze aspecten worden betrokken. Bij een besluit tot verlenging zal de resterende
                    duur van de concessie- en BORI-afspraken in acht worden genomen.</al><al>Het dagelijks bestuur is op grond van artikel 43 en 44 bevoegd tot het opleggen
                    van een last onder bestuursdwang, last onder dwangsom en bestuurlijke boete ter
                    handhaving van de bij of krachtens de Wls gestelde verplichtingen. Bij besluit
                    van 19 november 2015 met kenmerk BBV/2015/2009 heeft het dagelijks bestuur deze
                    handhavingsbevoegdheden gemandateerd aan het college, waarbij deze mandatering
                    alleen betrekking heeft op de bevoegdheden waarvoor het college op grond van het
                    Delegatiebesluit verantwoordelijk is. Het dagelijks bestuur heeft daarbij
                    beleidsregels vastgesteld conform welke het college bij de uitoefening van de
                    gemandateerde bevoegdheden dient te handelen. Conform deze beleidsregels is het
                    college onder meer gehouden om het Handhavingsbeleid Wet lokaal spoor en de
                    Beleidsregels Bestuurlijke Boete Wet lokaal spoor in acht te nemen. Deze
                    documenten zijn eveneens bij het besluit van het dagelijks bestuur van 19
                    november 2015 vastgesteld.</al><al>Via de Brede doel uitkering worden door het Rijk geen aanvullende financiële
                    middelen beschikbaar gesteld ter dekking van implementatie- en uitvoeringskosten
                    van de Wet lokaal spoor. Blijkbaar gaat de wetgever er vanuit dat implementatie-
                    en uitvoeringskosten worden gedragen door de partijen die het aangaan.
                    Financiële dekking zal dus binnen de diverse begrotingen gezocht moeten worden
                    maar de Vervoerregio Amsterdam is wel bereid om met de gemeente en GVB hierover
                    het gesprek aan te gaan en naar oplossingen te zoeken.</al><al/><al><vet>Artikelsgewijze toelichting beleidsregels</vet></al><al/><al><vet>Artikel 1 Toepassingsbereik</vet></al><al>Op basis van artikel 4, lid 3, Wls kan het dagelijks bestuur ervoor kiezen de in
                    dit artikellid aangehaalde bevoegdheden uit de Wls te delegeren aan het college
                    van b. en. w. van een van de in het gebied van de stadsregio liggende gemeenten.
                    De delegataris oefent de gelegeerde bevoegdheid vervolgens ook uit op het
                    grondgebied van de andere in de stadsregio gelegen gemeenten. De wet staat dus
                    niet toe de bevoegdheden aan meerdere colleges ten behoeve van de uitoefening
                    ervan op het eigen grondgebied, te delegeren. Dit impliceert dat bij delegatie
                    van bevoegdheden uit de Wls aan het college van b. en. w. van de gemeente
                    Amsterdam, het college deze bevoegdheden in het gehele gebied van de stadsregio
                    Amsterdam uitoefent. De lokale spoorweg in de stadsregio Amsterdam is gelegen in
                    het grondgebied van de gemeenten Amsterdam, Amstelveen, Diemen en Ouder-Amstel. </al><al/><al><vet>Artikel 2 Beheervisie</vet></al><al>Bij delegatie gaat de bestuurlijke eindverantwoordelijkheid voor de uitvoering
                    van de gedelegeerde beheertaken over op het college. Echter, de zorgplicht van
                    het dagelijks bestuur voor de lokale spoorweginfrastructuur blijft bestaan. Dit
                    betekent dat het dagelijks bestuur moet blijven toezien op de veiligheid, de
