<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR378793_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening tegenprestatie Participatiewet 2015 Dantumadiel</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Dantumadiel</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-06-12</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Dantumadiel</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="http://www.dekrantvantoen.nl/vw/page.do?id=FKC-01-004-20141210&amp;ed=00">Kollumer Courant, 10 december 2014</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening tegenprestatie Participatiewet 2015 Dantumadiel</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Artikel 8a, eerste lid, onderdeel b, van de Participatiewet; artikel 35, eerste lid, onderdeel e van de Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers; artikel 35 van de Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-12-01</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-01-19</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Geen</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Werk, inkomen, zorg</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening tegenprestatie Participatiewet 2015 Dantumadiel</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Dantumadiel; </al><al>Gelet  op artikel 8a, eerste lid, onderdeel b, van de Participatiewet, artikel  35, eerste lid, onderdeel e van de Wet Inkomensvoorziening oudere en  gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en artikel 35 van de  Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte  gewezen zelfstandigen;</al><al>Besluit vast te stellen de verordening tegenprestatie Participatiewet, Ioaw en Ioaz 2015 gemeente Dantumadiel</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel 1. Begrippen</label></kop><lijst><li nr="-"><al>grote afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de arbeidsmarkt is redelijkerwijs niet mogelijk binnen één jaar;</al></li><li nr="-"><al>korte afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de arbeidsmarkt is redelijkerwijs mogelijk binnen één jaar;</al></li><li nr="-"><al>mantelzorg: mantelzorg als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2. Inhoud van een tegenprestatie</label></kop><al>Het college kan onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, die additioneel van aard zijn, inzetten als tegenprestatie voor zover die werkzaamheden:</al><al>a) naar zijn aard niet zijn gericht op toeleiding tot de arbeidsmarkt,</al><al>b) niet zijn bedoeld als re-integratie-instrument,</al><al>c) worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid, en </al><al>d) die niet leiden tot verdringing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 3. Het opdragen van een tegenprestatie</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een belanghebbende met een grote afstand tot de arbeidsmarkt een tegenprestatie opdragen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan een belanghebbende met een korte afstand tot de arbeidsmarkt uitsluitend een tegenprestatie opdragen indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij het opdragen van een tegenprestatie houdt het college in ieder geval rekening met de volgende factoren:</al><lijst><li nr="a."><al>de persoonlijke wensen en kwaliteiten van een belanghebbende worden in overweging genomen;</al></li><li nr="b."><al>de tegenprestatie moet naar vermogen kunnen worden verricht;</al></li><li nr="c."><al>de persoonlijke situatie en individuele omstandigheden moeten in aanmerking worden genomen; </al></li><li nr="d."><al>met lopende activiteiten of vrijwilligerswerk kan rekening worden gehouden.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4. Mantelzorg</label></kop><al>Het college draagt geen tegenprestatie op indien een belanghebbende mantelzorg verricht voor zover het verrichten van mantelzorg naar het oordeel van het college redelijkerwijs noodzakelijk is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5. De duur en omvang van de tegenprestatie</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De tegenprestatie kan worden opgedragen voor de maximale duur van twaalf maanden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De tegenprestatie wordt opgedragen voor maximaal zestien uren per week.