<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR37968_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Erfgoedverordening Dinkelland 2010</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Dinkelland</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-02-13</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Dinkelland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">DinkellandVisie 14 juli 2011</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Erfgoedverordening gemeente Dinkelland 2010</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Artikel 149 Gemeentewet, artikelen 12,14,15 en 38 Monumentenwet 1988 en artikelen 2.1 en 2.1. Wet algemene bepalingen omgevingsrecht</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-06-01</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2011-07-15</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-02-24</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Treedt in werking op het moment dat de Wabo van kracht wordt (1-10-2010)</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Erfgoedverordening Dinkelland 2010</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Dinkelland;</al><al/><al>Gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 18
                        mei 2010;</al><al/><al>Gelet op artikel 149 van de Gemeentewet en de artikelen 12, 14, 15 en 38 van
                        de Monumentenwet 1988 en de artikelen 2.1 en 2.2 van de Wet algemene
                        bepalingen omgevingsrecht;</al><al/><al>Besluit:</al><al/><al>1. In te trekken de Monumentenverordening Denekamp 2001;</al><al>2. Vast te stellen de Erfgoedverordening Dinkelland 2010.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label/></kop><artikel><kop><label>Artikel 1. Begripsbepalingen</label></kop><al>Deze verordening verstaat onder:</al><al>a. gemeentelijk monument: een overeenkomstig deze verordening als
                            beschermd gemeentelijk monument aangewezen:</al><al>1. zaak, die van algemeen belang is wegens zijn schoonheid, betekenis
                            voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde;</al><al>2. terrein dat van algemeen belang is wegens een daar aanwezige zaak
                            bedoeld onder 1;</al><al>b. gemeentelijke monumentenlijst: de lijst waarop zijn geregistreerd de
                            overeenkomstig deze verordening als gemeentelijk monument aangewezen
                            zaken of terreinen bedoeld in onderdeel a;</al><al>c. beschermd rijksmonument: beschermd monument als bedoeld in artikel
                            1.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en
                            artikel 1 sub d Monumentenwet 1988;</al><al>d. College: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente
                            Dinkelland</al><al>e. monumentencommissie: de door de raad op basis van art.15
                            Monumentenwet 1988 ingestelde commissie met als taak het college op
                            verzoek of uit eigen beweging te adviseren over de toepassing van de
                            Monumentenwet 1988, de verordening en het monumentenbeleid;</al><al>f. monumentenraad: de door de raad ingestelde monumentenraad met als
                            taak het college op verzoek of uit eigen beweging te adviseren over
                            selectie- en aanwijzingsvoorstellen van gemeentelijke- en
                            rijksmonumenten, het creëren en onderhouden van draagvlak voor
                            monumenten(zorg), publieksactiviteiten en algemene zaken inzake het
                            gemeentelijk monumentenbeleid, met uitzondering van de taken van de
                            monumentencommissie;</al><al>g. bouwhistorisch onderzoek: in schriftelijke rapportage vastgelegd
                            onderzoek naar de bouwgeschiedenis en de bouwhistorische kwaliteit van
                            een monument.</al><al>h. gemeentelijke archeologische verwachtings- en advieskaart:
                            topografische atlas van het gemeentelijke grondgebied, waarop
                            archeologische monumenten en archeologische verwachtingsgebieden zijn
                            aangegeven;</al><al>i. archeologisch verwachtingsgebied: gebied, aangegeven op de
                            gemeentelijk archeologische verwachtings- en advieskaart, waarvan is
                            aangegeven dat in bepaalde mate archeologische vondsten of sporen te
                            verwachten zijn;</al><al>j. plan van aanpak: plan dat weergeeft hoe een archeologische uitvoerder
                            de vragen zoals omschreven in het programma van eisen denkt te gaan
                            beantwoorden;</al><al>k. programma van eisen: programma dat door het college wordt vastgesteld
                            en waarmee kaders worden gesteld voor het ontwerp en de uitvoering van
                            archeologisch onderzoek.</al><al>l. Bevoegd gezag: bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet
                            algemene bepalingen omgevingsrecht;</al><al>m. vergunning: een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1,
                            eerste lid, of 2.2. van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;</al><al>n. Wabo: Wet algemene bepalingen omgevingsrecht</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 2. Aanwijzing gemeentelijke monumenten</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 2. Het gebruik van het monument</label></kop><al>Bij de toepassing van deze verordening wordt rekening gehouden met het
                            gebruik van het monument.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 3. De aanwijzing tot gemeentelijk monument</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende, een
                                monument aanwijzen als gemeentelijk monument.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voordat het college over de aanwijzing een besluit neemt, vraagt het
                                college advies aan de monumentenraad. In spoedeisende gevallen kan
                                dit advies achterwege blijven; de voorzitter van de monumentenraad
                                wordt in dat geval per omgaande in kennis gesteld;</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan ten behoeve van de aanwijzing van een gemeentelijk
                                monument bepalen dat bouwhistorisch onderzoek of een verkennend
                                archeologisch onderzoek wordt verricht;</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college stelt de gemeenteraad in kennis van het besluit over de
                                aanwijzing van een gemeentelijk monument;</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De aanwijzing kan geen monument betreffen dat is aangewezen op grond
                                van artikel 3 van de Monumentenwet 1988 of dat is aangewezen op
                                grond van de monumentenverordening van de provincie Overijssel.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4. Voorbescherming</label></kop><al>Met ingang van de datum waarop de eigenaar van een monument de
                            kennisgeving van het voornemen tot aanwijzing als beschermd gemeentelijk
                            monument ontvangt tot het moment dat de aanwijzing en registratie als
                            bedoeld in artikel 6 en 7 plaatsvindt, dan wel vaststaat dat het
                            monument niet wordt geregistreerd, zijn de artikelen 10 tot en met 14,
                            17 en 18van overeenkomstige toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5. Termijnen advies en aanwijzingsbesluit</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De monumentenraad adviseert schriftelijk binnen 8weken na ontvangst
                                van het verzoek van het college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college beslist binnen 12weken na ontvangst van het advies van
                                de monumentenraad, maar in ieder geval binnen 20weken na de
                                adviesaanvraag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 6. Mededeling aanwijzingsbesluit</label></kop><al>De aanwijzing als bedoeld in artikel 3, eerste lid, wordt medegedeeld
                            aan degenen die als zakelijk gerechtigden in de kadastrale legger bekend
                            staan en aan de hypothecaire schuldeisers.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 7. Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college registreert het gemeentelijke monument op de
                                gemeentelijke monumentenlijst en in de openbare registers, bedoeld
                                in artikel 1, onder e, van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke
                                beperkingen onroerende zaken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De gemeentelijke monumentenlijst bevat de plaatselijke aanduiding,
                                de datum van de aanwijzing, de kadastrale aanduiding, de
                                tenaamstellingen een beschrijving van het gemeentelijke
                                monument.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8. Wijzigen van de aanwijzing</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan al dan niet op aanvraag van een belanghebbende de
                                aanwijzing wijzigen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Artikel 3, tweede en derde lid, alsmede de artikelen4, 5 en 6 zijn
                                van overeenkomstige toepassing op het wijzigingsbesluit.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de wijziging naar het oordeel van het college van
                                ondergeschikte betekenis is, blijft overeenkomstige toepassing, als
                                bedoeld in het tweede lid, achterwege.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De inhoud en de datum van de wijziging worden op de gemeentelijke
                                monumentenlijst aangetekend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 9. Intrekken van de aanwijzing</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan de aanwijzing tot gemeentelijk monument intrekken;
                                indien het college de aanwijzing intrekt, zijn artikel 3, tweede
                                lid, en artikel 5 van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanwijzing wordt geacht ingetrokken te zijn indien toepassing
                                wordt gegeven aan artikel 3 van de Monumentenwet 1988.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De intrekking wordt op de gemeentelijke monumentenlijst
                                geregistreerd.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 3. Instandhouding van gemeentelijke monumentale zaken</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 10. Instandhoudingbepaling</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1,
                                onder a te beschadigen of te vernielen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag:</al><al>a. een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1, onder a. af
                                te breken, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te
                                wijzigen;</al><al>b. een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1, onder a. te
                                herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een dusdanige
                                wijze, dat het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod en de vergunningplicht, als bedoeld in het tweede lid,
                                gelden niet indien het college nadere regels stelt met betrekking
                                tot de wijze waarop werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het bevoegd gezag verleent, met betrekking tot een monument met een
                                religieuze bestemming, geen vergunning als bedoeld in het tweede
                                lid, dan in overeenstemming met de eigenaar indien en voor zover het
                                een vergunning betreft, waarbij wezenlijke belangen van de
                                godsdienstuitoefening in het monument in het geding zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 11. De schriftelijke aanvraag</label></kop><al>De aanvraag als bedoeld in artikel 4.2 Besluit omgevingsrecht voor een
