<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd">
  <meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR37947_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Hulst 2007.</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Hulst</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-03-15</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Hulst</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Zeeuwsch Vlaams Advertentieblad, 27-09-2006</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Hulst 2007.</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://http://wetten.overheid.nl/BWBR0020031/">Wet maatschappelijke ondersteuning</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2006-09-21</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2007-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Rb2006/68</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>WMO</overheidrg:onderwerp><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta>
  
  <body><intitule>
      
      Wet maatschappelijke ondersteuning
    
    </intitule>
    
    <regeling>
      <aanhef>
        <preambule>
          <al>Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Hulst 2007</al>
          <al/>
          <al>Gemeente Hulst</al>
        </preambule>
      </aanhef>
      <regeling-tekst>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Afdeling</label>
            <nr>I</nr>
            <titel>Algemeen</titel>
          </kop>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>1</nr>
            <titel>Algemene bepalingen</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>1.1.0.1</nr>
              <titel>Begripsbepalingen</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>
                    <onderstreept>college:</onderstreept> college van
                                                burgemeester en wethouders van de gemeente
                                                Hulst;</al></li>
                <li nr="b."><al>
                    <onderstreept>wet:</onderstreept> Wet
                                                maatschappelijke ondersteuning;</al></li>
                <li nr="c."><al>
                    <onderstreept>Wvg:</onderstreept> Wet voorzieningen
                                                gehandicapten;</al></li>
                <li nr="d."><al>
                    <onderstreept>Compensatiebeginsel: </onderstreept>
                                                de algemene verplichting aan het gemeentebestuur om
                                                personen met aantoonbare beperkingen op grond van
                                                ziekte of gebrek, inclusief chronische psychische en
                                                psychosociale problemen, door het treffen van
                                                voorzieningen een gelijkwaardige uitgangspositie te
                                                verschaffen zodat zij zelfredzaam zijn en in staat
                                                tot maatschappelijke participatie; </al><al>Een uitzondering vormen de situaties, waarin de
                                                compensatie van beperking- en disproportioneel hoge
                                                kosten met zich meebrengt en relatief weinig winst
                                                in termen van vaardigheden.</al></li>
                <li nr="e."><al>
                    <onderstreept>Beperkingen:
                                                </onderstreept>moeilijkheden die een persoon heeft
                                                met het uitvoeren van activiteiten;</al></li>
                <li nr="f."><al>
                    <onderstreept>Ondersteuningsbehoevende</onderstreept>:
                                                een persoon die ten gevolge van ziekte of gebrek,
                                                inclusief, een chronisch psychisch probleem of een
                                                psychosociaal probleem aantoonbare beperkingen
                                                ondervindt bij het uitvoeren van activiteiten op het
                                                gebied van het voeren van het huishouden, bij het
                                                normale gebruik van de woning; bij het verplaatsen
                                                in en om de woning, bij het zich lokaal verplaatsen
                                                per vervoermiddel of bij het ontmoeten van
                                                medemensen en het op basis daarvan aangaan van
                                                sociale verbanden;</al></li>
                <li nr="g."><al>
                    <onderstreept>mantelzorger:</onderstreept> een
                                                persoon die mantelzorg, als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/zoeken_op/BWBR0020031/1/Artikel1" struct="INTERNET">artikel 1 onderdeel b van de
                                                  wet</extref>, pleegt;</al></li>
                <li nr="h."><al>
                    <onderstreept>algemene voorziening:</onderstreept>
                                                een voorziening die wordt geleverd op basis van
                                                directe beschikbaarheid, een beperkte
                                                toegangsbeoordeling en die een snelle, regelarme en
                                                adequate oplossing biedt voor de beperkingen die een
                                                persoon ondervindt;</al></li>
                <li nr="i."><al>
                    <onderstreept>individuele
                                                  voorziening:</onderstreept> een voorziening die
                                                individueel wordt aangeboden indien een algemene
                                                voorziening geen adequate oplossing biedt;</al></li>
                <li nr="j."><al>
                    <onderstreept>huishoudelijke
                                                  voorziening:</onderstreept> een voorziening ter
                                                ondersteuning bij of ter overname van activiteiten
                                                op het gebied van het verzorgen van het huishouden
                                                van een persoon dan wel de leefeenheid waartoe een
                                                persoon behoort;</al></li>
                <li nr="k."><al>
                    <onderstreept>rolstoelvoorziening:</onderstreept>
                                                voorziening die de aanvrager in staat stelt zich in
                                                en om de woning te verplaatsen en waarvan het rijden
                                                de primaire functie is;</al></li>
                <li nr="l."><al>
                    <onderstreept>woonvoorziening:</onderstreept>
                                                voorziening, niet zijnde een huishoudelijke
                                                voorziening of een rolstoelvoorziening, die de
                                                aanvrager in staat stelt tot het normale gebruik van
                                                de woning;</al></li>
                <li nr="m."><al>
                    <onderstreept>vervoersvoorziening:</onderstreept>
                                                voorziening die de aanvrager in staat stelt zich
                                                lokaal te verplaatsen per vervoermiddel;</al></li>
                <li nr="n."><al>
                    <onderstreept>algemeen gebruikelijk:</onderstreept>
                                                hetgeen naar in het maatschappelijk verkeer geldende
                                                opvattingen voor personen als de
                                                ondersteuningsbehoevende of mantelzorger als
                                                gangbaar bezit of gangbare uitgaven wordt
                                                aangemerkt;</al></li>
                <li nr="o."><al>
                    <onderstreept>PGB:</onderstreept> persoonsgebonden
                                                budget;een geldbedrag, waarmee de aanvrager een of
                                                meer aan hem te verlenen voorzieningen kan verwerven
                                                en waarop de in deze verordening en het Besluit
                                                maatschappelijke ondersteuning te stellen regels van
                                                toepassing zijn</al></li>
                <li nr="p."><al>
                    <onderstreept>budgethouder:</onderstreept> een
                                                persoon aan wie ingevolge deze verordening een PGB
                                                is toegekend en die aan het college verantwoording
                                                over de besteding van het PGB verschuldigd is. </al></li>
                <li nr="q."><al>
                    <onderstreept>budgetperiode:</onderstreept> periode
                                                waarvoor een PGB wordt verleend;</al></li>
                <li nr="r."><al>
                    <onderstreept>inkomen:</onderstreept> het inkomen
                                                zoals bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/BWBR0020379#HoofdstukIV_Artikel42" struct="INTERNET">artikel 4.2 lid 1 Besluit
                                                  maatschappelijke ondersteuning</extref>;</al></li>
                <li nr="s."><al>
                    <onderstreept>norminkomen:</onderstreept> de normen,
                                                genoemd in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/zoeken_op/BWBR0015703/Hoofdstuk3/32/Artikel20+BWBR0015703/Hoofdstuk3/32/Artikel21+BWBR0015703/Hoofdstuk3/32/Artikel22+BWBR0015703/Hoofdstuk3/32/Artikel23+BWBR0015703/Hoofdstuk3/32/Artikel24" struct="INTERNET">paragraaf 3.2 van de Wet werk en
                                                  bijstand</extref>, omgerekend tot een bedrag per
                                                kalenderjaar, waarbij deze normen voor een
                                                belanghebbende van 21 jaar of ouder doch jonger dan
                                                65 jaar die een alleenstaande of een alleenstaande
                                                ouder is, en die niet in een inrichting verblijft,
                                                eerst zijn verhoogd met de toeslag, genoemd in
                                                  <extref doc="http://wetten.overheid.nl/zoeken_op/BWBR0015703/Hoofdstuk3/33/Artikel25" struct="INTERNET">artikel 25 lid 2 van de Wet werk
                                                  en bijstand</extref>, en de normen van een
                                                alleenstaande of gehuwde, die in een inrichting
                                                verblijft, eerst zijn verhoogd met de bedragen,
                                                genoemd in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/zoeken_op/BWBR0015703/Hoofdstuk3/32/Artikel23" struct="INTERNET">artikel 23 lid 2 van de Wet werk
                                                  en bijstand</extref>;</al></li>
                <li nr="t."><al>
                    <onderstreept>eigen bijdrage:</onderstreept> een bij
                                                de verlening van een voorziening in natura of in de
                                                vorm van een PGB voor rekening van de rechthebbende
                                                komende financiële bijdrage;</al></li>
                <li nr="u."><al>
                    <onderstreept>eigen aandeel:</onderstreept> een bij
                                                de verlening van een financiële tegemoetkoming voor
                                                rekening van de rechthebbende komend aandeel in de
                                                kosten;</al></li>
                <li nr="v."><al>
                    <onderstreept>meerkosten:</onderstreept> kosten van
                                                een mogelijk krachtens de wet te verlenen
                                                voorziening, voorzover dit deel van de kosten
                                                uitgaat boven voor die persoon als algemeen
                                                gebruikelijk te beschouwen kosten van een dergelijke
                                                voorziening;</al></li>
                <li nr="w."><al>
                    <onderstreept>woonplaats</onderstreept>: woonplaats
                                                als bedoeld in<extref doc="http://wetten.overheid.nl/zoeken_op/BWBR0002656/Boek1/Titel3/Artikel10" struct="INTERNET"> artikel 10 lid 1</extref> en
                                                  <extref doc="http://wetten.overheid.nl/zoeken_op/BWBR0002656/Boek1/Titel3/Artikel11" struct="INTERNET">artikel 11 van Boek 1 van het
                                                  Burgerlijk Wetboek</extref>;</al></li>
                <li nr="x."><al>
                    <onderstreept>woning:</onderstreept> een woning,
                                                waaronder tevens wordt verstaan een woonwagen voor
                                                permanente bewoning bestemd en geschikt en waarbij
                                                geen wezenlijke woonfuncties, zoals woon- en
                                                slaapruimte, was- en kookgelegenheid en toilet met
                                                andere woningen worden gedeeld;</al></li>
                <li nr="y."><al>
                    <onderstreept>gemeenschappelijke
                                                  ruimte:</onderstreept> gedeelte(n) van een
                                                woongebouw, niet behorende tot de onderscheiden
                                                woningen, bestemd en noodzakelijk om de woning van
                                                de ondersteuningsbehoevende vanaf de toegang tot de
                                                woning te bereiken;</al></li>
                <li nr="z."><al>
                    <onderstreept>woonwagen:</onderstreept> een voor
                                                bewoning bestemd gebouw dat is geplaatst op een
                                                standplaats en dat in zijn geheel of in delen kan
                                                worden verplaatst;</al></li>
                <li nr="aa."><al>
                    <onderstreept>standplaats:</onderstreept> een kavel
                                                binnen de gemeente Hulst, bestemd voor het plaatsen
                                                van een woonwagen, waarop voorzieningen aanwezig
                                                zijn die op het leidingnet van de openbare
                                                nutsbedrijven, andere instellingen of van gemeenten
                                                kunnen worden aangesloten;</al></li>
                <li nr="ab."><al>
                    <onderstreept>huisgenoot:</onderstreept> iedere
                                                meerderjarige met wie de aanvrager duurzaam
                                                gemeenschappelijk een woning bewoont. </al></li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en
                                        die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis
                                        als in <extref doc="http://http://wetten.overheid.nl/BWBR0020031/" struct="INTERNET">de wet</extref> en de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/BWBR0005537" struct="INTERNET">Awb</extref>.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>1.1.0.2</nr>
              <titel>Eigen verantwoordelijkheid</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Een ondersteuningsbehoevende of mantelzorger wordt geacht
                                        zelf verantwoordelijkheid te nemen om zijn aanspraken op
                                        voorzieningen zoveel als mogelijk te beperken.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Voor groepen van burgers of rechtspersonen met een ideële
                                        doelstelling geldt dat aangetoond moet worden dat de
                                        geleverde en te leveren inspanningen in een aanvaardbare
                                        verhouding staan tot de gevraagde maatschappelijke
                                        ondersteuning.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>De betoonde verantwoordelijkheid moet aantoonbaar het beroep
                                        op voorzieningen in de vorm van individuele of collectieve
                                        verstrekkingen of subsidie beperken.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>1.1.0.3</nr>
              <titel>Beoordeling eigen verantwoordelijkheid</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Bij de beslissing op een aanvraag om maatschappelijke
                                        ondersteuning wordt rekening gehouden met de reeds door de
                                        aanvrager geleverde inspanningen en gerealiseerde beperking
                                        van het beroep op maatschappelijke ondersteuning.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>De mate waarin door een groep van burgers of rechtspersonen
                                        met een ideële doelstelling maatregelen zijn genomen om het
                                        beroep op maatschappelijke middelen te beperken, wordt
                                        afgemeten aan de per verzoek of samenhangende verzoeken te
                                        beoordelen draagkracht die de aanvrager heeft. Hierbij zijn
                                        van belang de psychische, sociale, fysieke en financiële
                                        draagkracht van de betrokkenen en hun sociale omgeving en de
                                        maatschappelijke betekenis van de geleverde inspanning in
                                        relatie tot de verzochte maatschappelijke
                                        ondersteuning.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>1.1.0.4</nr>
              <titel>Primaat algemene voorzieningen</titel>
            </kop>
            <al>Algemene voorzieningen in de vorm van algemene huishoudelijke
                                    voorzieningen, algemene woonvoorzieningen en algemene
                                    vervoersvoorzieningen. Algemene rolstoelvoorzieningen zijn
                                    voorliggende voorzieningen op individuele voorzieningen, voor
                                    zover deze snel en adequaat beschikbaar zijn en een voldoende
                                    oplossing bieden voor de ondersteuningsbehoevende.</al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>2</nr>
            <titel>Het verkrijgen van een voorziening</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>1.2.0.1</nr>
              <titel>Aanvraagprocedure</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Een aanvraag voor een voorziening dient te worden ingediend
                                        door middel van een door het college beschikbaar gesteld
                                        formulier.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>De aanvrager dient desgevraagd een identiteitsbewijs te
                                        overleggen als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/BWBR0006297#HoofdstukI_Artikel1" struct="INTERNET">artikel 1, eerste lid, onder 1° tot en
                                            met 3°, van de Wet op de
                                        identificatieplicht</extref>.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>1.2.0.2</nr>
              <titel>Indienen aanvraag </titel>
            </kop>
            <al>De aanvraag dient te worden ingediend bij de afdeling Sociale
                                    Zaken en Werkgelegenheid (SZW) bij welke afdeling zowel
                                    aanvragen voor voorzieningen inzake de wet alsook
                                        aanvragenzorg inzake de Algemene Wet
                                    Bijzondere Ziektekosten kunnen worden ingediend.De afdeling SZW
                                    kan in de toekomst vervangen worden door het op te richten
                                    Zorgloket.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>1.2.0.3</nr>
              <titel>Samenhangende afstemming</titel>
            </kop>
            <al>Om de verkrijging van individuele voorzieningen samenhangend af
                                    te stemmen op de situatie van de ondersteuningsbehoevende en/of
                                    mantelzorger laat het college onderzoek verrichten naar de
                                    situatie van de ondersteuningsbehoevende en mantelzorger.</al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Afdeling</label>
            <nr>II</nr>
            <titel>Welzijnssubsidies</titel>
          </kop>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>1</nr>
            <titel>Subsidies voor algemene welzijnsvoorzieningen</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>2.1.0.1</nr>
              <titel>Welzijnssubsidies</titel>
            </kop>
            <al>Ten behoeve van het realiseren van algemene
                                    welzijnsvoorzieningen zoals deze vallen onder de Wet
