<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR378792_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Afstemmingsverordening Participatiewet, Ioaw en Ioaz 2015 Dantumadiel</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Dantumadiel</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-06-12</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Dantumadiel</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="http://www.dekrantvantoen.nl/vw/page.do?id=FKC-01-004-20141210&amp;ed=00">Kollumer Courant, 10 december 2014</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Afstemmingsverordening Participatiewet, Ioaw en Ioaz 2015 Dantumadiel</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel a en e van de Participatiewet; artikel 35 van de Wet Inkomens voorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers; artikel 35 van de Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-12-01</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-12-23</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-01-19</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Overeenkomstig de wijzigingsverordening Participatiewet 2016</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Werk, inkomen, zorg</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Afstemmingsverordening Participatiewet, Ioaw en Ioaz 2015
            Dantumadiel</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Dantumadiel</al><al/><al>Gelet op artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel a en e van de
                        Participatiewet, artikel 35 van de Wet Inkomensvoorziening oudere en
                        gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en artikel 35 van de Wet
                        Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
                        zelfstandigen</al><al/><al>Besluit vast te stellen de Afstemmingsverordening Participatiewet, Ioaw en
                        Ioaz gemeente Dantumadiel 2015</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK 1 – ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 1 – Begrippen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="-"><al>benadelingsbedrag: de netto-uitkering waarop eerder, langer of
                                    tot een hoger bedrag en beroep wordt of is gedaan ten gevolge
                                    van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de
                                    voorziening in het bestaan;</al></li><li nr="-"><al>bijstandsnorm:</al></li><li nr="-"><al>de toepasselijke bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5,
                                    onderdeel c van de Participatiewet, of</al></li><li nr="-"><al>de grondslag van de uitkering als bedoeld in artikel 5 van de
                                    Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                    arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 5 van de Wet
                                    Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                                    gewezen zelfstandigen voor zover er sprake is van een uitkering
                                    op grond van de Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                    arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de Wet
                                    Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                                    gewezen zelfstandigen;</al></li><li nr="-"><al>Ioaw: de Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                    arbeidsongeschikte werkloze werknemers;</al></li><li nr="-"><al>Ioaz: de Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                    arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</al></li><li nr="-"><al>uitkering: algemene en bijzondere bijstand op grond van de
                                    Participatiewet of de uitkering op grond van de Wet
                                    Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                                    werkloze werknemers of de Wet Inkomensvoorziening oudere en
                                    gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2 – Het besluit tot het opleggen van een
                                verlaging</titel></kop><al>In het besluit tot het opleggen van een verlaging als bedoeld in de
                            artikelen 9a, twaalfde lid, 18, tweede, vijfde en zesde lid van de
                            Participatiewet, de artikelen 20 en 38, twaalfde lid van de Ioaw en de
                            artikelen 20 en 38, twaalfde lid van de Ioaz worden in ieder geval
                            vermeld:</al><lijst><li nr="a."><al>de reden(en) van de verlaging;</al></li><li nr="b."><al>de duur van de verlaging;</al></li><li nr="c."><al>het bedrag en/of percenage waarmee de uitkering verlaagd wordt,
                                    en</al></li><li nr="d."><al>indien van toepassing, de reden(en) om af te wijken van de
                                    standaardverlaging.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3 – Horen van de belanghebbende</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voordat een maatregel wordt opgelegd wordt een belanghebbende in de
                                gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het horen van een belanghebbende kan achterwege blijven als:</al><lijst><li nr="a."><al>de vereiste spoed zich daartegen verzet;</al></li><li nr="b."><al>de belanghebbende al eerder in de gelegenheid is gesteld
                                        zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen
                                        nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan;</al></li><li nr="c."><al>het college het horen niet nodig acht voor het vaststellen
                                        van de ernst van de gedraging of de mate van
                                        verwijtbaarheid;</al></li><li nr="d."><al>de belanghebbende zelf aangeeft hiervan geen gebruik te
                                        willen maken.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4 – Afzien van de verlaging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college ziet af van een verlaging als:</al><lijst><li nr="a."><al> elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt;</al></li><li nr="b."><al>de gedraging meer dan twaalf maanden voor de constatering
                                        daarvan door het college heeft plaatsgevonden</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan afzien van een verlaging als het daarvoor dringende
                                redenen aanwezig acht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als het college afziet van een verlaging op grond van dringende
                                redenen wordt een belanghebbende hiervan schriftelijk op de hoogte
                                gesteld. De schriftelijke mededeling bevat in ieder geval de
                                reden(en) waarom een verlaging zou worden toegepast, en de dringende
                                reden(en) op grond waarvan het college afziet van de verlaging.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Van een verlaging wegens een gedraging van de eerste categorie,
                                bedoeld in artikel 7, artikel 8 van deze verordening kan worden
                                afgezien en kan worden volstaan van het geven van een schriftelijke
                                waarschuwing terzake van de verwijtbare gedraging, tenzij het niet
                                nakomen van deze verplichting plaatsvindt binnen een periode van
                                twee jaren, te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de
                                belanghebbende een schriftelijke waarschuwing voor die gedraging is
                                gegeven.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5 – Ingangsdatum en tijdvak van een verlaging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een verlaging wordt toegepast op de uitkering of bijzondere bijstand
                                die is verleend met toepassing van artikel 12 van de Participatiewet
                                over de kalendermaand volgend op de maand waarin het besluit tot het
                                opleggen van de verlaging aan een belanghebbende is bekendgemaakt.
                                Daarbij wordt uitgegaan van de voor die maand voor de belanghebbende
                                geldende bijstandsnorm.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als een verlaging niet of niet geheel ten uitvoer kan worden gelegd
                                als gevolg van de beëindiging of intrekking van de uitkering wordt
                                de verlaging of dat deel van de verlaging dat nog niet is uitgevoerd
                                alsnog opgelegd als de belanghebbende binnen de termijn, bedoeld in
                                artikel 4, eerste lid, onderdeel b, opnieuw een uitkering
                                ontvangt.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6 – Berekeningsgrondslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een verlaging wordt berekend over de bijstandsnorm.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan een verlaging worden toegepast
                                op de bijzondere bijstand als:</al><lijst><li nr="2.1"><al>aan de belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met
                                        toepassing van artikel 12 van de Participatiewet, of</al></li><li nr="2.2"><al>de verwijtbare gedraging van de belanghebbende in relatie
                                        met zijn recht op bijzondere bijstand daartoe aanleiding
                                        geeft.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK 2 – NIET NAKOMEN VAN DE NIET-GEUNIFORMEERDE VERPLICHTINGEN
                            MET BETREKKING TOT DE ARBEIDSINSCHAKELING</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 7 – Gedragingen Participatiewet</titel></kop><al>Gedragingen van een belanghebbende waardoor een verplichting op grond
                            van de artikelen 9, 9a en 55 van de Participatiewet niet of onvoldoende
                            wordt nagekomen worden onderscheiden in de volgende categoriën:</al><lijst><li nr="a."><al>eerste categorie: het zich niet tijdig laten registreren als
                                    werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut
                                    werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten verlengen van
                                    de registratie;</al></li><li nr="b."><al>tweede categorie:</al><lijst><li nr="-"><al>het niet of niet voldoende meewerken aan het opstellen,
                                            uitvoeren en evalueren van het plan van aanpak als
                                            bedoeld in artikel 44a van de Participatiewet;</al></li><li nr="-"><al>het onvoldoende nakomen van de verplichtingen als
                                            bedoeld in de artikelen 9, eerste lid of 55 van de
                                            Participatiewet, voor zover het gaat om een
                                            belanghebbende, jonger dan 27 jaar, gedurende vier weken
                                            na een melding als bedoeld in artikel 43, vierde en
                                            vijfde lid van de Participatiewet, voor zover deze
                                            verplichtingen niet worden genoemd in artikel 18, vierde
                                            lid van de Participatiewet;</al></li><li nr="-"><al>het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken
                                            verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid,
                                            onderdeel b van de Participatiewet niet te willen
                                            nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de
                                            ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande
                                            ouder, bedoeld in artikel 9a, eerste lid van de
                                            Participatiewet;</al></li><li nr="-"><al>het niet of onvoldoende verrichten van een door het
                                            college opgedragen tegenprestatie naar vermogen als
                                            bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel c van de
                                            Participatiewet;</al></li><li nr="-"><al>het niet of onvoldoende nakomen van de
                                            medewerkingsplicht als bedoeld in artikel 17, tweede
                                            lid, van de Participatiewet.</al></li></lijst></li><li nr="c."><al>derde categorie: het niet naar vermogen proberen algemeen
                                    geaccepteerde arbeid te verkrijgen in de gemeente van inwoning
                                    voor zover dit niet voortvloeit uit een gedraging als bedoeld in
                                    artikel 18, vierde lid van de Participatiewet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 7a</label><nr>- Niet meewerken aan taaltoets</nr></kop><al>Als een belanghebbende niet meewerkt aan het afleggen van de taaltoets
                            als bedoeld in artikel 18b, tweede lid, van de Participatiewet, wordt
                            een verlaging opgelegd van: </al><lijst><li nr="a."><al> 20% van de bijstandsnorm gedurende één maand;</al></li><li nr="b."><al> 40% van de bijstandsnorm gedurende één maand als belanghebbende
                                    zich binnen 12 maanden na bekendmaking van een besluit in de zin
                                    van artikel 7a, onderdeel a van deze verordening waarmee een
                                    verlaging is toegepast opnieuw schuldig maakt aan dezelfde
                                    verwijtbare gedraging;</al></li><li nr="c."><al> telkens 100% van de bijstandsnorm gedurende één maand als
                                    belanghebbende zich binnen 12 maanden na bekendmaking van een
                                    besluit in de zin van artikel 7a, onderdeel b, van deze