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan besluiten om af te wijken van de in het eerste en tweede lid gestelde (maximale duur en uren). Het college zal hierbij rekening houden met de volgende factoren, bedoeld in artikel 3, derde lid van deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De tegenprestatie kan na oplegging van de maximale duur bedoeld in het eerste lid binnen een periode van zes maanden niet weer worden opgedragen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 6. Beleidsregels</label></kop><al>Het college kan aanvullend beleidsregels opstellen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 7. Inwerkingtreding</label></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2015. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8. Citeertitel</label></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening tegenprestatie Participatiewet, Ioaw en Ioaz gemeente Dantumadiel 2015. </al></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus vastgesteld in de raadsvergadering van de gemeente Dantumadiel van 1 december 2014</al></slotformulering></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Algemene toelichting</label></kop><al>Het  college is bevoegd een ontvanger van een uitkering op grond van de  Participatiewet, de Ioaw of de Ioaz te verplichten naar vermogen een  tegenprestatie te verrichten, ook als die tegenprestatie niet direct  samenhangt met arbeidsinschakeling. Een belanghebbende van achttien jaar  of ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd is vanaf de  dag van melding gehouden naar vermogen een tegenprestatie te verrichten.  Dit is vastgelegd in artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de  Participatiewet en artikel 34 van de Ioaz en artikel 34 van de Ioaz. De  tegenprestatie bestaat uit de plicht om naar vermogen door het college  opgedragen onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden te  verrichten, naast of in aanvulling op reguliere arbeid en die niet  leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt. </al><al/><al> Individuele omstandigheden </al><al/><al>Het  college bepaalt aan de hand van de individuele omstandigheden en de  voorhanden zijnde onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, de  aard, de duur en de omvang van de aan een persoon op te leggen  tegenprestatie. Hierbij moet het college de in deze verordening  neergelegde criteria in acht nemen. Als het college een belanghebbende  een tegenprestatie opdraagt, moet het een duidelijke omschrijving geven  van de te verrichten werkzaamheden. Het moet voor een belanghebbende  immers duidelijk zijn welke tegenprestatie van hem verwacht wordt (zie  Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25-02-2013, nr. 12/3649,  ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ5171). </al><al/><al> Geen tegenprestatie </al><al/><al>Indien  daarvoor dringende redenen - zoals zorgtaken - aanwezig zijn, kan het  college in individuele gevallen tijdelijk ontheffing verlenen van de  plicht tot het verrichten van een tegenprestatie (artikel 9, tweede lid,  van de Participatiewet). De plicht tot tegenprestatie is niet van  toepassing op een belanghebbende die volledig en duurzaam  arbeidsongeschikt is als bedoeld in artikel 4 van de Wet werk en inkomen  naar arbeidsvermogen (artikel 9, vijfde lid, van de Participatiewet).  De plicht tot tegenprestatie is voorts niet van toepassing op een  alleenstaande ouder die in het bezit is van een ontheffing als bedoeld  in artikel 9a, eerste lid, van de Participatiewet (artikel 9, zevende  lid, van de Participatiewet). </al><al/><al> Afstemmen </al><al/><al>Net  als bij het niet nakomen van de arbeids- en re-integratieverplichting  geldt voor het niet nakomen van de tegenprestatie dat de bijstand kan  worden afgestemd overeenkomstig de gemeentelijke afstemmingsverordening.  </al><al/><al> Bevoegdheid opdragen tegenprestatie </al><al/><al>De  bevoegdheid van het college om een belanghebbende te verplichten naar  vermogen een tegenprestatie te verrichten geldt al sinds 1 januari 2012.  De regering meent dat de tegenprestatie voor uitkeringsgerechtigden een  gelegenheid is om te blijven participeren in de samenleving en om een  sociaal netwerk, arbeidsritme en regelmaat te behouden. Dit zijn volgens  de regering ook noodzakelijke voorwaarden om de kansen op de  arbeidsmarkt te vergroten (TK 2013-2014, 33 801, nr. 3, p. 29).</al><al/><al> Tegenprestatie is geen re-integratieinstrument </al><al/><al>De  plicht tot tegenprestatie heeft tot doel om maatschappelijk nuttige  werkzaamheden te doen in de samenleving als tegenprestatie voor het  ontvangen van een uitkering. Het opdragen van een tegenprestatie heeft  niet primair tot doel de re-integratie van een belanghebbende te  bevorderen, maar moet worden gezien als een nuttige bijdrage aan de  samenleving (TK 2013-2014, 33 801, nr. 7, p. 49-50). De tegenprestatie  is daarom naar zijn aard niet gericht op toeleiding tot de arbeidsmarkt  en is niet bedoeld als re-integratieinstrument. Voorts mag een  tegenprestatie het accepteren van passende arbeid of van  re-integratieinspanningen niet belemmeren. Immers, als uitgangspunt  geldt werk boven uitkering. </al><al/><al> Verordeningsplicht </al><al/><al>De  Wet maatregelen WWB legt de gemeenteraad de verplichting op om bij  verordening regels vast te stellen over het opdragen van een  tegenprestatie aan mensen met een bijstandsuitkering in de leeftijd van  18 jaar tot de pensioengerechtigde leeftijd. Deze verordeningsopdracht  is neergelegd in artikel 8a, eerste lid, onderdeel b Participatiewet,  artikel 35, eerste lid onder e van de Wet Inkomensvoorziening oudere en  gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en artikel 35,  eerste lid, onderdeel e van de Wet Inkomensvoorziening oudere en  gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen. Het is aan de  gemeente om de duur, omvang en inhoud van de tegenprestatie te regelen  (zie TK 2013-2014, 33 801, nr. 24, p. 6).</al><al/><al> Ontwikkelen beleid door college </al><al/><al>Het  college heeft de opdracht beleid te ontwikkelen ten behoeve van het  verrichten van een tegenprestatie en het uitvoeren ervan overeenkomstig  de verordening tegenprestatie. Dit volgt uit artikel 7, eerste lid,  onderdeel c, van de Participatiewet.</al><al/><al>Artikelsgewijze toelichting</al><al/><al>Artikel 1. Begrippen</al><al>Begrippen  die al zijn omschreven in de Participatiewet, Ioaw en Ioaz, de Algemene  wet bestuursrecht of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk  gedefinieerd in deze verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van  toepassing op deze verordening. </al><al/><al> Korte afstand tot de arbeidsmarkt </al><al/><al>Onder  een korte afstand tot de arbeidsmarkt wordt verstaan dat een persoon  redelijkerwijs binnen één jaar geschikt is voor deelname aan de  arbeidsmarkt. Dit begrip is van belang in verband met de mogelijkheid  tot het opdragen van een tegenprestatie. Zie hierover artikel 3 van deze  verordening. </al><al/><al> Grote afstand tot de arbeidsmarkt </al><al/><al>Onder  een grote afstand tot de arbeidsmarkt wordt verstaan dat een persoon  redelijkerwijs niet binnen één jaar geschikt is voor deelname aan de  arbeidsmarkt. Dit begrip is van belang in verband met de mogelijkheid  tot het opdragen van een tegenprestatie. Zie hierover artikel 3 van deze  verordening. </al><al/><al> Mantelzorg </al><al/><al>In  de WMO 2015 (Stb. 2014, 280) is mantelzorg gedefinieerd als hulp ten  behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang,  jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige  diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, die rechtstreeks  voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en die  niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep.</al><al/><al>Uit  kamerstukken met betrekking tot het begrip 'mantelzorg' zoals  neergelegd in de Wet maatschappelijke ondersteuning volgt dat de vier  belangrijkste kenmerken van mantelzorg zijn: </al><al>1. er is een bestaande sociale relatie tussen de zorgvrager en de zorgverlener;</al><al>2. mantelzorg wordt niet verricht in een georganiseerd verband;</al><al>3. het verrichten van mantelzorg is veelal geen bewuste keuze;</al><al>4. het verlenen van mantelzorg is nooit afdwingbaar.</al><al/><al>Voor  mantelzorg is vereist dat de verleende zorg de gebruikelijke zorg van  huisgenoten voor elkaar overstijgt. Voor de uitvoering van de Wet  maatschappelijke ondersteuning hanteren gemeenten veelal het protocol  Gebruikelijke Zorg van het Centrum Indicatiestelling Zorg om vast te  stellen of sprake is van gebruikelijke zorg. Voor de uitleg van wat  onder gebruikelijke zorg kan worden aangesloten bij de definitie van  gebruikelijke zorg in het protocol Gebruikelijke Zorg. Gebruikelijke  zorg wordt in dat Protocol als volgt omschreven: de normale, dagelijkse  zorg die partners of ouders en inwonende kinderen geacht worden elkaar  onderling te bieden omdat ze als leefeenheid een gezamenlijk huishouden  voeren en op die grond een gezamenlijke verantwoordelijkheid hebben voor  het functioneren van dat huishouden. </al><al/><al>Deze  kenmerken zijn ontleend aan diverse kamerstukken zoals TK 2004-2005, 30  169, nr. 1 (Notitie "De mantelzorger in beeld") en TK 2005-2006, 30  131, nr. C. </al><al/><al>Artikel 2. Inhoud van een tegenprestatie</al><al/><al>Het  college bepaalt aan de hand van de individuele omstandigheden en de  voorhanden zijnde onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, de  aard, de duur en de omvang van de aan een persoon op te leggen  tegenprestatie. Hierbij moet het college de in deze verordening  neergelegde criteria in acht nemen. </al><al/><al>Het  college dient maatwerk toe te passen bij het opdragen van  werkzaamheden. Rekening moet worden gehouden met de individuele  omstandigheden van belanghebbende, waaronder leeftijd, opleiding,  werkervaring en andere relevante persoonlijke omstandigheden. De  werkzaamheden worden immers opgedragen ‘naar vermogen’. Het is dus van  belang dat belanghebbende ook in staat is de werkzaamheden te  verrichten.</al><al/><al>Als  het college onbeloonde werkzaamheden vraagt van belanghebbende, moet  het een duidelijke omschrijving geven van de te verrichten  werkzaamheden. Het moet voor een belanghebbende immers duidelijk zijn  welke tegenprestatie van hem wordt verwacht (zie Rechtbank  Zeeland-West-Brabant 25-02-2013, nr. 12/3649,  ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ5171). </al><al/><al>In  dit artikel is bepaald dat het onbeloonde werk additioneel van aard is.  De maatschappelijk nuttige werkzaamheden in het kader van de  tegenprestatie dienen zich te onderscheiden van werkzaamheden die door  de reguliere arbeidsmarkt verricht worden. Het onderscheid tussen  betaalde en onbetaalde werkzaamheden is afhankelijk van onder meer  economische factoren en van keuzes die mede op basis daarvan door het  bedrijfsleven en/of de overheid worden gemaakt. Het ontvangen van een  onkostenvergoeding geldt daarbij ondanks de ontvangst als onbetaalde  werkzaamheden. Denk bijvoorbeeld aan vrijwilligerswerk.</al><al/><al>Het  college is niet beperkt in het aanwijzen van het soort werkzaamheden  die als tegenprestatie kunnen worden ingezet. Hierdoor kan het college  snel inspelen op nieuwe activiteiten die als werkzaamheden kunnen worden  ingezet zonder dat wijziging van de verordening noodzakelijk is. </al><al/><al> Tegenprestatie mag niet leiden tot verdringing </al><al/><al>De  tegenprestatie mag niet worden ingezet in het kader van re-integratie.  De tegenprestatie mag bovendien niet direct gericht zijn op toeleiding  naar de arbeidsmarkt en is dan ook niet bedoeld als  re-integratieinstrument. Het betreffen werkzaamheden die worden verricht  naast of in aanvulling op reguliere arbeid die niet mogen leiden tot  verdringing op de arbeidsmarkt. Reguliere werkzaamheden kunnen daarom  niet als tegenprestatie worden ingezet. De onbeloonde werkzaamheden mag  het accepteren van passende arbeid of van re-integratie niet belemmeren.  