<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR381323_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Participatieverordening Gemeente Tytsjerksteradiel 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Tytsjerksteradiel</dcterms:creator><dcterms:modified>2015-11-12</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Tytsjerksteradiel</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Onbekend</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Participatiewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-06-25</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-07-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-07-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Participatieverordening Gemeente Tytsjerksteradiel 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al>1.Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet
                            nader zijn omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de Algemene wet
                            bestuursrecht (Awb), de Participatiewet of overige in deze verordening
                            aangehaalde wetten.</al><al> deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>de wet: Participatiewet;</al></li><li nr="b."><al>het college: het college van burgemeester en wethouders van de
                                    gemeente Tytsjerksteradiel;</al></li><li nr="c."><al>de raad: de gemeenteraad van de gemeente Tytsjerksteradiel;</al></li><li nr="d."><al>doelgroep: personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder
                                    a, van de wet, met uitzondering van personen als bedoeld in
                                    artikel 7, derde lid van deze wet;</al></li><li nr="e."><al>ondersteuning: ondersteuning als bedoeld in artikel 7, eerste
                                    lid, aanhef en onderdeel a, van de wet, inclusief het bepalen en
                                    aanbieden van door het college noodzakelijk geachte
                                    voorzieningen;</al></li><li nr="f."><al>persoon of personen: persoon die tot de doelgroep van deze
                                    verordening behoort;</al></li><li nr="g."><al>nugger: niet-uitkeringsgerechtigde als bedoeld in artikel 6,
                                    eerste lid, onderdeel a van de wet, die niet of minder dan 12
                                    uren per week werkt en meer dan 12 uren per week wil
                                    werken;</al></li><li nr="h."><al>pva: plan van aanpak als bedoeld in artikel 44a van de wet;</al></li><li nr="i."><al>loonwaarde: loonwaarde als bedoeld in artikel 6, eerste lid,
                                    onderdeel g van de wet;</al></li><li nr="j."><al>IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                    arbeidsongeschikte werkloze werknemers;</al></li><li nr="k."><al>IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                    arbeidsongeschikte gewezen zelfstandige. </al></li><li nr="l."><al>doelgroep loonkostensubsidie: personen als bedoeld in artikel 6,
                                    eerste lid, onderdeel e van de wet;</al></li><li nr="m."><al>participatie: alle activiteiten waar een persoon in de
                                    samenleving aan meedoet. </al></li><li nr="n."><al>mantelzorg: hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie,
                                    beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien
                                    van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de
                                    Zorgverzekeringswet, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen
                                    personen bestaande sociale relatie en die niet wordt verleend in
                                    het kader van een hulpverlenend beroep.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>BELEID EN FINANCIERING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Beleid</titel></kop><al>Het bieden van ondersteuning gebeurt met in achtneming van de bepalingen
                            van de wet en deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Toepassingsbereik</titel></kop><al>Deze verordening richt zich op het aanbieden van ondersteuning bij het
                            participeren van personen die tot de doelgroep behoren, met als doel het
                            voor de individuele persoon hoogst haalbare niveau. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Opdracht college</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college biedt personen ondersteuning aan bij participatie voor
                                zover deze ondersteuning door het college noodzakelijk wordt geacht.
                            </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college maakt een afweging van de individuele mogelijkheden en
                                capaciteiten van een persoon, om de ondersteuning zodanig vorm te
                                kunnen geven dat de beoogde mate van participatie zo doelmatig
                                mogelijk wordt gerealiseerd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij de toepassing van het tweede lid besteedt het college in ieder
                                geval aandacht aan de afstand tot de arbeidsmarkt en de wijze waarop
                                rekening wordt gehouden met de zorgtaken, waaronder begrepen de
                                opvang van ten laste komende kinderen tot vijf jaar en het
                                verrichten van mantelzorg. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In geval van een niet - uitkeringsgerechtigde kan het college:</al><lijst><li nr="a."><al>een eigen bijdrage instellen; of</al></li><li nr="b."><al>nadere voorwaarden vaststellen, waarbij een inkomens - of
                                        vermogensgrens kan worden gehanteerd; of</al></li><li nr="c."><al>zowel een eigen bijdrage instellen als nadere voorwaarden
                                        vaststellen, waarbij een inkomens- of vermogensgrens kan
                                        worden gehanteerd. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan, bij het bepalen van de wijze waarop de
                                ondersteuning wordt vormgegeven prioriteiten stellen in verband met
                                de financiële mogelijkheden en maatschappelijke, economische en
                                conjuncturele ontwikkelingen.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>PARTICIPATIE ALGEMEEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Aanspraak op ondersteuning</titel></kop><al>Een persoon heeft geen recht op ondersteuning als er een voorliggende
                            voorziening voorhanden is welke naar oordeel van het college voldoende
                            bijdraagt aan het behalen van de voor de persoon haalbare
                            participatietrede. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>De ondersteuning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college doet een persoon een aanbod voor ondersteuning bij
                                participatie dat in overeenstemming is met de bepalingen van deze
                                verordening en de op deze verordening gebaseerde beleidsregels.
