<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR379224_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs Bernheze 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Bernheze</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-06-12</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Bernheze</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs Bernheze 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=149">Onbekend</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0002399&amp;artikel=76m"/><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0030280&amp;artikel=102"/><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>onderwijs</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-05-28</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs Bernheze 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Bernheze;</al><al>gezien het bijbehorende voorstel van burgemeester en wethouders van 31 maart
                        2015;</al><al/><al>gezien het verslag van het gevoerde op overeenstemming gerichte overleg met
                        de vertegenwoordigers van de bevoegde gezagsorganen, d.d. 23 maart
                        2015;</al><al/><al>gelet op artikel 149 van de Gemeentewet, artikel 102 van de Wet op het
                        primair onderwijs en artikel 76m van de Wet op het voortgezet
                        onderwijs;</al><al>overwegende dat het noodzakelijk is de toekenning van voorzieningen in de
                        huisvesting voor het basisonderwijs en het voortgezet onderwijs bij
                        verordening te regelen;</al><al/><al>gelet op het gestelde in het ‘Integraal huisvestingsplan Onderwijs;</al><al>gelet op het inkoop- en aanbestedingsbeleid Gemeente Bernheze;</al><al>besluit vast te stellen de:</al><al/><al><vet>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs Bernheze
                        2015</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><tekst><al><vet>Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen </vet></al><al><vet>Artikel 1. Begripsbepalingen</vet></al><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="-"><al>aanvraag: verzoek om het bekostigen van een voorziening of om het
                                bekostigen van een voorbereidingskrediet;</al></li><li nr="-"><al>aanvrager: het bevoegd gezag dat een aanvraag indient;</al></li><li nr="-"><al>advies Onderwijsraad: advies van de Onderwijsraad als bedoeld in
                                artikel 95, negende lid, van de Wet op het primair onderwijs of
                                artikel 76f, negende lid, van de Wet op het voortgezet
                                onderwijs;</al></li><li nr="-"><al>bevoegd gezag: bevoegd gezag van een volgens de Wet op het primair
                                onderwijs of de Wet op het voortgezet onderwijsbekostigde
                                openbare of bijzondere school die geheel of gedeeltelijk gehuisvest
                                is in een gebouw dat zich bevindt op het grondgebied van de
                                gemeente;</al></li><li nr="-"><al>Integraal huisvestingsplan (IHP) onderwijs: vertaling van de
                                beleidsuitgangspunten en ontwikkelingen op het gebied van
                                onderwijshuisvesting, met daarin een opsomming van noodzakelijke en
                                gewenste huisvestingsvoorzieningen voor een periode van 4 jaar;</al></li><li nr="-"><al>lokaal bewegingsonderwijs: ruimte die geschikt is voor het
                                bewegingsonderwijs;</al></li><li nr="-"><al>minister: minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;</al></li><li nr="-"><al>nevenvestiging: deel van een school dat door de minister op grond
                                van artikel 85 van de Wet op het primair onderwijs of artikel 16,
                                tweede en derde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs voor
                                bekostiging in aanmerking is gebracht;</al></li><li nr="-"><al>overzicht: overzicht als bedoeld in artikel 96 van de Wet op het
                                primair onderwijs of artikel 76g van de Wet op het voortgezet
                                onderwijs;</al></li><li nr="-"><al>permanent gebouw: ruimte die door de keuze van het ontwerp en de
                                aard van de constructie en materialen ten minste 60 jaar als
                                volwaardige huisvesting voor het onderwijs kan functioneren;</al></li><li nr="-"><al>perspectiefnota: een jaarlijks uit te brengen gemeentelijke nota aan
                                de raad over het voorgestane beleid en de kaders voor een volgend
                                begrotingsjaar en de drie opvolgende jaren;</al></li><li nr="-"><al>programma: programma als bedoeld in artikel in artikel 95 Wet op het
                                primair onderwijs en artikel 76f van de Wet op het voortgezet
                                onderwijs;</al></li><li nr="-"><al>school:</al><lijst><li nr="1°."><al>school voor basisonderwijs: basisschool als bedoeld in
                                        artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs;</al></li><li nr="2°."><al>school voor voortgezet onderwijs: school of
                                        scholengemeenschap voor voorbereidend wetenschappelijk
                                        onderwijs, voor hoger en middelbaar algemeen voortgezet
                                        onderwijs, voor voorbereidend beroepsonderwijs en voor
                                        praktijkonderwijs als bedoeld in de artikelen 1, 2 en 5 van
                                        de Wet op het voortgezet onderwijs;</al></li></lijst></li><li nr="-"><al>tijdelijk gebouw: al dan niet verplaatsbare ruimte die door de keuze
                                van het ontwerp en de aard van de constructie en materialen minstens
                                15 jaar als volwaardige huisvesting voor het onderwijs kan
                                functioneren;</al></li><li nr="-"><al>verhuur: gebruik van een onderwijsgebouw door derden, niet zijnde
                                onderwijsgebruik of gebruik voor culturele, maatschappelijke of
                                recreatieve doeleinden;</al></li><li nr="-"><al>voor blijvend gebruik bestemde voorziening: voorziening die volgens
                                de uitkomst van de prognose als bedoeld in bijlage II minimaal 15
                                jaar noodzakelijk is;</al></li><li nr="-"><al>voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening: voorziening die volgens
                                de uitkomst van de prognose als bedoeld in bijlage II maximaal 15
                                jaar noodzakelijk is;</al></li><li nr="-"><al>voorziening: voorzieningen in de huisvesting als bedoeld in artikel
                                2.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2. Omschrijving voorzieningen in de huisvesting </vet></al><al>Bij het toepassen van deze verordening worden de volgende voorzieningen
                        onderscheiden:</al><lijst><li nr="a."><al>voor blijvend of voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen,
                                bestaande uit:</al><lijst><li nr="1°."><al>nieuwbouw voor een school die voor het eerst door het rijk
                                        voor bekostiging in aanmerking is gebracht, of nieuwbouw om
                                        een gebouw waarin een school is gehuisvest geheel of
                                        gedeeltelijk te vervangen, al dan niet op dezelfde
                                        locatie;</al></li><li nr="2°."><al>uitbreiding van een gebouw waarin een school is
                                        gehuisvest;</al></li><li nr="3°."><al>het geheel of gedeeltelijk in gebruik nemen van een bestaand
                                        gebouw voor het huisvesten van een school;</al></li><li nr="4°."><al>verplaatsing van een of meer bestaande tijdelijke gebouwen
                                        voor het huisvesten van een school;</al></li><li nr="5°."><al>terrein voor zover nodig voor het realiseren van een
                                        voorziening als bedoeld in 1° tot en met 4°;</al></li><li nr="6°."><al>inrichting met onderwijsleerpakket voor zover deze nog niet
                                        eerder door het rijk of de gemeente is bekostigd;</al></li><li nr="7°."><al>inrichting met meubilair voor zover dit nog niet eerder door
                                        het rijk of de gemeente is bekostigd;</al></li><li nr="8°."><al>medegebruik van een ruimte voor het onderwijs in een gebouw
                                        dat al bij een andere school in gebruik is of van een lokaal
                                        bewegingsonderwijs;</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>herstel van constructiefouten bestaande uit schade aan een gebouw
                                veroorzaakt door eigen gebrek of eigen bederf, evenals uit kosten
                                gemoeid met het voorkomen van nog niet zichtbare materiële schade
                                onmiddellijk voortvloeiend uit ontwerpfouten, uitvoeringsfouten of
                                wanprestatie;</al></li><li nr="c."><al>herstel en vervanging in verband met schade aan gebouw,
                                onderwijsleerpakket of meubilair ingeval van bijzondere
                                omstandigheden;</al></li><li nr="d."><al>huur van een sportterrein, dat niet in eigendom is van een bevoegd
                                gezag, voor een school voor voortgezet onderwijs voor het onderwijs
                                in lichamelijke oefening.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 3. Voorbereidingskrediet</vet></al><al>Voor voorzieningen als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, onder 1° t/m 3° ,
                        kan een aanvraag voor het bekostigen van de kosten voor het opstellen van
                        een aanbestedingsgereed bouwplan worden ingediend. </al><al/><al><vet>Artikel 4. Vaststellen vergoeding voorzieningen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Voor voorzieningen als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, onder 1°,
                                2°,6°,7° en 8°, wordt de vergoeding vastgesteld op maximaal de in
                                bijlage IV, deel B, opgenomen normbedragen.</al></li><li nr="2."><al>Voor andere voorzieningen dan bedoeld in het eerste lid wordt de
                                vergoeding vastgesteld op de feitelijke kosten, vermeld in bijlage
                                IV deel C.</al></li><li nr="3."><al>De vergoeding voor een voorbereidingskrediet als bedoeld in artikel
                                3 wordt vastgesteld op 8% van het geraamde investeringsbedrag bij
                                projecten tot een bruto-vloeroppervlakte van 2500 m² en 5% bij
                                grotere projecten. Bij de uiteindelijke vergoeding van een
                                toegekende voorziening wordt de toegekende vergoeding voor de kosten
                                van de bouwvoorbereiding als bedoeld in artikel 3 in mindering
                                gebracht.</al></li><li nr="4."><al>Ondanks vaststelling van de normbedragen wordt het inkoop- en
                                aanbestedingsbeleid van de gemeente gehanteerd. Dit houdt in dat de
                                normbedragen een bekostigingsplafond vormen en dat de bedragen naar
                                beneden bijgesteld kunnen worden, indien de offertebedragen en
                                werkelijke kosten hiertoe aanleiding geven.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 5. Informatieverstrekking</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het bevoegd gezag verstrekt aan het college de gegevens die
                                noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van het bepaalde in deze
                                verordening. </al></li><li nr="2."><al>Ter uitvoering hiervan kunnen door het college nadere aanwijzingen
                                worden gegeven en/of regels worden gesteld.</al><al/></li></lijst><al><vet>HOOFDSTUK 2. Op te nemen voorzieningen en overzicht</vet></al><al/><al><vet>Paragraaf 2.1 De aanvraag</vet></al><al/><al><vet>Artikel 6. Indienen aanvraag</vet></al><al>Het bevoegd gezag kan een aanvraag tot bekostiging van een voorziening in de
                        huisvesting indienen bij het college. </al><al/><al><vet>Artikel 7. Inhoud aanvraag; gelegenheid tot aanvullen aanvraag; niet
                            behandelen onvolledige aanvraag</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Een aanvraag vermeldt in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>de naam en het adres van de aanvrager;</al></li><li nr="b."><al>de dagtekening;</al></li><li nr="c."><al>de naam van de school en, als dit van toepassing is, het
                                        gebouw waarvoor de voorziening is bestemd;</al></li><li nr="d."><al>de voorziening die wordt aangevraagd;</al></li><li nr="e."><al>de onderbouwing van de noodzaak en de omvang van de gewenste
                                        voorziening, bestaande uit:</al></li></lijst></li><li nr="1°."><al>een prognose van het te verwachten aantal leerlingen van de school
                                voor basisonderwijs, of de school voor voortgezet onderwijs, als het
                                betreft een aanvraag voor een voorziening als bedoeld in artikel 2,
                                onderdeel a, onder 1°, 2°, 3°, 6°, 7° of 8°, onder de voorwaarde dat
                                de prognose overeenkomstig bijlage II is vastgesteld, tenzij door
                                het college, al dan niet in samenwerking met de bevoegde
                                gezagsorganen van een school voor basisonderwijs, een actuele
                                prognose is opgesteld, welke door het bevoegd gezag wordt
                                onderschreven;</al></li><li nr="2°."><al>als de aanvraag betrekking heeft op het geheel of gedeeltelijk
                                bekostigen van vervangende nieuwbouw van een gebouw als bedoeld in
                                artikel 2, onderdeel a, onder 1°, of herstel van een constructiefout
                                als bedoeld in artikel 2, onderdeel b, een bouwkundige rapportage
                                die voldoet aan de eisen NEN 2767, zodat de noodzaak van de
                                gevraagde voorziening kan worden vastgesteld;</al></li><li nr="3°."><al>als de aanvraag betrekking heeft op het bekostigen van een
                                voorziening waarvoor de vergoeding wordt vastgesteld op de
                                feitelijke kosten, een begroting van de noodzakelijke kosten voor
                                het bekostigen van de voorziening of, als de aanvraag betrekking
                                heeft op het bekostigen van een voorbereidingskrediet als bedoeld in
                                artikel 3, een kostenbegroting<cursief>.</cursief></al><lijst><li nr="f."><al>de geplande aanvangsdatum van uitvoering van de voorziening,
                                        en</al></li><li nr="g."><al>als het een voorziening betreft als bedoeld in artikel 2,
                                        onderdeel a, onder 1° tot en met 5°, de aanduiding van de
                                        gewenste plaats waar de voorziening moet worden
                                        gerealiseerd.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het college stelt de aanvrager binnen vier weken schriftelijk op de
                                hoogte als gegevens als bedoeld in het eerste of tweede lid
                                ontbreken. De aanvrager krijgt vervolgens 4 weken de tijd om de
                                ontbrekende gegevens aan te vullen. Als dit niet gebeurt, neemt het
                                college de aanvraag niet in behandeling.</al></li><li nr="3."><al>Als een door het college in behandeling genomen aanvraag betrekking
                                heeft op een voorziening voor een school, waarvan de beoordeling van
                                de noodzaak mede is gebaseerd op het aantal leerlingen van de
                                betrokken school op de wettelijke teldatum van 1 oktober, dan zendt
                                de aanvrager het college een afschrift van de meest recente
                                jaarlijkse opgave aan de minister van het aantal leerlingen dat
                                staat ingeschreven op de betrokken school.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 8. Opgave ingediende aanvragen</vet></al><al>Het college stelt een lijst samen van de aanvragen die overeenkomstig
                        artikel 6 zijn ingediend en geeft daarbij aan welke niet in behandeling
                        worden genomen. Deze lijst wordt tevens aan de bevoegde gezagsorganen ter
                        beschikking gesteld.</al><al/><al><vet>Paragraaf 2.2 Overleg voorafgaand aan vaststellen op te nemen
                            voorzieningen en overzicht</vet></al><al/><al><vet>Artikel 9. Toelichting aanvraag; overleg over ingediende
                            begroting</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het college of een aanvrager kan verzoeken een aanvraag nader toe te
                                lichten. Dit overleg vindt plaats binnen 2 maanden na de
                                hersteldatum, bedoeld in artikel 7, tweede lid.</al></li><li nr="2."><al>Het college treedt in overleg met de aanvrager als de aanvraag
                                betrekking heeft op een voorziening waarvoor de vergoeding wordt
                                vastgesteld op basis van de feitelijke kosten en het college van
                                oordeel is dat de door de aanvrager overgelegde kostenbegroting moet
                                worden aangepast.</al></li><li nr="3."><al>Het college vermeldt in het voorstel tot het vaststellen van het
                                bekostigingsplafond, bedoeld in paragraaf 2.3:</al><lijst><li nr="a."><al>de hoogte van het geraamde bedrag, waarvan voor de
                                        aangevraagde voorziening wordt</al></li></lijst></li></lijst><al> uitgegaan, en</al><al>b.als dit van toepassing is, de redenen waarom in het overleg geen
                        overeenstemming is bereikt over de hoogte van het geraamde bedrag.</al><al/><al><vet>Artikel 10. Overleg over de op te nemenvoorzieningen en
                            overzicht; advies Onderwijsraad</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Voordat het college de lijst op te nemen voorzieningen en het
                                overzicht vaststelt, worden de bevoegde gezagsorganen in een overleg
                                in de gelegenheid gesteld hun zienswijze over de voorgenomen inhoud
                                van dat voorstel naar voren te brengen.</al></li><li nr="2."><al>De bevoegde gezagsorganen worden ten minste 2 weken voor de door het
                                college vastgestelde datum schriftelijk in kennis gesteld van het
                                tijdstip van het overleg en de voorgenomen inhoud van het
                                voorstel.</al></li><li nr="3."><al>De bevoegde gezagsorganen die niet deelnemen aan het overleg kunnen
                                voor het overleg hun zienswijzen schriftelijk kenbaar maken aan het
                                college. Het college stelt de deelnemers aan het overleg van deze
                                zienswijzen in kennis.</al></li><li nr="4."><al>Het college maakt een verslag van de in het overleg door de bevoegde
                                gezagsorganen naar voren gebrachte zienswijzen. De overeenkomstig
                                het vorige lid ingediende zienswijzen en de reactie van het college
                                hierop worden opgenomen in het verslag. Het verslag wordt binnen een
                                maand na het overleg toegezonden aan alle bevoegde
                                gezagsorganen.</al></li><li nr="5."><al>Een bevoegd gezag en het college kunnen de Onderwijsraad verzoeken
                                een advies uit te brengen over het voorstel met betrekking tot de
                                voorgenomen uit te voeren voorzieningen. Het verzoek bevat een
                                schriftelijk gemotiveerde omschrijving van de onderwerpen waarover
                                advies wordt verwacht. Het advies dient betrekking te hebben op de
                                relatie tussen de voorgenomen voorzieningen en de vrijheid van
                                richting en inrichting. Het verzoek en de daarover naar voren
                                gebrachte zienswijzen worden opgenomen in het verslag, bedoeld in
                                het vierde lid.</al></li><li nr="6."><al>Het college is belast met het indienen van een verzoek om advies bij
                                de Onderwijsraad. Het college zorgt ervoor dat de Onderwijsraad alle
                                stukken ontvangt die nodig zijn voor het beoordelen van het verzoek,
                                waaronder het verslag, bedoeld in het vierde lid.</al></li><li nr="7."><al>Een afschrift van het door de Onderwijsraad uitgebrachte advies
                                wordt zo spoedig mogelijk door het college toegezonden aan de
                                bevoegde gezagsorganen. Als het advies zou leiden tot één of meer
                                inhoudelijke bijstellingen van de voorgenomen inhoud van de uit te
                                voeren voorzieningen, dan worden de bevoegde gezagsorganen door het
                                college bij het toezenden van het afschrift van het advies
                                uitgenodigd voor een nader overleg. In alle andere gevallen
                                beoordeelt het college of nader bestuurlijk overleg over het advies
                                van de Onderwijsraad noodzakelijk is. Het college geeft dit aan bij
                                het toezenden van het afschrift van het advies.</al></li><li nr="8."><al>Nader overleg als bedoeld in het vorige lid vindt plaats binnen 2
                                weken nadat het advies van de Onderwijsraad aan de bevoegde
                                gezagsorganen is gezonden. Het college maakt van dit overleg een
                                verslag en voegt dit toe aan het verslag, bedoeld in het vierde
                                lid.</al></li></lijst><al/><al><vet>Paragraaf 2.3 Vaststellen bekostigingsplafond, opname in
                            perspectiefnota en overzicht</vet></al><al/><al><vet>Artikel 11. Vaststellen bekostigingsplafond</vet></al><al>Het college stelt in de (meerjaren)begroting het bekostigingsplafond vast
                        voor de vergoeding van de aangevraagde voorzieningen. Hierbij kan
                        onderscheid gemaakt worden naar onderwijssoort of per voorziening.</al><al/><al><vet>Artikel 12. Opname in perspectiefnota en begroting gemeente
                            Bernheze</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De aangevraagde voorzieningen komen in aanmerking voor behandeling
                                voor opname in de perspectiefnota en de gemeentelijke begroting,
                                voor zover het college heeft vastgesteld dat geen van de in de Wet
                                op het primair onderwijs en de Wet op het voortgezet onderwijs
                                opgenomen weigeringgronden van toepassing is.</al><al> Daarbij past het college de regels toe met betrekking tot:</al><lijst><li nr="a."><al>de beoordelingscriteria als bedoeld in bijlage I;</al></li><li nr="b."><al>de prognosecriteria als bedoeld in bijlage II;</al></li><li nr="c."><al>de oppervlakte en indeling van schoolgebouwen als bedoeld in
                                        bijlage III.</al></li></lijst></li></lijst><al>Van de voor behandeling in aanmerking komende voorzieningen neemt het
                        college, aan de hand van urgentiecriteria als bedoeld in bijlage V,
                        uitsluitend voorzieningen op voor zover het bedrag of de deelbedragen als
                        bedoeld in artikel 11 toereikend zijn.</al><lijst><li nr=""><lijst><li nr="2."><al>Onderdeel van de behandeling van de aanvragen betreft
                                        toetsing van de aanvragen aan het ‘Integraal
                                        Huisvestingsplan Onderwijs’.</al></li><li nr="3."><al>Op voorstel van het overleg als bedoeld in artikel 10, kan
                                        het college de raad verzoeken bij de behandeling van de
                                        aanvragen af te mogen wijken van de urgentiecriteria zoals
                                        omschreven in bijlage V.</al></li><li nr="4."><al>Van bovengenoemde voorzieningen wordt, voor zover van
                                        toepassing, door het college aangegeven:</al></li></lijst><lijst><li nr="a."><al>het maximaal genormeerde bedrag dat ingevolge bijlage IV,
                                        deel B voor de betreffende voorziening beschikbaar wordt
                                        gesteld;</al></li><li nr="b."><al>het geraamde bedrag gemoeid met de uitvoering van de
                                        voorziening als bedoeld in artikel 4, lid 2.</al></li></lijst></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 13. Bekendmaken besluiten vaststellen
                            bekostigingsplafond, opname in perspectiefnota en/of begroting van de
                            gemeente Bernheze</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De besluiten tot het vaststellen van het bekostigingsplafond en de
                                vorm van opname in de perspectiefnota/begroting (gehonoreerd/niet
                                gehonoreerd) worden door het college binnen 4 weken na de datum
                                waarop het besluit is genomen bekend gemaakt door het toezenden of
                                uitreiken van het besluit aan de aanvragers. Gelijktijdig stelt het
                                college de overige bevoegde gezagsorganen schriftelijk in kennis van
                                de genomen besluiten.</al></li><li nr="2."><al>De besluiten worden gelijktijdig met de bekendmaking ter inzage
                                gelegd.</al></li></lijst><al/><al><vet>Paragraaf 2.4 Uitvoeren programma</vet></al><al/><al><vet>Artikel 14.Overleg wijze van uitvoering</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Binnen vier weken na de datum van goedkeuring van de begroting van
                                de gemeente Bernheze treedt het college in overleg met de aanvrager
