<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd" xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance"><meta><owmskern><dcterms:identifier>378088_3</dcterms:identifier><dcterms:title>Leidraad invordering gemeentelijke belastingen</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Heerenveen</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-03-01</dcterms:modified></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2016-22738.html">gmb-2016-22738</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Leidraad invordering gemeentelijke
                belastingen</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Onbekend.</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">college van burgemeester en wethouders</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-02-16</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-02-26</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2016-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2016-10-11</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Wijziging</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>16.2000060</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule><vet>Leidraad Invordering Gemeentelijke Belastingen</vet></intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Voor u ligt de Leidraad Invordering gemeentelijke belastingen van de
                        Gemeente Heerenveen. </al><al>Net als de <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0024096" struct="BWB">Leidraad
                            Invordering 2008</extref> van het Rijk (hierna: Rijksleidraad) en de
                        Model-leidraad Invordering Gemeentelijke Belastingen van de VNG bevat deze
                        leidraad enkel beleidsregels. Werkinstructies zijn niet opgenomen. </al><al>Bij de opmaak van deze leidraad is aansluiting gezocht bij de <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0024096" struct="BWB">Rijksleidraad</extref>. Het
                        is echter geen kopie. Daar waar noodzakelijk zijn bepalingen toegevoegd of
                        aangepast aan de specifieke gemeentelijke situatie. </al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Inleiding en toepassingsgebied</titel></kop><al>Dit artikel bevat de inleiding van de Leidraad Invordering Gemeentelijke
                        Belastingen van de gemeente Heerenveen en het beleid over het
                        toepassingsgebied zoals opgenomen in <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=1" struct="BWB">artikel 1 van
                            de Invorderingswet 1990</extref>.</al><al><vet>1.1.</vet><vet> Inleiding</vet></al><al>Net als de Leidraad Invordering 2008 van het Rijk (hierna: Rijksleidraad) en
                        de Model-leidraad Invordering Gemeentelijke Belastingen van de VNG bevat
                        deze leidraad enkel beleidsregels. Werkinstructies zijn niet opgenomen. </al><al>Bij de opmaak van deze leidraad is aansluiting gezocht bij de Rijksleidraad.
                        Het is echter geen kopie. Daar waar noodzakelijk zijn bepalingen toegevoegd
                        of aangepast aan de specifieke gemeentelijke situatie. </al><al><vet>Opzet van de Leidraad</vet></al><al>Voor de indeling in artikelen en subartikelen is aangesloten bij
                        Rijksleidraad. Sommige artikelen uit de <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770" struct="BWB">Invorderingswet 1990</extref>
                        en onderdelen van de Rijksleidraad treft u echter niet aan. Reden hiervoor
                        is dat deze onderdelen en artikelen niet van toepassing zijn voor gemeenten.
                        Bij diverse artikelen en onderdelen treft u dan ook de opmerking aan: ‘Deze
                        bepaling is niet van toepassing voor gemeenten’. Dit is gedaan om de
                        nummering van de originele Rijksleidraad niet te veranderen. De
                        (halfjaarlijkse) wijzigingen van het Ministerie van Financiën kunnen dan
                        sneller gevonden en veranderd worden. </al><al>Vanwege de leesbaarheid is in deze leidraad het begrip ‘ontvanger’ in plaats
                        van de wettelijke term ‘gemeenteambtenaar belast met de invordering van
                        gemeentelijke belastingen’ gebruikt. Om dezelfde reden wordt in deze
                        leidraad het begrip ‘inspecteur’ gebruikt in plaats van de wettelijke term
                        ‘gemeenteambtenaar belast met de heffing van gemeentelijke belastingen’. In
                        de andere gevallen is gekozen voor de directe vertaling van
                        (Rijks)belastingfunctionarissen naar de lokale benamingen.</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="29*"></colspec><colspec colname="col2" colwidth="71*"></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al>Afkorting</al></entry><entry colname="col2"><al>Omschrijving</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>.....................</al></entry><entry colname="col2"><al>......................................</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Awb</al></entry><entry colname="col2"><al><extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0005537" struct="BWB">Algemene wet bestuursrecht</extref></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Awir</al></entry><entry colname="col2"><al><extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0018472" struct="BWB">Algemene wet inkomensafhankelijke
                                                regelingen</extref></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>AWR</al></entry><entry colname="col2"><al><extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0002320" struct="BWB">Algemene wet inzake rijksbelastingen</extref></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>BW</al></entry><entry colname="col2"><al>Burgerlijk Wetboek</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>FW</al></entry><entry colname="col2"><al><extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0001860" struct="BWB">Faillissementswet</extref></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>MSNP</al></entry><entry colname="col2"><al>minnelijke schuldsanering natuurlijke personen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Rv</al></entry><entry colname="col2"><al><extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0001827" struct="BWB">Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering</extref></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Sr</al></entry><entry colname="col2"><al><extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0001854" struct="BWB">Wetboek van Strafrecht</extref></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Sv</al></entry><entry colname="col2"><al><extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0001903" struct="BWB">Wetboek van Strafvordering</extref></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>WSF</al></entry><entry colname="col2"><al><extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0011453" struct="BWB">Wet
                                                Studiefinanciering 2000</extref></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>WSNP</al></entry><entry colname="col2"><al><extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0009730" struct="BWB">wettelijke schuldsanering natuurlijke
                                                personen</extref></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Pw</al></entry><entry colname="col2"><al><extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0015703" struct="BWB">Participatiewet</extref></al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>1.1.1.</vet><vet> Lijst met gebruikte afkortingen</vet></al><al><vet>1.1.2.</vet><vet> Definities</vet></al><lijst><li nr="-"><al>belasting(en): belastingen die door de gemeente worden geheven;</al></li><li nr="-"><al>belastingdeurwaarder: de daartoe door het college aangewezen
                                gemeenteambtenaar bedoeld in <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=231" struct="BWB">artikel 231, tweede lid, onderdeel e, van de
                                    Gemeentewet</extref>;</al></li><li nr="-"><al>besluit (het): het <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004772" struct="BWB">Uitvoeringsbesluit Invorderingswet
                                1990</extref>;</al></li><li nr="-"><al>college: het college van burgemeester en wethouders van de
                                gemeente;</al></li><li nr="-"><al>echtgenoot: de echtgenoot bedoeld in <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=3" struct="BWB">artikel
                                    3 van de Pw</extref>;</al></li><li nr="-"><al>hoger beroep: hoger beroep bij een gerechtshof dan wel, als beroep
                                in cassatie bij de Hoge Raad is ingesteld, cassatieberoep;</al></li><li nr="-"><al>inspecteur: de gemeenteambtenaar bedoeld in <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=231" struct="BWB">artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de
                                    Gemeentewet</extref>, met inbegrip van de ambtenaren aan wie ter
                                zake mandaat is verleend door de inspecteur;</al></li><li nr="-"><al>ondernemer: de belastingschuldige die een onderneming drijft of
                                zelfstandig een beroep uitoefent;</al></li><li nr="-"><al>ontvanger: de gemeenteambtenaar bedoeld in <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=231" struct="BWB">artikel 231, tweede lid, onderdeel c, van de
                                    Gemeentewet</extref>, met inbegrip van de ambtenaren aan wie ter
                                zake mandaat is verleend door de ontvanger;</al></li><li nr="-"><al>particulier: de belastingschuldige die niet als ondernemer wordt
                                aangemerkt;</al></li><li nr="-"><al>regeling (de): de <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004766" struct="BWB">Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990</extref>;</al></li><li nr="-"><al>wet (de): de wet van 30 mei 1990 op de invordering van
                                rijksbelastingen (<extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770" struct="BWB">Invorderingswet 1990</extref>).</al></li></lijst><al>Onder de overige in deze leidraad gebruikte begrippen wordt hetzelfde
                        verstaan als de wet daaronder verstaat.</al><al><vet>1.1.3.</vet><vet> Reikwijdte beleidsvoorschriften</vet></al><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor gemeenten.</al><al><vet>1.1.4.</vet><vet> Aansprakelijkgestelden en andere derden</vet></al><al>De invordering met betrekking tot aansprakelijkgestelden en andere derden
                        vindt voor een groot deel op overeenkomstige wijze plaats als de invordering
                        met betrekking tot belastingschuldigen. Omwille van de leesbaarheid is
                        vermeden steeds de aansprakelijkgestelden en andere derden te noemen, zonder
                        dat hiermee wordt beoogd de toepasselijkheid van die voorschriften te
                        beperken.</al><al><vet>1.1.5.</vet><vet> Awb en algemene beginselen van behoorlijk bestuur</vet></al><al>In de invordering wordt zoveel mogelijk gehandeld in overeenstemming met de
                            <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0005537" struct="BWB">Awb</extref> en het
                            <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0036170" struct="BWB">Besluit Fiscaal
                            bestuursrecht</extref>, ondanks het feit dat <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0005537&amp;artikel=3:4" struct="BWB">artikel
                            3:40</extref>, <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0005537" struct="BWB">titels
                            4.1 tot en met 4.3</extref>, <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0005537&amp;artikel=4:125" struct="BWB">artikel
                            4:125</extref>, <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0005537" struct="BWB">titel
                            5.2</extref>., de <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0005537" struct="BWB">hoofdstukken 6 en 7</extref> en <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0005537" struct="BWB">afdeling 10.2.1 Awb</extref> niet van toepassing zijn op de
                        wet.</al><al>Dit betekent onder meer dat de beslistermijnen uit de <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0005537" struct="BWB">Awb</extref> inclusief de
                        mogelijkheden tot verlenging van toepassing zijn, tenzij de wet, de regeling
                        of deze leidraad anders bepaalt. Voor beschikkingen op aanvraag geldt daarom
                        een termijn van acht weken met de mogelijkheid hiervan af te wijken door een
                        redelijke termijn te noemen (zie <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0005537&amp;artikel=4:13" struct="BWB">artikel
                            4:13</extref>, <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0005537&amp;artikel=4:14" struct="BWB">4:14</extref> en <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0005537&amp;artikel=4:15" struct="BWB">4:15
                            Awb</extref>).</al><al>Voor het beslissen op bezwaarschriften geldt een verdagingstermijn van
                        maximaal zes weken en de mogelijkheid tot verder uitstel in gezamenlijk
                        overleg (<extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0005537&amp;artikel=7:10" struct="BWB">artikel 7:10 Awb</extref>). Voor het beslissen op beroepschriften bij
                        administratief beroep geldt een verdagingstermijn van maximaal zes weken en
                        de mogelijkheid tot verder uitstel in gezamenlijk overleg (<extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0005537&amp;artikel=7:24" struct="BWB">artikel 7:24
                            Awb</extref>).</al><al>Het uitgangspunt met betrekking tot de Awb-conforme werkwijze geldt niet
                        voor de regeling inzake de dwangsom bij niet tijdig beslissen (<extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0005537&amp;artikel=4:17" struct="BWB">artikel 4:17
                            Awb</extref>). Het laatste betekent dat bij de uitvoering van de wet de
                        dwangsom uitsluitend van toepassing is op de volgende gevallen:</al><lijst><li nr="-"><al>bezwaarschriften tegen beschikkingen invorderingsrente als bedoeld
                                in <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770" struct="BWB">artikel 30,
                                    eerste lid, van de wet</extref>;</al></li><li nr="-"><al>bezwaarschriften tegen beschikkingen aansprakelijkstelling als
                                bedoeld in <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=49" struct="BWB">artikel 49, eerste lid, van de wet</extref>;</al></li><li nr="-"><al>bezwaar- en beroepschriften als bedoeld in <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0002645&amp;artikel=7" struct="BWB">artikel
                                    7, eerste lid, van de Kostenwet invordering
                                    rijksbelastingen</extref>;</al></li><li nr="-"><al>bezwaarschriften tegen beschikkingen kostenvergoeding bij een
                                onrechtmatig opgelegde verplichting als bedoeld in <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=62a" struct="BWB">artikel 62a, eerste lid, van de wet</extref>;</al></li><li nr="-"><al>bezwaarschriften tegen beschikkingen bestuurlijke boete als bedoel
                                in <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=63b" struct="BWB">artikel 63b van de wet</extref>.</al></li></lijst><al>Een andere bepaling uit de <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0005537" struct="BWB">Awb</extref> die van toepassing is bij invordering is
                            <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0005537&amp;artikel=4:84" struct="BWB">artikel 4.84 Awb</extref>. Op grond van die bepaling is het mogelijk af
                        te wijken van de beleidsregels zoals die zijn opgenomen in deze leidraad.
                        Dit is gerechtvaardigd als toepassing van die regels voor een of meer
                        belanghebbenden gevolgen zou hebben die vanwege bijzondere omstandigheden
                        onevenredig zijn in verhouding tot de doelen die de leidraad dient.</al><al>Dit laatste zal slechts bij hoge uitzondering aan de orde zijn. Het afwijken
                        van beleidsregels leidt in de regel immers tot schending van het
                        gelijkheidsbeginsel. Er moet dus sprake zijn van daadwerkelijk bijzondere
                        omstandigheden op grond waarvan onverkorte toepassing van de leidraad
                        onevenredig nadeel voor de betrokkene zou opleveren. Dit criterium gaat
                        aanzienlijk verder dan een belangenafweging als bedoeld in <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0005537&amp;artikel=3:4" struct="BWB">artikel 3:4
                            Awb</extref>.</al><al>Naast het zoveel mogelijk handelen in overeenstemming met de Awb moet de
                        ontvanger bij zijn handelen de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in
                        acht nemen, ook als sprake is van privaatrechtelijke handelingen (beslag,
                        executoriale verkoop en dergelijke). Dit betekent onder meer dat als de
                        belastingschuldige in een verzoek aan de gemeente aannemelijk heeft gemaakt
                        dat er gegronde twijfels zijn bij de verschuldigdheid van een onherroepelijk
                        geworden belastingaanslag, de ontvanger de belastingaanslag marginaal
                        toetst. Onder een onherroepelijk vaststaande belastingaanslag wordt in dit
                        verband verstaan een belastingaanslag waartegen geen bezwaar of beroep meer
                        open staat en waarvoor evenmin een ambtshalve beoordeling mogelijk is in
                        verband met termijnoverschrijding. Wanneer bij de marginale toetsing blijkt
                        dat een belastingaanslag in materiële zin niet verschuldigd kan worden
                        geacht, neemt de ontvanger voor een dergelijke aanslag geen
                        invorderingsmaatregelen. Onder invorderingsmaatregelen worden niet alleen
                        dwangmaatregelen zoals de tenuitvoerlegging van een dwangbevel, maar ook de
                        verrekening van een belastingaanslag met belastingteruggaven begrepen.
                        Uitgangspunt hierbij is dat de marginale toetsing zich beperkt tot feiten
                        die de ontvanger bekend zijn op het moment dat hij tot invordering overgaat.
                        De verrekening van een belastingaanslag waarvan is gebleken dat die in
                        materiële zin niet verschuldigd is met een belastingteruggave wordt niet
                        ongedaan gemaakt, tenzij het verzoek daartoe heeft plaatsgevonden binnen één
                        maand nadat de verrekening is bekendgemaakt.</al><al><vet>1.1.6.</vet><vet> Keuze uit verschillende invorderingsmaatregelen</vet></al><al>Als de invordering op verschillende manieren kan plaatsvinden, heeft de
                        eenvoudigste, snelste en minst kostbare wijze voor de gemeente de
                        voorkeur.</al><al><vet>1.1.7.</vet><vet> Invorderingsmaatregelen tegen grote bedrijven</vet></al><al>Als de ontvanger invorderingsmaatregelen wil treffen die het voortbestaan
                        kunnen bedreigen van een bedrijf met meer dan vijftig werknemers, dan vraagt
                        hij daartoe toestemming van het college. Onder een bedrijf wordt in dit
                        verband ook verstaan een geheel van bij elkaar behorende bedrijven of een
                        zelfstandig uitgeoefend beroep.</al><al>Beslaglegging hoeft niet het hiervoor bedoelde effect te hebben, als de
                        ontvanger op een zodanige wijze kan handelen dat derden daarvan geheel
                        onwetend blijven.</al><al>De ontvanger vraagt altijd toestemming als:</al><lijst><li nr="-"><al>met de beslaglegging op korte termijn de verkoop van (een deel van)
                                de activa van het bedrijf wordt beoogd;</al></li><li nr="-"><al>door de beslaglegging de werkvoorraad en/of geldmiddelen geheel of
                                nagenoeg geheel worden vastgelegd;</al></li><li nr="-"><al>derden niet onkundig blijven van de beslaglegging, zoals steeds het
                                geval is bij derdenbeslag;</al></li><li nr="-"><al>de ontvanger aan een schuldeiser zodanige inlichtingen omtrent
                                openstaande belastingaanslagen verstrekt, dat deze kunnen dienen als
                                steunvorderingen bij het aanvragen van faillissement door die
                                schuldeiser.</al></li></lijst><al><vet>1.1.8.</vet><vet> Voor de invordering minder geschikte dagen</vet></al><al>Onverminderd het bepaalde bij of krachtens artikel 15, eerste lid, aanhef en
                        onderdeel e, en <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=18" struct="BWB">artikel 18 van de van de wet</extref> doet de deurwaarder
                        geen exploten of verricht geen executie-handelingen tussen 20.00 uur ’s
                        avonds en 07.00 uur ’s ochtends, op een zondag en op een algemeen erkende
                        feestdag, behalve na een daartoe strekkend verlof van de
                        voorzieningenrechter.</al><al>De ontvanger zal geen invorderingsmaatregelen nemen tegen particulieren op
                        dagen die daarvoor minder geschikt kunnen worden geacht, als die maatregelen
                        zonder bezwaar naar een later tijdstip kunnen worden verschoven.</al><al>Deze terughoudendheid geldt bij ondernemers slechts voor zover sprake is van
                        invorderingsmaatregelen die betrekking hebben op bezittingen die tot de
                        privésfeer kunnen worden gerekend. De terughoudendheid geldt niet als de
                        ontvanger een naheffingsaanslag als bedoeld in <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=9" struct="BWB">artikel 9,
                            achtste lid van de wet</extref> terstond invordert.</al><al>Voor invordering minder geschikte dagen zijn met name:</al><lijst><li nr="-"><al>landelijk of regionaal vrij algemeen erkende feest- en gedenkdagen
                                met inbegrip van de daaraan voorafgaande en de daarop volgende
                                dag</al></li><li nr="-"><al>de dagen tussen Kerstmis en Nieuwjaar</al></li></lijst><al><vet>1.1.9.</vet><vet> Binnenkomst van bescheiden</vet></al><al>Als aan het indienen van bepaalde bescheiden rechtsgevolgen zijn verbonden
                        dan wel rechten kunnen worden ontleend dan geldt als datum van binnenkomst
                        van die stukken de datum van binnenkomst bij de gemeente.</al><al>Als de ontvanger in de tussentijd heeft verrekend of dwangmaatregelen heeft
                        genomen ter invordering van de belastingschuld, dan blijven deze gehandhaafd
                        als hij niet van de indiening op de hoogte was en er redelijkerwijs ook niet
                        van op de hoogte kon zijn. Onder dwangmaatregelen moeten in dit verband
                        worden verstaan: alle maatregelen in het kader van de dwanginvordering
                        respectievelijk invordering langs civielrechtelijke weg, en het
                        aansprakelijk stellen van derden.</al><al><vet>1.1.10.</vet><vet> Positie belastingdeurwaarder</vet></al><al>Belastingdeurwaarder is een door of namens het college aangewezen ambtenaar
                        van de gemeente, dan wel een als belastingdeurwaarder van de gemeente
                        aangewezen deurwaarder. In de uitoefening van zijn functie is de
                        belastingdeurwaarder bestuursorgaan in de zin van de <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0005537" struct="BWB">Awb</extref>, dan wel handelt
                        hij onder de verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan (de
                        ontvanger).</al><al>Als zodanig vervult hij zijn taak zonder vooringenomenheid. Hij gebruikt
                        zijn bevoegdheid niet voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is
                        verleend. Hij waakt ervoor dat de nadelige gevolgen van zijn handelen niet
                        onevenredig zijn in verhouding tot de doelen die hij met die handelingen
                        dient.</al><al>Om misverstanden te voorkomen, meldt de belastingdeurwaarder steeds in welke
                        hoedanigheid hij optreedt en hij legitimeert zich desgevraagd. Op grond van
                            <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=67" struct="BWB">artikel 67 van de wet</extref> is het de belastingdeurwaarder verboden
                        om hetgeen hem over de persoon of de zaken van een ander blijkt of wordt
                        meegedeeld - in enige werkzaamheid bij de uitvoering van de wet, of in
                        verband daarmee - verder bekend te maken dan nodig is voor de uitvoering van
                        de wet of voor de heffing van enige rijksbelasting.</al><al>De leiding van de invordering berust steeds in handen van de ontvanger. Dit
                        brengt met zich mee dat de belastingdeurwaarder de bevoegdheden die hij
                        rechtstreeks ontleent aan de wet en aan het <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0001827" struct="BWB">Wetboek van Burgerlijke
                            Rechtsvordering</extref>, slechts uitoefent nadat hij daartoe een
                        opdracht van de ontvanger heeft verkregen en zich bij de uitoefening van die
                        bevoegdheden houdt aan diens aanwijzingen.</al><al>Op grond van <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0005537&amp;artikel=9:1" struct="BWB">artikel 9:1 Awb</extref> heeft een ieder het recht om een
                        klacht in te dienen over de wijze waarop de belastingdeurwaarder zich jegens
                        hem of een ander heeft gedragen. Klachten in verband met zijn
                        ambtsuitoefening kunnen worden ingediend bij de ontvanger in wiens opdracht
                        en onder wiens verantwoordelijkheid de belastingdeurwaarder werkzaam
                        is.</al><al><vet>1.1.11.</vet><vet> Bewaren invorderingsbescheiden</vet></al><al>De ontvanger bewaart de bescheiden die direct betrekking hebben op de
                        invordering gedurende drie jaar na afdoening, of zoveel langer als het recht
                        tot dwanginvordering van de belastingaanslag die daaraan ten grondslag ligt
                        nog niet is verjaard.</al><al>De bescheiden die op kwijtschelding betrekking hebben, worden gedurende ten
                        minste drie jaar na de verleende kwijtschelding bewaard, of zoveel langer
                        als redelijkerwijs nog niet kan worden aangenomen dat zij hun belang
                        definitief hebben verloren.</al><al>Bescheiden die geen betrekking hebben op één of meer bepaalde
                        belastingaanslagen, worden eveneens gedurende ten minste drie jaar bewaard,
                        of zoveel langer als redelijkerwijs nog niet kan worden aangenomen dat zij
                        hun belang definitief hebben verloren.</al><al><vet>1.1.12.</vet><vet> Verklaring inzake nakoming fiscale verplichtingen</vet></al><al>Op verzoek van de belastingschuldige of zijn gemachtigde geeft de ontvanger
                        een verklaring af, dat op dat moment geen belastingaanslagen of andere
                        vorderingen openstaan waarvan de invordering aan de ontvanger is opgedragen.
                        Tevens verklaart de ontvanger desgevraagd dat zich in het verleden - voor
                        wat betreft de invordering - geen moeilijkheden hebben voorgedaan. In de
                        verklaring kan de ontvanger nadere bijzonderheden vermelden.</al><al>De ontvanger zendt de verklaring aan het adres van de belastingschuldige of
                        reikt deze aan hem uit. Toezending of uitreiking aan een ander dan de
                        belastingschuldige blijft achterwege, tenzij de ontvanger zich ervan heeft
                        overtuigd dat die ander tot ontvangst van de verklaring bevoegd is.</al><al><vet>1.1.13.</vet><vet> Informatieplicht</vet></al><al>De ontvanger maakt van de bevoegdheden van <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770" struct="BWB">hoofdstuk VII van de
                            wet</extref> enkel gebruik bij een betalingsachterstand, dat wil zeggen
                        als niet is betaald binnen de betalingstermijn(en) die voor de
                        belastingaanslag gelden. De informatieplicht vervalt zodra volledige
                        betaling plaatsvindt. </al><al>De ontvanger kan altijd gebruik maken van zijn bevoegdheid van hoofdstuk VII
                        als de toepassing van <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=10" struct="BWB">artikel 10 van de wet</extref> aan de orde kan komen.</al><al><vet>1.1.14.</vet><vet> Diplomatieke status</vet></al><al>De invordering van belastingschulden van personen met een diplomatieke
                        status gebeurt door tussenkomst van de minister van Buitenlandse Zaken. De
                        ontvanger richt een verzoek om bemiddeling rechtstreeks tot:</al><al>Ministerie van Buitenlandse Zaken</al><al>Directie Kabinet en Protocol</al><al>Postbus 20061</al><al>2500 EB 's-Gravenhage</al><al><vet>1.2.</vet><vet> Toepassingsgebied</vet></al><al>Het eerste lid van <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=1" struct="BWB">artikel 1 van de wet</extref> regelt het toepassingsgebied
                        van de wet. Het tweede lid bepaalt dat een deel van de <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0005537" struct="BWB">Awb</extref> niet van
                        toepassing is op de wet.</al><al>De ontvanger handelt zoveel mogelijk in overeenstemming met de <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0005537" struct="BWB">Awb</extref> en het <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0036170" struct="BWB">Besluit fiscaal
                            bestuursrecht</extref> (zie ook artikel 1.1.5 van deze leidraad).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al>In aansluiting op <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=2" struct="BWB">artikel 2 van de wet</extref> beschrijft dit artikel het
                        beleid over het begrip 'woonplaats'.</al><al><vet>2.1.</vet><vet> Woonplaats</vet></al><al>De begrippen 'woonplaats' en 'plaats van vestiging' hebben bij de uitvoering
                        van de wet niet steeds dezelfde inhoud.</al><al>Als het gaat om de betekening van stukken of om andere handelingen
                        overeenkomstig het <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0001827" struct="BWB">Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering</extref>, sluit de ontvanger
                        aan bij het begrip 'woonplaats' als bedoeld in de <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0002656&amp;artikel=10" struct="BWB">artikelen 1:10
                            en volgende van het BW</extref>.</al><al>Bij de aansprakelijkheidsbepalingen van <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770" struct="BWB">Afdeling 1 van Hoofdstuk VI
                            van de wet</extref> ligt het voor de hand om aan te sluiten bij de
                        begrippen 'woonplaats' en 'plaats van vestiging' die gelden voor de
                        gemeentelijke verordening op grond waarvan de belastingschuld - waarvoor de
                        aansprakelijkheid bestaat - is ontstaan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Bevoegdheden ontvanger </titel></kop><al><extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=3" struct="BWB"><cursief>Artikel 3 van de wet</cursief></extref><cursief> geeft een afbakening van de bevoegdheden van de
                            ontvanger.</cursief></al><al><cursief>De ontvanger treedt in alle rechtsgedingen die voortvloeien uit de
                            uitoefening van zijn taak als zodanig in rechte op (</cursief><extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=3" struct="BWB"><cursief>artikel 3, tweede lid van de wet</cursief></extref><cursief>).</cursief></al><al><cursief>De bepalingen van deze leidraad zijn zoveel mogelijk van
                            overeenkomstige toepassing op de invordering op civielrechtelijke wijze.
                            Dat het bestuurs-orgaan ten aanzien van de invordering ook over de
                            bevoegdheden beschikt die een schuldeiser op grond van het privaatrecht
                            heeft is thans geregeld in </cursief><extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0005537&amp;artikel=4:124" struct="BWB"><cursief>artikel 4:124 Awb</cursief></extref><cursief>)</cursief></al><al>In aansluiting op <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=3" struct="BWB">artikel 3 van de wet</extref> beschrijft dit artikel het
                        beleid over:</al><lijst><li nr="-"><al>de fiscale en civiele bevoegdheden van de ontvanger;</al></li><li nr="-"><al>het leggen van conservatoir beslag;</al></li><li nr="-"><al>het vragen van toestemming bij gerechtelijke procedures;</al></li><li nr="-"><al>de Rijksadvocaat;</al></li><li nr="-"><al>de Faillissementsaanvraag</al></li></lijst><al><vet>3.1.</vet><vet> Fiscale en civiele bevoegdheden</vet></al><al>De ontvanger beschikt op grond van de wet over diverse specifieke
                        bevoegdheden om een belastingschuld in te vorderen. Daarnaast heeft hij alle
                        bevoegdheden die op grond van enigerlei wettelijke bepaling aan een
                        schuldeiser toekomen. Dit leidt er in veel gevallen toe dat de ontvanger
                        zowel gebruik kan maken van zijn specifieke fiscale bevoegdheden, als van
                        zijn algemene civielrechtelijke bevoegdheden om zijn doel te bereiken.</al><al>De ontvanger is vrij in de keuze van de invorderingsinstrumenten die hij het
                        meest geschikt acht voor een juiste uitoefening van zijn taak. Als de
                        ontvanger het wenselijk of noodzakelijk acht van fiscale bevoegdheden over
                        te schakelen op civielrechtelijke bevoegdheden of andersom, dan doet hij dit
                        alleen als het belang van de invordering opweegt tegen de belangen van de
                        belastingschuldige en eventuele derden.</al><al><vet>3.2.</vet><vet> Conservatoir beslag</vet></al><al>Om de rechten van de gemeente veilig te stellen heeft de ontvanger naast de
                        versnelde invordering de mogelijkheid conservatoir beslag te leggen. Feiten
                        en omstandigheden bepalen de keuze van de ontvanger.</al><al><vet>3.2.1.</vet><vet> Geen conservatoir beslag dan ook geen versnelde invordering</vet></al><al>Als de voorzieningenrechter van de rechtbank geen toestemming verleent tot
                        het leggen van conservatoir beslag omdat hij gegronde vrees voor
                        verduistering van de goederen niet aanwezig acht, dan legt de ontvanger niet
                        alsnog om dezelfde reden executoriaal beslag op grond van de <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=10" struct="BWB">artikelen
                            10</extref> en <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=15" struct="BWB">15 van de wet</extref>.</al><al><vet>3.2.2.</vet><vet> Ontbreken belastingaanslag en conservatoir beslag</vet></al><al>Als het niet mogelijk is eerst een belastingaanslag op te leggen, vraagt de
                        ontvanger slechts verlof om conservatoir beslag te leggen aan de
                        voorzieningenrechter als de belasting in redelijkheid materieel verschuldigd
                        geacht mag worden. Het opleggen van de belastingaanslag wordt beschouwd als
                        het instellen van een eis in de hoofdzaak als bedoeld in <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0001827&amp;artikel=700" struct="BWB">artikel 700,
                            derde lid Rv</extref>.</al><al><vet>3.3.</vet><vet> Gerechtelijke procedures - toestemming</vet></al><al><vet>3.3.1 </vet><vet> Juridische bijstand</vet></al><al>Op grond van <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0001827&amp;artikel=3" struct="BWB">artikel 3, tweede lid, van de wet</extref> treedt de
                        ontvanger zelfstandig in rechte op in rechtsgedingen die voortvloeien uit de
                        uitoefening van zijn taak. Hij voorziet zich daarbij in alle gevallen van
                        procesvertegenwoordiging, met uitzondering van:</al><al>beroepsprocedures op grond van <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0002320&amp;artikel=26" struct="BWB">artikel 26
                            AWR</extref>;</al><al>hoger beroepsprocedures op grond van <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0002320&amp;artikel=27h" struct="BWB">artikel 27h
                            AWR</extref>;</al><al>(hoger) beroepsprocedures op grond van <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0002645&amp;artikel=7" struct="BWB">artikel 7
                            Kostenwet invordering rijksbelastingen</extref>;</al><al>kantonzaken;</al><al>kort gedingprocedures, indien de ontvanger gedaagde is. </al><al><vet>3.3.2</vet><vet> Toestemming</vet></al><al>In gerechtelijke procedures waarin de ontvanger als eiser optreedt, moet hij
                        toestemming hebben van het college. Behalve voor in hoger beroep te voeren
                        zaken geldt het voorgaande niet voor:</al><lijst><li nr="-"><al>verklaringsprocedures in het kader van derdenbeslagen;</al></li><li nr="-"><al>kantonzaken;</al></li><li nr="-"><al>verzoekschriftprocedures;</al></li><li nr="-"><al>aansprakelijkheidsprocedures.</al></li><li nr="-"><al>procedures die worden ingesteld naar aanleiding van een verzet ex
                                    <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0001827&amp;artikel=435" struct="BWB">artikel 435, derde lid, Rv</extref> of <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0001827&amp;artikel=708" struct="BWB">artikel 708, tweede lid, Rv</extref>.</al></li></lijst><al><vet>3.4.</vet><vet> Rijksadvocaat</vet></al><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor gemeenten.</al><al><vet>3.5.</vet><vet> Faillissementsaanvraag</vet></al><al>Als een belastingschuldige verkeert in de toestand dat hij ophoudt met
                        betalen (<extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0001860&amp;artikel=1" struct="BWB">artikel 1 FW</extref>) kan de ontvanger het faillissement
                        aanvragen.</al><al>De ontvanger is zelfstandig in het nemen van deze beslissing. Het college
                        wordt hier vooraf over ingelicht.</al><al>In de modelleidraad van de VNG is optioneel opgenomen dat de ontvanger
                        vooraf toestemming aan het college vraagt alvorens deze actie uit te voeren.
                        Dit is echter een ongewenste inperking van de bevoegdheden van de
                        ontvanger.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3a</nr><titel>Bevoegdheden ontvanger - strafbeschikking</titel></kop><al>Er zijn in deze leidraad op <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=3a" struct="BWB">artikel 3a van
                            de wet</extref> geen beleidsregels gemaakt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Bevoegdheid belastingdeurwaarder</titel></kop><al><extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=4" struct="BWB"><cursief>Artikel 4 van de wet</cursief></extref><cursief> bepaalt dat voor het verrichten van</cursief><cursief> deurwaarderswerkzaamheden in opdracht van een ontvanger voor de
                            invordering van (rijks) belastingen, uitsluitend een
                            belastingdeurwaarder bevoegd is.</cursief></al><al>In aansluiting op <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=4" struct="BWB">artikel 4 van de wet</extref> beschrijft dit artikel het
                        beleid over de reikwijdte van die bevoegdheid.</al><al><vet>4.1.</vet><vet> Reikwijdte</vet><vet> bevoegdheid belastingdeurwaarder</vet></al><al>De belastingdeurwaarder is bevoegd tot het uitbrengen van alle exploten en
                        het treffen van alle invorderingsmaatregelen die rechtstreeks verband houden
                        met de invorderingstaak en de hieruit voortvloeiende bevoegdheden van de
                        ontvanger.</al><al>Dit brengt met zich mee dat de belastingdeurwaarder ook bevoegd is tot die
                        werkzaamheden die voortvloeien uit de invordering langs civielrechtelijke
                        weg, waartoe de ontvanger op grond van <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0005537&amp;artikel=4:124" struct="BWB">artikel
                            4:124 van de Awb</extref> gerechtigd is en tot die werkzaamheden die
                        verricht moeten worden, wanneer de ontvanger zelfstandig eisend en verwerend
                        in rechte optreedt.</al><al><vet>4.2.</vet><vet> Bescherming</vet></al><al>Belastingdeurwaarders zijn ambtenaar in de zin van de <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0001854&amp;artikel=179" struct="BWB">artikelen
                            179</extref> en <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0001854&amp;artikel=180" struct="BWB">180 Sr</extref>. Daardoor genieten zij strafrechtelijke
                        bescherming, voor zover zij hun wettelijke taken en bevoegdheden uitoefenen. </al><al><vet>4.3.</vet><vet> Legitimatie</vet></al><al>Voor de uitoefening van de aan hem opgedragen invorderingstaken kan de
                        belastingdeurwaarder op verzoek zich legitimeren aan de belastingschuldige
                        en/of zijn/haar gemachtigden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Bevoegdheid ressort</titel></kop><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor gemeenten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Reikwijdte van de wet</titel></kop><al><extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=6" struct="BWB"><cursief>Artikel 6 van de wet</cursief></extref><cursief> bepaalt dat de wet ook van toepassing is op:</cursief></al><lijst><li nr="-"><al><cursief>de rente;</cursief></al></li><li nr="-"><al><cursief>de kosten.</cursief></al></li></lijst><al>In aansluiting op <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=6" struct="BWB">artikel 6 van de wet</extref> beschrijft dit artikel het
                        beleid over rente en kosten.</al><al><vet>6.1.</vet><vet> Rente en kosten</vet><vet> in het kader van de reikwijdte van de wet</vet></al><al>Onder rente als bedoeld in <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=6" struct="BWB">artikel 6 van
                            de wet</extref> wordt alleen verstaan: de invorderingsrente.</al><al>Onder kosten wordt verstaan: alle kosten die op de voet van de <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0002645" struct="BWB">Kostenwet invordering
                            rijksbelastingen</extref> aan de belastingschuldige in rekening worden
                        gebracht. Hieronder vallen ook de kosten die zijn verbonden aan de
                        werkzaamheden die de belastingdeurwaarder verricht bij de invordering langs
                        civielrechtelijke weg</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Betaling en afboeking</titel></kop><al><extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=7" struct="BWB"><cursief>Artikel 7 van de wet</cursief></extref><cursief> schrijft voor hoe de toerekening van betalingen plaats moet
                            vinden:</cursief></al><lijst><li nr="-"><al><cursief>Lid 1 bepaalt dat toerekening van betalingen
                                    achtereenvolgens gebeurt aan de kosten, de betalingskorting, de
                                    rente en de belastingaanslag;</cursief></al></li><li nr="-"><al><cursief>Lid 2 bepaalt hoe de afboeking aan de verschillende
                                    componenten van de belastingaanslag plaatsvindt;</cursief></al></li></lijst><al>In aansluiting op <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=7" struct="BWB">artikel 7 van de wet</extref> beschrijft dit artikel het
                        beleid over:</al><lijst><li nr="-"><al>het tijdstip van de betaling;</al></li><li nr="-"><al>de afboeking van de betaling;</al></li><li nr="-"><al>teveelbetalingen;</al></li><li nr="-"><al>het rekenen van rente en kosten bij afboeking;</al></li><li nr="-"><al>het toerekenen van kosten bij meerdere aanslagen;</al></li><li nr="-"><al>de afboeking van de betaling op de bestuurlijke boete;</al></li><li nr="-"><al>de afboeking van betalingen door aansprakelijkgestelden;</al></li><li nr="-"><al>betaling bij vergissing;</al></li><li nr="-"><al>het verzenden van een mededeling bij een afboeking van een
                                betaling;</al></li><li nr="-"><al>betaling van kleine bedragen;</al></li><li nr="-"><al>ontvangen bedragen uit de wettelijke saneringsregeling en
                                faillissement.</al></li></lijst><al><vet>7.1.</vet><vet> Tijdstip betaling</vet></al><lijst><li nr="-"><al>Als tijdstip van betaling geldt de datum van bijschrijving op de
                                rekening van de gemeente;</al></li><li nr="-"><al>Bij betaling bij een bank of een betaaldienstverlener door middel
                                van storting van contant geld of door middel van storting met een
                                pinpas, geldt als tijdstip van betaling de eerste werkdag volgend op
                                de dag van de storting of pin-transactie;</al></li><li nr="-"><al>Bij rechtstreekse betaling aan de gemeente door middel van een pin-
                                of creditcardtransactie geldt de dag van de pin- of
                                creditcard-transactie als tijdstip van betaling;</al></li><li nr="-"><al>Als een cheque uit het buitenland is ontvangen, wordt de dag van
                                ontvangst van de cheque als de dag van betaling beschouwd, tenzij de
                                ontvanger constateert dat sprake is van misbruik;</al></li><li nr="-"><al>Bij betaling aan de kas van de gemeente geldt de dag waarop het
                                bedrag aan het loket van de gemeente is betaald als tijdstip van
                                betaling;</al></li><li nr="-"><al>Bij betaling aan de belastingdeurwaarder geldt de dag waarop het
                                bedrag aan de belastingdeurwaarder is betaald als tijdstip van
                                betaling.</al></li></lijst><al><vet>7.2.</vet><vet> De afboeking van de betaling</vet></al><al>Bij de afboeking van betalingen gelden de volgende richtlijnen:</al><lijst><li nr="-"><al>Betalingen waarvan de bestemming is aangegeven worden afgeboekt
                                overeenkomstig de opgave van de betaler, tenzij de aangegeven
                                bestemming strijdig is met de in <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=7" struct="BWB">artikel
                                    7 van de wet</extref> neergelegde wijze van toerekening van
                                betalingen;</al></li><li nr="-"><al>Betalingen waarvoor geen bestemming is aangegeven (de zogenoemde
                                ongerichte betalingen) worden afgeboekt op de oudste openstaande
                                belastingaanslagen, met dien verstande dat de aard van die
                                belastingaanslagen aanleiding kan zijn hiervan af te wijken;</al></li><li nr="-"><al>Als de ontvanger ook de invordering van gemeentelijke belastingen
                                ten behoeve van een andere gemeente uitvoert, is het bovenstaande
                                van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat verdeling van
                                de gelden naar rato van de grootte van de belastingschuld
                                plaatsvindt.</al></li></lijst><al><vet>7.3.</vet><vet> Teveelbetaling</vet></al><al>Als de aangegeven bestemming van de betaling een belastingaanslag betreft
                        die al is betaald terwijl nog diverse andere belastingaanslagen openstaan,
                        wordt die betaling aangemerkt als een ongerichte betaling en
                        dienovereenkomstig behandeld.</al><al><vet>7.4.</vet><vet> Rente en kosten bij afboeking betalingen</vet></al><al>Onder kosten wordt verstaan: alle kosten die op de voet van de Kostenwet
                        invordering rijksbelastingen aan de belastingschuldige in rekening worden
                        gebracht. Hieronder vallen ook de kosten die verbonden zijn aan de
                        werkzaamheden die de belastingdeurwaarder verricht bij de invordering langs
                        civielrechtelijke weg.</al><al>Onder rente als bedoeld in <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=7" struct="BWB">artikel 7 van
                            de wet</extref> wordt alleen verstaan: de invorderingsrente.</al><al><vet>7.5.</vet><vet> Het toerekenen van kosten bij meerdere aanslagen</vet></al><al>Kosten die niet betrekking hebben op één specifieke belastingaanslag worden
                        toegerekend aan een van de belastingaanslagen waarvoor de kosten zijn
                        gemaakt.</al><al><vet>7.6.</vet><vet></vet><vet> Afboeking betaling bestuurlijke boete waarvoor uitstel van betaling is
                            verleend</vet></al><al>Als sprake is van een belastingaanslag en een in verband met die aanslag
                        vastgestelde bestuurlijke boete, vindt toerekening uitsluitend plaats aan de
                        belasting, als voor de betaling van de bestuurlijke boete uitstel van
                        betaling is verleend in verband met een ingediend bezwaarschrift of
                        beroepschrift (in hoger beroep).</al><al>Als echter - ondanks dit uitstel - zoveel wordt betaald dat er na afboeking
                        op de belasting nog een bedrag overblijft, dan wordt dit bedrag afgeboekt op
                        de bestuurlijke boete. Als op de bestuurlijke boete is afgeboekt en de
                        bestuurlijke boete wordt alsnog aangevochten, dan blijven de afboekingen
                        gehandhaafd.</al><al><vet>7.7.</vet><vet> Afboeking van betalingen door aansprakelijkgestelden</vet></al><al>Als een betaling wordt verricht door een aansprakelijkgestelde, worden eerst
                        de vervolgingskosten afgeboekt die aan de aansprakelijkgestelde zelf in
                        rekening zijn gebracht.</al><al>Het resterende bedrag wordt afgeboekt op de onderliggende belastingaanslag -
                        waarbij <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=7" struct="BWB">artikel 7 van de wet</extref> wel van toepassing is - echter met dien
                        verstande dat de invorderingsrente en kosten die op die aanslag zelf
                        betrekking hebben alleen worden afgeboekt indien en voor zover men hiervoor
                        aansprakelijk is gesteld.</al><al>Zowel de belastingschuldige als de aansprakelijkgestelde worden schriftelijk
                        in kennis gesteld over de wijze van afboeking van de betaling door de
                        aansprakelijkgestelde.</al><al><vet>7.8.</vet><vet> Betaling bij vergissing</vet></al><al>Met de terugbetaling van een bedrag dat is voldaan ten gevolge van een
                        evidente vergissing of misverstand aan de zijde van de betaler, wordt
                        bijzondere voorzichtigheid betracht.</al><al>Het is zeer wel mogelijk dat de betaling niet onverschuldigd heeft
                        plaatsgehad, zodat de schuldvordering is tenietgegaan en invordering niet
                        zonder meer opnieuw kan plaatshebben.</al><al>In die gevallen wordt het betaalde bedrag niet terugbetaald, tenzij voor de
                        ontvanger wordt verklaard dat geen beroep zal worden gedaan op het feit dat
                        de schuld in een eerder stadium teniet is gegaan en dat de schuld te
                        gelegener tijd op juiste wijze zal worden voldaan.</al><al>Indien een bedrag wordt betaald als gewetensgeld, wordt dit gezien als het
                        voldoen aan een natuurlijke verbintenis. Terugbetaling vindt dan niet
                        plaats.</al><al><vet>7.9.</vet><vet> Mededeling afboeking</vet><vet> betaling</vet></al><al>De ontvanger stelt de belastingschuldige slechts schriftelijk op de hoogte
                        van de afboeking van een betaling als invorderingsrente (of
                        invorderingskosten) in rekening is gebracht.</al><al>Een kennisgeving blijft ook achterwege als betaling plaatsvindt op grond van
                        een machtiging tot automatische afschrijving en daarbij geen
                        vervolgingskosten worden afgeboekt.</al><al>De hoofdregel in de modelleidraad van de VNG is dat belastingschuldige bij
                        iedere betaling op de hoogte wordt gesteld. Deze bepaling is gericht op de
                        geautomatiseerde uitvoering zoals dit bij de Belastingdienst plaatsvindt.
