<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--
      meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR378839_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Uitvoeringsbesluit Maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp gemeente Ommen 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Ommen</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-02-28</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Ommen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad, 09-10-2015</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Uitvoeringsbesluit Maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp gemeente Ommen 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 156, Verordening maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp gemeente Ommen 2015, art. 2, lid 3 en 4, art. 6, art. 10, lid 2, art. 13, art. 14, lid 2, art. 22</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">college van burgemeester en wethouders</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-09-29</dcterms:issued><dcterms:rights>
          De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
          databankrecht
        </dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-09-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2016-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>1407743</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Uitvoeringsbesluit Maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp gemeente Ommen
                2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Burgemeester en wethouders van de gemeente Ommen ,</al><al/><al>Gelet op artikel 156 van de Gemeentewet;</al><al>Gelet op de artikelen 2, derde en vierde lid, 6, 10, tweede lid, artikel 13,
                        artikel 14, tweede lid en artikel 22 van de “Verordening maatschappelijke
                        ondersteuning en Jeugdhulp gemeente Ommen 2015”</al><al/><al>Overwegende dat op grond van bovengenoemde artikelen het college nadere
                        regels kan stellen;</al><al/><al><vet>BESLUITEN:</vet></al><al/><al>Vast te stellen het <cursief>“ Uitvoeringsbesluit Maatschappelijke
                            ondersteuning en Jeugdhulp gemeente Ommen 2015”</cursief></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al><vet>In dit besluit wordt verstaan onder:</vet></al><lijst><li nr="a."><al><cursief>gesprek: </cursief>gesprek in het kader van het
                                    onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid van de Wet
                                    maatschappelijke ondersteuning, dan wel ter uitvoering van
                                    artikel 2.9, onder a van de Jeugdwet ;</al></li><li nr="b."><al><cursief>melding:</cursief> kenbaar maken van de hulpvraag aan
                                    het college als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid van de Wet
                                    maatschappelijke ondersteuning, dan wel ter uitvoering van
                                    artikel 2.9, onder a van de Jeugdwet ;</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Melding hulpvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een hulpvraag kan door of namens een cliënt, dan wel door een
                                jeugdige en ouder(s)<noot id="d802e117"><noot.nr> 1
                                        </noot.nr><noot.al>Onder ouder(s) wordt in dit besluit verstaan: gezaghebbende
                                        ouder, adoptiefouder, stiefouder of een ander die een
                                        jeugdige als behorend tot zijn gezin verzorgt en opvoedt,
                                        niet zijnde een pleegouder.</noot.al></noot>, bij het college worden gemeld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college bevestigt de ontvangst van een melding schriftelijk
                                binnen twee werkdagen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Vooronderzoek</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verzamelt alle voor het onderzoek van belang zijnde en
                                toegankelijke gegevens over de cliënt of de jeugdige en zijn
                                situatie en maakt binnen vijf werkdagen met hem een afspraak voor
                                een gesprek. Wanneer het een hulpvraag betreft in het kader van de
                                Jeugdwet brengt het college de jeugdige en zijn ouder(s) op de
                                hoogte van de mogelijkheid om binnen een redelijke termijn een
                                familiegroepsplan als bedoeld in artikel 1.1 van deze wet op te
                                stellen. Als de jeugdige en zijn ouder(s) daarom verzoeken draagt
                                het college zorg voor ondersteuning bij het opstellen van een
                                familiegroepsplan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor het gesprek verschaft de cliënt of de jeugdige of zijn ouder(s)
                                het college alle overige gegevens en bescheiden die naar het oordeel
                                van het college voor het onderzoek nodig zijn en waarover hij
                                redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. De cliënt of de jeugdige
                                of zijn ouder(s) verstrekken in ieder geval een
                                identificatiedocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de
                                identificatieplicht ter inzage.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college is bevoegd om, voor zover dit van belang kan zijn voor
                                het onderzoek, degene door of namens wie een aanvraag is ingediend
                                of bij gebruikelijke hulp diens relevante huisgenoten: </al><lijst><li nr="a."><al>te verzoeken in persoon te verschijnen op een door het
                                        college te bepalen plaats en tijdstip en hem te
                                        bevragen;</al></li><li nr="b."><al>op een door het college te bepalen plaats en tijdstip door
                                        een of meer deskundigen te doen bevragen en/of
                                        onderzoeken</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als de cliënt of de jeugdige genoegzaam bekend is bij de gemeente,
                                kan het college in overeenstemming met de cliënt of de jeugdige of
                                zijn ouder(s) afzien van een vooronderzoek als bedoeld in het tweede
                                lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Verslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college zorgt voor schriftelijke verslaglegging van het
                                onderzoek (ook ondersteuningsplan genoemd), bestaande uit hetgeen in
                                het vooronderzoek bedoeld in artikel3, en uit het gesprek, bedoeld
                                in artikel 9, respectievelijk 22, naar voren is gekomen .</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Binnen uiterlijk vijf werkdagen na het gesprek verstrekt het college
                                aan de cliënt, dan wel aan de jeugdige of zijn ouder(s) een verslag
                                van de uitkomsten van het onderzoek.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Opmerkingen of latere aanvullingen van de cliënt of de jeugdige of
                                zijn ouder(s) worden aan het verslag toegevoegd</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Aanvraag, verantwoording en beëindiging pgb</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij de aanvraag om een pgb dient de aanvrager een persoonlijk
                                budgetplan in, waaruit blijkt wat de kwaliteit van de ondersteuning
                                zal zijn en hoe het beheer van het pgb wordt uitgevoerd. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De budgethouder is verplicht: </al><lijst><li nr="a."><al>aan de Sociale Verzekeringsbank de zorgovereenkomst tussen
                                        de budgethouder en de zorgverlener te verstrekken;:</al></li><li nr="b."><al>andere documenten te verstrekken, indien dit in de
                                        beschikking is vermeld.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Tot maximaal vijf jaar na uitbetaling van het persoonsgebonden
                                budget moet de ontvanger van het persoonsgebonden budget rekening
                                houden met controle door het college naar de besteding van het
                                persoonsgebonden budget en moet de belanghebbende de hiervoor van
                                belang zijnde stukken beschikbaar houden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het persoonsgebonden budget wordt beëindigd:</al><lijst><li nr="a."><al>op de eerste dag van de maand volgend op de maand dat
                                        belanghebbende is overleden, dan wel niet langer staat
                                        ingeschreven in de Gemeentelijke Basis Administratie van de
                                        gemeente Ommen;</al></li><li nr="b."><al> met ingang van de dag waarop belanghebbende langer dan zes
                                        weken verblijft in een instelling als bedoeld in de Wet
                                        langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet;</al></li><li nr="c."><al>met ingang van de dag vanaf welke belanghebbende heeft
                                        aangegeven geen prijs meer te stellen op het verstrekte
                                        persoonsgebonden budget.</al></li><li nr="d."><al>Indien de budgethouder de verplichtingen niet nakomt.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Afwegingskader voor verstrekking pgb ten behoeve van een persoon
                                die behoort tot het sociaal netwerk</titel></kop><al>Bij het verstrekken van een pgb om een maatwerkvoorziening dan wel
                            een individuele voorziening te betrekken van een persoon die behoort tot
                            het sociaal netwerk van de cliënt of jeugdige en/of ouder(s) worden de
                            volgende afwegingsfactoren gehanteerd:</al><lijst><li nr="1."><al>wanneer er sprake is dat de gevraagde voorziening al vanuit de
                                    sociale relatie van de aanvrager wordt geleverd of als redelijk
                                    vanzelfsprekend kan worden beschouwd dat deze vanuit de sociale
                                    relatie wordt geleverd, kan een pgb worden geweigerd;</al></li><li nr="2."><al>degene die de voorziening levert dient de gevraagde voorziening
                                    te leveren zonder dat er sprake is van overbelasting. Het type
                                    hulp, de frequentie van de geboden hulp, de duur van de hulp en
                                    de mate van verplichting zijn hierin van belang;</al></li><li nr="3."><al>degene die de voorziening levert dient op geen enkele wijze druk
                                    op de cliënt of jeugdige en of ouder(s) uit te oefenen bij zijn
                                    besluit om een pgb aan te vragen;</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Maatschappelijke ondersteuning</titel></kop><structuurtekst><al><vet><cursief>De artikelen van deze paragraaf hebben uitsluitend
                                    betrekking op de invulling van de plicht tot ondersteuning,
                                    zoals bedoeld in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015
                                </cursief></vet></al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al><vet> In deze paragraaf wordt verstaan onder:</vet></al><al><cursief>P</cursief><cursief>ersoonlijk
                            plan:</cursief> plan waarin de cliënt de
                            omstandigheden, bedoeld in artikel 2.3.2, vierde lid, onderdelen a tot
                            en met g van de Wet maatschappelijke ondersteuning, beschrijft en
                            aangeeft welke maatschappelijke ondersteuning naar zijn mening het meest
                            is aangewezen.</al><al><cursief>Herverstrekking:</cursief> verstrekking van een eerder
                            gebruikte voorziening</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Indienen persoonlijk plan</titel></kop><al>In aanvulling op hetgeen in artikel 3 is bepaald brengt het college de
                            cliënt op de hoogte van de mogelijkheid om een persoonlijk plan als
                            bedoeld in artikel 2.3.2, tweede lid, van de Wet maatschappelijke
                            ondersteuning op te stellen en stelt hem gedurende zeven dagen na de
                            melding in de gelegenheid het plan te overhandigen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Gesprek</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college onderzoekt in een gesprek tussen degene door of namens
                                wie de melding is gedaan, dan wel diens vertegenwoordiger en waar
                                mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers, desgewenst familie en
                                deskundigen, zo spoedig mogelijk en voor zover nodig:</al><lijst><li nr="a."><al>de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de
                                        cliënt;</al></li><li nr="b."><al>het gewenste resultaat van het verzoek om
                                        ondersteuning;</al></li><li nr="c."><al>de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke
                                        hulp of algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn
                                        zelfredzaamheid of zijn participatie te handhaven of te