                                    Maatschappelijke ondersteuning zijn subsidies mogelijk voor
                                    organisaties die in deze voorzieningen voorzien.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>2.1.0.2</nr>
              <titel>Regelgeving welzijnssubsidies</titel>
            </kop>
            <al>De regelgeving omtrent het verkrijgen van subsidies voor
                                    algemene welzijnsvoorzieningen is separaat vastgelegd in de
                                    ‘Algemene Subsidieverordening gemeente Hulst 2005’, de
                                    Beleidsregels subsidieverstrekking gemeente Hulst 2005 en de
                                    Lijst subsidieplafonds en grondslagen.Voor aanvragen van
                                    subsidies voor algemene welzijnsvoorzieningen dient men zich te
                                    wenden tot de afdeling Welzijn, Onderwijs en Bevolking.</al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Afdeling</label>
            <nr>III</nr>
            <titel>Individuele voorzieningen</titel>
          </kop>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>1</nr>
            <titel> Individuele voorzieningen</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>3.1.0.1</nr>
              <titel>Beperkingen en weigeringsgronden</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Een voorziening kan slechts worden toegekend indien:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al> de aanvrager een verstandelijke of lichamelijke
                                                beperking, een chronisch psychisch probleem of een
                                                psychosociaal probleem heeft, waardoor hij niet in
                                                aanvaardbare mate in staat is, dan wel indien de
                                                aanvrager mantelzorg pleegt waarbij hij niet in
                                                aanvaardbare mate in staat is om:</al><lijst>
                    <li nr="1°"><al> een huishouden te voeren;</al></li>
                    <li nr="2°"><al> zich te verplaatsen in en om de woning;</al></li>
                    <li nr="3°"><al> zich lokaal te verplaatsen per
                                                  vervoermiddel;</al></li>
                    <li nr="4°"><al> medemensen te ontmoeten en op basis daarvan
                                                  sociale contacten aan te gaan;</al></li>
                  </lijst></li>
                <li nr="b."><al> de voorziening langdurig noodzakelijk is;</al></li>
                <li nr="c."><al> de voorziening, objectief bezien, als de
                                                goedkoopste adequate voorziening kan worden
                                                aangemerkt; bij spoedeisende gevallen, dient
                                                hiervoor alsnog een indicatie door een deskundige
                                                aan ten grondslag liggen.</al></li>
                <li nr="d."><al> de ondersteuningsbehoevende in de gemeente Hulst
                                                woonplaats heeft;</al></li>
                <li nr="e."><al> de mantelzorger in de gemeente Hulst woonplaats
                                                heeft. </al></li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Het college weigert een voorziening:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al> indien niet is voldaan aan de voorwaarden of
                                                verplichtingen gesteld bij of krachtens de wet;</al></li>
                <li nr="b."><al>voor zover met betrekking tot de problematiek die in
                                                het gegeven geval aanleiding geeft voor de noodzaak
                                                tot ondersteuning een voorziening als bedoeld in
                                                  <extref doc="http://wetten.overheid.nl/zoeken_op/BWBR0020031/1/Artikel2" struct="INTERNET">artikel 2 van de wet</extref> of
                                                een verbintenis uit de wet bestaat dan wel waarop op
                                                grond van een privaatrechtelijke overeenkomst
                                                aanspraak bestaat;</al></li>
                <li nr="c."><al>voor zover de voorziening algemeen gebruikelijk
                                                is;</al></li>
                <li nr="d."><al>indien een voorziening als waarop de aanvraag
                                                betrekking heeft reeds eerder krachtens de WVG of
                                                krachtens de wet is verleend en de normale
                                                afschrijvingsduur voor die voorziening nog niet is
                                                verstreken, tenzij de eerder verleende voorziening
                                                geheel of gedeeltelijk verloren is gegaan als gevolg
                                                van omstandigheden die niet aan de aanvrager zijn
                                                toe te rekenen;</al></li>
                <li nr="e."><al> indien een voorziening niet noodzakelijk is vanwege
                                                redelijkerwijs van de ondersteuningsbehoevende of
                                                mantelzorger zelf of van anderen in diens omgeving,
                                                zoals familieleden of huisgenoten, te vergen
                                                medewerking aan oplossing voor het zich voordoende
                                                probleem.</al></li>
                <li nr="f."><al> voor zover er aan de zijde van de aanvrager geen
                                                sprake is van aantoonbare meerkosten in vergelijking
                                                met de situatie voorafgaand aan het optreden van de
                                                beperkingen waarvoor de voorziening wordt
                                                aangevraagd;</al></li>
                <li nr="g."><al> indien, zo het gaat om een financiële
                                                tegemoetkoming of een PGB, in de financiering van
                                                het niet door de financiële tegemoetkoming of het
                                                PGB bestreken deel van de kosten niet is
                                                voorzien;</al></li>
                <li nr="h."><al>indien de aanvraag een financiële tegemoetkoming in,
                                                of een PGB voor kosten betreft die de
                                                ondersteuningsbehoevende of mantelzorger voor de
                                                datum van het besluit naar aanleiding van die
                                                aanvraag heeft gemaakt, tenzij het college
                                                schriftelijk toestemming heeft verleend voor het
                                                maken van de kosten.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Een PGB of een financiële tegemoetkoming kan slechts worden
                                        verleend indien de aanvrager zich, zo op grond van deze
                                        verordening eerder een PGB of een financiële tegemoetkoming
                                        is verleend, gehouden heeft aan bij de verlening van dat
                                        eerdere PGB of financiële tegemoetkoming opgelegde
                                        verplichtingen.</al>
            </lid>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>2</nr>
            <titel> Vorm van de voorziening</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>3.2.0.1</nr>
              <titel>Keuzevrijheid</titel>
            </kop>
            <al>Een individuele voorziening kan verstrekt worden in natura, als
                                    financiële tegemoetkoming en als persoonsgebonden budget.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>3.2.0.2</nr>
              <titel>Voorziening in natura </titel>
            </kop>
            <al>Bij verstrekking van een voorziening in natura is het bepaalde
                                    in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Hulst van
                                    toepassing. Daarnaast is de bruikleenovereenkomst,
                                    huurovereenkomst of dienstverleningsovereenkomst tussen de
                                    leverancier en de aanvrager van toepassing.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>3.2.0.3</nr>
              <titel>Financiële tegemoetkoming</titel>
            </kop>
            <al>Bij verstrekking van een financiële tegemoetkoming zijn de
                                    toepasselijke voorwaarden zoals genoemd in het Besluit
                                    maatschappelijke ondersteuning gemeente Hulst van
                                    toepassing.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>3.2.0.4</nr>
              <titel> Persoonsgebonden budget</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Op het PGB zoals genoemd in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/zoeken_op/BWBR0020031/2/Artikel6" struct="INTERNET">artikel 6 van de wet</extref>, zijn de
                                        volgende voorwaarden van toepassing:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al> een PGB wordt alleen verstrekt ten aanzien van
                                                individuele voorzieningen;</al></li>
                <li nr="b."><al>de individuele voorziening die de aanvrager inkoopt,
                                                is een adequate voorziening en kwalitatief
                                                verantwoord;</al></li>
                <li nr="c."><al> een PGB wordt uitsluitend gebruikt voor de betaling
                                                van de verstrekte individuele voorziening en de
                                                daarmee noodzakelijk verbonden kosten;</al></li>
                <li nr="d."><al>een PGB wordt verleend voor een periode die aanvangt
                                                op de dag waarop het recht op een PGB is ontstaan,
                                                voor zover deze dag niet ligt voor de dag waarop het
                                                PGB is aangevraagd; </al></li>
                <li nr="e."><al> de omvang van het PGB is de tegenwaarde van de in
                                                de betreffende situatie goedkoopst adequate te
                                                verstrekken voorziening in natura, indien nodig
                                                aangevuld met een vergoeding voor
                                                instandhoudingkosten, zoals vastgelegd in het
                                                Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente
                                                Hulst;</al></li>
                <li nr="f."><al> de wijze waarop het PGB wordt vastgesteld wordt
                                                door het college vastgelegd in het Besluit
                                                maatschappelijke ondersteuning gemeente Hulst;</al></li>
                <li nr="g."><al>op het PGB is de Overeenkomst persoonsgebonden
                                                budget gemeente Hulst van toepassing.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>De toekenning van het te verstrekken PGB, de omvang en de
                                        looptijd ervan worden bij beschikking vastgesteld.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Bij de beschikking wordt een program van eisen verstrekt
                                        waarin aangegeven is aan welke vereisten de met het
                                        persoonsgebonden budget te verwerven voorziening dient te
                                        voldoen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4.</lidnr>
              <al>Na verzending van de beschikking wordt het persoonsgebonden
                                        budget ter beschikking gesteld overeenkomstig het bepaalde
                                        in het Besluit nadere regels.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>5.</lidnr>
              <al>De aanvrager deelt onverwijld uit eigen beweging of op
                                        verzoek van het college alle feiten en omstandigheden mee
                                        waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van
                                        invloed kunnen zijn op de verlening van het PGB.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>6.</lidnr>
              <al>Het college gaat steekproefsgewijs na of het verstrekte
                                        persoonsgebonden budget besteed is aan het doel waarvoor het
                                        verstrekt is. De budgethouder is verplicht de daarvoor
                                        noodzakelijke stukken, zoals genoemd in het Besluit
                                        maatschappelijke ondersteuning gemeente Hulst, gedurende 5
                                        jaar te bewaren en op verzoek van het college per omgaande
                                        te verstrekken.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>7.</lidnr>
              <al>Na ontvangst van de in het vorige lid bedoelde bescheiden
                                        wordt door het college beoordeeld of er aanleiding bestaat
                                        het persoonsgebonden budget geheel of ten dele terug te
                                        vorderen of te verrekenen.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>3.2.0.5</nr>
              <titel>Eigen bijdragen en eigen aandeel</titel>
            </kop>
            <al>Bij het verstrekken van individuele voorzieningen op grond van
                                    de wet is de aanvrager een eigen bijdrage verschuldigd of wordt
                                    de financiële tegemoetkoming afgestemd op het inkomen. Het
                                    college legt in het Besluit maatschappelijke ondersteuning
                                    gemeente Hulst de omvang van de eigen bijdrage en het eigen
                                    aandeel vast.</al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>3</nr>
            <titel>Huishoudelijke voorzieningen</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>3.3.0.1</nr>
              <titel>Kring rechthebbenden</titel>
            </kop>
            <al/>
            <al>Een huishoudelijke voorziening kan worden verleend aan:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al> een ondersteuningsbehoevende; en</al></li>
              <li nr="b."><al> een mantelzorger.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>3.3.0.2</nr>
              <titel>Vorm huishoudelijke voorziening</titel>
            </kop>
            <al>De huishoudelijke voorziening wordt, met inachtneming van het
                                    bepaalde in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/zoeken_op/BWBR0020031/2/Artikel6" struct="INTERNET">artikel 6 van de wet</extref>, in natura
                                    of in de vorm van een PGB verleend.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>3.3.0.3</nr>
              <titel>Omvang van de hulp bij het
                                        huishouden</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>De omvang van de hulp bij het huishouden wordt uitgedrukt in
                                        klassen, waarbij de volgende klassen met de daarbij
                                        behorende uren kunnen worden toegekend:</al>
              <al>Klasse 1: van 0 tot en met 1,9 uur per week;</al>
              <al>Klasse 2: van 2 tot en met 3,9 uur per week;</al>
              <al>Klasse 3: van 4 tot en met 6,9 uur per week;</al>
              <al>Klasse 4: van 7 tot en met 9,9 uur per week;</al>
              <al>Klasse 5: van 10 tot en met 12,9 uur per week;</al>
              <al>Klasse 6: van 13 tot en met 15,9 uur per week. </al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>De bedragen die per klasse in de vorm van een
                                        persoonsgebonden budget worden verstrekt, worden jaarlijks
                                        door het college vastgesteld en vastgelegd in het Besluit
                                        maatschappelijke ondersteuning gemeente Hulst</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>3.3.0.4</nr>
              <titel>Geen langdurige noodzaak</titel>
            </kop>
            <al>In afwijking van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/zoeken_op/BWBR0020031/1/Artikel1" struct="INTERNET">artikel 1.2 lid 1 onderdeel b</extref> kan
                                    het college een huishoudelijke voorziening verstrekken, indien
                                    er geen langdurige noodzaak is.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>3.3.0.5</nr>
              <titel>Beperkingen</titel>
            </kop>
            <al>Het college weigert een huishoudelijke voorziening:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al> voor zover de voorziening betrekking heeft op een hoger
                                            niveau dan het niveau van voorzieningen in de sociale
                                            woningbouw;</al></li>
              <li nr="b."><al> indien de aanvraag betrekking heeft op hotels/pensions,
                                            trekkerswoonwagens, vakantiewoningen, kamers en tweede
                                            woningen;</al></li>
              <li nr="c."><al> indien de ondersteuningsbehoevende of mantelzorger
                                            verblijft in een AWBZ-instelling.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>4</nr>
            <titel> Woonvoorzieningen</titel>
          </kop>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>1</nr>
              <titel>Algemeen</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>3.4.1.1</nr>
                <titel>Typen woonvoorziening</titel>
              </kop>
              <al>De door het college te verlenen woonvoorziening kan bestaan
                                    uit:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al> een voorziening voor verhuizing en inrichting;</al></li>
                <li nr="b."><al> een voorziening van bouwkundige of woontechnische aard
                                            in of aan een woning;</al></li>
                <li nr="c."><al> een voorziening van niet-bouwkundige en niet -
                                            woontechnische aard in of aan een woning;</al></li>
                <li nr="d."><al> een voorziening voor onderhoud, keuring en reparatie
                                            van een liftinstallatie in een woning;</al></li>
                <li nr="e."><al>een voorziening voor tijdelijke huisvesting; </al></li>
                <li nr="f."><al>
                     een voorziening voor huurderving. </al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>3.4.1.2</nr>
                <titel>Kring rechthebbenden</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Een voorziening genoemd in artikel 3.4.1.1. kan slechts
                                        worden verleend ten behoeve van een ondersteuningsbehoevende
                                        en wordt, behoudens het bepaalde in lid 2 en de artikelen
                                        3.4.8 lid 2, 3.4.11 lid 2 en 3.4.13, verleend aan de
                                        ondersteuningsbehoevende.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Indien de ondersteuningsbehoevende niet de eigenaar is van
                                        de woning wordt een voorziening genoemd in artikel 3.4.1
                                        onderdeel b, in afwijking van lid 1 en artikel 3.1.0.1 lid 1
                                        onderdeel a, verleend aan de eigenaar van de woning waarin
                                        de ondersteunings- behoevende verblijft.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>3.4.1.3</nr>
                <titel>Vorm woonvoorziening</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>De voorzieningen genoemd in artikel 3.4.1.1. onderdeel a, b,
                                        e en f worden in de vorm van een financiële tegemoetkoming
                                        verleend.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>De voorzieningen genoemd in artikel 3.4.1.1 onderdeel c en d
                                        worden, met inachtneming van het bepaalde in artikel 6 van
                                        de wet, in natura of in de vorm van een PGB verleend.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>3.4.1.4</nr>
                <titel> Gereedmelding, vaststelling en uitbetaling</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Terstond na voltooiing van de werkzaamheden in het kader van
                                        een voorziening genoemd in artikel 3.4.1.1 onder b, maar
                                        uiterlijk binnen vijftien maanden na het verlenen van deze
                                        voorziening, verklaart de woningeigenaar aan het college dat
                                        de bedoelde werkzaamheden zijn voltooid.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>De gereedmelding als bedoeld in lid 1 gaat vergezeld van een
                                        verklaring dat bij het treffen van de voorzieningen is