                            </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De elementen waaruit de ondersteuning bestaat worden nader
                                uitgewerkt in een op de specifieke situatie van de persoon
                                toegespitst plan van aanpak (pva).</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In geval van personen van 27 jaar of ouder, doch jonger dan de
                                pensioengerechtigde leeftijd wordt het pva als bijlage toegevoegd
                                aan de beschikking waarin het aanbod als bedoeld in het eerste lid
                                van dit artikel wordt bekend gemaakt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In geval van personen beneden de 27 jaar wordt het pva
                                overeenkomstig artikel 44, vierde lid van de wet als bijlage
                                toegevoegd aan de beschikking waarin naast de toekenning van
                                algemene bijstand, mede het in het eerste lid van dit artikel
                                bedoelde aanbod voor ondersteuning bij participatie bekend wordt
                                gemaakt.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan, in aanvulling op de verplichtingen die zijn
                                verbonden aan de inkomensvoorziening waar een persoon aanspraak op
                                maakt, nadere verplichtingen verbinden aan een aan deze persoon
                                aangeboden voorziening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Verplichtingen aan het recht op ondersteuning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een persoon die deelneemt aan een voorziening moet voldoen aan de
                                verplichtingen die voortvloeien uit de inkomensvoorziening waar de
                                persoon aanspraak op maakt, en aan de verplichtingen die het college
                                aan de aangeboden voorziening heeft verbonden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als een persoon die deelneemt aan een voorziening niet voldoet aan
                                de verplichtingen als bedoeld in het eerste lid van dit artikel, kan
                                het college de aangeboden voorziening beëindigen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan de uitkering verlagen van een persoon conform de wet
                                of de Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente
                                Tytsjerksteradiel 2015 indien de persoon die deelneemt aan een
                                voorziening niet voldoet aan de verplichtingen als bedoeld in het
                                eerste lid van dit artikel.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Vergoedingen</titel></kop><al>1.Aan personen die in aanmerking komen voor ondersteuning kan een
                            vergoeding voor gemaakte kosten worden verstrekt gedurende de looptijd
                            van de overeenkomst of het plan van aanpak, voor zover er geen aanspraak
                            is op een voorliggende voorziening.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>BEPALINGEN MET BETREKKING TOT IN DE WET OPGENOMEN
                            VOORZIENINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Proefplaatsing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een proefplaatsing verstrekken aan werkgevers die
                                voornemens zijn een arbeidsovereenkomst te sluiten met een persoon
                                die behoort tot de doelgroep uit artikel 7, lid 1 onderdeel a van de
                                wet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De proefplaatsing duurt maximaal 3 maanden en er is een intentie tot
                                het aangaan van een arbeidsovereenkomst zonder proeftijd. De
                                arbeidsovereenkomst is voor de duur van minimaal 6 maanden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Loonkostensubsidie</titel></kop><al>Het college kan een loonkostensubsidie verstrekken aan werkgevers die
                            een arbeidsovereenkomst sluiten met een werknemer die behoort tot de
                            doelgroep loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 6, eerste lid,
                            onderdeel e van de wet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Vaststelling doelgroep loonkostensubsidie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan op grond van artikel 10c van de wet vaststellen of
                                een persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie als bedoeld
                                in artikel 6, eerste lid, onderdeel e van de wet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Hierbij neemt het college de volgende criteria in acht:</al><lijst><li nr="a."><al>een persoon moet behoren tot de doelgroep zoals omschreven
                                        in artikel 7, eerste lid onderdeel a, van de wet;</al></li><li nr="b."><al>de persoon is niet in staat met voltijdse arbeid het
                                        wettelijk minimumloon te verdienen, en</al></li><li nr="c."><al>de persoon heeft mogelijkheden tot arbeidsparticipatie.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Vaststelling loonwaarde doelgroep loonkostensubsidie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stelt de loonwaarde vast van een persoon die tot de
                                doelgroep loonkostensubsidie behoort.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college maakt gebruik van een gevalideerde
                                loonwaardemeting.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In opdracht van het college adviseert het Uitvoeringsinstituut
                                werknemersverzekeringen of de Regionale pool loonwaardemeting het
                                college met betrekking tot de vaststelling van de loonwaarde van een
                                persoon. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Beschut werk</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een persoon met een lichamelijke, verstandelijke of psychische
                                beperking, dan wel een combinatie van genoemde beperkingen, die een
                                zodanige mate van begeleiding op en aanpassingen van de werkplek
                                vereist dat van een reguliere werkgever in redelijkheid niet mag
                                worden verwacht dat hij deze persoon in dienst neemt, kan door het
                                college de participatievoorziening beschut werk als bedoeld in
                                artikel 10b van de wet worden aangeboden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college maakt ter uitvoering van het eerste lid van dit artikel
                                een voorselectie uit de groep personen met een grote afstand tot de
                                arbeidsmarkt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen adviseert het
                                college overeenkomstig artikel 10b, tweede lid van de wet in verband
                                met de beoordeling of een persoon uitsluitend mogelijkheden heeft
                                tot arbeidsparticipatie in een beschutte omgeving onder aangepaste
                                omstandigheden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college biedt de volgende op arbeidsinschakeling gerichte
                                voorzieningen aan om de in artikel 10b, eerste lid van de wet
                                bedoelde werkzaamheden mogelijk te maken:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>fysieke aanpassingen van de werkplek of de werkomgeving;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>uitsplitsing van taken of aanpassingen in de wijze van
                                werkbegeleiding, werktempo of arbeidsduur.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college legt vast hoeveel plekken voor beschut werk beschikbaar
                                worden gesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>De no-riskpolis</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een werkgever komt in aanmerking voor een no-riskpolis wanneer:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>de werkgever een dienstverband aan gaat met een werknemer; en</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>deze werknemer behoort tot de doelgroep; en</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>de werknemer een structurele functionele of andere beperking heeft;
                                of </al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>de werkgever ten behoeve van de werknemer een loonkostensubsidie
                                ontvangt, bedoeld in artikel 10d van de wet; </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De no-riskpolis biedt de werkgever in elk geval met inachtneming van
                                een eigen risico, een vergoeding van de loonschade gedurende de
                                ziekteperiode van de werknemer tot het einde van de dekkingsduur of
                                bij het voortijdig beëindigen van het arbeidscontract. De
                                dekkingsduur bedraagt maximaal 2 jaar.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij gelijktijdige toepassing van de voorziening loonkostensubsidie