                            vergunning als bedoeld in artikel 10 en de daarbij te overleggen
                            gegevens en bescheiden worden in 2-voud ingediend.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 12. Termijnen advies en vergunningverlening</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegd gezag zendt onmiddellijk een afschrift van de
                                ontvankelijke aanvraag om vergunning voor een gemeentelijk monument
                                aan de monumentencommissie voor advies. Ingeval het een
                                sloopvergunning betreft dient overeenkomstig artikel 20, vierde lid,
                                onder c. de Monumentenraad om advies gevraagd te worden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Binnen 8 weken na de datum van verzending van het afschrift brengt
                                de monumentencommissie schriftelijk advies uit aan het college.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 13. Weigeringsgronden</label></kop><al>De vergunning kan slechts worden verleend indien het belang van de
                            monumentenzorg zich daartegen niet verzet. Bij de beslissing houdt het
                            bevoegd gezag rekening met het gebruik van het monument.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 14. Intrekken van de vergunning</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergunning kan door het bevoegd gezag worden ingetrokken
                                indien:</al><al>a. blijkt dat de vergunning ten gevolge van een onjuiste of
                                onvolledige opgave is verleend;</al><al>b. blijkt dat de vergunninghouder de voorschriften bedoeld in
                                artikel 10 niet naleeft.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De beschikking tot intrekking van de vergunning wordt in afschrift
                                gezonden aan de monumentencommissie en aan degenen die als zakelijk
                                gerechtigden in de kadastrale legger bekend staan en aan de
                                hypothecaire schuldeisers.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 4. ONDERHOUDSSUBSIDIES</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 15. Onderhoudssubsidie </label></kop><al>Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot het verstrekken
                            van subsidie in de kosten van het onderhouden van een gemeentelijk
                            monument. Voor een aanvraag om subsidie als bedoeld in de vorige zin is
                            hoofdstuk 3 van de Algemene Subsidieverordening gemeente Dinkelland 2010
                            van overeenkomstige toepassing. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 5. Rijksmonumenten </label></kop><artikel><kop><label>Artikel 16. Vergunning voor beschermd rijksmonument</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegd gezag zendt onmiddellijk een afschrift van de
                                ontvankelijke aanvraag om vergunning voor een gebouwd beschermd
                                rijksmonument aan de monumentencommissie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De monumentencommissie adviseert schriftelijk over de aanvraag
                                binnen 8 weken na de datum van verzending van het afschrift.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 6. Instandhouding van archeologische terreinen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 17. Instandhoudingbepaling</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden om:</al><al>a. in een archeologisch monument als aangegeven op de gemeentelijke
                                archeologische verwachtings- en advieskaart, de bodem te
                                verstoren;</al><al>b. zonder vergunning van het college in een gebied met
                                archeologische waarde en in een archeologisch verwachtingsgebied,
                                als aangegeven op de gemeentelijke archeologische verwachtings- en
                                advieskaart, de bodem dieper dan 40 cm onder de oppervlakte en over
                                een oppervlakte van meer dan 100 m2 te verstoren;</al><al>c. zonder vergunning van het college in een historische kern, zoals
                                aangegeven op de gemeentelijke archeologische verwachtings- en
                                advieskaart de bodem dieper dan</al><al> 50 cm onder de oppervlakte en over een oppervlakte van meer dan 100
                                m2 te verstoren, uitgezonderd de delen van een historische kern die
                                op de archeologisch verwachtings- en advieskaart als verstoord zijn
                                aangegeven.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod in lid 1, onder b. is niet van toepassing in één van de
                                volgende gevallen:</al><al>a. het een verstoring betreft van een archeologisch
                                verwachtingsgebied als aangegeven op de gemeentelijke archeologische
                                verwachtings- en advieskaart, en waarbij die verstoring
                                plaatsvindt:</al><al>- in een gebied met lage archeologische verwachtingswaarde, of;</al><al>- in een gebied met een middelhoge archeologische verwachtingswaarde
                                en het te verstoren gebied kleiner is dan 5000 m2, of;</al><al>- in een gebied met hoge archeologische verwachtingswaarde en het te
                                verstoren gebied kleiner is dan 2500 m2.</al><al>b. in het geldend bestemmingsplan bepalingen zijn opgenomen omtrent
                                archeologische monumentenzorg;</al><al>c. sprake is van een activiteit als bedoeld in artikel 2.12, eerste
                                en tweede lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;</al><al>d. het college nadere regels stelt met betrekking tot de uitvoering
                                van werkzaamheden die leiden tot een verstoring van een
                                archeologisch monument of archeologisch verwachtingsgebied als
                                aangegeven op gemeentelijke archeologische verwachtings- en
                                beleidsadvieskaart;</al><al>e. een rapport is overlegd waarin de archeologische waarde van het
                                te verstoren terrein naar het oordeel van het bevoegd gezag in
                                voldoende mate is vastgesteld en waaruit blijkt dat:</al><al>- het behoud van de archeologische waarden in voldoende mate kan
                                worden geborgd, of;</al><al>- de archeologische waarden door de verstoring niet onevenredig
                                worden geschaad, of;</al><al>- in het geheel geen archeologische waarden aanwezig zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 18. Opgravingen en begeleiding</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien binnen het grondgebied van de gemeente Dinkelland onderzoek
                                wordt uitgevoerd in het kader van het doen van opgravingen in de zin
                                van artikel 1 sub h Monumentenwet 1988, dient, onverminderd de
                                overige bepalingen van deze wet:</al><al>a. het college een programma van eisen vast te stellen als bedoeld
                                in artikel 1. onder j, waarbij nadere regels worden gesteld ten
                                aanzien van het onderzoek.</al><al>b. de verstoorder, voorafgaande aan het onderzoek, een plan van
                                aanpak als bedoel in artikel 1 onder i. van deze verordening ter
                                goedkeuring aan het bevoegd gezag te overleggen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In de nadere regels neemt het college bepalingen op met betrekking
                                tot het toezicht op de feitelijke uitvoering van het plan van
                                aanpak. Tijdens het onderzoek dienen aanwijzingen van het college in
                                acht te worden genomen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Om te kunnen beoordelen of het plan van aanpak aan het programma van
                                eisen en eventuele nadere regels voldoet, vraagt het bevoegd gezag
                                advies aan een deskundige, zoals omschreven in de Wet op de
                                Archeologische monumentenzorg.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 19. Procedure</label></kop><al>De bepalingen uit artikel 11, 12, 13 en 14 zijn van overeenkomstige
                            toepassing op de bepalingen uit artikel 17, tweede lid onder e, en
                            artikel 18, eerste lid onder b, van deze verordening.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 7 De MONUMENTENRAAD</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 20. De monumentenraad</label></kop><al>De monumentenraad heeft tot taak:</al><al>1. het plegen van overleg met de eigenaar als bedoeld in artikel 2,
                            tweede lid, van de Monumentenwet 1988;</al><al>2. het horen van eigenaren, belanghebbenden, vergunninghouders als
                            bedoeld in artikel 3, vijfde lid van de Monumentenwet 1988;</al><al>3. het horen van belanghebbenden als bedoeld in artikel 4:8 van de
                            Algemene wet bestuursrecht in het geval van een voornemen tot plaatsing
                            van een monument op de gemeentelijke monumentenlijst.</al><al>4. het college op verzoek of uit eigener beweging van voorlichting en
                            advies te dienen over:</al><al>a. de aanwijzing als beschermd monument als bedoeld in artikel 3, tweede
                            lid, van de Monumentenwet 1988;</al><al>b. de aanwijzing als beschermd stads- en dorpsgezicht als bedoeld in
                            artikel 35 van de Monumentenwet 1988;</al><al>c. de sloopvergunning als bedoeld in artikel 37 van de Monumentenwet
                            1988;</al><al>d. de plaatsing van onroerende monumenten op de gemeentelijke
                            monumentenlijst als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van deze
                            verordening;</al><al>e. de toepassing en uitvoering van de Monumentenwet 1988 en deze
                            verordening;</al><al>f. het monumentenbeleid.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 21. Samenstelling monumentenraad</label></kop><al>1. De monumentenraad telt maximaal 7 leden, waaronder de
                            voorzitter.</al><al>2. De leden worden door het college benoemd op basis van deskundigheid
                            en/of aantoonbare ervaring.</al><al>3. De leden zijn herbenoembaar, met dien verstande dat de
                            zittingstermijn per lid maximaal twaalf jaar bedraagt.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 22. Verordening rechtspositie wethouders, raadsleden, commissieleden en fractiedeelnemers gemeente Dinkelland 2008 </label></kop><al>Artikel 3 “onkostenvergoeding” van de Verordening rechtspositie
                            wethouders, raadsleden, commissieleden en fractiedeelnemers gemeente
                            Dinkelland 2008 is van overeenkomstige toepassing op de
                            monumentenraad.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 8 Overige bepalingen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 23. Tegemoetkoming in de schade</label></kop><al>1. Indien en voor zover blijkt dat een belanghebbende schade lijdt of
                            zal lijden, die redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste
                            behoort te blijven, kent het bevoegd gezag hem op zijn aanvraag een naar
                            billijkheid te bepalen tegemoetkoming toe, indien de schade in relatie
                            staat tot:</al><al>a. de weigering van het bevoegd gezag een vergunning als bedoeld in
                            artikel 10 te verlenen;</al><al>b. de voorschriften door het bevoegd gezag verbonden aan een vergunning
                            als bedoeld in artikel 10;</al><al>c. de door het college nader te stellen regels als bedoeld in artikel
                            10, derde lid;</al><al>d. de door het college nader te stellen regels als bedoeld in artikel
                            17, tweede lid, onder d;</al><al>e. een aanwijzing als bedoeld in artikel 18, tweede lid, tweede