                                        voldaan aan de voorwaarden waaronder de voorziening is
                                        verleend en is tevens een verzoek om vaststelling en
                                        uitbetaling van de voorziening.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>De woningeigenaar dient gedurende een periode van vijf jaar
                                        alle rekeningen en betalingsbewijzen met betrekking tot de
                                        werkzaamheden ter controle beschikbaar te houden.</al>
                <al/>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>3.4.1.5</nr>
                <titel>Afschrijving van woningaanpassingen</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>De woningeigenaar die een voorziening genoemd in artikel
                                        3.4.1.1 onderdeel b heeft ontvangen van meer dan het bedrag
                                        genoemd in het besluit maatschappelijke ondersteuning
                                        gemeente Hulst en die binnen een periode van 10 jaar na de
                                        datum van gereedmelding van de werkzaamheden de woning
                                        verkoopt, is gehouden de gemeente een deel van de
                                        voorziening terug te betalen.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>De hoogte van het terug te betalen bedrag als bedoeld in lid
                                        1 is gelijk aan het bedrag van de voorziening na aftrek van
                                        het bedrag genoemd in het besluit maatschappelijke
                                        ondersteuning gemeente Hulst, verminderd met 10 procent per
                                        jaar.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>Lid 1 is niet van toepassing indien de woning wordt verkocht
                                        aan de ondersteuningsbehoevende ten behoeve van wie de
                                        voorziening is verleend of een andere
                                        ondersteuningsbehoevende aan wie op grond van deze
                                        verordeningeen vergelijkbare voorziening zou zijn
                                        toegekend.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>4.</lidnr>
                <al>De woningeigenaar als bedoeld in lid 1 is verplicht om
                                        binnen een maand na het passeren van de akte het college
                                        hiervan schriftelijk op de hoogte te stellen.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>3.4.1.6</nr>
                <titel>Beperkingen en weigeringsgronden </titel>
              </kop>
              <al>Het college weigert een voorziening genoemd in artikel
                                    3.4.1.1:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al> indien de beperking of het probleem voortvloeit uit de
                                            aard van de in de woning gebruikte materialen;</al></li>
                <li nr="b."><al>voor zover de voorziening betrekking heeft op een hoger
                                            niveau dan het niveau van voorzieningen in de sociale
                                            woningbouw;</al></li>
                <li nr="c."><al> indien er geen rechtstreeks oorzakelijk verband bestaat
                                            tussen de beperking of het probleem en een of meer
                                            bouwkundige of woontechnische kenmerken van woning;</al></li>
                <li nr="d."><al> indien de beperking of het probleem niet in de woning
                                            zelf (waartoe ook de toegankelijkheid van de woning
                                            wordt begrepen) worden ondervonden;</al></li>
                <li nr="e."><al> indien de aanvraag verband houdt met een verhuizing en
                                            de ondersteuningsbehoevende verhuist vanuit een woning
                                            waarin en waaromheen hij in staat is zich te
                                            verplaatsen, tenzij er een belangrijke reden voor de
                                            verhuizing bestaat;</al></li>
                <li nr="f."><al> indien de aanvraag verband houdt met een verhuizing en
                                            deze verhuizing dan wel de acceptatie van de nieuwe
                                            woning heeft plaatsgevonden voordat het college een
                                            besluit heeft genomen naar aanleiding van de aanvraag,
                                            tenzij het college schriftelijk toestemming heeft
                                            verleend voor die verhuizing of die acceptatie;</al></li>
                <li nr="g."><al> indien de aanvraag verband houdt met een verhuizing en
                                            de ondersteuningsbehoevende niet verhuist naar de voor
                                            hem op dat moment beschikbare meest geschikte woning,
                                            tenzij het college schriftelijk toestemming heeft
                                            verleend voor de verhuizing;</al></li>
                <li nr="h."><al> indien de aanvraag verband houdt met een verhuizing en
                                            de ondersteuningsbehoevende verhuist vanuit en naar een
                                            woning verhuist die niet geschikt is om het hele jaar
                                            door bewoond te worden;</al></li>
                <li nr="i."><al>indien de aanvraag verband houdt met een verhuizing en
                                            de ondersteuningsbehoevende verhuist naar een
                                            AWBZ-instelling;</al></li>
                <li nr="j."><al>indien de aanvraag betrekking heeft op een
                                            AWBZ-instelling, hotels/pensions, kamers,
                                            trekkerswoonwagens, vakantiewoningen en tweede
                                            woningen.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>2</nr>
              <titel> Het recht op een woonvoorziening</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>3.4.2.1</nr>
                <titel>Rangorde</titel>
              </kop>
              <al>De verlening van de voorziening genoemd in artikel 3.4.1.1
                                    onderdeel a, zonodig in combinatie met andere in artikel 3.4.1.1
                                    genoemde voorzieningen, heeft voorrang indien deze voorziening
                                    of deze combinatie de goedkoopste adequate oplossing is.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>3.4.2.2</nr>
                <titel>Bezoekbaar maken woning</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>In afwijking van artikel 3.4.1.2 lid 1 en, ingeval de
                                        ondersteuningsbehoevende verblijft in een AWBZ - instelling
                                        buiten de gemeente, in afwijking van artikel 1.1.0.2 lid 1
                                        onderdeel d, kan het college de eigenaar van een in de
                                        gemeente Hulst staande woning een voorziening genoemd in
                                        artikel 3.4.1.1 onderdeel b verlenen indien het noodzakelijk
                                        is dat een ondersteuningsbehoevende, die verblijft in een
                                        AWBZ - instelling, de woonkamer en een toilet van die woning
                                        kan bereiken en gebruiken en indien de voorziening hiervoor
                                        noodzakelijk is.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>De voorziening genoemd in lid 1 kan het bedrag zoals genoemd
                                        in het besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Hulst
                                        niet te boven gaan. </al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>3.4.2.3</nr>
                <titel>Voorwaarden bij bewoning woonwagen</titel>
              </kop>
              <al>Indien de aanvrager een woonwagen bewoont, kan het college een
                                    voorziening genoemd in artikel 3.4.1.1 slechts verlenen,
                                    indien:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al> de technische levensduur van de woonwagen nog minimaal
                                            vijf jaar is;</al></li>
                <li nr="b."><al> de standplaats niet binnen vijf jaar voor opheffing in
                                            aanmerking komt.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>3.4.2.4</nr>
                <titel>Voorziening voor verhuizing en inrichting</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Het college kan een voorziening genoemd in artikel 3.4.1.1
                                        onderdeel a verlenen aan een rechthebbende.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>In afwijking van artikel 3.1.0.1 lid 1 onderdeel a en
                                        artikel 3.4.2.1, kan het college een voorziening genoemd in
                                        artikel 3.4.1.1 onderdeel a verlenen aan een persoon, die op
                                        verzoek van de gemeente, ten behoeve van een
                                        ondersteuningsbehoevende de woning ontruimt.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>De hoogte van het bedrag van een voorziening voor verhuizing
                                        en inrichting is vastgelegd in het Besluit maatschappelijke
                                        ondersteuning gemeente Hulst.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>3.4.2.5</nr>
                <titel>Voorziening voor tijdelijke huisvesting </titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Het college kan voor de duur van maximaal 26 werkbare weken
                                        een voorziening genoemd in artikel 3.4.1.1. onderdeel e
                                        verlenen indien:</al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>een ondersteuningsbehoevende in verband met
                                                aanpassing van zijn huidige of een nog te betrekken
                                                woning heeft voorzien in noodzakelijke tijdelijke
                                                huisvesting; </al><al>en</al></li>
                  <li nr="b."><al>de kosten voor deze huisvesting noodzakelijk
                                                zijn.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>De voorziening genoemd in artikel 3.4.1.1 onderdeel e per
                                        maand kan het bedrag genoemd in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/BWBR0008659#Hoofdstuk2_3_Artikel13" struct="INTERNET">artikel 13 lid 1 onderdeel a van de
                                            Wet op de huurtoeslag</extref> niet te boven gaan.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>3.4.2.6</nr>
                <titel>Voorziening voor huurderving</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>In afwijking van artikel 3.1.0.1 lid 1 onderdeel a en
                                        artikel 3.4.1.2 lid 1, kan het college voor de duur van
                                        maximaal zes maanden een voorziening genoemd in artikel 4.1
                                        onderdeel f verlenen aan de eigenaar van een woning teneinde
                                        deze woning ter beschikking of opnieuw ter beschikking van
                                        een ondersteuningsbehoevende te laten komen.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Het college kan geen voorziening genoemd in artikel 3.4.1.1
                                        onderdeel f verlenen over de eerste maand van
                                        huurderving.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>De voorziening genoemd in artikel 3.4.1.1. onderdeel f per
                                        maand kan het bedrag genoemd in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/BWBR0008659#Hoofdstuk2_3_Artikel13" struct="INTERNET">artikel 13 lid 1 onderdeel a van de
                                            Wet op de huurtoeslag</extref> niet te boven gaan.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>3.4.2.7</nr>
                <titel>Onderhoud, keuring en reparatie</titel>
              </kop>
              <al>Het college verleent slechts een voorziening als genoemd in
                                    artikel 3.4.1.1. onderdeel d indien de liftinstallatie in het
                                    kader van de WVG dan wel de Regeling Geldelijke Steun
                                    Huisvesting Gehandicapten of de Beschikking Geldelijke Steun
                                    Huisvesting Gehandicapten is verleend.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>3.4.2.8</nr>
                <titel>Gemeenschappelijke ruimte</titel>
              </kop>
              <al>In afwijking van artikel 3.4.1.1. kan het college een
                                    voorziening van bouwkundige of woontechnische aard in of aan een
                                    gemeenschappelijke ruimte verlenen voor zover het gaat om
                                    automatische deuropeners, hellingbanen en extra
                                    trapleuningen.</al>
            </artikel>
          </paragraaf>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>5</nr>
            <titel>Rolstoelvoorzieningen</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>3.5.0.1</nr>
              <titel>Typen rolstoelvoorziening</titel>
            </kop>
            <al/>
            <al>De door het college te verlenen rolstoelvoorziening kan bestaan
                                    uit:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>een rolstoel voor verplaatsing binnen, dan wel voor
                                            verplaatsing binnen en buiten de woonruimte, dan wel een
                                            aanpassing daaraan;</al></li>
              <li nr="b."><al> onderhoud en reparatie;</al></li>
              <li nr="c."><al> accessoires;</al></li>
              <li nr="d."><al> een training voor het gebruik van een elektrische
                                            rolstoel;</al></li>
              <li nr="e."><al> een sportrolstoel voor recreatieve
                                            sportbeoefening.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>3.5.0.2</nr>
              <titel>Kring rechthebbenden</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>De voorzieningen genoemd in artikel 3.5.0.1 onderdeel a,
                                        onderdeel b en onderdeel c kunnen worden verleend aan een
                                        ondersteuningsbehoevende wiens beperking of probleem
                                        dagelijks liggend of zittend verplaatsen in en om de woning
                                        noodzakelijk maakt en voorzieningen op grond van andere
                                        wettelijke regelingen een onvoldoende oplossing bieden.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Een voorziening genoemd in artikel 3.5.0.1 onderdeel d kan
                                        worden verleend aan een persoon die onvoldoende in staat is
                                        aan het verkeer deel te nemen met een op grond van deze
                                        verordening verleende elektrische rolstoel.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Een voorziening genoemd in artikel 3.5.0.1 onderdeel e kan
                                        worden verleend aan een persoon die zonder sportrolstoel
                                        niet in staat is tot sportbeoefening.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>3.5.0.3</nr>
              <titel> Vorm rolstoelvoorzieningen</titel>
            </kop>
            <al>De voorzieningen genoemd in artikel 3.5.0.1 wordt, met
                                    inachtneming van het bepaalde in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/zoeken_op/BWBR0020031/2/Artikel6" struct="INTERNET">artikel 6 van de wet</extref>, in natura
                                    of in de vorm van een PGB verleend.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>3.5.0.4</nr>
              <titel>Beperkingen</titel>
            </kop>
            <al>Het college weigert een voorziening indien de
                                    ondersteuningsbehoevende verblijft in een AWBZ-instelling.</al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>6</nr>
            <titel/>
          </kop>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>1</nr>
              <titel>Algemeen</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>3.6.1.1</nr>
                <titel>Typen vervoersvoorziening</titel>
              </kop>
              <al/>
              <al>De door het college te verlenen vervoersvoorziening kan bestaan
                                    uit:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al> een collectief systeem van aanvullend vervoer;</al></li>
                <li nr="b."><al> vervoer per taxi; </al></li>
                <li nr="c."><al> vervoer per rolstoeltaxi;</al></li>
                <li nr="d."><al> een aanpassing van een eigen auto;</al></li>
                <li nr="e."><al> een al dan niet aangepaste (bruikleen)auto;</al></li>
                <li nr="f."><al> een al dan niet aangepaste gesloten buitenwagen;</al></li>
                <li nr="g."><al> een scootmobiel;</al></li>
                <li nr="h."><al> een training voor het gebruik van een scootmobiel of
                                            een gesloten buitenwagen;</al></li>
                <li nr="i."><al> een ander vervoermiddel dan de vervoermiddelen genoemd
                                            in de onderdelen f, g en h;</al></li>
                <li nr="j."><al> medische- en/of sociale begeleiding tijdens het
                                            vervoer;</al></li>
                <li nr="k."><al>onderhoud en reparatie van voorzieningen als genoemd
                                            onder f, g, h en j;</al></li>
                <li nr="l."><al> een tegemoetkoming voor gebruik van eigen auto.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>3.6.1.2</nr>
                <titel>Kring rechthebbenden</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>De voorzieningen genoemd in artikel 3.6.1.1. kunnen worden
                                        verleend aan een ondersteuningsbehoevende die door zijn
                                        beperking of probleem niet in staat is om in zijn directe
                                        woon- en leefomgeving in aanvaardbare mate sociale contacten
                                        te onderhouden en deel te nemen aan het leven van
                                        alledag.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>De voorzieningen genoemd in artikel 3.6.1.1. kunnen, in
                                        afwijking van lid 1 in artikel 3.1.0.1. lid 1 onderdeel a
                                        sub 3, worden verleend aan een ondersteuningsbehoevende die
                                        bij gebreke van de mogelijkheid om bezoeken buiten de
                                        directe woon- en leefomgeving af te leggen in een staat van
                                        sociaal isolement of vervreemding geraakt.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>3.6.1.3</nr>
                <titel> Vorm vervoersvoorziening</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>De voorziening genoemd in artikel 3.6.1.1. onderdeel a en k
                                        wordt met inachtneming van het bepaalde in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/zoeken_op/BWBR0020031/2/Artikel6" struct="INTERNET">artikel 6 van de wet</extref> in
                                        natura verleend.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al> De voorziening genoemd in artikel 3.6.1.1. onderdeel d en l
                                        wordt in de vorm van een financiële tegemoetkoming
                                        verleend.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>4.</lidnr>
                <al>De voorzieningen genoemd in artikel 3.6.1.1. onderdelen e en
                                        f worden, met inachtneming van het bepaalde in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/zoeken_op/BWBR0020031/2/Artikel6" struct="INTERNET">artikel 6 van de wet</extref>, in
                                        natura of in de vorm van een financiële tegemoetkoming
                                        verleend.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>5.</lidnr>
                <al>De voorzieningen genoemd in artikel 3.6.1.1. onderdelen b,
                                        c, g, h, i, en k worden, met inachtneming van het bepaalde
                                        in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/zoeken_op/BWBR0020031/2/Artikel6" struct="INTERNET">artikel 6 van de wet</extref>, in
                                        natura of in de vorm van een PGB verleend.</al>
              </lid>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>2</nr>
              <titel> Het recht op een vervoersvoorziening</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>3.6.2.1</nr>
                <titel>Het recht op een vervoersvoorziening</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>De verlening van de voorziening genoemd in artikel 3.6.1.1.