                                over de wijze van uitvoering van de goedgekeurde voorziening.</al><al> In dit overleg wordt alle informatie verstrekt die nodig is voor
                                het uitvoeren van de voorziening en worden, voor zover van
                                toepassing, afspraken gemaakt over:</al></li><li nr="a."><al>het bouwheerschap, bedoeld in artikel 103 van de Wet op het primair
                                onderwijsen artikel 76n van de Wet op het voortgezet
                                onderwijs;</al></li><li nr="b."><al>het tijdstip waarop het bouwplan en de begroting door de aanvrager
                                worden ingediend;</al></li><li nr="c."><al>als dit van toepassing is, een andere wijze waarop de toegekende
                                voorziening wordt uitgevoerd, met inachtneming van het beschikbaar
                                te stellen bedrag;</al></li><li nr="d."><al>de wijze waarop het college het bouwplan en de begroting toetst, en
                                of het naar het oordeel van het college noodzakelijk is bij het
                                toetsen van het bouwplan en de begroting rekening te houden met
                                feiten en omstandigheden die gewijzigd zijn ten opzichte van het
                                moment waarop de voorziening is goedgekeurd, waardoor het eerder
                                genomen besluit kan worden herzien;</al></li><li nr="e."><al>de controle op en het afleggen van verantwoording over het besteden
                                van de beschikbaar te stellen middelen;</al></li><li nr="f."><al>De wijze waarop de aanbesteding plaatsvindt.</al></li><li nr="2."><al>Gezien het inkoop en aanbestedingsbeleid van de gemeente Bernheze,
                                geeft de aanvrager aan op welke wijze de aanbesteding en de
                                uitvoering van de goedgekeurde voorziening zal plaatsvinden. Daarbij
                                worden, voor zover van toepassing, gezien de aard van de
                                voorziening, de gestelde richtlijnen als bedoel in bijlage IV, deel
                                C in acht genomen.</al></li><li nr="3."><al>De inhoud van de afspraken of het feit dat het overleg niet tot
                                overeenstemming heeft geleid legt het college schriftelijk vast in
                                een verslag. De aanvrager ontvangt het verslag binnen 4 weken na het
                                overleg. Als de aanvrager niet binnen twee weken nadat het verslag
                                is ontvangen schriftelijk reageert, wordt, afhankelijk van de inhoud
                                van het vastgestelde verslag, geacht overeenstemming of geen
                                overeenstemming te zijn bereikt.</al></li><li nr="4."><al>Bij het toepassen van artikel 15, tweede lid, neemt het college
                                binnen 4 weken nadat overeenstemming is bereikt een beslissing over
                                het tijdstip waarop de bekostiging aanvangt. Het bepaalde in artikel
                                16 is daarbij van overeenkomstige toepassing.</al></li><li nr="5."><al>Als in het overleg geen overeenstemming is bereikt, deelt het
                                college dit binnen 4 weken nadat het verslag is vastgesteld
                                schriftelijk mede aan de aanvrager en vermeldt gelijktijdig dat het
                                bekostigen van de uitvoering van de voorziening wordt
                                opgeschort.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 15.Instemmen bouwplannen en begroting; tijdstip
                            aanvang bekostiging; toetsen wettelijke voorschriften en nieuwe feiten
                            en omstandigheden; overleggen offertes</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Nadat overeenstemming als bedoeld in artikel 14, derde lid, is
                                bereikt dient het bevoegd gezag het bouwplan en de bijbehorende
                                begroting in bij het college. Het bevoegd gezag houdt daarbij
                                rekening met de hierover gemaakte afspraken, bedoeld in artikel 14,
                                eerste lid. Gelijktijdig vermeldt het bevoegd gezag het tijdstip
                                waarop de bekostiging kan starten. Het college moet instemmen met
                                het bouwplan en de begroting voordat een bouwopdracht wordt
                                verleend.</al></li><li nr="2."><al>Het college beslist binnen 6 weken nadat de stukken zijn ontvangen
                                over de bouwplannen, de desbetreffende begroting en het tijdstip
                                waarop de bekostiging start. Het college kan, onder mededeling
                                daarvan aan de aanvrager, deze termijn verlengen met 3 weken. Als
                                niet binnen de gestelde termijn is besloten, wordt geacht instemming
                                te zijn verleend met de bouwplannen en de begroting en start de
                                bekostiging op het door de aanvrager aangegeven tijdstip. Het
                                college stelt de aanvrager binnen 2 weken na de datum van de
                                beslissing over het bouwplan, de desbetreffende begroting en het
                                tijdstip waarop de bekostiging start respectievelijk na de datum
                                waarop de instemming geacht wordt te zijn verleend hiervan
                                schriftelijk in kennis.</al></li><li nr="3."><al>Bij de beslissing, als bedoeld in het tweede lid, stelt het college
                                eveneens vast of de feiten en omstandigheden waarin de school
                                verkeerd ten opzichte van de feiten en omstandigheden ten tijde van
                                de vaststelling van de perspectiefnota en/of de begroting van de
                                gemeente Bernheze met genoemde voorziening, al dan niet ingrijpend
                                zijn gewijzigd. Bij een naar het oordeel van het college ingrijpende
                                wijziging van de feiten en omstandigheden, kan de omvang van de
                                voorziening worden aangepast of kan de voorziening alsnog niet voor
                                bekostiging in aanmerking komen.</al></li><li nr="4."><al>De vergoeding op basis van de feitelijke kosten wordt vastgesteld op
                                basis van de economisch meest voordelige inschrijving.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 16.Aanvang bekostiging</vet></al><al>Het college kan bij de beslissing over het tijdstip waarop de bekostiging
                        start bepalen dat de gelden in termijnen betaald worden. Het betalen van de
                        gelden vindt telkens plaats op een zodanig tijdstip dat de aanvrager kan
                        voldoen aan de financiële verplichtingen die voortkomen uit het realiseren
                        van voorziening, die is opgenomen in de begroting van de gemeente Bernheze. </al><al/><al><vet>Artikel 17.Vervallen aanspraak op bekostiging</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De aanspraak op bekostiging van een voorziening vervalt, indien de
                                aanvrager <vet>niet</vet> binnen één jaar na vaststelling van de
                                begroting van de gemeente Bernheze voor de betreffende voorziening
                                een bouwopdracht heeft verleend, dan wel een koop-, huur- of
                                erfpachtovereenkomst heeft gesloten.</al></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde:</al></li><li nr="a."><al>bouwopdrachten en overeenkomsten zijn onherroepelijk;</al></li><li nr="b."><al>bouwopdrachten vermelden de aanvangsdatum van het werk en de
                                termijn, uitgedrukt in het aantal werkbare dagen, waarbinnen het
                                werk wordt opgeleverd;</al></li><li nr="c."><al>huur- of erfpachtovereenkomsten vermelden de datum van
                                inwerkingtreding, alsmede de duur van de overeenkomst;</al></li><li nr="d."><al>koopovereenkomsten vermelden de datum van aankoop.</al></li><li nr="3."><al>De aanspraak op bekostiging vervalt niet als het overschrijden van
                                de in het eerste lid bedoelde termijn veroorzaakt wordt door:</al></li><li nr="a."><al>bijzondere omstandigheden die niet aan de aanvrager zijn toe te
                                rekenen, en</al></li><li nr="b."><al>de aanvrager 4 weken voor het verstrijken bovengenoemde periode van
                                een jaar een schriftelijk gemotiveerd verzoek tot het verlengen van
                                de termijn heeft ingediend bij het college.</al></li><li nr="4."><al>Het college beslist binnen vier weken over een verzoek tot het
                                verlengen van de termijn. Bij inwilliging van het verzoek wordt in
                                het besluit aangegeven tot welke datum de termijn wordt
                                verlengd.</al></li></lijst><al/><al><vet>Hoofdstuk 3. Aanvragen met spoedeisend karakter</vet></al><al/><al><vet>Artikel 18.Indienen aanvraag</vet></al><al>Een aanvraag tot het bekostigen van een voorziening die gelet op de
                        voortgang van het onderwijs geen uitstel kan lijden, wordt binnen twee weken
                        na het ontstaan van de calamiteit ingediend bij het college. </al><al/><al><vet>Artikel 19.Inhoud aanvraag</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Een aanvraag als bedoeld in artikel 18 vermeldt naast de gegevens
                                genoemd in artikel 7, eerste lid, de omstandigheden waarom de
                                voorziening spoedeisend wordt geacht.</al></li><li nr="2."><al>Het college stelt de aanvrager binnen 2 weken na de datum waarop de
                                aanvraag is ingediend schriftelijk op de hoogte als gegevens als
                                bedoeld in het eerste lid ontbreken. De aanvrager heeft vervolgens 2
                                weken de tijd om de ontbrekende gegevens aan te vullen. Als dit niet
                                gebeurt, neemt het college de aanvraag niet in behandeling.</al></li></lijst><al/><al><vet>Paragraaf 3.2 Beoordelen aanvraag; uitvoeren
                        besluit</vet></al><al/><al><vet>Artikel 20.Tijdstip beslissing</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het college beslist binnen zes weken nadat de aanvraag is ontvangen
                                of, binnen zes weken nadat de aanvullende gegevens zijn verstrekt of
                                hadden moeten zijn verstrekt.</al></li><li nr="2."><al>Als een beschikking niet binnen de gestelde termijn kan worden
                                gegeven, deelt het college dit aan de aanvrager schriftelijk mede en
                                noemt daarbij een redelijke termijn waarbinnen de beschikking wel
                                tegemoet kan worden gezien.</al></li><li nr="3."><al>Het college stelt de aanvrager binnen twee weken na de datum van de
                                beslissing schriftelijk van de beslissing in kennis.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 21.Uitvoeren beslissing</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Na het bekendmaken van een beslissing als bedoeld in artikel 20,
                                eerste lid, waarbij een vergoeding is toegewezen, treedt het college
                                zo spoedig mogelijk in overleg met de aanvrager over de wijze waarop
                                de voorziening wordt uitgevoerd. Het bepaalde in de artikelen 14,
                                15, 16 en 17 lid 2 t/m 4 is daarbij van overeenkomstige
                                toepassing.</al></li><li nr="2."><al>Binnen drie maanden na bekendmaking van een beslissing als bedoeld
                                in het eerste lid geeft de aanvrager een bouwopdracht of sluit hij
                                een koop-, huur- of erfpachtovereenkomst af. Hiervan zendt hij
                                binnen twee weken een afschrift aan het college. De aanspraak op
                                bekostiging vervalt als niet aan deze verplichtingen wordt
                                voldaan.</al></li></lijst><al/><al><vet>Hoofdstuk 4. Medegebruik en verhuur Paragraaf 4.1
                            Medegebruik voor onderwijs of educatie</vet></al><al/><al><vet>Artikel 22. Aanduiden omstandigheden</vet></al><al>Het college kan overgaan tot het vorderen van een gedeelte van een voor een
                        school bestemd gebouw of terrein als:</al><lijst><li nr="a."><al>door medegebruik aan de behoefte aan huisvesting kan worden voorzien
                                van een school waarbij overeenkomstig bijlage III, deel C, een
                                aanvullende ruimtebehoefte is vastgesteld en het bevoegd gezag van
                                die school een aanvraag als bedoeld in de artikelen 6 of 18 heeft
                                ingediend;</al></li><li nr="b."><al>leegstand is vastgesteld in een lesgebouw van een school;</al></li><li nr="c."><al>leegstand is vastgesteld in een lokaal bewegingsonderwijs van een
                                school.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 23. Omschrijving leegstand</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Er is sprake van leegstand in een schoolgebouw als overeenkomstig
                                bijlage III, deel C, is vastgesteld dat de vastgestelde capaciteit
                                van het gebouw groter is dan de vastgestelde ruimtebehoefte.</al></li><li nr="2."><al>Er is sprake van leegstand in een lokaal bewegingsonderwijs
                                als:</al></li><li nr="a."><al>het lokaal wordt gebruikt door een of meer scholen voor
                                basisonderwijs ende som van het aantal klokuren gebruik
                                dat door het college is vastgesteld minder is dan 40 klokuren;</al></li><li nr="b."><al>het lokaal wordt gebruikt door een of meer scholen voor voortgezet
                                onderwijs en uit de overeenkomstig bijlage III, deel B, vastgestelde
                                ruimtebehoefte blijkt dat het lokaal minder dan 40 lesuren wordt
                                gebruikt, tenzij het bevoegd gezag op basis van het lesrooster of de
                                lesroosters voor het lopende of eerstkomende schooljaar aantoont dat
                                dit niet het geval is;</al></li><li nr="c."><al>het lokaal wordt gebruikt door een of meer scholen voor
                                basisonderwijs of voortgezet onderwijs en de som van de
                                berekeningswijzen, bedoeld onder a en b, minder is dan 40
                                klokuren.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 24. Nalaten vorderen </vet></al><al>Het college vordert geen medegebruik als het bevoegd gezag de leegstand van
                        het gebouw waarin het beoogde medegebruik moet plaatsvinden, in gebruik
                        heeft gegeven aan een andere school of scholen voor het onderwijs aan die
                        school of scholen, tenzij dat gebruik kan plaatsvinden in de voor die
                        scholen al beschikbare huisvestingscapaciteit.</al><al/><al><vet>Artikel 25. Overleg en mededeling</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Voordat het college overgaat tot vorderen in het kader van een
                                aanvraag als bedoeld in artikel 6 overlegt het daarover met de
                                betrokken bevoegde gezagsorganen tijdens het overleg als bedoeld in
                                artikel 9.</al></li><li nr="2."><al>Voordat het college overgaat tot vorderen in het kader van een
                                aanvraag als bedoeld in artikel 18, overlegt het daarover zo spoedig
                                mogelijk met de betrokken bevoegde gezagsorganen.</al></li><li nr="3."><al>Binnen één week na het overleg, bedoeld in het vorige lid, deelt het
                                college het bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt schriftelijk mede
                                dat gevorderd wordt.</al></li><li nr="4."><al>De schriftelijke mededeling van het college bevat in ieder
                                geval:</al></li><li nr="a."><al>de naam van de school en het bevoegd gezag waarvoor wordt
                                gevorderd;</al></li><li nr="b."><al>een aanduiding van het aantal leerlingen waarvoor gevorderd wordt
                                of, als het betreft het bewegingsonderwijsonderwijs, het aantal
                                klokuren dat gevorderd wordt;</al></li><li nr="c."><al>het gebouw waarop de vordering betrekking heeft;</al></li><li nr="d."><al>het aantal vierkante meters bruto vloeroppervlakte dat gevorderd
                                wordt;</al></li><li nr="e."><al>de periode waarvoor gevorderd wordt, en</al></li><li nr="f."><al>de ingangsdatum van het medegebruik.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 26. Vergoeding</vet></al><al> De betrokken bevoegde gezagsorganen stellen in onderling overleg de
                        vergoeding voor het medegebruik vast. Hierbij wordt als uitgangspunt genomen
                        dat de vergoeding kostendekkend dient te zijn. Als geen overeenstemming
                        wordt bereikt stellen partijen in onderling overleg vast welke handelswijze
                        wordt gevolgd.</al><al/><al><vet>Paragraaf 4.2 Medegebruik voor culturele, maatschappelijke of
                            recreatieve doeleinden</vet></al><al/><al><vet>Artikel 27. Overleg en mededeling</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Voordat het college overgaat tot vorderen overlegt het college met
                                het bevoegd gezag.</al></li><li nr="2."><al>In het overleg komt in ieder geval aan de orde:</al></li><li nr="a."><al>voor welke activiteit of activiteiten gevorderd wordt;</al></li><li nr="b."><al>of die activiteit of activiteiten zich verdragen met het onderwijs
                                aan de in het gebouw gevestigde school;</al></li><li nr="c."><al>of maatregelen noodzakelijk zijn om te voorkomen dat het onderwijs
                                aan de in het gebouw gevestigde school hinder van het medegebruik
                                ondervindt;</al></li><li nr="d."><al>wat naar oordeel van het college en het bevoegd gezag een redelijke
                                vergoeding voor het medegebruik is;</al></li><li nr="e."><al>de datum waarop het medegebruik redelijkerwijs aanvang kan
                                nemen.</al></li><li nr="3."><al>Binnen vier weken na het overleg deelt het college het bevoegd gezag
                                waarvan medegebruik gevorderd wordt schriftelijk mede dat gevorderd
                                wordt. Als het overleg heeft geleid tot afspraken, worden ook deze
                                opgenomen in de schriftelijke mededeling. Als het overleg niet tot
                                volledige overeenstemming heeft geleid, dan bevat de mededeling de
                                beslissing van het college over de punten waarover geen
                                overeenstemming was bereikt.</al><al/></li></lijst><al><vet>Paragraaf 4.3 Verhuur</vet></al><al/><al><vet>Artikel 28. Verzoek toestemming college</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het bevoegd gezag verzoekt het college schriftelijk om toestemming
                                als bedoeld in artikel 108, eerste lid, van de Wet op het primair
                                onderwijs, of artikel 76s, eerste lid, van de Wet op het voortgezet
                                onderwijs voordat een huurovereenkomst wordt gesloten.</al></li><li nr="2."><al>Het verzoek bevat een aanduiding van de huurder en van de bestemming
                                van de te verhuren ruimte.</al></li><li nr="3."><al>Het college kan aan de toestemming de voorwaarde verbinden dat voor
                                de verhuur een huur is verschuldigd.</al></li></lijst><al/><al><vet>Hoofdstuk 5. Einde gebruik gebouwen en terreinen</vet></al><al/><al><vet>Artikel 29. Staat van onderhoud</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Als het bevoegd gezag aan het college schriftelijk meldt dat een
                                gebouw of terrein niet meer nodig is voor het huisvesten van een
                                school stelt het college vast of er mogelijk sprake is van
                                achterstallig onderhoud aan het gebouw of terrein.</al></li><li nr="2."><al>Als het college vaststelt dat er sprake is van achterstallig
                                onderhoud wordt voordat de eigendomsoverdracht plaatsvindt een staat
                                van onderhoud opgemaakt.</al></li><li nr="3."><al>De staat van onderhoud wordt na overleg met het bevoegd gezag
                                opgemaakt in opdracht van het college.</al></li><li nr="4."><al>Over de staat van onderhoud wordt overleg gevoerd met het bevoegd
                                gezag.</al></li><li nr="5."><al>Als uit de staat van onderhoud blijkt dat sprake is van
                                achterstallig onderhoud wordt in het overleg vastgesteld welk deel
                                hiervan voor rekening van het bevoegd gezag komt en of het bevoegd
                                gezag opdracht verstrekt voor het uitvoeren van de werkzaamheden, of
                                dat het bevoegd gezag een in overleg vast te stellen bedrag aan het
                                college betaalt. Als geen overeenstemming wordt bereikt, stellen
                                partijen vast welke handelwijze verder gevolgd wordt.</al></li><li nr="6."><al>Het opmaken van een staat van onderhoud blijft achterwege als dit
                                naar het oordeel van het college niet nodig is.</al></li></lijst><al/><al><vet>Hoofdstuk 6. Gebruik lokaal bewegingsonderwijs
                            doorbasisonderwijs</vet></al><al/><al><vet>Artikel 30. Mutaties aantal klokuren binnen beschikbare capaciteit,
                            inroosteren en gebruik</vet></al><lijst><li nr=""><lijst><li nr="1."><al>Het college verstuurt jaarlijks uiterlijk vier maanden voor
                                        start van het nieuwe schooljaar een aanvraagformulier voor
                                        opgave van de voor het nieuwe schooljaar voor de school
                                        gewenst onderwijsgebruik van een gymnastiekruimte.</al></li><li nr="2."><al>Het bevoegd gezag van een school voor basisonderwijs
                                        verstrekt de opgave uiterlijk vier weken na ontvangst van
                                        het aanvraagformulier. Deze opgave bevat de volgende
                                        gegevens:</al></li></lijst></li><li nr="a."><al>de gewenste omvang van het onderwijsgebruik uitgedrukt in een aantal
                                klokuren;</al></li><li nr="b."><al>de aanduiding van de gymnastiekruimte of – ruimten waarin het
                                gebruik wordt gewenst;</al></li><li nr="c."><al>de tijden waarop het onderwijs gedurende de schoolweek wordt
                                gewenst.</al></li><li nr="3."><al>Het college stelt jaarlijks uiterlijk vier weken voor einde van het
                                huidige schooljaar het aantal klokuren bewegingsonderwijs vast
                                waarop een school voor basisonderwijs in het daaropvolgende
                                schooljaar aanspraak maakt.</al></li><li nr="4."><al>Grondslag voor het berekenen van het aantal klokuren is het aantal
                                leerlingen dat op 1 oktober van het lopende schooljaar op de school
                                staat ingeschreven.</al></li><li nr="5."><al>Het college vertaalt het aantal klokuren uiterlijk vier weken voor
                                einde van het huidige schooljaar in een voorstel tot inroostering
                                voor het gebruik van de lokalen bewegingsonderwijs, waarbij het
                                college rekening houdt met de volgende uitgangspunten:</al></li><li nr="a."><al>de afstanden in relatie tot de omvang van het onderwijsgebruik van
                                een lokaal bewegingsonderwijs, bedoeld in bijlage I, deel B;</al></li><li nr="b."><al>een school waarvan het bevoegd gezag eigenaar is van het lokaal
                                bewegingsonderwijs wordt voor de school als eerste ingeroosterd voor
                                het lokaal bewegingsonderwijs, en</al></li><li nr="c."><al>het bewegingsonderwijs van een school wordt zoveel mogelijk
                                ingeroosterd in één lokaal bewegingsonderwijs.</al></li><li nr="6."><al>Het college stelt het bevoegd gezag, nadat het rooster voorlopig is
                                vastgesteld, uiterlijk vier weken voor einde van het huidige
                                schooljaar in kennis van het rooster. Hierbij worden per school de
                                volgende gegevens vermeld:</al></li><li nr="a."><al>het aantal klokuren waarvoor de school wordt ingeroosterd;</al></li><li nr="b."><al>het lokaal bewegingsonderwijs dat voor het bewegingsonderwijs is
                                toegewezen, en</al></li><li nr="c."><al>de lestijden gedurende welke het onderwijsgebruik plaatsvindt.</al></li><li nr="7."><al>De bevoegde gezagsorganen kunnen binnen twee weken reageren op het
                                voorgestelde rooster.</al></li><li nr="8."><al>Op verzoek van de bevoegde gezagsorganen kan het college een overleg
                                over het voorstel plannen. In het overleg kunnen de
                                vertegenwoordigers van de bevoegde gezagsorganen reageren op het
                                voorstel.</al></li><li nr="9."><al>Het college stelt het rooster uiterlijk één week voor het einde van
                                het schooljaar definitief vast en houdt hierbij rekening met de
                                reacties van de bevoegde gezagsorganen.</al></li><li nr="10."><al>Het bevoegd gezag kan het college verzoeken meer klokuren in te
                                roosteren dan het aantal klokuren dat door het college is
                                vastgesteld.</al></li><li nr="11."><al>Het college neemt een verzoek als bedoeld in het vorige lid
                                uitsluitend in behandeling als daarvoor nog capaciteit beschikbaar
                                is. Het aantal klokuren dat door het college extra wordt
                                ingeroosterd komt voor rekening van het bevoegd gezag van de school.