                            volzin.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 24 Strafbepaling</label></kop><al>Degene, die handelt in strijd met de artikelen 10 en 17 met uitzondering
                            van het bepaalde in het tweede lid onder e. wordt gestraft met een
                            geldboete van de tweede categorie of een hechtenis van ten hoogste drie
                            maanden.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 25. Toezichthouders</label></kop><al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze
                            verordening zijn belast de bij besluit van het college dan wel de
                            burgemeester aan te wijzen personen.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 9. Slotbepalingen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 26. Overgangsrecht</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De op grond van de ingetrokken Monumentenverordening Denekamp 2001
                                aangewezen en geregistreerde gemeentelijke monumenten, worden geacht
                                aangewezen en geregistreerd te zijn overeenkomstig de bepalingen van
                                deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aanvragen om vergunning die zijn ingediend vóór de inwerkingtreding
                                van deze verordening worden afgehandeld met inachtneming van de op
                                het moment van indiening geldende verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 27. Intrekken oude regeling en inwerkingtreding nieuwe regeling</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De Monumentenverordening Denekamp 2001, vastgesteld bij besluit van
                                de raad op 5 juli 2001 vervalt, zodra de Erfgoedverordening
                                Dinkelland 2010 in werking treedt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet
                                algemene bepalingen omgevingsrecht in werking treedt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 28. Citeertitel</label></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als Erfgoedverordening Gemeente
                            Dinkelland 2010.</al><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van de raad van 1 juni
                        2010</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De griffier, De voorzitter,</ondertekening><ondertekening>Mr. O.J.R.J. Huitema Mr. R.S. Cazemier</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Algemene toelichting</label></kop><al/><al>De Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) is op 1 september 2007 in
                    werking getreden. Deze wet is feitelijk een wijziging van de Monumentenwet 1988
                    en de artikelen van de Wamz zijn dan ook vanaf artikel 34 in de Monumentenwet
                    opgenomen. </al><al/><al>Voorts zal met ingang van 1 juli 2010 de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
                    van kracht zijn. Door middel van deze wet worden de toestemmingen samengevoegd
                    die nodig zijn als een burger of een bedrijf op een bepaalde plek iets wil gaan
                    slopen, (ver)bouwen, oprichten of gaan gebruiken. Hiervoor zijn ca. 25
                    vergunningen, ontheffingen en meldingen (toestemmingen) op het gebied van
                    ruimte, bouwen, milieu, natuur en monumenten geïntegreerd tot één
                    omgevingsvergunning. De monumentenvergunningen maken hiervan onderdeel uit.</al><al/><al>Voor bestaande en in procedure zijnde vergunningen is in paragraaf 1.2. van de
                    Wabo het overgangsrecht geregeld. Dit overgangsrecht komt kort samengevat op het
                    volgende neer:</al><al>Een vergunning die onmiddellijk voor de inwerkingtreding van de Wabo van kracht
                    is, wordt (van rechtswege) gelijkgesteld met een omgevingsvergunning.</al><al/><al>Wanneer vóór de inwerkingtreding van de Wabo een aanvraag om een bouwvergunning
                    is ingediend of in procedure is, blijkt het ‘oude’ recht van toepassing op de
                    voorbereiding en vaststelling van de beschikking.</al><al/><al>Een overeenkomstig regime is van toepassing op vergunningstelsels op grond van
                    provinciale of gemeentelijke verordeningen (artikel 1.4). Voor het overige is
                    geen specifiek overgangsrecht voor provinciale of gemeentelijke verordeningen
                    opgenomen.</al><al>Vorenstaande is reden voor de VNG geweest om de bestaande model
                    Monumentenverordening hierop aan te passen en daarnaast uit te breiden met een
                    archeologisch deel. Deze samenvoegingen hebben geleid tot de model
                    Erfgoedverordening. Dit laatste model van de VNG april 2010 heeft als basis
                    gediend voor voorliggend Erfgoedverordening Dinkelland 2010.</al><al/><al>Samenvattend hebben de belangrijkste wijzigingen en aanpassingen betrekking op
                    de volgende onderwerpen: </al><al/><al>1. de begripsbepaling “monumentencommissie” sluit nu geheel aan bij de
                    formulering in de Monumentenwet 1988 (art. 1);</al><al>2. begripsbepaling “kerkelijk monument” is geschrapt (art. 1);</al><al>3. de begripsbepaling “bevoegd gezag” (art. 1) is toegevoegd met verwijzing naar
                    artikel 1.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Hierop zijn de
                    artikelen binnen deze verordening m.b.t. de bevoegdheden en indieningvereisten
                    aangepast; </al><al>4. de gemeenteraad wordt in kennis gesteld van het collegebesluit over
                    aanwijzing van een gemeentelijk monument (art. 3);</al><al>5. de voorbescherming voor gemeentelijke monumenten is geregeld (art. 4);</al><al>6. de instandhouding van gemeentelijke monumentale zaken op de onderdelen
                    “schriftelijke aanvraag” (art. 11) en “weigeringsgronden” (art. 13) is geregeld
                    ;</al><al>7. Onderhoudssubsidies (hoofdstuk 4) is aangepast en wordt nader uitgewerkt in
                    de deelverordening “onderhoudsubsidies gemeentelijke monumenten 2010”;</al><al>8. de begripsbepalingen in verband met gemeentelijke archeologie zijn toegevoegd
                    (hfdst. 6);</al><al>9. de samenstelling van de Monumentenraad: collegeleden maken hiervan geen deel
                    meer uit (art. 21);</al><al>10. de verordening is omgevormd tot Erfgoedverordening door de samenvoeging van
                    de verplichtingen die voortvloeien uit de Wet op de archeologische
                    monumentenzorg van september 2007, evenals de feitelijke samenhang tussen
                    monumenten en archeologie.</al><al/><al>Hierna volgt eerst onder A. een algemene toelichting, waarbij wordt ingegaan op
                    de betekenis van de Wabo voor deze verordening. Daarna volgt artikelsgewijs een
                    toelichting. </al><al/><al><onderstreept>A. Algemene toelichting</onderstreept></al><al><vet>Wet algemene bepalingen omgevingsrecht</vet></al><al>De Wabo regelt de omgevingsvergunning die in de plaats komt van een reeks
                    vergunningen, ontheffingen of toestemmingen voor het realiseren van een fysiek
                    project. De meest bekende daarvan zijn:</al><al>- de bouwvergunning;</al><al>- de aanlegvergunning;</al><al>- de sloopvergunning;</al><al>- de monumentenvergunning;</al><al>- de milieuvergunning;</al><al>- de kapvergunning.</al><al>De Wabo beoogt tegemoet te komen aan het belang van een snelle dienstverlening.
                    Het bevorderen van de tijdige besluitvorming vormt hiervan een onderdeel.</al><al/><al><vet>Eén aanvraag; één bevoegd gezag; één loket</vet></al><al>De centrale gedachte bij de ontwikkeling van de Wabo is de “één loket gedachte”.
                    Dit houdt in dat de aanvrager vanaf een nader te bepalen moment in 2010 één
                    omgevingsvergunning hoeft aan te vragen voor zijn project. De aanvrager geeft
                    aan op welke activiteiten (bouw, aanleg, sloop enz.) zijn aanvraag betrekking
                    heeft. Voor de erfgoedverordening betekent dit dat bijvoorbeeld de
                    omgevingsvergunning voor het bouwen en de omgevingsvergunning voor monumenten in
                    één verzoek worden aangevraagd. </al><al>De omgevingsvergunning wordt vervolgens door één bevoegd gezag beoordeeld en
                    doorloopt één procedure. De beslissing op de aanvraag kent ook één procedure van
                    rechtsbescherming. </al><al/><al><vet>Bevoegd gezag</vet></al><al>Het bevoegd gezag is in de meeste gevallen het college van burgemeester en
                    wethouders van de gemeente waar het project in hoofdzaak zal worden verricht.
                    Het bevoegd gezag is integraal verantwoordelijk voor het te nemen besluit en is
                    tevens belast met de bestuursrechtelijke handhaving. </al><al>In het Besluit omgevingsrecht (Bor) worden een aantal uitzonderingen op deze
                    hoofdregel gemaakt. Een minister dan wel het college van gedeputeerde staten
                    wordt in deze gevallen als het bevoegde gezag aangewezen. Deze gevallen zijn
                    aangewezen in artikel 3.3 van de Wabo. Gedeputeerde staten van de provincie is
                    bevoegd gezag indien het gaat om de meer complexere categorieën inrichtingen.
                    Deze zijn specifiek in bijlage I van het Bor omschreven. </al><al/><al><vet>De Wabo en de Erfgoedverordening</vet></al><al>De monumentenvergunning uit de model-erfgoedverordening integreert volledig in
                    de omgevingsvergunning, omdat het om plaatsgebonden activiteiten gaat. Daarom is
                    in artikel 2.2 van de Wabo bepaald dat het verboden is zonder een
                    omgevingsvergunning een krachtens een verordening aangewezen monument te slopen,
                    te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen of te herstellen, te
                    gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waarop het wordt ontsierd of in
                    gevaar wordt gebracht. Een extra overweging voor het volledig integreren van de
                    monumentenvergunning in de omgevingsvergunning is dat de verlening van de
                    monumentenvergunning in de praktijk vaak samenliep met de verlening van de
                    bouwvergunning of de aanlegvergunning. Er is voor gekozen om de
                    instandhoudingvergunning van archeologische terreinen op grond van artikel 2.2,
                    tweede lid, Wabo aan te haken bij de omgevingsvergunning (facultatieve
                    integratie). Zolang gemeentelijke bestemmingsplannen nog niet ‘Malta-proof’
                    zijn, kan op deze wijze in de omgevingsvergunning bescherming aan archeologische
                    waarden in de bodem worden geboden bij de realisatie van een fysiek project. </al><al/><al><vet>B.Artikelsgewijze toelichting</vet></al><al/><al><onderstreept>Hoofdstuk 1. Algemeen</onderstreept></al><al><vet>Artikel 1. Begripsbepalingen</vet></al><al>De begripsbepalingen die hieronder niet worden toegelicht, zijn in hun definitie
                    al ruim omschreven, zodat deze geen nadere toelichting behoeven.</al><al><cursief>Sub a</cursief></al><al>Bij de omschrijving van het begrip 'gemeentelijk monument' is, met uitzondering
                    van de 50-jaar grens, aansluiting gezocht bij de omschrijving van een monument
                    in de Monumentenwet 1988. De cultuurhistorische waarde is volgens de Memorie van
                    Toelichting de aan een bouwwerk of gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het
                    beeld dat is ontstaan en het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis
                    van dat bouwwerk of dat gebied heeft gemaakt. Dit is een dermate ruime
                    omschrijving dat het ook betrekking kan hebben op zaken en gebieden met een
                    geschiedkundige en of bouwhistorische waarde.</al><al>Het begrip <onderstreept>‘terreinen’</onderstreept>, als bedoeld in sub 2 van
                    artikel 1, dient ruim te worden uitgelegd. Hoofdzakelijk betreft het locaties
                    waar archeologische waarden in de bodem (kunnen) zitten, maar daarnaast kan het
                    bijvoorbeeld ook gaan om parken, tuinen en een perceel met een of meer bomen.