                                en de no-risk polis gaat, in geval van arbeidsongeschiktheid als
                                gevolg van ziekte, toepassing van de no-risk polis voor. De
                                loonkostensubsidie wordt dan stopgezet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Scholing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep een
                                scholingstraject aanbieden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een scholingstraject voldoet in ieder geval aan de volgende
                                eisen:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>de scholing moet noodzakelijk zijn voor het slagen van de het plan
                                van aanpak, en</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de scholing moet kansen bieden op de arbeidsmarkt, en</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>de scholing dient bij voorkeur te worden ingezet voor het alsnog
                                behalen van de startkwalificatie.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het eerste lid is niet van toepassing op personen als bedoeld in
                                artikel 7, derde lid, onderdeel a van de wet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Persoonlijke begeleiding / jobcoaching</titel></kop><al>Het college kan aan een persoon die behoort tot de doelgroep
                            persoonlijke structurele begeleiding aanbieden ter ondersteuning bij het
                            verrichten van de aan die persoon opgedragen taken, als hij zonder
                            persoonlijke begeleiding niet in staat is de aan hem opgedragen taken te
                            verrichten. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Leerwerkplekken / werkervaringsplaats</titel></kop><al>Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep een
                            leerwerkplek aanbieden, gericht op arbeidsinschakeling;</al><lijst><li nr="1."><al>Het doel van de leerwerkplek is het opdoen van beroepsgerichte
                                    werkervaring</al></li><li nr="2."><al>Het college plaatst de persoon alleen indien door zijn plaatsing
                                    de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed
                                    en waarbij ook het aspect verdringing wordt meegenomen.</al></li><li nr="3."><al>Het college sluit met de werkgever een schriftelijke
                                    overeenkomst af waarin ieder geval wordt vastgelegd: het doel
                                    van de leerwerkplek, de wijze waarop de begeleiding
                                    plaatsvindt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Ondersteuning bij leer-werktrajecten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan ondersteuning aanbieden aan een persoon als het
                                college van oordeel is dat een leer-werktraject nodig is en het een
                                persoon betreft:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>van zestien of zeventien jaar van wie de leerplicht of de
                                kwalificatieplicht, bedoeld in de Leerplichtwet 1969, nog niet is
                                geëindigd, of</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>van achttien tot zevenentwintig jaar die nog geen startkwalificatie
                                hebben behaald.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Participatieplaats</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een persoon van 27 jaar of ouder met recht op
                                algemene bijstand, overeenkomstig artikel 10a van de Participatiewet
                                onbeloonde additionele werkzaamheden laten verrichten. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college zorgt ervoor dat de te verrichten additionele
                                werkzaamheden worden vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst
                                die wordt ondertekend door het college, de werkgever en de persoon
                                die de additionele werkzaamheden gaat verrichten. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college verstrekt aan een persoon, die onbeloonde additionele
                                werkzaamheden verricht conform artikel 10a, zesde lid van de
                                Participatiewet, ambtshalve, een premie van € 250,= per halfjaar.
                                Het recht op een premie wordt elke zes maanden ambtshalve
                                beoordeeld. De premie wordt niet verstrekt indien bij de beoordeling
                                blijkt dat de persoon de aan de onbeloonde additionele werkzaamheden
                                verbonden verplichtingen in de voorafgaande zes maanden heeft
                                geschonden. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien een persoon van 27 jaar of ouder niet beschikt over een
                                startkwalificatie wordt binnen 6 maanden na aanvang van de
                                onbeloonde additionele werkzaamheden door het college bekeken in
                                hoeverre scholing of opleiding kan bijdragen aan vergroting van de
                                kans op inschakeling in het arbeidsproces. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college betrekt het oordeel van degene in wiens opdracht de
                                persoon de additionele werkzaamheden uitvoert en de scholingswens
                                van de persoon bij de in lid 4 bedoelde beoordeling. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Dit artikel is niet van toepassing op personen die jonger zijn dan
                                27 jaar.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Persoonlijk re-integratie budget (PRB)</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een persoon een PRB aanbieden. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een plan voor een PRB voldoet in ieder geval aan de volgende eisen:
                            </al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>Het is gericht op de meest passende weg naar betaalde arbeid; </al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>Het plan van de persoon dient te zijn goedgekeurd door het college
                                en onderdeel te zijn van het plan van aanpak (pva); </al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>Het resultaat van het plan dient binnen de afgesproken termijn
                                behaald te zijn; </al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>De termijn als bedoeld onder sub c wordt vastgelegd in het pva;
                            </al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>De persoon dient zich tijdens de periode van het pva naar vermogen
                                beschikbaar te houden voor betaalde arbeid. </al></lid><lid><lidnr>f.</lidnr><al>Het eerste lid is niet van toepassing op personen als bedoeld in
                                artikel 7, derde lid, onderdeel a, van de wet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Preventie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan de voorziening preventie inzetten ter voorkoming van
                                een uitkering in het kader van de Participatiewet bij onder andere
                                voortijdig schooluitval, problematische schulden en/of het verlies
                                van zelfredzaamheid op één of meer leefgebieden. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De voorziening preventie betreft één of meer kortdurende
                                activiteiten. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Preventie wordt bij voorkeur uitgevoerd in eigen beheer of via
                                samenwerking met ketenpartners.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5.</nr><titel>INNOVATIE</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr><titel>Innovatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan, als experiment in het kader van het onderzoeken en
                                toepassen van mogelijkheden om de participatie te bevorderen,
                                afwijken van het bepaalde in deze verordening en voor zover van
                                toepassing, de beleidsregels Participatie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De duur van een experiment als bedoeld in het eerste lid is ten
                                hoogste drie jaar. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien het experiment noodzaakt tot bijstelling van de
                                Participatieverordening en de Beleidsregels Participatie, kan de
                                periode zoals genoemd in het tweede lid worden verlengd tot aan het
                                moment van inwerkingtreding van de bijstelling. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien het college gebruik wil maken van de bevoegdheid als bedoeld
                                in het eerste lid wordt dit voornemen voorgelegd aan de
                                cliëntenraad. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>6.</nr><titel>SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23.</nr><titel>Uitvoering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college draagt zorg voor de uitvoering van deze verordening.