                                        onderdeel a, zonodig in combinatie met andere in artikel
                                        3.6.1.1. genoemde voorzieningen, heeft voorrang (primaat)
                                        indien deze voorziening of deze combinatie de goedkoopste
                                        adequate oplossing is.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Een rechthebbende kan eerst dan voor een voorziening genoemd
                                        in artikel 3.6.1.1. onderdeel h in aanmerking worden
                                        gebracht indien hij slechts honderd meter kan lopen en hij
                                        niet in staat is gebruik te maken van een al dan niet
                                        speciaal uitgevoerde fiets. </al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>Bij de verlening van de voorzieningen genoemd in artikel
                                        3.6.1.1. onderdelen b tot en met i kan rekening worden
                                        gehouden met:</al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al> de individuele vervoersbehoefte van de
                                                ondersteuningsbehoevende;</al></li>
                  <li nr="b."><al> de mate waarin de voorziening genoemd in artikel
                                                3.6.1.1. onderdeel a in de individuele
                                                vervoersbehoefte kan voorzien; en</al></li>
                  <li nr="c."><al> de mate waarin de vervoersbehoeften van echtgenoten
                                                samenvallen.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>4.</lidnr>
                <al>Bij een inkomen boven 1,5 maal het norminkomen worden de
                                        voorzieningen genoemd in artikel 3.6.1.1. onderdeel a, b, c,
                                        e, j en l niet verleend, tenzij de eigen aandeel-regeling
                                        vervoer van toepassing is.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>5.</lidnr>
                <al>Een ondersteuningsbehoevende wordt voor een voorziening
                                        genoemd in artikel 3.6.1.1., onderdeel h in aanmerking
                                        gebracht tenzij hij voldoende in staat is met deze
                                        voorziening op verantwoorde manier aan het verkeer deel te
                                        nemen.</al>
              </lid>
            </artikel>
          </paragraaf>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>(Afdeling</label>
            <nr>IV</nr>
            <titel>Cliëntenparticipatie: vervallen)</titel>
          </kop>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Afdeling</label>
            <nr>V</nr>
            <titel>Slot- en overgangsbepalingen</titel>
          </kop>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>1</nr>
            <titel>Verplichtingen en bevoegdheden van rechthebbende en het
                                college</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>5.1.0.1</nr>
              <titel>Inlichtingen, onderzoek, advies</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Het college is bevoegd om, voor zover dit van belang kan
                                        zijn voor de beoordeling van het recht op een voorziening,
                                            <cursief>een groep van burgers of rechtspersonen met een
                                            ideële doelstelling: </cursief></al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al> op te roepen in persoon te verschijnen op een door
                                                het college te bepalen plaats en tijdstip en hem te
                                                ondervragen;</al></li>
                <li nr="b."><al> op een door het college te bepalen plaats en
                                                tijdstip door een of meer daartoe aangewezen
                                                deskundigen te doen ondervragen en/of
                                                onderzoeken.</al><al>(Is in principe ook van toepassing op
                                                subsidieaanvragen!)</al></li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Het college vraagt een daartoe door hem aangewezen
                                        adviesinstantie in voorkomende gevallen om advies.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>De onder lid 2 bedoelde adviesaanvragen kunnen achterwege
                                        blijven als door toepassing van hoogwaardige intake de
                                        kwaliteit van de aanvraag en het onderzoek gewaarborgd is. </al>
              <al>(zie uitgebreide toelichting huidige WVg verordening)</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4.</lidnr>
              <al>Een aanvrager is verplicht aan het college of de door hem
                                        aangewezen adviesinstantie die gegevens te (doen)
                                        verschaffen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van
                                        het recht op een voorziening.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>6.</lidnr>
              <al>Bij de advisering, zoals genoemd in het 2<sup>e</sup> en
                                        3<sup>e</sup> lid, voor wat betreft voorzieningen als
                                        bedoeld in afdeling 3, wordt gebruik gemaakt van de
                                        systematiek zoals neergelegd in de International
                                        Classification of Functions, Disabilities and Impairments,
                                        de zogenaamde ICF classificatie.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>5.1.0.2</nr>
              <titel>Wijzigingen in de situatie</titel>
            </kop>
            <al>Degene aan wie krachtens deze verordening een voorziening is
                                    verleend, is verplicht aan het college mededeling te doen van
                                    feiten en omstandigheden, waarvan redelijkerwijs duidelijk moet
                                    zijn dat deze van invloed kunnen zijn op het recht op een
                                    voorziening.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>5.1.0.3</nr>
              <titel>Heronderzoek</titel>
            </kop>
            <al>Het college is bevoegd regelmatig een heronderzoek te verrichten
                                    naar de voor de voortzetting van het recht op een voorziening
                                    van belang zijnde gegevens.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>5.1.0.4</nr>
              <titel>Intrekking en beëindiging</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Het college trekt een besluit genomen op grond van de wet en
                                        deze verordening geheel of gedeeltelijk in, indien:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al> niet of niet langer is voldaan aan de voorwaarden
                                                of verplichtingen gesteld bij of krachtens de
                                                wet;</al></li>
                <li nr="b."><al> op grond van gegevens beschikt is en gebleken is
                                                dat de gegevens zodanig onjuist waren dat, waren de
                                                juiste gegevens bekend geweest, een andere
                                                beslissing zou zijn genomen, terwijl de
                                                belanghebbende wist of redelijkerwijs had kunnen
                                                weten dat bedoelde gegevens onjuist waren.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al> Een besluit tot verlening van een financiële tegemoetkoming
                                        of een persoonsgebonden budget kan worden ingetrokken indien
                                        blijkt dat de tegemoetkoming of het budget binnen zes
                                        maanden na uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging
                                        van het middel waarvoor de verlening heeft
                                        plaatsgevonden.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Onverminderd de gronden voor intrekking genoemd in het
                                        eerste lid, wordt de beschikking tot verlening van een PGB
                                        ingetrokken of gewijzigd met ingang van de dag vanaf welke
                                        de budgethouder schriftelijk heeft aangegeven geen prijs
                                        meer te stellen op het budget.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4.</lidnr>
              <al>Bij overlijden van de rechthebbende eindigt de voorziening
                                        zoals bedoeld in afdeling 3, op de dag gelegen na de dag
                                        waarop de rechthebbende overlijdt.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>5.</lidnr>
              <al>De beschikking tot verlening van een PGB kan worden
                                        ingetrokken of gewijzigd met ingang van de dag waarop de
                                        aanvrager de in artikel 2.2.4 genoemde verplichtingen niet
                                        nakomt.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>5.1.0.5</nr>
              <titel>Terugvordering</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Het college vordert de op grond van deze verordening
                                        verleende voorziening in ieder geval terug indien hij het
                                        besluit, waarbij deze voorziening is toegekend, met
                                        toepassing van artikel 5.1.0.4 heeft ingetrokken en
                                        voorzover na de datum van het besluit tot toekenning van de
                                        voorziening nog geen vijf jaren zijn verstreken.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Alle ingevolge deze verordening terug te vorderen bedragen
                                        kunnen worden verhoogd met de wettelijke rente.</al>
            </lid>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>2</nr>
            <titel>Procedure en slotbepalingen</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>5.2.0.1</nr>
              <titel>Overgangsbepalingen </titel>
            </kop>
            <al>De rechten en verplichtingen die gelden op het tijdstip van de
                                    inwerkingtreding van de WMO met Betrekking tot voorzieningen
                                    waarvoor op grond van de Wvg een toekenningsbesluit is afgegeven
                                    voor de in werkingtreding van de WMO, blijven gelden gedurende
                                    de resterende looptijd van het besluit, maar ten hoogste een
                                    jaar na de inwerkingtreding van de wet.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>5.2.0.2</nr>
              <titel>Afwijken van bepalingen/hardheidsclausule</titel>
            </kop>
            <al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de
                                    ondersteuningsbehoevende, mantelzorger of de woningeigenaar
                                    afwijken van hetgeen bij of krachtens deze verordening
                                    isbepaald, indien strikte toepassing daarvan tot onbillijkheden
                                    van overwegende aard leidt.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>5.2.0.3</nr>
              <titel> Beslissing college in gevallen waarin de verordening
                                        niet voorziet</titel>
            </kop>
            <al>In gevallen, de uitvoering van de Wmo betreffende, waarin deze
                                    verordening niet voorziet, beslist het college.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>5.2.0.4</nr>
              <titel>Indexering</titel>
            </kop>
            <al>Het college kan jaarlijks per 1 januari de in het kader van
                                    afdeling 3 van deze verordening en het op deze verordening
                                    berustende Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Hulst
                                    geldende bedragen verhogen of verlagen conform de ontwikkelingen
                                    van de consumentenprijsindex voor alle huishoudens van het
                                    Centraal Bureau voor de Statistiek.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>5.2.0.5</nr>
              <titel> Periodieke evaluatie gemeentelijk beleid en bijstelling
                                        verordening</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Het gevoerde beleid wordt ten minste eenmaal per 4 jaar
                                        geëvalueerd. Indien deze evaluatie daar aanleiding toe
                                        geeft, wordt de verordening aangepast.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Het college zendt na afloop van iedere evaluatie een verslag
                                        aan de gemeenteraad over de doeltreffendheid en de
                                        effectiviteit van de verordening in de praktijk.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>5.2.0.6</nr>
              <titel>Inwerkingtreding</titel>
            </kop>
            <al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari
                                    2007. </al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>5.2.0.7</nr>
              <titel>Citeertitel</titel>
            </kop>
            <al>Deze verordening wordt aangehaald als Verordening Wet
                                    maatschappelijke ondersteuning gemeente Hulst 2007.</al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
      </regeling-tekst>
      <regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering>
        
        <ondertekening>Hulst, 21 september 2006.</ondertekening>
        <ondertekening/>
        <ondertekening>DE RAAD VOORNOEMD,</ondertekening>
        <ondertekening/>
        <ondertekening>De griffier, De voorzitter,</ondertekening>
        <ondertekening/>
      </regeling-sluiting>
      <nota-toelichting>
        <kop>
          <label>Toelichting op de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning</label>
        </kop>
        <al>
          <vet>Artikel 1.1.0.1 - Begripsbepalingen</vet>
        </al>
        <al>1.</al>
        <al>Ad b.</al>
        <al/>
        <al>Deze bepaling spreekt voor zich; zie ook de in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/BWBR0020031#13_Artikel43" struct="INTERNET">artikel 43 van de Wet maatschappelijke ondersteuning</extref> opgenomen
                    citeertitel van de wet.</al>
        <al/>
        <al>Ad b.</al>
        <al/>
        <al>Het compensatiebeginsel is via het amendement-Miltenburg c.s. (30 131, nr. 65)
                    aan het wetsvoorstel toegevoegd. In het amendement is geen begripsomschrijving
                    van dit begrip opgenomen. Gevolg hiervan is dat er in de wet een
                    begripsomschrijving van het cruciale begrip compensatiebeginsel ontbreekt.
                    Daarom staat de begripsomschrijving van het compensatiebeginsel in de
                    verordening. Voor de begripsomschrijving is gebruik gemaakt van het briefadvies
                    van de Raad voor de Volksgezondheid en de Zorg, de ‘uitvinder’ van het
                    compensatiebeginsel. Voor wat betreft de gelijkwaardige uitgangspositie is
                    gebruik gemaakt van de toelichting op het amendement, evenals voor wat betreft
                    de termen zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie. Het onderdeel
                    “aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek” is afkomstig uit artikel
                    1, lid 1, onder a. van de Wvg.</al>
        <al/>
        <al>Ad c.</al>
        <al/>
        <al>De term “beperkingen” is ontleend aan de ICF, de International Classification of
                    Functioning, Disability, and Health, opgesteld door de Wereld
                    Gezondheidsorganisatie (World Health Organisation, onderdeel van de Verenigde
                    Naties). Het onder de toelichting op onderdeel 1.2 van dit artikel genoemde
                    amendement-Miltenburg stelt over de ICF: “Voor de gemeentelijke
                    uitvoeringspraktijk biedt de International Classification of Functions,
                    Disabilities and Impairments (ICF classificatie) een uniform begrippenkader dat
                    als grondslag kan dienen om de behoefte aan voorzieningen in individuele
                    gevallen vast te stellen.”</al>
        <al/>
        <al>Ad e.</al>
        <al/>
        <al>De begripsomschrijving van het begrip “persoon met beperkingen” is afgeleid van
                    de begripsomschrijving van “beperkingen” en van de verschillende terreinen
                    waarvoor op grond van de wet voorzieningen kunnen worden verstrekt. Daarnaast is
                    vanuit de Wet voorzieningen gehandicapten het onderdeel “aantoonbare beperkingen
                    ten gevolge van ziekte of gebrek” toegevoegd. Mede in verband met de begrenzing
                    van de doelgroep zal immers een objectief criterium nodig zijn. Hierdoor blijft
                    jurisprudentie op grond van de Wet voorzieningen gehandicapten ten aanzien van
                    dit onderdeel op dit begrip van toepassing. </al>
        <al/>
        <al>Ad.g</al>
        <al/>
        <al>Voorziening in natura: een voorziening die in eigendom, in bruikleen, in huur of
                    in de vorm van een persoonlijke dienstverlening wordt verstrekt.</al>
        <al/>
        <al>Ad h.</al>
        <al/>
        <al>Het gaat hier om direct of uit voorraad beschikbare voorzieningen, die met een
                    minimum aan bureaucratie kunnen worden verstrekt. Daarbij valt te denken aan een
                    scala van reeds bestaande of nog te ontwikkelen voorzieningen: collectief
                    vervoer, scootermobielpools, algemene woonvoorzieningen als klussendiensten en
                    voorzieningendepots, rolstoelpools en vrijwilligersdiensten. De
                    verstrekkingsprocedure is eenvoudiger dan bij individuele voorzieningen: een
                    beperkte toegangsbeoordeling, geen formele beslissing (beschikking) en geen
                    eigen bijdragen. In de regel gaat het om eenvoudige en veel voorkomende
                    voorzieningen die bedoeld zijn voor incidenteel of kortdurend gebruik. Kenmerk
                    van algemene voorzieningen is tenslotte dat zij altijd in natura verstrekt
                    worden en nooit als financiële tegemoetkoming of persoonsgebonden budget. Op
                    verzoek zal er aan de aanvrager wel een beschikking kunnen worden afgegeven,
                    zodat rechtsbescherming gewaarborgd is.</al>
        <al/>
        <al>Ad i</al>
        <al/>
        <al>Algemene voorzieningen hebben in het kader van deze verordening voorrang op
                    individuele voorzieningen. Waar mogelijk zal eerst een algemene voorziening
                    worden aangeboden, waar nodig zal een individuele voorziening worden verstrekt.