                    kwaliteit, de betrouwbaarheid en de beschikbaarheid van de lokale
                    spoorweginfrastructuur conform de eisen die de Wls hieraan stelt. Deze
                    verantwoordelijkheid borgt het dagelijks bestuur door het vaststellen van de
                    kaders waarbinnen het beheer van de lokale spoorweginfrastructuur dient te
                    worden uitgevoerd. De Wls spreekt in dit verband over een visie van het
                    dagelijks bestuur, ter uitvoering waarvan de beheerder jaarlijks een beheerplan
                    moet opstellen:</al><lijst><li nr="*."><al>Artikel 17, lid 1, Wls bepaalt dat het dagelijks bestuur ten minste een
                            maal in de vier jaar een visie vaststelt ten aanzien van een kwalitatief
                            goed en doelmatig beheer. Deze visie dient in ieder geval
                            prestatienormen met betrekking tot kwaliteit, betrouwbaarheid en
                            beschikbaarheid van de lokale spoorweginfrastructuur te bevatten; deze
                            prestatienormen concretiseert het dagelijks bestuur, in overleg met de
                            beheerder, in prestatie-indicatoren. </al></li><li nr="*."><al>Op grond van artikel 21, lid 1, Wls dient de beheerder jaarlijks een
                            beheerplan op te stellen ter uitvoering van deze visie van het dagelijks
                            bestuur. </al></li></lijst><al>Het dagelijks bestuur kiest ervoor de bestaande afspraken met de gemeente
                    Amsterdam over het beheer en onderhoud van lokale spoorweginfrastructuur en het
                    meerjaren vervangingsonderhoud van de metro-infrastructuur in stand te houden.
                    Deze afspraken zijn te beschouwen als een uitwerking van de Visie Lokaal Spoor
                    Vervoerregio Amsterdam d.d. 8 oktober 2015. De Visie Lokaal Spoor Vervoerregio
                    Amsterdam d.d. 8 oktober 2015, de Veiligheidsvisie openbaar vervoer Vervoerregio
                    Amsterdam d.d. 8 oktober 2015, het Convenant beheer en onderhoud
                    railinfrastructuur Amsterdam 2013 tot en met 2024 d.d. 10 december 2013, de
                    jaarlijkse Subsidiebeschikking Beheer en onderhoud railinfrastructuur Amsterdam
                    en het Convenant Meerjaren Vervangingsprogramma Metro d.d. 13 oktober 2015
                    vormen tezamen dan ook de visie in de zin van artikel 17, lid 1, Wls; naast wet-
                    en regelgeving zijn dit de kaders waarbinnen het college bij de uitoefening van
                    de gedelegeerde bevoegdheden dient te opereren. </al><al>Naast de beheervisie staat het dagelijks bestuur het volgende sturings- en
                    toezichtsinstrumentarium ter beschikking, bij delegatie van bevoegdheden aan het
                    college:</al><lijst><li nr="*"><al>vaststellen van een beleidskader toewijzingscriteria (art. 30 Wls);</al></li><li nr="*"><al>het opleggen van een last onder bestuursdwang (en een last onder
                            dwangsom) (art. 43 Wls);</al></li><li nr="*"><al>het opleggen van een bestuurlijke boete (art. 44 Wls);</al></li><li nr="*"><al>toezicht ILT in opdracht van dagelijks bestuur (art. 42, lid 4,
                            Wls);</al></li><li nr="*"><al>inzage in boeken beheerder 9 (art. 49 Wls);</al></li><li nr="*"><al>de bevoegdheden verbonden aan delegatie, zoals het stellen van
                            beleidsregels, inlichtingenplicht en intrekken delegatiebesluit (afd.