                                    verordening, opnieuw schuldig maakt aan dezelfde verwijtbare
                                    gedraging.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8 – Gedragingen Ioaw en Ioaz</titel></kop><al>Gedragingen van een belanghebbende waardoor een verplichting op grond
                            van de artikelen 37 en 38 van de Ioaw of de artikelen 37 en 38 van de
                            Ioaz niet of onvoldoende wordt nagekomen worden onderscheiden in de
                            volgende categoriën:</al><lijst><li nr="a."><al>eerste categorie: het zich niet tijdig laten registreren als
                                    werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut
                                    werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten verlengen van
                                    de registratie;</al></li><li nr="b."><al>tweede categorie:</al><lijst><li nr="-"><al>het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een
                                            onderzoek naar de mogelijkheden tot
                                            arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="-"><al>het niet of in onvoldoende gebruik maken van een door
                                            het college aangeboden voorziening als bedoeld in de
                                            artikelen 36, eerste lid en 37, eerste lid van de Ioaw
                                            of de artikelen 36, eerste lid en 37, eerste lid van de
                                            Ioaz , voor zover dit niet heeft geleid tot het gen
                                            doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van die
                                            voorziening;</al></li><li nr="-"><al>het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken
                                            de verplichtingen als bedoeld in artikel 37, eerste lid,
                                            onderdeel e van de Ioaw of artikel 37, eerste lid,
                                            onderdeel e van de Ioaz niet te willen nakomen, wat
                                            heeft geleid tot het intrekken van de arbeidsplicht voor
                                            een alleenstaande ouder als bedoeld in artikel 38,
                                            eerste lid van de Ioaw of artikel 38 van de Ioaz;</al></li><li nr="-"><al>het niet of onvoldoende verrichten van een door het
                                            college opgedragen tegenprestatie naar vermogen als
                                            bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel f van de
                                            Ioaw of artikel 37, eerste lid, onderdeel f van de
                                            Ioaz;</al></li></lijst></li><li nr="c."><al>derde categorie: het niet of niet voldoende gebruik maken van
                                    een door het college aangeboden voorziening gericht op
                                    arbeidsinschakeling als bedoeld in de artikelen 36, eerste lid
                                    en 37, eerste lid, onderdeel e van de Ioaw en artikel 36, eerste
                                    lid en artikel 37, eerste lid, onderdeel e van de Ioaz, voor
                                    zover dit heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot
                                    voortijdige beëindiging van die voorziening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9 – Hoogte en duur van de verlaging</titel></kop><al>De verlaging bij gedragingen als bedoeld in dit hoofdstuk wordt
                            vastgesteld op:</al><lijst><li nr="a."><al>10% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij gedragingen van
                                    de eerste categorie;</al></li><li nr="b."><al>20% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij gedragingen van
                                    de tweede categorie;</al></li><li nr="c."><al>50% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij gedragingen van
                                    de derde categorie.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>HOOFSTUK 3 – NIET NAKOMEN VAN DE GEUNIFORMEERDE VERPLICHTINGEN MET
                            BETREKKING TOT DE ARBEIDSINSCHAKELING </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 10 – Duur van de verlaging bij schending van de
                                geüniformeerde arbeidsverplichting</titel></kop><al>Als een belanghebbende een verplichting als bedoeld in artikel 18,
                            vierde lid van de Participatiewet niet of niet voldoende nakomt bedraagt
                            de verlaging 100% van de bijstandsnorm gedurende:</al><lijst><li nr="a."><al>één maand bij gedragingen als bedoeld in artikel 18, vierde lid,
                                    onderdelen b, f en g van de Participatiewet;</al></li><li nr="b."><al>twee maanden bij gedragingen als bedoeld in artikel 18, vierde
                                    lid, onderdelen a, c, d, e en h van de Participatiewet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11 – Verrekenen van de verlaging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bedrag van de verlaging, bedoeld in artikel 10, wordt toegepast
                                over de maand van oplegging van de maatregel en de volgende twee
                                maanden als bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij een verlaging als bedoeld in artikel 10, onderdeel a kan de
                                verlaging worden toegepast over twee maanden waarbij zowel in de
                                maand van oplegging als in de daaropvolgende maand de helft van de
                                verlaging wordt toebedeeld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij een verlaging als bedoeld in artikel 10, onderdeel b, kan de
                                verlaging worden toegepast over drie maanden waarbij zowel aan de
                                maand van oplegging als aan de twee daaropvolgende maanden een derde
                                van de verlaging wordt toebedeeld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als sprake is van een verlaging op grond van artikel 18, vierde lid,
                                onderdeel a van de Participatiewet vindt geen verrekening als
                                bedoeld in het eerste lid plaats.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK 4 – OVERIGE GEDRAGINGEN DIE LEIDEN TOT EEN
                            VERLAGING</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 12 – Tekortschietend besef van
                                verantwoordelijkheid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een verlaging wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
                                voor de voorziening in het bestaan als bedoeld in artikel 18, tweede
                                lid van de Participatiewet wordt afgestemd op de periode die de
                                belanghebbende als gevolg van zijn gedraging eerder of langer een
                                beroep op bijstand moet doen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De verlaging wordt vastgesteld op:</al><lijst><li nr="-"><al>25% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij een periode
                                        korte dan drie maanden;</al></li><li nr="-"><al>25% van de bijstandsnorm gedurende drie maanden bij een
                                        periode van drie tot zes maanden;</al></li><li nr="-"><al>25% van de bijstandsnorm gedurende zes maanden bij een
                                        periode van zes maanden of langer.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het eerste en tweede lid bedraagt de verlaging 75%
                                gedurende zes maanden indien het een jongere als bedoeld in artikel
                                13, tweede lid, onderdeel c van de Participatiewet betreft en deze
                                jongere voorafgaand aan of tijdens de bijstandsverlening zich niet
                                of onvoldoende heeft ingespannen om uit ’s Rijks kas bekostigd
                                onderwijs te volgen. Artikel 5 van deze verordening is niet van
                                toepassing. De verlaging wordt toegepast met ingang van de datum van
                                melding als bedoeld in artikel 44 van de Participatiewet.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 13 – Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><al>Als een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover personen en
                            instanties die zijn belast met de uitvoering van de Participatiewet als
                            bedoeld in artikel 9, zesde lid, van die wet, tegenover personen en
                            instanties die zijn belast met de uitvoering van de Wet
                            inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
                            werknemers als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onder g, van die wet
                            of tegenover personen en instanties die zijn belast met de uitvoering
                            van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                            gewezen zelfstandigen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onder g,
                            van die wet, wordt een verlaging opgelegd van:</al><lijst><li nr="-"><al>100% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij het uitoefenen
                                    van fysiek geweld tegen de in het eerste lid genoemde
                                    personen;</al></li><li nr="-"><al>50% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij het uitoefenen
                                    van fysiek geweld tegen materiële zaken en bij mondelinge of
                                    schriftelijke bedreigingen gericht tegen de in het eerste lid
                                    genoemde personen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14 – Niet nakomen van overige verplichtingen</titel></kop><al>Als een belanghebbende een door het college opgelegde verplichting als
                            bedoeld in artikel 55 van de Participatiewet niet of niet voldoende
                            nakomt wordt een verlaging toegepast. De verlaging wordt vastgesteld
                            op:</al><lijst><li nr="a."><al>20% van de bijstandsnorm gedurende een maand bij het niet of
                                    onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot
                                    arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="b."><al>20 van de bijstandsnorm gedurende een maand bij het niet of
                                    onvoldoende nakomen van verplichtingen die verband houden met
                                    aard en doel van een bepaalde vorm van bijstand;</al></li><li nr="c."><al>50% van de bijstandsnorm gedurende een maand bij het niet of
                                    onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot
                                    vermindering van de bijstand;</al></li><li nr="d."><al>50% van de bijstandsnorm gedurende een maand bij het niet of
                                    onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot
                                    beëindiging van de bijstand.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK 5 – SAMENLOOP EN RECIDIVE</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 15 – Samenloop van gedragingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als sprake is van één gedraging die schending oplevert van meerdere
                                in deze verordening in artikel 18, vierde lid van de Participatiewet
                                of artikel 18b van de Participatiewet genoemde verplichtingen, wordt
                                één verlaging opgelegd. Voor het bepalen van de hoogte en duur van
                                de verlaging wordt uitgegaan van de gedraging waarop de hoogste
                                verlaging is gesteld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van
                                één of meerdere in deze verordening of in artikel 18, vierde lid van
                                de Participatiewet of artikel 18b van de Participatiewet genoemde
                                verplichtingen, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke
                                maatregel opgelegd. Deze verlagingen worden gelijktijdig opgelegd,
                                tenzij dit gelet op de ernst van de gedraging, de mate van
                                verwijtbaarheid en de omstandigheden van de belanghebbende niet
                                verantwoord is.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als sprake is van één gedraging die schending oplevert van zowel een
                                in deze verordening of in artikel 18, vierde lid van de
                                Participatiewet of artikel 18b van de Participatiewet genoemde
                                verplichting als een in artikel 17, eerste lid van de
                                Participatiewet genoemde verplichting wordt geen verlaging opgelegd
                                voor zover die schending een bestuurlijke boete wordt opgelegd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van
                                zowel een in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de
                                Participatiewet of artikel 18b van de Participatiewet genoemde
                                verplichting als een in artikel 17, eerste lid, van de
                                Participatiewet genoemde verplichting, waarvoor een bestuurlijke
                                boete kan worden opgelegd, wordt voor iedere gedraging een
                                afzonderlijke verlaging opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst van
                                de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van
                                de belanghebbende niet verantwoord is.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 16 – Recidive</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking
                                van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een
                                gedraging als bedoeld in de artikelen 7, onderdeel b of c, 8,
                                onderdeel b of c, 12, eerste lid, of 14 opnieuw schuldig maakt aan
                                eenzelfde verwijtbare gedraging, wordt telkens de duur van de
                                oorspronkelijke verlaging verdubbeld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking
                                van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een
                                gedraging als bedoeld in de artikelen 7, onderdeel a, 8, onderdeel
                                a, of 13 opnieuw schuldig maakt aan eenzelfde verwijtbare gedraging,
                                wordt telkens de hoogte van de oorspronkelijke verlaging
                                verdubbeld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking
                                van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een
                                gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de
                                Participatiewet, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare
                                gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de
                                Participatiewet, bedraagt de verlaging honderd procent van de
                                bijstandsnorm gedurende [periode (bijvoorbeeld drie maanden)].</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK 6 – BLIJVENDE OF TIJDELIJKE WEIGERING IOAW EN IOAZ</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 17 – Samenloop bij weigeren uitkering Ioaw of
                                Ioaz</titel></kop><al>Als het college de uitkering op grond van artikel 20, eerste lid van de
                            Ioaw of artikel 20, tweede lid van de Ioaz blijvend of tijdelijk weigert
                            en de gedraging die tot die weigering heeft geleid tevens op grond van
                            deze verordening tot een verlaging zou kunnen leiden, blijft een
                            verlaging terzake van die weigering achterwege.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 18 - Blijvend en tijdelijk weigeren IOAW- of
                                IOAZ-uitkering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan de uitkering tijdelijk weigeren naar de mate waarin
                                de belanghebbende inkomen als bedoeld in of op grond van artikel 8
                                van de IOAW of de IOAZ zou hebben kunnen verwerven, als:</al><lijst><li nr="-"><al>aan de beëindiging van zijn dienstbetrekking een dringende
                                        reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek
                                        7 van het Burgerlijk Wetboek en een persoon ter zake een
                                        verwijt kan worden gemaakt, of</al></li><li nr="-"><al>de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van een
                                        persoon zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige
                                        bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting
                                        redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan de uitkering blijvend weigeren naar de mate waarin
                                de belanghebbende inkomen als bedoeld in of op grond van artikel 8
                                van de IOAW van de IOAZ zou hebben kunnen verwerven, als een
                                persoon:</al><lijst><li nr="-"><al>nalaat algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden, of</al></li><li nr="-"><al>door eigen toedoen geen algemeen geaccepteerde arbeid
                                        verkrijgt.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK 7 – SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 19 – Intrekken oude verordeningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De maatregelenverordering 2012 Dantumadiel wordt ingetrokken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De maatregelverordening Ioaw en Ioaz 2010 Dantumadiel wordt
                                ingetrokken.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 20 – Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 21 - Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Afstemmingsverordening
                            Participatiewet, Ioaw en Ioaz gemeente Dantumadiel 2015.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting algemeen</titel></kop><al/><al>De gemeente heeft een verantwoordelijkheid met betrekking tot de invulling van
                    de rechten en plichten van bijstandsgerechtigden. Mede gelet op de
                    rechtszekerheid van een bijstandsgerechtigde moet het gemeentelijk beleid
                    vastgelegd worden in een verordening. Rechten en plichten zijn echter twee
                    kanten van één medaille. Het recht op algemene bijstand is altijd verbonden aan
                    de plicht zich in te zetten om weer onafhankelijk te worden van de
                    uitkering.</al><al/><al>Participatiewet</al><al/><al>Artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet spreekt over het afstemmen van de
                    bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen op de omstandigheden,
                    mogelijkheden en middelen van een belanghebbende. In deze bepaling wordt
                    benadrukt dat het vaststellen van de hoogte van de uitkering en de daaraan
                    verbonden verplichtingen voor bijstandsgerechtigden maatwerk is. Daarbij moet
                    recht worden gedaan aan de individuele situatie en de persoonlijke
                    omstandigheden van bijstandsgerechtigden. Artikel 18, tweede lid, van de
                    Participatiewet legt een directe koppeling tussen de rechten en plichten van
                    uitkeringsgerechtigden: het recht op een uitkering is altijd verbonden aan de
                    plicht zich in te zetten om weer onafhankelijk te worden van de uitkering. Dit
                    betekent dat de vaststelling van de hoogte van de uitkering niet alleen afhangt
                    van de toepasselijke uitkeringsnorm en de beschikbare middelen van de
                    bijstandsgerechtigde, maar ook van de mate waarin de verplichtingen worden
                    nagekomen. De inspanningen die van de bijstandsgerechtigde naar vermogen kunnen
                    worden verwacht, spelen ook een rol.</al><al/><al>Wanneer het college tot het oordeel komt dat een bijstandsgerechtigde zijn
                    verplichtingen niet of in onvoldoende mate nakomt, verlaagt het de uitkering. Er
                    is dus geen sprake van een bevoegdheid, maar van een verplichting. Alleen
                    wanneer iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, ziet het college af van een
                    dergelijke verlaging. Het college moet niettemin bij de vaststelling van de
                    verlaging rekening houden met de persoonlijke omstandigheden en de individueel
                    vastgestelde verplichtingen. Het college kan dan ook van een verlaging afzien
                    als het college daartoe zeer dringende reden aanwezig acht.</al><al/><al>Met ingang van 1 januari 2015 zijn in artikel 18, vierde lid, van de
                    Participatiewet geüniformeerde arbeidsverplichtingen opgenomen. Voor schending
                    van deze verplichting geldt dat de bijstand in beginsel moet worden verlaagd met
                    honderd procent gedurende één tot drie maanden. In de verordening wordt de duur
                    van de verlaging vastgelegd (artikel 18, vijfde lid, van de
                    Participatiewet).</al><al/><al>Is afgezien van een verlaging wegens het ontbreken van elke vorm van
                    verwijtbaarheid, dan is het niet mogelijk om bij toepassing van bepalingen ten
                    aanzien van recidive deze gedraging mee te tellen. Is vanwege de afstemming op
                    grond van artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet of vanwege dringende
                    redenen afgezien van het opleggen van een verlaging, dan is daarin geen reden
                    gelegen om de betreffende gedraging buiten beschouwing te laten in geval van
                    recidive.</al><al/><al>Het college beoordeelt uiterlijk drie maanden na de datum van de beschikking of
                    de omstandigheden en het gedrag van belanghebbende aanleiding geven de
                    beslissing te herzien (artikel 18, derde lid, van de Participatiewet). Bij een
                    dergelijke herbeoordeling hoeft niet opnieuw een besluit te worden genomen,
                    waarbij alle feiten en omstandigheden opnieuw tegen het licht worden gehouden.
                    Het heeft slechts als doel vast te stellen of belanghebbende tussentijds (binnen
                    de periode waarover de verlaging zich uitstrekt) blijk heeft gegeven van een
                    zodanige gedragsverandering of dat sprake is van een zodanige wijziging van
                    omstandigheden, dat aanleiding bestaat de eerder opgelegde verlaging in zwaarte
                    of duur bij te stellen.</al><al/><al>Artikel 18, derde lid, van de Participatiewet is naar oordeel van het ministerie
                    van Sociale Zaken en Werkgelegenheid niet van toepassing als sprake is van
                    schending van een van de geüniformeerde arbeidsverplichtingen (artikel 18,
                    vierde lid, van de Participatiewet). Ten aanzien van geüniformeerde
                    arbeidsverplichtingen is artikel 18, elfde lid, van de Participatiewet van
                    toepassing. Verschil tussen artikel 18, derde lid, en artikel 18, elfde lid, van
                    de Participatiewet is dat artikel 18, elfde lid, pas wordt toegepast als
                    belanghebbende daarom vraagt.</al><al/><al>Een verlaging krachtens de afstemmingsverordening is een punitieve sanctie voor
                    zover de verlaging wordt opgelegd omdat belanghebbende zich zeer ernstig heeft
                    misdragen. In andere gevallen waarin een verlaging wordt opgelegd krachtens de
                    afstemmingsverordening is sprake van een reparatoire sanctie (bijvoorbeeld bij
                    schending arbeidsverplichting). Als een betreffende gedraging ook een strafbaar
                    feit oplevert, kan belanghebbende hier strafrechtelijk voor worden vervolgd. De
                    verlaging en de strafvervolging kunnen naast elkaar bestaan omdat het hier gaat
                    om een reparatoire maatregel en een punitieve sanctie.</al><al/><al>Afstemmen in de IOAW en de IOAZ Als een betreffende gedraging ook een strafbaar
                    feit oplevert, kan belanghebbende hier strafrechtelijk voor worden vervolgd.
                    Deze verlaging en de strafvervolging kunnen alleen naast elkaar bestaan als
                    sprake is van juridisch te onderscheiden feiten. Bijvoorbeeld: belanghebbende
                    beledigt opzettelijk een ambtenaar. Strafrechtelijk bezien kan een geldboete
                    worden opgelegd of een gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden. Daarnaast
                    is sprake van zich zeer ernstig misdragen zoals bedoeld in artikel 9, zesde lid,
                    van de Participatiewet op grond waarvan de bijstand kan worden verlaagd.</al><al/><al>Niet verlenen van medewerking</al><al/><al>Het niet verlenen van medewerking zal niet snel aanleiding geven tot verlaging
                    van de bijstand. Het belangrijkste voorbeeld van de medewerkingsplicht is het
                    toestaan van een huisbezoek. In de praktijk zal het niet toestaan van een
                    huisbezoek echter leiden tot beëindiging of intrekking van het recht op bijstand
                    omdat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Het verlagen van de
                    bijstand is in dat geval niet aan de orde. Het niet voldoen aan een oproep om op
                    een bepaalde plaats en tijd te verschijnen in verband met arbeidsinschakeling
                    valt ook onder het niet voldoen aan de medewerkingsplicht. In de praktijk
                    betreft het echter veelal oproepen voor gesprekken om bepaalde inlichtingen te
                    verstrekken zodat het niet verschijnen dan wordt gezien als het niet nakomen van
                    de inlichtingenplicht. Daarom is ervoor gekozen het niet verlenen van
                    medewerking zoals bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de Participatiewet niet
                    als verlagingswaardige gedraging op te nemen in deze verordening.</al><al>Schenden van de inlichtingenplicht</al><al/><al>De bestuurlijke boete is per 1 januari 2013 opnieuw ingevoerd in de Wet werk en
                    bijstand (hierna: WWB) (thans: Participatiewet), IOAW en IOAZ. Deze moet worden
                    opgelegd bij een schending van de inlichtingenplicht en komt in de plaats van de
                    verlaging van de bijstand.</al><al/><al>Toelichting artikelgewijs</al><al/><al>Artikel 1 – Begrippen</al><al/><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt hebben dezelfde betekenis
                    als in de Participatiewet, deWet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                    arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de Wet Inkomensvoorziening oudere en
                    gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen en de Algemene wet
                    bestuursrecht.</al><al/><al>Artikel 2 – Het besluit tot het opleggen van een verlaging</al><al/><al>Het verlagen van een uitkering op grond van deze verordening vindt plaats door
                    middel van een besluit. Tegen dit besluit kan een belanghebbende bezwaar en
                    beroep indienen. In dit artikel is aangegeven wat in het besluit in ieder geval
                    moet worden vermeld. Deze eisen vloeien rechtstreeks voort uit de Awb en dan
                    vooral uit het motiveringsvereiste. Het motiveringsvereiste houdt onder andere
                    in dat een besluit kenbaar is en van een deugdelijke motivering is voorzien.
