<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91-->
  
  
  
  
  
  
  
  
  <meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR381188_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Regeling aanvullende voorzieningen bij werkloosheid (krachtens artikel B.13 van de CAP)</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:RegionaalSamenwerkingsorgaan">Regionale uitvoeringsdienst Zeeland</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-08-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Provincie">Zeeland</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Middelburg</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Hulst</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Vlissingen</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Veere</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Borsele</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Noord-Beveland</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Reimerswaal</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Kapelle</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Tholen</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Goes</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Schouwen-Duiveland</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Sluis</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Terneuzen</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Waterschap">Waterschap Scheldestromen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/">Elektronisch publicatieblad</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Regeling aanvullende voorzieningen bij werkloosheid</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel F.7 van de CAP</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanRegionaalSamenwerkingsorgaan">algemeen bestuur</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-04-04</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-04-30</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2016-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta>
  
  <body><intitule>
      Regeling aanvullende voorzieningen bij werkloosheid
    </intitule>
    
    <regeling>
      <aanhef>
        <preambule>
          <al>Deze onderstaande tekst is een exacte weergave van de afspraken die in het
                        Sectoraal Provinciaal Arbeidsoverleg gemaakt zijn over een
                        uitvoeringsregeling van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling
                        Provincies. Deze regeling is door het Algemeen Bestuur van de RUD Zeeland
                        vastgesteld voor deze organisatie. De tekst moet daarom als volgt gelezen
                        worden.</al>
          <al>Voor "provincie" dient gelezen te worden "RUD Zeeland", tenzij de "cao
                        provincies." Wordt bedoeld.</al>
          <al>Voor "Gedeputeerde Staten" dient gelezen te worden "het bestuur van de RUD
                        Zeeland". </al>
          <al>Ten aanzien van het diensttijdbegrip in artikel 10 lid 5 is de bedoeling in
                        artikel 27 lid 1 van het sociaal statuut 2015-2020 van de RUD Zeeland van
                        toepassing.</al>
          <al/>
          <al>Het Algemeen Bestuur van de Regionale uitvoeringsdienst Zeeland,</al>
          <al/>
          <al>Gelet op </al>
          <al>Artikel F.7 van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling Provincies;</al>
          <al/>
          <al>Besluit</al>
          <al>vast te stellen:</al>
          <al>De Regeling aanvullende voorzieningen bij werkloosheid (krachtens artikel
                        B.13 van de CAP)</al>
        </preambule>
      </aanhef>
      <regeling-tekst>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>HOOFDSTUK</label>
            <nr>I</nr>
            <titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>1</nr>
              <titel>Begripsomschrijvingen</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>In deze regeling wordt verstaan onder betrokkene de ambtenaar</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>aan wie op grond van artikel B.12 van de CAP ontslag is
                                        verleend, alsmede degene die, nadat het voornemen tot
                                        zodanig ontslag is medegedeeld, ontslag op aanvraag op grond
                                        van artikel B.10 van de CAP is verleend;</al></li>
                <li nr="b."><al>aan wie op grond van artikel E.9 van de CAP ontslag is
                                        verleend wegens ongeschiktheid tot het verrichten van zijn
                                        arbeid wegens ziekte en die ten tijde van het ontslag door
                                        het UWV in het kader van de uitvoering van de WIA voor
                                        minder dan 35% arbeidsongeschikt is verklaard.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>In deze regeling wordt verstaan onder:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>dagloon: het dagloon in de zin van artikel 45 van de
                                        Werkloosheidswet, evenwel zonder toepassing van het bedrag,
                                        bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering
                                        sociale verzekeringen met betrekking tot een loontijdvak van
                                        een dag;</al></li>
                <li nr="b."><al>diensttijd: tijd, doorgebracht als overheidswerknemer in de
                                        zin van artikel 2.4, onderdeel a, van het pensioenreglement
                                        welke in aanmerking komt als pensioengeldige tijd, bedoeld
                                        in artikel 5.1 van het pensioenreglement, en tijd
                                        doorgebracht als werknemer in dienst van de overheid van
                                        lidstaten van de Europese Economische Ruimte, met
                                        uitzondering van tijd die in aanmerking is genomen bij de
                                        berekening van de duur van een wachtgeld of van een
                                        uitkering ter zake van onvrijwillige werkloosheid ten laste
                                        van de overheid en met dien verstande dat van tijd die door
                                        ontslag onderbroken is geweest de tijd vóór de onderbreking
                                        slechts meetelt indien de onderbreking korter dan een jaar
                                        heeft geduurd;</al></li>
              </lijst>
            </lid>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>HOOFDSTUK</label>
            <nr>II</nr>
            <titel>AANVULLENDE UITKERING</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>2</nr>
              <titel>Recht op aanvullende uitkering</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>De betrokkene die recht heeft op een uitkering als bedoeld in
                                hoofdstuk IIA van de Werkloosheidswet heeft recht op een aanvullende
                                uitkering overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 3 tot en met 7
                                gedurende de uitkeringsduur, bedoeld in artikel 42 van de
                                Werkloosheidswet, zulks met dien verstande dat de verloren
                                arbeidsuren waarvoor hij geen betrokkene is geen aanspraak geven op
                                een aanvullende uitkering.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Voor de toepassing van de artikelen 3, 4 en 5 wordt de uitkering
                                krachtens de Werkloosheidswet, de Ziektewet en de Wet arbeid en zorg
                                steeds geacht onverminderd door betrokkene te zijn genoten.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>3</nr>
              <titel>Hoogte aanvullende uitkering</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>De uitkering op grond van hoofdstuk II, A van de Werkloosheidswet
                                wordt na ontslag gedurende de eerste 12 maanden per dag aangevuld
                                tot 80% van het dagloon en tijdens het restant van de
                                uitkeringsduur, bedoeld in artikel 2, eerste lid, tot 70% van het
                                dagloon.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>In afwijking van het eerste lid bedraagt het percentage 77 en 67 in
                                plaats van achtereenvolgens 80 en 70 zolang de Wet van 20 december
                                1984, (Stb. 1984, 657) op betrokkene van toepassing is.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Voor de berekening van de termijn van 12 maanden, bedoeld in het
                                eerste lid, wordt een op grond van artikel 4 gegeven aanvulling per
                                dag tot 80% van het dagloon mede in aanmerking genomen.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>4</nr>