                            10.1.2 Awb).</al></li></lijst><al>Daarbij zij opgemerkt dat het dagelijks bestuur de bevoegdheden tot het opleggen
                    van een last onder bestuursdwang/dwangsom en een bestuurlijke boete bij besluit
                    van 19 november 2015 heeft gemandateerd aan het college (voor zover betrekking
                    hebbend op de bevoegdheden waarvoor het college op grond van het
                    Delegatiebesluit verantwoordelijk is).</al><al/><al><vet>Artikel 3 Exploitatie </vet></al><al>Het (veilig) uitvoeren van werkzaamheden aan of in de directe omgeving van een
                    lokaal spoorweg kan gevolgen hebben voor de beschikbaarheid van de lokale
                    spoorweg voor de vervoerder. Het dagelijks bestuur draagt het college op erop
                    toe te zien dat deze gevolgen zowel qua aard, omvang als tijdsduur zo veel
                    mogelijk te beperken. Nadere afspraken over de buitendienststelling van spoor
                    infrastructuur worden gemaakt in de TBGN procedure voor Metro (door het
                    dagelijks bestuur vastgesteld op 18 oktober 2012) en de nog op te stellen TBGN
                    procedure voor tram. Het college stelt gezamenlijk met het dagelijks bestuur
                    uiterlijk op 1 maart 2016 een TBGN procedure Tram op. Deze wordt ter
                    vaststelling aangeboden aan het dagelijks bestuur. Zolang de tram procedure nog
                    niet is vastgesteld door het dagelijks bestuur, draagt het college er zorg voor
                    dat bij tijdelijke buitengebruikstelling van traminfrastructuur de betreffende
                    vervoerders tijdig op de hoogte worden gesteld en dat gewerkt wordt aan een
                    vervangend vervoerplan voor de tijdelijke situatie.</al><al/><al><vet>Artikel 4 Safety Board</vet></al><al>Voor het nemen van besluiten die van invloed zijn op de veiligheid van het
                    railvervoersysteem is afstemming vereist in de driehoek Vervoerregio
                    Amsterdam-gemeente Amsterdam-GVB. De Safety Board is het centrale punt voor het
                    coördineren van alle veiligheidsvraagstukken die betrekking hebben op ontwerp,
                    aanleg en operatie van de metro- en tramsystemen. In de Safety Board is in ieder
                    geval de driehoek vertegenwoordigd met de medewerkers die zich bezig houden met
                    de railveiligheid en de safety managers van grote projecten. De Safety Board
                    brengt adviezen uit ten behoeve van besluiten die door diverse organen moeten
                    worden genomen over vergunningverlening, vaststellen of een wijziging
                    aanmerkelijk en daarmee vergunningplichtig is en wijzigingen in het Integrale
                    Programma van Eisen van Tram en Metro. De Safety Board streeft naar unanieme
                    adviezen; in geval dat niet lukt worden de standpunten van de verschillende
                    betrokkenen in het advies vermeld. De Safety Board is één van de drie organen,
                    naast de Independant Safety Assessor van het project en Inspectie Leefomgeving
                    en Transport, die het college moet raadplegen alvorens te besluiten over het
                    verlenen van een vergunning voor nieuwe of aanmerkelijk gewijzigde
                    spoorweginfrastructuur of spoorvoertuigen. De vergunning kan alleen worden
                    verleend als de adviezen van deze organen zijn opgevolgd. Blijkt het niet
                    mogelijk adviezen te realiseren, dan treedt het college in overleg met het
                    dagelijks bestuur over alternatieve voorstellen, zo nodig onderbouwd met een
                    advies van een onafhankelijke adviseur.</al><al/><al><vet>Artikel 5 Vergunning indienstelling spoorweginfrastructuur</vet></al><al>Het college besluit tot het verlenen van een vergunning voor de in dienstelling
                    van spoorweginfrastructuur als is aangetoond dat deze voldoet aan de gestelde
                    veiligheidseisen. De infrastructuur zelf moet veilig zijn, maar moet ook veilig
                    gebruikt kunnen worden. Dat de infrastructuur veilig is, is aangetoond als de
                    Independant Safety Assessor van het project verklaart dat alle stappen in het
                    project met goed gevolg zijn doorlopen en de Inspectie Leefomgeving en Transport
                    een verklaring heeft gegeven waarin beschreven is in hoeverre de infrastructuur
                    voldoet aan de veiligheidseisen uit de Wls. Daarnaast is het oordeel van de
                    Safety Board vereist. Het college kan de vergunning verlenen als de adviezen van
                    deze organen uitgevoerd zijn of op een verantwoorde wijze binnen een vastgelegde
                    termijn zijn gerealiseerd. Blijkt het niet mogelijk adviezen te realiseren, dan
                    treedt het college in overleg met het dagelijks bestuur over alternatieve
                    voorstellen, zo nodig onderbouwd met een advies van een onafhankelijke adviseur.