                        Bij de lokale overheid (gemeenten en waterschappen) zijn de applicaties hier
                        niet op berekend.</al><al><vet>7.10.</vet><vet> Betaling van kleine bedragen</vet></al><al>Betalingen van belastingaanslagen in kleinere bedragen dan die van de
                        termijnen worden niet geweigerd, tenzij dit door ontvanger aangemerkt wordt
                        als nodeloze overlast. In dat geval treedt hij in contact met de
                        belastingschuldige om de betalingswijze aan te passen.</al><al><vet>7.11.</vet><vet> Ontvangen bedragen uit de wettelijke schuldsaneringsregeling en
                            faillissement</vet></al><al>Uit de wettelijke schuldsaneringsregeling of uit een faillissement ontvangen
                        bedragen dienen steeds te worden afgeboekt overeenkomstig de gegevens van de
                        uitdelingslijst, met in achtneming van artikel 7.2 van deze leidraad.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7a</nr><titel>Uitbetaling van belastingteruggaven</titel></kop><al><extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=7a" struct="BWB"><cursief>Artikel 7a van de wet</cursief></extref><cursief> stelt als voorwaarde voor uitbetalingen aan de belastingschuldige
                            van inkomstenbelasting en omzetbelasting dat de bankrekening op naam van
                            de belastingschuldige staat. Op grond hiervan is dit artikel niet van
                            toepassing op gemeentelijke belastingen. Op grond van </cursief><extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0005537&amp;artikel=4:89" struct="BWB"><cursief>artikel 4:89, eerste lid, Awb</cursief></extref><cursief> dient een schuldenaar te betalen op een daartoe door de
                            schuldeiser bestemde bankrekening. Het komt in de praktijk echter
                            regelmatig voor dat een belastingschuldige aan wie de ontvanger een
                            bedrag moet betalen, geen bankrekening(nummer) heeft aangewezen waarop
                            de betaling moet plaatsvinden. Wanneer zich een dergelijke situatie
                            voordoet, regelt dit artikel van de leidraad op welke wijze de ontvanger
                            dan handelt.</cursief></al><al>In aansluiting op <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0005537&amp;artikel=4:89" struct="BWB">artikel 4:89 van de Awb</extref> beschrijft dit artikel het
                        beleid over:</al><lijst><li nr="-"><al>de aanwijzing van het rekeningnummer voor uitbetaling;</al></li><li nr="-"><al>uitbetalingsfouten.</al></li></lijst><al><vet>7a.1.</vet><vet> Aanwijzen rekeningnummer voor uitbetaling</vet></al><al>De aanwijzing door de belastingschuldige vindt in beginsel plaats op het
                        verzoek in verband waarmee het desbetreffende uit te betalen bedrag wordt
                        vastgesteld. Als de belastingschuldige niet reageert op het schriftelijk ter
                        verificatie aanbieden van het bij de Gemeente bekende rekeningnummer door de
                        gemeente, geldt dit ook als aanwijzing. </al><al>Als de belastingschuldige bij een volgende gelegenheid met betrekking tot
                        hetzelfde belastingmiddel en hetzelfde soort uit te betalen bedrag een ander
                        rekeningnummer aanwijst, dan wordt laatstbedoeld rekeningnummer geacht ook
                        te zijn aangewezen voor het doen van uitbetalingen voortvloeiend uit eerdere
                        aangiften of verzoeken.</al><al>Aanwijzing moet voor het overige per uitbetaling schriftelijk plaatsvinden
                        en wel op een zodanig tijdstip, dat daarmee redelijkerwijze bij de
                        uitbetaling rekening kan worden gehouden.</al><al>De aanwijzing van een rekeningnummer voor uitbetaling door de
                        belastingschuldige vindt in beginsel plaats door middel van de betaling via
                        een bankrekeningnummer. </al><al>Het teveel betaalde bedrag wordt gerestitueerd naar het in de
                        belastingapplicatie bekende rekeningnummer van belastingschuldige. </al><al>Indien belastingschuldige uitbetaling wenst op een ander rekeningnummer, dan
                        moet dit (per uitbetaling) door belastingschuldige (schriftelijk) op een
                        zodanig tijdstip worden kenbaar gemaakt, dat daarmee redelijkerwijze bij de
                        uitbetaling rekening kan worden gehouden.</al><al><vet>7a.2.</vet></al><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al><al><vet>7a.3.</vet><vet></vet><vet> Uitbetalingfouten</vet></al><al>Als uitbetaling van een uit te betalen bedrag plaatsvindt op een andere
                        rekening van de belastingschuldige dan die daarvoor door hem is aangewezen,
                        dan moet de ontvanger in beginsel opnieuw uitbetalen. De ontvanger verbindt
                        daaraan de voorwaarde dat het eerder betaalde bedrag eerst wordt
                        gerestitueerd.</al><al>In afwijking van de vorige volzin vindt hernieuwde uitbetaling direct plaats
                        als de belastingschuldige aantoont dat:</al><lijst><li nr="-"><al>hij tijdig vóór de uitbetaling bij de ontvanger heeft aangegeven dat
                                de uitbetaling niet meer op de desbetreffende rekening moet
                                geschieden, en</al></li><li nr="-"><al>hij niet over het uitbetaalde bedrag kan beschikken omdat de
                                bankinstelling heeft aangegeven dat de rekening waarop de
                                uitbetaling heeft plaatsvonden, geblokkeerd is.</al></li></lijst><al>Indien en voor zover aan de daartoe gestelde (wettelijke) voorwaarden wordt
                        voldaan, zal de ontvanger het aldus teveel betaalde bedrag vervolgens
                        terugvorderen uit ongerechtvaardigde verrijking.</al><al>Uitbetalingfouten die het gevolg zijn van een onjuiste aanwijzing door de
                        belastingschuldige, blijven voor diens rekening. De ontvanger beroept zich
                        in dat geval op het bevrijdende karakter van de (uit)betaling (<extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0005289&amp;artikel=34" struct="BWB">artikel 6:34
                            BW</extref>). Desgevraagd wordt de belastingschuldige op de hoogte
                        gesteld omtrent de naam-, adres- en woonplaatsgegevens van de derde aan wie
                        onverschuldigd is betaald.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7b</nr><titel>Cessie- en verpandingsverbod uitbetalingen inkomstenbelasting</titel></kop><al>Er zijn in deze leidraad op <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=7b" struct="BWB">artikel 7b van
                            de wet</extref> geen beleidsregels gemaakt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Bekendmaking aanslag</titel></kop><al><extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=8" struct="BWB"><cursief>Artikel 8 van de wet</cursief></extref><cursief> regelt dat de ontvanger de belastingaanslag bekend maakt door
                            toezending of uitreiking aan de belastingschuldige. De
                            belastingschuldige is de belastingaanslag in zijn geheel
                            verschuldigd.</cursief></al><al>In aansluiting op <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=8" struct="BWB">artikel 8 van de wet</extref> beschrijft dit artikel het
                        beleid over:</al><lijst><li nr="-"><al>de verzending of uitreiking van het aanslagbiljet in bijzondere
                                situaties;</al></li><li nr="-"><al>de verzending van de aanslagbiljetten via PostNL;</al></li><li nr="-"><al>de gehoudenheid tot betalen belastingaanslag en aanslagbiljet;</al></li><li nr="-"><al>het verzenden van een uitnodiging tot betaling aan erfgenamen.</al></li></lijst><al><vet>8.1.</vet><vet> Verzending of uitreiking van het aanslagbiljet in bijzondere
                            situaties</vet></al><al>De toezending of uitreiking van het aanslagbiljet gebeurt aan de
                        belastingschuldige of aan zijn wettelijke vertegenwoordiger, met dien
                        verstande dat:</al><lijst><li nr="-"><al>aanslagbiljetten ten name van een onder curatele gestelde aan de
                                curator worden gezonden;</al></li><li nr="-"><al>als de belastingschuldige minderjarig is, het aanslagbiljet aan de
                                wettelijke vertegenwoordiger wordt gezonden als bekend is dat
                                verzending aan de belastingschuldige zelf al eerder problemen heeft
                                opgeleverd;</al></li><li nr="-"><al>aanslagbiljetten ten name van een belastingschuldige van wie bekend
                                is dat hij is overleden, worden gezonden aan de executeur, de
                                bewindvoerder over de nalatenschap of de erfgenamen.</al></li></lijst><al><vet>8.2.</vet><vet> Verzending aanslagbiljetten via Post</vet><vet>NL (vervallen)</vet></al><al>Vervallen.</al><al><vet>8.3.</vet><vet> Gehoudenheid tot betalen belastingaanslag</vet><vet> en aanslagbiljet</vet></al><al>De gehoudenheid tot betalen wordt niet ongedaan gemaakt door de
                        omstandigheid dat de schuld vermeld op de belastingaanslag afwijkt van
                        hetgeen materieel is verschuldigd, noch door de omstandigheid dat de
                        belastingaanslag ten name staat van een ander dan degene die de belasting
                        materieel is verschuldigd.</al><al><vet>8.4.</vet><vet> Vooraf uitnodigen erfgenamen</vet><vet> tot betalen belastingaanslag</vet></al><al>Als voor een belastingaanslag ten name van een overledene tegen de
                        erfgenamen afzonderlijk moet worden opgetreden, worden zij zoveel mogelijk
                        vooraf schriftelijk uitgenodigd het verschuldigde binnen een redelijk
                        termijn te voldoen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Betalingstermijnen</titel></kop><al><extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=9" struct="BWB"><cursief>Artikel 9 van de wet</cursief></extref><cursief> regelt binnen welke betalingstermijnen belastingaanslagen moeten
                            worden betaald.</cursief></al><al>In aansluiting op <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=9" struct="BWB">artikel 9 van de wet</extref> beschrijft dit artikel het
                        beleid over:</al><lijst><li nr="-"><al>de afwijking van de betalingstermijnen bij voorlopige
                                aanslagen;</al></li><li nr="-"><al>de afwijking van de betalingstermijn bij voorlopige teruggaven;</al></li><li nr="-"><al>de uitbetaling van een voorlopige teruggave in één termijn;</al></li><li nr="-"><al>de dagtekening van het aanslagbiljet;</al></li><li nr="-"><al>het begrip maand bij betalingstermijnen;</al></li><li nr="-"><al>regeling betalingstermijnen;</al></li><li nr="-"><al>automatische incasso.</al></li></lijst><al><vet>9.1.</vet><vet> Afwijking van de betalingstermijnen in geval van voorlopige
                            aanslagen</vet></al><al>In geval van voorlopige aanslagen is (zijn) de betalingstermijn(en) in de
                        gemeentelijke verordening bepaald.</al><al><vet>9.2.</vet><vet> Afwijking van de betalingstermijnen in geval van voorlopige
                            teruggaven</vet></al><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor gemeenten.</al><al><vet>9.3.</vet><vet> Uitbetaling voorlopige teruggave</vet><vet> in één termijn</vet></al><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor gemeenten.</al><al><vet>9.4.</vet><vet> Dagtekening</vet><vet> aanslagbiljet</vet></al><al>De dagtekening van het aanslagbiljet wordt normaliter zodanig bepaald dat de
                        belastingschuldige het biljet enige dagen voor de dag van dagtekening
                        ontvangt. Hiervan kan worden afgeweken als op grond van artikel 10 van de
                        wet versnelde invordering wordt toegepast.</al><al><vet>9.5.</vet><vet> Begrippen </vet><vet>bij betalingstermijn</vet><vet>en</vet></al><al>Als de betalingstermijn van een aanslag is gesteld op een maand of is
                        gesteld op zes weken, dan houdt dat in dat als de dagtekening van een
                        aanslagbiljet valt op 31 oktober, de betalingstermijn van een maand vervalt
                        op 30 november en de betalingstermijn van zes weken vervalt op 12
                        december.</al><al>Als de dagtekening 28 februari is, dan vervalt de betalingstermijn van een
                        maand op 31 maart en de betalingstermijn van zes weken op 11 april, tenzij
                        het jaartal aangeeft dat het een schrikkeljaar is, in welk geval de termijn
                        vervalt op 28 maart dan wel 10 april.</al><al>Als de dagtekening van het aanslagbiljet valt op een andere dag dan de
                        laatste dag van de kalendermaand, vervalt de termijn een maand later (bij
                        een betalingstermijn van een maand) op de dag die hetzelfde nummer heeft als
                        dat van de dagtekening. Als de dagtekening bijvoorbeeld 15 maart is, vervalt
                        de termijn dus op 15 april. Is de betalingstermijn zes weken en is de
                        dagtekening 15 maart, vervalt de termijn op 26 april.</al><al><vet>9.6.</vet><vet> Verzuim ontvanger bij uitbetaling</vet></al><al>Op grond van <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=2" struct="BWB">artikel 2, tweede lid, onderdeel e, van de wet</extref>
                        wordt onder het begrip ‘invorderen van rijksbelasting’ mede verstaan het
                        betalen van een terug te geven bedrag aan belastingen. Op grond van deze
                        definitie is de betalingstermijn voor een belastingaanslag zoals vastgelegd
                        in de gemeentelijke belastingverordening, of bij ontbreken daarvan in
                            <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=9" struct="BWB">artikel
                            9, eerste lid, van de wet</extref>, ook van toepassing op de uitbetaling
                        van een belastingteruggaaf. Hieruit volgt dat de ontvanger niet in verzuim
                        is met de uitbetaling van een belastingteruggaaf zolang die binnen deze
                        betalingstermijn plaats vindt.</al><al><vet>9.7.</vet><vet> Regeling betalingstermijnen</vet></al><al>De gemeente heeft voor iedere belastingsoort de betalingstermijn(en) in de
                        belastingverordening geregeld. Is in de belastingverordening niets geregeld,
                        dan zijn de betalingstermijnen uit de wet van toepassing. </al><al>In aansluiting op <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=9" struct="BWB">artikel 9, tiende lid, van de wet</extref> wordt de <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0002448" struct="BWB">Algemene
                            Termijnenwet</extref> in beide gevallen niet van toepassing
                        verklaard.</al><al>Op elke belastingaanslag wordt (worden) de betalingstermijn(en) aangegeven.
                        Uiterlijk op die datum moet de belastingschuldige de aanslag (of het
                        evenredige deel ervan bij meerdere termijnen) hebben betaald.</al><al><vet>9.8.</vet><vet> Automatische incasso</vet></al><al>Onder bepaalde voorwaarden en voor bepaalde belastingaanslagen is het
                        mogelijk de aanslag(en) te voldoen via een automatische incasso. Hiervoor
                        heeft de ontvanger een incassoreglement vastgesteld.</al><al>Bij automatische incasso wordt de belastingschuldige (een) afwijkende,
                        ruimere, betalingstermijn(en) toegestaan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Versnelde invordering</titel></kop><al><extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=10" struct="BWB"><cursief>Artikel 10, eerste lid, van de wet</cursief></extref><cursief> geeft een limitatieve opsomming van bijzondere situaties waarin de
                            ontvanger met doorbreking van de in </cursief><extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=9" struct="BWB"><cursief>artikel 9 van de wet</cursief></extref><cursief> voorgeschreven betalingstermijnen een belastingaanslag terstond en
                            tot het volle bedrag kan invorderen.</cursief></al><al></al><al><extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=10" struct="BWB"><cursief>Artikel 10, tweede en derde lid, van de wet</cursief></extref><cursief> bevatten uitzonderingsbepalingen met betrekking tot de toepassing
                            van deze versnelde invordering.</cursief></al><al>In aansluiting op <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=10" struct="BWB">artikel 10 van de wet</extref> beschrijft dit artikel het
                        beleid over:</al><lijst><li nr="-"><al>de reikwijdte van de versnelde invordering;</al></li><li nr="-"><al>de vrees voor verduistering;</al></li><li nr="-"><al>het metterwoon verlaten van Nederland;</al></li><li nr="-"><al>geen vaste woonplaats in Nederland;</al></li><li nr="-"><al>als er al beslag ligt;</al></li><li nr="-"><al>de verkoop namens derden;</al></li><li nr="-"><al>de vordering ex artikel 19.</al></li></lijst><al><vet>10.1.</vet><vet> Reikwijdte versnelde invordering</vet></al><al>Als de ontvanger het in een specifiek geval noodzakelijk acht daadwerkelijk
                        tot versnelde invordering (als bedoeld in <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=10" struct="BWB">artikel 10 van
                            de wet</extref>) over te gaan, dan vermeldt hij op het uit te reiken of
                        te verzenden aanslagbiljet dat de belastingaanslag terstond en tot het volle
                        bedrag invorderbaar is. Voorts vermeldt de ontvanger op het aanslagbiljet
                        het onderdeel van het eerste lid van <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=10" struct="BWB">artikel 10 van
                            de wet</extref> op grond waarvan hij tot versnelde invordering
                        overgaat.</al><al>Als versnelde invordering zich voordoet nadat het aanslagbiljet is
                        uitgereikt of verzonden - maar voordat de belastingaanslag (geheel)
                        invorderbaar is - deelt de ontvanger de belastingschuldige schriftelijk mee
                        dat hij de belastingaanslag terstond en tot het volle bedrag invorderbaar
                        verklaart en dat de op het aanslagbiljet vermelde betalingstermijnen niet
                        meer gelden. Hij doet dit eveneens onder opgave van het onderdeel van het
                        eerste lid van <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=10" struct="BWB">artikel 10 van de wet</extref> op grond waarvan hij tot
                        versnelde invordering overgaat.</al><al>Veelal zal dan ook gebruik worden gemaakt van de versnelde
                        dwanginvorderingsprocedure als bedoeld in <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=15" struct="BWB">artikel 15 van
                            de wet</extref>, zodat vermelding op het dwangbevel dat de
                        belastingaanslag terstond en tot het volle bedrag invorderbaar is verklaard
                        tot de mogelijkheden van mededeling behoort. In het laatste geval zal de
                        betekening van het dwangbevel overigens niet per post kunnen plaatsvinden.
                        De belastingdeurwaarder zal voordat tot de versnelde dwanginvordering als
                        bedoeld in artikel 15 van de wet wordt overgegaan - als sprake is van direct
                        contact met de belastingschuldige - deze eerst in de gelegenheid stellen om
                        onmiddellijk te betalen.</al><al>Als versnelde invordering zich voordoet nadat een dwangbevel is betekend -
                        maar voordat de termijn van twee dagen van het bevel tot betaling is
                        verstreken (bij een per post betekend dwangbevel in feite vier dagen) -
                        vermeldt de ontvanger op het beslagexploot of op een aparte schriftelijke
                        kennisgeving: artikel 15 in combinatie met <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=10" struct="BWB">artikel 10,
                            eerste lid, van de wet</extref>, gevolgd door het desbetreffende
                        onderdeel.</al><al>Hetzelfde geldt als de noodzaak tot versnelde invordering zich voordoet na
                        het betekenen van het hernieuwd bevel tot betaling en de tweedagentermijn
                        die daarbij geldt nog niet is verstreken. Er hoeft geen nieuw dwangbevel te
                        worden betekend. De belastingschuldige wordt - als sprake is van direct
                        contact met laatstgenoemde - eerst in de gelegenheid gesteld om onmiddellijk
                        te betalen.</al><al>Een belastingaanslag die op grond van <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=10" struct="BWB">artikel 10,
                            eerste lid, van de wet</extref> terecht geheel opeisbaar is geworden,
                        blijft geheel opeisbaar ook al zouden de feiten en omstandigheden die
                        daartoe aanleiding hebben gevormd zich niet langer voordoen. Op verzoek van
                        de belastingschuldige verleent de ontvanger in zo'n situatie altijd uitstel
                        van betaling, welk uitstel overeenkomt met de betalingstermijn(en) die
                        normaal zou(den) gelden.</al><al><vet>10.2.</vet><vet> Vrees voor verduistering en versnelde</vet><vet></vet><vet>invordering</vet></al><al>Van gegronde vrees voor verduistering van goederen van de belastingschuldige
                        als bedoeld in <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=10" struct="BWB">artikel 10, eerste lid, onderdeel b, van de wet</extref> is
                        sprake, als de ontvanger aannemelijk kan maken dat redelijkerwijs te
                        verwachten is dat niet alleen het verhaal op een aantal goederen van de
                        belastingschuldige metterdaad onmogelijk zal worden gemaakt, maar ook dat
                        daardoor de verhaalbaarheid van de belastingschuld in ernstig gevaar zal
                        komen.</al><al>De vrees voor verduistering zal in de regel gelegen zijn in gedragingen van
                        de belastingschuldige, maar kan in bepaalde situaties ook ontstaan door
                        gedragingen van derden (bijvoorbeeld crediteuren), die aanleiding geven voor
                        de veronderstelling dat voor onverhaalbaarheid moet worden gevreesd.</al><al>Als verduistering wordt gevreesd van goederen waarvan na versnelde
                        beslaglegging blijkt dat deze uitsluitend van een derde zijn, is niet
                        voldaan aan <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=10" struct="BWB">artikel 10, eerste lid, onderdeel b, van de wet</extref> en
                        is het beslag niet rechtsgeldig. Het beslag hoeft dan niet formeel te worden
                        opgeheven maar de ontvanger moet de betrokkenen wel informeren over het feit
                        dat er geen beslag ligt.</al><al><vet>10.3.</vet><vet> Metterwoon verlaten van Nederland en versnelde invordering</vet></al><al>Naast het redelijke vermoeden van de ontvanger dat de belastingschuldige van
                        plan is Nederland metterwoon te verlaten, dan wel zijn plaats van vestiging
                        naar een plaats buiten Nederland wil verplaatsen, moet de ontvanger -
                        alvorens de belastingaanslag op grond van <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=10" struct="BWB">artikel 10,
                            eerste lid, onderdeel c, van de wet</extref> dadelijk en tot het volle
                        bedrag invorderbaar te verklaren - er in redelijkheid van overtuigd zijn dat
                        de belastingaanslag na het verstrijken van de gebruikelijke betalingstermijn
                        niet meer verhaald kan worden op goederen van de belastingschuldige die zich
                        in Nederland bevinden.</al><al><vet>10.4.</vet><vet> Geen vaste woonplaats in Nederland en versnelde invordering</vet></al><al>Het enkele feit dat de belastingschuldige buiten Nederland woont of is
                        gevestigd, is op zich geen reden voor de ontvanger om de belastingaanslag
                        dadelijk en tot het volle bedrag in te vorderen. Er moet een situatie
                        bestaan waarin de ontvanger er redelijkerwijs vanuit kan gaan dat de
                        belastingschuld niet binnen de termijnen zal worden voldaan en de
                        belastingschuld niet in Nederland kan worden verhaald.</al><al><vet>10.5.</vet><vet></vet><vet>Beslag en versnelde invordering</vet></al><al>Nadat de ontvanger verhaalsbeslag heeft doen leggen op bepaalde goederen,
                        zijn andere belastingschulden van de belastingschuldige - waaronder hier
                        wordt verstaan alle schulden waarvan de invordering aan de ontvanger is
                        opgedragen - dadelijk en ineens invorderbaar.</al><al><vet>10.6.</vet><vet> Verkoop namens derden en versnelde invordering</vet></al><al>Ingeval van dwanginvordering door derden kan de dadelijke invorderbaarheid
                        pas ontstaan door de (aankondiging van de) executoriale verkoop, zodat de
                        ontvanger op deze grond niet eerder maatregelen kan treffen dan op het
                        moment dat redelijkerwijs vaststaat dat verkoop zal plaatshebben.</al><al><vet>10.7.</vet><vet> Vordering ex artikel 19 en versnelde invordering</vet></al><al>De ontvanger mag geen vordering als bedoeld in <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=19" struct="BWB">artikel 19 van
                            de wet</extref> doen, enkel om te bereiken dat daardoor een
                        belastingaanslag terstond en tot het volle bedrag invorderbaar wordt.</al><al>Als de ontvanger met betrekking tot een bepaalde belastingaanslag een
                        vordering jegens een derde heeft gedaan en nadien worden andere
                        belastingaanslagen opgelegd, dan kunnen ook die aanslagen tot het volle
                        bedrag worden ingevorderd, ook als de betalingstermijnen van die nieuwe
                        aanslagen nog niet zijn verstreken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Aanmaning</titel></kop><al><extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=11" struct="BWB"><cursief>Artikel 11 van de wet</cursief></extref><cursief> regelt dat als een belastingaanslag niet binnen de daartoe
                            gestelde termijnen wordt betaald, de ontvanger overgaat tot vervolging
                            van de belastingschuldige door de verzending van een
                            aanmaning.</cursief></al><al>In aansluiting op <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=11" struct="BWB">artikel 11 van de wet</extref> beschrijft dit artikel het
                        beleid over:</al><lijst><li nr="-"><al>de geadresseerde van de aanmaning;</al></li><li nr="-"><al>als de aanmaning ten onrechte is verzonden;</al></li><li nr="-"><al>het achterwege laten van tussentijdse vervolging;</al></li><li nr="-"><al>de gedeeltelijke voldoening na aanmaning;</al></li><li nr="-"><al>de betalingsherinnering;</al></li><li nr="-"><al>de aanmaning bij invordering langs civielrechtelijke weg.</al></li></lijst><al><vet>11.1.</vet><vet> De geadresseerde van de aanmaning</vet></al><al>De ontvanger zendt de aanmaning aan degene aan wie het aanslagbiljet is
                        verzonden of uitgereikt.</al><al>Als naderhand blijkt dat de ontvanger de vervolging voort moet zetten voor
                        een belastingschuldige die minderjarig is of onder curatele staat, dan zendt
                        de ontvanger alsnog een aanmaning naar het adres van de wettelijke
                        vertegenwoordiger.</al><al>Als de belastingschuldige is overleden, dan zendt de ontvanger de aanmaning
                        naar de gezamenlijke erfgenamen. Als de ontvanger weet dat de nalatenschap
                        al is verdeeld, dan zendt hij een aanmaning aan iedere erfgenaam
                        afzonderlijk.</al><al><vet>11.2.</vet><vet> Aanmaning ten onrechte verzonden</vet></al><al>Als een belanghebbende zich tot de ontvanger wendt met de mededeling dat hem
                        ten onrechte een aanmaning is toegezonden, dan wordt de vervolging niet
                        voortgezet voordat dit is opgehelderd.</al><al>Als de ontvanger concrete aanwijzingen heeft dat moet worden gevreesd voor
                        de verhaalbaarheid van de belastingaanslagen, of dat de mededeling is gedaan
                        om de invordering te traineren, dan kan hij maatregelen nemen die de rechten
                        van de gemeente veilig stellen.</al><al><vet>11.3.</vet><vet> Achterwege laten van tussentijdse vervolging</vet><vet> en aanmaning</vet></al><al>Tussentijdse vervolging kan alleen worden toegepast op “reeds verstreken
                        termijnen”. Dit betekent dat tussentijdse vervolging alleen van toepassing
                        is op aanslagen die in meerdere termijnen mogen worden betaald. Slechts voor
                        een enkele belastingsoort geldt dat er meer dan één betaaltermijn wordt
                        vastgesteld. </al><al>De ontvanger kan zich in bijzondere gevallen gerechtigd achten de
                        tussentijdse vervolging achterwege te laten. Een tussentijdse vervolging die
                        terecht is aangevangen, wordt ook na de verzending van de aanmaning
                        voortgezet.</al><al><vet>11.4.</vet><vet> Gedeeltelijke voldoening</vet><vet> aan de aanmaning</vet></al><al>Als na de verzending van een aanmaning een gedeelte van het achterstallige
                        bedrag wordt voldaan, dan wordt de uitvaardiging van een dwangbevel voor het
                        restant niet door een nieuwe aanmaning voorafgegaan.</al><al><vet>11.5.</vet><vet> Betalingsherinnering</vet></al><al>Als de aard of omvang van de belastingschuld dan wel het betalingsgedrag van
                        de belastingschuldige daartoe aanleiding geven, kan de ontvanger de
                        belastingschuldige eerst (kosteloos) een schriftelijke betalingsherinnering
                        toezenden.</al><al>Als er geen betalingsherinnering wordt verzonden of als deze niet of niet
                        tijdig tot algehele voldoening van de belastingschuld leidt, verzendt de
                        ontvanger een aanmaning.</al><al>De ontvanger kan gebruik maken van de kosteloze betalingsherinnering vóór
                        verzending van de aanmaning. Dit is vanuit de wet geen verplichting. De
                        mogelijkheid om een betalingsherinnering te sturen, is gericht op “de
                        wenselijkheid dit middel toe te passen” bij individuele gevallen. </al><al><vet>11.6.</vet><vet> Aanmaning bij invordering langs civielrechtelijke weg</vet></al><al>Als de ontvanger invordert langs civielrechtelijke weg, dan gaat de
                        ontvanger over tot het uitbrengen van een dagvaarding. De dagvaarding hoeft
                        niet vooraf te worden gegaan door een ingebrekestelling. Wel verzendt de
                        ontvanger eerst een aanmaning.</al><al>De ontvanger verzendt echter geen aanmaning als reeds conservatoir beslag is
                        gelegd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Dwangbevel</titel></kop><al><extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=12" struct="BWB"><cursief>Artikel 12 van de wet</cursief></extref><cursief> bepaalt dat de ontvanger een dwangbevel kan
                            uitvaardigen.</cursief></al><al><cursief>Op grond van dit dwangbevel kan de ontvanger overgaan tot
                            invordering van de belastingaanslag.</cursief></al><al>In aansluiting op <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=12" struct="BWB">artikel 12 van de wet</extref> beschrijft dit artikel het
                        beleid over:</al><lijst><li nr="-"><al>het onderwerp van het dwangbevel;</al></li><li nr="-"><al>tegen wie een dwangbevel wordt verleend.</al></li></lijst><al><vet>12.1.</vet><vet> Onderwerp van het dwangbevel</vet></al><al>De ontvanger vaardigt een dwangbevel uit voor het per saldo verschuldigde
                        bedrag vermeld op een aanslagbiljet van voorkomende belastingaanslagen en
                        beschikkingen.</al><al>Als een bedrag in termijnen mag worden voldaan, vaardigt de ontvanger een
                        dwangbevel uit voor het per saldo verschuldigde bedrag van de termijnen
                        waarvoor een aanmaning is verzonden.</al><al>De ontvanger vermindert het bedrag van een dwangbevel met:</al><lijst><li nr="-"><al>de inmiddels gedane betalingen;</al></li><li nr="-"><al>verleende verminderingen;</al></li><li nr="-"><al>bedragen waarvoor kwijtschelding of uitstel van betaling is
                                verleend.</al></li></lijst><al><vet>12.2.</vet><vet> Tegen wie verleent de ontvanger een dwangbevel</vet></al><al>De ontvanger verleent een dwangbevel tegen de belastingschuldige of diens
                        rechtsopvolgers. Als de ontvanger het dwangbevel verleent tegen een ander
                        dan de belastingschuldige, moet duidelijk blijken op welke gronden dit
                        gebeurt.</al><al>Als de ontvanger bekend is met de minderjarigheid of curatele van een
                        belastingschuldige, dan brengt hij dit in het dwangbevel tot uitdrukking.