                    Het is niet vereist dat op het terrein ook een bouwkundig monument voorkomt
                    teneinde over een gemeentelijk monument te kunnen spreken. Een 'zaak' is immers
                    een veel ruimer begrip.</al><al>Omdat de 50-jaargrens voor rijksmonumenten niet voor gemeentelijke monumenten is
                    overgenomen, biedt de verordening ook de mogelijkheid om monumenten die (nog)
                    niet op de rijksmonumentenlijst zijn geplaatst omdat ze ‘te jong zijn’, reeds op
                    de gemeentelijke monumentenlijst te plaatsen.</al><al>Uitgangspunt in deze verordening is dat onder het begrip ‘zaak’ alleen
                    onroerende zaken worden verstaan. Immers, het effectueren van de bescherming
                    vormt een probleem, aangezien roerende monumenten meestal eenvoudig kunnen
                    worden verplaatst en daardoor ongemerkt over de gemeentegrens en daarmee buiten
                    de werking van de verordening worden gebracht. Zaken die naar hun aard onroerend
                    zijn, zoals een kerkorgel, kunnen wel de beschermde status krijgen, op basis van
                    de redengevende omschrijving. Met het voorgaande in het achterhoofd is het
                    echter aan ons zelf om met de verordening ook roerende monumenten aan te wijzen.
                    Daarnaast is het ook mogelijk dat wij door middel van aanvullende regelgeving
                    voorkomen dat cultuurhistorische voorwerpen, die als gemeentelijk monument zijn
                    aangewezen, buiten de gemeentegrenzen verdwijnen. Controle en handhaving van
                    deze regelgeving zijn echter nauwelijks mogelijk.</al><al/><al><cursief>Sub b</cursief></al><al>Dit betreft de lijst waarop de gemeente de overeenkomstig de verordening
                    aangewezen monumenten registreert. Het plaatsen op de monumentenlijst heeft geen
                    rechtsgevolg. Het betreft slechts een administratieve handeling. Voorafgaand aan
                    de plaatsing op de lijst is het de aanwijzing tot gemeentelijk monument die
                    rechtsgevolg beoogt. Het is inzichtelijker om de aanwijzing en de plaatsing op
                    de lijst uit elkaar te trekken. Zie ook de toelichting op artikel 3, lid 1, en
                    artikel 7<cursief>.</cursief></al><al/><al><cursief>Sub c</cursief></al><al>Het is nodig om een begripsomschrijving van een 'beschermd rijksmonument' in de
                    gemeentelijke monumentenverordening op te nemen. Deze verordening is namelijk
                    een voorwaarde voor het verkrijgen door het college van de bevoegdheid om
                    vergunningen voor de wijziging en sloop van rijksmonumenten te verlenen. Op de
                    vergunningverlening voor rijksmonumenten zijn met name de artikelen 11 tot en
                    met 21 van de Monumentenwet 1988 van toepassing en artikel 1.1 van de Wet
                    algemene bepalingen omgevingsrecht.</al><al/><al><cursief>Sub d</cursief></al><al>Sinds de komst vande Wet dualisering in 2002 kan elk bevoegd orgaan in
                    de gemeente (raad, college en burgemeester) zelf zijn commissies instellen. De
                    monumentencommissie is een commissie die adviseert aan het college. Normaal
                    gesproken zou het dan ook het college zelf zijn, die deze commissie instelt op
                    grond van artikel 84 Gemeentewet. In de monumentenverordening wordt echter door
                    de raad bepaald dat een monumentencommissie advies moet uitbrengen aan het
                    college. Dit vloeit voort uit de Monumentenwet. In artikel 15 van deze wet is
                    bepaald dat de gemeente in een verordening de inschakeling van een commissie
                    moet regelen die adviseert aan het college over aanvragen van vergunningen als
                    bedoeld in artikel 11 van de Monumentenwet. De wetgever geeft hier dus aan dat
                    het college in dit geval geen keuzevrijheid heeft ten aanzien van het instellen
                    van een commissie. Het instellen van de monumentencommissie door het college
                    moet door middel van een apart collegebesluit. Er bestaat geen modelbesluit voor
                    het instellen van een (monumenten) commissie door het college. </al><al>De taken van de monumentencommissie strekken zich uit over de
                    monumentenverordening en de Monumentenwet 1988. Door de monumentencommissie in
                    deze begripsomschrijving bevoegd te verklaren over de toepassing van de
                    Monumentenwet 1988 te adviseren aan het college, is voldaan aan het vereiste,
                    genoemd in artikel 15 van de Monumentenwet 1988.</al><al/><al><cursief>Sub l</cursief></al><al>Zoals ook in de algemene toelichting is aangegeven is de hoofdregel dat
                    burgemeester en wethouders van de gemeente, waar het project zich in hoofdzaak
                    afspeelt, het bevoegd gezag is. Voor een verdere toelichting wordt verwezen naar
                    de algemene toelichting behorend bij deze verordening. </al><al>Wat nog wel een nadere toelichting behoeft is de begripsbepaling “kerkelijk
                    monument”.</al><al>Het kerkelijk monument keert niet terug in de verordening. Dit op grond van het
                    feit dat de <onderstreept>wijze van aanwijzing</onderstreept> niet wezenlijk
                    anders is dan voor reguliere (niet-kerkelijke) monumenten. De insteek van deze
                    modelverordening is namelijk dat gemeenten overleg voeren met de
                    eigenaar/gebruiker van het aan te wijzen object. Het bestaande (en wellicht ook
                    toekomstige) gebruik van het object moet daarbij worden meegenomen, zodat op dit
                    punt ook het wezenlijke belang van de godsdienstuitoefening kan worden geborgd.
                    Een speciale regeling voor kerkelijke monumenten is daarmee niet noodzakelijk. </al><al>Met betrekking tot vergunningverlening is voor monumenten met een religieuze
                    bestemming in artikel 10, vierde lid het volgende opgenomen: “Het bevoegd gezag
                    verleent, met betrekking tot een monument met een religieuze bestemming, geen
                    vergunning als bedoeld in het 2<sup>e</sup> lid, dan in overeenstemming met de
                    eigenaar indien en voor zover het een vergunning betreft, waarbij wezenlijke
                    belangen van de godsdienstuitoefening in het monument in het geding zijn”.</al><al/><al/><al><onderstreept>Hoofdstuk 2. Aanwijzing gemeentelijke
                    monumenten</onderstreept></al><al><vet>Artikel 2. Het gebruik van een monument</vet></al><al>Het betreft hier met name de gebruiksmogelijkheden die de eigenaar/gebruiker
                    zelf aan het object toekent. Deze gebruiksmogelijkheden slaan op de constructie
                    en de ligging van het object, maar ook het feitelijke gebruik van het object
                    zelf. In toelichting bij artikel 1 is al kort aangegeven dat het gemeentelijk
                    kerkelijke monument niet als ‘specialis’ in deze model erfgoedverordening is
                    opgenomen. Het specifieke gebruik in het geval van kerkgenootschappen, namelijk
                    de erediensten, kan daarmee op grond van deze bepaling worden gewaarborgd, zodat
                    ook in die zin geen afzonderlijke regeling voor gemeentelijke kerkelijke
                    monumenten noodzakelijk is.</al><al/><al><vet>Artikel 3. De aanwijzing tot gemeentelijk monument</vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>De aanwijzing tot gemeentelijk monument en het plaatsen op de monumentenlijst
                    zijn twee zaken met verschillend rechtsgevolg. De aanwijzing heeft rechtsgevolg,
                    het daarna registreren op de gemeentelijke monumentenlijst is slechts een
                    administratieve handeling.</al><al>Het besluit tot aanwijzing is een discretionaire bevoegdheid van het college. Na
                    afweging van alle betrokken belangen kan tot aanwijzing worden besloten. De
                    afweging van de belangen van de rechthebbende ten opzichte van de te beschermen
                    monumentale waarden moet uitdrukkelijk gemotiveerd in het besluit naar voren
                    komen (de redengeving). De aanwijzing geeft geen recht op schadevergoeding. De
                    aanwijzing verandert immers over het algemeen niets aan het bestaande gebruik
                    van het monument.</al><al>Een aanwijzing heeft echter wel gevolgen voor de mogelijkheden wat betreft het
                    toekomstige gebruik van een monumentaal object. Immers, de monumentaal
                    aangewezen onderdelen mogen slechts met een vergunning (zie art. 10, tweede lid)
                    of slechts op grond van de nadere regels (zie art. 10, derde lid) worden
                    gewijzigd. Het wijzigen van niet-monumentale onderdelen is alleen vergunningvrij
                    wanneer ook geen bouwvergunning is vereist. Om deze, weliswaar toekomstige, last
                    voor de burger in te perken, dient bij de aanwijzing in de redengevende
                    omschrijving zorgvuldig bekeken te worden wat wel en wat niet van het object tot
                    monumentaal beschermingswaardig onderdeel wordt aangewezen en voor welk deel een
                    vergunningplicht achterwege kan blijven. Mogelijke afweging kan zijn om alleen
                    de vanuit openbare ruimten zichtbare bijzondere onderdelen tot monument aan te
                    wijzen, zodat bijvoorbeeld voor wijzigingen aan de achterkant en het interieur
                    in dat geval geen monumentenvergunning is vereist maar bijvoorbeeld alleen een
                    bouwvergunning.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Het college moet het advies inwinnen van de monumentenraad als bedoeld onder
                    artikel 1, sub e. De verordening bindt het advies niet aan bepaalde
                    voorschriften over vorm en inhoud. Een regeling die de taak en werkwijze van de
                    monumentenraad bepaalt, is daarvoor de aangewezen plaats.</al><al>In de verordening is geen bepaling opgenomen dat voordat het college over een
                    aanwijzing een besluit neemt de aanvrager en andere belanghebbenden worden
                    gehoord. Dit is namelijk al geregeld in (de artikelen 4:8 en 4:9 van) de
                    Algemene wet bestuursrecht (Awb).</al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Dit is een kan bepaling, immers bij de aanwijzing tot monument kan de
                    eigenaar/gebruiker niet gedwongen worden een dergelijk onderzoek te verrichten,
                    met name vanwege de kosten. </al><al><cursief>Lid 4</cursief></al><al>De gemeenteraad wordt in kennis gesteld van het collegebesluit over aanwijzing
                    van een gemeentelijk monument.In de Monumentenverordening Denekamp 2001
                    heeft de raad al weinig betrokkenheid. Met deze aanvulling wordt de
                    controlerende functie van de gemeenteraad op het aanwijzingsbeleid voor
                    gemeentelijke monumenten weer versterkt. Door de voorgestelde wijziging moet de
                    gemeenteraad in kennis worden gesteld van het collegebesluit over aanwijzing van
                    gemeentelijke monumenten. Deze aanvulling is een verbetering, omdat het
                    aanwijzen, en natuurlijk vooral het afwijzen van de registratie van een monument
                    als een beschermd gemeentelijk monument, politieke impact kan hebben.</al><al><cursief>Lid 5</cursief></al><al>Monumenten die op grond van een aanwijzing door het Rijk of provincie reeds op
                    een monumentenlijst zijn geplaatst, komen niet voor aanwijzing als gemeentelijk
                    monument in aanmerking.</al><al/><al><vet>Artikel 4. Voorbescherming</vet></al><al>Dit artikel regelt de voorbescherming voor toekomstige gemeentelijke monumenten
                    zoals die ook voor rijksmonumenten geldt. Dat betekent dat in de periode van
                    kennisgeving van het voornemen van het college om een monument op de
                    gemeentelijke monumentenlijst te plaatsen tot het daadwerkelijke
                    aanwijzingsbesluit (dit kan ook een afwijzing zijn), de artikelen 10 tot en met
                    14, 17 en 18van deze verordening van toepassing zijn. Dat betekent onder
                    andere dat een monument tijdens de aanwijzingsprocedure tot beschermd
                    gemeentelijk monument niet mag worden afgebroken, gewijzigd, verplaatst (etc.)
