<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR378898_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Voerendaal oktober 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Voerendaal</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-10-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Voerendaal</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Weekblad 1Voerendaal, 28 oktober 2015</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Voerendaal oktober 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">art. 2.1.3, 2.1.4 eerste, tweede, derde en zevende lid, 2.1.5, 2.1.6, 2.1.7, 2.3.6 vierde lid en 2.6.6 eerste lid van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-10-01</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-11-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-10-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2015/6/9</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Werk, zorg en inkomen</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Vervangt Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Voerendaal 2015</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Voerendaal oktober
            2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Verordening maatschappelijke ondersteuning oktober 2015</vet></al><al/><al/><al>De gemeenteraad van de gemeente Voerendaal,</al><al/><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 25
                        augustus 2015;</al><al/><al>gelet op de artikelen 2.1.3, 2.1.4 eerste, tweede, derde en zevende lid,
                        2.1.5 eerste lid, 2.1.6, 2.1.7, 2.3.6 vierde lid en 2.6.6 eerste lid van de
                        Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;</al><al/><al>overwegende dat het noodzakelijk is om burgers te ondersteunen als zij
                        dusdanige beperkingen ondervinden bij hun maatschappelijke participatie en
                        zelfredzaamheid dat zij niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met
                        mantelzorg, met hulp van het sociale netwerk of met gebruikmaking van
                        algemene voorzieningen hierin geheel of gedeeltelijk kunnen voorzien;</al><al/><al>overwegende dat het noodzakelijk is om burgers met psychische of
                        psychosociale problemen en burgers die de thuissituatie hebben verlaten, al
                        dan niet in verband met risico's voor hun veiligheid als gevolg van
                        huiselijk geweld, te ondersteunen bij het zich handhaven in de samenleving
                        als zij niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg, of met
                        hulp van het sociale netwerk of met gebruikmaking van algemene voorzieningen
                        hierin geheel of gedeeltelijk kunnen voorzien;</al><al/><al>overwegende dat het noodzakelijk is om bij verordening regels te stellen met
                        betrekking tot de invulling van de plicht tot ondersteuning;</al><al/><al/><al>besluit:</al><al/><al>vast te stellen de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente
                        Voerendaal oktober 2015.</al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1:</nr><titel>Begrippen</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 1. Begripsbepalingen</al><al>In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
                            onder:</al><lijst><li nr="a."><al>Aanvraag: het verzoek van de cliënt om in aanmerking te komen
                                    voor één of meerdere maatwerkvoorzieningen.</al></li><li nr="b."><al>Algemeen gebruikelijke voorziening: een voorziening waarvan,
                                    gelet op de omstandigheden, aannemelijk is dat de cliënt
                                    daarover, ook als hij geen beperkingen had, kan beschikken.</al></li><li nr="c."><al>Algemene voorziening: een voorziening die normaal in de
                                    maatschappij aanwezig en beschikbaar is en door iedereen die
                                    daar behoefte aan heeft op eenvoudige wijze te verkrijgen of te
                                    gebruiken is, zonder een ingewikkelde (aanvraag)procedure.</al></li><li nr="d."><al>Andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de
                                    Wmo 2015.</al></li><li nr="e."><al>Cliënt: een persoon met een beperking, een chronisch, psychisch
                                    probleem of een psychosociaal probleem die gebruik maakt van een
                                    algemene voorziening of aan wie een maatwerkvoorziening is
                                    verstrekt of door of namens wie een melding is gedaan.</al></li><li nr="f."><al>Beschermd wonen: wonen in een accommodatie van een instelling
                                    met daarbij behorende toezicht en begeleiding, gericht op het
                                    bevorderen van zelfredzaamheid en participatie, het psychisch en
                                    psychosociaal functioneren, stabilisatie van een psychiatrisch
                                    ziektebeeld, het voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke
                                    overlast of het afwenden van gevaar voor de cliënt of anderen,
                                    bestemd voor personen met psychische of psychosociale problemen,
                                    die niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de
                                    samenleving.</al></li><li nr="g."><al>Besluit: het door het college vastgestelde vigerende besluit
                                    maatschappelijke ondersteuning gemeente Voerendaal 2016.</al></li><li nr="h."><al>Bijdrage in de kosten: bijdrage als bedoeld in artikel 2.1.4,
                                    eerste lid, van de wet.</al></li><li nr="i."><al>Cliëntondersteuning: onafhankelijke ondersteuning met
                                    informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan
                                    het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het
                                    verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het
                                    gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg,
                                    zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en
                                    inkomen.</al></li><li nr="j."><al>College: college van burgemeester en wethouders van de gemeente
                                    Voerendaal.</al></li><li nr="k."><al>Gebruikelijke hulp: de hulp die naar algemeen aanvaarde
                                    opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de
                                    echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere
                                    huisgenoten.</al></li><li nr="l."><al>Hulpvraag: behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als
                                    bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet.</al></li><li nr="m."><al>Huisgenoot: iedere persoon met wie de cliënt duurzaam
                                    gemeenschappelijk een woning bewoont.</al></li><li nr="n."><al>Ingezetene: cliënt die zijn hoofdverblijf heeft in de gemeente
                                    Voerendaal.</al></li><li nr="o."><al>Maatwerkvoorziening: op de behoeften, persoonskenmerken en
                                    mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten,
                                    hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen, ten
                                    behoeve van:</al><lijst><li nr="1."><al>zelfredzaamheid, daaronder begrepen kortdurend verblijf
                                            in een instelling ter ontlasting van de mantelzorger,
                                            het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede
                                            hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere
                                            maatregelen;</al></li><li nr="2."><al>participatie, daaronder begrepen het daarvoor
                                            noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen en andere
                                            maatregelen;</al></li><li nr="3."><al>beschermd wonen en opvang.</al></li></lijst></li><li nr="p."><al>Mantelzorg: hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie,
                                    beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeren en opgroeien
                                    van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de
                                    Zorgverzekeringswet, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen
                                    personen bestaande sociale relatie en die niet wordt verleend in
                                    het kader van een hulpverlenend beroep.</al></li><li nr="q."><al>Melding: kenbaar maken van een hulpvraag aan het college als
                                    bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet.</al></li><li nr="r."><al>Opvang: onderdak en begeleiding voor personen die de
                                    thuissituatie hebben verlaten, al dan niet in verband met
                                    risico's voor hun veiligheid als gevolg van huiselijk geweld en
                                    niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de
                                    samenleving.</al></li><li nr="s."><al>Participatie: het deelnemen aan het maatschappelijk verkeer, in
                                    redelijke mate op gelijke voet met anderen.</al></li><li nr="t."><al>Persoonlijk plan: plan waarin de cliënt de omstandigheden,
                                    bedoeld in artikel 2.3.2, vierde lid, onderdelen a tot en met g
                                    van de wet, beschrijft en aangeeft welke maatschappelijke
                                    ondersteuning naar zijn mening het meest is aangewezen.</al></li><li nr="u."><al>Persoonsgebonden budget: een geldbedrag, zoals bedoeld in
                                    artikel 1.1.1 van de wet, waarmee de cliënt een of meer aan hem
                                    te verlenen maatvoorzieningen kan verwerven en waarop de in deze
                                    verordening, het uitvoeringsbesluit en het vigerende besluit te
                                    stellen regels van toepassing zijn.</al></li><li nr="v."><al>Sociaal netwerk: personen uit de huiselijke kring of andere
                                    personen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt.</al></li><li nr="w."><al>Uitvoeringsbesluit: Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 (Algemene
                                    maatregel van Bestuur).</al></li><li nr="x."><al>Voorziening in natura: een maatwerkvoorziening in de vorm van
                                    goederen in (bruik)leen, eigendom, huur of als persoonlijke
                                    dienstverlening en waarop de in deze verordening, het
                                    uitvoeringsbesluit en het vigerende besluit te stellen regels
                                    van toepassing zijn.</al></li><li nr="y."><al>Wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.</al></li><li nr="z."><al>Zelfredzaamheid: het in staat zijn tot het uitvoeren van de
                                    noodzakelijke dagelijkse levensverrichtingen (ADL) en het voeren
                                    van een gestructureerd huishouden</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2:</nr><titel>Procedureregels, melding en onderzoek</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 2. Beschermd wonen en opvang</al><al>Het college kan in samenspraak met de cliënt, met inachtneming van de
                            artikelen 2.3.1 tot en met 2.3.5 van de wet, bij besluit nadere regels
                            stellen inzake de uitvoering van het onderzoek alsmede de verstrekking
                            van een maatwerkvoorziening in het kader van beschermd wonen en
                            opvang.</al><al>Artikel 3. Melding hulpvraag</al><lijst><li nr="1."><al>Een hulpvraag kan door of namens een cliënt bij het college
                                    worden gemeld, middels een meldingsformulier.</al></li><li nr="2."><al>Het college bevestigt schriftelijk de ontvangst van het
                                    melding.</al></li></lijst><al>Artikel 4. Cliëntondersteuning</al><lijst><li nr="1."><al>Het college draagt zorg voor de beschikbaarheid van kosteloze
                                    cliëntondersteuning.</al></li><li nr="2."><al>Het college wijst de cliënt dan wel zijn vertegenwoordiger voor
                                    het onderzoek, als bedoeld in artikel 6 van deze verordening, op
                                    de mogelijkheid gebruik te maken van gratis
                                    cliëntondersteuning.</al></li></lijst><al>Artikel 5. Persoonlijk plan</al><lijst><li nr="1."><al>Het college informeert de cliënt over de mogelijkheid tot het
                                    indienen van een persoonlijk plan en stelt hem gedurende zeven
                                    dagen na de melding in de gelegenheid het plan te
                                    overhandigen.</al></li><li nr="2."><al>Het college betrekt het persoonlijk plan bij het onderzoek als
                                    bedoeld in artikel 6 van deze verordening.</al></li></lijst><al>Artikel 6. Onderzoek</al><lijst><li nr="1."><al>Een gesprek maakt in principe deel uit van het onderzoek. Het
                                    gesprek wordt gevoerd met de cliënt, dan wel zijn
                                    vertegenwoordiger, voor zover mogelijk zijn mantelzorger en voor
                                    zover nodig zijn familie of een andere persoon uit zijn sociaal
                                    netwerk.</al></li><li nr="2."><al>De factoren, genoemd in artikel 2.3.2, vierde lid, van de wet
                                    maken in ieder geval deel uit van het onderzoek en vormen de
                                    basis van het gesprek als bedoeld in het eerste lid.</al></li><li nr="3."><al>Tijdens het gesprek wordt aan de cliënt dan wel diens
                                    vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoordingen medegedeeld
                                    welke mogelijkheden bestaan om te kiezen voor een
                                    persoonsgebonden budget en wat de gevolgen van die keuze
                                    zijn.</al></li><li nr="4."><al>Het college wijst de cliënt dan wel diens vertegenwoordiger op
                                    de mogelijkheid om een aanvraag als bedoeld in artikel 8 in te
                                    dienen.</al></li><li nr="5."><al>Het college verstrekt de cliënt dan wel diens vertegenwoordiger
                                    een schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek
                                    middels een ondersteuningsplan, tenzij de cliënt aangeeft
                                    hiervan af te zien.</al></li><li nr="6."><al>Als de hulpvraag genoegzaam bekend is, kan het college
                                    onverminderd het bepaalde in artikel 2.3.2 van de wet, in
                                    overleg met de cliënt afzien van een gesprek.</al></li></lijst><al>Artikel 7. Informatieverstrekking en advisering</al><lijst><li nr="1."><al>Het college kan, voor zover dit van belang kan zijn voor het
                                    onderzoek, degene door of namens wie een melding of aanvraag is
                                    ingediend of bij gebruikelijke hulp diens relevante
                                    huisgenoten:</al><lijst><li nr="a."><al>Oproepen in persoon te verschijnen op een door het
                                            college te bepalen plaats en tijdstip en hem te
                                            bevragen.</al></li><li nr="b."><al>Op een door het college te bepalen plaats en tijdstip
                                            door een of meer daartoe aangewezen deskundigen te doen
                                            bevragen en/of onderzoeken.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het college kan een door hem daartoe aangewezen adviesinstantie
                                    om advies vragen indien:</al><lijst><li nr="a."><al>Het een melding of aanvraag betreft van een persoon die
                                            niet eerder een voorziening heeft gehad c.q. met wie
                                            niet eerder een gesprek als bedoeld in artikel 6 is
                                            gevoerd.</al></li><li nr="b."><al>Het een melding of aanvraag betreft van een persoon die
                                            wel eerder een voorziening heeft gehad of waar een
                                            gesprek zoals bedoeld in artikel 6 mee is gevoerd, maar
                                            waarvan de medische omstandigheden zodanig zijn
                                            veranderd dat die gewijzigde omstandigheden de noodzaak
                                            van een voorziening of de soort van voorziening kunnen
                                            beïnvloeden.</al></li><li nr="c."><al>Het college dat overigens gewenst vindt.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Een persoon zoals hierboven bedoeld is verplicht aan het college
                                    of de door hem aangegeven adviesinstantie die gegevens te
