<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR378791_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening individuele inkomenstoeslag Dantumadiel 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Dantumadiel</dcterms:creator><dcterms:modified>2015-10-06</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Dantumadiel</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="http://www.dekrantvantoen.nl/vw/article.do?code=FKC&amp;date=20141210&amp;id=FKC-20141210-01004001">Kollumer Courant, 10 december 2014</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening individuele inkomenstoeslag Dantumadiel 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel b, en tweede lid van de Participatiewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-12-01</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2020-11-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Geen</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Werk, inkomen, zorg</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening individuele inkomenstoeslag Dantumadiel 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Dantumadiel</al><al/><al>Gelet op artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel b, en tweede lid van de Participatiewet</al><al/><al>Besluit vast te stellen de Verordening individuele inkomenstoeslag Dantumadiel 2015</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel 1 – Begrippen</label></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="1.1"><al>inkomen: totaal van het inkomen, bedoeld in artikel 32 van de wet, en de algemene bijstand;</al></li><li nr="1.2"><al>college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente &lt;&gt;;</al></li><li nr="1.3"><al>peildatum: de datum waartegen een persoon individuele inkomenstoeslag aanvraagt;</al></li><li nr="1.4"><al>referteperiode: periode van 36 maanden voorafgaand aan de peildatum;</al></li><li nr="1.5"><al>wet: de Participatiewet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2 – Indienen verzoek</label></kop><al>Een verzoek als bedoeld in artikel 36, eerste lid van de wet wordt ingediend middels een door het college vastgesteld formulier.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 3 – Langdurig laag inkomen</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Een persoon heeft een langdurig laag inkomen als bedoeld in artikel 36, eerste lid van de wet als gedurende de referteperiode het in aanmerking te nemen inkomen niet hoger is dan 100% van de toepasselijke bijstandsnorm.</al></li><li nr="2."><al>In afwijking van het eerste lid bestaat recht op een gedeeltelijke individuele inkomenstoeslag wanneer het inkomen op de peildatum hoger is dan 100% van de bijstandsnorm, maar het meerdere op jaarbasis niet meer bedraagt dan van toepassing zijnde individuele inkomenstoeslag die op grond van artikel 4, eerste lid van deze verordening op hem van toepassing zou zijn.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4 – Hoogte van de individuele inkomenstoeslag</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De individuele inkomenstoeslag bedraagt per kalenderjaar:</al><lijst><li nr="1.1"><al>Voor een alleenstaande 40% van het normbedrag bedoeld in artikel 21, onderdeel a van de wet;</al></li><li nr="1.2"><al>Voor een alleenstaande ouder 40% van het normbedrag bedoeld in artikel 21, onderdeel a van de wet, vermeerderd met een bedrag dat gelijk is aan 20% van het normbedrag bedoeld in artikel 21, onderdeel b van de wet;</al></li><li nr="1.3"><al>Voor gehuwden 40% van het normbedrag bedoeld in artikel 21, onderdeel b van de wet.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid wordt de individuele inkomenstoeslag voor de belanghebbende als bedoeld in artikel 3, tweede lid, verminderd met het verschil op jaarbasis tussen het inkomen op de peildatum en 110% van de bijstandsnorm.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als één van de gehuwden is uitgesloten van het recht op individuele inkomenstoeslag ingevolge de artikelen 11 of 13, eerste lid van de wet komt de rechthebbende echtgenoot in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag naar de hoogte die voor hem als alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voor de toepassing van het eerste, tweede en derde lid is de situatie op de peildatum bepalend.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De individuele inkomenstoeslag is een vast percentage van het normbedrag zoals die geldt op 1 januari van het kalenderjaar waarin de peildatum valt. De bedragen worden op de hele euro naar boven afgerond.