                            </al></li></lijst><al/><al><vet>Hoofdstuk 7. Slotbepalingen</vet></al><al/><al><vet>Artikel 31. Beslissing college in gevallen waarin de verordening niet
                            voorziet</vet></al><al> In gevallen die de uitvoering van deze verordening betreffen en waarin deze
                        verordening niet voorziet beslist het college. </al><al/><al><vet>Artikel 32. Indexering</vet></al><al> Het college stelt jaarlijks de in het kader van deze verordening
                        gehanteerde normbedragen voor de vergoeding van voorzieningen bij op basis
                        van de in bijlage IV opgenomen systematiek van prijsbijstelling.</al><al/><al><vet>Artikel 33. Bijlagen</vet></al><al>Deze verordening wordt vergezeld van onderstaande bijlagen, die hiermee
                        onlosmakelijk verbonden zijn:</al><al>I Beoordelingscriteria noodzaak aangevraagde voorzieningen</al><al>II Prognosecriteria</al><al>III Criteria vaststellen capaciteit, ruimtebehoefte en aanvullende
                        ruimtebehoefte</al><al>IV Normbedragen voor vergoeding en indexering</al><al>V Criteria voor het vaststellen van de prioriteit van de aangevraagde
                        voorziening</al><al/><al><vet>Artikel 34. Inwerkingtreding en citeertitel en intrekking oude
                            regeling</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening voorzieningen
                                huisvesting onderwijs Bernheze 2015.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening treedt met terugwerkende kracht in werking op 1
                                januari 2015.</al></li><li nr="3."><al>De Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs 2009 wordt
                                ingetrokken.</al><al/></li></lijst></tekst></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 28 mei 2015.</ondertekening><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de griffier</ondertekening><ondertekening>J.H.M. van den Oever</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de voorzitter</ondertekening><ondertekening>drs. M.A.H. Moorman</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><al><vet>Artikelsgewijze toelichting Verordening Voorzieningen Huisvesting onderwijs
                        Bernheze 2015</vet></al><al><vet>Artikel 1. Begripsbepalingen</vet></al><al>De begripsomschrijving ‘bevoegd gezag’ en ‘aanvrager’ omvatten alle bevoegde
                    gezagsorganen die een volgens de wet bekostigde voorziening onderwijshuisvesting
                    in stand houden die geheel of gedeeltelijk staat op het grondgebied van de
                    gemeente (hoofdvestiging, nevenvestiging, tijdelijke nevenvestiging,
                    dislocatie). </al><al>Naast de algemene begrippen zijn hier ook een aantal begrippen opgenomen, die
                    specifiek worden gehanteerd in de Verordening voorzieningen huisvesting
                    onderwijs Bernheze 2015, omdat in deze verordening de procedure is afgestemd op
                    de algemene procedure voor planning en control (bv IHP).</al><al><vet>Artikel 2. Omschrijving voorzieningen in de huisvesting</vet></al><al>Artikel 2 vermeldt de voorzieningen onderwijshuisvesting die op grond van de Wet
                    op het primair onderwijs en de Wet op het voortgezet onderwijs (WVO) door het
                    bevoegd gezag bij het college kunnen worden aangevraagd. Deze hebben een
                    limitatief karakter. Dit betekent dat het college deze niet kan inperken. Niet
                    alleen voor de schoolgebouwen, maar ook voor de lokalen bewegingsonderwijs kan
                    een voorziening huisvesting onderwijs worden aangevraagd. Voorzieningen die een
                    bevoegd gezag wenst, maar die niet in de onderwijswetten zijn opgenomen, dus
                    geen voorziening in de onderwijshuisvesting zijn, vallen buiten het bereik van
                    deze verordening. Dit gaat om voorzieningen waarvoor het bevoegd gezag een
                    vergoeding van de minister van OCW ontvangt via de rijksvergoeding materiële
                    instandhouding (bijv. onderhoud, aanpassingen, vervangen cv-ketel, meubilair).
                    Het college wijst een dergelijk aangevraagde voorziening af op grond van artikel
                    100, eerste lid, onder a, van de WPOen artikel 76k, onder a, van de
                    WVO.</al><al>In het kader van lokaal maatwerk heeft het college de vrijheid om aanvullende
                    voorzieningen te bekostigen. Daarbij geldt dat de gemeenten geen uitgaven mogen
                    doen voor een niet door de gemeente in stand gehouden school dan op grond van de
                    wet (artikel 6 van de WPO artikel 77 van de WVO). Voor het bekostigen van de
                    voorzieningen die geen onderdeel uitmaken van de voorzieningen
                    onderwijshuisvesting moet zodoende een andere juridische basis worden
                    vastgesteld. Voor het bekostigen van deze voorzieningen geldt de Verordening
                    materiële financiële gelijkstelling onderwijs Bernheze 2015.</al><al><cursief>Onderdeel a. De voor blijvend of voor tijdelijk gebruik bestemde
                        voorzieningen</cursief></al><al>1° Het begrip nieuwbouw omvat tevens het begrip vervangende nieuwbouw.</al><al>2° Uitbreiding is het gevolg van een toename van het aantal leerlingen op de
                    school. Het bevoegd gezag komt voor het bekostigen van uitbreiding in aanmerking
                    als wordt voldaan aan de in bijlage I opgenomen criteria (noodzaak van de
                    voorziening) en de gevraagde uitbreiding gelijk of groter is dan de in bijlage
                    III, deel C, opgenomen drempelwaarde.</al><al>3° Ingebruikgeving kan plaatsvinden als een aanvraag voor het bekostigen van de
                    voorziening (vervangende) nieuwbouw of uitbreiding is ontvangen en het college
                    een bestaand gebouw of een gedeelte daarvan beschikbaar heeft. Het kan gaan om
                    een onderwijsgebouw dat geheel leeg staat en nog een onderwijsbestemming heeft,
                    maar ook om een niet-onderwijsgebouw. Bij ingebruikgeving van een
                    onderwijsgebouw of een niet-onderwijsgebouw moet het gebouw geschikt zijn of
                    geschikt gemaakt worden voor het onderwijs van de betreffende school. Een
                    schoolgebouw van een school voor basisonderwijs is bijv. niet automatisch
                    geschikt voor het huisvesten van een speciale school voor basisonderwijs. Het in
                    gebruik geven van een gebouw moet worden onderscheiden van medegebruik, zie
                    8°.</al><al>4° Verplaatsing is alleen mogelijk van die lokalen die gelet op de bouwaard van
                    het gebouw verplaatst kunnen worden. Dit betreft over het algemeen tijdelijke
                    huisvesting die in semipermanente gebouwen is gerealiseerd.</al><al>5° Terrein is noodzakelijk voor het realiseren van nieuwbouw en kan noodzakelijk
                    zijn bij vervangende nieuwbouw en uitbreiding. Of bij vervangende nieuwbouw en
                    uitbreiding terrein noodzakelijk is, is afhankelijk van de situering van de
                    voorgenomen investering en de oppervlakte van het terrein.</al><al>6°/7° Onderwijsleerpakket en meubilair wordt in principe alleen toegekend op het
                    moment dat ook nieuwbouw (eerste voorziening) en uitbreiding van een
                    schoolgebouw of lokaal bewegingsonderwijs wordt toegekend. Een uitzondering is
                    de situatie dat het college een school heeft gehuisvest in een schoolgebouw dat
                    een grotere capaciteit heeft dan de ruimtebehoefte en de toekenning van de
                    eerste inrichting is gebaseerd op het werkelijk aantal leerlingen vanaf de start
                    van de school. In die situatie heeft het bevoegd gezag nog aanspraak op
                    bekostiging van eerste inrichting bij toename van het aantal leerlingen als
                    wordt voldaan aan de drempelwaarde genoemd in bijlage III, deel C. Bij
                    vervangende nieuwbouw wordt geen eerste inrichting toegekend omdat het bevoegd
                    gezag in het verleden al bekostiging voor de eerste inrichting heeft ontvangen.
                    Zie verder de toelichting in bijlage III, deel C.</al><al>8° Medegebruik is het gebruik van ruimte in een schoolgebouw of lokaal
                    bewegingsonderwijs die het bevoegd gezag, dat juridisch eigenaar is, niet nodig
                    heeft voor het huisvesten van het aantal leerlingen dat op de school staat
                    ingeschreven. Er is dan sprake van ‘leegstand’. Medegebruik is uitsluitend
                    mogelijk als de leegstand hoger is dan de in bijlage III, deel C, opgenomen
                    drempelwaarde resp. het lokaal bewegingsonderwijs niet volledig is
                    ingeroosterd.</al><al><cursief>Onderdeel b. Herstel van constructiefouten</cursief></al><al>Voor de omschrijving van het begrip ‘constructiefouten’ is aangesloten bij een
                    ‘definitie’ die in het verleden door middel van jurisprudentie tot stand is
                    gekomen. Als een constructiefout de voortgang van het onderwijs belemmert kan
                    voor het herstel van de constructiefout de spoedprocedure (artikel 19 e.v.)
                    worden gevolgd. Is er geen sprake van een bedreiging voor de voortgang van het
                    onderwijs, dan kan het herstel worden aangevraagd op grond van de reguliere
                    procedure. </al><al><cursief>Onderdeel c. Herstel in verband met schade</cursief></al><al>In de onderwijswetten is als voorziening huisvesting onderwijs het begrip
                    ‘bijzondere omstandigheden’ opgenomen. Dit begrip is in de verordening niet
                    verder uitgewerkt, omdat ‘bijzondere’ omstandigheden zich niet uitputtend laten
                    beschrijven. Voor het bekostigen van ‘herstel en vervanging in verband met
                    schade aan een gebouw’ geldt de aanvraagprocedure van het programma, of de
                    aanvraagprocedure in het kader van spoedeisendheid (de voortgang van het
                    onderwijs wordt belemmerd door bijv. schade door inbraak of brand). Het college
                    kan zich voor deze zaken verzekeren. Heeft het college geen verzekering
                    afgesloten, dan is sprake van ‘eigen risico’ voor het college. </al><al>Onderdeel d. Huur van een sportterrein</al><al>Deze voorziening is noodzakelijk als in de gemeente een school voor voortgezet
                    onderwijs is gevestigd. Onder de voorwaarden genoemd in bijlage I, deel B, onder
                    B.4 en bijlage IV, onder F kan een schoolbestuur in het voortgezet onderwijs
                    aanspraak maken op een vergoeding voor het huren van een sportterrein voor
                    buitensportactiviteiten. Voorwaarde is dat het schoolbestuur niet beschikt over
                    een eigen sportterrein en geen gebruik kan maken van een met gemeentelijke
                    middelen gerealiseerd sportterrein.</al><al><vet>Artikel 3. Voorbereidingskrediet</vet></al><al>Het voorbereidingskrediet kan worden aangevraagd voor zowel de situatie dat de
                    investering wordt bekostigd op basis van de normbedragen als op basis van de
                    feitelijke kosten. Doelstelling van het voorbereidingskrediet is dat het bevoegd
                    gezag vroegtijdig kan starten met de voorbereiding van een bouwplan.
                    Uitgangspunt van het voorbereidingskrediet is dat er een principebesluit ligt
                    dat de voorziening, waarvoor het voorbereidingskrediet wordt aangevraagd, na het
                    indienen van de aanvraag voor het bekostigen van de voorziening op het
                    eerstvolgende programma wordt opgenomen. Het voorbereidingskrediet stelt het
                    bevoegd gezag in de gelegenheid om een voor aanbesteding gereed bouwplan te
                    ontwikkelen resp. een aanbesteding te laten plaatsvinden. Uitsluitend als de
                    investering wordt bekostigd op basis van de feitelijke kosten wordt de op basis
                    van het bouwplan opgestelde kostenraming resp. de uitkomst van de aanbesteding
                    opgenomen op het programma. Heeft voorafgaande aan het vaststellen van het
                    programma nog geen aanbesteding plaatsgevonden, dan kan de aanbesteding of het
                    vragen van offertes plaatsvinden nadat het programma is vastgesteld. Door te
                    werken met een voorbereidingskrediet kan het realiseren van een bouwplan worden
                    bespoedigd. Het beschikbaar gestelde voorbereidingskrediet maakt onderdeel uit
                    van het totale investeringsbedrag en wordt in mindering gebracht op het totaal
                    vastgestelde investeringskrediet.</al><al><vet>Artikel 4. Vaststellen vergoeding voorzieningen</vet></al><al>Dit artikel bepaalt op welke wijze de voorzieningen huisvesting onderwijs worden
                    bekostigd. Dit kan op basis van normbedragen (normatieve kosten) of op basis van
                    feitelijke kosten. De normbedragen voor de diverse voorzieningen die op basis
                    daarvan worden bekostigd zijn opgenomen in bijlage IV, deel B.</al><al>In onze verordening wordt afgeweken van de modelverordening. De normbedragen,
                    genoemd in bijlage IV dienen als bekostigingsplafond voor de betreffende
                    voorziening. Dit betekent dat als de feitelijke kosten hoger zijn dan het
                    normbedrag dan komen de meerkosten voor rekening van het schoolbestuur. Zijn de
                    kosten lager (= uitkomst aanbesteding) dan worden alleen de feitelijke kosten
                    vergoed en valt het verschil tussen de feitelijke kosten en het normbedrag terug
                    aan de gemeente. </al><al>Het bedrag van de bekostiging, gebaseerd op de feitelijke kosten, wordt
                    vastgesteld op basis van ontvangen offertes (de zgn. offertelijn, zie ook
                    artikel 15, tweede lid).</al><al><vet>Artikel 5. Informatieverstrekking</vet></al><al>Dit artikel verplicht het bevoegd gezag aan het college alle informatie te
                    verstrekken die noodzakelijk is om de verordening voorzieningen huisvesting
                    onderwijs op een verantwoorde wijze te kunnen uitvoeren (zie artikel 112 van de
                    WPO en artikel 76w van de WVO). Deze informatie staat los van de informatie die
                    wordt gevraagd als onderdeel van een aanvraag voor het bekostigen van een
                    voorziening. Het betreft de actuele gegevens, zoals:</al><lijst><li nr="-"><al>gegevens van het bevoegd gezag (o.a. naam en adres voorzitter en
                            secretaris en bankrekeningnummer);</al></li><li nr="-"><al>gegevens van de school (o.a. naam school, naam directeur, adres school,
                            telefoonnummer);</al></li><li nr="-"><al>bruto vloeroppervlakte schoolgebouw;</al></li><li nr="-"><al>naam contactpersoon;</al></li><li nr="-"><al>medegebruik/verhuur.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 6. Indienen aanvraag</vet></al><al>Ook in de situatie dat de gemeenteraad in overleg met de bevoegde gezagsorganen
                    een meerjarig huisvestingsbeleid (Integraal Huisvestingsplan, (IHP) heeft
                    vastgesteld (het zgn. ‘consensusmodel’) moet een aanvraag wordt ingediend. De
                    reden is dat een IHP geen juridische status heeft.</al><al>Is het college of een bestuurscommissie ex artikel 82 van de Gemeentewet bevoegd
                    gezag van een openbare school (= integraal bestuur) dan gelden dezelfde
                    procedures en termijnen als voor een bestuur van een bijzondere school. In de
                    bestuurspraktijk is het geen unieke situatie dat een college bij het eigen
                    orgaan een verzoek indient (voor het realiseren van een gemeentelijk project -
                    bijv. stadhuis - moet het college bij zichzelf een verzoek om een bouwvergunning
                    indienen). Dit betekent dat het college altijd moet kunnen aantonen dat men de
                    ‘eigen’ aanvragen ook daadwerkelijk in alle opzichten gelijk behandelt ten
                    opzichte van de andere aanvragen. </al><al><vet>Artikel 7. Inhoud aanvraag; gelegenheid tot aanvullen aanvraag; niet
                        behandelen onvolledige aanvraag</vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Dit lid bepaalt welke gegevens het bevoegd gezag moet aanleveren wil het college
                    de aanvraag in behandeling kunnen nemen. Naast de gegevens van bevoegd gezag en
                    school moet de aanvraag voor de onderbouwing van de benoemde voorzieningen
                    huisvesting onderwijs worden onderbouwd met een leerlingenprognose en/of een
                    bouwkundige rapportage. Uitgangspunt is dat het bevoegd gezag bij de aanvraag
                    een leerlingenprognose indient.Het college en het bevoegd gezag kunnen
                    overeenkomen dat het college een leerlingenprognose opstelt voor alle
                    basisscholen en dat deze leerlingenprognose dan bepalend is als onderbouwing van
                    de aanvraag. Een bevoegd gezag van een school voor basisonderwijs kan dan afzien
                    van het laten opstellen van een leerlingenprognose.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Het tweede lid bepaalt dat het college het bevoegd gezag in staat moet stellen,
                    als de ontvangen aanvraag niet volledig is, deze ontbrekende gegevens binnen de
                    in dit lid gestelde termijn aan te vullen. Is de ontvangen aanvraag ook op de
                    hersteldatum niet volledig dan besluit het college de aanvraag niet in
                    behandeling te nemen. Dit besluit is een voor bezwaar en beroep vatbare
                    beslissing.</al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Voor het vaststellen van de noodzaak van o.a. de voorzieningen (vervangende)
                    nieuwbouw en uitbreiding is het aantal leerlingen dat op de school staat
                    ingeschreven van wezenlijk belang. Schoolbesturen zijn verplicht deze gegevens
                    aan te leveren via de Basisregistratie Onderwijs (BRON). Vaak is de ingediende
                    aanvraag gebaseerd op het aantal leerlingen dat op de school staat ingeschreven
                    op 1 oktober van het jaar dat voorafgaat aan het indienen van de aanvraag (bijv.
                    bij de aanvraag voor programma 2016 is opgenomen het aantal leerlingen op de
                    teldatum 1 oktober 2014), in deze situatie moet het college tijdig beschikken
                    over het werkelijk aantal ingeschreven leerlingen op de wettelijke teldatum van
                    1 oktober, voorafgaande aan het jaar waarvoor het programma wordt vastgesteld.