              <titel>Aanvullende uitkering bij ziekte, zwangerschap en
                                bevalling</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Betrokkene die binnen de in artikel 2, eerste lid, bedoelde
                                uitkeringsduur waarin hij recht heeft op een uitkering op grond van
                                hoofdstuk II A van de Werkloosheidswet wegens ziekte ongeschikt is
                                arbeid te verrichten en deswege een uitkering krachtens de Ziektewet
                                geniet, heeft recht op een aanvullende uitkering gedurende de
                                termijn dat die uitkering krachtens de Ziektewet wordt genoten.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>De aanvulling van de uitkering krachtens de Ziektewet is gelijk aan
                                die welke zou hebben gegolden indien artikel 3 van toepassing zou
                                zijn.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>In afwijking van het tweede lid wordt voor de betrokkene gedurende
                                de termijn dat zij een uitkering geniet krachtens artikel 29a van de
                                Ziektewet, deze uitkering per dag aangevuld tot 100% van het
                                dagloon.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4.</lidnr>
              <al>Als betrokkene binnen de in artikel 2, eerste lid, bedoelde
                                uitkeringsduur waarin recht bestaat op een uitkering op grond van
                                hoofdstuk IIA van de Werkloosheidswet, in verband met zwangerschap
                                en bevalling een uitkering krachtens de Wet arbeid en zorg geniet
                                wordt die uitkering per dag aangevuld tot 100% van het dagloon.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>5.</lidnr>
              <al>Het verplichtingen- en sanctieregime van de Ziektewet is van
                                overeenkomstige toepassing op de aanvullende uitkering bij ziekte
                                als bedoeld in het eerste tot en met derde lid.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>5</nr>
              <titel>Aanvullende overlijdensuitkering</titel>
            </kop>
            <al>Bij overlijden van betrokkene die tot en met de dag van overlijden recht
                            heeft op een aanvulling op grond van artikel 3 of artikel 4 wordt de
                            overlijdensuitkering, bedoeld in artikel 35 van de Ziektewet, per dag
                            aangevuld tot 100% van het dagloon.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>6</nr>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Ten aanzien van de aanvullende uitkering, bedoeld in artikel 2, zijn
                                afdeling 1 van hoofdstuk II A - met uitzondering van artikel 41 -
                                alsmede de artikelen 43, 47, tweede en derde lid, 75, 76 en 78 van
                                de Werkloosheidswet van overeenkomstige toepassing, met dien
                                verstande dat:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>in artikel 26, eerste lid, onder a, van die wet voor "eerste
                                        dag van werkloosheid" wordt gelezen: eerste dag van
                                        werkloosheid na ontslag;</al></li>
                <li nr="b."><al>in artikel 26, eerste lid, onder b, van die wet na "na het
                                        intreden van zijn werkloosheid" wordt ingevoegd: na
                                        ontslag.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Ten aanzien van de aanvullende uitkering bedoeld in artikel 2, is
                                het bepaalde bij en krachtens de artikelen 34, 35 en 35a van de
                                Werkloosheidswet van overeenkomstige toepassing in die zin dat de
                                daar bedoelde inkomsten in mindering komen op het totaal van de
                                aanvullende uitkering en de uitkering krachtens de
                                Werkloosheidswet.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Een sanctie wegens het niet nakomen van een verplichting op grond
                                van artikel 24, 25 of 26 van de Werkloosheidswet zal niet worden
                                gecompenseerd in de aanvullende uitkering.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4.</lidnr>
              <al>De betrokkene aan wie ontslag op aanvraag als bedoeld in artikel 1,
                                eerste lid, onder a, is verleend en aan wie in verband hiermee een
                                sanctie krachtens de Werkloosheidswet in verband met verwijtbare
                                werkloosheid is opgelegd heeft recht op een werkloosheidsuitkering
                                die betrokkene gehad zou hebben indien er geen sanctie zou zijn
                                opgelegd.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>7</nr>
              <titel>vervallen</titel>
            </kop>
            <al/>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>8</nr>
              <titel>Aanvullende uitkering provinciale werknemer die in het buitenland
                                woont</titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>De betrokkene die aansluitend aan zijn arbeidsurenverlies als
                                    betrokkene buiten Nederland woont en in verband met artikel 71,
                                    eerste lid, onderdeel a ii, EG-Verordening 1408/71 geen recht
                                    heeft op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet, heeft
                                    recht op een aanvullende uitkering voor zover de omstandigheid
                                    dat hij geen recht heeft op een uitkering op grond van die wet,
                                    uitsluitend wordt veroorzaakt doordat hij buiten Nederland
                                    woont.</al></li>
              <li nr="2."><al>De aanvullende uitkering op grond van dit artikel:</al><lijst>
                  <li nr="a."><al>eindigt niet door de omstandigheid dat betrokkene wegens
                                            ziekte of arbeidsongeschiktheid niet beschikbaar is om
                                            arbeid te aanvaarden, indien hij geen recht heeft op een
                                            uitkering als bedoeld in artikel 19, eerste lid,
                                            onderdeel a, b of n, van de Werkloosheidswet vanwege het
                                            enkele feit dat zijn verzekering op grond van de daar
                                            genoemde wetten is geëindigd;</al></li>
                  <li nr="b."><al>is, indien betrokkene alsnog of wederom recht krijgt op
                                            een uitkering op grond van de Werkloosheidswet, niet van
                                            invloed op het recht op een aanvullende of nawettelijke
                                            uitkering dat voor betrokkene is verbonden aan dat recht
                                            op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet.</al><al/><al>Het bepaalde in de eerste volzin, onderdeel a, is niet
                                            van toepassing zolang betrokkene op grond van de
                                            Uitvoeringsregeling rechten en plichten bij ziekte en
                                            arbeidsongeschiktheid aanspraak heeft op doorbetaling
                                            van zijn laatstelijk genoten bezoldiging.</al></li>
                </lijst></li>
            </lijst>
            <lijst>
              <li nr="3."><al>De uitkering waarop betrokkene op grond van dit artikel recht
                                    heeft, is in hoogte en duur gelijk aan de uitkering op grond van
                                    de Werkloosheidswet en de aanvullende uitkering waarop hij recht
                                    zou hebben gehad indien hij in Nederland zou hebben
                                    gewoond.</al></li>
              <li nr="4."><al>Indien betrokkene aantoont dat hij recht heeft op een uitkering
                                    wegens ziekte, zwangerschap of bevalling naar het recht van zijn
                                    woonland, wordt die uitkering voor de toepassing van het derde
                                    lid gelijkgesteld met de overeenkomstige uitkering op grond van
                                    de Ziektewet of de Wet arbeid en zorg. Deze gelijkstelling vindt
                                    plaats voor ten hoogste de maximale duur van de overeenkomstige
                                    uitkering op grond van de Ziektewet of de Wet arbeid en zorg.