                        Als de ontvanger hiermee niet bekend is, hoeft hij niet vooraf een daarop
                        gericht onderzoek in te stellen.</al><al>Als de ontvanger een belastingschuld van een overledene moet verhalen op
                        diens onverdeelde nalatenschap, verleent hij één dwangbevel tegen de
                        gezamenlijke erfgenamen.</al><al>Als betekening ten aanzien van de gezamenlijke erfgenamen van een overledene
                        op de voet van <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0001827&amp;artikel=53" struct="BWB">artikel 53 Rv</extref> niet mogelijk of niet wenselijk is,
                        dan vermeldt de ontvanger alle erfgenamen met naam en adres alsmede met hun
                        kwaliteit van erfgenaam van de overleden belastingschuldige in het
                        dwangbevel. De ontvanger brengt daarbij evenwel niet het deel van ieders
                        aansprakelijkheid tot uitdrukking.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Betekening van het dwangbevel</titel></kop><al><cursief>In </cursief><extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=13" struct="BWB"><cursief>artikel 13 van de wet</cursief></extref><cursief> is de wijze van betekening van het dwangbevel beschreven. </cursief><cursief></cursief><cursief> Het dwangbevel vermeldt expliciet dat de belastingschuldige tegen
                            de tenuitvoerlegging van een dwangbevel in verzet kan komen. Het
                            dwangbevel wordt bekendgemaakt door middel van betekening. De betekening
                            van het dwangbevel met bevel tot betaling kan plaatsvinden:</cursief></al><lijst><li nr="-"><al><cursief>door de belastingdeurwaarder;</cursief></al></li><li nr="-"><al><cursief>per post door de ontvanger.</cursief></al></li></lijst><al>In aansluiting op <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=13" struct="BWB">artikel 13 van de wet</extref> beschrijft dit artikel het
                        beleid over:</al><lijst><li nr="-"><al>de betekening van het dwangbevel per post;</al></li><li nr="-"><al>de betekening van het dwangbevel door de deurwaarder;</al></li><li nr="-"><al>bijzondere gevallen van betekening van het dwangbevel.</al></li></lijst><al><vet>13.1.</vet><vet> Betekening dwangbevel per post</vet></al><al>De betekening van het dwangbevel per post met het bevel tot betaling vindt
                        plaats door het ter post bezorgen door de ontvanger van een voor de
                        belastingschuldige bestemd afschrift van het dwangbevel met bevel tot
                        betaling.</al><al>Onder ter post bezorging wordt verstaan: het door de ontvanger ter
                        verzending aanbieden van het afschrift aan de postverzorger. Als
                        betekeningsdatum geldt in het algemeen de datum van de ter post bezorging. </al><al>De ontvanger maakt zoveel mogelijk gebruik van de mogelijkheid het
                        dwangbevel per post te betekenen.</al><al><vet>13.1.1.</vet><vet> Adressering van per post betekende dwangbevelen</vet></al><al>Verzending van het voor de belastingschuldige bestemde afschrift van het
                        dwangbevel met bevel tot betaling vindt plaats aan het in de administratie
                        van de gemeente bekende adres van de belastingschuldige.</al><al>Voor in Nederland woonachtige natuurlijke personen zal dit over het algemeen
                        het adres van de belastingschuldige zijn, dat in de Basisregistratie
                        Personen is geregistreerd. Als de belastingschuldige te kennen heeft gegeven
                        voor hem bestemde poststukken te willen ontvangen op een ander adres dan het
                        adres volgens de Basisregistratie Personen - bijvoorbeeld een postbusadres -
                        kan verzending ook plaatsvinden aan dat adres.</al><al>Als achteraf mocht blijken dat het afschrift van het dwangbevel aan een -
                        ten tijde van de terpostbezorging - onjuist adres is verzonden en de
                        belastingschuldige niet heeft bereikt, dan wordt aan het dwangbevel geen
                        rechtsgevolg verbonden.</al><al>Als het afschrift van het dwangbevel aan het juiste adres van de
                        belastingschuldige is verzonden, maar laatstgenoemde beweert het afschrift
                        niet te hebben ontvangen, dan geldt het dwangbevel als betekend. Dit is niet
                        het geval als de belastingschuldige bijzondere omstandigheden aannemelijk
                        kan maken op grond waarvan moet worden aangenomen dat het afschrift van het
                        dwangbevel het bestemde adres niet heeft bereikt.</al><al><vet>13.2.</vet><vet> Betekening dwangbevel door de belastingdeurwaarder</vet></al><al>Als bij de betekening van een dwangbevel door de belastingdeurwaarder
                        aanwijzingen bestaan dat de belastingschuldige bezwaar heeft tegen
                        kennisneming van de inhoud van het dwangbevel door de huisgenoot aan wie de
                        belastingdeurwaarder het afschrift moet achterlaten, dan betekent de
                        belastingdeurwaarder het dwangbevel op de wijze als bepaald in <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0001827&amp;artikel=47" struct="BWB">artikel 47,
                            eerste lid, Rv</extref>.</al><al>Deze handelwijze volgt de belastingdeurwaarder ook als hij verwacht dat
                        achterlating van het afschrift van het dwangbevel aan de huisgenoot er niet
                        toe zal leiden dat het afschrift de belastingschuldige ook daadwerkelijk zal
                        bereiken.</al><al>Bij de betekening van het dwangbevel wordt domicilie gekozen op het adres
                        van de gemeente waar de belastingdeurwaarder zijn standplaats heeft. Dit
                        geldt ook voor de situaties waarin het dwangbevel is uitgevaardigd door de
                        ontvanger van een andere gemeente.</al><al><vet>13.3.</vet><vet> Bijzondere gevallen</vet><vet> van betekening</vet><vet> dwangbevel</vet></al><al>Een dwangbevel dat - hetzij door terpostbezorging, hetzij door de
                        belastingdeurwaarder - is betekend aan een minderjarige of onder curatele
                        gestelde, moet mede worden betekend aan de wettelijke vertegenwoordiger
                        alvorens tot tenuitvoerlegging ervan kan worden overgegaan. Zo nodig zal aan
                        de laatstbedoelde betekening het verzenden van een aanmaning aan de
                        wettelijke vertegenwoordiger voorafgaan.</al><al>Ten aanzien van schippers zonder vaste woonplaats aan de wal, is betekening
                        mogelijk op het adres van het verplicht gekozen domicilie.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Tenuitvoerlegging van het dwangbevel</titel></kop><al><extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0005537&amp;artikel=4:116" struct="BWB"><cursief>Artikel 4:116 van de Awb</cursief></extref><cursief> en </cursief><extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=14" struct="BWB"><cursief>artikel 14 van de wet</cursief></extref><cursief> gaat over de tenuitvoerlegging van het dwangbevel.</cursief></al><al>In aansluiting op <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=14" struct="BWB">artikel 14 van de wet</extref> beschrijft dit artikel het
                        beleid over:</al><lijst><li nr="-"><al>de algemene regels over tenuitvoerlegging;</al></li><li nr="-"><al>beslag op roerende zaken die geen registergoederen;</al></li><li nr="-"><al>beslag op onroerende zaken;</al></li><li nr="-"><al>beslag onder derden;</al></li><li nr="-"><al>beslag op schepen.</al></li></lijst><al><vet>14.1.</vet><vet> Tenuitvoerlegging algemeen</vet></al><al>Het dwangbevel levert een executoriale titel op. Na betekening aan de
                        belastingschuldige, kan de belastingdeurwaarder het dwangbevel met
                        toepassing van de voorschriften van het <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0001827" struct="BWB">Wetboek van Burgerlijke
                            rechtsvordering</extref> ten uitvoer leggen (zie <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0005537&amp;artikel=4:116" struct="BWB">artikel
                            4:116 Awb</extref>).</al><al>Als het dwangbevel per post is betekend moet de belastingdeurwaarder een
                        hernieuwd bevel tot betaling betekenen, voordat hij tot tenuitvoerlegging
                        van het dwangbevel overgaat (<extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=14" struct="BWB">artikel 14,
                            eerste lid van de wet</extref>).</al><al>Als de betekening van het hernieuwd bevel tot betaling plaatsvindt conform
                            <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0001827&amp;artikel=47" struct="BWB">artikel 47 Rv</extref> - dat wil zeggen door achterlating van het bevel
                        in een gesloten envelop of door terpostbezorging van het bevel - gaat de
                        belastingdeurwaarder pas na twee dagen na betekening van het hernieuwde
                        betalingsbevel over tot tenuitvoerlegging (<extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=14" struct="BWB">artikel 14,
                            eerste lid van de wet</extref>).</al><al>In de overige gevallen kan de belastingdeurwaarder onmiddellijk tot
                        tenuitvoerlegging van het dwangbevel overgaan. Betekening van een hernieuwd
                        bevel tot betaling hoeft overigens niet plaats te vinden als het dwangbevel
                        met toepassing van <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=15" struct="BWB">artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de
                            wet</extref>, terstond ten uitvoer kan worden gelegd (<extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=14" struct="BWB">artikel 14,
                            tweede lid, van de wet</extref>).</al><al><vet>14.1.1.</vet><vet> Keuze van invorderingsmaatregelen</vet></al><al>De tenuitvoerlegging gebeurt op de voet van het <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0001827" struct="BWB">Wetboek van Burgerlijke
                            Rechtsvordering</extref> dat toelaat de verschillende mogelijkheden van
                        tenuitvoerlegging tegelijkertijd te benutten.</al><al><vet>14.1.2.</vet><vet> Houding van de belastingdeurwaarder tijdens tenuitvoerlegging</vet></al><al>De tenuitvoerlegging van verschillende dwangbevelen tegen dezelfde
                        belastingschuldige gebeurt zoveel mogelijk tegelijkertijd. Bij de
                        tenuitvoerlegging wordt onnodige ruchtbaarheid vermeden. Ook wordt de nodige
                        soepelheid betracht. Dit brengt met zich mee dat de formeel voorgeschreven
                        handelwijze wordt onderbroken, als het uit menselijk of tactisch oogpunt
                        wenselijk is eerst persoonlijk contact met de belastingschuldige op te
                        nemen.</al><al>In dit verband kan het verantwoord zijn dat de belastingdeurwaarder niet
                        dadelijk tot beslaglegging overgaat of deze onderbreekt of beëindigt, als
                        hij vermoedt dat de ontvanger de beslagopdracht niet zou hebben gegeven als
                        alle omstandigheden bekend waren geweest.</al><al>Dit geldt ook als de belastingschuldige aantoont dat de betaling inmiddels
                        heeft plaatsgevonden of dat een verzoek om uitstel van betaling of
                        kwijtschelding, dan wel een verzoekschrift als genoemd in artikel 25.1.15 of
                        26.1.11 van deze leidraad, en de beslagopdracht elkaar hebben gekruist.</al><al>Als het dwangbevel eenmaal ten uitvoer is gelegd door middel van beslag,
                        wordt onverwijld tot uitwinning van de goederen waarop beslag is gelegd,
                        overgegaan. Hiervan kan worden afgeweken als de belastingschuldige een
                        voorstel doet tot minnelijke afdoening van het beslag. Voorwaarde is dan wel
                        dat met de afdoening - gelet op de omstandigheden - naar het oordeel van de
                        ontvanger akkoord kan worden gegaan. Hierbij geldt als uitgangspunt dat een
                        minnelijke afdoening moet passen in het in deze leidraad geformuleerde
                        beleid.</al><al><vet>14.1.3.</vet><vet> Tenuitvoerlegging dwangbevel als de belastingschuldige is
                            overleden</vet></al><al>Als degene tegen wie het dwangbevel is uitgevaardigd, is overleden, gaat de
                        belastingdeurwaarder pas tot tenuitvoerlegging over nadat de termijn van
                        drie maanden als bedoeld in <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0002761&amp;artikel=185" struct="BWB">artikel 4:185
                            BW</extref>, is verstreken.</al><al>Als alle erfgenamen de nalatenschap zuiver hebben aanvaard, kan de rechtbank
                        de termijn van drie maanden verlengen.</al><al>Als de nalatenschap wordt vereffend, kan de ontvanger gedurende de
                        vereffening zijn vordering niet op de nalatenschap verhalen.</al><al><vet>14.1.4.</vet><vet> Volgorde van uitwinning</vet><vet> bij beslag</vet></al><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor gemeenten.</al><al><vet>14.1.5.</vet><vet> Verhaal op met vruchtgebruik of recht van gebruik bezwaarde
                            zaken</vet></al><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor gemeenten.</al><al><vet>14.1.6.</vet><vet> Beslaglegging voor vordering van derden</vet></al><al>Als de ontvanger voor een belastingschuld beslag heeft gelegd, gaat hij ook
                        over tot beslaglegging voor vorderingen van derden met gelijke rangorde,
                        waarvan de invordering aan hem is opgedragen, ongeacht de executiewaarde van
                        de inbeslaggenomen zaken.</al><al><vet>14.1.7.</vet><vet> Opheffing beslag na gedeeltelijke betaling</vet><vet> of voldoening aan voorwaarden</vet></al><al>De ontvanger kan een beschikking afgegeven, die inhoudt dat voor een
                        openstaande belastingschuld geen invorderingsmaatregelen meer worden
                        getroffen wanneer alsnog een bepaald bedrag wordt voldaan dan wel dat aan
                        bepaalde voorwaarden moet zijn voldaan.</al><al>De ontvanger heft de gelegde beslagen op nadat dit bedrag is betaald of aan
                        die voorwaarden is voldaan.</al><al><vet>14.1.8.</vet><vet> Opheffing beslag tegen betaling door een derde</vet></al><al>Als de ontvanger van een derde een bedrag krijgt aangeboden ter opheffing
                        van het beslag, dan kan de ontvanger hieraan zijn medewerking verlenen als
                        ten minste is voldaan aan de volgende voorwaarden:</al><lijst><li nr="1."><al>Het aangeboden geldbedrag komt niet direct of indirect uit het
                                vermogen van de belastingschuldige;</al></li><li nr="2."><al>Het aangeboden geldbedrag is aanzienlijk hoger dan de opbrengst die
                                naar verwachting zou zijn verkregen bij een executie;</al></li><li nr="3."><al>De belangen van de gemeente worden niet geschaad.</al></li></lijst><al>De ontvanger houdt bij zijn beslissing rekening met de gerechtvaardigde
                        belangen van andere schuldeisers die op de betreffende zaken verhaal zoeken,
                        en hij kan aan zijn medewerking nadere voorwaarden verbinden.</al><al><vet>14.1.9.</vet><vet> Opschorten van de executie</vet></al><al>De belastingdeurwaarder stelt bij het opmaken van het proces-verbaal van
                        beslag een verkoopdatum vast. Op deze datum vindt de openbare verkoop
                        plaats, tenzij de ontvanger ervan overtuigd is dat betaling van de
                        belastingschuld alsnog op zeer korte termijn zal plaatsvinden. In dat geval
                        kan de ontvanger besluiten de verkoopdatum op te schorten tot (in totaal)
                        maximaal vier maanden na de datum waarop het beslag is gelegd.</al><al>Als sprake is van beslag op roerende zaken, dan deelt de
                        belastingdeurwaarder de nieuwe verkoopdatum bij exploot aan de
                        belastingschuldige mee, tenzij deze nieuwe datum op grond van een
                        schriftelijke overeenkomst tussen de ontvanger en de belastingschuldige is
                        verschoven. Het opschorten van de verkoopdatum houdt op zich geen uitstel
                        van betaling in, in de zin van <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=25" struct="BWB">artikel 25 van
                            de wet</extref>.</al><al><vet>14.1.10.</vet><vet> Onderhandse verkoop</vet></al><al>Als een onderhandse verkoop van in beslag genomen zaken naar verwachting
                        aanzienlijk meer oplevert dan de verwachte opbrengst bij openbare verkoop,
                        dan kan de ontvanger kiezen voor een onderhandse verkoop.</al><al>De ontvanger moet hierbij rekening houden met de gerechtvaardigde belangen
                        van eventuele derde rechthebbenden die zich bij hem bekend hebben gemaakt.
                        De ontvanger stelt deze derden in de gelegenheid om een bedrag aan te bieden
                        ter opheffing van het beslag.</al><al>Onderhandse verkoop vindt niet plaats als hierdoor de belangen van de
                        gemeente worden geschaad.</al><al><vet>14.1.11.</vet><vet> Samenloop opheffing beslag en onderhandse verkoop</vet></al><al>De ontvanger kan de mogelijkheid hebben om te kiezen tussen:</al><lijst><li nr="a."><al>een aangeboden bedrag ter opheffing van het beslag als bedoeld in
                                artikel 14.1.8 van deze leidraad;</al></li><li nr="b."><al>een onderhandse verkoop als bedoeld in artikel 14.1.10 van deze
                                leidraad.</al></li></lijst><al>De ontvanger geeft dan in het algemeen de voorkeur aan opheffing van het
                        beslag; voorwaarde is dat de hierdoor verkregen opbrengst niet lager is dan
                        die van een onderhandse verkoop.</al><al><vet>14.1.12.</vet><vet> Strafrechtelijk beslag</vet></al><al>Als op een inbeslaggenomen goed ook een strafrechtelijk beslag ex <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0001903&amp;artikel=94" struct="BWB">artikel 94
                            Sv</extref> rust - dat wil zeggen niet zijnde een beslag in het kader
                        van een ontnemingsmaatregel - dan wordt het beslag dat de
                        belastingdeurwaarder heeft gelegd pas vervolgd nadat het strafrechtelijke
                        beslag is opgeheven.</al><al>Zolang niet duidelijk is wat er met het strafrechtelijke beslag gebeurt, kan
                        het fiscale beslag blijven liggen.</al><al><vet>14.1.13.</vet><vet> Invordering en ontnemingswetgeving</vet></al><al>De gemeente belemmert zo min mogelijk de strafrechtelijke sanctionering en
                        ontneming van wederrechtelijk verkregen voordelen.</al><al>In geval van samenloop van de strafrechtelijke sanctionering en ontneming
                        van wederrechtelijk verkregen voordelen en het nemen van
                        invorderingsmaatregelen tot verhaal van een belastingschuld, treedt de
                        ontvanger terughoudend op. Dit houdt in dat de ontvanger in beginsel niet
                        direct overgaat tot uitwinning van gelegd beslag tenzij hiermee de belangen
                        van de gemeente worden geschaad.</al><al><vet>14.2. </vet><vet>Beslag op roerende zaken die geen registergoederen zijn</vet></al><al><vet>14.2.1. </vet><vet>Kennisgeving vooraf</vet><vet> en beslag roerende zaken</vet></al><al>Als de belastingdeurwaarder op het woonadres van de belastingschuldige
                        niemand thuis treft en beslag op roerende zaken alleen kan plaatsvinden met
                        gebruikmaking van <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0001827&amp;artikel=444" struct="BWB">artikel 444 Rv</extref>, dan blijft deze wijze van
                        tenuitvoerlegging vooralsnog achterwege.</al><al>De belastingdeurwaarder laat in dat geval een schriftelijke kennisgeving
                        achter met vermelding van dag en uur waarop hij zich weer op het woonadres
                        zal vervoegen.</al><al>Deze handeling blijft achterwege als een belastingschuldige het stelselmatig
                        hierop laat aankomen, dan wel van deze handelwijze misbruik wordt gemaakt of
                        op andere wijze het belang van de invordering zich tegen deze handelwijze
                        verzet.</al><al><vet>14.2.2.</vet><vet> Domiciliekeuze</vet><vet> en beslag roerende zaken</vet></al><al>Als het beslag wordt gelegd door een belastingdeurwaarder van een andere
                        gemeente dan het kantoor waar bij de betekening van het dwangbevel domicilie
                        is gekozen, dan wordt in het beslagexploot tevens domicilie gekozen ten
                        kantore van de gemeente waar de belastingdeurwaarder die het beslag legt
                        zijn standplaats heeft.</al><al><vet>14.2.3.</vet><vet> Aanbod van betaling</vet><vet> en beslag roerende zaken</vet></al><al>Als de belastingschuldige ter voorkoming van beslaglegging aan de
                        belastingdeurwaarder aanbiedt om ter plekke te betalen, aanvaardt de
                        deurwaarder deze betaling.</al><al>Van de betaling wordt een kwitantie opgemaakt, waarvan een afschrift aan de
                        belastingschuldige wordt gelaten.</al><al><vet>14.2.4.</vet><vet> Omvang van het beslag</vet><vet> op roerende zaken</vet></al><al>Het beslag wordt gelegd op zoveel zaken als - naar het oordeel van de
                        belastingdeurwaarder - ruimschoots voldoende is voor dekking van de
                        openstaande schuld inclusief rente en kosten.</al><al><vet>14.2.5.</vet><vet> Beslag op roerende zaken van derden</vet></al><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor gemeenten.</al><al><vet>14.2.6.</vet><vet> Beroep of verzet door een derde</vet><vet> tegen inbeslagneming roerende zaken</vet></al><al>Als een derde bij de belastingdeurwaarder bezwaar maakt tegen de
                        inbeslagname van bepaalde roerende zaken waarvan hij de eigendom claimt,
                        wijst de belastingdeurwaarder op de mogelijkheid een beroepschrift in te
                        dienen bij het college op grond van <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=22" struct="BWB">artikel 22,
                            eerste lid van de wet</extref> en eventueel in verzet te gaan op grond
                        van artikel 456 of <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0001827&amp;artikel=435" struct="BWB">artikel 435 Rv</extref>.</al><al>Als aan de eigendom van een derde niet kan worden getwijfeld en vaststaat
                        dat de ontvanger zijn verhaalsrecht niet kan effectueren, blijft
                        inbeslagname achterwege.</al><al><vet>14.2.7.</vet><vet> Voldoening zekerheidsschuld door ontvanger</vet><vet> en beslag roerende zaken</vet></al><al>De ontvanger kan het restant van de schuld van belastingschuldige aan een
                        derde op grond van <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0005289&amp;artikel=30" struct="BWB">artikel 6:30 BW</extref> voldoen in afwachting van
                        verrekening met de belastingschuldige, als de belastingdeurwaarder de
                        volgende zaken aantreft:</al><lijst><li nr="-"><al>zaken die niet onder het bodemrecht vallen; en</al></li><li nr="-"><al>eigendom zijn van een derde; en</al></li><li nr="-"><al>strekken tot zekerheid voor de voldoening van een schuld die de
                                belastingschuldige aan de derde heeft (bijvoorbeeld huurkoop,
                                eigendomsvoorbehoud); en</al></li><li nr="-"><al>waarop de ontvanger zich na voldoening van die schuld zou kunnen
                                verhalen.</al></li></lijst><al>De ontvanger maakt van deze mogelijkheid slechts gebruik als de
                        executiewaarde van de desbetreffende zaken beduidend hoger is dan het
                        restant van de schuld. Dit geldt ook als het gaat om zaken van de
                        belastingschuldige die bij een derde in beslag zijn genomen en waarop deze
                        derde een retentierecht heeft.</al><al><vet>14.2.8.</vet><vet> Beslag roerende zaken bij derden</vet></al><al>Op zaken van de belastingschuldige die zich bij een derde bevinden, verhaalt
                        de belastingdeurwaarder de belastingschuld zoveel mogelijk door het leggen
                        van een beslag op roerende zaken.</al><al>De deurwaarder zal in de volgende gevallen echter beslag onder derden leggen
                        als:</al><lijst><li nr="-"><al>de derde geen medewerking verleent aan het leggen van een beslag
                                roerende zaken;</al></li><li nr="-"><al>het voor de belastingdeurwaarder feitelijk onmogelijk is om de zaken
                                zelf te zien, dan wel te inventariseren;</al></li><li nr="-"><al>de derde een beroep doet als bedoeld in <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0001827&amp;artikel=461d" struct="BWB">artikel 461d Rv</extref>, voordat het exploot van beslag op
                                roerende zaken is afgesloten.</al></li></lijst><al>Als de derde een dergelijk beroep doet nadat het exploot van beslag op
                        roerende zaken is afgesloten, legt de belastingdeurwaarder geen afzonderlijk
                        derdenbeslag maar geldt het beslag roerende zaken als derdenbeslag. De
                        belastingdeurwaarder betekent in dat geval binnen drie dagen na de
                        beslaglegging aan de derde een formulier in tweevoud als bedoeld in <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0001827&amp;artikel=475" struct="BWB">artikel 475,
                            tweede lid, Rv</extref>.</al><al>Dit laatste geldt ook als de verwachting is gerechtvaardigd dat de derde
                        voor de executoriale verkoop een beroep zal doen als bedoeld in artikel
                            <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0001827&amp;artikel=461d" struct="BWB">461d
                            Rv</extref>.</al><al><vet>14.2.9.</vet><vet> Wegvoeren van beslagen zaken</vet></al><al>Nadat op roerende zaken beslag is gelegd, wordt zoveel mogelijk aan de
                        belastingschuldige het feitelijk gebruik gelaten.</al><al>Onder bijzondere omstandigheden kan de belastingdeurwaarder beslagen zaken
                        wegvoeren. Hij stelt daartoe een gerechtelijke bewaarder aan als bedoeld in
                        Rv. Het aanstellen van een bewaarder ontheft de ontvanger niet van zijn
                        verantwoordelijkheid met betrekking tot de in beslag genomen zaken.</al><al>Het wegvoeren van zaken is mogelijk, als dit voor het behoud van die zaken
                        redelijkerwijze noodzakelijk is (<extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0001827&amp;artikel=446" struct="BWB">artikel 446
                            Rv</extref>). Dit is bijvoorbeeld aan de orde als de zaken dreigen te
                        worden verduisterd of beschadigd. Hetzelfde geldt als er gegronde vrees
                        bestaat dat verhaal op de zaken ernstig bemoeilijkt wordt of feitelijk
                        onmogelijk is, indien de zaken niet worden afgevoerd.</al><al>Van de mogelijkheid tot het wegvoeren van de beslagen zaken wordt slechts
                        gebruik gemaakt:</al><lijst><li nr="-"><al>als de verwachting bestaat dat zonder het wegvoeren de schuld niet
                                kan worden ingevorderd en;</al></li><li nr="-"><al>de ontvanger na marginale toetsing niet heeft kunnen constateren dat
                                de belastingaanslagen materieel onverschuldigd moeten worden
                                geacht.</al></li></lijst><al>Het wegvoeren van zaken gebeurt niet door de belastingdeurwaarder dan na
                        daartoe verkregen toestemming van de ontvanger van de gemeente of zijn
                        plaatsvervanger.</al><al>Het wegvoeren van zaken,waaronder motorrijtuigen naar aanleiding van een
                        actie op grond van <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=18" struct="BWB">artikel 18 van de wet</extref>, gebeurt niet door de
                        belastingdeurwaarder dan na daartoe verkregen toestemming van de ontvanger
                        van de gemeente. De toestemming kan ook worden verkregen van de
                        plaatsvervanger van de ontvanger of van een andere door hem daartoe
                        aangewezen functionaris.</al><al>Bij het in beslag nemen van een voertuig is het aan de belastingdeurwaarder
                        ter keuze om een wielklem, of een ander middel, aan te brengen ter zekerheid
                        tegen verduistering.</al><al><vet>14.2.10.</vet><vet> Belasting van personenauto’s en motorrijwielen en
                            belasting zware motorrijtuigen</vet><vet> en</vet> beslag roerende
                        zaken</al><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor gemeenten.</al><al><vet>14.2.11.</vet><vet> Afsluiting</vet><vet> en beslag roerende zaken</vet></al><al>De deurwaarder dan wel de bewaarder kan tot afsluiting van de ruimte
                        overgaan waarin ten laste van de onderneming in beslag genomen zaken zich
                        bevinden, als:</al><lijst><li nr="-"><al>de omstandigheden zich voordoen als genoemd in artikel 14.2.9 van
                                deze leidraad; en</al></li><li nr="-"><al>de desbetreffende zaken niet of slechts tegen naar verhouding zeer
                                hoge kosten kunnen worden afgevoerd.</al></li></lijst><al>Voor de afsluiting is voorafgaande toestemming vereist van de ontvanger. De
                        toestemming kan ook worden verkregen van de plaatsvervanger van de ontvanger
                        of van een andere door de ontvanger daartoe aangewezen functionaris.</al><al>Na afsluiting zal zo spoedig mogelijk tot executoriale verkoop worden
                        overgegaan.</al><al><vet>14.2.12.</vet><vet> Bewaarder</vet><vet> en beslag roerende zaken</vet></al><al>Als zaken op grond van artikel 14.2.9 van deze leidraad worden weggevoerd of
                        op grond van artikel 14.2.11 van deze leidraad afsluiting plaatsvindt, stelt
                        de belastingdeurwaarder daarbij een bewaarder aan die in staat moet worden
                        geacht ook daadwerkelijk de taken verbonden aan het bewaarderschap met
                        betrekking tot die zaken uit te oefenen. De aanstelling van de bewaarder
                        wordt vermeld in het proces-verbaal dat in de betreffende situaties moet
                        worden opgemaakt.</al><al>Als een ambtenaar van de gemeente als bewaarder wordt aangesteld, is dit
                        zoveel mogelijk een belastingdeurwaarder, niet zijnde de
                        belastingdeurwaarder die het beslag heeft gelegd. Aan de ambtenaar die tot
                        bewaarder is aangesteld, wordt hiervoor geen vergoeding gegeven.</al><al>De tot bewaarder aangestelde ambtenaar draagt er zorg voor dat de beslagen
                        zaken waarover hij tot bewaarder is aangesteld zo nodig worden vervoerd of
                        opgeslagen op een wijze die het risico van fysiek of economisch bederf
                        minimaliseert, meer dan voor de onderhavige zaken onder normale
                        omstandigheden gebruikelijk is. De in dit verband te nemen maatregelen en de
                        daaraan verbonden kosten moeten in een redelijke verhouding staan tot de
                        aard en de waarde van de desbetreffende zaken.</al><al>Tijdens de periode dat het beslag ligt, wordt in de navolgende gevallen aan
                        de bewaarder het bewaarderschap ontnomen en een ander tot bewaarder
                        aangesteld:</al><lijst><li nr="-"><al>als de bewaarder geacht moet worden gedurende langere tijd
                                lichamelijk of geestelijk niet in staat te zijn de aan het
                                bewaarderschap verbonden taken uit te oefenen;</al></li><li nr="-"><al>als de bewaarder is overleden; in dit geval hoeft het bewaarderschap
                                niet uitdrukkelijk te worden ontnomen;</al></li><li nr="-"><al>als een ambtenaar van de gemeente tot bewaarder is aangesteld en
                                deze ambtenaar door oorzaken van personele of organisatorische aard
                                redelijkerwijs moet worden geacht geen betrokkenheid meer te
                                (kunnen) hebben bij het beslag.</al></li></lijst><al>Ontslag van een bewaarder gebeurt steeds schriftelijk; in voorkomend geval
                        kan dit bij deurwaardersexploot.</al><al><vet>14.2.13.</vet><vet> Executoriale verkoop computerapparatuur</vet></al><al>Als de belastingdeurwaarder beslag legt op computerapparatuur, dan valt
                        alleen de zogenoemde 'hardware' onder dit beslag. De belastingdeurwaarder
                        moet - voordat tot executoriale verkoop wordt overgegaan - nagaan of deze
                        apparatuur nog de zogenoemde 'software' bevat (bestanden, programma's en
                        dergelijke). Als dat het geval is, dan moet de belastingschuldige de
                        mogelijkheid worden geboden om die software te verwijderen en een back-up te
                        maken.</al><al><vet>14.2.14.</vet><vet> Executoriale verkoop zilveren, gouden en platina werken</vet></al><al>De ontvanger moet er voor zorgdragen dat geen zilveren, gouden of platina
                        werken die niet zijn voorzien van de stempeltekenen die volgens de
                        Waarborgwet 1986 vereist zijn, in openbare verkoop worden gebracht of met
                        dat doel worden tentoongesteld.</al><al>Van het houden van een openbare verkoop waarin zilveren, gouden of platina
                        werken voorkomen - al dan niet met het vereiste stempelteken - moet de
                        ontvanger aangifte doen zoals <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0009275&amp;artikel=46" struct="BWB">artikel 46 van
                            de Waarborgwet 1986</extref> dat voorschrijft.</al><al><vet>14.2.15.</vet><vet> Beslag op illegale zaken</vet></al><al>Als voor beslag vatbare zaken worden aangetroffen waarvan in beginsel de
                        vervaardiging, het bezit of het gebruik strafbaar is (of het vermoeden van
                        strafbaarheid bestaat), kan de beslaglegging op de normale wijze doorgang
                        vinden. Wel wordt direct of zo snel mogelijk na de beslaglegging de politie
                        ingeschakeld om te bezien in hoeverre aanleiding bestaat om strafrechtelijke
                        maatregelen te nemen. Hierbij geldt het bepaalde in artikel 14.1.12 van deze
                        leidraad.</al><al>Als geen strafrechtelijke maatregelen worden getroffen (de voormelde zaken
                        worden niet verbeurd verklaard of onttrokken aan het verkeer), dan moet de
                        ontvanger contact opnemen met het college voordat maatregelen worden
                        getroffen om tot executoriale verkoop van de inbeslaggenomen zaken over te
                        gaan.</al><al><vet>14.2.16.</vet><vet> Bieden voor rekening </vet><vet>van de gemeente en beslag roerende zaken</vet></al><al>Om een zo hoog mogelijke opbrengst te verkrijgen, kan de ontvanger een
                        andere belastingdeurwaarder dan de deurwaarder die met de verkoop belast is,
                        opdragen voor rekening van de gemeente te bieden.</al><al>Daarnaast kan de ontvanger de belastingdeurwaarder opdracht geven om de
                        executie plaats te laten vinden via internetveiling. De regels hiervoor
                        dienen openbaar gemaakt te worden.</al><al><vet>14.2.17.</vet><vet> Opheffing van het beslag</vet><vet> op roerende zaken</vet></al><al>Als de belastingschuldige er uitdrukkelijk om verzoekt of als de ontvanger
                        dit wenselijk acht, wordt opheffing van het beslag bij deurwaardersexploot
                        kenbaar gemaakt.</al><al>Opheffing van het beslag op roerende zaken als bedoeld in <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0001827&amp;artikel=445" struct="BWB">artikel 445
                            Rv</extref> wordt altijd kenbaar gemaakt bij deurwaardersexploot.</al><al><vet>14.2.18.</vet><vet> Afboeking </vet><vet>executieopbrengst verkoop roerende zaken</vet></al><al>De ontvanger verhaalt de openstaande schuld waarvoor het beslag roerende
                        zaken is gelegd op de executieopbrengst, inclusief de daarin begrepen
                        omzetbelasting. Voordat de opbrengst op de openstaande schuld wordt
                        afgeboekt, worden eerst de kosten van executie verrekend. De ontvanger boekt
                        de opbrengst vervolgens af met inachtneming van</al><al>het bepaalde bij artikel 7 van deze leidraad.</al><al>Als er andere schuldeisers zijn die beslag hebben gelegd of als er beperkt
                        gerechtigden zijn van wie het recht door de executie is vervallen, dan wordt
                        zoveel mogelijk getracht in der minne overeenstemming te bereiken over de
                        toedeling van de netto-executieopbrengst. Als dat niet mogelijk blijkt, dan
                        zijn de <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0001827&amp;artikel=481" struct="BWB">artikelen 481 en volgende Rv</extref> van toepassing.</al><al><vet>14.2.19.</vet><vet> Proces-verbaal van verkoop</vet><vet> roerende zaken</vet></al><al>Als de belastingschuldige te kennen geeft dat hij een afschrift van het
                        proces-verbaal van verkoop wenst, wordt hem dit zo spoedig mogelijk
                        toegezonden, met dien verstande dat de namen en woonplaatsen van de kopers
                        onleesbaar zijn gemaakt.</al><al><vet>14.2.20.</vet><vet> Gegevensverstrekking</vet><vet> omtrent beslag roerende zaken</vet></al><al>Als de belastingschuldige of een belanghebbende derde de ontvanger vraagt of
                        een beslag nog ligt, dan verstrekt de ontvanger deze informatie tenzij het
                        belang van de invordering zich daartegen verzet.</al><al><vet>14.2.21</vet><vet></vet><vet>Relaas</vet><vet> van onttrekking</vet></al><al>Ingeval goederen aan het beslag zijn onttrokken (<extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0001854&amp;artikel=198" struct="BWB">artikel 198
                            Sr</extref>) kan van dat feit op grond van <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0001903&amp;artikel=162" struct="BWB">artikel 162
                            Sv</extref> aangifte worden gedaan. De ontvanger beslist over de
                        inzending van een relaas van onttrekking aan de officier van justitie.</al><al><vet>14.3.</vet><vet> Beslag op onroerende zaken</vet></al><al><vet>14.3.1.</vet><vet> Bewaring</vet><vet> van in beslag genomen roerende zaken bij beslag onroerende zaken</vet></al><al>Indien het beslag op een onroerende zaak mede omvat de in of op die zaak
                        aanwezige bestanddelen of natuurlijke vruchten, geldt het volgende. De
                        belastingdeurwaarder kan die bestanddelen of die vruchten wegvoeren om in
                        bewaring te geven indien dit voor het behoud van die bestanddelen of
                        vruchten noodzakelijk is. Het wegvoeren vindt niet plaats dan na daartoe
                        verkregen toestemming van de ontvanger. Het bepaalde in artikel 14.2.9 is
                        van overeenkomstige toepassing.</al><al><vet>14.3.2.</vet><vet> Nieuwe belastingschuld</vet><vet> en beslag onroerende zaken</vet></al><al>Als de ontvanger voor een belastingschuld beslag op een onroerende zaak
                        heeft gelegd, zal hij voor een nader opgekomen belastingschuld zoveel
                        mogelijk opnieuw tot beslaglegging overgaan.</al><al>In gevallen waarin de ontvanger zelf de eerste beslaglegger is, gaat hij
                        altijd tot beslaglegging over voor vorderingen van derden waarvan de
                        invordering aan hem is opgedragen.</al><al><vet>14.3.3.</vet><vet> Verhuurde of verpachte onroerende zaken</vet></al><al>De ontvanger die beslag op de onroerende zaak heeft laten leggen en tevens
                        de huur of pacht wil incasseren, doet hiervoor zoveel mogelijk een vordering
                        ex <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=19" struct="BWB">artikel
                            19 van de wet</extref> onder de huurder of pachter. Er wordt in zo’n
                        geval dus niet gehandeld als bedoeld in <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0001827&amp;artikel=507" struct="BWB">artikel 507,
                            derde lid, Rv</extref>.</al><al><vet>14.3.4.</vet><vet> Voorwaarden van verkoop</vet><vet> van onroerende zaken</vet></al><al>De ontvanger vraagt de notaris een afschrift van de veilingvoorwaarden die
                        op de verkoop van toepassing zijn en hij treedt zo nodig in overleg over de
                        inhoud van deze voorwaarden.</al><al>In overleg met de notaris wordt in de voorwaarden van verkoop bepaald dat de
                        kosten van executie, toewijzing en eventuele rangregeling door de executant
                        zullen worden voldaan uit de koopprijs en dat het tekort - als de koopprijs
                        niet toereikend mocht zijn - door de executant zal worden aangezuiverd.</al><al><vet>14.3.5.</vet><vet> Opheffing van het beslag</vet><vet> onroerende zaken</vet></al><al>Van de opheffing van een beslag op een onroerende zaak wordt schriftelijk
                        mededeling gedaan aan de belastingschuldige. Als het beslag aan de huurder
                        of pachter is betekend, ontvangt deze ook een schriftelijke mededeling.</al><al>Ook wordt van deze opheffing bij deurwaardersexploot mededeling gedaan aan
                        de (eventuele) derde-eigenaar, aan alle (eventuele) hypotheekhouders en -
                        indien van toepassing - aan de bewaarder.</al><al><vet>14.4.</vet><vet> Beslag onder derden</vet></al><al><vet>14.4.1.</vet><vet> Beslag op vordering van een derde</vet></al><al>In de <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0001827&amp;artikel=475" struct="BWB">artikelen 475 en volgende Rv</extref> is de mogelijkheid gegeven ten
                        laste van de belastingschuldige beslag te leggen onder een derde. Als blijkt
                        dat - na het afleggen van de buitengerechtelijke verklaring - de derde geen
                        gelden of zaken onder zich heeft, dan blijkt het beslag nooit te hebben
                        gelegen. De ontvanger stelt de derde hiervan op de hoogte.</al><al>Een belastingaanslag kan ook worden verhaald door het leggen van
                        derdenbeslag op een vordering die formeel aan een ander dan de
                        belastingschuldige toebehoort, dan wel op naam van die ander - bijvoorbeeld
                        door een bank - wordt geadministreerd. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de
                        echtgenoot met wie de belastingschuldige in gemeenschap van goederen is
                        gehuwd. In dat geval wordt het derdenbeslag gelegd ten laste van de
                        echtgenoot van de belastingschuldige, als de echtgenoot alleen gerechtigd is
                        de vermogensbestanddelen te vorderen die onder het beslag vallen.</al><al>In het beslag-exploot (waarvan afschrift wordt gelaten aan de
                        derdebeslagene) dat zowel aan de belastingschuldige als aan de echtgenoot
                        binnen acht dagen na het leggen van het beslag moet worden betekend, moet de
                        ontvanger zoveel mogelijk aangeven op welke gronden hij de vordering die op
                        naam van de echtgenoot is geadministreerd, meent te kunnen uitwinnen ter
                        verhaal van een vordering op de belastingschuldige.</al><al><vet>14.4.2. Derdenbeslag of vordering ex artikel 19</vet></al><al>Als naast een derdenbeslag ook een vordering op grond van <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=19" struct="BWB">artikel 19 van
                            de wet</extref> mogelijk is, kiest de ontvanger voor het doen van een
                        vordering.</al><al><vet>14.4.3.</vet><vet> Roerende zaken</vet><vet> bij derden</vet></al><al>Als zich onder de derde roerende zaken van de belastingschuldige bevinden,
                        wordt gehandeld overeenkomstig hetgeen is bepaald in artikel 14.2.8 van deze
                        leidraad.</al><al><vet>14.4.4.</vet><vet> Plaats beslaglegging</vet><vet> en derdenbeslag</vet></al><al>Aan de nauwkeurige vermelding in het exploot van beslag van de naam en de
                        eventuele rechtsvorm van de derde wordt bijzondere aandacht geschonken. De
                        situatie kan zich voordoen dat de derde een hoofdkantoor heeft en een of
                        meerdere bijkantoren. In dat geval legt de belastingdeurwaarder het beslag
                        zoveel mogelijk bij het hoofdkantoor dan wel het filiaal of bijkantoor dat
                        bemoeienis heeft met de gelden of zaken waarop verhaal wordt gezocht.</al><al>In spoedeisende gevallen kan het beslag worden gelegd onder een ander
                        filiaal of bijkantoor. De executant kiest in alle gevallen domicilie bij de
                        belastingdeurwaarder.</al><al>Als er aanleiding toe bestaat, kan de ontvanger de omvang van het beslag bij
                        de beslaglegging beperken. Voor zover niet door een andere schuldeiser
                        beslag is gelegd, kan de omvang ook op een later tijdstip nog worden
                        beperkt. Van de beperking wordt in het beslagexploot of in een afzonderlijk
                        geschrift aan de derde uitdrukkelijk melding gemaakt.</al><al><vet>14.4.5.</vet><vet> Derdenbeslag op een vordering waar geen beslagvrije voet voor
                            geldt</vet></al><al>Als beslag is gelegd in een situatie als bedoeld in <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0001827&amp;artikel=475e" struct="BWB">artikel
                            475e</extref> dan wel <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0001827&amp;artikel=475f" struct="BWB">artikel 475f
                            Rv</extref> en de belastingschuldige toont aan dat hij voor zijn
                        levensonderhoud volledig afhankelijk is van de beslagen betalingen, dan past
                        de ontvanger zonder rechterlijke tussenkomst de regeling van de beslagvrije
                        voet toe als bedoeld in de <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0001827&amp;artikel=475b" struct="BWB">artikelen
                            475b</extref> en <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0001827&amp;artikel=475d" struct="BWB">475d Rv</extref>.</al><al><vet>14.4.6.</vet><vet> Bij derdenbeslag in gebreke blijven tot het doen van verklaring</vet></al><al>De derde-beslagene wordt namens de belastingdeurwaarder door de ontvanger in
                        gebreke gesteld als zeven kalenderdagen na de termijn van vier weken nog
                        geen verklaring van hem is ontvangen.</al><al>Hij wordt daarbij gesommeerd om onverwijld tot verklaring over te gaan.</al><al><vet>14.4.7.</vet><vet> Bij derdenbeslag niet afdragen na het doen van verklaring</vet></al><al>De derdebeslagene wordt namens de belastingdeurwaarder door de ontvanger in
                        gebreke gesteld als niet is overgegaan tot afdracht van de opeisbare
                        geldsommen of tot het aan de belastingdeurwaarder ter beschikking stellen
                        van de goederen en/of zaken binnen de termijn genoemd in de schriftelijke
                        uitnodiging van de ontvanger aan de derde-beslagene.</al><al>Hij wordt daarbij gesommeerd om binnen zeven kalenderdagen aan zijn
                        verplichting te voldoen.</al><al><vet>14.4.8.</vet><vet> Afdracht binnen de vierwekentermijn</vet><vet> bij derdenbeslag</vet></al><al>Een derde-beslagene kan binnen de termijn van vier weken verklaring doen van