                                        verbeteren, of te voorkomen dat hij een beroep moet doen op
                                        een maatwerkvoorziening;</al></li><li nr="d."><al>de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere
                                        personen uit zijn sociaal netwerk te komen tot verbetering
                                        van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, of te
                                        voorkomen dat hij een beroep moet doen op een
                                        maatwerkvoorziening;</al></li><li nr="e."><al>de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de
                                        mantelzorger van de cliënt;</al></li><li nr="f."><al>de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene
                                        voorziening, zoals opgenomen in het beleidsplan, bedoeld in
                                        artikel 2.1.2 van de Wet maatschappelijke ondersteuning, of
                                        door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten
                                        te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn
                                        participatie, of te voorkomen dat hij een beroep moet doen
                                        op een maatwerkvoorziening;</al></li><li nr="g."><al>de mogelijkheden om door middel van voorliggende
                                        voorzieningen of door samen met zorgverzekeraars en
                                        zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en
                                        andere partijen op het gebied van publieke gezondheid,
                                        jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te
                                        voorzien in de behoefte aan maatschappelijke
                                        ondersteuning;</al></li><li nr="h."><al>de mogelijkheid om een maatwerkvoorziening te
                                        verstrekken;</al></li><li nr="i."><al>welke bijdragen in de kosten de cliënt met toepassing van
                                        het bepaalde bij of krachtens artikel 2.1.4 van de Wet
                                        maatschappelijke ondersteuning verschuldigd zal zijn,
                                        en</al></li><li nr="j."><al>de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een
                                        pgb, waarbij de cliënt, eventueel in het bijzijn van de
                                        ouder(s), of zijn gemachtigde of vertegenwoordiger, in
                                        begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de gevolgen
                                        van die keuze. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als de cliënt een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 8 aan het
                                college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het
                                onderzoek, bedoeld in het eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college informeert de cliënt over de gang van zaken bij het
                                gesprek, diens rechten en plichten en de vervolgprocedure en vraagt
                                de cliënt toestemming om zijn persoonsgegevens te verwerken en te
                                verstrekken aan andere instanties, voor zover noodzakelijk voor de
                                afhandeling van de melding.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als de hulpvraag genoegzaam bekend is, kan het college onverminderd
                                het bepaalde in artikel 2.3.2. van de Wet maatschappelijke
                                ondersteuning, in overleg met de cliënt afzien van een gesprek.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een cliënt of zijn gemachtigde of vertegenwoordiger dient een
                                aanvraag om een maatwerkvoorziening schriftelijk in bij het
                                college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college merkt een ondertekend verslag van het gesprek aan als
                                aanvraag als de cliënt dat op het verslag heeft aangegeven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Advisering</titel></kop><al>Het college kan een door haar daartoe aangewezen adviesinstantie om
                            advies vragen als het dit van belang acht voor de beoordeling van de
                            aanvraag om een maatwerkvoorziening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Aanvullende criteria voor opvang en beschermd wonen</titel></kop><al><cursief>De bepalingen van dit artikel zijn aanvullend op hetgeen is
                                vermeld in artikel 7, lid 1 onder b van de Verordening
                                maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp.</cursief></al><al/><lijst><li nr="1."><al>Een cliënt kan in aanmerking komen voor opvang als:</al><lijst><li nr="a."><al>hij feitelijk of residentieel dakloos is en niet in
                                            staat is zich op eigen kracht te handhaven in de
                                            samenleving;</al></li><li nr="b."><al>hij de situatie van dakloosheid en het niet in staat
                                            zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving
                                            – niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met
                                            mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn
                                            sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene
                                            voorzieningen of andere maatwerkvoorzieningen gericht op
                                            het bevorderen van de participatie en zelfredzaamheid in
                                            voldoende mate kan verminderen of wegnemen;</al></li><li nr="c."><al>opvang een passende, noodzakelijke en tijdelijke
                                            bijdrage levert aan het voorkomen van dakloosheid, het
                                            psychosociaal functioneren, voorkomen van verwaarlozing
                                            of maatschappelijke overlast en/of het afwenden van
                                            gevaar voor de cliënt of anderen en de behoefte van de
                                            cliënt met als doel het realiseren van een situatie
                                            waarin de cliënt in staat wordt gesteld zich zo snel
                                            mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de
                                            samenleving.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Een cliënt (alsmede eventuele kinderen van deze cliënt) kan in
                                    aanmerking komen voor opvang als:</al><lijst><li nr="a."><al>deze de thuissituatie heeft verlaten, in verband met
                                            risico’s voor de veiligheid van deze cliënt (en/of de
                                            kinderen van deze cliënt) als gevolg van huiselijk
                                            geweld, en de cliënt niet in staat is zich op eigen
                                            kracht te handhaven in de samenleving;</al></li><li nr="b."><al>deze de situatie – waarbij de cliënt de thuissituatie
                                            heeft verlaten, in verband met risico’s voor de
                                            veiligheid van de cliënt (en/of de kinderen van deze
                                            cliënt) als gevolg van huiselijk geweld - , niet op
                                            eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of
                                            met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk
                                            dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen of
                                            andere maatwerkvoorzieningen gericht op het bevorderen
                                            van de participatie en zelfredzaamheid in voldoende mate
                                            kan verminderen of wegnemen.</al></li><li nr="c."><al> opvang een passende, noodzakelijke en tijdelijke
                                            bijdrage levert aan het afwenden van gevaar voor de
                                            cliënt (en/of de kinderen van deze cliënt), voorkomen
                                            van dakloosheid, het psychosociaal functioneren,
                                            voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke overlast
                                            en de behoefte van de cliënt met als doel het realiseren
                                            van een situatie waarin de cliënt (en/of de kinderen van
                                            deze cliënt) in staat wordt gesteld zich zo snel
                                            mogelijk weer op eigen kracht en in een veilige situatie
                                            zich te handhaven in de samenleving. </al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Een cliënt kan in aanmerking komen voor beschermd wonen op grond
                                    van de Wmo 2015 als:</al><lijst><li nr="a."><al>hij psychische- of psychosociale problemen heeft en niet
                                            in staat is zich op eigen kracht te handhaven in de
                                            samenleving en</al></li><li nr="b."><al>hij de situatie van psychische of psychosociale
                                            problemen – met als gevolg het niet in staat zijn zich
                                            op eigen kracht te handhaven in de samenleving – niet op
                                            eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of
                                            met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk
                                            dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen of
                                            andere maatwerkvoorzieningen gericht op het bevorderen
                                            van de participatie en zelfredzaamheid in de
                                            thuissituatie in voldoende mate kan verminderen of
                                            wegnemen;</al></li><li nr="c."><al>beschermd wonen een passende en noodzakelijke bijdrage
                                            levert aan het bevorderen van de zelfredzaamheid en
                                            participatie, het psychisch en psychosociaal
                                            functioneren, stabilisatie van een psychiatrisch
                                            ziektebeeld, voorkomen van verwaarlozing of
                                            maatschappelijke overlast en/of het afwenden van gevaar
                                            voor de cliënt of anderen en daarbij voorziet in de
                                            behoefte van de cliënt met als doel het realiseren van
                                            een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld
                                            zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven
                                            in de samenleving. </al></li></lijst></li><li nr="4."><al>In spoedeisende gevallen, daaronder begrepen de gevallen waarin
                                    terstond opvang of beschermd wonen nodig is, al dan niet in
                                    verband met risico’s voor de veiligheid als gevolg van huiselijk
                                    geweld, beslist het college na een melding als bedoeld in
                                    artikel 2 van dit besluit onverwijld tot verstrekking van een
                                    tijdelijke maatwerkvoorziening voor opvang of beschermd wonen in
                                    afwachting van de uitkomst van het onderzoek, zoals bedoeld in
                                    artikel 2.3.2 van de wet en de aanvraag van de cliënt. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Hoogte van het pgb</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De hoogte van een pgb:</al><lijst><li nr="a."><al>is toereikend om veilige, doeltreffende en kwalitatief goede
                                        diensten, hulpmiddelen en andere maatregelen die tot de
                                        maatwerkvoorziening behoren , van derden te betrekken, en
                                        wordt indien nodig aangevuld met een vergoeding voor
                                        onderhoud en verzekering, en</al></li><li nr="b."><al>bedraagt niet meer dan de kostprijs van de in de betreffende
                                        situatie goedkoopst adequate voorziening in natura. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De hoogte van een pgb voor:</al><lijst><li nr="a."><al>een zaak wordt bepaald op ten hoogste de kostprijs van de
                                        zaak die de aanvrager op dat moment zou hebben ontvangen als
                                        de zaak in natura zou zijn verstrekt. Als de
                                        naturaverstrekking een tweedehands voorziening betreft,
                                        wordt de kostprijs daarop gebaseerd, met een looptijd gelijk
                                        aan de verkorte termijn waarop de zaak technisch is
                                        afgeschreven, rekening houdend met onderhoud en verzekering.