                                    Zolang deze gelijkstelling duurt is de uitkering gelijk aan de
                                    uitkering op grond van de Ziektewet of de Wet arbeid en zorg en
                                    de aanvullende uitkering waarop betrokkene recht zou hebben
                                    gehad indien hij in Nederland had gewoond.</al></li>
              <li nr="5."><al>Indien betrokkene een uitkering wegens werkloosheid, ziekte,
                                    zwangerschap, bevalling of arbeidsongeschiktheid naar het recht
                                    van zijn woonland ontvangt, wordt deze geheel in mindering
                                    gebracht op de uitkering op grond van dit artikel over dezelfde
                                    periode.</al></li>
              <li nr="6."><al>Zolang en voor zover betrokkene tegelijk recht heeft op een
                                    uitkering op grond van dit artikel en een uitkering op grond van
                                    de Werkloosheidswet, de Ziektewet of de Wet arbeid en zorg, een
                                    bovenwettelijke uitkering of een uitkering die daar naar aard en
                                    strekking mee overeenkomt, niet zijnde een uitkering naar het
                                    recht van zijn woonland, heeft de uitkering op grond van dit
                                    artikel het karakter van een aanvulling tot de hoogte die de
                                    uitkering op grond van dit artikel zonder de samenloop zou
                                    hebben. Hierbij wordt de wettelijke uitkering geacht
                                    onverminderd te zijn ontvangen indien deze op grond van enige
                                    wettelijke bepaling geheel of gedeeltelijk is geweigerd, dan wel
                                    niet of niet geheel is betaald.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>HOOFDSTUK</label>
            <nr>III</nr>
            <titel>NAWETTELIJKE UITKERING</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>9</nr>
            </kop>
            <al>De betrokkene, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, heeft na
                            het verstrijken van de duur van de uitkering krachtens hoofdstuk II A
                            van de Werkloosheidswet bij voortdurende werkloosheid recht op een
                            nawettelijke uitkering indien de uitkeringsduur, berekend overeenkomstig
                            artikel 10, tweede lid, langer is dan die, berekend overeenkomstig
                            artikel 42 van genoemde wet, en verminderd met 2 dan wel 3,5 jaar
                            overeenkomstig artikel 10, derde lid, zulks met dien verstande dat de
                            verloren arbeidsuren waarvoor hij geen betrokkene is geen aanspraak
                            geven op een nawettelijke uitkering.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>10</nr>
              <titel>Duur nawettelijke uitkering</titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>De duur van de nawettelijke uitkering wordt voor de betrokkene,
                                    bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, vastgesteld
                                    overeenkomstig het bepaalde in het tweede tot en met vijfde
                                    lid.</al></li>
              <li nr="2."><al>De duur van de nawettelijke uitkering bedraagt drie maanden,
                                    vermeerderd met een duur, gelijk aan 18% van de diensttijd als
                                    betrokkene op de dag van ontslag nog geen 21 jaar is, met een
                                    duur, gelijk aan 19,5% van de diensttijd als hij op de dag van
                                    ontslag 21 jaar is en zo vervolgens per leeftijdsjaar opklimmend
                                    met 1,5%, met dien verstande dat de duur voor betrokkene die op
                                    de dag van ontslag 60 jaar of ouder is, gelijk is aan drie
                                    maanden, vermeerderd met een duur, gelijk aan 78% van de
                                    diensttijd.</al></li>
            </lijst>
            <lijst>
              <li nr="3."><al>De in het tweede lid berekende duur wordt verminderd met de
                                    uitkeringsduur, berekend overeenkomstig artikel 42 van de
                                    Werkloosheidswet en verminderd met 2, onderscheidenlijk 3,5 jaar
                                    voor de betrokkene die op de eerste dag van werkloosheid jonger
                                    is dan 57,5 jaar, onderscheidenlijk 57,5 jaar of ouder is.</al></li>
              <li nr="4."><al>De overeenkomstig het tweede en derde lid berekende
                                    uitkeringsduur wordt op een volle maand naar boven
                                    afgerond.</al></li>
              <li nr="5."><al>De duur van de nawettelijke uitkering van betrokkene die ten
                                    tijde van het ontslag 59 jaar of ouder is wordt na afloop van de
                                    termijn waarover de nawettelijke uitkering is toegekend verlengd
                                    tot de dag waarop hij de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt,
                                    indien hij direct voorafgaand aan het ontslag zonder
                                    onderbreking van langer dan twee maanden vijf jaar in dienst is
                                    geweest van een of meer provincies.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>11</nr>
              <titel>Hoogte nawettelijke uitkering</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>De nawettelijke uitkering bedraagt per dag 70% van het dagloon.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>In afwijking van het eerste lid bedraagt het percentage 67 in plaats
                                van 70 zolang de Wet van 20 december 1984 (Stb. 1984, 657) op
                                betrokkene van toepassing is.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>12</nr>
              <titel>Overlijdensuitkering</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Zo spoedig mogelijk na het overlijden wordt de betrokkene die tot en
                                met de dag van overlijden recht heeft op een nawettelijke uitkering,
                                onder overeenkomstige toepassing van artikel 35 van de Ziektewet een
                                overlijdensuitkering toegekend die per dag gelijk is aan 100% van
                                het dagloon.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Op het uit te keren bedrag, bedoeld in het eerste lid, wordt in
                                mindering gebracht het bedrag van de uitkering waarop de nagelaten
                                betrekkingen van betrokkene terzake van diens overlijden aanspraak
                                kunnen maken uit hoofde van een of meer werkloosheidsuitkeringen,
                                arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, uitkeringen op grond van de
                                Ziektewet dan wel uitkeringen die naar aard en strekking
                                overeenkomen met laatstgenoemde uitkeringen waarop betrokkene recht
                                had.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>13</nr>
            </kop>
            <al>Ten aanzien van de nawettelijke uitkering is artikel 6, eerste lid, van
                            overeenkomstige toepassing met dien verstande dat ziekte van betrokkene
                            niet wordt geacht aan werkloosheid in de weg te staan en dat bij ziekte
                            artikel 19, eerste lid, onderdeel a, van de Werkloosheidswet niet van
                            overeenkomstige toepassing is.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>14</nr>
              <titel>Nawettelijke uitkering provinciale werknemer die in het
                                buitenland woont</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Na het verstrijken van de duur van een aanvullende uitkering op
                                grond van artikel 8 heeft betrokkene recht op de nawettelijke
                                uitkering waarop hij recht zou hebben gehad als hij in Nederland zou
                                hebben gewoond.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Op de uitkering op grond van dit artikel is artikel 8, tweede,
                                vijfde en zesde lid, van overeenkomstige toepassing.</al>
            </lid>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>HOOFDSTUK</label>
            <nr>IV</nr>
            <titel>OVERIGE BEPALINGEN</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>15</nr>
              <titel>Indexering</titel>
            </kop>
            <al>Het dagloon wordt telkens aangepast aan de in de provincies geldende
                            algemene salariswijziging.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>16</nr>
              <titel>Verhuiskostenvergoeding</titel>
            </kop>
            <al>Aan de betrokkene die elders arbeid of bedrijf ter hand gaat nemen kan
                            terzake van de kosten welke voor hem aan een daartoe noodzakelijke
                            verhuizing zijn verbonden, een tegemoetkoming worden verleend tot ten
                            hoogste het bedrag van een vergoeding volgens de daartoe geldende
                            verhuiskostenregeling.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>17</nr>
              <titel>Afkoop</titel>
            </kop>
            <al>Op verzoek van de betrokkene kan het recht op de aanvullende en
                            nawettelijke uitkering geheel of ten dele worden afgekocht indien
                            daarmee de werkloosheid geheel of gedeeltelijk kan worden opgeheven. Bij
                            gehele, onderscheidenlijk gedeeltelijke afkoop als bedoeld in de eerste
                            volzin eindigt het recht op de aanvullende en nawettelijke uitkering
                            geheel, onderscheidenlijk voor het afgekochte deel.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>18</nr>
              <titel>Vervallen (verhoogde pensioenopbouw)</titel>
            </kop>
            <al/>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>19</nr>
              <titel>Uitkering bij ontslag in het belang van de dienst</titel>
            </kop>
            <al>De ambtenaar aan wie met toepassing van artikel B.9, onderdeel o, van de