                    Met de gegevens van de laatste teldatum kan worden vastgesteld of de eerder
                    aangevraagde voorziening, die mogelijk wordt toegekend omdat aan de in bijlage I
                    tot en met III gestelde criteria is voldaan, op basis van de laatste gegevens
                    ook daadwerkelijk noodzakelijk is. </al><al><vet>Artikel 8. Opgave ingediende aanvragen</vet></al><al>Dit artikel verplicht het college om alle bevoegde gezagsorganen een overzicht
                    beschikbaar te stellen van alle ingediende aanvragen. Met dit overzicht hebben
                    alle bevoegde gezagsorganen inzicht in wat er aan aanvragen, zowel vanuit het
                    bijzonder als het openbaar onderwijs is ontvangen en of deze aanvragen al of
                    niet in behandeling worden genomen. Dit betreft algemene informatie en gaat
                    vooraf aan het beoordelen van de aanvragen.</al><al><vet>Artikel 9. Toelichting aanvraag; overleg over ingediende
                    begroting</vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>De mogelijkheid om een nadere toelichting/verduidelijking te vragen of te geven
                    is bedoeld om mogelijke onduidelijkheden over de op zich complete aanvragen te
                    bespreken voordat de aanvraag wordt voorgelegd aan het bestuurlijk overleg
                    (artikel 10). Door een nadere toelichting wordt voorkomen dat het bestuurlijk
                    overleg onnodig belast wordt door allerlei vragen over onduidelijkheden in de
                    aanvragen.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Voor een voorziening waarvan de vergoeding wordt gebaseerd op de feitelijke
                    kosten wordt bij de aanvraag een kostenraming ingediend. Is het college na het
                    beoordelen van de ontvangen kostenraming van oordeel dat de kostenraming op een
                    of meer onderdelen moet worden bijgesteld dan vindt hierover overleg plaats met
                    het bevoegd gezag. Als in het overleg geen overeenstemming wordt bereikt over de
                    kostenraming bepaalt het college de hoogte van de geraamde kosten die in het
                    kader van het vast te stellen programma worden toegekend. Het college moet in de
                    beschikking wel motiveren waarom op het programma is afgeweken van het bedrag
                    dat door het bevoegd gezag bij de aanvraag is overlegd.</al><al><vet>Artikel 10. Overleg programma en overzicht; advies Onderwijsraad</vet></al><al><cursief>Lid 1-4</cursief></al><al>Het college is verplicht, voordat het programma en overzicht wordt vastgesteld,
                    overleg te voeren met het onderwijsveld over het voorgenomen besluit. In
                    afwijking van het wettelijke verplichte overleg over het vaststellen of wijzigen
                    van de verordening voorzieningen huisvesting onderwijs (artikel 102 van de WPO
                    en artikel 76m van de WVO) is dit overleg geen ‘op overeenstemming gericht
                    overleg’. Uitgangspunt is dat het bedoelde overleg plaatsvindt met alle bevoegde
                    gezagsorganen. In plaats van een overleg met alle bevoegde gezagsorganen kan het
                    college besluiten het overleg in te richten per onderwijssector (primair en
                    voortgezet onderwijs). Het overleg over de voorzieningen huisvesting onderwijs
                    kan ook ingebed worden in een breder gestructureerd overleg in het kader van het
                    lokaal onderwijsbeleid, de zgn. lokaal educatieve agenda. Het staat de aanvrager
                    die niet aan het overleg deelneemt vrij om zijn standpunten schriftelijk kenbaar
                    te maken. Degenen die wel aan het overleg deelnemen, moeten voorafgaande aan het
                    overleg op de hoogte zijn van de schriftelijke ingebrachte standpunten, zodat ze
                    daar in het overleg eventueel op kunnen reageren.</al><al><cursief>Lid 5-8</cursief></al><al>De leden 5-8 zijn gebaseerd op artikel 102, zesde lid, van de WPO en artikel 76m
                    van de WVO. Zowel een bevoegd gezag als het college kan de Onderwijsraad advies
                    vragen over het voornemen tot het vaststellen van het programma voorzieningen
                    huisvesting onderwijs. De leden 5 t/m 8 vermelden de procedure die moet worden
                    gevolgd voor het vragen van dit advies. De adviesaanvraag moet betrekking hebben
                    op de relatie tussen het voorgenomen besluit tot het vaststellen van het
                    programma voorzieningen huisvesting onderwijs en de aspecten van vrijheid van
                    richting en vrijheid van inrichting. Het college is in alle gevallen verplicht
                    het verzoek om advies in te dienen bij de Onderwijsraad en dit verzoek goed te
                    documenteren. Daarnaast moet het verzoek vergezeld gaan van alle stukken die
                    relevant (kunnen) zijn voor de adviseur (artikel 3:9 van de Algemene wet
                    bestuursrecht (Awb)). De Onderwijsraad stelt zich namelijk op het standpunt dat
                    de adviestermijn van vier weken start vanaf het moment dat de Onderwijsraad
                    beschikt over de stukken die hij relevant acht voor de advisering. Als de
                    Onderwijsraad om advies wordt gevraagd is het van belang dat het college goed in
                    de gaten houdt dat hierdoor de besluitvorming geen ernstige vertraging
                    oploopt.</al><al>De Onderwijsraad brengt binnen vier weken, nadat de Onderwijsraad alle
                    noodzakelijke informatie heeft ontvangen, zijn advies uit. Het college zendt het
                    advies van de Onderwijsraad daarna zo spoedig mogelijk aan de bevoegde
                    gezagsorganen. Afhankelijk van het ontvangen advies wordt een nieuw bestuurlijk
                    overleg vastgesteld. Op de wijze waarop de Onderwijsraad adviseert is van
                    toepassing wat in algemene zin over het verstrekken van adviezen is geregeld in
                    de Awb. In dit verband is vooral het bepaalde in artikel 3:6, tweede lid,
                    artikel 3:7 en artikel 3:50 van belang. Zo kan op grond van artikel 3:6, tweede
                    lid, het college het programma voorzieningen huisvesting onderwijs vaststellen
                    als de Onderwijsraad het advies niet binnen vier weken nadat de adviesaanvraag
                    volledig is, uitbrengt. Op grond van artikel 3:7 is het college gehouden, al dan
                    niet op verzoek, de gegevens beschikbaar te stellen die de Onderwijsraad nodig
                    heeft voor het uitbrengen van advies. Wanneer het college afwijkt van het advies
                    van de Onderwijsraad worden op grond van artikel 3:50 van de Awb de redenen
                    daarvan vermeld in de motivering. Het vijfde lid bepaalt dat alle deelnemers aan
                    het overleg in de gelegenheid worden gesteld hun zienswijze te geven over de
                    inhoud van een (voorgenomen) verzoek om advies aan de Onderwijsraad. Dit omdat
                    iedereen erbij gebaat is dat duidelijkheid bestaat over de beweegredenen bij
                    een, meer of alle partijen om zich tot de Onderwijsraad te wenden. Dit laat
                    uiteraard onverlet het recht van een individueel schoolbestuur of van het
                    college om de Onderwijsraad in te schakelen als de andere overlegpartners
                    daaraan geen behoefte hebben. De zienswijzen van de schoolbesturen moeten
                    schriftelijk worden vastgelegd omdat de Onderwijsraad bij het vormen van zijn
                    oordeel over een verzoek om advies ook afwijkende meningen zal willen
                    betrekken.</al><al>Van een eventueel overleg, nadat het advies van de Onderwijsraad wordt
                    ontvangen, wordt een afzonderlijk verslag gemaakt dat wordt toegevoegd aan de
                    stukken die moeten leiden tot een besluit van het college.</al><al><vet>Artikel 11. Vaststellen bekostigingsplafond</vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Het college is verplicht het bekostigingsplafond dat beschikbaar is voor het
                    honoreren van de aangevraagde voorzieningen vast te stellen. Het vaststellen van
                    het bekostigingsplafond vindt plaats middels de (meerjaren)begroting. Het
                    bekostigingsplafond staat los van het totaal van het investeringsbedrag van de
                    aangevraagde voorzieningen. Het bekostigingsplafond is uitsluitend bepalend voor
                    de vraag of alle aangevraagde voorzieningen huisvesting onderwijs ook kunnen
                    worden gehonoreerd. Het college kan een bekostigingsplafond per onderwijssector
                    of per voorziening vaststellen. Achtergrond van deze mogelijkheid is te
                    voorkomen dat één onderwijssector of één bepaalde voorziening structureel voor
                    bekostiging in aanmerking komt, waardoor andere gewenste investeringen niet
                    kunnen worden gehonoreerd. Het onderverdelen van het beschikbare
                    investeringsbedrag voor een specifieke categorie van voorzieningen is een
                    instrument om bepaalde accenten te leggen in de uitvoering van de zorgplicht.
                    Deze onderverdeling kan uitsluitend plaatsvinden op basis van een door de
                    gemeenteraad vastgesteld meerjareninvesteringsplan. </al><al><vet>Artikel 13. Bekendmaken besluiten vaststellen bekostigingsplafond, de
                        perspectiefnota en het overzicht</vet></al><al>Artikel 95 en 96 van de WPOen 76f en 76g van de WVO vermelden de
                    criteria die het college moet hanteren bij het vaststellen van het overzicht van
                    uit te voeren voorzieningen huisvesting onderwijs en het overzicht van de niet
                    gehonoreerde voorzieningen. In dit artikel wordt bepaald op welke wijze het
                    besluit tot het vaststellen van het programma en overzicht aan de bevoegde
                    gezagsorganen wordt bekendgemaakt.</al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Door de opname van de aanvragen in de perpectiefnota/begroting in de vorm van
                    gehonoreerd of niet gehonoreerd wordt duidelijk of de aangevraagde voorziening
                    wel of niet zal worden uitgevoerd. De onderwijswetten bepalen (zie toelichting
                    artikel 11, eerste lid) dat binnen vier weken nadat de overzichten zijn
                    vastgesteld overleg over de uitvoering van de voorziening moet plaatsvinden met
                    het college. Op grond van artikel 3:43 van de Awb moet het college het besluit
                    meedelen aan degenen die bij de voorbereiding van het besluit hun zienswijze
                    naar voren hebben gebracht. </al><al><vet>Artikel 14. Overleg wijze van uitvoering</vet></al><al>Dit artikel geeft een nadere invulling aan het wettelijk voorgeschreven overleg
                    over het maken van afspraken over de zaken die van belang zijn om te komen tot
                    het beschikbaar stellen van een investeringskrediet voor de voorziening die op
                    het programma is opgenomen. Door het maken van deze afspraken voorafgaande aan
                    de start van de uitvoering van het project worden onduidelijkheden en
                    misverstanden in het verdere uitvoeringstraject voorkomen.</al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>In artikel 95, achtste lid, van de WPO en artikel 76n van de WVO is opgenomen
                    dat het college binnen vier weken met het betrokken bevoegd gezag in overleg
                    treedt over de uitvoering van de toegekende voorzieningen. De in dit overleg
                    gemaakte afspraken moeten in een verslag worden vastgelegd. De passage ‘voor
                    zover van toepassing’ betekent dat niet alle onderwerpen die in dit lid zijn
                    opgenomen betrekking hebben op alle voorzieningen die zijn opgenomen (voor bijv.
                    de voorziening eerste inrichting is geen bouwplan noodzakelijk) en het college
                    daarnaast van mening is dat het indienen van het bouwplan en de desbetreffende
                    begroting voor een opgenomen voorziening achterwege kan blijven. De onderwerpen
                    die besproken moeten worden zijn o.a.:</al><lijst><li nr="-"><al>het bouwheerschap (onderdeel a), met als uitgangspunt dat het bevoegd
                            gezag optreedt als bouwheer, conform het bepaalde in artikel 103, eerste
                            lid , van de WPO en artikel 76n, eerste lid, van de WVO. Het alternatief
                            is dat het college de voorziening tot stand brengt (artikel 103, tweede
                            lid, van de WPO en artikel 76n, tweede lid, van de WVO). In het overleg
                            moet worden vastgesteld of van deze mogelijkheid gebruik wordt gemaakt.
                            Daarnaast kan besproken worden de mogelijkheid dat de bouw van een
                            multifunctionele accommodatie wordt gerealiseerd door een derde
                            partij;</al></li><li nr="-"><al>het bouwplan, dat moet worden getoetst aan de uitgangspunten zoals die
                            op het vastgestelde programma zijn opgenomen (bijv. aantal vierkante
                            meter bruto vloeroppervlakte);</al></li><li nr="-"><al>het feit dat het college in de periode die is verlopen tussen het moment
                            van het vaststellen van het programma en het aanvragen van de
                            goedkeuring van het bouwplan en de kostenraming kan toetsen of zich
                            nieuwe feiten en omstandigheden hebben voorgedaan of voordoen, waardoor
                            het eerder genomen besluit moet worden herzien. In het overleg wordt
                            vastgelegd of het college gebruik maakt van deze mogelijkheid, zodat het
                            college, na ontvangst tot goedkeuring van het bouwplan en de
                            kostenbegroting kan besluiten om de toegekende vergoeding te herzien;
                        </al></li><li nr="-"><al>de wijze waarop de controle en het afleggen van verantwoording over de
                            besteding van de middelen plaatsvindt. De wijze van verantwoording is
                            grotendeels afhankelijk van de omvang het project (zie ook toelichting
                            artikel 16);</al></li><li nr="-"><al>de afspraak over de wijze van aanbesteding. Voor toegekende
                            voorzieningen is de aanvrager verplicht een aanbestedingsprocedure te
                            volgen. </al></li></lijst><al>De uitkomst van de aanbesteding is van belang voor het bepalen voor de hoogte
                    van het definitieve investeringsbedrag. Uitgangspunt is dat voldaan wordt aan
                    het bepaalde in de Aanbestedingswet 2012 en in relevante Europese
                    regelgeving.<sup/> Daarnaast is van toepassing wat de gemeenteraad heeft
                    vastgesteld in het gemeentelijk aanbestedingsbeleid over het opvragen van
                    offertes als er geen Europese regelgeving van toepassing is.</al><al>Bij aanbestedingen van opdrachten onder het Europese drempelbedrag<sup/> kan het
                    college op verzoek van het bevoegd gezag besluiten van het bepaalde in de tabel
                    af te wijken. </al><al>Als sprake is van huur moet de huurovereenkomst met daarin onder meer de
                    overeengekomen huurprijs vooraf aan het college ter goedkeuring worden
                    voorgelegd.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Omdat het inkoop- en aanbestedingbeleid van de gemeente Bernheze dient te worden
                    gevolgd is het verzoek aan de aanvrager om vooraf aan te geven op welke wijze de
                    aanbesteding zal plaatsvinden. Deze informatie kan van belang zijn voor de
                    verdere verwerking binnen de gemeente.</al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Om te voorkomen dat in een later stadium misverstanden ontstaan over de
                    afspraken die gemaakt zijn over de uitvoering van de voorziening is bepaald dat
                    de afspraken schriftelijk worden vastgelegd en ter instemming aan de aanvrager
                    worden voorgelegd. Als de aanvrager zijn instemming schriftelijk heeft verleend,
                    dan is daarmee direct vastgelegd dat er overeenstemming bestaat over de wijze
                    van uitvoering van de voorziening. Stemt de aanvrager niet in met het verslag,
                    dan is nader overleg noodzakelijk met als doel alsnog overeenstemming te
                    bereiken. Blijken partijen het ook dan niet eens te kunnen worden over de
                    uitvoering van de voorziening dan wordt dit ook schriftelijk door beide partijen
                    vastgelegd. </al><al><cursief>Lid 4</cursief></al><al>Het college kan in het gevoerde overleg meedelen dat het indienen van een
                    bouwplan en begroting achterwege kan blijven, of dat er geen nadere toetsing aan
                    wettelijke voorschriften of gewijzigde omstandigheden zal plaatsvinden. Over het
                    algemeen betreft het voorzieningen waarvoor in een eerder stadium al een offerte
                    is overgelegd en die weinig of geen voorbereidingstijd meer vergt. Heeft het
                    overleg tot overeenstemming geleid, dan ontvangt de aanvrager binnen vier weken
                    bericht over het moment waarop de bekostiging een aanvang neemt.</al><al><cursief>Lid 5</cursief></al><al>Als blijkt dat in het overleg geen overeenstemming wordt bereikt over de wijze
                    van uitvoering van de voorziening en dit in het vastgestelde verslag is
                    opgenomen dan is het college de instantie die een definitief besluit neemt. Dit
                    besluit deelt het college mee aan het bevoegd gezag. In het besluit zijn
                    opgenomen de overwegingen om niet in te stemmen met de door de aanvrager
                    gewenste wijze van uitvoering van de voorziening. Deze mededeling is een besluit
                    in de zin van de Awb, waartegen dan ook voor aanvrager de mogelijkheid van
                    bezwaar en beroep openstaat.</al><al><vet>Artikel 15. Instemmen bouwplannen en begroting; tijdstip aanvang
                        bekostiging; toetsen wettelijke voorschriften en nieuwe feiten en
                        omstandigheden; overleggen offertes</vet></al><al>De aanvrager kan in principe niet eerder tot aanbesteding overgaan dan nadat het
                    college heeft ingestemd met het bouwplan. Uitsluitend als een dergelijk plan
                    naar het oordeel van college gezien de aard van de voorziening niet vereist is
                    kan de aanvrager voorafgaande aan het goedkeuren van het bouwplan de procedure
                    van aanbesteding volgen (zie ook artikel 13, derde lid). </al><al>Nadat het college de uitkomst van de aanbesteding heeft ontvangen besluit het
                    college tot het vaststellen van het definitieve bedrag van de bekostiging. Basis
                    voor dit bedrag zijn de overgelegde offertes.</al><al>Is geen aanvraag voor een voorbereidingskrediet ontvangen dan kan in het overleg
                    deze mogelijkheid alsnog worden besproken.</al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Dit artikel betreft de nadere uitwerking van artikel 103 van de WPO en artikel
                    76n van de WVO en heeft een relatie met artikel 13, eerste en tweede lid. Op
                    basis van de daar gemaakte afspraken wordt het bouwplan en de kostenbegroting
                    ingediend. Het college toetst, voordat het bouwplan wordt goedgekeurd, aan
                    mogelijk nieuwe ontwikkelingen en stelt het bedrag van de bekostiging vast.</al><lijst><li nr="-"><al>Het goedkeuren van het bouwplan zoals dat in dit artikel wordt bedoeld
                            staat los van de goedkeuring van het bouwplan op grond van de
                            bouwverordening, dus het verlenen van de omgevingsvergunning. Op grond
                            van dit artikel wordt het bouwplan getoetst aan de afgegeven beschikking
                            (toegekend investeringsbedrag bij feitelijke kosten en toegekende
                            bvo).</al></li><li nr="-"><al>De wijze waarop de begroting die is ontvangen wordt getoetst is
                            afhankelijk van de wijze waarop de voorziening wordt bekostigd. Maakt
                            het bevoegd gezag aanspraak op:</al></li><li nr="-"><al>de genormeerde vergoeding dan wordt de begroting marginaal getoetst,
                            omdat het bevoegd gezag aanspraak maakt op het normbedrag en het college
                            geen hoger bedrag dan het normbedrag beschikbaar stelt;</al></li><li nr="-"><al>de vergoeding op basis van de feitelijke kosten dan vindt een
                            inhoudelijke toetsing van de begroting plaats om het definitieve bedrag
                            van de vergoeding te kunnen vaststellen. De kostenbegroting die was
                            ingediend bij de aanvraag voor het programma was namelijk een raming van
                            de kosten. Deze begroting had toen als functie te komen tot het
                            vaststellen van een bedrag als onderdeel voor het vaststellen van het
                            programma. Gelet op het tijdsverloop tussen het ontvangen van de
                            aanvraag en het besluit tot het vaststellen van het programma kan het
                            definitieve bedrag van de bekostiging afwijken van de begroting die is
                            ontvangen als onderdeel van de ingediende aanvraag voor het programma.
                            Bij de uitvoering van een voorziening die volgens de offertelijn wordt
                            gerealiseerd, nemen de offertes de rol over van de begroting. </al></li></lijst><al>Bij het indienen van de stukken vermeldt het bevoegd gezag tevens op welk moment
                    het bevoegd gezag de werkzaamheden wil starten en in relatie daarmee de
                    bekostiging. </al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>De in dit lid opgenomen termijnen zijn fatale termijnen. Als het college niet
                    binnen de gestelde termijnen beslist, wordt geacht de gevraagde goedkeuring te
                    zijn verleend en vindt de bekostiging plaats op de wijze en het tijdstip zoals
                    door de aanvrager is aangegeven. De aanvrager kan daarna de procedure voor het
                    aanvragen van de omgevingsvergunning starten. De fatale termijn is noodzakelijk
                    met het oog op een goede voortgang van de uitvoering van de voorziening en de
                    duidelijkheid richting aanvrager. Gelijktijdig met het goedkeuren van het
                    bouwplan en begroting stelt het college het tijdstip vast waarop de bekostiging
                    een aanvang neemt, conform het bepaalde in artikel 99, eerste lid van de WPO en
                    artikel 76j van de WVO.</al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Het derde lid bepaalt dat op dit moment de gehele voorziening nogmaals getoetst
                    kan worden aan de nieuwe feiten en omstandigheden. Als er naar het oordeel van
                    het college ingrijpende wijzigingen van de feiten en omstandigheden zijn, dan
                    heeft het college alsnog de mogelijkheid om de omvang van de voorziening aan te
                    passen of (in een uiterste geval) de voorziening niet voor bekostiging in
                    aanmerking te brengen.</al><al><cursief>Lid 4</cursief></al><al>Vierde lid bepaalt dat voor het vaststellen van de vergoeding niet de laagste
                    prijs maar de economisch meest voordelige inschrijving bepalend is. Dit is
                    conform het uitgangspunt van de Aanbestedingswet 2012. Het college kan hiervan
                    gemotiveerd afwijken.</al><al><vet>Artikel 16. Aanvang bekostiging</vet></al><al>Dit artikel is de uitwerking van artikel 102, vierde lid, van de WPO en artikel
                    76m van de WVO. Het geeft het college de vrijheid om per voorziening te
                    besluiten op welke wijze het bedrag van de bekostiging beschikbaar wordt
                    gesteld. Deze keuze is sterk afhankelijk van de concrete omstandigheden (o.a.
                    grootte van de opdracht, hoogte van het investeringsbedrag). Uitgangspunt is dat
                    de aanvrager tijdig aan zijn financiële verplichtingen moet kunnen voldoen. Dit
                    betekent bijvoorbeeld dat wordt overeengekomen dat de:</al><lijst><li nr="-"><al>vergoeding eerste inrichting als normbedrag in één keer wordt
                            uitbetaald;</al></li><li nr="-"><al>vergoedingen voor bouwkundige werkzaamheden in termijnen worden
                            uitbetaald, waarbij wordt aangesloten bij de termijnbetalingen aan de
                            aannemer op basis van de door de aannemer ingediende termijnstaat
                            (automatische verwerking met valutadata in financiële
                            administratie).</al></li></lijst><al>De vergoeding wordt rechtstreeks beschikbaar gesteld aan de opdrachtgever,
                    tenzij in het overleg als bedoeld in artikel 13 wordt overeengekomen dat de
                    vergoeding door het college rechtstreeks aan de opdrachtnemer wordt verstrekt.
                    Op grond van de onderwijswetten bestaat er uitsluitend een relatie tussen
                    college en bevoegd gezag. Vanuit dit uitgangspunt is de formele lijn dat het
                    college het bedrag aan het bevoegd gezag betaalt en het bevoegd gezag het bedrag
                    aan de opdrachtnemer. Op deze wijze kan het bevoegd gezag ook verantwoording van
                    de ontvangen middelen afleggen. Gedacht kan worden aan een gespecificeerde
                    verantwoording met als bijlagen alle rekeningen die op het project betrekking
                    hebben, of een accountantsverklaring.</al><al><vet>Artikel 17. Vervallen aanspraak op bekostiging</vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>De periode van een jaar is bewust gekozen. Vanuit financieel perspectief is het
                    noodzakelijk om te weten of een toegekende voorziening in het jaar van
                    toekenning ook daadwerkelijk in dat jaar wordt gerealiseerd, of dat de
                    realisatie in dat jaar door omstandigheden niet mogelijk is. Wordt vastgesteld
                    dat realisatie niet mogelijk is: </al><lijst><li nr="-"><al>in het toegekende jaar maar wel in een volgend begrotingsjaar, dan
                            blijft het beschikbaar gestelde krediet gehandhaafd, en</al></li><li nr="-"><al>ook niet in een van de volgende begrotingsjaren dan kan het beschikbaar
                            gestelde krediet worden ingetrokken; het gevolg van dit besluit is dat
                            de aangevraagde voorziening te zijner tijd opnieuw moet worden
                            aangevraagd.</al></li></lijst><al>De bepaling over het toezenden van onder meer de bouwopdracht is van belang voor
                    het college, omdat het college na de genoemde data actie in de richting van de
                    aanvrager kan ondernemen. De term ‘door de aanvrager’ betekent dat, als het
                    college optreedt als bouwheer en de termijn wordt overschreden, het recht op
                    bekostiging niet vervalt. De aanvrager heeft dan immers recht op een
                    voorziening.</al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Het kan voorkomen dat het bevoegd gezag niet aan de gestelde termijnen kan
                    voldoen. De overschrijding van de termijn kan het gevolg zijn van diverse
                    omstandigheden die buiten de schuld van de aanvrager liggen. Bijvoorbeeld:</al><lijst><li nr="-"><al>planologische en stedenbouwkundige ontwikkelingen;</al></li><li nr="-"><al>procedures in het kader van de ruimtelijke ordening;</al></li><li nr="-"><al>vervuilde grond.</al></li></lijst><al>Het is dan aan de aanvrager om bij het college een verzoek in te dienen om de
                    gestelde termijnen te verlengen.</al><al><vet>Artikelen 18 -21. Aanvragen met spoedeisend karakter</vet></al><al>Er kan zich een calamiteit voordoen waardoor de voortgang van het onderwijs
                    wordt belemmerd. Het bevoegd gezag kan dan op grond van deze artikelen een
                    aanvraag voor het bekostigen van een voorziening huisvesting onderwijs indienen.