                                        Als de naturaverstrekking een nieuwe voorziening betreft
                                        wordt de kostprijs daarop gebaseerd, rekening houdend met
                                        een eventueel door de gemeente te ontvangen korting en
                                        rekening houdend met onderhoud en verzekering;</al></li><li nr="b."><al>individuele begeleiding door een niet daartoe opgeleid
                                        persoon die mantelzorger is of afkomstig is uit het sociale
                                        netwerk van de cliënt, wordt bepaald per uur op basis van
                                        het tarief per uur voor een niet professionele zorgverlener
                                        zoals in de AWBZ/ Wet langdurige zorg is vermeld; </al></li><li nr="c."><al>vervoer van en naar de dagbesteding wordt bepaald op basis
                                        van de kilometervergoeding die uitgaat van de dichtst bij de
                                        woning van de cliënt gelegen geschikte dagbestedingslocatie
                                        en/of de ernst van de beperking die het reizen met het
                                        openbaar vervoer door de cliënt belemmert.</al></li><li nr="d."><al>maatwerkvoorzieningen Wmo wordt bepaald op 82% van het
                                        natuara budget, dat berekend is volgens de regels van de
                                        raamovereenkomst sociaal contracteren.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de belanghebbende een met een persoonsgebonden budget
                                aangeschafte voorziening binnen de afschrijvingstermijn niet meer
                                gebruikt omdat deze niet meer adequaat is dan wordt de restwaarde
                                van de voorziening verrekend met een eventueel nieuw toe te kennen
                                persoonsgebonden budget.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Bijdrage voor maatwerkvoorzieningen of pgb's</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De bedragen per vier weken, de inkomensbedragen en de percentages
                                die gelden voor de berekening van de eigen bijdrage zijn gelijk aan
                                die genoemd in artikel 3.1, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit
                                Wmo 2015.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De bepalingen onder 2.1 tot en met 2. 8 zijn uitsluitend van
                                toepassing op voorzieningen die vóór 1 mei 2014 zijn verstrekt.</al><lijst><li nr="2.1"><al>De eigen bijdrage bedraagt bij een nieuwe voorziening nimmer
                                        meer dan de aanschafwaarde van de maatwerk voorziening,
                                        inclusief de kosten van onderhoud, reparatie en
                                        verzekering.</al><al>De eigen bijdrage bedraagt bij een herverstrekking nimmer
                                        meer dan de vastgestelde restwaarde van de
                                        maatwerkvoorziening, inclusief de kosten van onderhoud,
                                        reparatie en verzekering.</al></li><li nr="2.2"><al>Bij verstrekking van een nieuwe voorziening is maximaal
                                        gedurende een periode van zeven jaar een eigen bijdrage
                                        verschuldigd, tenzij de voorziening eerder wordt
                                        beëindigd.</al></li><li nr="2.3"><al>Bij herverstrekking is over een periode van drie jaar een
                                        eigen bijdrage verschuldigd, tenzij de voorziening eerder
                                        wordt beëindigd.</al></li><li nr="2.4"><al>Belanghebbende is gedurende de gehele periode dat hij de
                                        beschikking over de voorziening heeft een eigen bijdrage
                                        verschuldigd in de kosten van onderhoud, reparatie en
                                        verzekering.</al></li><li nr="2.5"><al>De onderhoudskosten kunnen jaarlijks geïndiceerd worden
                                        volgens de consumenten prijsindexcijfers (c.p.i .) alle
                                        huishoudens.</al></li><li nr="2.6"><al>Als grondslag voor het opleggen van een eigen bijdrage voor
                                        voorzieningen die vóór 1 oktober 2013 zijn verstrekt en bij
                                        herverstrekking worden als grondslag onderstaande bedragen
                                        (incl. BTW) gehanteerd:</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><tbody><row><entry><al><vet>Middel</vet></al></entry><entry><al><vet>Minimale nieuwprijs</vet></al></entry><entry><al><vet>Vastgestelde restwaarde</vet></al></entry></row><row><entry><al>B1 Scootmobiel klein</al></entry><entry><al>€ 2.166,57</al></entry><entry><al>€ 750,-</al></entry></row><row><entry><al>B2 Scootmobiel midden</al></entry><entry><al>€ 3.436,50</al></entry><entry><al>€ 1.000,-</al></entry></row><row><entry><al>B3 Scootmobiel groot</al></entry><entry><al>€ 4.180,--</al></entry><entry><al>€ 1.500,-</al></entry></row><row><entry><al>Scootmobielsafe</al></entry><entry><al>€ 3.000,--</al></entry><entry><al>€ 1.000,-</al></entry></row><row><entry><al>B4 Driewielfietsen</al></entry><entry><al>€ 1.277,50</al></entry><entry><al>€ 500,-</al></entry></row><row><entry><al>C6 Duofietsen</al></entry><entry><al>€ 2.040,48</al></entry><entry><al>€ 750,-</al></entry></row><row><entry><al>Handbike</al></entry><entry><al>€ 1.500,--</al></entry><entry><al>€ 500,-</al></entry></row><row><entry><al>D3 Douche en toiletstoel verrijdbaar</al></entry><entry><al>€ 458,64</al></entry><entry><al>€ 200,-</al></entry></row><row><entry><al>Spoel-föhninstallatie</al></entry><entry><al>€ 2.000,--</al></entry><entry><al>€ 750,-</al></entry></row><row><entry><al>Tillift </al></entry><entry><al>€ 3.187,50</al></entry><entry><al>€ 1.000,-</al></entry></row><row><entry><al>Traplift</al></entry><entry><al>€ 3.000,--</al></entry><entry><al>€ 1.500,-</al></entry></row><row><entry><al>Elektrische deuropener</al></entry><entry><al>€ 2.000,--</al></entry><entry><al>€ 750,-</al></entry></row><row><entry><al>Intercom</al></entry><entry><al>€ 1.100,--</al></entry><entry><al>€ 350,-</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Bij het vaststellen van de hierboven vermelde restwaarde is
                                        uitgegaan van een minimale levensduur van drie jaar.</al></li><li nr="2.7"><al>Als grondslag voor het opleggen van een eigen bijdrage
                                        worden onderstaande bedragen voor onderhoud, reparatie en
                                        verzekering op jaarbasis gehanteerd:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al><vet>Middel</vet></al></entry><entry><al><vet>Bedrag onderhoud, reparatie en </vet></al><al><vet>verzekering</vet></al></entry></row><row><entry><al>Scootmobiel</al></entry><entry><al>€ 260,-</al></entry></row><row><entry><al>Fiets met ondersteuning</al></entry><entry><al>€ 260,-</al></entry></row><row><entry><al>Tillift</al></entry><entry><al>€ 260,-</al></entry></row><row><entry><al>Traplift</al></entry><entry><al>€ 130,-</al></entry></row></tbody></tgroup></table></li><li nr="2.8"><al>Bij herverstrekking van een voorziening die niet in
                                        bovenstaande tabel is opgenomen wordt voor de grondslag van
                                        de eigen bijdrage uitgegaan van 1/3 deel van de
                                        aanschafwaarde, vermeerderd met de door de gemeente te
                                        betalen kosten voor onderhoud, reparatie en
                                        verzekering.</al></li><li nr="2.9"><al>Als grondslag voor het opleggen van een eigen bijdrage voor
                                        voorzieningen die na 30 april 2014 zijn verstrekt worden de
                                        bedragen zoals die zijn vermeld op het prijzenformulier van
                                        Harting Bank op jaarbasis gehanteerd.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>bedrag persoonsgebonden budget hulp bij het huishouden</titel></kop><al><cursief>Dit artikel is uitsluitend van toepassing op cliënten die reeds
                                vóór 1 januari 2015 een persoonsgebonden budget voor hulp bij het
                                huishouden ontvangen en waarvan de indicatie doorloopt tot na 1
                                januari 2015.</cursief></al><al/><lijst><li nr="1."><al>Het persoonsgebonden budget voor hulp bij het huishouden volgens
                                    categorie 1 is afhankelijk van de leeftijd van de hulpverlener
                                    en bedraagt voor iemand van 23 jaar en ouder € 11,05 per uur en
                                    voor categorie 2 en 3 € 17,48 per uur.</al><al>Het bedrag is gebaseerd op het aantal uren en minuten waarvoor
                                    is geïndiceerd. De geïndiceerde minuten worden voor de
                                    uitbetaling naar boven afgerond op kwartieren.</al></li><li nr="2."><al>Op het onder lid 1 genoemde budget wordt conform artikel 14, lid
                                    1 een eigen bijdrage in rekening gebracht.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Tegemoetkoming voor kosten autoaanpassing, verhuiskosten,
                                sportrolstoel en bezoekbaar maken woning.</titel></kop><al><cursief>Door middel van dit artikel wordt uitvoering gegeven aan
                                artikel 14, tweede lid van de Verordening maatschappelijke
                                ondersteuning en Jeugdhulp.</cursief></al><al/><al>De tegemoetkoming voor: </al><lijst><li nr="a."><al>verhuis- en herinrichtingkosten bedraagt € 3.000,-</al></li><li nr="b."><al>een autoaanpassing voor onderstaande voorzieningen bedraagt de
                                    daarachter vermelde bedragen (exclusief BTW)</al><lijst><li nr="-"><al>vlak maken van de vloer en afwerking marmoleum €
                                            692,-</al></li><li nr="-"><al>opvullen ruimte tussen beide voorste stoelen met een
                                            hekje (niet bij 1,5 zitsbank) € 145,-</al></li><li nr="-"><al>Systeem om rolstoel vast te zetten (incl.2 elektr.