                            CAP ontslag is verleend heeft recht op een aanvullende en nawettelijke
                            uitkering die naar het oordeel van gedeputeerde staten met het oog op de
                            omstandigheden redelijk is te achten. Deze uitkering is in geen geval
                            minder dan die waarop aanspraak zou bestaan indien de ambtenaar ontslag
                            zou zijn verleend als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel
                            a.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>20</nr>
              <titel>Eenmalige uitkering</titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>De ambtenaar aan wie ontslag is verleend op grond artikel B.9,
                                    onderdeel g van de CAP of op grond van artikel B.9, onderdeel d,
                                    heeft recht op een eenmalige uitkering bij ontslag indien het
                                    ontslag in overwegende mate is toe te rekenen aan schuld van de
                                    provincie.</al></li>
              <li nr="2."><al>Gedeputeerde staten bepalen de hoogte van de eenmalige
                                    uitkering, gelet op de bijzondere omstandigheden van het
                                    concrete geval. Zij houden daarbij in ieder geval rekening met
                                    de mate vanschuld van de provincie en de ambtenaar aan het
                                    ontslag, met de leeftijd van de ambtenaar en met de duur en de
                                    omvang van het dienstverband van de ambtenaar bij de
                                    provincie.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>21</nr>
              <titel>Doorwerking wettelijke maatregelen</titel>
            </kop>
            <al>Tenzij in het SPA anders is overeengekomen werken algemene neerwaartse
                            wijzigingen in duur en hoogte van de uitkering krachtens de
                            Werkloosheidswet - anders dan door wijzigingen als gevolg van
                            individuele feiten en omstandigheden - vanaf de in het Staatsblad
                            vermelde datum van inwerkingtreden van genoemde algemene neerwaartse
                            wijzigingen door in de duur en hoogte van de aanvullende en nawettelijke
                            uitkering. De in de eerste volzin bedoelde doorwerking vindt evenwel
                            niet eerder plaats dan 6 maanden na de datum van publicatie van genoemde
                            algemene neerwaartse wijzigingen in het staatsblad dan wel, indien dat
                            later is, voor de datum van afloop van het lopende akkoord over de
                            arbeidsvoorwaarden in de sector provincies.</al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>HOOFDSTUK</label>
            <nr>V</nr>
            <titel>OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>22</nr>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>De wachtgeldregeling en de uitkeringsregeling bij werkloosheid
                                vervallen met ingang van 1 januari 2003. Toegang tot deze regelingen
                                is met ingang van 1 januari 2001 niet meer mogelijk.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>De in het eerste lid bedoelde regelingen blijven vanaf 1 januari
                                2003 onverminderd van kracht voor de gewezen ambtenaren aan wie vóór
                                1 januari 2001 op grond van die regelingen een wachtgeld of
                                uitkering is toegekend waarvan de duur doorloopt na 1 januari 2003,
                                onderscheidenlijk welke na deze datum herleeft.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>De gewezen ambtenaar die uit hoofde van ontslag, einde van het
                                dienstverband of werkloosheid recht heeft op wachtgeld of uitkering
                                op grond van de in het eerste lid bedoelde regelingen heeft uit dien
                                hoofde geen aanspraken op grond van de Regeling aanvullende
                                voorzieningen bij werkloosheid.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>23</nr>
              <titel>Inwerkingtreden en citeertitel</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling aanvullende
                                voorzieningen bij werkloosheid.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Deze regeling treedt na publicatie in werking, op 1 januari
                                2016</al>
              <al/>
            </lid>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
      </regeling-tekst>
      <regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering>
        
        <ondertekening>Aldus vastgesteld in de vergadering van het Algemeen bestuur van de RUD
                        Zeeland van 4 april 2016</ondertekening>
        <ondertekening/>
        <ondertekening>de voorzitter, A.G. van der Maas</ondertekening>
        <ondertekening/>
        <ondertekening>de secretaris, ing A. van Leeuwen MPA</ondertekening>
      </regeling-sluiting>
      <bijlage>
        <kop>
          <titel>OVERGANGSRECHT BIJ AANPASSING REGELING I.V.M. AFSCHAFFING WW-
                        VERVOLGUITKERING</titel>
        </kop>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>II</nr>
            <titel>Overgangsrecht</titel>
          </kop>
          <lijst>
            <li nr="1."><al>De bepalingen van de Regeling aanvullende voorzieningen bij
                                werkloosheid, zoals die luidden op de dag vóór inwerkingtreding van
                                dit besluit, blijven gelden voor de betrokkene op wie artikel 130h
                                van de Werkloosheidswet van toepassing is.</al></li>
            <li nr="2."><al>Betrokkene van wie de duur van zijn uitkering op grond van artikel
                                42 van de Werkloosheidswet afloopt vóór 1 april 2005 en die in deze
                                uitkeringsperiode een aanvullende uitkering geniet op grond van de
                                Regeling aanvullende voorzieningen bij werkloosheid, heeft
                                aansluitend recht op een uitkering, indien en voor zolang hij op
                                grond van het vervallen artikel 49 van de Werkloosheidswet recht zou
                                hebben gehad op een vervolguitkering. Deze uitkering wordt toegekend
                                tot uiterlijk 1 april 2005. Geen recht op de uitkering bestaat
                                indien op betrokkene artikel 130h van de Werkloosheidswet van
                                toepassing is. De uitkering bedraagt 80% van de berekeningsgrondslag
                                zolang een periode van 12 maanden na de datum van ontslag,
                                onderscheidenlijk het einde van de tijdelijke aanstelling nog niet
                                is verstreken en daarna 70% van de berekeningsgrondslag.</al></li>
            <li nr="3."><al>Heeft betrokkene, bedoeld in het tweede lid, op grond van de
                                Regeling aanvullende voorzieningen bij werkloosheid aansluitend aan
                                de aanvullende uitkering recht op een nawettelijke uitkering, dan
                                vangt deze nawettelijke uitkering aan op 1 april 2005, aansluitend
                                aan de in het tweede lid bedoelde uitkering. De duur van de
                                nawettelijke uitkering wordt berekend overeenkomstig artikel 10 van
                                de Regeling aanvullende voorzieningen bij werkloosheid zoals deze
                                vanaf de datum van inwerkingtreding van dit besluit luidt.</al></li>
          </lijst>
        </divisie>
      </bijlage>
      <bijlage>
        <kop>
          <titel>Overgangsbepaling bij wijziging provinciale rechtspositieregelingen
                        i.v.m. de WIA en het WIA-akkoord overheid- en onderwijspersoneel</titel>
        </kop>
        <al>Artikel 1, tweede lid, onderdeel c, en artikel 7 van de Regeling aanvullende
                    voorzieningen bij werkloosheid, zoals die luidden op 31 mei 2007, blijven van
                    toepassing op degene voor wie de Suppletieregeling bij gedeeltelijke
                    arbeidsongeschiktheid op grond van artikel IV na 31 mei 2007 van kracht
                    blijft.</al>
      </bijlage>
      <bijlage>
        <kop>
          <titel>Overgangsrecht bij wijziging i.v.m. de cao Provincies 2012/2015</titel>
        </kop>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>III</nr>
          </kop>
          <al>Artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van de Regeling aanvullende
                        voorzieningen bij werkloosheid, zoals dat luidde op de dag vóór
                        inwerkingtreding van dit besluit, blijft van toepassing op degene die op
                        grond van die bepaling op die dag recht had op een aanvullende uitkering
                        krachtens die regeling.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>IV</nr>
          </kop>
          <al>Artikel 10, vijfde lid, van de Regeling aanvullende voorzieningen bij
                        werkloosheid, zoals dat luidde op de dag vóór inwerkingtreding van dit
                        besluit, blijft van toepassing op degene die op die dag recht had op een
                        verlengde nawettelijke uitkering krachtens die bepaling.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>V</nr>
          </kop>
          <al>Artikel 18 van de Regeling aanvullende voorzieningen bij werkloosheid, zoals
                        dat luidde op de dag vóór inwerkingtreding van dit besluit, blijft van
                        toepassing op degene die op grond van die bepaling op die dag recht had op
                        een bijdrage van de provincie in de extra pensioenopbouw.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>VI</nr>
          </kop>
          <al>Dit besluit vervangt de vorige gelijknamige regeling aanvullende voorziening
                        bij werkloosheid en treedt na publicatie in werking op 1 januari 2016.</al>
        </divisie>
      </bijlage>
      <nota-toelichting>
        <kop>
          <titel>TOELICHTING OP DE REGELING AANVULLENDE VOORZIENINGEN BIJ
                        WERKLOOSHEID</titel>
        </kop>
        <al>
          <vet>1. Inleiding</vet>
        </al>
        <al>De ambtelijke aanspraken zijn geregeld in wettelijke en bovenwettelijke
                    aanspraken. Het overheidspersoneel valt onder alle sociale verzekeringswetten.