                                    verschaffen of te doen verschaffen die noodzakelijk zijn voor de
                                    beoordeling van de melding of aanvraag en waarover hij
                                    redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.</al></li><li nr="4."><al>Bij het onderzoek, bedoeld in artikel 6, stelt het college de
                                    identiteit van de cliënt en indien van toepassing van de
                                    vertegenwoordiger van de cliënt, vast aan de hand van een
                                    document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de
                                    identificatieplicht.</al></li></lijst><al>Artikel 8. Aanvraag</al><lijst><li nr="1."><al>Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan pas worden gedaan
                                    nadat het onderzoek, als bedoeld in artikel 6, is
                                    uitgevoerd.</al></li><li nr="2."><al>De cliënt of zijn gemachtigde of vertegenwoordiger kan een
                                    aanvraag om een maatwerkvoorziening schriftelijk bij het college
                                    indienen.</al></li><li nr="3."><al>Een ondertekend ondersteuningsplan, als bedoeld in artikel 6,
                                    vijfde lid, wordt beschouwd als aanvraagformulier.</al></li><li nr="4."><al>Indien dit plan niet binnen 8 weken na verzending door het
                                    college door de cliënt is geretourneerd, start in principe
                                    opnieuw de meldingsprocedure.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3:</nr><titel>Maatwerkvoorziening</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 9. Criteria voor een maatwerkvoorziening</al><lijst><li nr="1."><al>Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening:</al><lijst><li nr="a."><al>ter compensatie van de beperkingen, chronische
                                            psychische of psychosociale problemen, als gevolg
                                            waarvan de cliënt niet voldoende in staat is tot
                                            zelfredzaamheid of participatie en voor zover de cliënt
                                            deze beperkingen naar het oordeel van het college niet
                                            kan verminderen of wegnemen</al><lijst><li nr="1."><al>op eigen kracht;</al></li><li nr="2."><al>met gebruikelijke hulp;</al></li><li nr="3."><al>met mantelzorg;</al></li><li nr="4."><al>met hulp van andere personen uit zijn sociale
                                                  netwerk;</al></li><li nr="5."><al>met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke
                                                  voorzieningen; of</al></li><li nr="6."><al>met gebruikmaking van algemene
                                                  voorzieningen.</al></li></lijst><al> De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de
                                            uitkomsten van het in het voorgaande hoofdstuk bedoelde
                                            onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van
                                            een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot
                                            zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in
                                            de eigen leefomgeving kan blijven.</al></li><li nr="b."><al>ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven
                                            in de samenleving van de cliënt met psychische of
                                            psychosociale problemen en de cliënt die de
                                            thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met
                                            risico's voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk
                                            geweld, voor zover de cliënt deze problemen naar het
                                            oordeel van het college niet kan verminderen of
                                            wegnemen</al><lijst><li nr="1."><al>op eigen kracht;</al></li><li nr="2."><al>met gebruikelijke hulp;</al></li><li nr="3."><al>met mantelzorg;</al></li><li nr="4."><al>met hulp van andere personen uit zijn sociale
                                                  netwerk; of</al></li><li nr="5."><al>met gebruikmaking van algemene
                                                  voorzieningen.</al></li></lijst><al> De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de
                                            uitkomsten van het in het voorgaande hoofdstuk bedoelde
                                            onderzoek, een passende bijdrage aan het voorzien in de
                                            behoefte van de cliënt aan beschermd wonen of opvang en
                                            aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in
                                            staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen
                                            kracht te handhaven in de samenleving.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Recht op een maatwerkvoorziening bestaat slechts voor zover deze
                                    als de goedkoopst compenserende voorziening kan worden
                                    aangemerkt.</al></li></lijst><al>Artikel 10. Voorwaarden en weigeringsgronden</al><lijst><li nr="1."><al>Het college verstrekt geen maatwerkvoorziening:</al><lijst><li nr="a."><al>Voor zover met betrekking tot de problematiek die in het
                                            gegeven geval aanleiding geeft voor de noodzaak tot
                                            ondersteuning, een voorziening op grond van een andere
                                            wettelijke bepaling bestaat.</al></li><li nr="b."><al>Voor zover een cliënt op eigen kracht, met gebruikelijke
                                            hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit
                                            zijn sociale netwerk de beperkingen kan wegnemen.</al></li><li nr="c."><al>Voor zover een cliënt met gebruikmaking van algemene
                                            voorzieningen de beperkingen kan wegnemen.</al></li><li nr="d."><al>Indien de voorziening voor een persoon als cliënt
                                            algemeen gebruikelijk is.</al></li><li nr="e."><al>Indien het een voorziening betreft die een cliënt na de
                                            melding en vóór datum van besluit heeft gerealiseerd of
                                            geaccepteerd, tenzij het college daarvoor schriftelijk
                                            toestemming heeft verleend.</al></li><li nr="f."><al>Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een
                                            voorziening die aan een cliënt al eerder is verstrekt in
                                            het kader van enige wettelijke bepaling of regeling en
                                            de normale afschrijvingstermijn van de voorziening nog
                                            niet verstreken is, tenzij de eerder vergoede of
                                            verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van
                                            omstandigheden die niet aan een cliënt zijn toe te
                                            rekenen, of tenzij een cliënt geheel of gedeeltelijk
                                            tegemoetkomt in de veroorzaakte kosten.</al></li><li nr="g."><al>Voor zover deze niet in overwegende mate op het individu
                                            is gericht.</al></li><li nr="h."><al>Voor zover een cliënt aanspraak heeft op verblijf en
                                            daarmee samenhangende zorg op grond van de Wet
                                            langdurige zorg, dan wel er redenen zijn om aan te nemen
                                            dat de cliënt daarop aanspraak kan doen gelden en
                                            weigert mee te werken aan het verkrijgen van een besluit
                                            dienaangaande.</al></li><li nr="i."><al>Indien een cliënt tekortschietend besef van
                                            verantwoordelijkheid heeft betoond.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Geen maatwerkvoorziening gericht op zelfredzaamheid en
                                    participatie wordt verstrekt:</al><lijst><li nr="a."><al>Als deze niet langdurig noodzakelijk is.</al></li><li nr="b."><al>Indien een cliënt geen ingezetene is van de gemeente
                                            Voerendaal.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het college verstrekt geen voorziening voor vervoer in natura of
                                    in de vorm van een persoonsgebonden budget tenzij de beperkingen
                                    van de cliënt, chronische psychische problemen of psychosociale
                                    problemen, het gebruik van een collectief systeem onmogelijk
                                    maken, dan wel een collectief systeem niet aanwezig is.</al></li><li nr="4."><al>Geen woonvoorziening wordt verstrekt:</al><lijst><li nr="a."><al>Voor zover er geen sprake is van beperkingen in het
                                            normale gebruik van de woning waar een cliënt zijn
                                            hoofdverblijf heeft of zal hebben.</al></li><li nr="b."><al>Voor zover de beperkingen in de woning voortvloeien uit
                                            de aard van de in de woning gebruikte materialen.</al></li><li nr="c."><al>Ten behoeve van hotels/pensions, trekkerswoonwagens,
                                            kloosters, tweede woningen, vakantie- en
                                            recreatiewoningen, ADL-clusterwoningen en gehuurde
                                            kamers, met uitzondering van een voorziening voor
                                            verhuizing.</al></li><li nr="d."><al>Voor zover het voorzieningen in gemeenschappelijke
                                            ruimten betreft, anders dan automatische deuropeners,
                                            hellingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke
                                            toegangsdeuren, het aanbrengen van drempelhulpen of
                                            vlonders of het aanbrengen van een opstelplaats bij de
                                            toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte;</al></li><li nr="e."><al>Indien de noodzaak tot het treffen van de voorziening
                                            het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen
                                            aanleiding bestaat op grond van beperkingen bij de
                                            zelfredzaamheid of participatie en er geen belangrijke
                                            reden voor verhuizing aanwezig is.</al></li><li nr="f."><al>Indien een cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn of
                                            beperkingen op dat moment meest geschikte woning, tenzij
                                            daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is verleend
                                            door het college.</al></li><li nr="g."><al>Voor zover de woonvoorzieningen betrekking hebben op een
                                            hoger niveau dan het uitrustingsniveau voor sociale
                                            woningbouw.</al></li></lijst></li><li nr="5."><al>Een woonvoorziening wordt, indien dit betrekking heeft op een
                                    woonwagen, verleend indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de technische levensduur van de woonwagen nog minimaal 5
                                            jaar is en</al></li><li nr="b."><al>de standplaats niet binnen vijf jaar voor opheffing in
                                            aanmerking komt en</al></li><li nr="c."><al>de woonwagen ten tijde van de indiening van de aanvraag
                                            op een binnen de gemeente Voerendaal formeel als zodanig
                                            aangemerkte standplaats stond.</al></li></lijst></li></lijst><al>Artikel 11. Inhoud beschikking</al><lijst><li nr="1."><al>In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening
                                    wordt aangegeven of deze als voorziening in natura of als
                                    persoonsgebonden budget wordt verstrekt en wordt tevens
                                    aangegeven hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden
                                    gemaakt.</al></li><li nr="2."><al>Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura wordt
                                    in de beschikking in ieder geval vastgelegd:</al><lijst><li nr="a."><al>welke de te verstrekken voorziening is en wat het
                                            eventueel beoogde resultaat daarvan is;</al></li><li nr="b."><al>wat de ingangsdatum is, alsmede de eventuele
                                            einddatum;</al></li><li nr="c."><al>hoe de voorziening wordt verstrekt.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van
                                    een persoonsgebonden budget wordt in de beschikking in ieder
                                    geval vastgelegd:</al><lijst><li nr="a."><al>voor welk resultaat het persoonsgebonden budget kan
                                            worden aangewend;</al></li><li nr="b."><al>welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het
                                            persoonsgebonden budget;</al></li><li nr="c."><al>wat de hoogte van het persoonsgebonden budget is en hoe
                                            hiertoe is gekomen;</al></li><li nr="d."><al>wat de duur is van de verstrekking waarvoor het
                                            persoonsgebonden budget is bedoeld en</al></li><li nr="e."><al>de wijze van verantwoording van de besteding van het
                                            persoonsgebonden budget.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Als sprake is van een te betalen bijdrage wordt de cliënt
                                    hierover in de beschikking geïnformeerd.</al></li></lijst><al>Artikel 12. Persoonsgebonden budget</al><lijst><li nr="1."><al>Het college verstrekt een PGB in overeenstemming met artikel
                                    2.3.6 van de wet.</al></li><li nr="2."><al>De hoogte van het persoonsgebonden budget voor een zaak wordt
                                    bepaald aan de hand van, en tot het maximum van de kostprijs van
                                    de in de situatie van de cliënt goedkoopst compenserende
                                    voorziening in natura en is toereikend voor de aanschaf
                                    daarvan.</al></li><li nr="3."><al>Voor zover dit geen onderdeel is van het persoonsgebonden
                                    budget, kan het bedrag worden aangevuld met een vergoeding voor
                                    onderhoud en verzekering.</al></li><li nr="4."><al>De hoogte van het persoonsgebonden budget voor dienstverlening
                                    is opgebouwd uit verschillende kostencomponenten zoals salaris,
                                    vervanging tijdens vakantie, verzekeringen en reiskosten;</al></li><li nr="5."><al>Een cliënt ten behoeve van wie een persoonsgebonden budget wordt
                                    verstrekt, kan diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en
                                    andere maatregelen onder de volgende voorwaarden betreffende het
                                    tarief betrekken van een persoon die behoort tot het sociale
                                    netwerk:</al><lijst><li nr="a."><al>deze persoon krijgt een lager tarief betaald voor zijn
                                            diensten dan door het college in het Besluit
                                            vastgestelde tarief. Dit lagere tarief wordt door het
                                            college in het Besluit vastgesteld;</al></li><li nr="b."><al>tussenpersonen of belangenbehartigers mogen niet uit het
                                            persoonsgebonden budget</al><al> worden betaald.</al></li></lijst></li><li nr="6."><al>Een persoonsgebonden budget dient door de cliënt binnen zes
                                    maanden na toekenning te worden aangewend ten behoeve van het
                                    resultaat waarvoor het is verstrekt.</al></li><li nr="7."><al>Een maatwerkvoorziening aangeschaft met een persoonsgebonden
                                    budget kan, zodra deze voorziening niet meer gebruikt wordt,
                                    onder verrekening van eventueel ingebrachte eigen middelen (naar
                                    rato), door het college worden opgehaald en voor herverstrekking
                                    beschikbaar gesteld.</al></li><li nr="8."><al>Het college stelt in het Besluit nadere regels over de hoogte
                                    van het persoonsgebonden budget, alsmede de voorwaarden
                                    waaronder het persoonsgebonden budget verstrekt wordt.</al></li><li nr="9."><al>Het college stelt in het Besluit nadere regels over de