                        hetgeen hij onder zich heeft en de belastingdeurwaarder laten weten direct
                        tot afdracht te willen overgaan.</al><al>In dat geval deelt de ontvanger hem namens de belastingdeurwaarder mee - als
                        er geen aanleiding bestaat de verklaring te betwisten - dat het beslag van
                        rechtswege vervalt op het moment dat de door de derde-beslagene af te dragen
                        geldsommen of ter beschikking te stellen goederen en/of zaken door de
                        belastingdeurwaarder zijn ontvangen.</al><al><vet>14.4.9.</vet><vet> Derdenbeslag op polis van levens- of spaarverzekering of
                            lijfrente</vet></al><al>Bij een derdenbeslag op een polis van een levens- of spaarverzekering of
                        lijfrente geldt - naast de voorschriften in <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0001827&amp;artikel=479l" struct="BWB">artikel
                            479l</extref> en <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0001827" struct="BWB">volgende Rv</extref> het volgende:</al><lijst><li nr="-"><al>De ontvanger stelt zich terughoudend op bij het leggen van
                                derdenbeslag als er sprake is van een niet-bovenmatige
                                oudedagsvoorziening;</al></li><li nr="-"><al>De ontvanger betrekt in zijn overwegingen de verhouding tussen de
                                openstaande belastingschuld en de opbrengst bij afkoop of belening
                                van de polis. Bij de bepaling van de opbrengst houdt de ontvanger
                                rekening met het feit dat een (voortijdige) afkoop of belening van
                                de polis in bepaalde gevallen wordt aangemerkt als een verboden
                                handeling die tot negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen
                                leiden als gevolg waarvan een aanslag in de inkomstenbelasting kan
                                worden opgelegd;</al></li><li nr="-"><al>Als de netto-opbrengst van de polis minder dan € 2.500 bedraagt, de
                                polis wordt afgekocht of het derdenbeslag is gelegd drie jaren voor
                                de expiratiedatum, wint de ontvanger het derdenbeslag niet uit en
                                gaat hij niet over tot afkoop of belening. In dat geval laat de
                                ontvanger - in overleg met belastingschuldige - het beslag liggen
                                tot de expiratiedatum;</al></li><li nr="-"><al>De omstandigheid dat het verzekerde bedrag pas na lange tijd tot
                                uitkering komt, staat op zich een derdenbeslag niet in de weg;</al></li><li nr="-"><al>De belastingaanslagen waarvoor het derdenbeslag wordt gelegd moeten
                                onherroepelijk vaststaan en in redelijkheid materieel verschuldigd
                                worden geacht.</al></li></lijst><al><vet>14.4.10.</vet><vet> Retentierecht</vet><vet> en derdenbeslag</vet></al><al>Als de derdebeslagene een retentierecht heeft op de zaken die door het
                        derdenbeslag van de ontvanger zijn getroffen, dan kan de ontvanger op grond
                        van <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0005289&amp;artikel=30" struct="BWB">artikel 6:30 BW</extref> overgaan tot betaling van het bedrag waarvoor
                        het retentierecht geldt in afwachting van verrekening met de
                        belastingschuldige. Het bedrag moet dan wel beduidend lager zijn dan de
                        executiewaarde van de desbetreffende zaak.</al><al><vet>14.4.11.</vet><vet> Opheffing van het derdenbeslag</vet></al><al>Als de belastingschuldige er uitdrukkelijk om verzoekt of als de ontvanger
                        dit wenselijk acht, wordt opheffing van het beslag bij deurwaardersexploot
                        kenbaar gemaakt aan zowel de belastingschuldige als de derde.</al><al>In andere gevallen wordt van de opheffing schriftelijk kennis gegeven aan de
                        derde-beslagene. De ontvanger zendt aan de belastingschuldige een afschrift
                        van deze kennisgeving.</al><al><vet>14.4.12.</vet><vet> Onverschuldigde betaling</vet><vet> en derdenbeslag</vet></al><al>Als een derde tegen de ontvanger een vordering uit onverschuldigde betaling
                        instelt en de ontvanger aan deze vordering voldoet, wordt de
                        belastingaanslag waarvoor het derdenbeslag is gelegd, geacht in zoverre niet
                        te zijn voldaan.</al><al>De ontvanger kan de invordering van die aanslag dan ook hervatten alsof er
                        geen derdenbeslag is gelegd.</al><al><vet>14.4.13.</vet><vet> Derdenbeslag onder de gemeente of de ontvanger en het doen van
                            verklaring</vet></al><al>Als derdenbeslag wordt gelegd onder de gemeente of de ontvanger, dan is
                        specificatie verplicht; er wordt in dit verband verwezen naar <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0001827&amp;artikel=479" struct="BWB">artikel 479
                            Rv</extref>.</al><al>De verplichting tot specificatie heeft niet tot doel het verhaal te
                        belemmeren, maar de taak van de gemeente of de ontvanger te verlichten. Dit
                        betekent dat de verklaring in het kader van het derdenbeslag zich niet moet
                        beperken tot de ex <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0001827&amp;artikel=479" struct="BWB">artikel 479 Rv</extref> genoemde vermogensbestanddelen,
                        maar zich ook moet uitstrekken tot alles wat de geëxecuteerde te vorderen
                        heeft van de gemeente of de ontvanger en wat bij de gemeente of de ontvanger
                        bekend was op het moment van beslaglegging.</al><al><vet>14.4.14.</vet><vet> Derdenbeslag op voorlopige teruggaaf</vet></al><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor gemeenten.</al><al><vet>14.5.</vet><vet> Beslag op schepen</vet></al><al><vet>14.5.1.</vet><vet> Beletten van het vertrek</vet><vet> van het schip</vet></al><al>De belastingdeurwaarder kan een bewaarder aanstellen en de nodige
                        maatregelen nemen om het vertrek van het schip te beletten. Denk hierbij
                        bijvoorbeeld aan het 'aan de ketting leggen' van het schip. Zo nodig
                        voorziet de belastingdeurwaarder zich - na daartoe overleg te hebben
                        gepleegd met de ontvanger - van deskundige bijstand. De kosten van deze
                        bijstand komen voor rekening van de belastingschuldige.</al><al>In daartoe aanleiding gevende gevallen kan het feitelijk gebruik van het
                        schip weer aan de belastingschuldige worden gelaten, bijvoorbeeld wanneer
                        ter voorkoming van een executoriale verkoop door de belastingschuldige een
                        voorstel tot minnelijke afdoening is gedaan en dit voorstel voor de
                        ontvanger - gelet op de omstandigheden - aanvaardbaar is.</al><al>In ieder geval zal een minnelijke afdoening moeten passen in het bij artikel
                        25 van deze leidraad geformuleerde uitstelbeleid.</al><al><vet>14.5.2.</vet><vet> De executie van schepen</vet></al><al>Tenzij een andere wijze van verkoop is toegestaan of voorgeschreven gebeurt
                        de executoriale verkoop van een schip ten overstaan van een bevoegde
                        notaris.</al><al>De verkoop van een buitenlands zeeschip kan ook plaatsvinden ten overstaan
                        van de rechtbank. Van deze mogelijkheid zal met name gebruik moeten worden
                        gemaakt als het land van herkomst de verkoop door een notaris niet
                        erkent.</al><al>De executie van niet-teboekgestelde schepen gebeurt op dezelfde wijze als de
                        executie van andere roerende zaken die geen registergoederen zijn. Om een zo
                        hoog mogelijke opbrengst te verkrijgen, kan de ontvanger een andere
                        belastingdeurwaarder dan de belastingdeurwaarder die met de verkoop is
                        belast, opdragen voor rekening van de gemeente te bieden. De ontvanger geeft
                        deze belastingdeurwaarder zo nodig nadere aanwijzingen.</al><al><vet>14.5.3.</vet><vet> Afgelasting van de verkoop</vet><vet> van een schip</vet></al><al>Als een aangekondigde verkoop van een schip om enigerlei reden geen doorgang
                        kan vinden, dan draagt de ontvanger er zorg voor dat de aanplakbiljetten
                        onmiddellijk worden verwijderd. Hij treft ook voor op andere wijze gedane
                        aankondigingen dienovereenkomstige maatregelen.</al><al>Als de belastingschuldige niet van de afgelasting op de hoogte is, dan wordt
                        hem hiervan onverwijld schriftelijk en gemotiveerd mededeling gedaan. Als
                        verwacht mag worden dat deze mededeling de belastingschuldige niet meer voor
                        het aangekondigde tijdstip van verkoop bereikt, dan stelt de ontvanger hem
                        zo mogelijk op een andere wijze in kennis.</al><al><vet>14.5.4.</vet><vet> Deskundige hulp</vet><vet> en beslag op schepen</vet></al><al>Als bij een executie deskundige hulp is gewenst, kan de ontvanger een
                        makelaar of een andere ter zake kundige inschakelen.</al><al><vet>14.5.5.</vet><vet> Opheffing van het beslag</vet><vet> op schepen</vet></al><al>Van de opheffing van het beslag wordt schriftelijk mededeling gedaan aan de
                        belastingschuldige. Ook wordt - ingeval van teboekgestelde schepen - van de
                        opheffing bij deurwaardersexploot mededeling gedaan aan de ingeschreven
                        schuldeisers.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Versnelde uitvaardiging en tenuitvoerlegging</titel></kop><al>Er zijn in deze leidraad op <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=15" struct="BWB">artikel 15 van
                            de wet</extref> geen beleidsregels gemaakt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Doorlopend beslag</titel></kop><al>In aansluiting op <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=16" struct="BWB">artikel 16 van de wet</extref> beschrijft dit artikel het
                        beleid over lopende derdenbeslagen, gelegd onder de Belastingdienst.</al><al><vet>16.1</vet><vet></vet><vet> Lopende</vet><vet> derdenbeslagen</vet></al><al>Als vóór 1 januari van enig jaar door de ontvanger onder de Belastingdienst
                        derdenbeslag op een voorlopige teruggaaf in de inkomstenbelasting met
                        betrekking tot het voorgaande jaar is gelegd, geldt het volgende: Dit beslag
                        wordt geacht mede te omvatten een in termijnen uit te betalen bedrag op
                        grond van een voorlopige aanslag in de inkomstenbelasting als bedoeld in
                            <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=9" struct="BWB">artikel
                            9, zesde lid, van de wet</extref> over een volgend jaar, voorzover de
                        uit te betalen termijnen van de voorlopige aanslagen op elkaar aansluiten en
                        de schuld waarvoor het beslag is gelegd niet geheel is voldaan.</al><al>Mutatis mutandis geldt hetzelfde voor een beslag dat is gelegd op een in een
                        of meer termijnen uit te betalen bedrag op grond van een voorschot, als
                        bedoeld in <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0018472&amp;artikel=22" struct="BWB">artikel 22, zevende lid, van de Awir</extref>.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Verzet tegen tenuitvoerlegging dwangbevel</titel></kop><al><extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=17" struct="BWB"><cursief>Artikel 17 van de wet</cursief></extref><cursief> geeft een zelfstandige regeling voor het instellen van verzet
                            tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel. Naast de
                            belastingschuldige kan een ieder tegen wie de dwanginvordering is
                            gericht in verzet komen.</cursief></al><al><cursief>Verzet is mogelijk zodra de betekening van het dwangbevel heeft
                            plaatsgevonden. Het verzet schorst de tenuitvoerlegging van het
                            dwangbevel, voor zover dit door het verzet wordt bestreden. Ook kan
                            verzet worden gedaan tegen een vordering als bedoeld in </cursief><extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=19" struct="BWB"><cursief>artikel 19 van de wet</cursief></extref><cursief>.</cursief></al><al><cursief>Er kan geen verzet worden ingesteld tegen de in rekening gebrachte
                            kosten van de aanmaning en de betekeningskosten van het
                            dwangbevel.</cursief></al><al>In aansluiting op <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=17" struct="BWB">artikel 17 van de wet</extref> beschrijft dit artikel het
                        beleid over:</al><lijst><li nr="-"><al>de schorsing van de invordering bij verzet tegen tenuitvoerlegging
                                dwangbevel;</al></li><li nr="-"><al>verzet tegen tenuitvoerlegging van dwangbevel bij onjuiste
                                adressering.</al></li></lijst><al><vet>17.1.</vet><vet> Schorsing van de invordering</vet><vet> bij verzet tegen tenuitvoerlegging dwangbevel</vet></al><al>Als sprake is van een beslag onder een derde, en de derde heeft een
                        buitengerechtelijke verklaring afgelegd die de ontvanger onjuist of
                        onvolledig acht, dan deelt de ontvanger de schorsing van de executie
                        schriftelijk aan de derde mee onder vermelding van de grond waarop deze
                        schorsing berust.</al><al>De ontvanger vermeldt daarbij tevens onder verwijzing naar <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0001827&amp;artikel=476" struct="BWB">artikel 476
                            Rv</extref>, dat door deze mededeling de schorsing ook tegen de derde
                        werkt. Ook wordt in de mededeling vermeld dat de verklaring wordt betwist en
                        dat tot dagvaarding zal worden overgegaan, nadat de schorsende werking van
                        het verzet is opgeheven.</al><al><vet>17.2.</vet><vet> Verzet tegen tenuitvoerlegging van dwangbevel bij onjuiste
                            adressering</vet></al><al>Als het aanslagbiljet, de aanmaning of het afschrift van het per post
                        betekende dwangbevel aan een onjuist adres is verzonden en daarom de
                        belastingschuldige niet heeft bereikt, is verzet mogelijk.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>ANPR-acties</titel></kop><al>Er zijn in deze leidraad op artikel 18 van de wet geen beleidsregels
                        gemaakt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Doen van een vordering</titel></kop><al><cursief>De in </cursief><extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=19" struct="BWB"><cursief>artikel 19 van de wet</cursief></extref><cursief> omschreven vordering geeft de ontvanger de mogelijkheid om in
                            bepaalde gevallen op eenvoudige wijze belastingschuld te verhalen op
                            hetgeen een derde aan de belastingschuldige is verschuldigd of ten
                            behoeve van hem onder zich heeft of zal krijgen.</cursief></al><al>In aansluiting op <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=19" struct="BWB">artikel 19 van de wet</extref> beschrijft dit artikel het
                        beleid over:</al><lijst><li nr="-"><al>de algemene regels over het doen van een vordering;</al></li><li nr="-"><al>de faillissementsvordering;</al></li><li nr="-"><al>vorderingen met betrekking tot periodieke uitkeringen</al></li><li nr="-"><al>de overheidsvordering, bedoeld in <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=19" struct="BWB">artikel 19, vierde lid, van de wet</extref>.</al></li></lijst><al><vet>19.1.</vet><vet> Vordering algemeen</vet></al><al>Als het doen van een vordering rechtens mogelijk is, wordt mede ter
                        besparing van kosten aan dit eenvoudige invorderingsmiddel de voorkeur
                        gegeven boven derdenbeslag. </al><al>Ingeval van twijfel of degene aan wie de vordering zou moeten worden gericht
                        wel houder van penningen is, moet al naar gelang de omstandigheden worden
                        beoordeeld of het leggen van derdenbeslag de voorkeur verdient.</al><al><vet>19.1.1.</vet><vet> Bekendmaking vordering</vet></al><al>De ontvanger maakt de vordering bekend door toezending van een brief aan
                        degene aan wie de vordering is gedaan en aan de belastingschuldige.</al><al>Als de ontvanger dat wenselijk acht, kan hij de vordering ook aan genoemde
                        personen laten betekenen door de belastingdeurwaarder. Bij de betekening van
                        een vordering handelt de belastingdeurwaarder overeenkomstig de voor
                        betekening van exploten geldende regels van het <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0001827" struct="BWB">Wetboek van Burgerlijke
                            Rechtsvordering</extref>.</al><al>Voor de betekening brengt de belastingdeurwaarder geen kosten in
                        rekening.</al><al><vet>19.1.2.</vet><vet> Voldoen aan de vordering</vet></al><al>Als de derde betaalt op een vordering die betrekking heeft op twee of meer
                        belastingaanslagen heeft hij niet het recht om aan te geven ter voldoening
                        van welke belastingaanslag de betaling strekt.</al><al><vet>19.1.3.</vet><vet> Niet voldoen aan de vordering</vet></al><al>Derdenbeslag wordt alleen gelegd als aan de vordering ten onrechte niet is
                        voldaan, dan wel de derde hierop ten onrechte niet heeft gereageerd. Hiervan
                        is zeker sprake als blijkt dat het uitblijven van het voldoen aan de
                        vordering te wijten is aan de derde.</al><al>Als de ontvanger in verband met de kosten of om andere redenen derdenbeslag
                        niet opportuun acht, wordt daarvan afgezien en wordt de vordering
                        ingetrokken.</al><al>Als wordt overgegaan tot het leggen van derdenbeslag wordt in het
                        beslagexploot melding gemaakt van de vordering die aan het beslag is
                        voorafgegaan en van de datum waarop die vordering is gedaan.</al><al><vet>19.1.4.</vet><vet> Intrekken van een vordering</vet></al><al>Zodra een vordering om enigerlei reden niet langer hoeft te worden
                        gehandhaafd, trekt de ontvanger deze bij beschikking in.</al><al>De ontvanger maakt deze beschikking bekend aan degene aan wie de vordering
                        is gedaan.</al><al><vet>19.1.5.</vet><vet> Vermindering of vernietiging van de belastingaanslag</vet><vet> in relatie tot vordering</vet></al><al>Als een derde op vordering van de ontvanger betaalt en naderhand vermindert
                        of vernietigt de inspecteur de belastingaanslag, dan wordt de hieruit
                        voortvloeiende teruggaaf verrekend of uitbetaald aan de
                        belastingschuldige.</al><al><vet>19.1.6.</vet><vet> Doorbreken beslagverboden</vet><vet> en vordering</vet></al><al>Bij de toepassing van <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=19" struct="BWB">artikel 19, eerste lid, van de wet</extref> (het
                        vereenvoudigd beslag op vorderingen tot bepaalde periodieke uitkeringen)
                        bestaat onder voorwaarden de mogelijkheid een wettelijk beslagverbod
                        gedeeltelijk te negeren. Van deze mogelijkheid maakt de ontvanger alleen
                        gebruik als de belastingschuldige kan worden gekwalificeerd als een notoire
                        wanbetaler in de zin van artikel 19, tweede lid, van de wet.</al><al>De vordering waarbij een beroep wordt gedaan op de verruimde
                        beslagmogelijkheid vindt steeds separaat plaats en wordt vooraf schriftelijk
                        aangekondigd aan de belastingschuldige, onder vermelding van het bijzondere
                        karakter daarvan.</al><al>De vordering kan niet plaatsvinden voor kinderbijslag onder welke benaming
                        dan ook. In voorkomend geval wordt voor de toepassing van de verruimde
                        beslagmogelijkheid uitgegaan van het maximale bereik: een tiende deel van
                        het bedrag dat op grond van de wet niet vatbaar is voor beslag.</al><al><vet>19.1.7.</vet><vet> Notoire wanbetaler</vet><vet> en vordering</vet></al><al>In afwijking in zoverre van <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=19" struct="BWB">artikel 19,
                            tweede lid, van de wet</extref> vindt de vordering waarbij de
                        doorbreking van een wettelijk beslagverbod wordt ingeroepen slechts plaats
                        indien voldaan is aan de volgende voorwaarden:</al><lijst><li nr="a."><al>op het tijdstip waarop de vordering plaats vindt heeft de
                                belastingschuldige meer dan één aanslag onbetaald gelaten;</al></li><li nr="b."><al>de enige of laatste betalingstermijn van deze aanslagen is op het
                                tijdstip waarop de vordering plaats vindt met ten minste twee
                                maanden overschreden;</al></li><li nr="c."><al>de belastingschuldige komt niet voor uitstel van betaling of
                                kwijtschelding in aanmerking omdat hij, naar de ontvanger bekend is,
                                beschikt over voldoende vermogen of voldoende betalingscapaciteit om
                                de belastingaanslagen te voldoen;</al></li><li nr="d."><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor gemeenten.</al></li></lijst><al><vet>19.1.8</vet><vet> Vordering ten laste van de echtgenoot</vet></al><al>Als de echtgenoot van de belastingschuldige recht heeft op gelden, penningen
                        of periodieke betalingen die in de huwelijksgemeenschap vallen, dan kan de
                        ontvanger een vordering ten laste van de echtgenoot doen. De bekendmaking
                        van de vordering dient zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen acht dagen
                        na het doen van de vordering, te geschieden aan de belastingschuldige en de
                        echtgenoot afzonderlijk. </al><al>Voor zover het periodieke uitkeringen betreft die onder de opsomming van
                            <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=19" struct="BWB">artikel 19, eerste lid, van de wet</extref> vallen, past de ontvanger
                        de beslagvrije voet toe alsof de echtgenoot de belastingschuldige is.</al><al><vet>19.2.</vet><vet> De faillissementsvordering</vet></al><al><vet>19.2.1.</vet><vet> Aan te melden schulden</vet><vet> in faillissement</vet></al><al>In een faillissement vallen de belastingschulden voor zover zij materieel
                        zijn ontstaan vóór de dag van de faillietverklaring dan wel materieel zijn
                        ontstaan na de faillietverklaring, maar voortvloeien uit een al bestaande
                        rechtsverhouding van voor de faillietverklaring. Hierbij wordt ervan
                        uitgegaan dat de materiële belastingschuld ontstaat van dag tot dag tenzij
                        het tegendeel blijkt. Belastingschulden ontstaan vanaf de datum van het
                        faillissement die niet voortvloeien uit een al bestaande rechtsverhouding
                        van voor de faillietverklaring, zijn niet verifieerbaar en moeten eventueel
                        als boedelschulden worden aangemeld.</al><al>De ontvanger splitst de belastingaanslag naar tijdsevenredigheid of tijdstip
                        en doet twee aparte vorderingen:</al><lijst><li nr="-"><al>één voor het gedeelte dat ter verificatie kan worden aangemeld;</al></li><li nr="-"><al>één voor het gedeelte dat als boedelschuld kan worden
                                aangemerkt.</al></li></lijst><al>Voorlopige aanslagen als bedoeld in <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=10" struct="BWB">artikel 10,
                            tweede lid, van de wet</extref> kan de ontvanger niet eerder aanmelden
                        dan nadat de termijnen die aan die aanslagen verbonden zijn, zijn vervallen.
                        De ontvanger splitst de voorlopige aanslagen naar tijdsevenredigheid of
                        tijdstip.</al><al><vet>19.2.2.</vet><vet> Belastingschulden ontstaan gedurende een surséance zijn boedelschulden
                            in faillissement</vet></al><al>Belastingschulden die materieel zijn ontstaan gedurende de periode van een
                        surséance van betaling die aan het faillissement voorafgaat, kunnen op grond
                        van <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0001860&amp;artikel=249" struct="BWB">artikel 249 FW</extref> worden beschouwd als boedelschulden in het
                        faillissement.</al><al>Het bepaalde in artikel 19.2.1 van de leidraad is op deze schulden en de
                        belastingaanslagen die hierop betrekking hebben op soortgelijke wijze van
                        toepassing.</al><al><vet>19.2.3.</vet><vet> Opkomen in faillissement</vet></al><al>Van de bevoegdheid om van de curator dadelijke voldoening aan de vordering
                        te verlangen maakt de ontvanger geen gebruik, tenzij bijzondere
                        omstandigheden met het oog op het belang van de invordering daartoe
                        noodzaken.</al><al>In alle gevallen waarin de ontvanger in het faillissement opkomt, vermeldt
                        hij in de vordering dat hij aanspraak maakt op eventuele voorrang. Als de
                        curator tijdens het faillissement materieel ontstane belastingschulden die
                        als boedelschuld kunnen worden aangemerkt, ten onrechte niet voldoet, dan
                        wendt de ontvanger zich in beginsel eerst tot de curator om langs minnelijke
                        weg alsnog voldoening te bewerkstelligen.</al><al>Als dit niet leidt tot een bevredigende oplossing, wendt de ontvanger zich
                        met zijn grieven tot de rechter-commissaris. In het uiterste geval kan de
                        ontvanger zich rechtstreeks verhalen op de boedel.</al><al><vet>19.3.</vet><vet> Vorderingen met betrekking tot periodieke </vet><vet>uitkeringen</vet></al><al><vet>19.3.1.</vet><vet> Overwegen van vordering op periodieke uitkeringen</vet></al><al>Bij de beoordeling van de vraag of een vordering wordt gedaan met betrekking
                        tot een periodieke uitkering, is doorslaggevend het feit dat de vordering
                        een bijzonder invorderingsinstrument betreft waarmee een doelmatige en
                        doeltreffende invordering van belastingschulden is beoogd.</al><al>Dit betekent dat de vordering in beginsel de voorkeur verdient boven andere
                        invorderingsmaatregelen waarbij het dwangbevel ten uitvoer wordt gelegd door
                        middel van beslag. Als het invordering van zeer geringe bedragen betreft,
                        bestaat er aanleiding eerst andere invorderingsmaatregelen te proberen
                        alvorens de derde via de vordering te betrekken.</al><al><vet>19.3.2.</vet><vet> Vooraankondiging</vet><vet> van vordering op periodieke uitkeringen</vet></al><al>Als de ontvanger het dwangbevel per post heeft betekend en de invordering
                        vervolgt door een vordering onder de werkgever (<extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=19" struct="BWB">artikel 19,
                            eerste lid, onderdeel a, van de wet</extref>) of door een andere
                        vordering op een periodieke uitkering waaraan een beslagvrije voet is
                        verbonden, is hij verplicht de belastingschuldige vooraf schriftelijk in
                        kennis te stellen van zijn voornemen een vordering te doen.</al><al>De ontvanger doet de vooraankondiging niet eerder dan nadat vier dagen zijn
                        verstreken na de datum waarop hij het afschrift van het dwangbevel met bevel
                        tot betaling ter post heeft bezorgd.</al><al>De ontvanger doet de betreffende vordering niet eerder dan zeven dagen na de
                        dagtekening van de vooraankondiging. De vooraankondiging blijft achterwege
                        als de ontvanger de vordering doet bij een werkgever of uitkeringsinstantie
                        die reeds op vordering van de ontvanger een belastingaanslag van de
                        belastingschuldige betaalt of zou moeten betalen.</al><al><vet>19.3.3.</vet><vet> Beslagvrije voet</vet><vet> en vordering op periodieke uitkeringen</vet></al><al>Als een vordering wordt gedaan voor periodieke uitkeringen die niet vallen
                        onder de opsomming van <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=19" struct="BWB">artikel 19, eerste lid, van de wet</extref> (en waarvoor
                        geen beslagvrije voet geldt) en de belastingschuldige toont aan dat hij voor
                        zijn levensonderhoud volledig afhankelijk is van deze uitkeringen, dan past
                        de ontvanger de artikelen 475b en <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0001827&amp;artikel=475d" struct="BWB">475d
                            Rv</extref> toe.</al><al>In dat geval geldt de vordering nog slechts voor het gedeelte waarmee de
                        periodieke uitkering de beslagvrije voet overtreft. Hetzelfde geldt bij
                        vorderingen ten laste van een belastingschuldige die niet in Nederland woont
                        of vast verblijft.</al><al><vet>19.3.4.</vet><vet> Informatieverstrekking voor vaststelling beslagvrije voet</vet></al><al>Om de beslagvrije voet tot het juiste bedrag vast te kunnen stellen, vraagt
                        de ontvanger bij de belastingschuldige informatie op, waaronder begrepen
                        gegevens van de eventuele partner. Dit gebeurt in de vooraankondiging van de
                        loonvordering. De ontvanger vermeldt daarin de toepasselijke beslagvrije
                        voet die hij heeft berekend op basis van de hem ter beschikking staande
                        gegevens. Zolang de belastingschuldige geen informatie verstrekt, past de
                        ontvanger deze beslagvrije voet toe. Als de belastingschuldige na toepassing
                        van de loonvordering alsnog de gevraagde informatie verstrekt, wijzigt de
                        ontvanger de beslagvrije voet vanaf de eerst volgende inhouding, dus zonder
                        terugwerkende kracht. Het laatste geldt niet als de belastingschuldige kan
                        aantonen dat het ontbreken van informatie niet aan hem te wijten is.</al><al>Als de ontvanger een loonvordering doet ten laste van een belastingschuldige
                        waarvan geen woon- of verblijfadres bekend is, stelt hij de beslagvrije voet
                        vast op nihil. De ontvanger kan dan immers niet bepalen of de
                        belastingschuldige in Nederland woont. Zodra de ontvanger bekend wordt met
                        het feit dat de belastingschuldige in Nederland woont of een vaste
                        verblijfplaats heeft, stelt de ontvanger alsnog de juiste beslagvrije voet
                        vast en past deze toe vanaf de eerst volgende inhouding, dus zonder
                        terugwerkende kracht. Het laatste geldt niet als de belastingschuldige kan
                        aantonen dat het ontbreken van het adresgegeven niet aan hem te wijten
                        is.</al><al></al><al>In situaties waarin de ontvanger de beslagvrije voet heeft vastgesteld
                        zonder vooraf informatie over inkomsten en uitgaven op te vragen bij de
                        belastingschuldige, herstelt de ontvanger de beslagvrije voet als door de
                        belastingschuldige wordt aangetoond dat deze te laag is vastgesteld. Als de
                        belastingschuldige kan aantonen dat de beslagvrije voet al op een eerder
                        moment op een te laag bedrag was vastgesteld, gebeurt dit met terugwerkende
                        kracht.</al><al><vet>19.3.5.</vet><vet> Belastingschuldige woont in buitenland</vet><vet> en beslag periodieke uitkering</vet></al><al>Als de belastingschuldige in het buitenland woont, stelt de ontvanger
                        overeenkomstig <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0001827&amp;artikel=475e" struct="BWB">artikel 475e Rv</extref> de beslagvrije voet vast op nihil.
                        Na de vooraankondiging van de loonvordering kan de belastingschuldige door
                        middel van het aanleveren van informatie aannemelijk maken dat hij
                        uitsluitend of nagenoeg uitsluitend periodieke inkomsten uit Nederland
                        geniet. Als de belastingschuldige kan aantonen dat hij buiten deze
                        periodieke inkomsten onvoldoende middelen van bestaan heeft, stelt de
                        ontvanger op basis van de verstrekte informatie de beslagvrije voet
                        vast.</al><al>Als de belastingschuldige in het buitenland woont, kan hij uit Nederland een
                        periodieke uitkering genieten die in het woonland belast is op grond van een
                        overeenkomst inzake voorkoming van dubbele belasting. In dat geval wordt op
                        verzoek van de belastingschuldige het beslag op de periodieke uitkering
                        beperkt met de belasting die in het woonland over die uitkering verschuldigd
                        is. De belastingschuldige moet bij zijn verzoek gegevens overleggen waaruit
                        deze belasting blijkt.</al><al><vet>19.3.6.</vet><vet> Verrekening ex artikel 117 Ambtenarenwet</vet></al><al>Verhaal op (periodieke) inkomsten die een belastingschuldige geniet vanwege
                        de Staat, gebeurt door aan de betreffende autoriteit verrekening te vragen
                        volgens <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0001947&amp;artikel=117" struct="BWB">artikel 117 van de Ambtenarenwet</extref> en subsidiair door een
                        vordering te doen.</al><al><vet>19.3.7.</vet><vet> Periodieke uitkeringen onder de bijstandsnorm</vet></al><al>Periodieke uitkeringen kunnen lager zijn dan de bijstandsnorm omdat de
                        betrokkene in natura geniet wat een bijstandsgerechtigde uit de bijstandnorm
                        geacht wordt te betalen.</al><al>In een dergelijk geval vermindert de ontvanger de beslagvrije voet met het
                        bedrag dat aan deze genietingen in natura kan worden toegerekend.</al><al><vet>19.3.8.</vet><vet> Vordering in relatie tot voorlopige teruggaaf</vet></al><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor gemeenten.</al><al><vet>19.4.</vet><vet> Beslagvrije voet en overheidsvordering</vet></al><al>Als de belastingschuldige aannemelijk maakt dat hij vanwege de toepassing
                        van de overheidsvordering, bedoeld in <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=19" struct="BWB">artikel 19,
                            vierde lid, van de wet</extref>, een lager bedrag aan bestaansmiddelen
                        overhoudt dan overeenkomt met de voor hem geldende beslagvrije voet, maakt
                        de ontvanger de overheidsvordering op verzoek van de belastingschuldige in
                        zoverre ongedaan met inachtneming van hetgeen hierna volgt. Bij het verzoek
                        verstrekt de belastingschuldige naast de gegevens die van belang zijn voor
                        de vaststelling van de beslagvrije voet een overzicht van de banktegoeden,
                        waaronder begrepen spaartegoeden, waarover de belastingschuldige
                        onmiddellijk na de overheidsvordering kon beschikken. Ongedaanmaking blijft
                        beperkt tot de laatste overheidsvordering voorafgaand aan het verzoek van de
                        belastingschuldige. Als sprake is van een belastingschuldige als bedoeld in
                            <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=19" struct="BWB">artikel 19, tweede lid, van de wet</extref>, berekent de ontvanger de
                        beslagvrije voet met inachtneming van het bepaalde in <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=19" struct="BWB">artikel 19,
                            eerste lid, laatste volzin van de wet</extref>. Het bepaalde in artikel
                        19.1.7 van deze leidraad is hierbij van toepassing. Voordat de ontvanger tot
                        teruggaaf overgaat, gaat hij na of de belastingschuldige op het moment dat
                        de overheidsvordering is gedaan, beschikte over banktegoeden, waaronder
                        begrepen spaartegoeden. Als het totaal van de banktegoeden waarover de
                        belastingschuldige onmiddellijk na de overheidsvordering kon beschikken
                        groter is dan de voor hem geldende beslagvrije voet, vermindert de ontvanger
                        de teruggaaf met het meerdere.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Lijfsdwang</titel></kop><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor gemeenten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Voorrecht rijksbelastingen</titel></kop><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor gemeenten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Bodemrecht</titel></kop><al><extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=22" struct="BWB">Artikel 22
                            van de wet</extref> gaat over het bodemrecht.</al><al>In aansluiting op <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=22" struct="BWB">artikel 22 van de wet</extref> beschrijft dit artikel het
                        beleid over:</al><lijst><li nr="-"><al>de werkingssfeer van het bodemrecht;</al></li><li nr="-"><al>bodemrecht en bestuurlijke boeten;</al></li><li nr="-"><al>overbetekening bodembeslag;</al></li><li nr="-"><al>de volgorde uitwinning bodembeslag buiten faillissement;</al></li><li nr="-"><al>de volgorde uitwinning bodembeslag in faillissement;</al></li><li nr="-"><al>bodemrecht en insolventie van de derde-eigenaar;</al></li><li nr="-"><al>bodemrecht en voorrang;</al></li><li nr="-"><al>verzet en beroep.</al></li></lijst><al><vet>22.1.</vet><vet> Werkingssfeer</vet><vet> en reikwijdte bodemrecht</vet></al><al>Derden die de eigendom pretenderen van inbeslaggenomen roerende of
                        onroerende zaken, kunnen hun rechten op die zaken - op de voet van de
                            <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0001827&amp;artikel=456" struct="BWB">artikelen 456</extref> respectievelijk <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0001827&amp;artikel=538" struct="BWB">538 en
                            volgende Rv</extref> - geldend maken. Op grond van <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0001827&amp;artikel=435" struct="BWB">artikel 435
                            Rv</extref> kunnen derden zich ook tegen het beslag verzetten.</al><al>Onafhankelijk hiervan kunnen derden die geheel of gedeeltelijk recht menen
                        te hebben op roerende zaken waarop voor een belastingschuld beslag is
                        gelegd, hun bezwaren tegen de beslaglegging van die zaken in de
                        administratieve sfeer door middel van een beroepschrift voorleggen aan het
                        college van de gemeente.</al><al>Met derden worden hier niet alleen bedoeld degenen die zich op een
                        eigendomsrecht beroepen, maar ook degenen die een beperkt recht op de zaak
                        menen te hebben. Een tijdig ingediend beroepschrift op de voet van <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=22" struct="BWB">artikel 22,
                            eerste lid, van de wet</extref> schort de executie van rechtswege
                        op.</al><al><extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=22" struct="BWB">Artikel
                            22, derde lid, van de wet</extref> ontneemt derden de mogelijkheid van
                        verzet in rechte tegen de inbeslagneming van de in dat artikel bedoelde
                        zaken en genoemde belastingaanslagen. Dit noemt men het bodemrecht van de
                        fiscus. Dit voorrecht kan de ontvanger van de gemeente niet toepassen.</al><al><vet>22.2.</vet><vet> Bodemrecht en bestuurlijke boeten</vet></al><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor gemeenten.</al><al><vet>22.3.</vet><vet> Overbetekening bodembeslag</vet></al><al>Als de ontvanger bekend is met de omstandigheid dat zaken mogelijk in
                        eigendom toebehoren aan een derde, dan is hij op grond van <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0001827&amp;artikel=435" struct="BWB">artikel 435,
                            derde lid, Rv</extref> verplicht bij beslaglegging op die zaken, dit
                        beslag binnen acht dagen na de beslaglegging aan die derde te doen betekenen
                        door de belastingdeurwaarder.</al><al>Bij deze overbetekening moet de derde schriftelijk worden gemeld dat hij de
                        mogelijkheid heeft een beroepschrift tegen de inbeslagneming te richten aan
                        het college.</al><al>De ontvanger gaat onmiddellijk tot betekening aan de derde over als hij op
                        enig later tijdstip - maar vóór de geplande verkoopdatum - kennis krijgt van
                        het feit dat de in beslag genomen zaken mogelijk eigendom zijn van die
                        derde. Als tussen het moment van de betekening aan de derde en de
                        vastgestelde verkoopdatum minder dan acht dagen liggen, gaat de ontvanger
                        over tot het vaststellen van een nieuwe verkoopdatum.</al><al><vet>22.4.</vet><vet> Volgorde uitwinning bodembeslag buiten faillissement</vet></al><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor gemeenten.</al><al><vet>22.5.</vet><vet> Volgorde uitwinning bodembeslag in faillissement</vet></al><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor gemeenten.</al><al><vet>22.6.</vet><vet> Bodemrecht en insolventie van de derde-eigen</vet><vet>aar</vet></al><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor gemeenten.</al><al><vet>22.7.</vet><vet> Bodemrecht en voorrang</vet></al><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor gemeenten.</al><al><vet>22.8.</vet><vet> Verzet en beroep</vet></al><al><vet>22.8.1.</vet><vet> Verzet artikel 435, derde lid, Rv</vet><vet> tegen bodembeslag</vet></al><al>Als uit een verzetschrift ex <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0001827&amp;artikel=435" struct="BWB">artikel 435,
                            derde lid, Rv</extref> blijkt dat de derde geen eigenaar is van de zaken
                        genoemd in dat verzetschrift, of voor de ontvanger anderszins duidelijk is
                        dat de derde geen eigenaar is van de betreffende zaken, dan vindt executie
                        van die zaken in beginsel doorgang.</al><al><vet>22.8.2.</vet><vet> Taken met betrekking tot de schriftelijke mededeling ex artikel 435,
                            derde lid, Rv</vet><vet> inzake bodembeslag</vet></al><al>Als de derde een schriftelijke mededeling ex <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0001827&amp;artikel=435" struct="BWB">artikel 435,
                            derde lid, Rv</extref> heeft gedaan, heft de ontvanger het beslag op als
                        zonder meer duidelijk is dat het zaken betreft waarop de ontvanger geen
                        verhaal kan nemen.</al><al>In de overige gevallen zendt de ontvanger de schriftelijke mededeling door
                        naar het college. Als ook het college geen aanleiding ziet aan het verzet
                        tegemoet te komen, dan stuurt de ontvanger de stukken door naar een advocaat
                        met het verzoek een procedure aan te spannen om een executoriale titel tegen
                        de derde te verkrijgen.</al><al><vet>22.8.3.</vet><vet> Opschorting verkoop na verzet in rechte</vet><vet> tegen bodembeslag</vet></al><al>Een verzet op de voet van <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0001827&amp;artikel=456" struct="BWB">artikel 456
                            Rv</extref> tegen de verkoop van roerende zaken schort de voortgang van
                        de executie niet van rechtswege op.</al><al>Niettemin schort de ontvanger de invordering in het algemeen op en neemt hij
                        geen onherroepelijke maatregelen, tenzij naar het oordeel van de ontvanger
                        het opschorten van de invordering de belangen van de Gemeente schaadt.</al><al><vet>22.8.4.</vet><vet> Beroepschrift ex artikel 22</vet><vet> van de wet</vet></al><al>Het beroepschrift ex <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=22" struct="BWB">artikel 22 van de wet</extref> moet worden ingediend bij de
                        ontvanger, waaronder de belastingschuldige ressorteert. Een beroepschrift
                        kan niet meer worden ingediend als het beslag is opgeheven of
                        vervallen.</al><al>Als toch een beroepschrift wordt ingediend, dan zal het college dit
                        beroepschrift niet in behandeling nemen omdat het beslag niet meer
                        ligt.</al><al><vet>22.8.5.</vet><vet> Beroepschriftprocedure</vet><vet> ex artikel 22 van de wet</vet></al><al>Onverminderd het bepaalde in <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=22" struct="BWB">artikel 22 van
                            de wet</extref> geldt voor de beroepsfase dat als uit een beroepschrift
                        niet duidelijk blijkt waarop het beroep is gebaseerd, de ontvanger de
                        indiener verzoekt om het beroepschrift binnen een redelijke termijn (nader)
                        te motiveren. De ontvanger wijst de indiener op een mogelijke
                        niet-ontvankelijkverklaring bij het niet voldoen aan de
                        motiveringsplicht.</al><al><vet>22.8.6.</vet><vet> Taak van de ontvanger met betrekking tot beroepschrift ex artikel
                            22</vet><vet>, eerste lid, van de wet</vet></al><al>Een beroepschrift dat te laat is ingediend - maar dat betrekking heeft op
                        een beslag dat nog steeds ligt - zal het college niet ontvankelijk
                        verklaren, tenzij hij van oordeel is dat de indiener niet in verzuim is
                        geweest.</al><al>Een beroepschrift dat in verband met te late indiening niet-ontvankelijk is
                        verklaard, zal het college ambtshalve in behandeling nemen. De ontvanger
                        schort in het algemeen eveneens de verkoop op - ongeacht de eventuele
                        wettelijke noodzaak daartoe - als een tijdig ingediend beroepschrift niet op
                        alle inbeslaggenomen zaken betrekking heeft.</al><al>Als de belanghebbende zich met zijn bezwaren tot de ontvanger wendt voordat
                        hij een beroepschrift indient of een procedure aanspant, dan wijst de
                        ontvanger de belanghebbende op de mogelijkheid een beroepschrift tot het
                        college te richten. Als de ontvanger in dit stadium met de belanghebbende
                        tot een oplossing kan komen, verdient dit uiteraard aanbeveling. In geval
                        van leasing geldt echter dat de ontvanger een beslag niet opheft dan na
                        overleg met het college.</al><al><vet>22.8.7.</vet><vet> Beslissing college op het beroepschrift</vet><vet> tegen een bodembeslag</vet></al><al>Het college motiveert de beslissing ook als sprake is van een te laat
                        ingediend beroepschrift. Het college zendt zijn beslissing op een
                        ontvankelijk verklaard beroepschrift aan de ontvanger. De ontvanger draagt
                        zorg voor onmiddellijke betekening van de beslissing aan de derde, aan de
                        belastingschuldige of hun gemachtigden en - zo nodig - aan de bewaarder.