                    Het moet duidelijk zijn dat het een calamiteit is die op korte termijn moet
                    worden opgelost en niet kan wachten op de reguliere aanvraagprocedure. Het
                    spoedeisende karakter moet dus duidelijk naar voren komen in de omschrijving van
                    aanvraag. Bij aanvragen met een spoedeisend karakter valt te denken aan:</al><lijst><li nr="-"><al>brand- en stormschade, waardoor het onderwijsproces (tijdelijk) in een
                            andere accommodatie moet plaatsvinden;</al></li><li nr="-"><al>herstel van schade als gevolg van constructiefouten (verwijderen
                            asbest), of</al></li><li nr="-"><al>overige schades (vandalisme, glasbreuk, inbraak).</al></li></lijst><al>De spoedprocedure kan niet worden gebruikt als een soort ‘ontsnappingsroute’
                    voor de reguliere procedure, zoals een situatie:</al><lijst><li nr="-"><al>dat een bevoegd gezag verzuimd heeft tijdig – op grond van artikel 6 van
                            de verordening – een aanvraag in te dienen, of</al></li><li nr="-"><al>dat een aangevraagde voorziening niet is gehonoreerd wegens het
                            toepassen van de financiële weigeringsgrond omdat het
                            bekostigingsplafond niet toereikend is.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 18. Indienen aanvraag</vet></al><al>Een aanvraag op basis van de spoedprocedure kan gedurende het hele jaar worden
                    ingediend, omdat het moment waarop de calamiteit zich voordoet niet bij voorbaat
                    bekend is. De calamiteit moet zo spoedig mogelijk (telefonisch) worden gemeld en
                    de noodzakelijke maatregelen moeten worden genomen. Na de melding moet de
                    aanvrager binnen de gestelde termijn de aanvraag indienen. </al><al><vet>Artikel 19. Inhoud aanvraag</vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Naast de gegevens die noodzakelijk zijn bij het indienen van een aanvraag op
                    grond van de reguliere procedure (artikel 7, eerste lid) is het bevoegd gezag
                    verplicht te motiveren waarom deze voorziening spoedeisend is. Uit de aanvraag
                    moet onomstotelijk blijken dat de aanvraag betrekking heeft op een calamiteit
                    die niet voorzienbaar was en dat het treffen van een voorziening geen uitstel
                    kan lijden, omdat anders het onderwijsproces geen doorgang meer kan vinden.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Gelet op het spoedeisende karakter van de aanvraag zijn de termijnen voor het
                    aanleveren van aanvullende gegevens kort gehouden.</al><al><vet>Artikel 20. Tijdstip beslissing</vet></al><al>Omdat de aanvraag een spoedeisend karakter heeft, wordt ook voor de
                    beslistermijn een korte periode aangehouden. </al><al><vet>Artikel 21. Uitvoeren beslissing</vet></al><al>Voor het beoordelen en toekennen van de op grond van de spoedprocedure
                    aangevraagde voorziening gelden de criteria die zijn opgenomen in de bijlagen I
                    tot en met III van de verordening. Als extra toets geldt het element van de
                    spoedeisendheid: het treffen van de voorziening kan geen uitstel lijden in
                    verband met de voortgang van het onderwijs. In tegenstelling tot de reguliere
                    procedure kan het college bij de spoedprocedure geen financiële weigeringsgrond
                    hanteren. Dit blijkt uit de relatie tussen artikel 98, tweede lid, van de WPO en
                    artikel 100, eerste lid, van de WPO en artikel 76i, tweede lid, van de WVO en
                    artikel 76k, eerste lid, van de WVO<cursief>.</cursief></al><al>Op de uitvoering van de beschikking zijn de artikelen 14 tot en met 17 van
                    toepassing.</al><al><vet>Artikelen 22 -27. Medegebruik en verhuur</vet></al><al>De artikelen 21-27 zijn een nadere uitwerking van artikel 102 van de WPO en
                    artikel 76m van de WVO. Op grond hiervan moet de gemeenteraad bij verordening
                    een procedure vaststellen voor het medegebruik en de verhuur. Bij medegebruik en
                    verhuur gaat het nadrukkelijk om delen van lesgebouwen die niet noodzakelijk
                    zijn voor het gebruik door de eigen school.</al><al>De artikelen 22 t/m 27 worden door het college toegepast als het college een
                    aanvraag van een bevoegd gezag voor het bekostigen van een voorziening
                    huisvesting onderwijs heeft ontvangen. Het college kan besluiten dat de
                    aangevraagde voorziening huisvesting wordt afgewezen omdat door middel van
                    medegebruik in de noodzakelijke huisvestingsbehoefte kan worden voorzien.</al><al><vet>Artikel 22. Aanduiden omstandigheden</vet></al><al><cursief>Onderdelen a en c</cursief></al><al>Deze bepalingen geven het college de mogelijkheid om leegstand te vorderen op
                    het moment dat het college op grond van artikel 6 of 18 een aanvraag voor het
                    bekostigen van een voorziening huisvesting onderwijs nieuwbouw, vervangende
                    nieuwbouw of uitbreiding voor een school heeft ontvangen. Het college moet twee
                    zaken vaststellen, te weten dat:</al><lijst><li nr="-"><al>de school die de aanvraag heeft ingediend ook daadwerkelijk een tekort
                            aan capaciteit heeft, en</al></li><li nr="-"><al>er leegstand binnen een ander schoolgebouw aanwezig is.</al></li></lijst><al>Het vorderingsrecht op grond van dit artikel heeft betrekking op medegebruik
                    door een school. Dit medegebruik betekent dat het doel van het vorderen (ruimte
                    voor het geven van onderwijs) in principe in overeenstemming is met de
                    bestemming van het schoolgebouw en aanpassingen niet noodzakelijk zijn.</al><al><vet>Artikel 23. Omschrijving leegstand</vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>De leegstand is gekoppeld aan het criterium ‘bruto vierkante meters’. De
                    leegstand wordt vastgesteld op basis van het saldo tussen de vastgestelde
                    capaciteit (bijlage III, deel A) en de berekende ruimtebehoefte (bijlage III,
                    deel B). Bij het vaststellen van de leegstand wordt geen rekening gehouden met
                    de drempelwaarde. Bij het vorderen wordt geen onderscheid gemaakt in leegstand
                    bij een school voor basisonderwijs of een school voor voortgezet onderwijs. Dit
                    betekent dat het college kan besluiten leegstand die wordt vastgesteld in
                    eenschool voor basisonderwijs toe te wijzen aan een school voor
                    voortgezet onderwijs.</al><al>Bij het vaststellen van leegstand worden ook betrokken de zgn. eigendoms- en
                    huurscholen, omdat deze schoolgebouwen behoren tot de voorzieningen huisvesting
                    onderwijs en zodoende vallen onder het vorderingsrecht. Het vorderingsrecht kan
                    ook worden toegepast op de leegstaande capaciteit waaraan een bevoegd gezag een
                    andere bestemming (bijvoorbeeld mediatheek, overblijflokaal) heeft gegeven.
                    Genormeerde leegstand waaraan een bevoegd gezag een andere bestemming heeft
                    gegeven moet wijken voor noodzakelijk onderwijsgebruik.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Een lokaal bewegingsonderwijs kan maximaal 40 klokuren per week voor
                    bewegingsonderwijs in gebruik worden gegeven. Een school voor basisonderwijs kan
                    op basis van het lesrooster per week maximaal 26 klokuren worden ingeroosterd.
                    Hierdoor wordt voorkomen dat deze scholen buiten hun reguliere lestijden voor
                    het bewegingsonderwijs worden verwezen naar een lokaal bewegingsonderwijs dat
                    nog geen 40 klokuren in gebruik is. </al><al>Voor scholen voor het voortgezet onderwijs wordt voor het inroosteren uitgegaan
                    van minimaal 32 lesuren<sup/> en maximaal 40 lesuren, omdat voor het voortgezet
                    onderwijs het aantal van 40 lesuren, gelet op de schooltijden voor het
                    voortgezet onderwijs, de maximumgrens vormt. Dit betekent dat als in een lokaal
                    bewegingsonderwijs:</al><lijst><li nr="-"><al>voor een school voor basisonderwijs minder dan 26 klokuren zijn
                            ingeroosterd medegebruik mogelijk is door een andere school voor
                            basisonderwijs voor het verschil tussen 26 klokuren en het aantal
                            ingeroosterde klokuren;</al></li><li nr="-"><al>voor een school voor basisonderwijs minder dan 26 klokuren of 26
                            klokuren zijn ingeroosterd medegebruik mogelijk is door een school voor
                            voortgezet onderwijs voor de resterende klokuren tot een maximum van 40
                            lesuren;</al></li><li nr="-"><al>voor een school voor voortgezet onderwijs minder dan 40 klokuren
                            ingeroosterd zijn medegebruik mogelijk is door:</al></li><li nr="-"><al>een school voor basisonderwijs als de klokuren medegebruik passen binnen
                            de 26 klokuren, en</al></li><li nr="-"><al>een school voor voortgezet onderwijs voor de resterende klokuren tot een
                            maximum van 40 lesuren.</al></li></lijst><al>Medegebruik kan alleen plaatsvinden binnen de voor de betreffende
                    onderwijssector geldende reële schooltijden.</al><al><vet>Artikel 24. Nalaten vorderen</vet></al><al>Dit artikel geeft de bevoegde gezagsorganen de ruimte in onderling overleg
                    medegebruik te regelen. Als de bevoegde gezagsorganen een onderlinge regeling
                    hebben getroffen is er voor het college geen reden om dat te doorkruisen, tenzij
                    het college heeft vastgesteld dat de school die medegebruiker is in de eigen
                    accommodatie voldoende capaciteit heeft om alle leerlingen te huisvesten. Als
                    bevoegde gezagsorganen medegebruik onderling hebben geregeld moet het college
                    hiervan in kennis worden gesteld. Het college moet vaststellen of door het
                    medegebruik de (meest) optimale situatie is gecreëerd. </al><al>Op het moment dat een school is gehuisvest in meerdere schoolgebouwen wordt in
                    onderling overleg vastgesteld in welk schoolgebouw de leegstand wordt gevorderd.
                    Wordt geen overeenstemming bereikt, dan besluit het college zelfstandig in welk
                    schoolgebouw de leegstand wordt gevorderd.</al><al><vet>Artikel 25. Overleg en mededeling</vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Onderdeel van de procedure m.b.t. toekenning van een gevraagde voorziening is
                    het besluit tot het vorderen voor en toekennen van medegebruik in plaats van het
                    toekennen van bijv. een aangevraagde voorziening 'uitbreiding'. Voor beide
                    bevoegde gezagsorganen die betrokken zijn bij het voorgenomen besluit tot
                    medegebruik bestaat de mogelijkheid een advies van de Onderwijsraad te vragen.
                    Het besluit tot vordering is een afzonderlijk besluit van het college.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Voor het vorderen van leegstand als een aanvraag voor het bekostigen van een
                    voorziening op grond van de spoedprocedure is ontvangen is geen termijn voor het
                    overleg opgenomen. De aard van de aanvragen kan namelijk met zich meebrengen dat
                    een en ander op zeer korte termijn geregeld moet worden. Uiteraard moet ook hier
                    het 'ontvangende' bevoegde gezag redelijkerwijs de gelegenheid hebben om de
                    nodige maatregelen te treffen.</al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Een bevoegd gezag waarvan leegstand gevorderd wordt moet de gelegenheid hebben
                    tijdig eventuele (organisatorische) maatregelen te nemen. Daarom is de termijn
                    waarop het besluit tot vorderen bekend moet worden gemaakt zo kort mogelijk
                    gehouden. Voordat het college het besluit tot vorderen heeft genomen heeft over
                    dit besluit over het algemeen al overleg plaatsgevonden met het bevoegd gezag.
                    Dit betekent dat het bevoegd gezag in principe al in de gelegenheid geweest om
                    zich voor te bereiden op het medegebruik.</al><al><cursief>Lid 4</cursief></al><al>Het bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt moet weten waar het aan toe is. Om
                    deze reden moeten de in het vierde lid opgenomen elementen in de beschikking
                    worden opgenomen, waarvan vooral de onder ‘e’ genoemde periode gedurende welke
                    de leegstand wordt gevorderd van belang is. De periode kan bijv. worden
                    gebaseerd op de uitkomst van de leerlingenprognose. Het kan wenselijk zijn om in
                    het besluit tot het vorderen van medegebruik op te nemen dat het vorderen voor
                    medegebruik in ieder geval eindigt als de leegstand voor de eigen school
                    noodzakelijk is. Dit is niet strikt noodzakelijk, omdat uitgangspunt van de
                    verordening is dat eigen gebruik voor medegebruik gaat.</al><al><vet>Artikel 26. Vergoeding</vet></al><al>Bij medegebruik heeft het bevoegd gezag dat ruimte in medegebruik geeft te maken
                    met exploitatiekosten als gevolg van dit medegebruik. De bevoegde gezagsorganen
                    moeten in onderling overleg de vergoeding voor het medegebruik overeenkomen.
                    Uitgangspunt is dat de werkelijke exploitatiekosten worden vergoedt. Dit is
                    redelijk omdat het bevoegd gezag dat medegebruiker is ook bij het gebruik van de
                    eigen accommodatie de werkelijke kosten moet betalen. Deze werkelijke kosten
                    zijn onafhankelijk van de rijksvergoeding materiële instandhouding die het
                    schoolbestuur ontvangt. Worden de werkelijke kosten niet doorberekend, dan is
                    sprake van een indirecte subsidiëring van de medegebruiker en zet het bevoegd
                    gezag dat een gedeelte van de school in medegebruik heeft de ontvangen
                    rijksvergoeding niet in voor het doel waarvoor deze wordt ontvangen. De hoogte
                    van de vergoeding is ook afhankelijk van de afspraken die worden gemaakt over de
                    activiteiten die voor rekening van de school en de medegebruiker komen. Als
                    tussen de betrokkenen geen overeenstemming wordt bereikt dan moeten de partijen
                    vaststellen welke procedure wordt gevolgd om te komen tot het vaststellen van
                    het bedrag van de vergoeding. Overeengekomen kan bijv. worden dat een
                    onafhankelijke derde het definitieve vergoedingsbedrag bepaalt.</al><al><vet>Artikel 27. Overleg en mededeling</vet></al><al>Artikel 27 heeft betrekking op het vorderen voor medegebruik voor culturele,
                    maatschappelijke of recreatieve doeleinden. Dit vorderen kan plaatsvinden zowel
                    tijdens als na de schooltijden. Medegebruik voor de genoemde activiteiten kan in
                    overeenstemming zijn met de bestemming van het schoolgebouw (eisen
                    bestemmingsplan), of met het onderwijs dat in het gebouw wordt gegeven, maar dat
                    is niet strikt noodzakelijk. Is het medegebruik niet in overeenstemming met de
                    bestemming van het schoolgebouw, dan betekent dit dat het medegebruik niet
                    eerder kan plaatsvinden dan nadat een wijziging van het bestemmingsplan is
                    vastgesteld. Is medegebruik niet in overeenstemming met het onderwijs van de
                    school dan is het noodzakelijk dat het bevoegd gezag in het overleg met het
                    college de gelegenheid krijgt om specifieke wensen aangaande het medegebruik
                    naar voren te brengen. Voor het bevoegd gezag kan daarbij de vrijheid van
                    richting en inrichting een rol spelen.</al><al>Lid 2 vermeldt de onderwerpen die in het overleg tussen college en bevoegd gezag
                    minimaal moeten worden besproken als medegebruik door een niet
                    onderwijsinstelling aan de orde is. Het bevoegd gezag moet, voordat het instemt
                    met het medegebruik, in het overleg in de gelegenheid gesteld worden zich een
                    oordeel te vormen over de aard van de activiteit en de invloed van die
                    activiteit op het onderwijsproces. Afhankelijk van de uitkomst van het overleg
                    en de activiteiten waarvoor het medegebruik noodzakelijk is, kan het
                    noodzakelijk zijn dat besloten moet worden om bepaalde bouwkundige maatregelen
                    te nemen om hinder te voorkomen. Artikel 26 (bedrag van de vergoeding
                    ‘medegebruik’) is niet van toepassing op medegebruik voor culturele,
                    maatschappelijke of recreatieve doeleinden. Het staat het bevoegd gezag vrij om
                    een ander tarief in rekening te brengen, maar ook aan te sluiten bij de
                    systematiek die is opgenomen in artikel 26.</al><al>Verondersteld wordt dat de beoogde organisatie die medegebruiker wordt in het
                    overleg tussen college en bevoegd gezag wordt vertegenwoordigd door het college.
                    Het is aan het college om te besluiten of de beoogde medegebruiker al of niet
                    deelneemt aan het overleg. Het bevoegd gezag, college en de medegebruiker moeten
                    voor de aanvang van het medegebruik schriftelijk een aantal (praktische)
                    afspraken vastleggen. Het kader voor die afspraken wordt gevormd door het
                    besluit tot vordering door college.</al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Als in het overleg geen overeenstemming wordt bereikt, neemt het college een
                    beslissing inzake de openstaande punten. Hiervoor is gekozen om te voorkomen dat
                    door een verschil van mening het vorderingsrecht niet geëffectueerd kan
                    worden.</al><al><vet>Artikel 28. Verzoek toestemming college</vet></al><al>Verhuur van een gedeelte van een schoolgebouw kan uitsluitend plaatsvinden door
                    de juridisch eigenaar. Dit betekent dat het college een schoolgebouw waarvan het
                    bevoegd gezag juridisch eigenaar is niet kan vorderen voor verhuur. De afweging
                    om een ruimte te verhuren is uitsluitend de verantwoordelijkheid van het bevoegd
                    gezag. Het bevoegd gezag moet, als het (een gedeelte van) het schoolgebouw wil
                    verhuren, vooraf aan het college toestemming voor de verhuur vragen. Zonder
                    toestemming van het college is een huurovereenkomst strijdig met de wet en dus
                    nietig. Bij het aanvragen van de toestemming voor de verhuur moet het bevoegd
                    gezag het college inzicht geven in de huurder, de te verhuren ruimte, de
                    activiteiten die in de te verhuren ruimte plaatsvinden, de periode van verhuur
                    en de in de komende jaren te verwachten ruimtebehoefte van de school. Daarnaast
                    betrekt het college bij het verlenen van de toestemming ook de te verwachten
                    ruimtebehoefte van de overige scholen. Dit om te voorkomen dat het college
                    toestemming voor de verhuur verleent, maar binnen de verhuurtermijn een aanvraag
                    wordt ontvangen voor bijvoorbeeld uitbreiding van een schoolgebouw.</al><al>Met de door het bevoegd gezag verstrekte informatie toetst het college het
                    verzoek aan wet- en regelgeving. Op grond van artikel 108, eerste lid, van de
                    WPO en artikel 76s van de WVO is het niet toegestaan om een onderwijsgebouw of
                    -terrein te verhuren als:</al><lijst><li nr="-"><al>woon- of bedrijfsruimte als bedoeld in artikel 1623a, tweede lid, en
                            1624, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, of</al></li><li nr="-"><al>de bestemming zich niet verdraagt met het onderwijs aan de school.</al></li></lijst><al>Het college neemt bij het verlenen van de toestemming in ieder geval de
                    voorwaarde op dat als de te verhuren ruimte op (korte) termijn nodig is voor het
                    onderwijs, dat het college deze ruimte dan vordert. De wet bepaalt dat de
                    risico's voor verhuur en de eventuele schadeplicht die ontstaat bij het
                    voortijdig opzeggen van het huurcontract door het bevoegd gezag, omdat het
                    college gebruik maakt van hun vorderingsrecht, liggen bij het bevoegd
                    gezag.</al><al>Bij verhuur moet een huurovereenkomst worden afgesloten en een huurprijs bepaald
                    worden. Onderscheid moet worden gemaakt in de vergoeding voor de
                    exploitatiekosten (= gebruiksvergoeding) en de vergoeding in de
                    investeringslasten (= huurvergoeding). Het schoolbestuur stelt de hoogte van de
                    component ‘exploitatiekosten’ (beheer en onderhoud van het schoolgebouw) vast.