                    Hoe de keuze zal worden gemaakt tussen beide categorieën voorzieningen hangt
                    uiteraard helemaal af van de individuele situatie van de aanvrager. Door het
                    college vast te stellen beleidsregels zullen afwegingscriteria geven, verder zal
                    een op de individuele situatie afgestemd medisch advies vaak van groot belang
                    zijn. De algemene voorzieningen, nu nog genoemd in de vorm van een primaat,
                    kunnen uitgroeien tot voorliggende voorzieningen en op den duur uit deze
                    verordening verdwijnen, wanneer zij zodanig functioneren dat zij gerekend kunnen
                    worden tot de groep voorzieningen als maaltijdvoorzieningen en
                    personenalarmering.</al>
        <al/>
        <al>Ad k.</al>
        <al/>
        <al>Naturavoorzieningen zijn voorzieningen die niet in de vorm van enigerlei
                    financiële tegemoetkoming worden verstrekt. Daarbij kan worden gedacht aan
                    verstrekking in huur, in bruikleen, in eigendom of in de vorm van
                    dienstverlening.</al>
        <al/>
        <al>Ad o</al>
        <al/>
        <al>Persoonsgebonden budget: een geldbedrag dat de aanvrager onder door het college
                    bepaalde voorwaarden mag besteden aan een compenserende voorziening naar zijn
                    keuze. Nadere uitwerking omtrent de relatie tussen diverse compenserende
                    voorzieningen en daarbij behorende persoonsgebonden budgetten vindt plaats in
                    het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Hulst</al>
        <al/>
        <al>Ad n.</al>
        <al/>
        <al>Evenals onder de Wet voorzieningen gehandicapten het geval was, is het ook onder
                    de Wet maatschappelijke ondersteuning niet de bedoeling dat de gemeentelijke
                    overheid voorzieningen verstrekt, waarover de aanvrager, gezien zijn individuele
                    situatie, ook zonder zijn handicap of beperking, zou kunnen beschikken. Deze
                    voorzieningen worden als algemeen gebruikelijk beschouwd. Wat in een concrete
                    situatie als algemeen gebruikelijk te beschouwen is, hangt af van de geldende
                    maatschappelijke normen van het moment van de aanvraag. Het begrip “algemeen
                    gebruikelijk” is geconcretiseerd in de jurisprudentie van de Centrale Raad van
                    Beroep. Het begrip heeft vaak voor verwarring gezorgd, omdat algemeen
                    gebruikelijke voorzieningen soms wel specifiek voor een handicap worden
                    aangeschaft, maar vanwege hun algemeen gebruikelijke karakter toch niet vergoed
                    worden. Om duidelijk te maken wat in de wet verstaan wordt onder dit begrip is
                    de begripsomschrijving vanuit de jurisprudentie in de verordening opgenomen. Het
                    gaat daarbij om voorzieningen:</al>
        <lijst>
          <li nr="-"><al>die in de reguliere handel verkrijgbaar zijn;</al></li>
          <li nr="-"><al>die niet speciaal voor gehandicapten bedoeld zijn;</al></li>
          <li nr="-"><al>die niet aanzienlijk duurder zijn dan vergelijkbare producten met
                            hetzelfde doel.</al></li>
        </lijst>
        <al/>
        <al>Het begrip “algemeen gebruikelijk” moet overigens niet worden verward met
                    “gebruikelijke zorg”, zoals dat onder de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten is
                    geformuleerd in beleidsregels. Het begrip “gebruikelijke zorg” komt onder de Wet
                    maatschappelijke ondersteuning terug, zie hieronder, onder p. </al>
        <al/>
        <al>Ad o</al>
        <al/>
        <al>Persoonsgebonden budget: een geldbedrag dat de aanvrager onder door het college
                    bepaalde voorwaarden mag besteden aan een compenserende voorziening naar zijn
                    keuze. Nadere uitwerking omtrent de relatie tussen diverse compenserende
                    voorzieningen en daarbij behorende persoonsgebonden budgetten vindt plaats in
                    het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Hulst</al>
        <al/>
        <al>Ad t</al>
        <al/>
        <al>De bevoegdheid voor het vragen van een eigen bijdrage of eigen aandeel in de
                    kosten van een voorziening vloeit voort uit <extref doc="http://wetten.overheid.nl/zoeken_op/BWBR0020031/4/Artikel15" struct="INTERNET">artikel 15 lid 1 van de wet</extref>. Deze kan op het
                    inkomen worden afgestemd, zij het dat daarvoor op basis van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/zoeken_op/BWBR0020031/4/Artikel15" struct="INTERNET">artikel 15 lid 3 van de wet</extref> bij Algemene
                    Maatregel van Bestuur nadere regels kunnen worden gesteld. Van deze bevoegdheid
                    is gebruik gemaakt door middel van het vaststellen van het Besluit
                    maatschappelijke ondersteuning (citeertitel en publicatiedatum AMvB vermelden).
                    In dit Besluit wordt bepaald wat de ruimte is die gemeentebesturen hebben voor
                    het vaststellen van eigen bijdragen, als ze daartoe willen overgaan.</al>
        <al/>
        <al>Ad p</al>
        <al/>
        <al>De invoering van het persoonsgebonden budget maakt het opnemen van het begrip
                    “budgethouder” noodzakelijk. De budgethouder is de persoon die de beschikking
                    krijgt over het budget en over de besteding daarvan ook verantwoording af dient
                    te leggen.</al>
        <al/>
        <al>Ad t en u</al>
        <al/>
        <al>De bevoegdheid voor het vragen van een eigen bijdrage of eigen aandeel in de
                    kosten van een voorziening vloeit voort uit <extref doc="http://wetten.overheid.nl/zoeken_op/BWBR0020031/4/Artikel15" struct="INTERNET">artikel 15 lid 1 van de wet.</extref> Deze kan op het
                    inkomen worden afgestemd, zij het dat daarvoor op basis van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/zoeken_op/BWBR0020031/4/Artikel15" struct="INTERNET">artikel 15 lid 3 van de wet</extref> bij Algemene
                    Maatregel van Bestuur nadere regels kunnen worden gesteld. Van deze bevoegdheid
                    is gebruik gemaakt door middel van het vaststellen van het Besluit
                    maatschappelijke ondersteuning (citeertitel en publicatiedatum AMvB vermelden).
                    In dit Besluit wordt bepaald wat de ruimte is die gemeentebesturen hebben voor
                    het vaststellen van eigen bijdragen, als ze daartoe willen overgaan.</al>
        <al/>
        <al>Ad v.</al>
        <al/>
        <al>Het begrip “meerkosten” hangt nauw samen met het begrip “algemeen gebruikelijk”;
                    deze twee begrippen zijn elkaars tegenhangers. De meerkosten zijn de kosten, die
                    in een direct oorzakelijk verband staan met het compenseren van de ondervonden
                    beperking of het psychosociaal probleem, zoals die zijn genoemd in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/zoeken_op/BWBR0020031/1/Artikel1" struct="INTERNET">artikel 1, lid 1, onder g. achtste volzin van de
                        wet</extref>. Een met de persoon als de aanvrager vergelijkbaar persoon
                    zonder die beperking of dat psychosociale probleem heeft deze meerkosten per
                    definitie niet, omdat daarvoor in diens situatie geen noodzaak is. Mede op de
                    bestrijding van deze meerkosten, dus de kosten die voor een persoon als de
                    aanvrager niet algemeen gebruikelijk zijn, is de wet gericht.</al>
        <al/>
        <al>Ad. x</al>
        <al/>
        <al>De begripsomschrijving van het begrip “ mantelzorger” is ontleend aan de
                    begripsomschrijving van “mantelzorg” in de wet (<extref doc="http://wetten.overheid.nl/zoeken_op/BWBR0020031/1/Artikel1" struct="INTERNET">artikel 1, lid 1 onder b, van de wet</extref>). </al>
        <al/>
        <al>Ad. ab</al>
        <al/>
        <al>Het uitgangspunt van de begripsomschrijving “huisgenoot” ligt in het Protocol
                    Gebruikelijke zorg, zoals tot aan de invoering van de wet door het Centrum
                    Indicatiestelling Zorg werd toegepast als verzameling beleidsregels voor de
                    AWBZ-indicatiestelling voor huishoudelijke zorg. Het is op enkele punten
                    aangepast om te voorkomen dat problemen die in de AWBZ met dit begrip speelden
                    ook naar de wet overgaan. Zo is in plaats van ‘volwassenen’ de term
                    ‘meerderjarigen’ opgenomen en is het begrip ‘gemeenschappelijke huishouding
                    voeren’ vervangen door het begrip ‘gemeenschappelijk een woning bewonen’.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Artikel 3.1.0.1 - Beperkingen en weigeringsgronden</vet>
        </al>
        <al>b.</al>
        <al>Deze definitie is in zijn kern ontleend aan de Modelverordening Wet
                    voorzieningen gehandicapten en aan de wet aangepast. Wat langdurig noodzakelijk
                    is, is afhankelijk van de concrete situatie. Het kan, in tijd uitgedrukt, gaan
                    om twee maanden, bijvoorbeeld bij mensen die in een terminaal ziektestadium
                    verkeren. Het kan ook gaan om veertig jaar, in situaties waarin de beperking
                    bijvoorbeeld aangeboren is en stabiel van aard is. Kenmerk is in beide genoemde
                    situaties dat de ondervonden beperking, naar de stand van de medische wetenschap
                    op het moment van de aanvraag, onomkeerbaar is. Er is dus redelijkerwijs geen
                    verbetering te verwachten in de situatie van de aanvrager. In dit kader zal de
                    prognose van groot belang zijn. Zegt de prognose dat de betrokkene na enige tijd
                    zonder de benodigde hulpmiddelen of aanpassingen zal kunnen functioneren, dan
                    mag men van kortdurende noodzaak uitgaan. Bij een wisselend beeld, waarbij
                    verbetering in de toestand periodes van terugval opvolgen, kan echter uitgegaan
                    worden van een langdurige noodzaak. De medisch adviseur speelt bij het antwoord
                    op de vraag of er al dan niet sprake is van een langdurige noodzaak voor de
                    betreffende voorziening een belangrijke rol. Voor langere tijd betekent in ieder
                    geval dat wie tijdelijke beperkingen heeft, bijvoorbeeld door een ongeluk,
                    terwijl vast staat dat de handicap van voorbijgaande aard is, niet voor een
                    voorziening in het kader van deze verordening in aanmerking komt. Betrokkene kan
                    een beroep doen op de hulpmiddelendepots van de Thuiszorgorganisaties die
                    opgezet zijn in het kader van de AWBZ. Uit deze depots kan men twee maal drie
                    maanden een hulpmiddel gratis lenen, welke periode kan worden verlengd, zij het
                    dat dan huur is verschuldigd. Waar precies de grens ligt tussen kortdurend en
                    langdurig ligt zal van situatie tot situatie verschillen. </al>
        <al/>
        <al>Een uitzondering op de regel dat de aangevraagde voorziening langdurig
                    noodzakelijk moet zijn, wordt gevormd door situaties waarin voor een afzienbare
                    periode hulp bij het huishouden nodig is, bijvoorbeeld bij ontslag uit het
                    ziekenhuis na een opname of bij een ontregeld huishouden. </al>
        <al/>
        <al>Ad c.:</al>
        <al/>
        <al>Voorzieningen die in het kader van deze verordening worden verstrekt dienen naar
                    objectieve maatstaven gemeten zowel adequaat als de meest goedkope voorziening
                    te zijn. Met nadruk wordt hierbij gesteld dat met het begrip adequaat bedoeld
                    wordt: volgens objectieve maatstaven nog toereikend. Hoewel datgene wat de
                    aanvrager als adequaat beschouwt mee zal moeten wegen in de beoordeling van het
                    adequaat zijn van de voorziening, zal ook het criterium van het goedkoop zijn,
                    de kosten van de voorziening, een rol spelen bij de uiteindelijke beoordeling
                    van het al dan niet adequaat zijn van een voorziening. Het gaat immers om
                    gemeenschapsgeld. Eigenschappen die kostenverhogend werken zonder dat zij de
                    voorziening meer adequaat maken, zullen in principe niet voor vergoeding in
                    aanmerking komen. Daarbij kan een overweging zijn dat de bruikbaarheid van een
                    voorziening niet alleen door technische en functionele aspecten bepaald wordt.
                    Tevens is het denkbaar dat een product dat duurder is dan een vergelijkbaar
                    product, langer meegaat en dus uiteindelijk goedkoper is. Wat betreft het
                    kwaliteitsniveau waarvan uitgegaan kan worden, moge het duidelijk zijn dat bij
                    een verantwoord, maar ook niet meer dan dat, niveau dient te worden aangesloten.
                    Het is uiteraard wel mogelijk een adequate voorziening te verstrekken die
                    duurder is dan de goedkoopst adequate voorziening, mits de aanvrager bereid is
                    het prijsverschil uit eigen middelen te betalen. Het begrip goedkoopst adequaat
                    geeft het college mogelijkheden tot sturen binnen het beleid. </al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Artikel 3.2.0.1 - Keuzevrijheid.</vet>
        </al>
        <al>De in artikel 3.2.0.1.van de wet genoemde verplichting om bij een aanspraak op
                    een individuele voorzieningen de keuze te bieden tussen een persoonsgebonden
                    budget en een naturaverstrekking, is niet absoluut. Er kunnen overwegende
                    bezwaren bestaan om niet over te gaan tot verstrekking van een persoonsgebonden
                    budget. Het college kan regels stellen om af te wegen in welke gevallen er
                    sprake is van bezwaren van overwegende aard, die reden zijn om geen
                    persoonsgebonden budget te verstrekken.</al>
        <al>Naast deze keuzevrijheid bestaat er nog een tweede vorm van keuzevrijheid:
                    namelijk de vrijheid om bij voorzieningen in natura te kiezen uit meerdere
                    aanbieders. Deze keuzevrijheid wordt niet in deze verordening, maar in het
                    Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Hulst uitgewerkt.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Artikel 3.2.0.2 - Voorziening in natura</vet>
        </al>
        <al>Het doel van deze bepaling is het vastleggen van de rechten en plichten van het
                    college en de aanvrager. Deze bepaling ziet op de situatie waarin het college
                    een derde inschakelt voor verstrekking van naturavoorzieningen en deze derde
                    eigenaar blijft van de te verstrekken voorziening of wanneer het college een
                    derde inschakelt voor het verlenen van zorg.</al>
        <al>Als een voorziening in eigendom wordt verstrekt is er uiteraard niet een
                    dergelijke overeenkomst nodig.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Artikel 3.2.0.3 - Financiële tegemoetkoming.</vet>
        </al>
        <al>Om te waarborgen dat de verstrekte financiële tegemoetkoming wordt besteed aan
                    een noodzakelijke voorziening, en niet aan zaken die los staan van de doelen die
                    met de wet worden beoogd, kunnen bij beschikking voorwaarden worden verbonden
                    aan de verstrekking van een tegemoetkoming op grond van de wet. </al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Artikel 3.2.0.4 - Persoonsgebonden budget.</vet>
        </al>
        <al>Het persoonsgebonden budget dient gezien te worden als een manier waarop een
                    toegekende voorziening wordt verstrekt. De onder lid 1, onder a., van dit
                    artikel genoemde bepaling spreekt dan ook voor zich en sluit aan op de bepaling
                    in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/zoeken_op/BWBR0020031/2/Artikel6" struct="INTERNET">artikel 6 van de wet</extref>. Hierin is vastgelegd dat
                    alleen bij toekenning van individuele voorzieningen in beginsel de keuze voor
                    een persoonsgebonden budget moet worden geboden. Algemene voorzieningen vallen
                    niet onder deze eis.</al>
        <al>Onder b. is bepaald dat de hoogte van het persoonsgebonden budget is gekoppeld
                    aan de tegenwaarde van de in de te verstrekken goedkoopst adequate voorziening.