                    Dit zijn de wettelijke aanspraken. Dat betekent dat de provinciale ambtenaar
                    valt onder de werking van de ZW, WAO, Werkloosheidswet (WW), Toeslagenwet en de
                    Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
                    werknemers (IOAW). De Regeling aanvullende voorzieningen bij werkloosheid is een
                    bovenwettelijke regeling in aanvulling op de WW.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>2. Uitgangspunten</vet>
        </al>
        <al>Aan de bovenwettelijke werkloosheidsregeling ligt een aantal uitgangspunten ten
                    grondslag. Als zodanig kunnen worden genoemd:</al>
        <al/>
        <al>- een naadloze aansluiting op de WW-systematiek;</al>
        <al/>
        <al>- een eenvoudige regeling zowel qua regelgeving als qua uitvoering;</al>
        <al/>
        <al>- een regeling die invulling geeft aan het volumebeleid;</al>
        <al/>
        <al>- een regeling waarbij zowel de bovenwettelijke voorzieningen in de marktsector
                    als de huidige ambtelijke regelingen het referentiepunt zijn;</al>
        <al/>
        <al>- een duurzame regeling voor de middellange termijn.</al>
        <al/>
        <al>Tussen de eerste twee uitgangspunten is een nauwe samenhang: zonder een goede
                    aansluiting op de WW-systematiek is een eenvoudige regeling niet denkbaar. Een
                    dergelijke regeling zou leiden tot hogere uitvoeringskosten dan strikt genomen
                    noodzakelijk is. Naadloze aansluiting past in de filosofie dat de WW de
                    bodemvoorziening is en de bovenwettelijke regeling een complementaire
                    voorziening. Het derde uitgangspunt impliceert:</al>
        <al/>
        <al>- voor de werknemer dat de regeling voldoende prikkel moet bevatten om zo snel
                    mogelijk weer in het arbeidsproces terug te keren;</al>
        <al/>
        <al>- voor de werkgever dat de regeling voldoende prikkel moet bevatten om zich tot
                    het uiterste in te spannen alternatieven voor werkloosheid te vinden.</al>
        <al/>
        <al>Volumebeleid is dan ook een belangrijke taak voor het uitvoeringsorgaan aan wie
                    de uitvoering van de bovenwettelijke regeling zal zijn opgedragen. Met dit
                    uitgangspunt is ook rekening gehouden bij de afspraken over met name hoogte en
                    duur van de bovenwettelijke uitkering: deze mogen uiteraard niet de prikkel tot
                    re-integratie wegnemen.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>3. Hoofdlijnen van de regeling</vet>
        </al>
        <al/>
        <al>
          <cursief>a. Toegang tot de regeling </cursief>
        </al>
        <al/>
        <al>Voor toegang tot de regeling is vereist enerzijds dat aanspraak bestaat op een
                    loongerelateerde WW-uitkering en anderzijds dat de ambtenaar ontslag uit
                    provinciale dienst is verleend. Het eerste vereiste vloeit voort uit het
                    uitgangspunt dat de regeling naadloos moet aansluiten op de WW. In concreto
                    houdt dit, gelet op de in de WW gestelde voorwaarden voor het ontstaan van het
                    recht op een uitkering, het volgende in. Betrokkene moet werknemer zijn in de
                    zin van de WW, d.w.z. de natuurlijke persoon, nog niet AOW-gerechtigd, die in
                    privaatrechtelijke of publiekrechtelijke dienstbetrekking staat. Betrokkene moet
                    werkloos zijn. Daartoe is ontslag geen noodzakelijke voorwaarde in de WW. Van
                    werkloosheid is sprake bij verlies van ten minste 5 arbeidsuren per kalenderweek
                    of van 50% van zijn arbeidsuren per kalenderweek alsmede van het recht op
                    onverminderde doorbetaling van zijn loon over die uren en betrokkene beschikbaar
                    is om arbeid te verrichten. Betrokkene moet voldoen aan de referte-eis voor een
                    loongerelateerde WW-uitkering. Het vereiste van ontslag is een voorwaarde voor
                    recht op een bovenwettelijke uitkering. Niet ieder ontslag leidt echter tot een
                    recht op bovenwettelijke voorzieningen, ook al zou uit hoofde van dat ontslag
                    recht op een WW-uitkering ontstaan. Van de regeling zijn uitgezonderd ambtenaren
                    aan wie bijvoorbeeld ontslag op aanvraag is verleend, ontslag wegens het
                    bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd, strafontslag, ontslag wegens
                    ongeschiktheid of onbekwaamheid anders dan op grond van ziekte en ontslag na
                    afloop van non-activiteit i.v.m. de vervulling van een politiek ambt.Het recht
                    op bovenwettelijke voorzieningen blijft beperkt tot die ambtenaren aan wie
                    reorganisatieontslag is verleend en ontslag wegens gedeeltelijke
                    arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%. Daarnaast zijn nog bijzondere
                    voorzieningen getroffen in enkele andere gevallen van ontslag: </al>
        <al>• ontslag in het belang van de dienst, bijvoorbeeld wegens onverenigbaarheid van
                    karakters (artikel 19); </al>
        <al>• ontslag wegens ongeschiktheid of onbekwaamheid anders dan op grond van ziekte
                    en ontslag na afloop van non-activiteit i.v.m. de vervulling van een politiek
                    ambt (artikel 20). </al>
        <al/>
        <al>
          <cursief>b. Aanvullende en nawettelijke uitkering </cursief>
        </al>
        <al/>
        <al>De regeling voorziet in een aanvullende uitkering en een nawettelijke uitkering.