                        Voor de betekening van de beslissing van het college worden geen kosten in
                        rekening gebracht.</al><al>Een beslissing op een niet-ontvankelijk verklaard beroepschrift wordt hetzij
                        door het college rechtstreeks aan de adressant of zijn gemachtigde en zo
                        nodig aan de bewaarder gezonden, hetzij op verzoek van het college betekend
                        op de wijze die geldt voor een ontvankelijk verklaard beroepschrift.</al><al>Als het gewenst is dat de zaken - in afwachting van de beslissing op het
                        beroepschrift - spoedig worden verkocht, dan kan de ontvanger na overleg met
                        het college erin toestemmen dat de verkoop door de derde gebeurt mits de
                        opbrengst - die in de plaats van de zaken treedt - in afwachting van de
                        beslissing bij de ontvanger wordt gedeponeerd.</al><al><vet>22.8.8.</vet><vet> Onduidelijk bezwaar</vet><vet> tegen bodembeslag</vet></al><al>De situatie kan zich voordoen dat de ontvanger uit het ingediende
                        bezwaarschrift niet kan opmaken of is beoogd administratief beroep in te
                        stellen op grond van <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=22" struct="BWB">artikel 22 eerste lid, van de wet</extref> dan wel verzet
                        aan te tekenen op grond van <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0001827&amp;artikel=435" struct="BWB">artikel 435,
                            derde lid, Rv</extref>.</al><al>Als dat het geval is, nodigt de ontvanger de derde uit zich daarover binnen
                        tien dagen uit te laten. Als de derde niet reageert, wordt het geschrift
                        aangemerkt als een beroepschrift ex <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=22" struct="BWB">artikel 22,
                            eerste lid, van de wet</extref>.</al><al><vet>22.8.9.</vet><vet> Samenloop administratief beroep en verzet</vet><vet> tegen bodembeslag</vet></al><al>Als de derde zowel een beroepschrift ex <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=22" struct="BWB">artikel 22,
                            eerste lid, van de wet</extref> indient als een schriftelijke mededeling
                        doet als bedoeld in <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0001827&amp;artikel=435" struct="BWB">artikel 435, derde lid, Rv</extref>, dan zendt de ontvanger
                        eerst het beroepschrift ter behandeling aan het college, voordat hij het
                        verzet ex <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0001827&amp;artikel=435" struct="BWB">artikel 435, derde lid, Rv</extref> behandelt.</al><al><vet>22.8.10.</vet><vet> Criteria voor de beslissing op het beroepschrift ex artikel 22</vet><vet>, eerste lid, van de wet</vet></al><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al><al><vet>22.8.11.</vet><vet> Beëindiging operationele lease-overeenkomst</vet></al><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor gemeenten.</al><al><vet>22.8.12.</vet><vet> Executie</vet><vet> en bodemrecht</vet></al><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor gemeenten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22bis</nr><titel>Mededeling</titel></kop><al>Deze bepalingen zijn niet van toepassing voor gemeenten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22a</nr><titel>en artikel 23 Verhaal motorrijtuigenbelasting en
                            inkomstenbelasting</titel></kop><al>Deze bepalingen zijn niet van toepassing voor gemeenten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23a</nr><titel>Verhaal van belastingaanslagen als gevolg van een toerekening van een
                            afgezonderd particulier vermogen</titel></kop><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Verrekening</titel></kop><al><extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=24" struct="BWB"><cursief>Artikel 24 van de wet</cursief></extref><cursief> regelt de verrekening door de ontvanger van in te vorderen en uit
                            te betalen bedragen. Bij de verrekening mag de ontvanger geen gebruik
                            maken van de algemene verrekeningsbepalingen van het Burgerlijk Wetboek.
                            Tijdens faillissement, surséance en wettelijke schuldsanering geldt </cursief><extref status="actief" doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=24" struct="BWB"><cursief>artikel 24 van de wet</cursief></extref><cursief> niet; dan zijn de </cursief><extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0001860&amp;artikel=53" struct="BWB"><cursief>artikelen 53 tot en met 56</cursief></extref><cursief>, </cursief><extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0001860&amp;artikel=234" struct="BWB"><cursief>234</cursief></extref><cursief>, </cursief><extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0001860&amp;artikel=235" struct="BWB"><cursief>235</cursief></extref><cursief> en </cursief><extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0001860&amp;artikel=307" struct="BWB"><cursief>307 van de FW</cursief></extref><cursief> van toepassing.</cursief></al><al>In aansluiting op <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=24" struct="BWB">artikel 24 van de wet</extref> beschrijft dit artikel het
                        beleid over:</al><lijst><li nr="-"><al>wanneer verrekening;</al></li><li nr="-"><al>betwiste schuld en verrekening;</al></li><li nr="-"><al>reikwijdte van de verrekening;</al></li><li nr="-"><al>bekendmaking verrekening;</al></li><li nr="-"><al>instemmingsregeling bij cessie en verpanding.</al></li></lijst><al><vet>24.1.</vet><vet> Wanneer verrekening</vet></al><al>De verrekening vindt niet van rechtswege plaats. De ontvanger bepaalt of al
                        dan niet tot verrekening wordt overgegaan.</al><al>Als de belastingschuldige de ontvanger verzoekt een bepaalde
                        belastingteruggaaf of een ander uit te betalen bedrag met een bepaalde
                        openstaande aanslag of andere vordering te verrekenen, dan willigt de
                        ontvanger dit verzoek altijd in.</al><al>Dit geldt ook als het verzoek wordt gedaan nog voordat de teruggaaf is
                        geformaliseerd of het uit te betalen bedrag is vastgesteld. In dat geval
                        schort de ontvanger de invordering echter niet zonder meer op. Zo nodig kan
                        de belastingschuldige om uitstel van betaling in verband met de te
                        verwachten teruggaaf respectievelijk het te verwachten uit te betalen bedrag
                        verzoeken (zie artikel 25.3 van deze leidraad).</al><al><vet>24.1.1.</vet><vet> Verrekening voorlopige teruggaaf inkomstenbelasting en beslagvrije
                            voet</vet></al><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor gemeenten.</al><al><vet>24.2.</vet><vet> Betwiste schuld</vet><vet> en verrekening</vet></al><al>In het algemeen gaat de ontvanger niet tot verrekening over met een te
                        betalen bedrag dat de belastingschuldige betwist en waarvoor de ontvanger
                        uitstel van betaling heeft verleend op grond van artikel 25.2 van deze
                        leidraad.</al><al>De ontvanger kan wel verrekenen als de financiële situatie van de
                        belastingschuldige zodanig is dat vrees voor onverhaalbaarheid bestaat.</al><al><vet>24.3.</vet><vet> Reikwijdte van de verrekening</vet></al><al>Ondanks het feit dat de wet daartoe wel de mogelijkheid biedt, worden uit te
                        betalen bedragen niet automatisch verrekend met aanslagen die (nog) niet
                        invorderbaar zijn. Dit laat onverlet dat de ontvanger bevoegd is om in
                        gevallen zoals omschreven in <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=19" struct="BWB">artikel 19,
                            tweede lid, van de wet</extref> binnen de betalingstermijn te
                        verrekenen.</al><al>Bij een belastingaanslag waarvan een betalingstermijn van een
                        termijnbetaling is verstreken, kan de ontvanger alleen verrekenen voor zover
                        de termijn is verstreken.</al><al>Hierop maakt de ontvanger een uitzondering als er sprake is van een situatie
                        als bedoeld in <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=10" struct="BWB">artikel 10, eerste lid, onderdelen b, c of d, van de
                            wet</extref>. Dan is verrekening mogelijk met alle termijnen van de
                        voorlopige aanslag vanaf het moment dat zich één van de genoemde situaties
                        voordoet.</al><al>Verrekening met andere bedragen waarvan de invordering aan de ontvanger is
                        opgedragen, kan plaatsvinden vanaf het moment waarop de invordering aan de
                        ontvanger is opgedragen.</al><al><vet>24.4.</vet><vet> Bekendmaking</vet><vet> verrekening</vet></al><al>Verrekening van een uit te betalen bedrag door de ontvanger gebeurt bij
                        beschikking. De beschikking wordt aan de belastingschuldige bekendgemaakt
                        door toezending of uitreiking van een kennisgeving.</al><al><vet>24.5.</vet><vet> Verrekening en fiscale eenheid vennootschapsbelasting</vet></al><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor gemeenten.</al><al><vet>24.6.</vet><vet> Instemmingsregeling</vet><vet> bij cessie en verpanding</vet></al><al><vet>24.6.1.</vet><vet> Geen verrekening bij instemming</vet><vet> cessie of verpanding</vet></al><al>In <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=24" struct="BWB">artikel
                            24, vierde lid, van de wet</extref> is een instemmingsregeling opgenomen
                        die verrekening uitsluit als de ontvanger instemt met cessie (<extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0005291&amp;artikel=94" struct="BWB">artikel 3:94
                            BW</extref>) of stille verpanding (<extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0005291&amp;artikel=239" struct="BWB">artikel 3:239
                            BW</extref>) van een uit te betalen bedrag.</al><al>Als de ontvanger niet heeft ingestemd, kan hij tot verrekening met
                        openstaande schulden overgaan ook al is de cessie of verpanding aan hem
                        meegedeeld. De ontvanger verrekent het uit te betalen bedrag met de
                        belastingschulden die openstaan op het moment van formalisering van het uit
                        te betalen bedrag.</al><al>Bij openbare verpanding van een uit te betalen bedrag geldt geen
                        instemmingsregeling.</al><al><vet>24.6.2.</vet><vet> Mogelijkheid van cessie of verpanding</vet><vet> uit te betalen bedragen</vet></al><al>Cessie of stille verpanding van een uit te betalen bedrag is mogelijk mits
                        dit bedrag voldoende bepaald is omschreven.</al><al>Stille verpanding is mogelijk vanaf het moment dat de aanspraak op teruggaaf
                        van het saldo van positieve en negatieve elementen van de belastingaanslag
                        of de teruggaafbeschikking materieel vaststaat. Dit is op zijn vroegst het
                        geval na het einde van het jaar of tijdvak waarop de teruggaaf betrekking
                        heeft.</al><al><vet>24.6.3.</vet><vet> Instemming of weigering met een cessie of verpanding</vet></al><al>De weigering van een instemming met de cessie of verpanding heeft betrekking
                        op de gehele cessie of verpanding. De instemming wordt niet gedeeltelijk
                        verleend. Wel bestaat de mogelijkheid om een uit te betalen bedrag in
                        gedeelten te cederen of te verpanden. De ontvanger moet dan bij iedere
                        cessie of verpanding afzonderlijk beoordelen of hij daarmee instemt.</al><al>Instemming met een cessie of verpanding wordt alleen geweigerd als de
                        ontvanger gegronde redenen heeft om aan te nemen dat instemmen met de cessie
                        of verpanding zal kunnen leiden tot oninbaarheid dan wel onverhaalbaarheid
                        van een ten tijde van de mededeling invorderbare belastingaanslag (of
                        anderszins voor verrekening vatbare schuld) waarmee het uit te betalen
                        bedrag zonder cessie of verpanding had kunnen worden verrekend. De weigering
                        voorkomt aldus dat de invordering van deze aanslag wordt gefrustreerd. Deze
                        situatie zal zich onder meer voordoen bij een belastingschuldige die bekend
                        staat als een notoir slechte betaler.</al><al>Met nadruk wordt vermeld dat bij de beoordeling of met een cessie of
                        verpanding moet worden ingestemd geen rekening wordt gehouden met materieel
                        ontstane belastingschulden die nog niet zijn geformaliseerd in een
                        belastingaanslag. De ontvanger is verplicht met een cessie of verpanding in
                        te stemmen als op het tijdstip van de mededeling van de cessie of verpanding
                        ten name van de belastingschuldige geen voor verrekening vatbare (en dus
                        geformaliseerde) schuld invorderbaar is.</al><al>De ontvanger maakt zijn beschikking aan de belastingschuldige en aan de
                        derde - in dit geval de pandhouder of cessionaris - bekend door middel van
                        een gedagtekende kennisgeving, waarbij de belastingschuldige op de
                        mogelijkheid wordt gewezen bij het college beroep in te stellen.</al><al><vet>24.6.4.</vet><vet> Beroepsprocedure weigeren instemming cessie of verpanding en Awb</vet></al><al>Onverminderd het bepaalde in <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=24" struct="BWB">artikel 24 van
                            de wet</extref> geldt met betrekking tot een beroepschrift waaruit niet
                        direct duidelijk blijkt waarop het beroep is gebaseerd, dat de ontvanger de
                        indiener verzoekt het beroepschrift binnen een redelijke termijn (nader) te
                        motiveren. De ontvanger wijst de indiener op een mogelijke
                        niet-ontvankelijkverklaring bij het niet voldoen aan deze
                        motiveringsplicht.</al><al><vet>24.6.5.</vet><vet> Bekendmaking beschikking college bij cessie of verpanding</vet></al><al>De beschikking van het college op het beroepschrift wordt bekend gemaakt
                        door toezending of uitreiking van de beschikking aan zowel de
                        belastingschuldige als de derde, in dit geval de pandhouder of
                        cessionaris.</al><al><vet>24.6.6</vet><vet> Houding ontvanger bij procedure tegen weigeren instemming</vet><vet> met cessie of verpanding</vet></al><al>De belastingschuldige kan zich tot de voorzieningenrechter wenden met het
                        verzoek de ontvanger te verbieden de instemming te weigeren. Totdat de
                        voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan, gaat de ontvanger niet tot
                        verrekening over.</al><al>Als de rechter het verzoek afwijst, dan verrekent de ontvanger niet eerder
                        dan nadat veertien dagen zijn verstreken na de dag van de uitspraak, tenzij
                        tegen deze uitspraak hoger beroep is ingesteld.</al><al>Als de rechter het verzoek ook in hoger beroep afwijst, verrekent de
                        ontvanger niet eerder dan nadat de uitspraak in hoger beroep onherroepelijk
                        vaststaat.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Uitstel van betaling</titel></kop><al><cursief>Op grond van </cursief><extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=25" struct="BWB"><cursief>artikel 25 van de wet</cursief></extref><cursief> kan de ontvanger - onder door hem te stellen voorwaarden - uitstel
                            van betaling verlenen aan de belastingschuldige voor (een gedeelte van)
                            een opgelegde belastingaanslag.</cursief></al><al><cursief>Het verlenen van uitstel van betaling gebeurt in beginsel op
                            schriftelijk verzoek van de belastingschuldige. In daartoe aanleiding
                            gevende gevallen kan de ontvanger ook ambtshalve uitstel van betaling
                            verlenen.</cursief></al><al><cursief>De ontvanger kan een verleend uitstel van betaling bij beschikking
                            tussentijds beëindigen.</cursief></al><al>In aansluiting op <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=25" struct="BWB">artikel 25 van de wet</extref> beschrijft dit artikel het
                        beleid over:</al><lijst><li nr="-"><al>de algemene uitgangspunten van het uitstelbeleid;</al></li><li nr="-"><al>uitstel in verband met bezwaar tegen een belastingaanslag.</al></li><li nr="-"><al>uitstel in verband met een te verwachten uit te betalen bedrag;</al></li><li nr="-"><al>uitstel in verband met betalingsproblemen;</al></li><li nr="-"><al>betalingsregeling voor particulieren;</al></li><li nr="-"><al>betalingsregeling voor ondernemers;</al></li><li nr="-"><al>administratief beroep.</al></li></lijst><al><vet>25.1.</vet><vet> Algemene uitgangspunten uitstelbeleid</vet></al><al><vet>25.1.1.</vet><vet> Houding van de ontvanger tijdens behandeling verzoek</vet><vet> om uitstel</vet></al><al>Gedurende de behandeling van het verzoek om uitstel van betaling handelt de
                        ontvanger overeenkomstig het beleid dat wordt gevoerd als het verzoek is
                        toegewezen.</al><al>Als er aanwijzingen zijn dat de belangen van de gemeente kunnen worden
                        geschaad, kan de ontvanger ondanks het verzoek om uitstel wel
                        invorderingsmaatregelen treffen.</al><al><vet>25.1.2.</vet><vet> Toewijzing van het verzoek om uitstel van betaling</vet></al><al>Bij toewijzing van het verzoek vermeldt de ontvanger de voorwaarden
                        waaronder hij uitstel van betaling verleent in de beschikking.</al><al><vet>25.1.3.</vet><vet> Redenen afwijzing verzoek om uitstel</vet></al><al>Een verzoek om uitstel van betaling wordt in ieder geval afgewezen als:</al><lijst><li nr="a."><al>de medewerking van de verzoeker aan de gemeente naar het oordeel van
                                de ontvanger onvoldoende is;</al></li><li nr="b."><al>onjuiste gegevens worden verstrekt;</al></li><li nr="c."><al>de gevraagde gegevens niet (volledig) binnen de door de ontvanger
                                daartoe gestelde termijn zijn verstrekt. Als de verstrekte gegevens
                                onvolledig zijn, stelt de ontvanger de belastingschuldige in de
                                gelegenheid de ontbrekende gegevens alsnog binnen twee weken te
                                verstrekken;</al></li><li nr="d."><al>de gevraagde zekerheid niet wordt gesteld (zie artikel 25.1.1,
                                25.2.5, 25.5.2 en 25.6.2 van deze leidraad);</al></li><li nr="e."><al>de waarde van vermogensobjecten in redelijkheid te gelde kan worden
                                gemaakt teneinde daarmee de verschuldigde belasting te betalen;</al></li><li nr="f."><al>de berekende betalingscapaciteit zodanig is dat de schuld direct
                                voldaan kan worden;</al></li><li nr="g."><al>de betalingsregeling zich over een voor de ontvanger onaanvaardbare
                                termijn uitstrekt;</al></li><li nr="h."><al>de betalingsproblemen structureel zijn en een betalingsregeling
                                volgens de ontvanger geen uitkomst zal bieden;</al></li><li nr="i."><al>sprake is van een verzoek om uitstel van betaling van een
                                belastingaanslag in verband met betalingsmoeilijkheden en
                                voorafgaande aan dat verzoek uitstel is genoten in verband met een
                                bezwaar- of beroepsprocedure tegen die aanslag, terwijl gedurende
                                die procedure betalingsmiddelen ter beschikking hebben gestaan,
                                waarmee de belastingschuld kon worden betaald.</al></li><li nr="j."><al>de aanslag betrekking heeft op: leges, toeristenbelasting,
                                marktgelden, havengeld, precariobelasting, reclamebelasting;</al></li><li nr="k."><al>het een bezwaar betreft dat direct of indirect gericht is tegen een
                                onherroepelijk vaststaande belastingaanslag;</al></li><li nr="l."><al>de belastingschuldige reeds eerder een regeling heeft genoten, maar
                                deze niet is nagekomen;</al></li><li nr="m."><al>ter zake van de aanslag reeds een beslagopdracht naar de
                                belastingdeurwaarder is uitgegaan dan wel door de
                                belastingdeurwaarder reeds beslag is gelegd;</al></li><li nr="n."><al>ter zake van de aanslag een vordering op grond van <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=19" struct="BWB">artikel 19 van de wet</extref> is ingediend;</al></li><li nr="o."><al>het in bezwaar betwiste bedrag minder dan € 50 bedraagt.</al></li></lijst><al>De ontvanger is niet verplicht de belastingschuldige in de gelegenheid te
                        stellen zijn zienswijze naar voren te laten brengen voordat hij het verzoek
                        om uitstel geheel of gedeeltelijk afwijst. Als het verzoek om uitstel wordt
                        afgewezen, moet gemotiveerd worden waarom tot afwijzing van het verzoek is
                        besloten. Daarbij moeten alle afwijzingsgronden worden genoemd; er kan niet
                        worden volstaan met het noemen van de voornaamste afwijzingsgrond.</al><al><vet>25.1.4.</vet><vet> Redenen beëindigen uitstel</vet></al><al>Het uitstel wordt in ieder geval beëindigd als:</al><lijst><li nr="a."><al>niet aan de voorwaarden wordt voldaan waaronder het uitstel is
                                verleend;</al></li><li nr="b."><al>tijdens de looptijd van het uitstel blijkt dat onjuiste gegevens
                                zijn verstrekt;</al></li><li nr="c."><al>de aanleiding tot uitstel van betaling is weggevallen;</al></li><li nr="d."><al>de financiële omstandigheden van de belastingschuldige zodanig
                                veranderen of zijn veranderd dat het naar het oordeel van de
                                ontvanger onjuist is het uitstel te continueren;</al></li><li nr="e."><al>de medewerking van de verzoeker aan de gemeente naar het oordeel van
                                de ontvanger onvoldoende is;</al></li><li nr="f."><al>zich een situatie voordoet zoals omschreven in <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=10" struct="BWB">artikel 10 van de wet</extref> en de ontvanger van mening is
                                dat de verhaalbaarheid van de belastingschuld waarvoor uitstel is
                                verleend, ernstig in gevaar komt;</al></li><li nr="g."><al>belastingschuldige in staat van faillissement wordt verklaard, hem
                                surséance van betaling wordt verleend of hij wordt toegelaten tot de
                                wettelijke schuldsanering natuurlijke personen.</al></li></lijst><al><vet>25.1.5</vet><vet> Beëindigen van een betalingsregeling met meer dan één termijn</vet></al><al>Als de belastingschuldige een betalingsregeling van meer dan één termijn
                        niet nakomt, kan de ontvanger alvorens hij de regeling beëindigt, de
                        belastingschuldige in de gelegenheid stellen om alsnog binnen tien dagen de
                        achterstand te voldoen. </al><al><vet>25.1.6.</vet><vet> Van rechtswege vervallen van een verleend uitstel</vet></al><al>Als de ontvanger uitstel heeft verleend tot een bepaald tijdstip en dit
                        tijdstip is verstreken, dan is daardoor het uitstel van rechtswege
                        vervallen.</al><al>Als het verzoek om uitstel van betaling schriftelijk is ingediend, stelt de
                        ontvanger de belastingschuldige van het vervallen van het verleende uitstel
                        schriftelijk op de hoogte onder opgaaf van reden.</al><al><vet>25.1.7.</vet><vet> Geen invordering tijdens verleend uitstel</vet></al><al>Tenzij in de leidraad anders is aangegeven, kan de ontvanger voor een
                        belastingaanslag waarvoor hij uitstel van betaling heeft verleend, geen
                        invorderingsmaatregelen nemen.</al><al><vet>25.1.8.</vet><vet> Na (afwijzen) uitstel tien dagen wachttijd</vet></al><al>Als de ontvanger geen (verder) uitstel van betaling verleent of een verleend
                        uitstel beëindigt, of als het college afwijzend heeft beslist op een
                        ingediend beroepschrift tegen de afwijzing of beëindiging, dan wordt de
                        vervolging in beginsel niet aangevangen of voortgezet binnen een termijn van
                        tien dagen na dagtekening van de beschikking. Hetzelfde geldt als het
                        uitstel van betaling van rechtswege is vervallen en daarvan een mededeling
                        is gedaan.</al><al>Een dergelijke mededeling blijft overigens achterwege als op telefonisch
                        verzoek uitstel is verleend. In dat geval geldt de termijn van tien dagen
                        niet.</al><al>Verkorting of het niet verlenen van deze termijn vindt onder meer plaats als
                        naar het oordeel van de ontvanger aanwijzingen bestaan dat door het niet
                        onmiddellijk aanvangen of vervolgen van de invordering de belangen van de
                        gemeente worden geschaad. Verder geldt deze termijn niet als een
                        executieverkoop wordt opgeschort en in verband daarmee uitstel van betaling
                        is verleend in samenhang met een prolongatieovereenkomst.</al><al><vet>25.1.9.</vet><vet> Uitstel voor een ambtshalve belastingaanslag</vet></al><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor gemeenten.</al><al><vet>25.1.10.</vet><vet> Uitstel voor een aanslag ter behoud van rechten</vet></al><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor gemeenten.</al><al><vet>25.1.11.</vet><vet> Uitstel voor een bestuurlijke boete</vet></al><al>De ontvanger verleent uitstel van betaling voor een bestuurlijke boete in
                        verband met bezwaar, beroep of hoger beroep tegen de bestuurlijke
                        boete.</al><al>De ontvanger verleent ook uitstel van betaling voor een bestuurlijke boete
                        als sprake is van een bezwaarschrift tegen een belastingaanslag en de
                        bedragen van die belastingaanslag en die van de boete-beschikking op één
                        aanslagbiljet zijn vermeld. De ontvanger verleent dit uitstel niet als uit
                        het bezwaarschrift blijkt dat het bezwaar zich niet richt tegen de
                        bestuurlijke boete.</al><al>Aan het uitstel kan de ontvanger voorwaarden verbinden die ertoe strekken de
                        belangen van de gemeente veilig te stellen. De ontvanger verleent het
                        uitstel tot het moment waarop op het bezwaarschrift is beslist.</al><al><vet>25.1.12.</vet><vet> Tijdens uitstel nieuwe aanslagen</vet><vet> voldoen</vet></al><al>Bij uitstel wegens betalingsmoeilijkheden stelt de ontvanger de voorwaarde
                        dat voor nieuwe belastingaanslagen geen betalingsachterstand zal
                        ontstaan.</al><al><vet>25.1.13.</vet><vet> Zekerheid</vet><vet> bij uitstel</vet></al><al>De ontvanger kan bij het verlenen van uitstel van betaling de voorwaarde
                        stellen dat de belastingschuldige of een derde zekerheid stelt. Bij het
                        stellen van zekerheid gaat de voorkeur uit naar zekerheden die op eenvoudige
                        wijze kunnen worden gesteld, bewaakt en uitgewonnen.</al><al>Een aangeboden zekerheid in de vorm van een bezitloze verpanding van
                        voorraden is in beginsel niet aanvaardbaar vanwege de aard van deze
                        zekerheid. De ontvanger aanvaardt een bezitloze verpanding van voorraden
                        slechts als aannemelijk is dat de belastingschuld niet kan worden betaald en
                        andere zekerheidsvormen niet voorhanden zijn.</al><al><vet>25.1.14.</vet><vet> Tijdstip indiening verzoek</vet><vet> om uitstel</vet></al><al>De ontvanger neemt een verzoek om uitstel van betaling altijd in
                        behandeling, ongeacht het tijdstip van indiening en het stadium van de
                        invordering.</al><al>De ontvanger wijst een verzoek om uitstel van betaling in verband met
                        betalingsproblemen in het algemeen af als het verzoek is ingediend nadat
                        aankondiging van een ten laste van de belastingschuldige te houden
                        executoriale verkoop in een dagblad heeft plaatsgevonden, of als publicatie
                        daarvan niet meer is te voorkomen.</al><al>Om de belangen van de gemeente niet te schaden, kan de ontvanger de
                        beslissing op een vlak voor de executoriale verkoop ingediend verzoek om
                        uitstel mondeling bekend maken. De ontvanger bevestigt deze beslissing zo
                        spoedig mogelijk bij beschikking. In dat geval geldt uiteraard niet de
                        termijn van tien dagen waarbinnen de ontvanger de invordering niet mag
                        aanvangen of voortzetten.</al><al>De ontvanger willigt geen enkel verzoek om uitstel meer in als de
                        belastingdeurwaarder is begonnen met de executoriale verkoop.</al><al><vet>25.1.15.</vet><vet> Verzoekschriften aan andere instellingen</vet></al><al>De ontvanger houdt de invordering aan als een verzoekschrift is ingediend
                        bij de raad, het college of de gemeentelijke ombudsman.</al><al>Als naar het oordeel van de ontvanger aanwijzingen bestaan dat door het niet
                        direct aanvangen of vervolgen van de invordering de belangen van de gemeente
                        worden geschaad, kan de ontvanger na het voorafgaand inlichten van het
                        college toch invorderingsmaatregelen treffen.</al><al><vet>25.2.</vet><vet> Uitstel in verband met bezwaar tegen een belastingaanslag</vet></al><al><vet>25.2.1.</vet><vet> Bezwaar tegen hoogte belastingaanslag</vet></al><al>De belastingschuldige kan bezwaren tegen de hoogte van een belastingaanslag
                        door middel van een bezwaarschrift kenbaar maken. Een in verband daarmee
                        gevraagd uitstel van betaling kan de ontvanger verlenen tot het moment
                        waarop de inspecteur uitspraak op het bezwaarschrift doet. Onder een
                        bezwaarschrift wordt ook begrepen een door de belastingschuldige ingediend
                        (hoger) beroepschrift.</al><al>Het in artikel 25.2 van deze leidraad beschreven uitstelbeleid heeft
                        uitsluitend betrekking op het door de belastingschuldige bestreden deel van
                        de belastingaanslag waarvoor uitstel is verzocht of verleend.</al><al><vet>25.2.2.</vet><vet> Bezwaar- en beroepschrift gelden niet als verzoek om uitstel</vet></al><al>Voor het bestreden bedrag van een aanslag moet de belastingschuldige een
                        verzoek om uitstel van betaling indienen. Het indienen van een
                        bezwaarschrift geldt niet tevens als een verzoek om uitstel van
                        betaling.</al><al>Een beroepschrift tegen de uitspraak van de inspecteur op het bezwaarschrift
                        en een ingesteld hoger beroep of beroep in cassatie tegen een rechterlijke
                        uitspraak over de juistheid van een dergelijke uitspraak, gelden niet als
                        een verzoek om uitstel van betaling.</al><al>Voor het bestreden bedrag van een aanslag moet de belastingschuldige een
                        verzoek om uitstel van betaling indienen.</al><al>Als de belastingschuldige bij de ontvanger een verzoek om uitstel indient in
                        verband met een op korte termijn in te dienen bezwaarschrift, dan licht de
                        ontvanger de inspecteur daaromtrent in en wordt dit verzoek ook aangemerkt
                        als een pro-formabezwaarschrift.</al><al><vet>25.2.2.A.</vet><vet> Afzonderlijk verzoek om uitstel in verband met een
                            bezwaarschrift</vet></al><al>Als de belastingschuldige een verzoek om uitstel indient bij de ontvanger in
                        verband met een bezwaarschrift tegen de belastingaanslag dan moet hij in het
                        verzoek het bestreden bedrag van de aanslag en de berekening van dat bedrag
                        vermelden.</al><al><vet>25.2.2.B.</vet><vet> Ontbrekende gegevens</vet></al><al>Als in het verzoek aan de ontvanger om uitstel van betaling in verband met
                        een ingediend bezwaarschrift het bestreden bedrag of de berekening daarvan
                        niet zijn vermeld, dan stelt de ontvanger de belastingschuldige in de
                        gelegenheid de ontbrekende gegevens alsnog schriftelijk mee te delen. De
                        ontvanger kan voorts aan de belastingschuldige nadere gegevens vragen ter
                        bepaling van de hoogte van het bestreden bedrag. De ontvanger geeft de
                        belastingschuldige een termijn van ten hoogste een maand vanaf de
                        dagtekening van zijn verzoek om nadere gegevens. De invordering wordt voor
                        die termijn geschorst.</al><al>Een langere termijn (of verlenging van de eerder gegeven termijn) is
                        mogelijk als de ontvanger van oordeel is dat dit redelijk is. Als de
                        belastingschuldige de verleende termijn ongebruikt voorbij laat gaan, wijst
                        de ontvanger het verzoek om uitstel af.</al><al>Hetgeen in dit artikel is vermeld is van overeenkomstige toepassing op een
                        uitdrukkelijk verzoek om uitstel van betaling opgenomen in het
                        bezwaarschrift zelf.</al><al>Ook is hetgeen in dit artikel is vermeld van overeenkomstige toepassing op
                        een door de belastingschuldige bij de ontvanger ingediend verzoek om uitstel
                        in verband met een op korte termijn in te dienen bezwaarschrift. In dit
                        laatste geval licht de ontvanger de inspecteur daaromtrent in en wordt het
                        verzoek tevens aangemerkt als een pro forma bezwaarschrift. </al><al>Als sprake is van een verzoek om uitstel in verband met een ingediend
                        beroepschrift, dient tevens een kopie van het beroepschrift te worden
                        overgelegd.</al><al><vet>25.2.3.</vet><vet> De beslissing op het verzoek om uitstel van betaling</vet></al><al>In het algemeen wijst de ontvanger een verzoek om uitstel van betaling in
                        verband met een bezwaarschrift toe als aan de in de artikelen 25.2.2,
                        25.2.2.A en 25.2.2.B gestelde eisen is voldaan.</al><al>De ontvanger kan aan het uitstel voorwaarden verbinden. De toewijzende
                        beslissing strekt zich niet verder uit dan tot het bestreden bedrag.</al><al><vet>25.2.4.</vet><vet> Uitstel in verband met een onderlinge overlegprocedure</vet></al><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor gemeenten.</al><al><vet>25.2.5.</vet><vet> Zekerheid</vet><vet> bij uitstel in verband met bezwaar</vet></al><al>Als voorwaarde voor het verlenen van uitstel van betaling kan de ontvanger
                        zekerheid verlangen voor de bestreden belastingschuld. In beginsel vraagt de
                        ontvanger alleen zekerheid, als de aard en omvang van de belastingschuld in
                        relatie tot de verhaalsmogelijkheden die bij de ontvanger bekend zijn
                        daartoe aanleiding geven. Bij zijn beslissing houdt de ontvanger ook
                        rekening met het aangifte- en betalingsgedrag in het verleden.</al><al><vet>25.2.6.</vet><vet> Onherroepelijke invorderingsmaatregelen voor bestreden
                            belastingschuld</vet></al><al>Zolang de belastingaanslag waartegen een bezwaarschrift is ingediend niet
                        onherroepelijk vaststaat, treft de ontvanger voor de betwiste
                        belastingschuld in beginsel geen onherroepelijke
                        invorderingsmaatregelen.</al><al>Als echter aanwijzingen bestaan dat de belangen van de gemeente of de
                        belangen van de belastingschuldige door het achterwege laten van
                        onherroepelijke invorderingsmaatregelen worden geschaad, dan kan de
                        ontvanger die maatregelen wel treffen.</al><al>Het leggen van beslag dat feitelijk dienst doet als een bewaringsmaatregel
                        geldt niet als een onherroepelijke invorderingsmaatregel.</al><al><vet>25.2.7.</vet><vet> Verrekening tijdens uitstel in verband met bezwaar</vet></al><al>Als de ontvanger uitstel heeft verleend, blijft verrekening van het
                        bestreden bedrag met een teruggaaf op een andere belastingaanslag of andere
                        uit te betalen bedragen achterwege, in afwachting van de uitspraak op het
                        bezwaarschrift, tenzij anders is bepaald in deze leidraad onder artikel
                        24.</al><al>Ook kan hiervan worden afgeweken als de financiële situatie van de
                        belastingschuldige zodanig is - bijvoorbeeld gelet op de solvabiliteit van
                        diens onderneming in relatie tot de hoogte van de (bestreden)
                        belastingschuld - dat vrees voor onverhaalbaarheid bestaat en verder niet
                        voldoende zekerheid is gesteld.</al><al>Als de ontvanger overgaat tot verrekening, licht hij de belastingschuldige
                        in bij de bekendmaking van de beschikking omtrent zijn beweegredenen.</al><al><vet>25.2.7a.</vet><vet></vet><vet>Nadere voorwaarden bij herbeoordeling verleend uitstel</vet></al><al>Als de ontvanger bij het verlenen van het uitstel geen nadere voorwaarden
                        heeft gesteld, kan hij uiterlijk binnen vier maanden vanaf de datum dat het
                        uitstel is verleend voor het ingediende bezwaarschrift schriftelijk aan de
                        belastingschuldige nadere voorwaarden stellen. Hierbij kijkt de ontvanger of
                        de looptijd voor het afdoen van het bezwaarschrift in relatie tot de hoogte
                        van het bestreden bedrag van de aanslag daartoe aanleiding geeft. Voor de
                        beoordeling of hij zekerheid verlangt voor de bestreden belastingschuld,
                        past de ontvanger de in artikel 25.2.5 van deze leidraad opgenomen
                        voorwaarden toe.</al><al>Indien de belastingschuldige tijdig voldoet aan deze voorwaarden,
                        continueert de ontvanger het uitstel. De ontvanger trekt het uitstel in als
                        de belastingschuldige niet aan deze voorwaarden voldoet.</al><al><vet>25.2.8.</vet><vet> Geen uitstel voor het niet bestreden bedrag</vet></al><al>Als sprake is van een bestreden en niet-bestreden bedrag van een
                        belastingaanslag, dan verleent de ontvanger uitstel onder de opschortende
                        voorwaarde dat het niet-bestreden bedrag per omgaande dan wel tijdig wordt
                        betaald.</al><al>Als niet per omgaande dan wel niet tijdig wordt betaald, wordt de
                        invordering zonder nadere aankondiging voor de gehele belastingaanslag
                        aangevangen dan wel voortgezet.</al><al>Een nieuw verzoek om uitstel voor de betreffende belastingaanslag in verband
                        met bezwaar neemt de ontvanger pas in behandeling als het niet-bestreden
                        gedeelte van de belastingaanslag is voldaan.</al><al><vet>25.2.9.</vet><vet> Ten onrechte uitstel voor het gehele bedrag van de
                            belastingaanslag</vet></al><al>De ontvanger trekt het uitstel van betaling in, als dit is verleend in
                        verband met bezwaar voor het volledige bedrag van de belastingaanslag en
                        later blijkt dat het bezwaar slechts betrekking heeft op een gedeelte van
                        dat bedrag.</al><al>De ontvanger deelt daarbij mee dat hij een nieuw verzoek om uitstel voor de
                        betreffende belastingaanslag in verband met bezwaar pas in behandeling
                        neemt, als het niet-bestreden gedeelte van de belastingaanslag tijdig is
                        voldaan.</al><al><vet>25.3.</vet><vet> Uitstel in verband met een te verwachten uit te betalen bedrag</vet></al><al><vet>25.3.1.</vet><vet> Uitstel in verband met een belastingteruggaaf en andere uit te betalen
                            bedragen</vet></al><al>Als binnen afzienbare tijd een door de ontvanger uit te betalen bedrag wordt
                        verwacht, kan de ontvanger uitstel van betaling verlenen tot het moment
                        waarop hij dit uit te betalen bedrag kan verrekenen met de belastingaanslag
                        waarvoor uitstel wordt gevraagd.</al><al>Er is sprake van een binnen afzienbare tijd te verwachten belastingteruggaaf