                    zonder een gemeentelijke monumentenvergunning of anders dan de bij nadere regels
                    opgestelde wijze. Het gebruik van de voorbeschermingsprocedure is gebonden aan
                    motiveringsplicht, aangezien hieraan voor de eigenaar/gebruiker financiële
                    consequenties zijn verbonden. Immers, gedurende de voorbescherming dienen
                    bouwactiviteiten te worden opgeschort.</al><al>Het inroepen van de voorbescherming van een object is een publiekrechtelijke
                    beperking en een beperkingenbesluit in de zin de van artikel 1, onder a, sub 1
                    juncto artikel 1, onder b, sub 5 van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke
                    beperkingen onroerende zaken. Daarmee is ook onder andere artikel 13 van deze
                    wet van toepassing wat betreft de aansprakelijkheid van gemeenten voor geleden
                    schade. Daarom moet een gemeente gegronde redenen kunnen aanvoeren voor het
                    inroepen van de voorbescherming. Zie hiertoe ook de toelichting bij artikel 6
                    van deze verordening.</al><al/><al><vet>Artikel 5. Termijnen advies en aanwijzingsbesluit</vet></al><al>In dit artikel worden de termijnen genoemd waarbinnen de monumentenraad moet
                    adviseren (lid 1) en het college een beslissing moet nemen (lid 2). Door de
                    besluitvorming aan een termijn te binden, weten alle belanghebbenden waar ze aan
                    toe zijn. In het kader van de vermindering van administratieve lasten dient goed
                    nagedacht te worden over de specifieke invulling met betrekking tot de duur van
                    de termijnen. Over het algemeen geldt hoe korter de termijnen zijn, des te
                    minder zijn de administratieve lasten voor de burger.</al><al>De redactie van lid 2 heeft tot gevolg dat, wanneer de monumentenraad niet
                    tijdig adviseert, het college de volgende keuze kan maken: zonder advies een
                    beslissing nemen, of besluiten om een (te laat uitgebracht advies als bedoeld in
                    het eerste lid) toch in hun overwegingen te betrekken. Als het college niet
                    tijdig beslist, is op grond van de Awb sprake van een fictieve weigering.
                    Ingevolge artikel 6:2 staat voor de aanvrager dan de mogelijkheid van bezwaar of
                    administratief beroep open die ook tegen een reëel besluit open zou staan.</al><al>Het artikel bevat geen bepalingen over bekendmaking van het besluit, omdat de
                    Awb dat afdoende regelt (afdeling 3.6).</al><al/><al><vet>Artikel 6. Mededeling aanwijzingsbesluit</vet></al><al>De ontvangst van de (veelal aangetekende) mededeling (zijnde een afschrift van
                    de inschrijving) van het college is voor alle aan het monumentale object
                    verbonden zakelijk gerechtigden van essentieel belang. De kenbaarheid van de
                    aanwijzing tot monumentaal object is ook te herleiden tot artikel 1, onder a,
                    sub 1 juncto artikel 1, onder b, sub 6 van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke
                    beperkingen onroerende zaken. Daarmee zijn de voorschriften uit deze wet ook van
                    toepassing op een aanwijzingsbesluit als bedoeld in artikel 6 van deze
                    verordening.</al><al>Dit artikel regelt overigens niet specifiek dat de aanwijzing wordt
                    bekendgemaakt aan de eigenaar en de aanvrager, omdat de Awb dat al bepaalt
                    (afdeling 3.6). Indien het artikel 4:8 Awb is toegepast (horen van geadresseerde
                    en derdebelanghebbenden) dan dienen de betrokkenen op grond van het bepaalde in
                    artikel 3:43 Awb eveneens een mededeling te ontvangen.</al><al/><al><vet>Artikel 7. Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst</vet></al><al>De registratie van de aanwijzing is een administratieve handeling (en geen
                    besluit). De bedoeling van de bij te houden monumentenlijst is om een ieder snel
                    inzicht te geven in welke zaken als gemeentelijk monument zijn aangewezen en de
                    redengeving daartoe. </al><al>Wat betreft dit laatste aspect zij tevens verwezen naar de toelichting bij
                    artikel 3, eerste lid (aanwijzing).</al><al/><al><vet>Artikel 8. Wijziging van de aanwijzing</vet></al><al>Op grond van dit artikel is het mogelijk om de aanwijzing van gemeentelijke
                    monumenten te wijzigen (lid 1). Hiervoor geldt dezelfde voorbereidingsprocedure
                    als voor de aanwijzing zelf (lid 2), tenzij de wijziging van ondergeschikte
                    betekenis is (lid 3). Wijzigingen van de aanwijzing worden doorgevoerd op de
                    gemeentelijke monumentenlijst (lid 4).</al><al/><al><vet>Artikel 9. Intrekken van de aanwijzing</vet></al><al>Dit artikel geeft de mogelijkheid om de aanwijzing van gemeentelijke monumenten
                    in te trekken (lid 1). Voor intrekking van de aanwijzing is het advies van de
                    monumentenraad nodig, tenzij sprake is van spoedeisende gevallen (lid 2).
                    Monumenten op de gemeentelijke monumentenlijst waarvan de aanwijzing is
                    ingetrokken (omdat ze zijn gesloopt of anderszins volledig teloor gegaan),
                    worden door het college van de monumentenlijst gehaald. Naast de registratie
                    regelt lid 3 dat monumenten niet dubbel aangewezen en geregistreerd kunnen zijn
                    in het geval dat het object ook als rijks- of provinciaalmonument is aangewezen
                    en geregistreerd. In dat geval vervalt de gemeentelijke aanwijzing en
                    registratie als monument. Ook is het mogelijk dat de provinciale
                    monumentenverordening dit zelf regelt.</al><al>Het kan zinvol zijn om voor een gebouw, waarvoor een aanvraag tot intrekking van
                    de aanwijzing loopt een (uitvoerige) documentatie te eisen. Enerzijds kan deze
                    voor een goede afweging van de aanvraag dienen, anderzijds wordt het gebouw
                    voorafgaand aan de sloop voor de lokale geschiedenis gedocumenteerd.</al><al/><al/><al><onderstreept>Hoofdstuk 3. Instandhouding van gemeentelijke monumentale
                        zaken</onderstreept></al><al/><al><vet>Artikel 10. Instandhoudingbepaling</vet></al><al>De verbodsbepaling in het eerste lid van artikel 10 vertoont gelijkenis met
                    artikel 11 lid 1 van de Monumentenwet 1988. De artikelen 11 tot en met 21 van de
                    Wet juncto artikel 15 van deze verordening regelen de vergunningverlening voor
                    de wijziging van rijksmonumenten door het bevoegd gezag. In dit artikel gaat het
                    derhalve alleen over gemeentelijke monumenten. Het is verstandig de
                    vergunningverlening voor rijks- en gemeentelijke monumenten procedureel en
                    inhoudelijk zoveel mogelijk op elkaar af te stemmen. Het is voor de aanvrager,
                    maar ook voor de behandelende gemeentelijke diensten en voor het college van
                    praktische betekenis dat beide aanvragen zoveel mogelijk langs dezelfde weg
                    worden afgehandeld. Ten aanzien van de vergunningaanvraag voor gemeentelijke
                    monumenten is van belang dat het verkrijgen van gegevens en ontbrekende gegevens
                    geregeld is in de Awb (artikel 4:2 respectievelijk 4:5 en 4:15). In een
                    aanvraagformulier voor de vergunning kan de gemeente aangeven welke gegevens
                    zijn vereist. In dat kader kan ook het overleggen van een rapportage met
                    betrekking tot een bouwhistorisch onderzoek als vereiste bij de
                    vergunningaanvraag worden opgenomen. Hierbij moet wel sprake zijn van
                    evenredigheid wat betreft de omvang van de wijziging van het monument in relatie
                    tot de omvang van het onderzoek en de daaraan verbonden kosten. </al><al>In het kader van de vermindering van administratieve lasten voor burgers dienen
                    de indieningvereisten bij de vergunningaanvraag zo beperkt mogelijk gehouden te
                    worden. Zo kan het overleggen van bouwtekeningen worden beperkt tot 1 exemplaar
                    en kunnen bouw- en monumentenvergunning ook op dit punt (indieningvereisten)
                    worden gecombineerd. Omdat een monumentenvergunning verleend moet zijn voordat
                    een bouwvergunning kan worden afgegeven, is tijdwinst te behalen door,
                    gelijktijdig met het noodzakelijke adviseringstraject van de monumentencommissie
                    en RACM, ook het overleg over de bouwvergunning met de aanvrager te
                    starten.</al><al>In lid 3 van artikel 10 wordt de mogelijkheid geschapen voor het college om
                    nadere regels te stellen die in de plaats kunnen worden gesteld van het verbod
                    uit het eerste lid en de vergunningplicht uit het tweede lid. Het zal hierbij
                    over het algemeen gaan om wijzigingen aan gemeentelijke monumenten die niet van
                    ingrijpende aard zijn. Met name het reguliere onderhoud kan in vastomlijnde
                    regels worden opgenomen, zodat burgers niet voor relatief eenvoudige wijzigen
                    (bijvoorbeeld met betrekking tot kleurstelling of het gebruik van identieke
                    materialen) worden geconfronteerd met een vergunningprocedure. In deze nadere
                    regels kunnen dan expliciet die situaties worden benoemd waarin de burger geen
                    vergunning hoeft aan te vragen. Indien echter duidelijk is wat het
                    toetsingskader is voor grote (niet-reguliere) wijzigingen aan een monument, kan
                    ook dit toetsingskader in algemene regels worden opgenomen, zodat burgers nog
                    minder met administratieve lasten worden geconfronteerd.</al><al>In de nadere regels (uitvoeringsrichtlijnen of programma´s van eisen) kunnen de
                    uitgangspunten, functionele toetsen en aanwijzingen in het kader van de
                    monumentenzorg worden opgenomen. Hierbij dient de bouwkundige en monumentale
                    kwaliteit (behoudtechnische optiek) voorop te staan. Voorts staat het voeren van
                    (voor)overleg centraal bij dit artikel, zodat maatwerk kan worden geleverd.