                            </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt voor de uitvoering van deze verordening
                                beleidsregels vast.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24.</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan, indien de toepassing van bepalingen in deze verordening </al><al>in de individuele situatie tot onbillijkheden van overwegende aard
                            leiden </al><al>voor zover het de bevoegdheid betreft die voortvloeit uit deze
                            verordening, afwijken van deze verordening. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als ‘Participatieverordening
                            gemeente Tytsjerksteradiel ’. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op 1 juli 2015.</al></li><li nr="2."><al>De Re-integratie- en participatieverordening 2013 Gemeente
                                    Tytsjerksteradiel, vastgesteld in de raadsvergadering van
                                    december 2012 wordt ingetrokken met ingang van 1 juli 2015.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de Raad van de @ 2015.</ondertekening><ondertekening>De Raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>de griffier de voorzitter</ondertekening><ondertekening>mr. S.K. Dijkstra drs. E.J. ter Keurs </ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label/><nr/><titel><onderstreept>Algemene toelichting</onderstreept></titel></kop><al><cursief>Contourennotitie Participatiewet</cursief></al><al>Met het vaststellen van de Contourennotitie Participatiewet op 21 mei 2015 is
                    het kader voor de uitvoering van de Participatiewet vastgesteld. De
                    Participatieverordening is opgesteld op basis van de in de Contourennotitie
                    Participatiewet beschreven visie en ambitie voor Werk &amp; Inkomen, de
                    beleidsuitgangspunten, de klantgroepindeling en Sociaal Maatschappelijk Agenda
                    (kantelingsgedachte) in relatie tot de beschikbare middelen.</al><al>Onze ambitie is: </al><lijst><li nr="1."><al>Iedereen doet mee, op basis van gelijkwaardigheid zowel in de
                            samenleving als op de arbeidsmarkt. </al></li><li nr="2."><al>We gaan uit van de kracht en talenten van de burger. </al></li><li nr="3."><al>We spreken burgers aan op hun kracht en verantwoordelijkheid. </al></li><li nr="4."><al>Waar nodig bieden wij, in samenwerking met de ketenpartners,
                            ondersteuning op het gebied van werk, inkomen, voorzieningen, opvoeding,
                            inburgering en sociale problematiek. </al></li><li nr="5."><al>Er is een nauwe samenwerking met lokale werkgevers en andere partners
                            met als doel het verhogen van (arbeids)participatie. </al></li></lijst><al>Er is gekozen voor een contourenverordening met daarin opgenomen de algemene
                    instrumenten en enkele lokale instrumenten. Deze keuze heeft te maken met de
                    aard van de opdracht die de raad heeft gekregen; het beleid van de gemeente ten
                    aanzien van haar participatietaak in een verordening vastleggen. In deze taak
                    moet onder andere een evenwichtige verdeling en aandacht zijn voor de
                    verschillende doelgroepen. Deze opdracht leent zich niet tot het formuleren van
                    gedetailleerde regels die op iedere situatie van toepassing zijn. Immers,
                    participatie is maatwerk. Het is helemaal afhankelijk van iemands mogelijkheden
                    en beperkingen wat in het concrete geval een passend participatietraject is. Bij
                    de keuze van de mogelijkheden van ondersteuning en het aanbieden van
                    voorzieningen maakt het college een afweging, waarbij wordt gekeken of de
                    ondersteuning of de voorziening, gelet op de mogelijkheden en capaciteiten van
                    de werkzoekende, het meest doelmatig is met het oog op inschakeling in de
                    arbeid. Daarom wordt aan het college de bevoegdheid gegeven om op een aantal
                    punten eigen afwegingen te maken en worden in de verordening de instrumenten
                    genoemd die het college in ieder geval kan inzetten.</al><al><cursief>klantgroepen</cursief></al><al>We kennen twee klantgroepen: </al><al>Voor een verfijning van de klantgroepbepaling gaan we uit van de
                    arbeidsparticipatie van de werkzoekende. We kennen de werkzoekende
                    arbeidsparticipatie en de werkzoekende maatschappelijke participatie. Met als
                    speciale groep de jongeren tot 27 jaar.</al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><label/><nr/><titel>Artikelsgewijze toelichting</titel></kop><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al>Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, Algemene wet
                        bestuursrecht of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk gedefinieerd in
                        deze verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing op deze
                        verordening. </al><al><cursief>Doelgroep</cursief>De doelgroep wordt gevormd door
                        personen zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a, van de
                        Participatiewet. Het betreft:</al><lijst><li nr="-"><al>personen die algemene bijstand ontvangen;</al></li><li nr="-"><al>personen als bedoeld in artikel 34a, vijfde lid onderdelen b en c,
                                van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (hierna: WIA),
                                artikel 35, vierde lid, onderdelen b en c, van de WIA en artikel 36,
                                derde lid, onderdelen b en c, van de WIA tot het moment dat het
                                inkomen uit arbeid in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten
                                jaren ten minste het minimumloon bedraagt en ten behoeve van die
                                persoon in die twee jaren geen loonkostensubsidie als bedoeld in
                                artikel 10d van de Participatiewet is verleend;</al></li><li nr="-"><al>personen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de
                                Participatiewet;</al></li><li nr="-"><al>personen met een nabestaanden- of wezenuitkering op grond van de
                                Algemene nabestaandenwet (hierna: ANW);</al></li><li nr="-"><al>personen met een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening
                                oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers
                                (hierna: IOAW);</al></li><li nr="-"><al>personen met een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening
                                oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen
                                (hierna: IOAZ);</al></li><li nr="-"><al>personen zonder uitkering;</al></li></lijst><al>en, die voor de arbeidsinschakeling zijn aangewezen op een door het college
                        aangeboden voorziening.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Beleid</titel></kop><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Toepassingsbereik</titel></kop><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Opdracht college</titel></kop><al>Het college biedt personen ondersteuning aan bij arbeidsinschakeling voor
                        zover het college dat noodzakelijk vindt.</al><al>De uitgangspunten voor het uitvoeren van de participatietaak zijn:</al><lijst><li nr="-"><al>Integraal beleid binnen het sociaal domein en uiteindelijk binnen
                                het gehele gemeentelijke domein.</al></li><li nr="-"><al>Voorkoming instroom en inzet op uitstroom</al></li><li nr="-"><al>Een baan boven een uitkering</al></li><li nr="-"><al>Participeren is voor iedereen en kan iedereen!</al></li><li nr="-"><al>Optimaal benutten van kansen en talenten met als doel een inclusieve
                                arbeidsmarkt.</al></li><li nr="-"><al>De arbeidsmarkt is leidend</al></li><li nr="-"><al>De financiële middelen zijn een leidraad.</al></li><li nr="-"><al>Participatiebudget inzetten voor re-integratie.</al></li></lijst><al>In dit artikel is ook geregeld dat het college bevoegd is aan
                        niet-uitkeringsgerechtigden een eigen bijdrage te vragen en / of nadere
                        voorwaarden te stellen waarbij een inkomens of vermogensgrens kan worden
                        gehanteerd. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Aanspraak op ondersteuning</titel></kop><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>De vorm van ondersteuning</titel></kop><al>Dit artikel geeft het kader aan waarlangs het plan van aanpak vorm wordt
                        gegeven. Uitgangspunt hierbij is dat de ondersteuning gericht moet zijn op
                        aanvaarding van algemeen geaccepteerde arbeid of het behalen van de voor de
                        persoon haalbare participatietrede.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Verplichtingen aan het recht op ondersteuning</titel></kop><al>Het college kan nadere verplichtingen verbinden aan het plan van aanpak. Dit
                        kan bijvoorbeeld zijn het verplicht meewerken aan een traject van derden
                        zoals de GGZ, het Veiligheidshuis of schulddienstverlening. Daarnaast biedt
                        dit artikel de verbinding met de Afstemmingsverordening Participatiewet,
                        IOAW en IOAZ gemeente Tytsjerksteradiel 2015 wanneer een persoon niet aan
                        zijn of haar verplichtingen voldoet. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Vergoedingen</titel></kop><al>Aan een persoon kan een vergoeding voor reiskosten worden verleend of andere
                        vergoedingen die bijdrage aan het welslagen van het plan van aanpak. Hierbij
                        valt te denken aan de kosten van kinderopvang, verhuiskosten, aanschaf
                        werkkleding etc. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Proefplaatsing</titel></kop><al>Ter beoordeling of een persoon geschikt is voor een functie bij een
                        werkgever kan het college de werkgever een proefplaatsing bieden. De
                        proefplaatsing wordt alleen ingezet bij een beschikbare vacature en duurt
                        maximaal 3 maanden. Na afloop van de proefplaatsing is er een intentie tot
                        het aangaan van een reguliere arbeidsovereenkomst zonder inachtname van een
                        proeftijd van minimaal 6 maanden.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Loonkostensubsidie</titel></kop><al>Gesubsidieerde arbeid kan als één van de voorzieningen worden ingezet om de
                        arbeidsinschakeling te bevorderen. In de wet is geregeld dat alle
                        voorzieningen moeten dienen om een persoon uiteindelijk aan regulier werk te
                        helpen. </al><al>Compensatie Het doel van de loonkostensubsidie is het bieden van compensatie
                        voor het feit dat voor een persoon ten minste het wettelijk minimumloon moet
                        worden betaald, terwijl de werkgever een persoon (nog) niet ten volle kan
                        inzetten. Zo kan het college een loonkostensubsidie aan de werkgever
                        verstrekken om tijdelijk het verschil in arbeidsproductiviteit te
                        compenseren en zo de re-integratie van de persoon te bewerkstelligen. </al><al>Om voor de doelgroep loonkostensubsidie in aanmerking te komen dient er
                        sprake te zijn van een persoon met mogelijkheden tot arbeidsparticipatie,
                        maar middels een verminderde loonwaarde.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Vaststelling doelgroep loonkostensubsidie</titel></kop><al>De loonkostensubsidie zoals beschreven in dit artikel kan uitsluitend worden
                        ingezet als de persoon in kwestie behoort tot de doelgroep
                        loonkostensubsidie, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel e, van
                        de wet: personen met een arbeidsbeperking. Deze nieuwe vorm van
                        loonkostensubsidie is niet per definitie tijdelijk, maar kan indien nodig
                        voor een langere periode worden ingezet. Met dit instrument compenseert de
                        gemeente werkgevers voor de verminderde productiviteit van de
                        werknemer.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Vaststelling loonwaarde doelgroep loonkostensubsidie</titel></kop><al>In artikel 10d, eerste lid, van de wet is bepaald dat als een persoon
                        behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie en een werkgever voornemens is
                        een dienstbetrekking aan te gaan met die persoon, het college de loonwaarde
                        van die persoon vaststelt. De vastgestelde loonwaarde legt het college vast
                        in een beschikking waartegen zowel de betrokken persoon als diens
                        (potentiële) werkgever bezwaar en beroep kunnen instellen. Als een
                        dienstbetrekking tot stand komt, verleent het college loonkostensubsidie aan