                                            retracors voorzijde) € 725,-</al></li><li nr="-"><al>Oprijplateau oprijplaten 220 cm lengte (alu/staal) €
                                            1.370,-</al></li><li nr="-"><al>Keuring RDW € 314,-</al></li></lijst><al> Voor deze voorzieningen wordt eenmaal in de zeven jaar een
                                    financiële tegemoetkoming verstrekt.</al></li><li nr="c."><al>het bezoekbaar maken van een woning bedraagt maximaal €
                                    3.000,-</al></li><li nr="d."><al>aanschaf en onderhoud van een sportrolstoel bedraagt € 2.500,-
                                    voor een periode van drie jaar.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Financiële tegemoetkoming woonvoorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De financiële tegemoetkoming voor woonvoorzieningen wordt
                                vastgesteld als tegenwaarde van het bedrag zoals vermeld in de door
                                het college geaccepteerde offerte.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De volgende kostenposten voor een woningaanpassing komen, voor zover
                                van toepassing, voor een financiële tegemoetkoming in
                                aanmerking:</al><lijst><li nr="i."><al>de aanneemsom (hieronder begrepen de loon- en
                                        materiaalkosten) voor het treffen van de voorziening;</al></li><li nr="ii."><al>de risicoverrekening van loon- en materiaalkosten, met
                                        inachtneming van het bepaalde in de risicoregeling woning-
                                        en utiliteitsbouw 1991;</al></li><li nr="iii."><al>het architectenhonorarium tot ten hoogste 2% van de
                                        aanneemsom met dien verstande dat dit niet hoger is dan het
                                        maximale honorarium als bepaald in de Standaard voorwaarden
                                        (SR) 1997 van de Bond van Nederlandse Architecten. Alleen in
                                        die gevallen dat het noodzakelijk is dat een architect voor
                                        de woningaanpassing moet worden ingeschakeld, kunnen deze
                                        kosten in aanmerking komen voor vergoeding;</al></li><li nr="iv."><al>de leges voor zover deze betrekking hebben op het treffen
                                        van de voorziening in het kader van de Verordening
                                        maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp;</al></li><li nr="v."><al>de verschuldigde en niet verrekenbare of terugvorderbare
                                        omzetbelasting;</al></li><li nr="vi."><al>renteverlies, in verband met het verrichten van
                                        noodzakelijke betaling aan derden voordat de tegemoetkoming
                                        is uitbetaald, voor zover deze verband houdt met de bouw dan
                                        wel het treffen van voorzieningen;</al></li><li nr="vii."><al>de marktprijs van bouwrijpe grond indien noodzakelijk, als
                                        niet binnen het oorspronkelijke kavel gebouwd kan
                                        worden;</al></li><li nr="viii."><al>de door burgemeester en wethouders (schriftelijk)
                                        goedgekeurde kostenverhogingen, die ten tijde van de raming
                                        van de kosten redelijkerwijs niet voorzien hadden kunnen
                                        worden;</al></li><li nr="ix."><al>de kosten in verband met noodzakelijk technisch onderzoek en
                                        adviezen met betrekking tot het verrichten van de
                                        aanpassing;</al></li><li nr="x."><al>de kosten van heraansluiting op de openbare
                                        nutsvoorziening;</al></li><li nr="xi."><al>andere dan de onder i tot en met x genoemde kosten, mits
                                        hiervoor vooraf toestemming is verkregen van burgemeester en
                                        wethouders.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college verleent slechts een financiële tegemoetkoming
                                indien:</al><lijst><li nr="a."><al>door het college aangewezen personen toegang is verstrekt
                                        tot de woonruimte waar de woningaanpassing wordt
                                        verricht;</al></li><li nr="b."><al>aan de onder a genoemde personen inzicht wordt geboden in
                                        bescheiden en tekeningen, welke betrekking hebben op de
                                        woningaanpassing.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Terstond na de voltooiing van de werkzaamheden doch uiterlijk binnen
                                12 maanden na het verlenen van de financiële tegemoetkoming
                                verklaart de eigenaar of de belanghebbende dat de bedoelde
                                werkzaamheden zijn voltooid.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De gereedmelding is tevens een verzoek om vaststelling en
                                uitbetaling van de financiële tegemoetkoming.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Met de gereedmelding verklaart de eigenaar of de belanghebbende dat
                                is voldaan aan de voorwaarden waaronder de financiële tegemoetkoming
                                is verleend. De gereedmelding gaat vergezeld van afschriften van
                                alle op de werkzaamheden betrekking hebbende rekeningen, voor zover
                                dit noodzakelijk is voor de vaststelling van de financiële
                                tegemoetkoming.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Tegemoetkoming in de kosten voor het verwerven van extra grond ten
                                behoeve van een aanbouw of uitbreiding van een bepaald vertrek
                                indien dit op grond van ergonomische beperkingen noodzakelijk zou
                                zijn. Het aantal m² wat voor een financiële tegemoetkoming in
                                aanmerking komt is per vertrek als volgt gemaximeerd:</al><al/><lijst><li nr="A."><al>Aantal m² waarvoor ten hoogste een financiële tegemoetkoming
                                        kan worden verleend, aangegeven per vertrek in een
                                        zelfstandige woning.</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><tbody><row><entry><al><vet>Soort vertrek</vet></al></entry><entry><al>Aantal m² waarvoor ten hoogste een financiële
                                                  tegemoetkoming wordt verleend in geval van
                                                  <onderstreept>aanbouw</onderstreept> van een
                                                  vertrek</al></entry><entry><al>Aantal m² waarvoor ten hoogste een financiële
                                                  tegemoetkoming wordt verleend in geval van
                                                  <onderstreept>uitbreiding</onderstreept> van een
                                                  reeds aanwezig vertrek</al></entry></row><row><entry><al>woonkamer</al></entry><entry><al>30</al></entry><entry><al>6</al></entry></row><row><entry><al>keuken</al></entry><entry><al>10</al></entry><entry><al>4</al></entry></row><row><entry><al>eenpersoons slaapkamer</al></entry><entry><al>10</al></entry><entry><al>4</al></entry></row><row><entry><al>tweepersoons slaapkamer</al></entry><entry><al>18</al></entry><entry><al>4</al></entry></row><row><entry><al>toiletruimte</al></entry><entry><al>2</al></entry><entry><al>1</al></entry></row><row><entry><al>badkamer</al><al>-wastafelruimte</al><al>- badruimte</al><al>- doucheruimte</al></entry><entry><al/><al>2</al><al>4</al><al>3</al></entry><entry><al/><al>1</al><al>2</al><al>2</al></entry></row><row><entry><al>eenpersoons zit/slaapkamers</al></entry><entry><al>8</al></entry><entry><al>8</al></entry></row><row><entry><al>entree/gang/hal</al></entry><entry><al>5</al></entry><entry><al>2</al></entry></row><row><entry><al>berging</al></entry><entry><al>6</al></entry><entry><al>4</al></entry></row></tbody></tgroup></table></li><li nr="B."><al>Het aantal m² verhard pad tussen de openbare weg en de
                                        hoofdingang tot een woonruimte, dan wel tussen een tweede
                                        ingang en een berging en/of tuinpoort dat bij het nieuw
                                        aanleggen van paden, dan wel bij het aanpassen van bestaande
                                        paden ten hoogste voor een financiële tegemoetkoming in
                                        aanmerking komt bedraagt 20m².</al></li><li nr="C."><al>Het aantal m² verharding ten behoeve van de aanleg van een
                                        terras, dan wel aanpassing van een bestaand terras direct
                                        bij een woonruimte dat ten hoogste voor een financiële
                                        tegemoetkoming in aanmerking komt bedraagt 6m².</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>In bestaande situaties worden voor onderstaande voorzieningen de
                                daarachter vermelde standaardbedragen gehanteerd. Deze bedragen zijn
                                exclusief BTW.</al><al>Uitgangspunt hierbij is een adequate voorziening, waarbij rekening
                                is gehouden met het begrip sober en doelmatig/goedkoopst
                                adequaat.</al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><colspec colname="colD"/><tbody><row><entry><al><vet>Voorziening</vet></al></entry><entry><al><vet>Materiaalprijs</vet></al></entry><entry><al><vet>Arbeid (tijd à € 41,60 per uur)</vet></al></entry><entry><al><vet>Totaal</vet></al></entry></row><row><entry><al>Opklapbare beugel</al></entry><entry><al>Zie prijslijst LINIDO</al></entry><entry><al>0,75 uur</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>Wastafelcombinatie</al></entry><entry><al>€ 305,-</al></entry><entry><al>2,5 uur</al></entry><entry><al>€ 409,-</al></entry></row><row><entry><al>Antislipcoating Slidex</al><al/><al>Vloeroppervlak max. 10 m²</al></entry><entry><al>Vloeroppervlak tot 5 m²</al><al/><al>Vloeroppervlak vanaf 5 m² tot 10 m²</al></entry><entry><al>Incl. + voorrijkosten</al></entry><entry><al>€ 368,90</al><al/><al>€ 422,45</al></entry></row><row><entry><al>Aangepaste keuken</al><al/><al>Voor het vervangen van een bestaande niet
                                                  aangepaste keuken door een aangepaste keuken</al></entry><entry><al>Standaard</al></entry><entry><al>€ 461,-</al><al/><al>(montagekosten)</al><al/><al>Meerprijs hittebestendig werkblad</al><al/><al>Meerprijs mechanisch in hoogte verstelbaar</al><al/><al>Meerprijs elektronisch in hoogte
                                                  verstelbaar</al><al/><al>Extra: hak- en breekwerk</al></entry><entry><al>€ 3.168,-</al><al/><al/><al>€476,-</al><al/><al>€ 3.548,-</al><al/><al>€ 5.686,-</al><al/><al>Max. € 600,60</al></entry></row><row><entry><al>Verwijderen bad</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>€ 2.297,40</al></entry></row><row><entry><al>Verwijderen douchebak</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>€ 766,50</al></entry></row><row><entry><al>Verbreden toegangsdeur met kozijn van
                                                  buitenberging (voor stalling scootmobiel)</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>€ 1.786,20</al></entry></row><row><entry><al>Sproei-fohninstallatie Cymec</al><al/><al>Cleanoseat CS 05 aansluiting voor
                                                  afstandsbediening</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>Excl. montagekosten</al></entry><entry><al>€ 794,12</al><al/><al/><al>€ 1.046,22</al></entry></row></tbody></tgroup></table></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>Bij het aanpassen c.q. vervangen van de keuken en badkamer wordt
                                rekening gehouden met de algemeen gebruikelijk te achten levensduur.