                    Daarnaast heeft de maatregel een reparatoir karakter. Dat betekent dat de
                    belanghebbende moet weten welke verplichting(en) hij niet of onvoldoende is
                    nagekomen, zodat hij zijn gedrag daarop kan aanpassen. Om deze reden moet de
                    reden van de verlaging in de beschikking worden opgenomen.</al><al/><al>Artikel 3 – Horen van de belanghebbende</al><al/><al>Het college is niet verplicht belanghebbende in het kader van het onderzoek te
                    horen, alvorens een verlaging jegens belanghebbende kan worden toegepast. Het
                    betreft namelijk een beslissing ten aanzien van een financiële aanspraak en die
                    zijn op grond van artikel 4:12 Awb uitgezonderd van de hoorplicht bij de
                    voorbereiding van een besluit. Het kan in voorkomende gevallen de zorgvuldigheid
                    van het besluit ten goede komen als belanghebbende wel wordt gehoord.</al><al/><al>Artikel 4 – Afzien van de verlaging</al><al/><al>Het afzien van het opleggen van een verlaging “indien elke vorm van
                    verwijtbaarheid ontbreekt", is overgenomen uit artikel 18, negende lid, van de
                    Participatiewet, respectievelijk artikel 20, derde lid, van de IOAW en artikel
                    20, derde lid, van de IOAZ. Aangenomen moet worden dat hiervan uitsluitend
                    sprake is bij evidente afwezigheid van verwijtbaarheid. Het is aan het college
                    te beoordelen of elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt aan het betreffende
                    gedrag. Is vanwege de afwezigheid van elke vorm van verwijtbaarheid afgezien van
                    een verlaging, dan is het niet mogelijk om bij toepassing van recidive deze
                    gedraging mee te tellen (zie artikel 16 van deze verordening). Is vanwege de
                    afstemming op grond van artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet van een
                    verlaging afgezien dan is daarin geen reden gelegen om de betreffende gedraging
                    buiten beschouwing te laten in geval van recidive.</al><al/><al>Een andere reden om af te zien van het opleggen van een verlaging is dat de
                    gedraging te lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille van de
                    effectiviteit (“lik op stuk”) is het nodig dat een verlaging spoedig nadat de
                    gedraging heeft plaatsgehad, wordt opgelegd. Om deze reden regelt het eerste
                    lid, onderdeel b, dat het college geen verlagingen oplegt voor gedragingen die
                    langer dan twaalf maanden geleden hebben plaatsgevonden. Dit heeft tevens als
                    voordeel dat een uitkeringsgerechtigde niet te lang in onzekerheid wordt
                    gehouden over de vraag of het college overgaat tot het opleggen van een
                    verlaging.</al><al/><al>In het tweede lid is geregeld dat kan worden afgezien van het opleggen van een
                    verlaging als daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. De verordening stelt een
                    algemene verplichting tot het opleggen van een verlaging voorop. Uitzonderingen
                    moeten echter mogelijk zijn als voor de belanghebbende onaanvaardbare
                    consequenties zouden optreden. Uit het woord "dringend" blijkt dat er iets heel
                    bijzonders en uitzonderlijks aan de hand moet zijn, wil een afwijking van het
                    algemene principe gerechtvaardigd zijn. Wat dringende redenen zijn, is
                    afhankelijk van de concrete situatie en kan dus niet op voorhand worden
                    vastgelegd. Er kan worden gedacht aan enerzijds een mindere mate van
                    verwijtbaarheid ten aanzien van de gedraging en anderzijds aan de financiële of
                    sociale gevolgen voor belanghebbende en/of diens gezin. Daarbij moet worden
                    opgemerkt dat ernstige financiële gevolgen op zichzelf geen reden zijn om van
                    een verlaging af te zien, omdat dit inherent is aan het verlagen van een
                    uitkering.</al><al/><al>De wet schrijft bij overtreding van een geüniformeerde arbeidsverplichting een
                    afstemming voor van honderd procent van de bijstand gedurende één tot drie
                    maanden. Op grond van artikel 18, tiende lid, van de Participatiewet moet het
                    college een op te leggen maatregel of een opgelegde maatregel afstemmen op de
                    omstandigheden van een belanghebbende en diens mogelijkheden om middelen te
                    verwerven. Dit als - volgens het college - dringende redenen daartoe noodzaken,
                    gelet op bijzondere omstandigheden. Op grond van bijzondere omstandigheden kan
                    het college besluiten de maatregel op een lager niveau, voor een kortere duur of
                    op nul vast te stellen.</al><al/><al>Het doen van een schriftelijke mededeling in een beschikking dat het college
                    afziet van het opleggen van een verlaging wegens dringende redenen is van belang
                    in verband met eventuele recidive (artikel 4, derde lid). Het opleggen van een
                    verlaging bij recidive is geregeld in artikel 16.</al><al/><al>De bevoegdheid om af te zien van het opleggen van een maatregel en te volstaan
                    met het geven van een schriftelijke waarschuwing geldt alleen voor gedragingen
                    van de eerste categorie (het niet ingeschreven staan als werkzoekende bij het
                    UWV Werkbedrijf of het niet tijdig verlengen van die inschrijving).</al><al/><al>Artikel 5 – Ingangsdatum en tijdvak van een verlaging</al><al/><al>Het verlagen van de uitkering die in de nabije toekomst wordt verstrekt, is de
                    gemakkelijkste methode van het opleggen van een verlaging. Dan hoeft niet te
                    worden overgegaan tot herziening van de uitkering en terugvordering van het te
                    veel betaalde bedrag. In de praktijk zal dit meestal inhouden dat een verlaging
                    wordt opgelegd met ingang van de eerste dag van de kalendermaand, die volgt op
                    de kalendermaand waarin het besluit bekend is gemaakt. Voor de berekening van de
                    hoogte van de verlaging moet worden uitgegaan van de voor die maand geldende
                    bijstandsnorm.</al><al/><al>Een verlaging kan niet los worden gezien van het recht op bijstand. Het opleggen
                    van een verlaging is niet mogelijk als een belanghebbende geen recht op bijstand
                    (meer) heeft. Als een verlaging niet of niet geheel ten uitvoer kan worden
                    gelegd als gevolg van de beëindiging of intrekking van de uitkering, is het ook
                    mogelijk om de verlaging of dat deel van de verlaging dat nog niet is
                    uitgevoerd, alsnog op te leggen als belanghebbende binnen een bepaalde termijn
                    na beëindiging van de uitkering opnieuw een uitkering op grond van de wet
                    ontvangt. Het college moet wel rekening houden met de vervaltermijn voor het
                    opleggen van een maatregel zoals bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel
                    b.</al><al/><al>Een dergelijke maatregel kan vanwege de samenhang met het recht op bijstand niet
                    bij voorbaat worden opgelegd. Het college moet bij het opnieuw toekennen van het
                    recht op bijstand beoordelen in hoeverre er nog aanleiding bestaat om een
                    verlaging toe te passen. Pas dan is sprake van een afstemmingsbesluit en staat
                    de mogelijkheid van bezwaar tegen de maatregel open.</al><al/><al>Artikel 6 – Berekeningsgrondslag</al><al/><al>In het eerste lid is het uitgangspunt vastgelegd dat een verlaging wordt
                    berekend over de bijstandsnorm. Onder de bijstandsnorm wordt verstaan de
                    wettelijke norm, inclusief gemeentelijke toeslag of verlaging en inclusief
                    vakantietoeslag. Bij een uitkering op grond van de IOAW of de IOAZ wordt gekeken
                    naar de grondslag als bedoeld in artikel 5 van de IOAW respectievelijk van de
                    IOAZ.</al><al/><al>In het tweede lid is bepaald dat een verlaging ook kan worden toegepast op de
                    bijzondere bijstand als aan een belanghebbende bijzondere bijstand wordt
                    verleend met toepassing van artikel 12 van de Participatiewet. Personen tussen
                    de 18 en 21 jaar ontvangen een lage jongerennorm, die indien noodzakelijk wordt
                    aangevuld door middel van aanvullende bijzondere bijstand in de kosten van
                    levensonderhoud. Als een verlaging uitsluitend op de lage jongerennorm wordt
                    opgelegd, zou dit leiden tot rechtsongelijkheid ten opzichte van de 21-jarigen.
                    Daarom is in het derde lid, onderdeel a, geregeld dat de berekeningsgrondslag in
                    dat geval bestaat uit de bijstandsnorm inclusief de verleende bijzondere
                    bijstand op grond van artikel 12 van de Participatiewet. </al><al/><al>Op grond van het tweede lid, onderdeel b, is het mogelijk dat het college in
                    incidentele gevallen een verlaging oplegt over de bijzondere bijstand. Er moet
                    dan wel een verband bestaan tussen de gedraging van een belanghebbende en zijn
                    recht op bijzondere bijstand. Een verlaging kan uitsluitend worden opgelegd als
                    daadwerkelijk bijzondere bijstand is verstrekt. </al><al/><al>De verordening biedt geen ruimte om een verlaging toe te passen op een
                    individuele inkomenstoeslag en de individuele studietoeslag.</al><al/><al>HOOFDSTUK 2 – NIET NAKOMEN VAN DE NIET-GEUNIFORMEERDE VERPLICHTINGEN MET
                    BETREKKING TOT DE ARBEIDSINSCHAKELING</al><al/><al>Artikel 7 – Gedragingen Participatiewet</al><al/><al>De artikelen 7 en 9 moeten in onderlinge samenhang worden gelezen. In artikel 7
                    worden schendingen van verplichtingen uit de Participatiewet geformuleerd. De
                    verwijtbare gedragingen die zijn genoemd in artikel 7 zijn ondergebracht in
                    categorieën. Aan die categorieën wordt in artikel 9 een gewicht toegekend in de
                    vorm van een verlagingspercentage. De categorieën zijn gerangschikt naar
                    toenemende zwaarte. Een gedraging wordt ernstiger geacht naarmate de gedraging
                    meer concrete gevolgen heeft voor het niet verkrijgen of behouden van betaalde
                    arbeid.</al><al/><al>Niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen </al><al/><al>De verwijtbare gedragingen omvatten zowel het niet als het onvoldoende nakomen
                    van diverse verplichtingen. Artikel 18, tweede lid, van de WWB zoals dat luidde
                    vóór 1 januari 2015 bepaalt dat het college moest afstemmen als een
                    belanghebbende de verplichtingen "niet of onvoldoende nakomt". Met het huidige
                    artikel 18, tweede lid, van de Participatiewet wordt dit gewijzigd in "het niet
                    nakomen van de verplichtingen". Het woord "onvoldoende" valt hiermee weg.