                    De aanvullende uitkering houdt in een aanvulling van de WW-uitkering, een
                    aanvulling op de uitkering krachtens de ZW in de periode dat wegens ziekte geen
                    recht op een WW-uitkering maar op een ZW-uitkering bestaat en, in voorkomende
                    gevallen, een aanvulling op de overlijdensuitkering. De aanvullende uitkering
                    wordt toegekend gedurende de WW-uitkeringperiode. Zij eindigt dus op het moment
                    dat de duur van de loongerelateerde WW-uitkering is afgelopen of zoveel eerder
                    als die wettelijke uitkering eerder is afgelopen i.v.m. bijvoorbeeld het einde
                    van de werkloosheid. De aanvulling bij ziekte wordt slechts toegekend zolang er
                    uit hoofde daarvan aanspraak op een ZW-uitkering bestaat. Een nawettelijke
                    uitkering is een uitkering na afloop van de duur van de loongerelateerde
                    WW-uitkering ingeval anders dan vanwege het verstrijken van de uitkeringsduur is
                    voldaan aan de voorwaarden voor een WW-uitkering. Zie verder de artikelgewijze
                    toelichting. </al>
        <al/>
        <al>
          <cursief>c. Hoogte van de aanvullende en nawettelijke uitkering </cursief>
        </al>
        <al/>
        <al>Grondslag voor de aanvullende en nawettelijke uitkering is het dagloon dat voor
                    de WW wordt gehanteerd. Dat volgt uit het uitgangspunt om naadloos op de WW aan
                    te sluiten. De maximum dagloongrens wordt ech-ter niet gehanteerd. De hoogte van
                    de aanvullende uitkering is als volgt. In de eerste 12 maanden wordt de
                    WW-uitkering aangevuld tot 80%, daarna tot 70% van het ongemaximeerde dagloon.
                    De aanvulling tot 70% heeft in de WW-loondervingsfase feitelijk alleen betekenis
                    voor hen wier bezoldiging uitkomt boven de maximum dagloongrens. De hoogte van
                    de nawettelijke uitkering is steeds 70% van het ongemaximeerde dagloon. </al>
        <al/>
        <al>
          <cursief>d. Aansluiting op de WW-systematiek </cursief>
        </al>
        <al>Zoals hierboven weergegeven is de naadloze aansluiting op de WW-systematiek een
                    belangrijk uitgangspunt. Dit uitgangspunt is, zoals hierboven geschetst, onder
                    meer vertaald in het (grotendeels) overnemen van het dagloonbegrip als
                    berekeningsgrondslag en het vereiste dat de bovenwettelijke regeling alleen
                    openstaat als er recht op WW bestaat. Ook op andere onderdelen wordt in de
                    bovenwettelijke regeling nauw bij de WW-systematiek aangesloten. Zo zijn de
                    bepalingen in de WW inzake gehele of gedeeltelijke beëindiging van het recht op
                    uitkering (artikelen 19 en 20 WW), inzake herleving en verlenging van de
                    uitkering (artikelen 21 en 43 WW), inzake verplichtingen en sancties (artikelen
                    24 t/m 28 WW), inzake anticumulatie (artikelen 34 en 35 WW) en inzake scholing
                    (artikelen 75, 76 en 78 WW) van overeenkomstige toepassing. Een en ander is
                    geregeld in de artikelen 6 en 13 van de regeling. De WW-systematiek wordt echter
                    niet gevolgd ten aanzien van de indexering. Die blijft gekoppeld aan de algemene
                    salarisontwikkeling in de sector provincies. </al>
        <al>
          <cursief>a. Doorwerking van wettelijke maatregelen in het bovenwettelijke
                        traject </cursief>
        </al>
        <al/>
        <al>Indien de wetgever een neerwaartse wijziging in de hoogte en duur van de
                    WW-uitkering aanbrengt zal dit - tenzij in het sectoroverleg anders wordt
                    overeengekomen - doorwerken naar het bovenwettelijke traject. Gelet op het
                    systeem van de bovenwettelijke uitkering, een aanvulling op de wettelijke
                    uitkering, zou een verlaging van het wettelijke uitkeringsniveau er automatisch
                    toe leiden dat deze verlaging wordt gecompenseerd in de bovenwettelijke
                    uitkering (bij een verlaging van de WW naar 65% bijvoorbeeld zou een aanvulling
                    tot 78% immers niet een aanvulling van 8% maar van 13% zijn).</al>
        <al>Hetzelfde verhaal geldt bij een duurvermindering in de WW. Dat zou automatisch
                    tot een compensatie in de nawettelijke uitkering leiden doordat de nawettelijke
                    uitkering zou worden verlengd met de periode waarmee de wettelijke
                    uitkeringsduur is bekort. De doorwerkingclausule zoals opgenomen in artikel 21
                    van de regeling is gelijk aan die welke tussen de overheidssectorwerkgevers en
                    centrales van overheidspersoneel is afgesproken in het model voor een
                    bovenwettelijk invaliditeitspensioen, zij het dat hieraan is toegevoegd dat
                    doorwerking in ieder geval niet plaatsvindt voor de afloop van het lopende
                    SPA-akkoord over de arbeidsvoorwaarden. </al>
        <al/>
        <al>
          <cursief>f. Overgangsrecht </cursief>
        </al>
        <al/>
        <al>De ambtelijke wachtgeldregeling en uitkeringsregeling zijn met ingang van 1
                    januari 2003 vervallen. Vanaf 1 januari 2001 hebben ambtenaren wier
                    dienstverband op of na die datum is geëindigd, geen toegang meer tot die
                    regelingen. De wachtgeldregeling en de uitkeringsregeling blijven vanaf 1
                    januari 2003 wel van kracht voor gewezen ambtenaren aan wie direct voorafgaande
                    aan 1 januari 2001 een wachtgeld of uitkering op grond van die regelingen is
                    toegekend. </al>
        <al/>
        <al>
          <cursief>g. De uitvoering van de regeling </cursief>
        </al>
        <al/>
        <al>Zowel de Werkloosheidswet als de Regeling aanvullende voorzieningen bij
                    werkloosheid worden uitgevoerd door het Uitvoeringsinstituut
                    werknemersverzekeringen (UWV). Wat betreft de uitvoering van de
                    Werkloos-heidswet is dat wettelijk geregeld in de Wet structuur
                    uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Wet SUWI). De uitvoering van de Regeling
                    aanvullende voorzieningen bij werkloosheid is contractueel geregeld tussen de
                    provincie en het UWV (als rechtsopvolger van de USZO). Het UWV is de uitvoering
                    van deze regeling, inclusief de afhandeling van bezwaar- en beroepschriften,
                    gemandateerd.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>4. Artikelgewijze toelichting</vet>
        </al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Artikel 1</vet>
        </al>
        <al/>
        <al>Het eerste lid geeft aan wie onder de werking van de regeling vallen.