                                Voor een keuken wordt als algemeen gebruikelijke levensduur een
                                termijn van 15 jaar gehanteerd en voor een badkamer een termijn van
                                20 jaar. Als de algemeen gebruikelijk te achten levensduur is
                                bereikt dan is wat betreft vervanging sprake van een algemeen
                                gebruikelijke renovatie. In dat geval komen alleen de meerkosten van
                                de aan de beperking gerelateerde aanpassingen voor vergoeding in
                                aanmerking. Indien vervanging binnen de hierboven genoemde termijnen
                                plaatsvindt, wordt rekening gehouden met een
                                afschrijvingspercentage. Voor de hoogte van de financiële
                                tegemoetkoming wordt rekening gehouden met de reeds verlopen
                                afschrijvingsperiode.</al></lid><lid><lidnr>10.</lidnr><al>Bij woningsanering met betrekking tot CARA worden voor de financiële
                                tegemoetkoming de volgende normbedragen per m² gehanteerd:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Vloerbedekking linoleum</al></entry><entry><al>€ 14,72</al></entry></row><row><entry><al>Legkosten</al></entry><entry><al>€ 8,28</al></entry></row><row><entry><al>Ondervloer egalisatie, hardboard</al></entry><entry><al>€ 6,76</al></entry></row><row><entry><al>Ondervloer egalisatie, zachtboard/hardboard</al></entry><entry><al>€ 12,45</al></entry></row><row><entry><al>Ondervloer egalisatie, cement gebonden</al></entry><entry><al>€ 3,40</al></entry></row><row><entry><al>Overgordijnen, breed 1,20 m</al></entry><entry><al>€ 20,06</al></entry></row><row><entry><al>Vitrage, breed 1,20 m</al></entry><entry><al>€ 10,67</al></entry></row></tbody></tgroup></table></lid><lid><lidnr>11.</lidnr><al>De financiële tegemoetkoming als bedoeld in lid 10 van dit artikel
                                wordt alleen verstrekt in die gevallen dat de betreffende te
                                vervangen stoffering nog niet is afgeschreven. Indien een artikel is
                                afgeschreven wordt geen financiële tegemoetkoming verleend. Hierbij
                                wordt voor de hoogte van de vergoeding als volgt rekening gehouden
                                met de reeds verlopen afschrijvingsperiode. De vergoeding bedraagt
                                een percentage van de kosten, afhankelijk van de
                                afschrijvingsperiode:</al><lijst><li nr="a."><al>100% indien het artikel niet ouder is dan twee jaar;</al></li><li nr="b."><al>75% indien het artikel tussen de twee en vier jaar oud
                                        is;</al></li><li nr="c."><al>50% indien het artikel tussen de vier en zes jaar oud
                                        is;</al></li><li nr="d."><al>25% indien het artikel tussen de zes en acht jaar oud
                                        is.</al></li></lijst><al>Indien het artikel acht jaar of ouder is, wordt geen financiële
                                tegemoetkoming verstrekt.</al></lid><lid><lidnr>12.</lidnr><al>Bij verhuizing wordt geen financiële tegemoetkoming voor
                                woningsanering verstrekt, omdat bij verhuizing de woning opnieuw
                                moet worden ingericht en dan rekening kan worden gehouden met de
                                ondervonden klachten.</al></lid><lid><lidnr>13.</lidnr><al>Indien het gebruik van de rolstoel vervanging van de vloerbedekking
                                door een rolstoelbestendig tapijt/vloerbedekking noodzakelijk maakt
                                wordt een financiële tegemoetkoming verleend. Lid 10, 11 en 12 van
                                dit artikel zijn overeenkomstig van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>14.</lidnr><al>De maximale financiële tegemoetkoming in de kosten voor keuring van
                                diverse soorten liften in woningen en trappenhuizen bedraagt:</al><table><tgroup cols="5"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><colspec colname="colD"/><colspec colname="colE"/><tbody><row><entry><al>Keuring van liften</al></entry><entry><al>Begin keuring</al></entry><entry><al>Kosten excl. BTW</al></entry><entry><al>Frequentie periodieke keuringen</al></entry><entry><al>Kosten excl. BTW</al></entry></row><row><entry><al>stoelliften</al></entry><entry><al>ja</al></entry><entry><al>€ 307,55</al></entry><entry><al>1 x per 4 jaar</al></entry><entry><al>€ 223,67</al></entry></row><row><entry><al>rolstoelplateauliften</al></entry><entry><al>ja</al></entry><entry><al>€ 307,55</al></entry><entry><al>1 x per 4 jaar</al></entry><entry><al>€ 223,67</al></entry></row><row><entry><al>sta-plateauliften</al></entry><entry><al>ja</al></entry><entry><al>€ 307,55</al></entry><entry><al>1 x per 4 jaar</al></entry><entry><al>€ 223,67</al></entry></row><row><entry><al>woonhuisliften</al></entry><entry><al>ja</al></entry><entry><al>€ 476,33</al></entry><entry><al>1 x per 1,5 jaar</al></entry><entry><al>€ 272,95</al></entry></row><row><entry><al>hefplateauliften</al></entry><entry><al>ja</al></entry><entry><al>€ 483,58</al></entry><entry><al>1 x per 1,5 jaar</al></entry><entry><al>€ 277,52</al></entry></row><row><entry><al>balansliften</al></entry><entry><al>ja</al></entry><entry><al>€ 483,58</al></entry><entry><al>1 x per 1,5 jaar</al></entry><entry><al>€ 79,73</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>De maximale financiële tegemoetkoming in de kosten voor onderhoud
                                van diverse soorten liften in woningen en trappenhuizen
                                bedraagt:</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><tbody><row><entry><al>Onderhoud van:</al></entry><entry><al>Frequentie periodiek onderhoud:</al></entry><entry><al>Kosten excl. BTW</al></entry></row><row><entry><al>stoelliften</al></entry><entry><al>1 x per jaar</al></entry><entry><al>€ 154,30</al></entry></row><row><entry><al>rolstoelplateauliften</al></entry><entry><al>1 x per jaar</al></entry><entry><al>€ 154,30</al></entry></row><row><entry><al>sta-plateauliften</al></entry><entry><al>1 x per jaar</al></entry><entry><al>€ 154,30</al></entry></row><row><entry><al>woonhuisliften</al></entry><entry><al>2 x per jaar</al></entry><entry><al>€ 223,67</al></entry></row><row><entry><al>hefplateauliften</al></entry><entry><al>2 x per jaar</al></entry><entry><al>€ 154,30</al></entry></row><row><entry><al>balansliften</al></entry><entry><al>1 x per jaar</al></entry><entry><al>€ 154,30</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Op bovengenoemde tarieven kan een toeslag van maximaal 50% worden
                                toegekend voor:</al><lijst><li nr="-"><al>installaties die geplaatst zijn buiten de woning;</al></li><li nr="-"><al>installaties die meer dan 1 verdieping overbruggen ;</al></li><li nr="-"><al>installaties, die zijn uitgevoerd met elektrisch aangedreven
                                        plateaus en/of afrijdbeveiliging resp. elektrisch
                                        wegklapbare raildelen. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Financiële tegemoetkoming onderhoud, reparatie en
                                verzekering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien nodig wordt, zolang de voorziening wordt gebruikt, jaarlijks
                                een bedrag voor onderhoud en reparatie verstrekt.</al><al>De hoogte van het onderhoudsbedrag bedraagt per kalenderjaar
                                maximaal 4% van de bruto consumentenprijs inclusief de individuele
                                aanpassingen. Het bedrag wordt op declaratiebasis uitbetaald, onder
                                overlegging van de desbetreffende facturen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De financiële tegemoetkoming in de kosten van verzekering voor een
                                scootmobiel en elektrische rolstoel bedraagt € 50,- per jaar. Het
                                bedrag wordt op declaratiebasis uitbetaald, onder overlegging van de
                                desbetreffende facturen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Financiële tegemoetkoming eigen auto en taxi</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De financiële tegemoetkoming voor gebruik van een eigen auto of
                                bruikleen auto of vervoer door derden bedraagt € 285,- per
                                jaar.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De financiële tegemoetkoming die verstrekt wordt voor het gebruik
                                van een taxi bedraagt maximaal € 3.047,- per jaar.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor zover de vervoersbehoeften van gezinsleden (gehuwden,
                                samenwonende partners, ouder en minderjarig kind of twee inwonende
                                kinderen) niet samenvallen, wordt in totaal niet meer dan anderhalf
                                maal een enkele voorziening toegekend, als bedoeld in lid 1 en 2 van
                                dit artikel.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Jeugdhulp</titel></kop><structuurtekst><al><vet><cursief>De artikelen van deze paragraaf hebben uitsluitend