                    Gemeend wordt dat de wetgever hiermee echter geen inhoudelijke wijziging heeft
                    beoogd en dat dit moet worden gelezen als het niet of onvoldoende nakomen van
                    verplichtingen. Om onduidelijkheid hierover te voorkomen is daarom in artikel 7
                    neergelegd dat sprake is van een verwijtbare gedraging bij het niet of
                    onvoldoende nakomen van de verplichtingen.</al><al/><al>Het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen
                    (onderdeel c) </al><al/><al>Deze verwijtbare gedraging is niet aan de orde voor zover het gaat om het niet
                    naar vermogen proberen te verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid als dit
                    het gevolg is van een gedraging zoals bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de
                    Participatiewet. In artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet staan de
                    geüniformeerde arbeidsverplichtingen. Voor schending van een geüniformeerde
                    arbeidsverplichting geldt een apart afstemmingsregime: verlaging van de bijstand
                    met honderd procent gedurende een in de afstemmingsverordening vastgelegde duur
                    van ten minste een maand en ten hoogste drie maanden (artikel 18, vijfde lid,
                    van de Participatiewet). In deze verordening is de duur vastgelegd in artikel
                    10. </al><al/><al>Er is dus geen sprake van een verwijtbare gedraging zoals bedoeld in artikel 7,
                    derde lid, als het niet naar vermogen proberen te verkrijgen van algemeen
                    geaccepteerde arbeid voortvloeit uit een gedraging zoals bedoeld in artikel 18,
                    vierde lid, van de Participatiewet zoals: </al><lijst><li nr="-"><al>het niet verkrijgen of niet behouden van kennis en vaardigheden die
                            noodzakelijk zijn voor het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid,
                            en</al></li><li nr="-"><al>het belemmeren van het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid door
                            kleding, gebrek aan persoonlijke verzorging en gedrag.</al></li></lijst><al/><al>Inspanningen in eerste vier weken na de melding </al><al/><al>De plicht tot arbeidsinschakeling geldt vanaf datum melding (zie artikel 9,
                    eerste lid, van de Participatiewet). Specifiek voor personen jonger dan 27 jaar
                    geldt dat zij worden beoordeeld op hun inspanningen in de eerste vier weken na
                    de melding (artikel 43, vierde en vijfde lid, van de Participatiewet). Is geen
                    enkele inspanning verricht, dan bestaat op grond van artikel 13, tweede lid,
                    onderdeel d, van de Participatiewet geen recht op bijstand. Zijn er wel
                    inspanningen verricht, maar naar het oordeel van het college onvoldoende, dan
                    verlaagt het college de uitkering. De verlaging kan in principe al worden
                    toegepast op basis van de grondslagen zoals genoemd in artikel 6 van deze
                    verordening. Een aparte grondslag is strikt genomen niet noodzakelijk. Het zou
                    wellicht zelfs tot verwarring kunnen leiden als het bijvoorbeeld gaat om een
                    belanghebbende die in de vijfde of zesde week na de melding de fout in gaat.
                    Desalniettemin is het niet of onvoldoende verrichten van inspanningen vanwege de
                    herkenbaarheid toch als aparte gedraging genoemd opgenomen in de
                    afstemmingsverordening (zie artikel 7, tweede lid, onderdeel b). </al><al/><al>Artikel 8 – Gedragingen Ioaw en Ioaz</al><al/><al>De artikelen 8 en 9 moeten in onderlinge samenhang worden gelezen. In artikel 8
                    worden schendingen van verplichtingen uit de IOAW en IOAZ geformuleerd. De
                    verwijtbare gedragingen die zijn genoemd in artikel 8, zijn ondergebracht in
                    categorieën. Aan die categorieën wordt in artikel 9 een gewicht toegekend in de
                    vorm van een verlagingspercentage. De categorieën zijn gerangschikt naar
                    toenemende zwaarte. Een gedraging wordt ernstiger geacht naarmate de gedraging
                    meer concrete gevolgen heeft voor het niet aanvaarden, verkrijgen of behouden
                    van betaalde arbeid.</al><al/><al>Artikel 9 – Hoogte en duur van de verlaging</al><al/><al>Zie voor de verlagingswaardige gedragingen de toelichting bij de artikelen 7 en
                    8. </al><al/><al>Met de Wet Maatregelen WWB zijn geüniformeerde arbeidsverplichtingen en
                    bijbehorende maatregelen geïntroduceerd. Zie artikel 18, vierde en vijfde lid,
                    van de Participatiewet. Er is voor gekozen bij de zwaarte van de afstemming aan
                    te sluiten bij de forse maatregelen voor het schenden van geüniformeerde
                    arbeidsverplichtingen. Dit omwille van eenvoud en duidelijkheid. Bovendien zijn
                    diverse geüniformeerde arbeidsverplichtingen verwant aan de gedragingen als
                    bedoeld in de artikelen 7 en 8 van deze verordening.</al><al/><al>HOOFSTUK 3 – NIET NAKOMEN VAN DE GEUNIFORMEERDE VERPLICHTINGEN MET BETREKKING
                    TOT DE ARBEIDSINSCHAKELING</al><al/><al>Artikel 10 – Duur van de verlaging bij schending van de geüniformeerde
                    arbeidsverplichting</al><al/><al>De hoogte van de verlaging is in de wet vastgelegd. De eerste keer dat het
                    college een verwijtbaar niet naleven van een geüniformeerde arbeidsverplichting
                    vaststelt, bedraagt de verlaging 100% van de bijstandsnorm gedurende een bij
                    deze verordening vastgestelde periode van ten minste één maand en ten hoogste
                    drie maanden (artikel 18, vijfde lid, eerste volzin, van de
                    Participatiewet).</al><al/><al>Bij het vaststellen van de duur van de verlaging is de ernst van de gedraging
                    leidend.</al><al/><al>Voor de lichte overtredingen (overtreding van de in artikel 18, vierde lid,
                    onderdeel b (ingeschreven staan bij een uitzendbureau), f (verkrijgen en
                    behouden van kennis en vaardigheden) en g (kleding, persoonlijke verzorging of
                    gedrag), van de Participatiewet genoemde verplichtingen) bedraagt de duur één
                    maand. Dit is de minimaal in artikel 18, vijde lid van de Participatiewet
                    vastgestelde duur.</al><al/><al>Voor de zware overtredingen (overtreding van de in artikel 18, vierde lid,
                    onderdeel a (aanvaarden of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid), c
                    (verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid vóór verhuizing), d (reisduur), e
                    (bereid zijn te verhuizen) en h (gebruik maken van door het college aangeboden
                    voorzieningen) , van de Participatiewet genoemde verplichtingen) bedraagt de
                    duur twee maanden.</al><al/><al>Artikel 11 – Verrekenen van de verlaging</al><al/><al>Het college heeft de mogelijkheid bij verlaging van de bijstand wegens schending
                    van een geüniformeerde arbeidsverplichting, de verlaging te verrekenen over de
                    maand van oplegging van de maatregel en ten hoogste over de twee volgende
                    maanden. Over de eerste maand moet minimaal een derde van het bedrag van de
                    verlaging worden verrekend (artikel 18, vijfde lid, tweede volzin, van de
                    Participatiewet). Wanneer belanghebbende tot inkeer komt, wordt de verlaging
                    stopgezet en ontvangt belanghebbende weer de volledige uitkering (artikel 18,
                    elfde lid, van de Participatiewet).</al><al/><al>Er is voor gekozen gebruik te maken van de mogelijkheid tot het verrekenen van
                    het bedrag van de verlaging bij een eerste schending van een geüniformeerde
                    arbeidsverplichting (of een herhaalde schending buiten de recidivetermijn) als
                    bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. Hierbij kan worden gedacht aan
                    vergroting schuldenproblematiek, (dreigende) huisuitzetting, of afsluiting van
                    nutsvoorzieningen.</al><al/><al>Is sprake van een lichte overtreding van een geüniformeerde arbeidsverplichting,
                    dan kan worden verrekend over twee maanden. Van een lichte overtreding is sprake
                    bij schending van een gedraging zoals bedoeld in artikel 18, vierde lid,
                    onderdelen b, f en g, van de Participatiewet. Bij een dergelijke overtreding
                    wordt de bijstand verlaagd met honderd procent gedurende één maand. Aan de maand
                    van oplegging en aan de daaropvolgende maand wordt de helft van het bedrag van
                    de verlaging wordt toebedeeld. Dit betekent dat in de maand van oplegging van de
                    maatregel en de daaropvolgende maand de inhouding in beginsel vijftig procent
                    per maand bedraagt.</al><al/><al>Is sprake van een zware overtreding van een geüniformeerde arbeidsverplichting,
                    dan kan worden verrekend over drie maanden. Van een zware overtreding is sprake
                    bij schending van een gedraging zoals bedoeld in artikel 18, vierde lid,
                    onderdeel a, c, d, e en h, van de Participatiewet. Bij een dergelijke
                    overtreding wordt de bijstand verlaagd met honderd procent gedurende twee
                    maanden. Aan de maand van oplegging en aan de twee daaropvolgende maanden wordt
                    een derde van het bedrag van de verlaging wordt toebedeeld. Dit betekent dat in
                    de maand van oplegging van de maatregel en de twee daaropvolgende maanden de
                    inhouding in beginsel 66,67% (2 maanden x 100% verdeeld over drie maanden)
                    bedraagt.</al><al>In het vierde lid is bepaald dat als sprake is van een verlaging op grond van
                    artikel 18, vierde lid, onderdeel a, van de Participatiewet, geen verrekening
                    over meerdere maanden plaatsvindt zoals bedoeld in artikel 11, eerste lid. Het
                    betreft het niet aanvaarden of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid. De
                    verlaging is dan 100% per maand gedurende twee maanden. Deze keuze is gebaseerd