                    Er is altijd vergunning nodig als infrastructuur nieuw is. Als bestaande
                    infrastructuur wordt gewijzigd, is er alleen dan een vergunning nodig als de
                    wijziging aanmerkelijk is. Een aanmerkelijke wijziging houdt in dat deze bij
                    falen kan leiden tot ernstige gevolgen, onbekend en veel omvattend is en niet
                    kan worden teruggedraaid, zoals beschreven in de methode Common Safety Methods
                    (Verordening (EU) 402/2013). In alle andere gevallen kan de eenvoudigere
                    vrijgaveprocedure die MeT toepast om infrastructuur in gebruik te nemen en die
                    beschreven staat in de interne regelgeving en het Veiligheidsbeheersysteem,
                    worden gevolgd.</al><al/><al><vet>Artikel 6 Schorsen/intrekken vergunning spoorweginfrastructuur</vet></al><al>Ook tijdens het gebruik moet de infrastructuur blijven voldoen aan de
                    veiligheidseisen. Door de Minister is de Inspectie Leefomgeving en Transport
                    aangesteld als toezichthouder op het lokale spoor. De Inspectie geeft voordat
                    spoorweginfrastructuur in gebruik wordt genomen een verklaring af over de mate
                    waarin wordt voldaan aan de veiligheidseisen uit de Wls. Tijdens het gebruik
                    houdt de inspectie toezicht op het beheer en onderhoud van de infrastructuur.
                    Leidraad daarbij is de naleving van het veiligheidsbeheersysteem van de
                    beheerder, dat tevens door de toezichthouder is beoordeeld. De Inspectie
                    onderzoekt of de beheerder de processen en procedures bij het beheer en
                    onderhoud correct uitvoert en zich aan de normen houdt die de veiligheid borgen.
                    Daarnaast worden inspecties op locatie uitgevoerd. Het dagelijks bestuur kan als
                    er aanwijzingen zijn van een onveilige situatie de Inspectie verzoeken onderzoek
                    te doen. Constateert de Inspectie dat er sprake is van een onveilige situatie,
                    dan moet het college verbetermaatregelen afdwingen. Leiden deze niet tot een
                    situatie die wel aan de veiligheidseisen voldoet of is het geconstateerde gebrek
                    zo acuut onveilig dan dient het college de vergunning te schorsen of in te
                    trekken.</al><al/><al><vet>Artikel 7 Vergunning werkzaamheden lokale spoorweg</vet></al><al>Zoals hiervoor toegelicht oefent het college de gedelegeerde bevoegdheden ook
                    uit op het grondgebied van de gemeenten Amstelveen, Diemen en Ouder-Amstel.