                    Er moet immers een referentiebedrag zijn, waarop het persoonsgebonden budget kan
                    worden gebaseerd. “Goedkoopst adequaat” is een objectief vaststelbaar
                    referentiepunt. Voorts kan een aanvullend bedrag worden vastgesteld voor de
                    instandhoudingskosten van de voorziening. Voor de diverse soorten voorzieningen
                    zal een nadere regeling moeten worden gegeven in het Besluit maatschappelijke
                    ondersteuning gemeente Hulst, dat door het college moet worden vastgesteld. Lid
                    1, onder c. bepaalt dat het college de omvang van een persoonsgebonden budget
                    bepaalt. Het zal immers gaan om een veelheid van verschillende persoonsgebonden
                    budgetten voor verschillende voorzieningen. Daarbij zullen, ter bevordering van
                    de rechtsgelijkheid, eenduidige richtlijnen noodzakelijk zijn. Invulling van
                    deze richtlijnen vindt plaats in het Besluit maatschappelijke ondersteuning
                    gemeente Hulst en de beleidsregels. Verder is onder d. , bepaald dat er, om
                    misverstanden zoveel mogelijk te voorkomen, een overeenkomst wordt getekend
                    omtrent de voorwaarden waaronder het persoonsgebonden budget wordt verstrekt. </al>
        <al/>
        <al>Lid 2 bepaalt dat in elk geval de belangrijkste aspecten van het
                    persoonsgebonden budget in de toekenningsbeschikking worden vastgelegd. Het gaat
                    om de omvang ervan (de hoogte van het budget), maar het kan ook gaan om de
                    periode waarover het wordt toegekend. Het spreekt voor zich dat dergelijke
                    beschikkingen uiterst zorgvuldig worden geformuleerd.</al>
        <al/>
        <al>In lid 3 is neergelegd de algemene eis dat er een program van eisen wordt
                    vastgesteld, waarin wordt aangegeven aan welke eisen de met het persoonsgebonden
                    budget te verwerven voorziening moet voldoen. Het program van eisen is dus een
                    belangrijk document; als niet aan het program van eisen wordt voldaan kan dat
                    gevolgen hebben voor de afrekening van het toegekende budget. </al>
        <al/>
        <al>Lid 4 van artikel 3.2.0.4. regelt tenslotte de feitelijke betaling van het
                    persoonsgebonden budget. Over de wijze waarop de betaling plaatsvindt kunnen
                    door het college nadere regels worden gesteld. Gedacht kan worden aan betaling
                    in termijnen, bijvoorbeeld bij hulp bij de huishouding of in situaties waarin er
                    twijfels zijn over het budgetbeheer. Zo kunnen financiële risico’s voor de
                    gemeente worden beperkt en worden aanvragers minder snel geconfronteerd met hoge
                    terugvorderingsbedragen.</al>
        <al/>
        <al>De gemeente is zelf verantwoordelijk voor de rechtmatige en doelmatige besteding
                    van gelden op grond van de wet, en heeft ook zelf de bevoegdheid om vast te
                    stellen in hoeverre er wordt gecontroleerd of aanvragers hun persoonsgebonden
                    budgets besteden conform de toekenningsvoorwaarden. Het is dus aan de raad en
                    het college om te bepalen hoe die controle plaatsvindt en daarbij de afweging te
                    maken tussen volledige controle en steekproefsgewijze controle.</al>
        <al>In deze optie is de steekproefgewijze controle opgenomen, waarbij een bepaald
                    gedeelte van de toegekende persoongebonden budgetten wordt gecontroleerd via het
                    opvragen van gegevens bij de budgethouders. </al>
        <al>Mocht uit de controle blijken dat er aanleiding is het toegekende
                    persoonsgebonden budget van de budgethouder terug te vorderen, dan dient de in
                    hoofdstuk 7 genoemde procedure te worden gevolgd. </al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Artikel 3.2.0.5 - Eigen bijdragen en eigen aandeel.</vet>
        </al>
        <al>
          <extref doc="http://wetten.overheid.nl/zoeken_op/BWBR0020031/4/Artikel15" struct="INTERNET">Artikel 15 van de wet</extref> biedt de mogelijkheid bij
                    verstrekking van voorzieningen in natura of een persoonsgebonden budget eigen
                    bijdragen te vragen. <extref doc="http://wetten.overheid.nl/zoeken_op/BWBR0020031/5/Artikel19" struct="INTERNET">Artikel 19 van de wet</extref> biedt de mogelijkheid de
                    hoogte van financiële tegemoetkomingen af te stemmen op het inkomen van degene
                    aan wie maatschappelijke ondersteuning wordt verleend: het zogeheten eigen
                    aandeel. In dit artikel stelt de raad vast van deze mogelijkheid gebruik te
                    maken, zoals opgedragen in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/zoeken_op/BWBR0020031/4/Artikel15" struct="INTERNET">artikel 15 lid 1 van de wet</extref>. Bovendien wordt
                    bepaald dat de wijze waarop dit wordt uitgevoerd door het college in het Besluit
                    maatschappelijke ondersteuning wordt vastgelegd. De Raad heeft hierbij ingevolge
                    de Algemene Maatregel van Bestuur de mogelijkheid binnen de grenzen die de
                    Algemene Maatregel van Bestuur stelt de verschillende bedragen vast te stellen.
                    Deze gewijzigde bedragen kunnen in het Besluit maatschappelijke ondersteuning
                    gemeente Hulst worden opgenomen.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Artikel 3.3.0.2 - Vormen van hulp bij het huishouden.</vet>
        </al>
        <al>In <extref doc="http://wetten.overheid.nl/zoeken_op/BWBR0020031/2/Artikel4" struct="INTERNET">artikel 4 lid 1 van de wet </extref>wordt het college
                    opgedragen om voorzieningen aan te bieden ter ondersteuning van het voeren van
                    een huishouden. In deze verordening wordt dit onderdeel opgesplitst in twee
                    onderdelen. In hoofdstuk 3 van deze verordening gaat het om de voorziening “hulp
                    bij het huishouden”, in hoofdstuk 4 om “woonvoorzieningen” . Bij het
                    interpreteren van het begrip “voeren van een huishouden” is er van uitgegaan dat
                    een persoon pas behoefte kan hebben aan hulp bij het huishouden indien dat
                    huishouden in een voor hem geschikte woning is gesitueerd. Vandaar dat de onder
                    de Wet voorzieningen gehandicapten bestaande woonvoorzieningen onder dit begrip
                    zijn gebracht. </al>
        <al>Onder de AWBZ werd gesproken van de functie huishoudelijke verzorging. Om aan te
                    geven dat onder de Wmo sprake is van een eigen begrip wordt in deze verordening
                    het begrip ‘hulp bij het huishouden’ geïntroduceerd.</al>
        <al>Hulp bij het huishouden kan in drie vormen als voorziening worden aangeboden.
                    Onder a. wordt genoemd de algemene voorziening; een snelle en eenvoudige
                    dienstverleningsoplossing zonder veel administratieve rompslomp voor gemeente en
                    aanvrager. Gedacht moet worden aan vormen van direct beschikbare hulp bij het
                    huishouden vanuit bijvoorbeeld een wijksteunpunt, met name voor eenvoudige
                    werkzaamheden, al dan niet op basis van een kortdurende hulpbehoefte. Het is aan
                    een gemeente om te bezien of zij deze vorm van hulp bij het huishouden in hun
                    verstrekkingenpakket wil opnemen. </al>
        <al>Onder b. wordt genoemd de hulp bij het huishouden in natura. Ook hier gaat het
                    om een vorm van persoonlijke dienstverlening, net als bij de onder a. genoemde
                    vorm. Het verschil zit echter in de toekenningsprocedure, die meer op de persoon
                    is afgestemd, en in de regel meer geschikt zal zijn voor de wat grotere en
                    langduriger behoefte aan hulp.</al>
        <al>Onder c. is genoemd het persoonsgebonden budget (pgb) voor hulp bij het
                    huishouden. Met dit pgb moet de aanvrager zelf hulp inhuren.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Artikel 3.3.0.2 - Omvang van de hulp bij het huishouden</vet>
        </al>
        <al>In de AWBZ werd tot de invoering van de wet geïndiceerd in klassen. Klassen zijn
                    te vergelijken met standaardporties. Elke klasse is gekoppeld aan minimaal en
                    een maximaal aantal uren per week binnen een vaste bandbreedte. Indien men
                    bijvoorbeeld een indicatie heeft voor 1,5 uur hulp, wordt men ingedeeld in
                    klasse 1. Mocht de behoefte aan hulp van de aanvrager enigszins stijgen of dalen
                    binnen de bandbreedte van de toegekende klasse, dan hoeft daarvoor niet opnieuw
                    geïndiceerd en beschikt te worden. Voor de gemeente is dat een administratief
                    voordeel, voor aanvragers ook. Materieel kan het voor aanvragers binnen de
                    speelruimte van de klasse echter enigszins negatief of positief uitpakken,
                    afhankelijk van de daadwerkelijk noodzakelijke uren zorg. Als die zorgbehoefte,
                    uitgedrukt in uren, zich onderaan de bandbreedte bevindt, is men voordelig uit;
                    is de behoefte aan uren gelegen vlak onder het plafond van de klasse, is het
                    voordeel minder. Zolang de objectief vastgestelde behoefte echter binnen de
                    bandbreedte blijft, is er sprake van een toereikende voorziening. Voor zover
                    hulp bij de huishouding nodig is die klasse 6 overstijgt is het mogelijk
                    additionele uren aan deze hoogste klasse toe te voegen. In het Besluit
                    maatschappelijke ondersteuning gemeente Hulst wordt door het college jaarlijks
                    het daarbij passende uurbedrag vastgelegd.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Artikel 3.4.1.1 - Soorten individuele woonvoorzieningen.</vet>
        </al>
        <al>De in artikel onder b.c.en d genoemde voorzieningen kunnen bestaan uit:</al>
        <lijst>
          <li nr="a."><al> een tegemoetkoming in de verhuis-en herinrichtingskosten;</al></li>
          <li nr="b."><al> een bouwkundige of woontechnische woonvoorziening;</al></li>
          <li nr="c."><al>een niet-bouwkundige of niet woontechnische woonvoorziening;</al></li>
          <li nr="d."><al> een tegemoetkoming voor de kosten van reparatie, keuring en onderhoud
                            van;</al></li>
          <li nr="e."><al>een tegemoetkoming voor de kosten van tijdelijke huisvesting;</al></li>
          <li nr="f."><al> een tegemoetkoming in verband met huurderving;</al></li>
          <li nr="g."><al> een tegemoetkoming voor het verwijderen van
                                voorzieningen</al></li>
        </lijst>
        <al/>
        <al>
          <vet>Artikel 3.4.1.3 - Vormen van woonvoorzieningen</vet>
        </al>
        <al>De woonvoorziening kan worden verstrekt in vier hoofdvormen:</al>
        <al>Ad a. de algemene woonvoorziening. Hierbij moet worden gedacht aan een
                    mogelijkheid om snel oplossingen voor vaak minder complexe woonproblemen te
                    krijgen. Hierbij moet worden gedacht aan klussendiensten, snel beschikbare
                    voorzieningen uit depot en mogelijk andere, nog te ontwikkelen
                    voorzieningen.</al>
        <al>Ad b. een woonvoorziening in natura. Dergelijke woonvoorzieningen worden niet in
                    de vorm van financiële tegemoetkoming, op individuele basis, worden verstrekt,
                    bijvoorbeeld de losse tillift of een douchestoel. </al>
        <al>Ad c.: het persoonsgebonden budget, bijvoorbeeld een
                    verhuiskostenvergoeding;</al>
        <al>Ad d.: de financiële tegemoetkoming voor woningeigenaren die niet zelf huren en
                    soms ook</al>
        <al>rechtspersoon zijn. Deze financiële tegemoetkoming wordt genoemd in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/zoeken_op/BWBR0020031/2/Artikel7" struct="INTERNET">artikel 7 lid 2 van de wet</extref>.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Artikel 3.4.1.4 - Gereedmelding, vaststelling en uitbetaling</vet>
        </al>
        <lijst>
          <li nr="1."><al>Terstond na voltooiing van de werkzaamheden in het kader van een
                            voorziening genoemd in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/zoeken_op/BWBR0020031/2/Artikel4" struct="INTERNET">artikel 4.1.onder b</extref> , maar uiterlijk
                            binnen 15 maanden na het verlenen van deze voorziening, verklaart de
                            woningeigenaar aan het college dat de bedoelde werkzaamheden zijn
                            voltooid.</al></li>
          <li nr="2."><al>De gereedmelding als bedoeld in lid 1 gaat vergezeld van een verklaring
                            dat bij het treffen van de voorzieningen is voldaan aan de voorwaarden
                            waaronder de voorziening is verleend en is tevens een verzoek om
                            vaststelling en uitbetaling van de voorziening.</al></li>
          <li nr="3."><al>De woningeigenaar dient gedurende een periode van vijf jaar alle
                            rekeningen en betalingsbewijzen met betrekking tot de werkzaamheden ter
                            controle beschikbaar te houden.</al></li>
        </lijst>
        <al/>
        <al>
          <vet>Artikel 3.4.1.5 - Afschrijvingen van woningaanpassingen</vet>
        </al>
        <al>De eigenaar-bewoner, die krachtens deze verordening een woonvoorziening heeft
                    ontvangen die leidt tot waardestijging van de woning, dient bij verkoop van deze
                    woning binnen een periode van 10 jaar na gereedmelding van de voorziening, deze
                    verkoop van de woning onverwijld aan het college te melden. De meerwaarde dient
                    volgens het in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Hulst door
                    het college vastgestelde afschrijvingsschema te worden terugbetaald.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Artikel 3.4.1.6 - Beperkingen en weigeringsgronden</vet>
        </al>
        <al>Om in aanmerking te komen voor woonvoorzieningen moet er een duidelijke
                    samenhang zijn tussen de ondervonden woonproblemen en de beperking die men
                    heeft.</al>
        <al>Aanvragen voor woonvoorzieningen die hun oorzaak vinden in andere factoren dan
                    die beperking, kunnen worden geweigerd op grond van artikel 3.4.1.6</al>
        <al/>
        <al>Onder a. wordt de verhuizing naar een inadequate woning genoemd als
                    weigeringsgrond voor woonvoorzieningen. </al>
        <al>Niet de ondervonden bespreking, maar de verhuizing naar een niet geschikte
                    woning is de voornaamste oorzaak ondervonden problemen<cursief>.</cursief></al>
        <al>Deze bepaling heeft voornamelijk betrekking op situaties waarin men gaat
                    verhuizen zonder specifieke reden, maar gewoon omdat men daar zin in heeft.</al>
        <al>Uitzondering in deze bepaling is de zogeheten”belangrijke reden”.</al>
        <al>Daarbij moet gedacht worden aan een verhuizing vanwege samenwoning, huwelijk of
                    aanvaarden van werk elders.</al>
        <al/>
        <al>Ad.b.</al>
        <al>Als een persoon met beperkingen verhuist, zal deze, in relatie tot die
                    beperkingen, moet zoeken naar een zo geschikt mogelijke woning.</al>
        <al>Het is niet de bedoeling dat men zo maar een ongeschikte woning kiest en
                    vervolgens de rekening voor aanpassingen bij de gemeente indient. Met verhuizen
                    wordt hier overigens niet alleen gedoeld op de feitelijke verhuizing, maar ook
                    op alle onomkeerbare handelingen die normaal gesproken voorafgaan aan een
                    verhuizing, zoals het tekenen van een koop-, huur-en erfpachtcontract, zie ook
                    artikel 19,lid 1 waarin wordt bepaald dat het gaat om een situatie waarin men in
                    de betreffende woning “zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben”.</al>
        <al>Voor de toepassing van de weigeringsgrond geldt dat ook de gemeente ervoor zal
                    moeten zorgen zicht te hebben op de aangepaste of makkelijk aan te passen
                    woningvoorraad, nietalleen sociale huurwoningen, maar ook in de vrije
                    sector en zonodig het koopwoningenbestand.</al>
        <al/>
        <al>Daarnaast zal de gemeente haar burgers moeten informeren over de gang van zaken
                    bij dit soort verhuizingen.</al>
        <al>Alleen dan kan worden gemotiveerd dat iemand al dan niet is verhuisd naar de
                    voor zijn situatie meest geschikte woning.</al>
        <al/>
        <al>Ad c.</al>
        <al>Op basis van het feit dat voorzieningen op grond van de wet in hoofdzaak zijn
                    gericht op het individu, worden in beginsel geen voorzieningen in
                    gemeenschappelijke ruimten van wooncomplexen verstrekt.</al>
        <al>Evenals onder de Wet voorzieningen gehandicapten gold, zijn er uitzonderingen
                    gemaakt voor de in de verordening genoemde voorzieningen in gemeenschappelijke
                    ruimten. De opsomming is limitatief, dat wil zegen dat er niet meer hoeft te
                    worden verstrekt dan erin de verordening is genoemd.</al>
        <al/>
        <al>Ad e.</al>
        <al>Onder d. wordt met name gedoeld op verhuiskostenvergoedingen; veel verhuizingen
                    zijn algemeen gebruikelijk te beschouwen, ook los van de beperking die men
                    heeft.</al>
        <al>Te denken valt aan verhuizingen van het ouderlijk huis naar een zelfstandige
                    woonruimte, verhuizing van senioren naar een kleinere woning, omdat de
                    eengezinswoning te bewerkelijk is geworden en kinderen reeds zelfstandig
                    wonen.</al>
        <al/>
        <al>Ad k.</al>
        <al>Verhuizingen naar AWBZ-en andere zorginstellingen leiden ertoe dat de aanvrager
                    buiten de doelgroep van de wet valt; deze mensen kunnen immers niet meer
                    zelfstandig</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Artikel 3.4.2.1 - Rangorde</vet>
        </al>
        <al>Al onder de Wet voorzieningen gehandicapten gold de regel dat bij een aanvraag
                    voor een woningaanpassing eerst werd bezien of verhuizing naar en andere woning
                    een oplossing kon bieden. Dit is het zogenaamd primaat van de verhuizing. In
                    feite gaat het om een uitwerking van de regel dat in beginsel wordt gekozen voor
                    de goedkoopst adequate voorziening.</al>
        <al>De mogelijkheid tot het hanteren van het primaat van de verhuizing is onder de
                    Wet voorzieningen gehandicapten in de jurisprudentie erkend, zij het dat wel
                    enkele duidelijke voorwaarden zijn gesteld.</al>
        <al>In de eerste plaats moeten de financiële gevolgen van de verhuizing voor de
                    woonlasten binnen aanvaardbare financiële gevolgen van de verhuizing kan worden
                    gerealiseerd binnen een uit het advies blijkende medisch verantwoorde termijn.