                    Arbeidsongeschikten komen alleen voor een bovenwettelijke uitkering in
                    aanmerking als zij op de ontslagdatum voor minder dan 35% arbeidsongeschikt zijn
                    verklaard door het UWV. De WW, waarop een bovenwettelijke uitkering wordt
                    gegeven, is immers niet van toepassing op hen die voor 35% of meer
                    arbeidsongeschikt zijn verklaard.</al>
        <al/>
        <al>In het tweede lid is onder d het diensttijdbeginsel vastgelegd. Het komt
                    materieel overeen met het huidige ABP-diensttijdbegrip. Rekening is gehouden met
                    de jurisprudentie inzake meetellen van overheidsdiensttijd bij lidstaten van de
                    Europese Economische Ruimte. De diensttijd is van belang voor de berekening van
                    de duur van de nawettelijke uitkering. Diensttijd die al in aanmerking is
                    genomen voor de bepaling van de duur van een eerdere werkloosheidsuitkering ten
                    laste van de overheid wordt niet opnieuw in beschouwing genomen.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Artikel 2</vet>
        </al>
        <al/>
        <al>Geen recht op een aanvullende uitkering ontstaat indien geen recht ontstaat op
                    een loongerelateerde WW-uitkering maar slechts op een kortdurende WW-uitkering
                    op grond van hoofdstuk II B van de WW. Na ontslag heeft men slechts recht op een
                    aanvullende uitkering voor zover men recht heeft op een (loongerelateerde)
                    WW-uitkering i.v.m. arbeidsurenverlies ontstaan uit het ontslag bij de
                    provincie. Het tweede lid geldt niet bij vermindering van WW wegens
                    gedeeltelijke werkloosheid op grond van artikel 47, tweede lid, van de WW, maar
                    enkel bij financiële korting of sanctie.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Artikel 3</vet>
        </al>
        <al/>
        <al>Als het recht op WW-uitkering binnen de eerste 12 maanden na ontslag eindigt
                    (bijvoorbeeld door einde van de werkloosheid) en later herleeft, herleeft ook
                    het recht op de aanvullende uitkering. De herleefde WW-uitkering wordt gedurende
                    de periode dat die 12 maanden niet zijn vol gemaakt aangevuld tot 80% en eerst
                    daarna voor de resterende uitkeringsduur tot 70%.</al>
        <al/>
        <al>Het tweede lid is noodzakelijk zolang die wet waarin een wettelijke toeslag van
                    3% is geregeld nog van toepassing is. In navolging van OCW zal worden verzocht
                    deze wet in te trekken voor het provinciaal personeel.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Artikel 4</vet>
        </al>
        <al/>
        <al>Bij ziekte eindigt de WW-uitkering. De aanvulling op de ZW-uitkering eindigt op
                    het moment dat de ZW-uitkering eindigt. De WW-uitkering kan herleven als geen
                    nieuw recht op WW ontstaat. De tijd waarin de aanvulling van de ZW-uitkering tot
                    80% is gegeven telt mee voor de berekening van de duur van de 12 maanden waarin
                    de WW-uitkering tot 80% wordt aangevuld. De aanvulling van de ZW-uitkering daalt
                    van 80% naar 70% op het moment van verstrijken van die 12 maanden.</al>
        <al/>
        <al>De uitkering bij zwangerschaps- en bevallingsverlof op grond van de Wet arbeid
                    en zorg wordt aangevuld tot 100% van de berekeningsgrondslag.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Artikel 5</vet>
        </al>
        <al/>
        <al>Artikel 35 van de ZW voorziet in een eenmalige overlijdensuitkering. Die
                    overlijdensuitkering wordt per dag aangevuld tot 100% van het ongemaximeerde
                    dagloon.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Artikel 6</vet>
        </al>
        <al/>
        <al>Hierin is bepaald dat een groot aantal bepalingen van de WW van overeenkomstige
                    toepassing zijn. Het gaat daarbij om de bepalingen inzake het recht op WW,
                    inzake (gehele of gedeeltelijke) beëindiging van het recht op WW, de bepalingen
                    inzake verlenging en herleving van het recht op WW en inzake verplichtingen en
                    sancties, anticumulatie en scholing.</al>
        <al/>
        <al>Het tweede lid zorgt ervoor dat als gevolg van de overeenkomstige toepassing van
                    de kortingsbepaling van andere inkomsten geen dubbele korting plaatsvindt: zowel
                    op het wettelijke als het bovenwettelijke deel.</al>
        <al/>
        <al>Het vierde lid regelt dat, indien een ontslag op eigen verzoek ingeval van een
                    voorgenomen reorganisatieontslag zou leiden tot sancties de wettelijke uitkering
                    omdat sprake zou zijn van verwijtbare werkloosheid de sanctie in het
                    bovenwettelijk deel wordt gecompenseerd.</al>
        <al/>
        <al>Het is uiteraard van groot belang dat de beslissingen en handelingen t.a.v. de
                    wettelijke en aanvullende/ nawettelijke uitkering op elkaar zijn afgestemd.
                    Voorkomen moet immers worden dat bijvoorbeeld eenzelfde nalatigheid tot
                    verschillende sancties leidt.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Artikelen 8 en 14</vet>
        </al>
        <al/>
        <al>Op grond van regelgeving van de Europese Unie komt de provinciale werknemer die
                    in het buitenland woont bij volledige werkloosheid niet in aanmerking voor een
                    WW-uitkering in Nederland. Betrokkene zal in dat geval een
                    werkloosheidsuitkering in zijn woonland moeten aanvragen.</al>
        <al/>
        <al>Daarmee voldoet hij niet aan de in de artikelen 2 en 9 gestelde voorwaarde voor
                    een bovenwettelijke (=aanvullende en nawettelijke) werkloosheidsuitkering dat
                    hij recht moet hebben (gehad) op een WW-uitkering. In de artikelen 8 en 14 is
                    geregeld dat de provinciale werknemer die in het buitenland woont bij volledige
                    werkloosheid toch de aanvullende en eventueel nawettelijke
                    werkloosheidsuitkering ontvangt waarop hij recht zou hebben gehad als hij in
                    Nederland zou hebben gewoond. Daarmee is uitvoering gegeven aan een aanbeveling
                    ter zake van de Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid (ROP). De regeling sluit
                    aan bij het model dat Loyalis Contractmanagement B.V. opverzoek van de ROP bij
                    wijze van handreiking heeft ontwikkeld. Dit model geeft in alle gevallen een
                    garantie op het totale (wettelijke plus bovenwettelijke) uitkeringsniveau dat
                    betrokkene zou hebben gehad als hij in Nederland had gewoond. Hiertoe wordt een
                    fictief werkloosheidsrecht vastgesteld en het bovenwettelijk recht conform de
                    Regeling aanvullende voorzieningen bij werkloosheid. De op deze wijze
                    vastgestelde totale aanspraken worden uitbetaald als een volledige
                    bovenwettelijke uitkering. Als betrokkene een buitenlandse
                    werkloosheidsuitkering ontvangt zal het bedrag van deze buitenlandse uitkering
                    volledig worden gekort op de bovenwettelijke betaling (anticumulatie).
                    Bewijsstukken hiervan levert betrokkene maandelijks aan.</al>
        <al/>
        <al>De werkloze provinciale werknemer moet Nederlandse werkbriefjes blijven
                    insturen. Veranderingen in de omstandigheden (bijv. werkhervatting of
                    overtreding van verplichtingen) hebben hetzelfde effect dat ze zouden hebben als
                    betrokkene in Nederland woonde. Beoordeling vindt dus steeds plaats op grond van
                    de Nederlandse regels.</al>
        <al/>
        <al>In geval van ziekte bij of kort na ontslag waarbij de laatstgenoten bezoldiging
                    wordt doorbetaald wordt de bovenwettelijke werkloosheidsuitkering onderbroken.