                    Delegatie van de bevoegdheid tot het verlenen van vergunningen voor werken op of
                    rondom het spoor betekent in de praktijk dat deze bevoegdheid overgaat van de
                    directeur GVB naar het college. Het college wordt in de beleidsregels opgedragen
                    deze overgang soepel te laten verlopen door het maken van goede afspraken binnen
                    de gemeente Amsterdam en met de gemeenten Amstelveen, Diemen en Ouder-Amstel. De
                    overgang van deze bevoegdheid mag niet leiden tot een minder doelmatig of minder
                    efficiënt proces voor vergunningverlening. </al><al/><al><vet> Artikel 8 Afspraken met beheerder</vet></al><al>Het college van b. en w. treedt op als opdrachtgever van de beheerder, daarbij
                    geadviseerd door de Bestuursdienst en de Directie Middelen en Control van de
                    gemeente Amsterdam. Conform de bij de gemeente Amsterdam gebruikelijke planning-
                    en controlcyclus stelt het college de opdracht aan de beheerder en het daarbij
                    behorende budget vast. Het college ziet er op toe dat de beheerder de opdracht
                    uitvoert binnen het beschikbaar gestelde budget en met de door het dagelijks
                    bestuur vereiste kwaliteit, zoals vastgelegd in de Visie lokaal spoor en de
                    andere kaderdocumenten. Het college kan bij het dagelijks bestuur subsidie
                    aanvragen voor de kosten die samenhangen met de uitvoering van de opgedragen
                    werkzaamheden. De opdracht die het college aan de beheerder verstrekt mag niet
                    strijdig zijn met de door het dagelijks bestuur vastgestelde
                    kaderdocumenten.</al><al>Aanvullend op de opdracht aan de beheerder op basis van het eerste lid van dit
                    artikel, kan het college extra opdrachten of aanvullende eisen aan de beheerder
                    stellen. Deze extra opdrachten of aanvullende eisen mogen niet strijdig zijn met
                    de wet- en regelgeving en/of de hierboven beschreven door het dagelijks bestuur
                    vastgelegde kaders. De kosten die samenhangen met of een gevolg zijn van de
                    uitvoering van extra opdrachten of aanvullende eisen komen niet voor subsidie
                    vanuit het dagelijks bestuur in aanmerking. </al><al>Tevens mogen extra opdrachten of aanvullende eisen geen negatief effect hebben
                    op de exploitatie van de lokaal spoorweg. Dat betekent bijvoorbeeld dat het niet
                    is toegestaan om een lokaal spoorweg (tijdelijk) buiten dienst te nemen vanwege
                    een extra opdracht of aanvullende eis. Ook is het niet toegestaan extra
                    opdrachten of aanvullende eisen te formuleren die de kwaliteit,
                    exploitatiesnelheid of het comfort van de reizigers negatief beïnvloeden, tenzij
                    het dagelijks bestuur daar vooraf mee heeft ingestemd.</al><al/><al><vet>Artikel 9 Aanwijzen beheerder</vet></al><al>Het door het college aan te wijzen dienstonderdeel dient te beschikken over een
                    veiligheidsbeheersysteem dat voldoet aan de vereisten van de Wls. Dit moet
                    blijken uit een ten behoeve van de aanwijzing te overleggen schriftelijke
                    verklaring van de toezichthouder, de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT). </al><al>Op grond van de Wls dient het college eerst de rechthebbende op de lokale
                    spoorweginfrastructuur te horen alvorens een beheerder aan te wijzen. Bij de
                    aanwijzing dient het college vervolgens rekening te houden met de
                    gerechtvaardigde belangen van de rechthebbende. De gemeente Amsterdam is in
                    ieder geval rechthebbende binnen haar eigen grondgebied. Mogelijk zijn ook de
                    gemeenten Amstelveen, Diemen en Ouder-Amstel als rechthebbende op de lokale
                    spoorweginfrastructuur (conform de wettelijke definities) aan te merken en moet
                    het college deze gemeenten eveneens horen.</al><al>Aan de aanwijzing van de beheerder kan het college voorschriften verbinden met
                    betrekking tot de uitvoering van de beheertaak en de door de beheerder te
                    verstrekken gegevens aan de toezichthouder. Het dagelijks bestuur geeft hier
                    enkele voorschriften aan het college mee die het in ieder geval aan de
                    aanwijzing moet verbinden. </al><al/><al><vet>Artikel 10 Uitvoering beheertaak</vet></al><al>De rapportageverplichtingen uit lid 1 sluiten aan bij de afspraken uit het
                    Convenant BORI. De verplichtingen inzake het opstellen van een verbeterplan in
                    de leden 2 t/m 5 zijn naar voorbeeld van de afspraken zoals deze zijn gemaakt
                    tussen de Vervoerregio en GVB ter nakoming van de verplichtingen op grond van de
                    openbaar vervoer concessie. </al><al/><al><vet>Artikel 11 Regels werkzaamheden lokale spoorweg</vet></al><al>Onderhoudswerkzaamheden aan de spoorweginfrastructuur moeten veilig worden
                    uitgevoerd. Deze werkzaamheden worden vaak uitgevoerd door aannemers die
                    werkzaamheden uitvoeren op alle lokale spoorweg netwerken in Nederland.
