<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.92--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR37907_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening regelende de procedures op het gebied van burgerparticipatie in de gemeente IJsselstein 2003</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">IJsselstein</dcterms:creator><dcterms:modified>2003-04-17</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">IJsselstein</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Zenderstreeknieuws, maart 2003</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Burgerparticipatie gemeente IJsselstein 2003</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 150</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2003-03-20</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2003-04-17</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2024-07-19</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>raadsstuk 2003-2820</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Datum inwerkingtreding bij benadering</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening regelende de procedures op het gebied van burgerparticipatie in de gemeente IJsselstein 2003</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 1. Begripsomschrijvingen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 1. Begripsbepaling</label></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><al>interactieve beleidsontwikkeling: een proces waarbij de ontwikkeling van
                            (nieuw) gemeentelijk beleid wordt georganiseerd in samenwerking met
                            betrokken burgers;</al><al>interactieprocedure: de wijze waarop de interactieve beleidsontwikkeling
                            gestalte wordt gegeven;</al><al>doelgroepen: degenen die kunnen deelnemen aan interactieve
                            beleidsontwikkeling, zijnde ingezetenen en in de gemeente een belang
                            hebbende natuurlijke en rechtspersonen;</al><al>interactiemoment: het deelproces binnen de beleidscyclus waarop
                            interactieve beleidsontwikkeling van toepassing kan zijn;</al><al>burgerinitiatiefvoorstel: een voorstel van een initiatiefgerechtigde ter
                            plaatsing op de agenda van de vergadering van de raad;</al><al>inspraak: het ten aanzien van gemeentelijke beleidsvoornemens kenbaar
                            maken van een zienswijze en daarover van gedachten wisselen;</al><al>inspraakprocedure: de wijze waarop de inspraak gestalte wordt
                            gegeven;</al><al>beleidsvoornemens: het voornemen van burgemeester en wethouders om een
                            besluit te nemen. Daaronder wordt ook begrepen het voornemen van
                            burgemeester en wethouders om een voorstel te doen aan de
                            gemeenteraad;</al><al>college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente
                            IJsselstein.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 2. Interactieve beleidsontwikkeling </label></kop><artikel><kop><label>Artikel 2.1. Object van interactieve beleidsontwikkeling </label></kop><al>Interactieve beleidsontwikkeling wordt toegepast op:</al><al>de voorbereiding of de herziening van structuurplannen;</al><al>de stedelijke vernieuwing (stedenbouwkundig, sociaal, economisch
                            cultureel, milieuhygiënische verbetering);</al><al>de ontwikkeling op het gebied van verkeersbeleid, te weten (onderdelen
                            van) circulatieplannen, de aansluiting op provinciaal en hoofdwegennet,
                            de herinrichting van wegen, de invoering van 30 km-zones, stedelijk en
                            wijkgericht parkeerbeleid en de aanleg van grote
                            parkeervoorzieningen;</al><al>de ontwikkeling van integraal veiligheidsbeleid; </al><al>de ontwikkelingen van sport- en recreatievoorzieningen;</al><al>sociaal-cultureel en maatschappelijk welzijnsbeleid;</al><al>kunst- en cultuurbeleid;</al><al>minderhedenbeleid;</al><al>jeugd- en jongerenwerk;</al><al>onderwijs, te weten vernieuwing en brede school, en educatie, te weten
                            volwassenen, tweede kans onderwijs en cursorisch;</al><al>Beleid inzake de Wet maatschappelijke ondersteuning.</al><al>Interactieve beleidsontwikkeling wordt niet toegepast:</al><al>ten aanzien van ondergeschikte herzieningen van een eerder vastgesteld
                            beleidsvoornemen;</al><al>indien inspraak bij of krachtens de wet is uitgesloten;</al><al>indien sprake is van uitvoering van regelingen van hogere overheden