                                    betrekking op de uitvoering van de bepalingen van de
                                    Jeugdwet</cursief></vet></al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al><vet>In deze paragraaf wordt verstaan onder:</vet></al><al><cursief>Hulpvraag: </cursief>behoefte van een
                            jeugdige of zijn ouder(s) aan jeugdhulp in verband met opgroei- en
                            opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, als bedoeld in
                            artikel 2.3, eerste lid, van de Jeugdwet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Melding hulpvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In aanvulling op hetgeen in artikel 2 is bepaald treft het college
                                zo spoedig mogelijk in spoedeisende gevallen een passende tijdelijke
                                maatregel of vraagt het college een machtiging gesloten jeugdhulp
                                als bedoeld in hoofdstuk 6 van de Jeugdwet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Jeugdigen en ouders kunnen zich rechtstreeks wenden tot een overige
                                voorziening. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr><titel>Gesprek</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college onderzoekt in een gesprek tussen deskundigen en de
                                jeugdige en/of zijn ouder(s), zo spoedig mogelijk en voor zover
                                nodig:</al><lijst><li nr="a."><al>de behoeften, persoonskenmerken, voorkeuren, veiligheid,
                                        ontwikkeling en gezinssituatie van de jeugdige en het
                                        probleem of de hulpvraag;</al></li><li nr="b."><al>het gewenste resultaat van het verzoek om jeugdhulp;</al></li><li nr="c."><al>het vermogen van de jeugdige en/of zijn ouder(s) om zelf of
                                        met ondersteuning van de naaste omgeving een oplossing voor
                                        de hulpvraag te vinden;</al></li><li nr="d."><al>de mogelijkheden om gebruik te maken van een andere
                                        voorziening;</al></li><li nr="e."><al>de mogelijkheden om jeugdhulp te verlenen met gebruikmaking
                                        van een overige voorziening;</al></li><li nr="f."><al>de mogelijkheden om een individuele voorziening te
                                        verstrekken;</al></li><li nr="g."><al>de wijze waarop een mogelijk toe te kennen individuele
                                        voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het
                                        gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning,
                                        of werk en inkomen;</al></li><li nr="h."><al>hoe rekening zal worden gehouden met de godsdienstige
                                        gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond
                                        van de jeugdige en zijn ouder(s), en</al></li><li nr="i."><al>de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een
                                        pgb, waarbij de jeugdige of zijn ouder(s) in begrijpelijke
                                        bewoordingen worden ingelicht over de gevolgen van die
                                        keuze;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In de gevallen bedoeld in artikel 8.2.1 van de Jeugdwet informeert
                                het college de ouder(s) dat een ouderbijdrage is verschuldigd en hoe
                                deze bijdrage wordt geïnd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college informeert de jeugdige of zijn ouder(s) over de gang van
                                zaken bij het gesprek, hun rechten en plichten en de
                                vervolgprocedure men vraagt hen toestemming om hun persoonsgegevens
                                te verwerken.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan in overleg met de jeugdige en/of zijn ouder(s)
                                afzien van een gesprek.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23.</nr><titel>Aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Jeugdigen en ouders dienen een aanvraag om een individuele
                                voorziening schriftelijk in bij het college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college merkt een ondertekend verslag van het gesprek aan als
                                aanvraag als de jeugdige of zijn ouder(s) dat op het verslag hebben
                                aangegeven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24.</nr><titel>Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of
                                jeugdarts</titel></kop><al>De huisarts, medisch specialist of jeugdarts die een cliënt behandelen,
                            stellen het college in kennis van hun verwijzing naar een door het
                            college bij besluit te verlenen individuele voorziening.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Inwerkingtreding en citeerartikel</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25.</nr><titel>Inwerkingtreding en citeerartikel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze regeling treedt met terugwerkende kracht in werking vanaf 1
                                september 2015</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze regeling wordt aangehaald als “ Uitvoeringsbesluit
                                Maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp gemeente Ommen
                                2015”</al></lid></artikel></paragraaf></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Ommen, 29september 2015</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>Burgemeester en wethouders van de gemeente Ommen,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>Secretaris, Burgemeester,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>L.Dennenberg J.P.Scheele (loco)</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Artikelsgewijze toelichting</label></kop><al/><al><vet>PARAGRAAF 1 ALGEMENE BEPALINGEN</vet></al><al/><al><vet>Artikel 1. Begripsbepalingen</vet></al><al>In dit artikel zijn, ter aanvulling op de in de Wet maatschappelijke
                    ondersteuning 2015, de Jeugdwet en de “Verordening maatschappelijke
                    ondersteuning en Jeugdhulp gemeente Ommen 2015” genoemde begripsbepalingen twee
                    definities opgenomen. Deze gelden zowel voor de Wet maatschappelijke
                    ondersteuning 2015 als voor de Jeugdwet.</al><al/><al><vet>Artikel 2. Melding hulpvraag</vet></al><al>Het eerste lid bevat regels voor de verplichte meldingsprocedure. De melding is
                    vorm vrij en kan schriftelijk, elektronisch, mondeling of telefonisch bij het
                    college worden gedaan. In artikel 2:15 van de Awb is bepaald dat een aanvraag
                    elektronisch (onder meer per email) kan worden gedaan indien het bestuursorgaan
                    kenbaar heeft gemaakt dat deze weg geopend is. De melding kan “door of namens de
                    cliënt, dan wel jeugdige en ouder(s)” worden gedaan. Dit kan ruim worden
                    opgevat. Naast de cliënt, jeugdige en ouder(s) kan bijvoorbeeld diens
                    vertegenwoordiger, mantelzorger, partner, familielid of andere betrokkene de
                    melding doen.</al><al> In het tweede lid is de verplichte ontvangstbevestiging verankerd. Conform
                    artikel 4:3a van de algemene wet bestuursrecht (Awb) is het bestuursorgaan
                    gehouden een elektronisch ingediende aanvraag te bevestigen. Dat kan dan – en
                    ligt voor de hand – ook elektronisch. Aangezien het onderzoek na de melding
                    maximaal zes weken mag beslaan, is registratie en ontvangstbevestiging van de
                    melding ook in het kader van deze termijn van belang.</al><al/><al><vet>Artikel 3. Vooronderzoek</vet></al><al>Deze bepaling is hier opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen. Het
                    eerste lid dient ter ambtelijke voorbereiding van het gesprek op basis van de
                    melding waarbij in samenspraak met de cliënt of de jeugdige of zijn ouder(s)
                    relevante bekende gegevens in kaart worden gebracht en cliënten niet worden
                    belast met vragen over zaken die bij de gemeente al bekend zijn. Hierdoor is ook
                    een goede afstemming mogelijk met eventuele andere voorzieningen op het gebied
                    van zorg, onderwijs of werk en inkomen. </al><al/><al>In het kader van de rechtmatigheid wordt in ieder geval de identiteit van de
                    cliënt, jeugdige of zijn ouders vastgesteld aan de hand van een document als
                    bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht.</al><al/><al>Op grond van het vierde lid kan worden afgezien van het vooronderzoek indien dat
                    een onnodige herhaling van zetten zou betekenen.</al><al/><al><vet>Artikel 4. Verslag</vet></al><al>De bepaling is opgenomen in het belang van een zorgvuldige dossiervorming en een
                    zorgvuldige procedure . De invulling van deze verslagplicht is vorm vrij.