                    op de zwaarte van de gedraging.</al><al/><al>Is sprake van een tweede of volgende schending van een geüniformeerde
                    arbeidsverplichting binnen de recidivetermijn, dan is verrekenen van de
                    maatregel niet mogelijk. Dit artikel bepaalt immers dat verrekenen uitsluitend
                    mogelijk is bij een gedraging zoals bedoeld in artikel 10 van deze verordening
                    én als sprake is van bijzondere omstandigheden. Recidive is niet geregeld in
                    artikel 10, maar in artikel 16, derde lid, van deze verordening en artikel 18,
                    zesde, zevende en achtste lid, van de Participatiewet. Daarom is bij recidive
                    verrekenen van de verlaging over meerdere maanden niet mogelijk. </al><al/><al>Verrekening bij maatregelen voor schendingen van andere gedragingen dan de
                    geüniformeerde arbeidsverplichtingen, is niet mogelijk. Dit volgt uit dit
                    artikel van deze verordening en artikel 18, vijfde lid, van de
                    Participatiewet.</al><al/><al>HOOFDSTUK 4 – OVERIGE GEDRAGINGEN DIE LEIDEN TOT EEN VERLAGING</al><al/><al>Artikel 12 – Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</al><al/><al>Aan de Participatiewet ligt het beginsel ten grondslag dat iedereen in eerste
                    instantie in zijn eigen bestaan dient te voorzien. Pas wanneer dat niet mogelijk
                    is, kan men een beroep doen op bijstand. Hoofdregel is dus dat iedereen alles
                    zal moeten doen en nalaten om een beroep op bijstand te voorkomen. Leidt een
                    gedraging ertoe dat belanghebbende eerder, langer of voor een hoger bedrag is
                    aangewezen op bijstand, dan is veelal sprake van een tekortschietend besef van
                    verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. Hiervan is in ieder
                    geval sprake bij de volgende gedragingen (als die er toe leiden dat
                    belanghebbende eerder, langer of voor een hoger bedrag is aangewezen op
                    bijstand): </al><lijst><li nr="-"><al>het te snel interen van vermogen;</al></li><li nr="-"><al>het door eigen schuld verliezen van het recht op een uitkering;</al></li><li nr="-"><al>het door eigen schuld te laat aanvragen van een voorliggende
                            voorziening.</al></li></lijst><al/><al>Het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid moet
                    worden aangemerkt als een geüniformeerde arbeidsverplichting (zie de artikelen
                    9, eerste lid, onderdeel a, en 18, vierde lid, onderdeel g, van de
                    Participatiewet).</al><al/><al>Op grond van artikel 12 van deze verordening kan een verlaging worden opgelegd
                    wegens het betonen van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de
                    voorziening in het bestaan. De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in de
                    hoogte van het benadelingsbedrag. Dat is in dit geval het gedeelte van de
                    uitkering waarop eerder, langer of tot een hoger bedrag een beroep wordt
                    gedaan.</al><al/><al>Als sprake is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid kan het college
                    tevens besluiten de bijstand in de vorm van een geldlening te verstrekken. Dit
                    volgt uit artikel 48, tweede lid, onderdeel b, van de Participatiewet. Als het
                    college besluit beide instrumenten te gebruiken (leenbijstand én verlaging) moet
                    het wel voldoende acht slaan op het totale effect hiervan voor de
                    bijstandsgerechtigde.</al><al/><al>Artikel 13 – Zeer ernstige misdragingen</al><al/><al>Onder de term 'zeer ernstige misdraging' dient in elk geval te worden verstaan:
                    elke vorm van ongewenst en agressief fysiek contact met een persoon of het
                    ondernemen van pogingen daartoe. Hieronder valt bijvoorbeeld schoppen, slaan of
                    het (dreigen met) gooien van voorwerpen naar een persoon. Ook het toebrengen van
                    schade aan een gebouw of inventarisonderdeel, evenals het ondernemen van
                    pogingen daartoe in enige vorm wordt als zeer ernstige misdraging gezien.
                    Handelingen die door hun grote en mogelijk blijvende impact op de desbetreffende
                    persoon of personen grote invloed hebben zoals het opzetten van gerichte
                    lastercampagnes, seksuele intimidatie, het tonen van steek en/of vuurwapens
                    evenals (pogingen tot) opsluiting in een ruimte zijn eveneens als zeer ernstige
                    misdraging te beschouwen. Ook verbaal geweld valt onder de noemer 'zeer ernstige
                    misdraging'.</al><al/><al>Het gaat dus om alle vormen van zeer ernstige misdragingen tegenover de met de
                    uitvoering van de Participatiewet belaste personen en instanties (college, SVB
                    en re-integratiebedrijven) tijdens het verrichten van hun werkzaamheden. Met de
                    zinsnede 'tijdens het verrichten van de werkzaamheden' wordt aangegeven dat de
                    misdraging dient plaats te vinden in het kader van de uitvoering van de
                    Participatiewet. Dat is anders als betrokkenen elkaar buiten werktijd tegen
                    komen: dan is alleen het strafrecht van toepassing.</al><al/><al>Met ingang van 1 januari 2015 is de verplichting om zich te onthouden van zeer
                    ernstige misdragingen een zelfstandige verplichting die is opgenomen in artikel
                    9, zesde lid, van de Participatiewet. Deze verplichting staat dus op zichzelf.
                    Vóór 1 januari 2015 was dit een onzelfstandige verplichting. Om een
                    belanghebbende te sanctioneren wegens zeer ernstige misdragingen, moest sprake
                    zijn van een samenhang tussen de zeer ernstige misdragingen met het niet nakomen
                    van een of meer verplichtingen die </al><al>voortvloeien uit de toenmalige WWB, IOAW of IOAZ.</al><al/><al>Ioaw en Ioaz</al><al/><al>Onder de term ‘zeer ernstige misdragingen’ kunnen diverse vormen van agressie
                    worden verstaan, zij het dat er sprake moet zijn van verwijtbaarheid en van
                    gedrag dat in het normale menselijke verkeer in alle gevallen als onacceptabel
                    wordt beschouwd. Ook verbaal geweld valt onder de noemer 'zeer ernstige
                    misdraging'. Het college kan alleen een verlaging opleggen als er een verband
                    bestaat tussen de ernstige misdraging en (mogelijke) belemmeringen bij het
                    vaststellen van het recht op een uitkering. De IOAW en IOAZ bevatten immers geen
                    afzonderlijke plicht tot het nalaten van zeer ernstige misdragingen. Het recht
                    op uitkering kan daarom alleen worden afgestemd wegens het zich zeer ernstig
                    misdragen als dit heeft plaatsgevonden bij het (niet) nakomen van een (andere)
                    aan de uitkering verbonden verplichting. Vandaar dat in het tweede lid wordt
                    bepaald dat de zeer ernstige misdragingen moeten hebben plaatsgevonden onder
                    omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van IOAW of
                    IOAZ. Als een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt, geheel los van een
                    (andere) aan de uitkering verbonden verplichting - hij komt bijvoorbeeld uit
                    eigen beweging stennis maken - dan is binnen de IOAW en IOAZ tegen deze
                    gedraging geen sanctie mogelijk. </al><al/><al>Artikel 14 – Niet nakomen van overige verplichtingen</al><al/><al>De Participatiewet geeft het college de bevoegdheid om personen naast de in de
                    wet opgenomen verplichtingen extra verplichtingen op te leggen die volledig
                    individueel bepaald zijn. Artikel 55 van de Participatiewet biedt daartoe de
                    mogelijkheid en beperkt deze tot een viertal categorieën, te weten: </al><lijst><li nr="1."><al>verplichtingen die strekken tot arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="2."><al>verplichtingen die verband houden met de aard en het doel van een
                            bepaalde vorm van bijstand;</al></li><li nr="3."><al>verplichtingen die strekken tot vermindering van de bijstand, en</al></li><li nr="4."><al>verplichtingen die strekken tot beëindiging van de bijstand.</al></li></lijst><al/><al>De hoogte van de verlaging is in deze verordening per categorie verschillend
                    vastgesteld. Omdat de verplichtingen die het college op grond van artikel 55 van
                    de Participatiewet kan opleggen een zeer individueel karakter hebben, kan het
                    voorkomen dat de in de verordening vastgestelde verlaging niet is afgestemd op
                    de individuele omstandigheden van een belanghebbende. Het college zal daarom
                    altijd rekening moeten houden met de individualiseringsbepaling van artikel 18,
                    eerste lid, van de Participatiewet. Deze bepaling verplicht het college de
                    bijstand af te stemmen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van een
                    belanghebbende. In individuele gevallen kan dus worden afgeweken van de in dit
                    artikel vastgestelde verlaging.</al><al/><al>HOOFDSTUK 5 – SAMENLOOP EN RECIDIVE</al><al/><al>Artikel 15 – Samenloop van gedragingen</al><al/><al>Het eerste lid regelt samenloop als sprake is van één gedraging die schending
                    oplevert van meerdere verplichtingen, die zijn genoemd in deze verordening,
                    artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet of in beide regelingen. In dat
                    geval wordt één verlaging opgelegd. Voor het bepalen van de hoogte en de duur
                    van de verlaging wordt uitgegaan van de gedraging waarop de hoogste verlaging is
                    gesteld.</al><al/><al>Het tweede regelt samenloop als sprake is van meerdere gedraging die schending
                    opleveren van één of meerdere verplichtingen, die zijn genoemd in deze
                    verordening, artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet of in beide
                    regelingen. Dit wordt 'meerdaadse samenloop' genoemd. In dat geval wordt voor
                    iedere gedraging een afzonderlijke verlaging toegepast. Deze verlagingen worden
                    in principe gelijktijdig opgelegd. Dit is anders als dit niet verantwoord is.