                        als:</al><lijst><li nr="-"><al>het belastingjaar of belastingtijdvak waarover de teruggaaf wordt
                                verwacht is afgelopen; en</al></li><li nr="-"><al>de belastingschuldige een verzoek om teruggaaf heeft ingediend;
                                en</al></li><li nr="-"><al>over die teruggaaf tussen de inspecteur en de belastingplichtige
                                geen verschil van mening bestaat.</al></li></lijst><al><vet>25.3.2.</vet><vet> Berekening van het uit te betalen bedrag</vet><vet> bij uitstel</vet></al><al>Bij het verzoek om uitstel moet een berekening van het uit te betalen bedrag
                        zijn gevoegd. Als dit ontbreekt of onvoldoende is gemotiveerd, verleent de
                        ontvanger uitstel om de verzoeker in de gelegenheid te stellen alsnog zijn
                        verzoek (nader) te motiveren.</al><al>De ontvanger verleent dit uitstel voor ten hoogste één maand na de
                        dagtekening van de uitstelbeschikking. De ontvanger kan voor een langere
                        periode uitstel verlenen als hij dit redelijk acht.</al><al>Als na het verstrijken van de gestelde termijn het verzoek niet (nader) is
                        gemotiveerd, is het uitstel vervallen.</al><al><vet>25.3.3.</vet><vet> Beslissing op het verzoek</vet><vet> om uitstel in verband met een uit te betalen bedrag</vet></al><al>De ontvanger beslist - onder door hem te stellen voorwaarden - in het
                        algemeen positief op een volledig gemotiveerd verzoek om uitstel van
                        betaling. De toewijzende beslissing strekt zich niet verder uit dan tot het
                        te verrekenen bedrag.</al><al>Het verschil tussen het bedrag van de belastingaanslag en het te verrekenen
                        bedrag moet de belastingschuldige tijdig betalen. De ontvanger kan echter
                        een betalingsregeling toestaan als daartoe aanleiding bestaat.</al><al><vet>25.3.4.</vet><vet> Verrekening en uitstel in verband met een te verwachten uit te betalen
                            bedrag</vet></al><al>Uit te betalen bedragen waarop het uitstel geen betrekking heeft, verrekent
                        de ontvanger met de openstaande belastingschuld waarvoor uitstel van
                        betaling is verleend in verband met een te verwachten uit te betalen
                        bedrag.</al><al>Als volgens de ontvanger de continuïteit van de bedrijfsvoering direct
                        gevaar loopt als gevolg van een eventuele verrekening van teruggaven en niet
                        hoeft te worden gevreesd voor onverhaalbaarheid van de schuld, dan kan hij
                        deze teruggaven (gedeeltelijk) uitbetalen.</al><al><vet>25.4.</vet><vet> Uitstel in verband met betalingsproblemen</vet></al><al><vet>25.4.1.</vet><vet> Beslissing op een verzoek</vet><vet> om uitstel in verband met betalingsproblemen</vet></al><al>Als de belastingschuldige de belasting - geheel of gedeeltelijk - niet
                        binnen de wettelijke betalingstermijnen kan voldoen, kan de ontvanger aan de
                        belastingschuldige op diens verzoek een betalingsregeling toestaan. De
                        ontvanger kan daarbij voorwaarden stellen.</al><al>Bij de beoordeling van het verzoek om uitstel spelen niet alleen de
                        omstandigheden van dat moment een rol. Als de belastingschuldige in het
                        verleden bijvoorbeeld niet heeft gereserveerd voor redelijkerwijs
                        voorzienbare schulden of nalatig is geweest bij het doen van aangiften of
                        betalingen, kan dit een rol spelen bij het toestaan en verlengen van een
                        betalingsregeling of bij het stellen van voorwaarden bij een
                        betalingsregeling.</al><al>De ontvanger kan een betalingsregeling weigeren als de betalingsproblemen
                        zijn terug te voeren op structurele problemen of activiteiten die geen
                        perspectief bieden.</al><al><vet>25.4.2.</vet><vet> Uitstel en motorrijtuigenbelasting</vet></al><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor gemeenten.</al><al><vet>25.4.3.</vet><vet> Verrekening tijdens</vet><vet> een betalingsregeling</vet></al><al>Tijdens een betalingsregeling verrekent de ontvanger belastingteruggaven en
                        andere teruggaven met een openstaande belastingschuld. Als daar aanleiding
                        toe is, kan de ontvanger afzien van het verrekenen van bepaalde teruggaven. </al><al><vet>25.4.4.</vet><vet> Uitstel in verband met faillissement, WSNP en surséance</vet></al><al>Faillissementsschulden en belastingaanslagen waarop de wettelijke
                        schuldsaneringsregeling van toepassing is, moet de ontvanger op de
                        gebruikelijke wijze bij de curator dan wel de bewindvoerder aanmelden. Voor
                        deze schulden treft de ontvanger geen betalingsregeling.</al><al>Zo lang onzeker is of alle boedelschulden uit de boedel kunnen worden
                        voldaan kan de ontvanger voor de betaling daarvan uitstel verlenen.</al><al>De ontvanger kan tijdens een surséance van betaling op verzoek van de
                        bewindvoerder uitstel van betaling verlenen voor de belastingschuld die voor
                        de aanvang van de surséance materieel verschuldigd is geworden. De ontvanger
                        stelt daarbij de voorwaarde dat de belastingschuldige nieuw opkomende
                        verplichtingen stipt nakomt.</al><al>De ontvanger kan ook tijdens de wettelijke schuldsaneringsregeling onder de
                        gebruikelijke voorwaarden uitstel van betaling verlenen voor
                        belastingaanslagen waarop de wettelijke schuldsaneringsregeling niet van
                        toepassing is.</al><al>Als voor belastingaanslagen zekerheid is gesteld, wint de ontvanger deze
                        uit. Daarna informeert hij de curator dan wel de bewindvoerder over de
                        wijziging in de hoogte van de belastingschuld.</al><al><vet>25.4.5.</vet><vet> Uitstel van betaling erfbelasting bij verkrijging eigen woning door
                            broers of zussen van de erflater</vet></al><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor gemeenten.</al><al><vet>25.5.</vet><vet> Betalingsregeling voor particulieren</vet></al><al><vet>25.5.1.</vet><vet> Duur betalingsregeling</vet><vet> particulieren</vet></al><al>De ontvanger verleent de belastingschuldige uitstel van betaling tot ten
                        hoogste het moment dat de volgende gecombineerde aanslag gemeentelijke
                        belastingen zal worden opgelegd.</al><al>Slechts als er volgens de ontvanger bijzondere omstandigheden zijn, kan hij
                        de belastingschuldige een langere termijn gunnen.</al><al><vet>25.5.2.</vet><vet> Voorwaarden aan betalingsregeling</vet><vet> particulieren</vet></al><al>De ontvanger kan aan het verlenen van uitstel verschillende voorwaarden
                        verbinden. In ieder geval stelt de ontvanger aan het verlenen van een
                        betalingsregeling de voorwaarde dat nieuw opkomende fiscale en andere
                        financiële verplichtingen - waarvan de invordering aan de ontvanger is
                        opgedragen - tijdig worden nagekomen. De ontvanger kan echter op verzoek van
                        de belastingschuldige toestaan dat nieuwe belastingaanslagen, waarvan het
                        ontstaan of onbetaald laten niet aan de belastingschuldige kan worden
                        toegerekend, in een bestaande betalingsregeling worden opgenomen. Voorwaarde
                        is dat de belastingschuldige zijn gehele betalingscapaciteit al heeft
                        ingezet in het kader van de bestaande betalingsregeling.</al><al>De ontvanger kan alvorens het uitstel te verlenen zekerheid eisen als de
                        aard en de omvang van de schuld in relatie tot de uitsteltermijn en de
                        bekende verhaalsmogelijkheden daartoe aanleiding geven. Ook het aangifte- en
                        betalingsgedrag in het verleden kan aanleiding zijn voor het eisen van
                        zekerheid.</al><al><vet>25.5.3.</vet><vet> Kort uitstel </vet><vet>particulieren</vet></al><al>Op schriftelijk of telefonisch verzoek kan zonder nader onderzoek een
                        betalingsregeling worden getroffen met een looptijd tot maximaal de termijn
                        zoals genoemd in artikel 25.5.1, als aan de volgende cumulatieve voorwaarden
                        is voldaan:</al><lijst><li nr="a."><al>De totale openstaande schuld van de belastingschuldige bedraagt
                                minder dan € 2.000. Hierbij wordt geen rekening gehouden met
                                belastingschuld waarvoor uitstel van betaling in verband met een
                                ingediend bezwaar- of beroepschrift is verleend.</al></li><li nr="b."><al>(Vervallen).</al></li><li nr="c."><al>Aan de belastingschuldige is niet voor dezelfde belastingaanslag of
                                voor andere belastingaanslagen uitstel van betaling in verband met
                                betalingsproblemen of uitstel in verband met een te verwachten uit
                                te betalen bedrag verleend.</al></li><li nr="d."><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor gemeenten.</al></li><li nr="e."><al>De belastingschuldige heeft geen belastingschuld openstaan waarvoor
                                een dwangbevel is betekend.</al></li></lijst><al><vet>25.5.4.</vet><vet> Behandeling verzoek betalingsregeling</vet><vet> particulieren</vet></al><al>In andere gevallen als bedoeld in artikel 25.5.3 van deze leidraad, gaat de
                        ontvanger aan de hand van de daartoe door de verzoeker verstrekte gegevens
                        over tot de berekening van de betalingscapaciteit en de beoordeling van de
                        vermogenspositie. De ontvanger verleent in ieder geval geen uitstel van
                        betaling als voor de belastingschuld waarvoor uitstel wordt gevraagd al
                        uitstel op grond van artikel 25.5.3 van deze leidraad is verleend, ongeacht
                        of dit uitstel nog loopt of reeds is beëindigd.</al><al>Voor de berekening van de betalingscapaciteit vraagt de ontvanger zo nodig
                        nadere gegevens bij de verzoeker op. Bij de berekening van de
                        betalingscapaciteit gaat de ontvanger uit van de begrippen en normen die
                        gelden bij het kwijtscheldingsbeleid, behalve voor zover daarvan in de
                        artikelen 25.5.6 tot en met 25.5.9 van deze leidraad wordt afgeweken. Ook
                        met betrekking tot het vermogen gaat de ontvanger uit van het
                        vermogensbegrip zoals dat geldt in de kwijtscheldingsregeling.</al><al><vet>25.5.5.</vet><vet> Vermogen en betalingsregeling</vet><vet> particulieren</vet></al><al>De aanwezigheid van vermogen op het moment van het indienen van het verzoek
                        staat een betalingsregeling in het algemeen in de weg. Dit geldt met name
                        indien het vermogen zonder bezwaar liquide is te maken.</al><al>Het vermogen dat onder het kwijtscheldingsbeleid voor particulieren is
                        vrijgesteld, staat een betalingsregeling echter niet in de weg. Onder
                        vermogen wordt in dit verband verstaan de bezittingen van de
                        belastingschuldige en diens echtgenoot, verminderd met de schulden die een
                        hogere preferentie hebben dan de belastingschuld.</al><al><vet>25.5.6.</vet><vet> Betalingscapaciteit</vet><vet> en betalingsregeling particulieren</vet></al><al>Naast het aanwezige vermogen speelt bij de beoordeling van de financiële
                        omstandigheden de zogenoemde betalingscapaciteit van de verzoeker een
                        belangrijke rol, zowel ten tijde van het indienen van het verzoek als
                        gedurende de looptijd van de betalingsregeling. De betalingscapaciteit van
                        de belastingschuldige die door de ontvanger wordt berekend, bepaalt in
                        belangrijke mate het bedrag dat de belastingschuldige (periodiek) op de
                        achterstallige schuld moet aflossen. De betalingscapaciteit geeft ook aan in
                        hoeverre een betalingsregeling zinvol is.</al><al>Bij de berekening van de betalingscapaciteit gaat de ontvanger met
                        betrekking tot de huur- en hypotheekverplichtingen voor de woning waarin de
                        belastingschuldige feitelijk verblijft uit van de werkelijke uitgaven.</al><al>De betalingscapaciteit bestaat uit het netto besteedbaar inkomen na aftrek
                        van het normbedrag voor levensonderhoud. Voor de betalingsregeling eist de
                        ontvanger 80% van de betalingscapaciteit op.</al><al><vet>25.5.7.</vet><vet> Berekening betalingscapaciteit: bijzondere uitgaven</vet></al><al>De ontvanger kan - afhankelijk van de concrete situatie van de
                        belastingschuldige en zijn gezin - bepaalde aanvaardbare uitgaven op de
                        berekende betalingscapaciteit in mindering brengen. Het moet dan gaan om
                        uitgaven die samenhangen met de maatschappelijke positie van de
                        belastingschuldige, en die naar het oordeel van de ontvanger niet in
                        redelijkheid kunnen worden betaald uit het normbedrag voor levensonderhoud
                        en 80% van de betalingscapaciteit (de uitvoeringstolerantie).</al><al><vet>25.5.8.</vet><vet> Berekening betalingscapaciteit: aflossingsverplichtingen aan
                            derden</vet></al><al>In het algemeen blijven bij de berekening van de betalingscapaciteit de
                        aflossingsverplichtingen aan derden buiten beschouwing. De ontvanger kan een
                        uitzondering maken voor aflossingen op schulden waarvan het niet-betalen tot
                        ongewenste effecten kan leiden, of waaraan een preferentie is
                        verbonden.</al><al><vet>25.5.9.</vet><vet> Berekening betalingscapaciteit: extra inkomsten</vet></al><al>Bij de berekening van de betalingscapaciteit houdt de ontvanger slechts
                        rekening met extra inkomsten, zoals vakantiegeld, tantièmes en dergelijke,
                        voor zover uitbetaling daarvan plaatsvindt dan wel zou moeten plaatsvinden
                        in de periode waarvoor de betalingsregeling geldt.</al><al><vet>25.5.10.</vet><vet> Belastingschuldige stelt zelf een betalingsregeling voor</vet></al><al>Als een belastingschuldige uitstel vraagt en tegelijkertijd een
                        betalingsregeling voorstelt waarbij de schuld binnen de in artikel 25.5.1
                        genoemde termijn wordt afbetaald en deze regeling afwijkt van hetgeen de
                        ontvanger heeft berekend, dan hoeft een niet al te grote afwijking niet te
                        leiden tot afwijzing van het verzoek.</al><al>Als de regeling die door de belastingschuldige is voorgesteld voor de
                        ontvanger niet aanvaardbaar is, maar een andere regeling wel ingewilligd kan
                        worden, dan deelt de ontvanger onder afwijzing van het verzoek de
                        belastingschuldige mee welke regeling hij desgevraagd wel kan verlenen.</al><al><vet>25.5.11.</vet><vet> Betalingsregeling langer dan twaalf maanden</vet></al><al>Het beleid zoals beschreven bij de berekening van de betalingscapaciteit bij
                        regelingen tot en met de in artikel 25.5.1 genoemde termijn, is van
                        overeenkomstige toepassing op een regeling die vanwege bijzondere
                        omstandigheden langer duurt. Hierbij moet in acht worden genomen dat de
                        belastingschuldige zijn van de kwijtscheldingsnormen afwijkende uitgaven -
                        waaronder ook de huur of de hypotheeklasten - in de eerste twaalf maanden
                        van de betalingsregeling zodanig moet verminderen, dat na de twaalfde maand
                        zoveel mogelijk de volledige betalingscapaciteit die aan het
                        kwijtscheldingsbeleid is ontleend, kan worden benut om de schuld te voldoen.
                        De ontvanger sluit met de betalingsregeling hier op aan.</al><al><vet>25.6.</vet><vet> Betalingsregeling voor ondernemers</vet></al><al><vet>25.6.1.</vet><vet> Duur betalingsregeling</vet><vet> ondernemers</vet></al><al>Een betalingsregeling moet een zo kort mogelijke periode beslaan. Bij het
                        vaststellen van de duur van de betalingsregeling houdt de ontvanger rekening
                        met de omstandigheden, bijvoorbeeld de aard en de omvang van de schuld, de
                        liquiditeits- en de vermogenspositie van de onderneming en het aangifte- en
                        betalingsgedrag in het verleden.</al><al>De betalingsregeling zal in elk geval een looptijd, tot ten hoogste het
                        moment dat de volgende gecombineerde aanslag gemeentelijke belastingen zal
                        worden opgelegd, niet te boven gaan.</al><al><vet>25.6.2.</vet><vet> Voorwaarden betalingsregeling</vet><vet> ondernemers</vet></al><al>Aan het verlenen van een betalingsregeling stelt de ontvanger de voorwaarde
                        dat de belastingschuldige nieuw opkomende fiscale en andere financiële
                        verplichtingen - waarvan de invordering aan de ontvanger is opgedragen -
                        bijhoudt.</al><al>Bovendien kan de ontvanger de voorwaarde stellen dat zekerheid wordt gesteld
                        (zie artikel 25.1.13 van deze leidraad). De hoogte van de zekerheid moet
                        gelijk zijn aan de schuld waarvoor uitstel wordt verzocht. De ontvanger kan
                        zekerheid stellen door het leggen van beslag (on)roerende zaken.</al><al><vet>25.6.2a.</vet><vet> Bijzondere omstandigheden betalingsregeling ondernemers</vet></al><al>Als een ondernemer door een oorzaak die buiten zijn invloed ligt in
                        tijdelijke liquiditeitsproblemen is gekomen, kan de ontvanger desgevraagd
                        uitstel voor een langere periode verlenen of zonder dat voor het volledige
                        bedrag zekerheid is gesteld. Daartoe moet de ondernemer aan de hand van een
                        door een derde deskundige opgestelde verklaring (zie artikel 25.6.2B) het
                        voor de ontvanger aannemelijk maken dat:</al><lijst><li nr="a."><al>het gaat om werkelijk bestaande betalingsproblemen;</al></li><li nr="b."><al>die betalingsproblemen van tijdelijke aard zijn;</al></li><li nr="c."><al>die betalingsproblemen vóór een bepaald tijdstip zullen worden
                                opgelost; en</al></li><li nr="d."><al>dat er sprake is van een levensvatbare onderneming.</al></li></lijst><al>De ontvanger kan bij het verlenen van dit uitstel nadere voorwaarden
                        stellen. Om bij onvoorziene tegenslagen de mogelijke verliezen voor de
                        gemeente te beperken, wordt zoveel als mogelijk is door de ontvanger
                        zekerheid verlangt. De zekerheid kan ook omvatten een beslag.</al><al><vet>25.6.2b.</vet><vet> Verklaring derde deskundige</vet></al><al>De verklaring van de derde deskundige bevat een beoordeling van de aard van
                        de betalingsproblemen, gaat in op de aannemelijkheid van de
                        bedrijfseconomische gezondheid van de onderneming, de haalbaarheid van het
                        in de toekomst inlopen van de betalingsachterstand en geeft blijk van de
                        waarneming van de aan dat oordeel ten grondslag liggende feiten en
                        omstandigheden door de deskundige.</al><al>Aan de derde deskundige worden geen formele eisen gesteld. Het kan
                        bijvoorbeeld gaan om een externe consultant, een externe financier, een
                        brancheorganisatie of de (huis)accountant. De ontvanger kan aan de
                        verklaring van de derde deskundige ook eisen stellen.</al><al><vet>25.6.2c.</vet><vet> Geen uitstel voor ondernemers in verband met betalingsproblemen als al
                            kort uitstel is verleend</vet></al><al>De ontvanger verleent in ieder geval geen uitstel van betaling als voor de
                        belastingschuld waarvoor uitstel is gevraagd al uitstel op grond van artikel
                        25.6.2D is verleend, ongeacht of dit uitstel nog loopt of reeds is
                        beëindigd.</al><al><vet>25.6.2d.</vet><vet> Kort uitstel van betaling voor ondernemers</vet></al><al>Ondernemers kunnen zonder nader onderzoek op schriftelijk of telefonisch
                        verzoek kort uitstel van betaling krijgen. Dit uitstel bedraagt maximaal
                        vier maanden na de laatste vervaldag van de (oudste) aanslag.</al><al>De voorwaarden die aan de ontvanger stelt aan dit uitstel zijn:</al><lijst><li nr="a."><al>De totale openstaande schuld van de belastingschuldige bedraagt
                                minder dan € 5.000. Hierbij wordt geen rekening gehouden met
                                belastingschuld waarvoor uitstel van betaling in verband met een
                                ingediend bezwaar- of beroepschrift is verleend.</al></li><li nr="b."><al>Er staan ten name van de belastingschuldige geen belastingaanslagen
                                open waarvoor dwangbevelen zijn betekend.</al></li><li nr="c."><al>Er staat geen vergrijpboete open.</al></li><li nr="d."><al>Aan de belastingschuldige is niet voor dezelfde belastingaanslag of
                                voor andere aanslagen uitstel van betaling in verband met
                                betalingsproblemen of uitstel in verband met een te verwachten uit
                                te betalen bedrag verleend.</al></li><li nr="e."><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor gemeenten.</al></li><li nr="f."><al>Er is geen sprake van een aangifteverzuim.</al></li></lijst><al>Als de ondernemer op grond van de hiervoor genoemde voorwaarden in
                        aanmerking komt voor kort uitstel van betaling ter zake van belasting die op
                        aangifte moet worden betaald, komt een eventueel in verband met die aangifte
                        opgelegde betalingsverzuimboete te vervallen.</al><al><vet>25.6.3.</vet><vet> Uitstelbeleid particulieren geldt voor ex-ondernemers</vet></al><al>Voor ex-ondernemers is het uitstelbeleid van toepassing zoals dat geldt voor
                        particulieren, ook als de belastingschuld betrekking heeft op de
                        ondernemingsperiode.</al><al><vet>25.6.4.</vet><vet> Uitstel voor ondernemers en overheidssteun/subsidie</vet></al><al>Als het de ontvanger bekend is dat van overheidszijde een onderzoek wordt
                        ingesteld naar de mogelijkheid van subsidie- of steunverlening om de schuld
                        te voldoen of een sanering mogelijk te maken, dan verleent de ontvanger
                        uitstel van betaling als hij de verwachting heeft dat het verzoek door de
                        (potentiële) subsidiënt zal worden gehonoreerd. De belastingschuldige moet
                        dan wel aan de lopende verplichtingen voldoen.</al><al><vet>25.7.</vet><vet> Administratief beroep</vet></al><al><vet>25.7.1.</vet><vet> Toetsing uitstelbeschikking door het college</vet><vet></vet></al><al>Als de ontvanger een schriftelijk ingediend verzoek om uitstel afwijst of
                        een verleend uitstel beëindigt, kan de belastingschuldige daartegen
                        administratief beroep instellen bij het college van de gemeente. De
                        belastingschuldige moet het beroepschrift indienen bij de ontvanger die de
                        beschikking heeft genomen.</al><al>Gedurende de behandeling van het beroepschrift handelt de ontvanger
                        overeenkomstig het beleid dat wordt gevoerd als het verzoek om uitstel is
                        toegewezen. Als er aanwijzingen zijn dat de belangen van de gemeente kunnen
                        worden geschaad, kan hij ondanks de behandeling van het beroep wel
                        invorderingsmaatregelen treffen.</al><al><vet>25.7.2.</vet><vet> Beroepsfase uitstel</vet></al><al>Met overeenkomstige toepassing van <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004766&amp;artikel=24" struct="BWB">artikel 24 van
                            de regeling</extref> geldt dat de termijn voor het indienen van een
                        beroepschrift tien dagen bedraagt. Als uit het beroepschrift niet duidelijk
                        blijkt waarop het beroep gebaseerd is, verzoekt de ontvanger de
                        belastingschuldige het beroepschrift binnen een redelijke termijn (nader) te
                        motiveren. De ontvanger wijst daarbij op een mogelijke
                        niet-ontvankelijkverklaring bij het niet voldoen aan deze
                        motiveringsplicht.</al><al><vet>25.7.3.</vet><vet> Beslissing college op beroepschrift bij uitstel</vet></al><al>In alle gevallen waarin het college van de gemeente het beroep gegrond
                        oordeelt, kan hij de zaak inhoudelijk afdoen, hetzij door het verzoek alsnog
                        toe te wijzen, hetzij door het af te wijzen onder verbetering of vervanging
                        van de gronden.</al><al><vet>25.7.4.</vet><vet> Niet tijdig beslissen op een verzoek om uitstel</vet></al><al>De belastingschuldige kan beroep instellen bij het college tegen het niet
                        tijdig nemen van een beslissing op een verzoek om uitstel van betaling. Het
                        indienen van een beroepschrift is in deze situatie niet aan een termijn
                        gebonden.</al><al>Als tijdens de beroepsprocedure blijkt dat de ontvanger uitstel van betaling
                        had moeten verlenen, dan hoeft het college niet te volstaan met de uitspraak
                        dat de ontvanger niet tijdig heeft beslist, maar kan hij op het
                        beroepschrift van de belastingschuldige inhoudelijk beslissen.</al><al><vet>25.7.5.</vet><vet> Beroep of herhaald verzoek om uitstel bij </vet><vet>de ontvanger</vet></al><al>Als de belastingschuldige bij de ontvanger bezwaar maakt tegen de beslissing
                        op het verzoek om uitstel of voor dezelfde belastingschuld een herhaald
                        verzoek om uitstel indient, dan merkt de ontvanger dit aan als een
                        beroepschrift.</al><al>Als de ontvanger op dat moment aanleiding ziet om een voor de
                        belastingschuldige gunstigere beslissing te nemen, geeft hij echter een
                        nieuwe beschikking. Als de belastingschuldige het ook met de nieuwe
                        beschikking niet eens is, dan kan hij daartegen binnen tien dagen in beroep
                        gaan bij het college.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25a</nr><titel>Uitstel van betaling exitheffingen</titel></kop><al>Deze bepalingen zijn niet van toepassing voor gemeenten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Kwijtschelding van belastingen</titel></kop><al><extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=26" struct="BWB"><cursief>Artikel 26, eerste lid, van de wet</cursief></extref><cursief> bepaalt dat bij ministeriële regeling regels worden gegeven voor
                            gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van rijksbelastingen. De
                            ontvanger verleent gehele of gedeeltelijke kwijtschelding als de
                            belastingschuldige niet in staat is anders dan met buitengewoon bezwaar
                            de belastingaanslag te betalen. In het algemeen zal van buitengewoon
                            bezwaar sprake zijn als de middelen om een belastingaanslag te betalen
                            ontbreken en ook niet binnen afzienbare tijd worden verwacht.</cursief></al><al><cursief></cursief></al><al><cursief>De kwijtscheldingsregels op basis van </cursief><extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=26" struct="BWB"><cursief>artikel 26 van de wet</cursief></extref><cursief> zijn vastgelegd in de regeling. In de </cursief><extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004766&amp;artikel=19a" struct="BWB"><cursief>artikelen 19a</cursief></extref><cursief> en </cursief><extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004766&amp;artikel=22a" struct="BWB"><cursief>22a van de regeling</cursief></extref><cursief> zijn de doelstellingen van de schuldsaneringsregeling natuurlijke
                            personen in de belastingsfeer tot uitdrukking gebracht.</cursief></al><al><cursief></cursief></al><al><cursief>Bij de berekening van de kwijtschelding worden de kosten van
                            bestaan binnen een bepaalde bandbreedte gesteld op 90% van het inkomen
                            van de belastingschuldige. Gemeenten mogen een ruimer
                            kwijtscheldingsbeleid voeren door dit percentage te verhogen tot
                            maximaal 100% (</cursief><extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=255" struct="BWB"><cursief>artikel 255, vierde lid, van de Gemeentewet</cursief></extref><cursief>). </cursief></al><al><cursief></cursief></al><al><cursief>Aan een aansprakelijkgestelde kan geen kwijtschelding worden
                            verleend. Wel kan hij op zijn verzoek worden ontslagen van de
                            betalingsverplichting. In </cursief><extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=53" struct="BWB"><cursief>artikel 53, derde lid van de wet</cursief></extref><cursief> is bepaald dat bij ministeriële regeling regels worden gegeven op
                            grond waarvan de ontvanger de aansprakelijkgestelde geheel of
                            gedeeltelijk van zijn betalingsverplichting kan ontslaan als deze niet
                            in staat is anders dan met buitengewoon bezwaar te betalen.</cursief></al><al></al><al>De voorwaarden voor het al dan niet verlenen van kwijtschelding, gelden ook
                        voor het ontslag van de betalingsverplichting.</al><al>In aansluiting op <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=26" struct="BWB">artikel 26 van de wet</extref> beschrijft dit artikel het
                        beleid over:</al><lijst><li nr="-"><al>algemene uitgangspunten van het kwijtscheldingsbeleid;</al></li><li nr="-"><al>kwijtschelding van (rijks)belastingen voor particulieren;</al></li><li nr="-"><al>kwijtschelding van (rijks)belastingen voor ondernemers;</al></li><li nr="-"><al>administratief beroep;</al></li><li nr="-"><al>voortzetting van de invordering na afwijzing verzoek om
                                kwijtschelding;</al></li><li nr="-"><al>geen verdere invorderingsmaatregelen en afwijzing van het verzoek om
                                kwijtschelding;</al></li><li nr="-"><al>geautomatiseerde kwijtschelding.</al></li></lijst><al><vet>26.1.</vet><vet> Algemene uitgangspunten kwijtscheldingsbeleid</vet></al><al>Bijzonderheden gemeente</al><al>De gemeenteraad heeft ten aanzien van kwijtschelding een aantal
                        beleidskeuzes vastgesteld. Deze beleidskeuzes hebben betrekking op:</al><al>De belastingsoorten waarvoor géén kwijtschelding wordt verleend;</al><al>De te hanteren norm kosten van bestaan voor belastingschuldigen tot 65
                        jaar;</al><al>De te hanteren norm kosten van bestaan voor belastingschuldigen van 65 jaar
                        en ouder;</al><al>De mogelijkheid om de kosten voor kinderopvang bij de berekening van de
                        betalingscapaciteit in aanmerking te nemen;</al><al>De mogelijkheid om aan natuurlijke personen, die een bedrijf of zelfstandig
                        een beroep uitoefenen, voor de privé-belastingen kwijtschelding te verlenen
                        aan de hand van dezelfde criteria als die voor particulieren gelden.</al><al>Op verzoek verstrekt de invorderingsambtenaar een actueel overzicht van de
                        voor de gemeente van toepassing zijnde kosten van bestaan en overige
                        normbedragen. </al><al>De gemeente hanteert een termijn van orde: het verzoek om kwijtschelding
                        dient binnen 1 maand na dagtekening van de aanslag te worden ingediend.</al><al>Van deze termijn wordt slechts afgeweken indien het niet tijdig indienen van
                        het verzoek om kwijtschelding niet kan worden verweten aan de
                        belastingschuldige.</al><al><vet>26.1.1.</vet><vet> Kwijtschelding van betaalde belastingschulden</vet></al><al>De ontvanger verleent ook kwijtschelding van bedragen die op
                        belastingaanslagen zijn betaald, als aan de volgende voorwaarden is
                        voldaan:</al><lijst><li nr="-"><al>Betaalde bedragen tot drie maanden voorafgaand aan de datum van
                                indiening van het verzoek kunnen voor kwijtschelding in aanmerking
                                komen;</al></li><li nr="-"><al>De belastingschuldige heeft betaald onder omstandigheden die
                                aanleiding zouden hebben gegeven tot kwijtschelding als hij daar
                                eerder om had verzocht.</al></li></lijst><al>Als de ontvanger het verzoek toewijst, betaalt hij de belastingschuldige de
                        bedragen terug die tot maximaal drie maanden voorafgaand aan de datum van
                        indiening van het verzoek zijn verricht.</al><al><vet>26.1.2.</vet><vet> Het indienen van een verzoek om kwijtschelding</vet></al><al>Het verzoek om kwijtschelding moet worden ingediend bij de ontvanger op een
                        daartoe ingesteld verzoekformulier.</al><al>Als de belastingschuldige een verzoek om kwijtschelding indient, maar dit
                        niet doet op het daartoe bestemde formulier, neemt de ontvanger het verzoek
                        niet als zodanig in behandeling. De ontvanger zendt een verzoekformulier aan
                        de belastingschuldige en stelt deze in de gelegenheid het verzoek alsnog
                        binnen twee weken in te dienen. </al><al>In afwachting hiervan wordt de invordering in beginsel opgeschort. Als de
                        belastingschuldige het formulier niet terugzendt, wijst de ontvanger het
                        verzoek af. </al><al><vet>26.1.3.</vet><vet> Niet ingevuld of onjuist ingevuld verzoekformulier</vet><vet> om kwijtschelding</vet></al><al>Als de ontvanger een uitgereikt of toegezonden verzoekformulier onvolledig
                        ingevuld terugontvangt, stelt hij de belastingschuldige in de gelegenheid de
                        ontbrekende gegevens alsnog binnen twee weken te verstrekken. In afwachting
                        daarvan schort de ontvanger de invordering in beginsel op.</al><al>De ontvanger vraagt de gegevens slechts éénmaal op. Als de
                        belastingschuldige niet alle gevraagde nadere gegevens bijvoegt, beschouwt
                        de ontvanger het verzoek ook als onvolledig ingevuld en wijst hij het
                        verzoek af.</al><al><vet>26.1.4.</vet><vet> Gegevens en normen ten tijde van indiening verzoek</vet><vet> om kwijtschelding</vet></al><al>Bij de beoordeling van het verzoek zijn de gegevens en normen van belang die
                        gelden op het moment van indiening van het verzoek, tenzij in de leidraad
                        anders is aangegeven.</al><al><vet>26.1.5.</vet><vet> Toewijzing van het verzoek om kwijtschelding onder voorwaarden</vet></al><al>Als de ontvanger besluit dat kwijtschelding zal worden verleend nadat aan
                        één of meer voorwaarden is voldaan, dan neemt hij die voorwaarden in de
                        beschikking op.</al><al>Als de ontvanger in de voorwaarden heeft opgenomen dat verrekening zal
                        plaatsvinden van uit te betalen bedragen, dan stelt hij tevens de termijn
                        vast waarin verrekening van die bedragen zal plaatsvinden. De termijn
                        bedraagt maximaal drie jaar, te rekenen vanaf de dagtekening van de
                        kennisgeving, dan wel - als dit minder is - de tijd die nog overblijft
                        voordat de verjaring van de belastingaanslag intreedt.</al><al>Als tot de voorwaarden de voldoening van een deel van de schuld behoort, dan
                        moet de ontvanger de belastingschuldige uitnodigen om binnen een termijn van
                        tien dagen een voorstel te doen met betrekking tot de betaling van dat deel.
                        Hierbij is het uitstelbeleid (zie artikel 25 van deze leidraad) van
                        toepassing. Als tot de voorwaarden naast de voldoening van een deel van de
                        schuld ook de verrekening van teruggaven behoort, wordt het te betalen
                        bedrag niet beïnvloed door de hoogte van de verrekende teruggaven.</al><al>Indien ten tijde van het indienen van het verzoek om kwijtschelding
                        inmiddels invorderingskosten zijn ontstaan, dan wordt de betaling van deze
                        invorderingskosten als voorwaarde gesteld voor het verlenen van
                        kwijtschelding, tenzij het ontstaan van de invorderingskosten niet aan
                        belastingschuldige te wijten is. Zie tevens artikel 75.10 van deze
                        Leidraad.</al><al><vet>26.1.6.</vet><vet> Motivering afwijzing van het verzoek</vet><vet> om kwijtschelding</vet></al><al>Als de ontvanger het verzoek om kwijtschelding afwijst, moet hij motiveren
                        waarom hij tot afwijzing van het verzoek heeft besloten. Daarbij moet hij
                        alle afwijzingsgronden noemen.</al><al><vet>26.1.7.</vet><vet> Na afwijzen kwijtschelding tien dagen wachttijd bij voortzetting
                            invordering</vet></al><al>Als de ontvanger geen kwijtschelding verleent, of als het college afwijzend
                        heeft beslist op een ingediend beroepschrift tegen de afwijzing, dan wordt
                        de vervolging in beginsel niet aangevangen of voortgezet binnen een termijn
                        van tien dagen na dagtekening van de beschikking. Deze termijn wordt niet of
                        niet geheel verleend als naar het oordeel van de ontvanger aanwijzingen
                        bestaan dat door het niet direct aanvangen of vervolgen van de invordering
                        de belangen van de gemeente worden geschaad.</al><al><vet>26.1.8.</vet><vet> Mondeling meedelen </vet><vet>afwijzen kwijtschelding</vet></al><al>Om de belangen van de gemeente niet te schaden, kan de ontvanger de
                        beslissing op een kort voor de executoriale verkoop ingediend verzoek om
                        kwijtschelding mondeling bekend maken. De ontvanger bevestigt deze
                        beslissing zo spoedig mogelijk bij beschikking. In dat geval geldt niet de
                        termijn van tien dagen waarbinnen de ontvanger de invordering niet mag
                        aanvangen of voortzetten.</al><al>Evenzo geldt voor een kort voor de executoriale verkoop gedaan verzoek dat
                        niet is ingediend op een verzoekformulier of op een verzoekformulier dat
                        onvolledig is ingevuld, dat de ontvanger de belastingschuldige niet in de
                        gelegenheid stelt het verzoek in te dienen op het daartoe bestemde formulier
                        of de belastingschuldige niet in de gelegenheid stelt de ontbrekende
                        gegevens aan te vullen (zoals bepaald in de artikelen 26.1.2 en 26.1.3 van
                        deze leidraad), maar het verzoek afwijst.</al><al><vet>26.1.9.</vet><vet> Wanneer wordt geen kwijtschelding verleend</vet></al><al>Er wordt geen kwijtschelding verleend als:</al><lijst><li nr="-"><al>de gevraagde gegevens voor de beoordeling van het verzoek niet, niet
                                volledig, onjuist, of niet op het door de ontvanger uitgereikte
                                formulier (zie ook de artikelen 26.1.2 en 26.1.3 van deze leidraad)
                                zijn verstrekt;</al></li><li nr="-"><al>uit de verstrekte gegevens voor de beoordeling van het verzoek een
                                onevenredige verhouding blijkt tussen de omvang van de uitgaven
                                enerzijds en het inkomen anderzijds en de belastingschuldige de in
                                dat verband door de ontvanger gevraagde opheldering niet - of naar
                                het oordeel van de ontvanger - in onvoldoende mate verschaft;</al></li><li nr="-"><al>de belastingschuldige heeft nagelaten de vereiste aangifte in te
                                dienen. In dat geval wordt de belastingschuldige meegedeeld dat een
                                nieuw verzoek om kwijtschelding niet eerder kan worden ingediend,
                                dan nadat de inspecteur op grond van de alsnog verstrekte gegevens
                                de belastingaanslag tot het juiste bedrag heeft kunnen vaststellen.