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5 – Nadere regels</label></kop><al>Het college stelt nadere regels vast met betrekking tot de uitvoering van deze verordening. Deze regels bedoeld in het eerste lid hebben in ieder geval betrekking op de invulling van het begrip ‘geen uitzicht op inkomensverbetering’ zoals bedoeld in artikel 36, eerste lid van de wet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 6 - Hardheidsclausule</label></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen van deze verordening indien onverkorte toepassing zou leiden tot onredelijkheid of onbillijkheid.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 7 – Inwerkingtreding</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De Verordening Langdurigheidstoeslag 2013 wordt op 1 januari 2015 ingetrokken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8 – Citeertitel</label></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening individuele inkomenstoeslag Dantumadiel 2015.</al></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus vastgesteld in de raadsvergadering van de gemeente Dantumadiel van 1 december 2014</al></slotformulering></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Toelichting algemeen</label></kop><al>Algemene  toelichting: Aan de bijstand ligt het uitgangspunt ten grondslag dat  het normbedrag, bedoeld ter voorziening in de algemeen noodzakelijke  kosten van het bestaan met inbegrip van een reserveringscomponent, in  beginsel toereikend is. Toch kan de financiële positie van mensen die  langdurig op een laag inkomen zijn aangewezen onder druk komen te staan  als er na verloop van tijd geen enkel perspectief lijkt te zijn om de  inkomsten uit arbeid het inkomen (structureel) te verhogen. Om die reden  is sinds 2004 de langdurigheidstoeslag in de Wet werk en bijstand  opgenomen. Sinds 2009 is de langdurigheidstoeslag gedecentraliseerd als  een bijzondere vorm van categoriale bijzondere bijstand en moeten  gemeenten bij verordening regels stellen met betrekking tot de  langdurigheidstoeslag.</al><al/><al>Met  ingang van 2015 vervangt de individuele inkomenstoeslag de  langdurigheidstoeslag. Het categoriale karakter verdwijnt doordat het  college bij de beoordeling van het recht op een individuele  inkomenstoeslag de omstandigheden van de persoon moet betrekken, waarbij  in ieder geval de krachten en bekwaamheden van de persoon en zijn  inspanningen om tot inkomensverbetering te komen in aanmerking moeten  worden genomen. Het verlenen van de individuele inkomenstoeslag is vanaf  2015 geen gebonden bevoegdheid meer, maar een discretionaire  bevoegdheid.</al><al>De  individuele inkomenstoeslag is niet gerelateerd aan bepaalde kosten.  Uit de wetsgeschiedenis valt af te leiden dat de [langdurigheids]toeslag  in het leven is geroepen omdat bij een langdurig laag inkomen de  mogelijkheden om te reserveren voor vervangingsuitgaven verminderen (TK  28870, nr. 3, p.11-13: “Hiermee wordt bereikt dat er op het moment van  uitbetaling ruimte ontstaat binnen het budget waaruit hogere kosten  kunnen worden voldaan, bijvoorbeeld voor vervangingsuitgaven.”).</al><al/><al>Vast te leggen regels in verordening</al><al/><al>De  individuele inkomenstoeslag is niet gerelateerd aan bepaalde kosten.  Het is een inkomensondersteunende maatregel voor bepaalde personen die  langdurig een laag inkomen hebben en daarbij, gelet op de omstandigheden  van die persoon, geen uitzicht hebben op inkomensverbetering (artikel  36, eerste lid, van de Participatiewet). Bij verordening moeten op grond  van artikel 8, tweede lid van de Participatiewet regels vastgesteld  worden over het verlenen van een individuele inkomenstoeslag als bedoeld  in artikel 36 van de Participatiewet. Deze regels moeten in ieder geval  betrekking hebben op de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de  begrippen ‘langdurig’ en ‘laag inkomen’. Op grond van deze verordening  is geen sprake van een laag inkomen bij een inkomen hoger dan 100% van  de toepasselijke bijstandsnorm. Daarnaast moet bij verordening de hoogte  van de individuele inkomenstoeslag bepaald worden.