Het uitgangspunt is werk boven uitkering staat voorop. Dit volgt uit  artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de Participatiewet en de  parlementaire geschiedenis. (zie TK 2010-2011, 32 815, nr. 3, p.14)</al><al/><al>Artikel 3. Het opdragen van een tegenprestatie</al><al/><al>De  gemeente kiest ervoor om de tegenprestatie in beginsel op te dragen aan  een belanghebbende die een grote afstand tot de arbeidsmarkt heeft.  Mensen met een korte afstand tot de arbeidsmarkt kunnen zich in de  eerste plaats richten op de arbeidsplicht en de re-integratieplicht,  zoals het naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid verkrijgen. </al><al/><al>Bij  mensen met een korte afstand tot de arbeidsmarkt mag worden verwacht  dat hun inspanningen eerder zullen leiden tot uitstroom. Daarom wordt  aan mensen met een korte afstand tot de arbeidsmarkt minder aangedrongen  op het verrichten van onbeloonde maatschappelijke activiteiten. De  onbeloonde werkzaamheden mogen immers het accepteren van passende arbeid  of re-integratieinspanningen niet belemmeren: werk gaat boven  uitkering. </al><al/><al>Binnen  deze groep kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de situatie waarin geen  re-integratieactiviteiten worden verricht door belanghebbende en het  verrichten van re-integratieactiviteiten op korte termijn redelijkerwijs  niet kan worden verwacht. In dat geval bestaat er ruimte voor het  opleggen van onbeloonde maatschappelijk nuttige activiteiten. </al><al/><al> Geen tegenprestatie </al><al/><al>Indien  daarvoor dringende redenen - zoals zorgtaken - aanwezig zijn, kan het  college in individuele gevallen tijdelijk ontheffing verlenen van de  plicht tot het verrichten van een tegenprestatie (artikel 9, tweede lid,  van de Participatiewet). </al><al/><al>De  verplichting tot het verrichten van een tegenprestatie is niet van  toepassing op een belanghebbende die volledig en duurzaam  arbeidsongeschikt is, als bedoeld in artikel 4 van de Wet werk en  inkomen naar arbeidsvermogen (artikel 9, vijfde lid, van de  Participatiewet) De verplichting tot tegenprestatie is niet van  toepassing op een alleenstaande ouder die in het bezit is van een  ontheffing als bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de Participatiewet  (artikel 9, zevende lid, van de Participatiewet). </al><al/><al> Factoren opdragen tegenprestatie </al><al/><al>In  artikel 3, derde lid, van deze verordening is neergelegd met welke  factoren het college rekening moet houden bij het opdragen van een  tegenprestatie. Deze factoren worden hierna toegelicht. </al><al/><al> Tegenprestatie 'naar vermogen' </al><al/><al>De  werkzaamheden die als tegenprestatie ingezet worden, moeten naar  vermogen door een belanghebbende verricht kunnen worden. De term 'naar  vermogen' heeft betrekking op de mogelijkheden waarover een  belanghebbende beschikt om deze werkzaamheden te verrichten. Immers,  niet alle onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden kunnen worden  opgedragen aan elke uitkeringsgerechtigde.</al><al/><al> Persoonlijke situatie en individuele omstandigheden belanghebbende </al><al/><al>Bij  het opdragen van de tegenprestatie houdt het college rekening met de  persoonlijke situatie en individuele omstandigheden van een  belanghebbende, waaronder leeftijd, opleiding en werkervaring.  (Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25-02-2013, nr. 12/3649,  ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ5171). Hierbij wordt rekening gehouden met het  fysieke en psychische vermogen van een belanghebbende. Bij het opdragen  van de tegenprestatie dient het college maatwerk te leveren. </al><al/><al> Persoonlijke wensen en kwaliteiten belanghebbende </al><al/><al>Bij  het opdragen van de verplichting tot tegenprestatie houdt het college  rekening met de persoonlijke wensen en kwaliteiten van belanghebbende.  