                    In het derde lid is opgenomen de mogelijkheid voor het college om aan de
                    toestemming tot verhuur de voorwaarde te verbinden dat voor de verhuur een huur
                    is verschuldigd, waarvan de hoogte door het college wordt vastgesteld. Dit lid
                    is een aanvulling op wat in de onderwijswetten is opgenomen. Deze huurvergoeding
                    is wat anders dan de gebruiksvergoeding waarvan de hoogte door het bevoegd gezag
                    wordt vastgesteld en waar het bevoegd gezag aanspraak op maakt. De huurcomponent
                    moet worden afgedragen aan het college als bijdrage in de investeringslasten van
                    het schoolgebouw. Aan het verbinden van de voorwaarde tot het betalen van een
                    huurvergoeding zijn voorwaarden verbonden:</al><lijst><li nr="1."><al>het college moet kunnen aantonen dat door het niet doorbereken van de
                            huur de gemeente een financieel nadeel leidt;</al></li><li nr="2."><al>de huurprijs moet gerelateerd zijn aan de extra kosten of het verlies
                            aan inkomsten door de gemeente en</al></li><li nr="3."><al>de ontvangen huurvergoeding moet rechtstreeks ten goede komen aan
                            onderwijshuisvesting.<sup/></al></li></lijst><al><vet>Artikel 29. Staat van onderhoud</vet></al><al>In artikel 110 van de WPO en artikel 76u van de WVO is geregeld in welke
                    situatie en hoe moet worden omgegaan met de overdracht van een (gedeelte van
                    een) schoolgebouw en -terrein aan het college. Over het algemeen is de
                    overdracht van het hele schoolgebouw en -terrein gekoppeld aan het beëindigen
                    van de bekostiging (bijzonder onderwijs) of het opheffen van de school (openbaar
                    onderwijs) door de minister van OCW. Overdracht door het bevoegd gezag van een
                    schoolgebouw en -terrein aan de gemeente vindt uitsluitend plaats als het
                    bevoegd gezag (bijzonder onderwijs, of verzelfstandigd openbaar onderwijs in
                    bijv. een stichting) juridisch eigenaar is van het schoolgebouw. Is de gemeente
                    juridisch eigenaar van het schoolgebouw en -terrein dan vindt geen overdracht
                    van een (gedeelte van een) schoolgebouw en -terrein plaats. Een overdracht kan
                    ook plaatsvinden als vervangende nieuwbouw op een andere locatie is
                    gerealiseerd. Als dit noodzakelijk is wordt in de door het college en bevoegd
                    gezag gezamenlijk opgestelde en ondertekende acte opgenomen een termijn waarin
                    het schoolgebouw nog kan worden gebruikt. Bij het einde van het gebruik wordt
                    geen onderscheid gemaakt tussen hoofdgebouwen en dislocaties, omdat dit
                    onderscheid bij het einde van het gebruik niet relevant is. Voor alle gebouwen
                    moet duidelijk zijn op welk moment het gebruik uiterlijk beëindigd moet worden. </al><al>De procedure voor het opmaken van een staat van onderhoud bij het beëindigen van
                    het gebruik is gekoppeld aan het beëindigen van het gebruik van een gebouw door
                    het bevoegd gezag. Is sprake van integraal bestuur dan blijft het opmaken van
                    een staat onderhoud achterwege. Vanuit het oogpunt van gelijke behandeling van
                    het openbaar en bijzonder onderwijs kan in materiële zin gekozen worden voor een
                    gelijke handelwijze.</al><al>Met 'achterstallig onderhoud' wordt bedoeld het onderhoud dat het bevoegd gezag,
                    met het oog op de onderhoudsplicht, had moeten uitvoeren. Het gaat er dus niet
                    om dat een gebouw nog een extra opknapbeurt moet krijgen voordat het buiten
                    gebruik wordt gesteld.</al><al>De staat van het onderhoud wordt opgemaakt voordat de eigendomsoverdracht
                    plaatsvindt, omdat alleen voor die tijd nog eenduidig kan worden vastgesteld aan
                    wie het eventueel achterstallig onderhoud is toe te rekenen. De staat van
                    onderhoud maakt ook onderdeel uit van de op te maken akte van overdracht. </al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Het college geeft de opdracht voor het opstellen van het rapport met daarin een
                    beschrijving van de staat van onderhoud. Deze opdracht wordt, vanuit het oogpunt
                    van objectiviteit, verstrekt aan een onafhankelijke derde, zoals een bouwkundig
                    adviesbureau. Voordat de opdracht wordt verstrekt heeft het college overleg met
                    het betrokken bevoegd gezag over de inhoud van de opdracht en over de instantie
                    die deze opdracht uitvoert. Hiermee wordt voorkomen dat achteraf onnodige
                    discussies c.q. meningsverschillen ontstaan over de inhoud van de opdracht en
                    over de keuze van de uitvoerder. Op grond van artikel 5 kunnen bepaalde
                    inlichtingen van het bevoegd gezag gevraagd worden (bijv. beschikbaar stellen
                    meerjarenonderhoudsplan en/of bewijsstukken dat er geregeld onderhoud is
                    uitgevoerd).</al><al><cursief>Lid 5</cursief></al><al>Als uit de rapportage van de staat van onderhoud blijkt dat bij het opmaken van
                    de rapportage achterstallig onderhoud is geconstateerd en het bevoegd gezag met
                    deze constatering instemt, kan in het overleg overeengekomen worden dat het
                    bevoegd gezag:</al><lijst><li nr="-"><al>alsnog opdracht verstrekt tot het uitvoeren van het noodzakelijke
                            onderhoud, of</al></li><li nr="-"><al>het bedrag dat gemoeid is met het achterstallig onderhoud aan het
                            college betaalt, waarna het college de opdracht verstrekt.</al></li></lijst><al>Als in het overleg geen overeenstemming wordt bereikt over de uitkomst van de
                    rapportage wordt in het overleg besproken hoe de vervolgprocedure zal zijn. Er
                    kan worden overeengekomen dat arbitrage plaatsvindt, waarbij beide partijen
                    afspreken zich te zullen neerleggen bij de uitkomst daarvan. Alternatief is dat
                    het college zich wendt tot de burgerlijke rechter, op grond van het feit dat het
                    bevoegd gezag een onrechtmatige daad heeft gepleegd door zich niet te houden aan
                    de wettelijke opdracht om een gebouw behoorlijk te gebruiken of te
                    onderhouden.</al><al><cursief>Lid 6</cursief></al><al>Deze bepaling is opgenomen voor de situatie dat er geen enkele aanleiding is om
                    te veronderstellen dat sprake is van achterstallig onderhoud, of een vermoeden
                    over achterstallig onderhoud bestaat, maar er geen reden is om dit nog te laten
                    vastleggen in een rapport. Dit laatste kan zich voordoen als het voornemen
                    bestaat het schoolgebouw dat buiten gebruik wordt gesteld op termijn bijv. te
                    verbouwen voor een andere bestemming of te slopen.</al><al><vet>Artikel 30. Mutaties aantal klokuren binnen beschikbare capaciteit;
                        inroosteren en gebruik</vet></al><al>Lokalen bewegingsonderwijs zijn een voorziening huisvesting onderwijs en kunnen
                    juridisch eigendom zijn van de gemeente, het bevoegd gezag of een derde. In het
                    kader van de ruimtebehoefte van de lokalen bewegingsonderwijs is het de
                    verantwoordelijkheid van de gemeenteraad om de criteria vast te stellen voor het
                    vaststellen van de ruimtebehoefte en de aanvullende ruimtebehoefte. Deze
                    criteria zijn opgenomen in bijlage III, deel B. Daarnaast is het de
                    verantwoordelijkheid van het college om een rooster bewegingsonderwijs vast te
                    stellen. De omvang van het gebruik door een school voor basisonderwijs van
                    lokalen bewegingsonderwijs wordt uitgedrukt in het aantal klokuren. Het aantal
                    klokuren is afhankelijk is van het aantal gymgroepen. Omdat het aantal
                    gymgroepen afhankelijk is van het aantal formatieplaatsen en het aantal
                    formatieplaatsen afhankelijk van het aantal leerlingen dat op de school is
                    ingeschreven fluctueert het aantal klokuren jaarlijks als gevolg van mutaties in
                    het aantal leerlingen. Voor het verwerken van de jaarlijkse mutaties is de
                    jaarlijkse procedure tot aanvragen in het kader van het programma en de
                    spoedprocedure niet het geëigende middel. Beide procedures zijn te zwaar en te
                    omslachtig voor het verwerken van de jaarlijkse mutaties in het gebruik van de
                    lokalen bewegingsonderwijs. Dit geldt in ieder geval als het aantal klokuren
                    binnen de bestaande capaciteit kan worden opgevangen en dus niet leidt tot een
                    uitbreiding of nieuwbouw van lokalen bewegingsonderwijs.</al><al>Tegen deze achtergrond is in artikel 30 een afzonderlijke procedure opgenomen.
                    Uitgangspunt van deze procedure is dat het college op basis van het aantal
                    leerlingen het aantal gymgroepen en daarmee het aantal klokuren
                    bewegingsonderwijs vaststelt en op basis van het aantal klokuren het
                    conceptrooster bewegingsonderwijs kan vaststellen. Stelt het college vast dat er
                    te weinig capaciteit is, of dat een lokaal bewegingsonderwijs moet worden
                    vervangen, dan kan het college de procedure voor het aanvragen van bekostiging
                    van een huisvestingsvoorziening starten. Door deze procedure heeft het college,
                    als lokale overheid, zicht op:</al><lijst><li nr="-"><al>de accommodaties die geschikt zijn voor bewegingsonderwijs, inclusief de
                            accommodaties die op grond van de onderwijswetgeving behoren tot de zgn.
                            ‘eigendomsscholen’;</al></li><li nr="-"><al>de capaciteit van de accommodaties bewegingsonderwijs;</al></li><li nr="-"><al>het gebruik van de accommodatie bewegingsonderwijs (welke school geeft
                            bewegingsonderwijs in welk gebouw);</al></li><li nr="-"><al>de tijdstippen en het aantal uren dat het lokaal bewegingsonderwijs
                            gebruikt wordt, en</al></li><li nr="-"><al>het gebruik, waarbij moet worden vastgesteld of het een genormeerd
                            gebruik is of dat het gebruik gebaseerd is op feitelijk gebruik.</al></li></lijst><al>De in de verordening opgenomen stappen wijken voor een deel af van de procedure
                    in de modelverordening. De aanvraag van gebruik van ruimte voor
                    bewegingsonderwijs wordt binnen de gemeente al jaren naar tevredenheid
                    uitgevoerd op de in deze verordening beschreven wijze.</al><lijst><li nr="1."><al>het college verstuurt jaarlijks uiterlijk 4 maanden voor start van het
                            nieuwe schooljaar een aanvraagformulier voor opgave van de voor het
                            nieuwe schooljaar gewenst onderwijsgebruik van de gymnastiekruimte;</al></li><li nr="2."><al>Het bevoegd gezag verstrekt de opgave uiterlijk 4 weken na ontvangst van
                            het aanvraagformulier;</al></li><li nr="3."><al>het college stelt uiterlijk 4 weken voor einde van het huidige
                            schooljaar het aantal klokuren bewegingsonderwijs vast waarop een school
                            voor basisonderwijs in het daaropvolgende schooljaar aanspraak kan
                            maken;</al></li><li nr="4."><al>Het college stelt een conceptrooster op en dit wordt ook uiterlijk 4
                            weken voor het einde van het huidige schooljaar aan het bevoegd gezag
                            toegezonden. Zij krijgen 2 weken te tijd om te reageren op het
                            voorgestelde rooster. Er kan eventueel ook een overleg worden ingepland
                            om het rooster gezamenlijk te bespreken;</al></li><li nr="5."><al>het college stelt het rooster bewegingsonderwijs uiterlijk één week voor
                            het einde van het schooljaar definitief vast.</al></li></lijst><al>De verordening geeft het bevoegd gezag de mogelijkheid om meer klokuren
                    bewegingsonderwijs aan te vragen dan door het college genormeerd is vastgesteld.
                    Het college kan dit verzoek honoreren als binnen de bestaande accommodaties
                    daarvoor ruimte beschikbaar is. Aan het bevoegd gezag worden dan de kosten van
                    deze extra klokuren doorberekend.</al><al><vet>Artikel 32. Indexering</vet></al><al>De in bijlage IV, deel B, opgenomen genormeerde vergoedingen moeten jaarlijks
                    worden aangepast aan de prijsontwikkeling. Omdat bijlage IV integraal onderdeel
                    is van de verordening moet op grond van de onderwijswetten een wijziging van de
                    verordening worden vastgesteld door de gemeenteraad. Om deze zware procedure
                    voor uitsluitend het aanpassen van de normbedragen te voorkomen bepaalt dit
                    artikel dat het jaarlijks aanpassen van de normbedragen wordt gedelegeerd aan
                    het college. De uitgangspunten voor de indexering zijn opgenomen in bijlage IV,
                    deel A. Het wettelijk verplichte overleg met het onderwijsveld dat voor een
                    wijziging van de verordening noodzakelijk is, kan plaatsvinden door het
                    toezenden van de voorgenomen prijsbijstellingen en het bieden van de
                    mogelijkheid om hierop te reageren.</al><al><vet>Bijlage I – Beoordelingscriteria noodzaak aangevraagde
                    voorzieningen</vet></al><al>In bijlage I zijn opgenomen de criteria die van belang zijn voor het vaststellen
                    van de noodzaak van de aangevraagde voorziening. De bijlage is onderverdeeld in
                    deel A – Lesgebouwen en deel B – Lokalen bewegingsonderwijs. </al><al><vet>Deel A –Lesgebouwen</vet></al><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Per voorziening onderwijshuisvesting zijn de criteria voor het vaststellen van
                    de noodzaak van de aangevraagde voorziening beschreven. </al><al>Een school kan gehuisvest zijn in een hoofdvestiging of een dislocatie. De
                    dislocatie is bedoeld als tijdelijke huisvesting, voor de situatie dat de
                    hoofdvestiging te weinig capaciteit heeft om alle leerlingen te huisvesten. Is
                    het aantal leerlingen zodanig afgenomen dat alle leerlingen weer op de
                    hoofdvestiging kunnen worden gehuisvest, dan wordt de dislocatie afgestoten.
                    Ontvangt het college een aanvraag voor het bekostigen van een voorziening voor
                    een dislocatie, dan stelt het college, voordat het besluit deze aanvraag te
                    honoreren, vast of:</al><lijst><li nr="-"><al>de dislocatie, gelet op het aantal leerlingen, nog als aanvullende
                            huisvesting voor de school noodzakelijk is;</al></li><li nr="-"><al>dat het mogelijk is alle leerlingen in de hoofdvestiging te huisvesten,
                            eventueel met een bouwkundige aanpassing, of</al></li><li nr="-"><al>dat er een andere geschikte of geschikt te maken locatie beschikbaar
                            is.</al></li></lijst><al>Of het bekostigen van de voorziening in/aan de dislocatie wordt toegekend is op
                    basis van het voorgaande een financiële afweging van het college.</al><al>Om de beoordelingscriteria van bijlage I te kunnen toepassen moet het college
                    beschikken over minimaal de volgende gegevens:</al><lijst><li nr="-"><al>het aantal leerlingen dat op de teldatum op de school staat
                            ingeschreven;</al></li><li nr="-"><al>het aantal leerlingen dat op lange termijn wordt verwacht;</al></li><li nr="-"><al>het verschil tussen de bestaande capaciteit (= brutovloeroppervlakte)
                            van het gebouw of de gebouwen die door de school worden gebruikt en de
                            gewenste ruimtebehoefte, en</al></li><li nr="-"><al>zo nodig, de bouwkundige staat van het gebouw of de gebouwen.</al></li></lijst><al>Het vaststellen van de periode waarvoor de voorziening huisvesting onderwijs
                    noodzakelijk is, is nodig om desinvesteringen te voorkomen. Is de (aanvullende)
                    voorziening onderwijshuisvesting voor een korte periode noodzakelijk, dan wordt
                    gekozen voor een ‘voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening’ tenzij een ‘voor
                    blijvend gebruik bestemde voorziening’ voor de periode waarvoor de voorziening
                    noodzakelijk is beschikbaar is. De periode waarvoor de voorziening noodzakelijk
                    is wordt herleid uit de leerlingenprognose. De leerlingenprognose geeft antwoord
                    op de vraag of het aantal leerlingen op de teldatum voorafgaande aan de datum
                    waarop de aanvraag is ingediend ook de komende jaren nog wordt verwacht. Is de
                    uitkomst van de leerlingenprognose dat het aantal leerlingen waarvoor de
                    aangevraagde voorziening huisvesting onderwijs is bedoeld ook de komende jaren
                    aanwezig is en noodzakelijk is voor een periode van:</al><lijst><li nr="-"><al>drie jaar, dan wordt geen voorziening onderwijshuisvesting toegekend
                            omdat wordt verondersteld dat de school de extra ruimtebehoefte voor
                            deze beperkte periode binnen de eigen school kan opvangen. Alleen als
                            wordt vastgesteld dat dit onmogelijk is, wordt een andere voorziening
                            goedgekeurd;</al></li><li nr="-"><al>minimaal vier tot maximaal veertien jaar, dan wordt een voor tijdelijk
                            gebruik bestemde voorziening toegekend en</al></li><li nr="-"><al>minimaal vijftien jaar, dan wordt een voor blijvend gebruik bestemde
                            voorziening onderwijshuisvesting toegekend</al></li></lijst><al>De genoemde termijnen gelden niet voor aanvragen die zijn ontvangen voor het
                    bekostigen van de voorzieningen huisvesting onderwijs constructiefouten en
                    vervanging of herstel van schade in geval van bijzondere omstandigheden.</al><al>Bij het vaststellen van de noodzaak van de aangevraagde voorzieningen
                    huisvesting onderwijs (vervangende) nieuwbouw en uitbreiding speelt,
                    onafhankelijk van de periode waarvoor de voorziening noodzakelijk is, een rol de
                    mogelijkheid van medegebruik of ingebruikname van een bestaand gebouw.</al><al><vet>A.1 Nieuwbouw</vet></al><al>Nieuwbouwis noodzakelijk voor het huisvesten van een nieuw instituut
                    of een nieuwe afdeling en heeft dus betrekking op een onderwijsvoorziening die
                    nog niet in de gemeente is gevestigd en voor deze nieuwe voorziening ook geen
                    bestaande accommodatie beschikbaar is.</al><al><vet>A.2 Vervangende bouw</vet></al><al>Vervangende nieuwbouwkan het gevolg zijn van een tweetal situaties.
                    Ten eerste vanwege de slechte conditie (bouwkundige staat) van een gebouw. Voor
                    het vaststellen van de bouwkundige staat van het gebouw en om verschillen in de
                    bouwkundige staat tussen verschillende gebouwen in een volgorde te kunnen
                    plaatsen wordt voor de bouwkundige rapportage als eis gesteld een rapportage op
                    grond van NEN 2767.Uitgangspunt van deze methode is dat de onderhoudsscenario's
                    op basis van verschillende keuzes en bevindingen worden doorgerekend en bij het
                    bepalen van de keuzes een afweging plaatsvindt tussen kwaliteit, kosten en
                    risico's. Bij het maken van keuzes met betrekking tot onderhoud is inzicht in de
                    aanwezige en de te bereiken kwaliteit (en de daaraan verbonden kosten)
                    essentieel. Uitgangspunt van de methode van conditiemeting NEN 2767 is dat voor
                    alle bouwkundige elementen een conditie wordt toegekend. Bij het vaststellen van
                    de condities wordt ook rekening gehouden met de noodzaak van het onderhoud
                    binnen een vooraf vastgestelde periode (in principe 3 jaar). Voor het antwoord
                    op de vraag of activiteiten binnen de periode van 3 jaar voor het onderhoud in
                    aanmerking komen wordt de ernst, de omvang en de intensiteit van het gebrek
                    vastgesteld. De ernst van het gebrek wordt uitgedrukt in een score, de zgn.
                    'conditie voor'. Met de 'conditie voor' wordt dus eigenlijk de kwaliteit van het
                    totale schoolgebouw vastgesteld. Deze kwaliteit kan worden onderverdeeld in de
                    volgende conditieschalen:</al><al>Conditie 1 Nieuwbouwkwaliteit of met nieuwbouw vergelijkbare kwaliteit;</al><al>Conditie 2 Een bouw- of installatiedeel vertoont kenmerken van een beginnende
                    veroudering;</al><al>Conditie 3 Het verouderingsproces is duidelijk op gang gekomen;</al><al>Conditie 4 Het verouderingsproces is duidelijk zichtbaar;</al><al>Conditie 5 Het verouderingsproces is niet meer te keren;</al><al>Conditie 6 De bouwkundige staat is zo slecht dat deze niet meer onder conditie 5
                    kan worden gerangschikt.</al><al>Op basis van de vermelde condities wordt inzicht verkregen in de bouwkundige
                    staat en kan worden vastgesteld of vervangende nieuwbouw noodzakelijk is.</al><al>Vervangende nieuwbouw heeft een relatie met onderhoud en aanpassen van het
                    schoolgebouw waarvoor het bevoegd gezag de bekostiging rechtstreeks van de
                    minister van OCW ontvangt. Deze vergoeding is niet alleen bestemd voor
                    activiteiten met een kortlopende cyclus, maar ook met een langlopende cyclus
                    (bijv. vervangen kozijnen, leidingen). Dit betekent dat als sprake is van een
                    bouwkundige rapportage met of conditie 5 of 6 moet worden vastgesteld of in de
                    afgelopen jaren het onderhoud op een verantwoorde wijze heeft plaatsgevonden. Is
                    het schoolbestuur op dit onderdeel nalatig geweest dan kan de aanvraag voor
                    vervangende nieuwbouw worden afgewezen. Wordt in overleg tussen college en
                    bevoegd gezag afgezien van het investeren in onderhoud en aanpassen van het
                    schoolgebouw dan moeten afspraken worden gemaakt over het bekostigen van de
                    totale investering, omdat het bevoegd gezag de voor onderhoud en aanpassen
                    ontvangen rijksvergoeding niet voor dit doel hoeft in te zetten.</al><al>Vervangende nieuwbouwkan ten tweede het gevolg zijn een
                    herschikkingsoperatie. Dit kan zich in meerdere gevallen voordoen:</al><lijst><li nr="-"><al>bevoegde gezagsorganen kunnen overeenkomen om schoolgebouwen te ruilen
                            omdat is vastgesteld dat er voldoende capaciteit voor het huisvesten van
                            de leerlingen beschikbaar is, maar dat het ene schoolgebouw een overmaat
                            aan capaciteit heeft en het andere schoolgebouw een tekort aan
                            capaciteit. Door onderlinge ruil, eventueel met een beperkte bouwkundige
                            aanpassing of uitbreiding bij een bestaand schoolgebouw of in relatie
                            met vervangende nieuwbouw voor een bestaand schoolgebouw kan een
                            efficiënte bezetting van de schoolgebouwen worden gerealiseerd en kan
                            mogelijk een schoolgebouw worden afgestoten;</al></li><li nr="-"><al>fusies van scholen kunnen aanleiding zijn voor een herschikkingsoperatie
                            omdat een fusie op schoolniveau ook gevolgen heeft voor de
                            leerlingenstromen, waardoor mogelijk door een beperkte uitbreiding (=
                            vervangende bouw) van het ene schoolgebouw het andere schoolgebouw kan
                            worden afgestoten;</al></li><li nr="-"><al>vervangende nieuwbouw kan verband houden met ontwikkelingen in de
                            ruimtelijke ordening, als gevolg van bijv. stadsvernieuwing, of het
                            herinrichten van een wijk, waarvoor het noodzakelijk is dat het
                            bestaande schoolgebouw of de bestaande schoolgebouwen vervangen
                            wordt/worden.</al></li></lijst><al>Uitgangspunt van investeringen die het gevolg zijn van een herschikkingsplan is
                    dat een grotere doelmatigheid in het gebruik van de schoolgebouwen wordt bereikt
                    en dat het voor het college een budgettair neutrale investering is, dus voor de
                    gemeente geen extra investeringslasten ontstaan. De budgettaire neutraliteit kan
                    uitsluitend worden gerealiseerd als de investering van de vervangende nieuwbouw
                    kan worden gefinancierd uit de (grond)opbrengst van de verkoop van de bestaande
                    (te vervangen) locatie. Eventueel kunnen, nadat hierover overeenstemming is
                    bereikt met het aanvragende schoolbestuur, gelden die het bevoegd gezag van het
                    rijk ontvangt voor het bekostigen van de exploitatie, het onderhoud, en de
                    aanpassingen schoolbestuur als medefinanciering worden ingezet.</al><al><vet>A.3 Uitbreiding</vet></al><al>Uitbreidingwordt toegekend als de bestaande capaciteit van het
                    schoolgebouw of de schoolgebouwen niet voldoende is voor het huisvesten van het
                    aantal leerlingen dat op de school is ingeschreven: de ruimtebehoefte is dan
                    groter dan de beschikbare huisvestingscapaciteit (zie ook bijlage III). Het is
                    aan het college te bepalen op welke wijze de gevraagde extra capaciteit
                    beschikbaar wordt gesteld. Bij het besluit kan het college rekening houden met
                    de eventueel beschikbare capaciteit bij andere schoolgebouwen en als dat
                    mogelijk is in plaats van de gevraagde uitbreiding van het schoolgebouw bijv.