                            waarbij van enige beleidsvrijheid geen sprake is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.2. Interactieprocedure</label></kop><al>Op de in deze verordening bedoelde interactieprocedure is afdeling 3.4
                            van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label> Artikel 2.3. Interactiemoment</label></kop><al>Interactieve beleidsontwikkeling wordt toegepast op één of meer
                            interactiemomenten.</al><al>De volgende interactiemomenten worden onderscheiden:</al><al>gezamenlijke visievorming, betreffende een probleemanalyse en een
                            verkenning van oplossingsrichtingen;</al><al>consultatie op hoofdlijnen, betreffende consultatie van doelgroepen over
                            de voor- en nadelen van oplossingsrichtingen;</al><al>consultatie op varianten, betreffende consultatie van doelgroepen over
                            de voor- en nadelen van in één of meer varianten uitgewerkte
                            oplossingsrichtingen. </al><al>inspraak als bedoeld in artikel 1 van deze verordening. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.4. Procedurebesluit interactieve beleidsontwikkeling</label></kop><al>Burgemeester en wethouders stellen voor elk beleidsterrein, waarop
                            interactieve beleidsontwikkeling wordt toegepast, een
                            interactieprocedure vast.</al><al>De interactieprocedure wordt geregeld in een procesplan en omvat:</al><al>de onderwerpen die aan de orde worden gesteld;</al><al>de wijze waarop het proces van interactieve beleidsontwikkeling wordt
                            vormgegeven inclusief communicatieparagraaf; </al><al>welke doelgroepen in de gelegenheid worden gesteld deel te nemen aan de
                            interactieve beleidsontwikkeling;</al><al>de wijze waarop de doelgroepen in de gelegenheid worden gesteld deel te
                            nemen aan de interactieve beleidsontwikkeling;</al><al>de wijze waarop de besluitvorming plaatsvindt;</al><al>een overzicht van activiteiten, waaruit het proces van interactieve
                            beleidsontwikkeling bestaat;</al><al>op welk interactiemoment of welke interactiemomenten de interactieve
                            beleidsontwikkeling betrekking heeft en een omschrijving hiervan; </al><al>de wijze waarop inspraak wordt verleend, overeenkomstig het bepaalde in
                            hoofdstuk 4 van deze verordening;</al><al>een termijnstelling en tijdsplanning; </al><al>een omschrijving van de projectorganisatie;</al><al>een omschrijving van de beoogde resultaten:</al><al>een omschrijving van de financiële voorwaarden (voor zover
                            mogelijk);</al><al>een omschrijving van de mate waarin en de voorwaarden waaronder de
                            ingevolge sub c. genoemden invloed op het beleidsterrein kunnen
                            uitoefenen.</al><al>De wijze waarop evaluatie van de procedure plaatsvindt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5. Uitzonderingen</label></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen de interactieprocedure wijzigen in die
                            gevallen waarin het beleidsterrein zulks vereist. Zij geven hiervan
                            kennis overeenkomstig het gestelde in artikel 3:42 van de Algemene wet
                            bestuursrecht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.6. Eindverslag</label></kop><al>Ter afronding van interactieve beleidsontwikkeling maken burgemeester en
                            wethouders een eindverslag op. Zij kunnen hiertoe een format
                            ontwikkelen.</al><al>Het eindverslag bevat in ieder geval:</al><al>een overzicht van de gevolgde procedure;</al><al>een zakelijke weergave van de zienswijzen die naar voren zijn
                            gebracht;</al><al>een reactie op deze zienswijzen waarbij met redenen omkleed wordt
                            aangegeven op welke punten al dan niet tot aanpassing van het
                            beleidsvoornemen zou kunnen worden overgegaan.</al><al>Het procesverloop, de doelgroepen en de resultaten van het proces dienen
                            tot aan het moment van de uiteindelijke besluitvorming zichtbaar te
                            blijven.</al><al>Burgemeester en wethouders brengen het eindverslag onmiddellijk ter
                            kennis van de gemeenteraad, en zenden dit verslag aan de betrokken
                            doelgroepen en andere belanghebbenden die daarom verzoeken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.7</label></kop><al>Het college regelt de oprichting en werkwijze van een adviesraad inzake