                    Praktisch gezien gaat een medewerker monumentenzorg van de gemeente, op locatie
                    en gezamenlijk met de initiatiefnemer, onderzoeken welke aanpassingen mogelijk
                    zijn aan de hand van de algemene regels, zodat de monumentale waarde van het
                    object niet of zo min mogelijk wordt aangetast.</al><al/><al><vet>Artikel 11. De schriftelijke aanvraag</vet></al><al>Een aanvraag voor een omgevingsvergunning kan op grond van het Bor zowel
                    digitaal als op papier worden ingediend. Een burger heeft de keuze tussen het
                    digitaal dan wel schriftelijk aanvragen van de omgevingsvergunning. Voor
                    ondernemingen en personen met een zelfstandig beroep geldt in beginsel geen
                    keuzevrijheid, zij kunnen uitsluitend een aanvraag langs digitale weg indienen.
                    Aangezien een aantal, met name kleinere, bedrijven nog niet over de benodigde
                    voorzieningen beschikken om een aanvraag digitaal in te dienen is van rijkswege
                    besloten om de verplichting na verloop van twee jaren in werking te laten
                    treden. </al><al>Het Bor bepaalt dat in het kader van de vermindering van de administratieve
                    lasten voor burgers en bedrijven het bevoegd gezag bij een schriftelijke
                    aanvraag maar maximaal 4 exemplaren van de aanvraag en de daarbij behorende
                    bescheiden mag opvragen. In bepaalde gevallen kan op grond van het derde lid van
                    artikel 4.2 Bor hiervan worden afgeweken. Er moet dan sprake zijn van twee of
                    meer adviezen of verklaringen van geen bedenkingen.</al><al/><al><vet>Artikel 12. Termijnen advies en vergunningverlening</vet></al><al>Op grond van artikel 3.7 Wabo is voor de voorbereiding van een
                    omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 10 de reguliere
                    voorbereidingsprocedure van toepassing. Uitgangspunt van de Wabo is dat altijd
                    maar één procedure geldt. Indien er sprake is van een samenloop van procedure
                    geldt de zwaarste procedure (de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure). </al><al>Aangezien veelal de reguliere procedure gevolgd zal worden is ervoor gekozen om
                    deze hieronder nader toe te lichten. </al><al>De reguliere voorbereidingsprocedure komt tegemoet aan één van de doelen van de
                    Wabo, namelijk het bevorderen van een snelle besluitvorming. </al><al>De reguliere voorbereidingsprocedure sluit voor het overgrote deel aan bij titel
                    4.1 van de Awb. De procedure vangt aan met een verplichte ontvangstbevestiging
                    van het indienen van een aanvraag. Het bevoegd gezag zendt de aanvrager nadat
                    het de aanvraag heeft ontvangen een bericht waarin het vermeldt dat zij bevoegd
                    gezag is, welke procedure zal worden doorlopen, de beslistermijn en de
                    beschikbare rechtsmiddelen en indien de reguliere procedure wordt gevolgd
                    vermeldt het bevoegd gezag tevens dat een beslissing van rechtswege is gegeven,
                    indien niet tijdig op de aanvraag is beslist. Indien de verstrekte gegevens en
                    bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag, stelt het
                    bevoegd gezag de aanvrager in de gelegenheid de aanvraag binnen de door hem
                    gestelde termijn aan te vullen. Het bevoegd gezag geeft van de aanvraag met
                    vermelding van de ontvangstdatum kennis in een of meer dag, nieuws- of
                    huis-aan-huisbladen of op een andere geschikte wijze. Het bevoegd gezag moet op
                    grond van artikel 3.9 Wabo binnen 8 weken een beslissing op de aanvraag nemen.
                    In deze periode moet het bevoegd orgaan eventuele belanghebbenden de
                    mogelijkheid geven om zienswijzen in te brengen (artikel 4:8 Awb). </al><al>Het bestuursorgaan kan bij verordening op grond van artikel 2.26, derde lid,
                    Wabo ‘andere instanties’ aanwijzen die in de gelegenheid worden gesteld advies
                    uit te brengen. Hierbij kan onder meer gedacht worden aan de (gemeentelijke)
                    monumentencommissie.</al><al>Voor het uitbrengen van advies is geen termijn opgenomen. Van belang is dat de
                    adviseur in de gelegenheid moet worden gesteld om advies uit te brengen. Het is
                    echter aan de adviseur om te bepalen of hij van deze gelegenheid gebruik wil
                    maken. Het uitbrengen van een advies staat het nemen van een besluit niet in de
                    weg. Wordt het advies niet binnen de gestelde termijn gegeven dan kan het
                    bevoegd gezag de procedure vervolgen. Het bevoegd gezag dient altijd de termijn
                    van 8 weken in acht te nemen. De termijn van 8 weken kan met ten hoogste zes
                    weken worden verlengd. Het bevoegde gezag dient hiervan op dezelfde manier
                    mededeling te doen als van de kennisgeving van de aanvraag. Deze verlenging van
                    6 weken is voornamelijk bedoeld om de adviseur meer tijd te geven voor het
                    uitbrengen van een advies. </al><al>Op grond van artikel 3.6 Awb dient het bestuursorgaan zelf een termijn te
                    stellen voor het uitbrengen van advies, indien dit niet reeds bij wettelijk
                    voorschrift is bepaald. Deze termijn mag niet zodanig kort zijn, dat de adviseur
                    zijn taak niet naar behoren kan vervullen. Gelet op de beslistermijn dient het
                    uitbrengen van het advies door de monumentencommissie parallel te lopen aan de
                    beoordeling van de aanvraag door het bevoegde gezag. Dit parallel lopen van het
                    advies en de beoordeling gebeurt ook al in het kader van de verlening van de
                    evenementenvergunning waarbij een advies van de brandweer is vereist. </al><al>Het definitieve besluit wordt gepubliceerd en zes weken ter inzage gelegd
                    waarbij het wordt opengesteld voor het indienen van bezwaar. Het besluit treedt
                    in werking met ingang van de dag na haar bekendmaking en wordt opgeschort totdat
                    de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is verstreken.</al><al>In lid 3 van artikel 3.9 van de Wabo is een positieve fatale beslistermijn
                    opgenomen. Deze positieve fatale beslistermijn houdt in dat de overschrijding
                    van de beslistermijn leidt tot een omgevingsvergunning van rechtswege. De
                    omgevingsvergunning wordt conform de aanvraag verleend. Men spreekt ook wel van
                    de fictieve vergunningverlening. De bepalingen uit paragraaf 4.1.3.3 van de Awb
                    zijn van toepassing verklaard, met uitzondering van artikel 4:20b, derde lid en
                    4:20f. De van rechtswege verleende vergunning treedt in werking met ingang van
                    de dag na de bekendmaking en wordt opgeschort totdat de termijn voor het
                    indienen van een bezwaarschrift is verstreken of indien bezwaar is gemaakt, op
                    dit bezwaar is beslist.</al><al/><al><vet>Artikel 13. Weigeringsgronden</vet></al><al>De omgevingsvergunning wordt geweigerd, indien er strijd is met één van de
                    toetsingscriteria uit het bestaande toetsingskader. De afzonderlijke
                    toetsingskaders zijn onder de Wabo namelijk blijven bestaan. In het kader van
                    dit artikel moet worden afgewogen in hoeverre het belang van monumenten in het
                    geding is. Inhoudelijk kan aangegeven worden dat het belang van de
                    monumentenzorg zwaarder weegt dan andere belangen (bijvoorbeeld het economisch
                    belang). De tekst van het artikel geeft namelijk aan dat het belang van de
                    monumentenzorg zich niet tegen de vergunningverlening mag verzetten. Hierdoor
                    wordt de monumentenzorg centraal gesteld. De vergunning moet op grond van dit
                    artikel worden verleend in de gevallen dat het niet strijdig is met het belang
                    van de monumentenzorg.</al><al/><al><vet>Artikel 14. Intrekken van de vergunning</vet></al><al>Dit artikellid bevat de mogelijke gronden om een vergunning in te trekken. De
                    bepaling onder b heeft de volgende achtergrond: als de omstandigheden bij de
                    vergunninghouder ten aanzien van het monument wijzigen, dan zou het zo kunnen
                    zijn dat als er een nieuwe belangenafweging zou kunnen plaatsvinden, de belangen
                    van het monument behoren voor te gaan. In dat geval moet het bevoegd gezag
                    mogelijkheden hebben om de vergunning in te trekken.</al><al/><al/><al><onderstreept>Hoofdstuk 4. onderhoudssubsidies</onderstreept></al><al/><al><vet>Artikel 15. Onderhoudssubsidie</vet></al><al>Op dit artikel zijn Hoofdstuk 3 van de Algemene Subsidieverordening gemeente
                    Dinkelland 2010 en de deelverordening Onderhoudssubsidies gemeentelijke
                    monumenten Dinkelland 2010 van overeenkomstige toepassing.</al><al/><al><onderstreept>H</onderstreept><onderstreept>oofdstuk 5.