                                    voorwaarden die gesteld worden ten aanzien van de bekwaamheid
                                    van de cliënt als budgethouder.</al></li><li nr="10."><al>Het college bepaalt bij nadere regeling onder welke voorwaarden
                                    betreffende het tarief, de cliënt aan wie een persoonsgebonden
                                    budget wordt verstrekt de mogelijkheid heeft om diensten,
                                    hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen te
                                    betrekken van een persoon die behoort tot het sociaal
                                    netwerk.</al></li></lijst><al>Artikel 13. Controle</al><lijst><li nr="1."><al>Het college onderzoekt uit het oogpunt van kwaliteit van de
                                    geleverde zorg, al dan niet steekproefsgewijs, de bestedingen
                                    van de persoonsgebonden budgetten. Het gestelde in de artikelen
                                    17 en 18 is van overeenkomstige toepassing.</al></li><li nr="2."><al>Het college onderzoekt, al dan niet steekproefsgewijs, of de
                                    verstrekte voorzieningen worden gebruikt of besteed ten behoeve
                                    van het doel waarvoor ze verstrekt zijn.</al></li><li nr="3."><al>Het college stelt in het Besluit nadere regels met betrekking
                                    tot de controle op de besteding.</al></li></lijst><al>Artikel 14. Feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of
                            terugvordering</al><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd artikel 2.3.8 van de wet doet een cliënt aan het
                                    college op verzoek of onverwijld (maximaal 3 werkdagen) uit
                                    eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden,
                                    waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze
                                    aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing als
                                    bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet.</al></li><li nr="2."><al>Onverminderd artikel 2.3.10 van de wet kan het college een
                                    beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet
                                    herzien dan wel geheel of gedeeltelijk intrekken als het college
                                    vaststelt dat:</al><lijst><li nr="a."><al>De cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft
                                            verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige
                                            gegevens tot een andere beslissing zou hebben
                                            geleid;</al></li><li nr="b."><al>De cliënt niet langer op de maatwerkvoorziening is
                                            aangewezen;</al></li><li nr="c."><al>De maatwerkvoorziening niet meer toereikend is te
                                            achten;</al></li><li nr="d."><al>De cliënt niet voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening
                                            verbonden voorwaarden, of</al></li><li nr="e."><al>De cliënt de maatwerkvoorziening niet of voor een ander
                                            doel gebruikt.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Een beslissing tot verlening van een persoonsgebonden budget kan
                                    geheel of gedeeltelijk worden ingetrokken als blijkt dat het
                                    persoonsgebonden budget binnen zes maanden na uitbetaling niet
                                    of niet volledig is aangewend voor de bekostiging van de
                                    voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden.</al></li><li nr="4."><al>Als het college een beslissing op grond van het tweede lid,
                                    onder a en e, heeft ingetrokken en dit handelen of nalaten
                                    verwijtbaar is, kan het college van de cliënt en degene die
                                    daaraan opzettelijk zijn medewerking heeft verleend, geheel of
                                    gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onrechte genoten
                                    maatwerkvoorziening.</al></li><li nr="5."><al>Ingeval het recht op een in eigendom verstrekte voorziening is
                                    ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggevorderd.</al></li><li nr="6."><al>Ingeval het recht op een in bruikleen verstrekte voorziening is
                                    ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggevorderd.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4:</nr><titel>Bijdrage in de kosten</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 15. Bijdrage in de kosten</al><lijst><li nr="1."><al>Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd:</al><lijst><li nr="a."><al>Voor het gebruik van een algemene voorziening, niet
                                            zijnde cliëntondersteuning;</al></li><li nr="b."><al>Voor door het college bij nadere regeling te bepalen
                                            voorzieningen en;</al></li><li nr="c."><al>Voor een maatwerkvoorziening, zolang hij van de
                                            voorziening gebruik maakt of gedurende de periode
                                            waarvoor het persoonsgebonden budget wordt verstrekt,
                                            overeenkomstig het uitvoeringsbesluit.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Als een maatwerkvoorziening wordt verstrekt ten behoeve van een
                                    woningaanpassing voor een cliënt, die minderjarig is, is de
                                    bijdrage in de kosten verschuldigd door:</al><lijst><li nr="a."><al>De onderhoudsplichtige ouders, daaronder begrepen degene
                                            tegen wie een op artikel 394 van Boek 1 van het
                                            Burgerlijk Wetboek gegrond verzoek is toegewezen.</al></li><li nr="b."><al>Degene die anders dan als ouder samen met de ouder het
                                            gezag uitoefent over een cliënt.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>In afwijking van het vorige lid is in ieder geval geen bijdrage
                                    verschuldigd indien de ouders van het gezag over de cliënt zijn
                                    ontheven of ontzet.</al></li><li nr="4."><al>Het college bepaalt in het Besluit:</al><lijst><li nr="a."><al>Voor welke algemene voorzieningen, niet zijnde
                                            cliëntondersteuning, de cliënt een bijdrage is
                                            verschuldigd;</al></li><li nr="b."><al>Wat per soort algemene voorziening de hoogte van deze
                                            bijdrage is; en</al></li><li nr="c."><al>Op welke wijze de kostprijs van een maatwerkvoorziening
                                            en pgb wordt bepaald, en</al></li><li nr="d."><al>Welke instantie de bijdragen in de kosten voor de
                                            maatwerkvoorzieningen beschermd wonen en opvang
                                            vaststelt en int.</al></li></lijst></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5:</nr><titel>Kwaliteit en veiligheid</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 16. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning </al><lijst><li nr="1."><al>Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen,
                                    eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten
                                    daaronder begrepen, door:</al><lijst><li nr="a."><al>Het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke
                                            situatie van de cliënt.</al></li><li nr="b."><al>Het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van
                                            zorg.</al></li><li nr="c."><al>Erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun
                                            werkzaamheden in het kader van het leveren van
                                            voorzieningen handelen in overeenstemming met de
                                            professionele standaard.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het college kan bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen
                                    worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met
                                    betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder
                                    begrepen.</al></li><li nr="3."><al>Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe
                                    op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de
                                    aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek, en het zo
                                    nodig in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de
                                    geleverde voorzieningen.</al></li></lijst><al>Artikel 17. Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door
                            derden</al><lijst><li nr="1."><al>Het college houdt in het belang van een goede
                                    prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven
                                    die het hanteert voor door derden te leveren diensten, in ieder
                                    geval rekening met:</al><lijst><li nr="a."><al>de aard en omvang van de te verrichten taken;</al></li><li nr="b."><al>de voor de sector toepasselijke CAO-schalen in relatie
                                            tot de zwaarte van de functie; </al></li><li nr="c."><al>een redelijke toeslag voor overheadkosten;</al></li><li nr="d."><al>een voor de sector reële mate van non-productiviteit van
                                            het personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en
                                            werkoverleg;</al></li><li nr="e."><al> kosten voor bijscholing van het personeel.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het college houdt in het belang van een goede
                                    prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven
                                    die het hanteert voor door derden te leveren overige
                                    voorzieningen, in ieder geval rekening met:</al><lijst><li nr="a."><al>de marktprijs van de voorziening, en b. de eventuele
                                            extra taken die in verband met de voorziening van de
                                            leverancier worden gevraagd, zoals:</al></li></lijst></li><li nr="1."><al>aanmeten, leveren en plaatsen van de voorziening; </al></li><li nr="2."><al>instructie over het gebruik van de voorziening;</al></li><li nr="3."><al> onderhoud van de voorziening, en</al></li><li nr="4."><al>verplichte deelname in bepaalde samenwerkingsverbanden (bijv.
                                    sociaal wijkteam).</al></li></lijst><al>Artikel 18. Meldingsregeling calamiteiten en geweld</al><lijst><li nr="1."><al>Het college treft een regeling, bedoeld in artikel 6.1 van de
                                    wet, voor het melden van calamiteiten en geweldsincidenten bij
                                    de verstrekking van een voorziening door een aanbieder en wijst
                                    een toezichthoudend ambtenaar aan.</al></li><li nr="2."><al>Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat
                                    zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening
                                    onverwijld (maximaal 3 werkdagen) aan de toezichthoudend
                                    ambtenaar.</al></li><li nr="3."><al>De toezichthoudend ambtenaar doet onderzoek naar de calamiteiten
                                    en geweldsincidenten en adviseert het college over het voorkomen
                                    van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld.</al></li><li nr="4."><al>Het college kan bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen
                                    gelden voor het melden van calamiteiten en geweld bij de
                                    verstrekking van een voorziening.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>6:</nr><titel>Waardering mantelzorgers en tegemoetkoming meerkosten</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 19. Jaarlijkse waardering mantelzorgers</al><al>Het college bepaalt bij nadere regeling waaruit de jaarlijkse blijk van
                            waardering voor mantelzorgers van cliënten in de gemeente bestaat.</al><al>Artikel 19a. Tegemoetkoming meerkosten</al><lijst><li nr="1."><al>Het college kan in overeenstemming met het beleidsplan, bedoeld
                                    in artikel 2.1.2. van de wet, op aanvraag aan personen met een
                                    beperking of chronisch psychische of psychosociale problemen,
                                    die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben, een
                                    tegemoetkoming verstrekken ter ondersteuning van de
                                    zelfredzaamheid en de participatie.</al></li><li nr="2."><al>Het college bepaalt bij nadere regeling de voorwaarden waaronder
                                    een tegemoetkoming wordt verstrekt en de hoogte daarvan.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>7:</nr><titel>Klachten, medezeggenschap en inspraak</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 20. Klachtregeling</al><lijst><li nr="1."><al>Aanbieders stellen een regeling vast voor de afhandeling van
                                    klachten van cliënten.</al></li><li nr="2."><al>Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe
                                    op de naleving van de klachtregelingen van aanbieders door
                                    periodieke overleggen met de aanbieders hierover.</al></li></lijst><al>Artikel 21. Betrekken van ingezetenen bij het beleid</al><lijst><li nr="1."><al>Het college betrekt ingezetenen van de gemeente, waaronder in
                                    ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, bij de
                                    voorbereiding van het beleid betreffende maatschappelijke
                                    ondersteuning, overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de
                                    Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop
                                    inspraak wordt verleend. </al></li><li nr="2."><al>Het college stelt ingezetenen vroegtijdig in de gelegenheid
                                    voorstellen voor het beleid betreffende maatschappelijke
                                    ondersteuning te doen, advies uit te brengen bij de
                                    besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen
                                    betreffende maatschappelijke ondersteuning, en voorziet hen van
                                    ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen.</al></li><li nr="3."><al>Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan
                                    periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen
                                    aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate
                                    deelname aan het overleg benodigde informatie en
                                    ondersteuning.</al></li></lijst><al>Artikel 22. Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke
                            ondersteuning</al><lijst><li nr="1."><al>Aanbieders stellen een regeling vast voor de medezeggenschap van
                                    cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor
                                    de gebruikers van belang zijn ten aanzien van alle door hen
                                    verstrekte voorzieningen.</al></li><li nr="2."><al>Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe
                                    op de naleving van de medezeggenschapsregelingen van aanbieders
                                    door periodieke overleggen met de aanbieders hierover.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>8:</nr><titel>Overgangsrecht en slotbepalingen</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 23. Verantwoording</al><al>Het door het gemeentebestuur gevoerde financiële en uitvoeringsbeleid
                            wordt jaarlijks verantwoord in de gemeentelijke jaarrekening. </al><al>Artikel 24. Nadere regels en hardheidsclausule</al><lijst><li nr="1."><al>In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffend,
                                    waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college.</al></li><li nr="2."><al>Het college stelt nadere regels over de uitvoering van deze
                                    verordening.</al></li><li nr="3."><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt
                                    afwijken van de bepalingen van deze verordening indien
                                    toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende
                                    aard leidt.</al></li></lijst><al>Artikel 25. Intrekking oude verordening en overgangsbepalingen</al><lijst><li nr="1."><al>De Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente
                                    Voerendaal 2015 wordt per 1 november 2015 ingetrokken.</al></li><li nr="2."><al>Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op
                                    grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente
                                    Voerendaal 2015 dan wel haar voorgangers, totdat het college een
                                    nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze
                                    voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken.</al></li><li nr="3."><al>Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening
                                    maatschappelijke ondersteuning Voerendaal 2015 en waarop nog
                                    niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening,
                                    worden afgehandeld krachtens de Verordening maatschappelijke
                                    ondersteuning gemeente Voerendaal oktober 2015.</al></li><li nr="4."><al>Beslissingen op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van
                                    de Verordening maatschappelijke ondersteuning Voerendaal 2015,
                                    wordt beslist met inachtneming van de Verordening
                                    maatschappelijke ondersteuning Voerendaal 2015.</al></li><li nr="5."><al>Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op
                                    grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten en zover deze
                                    vanaf 01 januari 2015 onder de Wmo valt, tot uiterlijk 01
                                    januari 2016. Indien de indicatietermijn van deze voorziening
                                    afloopt in het jaar 2015, is dit ook in het kader van de Wmo de
                                    einddatum.</al></li><li nr="6."><al>Van het in lid 3 en 4 gestelde kan ten gunste van de cliënt
                                    worden afgeweken.</al></li></lijst><al>Artikel 26. Inwerkingtreding en citeertitel</al><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op 01 november 2015.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening
                                    maatschappelijke ondersteuning gemeente Voerendaal oktober
                                    2015.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering d.d. 1 oktober 2015.</ondertekening><ondertekening>De griffier, De voorzitter,</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><al><vet>Artikelsgewijze toelichting</vet></al><divisie><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1:</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al>In een aantal gevallen is hieronder geen nadere toelichting gegeven op de
                        begripsbepaling uit artikel 1. In sommige gevallen spreekt de
                        begripsbepaling in de verordening voor zich. En anderzijds staan in de wet
                        ook al een aantal definities omschreven die bindend zijn voor deze
                        verordening. Ook de algemene wet bestuursrecht kent een aantal
                        definitiebepalingen die voor deze verordening van belang zijn.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>Ad a. Aanvraag</al><al>Bedoeld zoals omschreven in de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</al><al>Ad b. Algemeen gebruikelijke voorziening</al><al>Het is niet de bedoeling dat de gemeentelijke overheid voorzieningen
                        verstrekt, waarvan gelet op de omstandigheden van de cliënt, aannemelijk is
                        te achten dat deze daarover, ook als hij of zij geen beperkingen had, zou
                        (hebben kunnen) beschikken (zie o.a. CRvB 03-07-2001, nr. 00/764 WVG, CRvB
                        16-04-2008, nr. 06/4668 WVG, CRvB 14-07-2010, nr. 09/562 WVG en Rechtbank
                        Arnhem 16-08-2012, nr. AWB 11/5564).</al><al>Het college moet steeds onderzoeken of een voorziening ook algemeen
                        gebruikelijk is voor de cliënt (zie CRvB 17-11-2009, nr. 08/3352 WMO). De
                        beoordeling of sprake is van een algemeen gebruikelijke voorziening voor de
                        cliënt ziet op het beantwoorden van de vraag of de cliënt over de
                        voorziening zou (hebben kunnen) beschikken als hij geen beperkingen zou
                        hebben gehad. Bij die beoordeling kunnen, zo blijkt uit de jurisprudentie,
                        de volgende criteria een rol spelen:</al><lijst><li nr="-"><al>Is de voorziening gewoon te koop?</al></li><li nr="-"><al>Is de prijs van de voorziening vergelijkbaar met soortgelijke
                                producten die algemeen gebruikelijk worden geacht?</al></li><li nr="-"><al>Is de voorziening specifiek voor personen met een beperking
                                ontworpen?</al></li></lijst><al>Ad c. Algemene voorziening</al><al>Aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar
                        de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers,
                        toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning</al><al>Ad h. Bijdrage in de kosten</al><al>Uit artikel 2.1.4 van de wet vloeit de bevoegdheid voort tot het vragen van
                        een bijdrage in de kosten. Cliënten zullen voor hun ondersteuning, als de
                        gemeente daarvoor kiest, een bijdrage moeten betalen. Deze bijdrage kan, als
                        het een maatwerkvoorziening betreft, afhankelijk worden gesteld van het
                        inkomen en het vermogen. Op grond van artikel 2.1.4 lid 4 van de wet zijn
                        bij Algemene Maatregel van Bestuur nadere regels (Uitvoeringsbesluit Wmo
                        2015) gesteld. Daarin is bepaald wat de ruimte is die de gemeenteraad (het
                        college bij delegatie door de gemeenteraad) heeft voor het bepalen van de
                        omvang van de eigen bijdrage. </al><al>Ook voor een algemene voorziening kan eventueel een bijdrage van de cliёnt
                        in de kosten worden gevraagd (m.u.v. cliëntondersteuning), maar deze
                        bijdrage kan, anders dan die voor een maatwerkvoorziening, niet
                        inkomensafhankelijk zijn.</al><al>Ad i. Cliëntondersteuning</al><al>Deze definitie is ook opgenomen in artikel 1.1.1 van de wet. Bij de term
                        cliëntondersteuning gaat het om informatie, advies en algemene ondersteuning
                        die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie van
                        mensen. Daarnaast omvat cliëntondersteuning informatie, advies en algemene
                        ondersteuning over de mogelijkheden op het vlak van een zo integraal
                        mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning,
                        preventieve zorg, zorg, jeugdzorg, onderwijs, welzijn, wonen, werk en
                        inkomen ten behoeve van het maken van een keuze of het oplossen van een
                        probleem. Dit leidt tot regieversterking van de cliënt en zijn omgeving en
                        bevordert de zelfredzaamheid en participatie. De informatie en het advies
                        houden ook in uitgebreide vraagverheldering evenals kortdurende en
                        kortcyclische ondersteuning bij het maken van keuzes op diverse
                        levensterreinen. Het gaat om informatie en advies aan een burger die voor
                        een vraag of een situatie staat die zodanig complex is dat deze persoon het
                        niet zelf of met zijn omgeving op kan lossen. De formulering ‘algemene
                        ondersteuning’ onderscheidt deze vorm van hulp bij zelfredzaamheid en
                        participatie van de maatwerkvoorziening.</al><al>Ad k. Gebruikelijke hulp</al><al>Hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden
                        verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere
                        huisgenoten.</al><al>Ad l. Hulpvraag</al><al>De hulpvraag is de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld
                        in artikel 2.3.2 lid 1 van de wet. Als iemand die behoefte heeft aan
                        maatschappelijke ondersteuning zich tot het college wendt, is het van belang
                        dat allereerst wordt onderzocht wat de hulpvraag van betrokkene is. Wanneer
                        de betrokkene zich voor het eerst meldt, is in veel gevallen niet op
                        voorhand duidelijk of en in welke vorm het college in actie moet komen. Een
                        zorgvuldig onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 lid 4 van de wet is
                        noodzakelijk.</al><al>Ad n. Ingezetene</al><al>De cliënt kan als hij ingezetene is van een gemeente in aanmerking komen
                        voor een maatwerkvoorziening gericht op zelfredzaamheid en participatie
                        (artikel 1.2.1 Wmo). Om voor een maatwerkvoorziening gericht op beschermd
                        wonen en opvang in aanmerking te komen moet de cliënt in ieder geval
                        ingezetene van Nederland zijn, maar niet persé van de gemeente. Uit de
                        Memorie van Toelichting volgt dat een ingezetene zich, voor een
                        maatwerkvoorziening, moet wenden tot het college van de gemeente waar hij
                        woont. De term 'wonen' is niet verder uitgelegd. Uit de jurisprudentie bij
                        de Wmo 2007 (CRvB 22-09-2010, nr. 09/1743 WMO) volgt dat het gaat om de
                        feitelijke verblijfplaats, waarbij een inschrijving in het Brp belangrijk is
                        maar niet doorslaggevend.</al><al>Ad q. Melding</al><al>Eenieder kan zich melden bij zijn gemeente met een hulpvraag. Door het
                        melden maakt de cliënt de hulpvraag aan het college kenbaar. In vervolg op
                        deze melding zal het college in samenspraak met de cliënt zo spoedig
                        mogelijk een onderzoek (laten) instellen. Indien een ingezetene alleen
                        informeert naar bijvoorbeeld de beschikbaarheid van een algemene voorziening
                        of kenbaar maakt gebruik te willen maken van een algemene voorziening, is er
                        geen aanleiding om een onderzoek in te stellen.</al><al>Ad t. Persoonlijk plan</al><al>In het plan kan de cliënt – al dan niet tezamen met zijn persoonlijke
                        netwerk - de omstandigheden, bedoeld </al><al>in artikel 2.3.2 lid 2 onderdelen a tot en met e van de wet, en de
                        maatschappelijke ondersteuning die door </al><al>hem wordt gewenst, beschrijven. De omstandigheden, bedoeld in artikel 2.3.2
                        lid 2 onderdelen a tot en met</al><al>e Wmo, worden onderzocht door het college. Doordat de cliënt hieromtrent
                        voorafgaand aan het onderzoek</al><al>door het college een persoonlijk plan kan overleggen, is het college direct
                        bekend met de wijze waarop de</al><al>cliënt zelf vorm wil geven aan zijn persoonlijk arrangement dat nodig is om
                        zelfredzaam te kunnen zijn en te</al><al>participeren. Door de cliënt een persoonlijk plan te laten opstellen, wordt
                        de eigen regie en de betrokkenheid</al><al>van het sociale netwerk van cliënten in de Wmo versterkt.</al></divisie><divisie><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2:</nr><titel>Procedureregels, melding en onderzoek</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Beschermd wonen en opvang</titel></kop><al>Deze bepaling is opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen en kan
                        gezien worden als een uitwerking van de verplichte delegatiebepaling van
                        artikel 2.1.3, eerste lid en tweede lid, onder a, van de wet. Daarbij is
                        onder meer bepaald dat de gemeente bij verordening in ieder geval bepaalt op
                        welke wijze een cliënt in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening voor
                        beschermd wonen en opvang. Deze bepaling maakt het voor het college mogelijk
                        om de uitvoering van het onderzoek alsmede de verstrekking van een
                        maatwerkvoorziening in het kader van beschermd wonen en opvang te mandateren
                        aan een (centrum)gemeente in de regio. Hiervoor kunnen door het college
                        nadere regels opgesteld worden.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Melding</titel></kop><al>Deze bepaling is opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen en kan
                        worden gezien als een uitwerking van de verplichte delegatiebepaling van
                        artikel 2.1.3, eerste lid en tweede lid, onder a, van de wet. De cliënt doet
                        een melding van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, de
                        hulpvraag. De melding is, zo blijkt uit de Memorie van Toelichting, niet
                        gebonden aan een vorm of locatie. De melding kan elektronisch of telefonisch
                        worden gedaan en zowel op het gemeentehuis als bijvoorbeeld op locatie bij
                        het toegangsteam. In artikel 2:15 van de AWB is bepaald dat een aanvraag
                        elektronisch kan worden gedaan indien het bestuursorgaan kenbaar heeft
                        gemaakt dat deze weg geopend is. </al><al>In het eerste lid is nog eens benadrukt dat de melding het middel is van een
                        cliënt om zijn hulpvraag bij het college neer te leggen. De melding kan
                        schriftelijk, elektronisch, mondeling of telefonisch gedaan worden. Echter,
                        in verband met de zorgvuldigheid en registratie zal de melding vervolgens
                        vastgelegd worden middels een meldingsformulier. De melding kan door of
                        namens de cliënt worden gedaan, wat betekent dat ook iemand uit de omgeving
                        van de cliënt als vertegenwoordiger kan optreden: bijvoorbeeld een
                        mantelzorger, partner, familielid, buurman of andere betrokkene.</al><al>In het eerste lid is met gebruik van de in artikel 1 gedefinieerde term
                        ‘hulpvraag’ een afbakeningsbepaling gegeven. Een persoon met een hulpvraag
                        die op grond van een andere wet kan worden beantwoord, kan direct en gericht
                        worden doorverwezen. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan de
                        Zorgverzekeringswet, de leerplichtwet e.d.</al><al>In het tweede lid is voor de volledigheid nog vermeld dat het college de
                        ontvangst bevestigt, ofschoon dit ook blijkt uit artikel 2.3.2 lid 1 van de
                        wet. Uit de Memorie van Toelichting blijkt bovendien dat het college het
                        tijdstip van de melding moet registreren. Uit wet noch toelichting blijkt
                        dat de bevestiging van de ontvangst van de melding schriftelijk moet.
                        Aangezien het onderzoek na een melding maximaal zes weken mag beslaan, is
                        registratie en bevestiging van de ontvangst van de melding van belang. In
                        verband met de registratie en zorgvuldigheid wordt de schriftelijke of
                        bevestiging van de melding opgenomen in dit artikel.</al><al>De gemeente Voerendaal werkt reeds sinds 2011 volgens dit systeem.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Cliëntondersteuning</titel></kop><al>Voor deze bepaling geldt dat de verplichtingen al voortvloeien uit de wet,
                        concreet de artikelen 2.2.4, lid 1 onderdeel a en 2.3.2 lid 3. Vanwege de
                        compleetheid en het belang van de verplichting is deze bepaling ook nog een
                        keer opgenomen in deze verordening. </al><al>Cliëntondersteuning is in de vorm van een algemene voorziening aanwezig,
                        waar burgers informatie en advies over vraagstukken van maatschappelijke
                        ondersteuning en hulp bij het verkrijgen daarvan kunnen krijgen. Ook
                        uitgebreide vraagverheldering alsmede kortdurende en kortcyclische
                        ondersteuning bij het maken van keuzes op diverse levensterreinen maken
                        daarvan deel uit. Met name het wijzen op de beschikbare cliëntondersteuning
                        zal een specifieke plek gaan innemen in de procedure. De cliëntondersteuning
                        is gratis en er wordt dan ook geen bijdrage in de kosten voor gevraagd. In
                        het kader van de volledigheid is deze bepaling ook nog een keer opgenomen in
                        deze verordening. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Persoonlijk plan</titel></kop><al>Voor deze bepaling geldt dat de verplichtingen al voortvloeien uit de wet,
                        concreet het artikel 2.3.2 lid 1a. Het persoonlijk plan is in de wet
                        opgenomen door middel van een amendement (TK 2013-2014, 33841 nr. 70). Omdat
                        het een specifieke plaats inneemt in de volgorde van de procedure, is deze
                        bepaling ook nog een keer opgenomen in deze verordening.</al><al>De cliënt wordt in staat gesteld, eventueel samen met zijn sociaal netwerk,
                        zijn omstandigheden en de door hem gewenste ondersteuning te beschrijven.