                            de Wet maatschappelijke ondersteuning in IJsselstein.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 3. Burgerinitiatief</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 3.1. Initiatiefvoorstel</label></kop><al>De raad plaatst een burgerinitiatiefvoorstel op de agenda van zijn
                            vergadering indien daartoe door een initiatiefgerechtigde een geldig
                            verzoek is ingediend. </al><al>Ongeldig is het verzoek dat: </al><al>niet door ten minste 50 initiatiefgerechtigden in IJsselstein wordt
                            ondersteund;</al><al>een onderwerp als bedoeld in artikel 3.3. bevat, of</al><al>niet voldoet aan de voorwaarden, gesteld in artikel 3.4. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 3.2. Initiatiefgerechtigden</label></kop><al>Initiatiefgerechtigd zijn degenen die kiesgerechtigd zijn voor de
                            verkiezing van de leden van de gemeenteraad, alsmede ingezetenen van de
                            gemeente van zestien jaar en ouder die, met uitzondering van hun
                            leeftijd, voldoen aan de vereisten voor het kiesrecht voor de leden van
                            de gemeenteraad.</al><al>Voor de beoordeling of aan de vereisten voor initiatiefgerechtigdheid is
                            voldaan, is de toestand op de dag van indiening van het verzoek
                            bepalend.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 3.3. Uitzonderingen</label></kop><al>Een burgerinitiatiefvoorstel houdt niet in:</al><al>een onderwerp dat niet behoort tot de bevoegdheid van de raad;</al><al>een vraag over het gemeentelijk beleid;</al><al>een klacht in de zin van hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht
                            over een gedraging van het gemeentebestuur;</al><al>een bezwaar in de zin van hoofdstuk 7 van de Algemene wet bestuursrecht
                            tegen een besluit van het gemeentebestuur;</al><al>een onderwerp waarover tijdens de raadsperiode waarin indiening van het
                            voorstel plaatsvindt door de raad een besluit is genomen;</al><al>bij wet opgenomen uitzondering naar analogie van de Tijdelijke
                            referendumwet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 3.4. Indiening burgerinitiatiefvoorstel</label></kop><al>Het verzoek ter plaatsing van een burgerinitiatiefvoorstel op de agenda
                            van de vergadering van de raad wordt schriftelijk ingediend bij de
                            burgemeester.</al><al>Het verzoek bevat ten minste:</al><al>een nauwkeurige omschrijving van het burgerinitiatiefvoorstel;</al><al>een toelichting op het burgerinitiatiefvoorstel;</al><al>de achternaam, de voornamen, het adres, de geboortedatum en de
                            handtekening van de verzoeker en zijn plaatsvervanger, en</al><al>een lijst met de voornamen, achternamen, adressen, geboortedata en
                            handtekeningen van de initiatiefgerechtigden die het verzoek
                            ondersteunen.</al><al>Voor de indiening van het verzoek wordt gebruik gemaakt van de in
                            bijlage I en bijlage II van deze verordening opgenomen formulieren.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 3.5. Afhandeling</label></kop><al>De raad beslist in de eerstvolgende vergadering na de datum van
                            indiening van het verzoek of het burgerinitiatiefvoorstel op de agenda
                            van de vergadering van de raad wordt geplaatst, met dien verstande dat
                            ten minste twee weken is gelegen tussen de dag van indiening van het
                            verzoek en de dag van de vergadering waarin op het verzoek wordt
                            beslist. </al><al>Indien de raad het verzoek afwijst wegens strijd met artikel 3.3., onder
                            a, kan de raad het voorstel doorzenden aan burgemeester en
                            wethouders.</al><al>Indien de raad het verzoek toewijst, dan agendeert hij het
                            burgerinitiatiefvoorstel voor de eerstvolgende vergadering van de raad. </al><al>De burgemeester nodigt de verzoeker schriftelijk uit voor de vergadering
                            waarvoor het burgerinitiatiefvoorstel is geagendeerd. De verzoeker of
                            zijn plaatsvervanger heeft tijdens deze vergadering de gelegenheid om
                            zijn burgerinitiatiefvoorstel mondeling toe te lichten.</al><al>Zo spoedig mogelijk nadat de raad over het burgerinitiatiefvoorstel een
                            besluit heeft genomen wordt dit besluit bekendgemaakt door kennisgeving