</al><al/><al>Het  college kan in (wetsinterpreterende) regelingen aangeven wanneer sprake  is van 'geen uitzicht op inkomensverbetering'. Gelet op de tekst van  artikel 8, tweede lid, van de Participatiewet hoeft dit criterium niet  te worden vastgelegd in de verordening. Bij de beoordeling van het  criterium 'geen uitzicht op inkomensverbetering' moet het college  rekening houden met de omstandigheden van de persoon. In artikel 36,  tweede lid, van de Participatiewet is bepaald dat tot die omstandigheden  in ieder geval worden gerekend:</al><al>-</al><al/><al>de krachten en bekwaamheden van de persoon, en</al><al/><al>-</al><al>de inspanningen die de persoon heeft verricht om tot inkomensverbetering te komen.</al><al/><al>Overgangsrecht</al><al/><al>Per  1 januari 2015 vervangt de individuele inkomenstoeslag de  langdurigheidstoeslag. Het is niet nodig om in deze verordening  overgangsrecht op te nemen met betrekking tot eerder verstrekte  langdurigheidstoeslagen. Aangezien de langdurigheidstoeslag niet (meer)  met terugwerkende kracht kan worden toegekend, kan uitsluitend aanspraak  gemaakt worden op een langdurigheidstoeslag als de aanvraag vóór 1  januari 2015 is ingediend. Toekenning van het recht op individuele  inkomenstoeslag tegen een datum gelegen op of ná 1 januari 2015 is  uitsluitend mogelijk als wordt voldaan aan de in artikel 36 van de  Participatiewet en deze verordening opgenomen voorwaarden.</al><al/><al>Artikelgewijze toelichting</al><al/><al>Artikel 1 – Begrippen</al><al/><al>Begrippen  die al zijn omschreven in de Participatiewet, de Algemene wet  bestuursrecht of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk in deze  verordening gedefinieerd. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing op  deze verordening.</al><al/><al>Met  inkomen wordt bedoeld het inkomen zoals bedoeld in artikel 32 van de  Participatiewet. In afwijking hiervan wordt ook de algemene  bijstandsuitkering ook in aanmerking genomen als inkomen. Bijzondere  bijstand (waaronder de individuele inkomenstoeslag en de individuele  studietoeslag) kan niet als inkomen in aanmerking genomen worden.</al><al/><al>Artikel  44 van de wet is van overeenkomstige toepassing. Dat betekent dat een  peildatum gelijk is aan de aanvraagdatum. De hoofdregel inzake de  ingangsdatum van [de langdurigheids]toeslag sluit aan bij die voor de  overige vormen van (algemene en bijzondere) bijstand. Gemeenten hebben -  volgens vaste rechtspraak - de bevoegdheid om van de genoemde  hoofdregel af te wijken wanneer de individuele omstandigheden van de  belanghebbende dat rechtvaardigen. (Verzamelbrief december 2013).</al><al/><al>Artikel 2 – Indienen verzoek</al><al/><al>Toelichting:  Artikel 36, eerste lid van de wet spreekt niet meer van een aanvraag,  maar van een verzoek. Deze term komt in het bestuursrecht niet voor. Om  onduidelijkheid te voorkomen bepaalt artikel 2 van deze verordening dat  het verzoek door middel van een door het college vastgesteld formulier  gedaan moet worden. Het verzoek wordt dan overeenkomstig de Algemene wet  bestuursrecht gezien als een schriftelijke aanvraag die door de  aanvrager wordt ondertekend en ten minste naam en adres van de aanvrager  bevat, alsmede de dagtekening en de beslissing die gevraagd wordt.  Hierbij verstrekt de aanvrager ook de gegevens die het college nodig  heeft om een beslissing te nemen (artikel 4.2 Algemene wet  bestuursrecht). Een mondeling verzoek is dus niet mogelijk.</al><al/><al>Op  grond van artikel 44 van de wet wordt de bijstand toegekend vanaf de  dag waarop het recht is ontstaan voorzover deze dag niet ligt voor de  dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om bijstand aan te  vragen. Dit geldt ook voor de individuele inkomenstoeslag. De peildatum  kan daarom niet voor de aanvraagdatum liggen. Een te vroeg ingediende  aanvraag (binnen twaalf maanden na de laatst verleende individuele  inkomenstoeslag) moet op grond van het derde lid van artikel 36 worden  afgewezen.</al><al/><al>Artikel 3 – Langdurig laag inkomen</al><al/><al>In  dit artikel wordt uitvoering gegeven aan de opdracht bij verordening  regels te stellen met betrekking tot de invulling van de begrippen  langdurig en laag inkomen. De langdurige periode wordt aangeduid als  referteperiode. De referteperiode is in artikel 1 van deze verordening  vastgesteld op 36 maanden voorafgaand aan de peildatum.</al><al/><al>Een  inkomen is laag als het niet hoger is dan 100% van de op de  belanghebbende van toepassing zijnde bijstandsnorm. De bijstandsnorm is  op grond van artikel 5, onderdeel c van de wet de op de belanghebbende  van toepassing zijnde (kostendelers?)norm.