                        Doordat de cliënt voorafgaand aan het onderzoek door het college een
                        persoonlijk plan kan overleggen, is het college direct bekend met de wijze
                        waarop de cliënt zelf vorm wil geven aan zijn persoonlijk arrangement dat
                        nodig is om zelfredzaam te kunnen zijn en te participeren. Door het
                        opstellen van een persoonlijk plan, wordt daarnaast de eigen regie van de
                        cliënt en de betrokkenheid van zijn sociaal netwerk versterkt.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Onderzoek</titel></kop><al>Het gesprek wordt in de wet niet expliciet genoemd, maar impliciet wordt er
                        vanuit gegaan dat persoonlijk contact tussen gemeente en cliënt plaatsvindt.
                        In het eerste lid wordt benadrukt dat een gesprek in principe deel uitmaakt
                        van het onderzoek en dat het past in het stelsel van deze Wmo dat daar de
                        omgeving van de cliënt zoveel mogelijk bij betrokken wordt. Op het moment
                        dat cliënt reeds bekend is en de hulpvraag zonder gesprek afgedaan kan
                        worden, kan in overleg met cliënt van het gesprek afgezien worden.</al><al>Het onderzoek vormt de kern van de procedure. De wet beschrijft in het
                        vierde lid van artikel 2.3.2 de zaken die tijdens het onderzoek aan bod
                        moeten komen:</al><lijst><li nr="-"><al>De behoeften, persoonskenmerken en de voorkeuren van de cliënt.</al></li><li nr="-"><al>De mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp zijn
                                zelfredzaamheid of zijn participatie te verbeteren of te voorzien in
                                zijn behoefte aan beschermd wonen en opvang.</al></li><li nr="-"><al>De mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit
                                zijn sociaal netwerk te komen tot verbetering van zijn
                                zelfredzaamheid of zijn participatie of te voorzien in zijn behoefte
                                aan beschermd wonen of opvang.</al></li><li nr="-"><al>De mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening
                                of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te
                                komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie,
                                onderscheidenlijk de mogelijkheden om met gebruikmaking van een
                                algemene voorziening te voorzien in zijn behoefte aan beschermd
                                wonen of opvang.</al></li><li nr="-"><al>De mogelijkheden om door middel van samenwerking met
                                zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de
                                Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke
                                gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen,
                                te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het
                                oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid, zijn
                                participatie of aan beschermd wonen of opvang.</al></li><li nr="-"><al>Welke bijdragen in de kosten de cliënt verschuldigd zal zijn.</al></li></lijst><al>Voor de bepaling in het derde lid geldt dat de verplichtingen al
                        voortvloeien uit de wet, concreet het artikel 2.3.2 lid 3. Bij het onderzoek
                        wordt aan de cliënt medegedeeld welke mogelijkheden bestaan om te kiezen
                        voor een persoonsgebonden budget, in het geval dat cliënt in aanmerking komt
                        voor een maatwerkvoorziening. Ook wordt de cliënt ingelicht over de gevolgen
                        van deze keuze.</al><al>In het vijfde lid is bepaald dat de weergave van het onderzoek ook een
                        verslag van het gesprek bevat; dit wordt het ondersteuningsplan genoemd (ook
                        wel bekend als het gespreksverslag). Dit kan een beknopte weergave zijn van
                        hetgeen besproken is. Als de cliënt aangeeft geen prijs te stellen op het
                        ontvangen van het ondersteuningsplan kan verzending daarvan achterwege
                        blijven. In het kader van de zorgvuldigheid dient het college hier niet te
                        snel vanuit te gaan. De cliënt zal ondubbelzinnig en schriftelijk moeten
                        verklaren geen prijs te stellen op het ontvangen van de genoemde
                        bescheiden.</al><al>De gemeente Voerendaal hanteert deze werkwijze reeds sinds 2011.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Informatieverstrekking en advisering</titel></kop><al>Het college kan extern advies inwinnen indien dat voor de beoordeling van
                        een aanvraag nodig is; als dat de enige mogelijkheid is om een zorgvuldig
                        onderzoek naar de aanvraag te doen, is het zelfs in zekere zin
                        verplicht.</al><al>Het is bij de adviesaanvraag van belang dat hierbij een heldere vraag of
                        afgebakende opdracht wordt verstrekt, zodat duidelijk is voor de cliёnt en
                        de adviseur welk aanvullend onderzoek nog nodig is.</al><al>In artikel 2.3.8, derde lid, van de wet is een medewerkingsplicht opgenomen.
                        De cliёnt is verplicht aan het college desgevraagd de medewerking te
                        verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet.</al><al>In het vierde lid is aangegeven dat bij het onderzoek, bedoeld in artikel 7,
                        het college de identiteit van de cliënt vaststelt en indien van toepassing
                        van de vertegenwoordiger van de cliënt, vaststelt aan de hand van een
                        document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Aanvraag</titel></kop><al>Voor deze bepaling geldt dat de verplichtingen al voortvloeien uit de wet,
                        concreet het artikel 2.1.3, eerste lid en tweede lid, onder a. Hierbij is
                        bepaald dat de gemeente bij verordening in ieder geval bepaalt op welke
                        wordt vastgesteld of een cliënt voor een maatwerkvoorziening in aanmerking
                        komt. De wet bepaalt in artikel 2.3.5, tweede lid, dat het college binnen
                        twee weken na de ontvangst van de aanvraag de beschikking moet geven. In de
                        Awb worden regels gegeven omtrent de aanvraag. Deze verordening wijkt
                        daarvan niet af. Op grond van artikel 4:1 van de Awb wordt een aanvraag tot
                        het geven van een beschikking schriftelijk ingediend bij het bestuursorgaan
                        dat bevoegd is op de aanvraag te beslissen (hier het college), tenzij bij
                        wettelijk voorschrift anders is bepaald.</al><al>In het kader van de volgorde van de procedure herhaalt het eerste lid de
                        wet: de aanvraag kan pas worden ingediend na het onderzoek of na het
                        verstrijken van de zes wekentermijn. Artikel 2.3.5, eerste lid van de wet
                        maakt duidelijk dat de aanvraag ziet op een maatwerkvoorziening. Andere
                        oplossingen die tot tevredenheid kunnen bijdragen aan zelfredzaamheid en
                        maatschappelijke participatie kunnen zonder aanvraag en dus zonder
                        beschikking worden ingezet.</al><al>In het tweede lid is aangegeven dat naast de cliënt alleen een daartoe daar
                        hem gemachtigd persoon of een vertegenwoordiger een aanvraag kan indienen.
                        Dit is minder ruim dan de kring van personen rond de cliënt die een melding
                        kan doen (zie hiervoor artikel 3 en de toelichting daarbij). Aangezien het
                        hier gaat om de formele aanvraag om een beschikking in de zin van de Awb, is
                        hier de formele eis van machtiging of vertegenwoordiging gesteld.</al><al>In het derde lid is bepaald dat een door de cliënt of diens
                        vertegenwoordiger, getekend ondersteuningsplan, als aanvraagformulier dient.
                        Hierdoor wordt een brug geslagen tussen de melding en de aanvraag. Het zorgt
                        ervoor dat de cliënt vrijwel drempelvrij doorstroomt van de onderzoeksfase
                        naar de aanvraagfase en voorkomt onnodige handelingen en juridisering.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Criteria voor maatwerkvoorziening</titel></kop><al>In dit artikel is het algemene afwegingskader dat in deze Wmo centraal staat
                        nogmaals uiteengezet. De nadruk ligt, nog meer dan onder de Wmo 2007, op de
                        eigen kracht en hulp van anderen. De maatwerkvoorziening vormt slechts het
                        sluitstuk van de maatschappelijke ondersteuning.</al><al>In artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel a, van de wet is bepaald dat de raad
                        bij verordening moet aangeven op basis van welke criteria het college kan
                        vaststellen of een cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid,
                        participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt.</al><al>In de memorie van toelichting op deze bepaling (TK 2013-2014, 33 841, nr. 3,
                        blz. 134) wordt aangegeven dat het bij het verstrekken van een
                        maatwerkvoorziening op maatwerk aankomt. Artikel 2.3.5 van de wet bepaalt
                        dat cliënt met een maatwerkvoorziening niet in exact dezelfde of wellicht
                        zelfs betere positie gebracht hoeft te worden, dan waarin hij verkeerde voor
                        hij de ondersteuning nodig had. De ondersteuning dient in redelijke
                        verhouding te staan.</al><al>Gemeentelijke vrijheid is nodig omdat de behoeften van inwoners per gemeente
                        kunnen verschillen en de sociale en fysieke infrastructuur per gemeente
                        anders is. Ook het aanbod van algemene voorzieningen is niet in iedere
                        gemeente gelijk. Het is daarom niet mogelijk of wenselijk dat in de
                        verordening limitatief wordt geregeld welke maatwerkvoorzieningen zullen
                        worden verstrekt. De gemeente moet wel aan de hand van geschikte en
                        toepasbare criteria meer in detail en concreet nader afbakenen in welke
                        gevallen iemand een maatwerkvoorziening kan krijgen. In dit artikel is deze
                        verplichting uitgewerkt.</al><al>In lid 2 van dit artikel is bepaald dat het college kan volstaan met de
                        goedkoopst compenserende voorziening. Voorzieningen die in het kader van
                        deze verordening worden verstrekt dienen naar objectieve maatstaven gemeten
                        zowel compenserend als de meest goedkope voorziening te zijn. Met nadruk
                        wordt hierbij gesteld dat met het begrip compenserend bedoeld wordt: volgens
                        objectieve maatstaven nog toereikend. Eigenschappen die kostenverhogend
                        werken zonder dat zij de voorziening meer adequaat maken, zullen in principe
                        niet voor vergoeding in aanmerking komen. Daarbij kan een overweging zijn
                        dat de bruikbaarheid van een voorziening niet alleen door technische en
                        functionele aspecten bepaald wordt. Tevens is het denkbaar dat een product
                        dat duurder is dan een vergelijkbaar product, langer meegaat en dus
                        uiteindelijk goedkoper is. Wat betreft het kwaliteitsniveau waarvan
                        uitgegaan kan worden, moge het duidelijk zijn dat bij een verantwoord, maar
                        ook niet meer dan dat, niveau dient te worden aangesloten. Het is uiteraard
                        wel mogelijk een compenserende voorziening te verstrekken die duurder is dan
                        de goedkoopst compenserende voorziening, mits de cliënt bereid is het
                        prijsverschil uit eigen middelen te betalen. Het begrip goedkoopst
                        compenserend geeft het college mogelijkheden tot sturen binnen het
                        beleid.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Voorwaarden en weigeringsgronden</titel></kop><al>In rechtbankjurisprudentie is inmiddels herhaaldelijk bepaald dat
                        afwijzingsgronden, wil er een beroep op kunnen worden gedaan, een grondslag
                        in de verordening moeten hebben. Zie bijvoorbeeld Rechtbank Gelderland
                        8-11-2013, nr. ZUT 12/1823. Ook in het kader van rechtszekerheid is hier
                        iets voor te zeggen: bij het ontbreken van afwijzingsgronden of het hanteren
                        van zeer ruime afwijzingsgronden is het voor de cliënt niet mogelijk om zijn
                        rechtspositie te bepalen of te voorzien. Bovendien is met dit artikel
                        invulling gegeven aan de verplichting van artikel 2.1.3, tweede lid onder a