                                Het verzoek dat wordt ingediend nadat de belastingaanslag tot het
                                juiste bedrag is vastgesteld, behandelt de ontvanger als een eerste
                                verzoek;</al></li><li nr="-"><al>een bezwaarschrift tegen de hoogte van de belastingaanslag in
                                behandeling is bij de inspecteur, dan wel een beroepschrift tegen de
                                hoogte van de belastingaanslag in behandeling is bij de rechtbank of
                                (in hoger beroep) bij het gerechtshof. Een eventuele vermindering of
                                vernietiging van de belastingaanslag dient namelijk aan
                                kwijtschelding vooraf te gaan. De belastingschuldige wordt
                                meegedeeld dat een nieuw verzoek om kwijtschelding niet eerder kan
                                worden ingediend dan nadat op het bezwaarschrift of beroepschrift
                                (in hoger beroep) is beslist;</al></li><li nr="-"><al>voor de desbetreffende belastingaanslag zekerheid is gesteld;</al></li><li nr="-"><al>er sprake is van meer dan één belastingschuldige;</al></li><li nr="-"><al>een derde nog voor de belastingschuld aansprakelijk kan worden
                                gesteld;</al></li><li nr="-"><al>het aan de belastingschuldige kan worden toegerekend dat de
                                belastingaanslag niet kan worden voldaan. Daarvan is onder andere
                                sprake als:</al><lijst><li nr="a."><al>het aan opzet of grove schuld van de belastingschuldige is
                                        te wijten dat te weinig belasting is geheven;</al></li><li nr="b."><al>(vervallen)</al></li><li nr="c."><al>een uitbetaald bedrag (bijvoorbeeld een belastingteruggaaf)
                                        niet is aangewend ter voldoening van de schuld waarvan
                                        kwijtschelding wordt gevraagd, tenzij het een voorlopige
                                        teruggaaf betreft voor zover die niet voor beslag vatbaar
                                        is;</al></li><li nr="d."><al>vanaf de bekendmaking van de belastingaanslag tot aan de
                                        indiening van het verzoek om kwijtschelding op enig moment
                                        voldoende middelen aanwezig waren om de aanslag te kunnen
                                        voldoen;</al></li><li nr="e."><al>de belastingschuldige wist of redelijkerwijs kon vermoeden
                                        dat een belastingaanslag zou worden opgelegd en nalatig is
                                        gebleven in verband daarmee middelen te reserveren;</al></li><li nr="f."><al>deze bepaling is niet van toepassing voor gemeenten;</al></li><li nr="g."><al>deze bepaling is niet van toepassing voor gemeenten;</al></li><li nr="h."><al>deze bepaling is niet van toepassing voor gemeenten.</al></li></lijst></li><li nr="-"><al>de belastingschuldige in surséance van betaling of in staat van
                                faillissement verkeert, tenzij een akkoord is gesloten als bedoeld
                                in de <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0001860&amp;artikel=138" struct="BWB">artikelen 138</extref> en <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0001860&amp;artikel=252" struct="BWB">252
                                    FW</extref>;</al></li><li nr="-"><al>ten aanzien van de belastingschuldige de schuldsaneringsregeling
                                natuurlijke personen van toepassing is verklaard, tenzij sprake is
                                van een akkoord als bedoeld in <extref status="actief" doc="BWB://1.0:v:BWBR0001860&amp;artikel=329" struct="BWB">artikel 329 FW</extref>, dan wel van een belastingaanslag, niet
                                zijnde een belastingaanslag als bedoeld in <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004766&amp;artikel=8" struct="BWB">artikel
                                    8, tweede lid van de regeling</extref>, voor zover die materieel
                                verschuldigd is geworden op een tijdstip of over een tijdvak dat is
                                gelegen na de uitspraak waarbij de schuldsaneringsregeling van
                                toepassing is verklaard, en niet kan worden aangemerkt als een
                                boedelschuld;</al></li><li nr="-"><al>het verzoek is ingediend voor een voorlopige aanslag én die aanslag
                                nog niet is gevolgd door een (definitieve) aanslag. In gevallen dat
                                het verzoek overigens zou moeten worden toegewezen, verleent de
                                ontvanger tegelijkertijd (ambtshalve) uitstel van betaling totdat de
                                definitieve aanslag is opgelegd. In de eventuele uitstelbeschikking
                                deelt de ontvanger de belastingschuldige mee dat na oplegging van de
                                definitieve aanslag desgewenst een nieuw kwijtscheldingsverzoek kan
                                worden ingediend waarin eventueel ook de definitieve aanslag kan
                                worden betrokken;</al></li><li nr="-"><al>door de ontvanger nadere voorwaarden zijn gesteld en aan die
                                voorwaarden nog niet is voldaan. Zodra aan de gestelde voorwaarden
                                is voldaan, kan alsnog kwijtschelding worden verleend.</al><al>Ook wordt geen kwijtschelding verleend voor het bedrag van de te
                                betalen belasting waarop het verzoek betrekking heeft als
                                aannemelijk is dat dit bedrag kan worden voldaan omdat:</al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>binnen twee jaren na het verzoek als gevolg van sterk wisselende
                                inkomens een hoger inkomen is te verwachten;</al></li><li nr="-"><al>binnen een jaar na indiening van het verzoek een verbetering is te
                                verwachten in de financiële omstandigheden;</al></li><li nr="-"><al>binnen een jaar na het verzoek een belastingteruggaaf, anders dan de
                                voorlopige teruggaaf, bedoeld in <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004766&amp;artikel=14" struct="BWB">artikel 14, tweede lid, van de regeling</extref> kan worden
                                verwacht. De vraag of buitengewoon bezwaar bestaat de verschuldigde
                                belasting te betalen, kan immers slechts betrekking hebben op een
                                per saldo verschuldigd bedrag. Alleen voor dat saldo moeten de
                                aanwezige financiële middelen worden aangesproken. Dit houdt in dat
                                geen kwijtschelding kan worden verleend als de belastingaanslag
                                binnen een jaar door middel van verrekening kan worden
                                aangezuiverd.</al></li></lijst><al><vet>26.1.10.</vet><vet> Begrip 'ex-ondernemer'</vet><vet> en kwijtschelding</vet></al><al>Als een ex-ondernemer om kwijtschelding vraagt, past de ontvanger het
                        kwijtscheldingsbeleid voor particulieren toe.</al><al>Er is geen sprake van een ex-ondernemer als (een deel van) het
                        bedrijfsvermogen nog aanwezig is. In dat geval zal het verzoek om
                        kwijtschelding moeten worden behandeld overeenkomstig het bepaalde in
                        artikel 26.3 van deze leidraad. Het nog aanwezige bedrijfsvermogen zal
                        geheel moeten worden gebruikt ter aflossing van de openstaande (zakelijke)
                        belastingaanslagen.</al><al><vet>26.1.11.</vet><vet> Verzoekschriften aan andere instellingen</vet></al><al>De ontvanger houdt de invordering aan als er een verzoekschrift is ingediend
                        bij het college, de raad of de gemeentelijke ombudsman. Als naar het oordeel
                        van de ontvanger aanwijzingen bestaan dat door het niet direct aanvangen of
                        vervolgen van de invordering de belangen van de gemeente worden geschaad,
                        kan de ontvanger na voorafgaand overleg met het college toch
                        invorderingsmaatregelen treffen. </al><al><vet>26.2.</vet><vet> Kwijtschelding van belastingen voor particulieren</vet></al><al><vet>26.2.1.</vet><vet> Vermogen</vet><vet> en kwijtschelding particulieren</vet></al><al>Onder vermogen wordt verstaan de waarde in het economische verkeer van de
                        bezittingen van de belastingschuldige en zijn echtgenoot, verminderd met de
                        schulden van de belastingschuldige en de echtgenoot die hoger bevoorrecht
                        zijn dan de rijksbelastingen.</al><al><vet>26.2.2.</vet><vet> De inboedel</vet><vet> en kwijtschelding particulieren</vet></al><al>De waarde van de inboedel wordt niet als vermogensbestanddeel in aanmerking
                        genomen als deze bij gedwongen verkoop niet meer dan € 2.269 bedraagt. Als
                        de waarde meer bedraagt, wordt de volle waarde als vermogen in aanmerking
                        genomen.</al><al><vet>26.2.3.</vet><vet> De </vet><vet>motorvoertuig</vet><vet></vet><vet>en kwijtschelding particulieren</vet></al><al>De waarde van de personenauto wordt niet als vermogensbestanddeel in
                        aanmerking genomen als deze op het moment waarop het verzoek wordt ingediend
                        een waarde heeft van € 2.269 of minder. Als de waarde meer bedraagt, wordt
                        de volle waarde als vermogen in aanmerking genomen. Als op de auto voor een
                        financier een pandrecht is gevestigd, moet ter vaststelling van de actuele
                        (over)waarde de financieringsschuld in mindering worden gebracht.</al><al>Een auto wordt niet als een vermogensbestanddeel in aanmerking genomen als
                        de belastingschuldige aan de ontvanger - zo nodig na een verzoek daartoe -
                        aannemelijk kan maken dat die auto absoluut onmisbaar is voor de uitoefening
                        van het beroep dan wel absoluut onmisbaar is in verband met invaliditeit of
                        ziekte van de belastingschuldige of zijn gezinsleden. Met gezinsleden wordt
                        bedoeld de echtgenoot van belastingschuldige, of zijn kind(eren) voor zover
                        deze geen eigen inkomen/vermogen heeft (hebben) waaruit de auto in beginsel
                        zou kunnen worden betaald.</al><al><vet>26.2.4.</vet><vet> Saldo op bankrekening en kwijtschelding voor particulieren</vet></al><al>Incidentele ontvangsten op een bank- of girorekening (zoals bijvoorbeeld
                        vakantiegeld) worden voor de bepaling van een aanwezig vermogensbestanddeel
                        ook in aanmerking genomen, tenzij bij de berekening van de
                        betalingscapaciteit met dat bedrag rekening is gehouden. Deze situatie zal
                        zich met name voordoen bij de vakantiegelduitkering.</al><al>De nog beschikbare kredietruimte van een doorlopend krediet wordt in de
                        kwijtscheldingsregeling niet als een vermogensbestanddeel aangemerkt.</al><al>Ook indien belastingschuldige over meerdere rekeningnummers bij
                        verschillende bankinstellingen beschikt, dan worden positieve en negatieve
                        saldi gesaldeerd.</al><al><vet>26.2.5.</vet><vet> De eigen woning en kwijtschelding voor particulieren</vet></al><al>De waarde van onroerende zaken die een belastingschuldige in zijn bezit
                        heeft, wordt aangemerkt als een vermogensbestanddeel. Voor de waardebepaling
                        van de onroerende zaak is uitgangspunt de waarde van de onroerende zaak bij
                        verkoop vrij te aanvaarden.</al><al>Als de aanwezigheid van vermogen vastgelegd in onroerende zaken leidt tot de
                        afwijzing van een verzoek om kwijtschelding en de belastingaanslag wordt
                        vervolgens niet betaald, kan de voortzetting van de invordering bij oudere
                        belastingschuldigen die hun laatste levensjaren in hun eigen woning willen
                        slijten, leiden tot een onverdedigbare hardheid. Een gedwongen verhuizing in
                        verband met de verkoop van de woning zal voor deze groep belastingschuldigen
                        een onevenredig grotere belasting zijn dan voor andere belastingschuldigen.
                        In die gevallen kan de ontvanger in overleg met de belastingschuldige afzien
                        van prompte invordering en in plaats daarvan uitstel van betaling verlenen,
                        gedekt door een hypotheek op de eigen woning of door het leggen van een
                        beslag op de woning. De hypotheek moet opeisbaar zijn na het overlijden van
                        de langstlevende of bij een eerder vrijkomen van de woning.</al><al>Het verlenen van een zodanig uitstel blijft beperkt tot uitzonderlijke
                        gevallen.</al><al><vet>26.2.6.</vet><vet> Vermogen van kinderen</vet><vet> en kwijtschelding voor particulieren</vet></al><al>Als bij de belastingschuldige kinderen thuis wonen die over een eigen
                        vermogen beschikken, wordt dat vermogen bij de beoordeling van het door de
                        ouder ingediende verzoek om kwijtschelding niet in aanmerking genomen,
                        tenzij die ouder (een deel van) zijn vermogen heeft toebedeeld aan zijn
                        kind(eren) om daaruit een fiscaal voordeel te behalen.</al><al><vet>26.2.7.</vet><vet> Nalatenschappen</vet><vet> en kwijtschelding voor particulieren</vet></al><al>Voor de beoordeling van een verzoek om kwijtschelding van belastingaanslagen
                        ten name van overledenen zijn de financiële omstandigheden van de erfgenamen
                        in beginsel niet van belang. Alleen de vraag of de belastingaanslagen uit
                        het actief van de nalatenschap (hadden) kunnen worden voldaan is van
                        belang.</al><al>Dit uitgangspunt geldt niet als het verzoek wordt gedaan door de
                        overblijvende partner/erfgenaam. In dat geval worden de persoonlijke
                        financiële omstandigheden wel mee in aanmerking genomen, ook al zouden
                        bijvoorbeeld de kinderen als mede-erfgenamen voor een deel van de
                        belastingschuld kunnen worden aangesproken.</al><al>Als een erfgenaam op grond van een ingediend verzoek voor kwijtschelding in
                        aanmerking zou komen, wordt de betrokkene bij beschikking voor zijn aandeel
                        in de belastingschuld ontslag van betalingsverplichting verleend. Deze
                        werkwijze wordt ook gevolgd als de partner van de erflater het verzoek om
                        kwijtschelding indient.</al><al><vet>26.2.8.</vet><vet> [vervallen per 27-02-2009]</vet></al><al><vet>26.2.9.</vet><vet> [vervallen per 01-01-2013]</vet></al><al><vet>26.2.10.</vet><vet> Betalingscapaciteit</vet><vet> en kwijtschelding voor particulieren</vet></al><al>Als is vastgesteld dat geen of onvoldoende vermogensbestanddelen aanwezig
                        zijn om de openstaande belastingaanslag te voldoen, moet worden beoordeeld
                        in hoeverre de aanwezige betalingscapaciteit voldoende is om de
                        belastingaanslag te voldoen.</al><al>De betalingscapaciteit wordt gevormd door het positieve verschil tussen het
                        gemiddeld per maand te verwachten netto besteedbaar inkomen van de
                        belastingschuldige en de gemiddeld per maand te verwachten kosten van
                        bestaan in de periode van twaalf maanden vanaf de datum waarop het verzoek
                        om kwijtschelding is ingediend.</al><al>Het netto besteedbaar inkomen van de belastingschuldige wordt vermeerderd
                        met het gemiddeld per maand te verwachten netto besteedbaar inkomen van zijn
                        echtgenoot in de periode van twaalf maanden vanaf de datum waarop het
                        verzoek om kwijtschelding is ingediend. De vaststelling van het totale netto
                        besteedbaar inkomen staat los van de aansprakelijkheid tot betaling van de
                        aanslagen waarvan kwijtschelding wordt verzocht.</al><al>De verantwoordelijkheid van de echtgenoot, voor schulden van de
                        belastingschuldige, wordt beperkt tot de (materiële) belastingschulden die
                        betrekking hebben op de huwelijkse periode dan wel uit de periode waarin de
                        gezamenlijke huishouding is gevoerd. Dat kan tot gevolg hebben dat in
                        voorkomende gevallen de belastingaanslag moet worden gesplitst. Het vermogen
                        en de betalingscapaciteit van de echtgenoot van belastingschuldige, worden
                        dus buiten beschouwing gelaten voor zover een door de belastingschuldige
                        ingediend verzoek om kwijtschelding betrekking heeft op belastingschulden
                        die zijn ontstaan buiten de huwelijkse periode dan wel de gezamenlijke
                        huishouding. Het toe te passen normbedrag is in dit geval het normbedrag
                        voor een alleenstaande of een alleenstaande ouder (zie <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004766&amp;artikel=16" struct="BWB">artikel 16 van
                            de regeling</extref>).</al><al><vet>26.2.11.</vet><vet> Vakantiegeld</vet><vet> en kwijtschelding voor particulieren</vet></al><al>Tot het inkomen wordt ook het vakantiegeld gerekend. Het vakantiegeld wordt
                        gesteld op 7% van de - aan loonheffing onderworpen - inkomsten waarbij
                        aanspraak bestaat op vakantiegeld.</al><al>Als uit het ingediende verzoekformulier blijkt, dan wel de ontvanger uit
                        eigen wetenschap bekend is dat het reëel genoten vakantiegeld meer of minder
                        bedraagt dan 7%, wordt het reëel genoten vakantiegeld in aanmerking
                        genomen.</al><al>Zo is bijvoorbeeld sprake van een lager percentage dan 7 in het geval de
                        belastingschuldige een bijstandsuitkering geniet. In dat geval moet dus
                        worden uitgegaan van het percentage genoemd in <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=19" struct="BWB">artikel 19,
                            derde lid, van de Pw</extref>.</al><al><vet>26.2.12.</vet><vet> Studiefinanciering</vet><vet> en kwijtschelding voor particulieren</vet></al><al>Bij de berekening van het netto besteedbare inkomen wordt rekening gehouden
                        met inkomsten die studenten ontvangen op grond van de <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0011453" struct="BWB">WSF 2000</extref> en <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0012438" struct="BWB">hoofdstuk 4 van de Wet
                            tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten</extref> (WTOS VO-18+
                        ).</al><al>Studenten in het hoger en middelbaar beroepsonderwijs hebben recht op een
                        normbudget voor levensonderhoud: in het kader van de kwijtscheldingsregeling
                        is dit normbudget de optelsom van basisbeurs, maximale aanvullende beurs en
                        maximale basislening. Daarbij wordt voor zover van toepassing rekening
                        gehouden met het feit of de student thuiswonend, dan wel uitwonend is. In
                        voorkomend geval wordt dit normbudget verhoogd met de partnertoeslag of de
                        één-oudertoeslag.</al><al>De inkomsten van een student worden gesteld op een forfaitair bedrag.</al><lijst><li nr="A."><al>Voor studenten in het hoger onderwijs is dit het bedrag voor het
                                normbudget voor levensonderhoud verminderd met een forfaitair bedrag
                                voor boeken en leermiddelen groot € 61.</al></li><li nr="B."><al>Voor studenten in het middelbaar beroepsonderwijs is dit het bedrag
                                voor het normbudget voor levensonderhoud verminderd met een
                                forfaitair bedrag voor boeken en leermiddelen groot € 53 en met het
                                bedrag aan onderwijsretributie.</al></li></lijst><al>Als de belastingschuldige naast studiefinanciering beschikt over eigen
                        inkomsten wordt eveneens uitgegaan van de forfaitaire inkomsten, zoals
                        hiervoor berekend onder A en B. </al><al>Als de daadwerkelijk genoten studiefinanciering (exclusief het ontvangen
                        collegegeldkrediet voor studenten in het hoger onderwijs) en de eigen
                        inkomsten uitstijgen boven de voor het desbetreffende huishoudtype maximaal
                        geldende kosten van bestaan wordt om de betalingscapaciteit te kunnen
                        berekenen de navolgende formules gebruikt:</al><al>Formule 1: (P + Q) – R – S = X</al><al>In deze formule wordt met P aangegeven het totaal van de daadwerkelijk
                        genoten studiefinanciering (exclusief het ontvangen collegegeldkrediet voor
                        studenten in het hoger onderwijs). Het totaal van de eigen inkomsten wordt
                        aangegeven met Q. Met R wordt aangegeven het voor de kwijtschelding geldende
                        normbudget voor levensonderhoud. Het in mindering te brengen bedrag van de
                        daadwerkelijk ontvangen lening van de IB-groep wordt aangeduid met S. De
                        uitkomst van deze berekening wordt aangegeven met X, met dien verstande dat
                        X altijd tenminste nul bedraagt.</al><al>Formule 2: X + Y = T</al><al>In deze formule wordt met Y aangegeven het forfaitaire bedrag aan inkomsten
                        van de betreffende student zoals bedoeld onder A of B. Het resultaat van de
                        berekening volgens formule 1 (X) vermeerderd met Y is het inkomen (T). Dit
                        inkomen vormt vervolgens het uitgangspunt om het netto-besteedbaar inkomen
                        te kunnen berekenen en de betalingscapaciteit.</al><al>In sommige gevallen bestaat de studiefinanciering voor een groot deel of
                        zelfs geheel uit een lening. In die situaties wordt ook uitgegaan van de
                        vorenvermelde forfaitaire inkomsten en is hetgeen in dit artikel is vermeld
                        van overeenkomstige toepassing.</al><al><vet>26.2.13.</vet><vet> Bijzondere bijstand/ouderlijke bijdrage</vet><vet> en kwijtschelding voor particulieren</vet></al><al>Uitkeringen die worden ontvangen in het kader van bijzondere bijstand en die
                        zijn bestemd voor bestrijding van specifieke kosten waarin de reguliere
                        bijstandsuitkering niet voorziet, worden niet als inkomen in aanmerking
                        genomen.</al><al>De bijzondere (aanvullende) bijstand voor personen jonger dan 21 jaar, wordt
                        daarentegen wél als inkomen in aanmerking genomen, evenals de ouderlijke
                        bijdrage in geld die deze jongeren ontvangen. In dat geval is de bijzondere
                        bijstand niet bestemd voor bestrijding van specifieke kosten waarin de
                        reguliere bijstandsuitkering niet voorziet. De bijzondere bijstand voor
                        jongeren dient ter aanvulling van de zeer lage bijstandsnorm, als de
                        ouderlijke bijdrage - die geacht wordt deze lage bijstandsnorm aan te vullen
                        tot het niveau van de bijstandsnorm voor personen van 21 tot 65 jaar -
                        geheel of gedeeltelijk ontbreekt.</al><al><vet>26.2.13a</vet><vet> Persoonsgebonden budget en kwijtschelding voor particulieren</vet></al><al>Verstrekkingen die worden ontvangen uit een persoonsgebonden budget voor
                        specifieke kosten op het gebied van zorg, begeleiding of hulp en waarop geen
                        aanspraak bestaat vanuit de zorgverzekering of de reguliere bijstand, worden
                        niet als inkomen in aanmerking genomen.</al><al><vet>26.2.14.</vet><vet> Betalingen op belastingschulden</vet><vet> en kwijtschelding voor particulieren</vet></al><al>Bij de berekening van het netto besteedbaar inkomen wordt geen rekening
                        gehouden met belastingaanslagen die in de loop van de periode van twaalf
                        maanden vanaf de datum waarop het verzoek is ingediend, nog zullen worden
                        opgelegd.</al><al>Tot betalingen op belastingschulden worden naast betalingen aan
                        rijksbelastingen ook de betalingen gerekend die worden verricht op
                        gemeentelijke belastingen (met uitzondering van de rechten die zijn vermeld
                        in <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=229" struct="BWB">artikel 229 van de Gemeentewet</extref>) en andere belastingen en
                        heffingen van lokale overheden.</al><al><vet>26.2.15.</vet><vet> Woonlasten en kwijtschelding van belasting van voorhuwelijkse
                            belastingschulden</vet></al><al>Als het verzoek om kwijtschelding wordt gedaan voor belastingschulden die
                        zijn ontstaan voor de aanvang van de huwelijkse periode, dan wel de
                        gezamenlijke huishouding in de zin van <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=3" struct="BWB">artikel 3
                            Pw</extref> (zie artikel 26.2.10 van deze leidraad), worden de
                        woonlasten in aanmerking genomen tot ten hoogste 50% van het bedrag dat de
                        uitkomst is van de berekening op grond van <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004766&amp;artikel=15" struct="BWB">artikel 15,
                            eerste lid, onderdeel b, van de regeling</extref>.</al><al><vet>26.2.15.A.</vet><vet> Woonlasten van meerpersoonshuishoudens</vet></al><al>In het geval de belastingschuldige met tenminste twee personen van 18 jaar
                        of ouder een gezamenlijke huishouding voert alsmede in het geval de
                        belastingschuldige met één of meer bloedverwanten in de eerste graad van 18
                        jaar of ouder een gezamenlijke huishouding voert dan wel anderszins op één
                        adres verblijf houdt, wordt bij de berekening van de betalingscapaciteit
                        geen rekening gehouden met de netto-woonlasten, tenzij de belastingschuldige
                        aannemelijk maakt dat de woonlasten niet gedeeld kunnen worden. Het
                        vorenstaande geldt niet als sprake is van commerciële</al><al>verhuur, te weten als sprake is van kostgangers of kamerhuurders.</al><al><vet>26.2.16.</vet><vet> Uitgaven in verband met onderhoudsverplichtingen</vet><vet> en kwijtschelding voor particulieren</vet></al><al>Naast de alimentatieverplichtingen wordt bij de berekening van het netto
                        besteedbaar inkomen de daadwerkelijk betaalde onderhoudsbijdrage - de
                        bijdrage die een gemeente op grond van de <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0015703" struct="BWB">Pw</extref> van een
                        ex-partner vordert in de kosten van bijstand - in mindering gebracht.</al><al><vet>26.2.17.</vet><vet> Kwijtschelding tijdens WSNP</vet></al><al>Als sprake is van een belastingschuldige ten aanzien van wie de
                        schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, en
                        die belastingschuldige verzoekt om kwijtschelding van nadien opgekomen
                        belastingschulden die niet zijn aan te merken als boedelschuld, dan wordt
                        het verzoek behandeld overeenkomstig het bestaande beleid.</al><al>Dit betekent dus onder meer dat bij de berekening van de betalingscapaciteit
                        op het inkomen van de belastingschuldige niet in mindering wordt gebracht
                        dat deel van het inkomen dat onder beheer van de bewindvoerder naar de
                        boedel gaat. Verder wordt opgemerkt dat de middelen die de boedel vormen en
                        onder beheer van de bewindvoerder berusten, niet beschouwd worden als
                        vermogen in de zin van <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004766&amp;artikel=12" struct="BWB">artikel 12 van de regeling</extref>.</al><al><vet>26.2.18.</vet><vet> [vervallen per 01-01-2013]</vet></al><al><vet>26.2.19.</vet><vet> Normpremie ziektekostenverzekering begrepen in de
                            bijstandsuitkering</vet></al><al>De normpremie, bedoeld in <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0018451&amp;artikel=2" struct="BWB">artikel 2 van
                            de Wet op de zorgtoeslag</extref>, voor zover is begrepen in de
                        bijstandsnorm, bedraagt voor een alleenstaande of een alleenstaande ouder €
                        39 per maand en voor echtgenoten € 86 per maand.</al><al><vet>26.2.20.</vet><vet> Onderhoud gezinsleden in het buitenland</vet></al><al>De hier te lande alleenwonende gehuwde belastingschuldige die zijn in het
                        buitenland verblijvende echtgenote en/of kinderen daadwerkelijk onderhoudt,
                        wordt voor de berekening van de betalingscapaciteit niet als een
                        alleenstaande aangemerkt. Uitgegaan wordt van het normbedrag voor
                        echtgenoten in de zin van <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=3" struct="BWB">artikel 3
                            Pw</extref>. Als huur wordt de hier te lande betaalde huur in aanmerking
                        genomen. Door toepassing van het normbedrag voor echtgenoten in de zin van
                        artikel 3 Pw, wordt in het kwijtscheldingsbeleid op forfaitaire wijze
                        rekening gehouden met de bedragen die de buitenlandse werknemer aan zijn
                        bloed- of aanverwanten overmaakt voor de kosten van levensonderhoud. Met de
                        werkelijke bedragen die de buitenlandse belastingschuldige overmaakt, wordt
                        geen rekening gehouden.</al><al><vet>26.3.</vet><vet> Kwijtschelding van belastingen</vet><vet> voor ondernemers</vet></al><al><vet>26.3.0</vet><vet> Kwijtschelding van belastingen voor ondernemers die geen verband
                            houden met de</vet><vet>uitoefening van dat bedrijf of beroep</vet></al><al>Door de gemeenteraad is besloten om, op grond van <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004766&amp;artikel=28" struct="BWB">artikel 28,
                            lid 1, onderdeel b van de regeling</extref>, kwijtschelding voor die
                        belastingen die geen verband houden met de uitoefening van het beroep (de
                        zogenaamde privé-belastingen) voor ondernemers mogelijk te maken op grond
                        van dezelfde voorwaarden als die voor particulieren gelden. Dit houdt in dat
                        voor deze belastingen op grond van de berekening van de betalingscapaciteit
                        en het bepalen van het vermogen, conform de bepalingen van de afdelingen 1,
                        2 en 5 van de regeling, een besluit over het verlenen van kwijtschelding
                        wordt genomen.</al><al>Ten aanzien van het bepalen van het inkomen wordt aangesloten bij de wijze
                        waarop door de gemeente toepassing gegeven wordt aan <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0015711&amp;artikel=6" struct="BWB">artikel 6 van
                            het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004</extref>.</al><al>Ten aanzien van het bepalen van het vermogen wordt aangesloten bij de wijze
                        waarop door de gemeente toepassing gegeven wordt aan de <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0015711&amp;artikel=7" struct="BWB">artikelen 7 tot
                            en met 9 van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004</extref>,
                        met uitzondering van de bepaling in artikel 7 ten aanzien van vermogen
                        gebonden in de door de zelfstandige of zijn gezin in eigendom bewoonde
                        woning met bijbehorend erf. Vermogen gebonden in de in eigendom bewoonde
                        woning met bijbehorend erf wordt – op dezelfde wijze als dit voor
                        particulieren geldt – aangemerkt als vermogen zoals gedefinieerd in <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004766&amp;artikel=12" struct="BWB">artikel 12 van
                            de regeling</extref>.</al><al><vet>26.3.1.</vet><vet> Kwijtschelding</vet><vet> voor ondernemers bij een saneringsakkoord</vet></al><al>Kwijtschelding voor ondernemers vindt voor het overige alleen plaats bij een
                        saneringsakkoord tussen de schuldenaar en alle schuldeisers tot
                        gedeeltelijke betaling van de schuld tegen finale kwijting.</al><al>Ook als er geen andere schuldeisers zijn of alleen speciale crediteuren als
                        bedoeld in artikel 26.3.8 van deze leidraad kan de ontvanger kwijtschelding
                        verlenen. De ontvanger zal bij dergelijke saneringsverzoeken de volgende
                        aspecten meewegen in de beoordeling van het verzoek:</al><lijst><li nr="1."><al>Kan de belastingschuldige een verwijt worden gemaakt ter zake van
                                het onbetaald blijven van de belastingschulden (zie artikel 8 van de
                                regeling en artikel 26.1.9 van deze leidraad)?</al></li><li nr="2."><al>Is er sprake van een situatie waarin de belastingschuldige de
                                ontvanger als enig schuldeiser heeft overgelaten door de andere
                                schuldeisers bij voorrang te voldoen (zie artikel 26.3.5 van deze
                                leidraad)? De voorwaarden van artikel 22 van de regeling voor
                                medewerking van de ontvanger aan een saneringsakkoord zijn voor
                                zover mogelijk van overeenkomstige toepassing.</al></li></lijst><al><vet>26.3.2.</vet><vet> Aansprakelijkheid </vet><vet>en kwijtschelding voor ondernemers</vet></al><al>Voordat de ontvanger toetreedt tot een saneringsakkoord gaat hij na of de
                        mogelijkheid bestaat (een) derde(n) aansprakelijk te stellen voor onbetaald
                        gebleven belastingschuld. Als de (te verwachten) opbrengst uit de
                        aansprakelijkstelling zodanig is dat het aanbod tot een saneringsakkoord
                        voor de ontvanger geen betere perspectieven biedt, treedt de ontvanger niet
                        toe tot het akkoord.</al><al>Bij toetreding tot een saneringsakkoord kan de ontvanger er van afzien
                        derden alsnog aansprakelijk te stellen. In dat geval moet bij de
                        vaststelling van het bedrag dat aan de ontvanger moet worden voldaan
                        rekening worden gehouden met het bedrag dat uit de aansprakelijkstelling
                        geïnd had kunnen worden.</al><al>Als de ontvanger toetreedt tot een saneringsakkoord en daarnaast nog derden
                        aansprakelijk stelt, blijft bij de vaststelling van het bedrag dat in het
                        akkoord moet worden voldaan een (eventuele) opbrengst uit de
                        aansprakelijkstelling buiten beschouwing. In de situatie dat de
                        aansprakelijkgestelde zijn regresrecht op de gesaneerde onderneming
                        uitoefent en het bedrijf daardoor opnieuw in moeilijkheden komt, eist de
                        ontvanger niet dat de onderneming het ontstane tekort alsnog aanvult. Als
                        later blijkt dat de aansprakelijkgestelde niet kan betalen, eist de
                        ontvanger evenmin het ontstane tekort op.</al><al><vet>26.3.3.</vet><vet> Voorwaarden tot deelname aan een saneringsakkoord</vet></al><al>De ontvanger verleent geen medewerking aan een saneringsakkoord waarbij één
                        of meer schuldeisers het gedeelte van hun vordering dat niet wordt voldaan
                        niet kwijtschelden maar overdragen aan een derde of omzetten in
                        aandelenkapitaal.</al><al><vet>26.3.4.</vet><vet> Toepassingsbereik sanering</vet><vet>sakkoord</vet></al><al>Bij de beoordeling van het aangeboden saneringsakkoord bekijkt de ontvanger
                        welke belastingaanslagen in het akkoord kunnen worden betrokken.
                        Uitgangspunt hierbij is de formele belastingschuld ten tijde van het
                        verzoek.</al><al>Bij de behandeling van het aangeboden akkoord is het de taak van de
                        belastingschuldige/ondernemer er voor te zorgen dat de formele schuld zo
                        nauwkeurig mogelijk overeenstemt met de materiële schuld. Als de
                        belastingschuldige niet de gegevens overlegt die (kunnen) leiden tot een
                        juiste vaststelling van de verschuldigde belasting, is er geen aanleiding
                        voor de ontvanger toe te treden tot het aangeboden akkoord.</al><al>Naast de Rijksbelastingdienst heeft ook de gemeente de
                        inspanningsverplichting om de te saneren schuld zo volledig mogelijk en tot
                        het juiste bedrag vast te stellen en de eventueel nog (materieel)
                        verschuldigde belastingen over tijdvakken tot aan het tijdstip waarop het
                        verzoek om sanering is ingediend, te formaliseren.</al><al><vet>26.3.5.</vet><vet> Ten minste dubbele percentage</vet><vet> en saneringsakkoord</vet></al><al>Voor de berekening van het dubbele percentage dat aan de ontvanger moet
                        worden uitgekeerd, brengt de ontvanger op de vorderingen van de preferente
                        en concurrente crediteuren eerst in mindering de bedragen die zij door
                        zekerheid hebben gedekt. Het begrip ‘ten minste’ verdient in elk geval extra
                        aandacht als in het verleden onevenredige betalingen aan concurrente
                        schuldeisers zijn gedaan.</al><al>Voordat een beoordeling van het aanbod plaatsvindt, moet worden nagegaan of
                        in de periode direct voorafgaand aan het tijdstip waarop het verzoek tot
                        sanering wordt ontvangen wellicht extra aflossingen aan bepaalde andere
                        crediteuren hebben plaatsgevonden. Als hiervan sprake is, moet aan de
                        ontvanger – met doorbreking van de eis dat het dubbele percentage moet
                        worden aangeboden – een hoger percentage dan het dubbele ten goede
                        komen.</al><al><vet>26.3.6.</vet><vet> Bestuurlijke boeten en saneringsakkoord</vet></al><al>Bestuurlijke boeten moeten ook integraal in het akkoord worden betrokken.
                        Uitgangspunt is dat het heffingstraject moet worden afgewerkt voordat tot
                        sanering kan worden overgegaan. Daarna past de ontvanger het
                        akkoordpercentage toe op de belastingschuld én op de bestuurlijke
                        boete.</al><al><vet>26.3.7.</vet><vet> Rente en kosten en saneringsakkoord</vet></al><al>De ontvanger betrekt rente en kosten integraal in het akkoord. Het bedrag
                        dat op basis van het akkoord is betaald, wordt in afwijking van <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004771&amp;artikel=7" struct="BWB">artikel 7 van
                            de wet</extref> op de hoofdsom afgeboekt. De ontvanger vermeldt dit in
                        de beschikking.</al><al><vet>26.3.8.</vet><vet> Speciale crediteuren en saneringsakkoord</vet></al><al>Een aantal crediteuren neemt een zodanige positie in dat zij niet
                        noodzakelijkerwijs tot een akkoord hoeven toe te treden om (een deel van) de
                        vordering die zij hebben te kunnen innen. Tot die crediteuren behoren onder
                        meer:</al><lijst><li nr="-"><al>Pandhouders, omdat het recht van voorrang van de pandhouder op het
                                in pand gegeven goed boven het voorrecht van de fiscus gaat, staat
                                het niet deelnemen van de pandhouder aan het akkoord niet aan een
                                deelname daaraan door de ontvanger in de weg. Vanzelfsprekend zal in
                                aanmerking moeten worden genomen dat het recht van voorrang van de
                                pandhouder afhankelijk is van - en dus qua belang beperkt is tot -
                                de waarde van het in pand gegeven goed. Voor het niet door pand
                                gedekte gedeelte van zijn vordering kan de pandhouder slechts als
                                concurrent schuldeiser worden aangemerkt. De bezitloos pandhouder
                                wiens pandrecht betrekking heeft op een zaak als bedoeld in <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=21" struct="BWB">artikel 21, tweede lid, tweede volzin van de wet</extref> is
                                voor die zaak lager bevoorrecht dan de fiscus. Voor hem geldt het
                                voorgaande dus niet. Vordering van de gemeente moeten als
                                concurrente vorderingen worden aangemerkt.</al></li><li nr="-"><al>Leveranciers die de eigendom van de geleverde zaak hebben
                                voorbehouden. Als een leverancier de eigendom van de geleverde zaak
                                heeft voorbehouden, moet bij het bepalen van de grootte van zijn
                                vordering rekening worden gehouden met dat eigendomsvoorbehoud. Het
                                voorgaande is niet van toepassing als de rijksontvanger met
                                toepassing van het bodemrecht beslag heeft gelegd op deze zaak. In
                                dat geval wordt door de rijksontvanger integrale voldoening van de
                                waarde van de bodemzaak worden geëist en voor het restant van de
                                fiscale vordering (ten minste) het dubbele percentage;</al></li><li nr="-"><al>Cessionarissen, als sprake is van rechtsgeldige gecedeerde uit te
                                betalen bedragen en de ontvanger heeft eveneens met de cessie
                                ingestemd, dan wordt bij een akkoord de vordering van de
                                crediteur/cessionaris in aanmerking genomen met inachtneming van de
                                te verwachten uit te betalen bedragen. De hoogte van de vordering
                                van de ontvanger wordt bepaald zonder rekening te houden met de te
                                verwachten - maar rechtsgeldig gecedeerde - uit te betalen
                                bedragen.</al></li><li nr="-"><al>Dwangcrediteuren. Onder ‘dwangcrediteuren’ worden in dit verband
                                verstaan leveranciers die niet bereid zijn aan een akkoord mee te
                                werken terwijl de onderneming zonder hen niet verder kan werken.