                    In de overige gevallen van ziekte loopt de bovenwettelijke
                    werkloosheidsuitkering door. In deze situatie zijn er twee mogelijkheden.</al>
        <al/>
        <al>Als betrokkene een buitenlandse uitkering wegens ziekte, zwangerschap of
                    bevalling heeft en dit aantoont, gaat de fictieve WW-uitkering over in een
                    fictieve uitkering op grond van de Ziektewet of de Wet arbeid en zorg. Dit
                    betekent dat de einddatum van de fictieve WW-uitkering opschuift (bij ziekte
                    alleen als deze meer dan 3 maanden duurt). Bovendien geldt bij zwangerschap en
                    bevalling een hoger uitkeringspercentage.</al>
        <al/>
        <al>Meldt betrokkene zich ziek maar levert hij geen bewijs van een buitenlandse
                    ziekte-uitkering dan loopt de bovenwettelijke werkloosheidsuitkering door zoals
                    bij werkloosheid. Dus zonder opschuiving van de einddatum en zonder verhoging in
                    geval van zwangerschap en bevalling.</al>
        <al/>
        <al>Artikel 8, tweede lid, onderdeel b, is van belang als betrokkene later alsnog
                    recht krijgt op WW. Dat is mogelijk in bijzondere situaties, bijv. als hij bij
                    een volgend werkloosheidsgeval wel in Nederland woont. De bovenwettelijke
                    uitkering als “grensarbeider” mag dan niet in mindering worden gebracht op de
                    bovenwettelijke uitkering die is verbonden aan zijn nieuwe Nederlandse WW-recht.
                    Het vijfde lid van artikel 8 regelt de anticumulatie van de woonlanduitkering.
                    Het zesde lid van artikel 8 regelt de situatie van samenloop tussen een
                    uitkering op grond van dit artikel en een andere uitkering. Als beide
                    uitkeringen betrekking hebben op hetzelfde deel van de arbeidsuren wordt de
                    uitkering op grond van dit artikel alleen uitbetaald voor zover die hoger is dan
                    de andere uitkering. Dit lid is alleen van belang in bijzondere situaties,
                    bijvoorbeeld als betrokkene opnieuw uitkering krijgt nadat hij naar Nederland is
                    verhuisd, of anderszins geen “grensarbeider” meer is. Het zesde lid heeft geen
                    betrekking op de woonlanduitkeringen. Zie daarvoor het vijfde lid.</al>
        <al/>
        <al>Artikel 14, eerste lid, kent betrokkene het recht op een nawettelijke uitkering
                    toe dat hij zou hebben gehad als hij in Nederland had gewoond. Het tweede lid
                    van artikel 14 verwijst naar enkele onderde- len van artikel 8. Zie de
                    toelichting aldaar.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Artikel 9</vet>
        </al>
        <al>Hierin is het recht op de nawettelijke uitkering geregeld. Zie ook de tweede
                    volzin van de toelichting op artikel 2.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Artikel 10</vet>
        </al>
        <al>In het tweede en derde lid is de uitkeringsduur overeenkomstig het leeftijd+
                    diensttijdbeginsel geregeld, met de correctie vanwege het vervallen van de
                    WW-vervolguitkering (zie onderdeel 3c van de algemene toelichting). Bij
                    (reorganisatie)ontslag op de leeftijd van 59 jaar en ouder wordt de nawettelijke
                    uitkering verlengd tot de AOW-gerechtigde leeftijd als betrokkene bij ontslag
                    direct voorafgaand zonder onderbreking van langer dan 2 maanden een provinciale
                    diensttijd had van ten minste 5 jaar.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Artikelen 11 t/m 13</vet>
        </al>
        <al/>
        <al>In artikel 13 is artikel 19, eerste lid, onder a, WW waarin beëindiging bij
                    ziekte is geregeld, niet overgenomen bij de nawettelijke uitkering omdat alsdan
                    betrokkene niet meer onder de ZW valt en hij in dat geval op de bijstand zou
                    zijn aangewezen. Voor het overige wordt verwezen naar de toelichting op de
                    hoofdlijnen van de regeling.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Artikel 15</vet>
        </al>
        <al/>
        <al>De wettelijke indexering van het WW-dagloon conform de Wet koppeling met
                    afwijkingsmogelijkheden geldt niet voor de aanvullende en nawettelijke
                    uitkering. De berekeningsgrondslag voor de aanvullende en nawettelijke uitkering
                    wordt steeds aangepast op het tijdstip van de algemene salarismaatregelen in de
                    sector provincies.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Artikelen 16 en 17</vet>
        </al>
        <al/>
        <al>Het gaat hier om voorzieningen die ook in de oude wachtgeldregeling al
                    voorkomen. Zij kunnen een bijdrage leveren aan een spoedige re-integratie in het
                    arbeidsproces.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Artikel 19</vet>
        </al>
        <al/>
        <al>Het gaat hier om een ontslag in het belang van de dienst zoals bedoeld in
                    artikel B.9, onderdeel o, van de CAP. Gedacht moet worden met name aan ontslag
                    ingeval van onverenigbaarheid van karakters. De voorziening sluit aan op die in
                    de huidige rechtspositieregelingen.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Artikel 20<sup>4</sup></vet>
        </al>
        <al/>
        <al>Hier bedoelde gewezen ambtenaren komen niet in aanmerking voor een aanvullende
                    en nawettelijke uitkering. Wel bestaat recht op een eenmalige uitkering indien
                    de werkgever voor 50% of meer schuld heeft aan het ontslag. Gelet op de Awb
                    zullen gedeputeerde staten een beslissing hierover slechts kunnen nemen na een
                    zorgvuldig onderzoek, gehoord de betreffende ambtenaar.</al>
        <al/>
        <al>Een paritair uit werkgevers- en werknemersleden en een onafhankelijke voorzitter
                    bestaande commissie zal in het kader van de heroverwegingsprocedure op grond van
                    de Awb het provinciebestuur adviseren over het ontslag, het recht en de hoogte
                    van de eenmalige uitkering in hun onderlinge samenhang. De ambtenaar kan zich in
                    alle fasen laten bijstaan door een raadsman (bijv. een vakbond als hij daarvan
                    lid is).</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Artikel 23</vet>
        </al>
        <al/>
        <al>Deze regeling treedt in werking op datum van publicatie met terugwerkende kracht
                    tot 1 januari 2016.</al>
        <al/>
        <al/>
        <al>
          <sup>4</sup> In het SPA-akkoord 1994/1997 is vastgelegd dat in het lokale
                    georganiseerd overleg een andere samenstelling kan worden overeengekomen van de
                    paritaire commissie. In provincies waar een andere samenstelling is
                    overeengekomen zal de tekst vanzelfsprekend op onderdelen wat anders komen te
                    luiden.</al>
      </nota-toelichting>
    </regeling>
  </body>
</cvdr>