                    medegebruik toekennen.</al><al><vet>A.4 In gebruik nemen van een bestaand gebouw</vet></al><al>In gebruik nemenvan een bestaand gebouw of een gedeelte daarvan is
                    afhankelijk van de volgende factoren:</al><lijst><li nr="-"><al>het aspect afstand en bereikbaarheid, waarbij het aspect afstand alleen
                            een rol speelt als het gebouw een dislocatie wordt van een bestaande
                            hoofdvestiging; is het gebouw noodzakelijk voor het huisvesten van een
                            nieuwe school dan is de ligging niet relevant;</al></li><li nr="-"><al>de omvang van het gebouw is van belang om vast te stellen of en zo ja
                            welke in- of uitpandige investeringen noodzakelijk zijn om te zorgen
                            voor voldoende capaciteit voor het huisvesten van de leerlingen.</al></li><li nr="-"><al>de bouwkundige en onderwijskundige kwaliteit van het gebouw is van
                            belang om vast te stellen welke bouwkundige investeringen noodzakelijk
                            zijn om het gebouw bouwkundig en onderwijskundig geschikt te maken als
                            kwalitatief geschikte huisvesting. Het college kan besluiten tot het
                            bekostigen van vervangende nieuwbouw als de investeringskosten om het
                            gebouw voor het onderwijs geschikt te maken, zoals aanpassing,
                            uitbreiding en onderhoud, vermeerderd met (eventuele) kosten van
                            verwerving hoger zijn dan de kosten van volledige nieuwbouw.</al></li></lijst><al>In gebruik nemen is ook mogelijk:</al><lijst><li nr="-"><al>als vervanging van een bestaand gebouw aan de orde is en ingebruikgeving
                            per saldo geen meerkosten met zich meebrengt;</al></li><li nr="-"><al>bij een herschikkingsoperatie;</al></li><li nr="-"><al>als gevolg van ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening;</al></li><li nr="-"><al>als uitbreiding van het huidige schoolgebouw aan de orde is.</al></li></lijst><al><vet>A.5 Verplaatsen tijdelijk gebouw</vet></al><al>Verplaatsen van een tijdelijk gebouw kan alleen als het gebouw niet aard- en
                    nagelvast aan de grond is verbonden. Bij het verplaatsen van een tijdelijk
                    gebouw moet rekening worden gehouden met de kosten van verplaatsen (verwijderen
                    en opnieuw plaatsen) en het op termijn opnieuw verwijderen. Op dit punt kan het
                    college een afweging maken tussen het verplaatsen en het bekostigen van een
                    nieuwe voorziening.</al><al><vet>A.6 Terrein</vet></al><al>Terreinis een voorziening huisvesting onderwijs die niet automatisch
                    wordt toegekend. Vervangende nieuwbouw of uitbreiding van het schoolgebouw kan
                    bijv. op het bestaande schoolterrein worden gerealiseerd. Als voor het
                    realiseren van de genoemde voorzieningen terrein noodzakelijk is, wordt daar bij
                    de eventuele toestemming voor de huisvestingsvoorziening rekening mee
                    gehouden.</al><al><vet>A.7 Eerste inrichting </vet></al><al>Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair wordt bekostigd aan een
                    school voor basisonderwijs. Eerste inrichting leer- en hulpmiddelen wordt
                    bekostigd aan een school voor voortgezet onderwijs. Voor alle onderwijssectoren
                    is de bekostiging van de eerste inrichting gekoppeld aan het aantal
                    m<sup>2</sup> bruto vloeroppervlakte waarvoor de voorziening nieuwbouw of
                    uitbreiding wordt toegekend.</al><al>Bij fusie van scholen worden twee of meer scholen samengevoegd tot één school.
                    In principe hebben de afzonderlijke scholen tot het moment van fusie ieder voor
                    zich bekostiging voor eerste inrichting ontvangen. Dit betekent dat bij fusie
                    van voorheen afzonderlijke scholen geen aanspraak bestaat op bekostiging van
                    eerste inrichting als de bruto vloeroppervlakte van de gefuseerde scholen minder
                    of gelijk is aan de bruto vloeroppervlakte van de voor de fusie afzonderlijke
                    scholen. Uitbreiding eerste inrichting wordt uitsluitend toegekend in combinatie
                    met uitbreiding van het schoolgebouw. </al><al><vet>A.8 Medegebruik</vet></al><al>Medegebruik is een belangrijk instrument als het gaat om het realiseren van het
                    doelmatig gebruik van schoolgebouwen en de efficiënte inzet van middelen. </al><al>Voordat het college besluit tot medegebruik is het noodzakelijk om inzicht te
                    hebben:</al><lijst><li nr="-"><al>in de periode waarvoor medegebruik noodzakelijk is (door middel van de
                            leerlingenprognose), en</al></li><li nr="-"><al>de periode van medegebruik in het schoolgebouw waar de leegstand is
                            vastgesteld (wordt op korte termijn een toename van het aantal
                            leerlingen verwacht dan is het de vraag of medegebruik zinvol is).</al></li></lijst><al>De verordening kent geen beperking in het aantal locaties waarnaar bij
                    medegebruik van leegstand kan worden verwezen. Wel hanteert de verordening bij
                    medegebruik een afstandscriterium tussen de hoofdvestiging en de ruimte die in
                    aanmerking komt voor het medegebruik, de zgn. verwijsafstand). In de verordening
                    is als verwijsafstand opgenomen het criterium ‘voor de leerling voldoende
                    begaanbare en veilige weg’. </al><al>De verordening maakt geen onderscheid tussen leegstand in een schoolgebouw van
                    scholen van verschillende onderwijssectoren. De leegstand wordt vastgesteld op
                    basis van het verschil tussen de vastgestelde capaciteit (bruto
                    vloeroppervlakte) op grond van bijlage III, deel A, en de voor de school
                    vastgestelde ruimtebehoefte op grond van bijlage III, deel B. Of de berekende
                    genormeerde leegstand ook als leegstaande ruimte geschikt is voor medegebruik
                    wordt afzonderlijk vastgesteld.</al><lijst><li nr="-"><al>Feitelijke leegstand in een school voor basisonderwijs en een school
                            voor voortgezet onderwijs is per definitie geschikt voor
                            medegebruik.</al></li><li nr="-"><al>Ruimten, die een bevoegd gezag met eigen middelen heeft bekostigd, maar
                            waarvoor het college een vergoeding verstrekt (zogenaamde eigendoms- en
                            huurscholen) maken onderdeel uit van de voorzieningen huisvesting
                            onderwijs en komen in aanmerking voor medegebruik.</al></li><li nr="-"><al>Ruimten die een bevoegd gezag volledig met eigen middelen heeft
                            gerealiseerd en waarvoor geen vergoeding van de overheid is ontvangen
                            kunnen niet in medegebruik worden gegeven omdat deze ruimte geen
                            onderdeel uitmaken van de voor het schoolgebouw vastgestelde capaciteit
                            (bijlage III, deel A).</al></li></lijst><al><vet>A.4 en A.8 Investeringskosten bij geschikt maken voor nieuwe
                        bewoner</vet></al><al>In de situatie van het in gebruik nemen van een bestaand gebouw (A.4) en
                    medegebruik (A.8) kan het noodzakelijk zijn dat bouwkundige voorzieningen moeten
                    worden getroffen om het betreffende (school)gebouw geschikt te maken voor de
                    nieuwe bewoner. De investeringskosten van deze investering komen voor rekening
                    van de gemeente.</al><al><vet>A.9 Herstel van constructiefouten</vet></al><al>Herstel van constructiefoutenis een voorziening huisvesting onderwijs.
                    Voordat bekostiging voor een constructiefout wordt toegekend is het van belang
                    vast te stellen dat het daadwerkelijk gaat om een constructiefout en wie
                    verantwoordelijk is voor het ontstaan van de constructiefout. Als sprake is van
                    een ontwerpfout o.i.d. kan de veroorzaker van de constructiefout aansprakelijk
                    worden gesteld voor het herstel. In dit verband speelt ook het moment waarop
                    bekostiging voor een constructiefout wordt aangevraagd een rol. In dit verband
                    heeft de Raad van State uitgesproken dat herstel van riolering waarvoor het
                    schoolbestuur verantwoordelijk was (onder schoolterrein) niet als een
                    constructiefout kan worden aangemerkt maar als regulier onderhoud moet worden
                    gezien. Tussen het moment van het aanleggen van de riolering en het aanvragen
                    van bekostiging lag een periode van 28 jaar. De Raad van State was van oordeel
                    dat, gelet op de levensduur, er op dat moment geen sprake meer kan zijn van een
                    constructiefout, maar dat sprake is van regulier onderhoud.<sup/> Het herstel
                    van een constructiefout is eveneens geen voorziening huisvesting onderwijs en
                    komt voor rekening van het bevoegd gezag als de constructiefout het gevolg is
                    van nalatigheid van het bevoegd gezag (artikel 100, tweede lid, van de
                    WPOen artikel 76k, tweede lid, van de WVO.<sup/></al><al><vet>A.10 Vervangen of herstel van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en
                        meubilair in geval van bijzondere omstandigheden</vet></al><al>Het bekostigen van vervangen of herstel van schade in geval van bijzondere
                    omstandighedenis van toepassing als het bevoegd gezag geconfronteerd
                    wordt met schade als gevolg van bijv. vandalisme, ruitbreuk, storm, inbraak,
                    brand etc. en deze schade niet is te verhalen op een derde
                    (daderaansprakelijkheid). Bij het bepalen van de omvang van de bekostiging wordt
                    rekening gehouden met de situatie van de school. Bij vervanging na brand kan
                    bijvoorbeeld een totaal afgebrande school worden vervangen door een schoolgebouw
                    met minder bruto vloeroppervlakte als de leerlingenprognose daartoe aanleiding
                    geeft. Ook kan het college in plaats van nieuwbouw een ander schoolgebouw
                    toewijzen. Hiervoor geldt eveneens dat als de schade veroorzaakt wordt door
                    nalatigheid van het bevoegd gezag (bijv. inbraak was mogelijk doordat een raam
                    niet was afgesloten) de kosten voor rekening van het bevoegd gezag komen.</al><al><vet>Deel B – Voorzieningen voor lichamelijke oefening</vet></al><al>Tot een ruimte voor bewegingsonderwijs wordt niet alleen gerekend het
                    traditionele lokaal bewegingsonderwijs (= gymnastiekruimten), maar ook het
                    gebruik van de (gemeentelijke) sporthal. Een lokaal bewegingsonderwijs kan
                    juridisch eigendom zijn van de gemeente, het bevoegd gezag, of een derde.</al><al><vet>B.1 Nieuwbouw, vervangende nieuwbouw, uitbreiding of
                    ingebruikgeving</vet></al><al>Voor het vaststellen van de noodzaak van de gevraagde voorzieningen is een
                    relatie gelegd tussen het aantal klokuren dat moet worden ingeroosterd en de
                    afstand tussen het schoolgebouw dat van het lokaal bewegingsonderwijs gebruik
                    moet maken.</al><al>Als vervoer naar een verder weg gelegen lokaal bewegingsonderwijs voor de
                    gemeente financieel een goed alternatief is kan het college besluiten in plaats
                    van een voorziening het vervoer naar het lokaal bewegingsonderwijs te vergoeden.
                    Voordat hierover een besluit wordt genomen voert het college overleg met het
                    bevoegd gezag. <cursief>Voor het bekostigen van deze voorzieningen geldt de
                        [</cursief><vet><cursief>citeertitel verordening materiële financiële
                            gelijkstelling onderwijs</cursief></vet><cursief>].</cursief></al><al><vet>B.3 Eerste inrichting </vet></al><al>Aanvullend meubilairvoor het inrichten van het lokaal
                    bewegingsonderwijs kan als eerste inrichting worden verstrekt als een bestaand
                    lokaal:</al><lijst><li nr="-"><al>met een te kleine oefenzaal wordt uitgebreid waarbij de oefenzaal wordt
                            vergroot, of</al></li><li nr="-"><al>vervangende nieuwbouw wordt gerealiseerd met een groter lokaal
                            bewegingsonderwijs.</al></li></lijst><al>In deze situaties is de eerste inrichting in het verleden bekostigd voor de toen
                    gerealiseerde oppervlakte en voldoet de bestaande eerste inrichting naar
                    verwachting niet aan de gestelde eisen, respectievelijk is voor deze vernieuwde
                    lokalen bewegingsonderwijs niet eerder de volledige bekostiging eerste
                    inrichting verstrekt.</al><al><vet>B.5 Medegebruik</vet></al><al>De mogelijkheid van medegebruikin een lokaal
                    bewegingsonderwijswordt vastgesteld op basis van het rooster
                    bewegingsonderwijs dat het college heeft vastgesteld voor de scholen voor
                    primair onderwijs en het rooster bewegingsonderwijs dat het bevoegd gezag van de
                    school voor het voortgezet onderwijs heeft vastgesteld voor de school voor
                    voortgezet onderwijs.</al><al><vet>Bijlage II – Prognosecriteria </vet></al><al>Op grond van de artikelen 7, eerste lid, onder e, en 19, eerste lid, is het
                    bevoegd gezag verplicht een leerlingenprognose te overleggen als een aanvraag
                    voor het bekostigen van een voorziening huisvesting onderwijs (vervangende)
                    nieuwbouw, uitbreiding gebouw, eerste inrichting, in gebruik nemen, verplaatsen,
                    terrein en medegebruik wordt ingediend. De leerlingenprognose is de basis voor
                    het beoordelen van de noodzaak van de door de bevoegde gezagsorganen
                    aangevraagde voorziening en van belang voor het vaststellen van de periode
                    waarvoor de voorziening huisvesting onderwijs noodzakelijk is. </al><al><vet>Bijlage III – Beoordelingscriteria capaciteit, ruimtebehoefte en
                        aanvullende ruimtebehoefte</vet></al><al>In bijlage III wordt evenals in bijlage I een onderverdeling per voorziening
                    huisvesting onderwijs gehanteerd. Op verschillen tussen de onderwijssectoren
                    wordt bij de sectoren afzonderlijk ingegaan.</al><al>Bij het vaststellen van de onderwijscapaciteit van het schoolgebouw die wordt
                    geregistreerd wordt geen rekening gehouden met de m<sup>2</sup> bruto
                    vloeroppervlakte die een bevoegd gezag voor eigen rekening heeft gerealiseerd,
                    waar dus geen (rijks)vergoeding voor is verstrekt. Deze capaciteit wordt wel
                    geregistreerd.</al><al><vet>Deel A – Vaststellen capaciteit</vet></al><al>De capaciteit van een (school)gebouw wordt vastgesteld in m<sup>2</sup> bruto
                    vloeroppervlakte. Op basis van de vastgestelde capaciteit kan worden beoordeeld
                    of het (school)gebouw:</al><lijst><li nr="a."><al>te maken heeft met leegstand, of</al></li><li nr="b."><al>moet worden uitgebreid omdat er een tekort aan capaciteit is
                            (aanvullende ruimtebehoefte, deel C).</al></li></lijst><al>De bruto vloeroppervlakte van het schoolgebouw wordt door het college opgenomen
                    in de gemeentelijke administratie, omdat dit gegeven van wezenlijk belang is
                    voor het uitvoeren van de verordening. Mutaties die plaatsvinden (nieuwbouw,
                    vervangende nieuwbouw, uitbreiding etc.) moeten op grond van artikel 5 van de
                    verordening door de bevoegde gezagsorganen aan het college worden doorgegeven.
                    Door het vastleggen van deze mutaties in de gemeentelijke administratie beschikt
                    het college over de meest actuele bruto vloeroppervlakte van de
                    (school)gebouwen. De bruto vloeroppervlakte is een gegeven dat wordt bepaald aan
                    de hand van deel E, de meetinstructie voor het vaststellen van de bruto
                    vloeroppervlakte van schoolgebouwen.</al><al>Bij het vaststellen van de capaciteit kan vastgesteld worden dat als gevolg van
                    de indeling van het schoolgebouw de vastgestelde capaciteit niet volledig
                    geschikt is voor medegebruik (bijv. een gangenschool). Het schoolgebouw is dan
                    ‘overgedimensioneerd’ als gevolg van een onevenwichtige indeling van het
                    schoolgebouw. Op dat moment kan het bevoegd gezag het college vragen om de
                    capaciteit lager vast te stellen. Het college neemt over dit verzoek een
                    besluit. Besluit het college aan het verzoek van het bevoegd gezag te voldoen,
                    dan registreert het college zowel de totale bruto vloeroppervlakte van het
                    schoolgebouw als de bruto vloeroppervlakte die geschikt is voor onderwijs. Op
                    het moment dat het college een aanvraag voor het bekostigen van uitbreiding van
                    het schoolgebouw ontvangt stelt het college vast of het mogelijk is de gevraagde
                    uitbreiding geheel of gedeeltelijk inpandig te realiseren waardoor de
                    ‘overdimensionering’ van het schoolgebouw wordt verminderd.</al><al><vet>A.1.2 en A.1.3 Dislocaties</vet></al><al>Als de school is gehuisvest in meerdere gebouwen wordt gesproken van huisvesting
                    in een hoofdgebouw en een of meer dislocaties. Daalt het aantal leerlingen
                    zodanig dat het gebruik van een van de locaties kan worden beëindigd, dan is het
                    in eerste instantie aan het bevoegd gezag een besluit te nemen over de locatie
                    die buiten gebruik wordt gesteld en wordt overgedragen aan het college, tenzij
                    een van de locaties een gebouw is waarvoor het college een huurvergoeding
                    betaalt. Een schoolgebouw waarvoor het college een huurvergoeding betaalt wordt
                    als eerste buiten gebruik gesteld. Als het college van mening is dat het buiten
                    gebruik stellen van een ander schoolgebouw de voorkeur heeft, dan vindt overleg
                    plaats tussen het bevoegd gezag en het college.</al><al><vet>A.1.4 Terrein </vet></al><al>De terreinoppervlakte waarop het schoolgebouw staat is gelijk aan de grootte van
                    het perceel zoals dit bij het Kadaster is vastgelegd. Het kan voorkomen dat de
                    kadastrale perceelgrenzen niet overeenkomen met de grenzen van het
                    schoolterrein. Oorzaak is vaak dat de terreinoppervlakte van het openbaar groen
                    en eventueel andere openbare gebouwen samen met het schoolterrein als een geheel
                    is geregistreerd. In die situatie wordt voor het schoolgebouw het met
                    overheidsmiddelen bekostigde deel van de terreinoppervlakte vastgelegd.</al><al><vet>A.1.5 Inventaris </vet></al><al>Het vaststellen van het aantal leerlingen waarvoor eerste inrichting is
                    bekostigd is noodzakelijk voor het beoordelen van een aanvraag voor het
                    bekostigen uitbreiding van eerste inrichting. Evenals geldt voor het
                    schoolgebouw is de uitbreiding van de eerste inrichting gekoppeld aan de
                    uitbreiding met het aantal m<sup>2</sup> bruto vloeroppervlakte. Uitgangspunt is
                    dat op 1 januari 2015 de eerste inrichting is bekostigd waarop het bevoegd gezag
                    tot die datum aanspraak maakte.</al><al><vet>A.1.6 Lokalen bewegingsonderwijs </vet></al><al>Het vaststellen van de capaciteit van het lokaal bewegingsonderwijs is van
                    belang om te kunnen vaststellen of het aantal klokuren voor een school voor
                    basisonderwijs of het aantal lesuren voor een school voor voortgezet onderwijs
                    kan worden ingeroosterd.</al><al><vet>A.1.6.2 Terrein</vet></al><al>De terreinoppervlaktevan een lokaal bewegingsonderwijs is gelijk aan
                    de grootte van het perceel zoals dit bij het Kadaster is vastgelegd. Of de
                    terreinoppervlakte van het lokaal bewegingsonderwijs afzonderlijk wordt
                    geregistreerd is afhankelijk van de ligging van het lokaal bewegingsonderwijs.