                        de werkgever met inachtneming van artikel 10d van de wet.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Beschut werk</titel></kop><al>Het college kan de voorziening beschut werk aanbieden aan een persoon uit de
                        doelgroep die door een lichamelijke, verstandelijke of psychische beperking
                        een zodanige mate van begeleiding op en aanpassingen van de werkplek nodig
                        heeft dat van een reguliere werkgever redelijkerwijs niet kan worden
                        verwacht dat hij deze in dienst neemt (eerste lid).</al><al><onderstreept>Stap</onderstreept><onderstreept> 1</onderstreept><onderstreept>: voorselectie</onderstreept></al><al>Ten behoeve van de participatievoorziening beschut werk voert de gemeente
                        een voorselectie uit. Tijdens de voorselectie bepaalt het college welke
                        mensen in aanmerking kunnen komen voor beschut werk, en op welk moment. In
                        de verordening moet vastgelegd worden hoe zij deze voorselectie
                        uitvoeren.</al><al>Daarom is in het tweede lid bepaald dat het college uitsluitend personen met
                        een grote afstand tot de arbeidsmarkt selecteert voor de beoordeling of zij
                        uitsluitend in een beschutte omgeving mogelijkheden tot arbeidsparticipatie
                        hebben. Voor dit criterium is gekozen omdat personen met een korte afstand
                        tot de arbeidsmarkt veelal niet uitsluitend in een beschutte omgeving
                        mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. Onder de personen met een
                        grote afstand tot de arbeidsmarkt is het aannemelijk dat daartoe personen
                        behoren die uitsluitend in een beschutte omgeving kunnen werken. </al><al><onderstreept>Stap</onderstreept><onderstreept> 2</onderstreept><onderstreept>: advies Uitvoeringsinstituut
                            werknemersverzekeringen</onderstreept></al><al>Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen adviseert het college met
                        betrekking tot het oordeel of een persoon tot de doelgroep beschut werk
                        behoort. Het uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen voert op basis van
                        landelijke criteria een beoordeling uit (artikel 10b, tweede lid, van de
                        Participatiewet). </al><al><onderstreept>Stap</onderstreept><onderstreept> 3</onderstreept><onderstreept>: besluit gemeente</onderstreept></al><al>Op basis van het advies van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
                        beslist de gemeente of iemand tot de doelgroep 'beschut werk' behoort.
                        Alleen als sprake is van een onzorgvuldige totstandkoming van het advies van
                        het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, kan de gemeente besluiten
                        het advies niet te volgen.</al><al><onderstreept>Stap</onderstreept><onderstreept> 4</onderstreept><onderstreept>: dienstbetrekking 'beschut werk'</onderstreept></al><al>Nadat is vastgesteld dat iemand tot de doelgroep 'beschut werk' behoort,
                        zorgt de gemeente ervoor dat deze persoon in een dienstbetrekking onder
                        beschutte omstandigheden aan de slag gaat (artikel 10b, derde lid, van de
                        Participatiewet). Het kan dan gaan om een privaatrechtelijke of een
                        publiekrechtelijke dienstbetrekking (artikel 6, eerste lid, onderdeel f, van
                        de Participatiewet). Hoe de dienstbetrekking wordt georganiseerd, behoort
                        tot de beleidsvrijheid van gemeenten. Een dienstbetrekking kan bijvoorbeeld
                        worden georganiseerd via een gemeentelijke dienst, NV, BV of stichting. Ook
                        kunnen personen (via detachering) in een beschutte omgeving bij reguliere
                        werkgevers werken.</al><al>Naast het bepalen van wie in aanmerking kan komen voor beschut zijn in deze
                        verordening vastgelegd welke voorzieningen voor arbeidsinschakeling ingezet
                        worden om deze dienstbetrekking mogelijk te maken (derde lid). Gemeenten
                        kunnen het werk zelf organiseren via bijvoorbeeld een aan de gemeente
                        gelieerd bedrijf zoals een SW-bedrijf. Ook kunnen zij afspraken maken met
                        andere reguliere werkgevers over de voorwaarden waarop zij deze mensen een
                        dergelijke dienstbetrekking aanbieden.</al><al><cursief>Omvang beschut werk</cursief></al><al>Het college bepaalt de omvang van het aanbod beschut werk en kan vastleggen
                        hoeveel plekken voor beschut werk de gemeente beschikbaar stelt. Het aanbod
                        is mede afhankelijk van het aantal geschikte en beschikbare plaatsen bij
                        werkgevers. Daarom moet het college overleg voeren met partners om de omvang
                        van het aanbod te kunnen bepalen (vierde lid).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>De no-riskpolis</titel></kop><al>De no-riskpolis kan worden ingezet als ondersteuning bij de
                        arbeidsinschakeling. De no-riskpolis is een belangrijk instrument om
                        aarzelingen bij werkgevers weg te nemen om mensen met arbeidsbeperkingen in
                        dienst te nemen. De no-riskpolis zorgt ervoor dat de werkgever compensatie
                        ontvangt voor de loonkosten, wanneer een werknemer met arbeidsbeperkingen
                        ziek wordt. Een werkgever komt niet in aanmerking voor een no-risk polis als
                        artikel 29b van de Ziektewet van toepassing is (artikel 8a, tweede lid,
                        onderdeel b wet).</al><al>De no-riskpolis is een verzekering waarbij de werkgever bij ziekte een van
                        de werknemer die een structurele functionele of andere beperking heeft of
                        voor wie de werkgever een loonkostensubsidie ontvangt in aanmerking komt
                        voor de no-riskpolis. De gemeente treedt op als verzekeringsnemer en de
                        werkgever is de begunstigde. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Scholing</titel></kop><al>In dit artikel is geregeld aan welke voorwaarden de inzet van dit instrument
                        moet voldoen. De scholing of opleiding moet altijd onderdeel uitmaken van
                        een plan van aanpak. Wanneer een persoon niet beschikt over een
                        startkwalificatie, staat dit veelal de arbeidsinschakeling in de weg.