                        van de wet, omdat is aangegeven op grond van welke criteria iemand voor een
                        maatwerkvoorziening in aanmerking kan komen.</al><al>Ad. a</al><al>De wet kent niet een bepaling zoals die wel was opgenomen in artikel 2 van
                        de Wmo 2007. Het is echter wel van belang om een duidelijke afbakening te
                        hebben met andere wetten. Vandaar dat deze bepaling in de verordening is
                        opgenomen. Voor zover er met betrekking tot de problematiek die in het
                        gegeven geval aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een
                        voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat, wordt er
                        geen maatwerkvoorziening toegekend. </al><al>Uit de jurisprudentie tot stand gekomen ten tijde van de Wmo 2007 volgt dat
                        de cliënt aanspraak moet hebben op de voorziening, om te kunnen spreken van
                        een voorliggende voorziening (CRvB 09-11-2011, nr. 11/3583 WMO en CRvB
                        28-09-2011, nr. 10/2587 WMO). Dat wil niet zeggen dat cliënt de voorziening
                        daadwerkelijk moet hebben, maar dat hij daarop aanspraak heeft. Er is geen
                        sprake van een voorliggende voorziening indien de voorziening op grond van
                        een andere wettelijke bepaling is afgewezen (CRvB 03-08-2011, nr. 11/517
                        WMO) of indien vaststaat dat cliënt daarvoor niet in aanmerking komt (CRvB
                        19-04-2010, nr. 09/1082 WMO).</al><al>Indien de voorziening op grond van een andere specifieke wettelijke regeling
                        slechts gedeeltelijk voor vergoeding in aanmerking komt, is er sprake van
                        een voorliggende voorziening (CRvB 22-05-2013, nr. 10/6782 WMO). De cliënt
                        kan dan niet voor het overige gedeelte van de kosten een beroep doen op de
                        Wmo. </al><al>Ad. b</al><al>Dit betreft de herhaling van het algemene toetsingskader, zoals dat in de
                        wet centraal staat. Door het hier te herhalen kan het dienst doen als
                        afwijzingsgrond.</al><al>Ad. c</al><al>Een algemene voorziening gaat voor op verstrekking van een
                        maatwerkvoorziening. Ook dit is een uitvloeisel van het algemene
                        toetsingskader van de wet. Het is hier opgenomen om dienst te doen als
                        afwijzingsgrond.</al><al>Ad. d</al><al>Het is niet de bedoeling dat de gemeentelijke overheid voorzieningen
                        verstrekt, waarvan gelet op de omstandigheden van de cliënt, aannemelijk is
                        te achten dat deze daarover, ook als hij of zij geen beperkingen had, zou
                        (hebben kunnen) beschikken (zie o.a. CRvB 03-07-2001, nr. 00/764 WVG, CRvB
                        16-04-2008, nr. 06/4668 WVG, CRvB 14-07-2010, nr. 09/562 WVG en Rechtbank
                        Arnhem 16-08-2012, nr. AWB 11/5564).</al><al>Het college moet steeds onderzoeken of een voorziening ook algemeen
                        gebruikelijk is voor de cliënt (zie CRvB 17-11-2009, nr. 08/3352 WMO). De
                        beoordeling of sprake is van een algemeen gebruikelijke voorziening voor de
                        cliënt ziet op het beantwoorden van de vraag of de cliënt over de
                        voorziening zou (hebben kunnen) beschikken als hij geen beperkingen zou
                        hebben gehad. Bij die beoordeling kunnen, zo blijkt uit de jurisprudentie,
                        de volgende criteria een rol spelen:</al><lijst><li nr="-"><al>Is de voorziening gewoon te koop?</al></li><li nr="-"><al>Is de prijs van de voorziening vergelijkbaar met soortgelijke
                                producten die algemeen gebruikelijk worden geacht?</al></li><li nr="-"><al>Is de voorziening specifiek voor personen met een beperking
                                ontworpen?</al></li></lijst><al>Ad. e</al><al>Hier wordt gedoeld op de situatie dat de cliënt een voorziening aanvraagt
                        nadat deze reeds door de cliënt gerealiseerd of aangekocht is. Omdat het
                        college dan geen mogelijkheden meer heeft de voorziening volgens het
                        vastgestelde beleid te verstrekken, noch anderszins invloed heeft op de te
                        verstrekken voorziening, kan in deze situatie de voorziening worden
                        geweigerd. Door deze regeling wordt voorkomen dat een voorziening waar
                        vroegtijdig mee is begonnen uiteindelijk niet overeenstemt met hetgeen het
                        college als goedkoopst adequate voorziening beschouwt. Daarnaast laat de
                        cliënt, door de realisatie of aankoop van de voorziening, zien dat hijzelf
                        (deels) in staat is om zijn beperkingen op te heffen en is een
                        maatwerkvoorziening (als sluitstuk van de maatschappelijke ondersteuning)
                        dan ook niet noodzakelijk.</al><al>Ad. f</al><al>In dit onderdeel wordt aangegeven dat de aanvraag geweigerd kan worden als
                        het gaat om een vergoeding of verstrekking die reeds eerder heeft
                        plaatsgehad, terwijl het de cliënt verwijtbaar is dat het middel verloren is
                        gegaan, bijvoorbeeld door roekeloosheid of verwijtbare onachtzaamheid, dus
                        niet indien de cliënt geen schuld treft. Ook hier kan de eigen
                        verantwoordelijkheid van een cliënt een rol spelen. Indien bijvoorbeeld in
                        een woning een verstelbare keuken of een andere dure voorziening is
                        aangebracht heeft dit gevolgen voor de te verzekeren waarde van de opstal.
                        Dit risico dient in de opstalverzekering gedekt te worden. Indien vervolgens
                        bij brand blijkt dat de woning onvoldoende verzekerd is, dan kan op dat
                        moment geen beroep op deze verordening worden gedaan. Op het moment dat een
                        cliënt tegemoetkomt in de veroorzaakte kosten, kan een aanvraag wel verder
                        in behandeling genomen worden.</al><al>Ad. g</al><al>De maatwerkvoorziening is gericht op een individuele cliënt. Het past hier
                        niet om generieke voorzieningen te treffen. Daarvoor zijn de algemene
                        maatregelen en algemene voorzieningen geschikte instrumenten.</al><al>Ad. h</al><al>Voor deze bepaling geldt dat de verplichtingen al voortvloeien uit de wet,
                        concreet het artikel 2.3.5, zesde lid.</al><al>Ad. i</al><al>De eigen verantwoordelijkheid van cliënten speelt een prominentere rol in de
                        Wmo, getuige bijvoorbeeld CRvB 21-5-2012, nr. 11/5321 WMO. Onderdeel h
                        opgenomen om de eigen verantwoordelijkheid daadwerkelijk weer te geven in de
                        verordening zodat het kan dienen als beoordelings- en afwijzingsgrond. De
                        CRvB heeft echter herhaaldelijk (zo ook in de hier genoemde uitspraak)
                        geoordeeld dat de eigen verantwoordelijkheid binnen de Wmo een grote rol
                        speelt, zodat een grondslag niet expliciet nodig lijkt te zijn.</al><al>De in het tweede lid opgenomen gronden zijn specifiek van toepassing op
                        maatwerkvoorzieningen ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en
                        participatie. Wat langdurig noodzakelijk is, als bedoeld onder a, is
                        afhankelijk van de concrete situatie. Het kan, in tijd uitgedrukt, gaan om
                        twee maanden, bijvoorbeeld bij cliënten die in een terminaal ziektestadium
                        verkeren. Het kan ook gaan om veertig jaar, in situatie waarin de beperking
                        bijvoorbeeld aangeboren is en stabiel van aard is. Kenmerk is in beide
                        genoemde situaties dat de ondervonden beperking, naar de stand van de
                        medische wetenschap op het moment van de aanvraag, onomkeerbaar is. Er is
                        dus redelijkerwijs geen verbetering te verwachten in de situatie van de
                        aanvrager. In dit kader zal de prognose van groot belang zijn. Zegt de
                        prognose dat de cliënt na enige tijd zonder de benodigde ondersteuning
                        hulpmiddelen of aanpassingen zal kunnen functioneren, dan mag men van
                        kortdurende noodzaak uitgaan.</al><al>Bij een wisselend beeld, waarbij verbetering in de toestand langere of
                        frequente periodes van terugval opvolgen, kan echter uitgegaan worden van
                        een langdurige noodzaak. De medisch adviseur speelt bij het antwoord op de
                        vraag of er al dan niet sprake is van een langdurige noodzaak voor de
                        betreffende voorziening een belangrijke rol. Voor langere tijd betekent in
                        ieder geval dat wie tijdelijke beperkingen heeft, bijvoorbeeld door een
                        ongeluk, terwijl vast staat dat de beperkingen van voorbijgaande aard is,
                        niet voor een maatwerkvoorziening in het kader van deze verordening in
                        aanmerking komt. cliënt kan een beroep doen op de hulpmiddelendepots van de
                        diverse (thuiszorg)organisaties. Uit deze depots kan men twee maal drie
                        maanden een hulpmiddel gratis lenen, welke periode kan worden verlengd, zij
                        het dat dan huur verschuldigd is. Een uitzondering op de regel dat de
                        aangevraagde maatwerkvoorziening langdurig noodzakelijk moet zijn, wordt
                        gevormd door situaties waarin voor een afzienbare periode ondersteuning
                        (bijv. hulp bij het huishouden of begeleiding) nodig is.</al><al>Voor de bepaling in het tweede lid, onder b, geldt dat de verplichtingen al
                        voortvloeien uit de wet, concreet het artikel 1.2.1. Uit de Memorie van
                        Toelichting volgt dat een ingezetene zich, voor een maatwerkvoorziening,
                        moet wenden tot het college van de gemeente waar hij woont. De term 'wonen'
                        is niet verder uitgelegd. Uit de jurisprudentie bij de Wmo 2007 (CRvB
                        22-09-2010, nr. 09/1743 WMO ) volgt dat het gaat om de feitelijke
                        verblijfplaats, waarbij een inschrijving in het Brp belangrijk is maar niet
                        doorslaggevend. Zie hiervoor ook de toelichting van het begrip ‘ingezetene’,
                        in artikel 1 onder n.</al><al>In het derde lid heeft het primaat van de collectieve maatwerkvoorziening
                        voor vervoer een grondslag gekregen. De collectieve vervoersvoorziening is
                        al vanaf 1994 bekend in de vorm van het collectief vraagafhankelijk vervoer.
                        Naast het collectief vervoer kan ook worden gedacht aan de mogelijkheden
                        voor bijvoorbeeld het opzetten een rolstoel- of scootmobielpools. Een cliënt
                        kan pas voor een maatwerkvoorziening voor vervoer in aanmerking komen als
                        het gebruik van een collectief systeem niet mogelijk is, dan wel een
                        collectief systeem niet aanwezig is.</al><al>In het vierde lid zijn enkele afwijzingsgronden opgenomen die specifiek zien
                        op een maatwerkvoorziening die onder de Wmo 2007 zouden worden aangeduid met
                        de term 'woonvoorziening', een term die binnen de Wmo 2015 ook gebruikt kan
                        worden.</al><al>Ad a. Er is geen aanleiding om het begrip ‘normale gebruik van de woning’
                        onder de Wmo anders uit te leggen dan onder de Wmo 2007 (en daarvoor de
                        Wvg). Om deze reden is deze bepaling opgenomen in deze verordening. Uit de
                        parlementaire geschiedenis van de Wmo 2007 blijkt dat maatschappelijke
                        participatie een synoniem is voor het begrip ‘normale’ deelname aan het
                        maatschappelijke verkeer' en dat daaronder in ieder geval ‘het normale
                        gebruik van de woning’ wordt verstaan (<onderstreept>TK 2005-2006, 30 131,
                            nr. 65</onderstreept>). Noch de Wmo 2007 noch de parlementaire
                        geschiedenis hiervan waren duidelijk wat verstaan moet worden onder het
                        normale gebruik van de woning. Wel heeft de jurisprudentie invulling gegeven
                        aan dat begrip. In de jurisprudentie wordt onder het normale gebruik van de
                        woonruimte verstaan:</al><lijst><li nr="-"><al>De toegankelijkheid van de woning (zie <onderstreept>Rechtbank
                                    's-Hertogenbosch 19-03-2010, nr. AWB 09/1544</onderstreept> en
                                    <onderstreept>Rechtbank 's-Hertogenbosch 07-06-2010, nr. AWB
                                    09/2976 WMO</onderstreept>).</al></li><li nr="-"><al>Het verrichten van elementaire woonfuncties:</al><lijst><li nr="o"><al>Het gebruik maken van de keuken (<onderstreept>Vzr.