                    Hierbij spelen factoren zoals de ernst van de gedraging, de mate van
                    verwijtbaarheid en de omstandigheden van een belanghebbende een rol. Daarvoor
                    moet altijd gekeken worden naar de individuele omstandigheden. De verlaging
                    wordt dan over meerdere maanden uitgesmeerd. </al><al/><al>Het derde en vierde lid regelen in hoeverre een verlaging kan worden opgelegd
                    als sprake is van een verlagingswaardige gedraging die tevens een boetewaardige
                    gedragingen is. Als sprake is van één gedraging die zowel schending van een in
                    deze verordening opgenomen verplichting als schending van de inlichtingenplicht
                    oplevert, kan de schending van deze verplichtingen niet gezamenlijk worden
                    afgedaan, omdat schending van de inlichtingenplicht (wettelijk) is geregeld in
                    de vorm van een bestuurlijke boete. In het geval zich de situatie voordoet dat
                    er sprake is van samenloop tussen de bestuurlijke boete en afstemming dient het
                    college in het individuele geval te beoordelen welke sanctie wordt opgelegd. Bij
                    eendaadse samenloop ligt het voor de hand één sanctie op te leggen. Het college
                    bepaalt of al dan niet een boete wordt opgelegd. Is dit het geval, dan wordt
                    geen verlaging meer opgelegd (derde lid). </al><al/><al>Bij meerdaadse samenloop ligt het voor de hand de gedraging te sanctioneren door
                    het opleggen van een bestuurlijke boete voor zover sprake is van een gedraging
                    waarin ook een beboetbare gedraging zit. Daarnaast kan het college in dit geval
                    nog een of meer maatregelen opleggen, waarbij bij de hoogte van de afstemming zo
                    nodig rekening kan worden gehouden met de boete en de eventuele andere
                    maatregelen (vierde lid). </al><al/><al>Als sprake is van één gedraging die zowel schending van een in artikel 18,
                    vierde lid, van de Participatiewet benoemde verplichting als schending van de
                    inlichtingenplicht oplevert, is het voorgaande ook van toepassing. </al><al/><al>Artikel 16 – Recidive</al><al/><al>Als binnen twaalf maanden na een eerste verwijtbare gedraging wederom sprake is
                    van een verwijtbare gedraging waarmee dezelfde verplichting wordt geschonden,
                    wordt de grotere mate van verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een
                    verdubbeling van de hoogte of duur van de verlaging. Een verlaging kan nooit
                    hoger zijn dan honderd procent. Daarom is bij gedragingen waar relatief zware
                    verlagingen voor gelden, gekozen voor een verdubbeling van de duur van de
                    maatregel in plaats van de hoogte. Met de eerste verwijtbare gedraging wordt de
                    eerste gedraging bedoeld die aanleiding is geweest tot een verlaging, ook als
                    wegens dringende redenen – op grond van artikel 4, tweede lid, van deze
                    verordening en eventueel 18, tiende lid, van de Participatiewet – is afgezien
                    van het opleggen van een verlaging. Dit geldt ook als van afstemming op grond
                    van artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet is afgezien van het opleggen
                    van een verlaging. Is vanwege de afwezigheid van elke vorm van verwijtbaarheid
                    afgezien van een verlaging, dan is het niet mogelijk om bij toepassing van
                    recidive deze gedraging mee te tellen. Voor het bepalen van de aanvang van de
                    termijn van twaalf maanden, geldt het tijdstip waarop het besluit waarmee de
                    verlaging is opgelegd, is verzonden.</al><al/><al>Verdubbeling hoogte verlaging </al><al/><al>Als binnen twaalf maanden na een eerste verwijtbare gedraging wederom sprake is
                    van een verwijtbare gedraging waarmee dezelfde verplichting wordt geschonden,
                    wordt de grotere mate van verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een
                    verdubbeling van de hoogte of duur van de verlaging. Voor lichte verlagingen is
                    gekozen voor een verdubbeling van de hoogte van de verlaging. </al><al/><al>Recidive op recidive bij niet geüniformeerde arbeidsverplichtingen </al><al/><al>Ook in het geval dat een belanghebbende voor een derde of volgende keer een niet
                    geüniformeerde arbeidsverplichting schendt, is de recidivebepaling van artikel
                    16, eerste of tweede lid, van deze verordening van toepassing. Dit wordt tot
                    uitdrukking gebracht door het woord "telkens" in de recidivebepaling. Voor
                    toepassing van de recidivebepaling is vereist dat het opnieuw schenden van
                    dezelfde verplichting plaatsvindt binnen twaalf maanden na bekendmaking van het
                    vorige besluit waarmee een verlaging is toegepast. </al><al/><al>Is sprake van een derde of volgende schending, dan geldt – evenals bij de eerste
                    keer recidive – dat ofwel de hoogte ofwel de duur van de oorspronkelijke
                    verlaging wordt verdubbeld. Bij lichte gedragingen geldt een verdubbeling van de
                    hoogte van de verlaging. Bij zware gedragingen geldt een verdubbeling van de
                    duur van de verlaging. </al><al/><al>Telkens wordt de hoogte of de duur van de oorspronkelijke verlaging verdubbeld.
                    Dit is de verlaging die geldt bij een eerste schending van de verplichting. Er
                    is expliciet niet voor gekozen de hoogte of de duur van de vorige verlaging te
                    verdubbelen. Uitgangspunt is verdubbeling van de hoogte of de duur van de
                    oorspronkelijke verlaging. Hiermee wordt stapeling van verdubbeling van de
                    verlaging voorkomen. </al><al>Eenzelfde gedraging vereist voor recidive </al><al/><al>Voor recidive als bedoeld in het eerste en tweede lid is vereist dat sprake moet
                    zijn van "eenzelfde verwijtbare gedraging" als de gedraging waarvoor de eerste
                    verlaging is opgelegd. Voorwaarde is dus dat dezelfde verplichting wordt
                    geschonden. Is dit niet het geval, dan moet de verwijtbare gedraging worden
                    aangemerkt als een eerste schending van een verplichting. Heeft een persoon zich
                    zeer ernstig misdragen (artikel 13) binnen twaalf maanden nadat een verlaging is
                    opgelegd wegens het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij
                    Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (artikel 7, eerste lid), dan is
                    geen sprake van recidive aangezien het niet "eenzelfde gedraging" betreft.
                    Evenmin is sprake van recidive als een belanghebbende niet meewerkt aan het
                    opstellen van een plan van aanpak (artikel 7, tweede lid, onderdeel a) en
                    vervolgens een opgedragen tegenprestatie niet verricht (artikel 7, tweede lid,
                    onderdeel d). Ook dan is geen sprake van eenzelfde gedraging aangezien twee
                    verschillende verplichtingen zijn geschonden. </al><al/><al>Recidive schending geüniformeerde arbeidsverplichting </al><al/><al>Is sprake van het niet of onvoldoende nakomen van een geüniformeerde
                    arbeidsverplichting binnen twaalf maanden nadat aan een belanghebbende een
                    eerste maatregel is opgelegd wegens schending van een geüniformeerde
                    arbeidsverplichting, dan bedraagt de verlaging honderd procent gedurende
                    [periode]. Dit valt binnen de in artikel 18, zesde lid, van de Participatiewet
                    gegeven marges. </al><al/><al>Bij een derde, vierde en volgende schending van een geüniformeerde
                    arbeidsverplichting, telkens binnen twaalf maanden na oplegging van de vorige
                    maatregel, bedraagt de verlaging honderd procent gedurende drie maanden (artikel
                    18, zevende en achtste lid, van de Participatiewet).</al><al/><al>HOOFDSTUK 6 – BLIJVENDE OF TIJDELIJKE WEIGERING IOAW EN IOAZ</al><al/><al>Artikel 17 – Samenloop bij weigeren uitkering Ioaw of Ioaz</al><al/><al>Het college is op grond van artikel 20 van de IOAW en artikel 20 van de IOAZ
                    bevoegd de uitkering blijvend of tijdelijk te weigeren als een belanghebbende,
                    kort gezegd, inkomen uit arbeid had kunnen verwerven, maar dit nalaat. Dit is
                    een discretionaire bevoegdheid van het college. De vraag of een verlaging moet
                    worden toegepast, zal pas aan de orde komen als het college zich een oordeel
                    heeft gevormd over de eventuele weigering van de uitkering. Deze beoordeling
                    gaat in beginsel voor. Pas als het college concludeert dat van een weigering
                    geen sprake is, kan op grond van deze verordening een verlaging worden
                    toegepast. Artikel 17 van deze verordening is derhalve bedoeld om samenloop te
                    voorkomen.</al><al/><al>Artikel 18 - Blijvend en tijdelijk weigeren IOAW- of IOAZ-uitkering </al><al/><al>Artikel 20, eerste lid, van de IOAW en artikel 20, tweede lid, van de IOAZ geeft
                    het college de bevoegdheid om de uitkering tijdelijk of blijvend te weigeren
                    naar de mate waarin de belanghebbende inkomen als bedoeld in of op grond van
                    artikel 8 van de IOAW of de IOAZ zou hebben kunnen verwerven, indien: </al><lijst><li nr="a."><al>aan de beëindiging van zijn dienstbetrekking een dringende reden ten
                            grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk
                            Wetboek en de belanghebbende ter zake een verwijt kan worden
                            gemaakt;</al></li><li nr="b."><al>de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de
                            belanghebbende zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren
                            waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou
                            kunnen worden gevergd.</al></li><li nr="c."><al>de belanghebbende nalaat algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden;
                            of</al></li><li nr="d."><al>belanghebbende door eigen toedoen geen algemeen geaccepteerde arbeid
                            verkrijgt.</al></li></lijst><al/><al>Als sprake is van een situatie die valt onder a of b dan kan het college de
                    uitkering tijdelijk weigeren. Beide situaties spelen zich af voorafgaand aan de
                    aanvraag van de uitkering. Als sprake is van een situatie die valt onder c of d
                    dan kan het college de uitkering blijvend weigeren. Beide situaties spelen zich
                    af tijdens de uitkering.</al><al/><al>HOOFDSTUK 7 – SLOTBEPALINGEN</al><al/><al>Artikel 19 – Intrekken oude verordeningen</al><al/><al>In deze verordening zijn regels voor zowel de verlaging van de uitkering op
                    grond van de Participatiewet als de verlaging van de uitkering op grond van de
                    Ioaw en Ioaz opgenomen. De twee verordeningen die zijn gebaseerd op de WWB en de
                    Ioaw en Ioaz worden daarom per de inwerkingtreding van deze vordering (zie
                    artikel 19) ingetrokken.</al><al/><al>Artikel 20 – Inwerkingtreding</al><al/><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015.</al><al/><al>Artikel 21 - Citeertitel</al><al/><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Afstemmingsverordening Participatiewet,
                    Ioaw en Ioaz gemeente Dantumadiel 2015.</al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Vergelijking verordeningen Participatiewet / WWB</titel></kop><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colwidth="36*"/><colspec colname="col2" colwidth="29*"/><colspec colname="col3" colwidth="36*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Gedraging </vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Verordening Participatiewet </vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>Verordening WWB </vet></al></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col3" namest="col1"><al>Niet geüinformeerde verplichtingen (artikel 9 verordening
                                        PW)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij
                                        het UWV of het niet tijdig verlengen van die
                                        registratie</al></entry><entry colname="col2"><al>1e categorie: 10% gedurende één maand</al></entry><entry colname="col3"><al>Dan: 10% gedurende één maand</al><al>Don: 5% gedurende één maand</al><al>Kol: 10% gedurende één maand</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Het niet of niet voldoende meewerken aan het opstellen,
                                        uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak</al></entry><entry colname="col2"><al>2e categorie: 20% van de bijstandsnorm gedurende één
                                        maand</al></entry><entry colname="col3"><al>Dan: 50% gedurende één maand</al><al>Don: 20% gedurende één maand</al><al>Kol: 20% gedurende één maand</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Het onvoldoende nakomen van de verplichtingen tijdens de
                                        zoekperiode voor jongeren tot 27 jaar</al><al>(NB: het geheel niet nakomen leidt tot het niet in
                                        behandeling nemen van de aanvraag)</al></entry><entry colname="col2"><al>2e categorie: 20% van de bijstandsnorm gedurende één
                                        maand</al></entry><entry colname="col3"><al>Dan: 50% gedurende één maand</al><al>Don: 20% gedurende één maand</al><al>Kol: niet in verordening</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken
                                        verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid,
                                        onderdeel b PW niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot
                                        het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor
                                        een alleenstaande ouder, bedoeld in artikel 9a, eerste lid
                                        PW</al></entry><entry colname="col2"><al>2e categorie: 20% van de bijstandsnorm gedurende één
                                        maand</al></entry><entry colname="col3"><al>Dan: 50% gedurende één maand</al><al>Don: 20% gedurende één maand</al><al>Kol: niet in verordening</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Het niet of onvoldoende verrichten van een door het college
                                        opgedragen tegenprestatie</al></entry><entry colname="col2"><al>2e categorie: 20% van de bijstandsnorm gedurende één
                                        maand</al></entry><entry colname="col3"><al>Dan: 50% gedurende één maand</al><al>Don: 20% gedurende één maand</al><al>Kol: niet in verordening</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde
                                        arbeid te verkrijgen in de gemeente van inwoning voor zover
                                        dit niet voortvloeit uit een gedraging als bedoeld in
                                        artikel 18, vierde lid PW</al></entry><entry colname="col2"><al>3e categorie: 50% van de bijstandsnorm gedurende één
                                        maand</al></entry><entry colname="col3"><al>Dan: 20% gedurende één maand</al><al>Don: 10% gedurende één maand</al><al>Kol: 50% gedurende één maand</al></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col3" namest="col1"><al>Geüniformeerde verplichtingen artikel 18, vierde lid PW:
                                        niet nakomen van de verplichting tot (artikel 10 verordening
                                        PW):</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Niet aanvaarden of het behouden van algemeen geaccepteerde
                                        arbeid (a)</al></entry><entry colname="col2"><al>100% (wettelijk) gedurende twee maanden (verordening)</al></entry><entry colname="col3"><al>Niet aanvaarden: 4e categorie: 100% gedurende één maand.