                        Studiefinanciering is een voorliggende voorziening. Jongeren tot 27 jaar die
                        recht hebben op studiefinanciering moeten hier gebruik van maken. </al><al><cursief>Startkwalificatie</cursief></al><al>Onder startkwalificatie wordt verstaan een havo of Vwo-diploma of een
                        diploma van het middelbaar beroepsonderwijs (mbo), niveau twee. Scholing kan
                        worden aangeboden aan personen met of zonder een dergelijke
                        startkwalificatie. Vooral voor personen zonder startkwalificatie kan
                        scholing noodzakelijk zijn voor de re-integratie. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Persoonlijke begeleiding / jobcoaching</titel></kop><al>In artikel 16 wordt de voorziening persoonlijke ondersteuning nader geduid.
                        Het gaat dan om een voorziening zoals een job coach, die op vaste tijden en
                        gedurende een langere periode de werknemer met beperkingen bij het
                        verrichten van zijn taken ondersteunt. Het moet dan ook gaan om een
                        systematische ondersteuning. Daarnaast moet de ondersteuning noodzakelijk
                        zijn in die zin, dat de werknemer zonder die ondersteuning in redelijkheid
                        niet zijn werkzaamheden zou kunnen verrichten. Persoonlijke ondersteuning
                        heeft tot doel dat een werknemer wordt begeleid naar een situatie dat hij
                        uiteindelijk zonder begeleiding via een dergelijke voorziening bij een
                        reguliere werkgever werkzaam kan zijn.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Leerwerkplekken / werkervaringsplaats</titel></kop><al>De leerwerkplek is een werkplek, waarbij het met behoud van uitkering opdoen
                        van beroepsgerichte werkervaring centraal staat en hiermee een bijdrage
                        levert aan de arbeidsinschakeling van de persoon. Hoewel er geen wettelijk
                        maximum is aan de duur van een leerwerkplek met behoud van uitkering, achten
                        wij een periode van maximaal 6 maanden redelijkerwijs voldoende om de
                        specifieke beroepsgerichte werkervaring op te doen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Ondersteuning bij leer-werktrajecten</titel></kop><al>Personen uit de doelgroep kunnen in aanmerking komen voor de voorziening
                        ondersteuning bij leer-werktrajecten. Het college moet dan wel van oordeel
                        zijn dat een leer-werktraject nodig is en de ondersteuning nodig moet zijn
                        voor het volgen van dat leer-werktraject. Dit is geregeld in artikel 10 en
                        volgt uit artikel f van de Participatiewet. </al><al>De voorziening ondersteuning bij leer-werktrajecten is inzetbaar voor
                        jongeren van zestien of zeventien jaar oud die dreigen uit te vallen uit
                        school, maar middels een leer/werktraject alsnog een startkwalificatie
                        kunnen behalen. Om te voorkomen dat jongeren onnodig uitvallen, wordt de
                        mogelijkheid geboden extra ondersteuning te bieden. Deze voorziening kan ook
                        worden ingezet ter voorkoming van schooluitval bij jongeren van achttien tot
                        27 jaar die door een leer-werktraject alsnog een startkwalificatie kunnen
                        behalen.</al><al>Personen jonger dan 27 jaar die uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs kunnen
                        volgen, zijn uitgesloten van ondersteuning op grond van artikel 7, derde
                        lid, onder a, van de Participatiewet. Voor de conclusie dat een jongere uit
                        's Rijks kas bekostigd onderwijs kan volgen is vereist dat de jongere uit 's
                        Rijks kas bekostigd onderwijs volgt of daarvoor in aanmerking komt. In het
                        kader van artikel 7, derde lid, onder a, van de Participatiewet betekent dit
                        dat het college vanaf het moment dat de jongere uit 's Rijks kas bekostigd
                        onderwijs volgt of kan volgen geen ondersteuning bij de arbeidsinschakeling
                        kan bieden. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Participatieplaats</titel></kop><al>Een participatieplaats is bedoeld voor personen met een grotere afstand tot
                        de arbeidsmarkt. Voor personen jonger dan 27 jaar is ondersteuning in de
                        vorm van een participatieplaats niet mogelijk (art 7, lid 3
                        Participatiewet). </al><al>Op een participatieplaats worden additionele werkzaamheden verricht. Niet de
                        te verrichten werkzaamheden staan centraal maar het leren werken of het
                        (opnieuw) wennen aan werken. Aspecten als omgaan met gezag, op tijd komen,
                        werkritme en samenwerking met collega’s zijn allemaal zaken waaraan in een
                        participatieplaats gewerkt kan worden. Ook kan hiermee worden beoordeeld of
                        het werkterrein past bij de capaciteiten van de persoon, zodat een persoon
                        bijvoorbeeld een opleiding op het betreffende terrein kan gaan volgen en
                        daarmee voor zichzelf een duurzaam perspectief op arbeid kan realiseren. De
                        duur van de participatieplaats is wettelijk beperkt tot maximaal twee jaar
                        met een mogelijke verlenging van nogmaals twee jaar. Een participatieplaats