                    Hierbij kan bijvoorbeeld worden voortgeborduurd op de praktijk van de Wmo. In de
                    Memorie van Toelichting op de Wmo 2015 staat dat de gemeente aan de cliënt een
                    weergave van de uitkomsten van het onderzoek verstrekt om hem in staat te
                    stellen een aanvraag te doen voor een maatwerkvoorziening. Dit moet in beginsel
                    schriftelijk. Een goede weergave maakt het voor de gemeente inzichtelijk om een
                    juiste beslissing te nemen op een aanvraag en draagt bij aan een inzichtelijke
                    communicatie met de cliënt. Desgewenst kan de gemeente de schriftelijke weergave
                    van de uitkomsten van het onderzoek ook gebruiken als een met de cliënt
                    overeengekomen plan (arrangement), waarin de gemaakte afspraken en de
                    verplichtingen die daaruit voortvloeien, zijn vastgelegd. Het is in dat geval
                    passend dat het college en de cliënt dit plan ondertekenen.</al><al/><al>Soms kan een verslag al direct worden meegegeven, maar vaak zal dit toch nog
                    moeten worden uitgewerkt en gaat daar enkele dagen overeen. Om deze reden is in
                    het tweede lid bepaald dat uiterlijk binnen vijf werkdagen na het gesprek aan de
                    cliënt, jeugdige of zijn ouder(s) een verslag wordt verstrekt.</al><al>Het is mogelijk dat na het gesprek de cliënt, jeugdige of zijn ouder(s)
                    bijvoorbeeld nog onderzoekt wat er in zijn omgeving mogelijk is, of dat hij nog
                    aanvullende opmerkingen heeft. </al><al>Lid 3 bepaalt dat opmerkingen of latere aanvullingen van de cliënt, jeugdige of
                    zijn ouder(s) aan het verslag worden toegevoegd.</al><al/><al><vet>Artikel 5. Aanvraag, verantwoording en beëindiging pgb</vet></al><al>In dit artikel is onder meer bepaald dat bij de aanvraag om een pgb de aanvrager
                    een persoonlijk budgetplan moet indienen, waaruit blijkt wat de kwaliteit van de
                    ondersteuning zal zijn. Op basis van dit plan beoordeelt het college of aan de
                    kwaliteitseisen wordt voldaan die gelden voor de besteding van het pgb.</al><al/><al>De uitbetaling aan de zorgverlener vindt plaats door de Sociale Verzekerings
                    Bank (SVB). In verband hiermee dient de budgethouder de zorgovereenkomst met de
                    zorgverlener aan de SVB te verstrekken.</al><al/><al>Verder is in het derde lid een bepaling opgenomen met betrekking tot de
                    verantwoording. De termijn van vijf jaar die in dit artikel wordt genoemd wordt
                    ook door de belastingdienst gehanteerd.</al><al/><al>De bepalingen van het vierde lid met betrekking tot de beëindiging van het pgb
                    spreken voor zich.</al><al/><al><vet>Artikel 6. Afwegingskader voor verstrekking pgb ten behoeve van een persoon
                        die behoort tot het sociaal netwerk</vet></al><al>Dit artikel geeft globaal een afwegingskader voor de verstrekking van een pgb
                    ten behoeve van een persoon die behoort tot het sociaal netwerk. Uitgangspunt
                    hierbij is dat de beloning van het sociale netwerk beperkt moet blijven tot die
                    gevallen waarin het de gebruikelijke hulp overstijgt en dit aantoonbaar tot
                    betere en effectievere ondersteuning leidt en aantoonbaar doelmatiger is. </al><al/><al><vet>PARAGRAAF 2 MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING</vet></al><al/><al><vet>Artikel 7. Begripsbepaling</vet></al><al>Persoonlijk plan: Deze definitie is ontleend aan artikel 2.3.2, tweede lid van
                    de Wet maatschappelijke ondersteuning.</al><al>In het persoonlijk plan kan de cliënt – al dan niet tezamen met zijn persoonlijk
                    netwerk – de omstandigheden, bedoeld in artikel 2.3.2, lid 2 onderdelen a tot en
                    met e van de Wet maatschappelijke ondersteuning, en de maatschappelijke
                    ondersteuning die door hem wordt gewenst, beschrijven. De omstandigheden,
                    bedoeld in artikel 2.3.2, lid 2 onderdelen a tot en met e Wmo, worden door het
                    college onderzocht. Doordat de cliënt hieromtrent voorafgaand aan het onderzoek
                    door het college een persoonlijk plan kan overleggen, is het college direct
                    bekend met de wijze waarop de cliënt zelf vorm wil geven aan zijn persoonlijk
                    arrangement dat nodig is om zelfredzaam te kunnen zijn en te participeren. Door
                    de cliënt een persoonlijk plan te laten opstellen, wordt de eigen regie en de
                    betrokkenheid van het sociale netwerk van de cliënt versterkt.</al><al/><al><vet>Artikel 8. Indienen persoonlijk plan</vet></al><al>In dit artikel is overeenkomstig artikel 2.3.2, tweede lid, van de Wet
                    maatschappelijke ondersteuning de verplichting voor het college opgenomen om
                    informatie te verschaffen over de mogelijkheid voor de cliënt om een persoonlijk
                    plan op te stellen en deze aan het college te overhandigen. Zie ook artikel 9,
                    tweede lid.</al><al/><al><vet>Artikel 9. Gesprek</vet></al><al>Deze bepaling is opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen en kan
                    worden gezien als een uitwerking van de verplichte delegatiebepaling van artikel
                    2.1.3, eerste lid en tweede lid, onder a, van de Wet maatschappelijke
                    ondersteuning, waarbij onder meer is bepaald dat de gemeente bij verordening in
                    ieder geval regels vaststelt die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het in
                    artikel 2.1.2. bedoelde plan en de door het college te nemen besluiten of te
                    verrichten handelingen.</al><al/><al>De onderdelen van het eerste lid zijn overeenkomstig de opsomming in artikel
                    2.3.2 van de wet opgenomen. In artikel 2.3.2, eerste lid, wordt niet de
                    aanduiding “het gesprek” gebruikt maar “een onderzoek in samenspraak met degene
                    door of namens wie de melding is gedaan en waar mogelijk met de mantelzorger of
                    mantelzorgers dan wel diens vertegenwoordiger”. De Memorie van Toelichting op
                    deze bepaling verduidelijkt dat voor een zorgvuldig onderzoek veelal sprake zal
                    zijn van enige vorm van persoonlijk contact met betrokkene of een
                    vertegenwoordiger van betrokkene, aangezien daardoor een adequaat totaalbeeld
                    van de betrokkene en zijn situatie verkregen kan worden. Het eerste lid bepaalt
                    daarom dat het onderzoek moet plaatsvinden in samenspraak met betrokkene. De
                    vorm van het onderzoek is vrij. In het eerste lid is verder benadrukt dat het
                    gesprek met de cliënt wordt gevoerd door deskundigen (namens het college). Het
                    gesprek vindt zo mogelijk bij de cliënt thuis plaats. Indien woningaanpassingen
                    nodig zijn, is dat zeker essentieel om de thuissituatie goed te kunnen
                    beoordelen en doeltreffende oplossingen te vinden.</al><al>In onderdeel b is als onderwerp van gesprek “het gewenste resultaat van het
                    onderzoek om ondersteuning” opgenomen. Dit is belangrijk omdat in de woorden van
                    de nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr.
                    34, blz. 183) “ de ultieme toetssteen of de maatschappelijke ondersteuning
                    effectief is geweest, ligt de beantwoording van de vraag of de cliënt zelf vindt
                    dat de verleende maatschappelijke ondersteuning heeft bijgedragen aan een
                    verbetering van zijn zelfredzaamheid of participatie. In het wetsvoorstel Wmo
                    2015 staat het bereiken van dit resultaat centraal”.</al><al/><al>In het tweede lid is overeenkomstig artikel 2.3.2, vijfde lid, van de wet
                    verankerd dat het college een door of namens de cliënt ingediend persoonlijk
                    plan betrekt bij het onderzoek. </al><al/><al>Het gesprek is hoofdregel en hoeft uiteraard niet plaats te vinden als dit niet
                    nodig is ( zie het vierde lid). Het kan bijvoorbeeld om een cliënt gaan die al
                    bekend is bij de gemeente en een eenvoudige “vervolgvraag” heeft.</al><al/><al><vet>Artikel 10. Aanvraag</vet></al><al>Deze bepaling is een uitwerking van artikel 2.1.3, eerste lid, en tweede lid,
                    onder a, van de wet, waarbij is bepaald dat de gemeente bij verordening in ieder
                    geval bepaalt op welke wijze wordt vastgesteld of een cliënt voor een
                    maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of
                    opvang in aanmerking komt. De wet bepaalt dat het college binnen twee weken na
                    de ontvangst van de aanvraag de beschikking moet geven (artikel 2.3.5, tweede
                    lid). In de Awb worden regels gegeven omtrent de aanvraag. Dit besluit wijkt
                    daarvan niet af. Op grond van artikel 4:1 van de Awb wordt een aanvraag tot het
                    geven van een beschikking schriftelijk ingediend bij het bestuursorgaan dat
                    bevoegd is op de aanvraag te beslissen (hier het college), tenzij bij wettelijk
                    voorschrift anders is bepaald.</al><al/><al>In het eerste lid is aangegeven dat naast de cliënt alleen een daartoe door hem
                    gemachtigd persoon of een vertegenwoordiger (een vertegenwoordiger is een
                    natuurlijke persoon of rechtspersoon die een cliënt vertegenwoordigt die niet in
                    staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake)
                    een aanvraag kan indienen. Dit is minder ruim dan de kring van personen rond de
                    cliënt die een melding kan doen. Zie hiervoor artikel 2 en de toelichting
                    daarbij. Aangezien het hier gaat om de formele aanvraag om een beschikking in de
                    zin van de Awb, is hier de formele eis van machtiging of vertegenwoordiging
                    gesteld.</al><al/><al>Ter voorkoming van onnodige administratieve lasten is in het tweede lid de
                    mogelijkheid opgenomen om een door de cliënt ondertekend verslag als aanvraag
                    aan te merken.</al><al/><al><vet>Artikel 11. Advisering</vet></al><al>Dit artikel bepaalt dat het college bevoegd is een door haar daartoe aangewezen
                    adviesinstantie om advies te vragen. Dit met de beperking dat dit in het belang