                        Rijksmonumenten</onderstreept></al><al/><al><vet>Artikel 16. Vergunning voor beschermd rijksmonument</vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>De procedure voor de afgifte door het bevoegd gezag van de vergunning voor
                    beschermde monumenten staat in paragraaf 3.3 van de Wabo en afdeling 3.4 van de
                    Awb. De uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure is van toepassing. Hierin
                    verschilt de omgevingsvergunning voor beschermde monumenten van de
                    omgevingsvergunning voor gemeentelijke monumenten. Voor een vergunning als
                    bedoeld in artikel 10 dient namelijk de reguliere procedure gevolgd te worden.
                    Door de inwerkingtreding van de Wabo vindt er geen wijziging in de
                    voorbereidingsprocedure voor de omgevingsvergunning voor beschermde monumenten
                    plaats. Door dit onderscheid in procedures is de beslistermijn voor beide
                    omgevingsvergunningen niet gelijk. Dit heeft tot gevolg dat de adviestermijn
                    voor beschermde monumenten ook langer zal zijn. Door de komst van de Wabo wordt
                    de kring van belanghebbenden vergroot. Gedurende de termijn van ter inzage
                    legging kan een ieder een zienswijze indienen. Voorheen konden alleen
                    belanghebbenden zienswijzen indienen. </al><al>De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, en buiten de bebouwde kom ook
                    Gedeputeerde Staten (hierna: GS), moet binnen 8 weken (art. 6.4 Bor) na
                    verzending van de adviesaanvraag adviseren. Het definitieve besluit moet binnen
                    zes maanden na ontvangst van de aanvraag worden genomen. Op het definitieve
                    besluit kan nog slechts door belanghebbenden beroep worden ingesteld.</al><al>Overigens blijken provincies in de praktijk hieraan op verschillende wijzen
                    invulling te geven. De voorgenomen beperking adviesplicht van de rijksdienst
                    vanaf 2009 zal op bovenstaande van invloed zijn. Daarom wordt de verplichte
                    advisering in het wetsvoorstel ‘Wijziging van de Monumentenwet 1988 in verband
                    met onder meer beperking van de ministeriële adviesplicht bij aanvragen om een
                    omgevingsvergunning voor monumenten’ los gelaten. Alleen wanneer er sprake is
                    van reconstructie, sloop en herbestemming van een beschermd monument zal de
                    adviesplicht van toepassing blijven. Ter compensatie van het wegvallen van het
                    advies van de rijksdienst zullen alle gemeenten vanaf 2009 een
                    monumentencommissie moeten hebben aangesteld, die onafhankelijk en deskundig is.
                    Het overgangsartikel 64 in de Monumentenwet 1988, waarin de rijksdienst bij
                    afwezigheid van een monumentencommissie in diens advisering trad, is
                    ingetrokken. Indien het beschermd monument buiten de bebouwde kom ligt, is het
                    college van B&amp;W verplicht om een afschrift van de aanvraag aan GS te zenden.
                    GS kunnen de adviesbevoegdheid vervolgens naar eigen inzicht invullen en al dan
                    niet tot advisering overgaan, waarvoor men twee maanden de tijd heeft. Het is
                    gewenst dat GS al op voorhand kenbaar maken in welke gevallen zij niet
                    adviseren, zodat de beoogde tijdswinst ook daadwerkelijk kan worden
                    gehaald.</al><al><cursief>Lid 2 </cursief></al><al>De Monumentenwet 1988 schrijft voor dat de monumentencommissie bij de aanvragen
                    om een omgevingsvergunning voor beschermde monumenten wordt ingeschakeld.</al><al/><al/><al><onderstreept>Hoofdstuk 6. Instandhouding van archeologische
                        terreinen</onderstreept></al><al/><al><vet>Artikel 17. Instandhoudingbepaling</vet></al><al>De Wet op de archeologische monumentenzorg van 21 december 2006 verplicht de
                    raad om, bij de vaststelling van een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 10
                    van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, rekening te houden met de in de grond
                    aanwezige dan wel te verwachten monumenten. Het uitgangspunt van deze wet
                    (voortvloeiend uit het Verdrag van Malta) en daarmee ook van deze verordening,
                    is daarom primair dat in het bestemmingsplan, door middel van een gemeentelijke
                    archeologische verwachtings- en advieskaart, wordt vastgelegd waar zich
                    archeologische waarden in de bodem kunnen bevinden. Dit artikel voorziet in de
                    behoefte aan een overgangsperiode tot het moment dat een bestemmingplan
                    ´Malta-proof´ is.</al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Tot het moment dat een ´Malta-proof´-bestemmingsplan kan worden vastgesteld,
                    biedt deze verordening bij wijze van artikel 17 de nodige bescherming aan
                    archeologische waarden in de bodem. Het eerste lid van artikel 17 biedt
                    bescherming door het opgenomen verbod om in een gebied met archeologische waarde
                    en in een archeologisch verwachtingsgebied, als aangegeven op de gemeentelijke
                    archeologische verwachting- en advieskaart, de bodem dieper dan 40 cm onder de
                    oppervlakte en over een oppervlakte van meer dan 100 m2 te verstoren. En het
                    verbod om in een historische kern, zoals aangegeven op de gemeentelijke
                    archeologische verwachting- en advieskaart de bodem dieper dan 50 cm onder de
                    oppervlakte en over een oppervlakte van meer dan 100 m2 te verstoren. In de
                    bepaling is nadrukkelijk geen standaard diepte opgenomen, aangezien de lokale
                    situatie zeer uiteen kan lopen. In het buitengebied kan bijvoorbeeld mogelijk
                    volstaan met een diepte van 30 cm, waarbij nog steeds voldoende bescherming kan
                    worden geboden, terwijl een dichtbevolkt stedelijk gebied of een middeleeuwse
                    stadskern mogelijk al bij 10 cm problemen kan hebben om archeologische waarden
                    voldoende te beschermen. </al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>In het tweede lid van artikel 17 worden uitzonderingsmogelijkheden gegeven op
                    het eerste lid. </al><al>In onderdeel a) kan van het verbod uit het eerste lid worden afgeweken indien de
                    verstoring plaats vindt in een archeologisch verwachtingsgebied als aangegeven
                    op de landelijk of een provinciale archeologische waardekaart. De gemeente kan
                    van deze kaarten gebruik maken indien het zelf nog niet beschikt over een
                    gemeentelijke archeologische waardekaart. Deze waardekaarten hanteren over het
                    algemeen een driedeling wat betreft de mate waarin archeologische waarden in de
                    bodem kunnen worden aangetroffen. Deze archeologische verwachtingswaarden is
                    vervolgens gekoppeld aan een aantal m2 te verstoren verwachtingsgebied. Hoe
                    lager de verwachte archeologische waarden, hoe groter het aantal m2 kan zijn
                    waarbinnen een verstoring mag plaatsvinden. Bij een hoge verwachtingswaarde zal
                    het aantal m2 waarbinnen een verstoring mag plaatsvinden echter aanzienlijk
                    kleiner zijn. Bij de bepaling van deze grenzen dient voldoende rekening gehouden
                    te worden met de vraag wat er binnen het verwachtingsgebied aan archeologische
                    sporen kan worden aangetroffen. In ieder geval moet binnen de gehanteerde
                    oppervlakte dusdanig zijn dat voldoende informatie verkregen kan worden over de
                    aard, het karakter en de datering van de (mogelijk) in de bodem aan te treffen
                    archeologische sporen. Om dezelfde reden als in het eerste lid zijn ook in dit
                    onderdeel geen standaardwaarden opgenomen, zodat de lokale situatie hieraan een
                    invulling moet geven.</al><al>Onderdeel b) ziet toe op de situatie dat het bestemmingsplan wel up-to-date is
                    als bedoeld in de inleidende toelichting bij dit artikel. In dat geval biedt het
                    bestemmingplan, aan de hand van een bijbehorende archeologische waardekaart,
                    voldoende bescherming aan de in de bodem aanwezige of te verwachten
                    archeologische waarden.</al><al>In onderdeel c) wordt een aantal mogelijkheden genoemd die voorheen in de Wet
                    ruimtelijke ordening waren opgenomen en nu in artikel 2.12 Wabo. Het gaat hier
                    om het oude projectbesluit, de oude binnenplanse ontheffing, de oude tijdelijke
                    ontheffing en de oude buitenplanse ontheffing (voorheen de artikelen 3.10, 3.22
                    en 3.23 Wro) Deze bepalingen zijn met de Invoeringswet Wabo komen te vervallen. </al><al>Wel geldt nog steeds dat dergelijke besluiten tot stand kunnen komen doordat bij
                    de aanvraag voorschriften kunnen worden opgenomen met betrekking tot
                    archeologische waarden in het gebied waarvoor de aanvraag geldt. Aan de aanvraag
                    kan dan de voorwaarde worden verbonden dat een rapportage wordt overlegd waarin
                    de archeologische waarden van het te verstoren terrein in voldoende mate is
                    vastgesteld. </al><al>In onderdeel d kan op grond van dit artikel het college nadere regels stellen
                    wat betreft de eisen aan de uitvoering van de bodemverstorende werkzaamheden in