                                            Rechtbank Alkmaar 30-12-2008, nrs. 08/3200 Wmo
                                            e.a</onderstreept>.).</al></li><li nr="o"><al>Slapen, eten en lichaamsreiniging (CRvB 24-12-1999, 98/7777
                                        WVG).</al></li><li nr="o"><al>Het doen van essentiële huishoudelijke werkzaamheden, zoals
                                        het doen van de was en het strijken en opbergen ervan. (
                                        CRvB 06-08-1999, nr. 98/3172 WVG en en <onderstreept>CRvB
                                            07-06-2005, nr. 03/4336 WVG</onderstreept>);</al></li></lijst></li><li nr="-"><al>het aan- en uitkleden, wassen en verschonen van een geheel van de
                                verzorging door een cliënt afhankelijke baby (<onderstreept>CRvB
                                    02-08-2006, nr. 04/4459 WVG</onderstreept>).</al></li><li nr="-"><al>dat kinderen zonder gevaar voor eigen gezondheid in de woonruimte
                                kunnen spelen (<onderstreept>CRvB 23-04-1999, 98/1424
                                    WVG</onderstreept>).</al></li></lijst><al>De rechtbank Alkmaar oordeelt (net als in <onderstreept>CRvB
                            07</onderstreept><onderstreept>-06-2005, nr. 03/4336 WVG</onderstreept>)
                        dat de enkele bereikbaarheid van een hobbykamer op de eerste verdieping van
                        een woning niet tot de elementaire woonfuncties kan worden gerekend
                            (<onderstreept>Rechtbank Alkmaar 01-07-2010, nr. 09/157
                            WMO</onderstreept>).</al><al>Ad b.</al><al>Deze afwijzingsgrond is bedoeld voor situaties waarin gebruikte materialen
                        voor problemen zorgen.</al><al>Ad c.</al><al>Een woonvoorziening voor het treffen van voorzieningen wordt alleen
                        verstrekt als het woonruimten betreft die als zelfstandige woonruimte in het
                        kader van de Wet op de Huurtoeslag ook als zodanig aangemerkt worden. Een
                        uitzondering zijn aanpassingen aan woonschepen en binnenschepen. Deze komen
                        echter weinig voor en kunnen apart geregeld worden in het
                        verstrekkingenbeleid.</al><al>Ad d.</al><al>Een woonvoorziening wordt niet verstrekt voor zover het voorzieningen
                        betreft in gemeenschappelijke ruimten van woongebouwen, anders dan
                        automatische deuropeners, hellingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke
                        toegangsdeuren, het aanbrengen van drempelhulpen en vlonders of het
                        aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de
                        gemeenschappelijke ruimte. Dit zal gebeuren in nauw overleg en met
                        afstemming met de woningbouwcorporaties, daar zij hier in het kader vanuit
                        het woonhuisvestingsbeleid ook een verantwoordelijkheid in hebben.</al><al>Ad e.</al><al>Deze bepaling heeft voornamelijk betrekking op situaties waarin men gaat
                        verhuizen zonder dat er sprake is van een (medische) noodzaak, maar uit het
                        oogpunt van een specifieke individuele wens. Niet de ondervonden beperking,
                        maar de verhuizing naar een andere, mindere of ongeschikte woning is dan de
                        voornaamste oorzaak van de ondervonden problemen. Uitzondering in deze
                        bepaling is de zogeheten ‘belangrijke reden’. Daarbij kan gedacht worden aan
                        een verhuizing vanwege samenwoning, huwelijk of het aanvaarden van werk
                        elders.</al><al>Ad f.</al><al>Er wordt bij een persoon met beperkingen die verhuist, vanuit gegaan dat hij
                        zoekt en verhuist naar een woning die in relatie tot die beperkingen zo
                        geschikt mogelijk is. Het is niet de bedoeling dat deze persoon verhuist
                        naar een ongeschikte woning en vervolgens een aanvraag voor een
                        maatwerkvoorziening in het kader van wonen bij de gemeente indient. Met het
                        begrip ‘verhuizen’ wordt hier overigens niet alleen gedoeld op een
                        feitelijke verhuizing, maar ook op alle onomkeerbare handelingen die normaal
                        gesproken voorafgaan aan een verhuizing, zoals het tekenen van een koop-/
                        huur- of erfpachtcontract, waarin wordt bepaald dat het gaat om een situatie
                        waarin men in de betreffende woning zijn hoofdverblijf heeft of zal
                        hebben.</al><al>Ad g.</al><al>Er is geen aanleiding om het begrip ‘normale gebruik van de woning’ onder de
                        Wmo anders uit te leggen dan onder de Wmo 2007 (en daarvoor de Wvg). Om deze
                        reden is deze bepaling opgenomen in deze verordening. Het uitrustingsniveau
                        voor sociale woningbouw is vastgesteld in het Bouwbesluit 2012 dan wel zijn
                        opvolgers. Woonvoorzieningen die op dat uitrustingsniveau worden verstrekt,
                        zijn in beginsel van voldoende kwaliteit: duurdere of andere voorzieningen
                        hoeven niet te worden verstrekt. Een duidelijke begrenzing derhalve. Garages
                        vallen bijvoorbeeld niet onder dit uitrustingsniveau. Ook bij de
                        maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden speelt deze bepaling een rol.
                        Indien bijvoorbeeld aanzienlijk meer hulp wordt gevraagd vanwege het feit
                        dat men in een veel grotere of meer luxe woning woont, geeft deze bepaling
                        een duidelijke grens aan.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Beschikking</titel></kop><al>De cliënt moet op basis van de beschikking die hij ontvangt de informatie
                        krijgen die nodig is om zijn rechtspositie te bepalen en te begrijpen.
                        Hiervoor is nodig dat de beschikking de cliënt goed en volledig informeert.
                        In dit artikel zijn de essentialia opgenomen die in ieder geval in de
                        beschikking moeten worden opgenomen.</al><al>In het tweede lid onder a en derde lid onder a wordt met het beoogde
                        resultaat als voorbeeld bedoeld ‘zelfstandig kunnen verplaatsen in de
                        directe woonomgeving’ in plaats ‘een scootmobiel’.</al><al>In het derde lid onder d valt onder ‘duur’ ook de termijn waarop een
                        voorziening economisch is afgeschreven.</al><al>Het vierde lid dient uitsluitend ter informatie aan de cliënt. Het college
                        neemt niet de hoogte van de bijdrage in de kosten in de beschikking op. Dat
                        loopt immers via het Centraal Administratiekantoor (CAK), evenals de
                        mogelijkheid van bezwaar en beroep daartegen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Persoonsgebonden budget</titel></kop><al>Het college verstrekt op grond van artikel 2.3.6 van de wet een pgb, als aan
                        alle wettelijke voorwaarden daartoe is voldaan. Van belang is dat een pgb
                        alleen wordt verstrekt indien de cliënt dit gemotiveerd vraagt (zie artikel
                        2.3.6, tweede lid, onder b).</al><al>Met behoud van de motivatie-eis wordt geborgd dat duidelijk is dat het de
                        beslissing van de aanvrager zelf is om een pgb aan te vragen (zie de
                        toelichting op amendement Voortman c.s., Kamerstukken II 2013/14, 33 841,
                        nr. 103).</al><al>In de volgende leden wordt gehoor gegeven aan artikel 2.1.3, tweede lid,
                        onder b, van de wet.</al><al>De hoogte van het pgb voor een zaak wordt bepaald aan de hand van en tot een
                        maximum van de kostprijs van de in de situatie van de cliënt goedkoopst
                        compenserende voorziening in natura en wordt geacht voldoende te zijn voor
                        de aanschaf daarvan. Voor zover dit geen onderdeel is van het pgb, kan het
                        bedrag worden aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en
                        verzekering.</al><al>In de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz.
                        39) is vermeld dat de gemeente bijvoorbeeld kan bepalen dat het pgb niet
                        hoger mag zijn dan een percentage van de kosten die voor de gemeente
                        verbonden zijn aan het verlenen van adequate ondersteuning in natura.
                        Gemeenten hebben daarmee ook de mogelijkheid om differentiatie aan te
                        brengen in de hoogte van het pgb. Gemeenten kunnen verschillende tarieven
                        hanteren voor verschillende vormen van ondersteuning en voor verschillende
                        typen hulpverleners. Een aanvraag voor een pgb kan geweigerd worden voor
                        zover de kosten van het pgb hoger zijn dan de kosten van de
                        maatwerkvoorziening (artikel 2.3.6, vijfde lid, onder a, van de wet). De
                        situatie waarin het door de cliënt beoogde aanbod duurder is dan het aanbod
                        van het college betekent dus niet bij voorbaat dat het pgb om die reden
                        geheel geweigerd kan worden. Cliënten kunnen zelf bijbetalen wanneer het
                        tarief van de door hen gewenste aanbieder duurder is dan het door het
                        college voorgestelde aanbod. Het college kan het pgb slechts weigeren voor
                        dat gedeelte dat duurder is dan het door het college voorgestelde aanbod.
                        Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen doordat de gemeente vanwege
                        inkoopvoordelen maatwerkvoorzieningen al snel goedkoper zal kunnen leveren
                        dan wanneer iemand zelf ondersteuning inkoopt met een pgb. Daarbij kan
                        gedacht worden aan vervoers- of opvangvoorzieningen<cursief>.</cursief></al><al>Een pgb is gemiddeld genomen ook goedkoper dan zorg in natura omdat er
                        minder overheadkosten hoeven te worden meegerekend. De maximale hoogte van
                        een pgb is in de verordening begrensd op de kostprijs van de in de
                        betreffende situatie goedkoopst adequate door het college ingekochte
                        maatwerkvoorziening in natura.</al><al>Ten aanzien van het vijfde lid is van belang dat in de nota naar aanleiding
                        van het verslag (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 34) de regering heeft
                        aangegeven dat onder dit sociale netwerk ook mantelzorgers kunnen vallen. De
                        regering is van mening dat de beloning van het sociale netwerk in elk geval
                        beperkt moet blijven tot die gevallen waarin het de gebruikelijke hulp
                        overstijgt en dit aantoonbaar tot betere en effectievere ondersteuning leidt
                        en aantoonbaar doelmatiger is. Overeenkomstig de huidige Wmo-praktijk met
                        betrekking tot informele hulp wordt hierbij in ieder geval gedacht aan
                        diensten (zorg van mantelzorgers bijvoorbeeld). Informele hulp bij
                        hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen is minder goed
                        denkbaar. Ingeval ook hiervoor een pgb wordt aangevraagd is voor gemeenten
                        van belang dat op grond van artikel 2.3.6, tweede lid onder c van de wet,
                        slechts een pgb wordt verstrekt indien naar het oordeel van het college is
                        gewaarborgd dat de in te kopen diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en
                        andere maatregelen veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt.
                        Bij het beoordelen van de kwaliteit als bedoeld in artikel 2.3.6, tweede
                        lid, onder c, van de wet weegt het college mee of de diensten, hulpmiddelen,
                        woningaanpassingen en andere maatregelen in redelijkheid geschikt zijn voor
                        het doel waarvoor het persoonsgebonden budget wordt verstrekt (artikel
                        2.3.6, derde lid, van de wet).</al><al>In het zesde lid is geconcretiseerd welke termijn is verbonden aan de
                        besteding van het persoonsgebonden budget. Dit dient de rechtszekerheid en
                        voorkomt de situatie waarin het recht oneindig open zou moeten staan.</al><al>In het tiende lid is bepaald dat de wijze waarop de hoogte van een pgb tot
                        stand komt, alsmede de voorwaarden waaronder het persoonsgebonden budget
                        verstrekt wordt, door het college bij besluit in nadere regels zal worden
                        vastgesteld.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Controle</titel></kop><al>Op grond van artikel 2.3.6 vierde lid van de wet worden in deze verordening
                        regels gesteld over de bestrijding van ten onrechte ontvangen van
                        maatwerkvoorzieningen of persoonsgebonden budget alsmede van misbruik of
                        oneigenlijk gebruik van de wet. Essentieel is dat het college periodiek
                        controles uitvoert naar het gebruik en de besteding van voorzieningen op
                        grond van deze wet.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of
                            terugvordering</titel></kop><al>Deze bepaling geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, vierde lid, van de wet,
                        waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval regels worden gesteld
                        voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een
                        maatwerkvoorziening, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de
                            wet<cursief>.</cursief></al><al>Voor de bepalingen in het eerste, tweede en vierde lid, geldt dat de
                        verplichtingen al voortvloeien uit de wet, concreet de artikelen 2.3.8,
                        2.3.10 en 2.4.1.Met opname van deze wettekst in de verordening
                        wordt beoogd een compleet beeld te geven van de regels voor de bestrijding
                        van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening, alsmede van
                        misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet.</al><al>Het derde lid is een ‘kan’-bepaling. Een pgb wordt verstrekt met de
                        bedoeling dat men daarmee een voorziening treft. Als binnen zes maanden na
                        de beslissing tot het verstrekken van het pgb nog geen voorziening is
                        getroffen, heeft het college de bevoegdheid om de beslissing geheel of
                        gedeeltelijk in te trekken. Deze bepaling is te zien als een verbijzondering
                        van de bepaling in het tweede lid, onder e.</al><al>In artikel 2.4.1 tot en met 2.4.4 van de wet zijn regels voor het verhaal
                        van kosten opgenomen en is de bevoegdheid aan het college gegeven tot het
                        (in geldswaarde) terugvorderen van een ten onrechte verstrekte
                        maatwerkvoorziening of. Hierbij is tevens bepaald dat het college het terug
                        te vorderen bedrag bij dwangbevel kan invorderen. Uit de memorie van
                        toelichting op artikel 2.4.1 (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz.