                    Uniformiteit van regelgeving met als doel werkzaamheden zo veilig mogelijk uit
                    te voeren is daarom gewenst. Door de Stichting RailAlert, waar alle beheerders
                    van spoorweginfrastructuur in vertegenwoordigd zijn, is er een normenkader en
                    zijn er voorschriften voor veilig werken opgesteld. Deze regelgeving van de
                    branche is bindend verklaard. Het college ziet erop toe dat deze regels worden
                    nageleefd. Voor metro zijn de voorschriften op 1 december 2015 mogelijk nog niet
                    definitief. In dat geval dient de beheerder tot inwerkingtreding eigen
                    regelgeving te hebben die de veiligheid borgt.</al><al/><al><vet>Artikel 12 Vergunning indienststelling spoorvoertuig en verbod
                        spoorvoertuig</vet></al><al>Het college besluit tot het verlenen van een vergunning voor de indienstelling
                    van een spoorvoertuig als is aangetoond dat deze voldoet aan de gestelde
                    veiligheidseisen. Het voertuig zelf moet veilig zijn, maar het moet ook veilig
                    gebruikt kunnen worden. De wetgever maakt verschil tussen een typegoedkeuring
                    voor het eerste voertuig en een vergunning op basis van een verklaring van
                    overeenstemming voor alle volgende voertuigen. Van het voertuig is de veiligheid
                    aangetoond als de Independant Safety Assessor van de leverancier verklaart dat
                    alle stappen in het project met goed gevolg zijn doorlopen en de Inspectie
                    Leefomgeving en Transport een verklaring heeft gegeven waarin beschreven is in
                    hoeverre het voertuig voldoet aan de veiligheidseisen uit de Wls. Daarnaast is
                    het oordeel van de Safety Board vereist. Het college kan de vergunning voor het
                    eerste voertuig verlenen bij een positieve verklaring c.q. een positief oordeel
                    van deze organen en als de aanbevelingen/adviezen van deze organen en op een
                    verantwoorde wijze binnen een vastgelegde termijn zijn opgevolgd. Blijkt het
                    niet mogelijk adviezen te realiseren, dan treedt het college in overleg met het
                    dagelijks bestuur over alternatieve voorstellen, zo nodig onderbouwd met een
                    advies van een onafhankelijke adviseur. Voor het tweede en volgende voertuig is
                    naast de verklaring van overeenstemming van de leverancier een testrapport van
                    de koper van het voertuig vereist, waarin wordt aangetoond dat het voertuig
                    voldoet aan de toelatingseisen voor voertuigen uit het Integraal Programma van
                    Eisen. Er is altijd vergunning nodig als een spoorvoertuig nieuw is. Als een
                    bestaand voertuig wordt gewijzigd, is er alleen dan vergunning nodig als de
                    wijziging aanmerkelijk is. Een aanmerkelijke wijziging houdt in dat deze bij
                    falen kan leiden tot ernstige gevolgen, onbekend en veel omvattend is en niet
                    kan worden teruggedraaid, zoals beschreven in de methode Common Safety Methods
                    (Verordening (EU) 402/2013). In alle andere gevallen kan de eenvoudigere
                    vrijgaveprocedure worden gevolgd.</al><al/><al><vet>Artikel 13 Informeren dagelijks bestuur</vet></al><al>Geen nadere toelichting.</al><al/><al><vet>Artikel 14 Mandatering gedelegeerde bevoegdheden</vet></al><al>Het dagelijks bestuur wil hier geïnformeerd worden over het mandaatbesluit van