                    een archeologische monument of verwachtingsgebied. Vooruitlopend op een
                    ´Malta-proof’ bestemmingsplan´ kunnen deze nadere regels inhoudelijk aansluiten
                    op de situatie dat (in een bestemmingsplan waarin een archeologische paragraaf
                    is opgenomen) de verstorende werkzaamheden worden uitgevoerd aan de hand van een
                    aanlegvergunning, waarin vereisten omtrent de bescherming van archeologische
                    waarden zijn opgenomen, een en ander conform de handreiking van de VNG ‘Verder
                    met Valletta’.</al><al/><al><vet>Artikel 18. Opgravingen en begeleiding</vet></al><al>De verplichtingen die in deze bepaling zijn opgenomen kunnen alleen goed
                    functioneren als hierover actief de archeologische onderzoekers worden
                    geïnformeerd. Immers, met deze bepaling wordt gekozen voor een uitgebreide
                    regiefunctie bij archeologische opgravingen binnen het gemeentelijk grondgebied. </al><al>Om de bedoelde regierol goed te kunnen uitoefenen dient het college een
                    programma van eisen op te stellen waarmee de kaders worden gesteld voor het
                    ontwerp en de uitvoering van archeologisch onderzoek (lid 1, sub a). Vervolgens
                    wordt van de opgraver verwacht dat hij in een plan van aanpak weergeeft hoe hij
                    specifiek de gestelde kaders zoals omschreven in het programma van eisen denkt
                    te gaan invullen (lid 1, sub b). Op grond van de leden 2 en 3 kunnen vervolgens
                    nadere regels worden gesteld met betrekking tot de feitelijke uitvoering (en het
                    toezicht daarop) en de beoordeling van het plan van aanpak.</al><al/><al><vet>Artikel 19. Procedure</vet></al><al>De bepalingen uit artikel 11, 12, 13 en 14 zijn van overeenkomstige toepassing
                    op de bepalingen uit artikel 17, tweede lid onder e, en artikel 18, eerste lid
                    onder b.</al><al/><al/><al><onderstreept>Hoofdstuk 7. de monumentenraad</onderstreept></al><al>De artikelen 20 tot en met 22 uit dit hoofdstuk zijn al ruim omschreven, zodat
                    deze geen nadere toelichting behoeven.</al><al/><al/><al><onderstreept>Hoofdstuk 8. Overige bepalingen</onderstreept></al><al/><al><vet>Artikel 23. Tegemoetkoming in de schade</vet></al><al>De Afdeling rechtspraak van de Raad van State heeft uitgemaakt dat de
                    monumentenverordening zonder een schadevergoedingsregeling rechtsgeldig is (BR
                    86,604). Voor het archeologische deel van de verordening dient echter, op grond
                    van de Wet op de Archeologische monumentenzorg, wel een
                    schadevergoedingsregeling in de verordening opgenomen te worden. De
                    rijksregeling voor excessieve opgravingkosten is ingaande 2009 niet meer van
                    toepassing. Het veroorzaker-betaalt- principe, zoals dat in de memorie van
                    toelichting van de Wet op de Archeologische monumentenzorg is verwoord, staat
                    bij de afweging tot toekenning van schadevergoeding voorop en geldt voor alle in
                    het eerste lid genoemde onderdelen (a t/m e). De gemeente zal zelf per geval
                    moeten afwegen wat ‘redelijk’ of ‘buitenproportioneel’ is. In deze verordening
                    is gekozen voor een gecombineerde schadevergoedingsbepaling, waarin de
                    specifieke gevallen zijn opgenomen op grond waarvan het college mogelijk een
                    schadevergoeding aan een belanghebbende dient toe te kennen.</al><al/><al><vet>Artikel 24. Strafbepaling</vet></al><al>Deze strafbepaling is met de komst van de Wabo alleen nog van toepassing op de
                    nadere voorschriften die het college kan stellen op grond van artikel 10, derde
                    lid en artikel 17, met uitzondering van het tweede lid, onder e. De
                    strafbaarstelling van de omgevingsvergunning voor gemeentelijke monumenten is
                    geregeld in de Wet economische delicten (Wed). Het handelen zonder vereiste
                    omgevingsvergunning of in strijd met de voorschriften daarvan wordt aangemerkt
                    als economisch delict.</al><al>Op gemeentelijk niveau is, gelet op de ernst van dit vergrijpen de wens om enige
                    preventieve werking te bereiken, de keuze voor de geldboete van de tweede
                    categorie of een hechtenis van drie maanden voor het overtreden van de nadere
                    regels voor de hand liggend.</al><al/><al><vet>Artikel 25. Toezichthouders</vet></al><al>In dit artikel worden toezichthouders aangewezen overeenkomstig modelbepaling
                    90.M van de Aanwijzingen voor de decentrale regelgeving. De basis voor deze
                    aanwijzingsbevoegdheid wordt gevonden in hoofdstuk 5, waarin algemene regels
                    worden gegeven voor de bestuursrechtelijke handhaving van algemeen geldende
                    rechtsregels en individueel geldende voorschriften. Toezichthouders worden in
                    artikel 5:11 Awb omschreven als zijnde personen die bij of krachtens wettelijk
                    voorschrift belast zijn met het houden van toezicht op de naleving van het
                    bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift, zodat de aanwijzing van
                    toezichthouders derhalve in de Monumentenverordening kan plaatsvinden.</al><al>In artikel 5:13 Awb is het evenredigheidsbeginsel neergelegd, wat inhoudt dat
                    een toezichthouder zijn bevoegdheid slechts mag uitoefenen voor zover dit
                    redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak noodzakelijk is. Een
                    toezichthouder kan derhalve niet te allen tijde gebruik maken van alle
                    bevoegdheden die in de Awb standaard aan toezichthouders worden toegekend.
                    Steeds zal de afweging gemaakt moeten worden of het voor de vervulling van zijn
                    taak redelijkerwijs noodzakelijk is. Bepalend hiervoor is de aard van het
                    voorschrift op de naleving waarvan een toezichthouder moet toezien.</al><al>Op basis van artikel 5:15 Awb is een toezichthouder bevoegd elke plaats te
                    betreden met uitzondering van woningen zonder toestemming van de bewoner.
                    'Plaatsen' is daarbij een ruim begrip en omvat niet alleen erven en andere
                    terreinen, maar ook gebouwen (niet-woningen). Nadrukkelijk zij hier vermeld dat
                    het college op grond van artikel 18 niet zelf opsporingsambtenaren aanwijst als
                    bedoeld in artikel 141 Strafvordering. Dat kan en hoeft het college ook niet te
                    doen aangezien artikel 142 lid 1 sub c Wetboek van Strafvordering regelt dat bij
                    verordening aangewezen toezichthouders ook opsporingsbevoegdheid toekomt. Deze
                    buitengewone opsporingsambtenaren hebben in de regel een opsporingsbevoegdheid
                    voor een beperkt aantal strafbare feiten.</al><al/><al/><al><onderstreept>Hoofdstuk 9. Slotbepalingen</onderstreept></al><al><vet>Artikel 26. Overgangsrecht</vet></al><al>In de praktijk blijkt het overgangsrecht vaak problemen te geven. Indien
                    bijvoorbeeld een regeling wordt ingetrokken, is het niet altijd duidelijk welke
                    gevolgen de intrekking moet hebben voor op die regeling gebaseerde
                    beschikkingen. Vanwege de rechtszekerheid en de eerbiediging van bestaande
                    rechten is daarom in deze verordening een overgangsbepaling opgenomen. De
                    bestaande rechten betreffen in dit geval de aanwijzing tot monument (artikel 3)
                    en de vergunning verlening (artikel 10).</al><al>In het eerste lid worden de op grond van de oude verordening op de gemeentelijke
                    monumentenlijst voorkomende monumenten geacht te zijn aangewezen en
                    geregistreerd overeenkomstig deze nieuwe verordening. In het tweede lid is
                    geregeld dat aanvragen om een omgevingsvergunning voor gemeentelijke monumenten,
                    die zijn ingediend vóór het van kracht worden van deze verordening, worden
                    afgehandeld op grond van de oude verordening. Voor een bepaalde overgangsperiode
                    zullen er dus twee procedures gelden. Indien de verordening niet tijdig aan de
                    Wabo is aangepast, terwijl deze wet al wel in werking is getreden zet de Wabo de
                    bepalingen uit de verordening aan de kant. De Wabo gaat namelijk voor op lagere
                    regelgeving. De bepalingen uit de verordening zijn van rechtswege onverbindend.
                    Bij een nieuwe aanvraag voor een vergunning gelden dan de bepalingen uit de
                    Wabo.</al><al/><al><vet>Artikel 27. Intrekken oude regeling en inwerkingtreding nieuwe
                        regeling</vet></al><al>Dit artikel regelt de intrekking van de oude monumentenverordening en de
                    inwerkingtreding van de nieuwe erfgoedverordening, zodat niet twee verordeningen
                    van kracht zijn die hetzelfde onderwerp regelen. Het uitdrukkelijk intrekken van
                    een oude regeling mag niet achterwege worden gelaten met een beroep op het
                    beginsel dat een vroegere regeling ter zijde wordt gesteld door een latere
                    regeling.</al><al/><al><vet>Artikel 28. Citeertitel</vet></al><al>Dit artikel noemt de naam van de verordening. Gelet op het samenvoegen van de
                    oude monumentenverordening en het nieuwe archeologische deel in de verordening,
                    is gekozen voor de nieuwe en overkoepelende term ‘erfgoed’.</al><al/></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>