                            van het besluit of van de zakelijke inhoud ervan in een van
                            overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad,
                            dan wel op een andere geschikte wijze.</al><al>Tegelijkertijd met de bekendmaking wordt van het besluit mededeling
                            gedaan aan verzoeker.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 4. Inspraak</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 4.1. Object van inspraak</label></kop><al>Inspraak is in beginsel mogelijk op alle terreinen van gemeentelijk
                            bestuur.</al><al>In elk geval wordt inspraak verleend op beleidsvoornemens
                            betreffende:</al><al>de voorbereiding van ruimtelijke plannen of de herziening daarvan, zoals
                            structuur-, bestemmings-, uitwerkings- en wijzigingsplannen, dan wel bij
                            de voorbereiding van toepassing van artikel 19 eerste lid;</al><al>de stedelijke vernieuwing (stelselmatige inspanning zowel op
                            stedenbouwkundig als op sociaal, economisch, cultureel en
                            milieuhygiënisch gebied, gericht op behoud, herstel, verbetering,
                            herindeling of sanering van bebouwde gedeelten van het gemeentelijk
                            grondgebied);</al><al>de verkeerscirculatieplannen;</al><al>de plannen tot herinrichting van wegen tot aanleg van grote
                            parkeervoorzieningen;</al><al>de plannen tot aanleg van speelterreinen en groenvoorzieningen;</al><al>de plannen, programma's en verordeningen op het terrein van
                            sociaal-cultureel en maatschappelijk welzijn (onder andere geregeld in
                            de Planprocedureverordening sociaal-cultureel werk);</al><al>de plannen en programma's op het terrein van het minderhedenbeleid en/of
                            op die beleidsterreinen waarbij minderheden in belangrijke mate
                            betrokken zijn;</al><al>de plannen, programma’s en verordening op het terrein van de Wet
                            maatschappelijke ondersteuning.</al><al>Geen inspraak wordt verleend:</al><al>ten aanzien van ondergeschikte herzieningen van een eerder vastgesteld
                            beleidsvoornemen;</al><al>indien inspraak bij of krachtens de wet is uitgesloten;</al><al>indien sprake is van uitvoering van regelingen van hogere overheden
                            waarbij van enige beleidsvrijheid geen sprake is;</al><al>indien overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk 2 van deze verordening
                            een proces van interactieve beleidsontwikkeling wordt toegepast.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.2. Subject van inspraak</label></kop><al>Inspraak wordt verleend aan ingezetenen en in de gemeente een belang
                            hebbende natuurlijke en rechtspersonen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.3. Inspraakprocedure</label></kop><al>Op de in deze verordening bedoelde inspraakprocedure is afdeling 3.4 van
                            de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.4. Procedurebesluit inspraak</label></kop><al>Burgemeester en wethouders stellen voor elk beleidsvoornemen, waarop
                            inspraak wordt verleend, een inspraakprocedure vast.</al><al>De inspraakprocedure wordt vastgelegd in een procesplan en omvat:</al><al>de wijze waarop inspraak wordt verleend;</al><al>de onderwerpen die aan de orde worden gesteld;</al><al>een overzicht van activiteiten, waaruit de inspraakprocedure
                            bestaat;</al><al>een termijnstelling en tijdsplanning;</al><al>een omschrijving van de mate waarin en de voorwaarden waaronder de in
                            artikel 4.2. genoemden invloed op het beleidsvoornemen kunnen
                            uitoefenen;</al><al>indien er sprake is van de toepassing van artikel 19 lid 1 juncto 6A WRO
                            wordt het beleidsvoornemen gedurende vier weken ter inzage gelegd.
                            Burgemeester en wethouders kunnen bepalen dat gedurende deze termijn een
                            bijeenkomst wordt gehouden waarin het beleidsvoornemen wordt toegelicht
                            en de mogelijkheid wordt geboden mondeling zienswijzen kenbaar te
                            maken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.5. Uitzonderingen</label></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen de inspraakprocedure wijzigen in die
                            gevallen waarin de vaststelling van het beleidsvoornemen zulks vereist.