De regering vindt het immers belangrijk dat een belanghebbende invloed  heeft op de keuze van de activiteiten (TK 2013-2014, 33 801, nr. 7, p.  47). Belanghebbende kan zelf ideeën aandragen voor de als tegenprestatie  te verrichten werkzaamheden. Het college kan in beleidsregels bepalen  wanneer een belanghebbende zijn keuze voor het verrichten van  maatschappelijk nuttige activiteit kenbaar maakt aan het college. Het  college beoordeelt de door belanghebbende zelf aangedragen ideeën en kan  besluiten om het voorstel van belanghebbende over te nemen en die  werkzaamheden in te zetten als tegenprestatie. Uiteraard moet die  werkzaamheid voldoen aan het bepaalde bij of krachtens artikel 3 van  deze verordening en moet die werkzaamheid beschikbaar zijn. Het college  is niet gehouden te voldoen aan de wensen van een belanghebbende, maar  moet deze wel in de beoordeling meenemen. Draagt belanghebbende geen  ideeën aan, dan legt het college belanghebbende een lijst met  keuzemogelijkheden voor van maatschappelijk nuttige werkzaamheden die  voorhanden zijn. Als belanghebbende geen voorkeur kenbaar maakt of er  geen keuzemogelijkheid is, legt het college een werkzaamheid op. Het is  immers aan het college, en niet aan een belanghebbende, een  tegenprestatie op te dragen aan belanghebbende. </al><al/><al> Praktische omstandigheden </al><al/><al>Voorts  wordt bij opdragen van een tegenprestatie rekening gehouden met  praktische omstandigheden zoals reistijd, beschikbaarheid van  kinderopvang en/of belanghebbende al maatschappelijke activiteiten  verricht.</al><al/><al> Maatschappelijke activiteiten en vrijwilligerswerk door belanghebbende </al><al/><al>Sommige  uitkeringsgerechtigden zijn al maatschappelijk actief of hebben  vrijwilligerswerk. De gemeente kan besluiten deze maatschappelijke  activiteit aan te merken als tegenprestatie. Ook kan een al bestaande  maatschappelijke activiteit of vrijwilligerswerk ertoe leiden dat men  name de duur en de omvang van de tegenprestatie anders worden  vastgesteld. Een voorbeeld van een maatschappelijke activiteit is: de  zorg voor een ouder of een gehandicapt familielid.</al><al/><al> Weigering tegenprestatie </al><al/><al>Het  college dient bij weigering van belanghebbende om de tegenprestatie te  verrichten, op basis van het individuele geval de hoogte en de duur van  de op te leggen maatregel te bepalen. </al><al/><al>Artikel 4. Mantelzorg</al><al/><al>Zie onder toelichting artikel 1 en artikel 3</al><al/><al>Artikel 5. Duur en omvang van een tegenprestatie</al><al/><al>Het  college bepaalt aan de hand van de individuele omstandigheden en de  voorhanden zijnde onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, de  aard, de duur en de omvang van de aan een persoon op te leggen  tegenprestatie. Dat betekent dat het college steeds een afweging maakt  op basis van de situatie in welke mate een tegenprestatie verlangd kan  worden. Hierbij moet het college de in deze verordening neergelegde  criteria in acht nemen. De omvang van de werkzaamheden en de duur in de  tijd dienen vanwege het verbod op dwangarbeid en slavernij beperkt te  zijn(artikel 4 EVRM). Binnen de genoemde termijn van een jaar is het  mogelijk voor de gemeente om de onbeloonde werkzaamheden te wijzigen  naar aard en omvang. Voor de omvang is gekeken naar de maximale inzet  van een vrijwilliger. Gemiddeld is dat voor een Nederlander 5 uur per  week. Iemand zonder werk of re-integratieverplichtingen kan een grotere  prestatie leveren als vrijwilliger. Uitgaande van een dagdeel per dag  over maximaal 4 dagen is de maximale inzet 16 uur per week. Een  tegenprestatie kan ook worden ingezet op kortdurende opdrachten van  bijvoorbeeld één of twee weken waarbij de maximale inzet van 16 uur voor  deze korte periode kan worden overschreden. </al><al/><al>Artikel 6. Inwerkingtreding</al><al/><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al><al/><al>Artikel 7. Beleidsregels</al><al/><al>Met betrekking tot de uitvoering van de “Tegenprestatie” kan het college regels opstellen.</al><al/><al>Artikel 8. Citeertitel</al><al/><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>