                    het college over de mandatering van bevoegdheden die het college op basis van
                    het Delegatiebesluit toekomen. Te denken valt aan mandatering van bevoegdheden
                    aan de beheerder en de vervoerder.</al><al/><al><vet>Artikel 15 Intrekken gedelegeerde bevoegdheid</vet></al><al>Op grond van de wet kan het dagelijks bestuur de delegatie te allen tijde
                    intrekken. Het dagelijks bestuur beschouwt dit als een uiterste middel waarvoor
                    gekozen kan worden als het dagelijks bestuur zijn integrale bestuurlijke
                    eindverantwoordelijkheid voor de veiligheid op het lokale spoor niet via andere
                    wegen, zoals handhaving, kan borgen. In dit artikel is aangegeven aan welke
                    aanleidingen voor intrekking van de delegatie moet worden gedacht. Uiteraard
                    dient het dagelijks bestuur bij een besluit tot intrekking van de delegatie de
                    algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht te nemen. </al><al/><al><vet>Artikel 16 Evaluatie beleidsregels</vet></al><al>In het Delegatiebesluit Wet lokaal spoor Vervoerregio Amsterdam is bepaald dat
                    tenminste een jaar voor de einddatum van het Delegatiebesluit, uiterlijk 30
                    november 2018, het dagelijks bestuur een besluit neemt over het al dan niet
                    verlengen van het Delegatiebesluit. Bij dit besluit zal het dagelijks bestuur
                    ook de ervaringen met het Delegatiebesluit en de beleidsregels betrekken. Ook
                    het vaststellen van een nieuwe beheervisie is aanleiding om te evalueren of de
                    beleidsregels nog voldoende aansluiten op de visie en doelstellingen van het
                    dagelijks bestuur. Daarnaast heeft de Vervoerregio nog geen ervaring met
                    delegatie van bevoegdheden en het stellen van beleidsregels voor de uitoefening
                    van gedelegeerde bevoegdheden. De praktijk zal moeten uitwijzen of het werken
                    volgens deze beleidsregels efficiënt en doelmatig is. Indien dit niet het geval
                    is, kan dit aanleiding zijn voor het dagelijks bestuur om de beleidsregels
                    (tussentijds) aan te passen. Op korte termijn zal bijvoorbeeld bekeken moeten
                    worden of de onderlinge afspraken in het kader van de Wet lokaal spoor geen
                    onnodige hindernis vormen voor het aangaan van langdurige contracten met derden
                    door de beheerder . Vanuit het perspectief van total cost of ownership is het
                    immers voor beide partijen van belang om slimme lange termijn oplossingen niet
                    onmogelijk te maken. </al><al/><al><vet>Artikel 17 Inwerkingtreding</vet></al><al>De Wet lokaal spoor is vanaf 1 december 2015 van kracht. De beleidsregels treden
                    gelijktijdig met het Delegatiebesluit Wet lokaal spoor Vervoerregio Amsterdam op
                    1 december 2015 in werking, nadat deze via officielebekendmakingen.nl bekend
                    zijn gemaakt. Aangezien de beleidsregels zijn verbonden aan de uitoefening van
                    de gedelegeerde bevoegdheden op basis van het Delegatiebesluit, zal het
                    dagelijks bestuur deze intrekken op het moment dat het Delegatiebesluit is komen
                    te vervallen dan wel is ingetrokken.</al><al/><al><vet>Artikel 18 Citeertitel</vet></al><al>Geen nadere toelichting.</al><al/><al/><al/><al/><al/></bijlage></regeling></body></cvdr>