                    Dat houdt dus in dat het college zicht moet hebben op de verantwoorde termijn te
                    kunnen verhuizen naar een geschikte aangepaste of goedkoper aan te passen
                    woning. </al>
        <al>Ook diverse andere relevante aspecten, nader uit te werken in de gemeentelijke
                    beleidsregels, kunnen, afhankelijk van de situatie een rol spelen bij de
                    afweging omtrent het toepassen van het primaat van de verhuizing in een concreet
                    geval.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Artikel 3.4.2.2 - Bezoekbaar maken woning</vet>
        </al>
        <al>In tegenstelling tot de Wet voorzieningen gehandicapten wordt in de wet niet
                    expliciet vermeld dat de gemeentelijke compensatieplicht alleen voor de inwoners
                    van de gemeente.</al>
        <al>
          <extref doc="http://wetten.overheid.nl/zoeken_op/BWBR0020031/2/Artikel11" struct="INTERNET">Artikel 11 van de wet</extref> geeft echter wel een
                    aanwijzing in die richting door vermelding van”ingezetenen”,mede gezien het feit
                    dat er met de wet geen inhoudelijke uitbreiding van de Wet voorzieningen
                    gehandicapten is beoogd.</al>
        <al/>
        <al>In eerste instantie geeft de gemeentelijke basisadministratie uitsluitsel.</al>
        <al>Voor bepaalde gezondheidsinstellingen geldt dat de bewoners een briefadres
                    elders kunnen aanhouden. De gemeente waar de aanvrager van de voorziening
                    daadwerkelijk verblijft, heeft de verplichting tot compensatie van
                    beperkingen.</al>
        <al>Het is noodzakelijk de zinsnede óf zal hebben ’op te nemen voor situaties waarin
                    de aanvrager naar een andere gemeente wil verhuizen en in die gemeente een
                    woning wil laten bouwen of aanpassen voordat deze daadwerkelijk wordt
                        betrokken<cursief>.</cursief></al>
        <al/>
        <al>De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet toepassing op het treffen van
                    voorzieningen aan AWBZ-instellingen, hotels/pensions, trekkerswoonwagens,
                    kloosters, tweede woningen, vakantiewoningen, recreatiewoningen, kamerverhuur en
                    specifiek op op gehandicapten en ouderen gerichte woongebouwen voor wat betreft
                    voorzieningen in gemeen schappelijke ruimten of voorzieningen die bij nieuwbouw
                    of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen kunnen worden.</al>
        <al/>
        <al>Onder bezoekbaar maken wordt uitsluitend verstaan dat de aanvrager de
                    woonruimte, de woonkamer en een toilet kan bereiken.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Artikel 3.5.0.1 - Diverse typen rolstoelvoorzieningen.</vet>
        </al>
        <al>Onder de Wet voorzieningen gehandicapten waren rolstoelen in de wet zelf als
                    aparte categorie voorzieningen opgenomen. In de Wet maatschappelijke
                    ondersteuning is dat niet het geval, maar aangezien met deze wet niet wordt
                    beoogd het beleidsterrein ten opzichte van de voorafgaande Wet voorzieningen
                    gehandicapten te verbreden of te versmallen, wordt de rolstoel gehandhaafd als
                    de enige voorziening waarmee beperkingen bij het verplaatsen in en rond de
                    woning in het kader van de wet gecompenseerd kunnen worden. Een definitie van
                    een rolstoel is niet te geven, daarom wordt hier onder het begrip “rolstoel” een
                    rolstoel begrepen te worden de rolstoel zoals iedereen die kent. Deze rolstoel
                    kan zowel handbewogen als elektrisch aangedreven zijn. Een
                    (elektrische)trippelstoel wordt niet als rolstoel beschouwd en wordt niet op
                    grond van de wet verstrekt. De trippelstoel valt onder de door de Regeling
                    Zorgverzekering te verstrekken voorzieningen. Een rolstoel kan zowel worden
                    gebruikt als een verplaatsingsmiddel voor binnen als voor buiten. Primair doel
                    van de rolstoel is het zittend verplaatsen, omdat lopend verplaatsen, ook met op
                    grond van andere regelingen te verstrekken voorzieningen als looprekken,
                    rollators, wandelstokken en krukken niet of onvoldoende mogelijk is. Kosten van
                    onderhoud en reparatie van de rolstoel vallen eveneens onder de wet.</al>
        <al/>
        <al>Voorzieningen die geen verband houden met het genoemde primaire
                    verstrekkingsdoel, het verplaatsen, omdat ze nodig zijn in verband met
                    therapeutische doeleinden, worden niet op grond van de wet verstrekt. Hierbij
                    valt te denken aan aanpassingen voor het gebruik van zuurstofapparatuur en
                    andere aanpassingen. Bij accessoires gaat het uiteraard alleen om medisch
                    noodzakelijke en niet-algemeen gebruikelijke zaken.</al>
        <al/>
        <al>De sportrolstoel valt in het kader van deze verordening onder het begrip
                    rolstoel. Onder de Wet voorzieningen gehandicapten was de sportrolstoel, meestal
                    verstrekt in de vorm van een forfaitaire financiële tegemoetkoming, een
                    bovenwettelijke voorziening die alleen op basis van de verordening werd
                    verstrekt.</al>
        <al/>
        <al>Bij artikel 27 (optie 1) is gekozen voor de mogelijkheden een rolstoel in de
                    vorm van een algemene voorziening te verstrekken als het gaat om een rolstoel
                    voor incidenteel gebruik. Deze rolstoelen voor incidenteel gebruik hoefden onder
                    de Wet voorzieningen gehandicapten formeel niet te worden verstrekt, hoewel dat
                    in de praktijk wel vaak gebeurde. Deze optie geeft een regeling waarbij wel
                    incidenteel noodzakelijke rolstoelen worden verstrekt, maar dan via een algemene
                    rolstoelvoorziening. </al>
        <al/>
        <al>Dit is geregeld onder a. Het betreft dan situaties waarbij soms een rolstoel
                    nodig is, terwijl het dagelijks verplaatsen in en om de woning zonder rolstoel
                    plaatsvindt. Het recht op een dergelijke rolstoel kan in die situaties ingevuld
                    worden via een rolstoelpool waarop de betrokkene een beroep op kan doen.
                    Hierdoor wordt voorkomen dat een groot aantal rolstoelen weinig frequent wordt
                    gebruikt. De rolstoelen uit de rolstoelpool worden daarentegen wel frequent
                    gebruikt. Uiteraard moet het daadwerkelijk mogelijk zijn een rolstoel uit de
                    pool te lenen. De pool moet dan ook voldoende geschikte rolstoelen op voorraad
                    hebben. Onder b. en c. betreft het de individuele rolstoel voor dagelijks
                    zittend gebruik, terwijl onder d. de sportrolstoel wordt genoemd.</al>
        <al/>
        <al>
          <onderstreept>Incidenteel, dan wel dagelijks rolstoelgebruik en
                        sportrolstoel.</onderstreept>
        </al>
        <al>In dit artikel is geregeld dat een aanvrager voor een rolstoel uit een
                    rolstoelpool in aanmerking kan komen als het gaat om incidenteel gebruik van de
                    rolstoel, terwijl een rolstoel in natura of in de vorm van een persoonsgebonden
                    budget verstrekt zal worden als de rolstoel voor het dagelijks zittend
                    verplaatsen in en om de woning langdurig medisch noodzakelijk is. Geen rolstoel
                    wordt verstrekt als hulpmiddelen als krukken, een rollator, of andere
                    hulpmiddelen een voldoende oplossing bieden voor het verplaatsingsprobleem. Wel
                    kan, als dit noodzakelijk is, een rolstoel verstrekt worden in aanvulling op
                    dergelijke voorzieningen, mits het gebruik dagelijks noodzakelijk is. De nadere
                    criteria voor verstrekkingen worden vastgelegd in de beleidsregels.</al>
        <al>Indien de rolstoel niet noodzakelijk is voor incidenteel gebruik, maar voor
                    dagelijks zittend verplaatsen in en om de woning kan de rolstoel verstrekt
                    worden als voorziening in natura of als persoonsgebonden budget. Een rolstoel
                    uit de rolstoelpool is dan immers geen adequate voorziening. </al>
        <al>Een sportrolstoel, in principe altijd te verstrekken als een persoonsgebonden
                    budget, zal verstrekt worden als zonder de sportrolstoel sportbeoefening niet
                    mogelijk is of zal zijn. Daarbij dient onder het begrip sportrolstoel
                    uitsluitend een sportrolstoel verstaan te worden. Andere sportvoorzieningen
                    worden niet verstrekt, evenmin als hulpmiddelen aan een sportrolstoel zoals een
                    handbike, die alleen voor sportbeoefening, en niet voor het lokaal verplaatsen
                    nodig is.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Artikel 3.5.0.2 - Kring rechthebbenden</vet>
        </al>
        <al>In dit artikel is geregeld dat een aanvrager voor een rolstoel in aanmerking kan
                    komen als het gaat om incidenteel of dagelijks gebruik van de rolstoel, waarbij
                    deze een rolstoel in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget
                    verstrekt zal worden als de rolstoel voor het dagelijks zittend verplaatsen in
                    en om de woning langdurig medisch noodzakelijk is.</al>
        <al/>
        <al>Geen rolstoel wordt verstrekt als hulpmiddelen als krukken, een rollator, of
                    andere hulpmiddelen een voldoende oplossing bieden voor het
                    verplaatsingsprobleem. Wel kan, als dit noodzakelijk is, een rolstoel verstrekt
                    worden in aanvulling op dergelijke voorzieningen, mits het gebruik dagelijks
                    noodzakelijk is. De nadere verstrekkingscriteria worden vastgelegd in de
                    beleidsregels.</al>
        <al>Een sportrolstoel, in principe altijd te verstrekken als een persoonsgebonden
                    budget, zal verstrekt worden als zonder de sportrolstoel sportbeoefening niet
                    mogelijk is of zal zijn. Daarbij dient onder het begrip sportrolstoel
                    uitsluitend een sportrolstoel verstaan te worden. Andere sportvoorzieningen
                    worden niet verstrekt, evenmin als hulpmiddelen aan een sportrolstoel zoals een
                    handbike, die alleen voor sportbeoefening, en niet voor het lokaal verplaatsen
                    nodig is.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Artikel 3.5.0.4 - Aanspraak op rolstoelvoorzieningen voor
                        AWBZ-bewoners.</vet>
        </al>
        <al>Recht op een op grond van de AWBZ verstrekte rolstoel aan AWBZ-bewoners bestaat
                    alleen indien de AWBZ-bewoner zowel de AWBZ-functie “verblijf”, als de functie
                    “behandeling” geniet in één en dezelfde erkende AWBZ-instelling. Als een
                    AWBZ-bewoner niet aan deze voorwaarde voldoet, is er ook geen recht op een
                    AWBZ-rolstoel, en zal er door de gemeente een rolstoel moeten worden verstrekt
                    op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning. </al>
        <al/>
        <al>Onduidelijkheid kan ontstaan, wanneer een instelling met alleen erkenning voor
                    de AWBZ-functie “verblijf” (bijvoorbeeld een verzorgingshuis) de AWBZ-functie
                    “behandeling”als het ware inkoopt bij een voor die functie wél erkende
                    instelling. Het “verzorgingshuis met verpleegafdeling” is een veelvoorkomende
                    situatie, waarin in de instelling wél beide AWBZ-functies kunnen worden
                    “genoten”, maar de instelling zelf geen erkenning heeft voor beide
                    AWBZ-functies, maar alleen voor de functie “verblijf”. Het gevolg is dat er geen
                    recht op een AWBZ-rolstoel bestaat in een dergelijke situatie, juist omdat beide
                    functies op die verpleegafdeling niet door één en dezelfde erkende
                    AWBZ-instelling worden verzorgd, maar door twee verschillende AWBZ-instellingen,
                    waarbij de ene instelling gebruik maakt van de erkenning van de
                        andere.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Artikel 3.6.1.1 - Vormen van vervoersvoorzieningen</vet>
        </al>
        <al>Ad a.:</al>
        <al>De collectieve vervoersvoorziening is al bekend in de vorm van het collectief
                    vraagafhankelijk vervoer, zoals dat zich vanaf 1994 onder de Wet voorzieningen
                    gehandicapten heeft ontwikkeld. Naast het collectief vervoer kan ook worden
                    gedacht aan de mogelijkheden voor het opzetten van scootermobielpools, zoals in
                    sommige verzorgingshuizen al op basis van de Wet voorzieningen gehandicapten
                    gebeurde. </al>
        <al/>
        <al>Ad b.t/m l.</al>
        <al>Individuele voorzieningen in natura kunnen bestaan uit een diversiteit van
                    vervoermiddelen, evenals onder de Wet voorzieningen gehandicapten. In het
                    Verstrekkingenbeleid wordt uitgewerkt onder welke voorwaarden men voor een
                    bepaald soort voorziening in aanmerking komt. </al>
        <al/>
        <al>Belangrijkste aanvulling ten opzichte van de Wet voorzieningen gehandicapten is
                    het persoonsgebonden budget. De vaststelling van de hoogte van het
                    persoonsgebonden budget door het college wordt in het Besluit maatschappelijke
                    ondersteuning gemeente Hulst uitgewerkt.</al>
        <al/>
        <al>
          <onderstreept>Algemeen gebruikelijke vervoersvoorzieningen.</onderstreept>
        </al>
        <al>Onder de Wet voorzieningen gehandicapten is in de rechtspraak van de Centrale
                    Raad van Beroep bepaald dat het stellen van een inkomensgrens voor een
                    forfaitaire tegemoetkoming in vervoerskosten bij een inkomen van 1,5 x de
                    bijstandsnorm niet in strijd was met de geldende zorgplicht. Iemand met een
                    dergelijk inkomen wordt geacht de kosten van het lokaal vervoer of bezit en
                    gebruik van een auto zelf te kunnen dragen. Er is een duidelijke relatie met het
                    begrip “algemeen gebruikelijk”; indirect worden de kosten van vervoer in relatie
                    tot het inkomen algemeen gebruikelijk geacht. </al>
        <al/>
        <al>Onder de Wet voorzieningen gehandicapten is de zorgplicht voor vervoer beperkt
                    tot verplaatsingen in het kader van het leven van alledag in de directe woon- of
                    leefomgeving; de wet spreekt nu in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/zoeken_op/BWBR0020031/2/Artikel4" struct="INTERNET">artikel 4 lid 1, onder c</extref>. over “het zich lokaal
                    verplaatsen per vervoermiddel”. Dit lijkt nog beperkter te zijn dan de
                    zorgplicht onder de Wet voorzieningen gehandicapten, maar aangezien met de Wet
                    maatschappelijke ondersteuning niet is beoogd de reikwijdte van de Wet
                    voorzieningen gehandicapten te beperken of uit te breiden, is er geen reden om
                    aan te nemen dat de alleen de letterlijk lokale verplaatsingen onder de wet
                    zullen vallen. Vandaar dat, conform de onder de Wet voorzieningen gehandicapten
                    gevormde jurisprudentie, wordt uitgegaan van de eigen woon- of leefomgeving, met
                    als uitzondering de bovenregionale zorgplicht, zoals die ook in de
                    Wvg-jurisprudentie is omschreven.</al>
        <al/>
        <al>Sinds maart 2002 houdt de vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep
                    onder de Wet voorzieningen gehandicapten in dat een vervoersvoorziening of een
                    combinatie van voorzieningen de mogelijkheid moet bieden om op jaarbasis
                    minimaal 1.500-2.000 kilometer af te leggen. Deze jurisprudentie wordt hier
                    vastgelegd, aangezien met de wet niet wordt beoogd de werkingssfeer van de Wet
                    voorzieningen gehandicapten uit te breiden.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Artikel 3.6.2.1 - Het recht op een vervoersvoorziening</vet>
        </al>
        <al>In het Besluit maatschappelijke ondersteuning zal uiteindelijk worden bepaald of
                    een eigen aandeelregeling vervoer van toepassing is en op welke wijze deze wordt
                    ingevuld.</al>
        <al>Het eventuele eigen aandeel zal dan gelden voor vergoedingen genoemd in artikel
                    3.6.1.1. onderdeel a, b, c, e, j en l bij een inkomen boven 1,5 maal het
                    norminkomen.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Artikel 5.1.0.1 - Inlichtingen, onderzoek, advies.</vet>
        </al>
        <al>Lid 1 onder a. en b. van dit artikel in de Verordening bepaalt dat het college
                    bevoegd is de aanvrager op te roepen in persoon te verschijnen en te ondervragen
                    op een door het college te bepalen plaats en tijdstip en te laten onderzoeken
                    en/of ondervragen door een of meer daartoe aangewezen deskundigen. Dit alles met
                    de beperking dat dit in het belang moet zijn van de
                        aanvraag.</al>
        <al/>
        <al>
          <extref doc="http://wetten.overheid.nl/BWBR0005537/Hoofdstuk3/Afdeling33" struct="INTERNET">Afdeling 3:3 van de Algemene wet bestuursrecht</extref>,
                    geeft in een vijftal artikelen enige algemene bepalingen over (externe)
                    advisering. <extref doc="http://wetten.overheid.nl/BWBR0005537/Hoofdstuk3/Afdeling33/Artikel35" struct="INTERNET">Artikel 3:5 lid 1 Algemene wet bestuursrecht</extref>
                    geeft aan dat in deze afdeling onder adviseur verstaan wordt: een persoon of
                    college, bij of krachtens wettelijk voorschrift belast met het adviseren inzake
                    door een bestuursorgaan te nemen besluiten en niet werkzaam onder
                    verantwoordelijkheid van dat bestuursorgaan. </al>
        <al>In tegenstelling tot hetgeen er was bepaald in de Wet voorzieningen
                    gehandicapten is in de wet niet geregeld dat er een adviseur benoemd moet
                    worden. Advies zal in het kader van de uitvoering van de wet echter
                    onontbeerlijk zijn. De gemeente dient één of meer adviseurs aan te wijzen om in
                    het kader van de wet advies uit te brengen. In de verordening wordt niet
                    opgenomen wie de adviseur is. Men kan immers meer adviseurs in verschillende,
                    zelfs wisselende situaties hebben, hetgeen een eenduidige vermelding onmogelijk
                    maakt. </al>
        <al/>
        <al>Advies wordt in ieder geval gevraagd wanneer het een eerste aanvraag door de
                    betrokkene betreft. Dit bijvoorbeeld om te kunnen beoordelen of het wellicht om
                    een progressief ziektebeeld gaat, waarbij vooruitlopend op dit proces reeds
                    eerder ingrijpender maatregelen getroffen dienen te worden dan op het moment van
                    de aanvraag nodig lijkt. Doorslaggevend is echter dat vanaf het begin duidelijk
                    geobjectiveerd wordt wat er medisch gezien speelt bij de betrokken aanvrager.