                                        Niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid moest onder
                                        de WWB worden aangemerkt als tekortschietend besef van
                                        verantwoordelijkheid: 25% gedurende een periode van één tot
                                        zes maanden, afhankelijk van de periode waarover eerder of
                                        langer een beroep op bijstand gedaan moet worden.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Geen uitvoering geven aan de door het college opgelegde
                                        verplichting om ingeschreven te staan bij een uitzendbureau
                                        (b)</al></entry><entry colname="col2"><al>100% (wettelijk) gedurende één maand (verordening)</al></entry><entry colname="col3"><al>Nieuwe expliciete verplichting.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Niet naar vermogen verkrijgen van algemeen geaccepteerde
                                        arbeid in een andere dan de gemeente van inwoning, alvorens
                                        naar die gemeente te verhuizen (c)</al></entry><entry colname="col2"><al>100% (wettelijk) gedurende twee maanden (verordening)</al></entry><entry colname="col3"><al>Nieuwe expliciete verplichting</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Niet bereid zijn om te reizen over een afstand met een
                                        totale reisduur van 3 uur per dag, indien dat noodzakelijk
                                        is vor het naar vermogen verkrijgen, het aanvaarden of het
                                        behouden van algemeen geaccepteerde arbeid (d)</al></entry><entry colname="col2"><al>100% (wettelijk) gedurende twee maanden (verordening)</al></entry><entry colname="col3"><al>Nieuwe expliciete verplichting</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Niet breid zijn om te verhuizen, indien het college is
                                        gebleken dat er geen andere mogelijkheid is voor het naar
                                        vermogen verkrijgen, het aanvaarden of het behouden van
                                        algemeen geaccepteerde arbeid, en de belanghebbende een
                                        arbeidsovereenkomst met een duur van tenminste een jaar en
                                        een netto beloning die ten minste gelijk is aan de voor
                                        belanghebbende geldende bijstandsnorm, kan aangaan (e)</al></entry><entry colname="col2"><al>100% (wettelijk) gedurende twee maanden (verordening)</al></entry><entry colname="col3"><al>Nieuwe expliciete verplichting</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Niet verkrijgen en behouden van kennis en vaardigheden,
                                        noodzakelijk voor het naar vermogen verkrijgen, het
                                        aanvaarden of het behouden van algemeen geaccepteerde arbeid
                                        (f)</al></entry><entry colname="col2"><al>100% (wettelijk) gedurende één maand (verordening)</al></entry><entry colname="col3"><al>Nieuwe expliciete verplichting: kon worden aangemerkt als
                                        gedraging die de inschakeling in arbeid belemmert (3e
                                        categorie: 50% gedurende één maand (Don 20%))</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Niet naar vermogen verkrijgen, het aanvaarden of het
                                        behouden van algemeen geaccepteerde arbeid niet belemmeren
                                        door kleding, gebrek aan persoonlijke verzorging of gedrag
                                        (g)</al></entry><entry colname="col2"><al>100% (wettelijk) gedurende één maand (verordening)</al></entry><entry colname="col3"><al>Nieuwe expliciete verplichting: de gedraging kon worden
                                        aangemerkt als gedraging die de inschakeling in de arbeid
                                        belemmert (3e categorie: 50% gedurende één maand (Don
                                        20%))</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Geen gebruik maken van door het college aangeboden
                                        voorzieningen, waaronder begrepen sociale activering,
                                        gericht op arbeidsinschakeling en mee te werken aan een
                                        onderzoek naar zijn of haar mogelijkheden tot
                                        arbeidsinschakeling (h)</al></entry><entry colname="col2"><al>100% (wettelijk) gedurende twee maanden (verordening)</al></entry><entry colname="col3"><al>Niet of in onvoldoende mate gebruik maken van een aangeboden
                                        voorziening (3e categorie: 50% gedurende één maand (Don
                                        20%))</al><al>Niet meewerken aan onderzoek 2e categorie: 20% gedurende één
                                        maand (Don 10%))</al><al>Niet of niet tijdig voldoen aan een oproep om in verband met
                                        de inschakeling in de arbeid op een aangegeven plaats en
                                        tijd te verschijnen (2e categorie: 20% gedurende één maand
                                        (Don 10%))</al></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col3" namest="col1"><al>Artikel 55 PW (artikel 14 verordening PW)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Niet nakomen van opgelegde verplichtingen die strekken tot
                                        arbeidsinschakeling, dan wel die verband houden met aard en
                                        doel van een bepaalde vorm van bijstand of die strekken tot
                                        zijn vermindering of beëindiging. Een verplichting kan, op
                                        advies van een arts, inhouden het zich onderwerpen aan een
                                        noodzakelijke behandeling van medische aard.</al></entry><entry colname="col2"><al>a.20% gedurende één maand bij verplichtingen die strekken
                                        tot arbeidsinschakeling;</al><al>b.20% gedurende één maand bij verplichtingen die verband
                                        houden met aard en doel van een bepaalde vorm van
                                        bijstand;</al><al>c.20% gedurende één maand bij verplichtingen die strekken
                                        tot vermindering van de bijstand;</al><al>d.20% gedurende één maand bij verplichtingen die strekken
                                        tot beëindiging van de bijstand.</al></entry><entry colname="col3"><al>Niet expliciet beschreven in de DanDon-verordeningen zodat
                                        sanctionering van een 55-verplichting eigenlijk niet
                                        mogelijk was.</al><al>In de Kol-verordening waren opgenomen:</al><al>10% voor niet meewerken aan noodzakelijke betalingen;</al><al>20% voor niet eisen van kinder- of partneralimentatie;</al><al>20% voor de hiernaast onder b, c en d genoemde
                                        verplichtingen</al></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col3" namest="col1"><al>Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid (artikel 12
                                        PW)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Betonen van tekortschietend besef van
                                        verantwoordelijkheid</al></entry><entry colname="col2"><al>a.25% gedurende één maand bij een periode korter dan 3
                                        maanden</al><al>b.25% gedurende 3 maanden bij een periode van 3 tot 6
                                        maanden</al><al>c.25% gedurende 6 maanden bij een periode van 6 maanden of
                                        langer</al></entry><entry colname="col3"><al>a.25% gedurende één maand bij een periode korter dan 3
                                        maanden</al><al>b.25% gedurende 3 maanden bij een periode van 3 tot 6
                                        maanden</al><al>c.25% gedurende 6 maanden bij een periode van 6 maanden of
                                        langer</al><al>In Kollum 100% bij bijzondere bijstand</al></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col3" namest="col1"><al>Zeer ernstige misdragingen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Zich niet onthouden van zeer ernstige misdragingen tegenover
                                        personen en instanties die zijn belast met de uitvoering van
                                        de Participatiewet</al></entry><entry colname="col2"><al>a.100% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij het
                                        uitoefenen van fysiek geweld tegen de in het eerste lid
                                        genoemde personen;</al><al>b.50% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij het
                                        uitoefenen van fysiek geweld tegen materiële zaken en bij
                                        mondelinge of schriftelijke bedreigingen</al></entry><entry colname="col3"><al>Verbaal geweld: 10% gedurende één maand</al><al>Vernieling: 25% gedurende één maand</al><al>Bedreiging: 50% gedurende één maand</al><al>Mishandeling: 100% gedurende één maand</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Aldus vastgesteld in de raadsvergadering van de gemeente Dantumadiel van 1
                    december 2014</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>