                    moet zijn van de beoordeling van de aanspraak op een maatwerkvoorziening.</al><al>Artikel 3:3 van de Awb, geeft in een aantal artikelen enige algemene bepalingen
                    over (externe) advisering. Artikel 3:5 lid 1 van de Awb geeft aan dat in deze
                    afdeling onder adviseur verstaan wordt: een persoon of college, bij of krachtens
                    wettelijk voorschrift belast met het adviseren inzake door een bestuursorgaan te
                    nemen besluiten en niet werkzaam onder verantwoordelijkheid van dat
                    bestuursorgaan.</al><al/><al>In de wet is niet geregeld dat er een adviseur benoemd moet worden. Advies zal
                    in het kader van de uitvoering van de Wet maatschappelijke ondersteuning echter
                    soms onontbeerlijk zijn. Het college dient één of meer adviseurs aan te wijzen
                    om in het kader van de wet advies uit te brengen. In het uitvoeringsbesluit is
                    niet opgenomen wie de adviseur is. Men kan immers meer adviseurs in
                    verschillende, zelfs wisselende situaties hebben, wat een eenduidige vermelding
                    onmogelijk maakt.</al><al/><al><vet>Artikel 12. Aanvullende criteria voor opvang en beschermd wonen</vet></al><al>De gemeente Zwolle is centrumgemeente voor maatschappelijke opvang en beschermd
                    wonen. Deze bepaling is letterlijk overgenomen uit de Wmo verordening van de
                    gemeente Zwolle.</al><al/><al><vet>Artikel 13. Hoogte van het pgb.</vet></al><al>Het college kan op grond van artikel 2.3.6 van de wet een pgb verstrekken. Als
                    aan alle wettelijke voorwaarden daartoe is voldaan, kan zelfs van een
                    verplichting van het college worden gesproken .In dit artikel is bepaald op
                    welke wijze de hoogte van een pgb wordt vastgesteld, waarbij geldt dat de hoogte
                    toereikend moet zijn</al><al>Een aanvraag voor een pgb kan geweigerd worden voor zover de kosten van het pgb
                    hoger zijn dan de kosten van de maatwerkvoorziening (artikel 2.3.6, vijfde lid,
                    onder a, van de wet). De situatie waarin het door de cliënt beoogde aanbod
                    duurder is dan het aanbod van het college betekent dus niet bij voorbaat dat het
                    pgb om die reden geheel geweigerd kan worden. Cliënten kunnen zelf bijbetalen
                    wanneer het tarief van de door hen gewenste aanbieder duurder is dan het door
                    het college voorgestelde aanbod. Het college kan het pgb slechts weigeren voor
                    dat gedeelte dat duurder is dan het door het college voorgestelde aanbod. Dit
                    kan zich bijvoorbeeld voordoen doordat de gemeente vanwege inkoopvoordelen
                    maatwerkvoorzieningen al snel goedkoper zal kunnen leveren dan wanneer iemand
                    zelf ondersteuning inkoopt met een pgb. </al><al>De maximale hoogte van een pgb is in het uitvoeringsbesluit begrensd op de
                    kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate door het college
                    ingekochte maatwerkvoorziening in natura.</al><al/><al><vet>Artikel 14 tot en met 19</vet></al><al>De bepalingen van deze artikelen zijn overgenomen uit het Besluit
                    maatschappelijke ondersteuning gemeente Ommen 2014. Deze bepalingen blijven
                    (voorlopig nog) van toepassing.</al><al/><al><vet>PARAGRAAF 3 JEUGDHULP</vet></al><al/><al><vet>Artikel 20. Begripsbepaling</vet></al><al>Bij deze definitie van hulpvraag wordt een relatie gelegd naar artikel 2.3,
                    eerste lid van de Jeugdwet.</al><al/><al><vet>Artikel 21. Melding hulpvraag</vet></al><al>Dit artikel is een aanvulling op hetgeen in artikel 2 is vermeld. Wanneer de
                    jeugdige of zijn ouder(s) een beroep willen doen op een overige voorziening
                    geldt niet de meldingsprocedure in de zin van dit besluit. Men kan rechtstreeks
                    een beroep doen op een overige voorziening.</al><al/><al><vet>Artikel 22. Gesprek</vet></al><al>Voor een zorgvuldig te nemen besluit is het van belang dat alle feiten en
                    omstandigheden van de specifieke hulpvraag worden onderzocht. Daarbij is het van
                    belang dat het onderzoek in samenspraak met de jeugdige en zijn ouder(s) wordt
                    verricht. Voor een zorgvuldig onderzoek is veelal persoonlijk contact nodig om
                    een totaalbeeld van de jeugdige en zijn ouder(s) te krijgen. Het ligt daarom ook
                    voor de hand dat tijdens een gesprek met de jeugdige en zijn ouder(s) het een en
                    ander wordt besproken. </al><al/><al>In het gesprek zou duidelijk moeten worden hoe ook de meest complexe individuele
                    voorzieningen kunnen worden getroffen. De wetgever omkleedt de procedure om te
                    komen tot een individuele voorziening met allerlei waarborgen rond een
                    deskundige beoordeling. Het kan zelfs gaan om diagnostiek om voor een
                    psychiatrische behandeling in aanmerking te komen of voor een verblijf in
                    24-uursopvang. Dat zijn zwaarwegende beslissingen waaraan professioneel
                    onderzoek en afweging aan ten grondslag ligt.</al><al/><al>In het eerste lid is opgenomen dat het gesprek zo spoedig mogelijk moet
                    plaatsvinden. Het hangt af van de situatie hoe snel dat kan of moet
                    plaatsvinden.</al><al/><al>In de onderdelen a tot en met i zijn de onderwerpen van het gesprek weergegeven.
                    Het betreft uiteraard altijd maatwerk. Indien de jeugdige al bij de gemeente
                    bekend is, zullen een aantal gespreksonderwerpen niet meer uitgediept hoeven te
                    worden en zal bijvoorbeeld alleen kunnen worden gevraagd of er nog nieuwe
                    ontwikkelingen zijn. Komen een jeugdige of zijn ouder(s) voor het eerst bij de
                    gemeente, dan zal het gesprek dienen om een totaalbeeld van de jeugdige en zijn
                    situatie te krijgen. In onderdeel c wordt de eigen kracht van jeugdigen en
                    ouders voorop gesteld, overeenkomstig het in de considerans van de wet vermelde
                    uitgangspunt dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van
                    jeugdigen allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf ligt. Een te verstrekken
                    voorziening kan ook juist nodig zijn om de mate van probleemoplossend vermogen
                    van de jeugdige en zijn ouder(s) en die van de naaste omgeving te
                    versterken.</al><al/><al>Ten aanzien van de afstemmingsplicht in onderdeel g valt te denken aan een
                    voorziening die een jeugdige ontvangt op grond van de Wet langdurige zorg of de
                    Zvw en een voorziening op het gebied van passend onderwijs.</al><al/><al>Het tweede lid dient ertoe ouders te informeren. Het college neemt niet de
                    hoogte van de bijdrage in de kosten in de beschikking op. Dat loopt via het door
                    het college daartoe aangewezen bestuursorgaan, evenals de mogelijkheid van
                    bezwaar en beroep daartegen. In artikel 8.2.3 van de Jeugdwet is bepaald dat de
                    ouderbijdrage door “ het bestuursorgaan dat door Onze Ministers met de
                    vaststelling en de inning is belast” wordt vastgesteld en ten behoeve van de
                    gemeente wordt geïnd. De ouderbijdrage geldt op grond van artikel 8.2.1 van de
                    wet alleen in situaties van jeugdhulp buiten de thuissituatie. </al><al/><al><vet>Artikel 23. Aanvraag</vet></al><al>Deze bepaling is een uitwerking van de verplichte delegatiebepaling van artikel
                    2.9, onder a van de wet, waarbij is bepaald dat de gemeente bij verordening in
                    ieder geval regels stelt met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning en de
                    wijze van beoordeling van, en de afwegingsfactoren bij een individuele
                    voorziening. Een aanvraag is nodig om een verleningsbeschikking voor een
                    individuele voorziening te verkrijgen.</al><al>In de Awb worden regels gegeven omtrent de aanvraag. Dit besluit wijkt daarvan
                    niet af. Op grond van artikel 4:1 van de Awb wordt een aanvraag tot het geven
                    van een beschikking schriftelijk ingediend bij het bestuursorgaan dat bevoegd is
                    op de aanvraag te beslissen (hier het college), tenzij bij wettelijk voorschrift
                    anders is bepaald.</al><al/><al> Beslistermijnen Awb</al><al>In het besluit is geen termijn opgenomen om te beslissen op een aanvraag. De
                    regeling in de Awb geldt onverkort. In artikel 4:13 van de Awb is bepaald dat
                    een beschikking dient te worden gegeven binnen een redelijke termijn van acht
                    weken na ontvangst van de aanvraag. Indien een beschikking niet binnen acht
                    weken kan worden gegeven, dient het bestuursorgaan dit binnen deze termijn aan
                    de aanvrager mede te delen en daarbij een redelijke termijn te noemen waarbinnen
                    de beschikking wel tegemoet kan worden gezien (artikel 4:14, derde lid, van de
                    Awb).</al><al> Deze termijnen zijn maximumtermijnen. Indien nodig kan na een melding binnen
                    enkele dagen een individuele voorziening worden verstrekt, in complexe situaties
                    zal in de regel in het belang van een zorgvuldig onderzoek een langere termijn
                    nodig zijn. Bijvoorbeeld, indien een langer durend diagnosetraject benodigd is,
                    kan dit ook tot een wat langere afhandelingsduur van de aanvraag leiden.</al><al>Ter voorkoming van onnodige administratieve lasten is in het tweede lid de
                    mogelijkheid opgenomen om een door de jeugdige of zijn ouder(s) ondertekend
                    verslag als aanvraag aan te merken.</al><al/><al><vet>Artikel 24. Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of
                        jeugdarts</vet></al><al>In dit artikel is bepaald dat de huisarts, medisch specialist of jeugdarts die
                    een cliënt behandelen het college in kennis stellen van hun verwijzing. Deze
                    bepaling is echter niet afdwingbaar.</al><al/><al><vet>PARAGRAAF 4 INWERKINGTREDING EN CITEERARTIKEL</vet></al><al/><al><vet>Artikel 25. Inwerkingtreding en citeerartikel</vet></al><al>Dit artikel bepaalt de inwerkingtreding van deze regeling en legt vast hoe de
                    regeling dient te worden aangehaald.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>