</al><al/><al>De  vraag of het inkomen van een persoon gedurende de referteperiode niet  hoger is dan deze norm mag niet al te rigide worden toegepast. Een  marginale overschrijding moet worden genegeerd (o.a. LJN BE8918 en  BP5532).</al><al/><al>Bij  een inkomen dat meer bedraagt dan 100% van de bijstandsnorm, maar het  meerdere op jaarbasis minder is dan de toepasselijke individuele  inkomenstoeslag, wordt de individuele inkomenstoeslag op grond van  artikel 4, tweede lid van deze verordening verminderd met dat  meerinkomen op jaarbasis. Hierdoor kan iemand ook bij een inkomen dat  hoger is dan de bijstandsnorm in aanmerking komen voor een individuele  inkomenstoeslag. De gevolgen van de armoedeval worden hierdoor beperkt.</al><al/><al>Artikel 4 – Hoogte van de individuele inkomenstoeslag</al><al/><al>Bij  de hoogte van de individuele inkomenstoeslag wordt onderscheid gemaakt  tussen een alleenstaande, alleenstaande ouder en gehuwden. De  individuele inkomenstoeslag is een percentage van het normbedrag zoals  dat op 1 januari van het kalenderjaar van toepassing is. Er is gekozen  voor een percentage van de in de wet genoemde normbedrag, en niet van de  toepasselijke bijstandsnorm omdat deze laatste door toepassing van de  kostendelersnorm lager kan uitvallen.</al><al/><al>Omdat  de basisbijstandsnormen voor alleenstaanden en alleenstaande ouders  gelijk zijn wordt voor de berekening van de hoogte van de individuele  inkomenstoeslag het in de wet genoemde normbedrag verhoogd met 20% van  de basisbijstandsnorm voor gehuwden. Op deze wijze wordt in de hoogte  van de individuele inkomenstoeslag rekening gehouden met de zorg voor  kinderen.</al><al/><al>In  het tweede lid van artikel 3 van deze verordening is bepaald dat recht  bestaat op een gedeeltelijke individuele inkomenstoeslag als het inkomen  op de peildatum meer bedraagt dan 110% van de bijstandsnorm, maar het  meerdere op jaarbasis niet meer bedraagt dan de toepasselijke  individuele inkomenstoeslag. In het tweede lid van dit artikel is  bepaald dat de hoogte van de individuele inkomenstoeslag in dat geval  wordt verminderd met het bedrag van het meerinkomen op jaarbasis. Op  deze manier kunnen ook belanghebbenden met een inkomen tot ruim 103% van  de bijstandsnorm in aanmerking komen voor een individuele  inkomenstoeslag.</al><al/><al>Bijvoorbeeld:  100% van de bijstandsnorm voor gehuwden is op jaarbasis is €16.254. Het  netto jaarinkomen van het gezin is €16.500. De individuele  inkomenstoeslag wordt dan €542 – (€16.500-/- €16.254) = €542 -/– €246 =  €296.</al><al/><al>Bij  gehuwden geldt dat het recht op individuele inkomenstoeslag de gehuwden  gezamenlijk toekomt. Zij moeten in de referteperiode beiden aan de  voorwaarden van artikel 36, eerste lid van de wet voldoen. Als één van  de echtgenoten, anders dan vanwege het niet voldoen aan de voorwaarden  van artikel 36 van de wet, is uitgesloten van het recht op individuele  inkomenstoeslag, dan komt de rechthebbende partner in aanmerking voor  een individuele inkomenstoeslag naar de hoogte die voor hem als  alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden.</al><al/><al>Artikel 5 – Nadere regels</al><al/><al>De  invulling van de term langdurig laag inkomen en de hoogte van de  individuele inkomenstoeslag zijn in deze verordening geregeld. Het  college kan, gelet op de omstandigheden van de belanghebbende, een  individuele inkomenstoeslag verlenen aan de persoon met een langdurig  laag inkomen die geen uitzicht heeft op inkomensverbetering. Tot de  omstandigheden worden in ieder geval gerekend de krachten en  bekwaamheden van de persoon, en de inspanningen die de persoon heeft  verricht om tot inkomensverbetering te komen. Om tot een eenduidige  uitvoering te komen stelt het college nadere regels met betrekking tot  de uitvoerig van deze verordening en de beoordelingen die het college  moet doen om op een verzoek voor een individuele inkomenstoeslag te  besluiten.</al><al/><al>Artikel 6 - Hardheidsclausule</al><al/><al>Het  college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen van deze  verordening indien onverkorte toepassing zou leiden tot onredelijkheid  of onbillijkheid.</al><al/><al>Artikel 7 – Inwerkingtreding</al><al/><al>Deze  verordening treedt in werking op 1 januari 2015. De verordening  Langdurigheidstoeslag &lt;&gt; wordt op 1 januari 2015 ingetrokken.</al><al/><al>Artikel 8 – Citeertitel</al><al/><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening individuele inkomenstoeslag Dantumadiel 2015.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>