                    Als het lokaal bewegingsonderwijs:</al><lijst><li nr="-"><al>inpandig in het schoolgebouw is gerealiseerd maakt het onderdeel uit van
                            de terreinoppervlakte van het schoolgebouw; </al></li><li nr="-"><al>als aanbouw van het schoolgebouw, of als afzonderlijk gebouw is
                            gerealiseerd op het terrein van het bevoegd gezag wordt het afzonderlijk
                            geregistreerd;</al></li><li nr="-"><al>ligt op een afzonderlijk terrein wordt het afzonderlijk
                            geregistreerd;</al></li><li nr="-"><al>onderdeel uitmaakt van een school voor voortgezet onderwijs en ligt op
                            hetzelfde terrein als het schoolgebouw, dan wordt het niet afzonderlijk
                            geregistreerd.</al></li></lijst><al><vet>A.1.6.3 Inventaris</vet></al><al>De eerste inrichting van het lokaal bewegingsonderwijs die bekostigd is wordt
                    geacht voldoende te zijn om te voldoen aan de gesteld eisen van het
                    bewegingsonderwijs.</al><al><vet>Deel B – Vaststellen ruimtebehoefte</vet></al><al>Voor het vaststellen van de ruimtebehoefte is bepalend het aantal leerlingen dat
                    op de teldatum 1 oktober voorafgaande aan het indienen van de aanvraag op de
                    school aanwezig is. Op basis van het aantal leerlingen wordt de bruto
                    vloeroppervlakte (= ruimtebehoefte) vastgesteld. Op basis van de uitkomst van de
                    leerlingenprognose wordt vastgesteld voor welke periode deze ruimtebehoefte
                    noodzakelijk is. </al><al><vet>B.1 Lesgebouwen</vet></al><al>De ruimtebehoefte voor een school voor basisonderwijsen een school
                    voor voortgezet onderwijs wordt gebaseerd op het aantal leerlingen
                    vermenigvuldigd met een m<sup>2</sup> bruto vloeroppervlakte per leerling. Een
                    school voor voortgezet onderwijs maakt daarnaast aanspraak op een vaste voet,
                    die afhankelijk is van:</al><lijst><li nr="-"><al>de aard van de vestiging, te weten een hoofd- of een nevenvestiging met
                            spreidingsnoodzaak, en</al></li><li nr="-"><al>de leerweg van de school voor vmbo of praktijkschool.</al></li></lijst><al><vet>B.1.1 School voor basisonderwijs </vet></al><al>De ruimtebehoefte van de school voor basisonderwijs is opgebouwd uit de
                    basisruimtebehoefte en de aanvullende ruimtebehoefte. De basisruimtebehoefte
                    bestaat uit de vaste voet (200 m<sup>2</sup>) en de som van het aantal ongewogen
                    leerlingen dat op de school voor basisonderwijs is ingeschreven vermenigvuldigd
                    met 5,03 m<sup>2</sup> per leerling. Op aanvullende ruimtebehoefte bestaat
                    aanspraak als op de school ‘gewichtenleerlingen’ staan ingeschreven. De
                    aanvullende ruimtebehoefte is afhankelijk van de ‘gewichtensom’. De som van de
                    basisruimtebehoefte en de aanvullende ruimtebehoefte is de totale
                    ruimtebehoefte. Onderdeel hiervan is een speellokaal.</al><al><vet>B.1.2 School voor voortgezet onderwijs</vet></al><al>Een school voor voortgezet onderwijs kent uitsluitend de basisruimtebehoefte. De
                    basisruimtebehoefte bestaat uit een vaste voet, vermeerderd met de som van het
                    aantal leerlingen vermenigvuldigd met de m<sup>2</sup> bruto vloeroppervlakte
                    per leerling, die geldt voor de onderwijsrichting waarop de leerling staat
                    ingeschreven. De vaste voet wordt toegekend voor de hoofdvestiging van de school
                    voor voortgezet onderwijs en de nevenvestiging met spreidingsnoodzaak. Daarnaast
                    wordt een vaste voet toegekend voor de afzonderlijke leerwegen in het vmbo. Of
                    sprake is van een nevenvestiging met spreidingsnoodzaak wordt vastgesteld op
                    basis van de door de minister van OCW aan het bevoegd gezag afgegeven
                    beschikking. </al><al>Leerwegondersteunend onderwijs (Lwoo) of de gemengde leerweg kan de school voor
                    voortgezet onderwijs uitsluitend aanbieden in relatie met de beroepsgerichte
                    leerweg van een bepaalde afdeling of sector en kan uitsluitend worden aangeboden
                    als de minister van OCW hiervoor toestemming heeft verleend. De school voor
                    voortgezet onderwijs beschikt dan over de betreffende licenties.</al><al><vet>B.2 Lokalen bewegingsonderwijs</vet></al><al>De ruimtebehoefte van een lokaal bewegingsonderwijs is afhankelijk van het
                    totaal aantal klokuren of lesuren dat in het lokaal bewegingsonderwijs is
                    ingeroosterd. De ruimtebehoefte van de school voor basisonderwijs is afhankelijk
                    van het aantal gymgroepen. Het aantal gymgroepen voor de school voor
                    basisonderwijs is afhankelijk van het aantal formatieplaatsen. Om het aantal
                    formatieplaatsen te bepalen wordt de splitsingstabel gehanteerd die het college
                    hanteert bij het vaststellen van de materiële vergoeding. Beschikt de school
                    voor basisonderwijs niet over een speellokaal, dan bestaat aanspraak op gebruik
                    van een lokaal bewegingsonderwijs door de leerlingen in de leeftijd van 4 en 5
                    jaar. Hierop bestaat geen aanspraak als de school voor basisonderwijs binnen de
                    genormeerde bruto vloeroppervlakte geen speellokaal heeft gerealiseerd.</al><al><vet>Deel C – Vaststellen aanvullende ruimtebehoefte</vet></al><al>De aanvullende ruimtebehoefte wordt in de volgende stappen vastgesteld:</al><lijst><li nr="·"><al>stap 1 vastgestelde capaciteit (deel A)</al></li><li nr="·"><al>stap 2 vastgestelde ruimtebehoefte (deel B)</al></li><li nr="·"><al>stap 3 vaststellen aanvullende ruimtebehoefte = saldo capaciteit –
                            vastgestelde ruimtebehoefte</al></li><li nr="·"><al>stap 4 vaststellen of saldo van stap 3 gelijk of groter is dan de
                            drempelwaarde<sup/></al></li><li nr="·"><al>stap 5 is de uitkomst van stap 4:</al></li><li nr="-"><al>lager dan de drempelwaarde, dan bestaat geen aanspraak op bekostigen
                            voorziening,</al></li><li nr="-"><al>gelijk of groter dan de drempelwaarde, dan bestaat aanspraak op het
                            bekostigen van een voorziening op basis van de uitkomst van stap 3.</al></li></lijst><al>Een school voor basisonderwijs maakt geen aanspraak op extra bruto
                    vloeroppervlakte voor een speellokaal, omdat deze bruto vloeroppervlakte is
                    geïntegreerd in de vaste voet en bruto vloeroppervlakte per leerling. Heeft de
                    school voor basisonderwijs binnen de genormeerde bruto vloeroppervlakte geen
                    speellokaal gerealiseerd dan bestaat geen aanspraak op gebruik van een lokaal
                    bewegingsonderwijs door de groepen 1 en 2 wegens het ontbreken van een
                    speellokaal. In deze situatie kan de school voor basisonderwijs een lokaal
                    bewegingsonderwijs door de groepen 1 en 2 alleen gebruiken als het college
                    hiervoor toestemming verleend, binnen het lokaal bewegingsonderwijs de
                    noodzakelijke capaciteit beschikbaar is en het bevoegd gezag bereid is een
                    huurvergoeding te betalen. </al><al>Bij een aanvraag voor het bekostigen van de voorziening onderwijshuisvesting
                    uitbreiding wordt vastgesteld of gebruik is gemaakt van de mogelijkheid om de
                    capaciteit van het schoolgebouw lager vast te stellen dan de feitelijke bruto
                    vloeroppervlakte van het schoolgebouw (zie toelichting deel A). Heeft deze
                    situatie zich voorgedaan, dan wordt in de berekening voor het vaststellen van
                    het aantal m<sup>2</sup> uitbreiding van het schoolgebouw bekeken of het
                    verschil tussen de feitelijk aanwezige capaciteit en de geregistreerde
                    capaciteit kan worden opgeheven resp. verminderd. Doet deze situatie zich voor,
                    dan geldt als uitgangspunt voor het ontwerpen van een bouwplan dat de toegekende
                    uitbreiding in eerste instantie moet leiden tot het verminderen van de zgn.
                    verschiloppervlakte. Dit kan leiden tot het toekennen van een interne aanpassing
                    of beperkte uitbreiding in combinatie met een interne aanpassing van het
                    schoolgebouw. De definitieve keuze is afhankelijk van de investeringskosten die
                    moeten blijken uit een vergelijking tussen de investeringskosten van uitsluitend
                    de aanpassing en de investeringskosten van een combinatie van aanpassing met een
                    eventuele (beperkte) uitbreiding. Op het moment dat wordt vastgesteld dat de
                    investeringskosten van de aanpassing hoger zijn dan de investeringskosten van
                    een (beperkte) uitbreiding van het gebouw kan worden besloten het gebouw uit te
                    breiden. </al><al>In het voortgezet onderwijs bestaat pas aanspraak op bekostiging van de
                    voorziening uitbreiding van het schoolgebouw als de gevraagde ruimtebehoefte
                    minimaal tien procent hoger is dan de bruto vloeroppervlakte van de bestaande
                    capaciteit. De wijze waarop de ruimtebehoefte wordt vastgesteld is afhankelijk
                    van de onderwijssoort. Bij het toekennen van de voorziening uitbreiding wordt
                    onderscheid gemaakt in de ‘voor blijvend’ en de ‘voor tijdelijk gebruik bestemde
                    voorziening’. Wordt toegekend:</al><lijst><li nr="-"><al>de voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan wordt toegekend de
                            totaal berekende aanvullende ruimtebehoefte, er wordt dus geen rekening
                            gehouden met de drempel van 10%;</al></li><li nr="-"><al>de voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, dan wordt toegekend het
                            aantal m<sup>2</sup> dat de 10% overschrijdt, de aanvullende
                            ruimtebehoefte tot 10% moet het schoolbestuur binnen de bestaande
                            capaciteit opvangen<sup/>.</al></li></lijst><al><vet>C.1 en C.2 Voor blijvend en tijdelijk gebruik bestemde
                    voorzieningen</vet></al><al>Bij het toekennen van ruimtebehoefte wordt onderscheid gemaakt in voor tijdelijk
                    gebruik bestemde voorzieningen en voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen.
                    De keuze tussen tijdelijk of permanent is afhankelijk van de verwachte periode
                    dat de voorziening noodzakelijk is. Bij een periode van:</al><lijst><li nr="-"><al>korter dan 4 jaar, dan in principe geen toekenning;</al></li><li nr="-"><al>4 jaar tot 15 jaar, dan toekennen van voor tijdelijk gebruik bestemde
                            huisvesting;</al></li><li nr="-"><al>langer dan 15 jaar, dan toekennen van voor blijvend gebruik bestemde
                            huisvesting.</al></li></lijst><al><vet>C.3 Overige voor blijvend gebruik of voor tijdelijk gebruik bestemde
                        voorzieningen</vet></al><al>De mogelijkheid van ingebruikneming is afhankelijk van de vastgestelde
                    ruimtebehoefte in relatie tot de capaciteit van het schoolgebouw. Afhankelijk
                    van de benodigde capaciteit kan een gebouw volledig dan wel gedeeltelijk in
                    gebruik worden gegeven.</al><al>De mogelijkheid van medegebruik is afhankelijk van de vastgestelde leegstand in
                    het schoolgebouw en in relatie tot de vastgestelde ruimtebehoefte en de afstand
                    tussen de hoofdvestiging en de vestiging waar het medegebruik kan worden
                    gerealiseerd.</al><al>De omvang van het terrein heeft betrekking op zowel de ondergrond van het
                    schoolgebouw als het aangrenzende speelterrein. De minimaal noodzakelijke
                    oppervlakte voor een school voor basisonderwijs is opgenomen in deel D. Tot het
                    terrein behoren niet de eventueel noodzakelijke parkeerplaatsen, of de ruimte
                    voor een kiss-en-ride-strook. </al><al>De omvang van de eerste aanschaf van onderwijsleerpakket of de uitbreiding is
                    gekoppeld aan de voorziening nieuwbouw of uitbreiding. Wordt een van deze
                    voorzieningen toegekend, of een alternatief (bijv. ingebruikgeving,
                    medegebruik), dan ontstaat aanspraak op bekostiging van deze voorziening.</al><al><vet>C.4 Lokalen bewegingsonderwijs</vet></al><al>De bepalingen rond de verschillende voorzieningen huisvesting onderwijs die
                    betrekking hebben op het lokaal bewegingsonderwijs zijn gelijk aan de bepalingen
                    die van toepassing zijn op het toekennen van voorzieningen voor schoolgebouwen. </al><al><vet>Deel D – Minimumnormen bij het realiseren van nieuwe voorzieningen
                    </vet></al><al>In de verordening zijn uitsluitend minimumnormen opgenomen. Het is aan het
                    bevoegd gezag om de ruimten en indeling van het schoolgebouw te bepalen. Daarbij
                    moet het bevoegd gezag wel voldoen aan de eisen van het Bouwbesluit.</al><al><vet>Bijlage IV – Normbedragen voor vergoeding en indexering</vet></al><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Artikel 102, derde lid, van de WPO en artikel 76m, derde lid, van de WVO
                    verplichten de gemeenteraad normen vast te stellen voor het bekostigen van de
                    voorzieningen huisvesting onderwijs die worden toegekend. Bijlage IV is de
                    uitwerking van deze artikelen en deze bijlage heeft een relatie met artikel 4
                    van de verordening, waarin is opgenomen welke voorzieningen worden bekostigd op
                    basis van normbedragen. </al><al>Naast het bekostigen van de genoemde voorzieningen onderwijshuisvesting is de
                    gemeente verantwoordelijk voor het bekostigen van de onroerend zaak belasting
                    (artikel 133 van de WPO en artikel 96c.1 van de WVO<cursief>).</cursief> Het
                    bedrag dat de gemeente voor de OZB moet bekostigen is gelijk aan het bedrag van
                    de opgelegde aanslag.</al><al><vet>Deel A – Indexering</vet></al><al>De normbedragen moeten jaarlijks worden aangepast aan het dan geldende
                    prijspeil. Met het bijstellen aan de hand van een indexcijfer wordt het
                    normbedrag op een actueel prijspeil gebracht. De verordening hanteert het
                    MEV-prijsindexcijfer dat jaarlijks, gelijktijdig met de miljoenennota, wordt
                    gepubliceerd. Het vaststellen van de nieuwe normbedragen is door de gemeenteraad
                    gedelegeerd aan het college (artikel 32 van de verordening).</al><al><vet>Deel B – Normbedragen</vet></al><al><vet>Vergoeding voorbereidingskrediet</vet></al><al>In de artikelen 3, 4, 7 en 14 van de verordening is de mogelijkheid opgenomen om
                    een voorbereidingskrediet aan te vragen en toe te kennen. Het
                    voorbereidingskrediet wordt gebaseerd op een percentage van het normbedrag zoals
                    opgenomen in deze bijlage, of op percentage van het geraamde bedrag van de
                    feitelijke kosten. Nadat het definitieve bedrag van de bekostiging is
                    vastgesteld wordt bij het beschikbaar stellen van de vergoeding het al
                    beschikbaar gestelde voorbereidingskrediet in mindering gebracht op het bedrag
                    van de vastgestelde bekostiging. </al><al><vet>A en B. Nieuwbouw en uitbreiding met permanente bouwaard</vet></al><al>De opgenomen normbedragen omvatten alle bijkomende kosten, zoals eventuele
                    kosten voor fundering, aansluitkosten, terreininrichting en dergelijke en zijn
                    incl. BTW.</al><al>De hoogte van de normvergoeding is voor:</al><al>-een school voor basisonderwijs opgebouwd uit een:</al><al>1) startbedrag, inclusief een aantal m2 bruto vloeroppervlakte<cursief>
                        en</cursief></al><al><cursief>2) </cursief>bedrag per m2 bruto vloeroppervlakte</al><al>-een school voor voortgezet onderwijs opgebouwd uit een:</al><al>1) vaste voet (hoofdvestiging en nevenvestiging met spreidingsnoodzaak)</al><al>2) bedrag per m2 bruto vloeroppervlakte, afhankelijk van de toegekende bruto
                    vloeroppervlakte en toegekende ruimtesoort (lokaal specifiek en sectie
                    specifiek).</al><al>De normvergoeding ‘uitbreiding’ voor een school voor voortgezet onderwijs wordt
                    als volgt vastgesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>per ruimtesoort bepalen het verschil tussen bestaande capaciteit bruto
                            vloeroppervlakte en toegekende uitbreiding bruto vloeroppervlakte;</al></li><li nr="b."><al>per ruimtesoort berekenen de vergoeding op basis van het onder a
                            vastgestelde verschil in capaciteit, en</al></li><li nr="c."><al>vaststellen de hoogte van de vergoeding.</al></li></lijst><al>Deze berekening is noodzakelijk omdat een uitbreiding van een school voor
                    voortgezet onderwijs enerzijds bestaande ruimten in het schoolgebouw moeten
                    worden uitgebreid en anderzijds mogelijk bestaande ruimten in bruto
                    vloeroppervlakte kunnen worden teruggebracht.</al><al>Naast de genoemde normbedragen voor de stichtingskosten kunnen, afhankelijk van
                    de toe te kennen voorziening, aanvullende vergoedingen worden toegekend voor
                    bijv. fundering, inrichting van het terrein, het realiseren van een speellokaal
                    en sloopkosten. Kosten voor de verwerving van een terrein zijn niet opgenomen,
                    aangezien deze kosten afhankelijk van de ligging sterk kunnen variëren.</al><al><vet>A.2 Kosten voor terreinen</vet></al><al>De gemeente moet de grond bouw- en woonrijp opleveren. Dit betekent dat alle
                    kosten die verband houden met het bouw- en woonrijp maken (aankoop, aanleggen
                    riolering, schoongrond verklaring, bestrating et cetera) voor rekening van de
                    gemeente komen.</al><al><vet>C. Tijdelijke voorziening</vet></al><al>Een tijdelijk gebouw kan worden gerealiseerd in de vorm van nieuwbouw, of door
                    middel van huur van een tijdelijke voorziening of bestaande huisvesting (een
                    tijdelijke accommodatie kan ook betrekking hebben op een semipermanent gebouw).
                    De keuze tussen aankoop en huur van tijdelijke huisvesting is afhankelijk van
                    aspecten als de verwachte gebruiksduur, verwerving van eigendom en
                    multifunctioneel gebruik. Tijdelijke lokalen kunnen noodzakelijk zijn:</al><lijst><li nr="-"><al>als eerste voorziening (nieuwbouw);</al></li><li nr="-"><al>voor het uitbreiden van een permanent hoofdgebouw, en</al></li><li nr="-"><al>voor het uitbreiden van een bestaande accommodatie.</al></li></lijst><al>De keuze tussen huur of koop van tijdelijke huisvesting in plaats van het
                    realiseren van permanente huisvesting wordt gebaseerd op de uitkomst van een
                    vergelijking tussen de kosten van:</al><lijst><li nr="-"><al>tijdelijke huisvesting in relatie tot de kosten van een permanente
                            voorziening, en</al></li><li nr="-"><al>aankoop van tijdelijke huisvesting in relatie met de kosten van huur van
                            tijdelijke huisvesting,</al></li></lijst><al>waarbij in beide vergelijkingen rekening moet worden gehouden met de kosten van
                    het plaatsen en het in de toekomst verwijderen van de te huren resp. aan te
                    kopen lokalen.</al><al>Afhankelijk van de uitkomst van de berekening kan de conclusie zijn dat gelet op
                    de:</al><lijst><li nr="-"><al>kosten van de tijdelijke huisvesting in vergelijking met de kosten van
                            de permanente huisvesting alsnog bekostiging voor permanente bouw wordt
                            toegekend (dit speelt vooral als de tijdelijke huisvesting naar
                            verwachting voor lange termijn noodzakelijk is);</al></li><li nr="-"><al>korte periode waarvoor de voorziening noodzakelijk is een huurvergoeding
                            wordt toegekend, of</al></li><li nr="-"><al>periode waarvoor de voorziening noodzakelijk is, wordt overgegaan tot
                            koop van een tijdelijk gebouw omdat dit goedkoper is dan huur.</al></li></lijst><al><vet>D. Eerste inrichting</vet></al><al>De vergoeding voor de eerste inrichting van een school voor basisonderwijs
                    bestaatuit een basisbedrag en een bedrag per m<sup>2</sup>. </al><al>Voor het voortgezet onderwijs wordt bij (vervangende) nieuwbouw het bedrag van
                    de bekostiging eerste inrichting waarop de school voor voortgezet onderwijs
                    aanspraak maakt op gelijke wijze berekend als de berekening van vergoeding
                    bouwkosten (vervangende) nieuwbouw. Aanvullende bekostiging eerste inrichting
                    leer- en hulpmiddelen is niet in alle gevallen noodzakelijk:</al><lijst><li nr="-"><al> als een school goedkope ruimte (bijv. algemene ruimte) moet ombouwen
                            voor dure ruimte (bijv. werkplaats of specifieke ruimte) wordt het
                            verschil in inventariskosten gecompenseerd;</al></li><li nr="-"><al> als een school een werkplaats of specifieke ruimte ombouwt tot algemene
                            ruimte ontstaat de omgekeerde situatie, in principe wordt de school
                            gekort op het bedrag voor inventaris. Als deze situatie zich voordoet
                            wordt vastgesteld dat de school een hoger bedrag aan bekostiging heeft
                            ontvangen dan waarop het volgens de verordening aanspraak maakt. Dit
                            verschil wordt geregistreerd.</al></li></lijst><al><vet>E. Lokalen bewegingsonderwijs</vet></al><al>De normbedragen voor de lokalen bewegingsonderwijs zijn onderverdeeld in
                    bedragen voor:</al><lijst><li nr="-"><al>nieuwbouw;</al></li><li nr="-"><al>uitbreiding, en</al></li><li nr="-"><al>eerste inrichting met onderwijsleerpakket/meubilair.</al></li></lijst><al><vet>G. Huur sportvelden</vet></al><al>Een school voor voortgezet onderwijs maakt aanspraak op een vergoeding van het
                    college voor het gebruik van een sportveld. Op deze vergoeding bestaat
                    uitsluitend aanspraak als het sportveld niet is gerealiseerd met gemeentelijke
                    middelen. De huurvergoeding is een vergoeding in de investeringskosten. Naast de
                    vergoeding voor de investeringskosten die voor rekening van de gemeente komt kan
                    de verhuurder aan de school voor voortgezet onderwijs in rekening brengen een
                    vergoeding voor de exploitatiekosten. De hoogte van de exploitatiekosten wordt
                    vastgesteld door degene die het sportveld beschikbaar stelt en deze kosten komen
                    volledig voor rekening van het bevoegd gezag. </al><al>De gemeentelijke vergoeding is gebaseerd op de periode van 8 weken en wordt
                    alleen vermenigvuldigd met het aantal lesuren dat de school voor voortgezet
                    onderwijs van het sportveld gebruik maakt.</al><al><vet>Deel C – Vergoeding op basis van feitelijke kosten</vet></al><al>Voor het vaststellen van de vergoeding op basis van de feitelijke kosten wordt
                    onderscheid gemaakt in de voorzieningen genoemd in artikel 2, onder a, en de
                    voorzieningen genoemd in artikel 2, onder b en c. In de kostenbegroting van de
                    eerstgenoemde voorzieningen zijn opgenomen de kosten van de architect en het
                    bouwkundig toezicht. Deze kosten maken geen onderdeel uit van de ontvangen
                    offertes voor het herstel als gevolg van een constructiefout of andere schade.
                    Ook bij het vaststellen van deze niet genormeerde kosten moet rekening worden
                    gehouden met de kosten van technische advisering.<sup/></al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>