                            Zij geven hiervan kennis overeenkomstig het gestelde in artikel 3:42 van
                            de Algemene wet bestuursrecht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.6. Eindverslag</label></kop><al>Ter afronding van de inspraak maken burgemeester en wethouders een
                            eindverslag op. </al><al>Het eindverslag bevat in ieder geval:</al><al>een overzicht van de gevolgde procedure;</al><al>een weergave van de zienswijzen die tijdens de inspraak mondeling of
                            schriftelijk naar voren zijn gebracht;</al><al>een reactie op deze zienswijzen waarbij met redenen omkleed wordt
                            aangegeven op welke punten al dan niet tot aanpassing van het
                            beleidsvoornemen zou kunnen worden overgegaan.</al><al>De inspraakresultaten dienen tot aan het moment van de uiteindelijke
                            besluitvorming zichtbaar te blijven.</al><al>Burgemeester en wethouders brengen het eindverslag onmiddellijk ter
                            kennis van de gemeenteraad, en zenden dit verslag aan degenen die hebben
                            ingesproken en andere belanghebbenden die daarom verzoeken.</al><al>In afwijking van lid 4 wordt het eindverslag bij toepassing van artikel
                            19 lid 1 juncto 6A WRO ter kennis gebracht aan de functionele
                            raadscommissie. Indien een dergelijke commissie niet is ingesteld geldt
                            het bepaalde in lid 4.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 5. Slotbepalingen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 5.1. Verslaglegging</label></kop><al>De burgemeester brengt over elk jaar een verslag uit over de werking van
                            deze verordening en het recht van burgerparticipatie in de praktijk. </al><al>Bedoeld verslag kan worden opgenomen in het Burgerjaarverslag ex artikel
                            170, lid 2 Gemeentewet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.2. Beklagrecht</label></kop><al>Ingezetenen en in de gemeente een belang hebbende natuurlijke en
                            rechtspersonen kunnen over de wijze van uitvoering van deze verordening,
                            de interactieprocedure en de inspraakprocedure bij burgemeester en
                            wethouders een schriftelijke klacht indienen.</al><al>Een klacht over interactieve beleidsontwikkeling of inspraak dient
                            uiterlijk twee weken na afloop van de interactieprocedure of de
                            inspraakprocedure te worden ingediend.</al><al>Een klacht, gericht tegen het niet toepassen van interactieve
                            beleidsontwikkeling of het niet verlenen van inspraak op een
                            beleidsvoornemen, dient te worden ingediend uiterlijk twee weken na het
                            moment waarop de klager redelijkerwijs kan weten dat hiervan sprake is. </al><al>Burgemeester en wethouders beslissen binnen vier weken na ontvangst van
                            het klaagschrift omtrent de ingediende klacht. Zij kunnen deze termijn
                            met ten hoogste vier weken verdagen.</al><al>Burgemeester en wethouders brengen de beslissing over het klaagschrift
                            onmiddellijk ter kennis van de klager en de Gemeenteraad.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.3. Uitleg verordening</label></kop><al>In de gevallen waarin deze verordening niet voorziet of bij twijfel over
                            de toepassing van de verordening, beslist de burgemeester.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.4. Overgangsbepaling</label></kop><al>Ten aanzien van het nemen van besluiten op een aanvraag om vrijstelling
                            ingevolge artikel 19 eerste lid WRO die is ingediend voor de datum van
                            inwerkingtreding van de desbetreffende bepalingen van deze wet, blijft
                            het recht zoals het gold voor het tijdstip van toepassing tot het
                            tijdstip waarop het betrokken besluit onherroepelijk is geworden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.5. Citeertitel</label></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als “Verordening
                            burgerparticipatie gemeente IJsselstein 2003”.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.6. Inwerkingtreding </label></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de achtste dag na die
                            waarop bekendmaking heeft plaatsgevonden.</al><al>Op dat tijdstip vervalt de Algemene inspraakverordening gemeente
                            IJsselstein vastgesteld bij raadsbesluit van 29 mei 1986, laatstelijk
                            gewijzigd in december 1993.</al><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst></regeling></body></cvdr>