                    Het spreekt voor zich dat bij overgang van AWBZ en Wvg naar deze wet voor
                    diegenen die al een voorziening hadden niet gesproken wordt van eerste aanvraag.
                    Van eerste aanvraag wordt gesproken als een aanvrager in zijn geheel niet bekend
                    is bij deze wet.</al>
        <al>Een afwijzing om medische redenen, zoals bedoeld onder c., kan uiteraard alleen
                    maar op basis van een medisch advies. </al>
        <al>Met name wanneer de aard van de aandoening niet echt duidelijk is, is advies
                    onontbeerlijk; soms kan een op het oog eenvoudige aanvraag leiden tot een stroom
                    van verdere aanvragen, zonder dat duidelijk is wat iemand mankeert. Dat kan bij
                    verstrekking van voorzieningen zelfs tot invaliderende effecten voor de
                    aanvrager en onnodige kosten voor de gemeente leiden. Dit probleem speelt in het
                    bijzonder bij een aantal zogeheten (medisch) moeilijk objectiveerbare
                    aandoeningen (m)moa’s.</al>
        <al>Tot slot vraagt het college advies, indien dit overigens gewenst wordt geacht.
                    Het zal duidelijk zijn dat hier een scala aan argumenten op te voeren valt. Door
                    deze bepaling is het echter te allen tijde mogelijk om advies te vragen. Het is
                    verstandig hierbij te (kunnen) motiveren waarom advies gevraagd wordt, met het
                    oog op een eventuele beroepsprocedure, waarin dit een rol zou kunnen spelen. </al>
        <al/>
        <al>Lid 3:</al>
        <al>Deze bepaling spreekt voor zich; het is duidelijk dat gegevens inzake de
                    medische toestand, het inkomen, de woonsituatie en allerlei andere gegevens
                    noodzakelijk kunnen zijn om een aanvraag te kunnen beoordelen. Er is een
                    duidelijke praktische samenhang met artikel 32 lid 1 van deze verordening,
                    inzake het gebruik van een door het college te verstrekken formulier. Door
                    middel van gebruik van een formulier kunnen de procedures inzake de
                    gegevensverstrekking worden gestroomlijnd.</al>
        <al>Uiteraard moet er niet meer worden opgevraagd dan noodzakelijk is voor het nemen
                    van een besluit op de aanvraag, zie hieromtrent ook <extref doc="http://wetten.overheid.nl/BWBR0005537/Hoofdstuk4/Titel41/Afdeling411/Artikel43" struct="INTERNET">artikel 4:3 Algemene wet bestuursrecht</extref>. Weigert
                    de aanvrager echter de voor het nemen van het besluit noodzakelijke gegevens te
                    verstrekken, dan rest het college niets anders dan de aanvraag volgens de
                    procedure van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/BWBR0005537/Hoofdstuk4/Titel41/Afdeling411/Artikel45" struct="INTERNET">artikel 4:5 Algemene wet bestuursrecht</extref> buiten
                    behandeling te laten. </al>
        <al/>
        <al>Ten aanzien van het omgaan met de – vaak privacygevoelige – gegevens moet de
                    gemeente rekening houden met de verplichtingen die voortvloeien uit de Wet
                    bescherming persoonsgegevens (Wbp). </al>
        <al/>
        <al>Lid 4 geeft aan dat bij de advisering gebruik gemaakt moet worden van de
                    zogenaamde ICF-classificatie van de Wereld Gezondheidsorganisatie. Deze bepaling
                    is in de verordening opgenomen naar aanleiding van de toelichting op amendement
                    65, waarin staat “Voor de gemeentelijke uitvoeringspraktijk biedt de
                    International Classification of Functions, Disabilities and Impairments (ICF
                    classificatie) een uniform begrippenkader dat als grondslag kan dienen om de
                    behoefte aan voorzieningen in individuele gevallen vast te
                    stellen.”</al>
        <al>Mede omdat bij de indicatiestelling van de diverse functies in de Algemene Wet
                    Bijzondere Ziektekosten eveneens van deze classificatie gebruik wordt gemaakt
                    kan het gebruik van de ICF-classificatie afstemming tussen de Algemene Wet
                    Bijzondere Ziektekosten en deze wet vergemakkelijken.</al>
        <al/>
        <al>
          <onderstreept>Samenhangende afstemming </onderstreept>
        </al>
        <al>
          <extref doc="http://wetten.overheid.nl/zoeken_op/BWBR0020031/2/Artikel5" struct="INTERNET">In artikel 5, lid 2, onder b</extref>. van de wet is
                    vastgelegd dat de raad in de verordening bepaalt op welke wijze de verkrijging
                    van individuele voorzieningen samenhangend afgestemd wordt op de situatie van de
                    aanvrager. Deze bepaling is bedoeld om, naast de toepassing van algemene
                    bestuursrechtelijke zorgvuldigheidseisen, de inhoud van de voorzieningen zelf,
                    vanuit cliëntperspectief, in samenhang te bezien. Evenals het genoemde in de
                    toelichting op artikel 31 van deze verordening, gaat het hier naar zijn aard om
                    uitvoeringsbeleid, vandaar de delegatiebepaling in optie 1. In optie 2 is een
                    specifieke onderzoeksverplichting aan het college opgelegd.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Artikel 5.1.0.2 - Wijzigingen in de situatie.</vet>
        </al>
        <al>Het spreekt voor zich dat wijzigingen in de situatie gemeld dienen te worden in
                    al die gevallen dat zij van invloed zijn op de verstrekte of te verstrekken
                    voorzieningen.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Artikel 5.1.0.4 - Intrekking van een voorziening</vet>
        </al>
        <al>Duidelijk is, dat verstrekking van voorzieningen gebonden is aan voorwaarden.
                    Het is in verband met het kenbaarheidsvereiste, verwoord in de passage “waarvan
                    redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze van invloed zijn op het recht op een
                    voorziening”, van groot belang om de beschikkingsvoorwaarden duidelijk te
                    vermelden in een beschikking. Het is daarom raadzaam om een belanghebbende te
                    wijzen op de voorwaarden die het recht op de voorziening met zich meebrengen.
                    Daarnaast is het belangrijk in de beschikking ook expliciet te wijzen op de
                    verplichting om wijzigingen in de situatie aan het college door te geven. Mocht
                    er sprake zijn van een, om wat voor reden dan ook, ten onrechte toegekende
                    voorziening, dan vergemakkelijkt een duidelijke formulering in de beschikking
                    een eventuele beëindiging of terugvordering van (het recht op) een voorziening ,
                    omdat de betrokkene zich dan niet kan beroepen op onbekendheid met de feiten. </al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Artikel 5.1.0.5 - Terugvordering</vet>
        </al>
        <al>De wet bevat geen bepalingen omtrent terugvordering van voorzieningen, wat reden
                    is om deze mogelijkheid op te nemen in de verordening, omdat er anders geen
                    juridische basis is om voorzieningen terug te vorderen. Indien er, naar later
                    blijkt, ten onrechte is uitbetaald of geleverd (voorziening in natura) is, kan
                    het college de voorziening geheel of gedeeltelijk terugvorderen. Het besluit tot
                    herziening van het recht op de voorziening en de daaraan gekoppelde
                    terugvordering biedt echter geen executoriale titel, zoals bijvoorbeeld in de
                    Wet werk en bijstand het geval is bij terugvordering. Er is wel sprake van een
                    civielrechtelijke vordering op grond van onverschuldigde betaling waarvoor het
                    Burgerlijk Wetboek, boek 6 artikel 203 e.v. de wettelijke basis biedt. Aan de
                    gerechtelijke procedure zijn kosten verbonden, met name in gevallen waarin de
                    vordering hoger is dan € 5.000,- en dus een procedure met procureurstelling bij
                    de rechtbank noodzakelijk is. Bij lagere bedragen kan een eenvoudige
                    dagvaardingsprocedure bij de kantonrechter gevolgd worden, zonder verplichte
                    procureurstelling.</al>
        <al/>
        <al>Het ligt voor de hand dat van de terugvorderingsmogelijkheid in ieder geval
                    gebruik wordt gemaakt indien er aan de zijde van de aanvrager sprake is van
                    verwijtbaarheid. Wanneer deze dus bewust verkeerde gegevens heeft verstrekt,
                    bijvoorbeeld over zijn inkomen. Ook kan terugvordering van een voorziening in
                    natura aan de orde zijn wanneer de aanvrager in gebreke blijft zijn eigen
                    bijdrage binnen de gestelde termijn en na aanmaning te voldoen. Het is raadzaam
                    vooraf een inschatting te maken van de kosten en te verwachten baten, gezien de
                    mogelijke kosten van een civielrechtelijke procedure. Daarbij moet niet alleen
                    gekeken worden naar de kosten van inschakeling van een procureur, maar ook naar
                    mogelijke invorderingskosten, zoals de kosten van inschakeling van een
                    deurwaarder.</al>
        <al/>
        <al>Wanneer blijkt dat een financiële tegemoetkoming of een gemaximeerde vergoeding
                    binnen zes maanden na de uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van
                    de voorziening waarvoor deze is verleend, kan deze betaling ook worden
                    teruggevorderd. Het gaat hierbij om voorzieningen waarbij de uitbetaling van de
                    tegemoetkoming of de vergoeding aan de aanschaf van de voorziening voorafgaat.
                    Bij woningaanpassingen zal dit in de regel niet voorkomen omdat de uitbetaling
                    pas dan plaatsvindt nadat de woningaanpassing is uitgevoerd. Artikel 36 is dus
                    niet van toepassing op woningaanpassingen.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Artikel 5.2.0.1 - Afwijken van bepalingen/Hardheidsclausule.</vet>
        </al>
        <al>Artikel 37 bepaalt dat het college in bijzondere gevallen ten gunste van de
                    aanvrager kan afwijken van de bepalingen van deze verordening, en dus niet van
                    de in de wet zelf genoemde bepalingen. Zonodig wordt hierbij advies ingewonnen.
                    Dit afwijken kan alleen maar ten gunste, en nooit ten nadele van de betrokken
                    persoon met beperkingen of de eigenaar van de woonruimte. Bij de woningeigenaar,
                    bijvoorbeeld een corporatie kan gedacht worden aan een situatie waar het van
                    belang is dat een woonruimte ook langer dan zes maanden leeg staat, omdat
                    bijvoorbeeld bekend is dat een persoon met beperkingen voor wie de aangepaste
                    woning uitermate geschikt is, op het punt staat om uit een revalidatiecentrum te
                    worden ontslagen. In die gevallen kan het doelmatiger zijn om een langere
                    periode een tegemoetkoming in de huurderving te verstrekken. Verder is met
                    nadruk gemeld: in bijzondere gevallen. Het gebruik maken van de
                    hardheidsclausule moet beschouwd worden als een uitzondering en niet als een
                    regel. Het college moet in verband met precedentwerking dan ook duidelijk
                    aangeven waarom in een bepaalde situatie van de verordening wordt
                    afgeweken.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Artikel 5.2.0.4 – Indexering.</vet>
        </al>
        <al>Deze bepaling, maakt het mogelijk alle bedragen, genoemd in het op de
                    verordening gebaseerde Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Hulst, te
                    indexeren. Indexering voor de meeste van de op deze verordening gebaseerde
                    normbedragen vindt plaats volgens het CBS-prijsindexcijfer voor de
                    gezinsconsumptie. De Algemene Maatregel van Bestuur bepaalt in artikel 4.4, lid
                    1 dat ook de bedragen van de eigen bijdragen jaarlijks aan de hand van de
                    prijsindex voor de gezinsconsumptie worden gewijzigd bij ministeriële regeling.
                    Het ligt voor de hand wijzigingen in bedragen in deze verordening tegelijkertijd
                    hiermee door te voeren.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Artikel 5.2.0.5 - Evaluatie</vet>
        </al>
        <al>Op grond van dit artikel dient het gemeentelijk beleid periodiek geëvalueerd te
                    worden. Dat beleid omvat zowel het algemene beleid, zoals door de gemeenteraad
                    neergelegd in de verordening, als het uitvoeringsbeleid, dat onder de
                    bevoegdheid van het college is neergelegd in beleidsregels. Indien de evaluatie
                    daartoe aanleiding geeft, bijvoorbeeld omdat het voorzieningenniveau te hoog of
                    te laag blijkt te zijn, dient de evaluatie te leiden totaanpassing van de
                    verordening of van de beleidsregels.</al>
      </nota-toelichting>
    </regeling>
  </body>
</cvdr>