                        kan eerder worden beëindigd. De persoon die werkzaamheden verricht op een
                        participatieplaats heeft recht op een premie voor het eerst na zes maanden
                        en vervolgens iedere zes maanden na aanvang van de additionele
                        werkzaamheden. Voorwaarde is dat de persoon naar het oordeel van het college
                        voldoende heeft meegewerkt aan het vergroten van zijn kansen op de
                        arbeidsmarkt. Daarnaast moet bij het bepalen van de hoogte van de premie ook
                        de risico's van de armoedeval worden betrokken. </al><al><cursief>Scholing in combinatie met participatieplaats</cursief></al><al>Wanneer een persoon die in aanmerking is gebracht voor een
                        participatieplaats niet over een startkwalificatie beschikt, dient het
                        college aan deze persoon scholing of opleiding aan te bieden. De inzet van
                        scholing of opleiding geldt vanaf zes maanden na aanvang van de
                        werkzaamheden op de participatieplaats. De scholing of opleiding moet zijn
                        gericht zijn vergroting van de kansen op de arbeidsmarkt. Het college hoeft
                        aan een persoon alleen geen scholing of opleiding aan te bieden als
                        dergelijke scholing of opleiding naar zijn oordeel de krachten of
                        bekwaamheden van de persoon te boven gaan of als naar zijn oordeel scholing
                        of opleiding niet bijdraagt aan vergroting van de kans op inschakeling in
                        het arbeidsproces van de persoon. Dit volgt uit artikel 10a, vijfde lid, van
                        de Participatiewet. Over het dragen en/of verdeling van de kosten van de
                        scholing wordt afstemming gezocht met de aanbieder van de
                        participatieplaats.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Persoonlijk Re-integratiebudget (PRB)</titel></kop><al>Als een persoon een voorziening nodig heeft, kan de gemeente ook een PRB
                        aanbieden. Bij een PRB heeft de persoon keuzevrijheid bij het inzetten van
                        de middelen bijvoorbeeld voor begeleiding of training. Een PRB kan een
                        geschikt instrument zijn om maatwerk te leveren, maar is gericht op de meest
                        passende weg naar betaald werk. </al><al>Inzet van PRB kan alleen met toestemming van het college en als onderdeel
                        van het plan van aanpak (pva). </al><al>Voorbeelden waarvoor het PRB kan worden ingezet zijn inzet van een aantal
                        uur begeleiding richting werk vanuit een gecertificeerde organisatie of het
                        behalen van een Vca-certificaat (veiligheidschecklist aannemers). </al><al>Wanneer de persoon naast zijn inzet aan uren binnen het plan van het PRB en
                        zorgtaken in de ogen van het college nog ruimte heeft voor het verrichten
                        van (deeltijd)arbeid, dan dient de persoon hiervoor beschikbaar te zijn. </al><al>Het instrument Persoonlijk re-integratiebudget kan niet worden ingezet voor
                        een jongere onder 27 jaar die uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs kan
                        volgen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Preventie</titel></kop><al>Preventie is per definitie een kortdurende en vaak snelle interventie, zoals
                        bijvoorbeeld een VCA-opleiding van enkele dagen of bemiddeling naar werk.
                        Preventie is niet alleen gericht op het voorkomen van werkeloosheid, maar
                        kan ook gericht zijn op het voorkomen van maatschappelijke uitval,
                        problematische schulden en voortijdig schooluitval. Met preventie wordt
                        beoogd in een vroeg stadium zelfredzaamheid en participatie te behouden door
                        een preventief instrument in te zetten.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr><titel>Innovatie</titel></kop><al>De gedachte bij dit artikel is dat het gaat om een project en niet om een
                        individueel traject. Het college kan bij wijze van experiment afwijken van
                        het bepaalde in deze verordening. De duur van een experiment is ten hoogste
                        twee jaar. Na afloop van de twee jaar moet het college besluiten of zij het
                        experiment stopt dan wel de afwijkende werkwijze borgt in de organisatie. </al><al>In het laatstgenoemde geval kan het noodzakelijk zijn dat de periode van
                        afwijkende behandeling wordt verlengd. Ook daarin voorziet dit artikel.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>23.</nr><titel>Uitvoering</titel></kop><al>De uitvoering van deze verordening berust bij het college. Het college stelt
                        voor deze uitvoering nadere regels vast.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>24.</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Dit artikel heeft betrekking op de hardheidsclausule en maakt het mogelijk
                        in het voordeel van de persoon af te wijken van wat in de verordening is
                        vastgelegd. Het college beslist in gevallen waarin deze verordening
                        onverhoopt niet voorziet. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>25.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>26.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>