                        157) wordt duidelijk dat daarnaast de mogelijkheid blijft bestaan om
                        maatwerkvoorzieningen terug te vorderen; ‘omdat het niet in alle gevallen
                        mogelijk is een al genoten maatwerkvoorziening terug te vorderen, kan het
                        college de waarde van de genoten maatwerkvoorziening uitdrukken in een
                        bedrag dat voor terugvordering in aanmerking komt<cursief>.’</cursief></al><al>In het vijfde en zesde lid zijn dan ook bepalingen opgenomen die het college
                        de bevoegdheid geven tot terugvordering van in eigendom en in bruikleen
                        verstrekte voorzieningen.</al></divisie><divisie><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4:</nr><titel>Bijdrage in de kosten</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Bijdrage in de kosten</titel></kop><al>In het eerste lid is de mogelijkheid benut dat van cliënten een bijdrage in
                        de kosten gevraagd worden voor maatwerkvoorzieningen alsmede voor algemene
                        voorzieningen, niet zijnde cliëntondersteuning. Bij een maatwerkvoorziening
                        is een bijdrage in de kosten verschuldigd zolang de cliënt gebruik maakt van
                        de voorziening of gedurende de periode waarvoor het pgb wordt
                        verstrekt.</al><al>In het tweede lid is de mogelijkheid van artikel 2.1.5 in de wet benut, om
                        voor een maatwerkvoorziening ten behoeve van een woningaanpassing, de
                        bijdrage ook aan de ouders van minderjarige cliënten op te leggen.</al><al>De regels die hiervoor door het college worden gesteld zullen overeenkomstig
                        de bedragen percentages van het uitvoeringsbesluit (Algemene maatregel van
                        Bestuur) zijn. </al></divisie><divisie><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5:</nr><titel>Kwaliteit en veiligheid</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning</titel></kop><al>Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel
                        2.1.3, tweede lid, onder c, van de wet, waarin is bepaald dat in de
                        verordening in ieder geval wordt bepaald welke eisen worden gesteld aan de
                        kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van
                        beroepskrachten daaronder begrepen<cursief>.</cursief></al><al>De regering legt de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van voorzieningen
                        bij de gemeente en de aanbieder. Het is aan de gemeente om in de verordening
                        te bepalen welke kwaliteitseisen worden gesteld aan aanbieders van
                        voorzieningen. Die eisen zullen ook betrekking kunnen hebben op de
                        deskundigheid van het in te schakelen personeel. De regering benadrukt in de
                        memorie van toelichting op artikel 2.1.3, tweede lid, onder c, van de wet
                        (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3) dat de kwaliteitseisen die zijn
                        vervat in de artikelen 3.1 e.v. van de wet en die zich rechtstreeks tot
                        aanbieders richten, daarbij uitgangspunt zijn. De eis dat een voorziening
                        van goede kwaliteit wordt verleend, biedt veel ruimte voor de gemeenten om
                        in overleg met organisaties van cliënten en aanbieders te werken aan
                        kwaliteitsstandaarden voor de ondersteuning.</al><al>In het eerste lid is een aantal voor de hand liggende kwaliteitseisen
                        uitgewerkt. Deze zijn tevens aan bod gekomen en uitgewerkt in de diverse
                        aanbesteding(en). Het in het tweede lid genoemde jaarlijkse
                        cliëntervaringsonderzoek is verplicht op grond van artikel 2.5.1, eerste
                        lid, van de wet.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door
                            derden</titel></kop><al>Het college kan de uitvoering van de wet op grond van artikel 2.6.4, eerste
                        lid van de wet, met uitzondering van de vaststelling van de rechten en
                        plichten van de cliënten, door aanbieders laten verrichten.</al><al>Met het oog op gevallen waarin dit ten aanzien van een voorziening gebeurt,
                        worden bij verordening regels worden gesteld ter waarborging van een goede
                        verhouding tussen de prijs voor de levering van een voorziening en de eisen
                        die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan (artikel 2.6.6, eerste lid, van
                        de wet). Daarbij wordt in ieder geval rekening gehouden met de deskundigheid
                        van de beroepskrachten en de arbeidsvoorwaarden<cursief>. </cursief>Om te
                        voorkomen dat alleen gekeken wordt naar de laagste prijs voor de uitvoering
                        worden in dit artikel een aantal andere aspecten genoemd waarmee het college
                        bij het vaststellen van tarieven (naast de prijs) rekening dient te houden.
                        Hiermee wordt bereikt dat een beter beeld ontstaat van reële kostprijs voor
                        de activiteiten die zij door aanbieders willen laten uitvoeren. Uitgangspunt
                        is dat de aanbieder kundig personeel inzet tegen de arbeidsvoorwaarden die
                        passen bij de vereiste vaardigheden. Hiervoor is ten minste een beeld nodig
                        van de vereiste activiteiten en de arbeidsvoorwaarden die daarbij horen. Dit
                        biedt een waarborg voor werknemers dat hun werkzaamheden aansluiten bij de
                        daarvoor geldende arbeidsvoorwaarden.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Meldingsregeling calamiteiten en geweld</titel></kop><al>In artikel 3.4, eerste lid, van de wet is bepaald dat de aanbieder bij de
                        toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1 van de wet onverwijld
                        melding doet van iedere calamiteit die bij de verstrekking van een
                        voorziening heeft plaatsgevonden en van geweld bij de verstrekking van een
                        voorziening. In artikel 6.1 van de wet is bepaald dat het college personen
                        aanwijst die zijn belast met het houden van toezicht op de naleving van het
                        bepaalde bij of krachtens de wet.</al><al>In aanvulling op het bovenstaande regelt dit artikel dat er door het college
                        een regeling wordt opgesteld over het doen van meldingen en dat de
                        toezichthoudend ambtenaar deze meldingen onderzoekt en het college adviseert
                        over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld.
                        Overeenkomstig het vierde lid kan het college bij nadere regeling bepalen
                        welke verdere eisen gelden voor het melden van calamiteiten en geweld bij de
                        verstrekking van een voorziening.</al></divisie><divisie><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>6:</nr><titel>Waardering mantelzorgers</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Jaarlijkse waardering mantelzorgers</titel></kop><al>Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel
                        2.1.6 van de wet. Hierin is opgenomen dat bij verordening wordt bepaald op
                        welke wijze het college zorg draagt voor een jaarlijkse blijk van waardering
                        voor de mantelzorgers van cliënten in de gemeente. Artikel 2.1.6 stelt dat
                        het moet gaan om mantelzorgers van cliënten in de gemeente. Artikel 1.1.1
                        van de wet definieert een cliënt als een persoon die gebruik maakt van een
                        algemene voorziening, maatwerkvoorziening of pgb, of door of namens wie een
                        melding is gedaan. Het gaat dus ook om mantelzorgers van cliënten die een
                        hulpvraag hebben aangemeld, ook al is daar geen voorziening op basis van
                        deze wet uitgekomen. Voorts is de woonplaats van de cliënten bepalend, zodat
                        het dus ook mantelzorgers kan betreffen die in andere gemeenten wonen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>19a.</nr><titel>Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronisch
                            probleem</titel></kop><al>Het college zal in de nadere regels/besluit maatschappelijke ondersteuning
                        bepalen onder welke voorwaarden belanghebbenden met een chronische beperking
                        en daarmee verband houdende aanmerkelijke meerkosten hebben, in aanmerking
                        kunnen komen voor een tegemoetkoming. Hier valt ook een eventuele
                        tegemoetkoming onder voor het wegvallen van de Wet tegemoetkoming chronisch
                        zieken en gehandicapten (Wtcg) en de Compensatieregeling eigen risico
                        (Cer).</al></divisie><divisie><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>7:</nr><titel>Klachten, medezeggenschap en inspraak</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Klachtregeling</titel></kop><al>In dit artikel is een bepaling over klachten ten aanzien van aanbieders
                        opgenomen. Een dergelijke bepaling is verplicht op grond van artikel 2.1.3,
                        tweede lid, onder e, van de wet, waarin is bepaald datin de
                        verordening in ieder geval wordt bepaald ten aanzien van welke voorzieningen
                        een regeling voor de afhandeling van klachten van cliënten is vereist. De
                        aanbieder is ten aanzien van de in de verordening genoemde voorzieningen
                        verplicht een klachtregeling op te stellen (artikel 3.2, eerste lid, onder
                        a, van de wet).</al><al>In de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz.
                        57-58) staat dat cliënten in beginsel moeten kunnen klagen over alles wat
                        hen niet aanstaat in de manier waarop zij zich bejegend voelen. De cliënt
                        kan ontevreden zijn over het gedrag van een gemeenteambtenaar, bijvoorbeeld
                        over de wijze waarop een gesprek is gevoerd of over diens (vermeende) gebrek
                        aan deskundigheid. Is de cliënt niet tevreden over een gedraging van de
                        aanbieder, dan kan het ook gaan om bijvoorbeeld de kwaliteit van de
                        geleverde maatschappelijke ondersteuning (in verband met de deskundigheid
                        van de medewerker of een bepaalde houding of uitlating, gebrekkige
                        communicatie of (on)bereikbaarheid van de aanbieder).</al><al>Het ligt voor de hand dat cliënten die zich benadeeld voelen zo veel
                        mogelijk deze klacht eerst bij de betreffende aanbieder deponeren. Zij
                        moeten erop kunnen vertrouwen dat de aanbieder de klacht snel in behandeling
                        neemt en de klacht ook snel afhandelt. Daar waar de afhandeling niet naar
                        wens is, staat de weg naar de gemeente voor het indienen van de klacht
                        open.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Betrekken van ingezetenen bij beleid</titel></kop><al>Deze bepaling geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, derde lid, van de
                        wet.</al><al>In het eerste lid is verwezen naar de krachtens artikel 150 van de
                        Gemeentewet vastgestelde inspraakverordening. Op deze manier wordt
                        gewaarborgd dat er eenzelfde inspraakprocedure geldt voor het Wmo-beleid als
                        op andere terreinen. De inspraak geldt voor alle ingezetenen. Dit is
                        uitdrukkelijk de bedoeling van de wetgever, omdat iedereen op enig moment
                        aangewezen kan raken op ondersteuning.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr><titel>Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke
                            ondersteuning</titel></kop><al>Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, tweede lid, onder f, van de
                        wet, waarin is bepaald datin ieder geval moet worden bepaald ten
                        aanzien van welke voorzieningen een regeling voor medezeggenschap van
                        cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de
                        gebruikers van belang zijn, vereist is. In dit artikel gaat het dus om
                        medezeggenschap van cliënten tegenover de aanbieder. Voorheen moest de
                        aanbieder voldoen aan de in de Wet klachtrecht cliënten en de Wet
                        medezeggenschap cliënten zorginstellingen (Wmcz) gestelde regels. Onder de
                        Wmcz werd inspraak tegenover de aanbieder reeds verwezenlijkt via de
                        cliëntenraad. Onder de Wmo 2015 is het stellen van regels geheel aan
                        gemeenten overgelaten.</al><al>In dit artikel is dit uitgewerkt door te bepalen dat aanbieders een regeling
                        voor medezeggenschap dienen vast te stellen. De aanbieder is ten aanzien van
                        de in de verordening genoemde voorzieningen verplicht een
                        medezeggenschapsregeling op te stellen (artikel 3.2, eerste lid, onder b,
                        van de wet).</al></divisie><divisie><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>8:</nr><titel>Overgangsrecht en slotbepalingen</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>23.</nr><titel>Verantwoording</titel></kop><al>Het lokale financiële en uitvoeringsbeleid wordt jaarlijks verantwoord in de
                        gemeentelijke jaarrekening.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>24.</nr><titel>Nadere regels en hardheidsclausule</titel></kop><al>Juist omdat het in de Wmo om maatwerk gaat en er een zorgvuldige afweging
                        gemaakt wordt, is het overbodig om ook nog een afweging te maken of de
                        beslissing niet leidt tot onbillijkheden van overwegende aard. Bij de
                        afwegingen gaat het immers al om een zeer persoonlijke beoordeling. Het is
                        daarentegen wel noodzakelijk om een bepaling op te nemen, zoals in het
                        eerste lid. Voor de situaties waarin, de uitvoering van deze verordening
                        betreffend, deze verordening niet voorziet, beslist het college. Deze
                        bepaling kan als een soort van vangnet gezien worden. Wordt deze bepaling
                        vaker voor één onderwerp gebruikt dan kan men zich afvragen of het beleid
                        terzake niet aangepast zou moeten worden.</al><al>Het tweede lid bepaalt dat het college nadere regels stel over de uitvoering
                        van deze verordening: deze zullen terugkomen in het besluit en de
                        beleidsregels.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>25.</nr><titel>Intrekking oude verordening en overgangsrecht</titel></kop><al>De wet zelf bevat overgangsrecht voor cliënten die vanuit de AWBZ overgaan
                        naar de Wmo, zie de artikelen 8.1 tot en met 8.4 van de wet.</al><al>In dit artikel is het overgangsrecht op gemeentelijk niveau geregeld. In het
                        tweede lid is duidelijk gemaakt dat bestaande rechten doorlopen, totdat een
                        nieuwe beoordeling heeft plaatsgevonden.</al><al>In het derde lid is als hoofdregel neergelegd dat aanvragen die nog bij het
                        college in behandeling zijn, op grond van deze verordening beoordeeld zullen
                        worden.</al><al>In het vierde lid is als hoofdregel neergelegd dat beslissingen op
                        bezwaarschriften die nog in behandeling zijn, op grond van de vorige
                        Verordening voorzieningen Wmo Voerendaal 2011 zullen worden beoordeeld. </al><al>Voor de volledigheid is in het vijfde lid opgenomen dat een cliënt tot
                        uiterlijk 01 januari 2016 recht houdt op een, op grond van de AWBZ
                        verstrekte, voorziening, voor zover deze vanaf 01 januari 2015 onder de Wmo
                        valt. Indien de indicatietermijn van deze voorziening afloopt in het jaar
                        2015, is deze datum uiteraard ook in het kader van de Wmo de einddatum en
                        zal indien nodig en door cliënt gewenst, een herbeoordeling
                        plaatsvinden.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>26.</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><al>Dit artikel bepaalt de inwerkingtreding van deze verordening en legt vast
                        hoe de verordening dient te worden aangehaald.</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>