                                Hiermee vergelijkbaar is de adviseur/boekhouder die de stukken moet
                                produceren die voor de beoordeling van het aanbod nodig zijn. Bij de
                                beoordeling van het akkoord houdt de ontvanger rekening met de
                                volledige betaling van de vordering van de adviseur/boekhouder.</al></li></lijst><al><vet>26.4.</vet><vet> Administratief beroep</vet></al><al><vet>26.4.1.</vet><vet> Administratief beroep tegen de afwijzing van een verzoek om
                            kwijtschelding</vet></al><al>Als de belastingschuldige zich niet kan verenigen met de beschikking van de
                        ontvanger op het verzoek om kwijtschelding, kan hij een gemotiveerd
                        beroepschrift richten tot het college. Het beroepschrift wordt ingediend bij
                        de ontvanger. In verband met het aan het college uit te brengen advies zendt
                        de ontvanger zo nodig opnieuw een verzoekformulier aan de belastingschuldige
                        toe.</al><al>Als de belastingschuldige het nader toegezonden verzoekformulier niet
                        terugzendt, stelt de ontvanger hem in de gelegenheid dit alsnog te doen. Als
                        de belastingschuldige hieraan geen gevolg geeft, stelt de ontvanger het
                        college daarvan in kennis. De ontvanger adviseert het college dan om niet
                        aan het beroepschrift tegemoet te komen.</al><al><vet>26.4.2.</vet><vet> Herhaald verzoek om kwijtschelding</vet></al><al>De ontvanger merkt een herhaald verzoek om kwijtschelding aan als een
                        beroepschrift dat gericht is aan het college. Als de ontvanger zelf
                        aanleiding ziet om een gunstigere beslissing te nemen dan in zijn eerdere
                        beschikking, handelt hij het herhaalde verzoek zelf af.</al><al>De ontvanger behandelt een herhaald verzoek om kwijtschelding als een eerste
                        verzoek als het verzoek is afgewezen als gevolg van een duidelijke,
                        ambtelijke fout.</al><al>In deze gevallen kan de belastingschuldige na de beslissing van de ontvanger
                        een beroepschrift indienen bij het college.</al><al><vet>26.4.3.</vet><vet> Beroepsfase kwijtschelding</vet></al><al>Als uit het beroepschrift niet duidelijk blijkt waarop het beroep is
                        gebaseerd, verzoekt de ontvanger de belastingschuldige het beroepschrift
                        binnen een redelijke termijn (nader) te motiveren. De ontvanger wijst
                        daarbij op een mogelijke niet-ontvankelijkverklaring bij het niet voldoen
                        aan deze motiveringsplicht.</al><al><vet>26.4.4.</vet><vet> Gegevens en normen eerste verzoek</vet><vet> om kwijtschelding</vet></al><al>Bij de behandeling van het beroepschrift of het herhaalde verzoek om
                        kwijtschelding zijn de gegevens en normen van belang die van toepassing
                        waren bij de beoordeling van het eerste verzoek. Wanneer echter blijkt dat
                        het inkomen van de belastingschuldige ten opzichte van het eerste verzoek
                        zodanig is gedaald dat de betalingscapaciteit destijds in belangrijke mate
                        tot een te hoog bedrag is vastgesteld, vindt een herberekening plaats. Ook
                        wijzigingen in de aanspraak inzake huurtoeslag en zorgtoeslag kunnen leiden
                        tot een herberekening. Een herberekening vindt niet plaats bij wijzigingen
                        in de kosten van bestaan.</al><al><vet>2</vet><vet>6.4.5.Beslissing College op beroep bij kwijtschelding</vet></al><al>In alle gevallen waarin het college het beroep gegrond oordeelt, kan het
                        college de zaak inhoudelijk afdoen. Hetzij door het verzoek alsnog toe te
                        wijzen, hetzij door het af te wijzen onder verbetering of vervanging van de
                        gronden.</al><al><vet>26.4.6.</vet><vet> Invordering na administratief beroep en herhaald verzoek</vet><vet> om kwijtschelding</vet></al><al>Als een verzoek om kwijtschelding wordt afgewezen, wordt de invordering niet
                        eerder voortgezet dan nadat tien dagen zijn verstreken. <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004766&amp;artikel=9" struct="BWB">Artikel 9 van
                            de regeling</extref> is van overeenkomstige toepassing. Als binnen de
                        termijn van tien dagen een beroepschrift wordt ingediend, dan wordt
                        gedurende de behandeling van dit beroepschrift ook gehandeld overeenkomstig
                        artikel 9 van de regeling.</al><al>Indiening van het beroepschrift na de termijn van tien dagen leidt tot
                        niet-ontvankelijkheid. Dit neemt echter niet weg dat - als het belang van de
                        invordering zich daartegen niet verzet - van het college mag worden verwacht
                        dat het alsnog ambtshalve de grieven die in het beroepschrift zijn
                        aangedragen op hun waarde beoordeelt. Ook in dat geval wordt gehandeld
                        overeenkomstig <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004766&amp;artikel=9" struct="BWB">artikel 9 van de regeling</extref>.</al><al>Of het belang van de invordering zich tegen ambtshalve behandeling verzet,
                        hangt af van de omstandigheden. Hiervan is echter in ieder geval sprake als
                        inmiddels onherroepelijke invorderingsmaatregelen zijn genomen.</al><al><vet>26.4.7.</vet><vet> Niet tijdig besliss</vet><vet>en op een verzoek om kwijtschelding</vet></al><al>Als de ontvanger nalaat om tijdig een beslissing te nemen op een verzoek om
                        kwijtschelding, kan de belastingschuldige hiertegen beroep instellen bij het
                        college. Hieraan is geen termijn gebonden.</al><al>Als tijdens de beroepsprocedure blijkt dat de ontvanger kwijtschelding had
                        moeten verlenen, dan hoeft het college niet te volstaan met de uitspraak dat
                        de ontvanger niet tijdig heeft beslist, maar kan het college op het
                        beroepschrift van de belastingschuldige inhoudelijk beslissen.</al><al><vet>26.5.</vet><vet> Voortzetting van de invordering na afwijzing verzoek om
                            kwijtschelding</vet></al><al><vet>26.5.1.</vet><vet> Invordering na afwijzing</vet><vet> verzoek om kwijtschelding</vet></al><al>Als de ontvanger afwijzend heeft beslist op een verzoek om kwijtschelding of
                        een aangeboden akkoord, of het college heeft afwijzend beslist op een
                        ingediend beroepschrift tegen een afwijzende beschikking van de ontvanger,
                        dan moet de belastingschuldige het op de belastingaanslag(en) verschuldigde
                        bedrag binnen tien dagen na dagtekening van de afwijzende beschikking of
                        binnen de betaaltermijnen die op het aanslagbiljet zijn aangegeven, voldoen.
                        Na deze termijn kan de ontvanger de invordering aanvangen dan wel
                        voortzetten. De termijn van tien dagen geldt niet als sprake is van een
                        situatie als bedoeld in <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=10" struct="BWB">artikel 10 van de wet</extref>.</al><al><vet>26.6</vet><vet> Geen verdere invorderingsmaatregelen</vet><vet> en afwijzing verzoek om kwijtschelding</vet></al><al>Als de belastingschuldige niet in aanmerking komt voor kwijtschelding maar
                        de ontvanger voortzetting van de invordering niet gewenst vindt, wijst de
                        ontvanger het verzoek om kwijtschelding af. De ontvanger neemt in die
                        beschikking op in hoeverre hij geen invorderingsmaatregelen zal
                        treffen.</al><al>Als de ontvanger besluit tot het niet meer nemen van invorderingsmaatregelen
                        voor de nog openstaande schuld zonder dat hij daaraan voorwaarden verbindt,
                        heeft de beslissing voor de belastingschuldige materieel dezelfde gevolgen
                        als kwijtschelding.</al><al>De ontvanger kan ook besluiten geen invorderingsmaatregelen meer te nemen
                        voor de nog openstaande schuld onder de voorwaarde dat eventuele uit te
                        betalen bedragen verrekend worden met de buiten de invordering gelaten
                        schuld. De termijn waarbinnen verrekening plaatsvindt bedraagt maximaal drie
                        jaar, te rekenen vanaf de datum van de beschikking, dan wel - als dit minder
                        is - de tijd die nog overblijft voordat de verjaring van de belastingaanslag
                        intreedt. De ontvanger neemt deze verrekeningsvoorwaarde uitdrukkelijk in de
                        beschikking op.</al><al>Als de ontvanger besluit voorlopig geen invorderingsmaatregelen meer te
                        nemen, zal hij in zijn beschikking voorwaarden of een tijdsbepaling opnemen.
                        Anders dan kwijtschelding is een dergelijke beschikking herroepelijk. Als de
                        belastingschuldige de voorwaarden niet nakomt, neemt de ontvanger een nieuwe
                        beschikking, waarbij hij zijn eerdere beschikking intrekt. De ontvanger kan
                        hiertoe pas overgaan nadat hij de belastingschuldige een brief heeft
                        gestuurd over zijn voornemen de eerdere beschikking in te trekken en niet
                        binnen veertien dagen alsnog aan de voorwaarden of de tijdsbepaling is
                        voldaan.</al><al><vet>26.7.</vet><vet> Geautomatiseerde kwijtschelding</vet></al><al>Als de gemeente gebruik maakt van de mogelijkheid van geautomatiseerde
                        kwijtschelding, wordt er getoetst in het laatste kwartaal van het jaar
                        voorafgaande aan het belastingjaar waarvoor de kwijtschelding eventueel kan
                        worden verleend. </al><al>De toetsing vindt plaats door het Inlichtingenbureau aan de hand van
                        jaarlijks vastgestelde criteria. Deze criteria worden vastgesteld door het
                        Ministerie van Financiën. Als op grond van deze toetsing geen recht bestaat
                        op geautomatiseerde kwijtschelding kan in een later stadium alsnog een
                        individueel verzoek worden ingediend.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr><titel>Verjaring</titel></kop><al><cursief>In aanvulling op afdeling 4.4.3 (</cursief><extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0005537&amp;artikel=4:104" struct="BWB"><cursief>artikelen 4:104 tot en met 4:111</cursief></extref><cursief>) Awb regelt </cursief><extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=27" struct="BWB"><cursief>artikel 27 van de wet</cursief></extref><cursief> enkele specifieke (aanvullende) zaken met betrekking tot
                            verjaring:</cursief></al><al><cursief>-</cursief><cursief> dat stuiting van de verjaring door de ontvanger mogelijk is door
                            het zenden van een schriftelijke mededeling waarin het recht op betaling
                            ondubbelzinnig wordt voorbehouden;</cursief></al><al><cursief>- </cursief><cursief> als de belastingschuldige heeft opgehouden te bestaan (oftewel: de
                            onderneming bestaat niet meer) en er is iemand aansprakelijk gesteld
                            voor de belastingschuld, dan treedt de aansprakelijkgestelde in de
                            plaats van de belastingschuldige (oftewel: in dat geval kan ook de
                            aansprakelijkheidsschuld zelfstandig worden gestuit of
                            verlengd).</cursief></al><al>In aansluiting op <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=27" struct="BWB">artikel 27 van de wet</extref> beschrijft dit artikel het
                        beleid over:</al><lijst><li nr="-"><al>versnelde invordering en verjaring;</al></li><li nr="-"><al>aansprakelijkgestelden en verjaring;</al></li><li nr="-"><al>stuiting van de verjaring;</al></li><li nr="-"><al>schorsing van de verjaring;</al></li><li nr="-"><al>afstand van verjaring;</al></li><li nr="-"><al>rente en kosten en verjaring;</al></li><li nr="-"><al>verjaring van belastingteruggaven.</al></li></lijst><al><vet>27. Versnelde invordering en verjaring</vet></al><al>Als de invordering is aangevangen met toepassing van <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=10" struct="BWB">artikel 10 van
                            de wet</extref> begint de verjaringstermijn te lopen op het moment dat
                        de belastingaanslagen onmiddellijk en tot het volle bedrag invorderbaar
                        werden. De oorspronkelijke vervaldag heeft op dat moment voor de verjaring
                        geen belang meer.</al><al><vet>27.2.</vet><vet> Aansprakelijkgestelden</vet><vet> en verjaring</vet></al><al>Een aansprakelijkheidsschuld (beschikking ex <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=49" struct="BWB">artikel 49 van
                            de wet</extref>) is niet voor zelfstandige verjaring vatbaar. Door
                        verjaring van de belastingaanslag terzake waarvan aansprakelijk is gesteld,
                        eindigt ook het recht van dwanginvordering en verrekening van de
                        aansprakelijkheidsvordering.</al><al><vet>27.3.</vet><vet> Stuiting van de verjaring</vet></al><al>Als de betekening van een dwangbevel uitsluitend plaatsvindt om de verjaring
                        te stuiten, dan licht de ontvanger de belastingschuldige in over het doel
                        van de betekening. Deze betekening is kosteloos.</al><al>Om de verjaring te stuiten kan een dwangbevel meer dan éénmaal worden
                        betekend.</al><al>Als de ontvanger de verjaring van een rechtsvordering tot betaling stuit
                        door een schriftelijke mededeling, maakt hij die schriftelijke mededeling
                        bekend aan de belastingschuldige.</al><al><vet>27.4.</vet><vet> Schorsing van de verjaring</vet></al><al>Uitstel van betaling voor een gedeelte van de belastingaanslag verlengt de
                        verjaringstermijn voor de gehele belastingaanslag.</al><al><vet>27.5.</vet><vet> Afstand van verjaring</vet></al><al>Van eenmaal verkregen verjaring kan afstand worden gedaan. De ontvanger
                        beroept zich echter alleen op afstand van verjaring, als zonder meer
                        duidelijk is dat de belastingschuldige daadwerkelijk bedoelt afstand van de
                        verjaring te doen.</al><al><vet>27.6.</vet><vet> Rente en kosten</vet><vet> en verjaring</vet></al><al>De op een belastingaanslag belopen rente en kosten zijn onlosmakelijk met de
                        belastingaanslag verbonden. Als voor een belastingaanslag de verjaring is
                        ingetreden, laat de ontvanger dus ook voor de rente en kosten invordering en
                        verrekening achterwege.</al><al>Na verjaring geen civiele invordering</al><al>Na intreding van de verjaring maakt de ontvanger geen gebruik van de
                        mogelijkheid om een belastingschuld in te vorderen door middel van een
                        dagvaarding.</al><al>Verjaring van belastingteruggaven </al><al>Voor de verjaring van belastingteruggaven geldt eenzelfde verjaringstermijn
                        als voor belasting-schulden. Na verjaring ontstaat een natuurlijke
                        verbintenis. De ontvanger zal een beroep op de verjaring doen, tenzij hij
                        gerede twijfel heeft of de belastingaanslag aan de belastingschuldige is
                        bekendgemaakt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27a</nr><titel>Betalingskorting</titel></kop><al>De bepaling is niet van toepassing voor gemeenten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28</nr><titel>Invorderingsrente</titel></kop><al><extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=28" struct="BWB"><cursief>Artikel 28 van de wet</cursief></extref><cursief> regelt het in rekening brengen en vergoeden van
                            invorderingsrente.</cursief></al><al>In aansluiting op <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=28" struct="BWB">artikel 28 van de wet</extref> beschrijft dit artikel het
                        beleid over:</al><lijst><li nr="-"><al>correctie berekende invorderingsrente;</al></li><li nr="-"><al>vermindering terecht in rekening gebrachte invorderingsrente;</al></li><li nr="-"><al>verzuim van de gemeente en invorderingsrente;</al></li><li nr="-"><al>rente- of schadevergoeding;</al></li><li nr="-"><al>kwijtschelding invorderingsrente niet mogelijk;</al></li><li nr="-"><al>verminderingen en toepassing <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=28" struct="BWB">artikel 28, zesde lid, van de wet</extref>.</al></li></lijst><al><vet>28.1.</vet><vet> Cheque buitenland</vet><vet> en invorderingsrente</vet></al><al>(Vervallen per 1 januari 2010).</al><al><vet>28.2.</vet><vet> Correctie berekende invorderingsrente</vet></al><al>De ontvanger corrigeert de renteberekening als daarbij onjuiste gegevens
                        zijn gebruikt. Dit geldt ook voor een belastingaanslag waaraan een nieuwe
                        dagtekening wordt toegekend die leidt tot een ander aanvangstijdstip voor de
                        renteberekening.</al><al><vet>28.3.</vet><vet> Vermindering terecht in rekening gebrachte invorderingsrente</vet></al><al>Als de ontvanger als gevolg van een te late betaling terecht rente in
                        rekening brengt, kan er slechts in uitzonderlijke situaties aanleiding
                        bestaan die rente te verminderen. De ontvanger moet dan van mening zijn dat
                        het niet tijdig voldoen van de belastingschuld niet kan worden verweten aan
                        de belastingschuldige en bovendien dat de invordering van rente onredelijk
                        en onbillijk is.</al><al>De ontvanger kan slechts naar aanleiding van een ingediend bezwaarschrift de
                        verschuldigde rente verminderen.</al><al><vet>28.4.</vet><cursief> [vervallen per 01-01-2013]</cursief></al><al><vet>28.5. </vet><cursief>[vervallen per 01-01-2013]</cursief></al><al><vet>28.6.</vet><vet> Kwijtschelding invorderingsrente niet mogelijk</vet></al><al>Kwijtschelding van uitsluitend invorderingsrente is niet mogelijk. De
                        ontvanger doet ook geen toezegging dat de rente niet zal worden ingevorderd.
                        Dit laat onverlet dat de ontvanger kwijtschelding verleent of rente buiten
                        invordering laat, als hij de hoofdsom kwijtscheldt of buiten invordering
                        laat op grond van het bepaalde in artikel 26 van deze leidraad.</al><al><vet>28.7.</vet><vet></vet><cursief> [vervallen per 01-01-2013]</cursief></al><al><vet>28.8.</vet><vet> Drempelbedrag</vet></al><al>Eventueel verschuldigde rente wordt na betaling van het totaalbedrag
                        berekend. Wanneer het totaalverschuldigde bedrag € 25 of minder bedraagt,
                        wordt geen rente in rekening gebracht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28a.</nr><titel>en artikel 28b Vergoeding van invorderingsrente</titel></kop><al>Er zijn in deze leidraad op <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=28a" struct="BWB">artikel
                            28a</extref> en <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=28b" struct="BWB">artikel 28b van de wet</extref> geen beleidsregels
                        gemaakt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28c</nr></kop><al>Er zijn in deze leidraad op <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=28c" struct="BWB">artikel 28c
                            van de wet</extref> geen beleidsregels gemaakt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29</nr><titel>Percentage invorderingsrente</titel></kop><al>Er zijn in deze leidraad op <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=29" struct="BWB">artikel 29 van
                            de wet</extref> geen beleidsregels gemaakt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30</nr><titel>Beschikking betalingskorting en invorderingsrente</titel></kop><al><extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=30" struct="BWB">Artikel 30
                            van de wet</extref> bepaalt dat de ontvanger het bedrag van de
                        betalingskorting en de invorderingsrente vaststelt bij een voor bezwaar
                        vatbare beschikking. Op deze beschikking is <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0002320" struct="BWB">hoofdstuk V van de
                            AWR</extref> van toepassing. De ontvanger kan geen betalingskorting
                        verlenen van belastingen.</al><al>In aansluiting op <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=30" struct="BWB">artikel 30 van de wet</extref> beschrijft dit artikel het
                        beleid over:</al><lijst><li nr="-"><al>beschikking terug te nemen betalingskorting;</al></li><li nr="-"><al>verzoek tot vermindering rente is bezwaar;</al></li><li nr="-"><al>betalingskorting en invorderingsrente: (hoger) beroep en
                                cassatie;</al></li><li nr="-"><al>teruggenomen betalingskorting en invorderingsrente: uitstel van
                                betaling;</al></li><li nr="-"><al>geen bezwaar mogelijk tegen de niet verleende betalingskorting.</al></li></lijst><al><vet>30.1.</vet><vet> Beschikking</vet><vet> terugnemen betalingskorting</vet><vet></vet></al><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor gemeenten.</al><al><vet>30.2.</vet><vet> Verzoek tot vermindering rente is bezwaar</vet></al><al>Een verzoek van de belastingschuldige tot vermindering van in rekening
                        gebrachte rente merkt de ontvanger aan als een bezwaarschrift.</al><al><vet>30.3.</vet><vet> Betalingskorting en invorderingsrente: (hoger) beroep en
                            cassatie</vet></al><al>Als de belastingschuldige in beroep gaat tegen de uitspraak op het bezwaar,
                        handelt de ontvanger overeenkomstig de voorschriften van het <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0031003" struct="BWB">Besluit beroep in
                            belastingzaken 2005</extref>, met dien verstande dat de ontvanger in een
                        procedure niet dezelfde stukken hoeft over te leggen als de inspecteur. De
                        ontvanger kan zich beperken tot de stukken die in de procedure over de
                        toepassing van de regeling betalingskorting dan wel invorderingsrente
                        relevant zijn.</al><al><vet>30.4.</vet><vet> Teruggenomen betalingskorting en invorderingsrente: uitstel van
                            betaling</vet></al><al>Het beleid omtrent teruggenomen betalingskorting is niet van toepassing voor
                        gemeenten.</al><al>Indiening van een bezwaar- of beroepschrift (in hoger beroep) schort de
                        verplichting om de invorderingsrente te betalen niet op. Als om uitstel van
                        betaling wordt verzocht is het beleid van artikel 25 van deze leidraad en
                        artikel 34 van de regeling van overeenkomstige toepassing.</al><al><vet>30.5.</vet><vet> Geen bezwaar mogelijk tegen de niet verleende betalingskorting</vet></al><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor gemeenten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31</nr><titel>en artikel 31a Afwijkingen betalingskorting en
                            invorderingsrente</titel></kop><al><cursief>Let op!</cursief></al><al><cursief>Het college kan een regeling vaststellen waarbij de ministeriële
                            regeling bedoeld in </cursief><extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004766&amp;artikel=31" struct="BWB"><cursief>artikel 31 van de wet</cursief></extref><cursief> (de Uitvoeringsregeling invorderingswet 1990) niet, dan wel
                            gedeeltelijk van toepassing is verklaard. De gemeente heeft de
                            bevoegdheid zelfstandig regels te stellen voor de, bij de berekening van
                            de invorderingsrente, toe te passen afrondingen en voor het niet in
                            rekening brengen van invorderingsrente die een bepaald bedrag niet te
                            boven gaat.</cursief></al><al>Voor de berekening en de afronding van invorderingsrente wordt <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004766" struct="BWB">Hoofdstuk III van de
                            Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990</extref> gehanteerd, met
                        uitzondering van <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004766&amp;artikel=33" struct="BWB">artikel 33 van die regeling</extref>. Artikel 33 regelt een
                        drempelbedrag wanneer geen invorderingsrente in rekening wordt gebracht;
                        hiervoor is in deze leidraad onder artikel 28.8 een afwijkende bepaling
                        opgenomen.</al><al>Verder zijn in deze leidraad op de <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=31" struct="BWB">artikelen
                            31</extref> en <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=31a" struct="BWB">artikel 31a van de wet</extref> geen beleidsregels
                        gemaakt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>32</nr><titel>Samenloop fiscale en civiele aansprakelijkheidsbepalingen</titel></kop><al><extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=32" struct="BWB"><cursief>Artikel 32 van de wet</cursief></extref><cursief> bepaalt dat naast de aansprakelijkheidsbepalingen die in </cursief><extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770" struct="BWB"><cursief>hoofdstuk VI van de wet</cursief></extref><cursief> zijn opgenomen, de ontvanger ook een beroep kan doen op
                            aansprakelijkheidsbepalingen in andere wettelijke regelingen. De
                            ontvanger kan dus ook een beroep doen op aansprakelijkheidsbepalingen
                            uit bijvoorbeeld het Burgerlijk Wetboek of het </cursief><extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0001838" struct="BWB"><cursief>Wetboek van Koophandel</cursief></extref><cursief>.</cursief></al><al>In aansluiting op <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=32" struct="BWB">artikel 32 van de wet</extref> beschrijft dit artikel het
                        beleid over:</al><lijst><li nr="-"><al>keuze aansprakelijkheid;</al></li><li nr="-"><al>gemeenschapsschulden en aansprakelijkheid.</al></li></lijst><al><vet>32.1.</vet><vet> Keuze aansprakelijkheid</vet></al><al>In situaties waarin de ontvanger feitelijk de keuze heeft tussen de
                        toepassing van zowel een aansprakelijkheidsbepaling uit de wet als een
                        aansprakelijkheidsbepaling uit het civiele recht, geldt in beginsel hetgeen
                        is vermeld in artikel 3.1 van deze leidraad.</al><al>In de belangenafweging die aan de aansprakelijkstelling voorafgaat, wordt in
                        beginsel doorslaggevend gewicht toegekend aan die aansprakelijkheidsbepaling
                        waarbij de aansprakelijke in de gelegenheid is zich te disculperen.</al><al><vet>32.2.</vet><vet> Gemeenschapsschulden</vet><vet> en aansprakelijkheid</vet></al><al>De ontvanger merkt een belastingschuld in principe aan als een
                        gemeenschapsschuld. De ontbinding van een goederengemeenschap ontheft de
                        echtgenoten niet van hun aansprakelijkheid voor gemeenschapsschulden die
                        zijn ontstaan vóór de ontbinding van de gemeenschap. Ieder van de
                        echtgenoten blijft aansprakelijk voor het geheel van de gemeenschapsschulden
                        waarvoor hij/zij voordien aansprakelijk was.</al><al><extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=33" struct="BWB">Artikel
                            33</extref> Aansprakelijkheid van bestuurder, leider vaste inrichting,
                        vaste vertegenwoordiger<vet> en vereffenaar voor alle belastingen</vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33</nr><titel>van de wet bevat hoofdelijke aansprakelijkheidsregels die gelden voor
                            de invordering van alle (rijks)belastingen.</titel></kop><al>Deze regels dienen ertoe om, als op het in dit artikel genoemde lichaam geen
                        verhaal meer kan worden uitgeoefend, die personen voor de nog verschuldigde
                        belasting aan te spreken, die in een nauwe betrekking staan of stonden tot
                        het desbetreffende lichaam en invloed (hadden) kunnen uitoefenen op het
                        betalen van de belastingschulden.</al><al>In aansluiting op <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=33" struct="BWB">artikel 33 van de wet</extref> beschrijft dit artikel het
                        beleid over:</al><lijst><li nr="-"><al>leider vaste inrichting en vaste vertegenwoordiger;</al></li><li nr="-"><al>feitelijke vestiging;</al></li><li nr="-"><al>lichaam dat is ontbonden;</al></li><li nr="-"><al>vereffenaar;</al></li><li nr="-"><al>bestuurder;</al></li><li nr="-"><al>gewezen bestuurder.</al></li></lijst><al><vet>33.1.</vet><vet> Leider vaste inrichting en vaste vertegenwoordiger</vet><vet> bij aansprakelijkheid</vet></al><al>De begrippen ‘vaste inrichting’ en ‘vaste vertegenwoordiger’ zijn dezelfde
                        als bij de heffing van de diverse belastingen.</al><al><vet>33.2.</vet><vet> Feitelijke vestiging</vet><vet> bij aansprakelijkheid</vet></al><al>Het begrip 'gevestigd' in <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=33" struct="BWB">artikel 33,
                            eerste lid, onderdeel b, van de wet</extref>, heeft een feitelijke
                        betekenis. Waar een lichaam is gevestigd, moet worden beoordeeld naar de
                        omstandigheden van het geval.</al><al>De ontvanger moet hierbij aansluiting zoeken bij het materiële
                        vestigingsbegrip van <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0002320&amp;artikel=4" struct="BWB">artikel 4, eerste lid, van de AWR</extref>.</al><al><vet>33.3.</vet><vet> Lichaam dat is ontbonden</vet><vet> bij aansprakelijkheid</vet></al><al>De ontbinding van het lichaam waarop <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=33" struct="BWB">artikel 33,
                            eerste lid, onderdeel c, van de wet</extref> doelt, kan - behalve op
                        grond van de verschillende formele ontbindingsbepalingen - onder
                        omstandigheden ook worden afgeleid uit handelingen van vennoten of organen
                        van rechtspersonen.</al><al>Voor de berekening van de driejaarstermijn wordt de stilzwijgende ontbinding
                        - bedoeld in de vorige volzin - geacht zich te hebben voltrokken ten tijde
                        van het verrichten van de handelingen.</al><al>Als ontbinding kan niet worden aangemerkt het feitelijk staken van de
                        bedrijfsuitoefening en/of het voortzetten van de activiteiten van de
                        vennootschap in een andere rechtsvorm, het zogenaamde 'leeg' maken van het
                        lichaam.</al><al><vet>33.4.</vet><vet> Vereffenaar</vet><vet> bij aansprakelijkheid</vet></al><al>Niet alleen degene die met de vereffening is belast, is aansprakelijk op
                        grond van <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=33" struct="BWB">artikel 33, eerste lid, onderdeel c, van de wet</extref>, maar ook
                        degene die feitelijk als vereffenaar is opgetreden zonder dat van een
                        uitdrukkelijke lastgeving sprake is.</al><al>De ontvanger moet aannemelijk maken dat het niet-betalen van de
                        belastingschuld is te wijten aan kennelijk onbehoorlijk bestuur van de
                        vereffenaar. De betekenis van het begrip kennelijk onbehoorlijk bestuur in
                        dit lid is dezelfde als in artikel 36 van de wet.</al><al><vet>33.5.</vet><vet> Bestuurder</vet><vet> bij aansprakelijkheid</vet></al><al>Voor de toepassing van <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=33" struct="BWB">artikel 33, eerste lid, onderdeel a, van de wet</extref>
                        wordt als bestuurder niet alleen degene aangemerkt die als zodanig in het
                        Handelsregister staat ingeschreven. Ook wordt als bestuurder aangemerkt
                        degene die zich feitelijk als bestuurder heeft gedragen.</al><al><vet>33.6.</vet><vet> Gewezen bestuurder</vet><vet> bij aansprakelijkheid</vet></al><al>De ontvanger kan de gewezen bestuurder aansprakelijk stellen voor de
                        belastingschuld waarvoor hij ten tijde van zijn bestuursperiode hoofdelijk
                        aansprakelijk was, te weten de schuld die in deze periode materieel is
                        ontstaan.</al><al><vet>33.7.</vet><vet> Disculpatie bestuurders, leiders en vaste vertegenwoordigers</vet></al><al>Bestuurders van lichamen zonder rechtspersoonlijkheid of van een
                        rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam dat niet volledig rechtsbevoegd is
                        alsmede leiders van een vaste inrichting van een niet in Nederland gevestigd
                        lichaam dan wel de in Nederland wonende of gevestigde vaste
                        vertegenwoordiger van dat lichaam, zijn niet aansprakelijk voor zover zij
                        bewijzen dat de niet-betaling niet aan hen is te wijten.</al><al>Niet-verwijtbaarheid wordt naar redelijkheid en billijkheid beoordeeld,
                        waarbij veel afhankelijk is van de feitelijke omstandigheden. Zo kan van
                        niet-verwijtbaarheid sprake zijn als een ondernemer, hoewel hij de nodige
                        voorzieningen heeft getroffen om eventuele tegenslagen in zijn bedrijf het
                        hoofd te bieden, toch wordt geconfronteerd met niet te voorziene
                        calamiteiten. Daaronder is begrepen een sterk verslechterde economische
                        situatie van zodanige omvang dat hij ondanks zijn voorzorgen niet meer in
                        staat is zijn betalingsverplichtingen na te komen.</al><al>Ook kan plotseling betalingsonmacht ontstaan door een bijzondere
                        gebeurtenis, bijvoorbeeld een niet voorzienbare, omvangrijke miscalculatie
                        of door het faillissement van een belangrijke debiteur. Bij dit laatste
                        geldt echter dat een ondernemer die zijn bedrijf uitoefent op een te zwakke
                        financiële basis zich niet gemakkelijk op niet-verwijtbaarheid zal kunnen
                        beroepen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>34</nr><titel>tot en met 47 Specifieke aansprakelijkheidbepalingen voor
                            Rijksbelastingen</titel></kop><al>Deze bepalingen zijn niet van toepassing voor gemeenten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>48</nr><titel>Beperking aansprakelijkheid van erfgenamen</titel></kop><al><extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=48" struct="BWB"><cursief>Artikel 48 van de wet</cursief></extref><cursief> regelt niet de aansprakelijkheid van de erfgenaam, maar geeft aan
                            dat de erfgenaam - als rechtsopvolger van de erflater - niet voor alle
                            belastingaanslagen voor het volle bedrag zal worden
                            aangesproken.</cursief></al><al>In aansluiting op <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=48" struct="BWB">artikel 48 van de wet</extref> beschrijft dit artikel het
                        beleid over:</al><lijst><li nr="-"><al>beneficiaire aanvaarding;</al></li><li nr="-"><al>invordering ten laste van een erfgenaam blijft achterwege.</al></li></lijst><al><vet>48.1.</vet><vet> Beneficiaire aanvaarding</vet></al><al>Als een nalatenschap onder het voorrecht van boedelbeschrijving is aanvaard,
                        wordt de vereffening van de boedel afgewacht, met dien verstande dat de
                        ontvanger maatregelen neemt ter beveiliging van zijn rechten (zie echter ook
                        artikel 14.1.3 van deze leidraad).</al><al>Aantasting van het vermogen van de erfgenamen blijft uiteraard
                        achterwege.</al><al><vet>48.2.</vet><vet> Invordering ten laste van een erfgenaam</vet><vet> blijft achterwege</vet></al><al>Als voor een belastingaanslag ten name van een overledene niet meer tegen de
                        gezamenlijke erfgenamen kan worden opgetreden, blijft invordering ten laste
                        van een erfgenaam slechts onder bijzondere omstandigheden achterwege.</al><al>Er kan aanleiding bestaan een gering restbedrag op tactische gronden buiten
                        invordering te laten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>48a</nr><titel>Aansprakelijkheid van derden voor uitbetaalde bedragen
                            inkomstenbelasting of omzetbelasting</titel></kop><al>Dit artikel is niet van toepassing voor gemeenten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>49</nr><titel>Formele bepalingen voor aansprakelijkstelling</titel></kop><al><extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=49" struct="BWB"><cursief>Artikel 49 van de wet</cursief></extref><cursief> regelt de formele bepalingen voor aansprakelijkstellingen. Het
                            geeft aan op welke wijze een materiële aansprakelijkheid wordt omgezet
                            in een formele aansprakelijkstelling. De bepalingen gelden niet alleen
                            voor de in de wet opgenomen aansprakelijkheidsregels, maar gelden ook
                            voor de aansprakelijkheid in enige andere wettelijke regeling,
                            bijvoorbeeld in het Burgerlijk Wetboek en het </cursief><extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0001838" struct="BWB"><cursief>Wetboek van Koophandel</cursief></extref><cursief>.</cursief></al><al><cursief>De aansprakelijkstelling vindt plaats bij voor bezwaar vatbare
                            beschikking, en wel afzonderlijk voor een ieder die aansprakelijk wordt
                            gesteld.</cursief></al><al>In aansluiting op <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=49" struct="BWB">artikel 49 van de wet</extref> beschrijft dit artikel het
                        beleid over:</al><lijst><li nr="-"><al>aansprakelijkstelling voor bestuurlijke boete;</al></li><li nr="-"><al>aansprakelijkstelling voor invorderingsrente;</al></li><li nr="-"><al>vooraankondiging aansprakelijkstelling;</al></li><li nr="-"><al>de aansprakelijkstelling - in gebreke zijn;</al></li><li nr="-"><al>informatieverstrekking in beschikking aansprakelijkstelling keten-
                                en inlenersaansprakelijkheid;</al></li><li nr="-"><al>informatieverstrekking aan aansprakelijkgestelden;</al></li><li nr="-"><al>eerst uitwinning belastingschuldige;</al></li><li nr="-"><al>volgorde van aansprakelijkstellen;</al></li><li nr="-"><al>bezwaar en uitstel van betaling;</al></li><li nr="-"><al>overgangsrecht.</al></li></lijst><al><vet>49.1.</vet><vet> Aansprakelijkstelling voor bestuurlijke boete</vet></al><al>De ontvanger kan de beschikking aansprakelijkstelling voor de bestuurlijke
                        boete opnemen in dezelfde brief waarbij hij ook de beschikking voor de
                        aansprakelijkstelling voor de belastingschuld bekendmaakt. De ontvanger moet
                        dan in de beschikking de gronden vermelden waarop de aansprakelijkstelling
                        voor de boete berust.</al><al>Als geen gebruik wordt gemaakt van de gelegenheid om de gronden, waarop het
                        voornemen tot een aansprakelijkstelling voor de vergrijpboete berust, te
                        betwisten of de ontvanger is van oordeel dat de betwisting van de
                        aansprakelijke ongegrond is, dan zal hij de derde daarvan op de hoogte
                        stellen en overgaan tot aansprakelijkstelling voor de bestuurlijke boete op
                        de voet van <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=49" struct="BWB">artikel 49, eerste lid, van de wet</extref>.</al><al><vet>49.2a. Vooraankondiging aansprakelijkstelling</vet></al><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al><al><vet>49.2.</vet><vet> Aansprakelijkstelling voor invorderingsrente</vet></al><al>Als aan de aansprakelijkgestelde invorderingsrente in rekening moet worden
                        gebracht, dan wordt de rente berekend over het bedrag waarvoor hij
                        aansprakelijk is gesteld.</al><al>Voor zover in het bedrag van de aansprakelijkstellingsbeschikking tevens een
                        bedrag aan invorderingsrente is opgenomen, wordt over dat bedrag geen rente
                        in rekening gebracht.</al><al><vet>49.3.</vet><vet> De aansprakelijkstelling</vet><vet> - in gebreke zijn</vet></al><al><vet>49.3.1.</vet><vet> Wanneer in gebreke</vet></al><al>De belastingschuldige is in gebreke als de betaling van zijn belastingschuld
                        niet heeft plaatsgevonden binnen de betalingstermijn die voor de
                        belastingaanslag geldt.</al><al><vet>49.3.2.</vet><vet> In gebreke zijn en versnelde invordering</vet></al><al>De belastingschuldige wordt ook geacht in gebreke te zijn als de
                        belastingaanslag op grond van <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=10" struct="BWB">artikel 10 van
                            de wet</extref> terstond invorderbaar is.</al><al><vet>49.3.3.</vet><vet> In gebreke zijn en een beschikking ‘geen verdere
                            invorderingsmaatregelen’</vet></al><al>Als de ontvanger aan de belastingschuldige een beschikking heeft gestuurd
                        waarin hij toezegt geen verdere invorderingsmaatregelen tegen de
                        belastingschuldige meer te nemen, kan een derde voor de desbetreffende
                        belastingschuld niettemin aansprakelijk worden gesteld, mits die
                        mogelijkheid uitdrukkelijk in de beschikking is vermeld.</al><al><vet>49.4.</vet><vet> Informatieverstrekking in beschikking
                            aansprakelijkstelling keten- en</vet> inlenersaansprakelijkheid</al><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor gemeenten.</al><al><vet>49.5.</vet><vet> Informatieverstrekking aan aansprakelijkgestelden</vet></al><al>Op grond van het bepaalde in <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=49" struct="BWB">artikel 49,
                            zesde lid, van de wet</extref> moet de ontvanger de
                        aansprakelijkgestelde desgevraagd op de hoogte stellen van de gegevens over
                        de belasting waarvoor hij aansprakelijk is gesteld.</al><al>Tot de gegevens die op grond van genoemde bepaling moeten worden verstrekt,
                        behoren in elk geval de stukken die op de zaak betrekking hebben als bedoeld
                        in de artikelen 7:4 en <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0005537&amp;artikel=8:42" struct="BWB">8:42
                            Awb</extref>. Hieronder worden verstaan alle stukken die bij het nemen
                        van het besluit een rol hebben gespeeld. Naast de gegevens die zijn
                        vastgelegd in de genoemde stukken moeten desgevraagd ook andere gegevens
                        worden verstrekt, mits die gegevens redelijkerwijs van belang kunnen worden
                        geacht voor het maken van bezwaar of het instellen van beroep.</al><al>De gegevens worden - na een daartoe strekkend verzoek van de aansprakelijk
                        gestelde - vooruitlopend op het indienen van een bezwaarschrift of op het
                        instellen van beroep verstrekt.</al><al>Hoewel <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=49" struct="BWB">artikel 49, zesde lid, van de wet</extref> betrekking heeft op de
                        gegevens over de belasting, is goedgekeurd dat de gegevensverstrekking zich
                        daartoe niet beperkt, maar mede betrekking heeft op (alle) andere aspecten
                        van de aansprakelijkheidsbeslissing. Voorwaarde is wel dat deze gegevens
                        hetzij gerekend kunnen worden tot de stukken die op de zaak betrekking
                        hebben als hiervoor genoemd, hetzij redelijkerwijs van belang kunnen worden
                        geacht voor het maken van bezwaar tegen de aansprakelijkheidsbeschikking of
                        het instellen van beroep tegen daarop volgende beslissingen.</al><al><vet>49.6.</vet><vet> Aansprakelijkheid: eerst uitwinning belastingschuldige</vet></al><al>De ontvanger zal zich in beginsel eerst verhalen op vermogensbestanddelen
                        van de belastingschuldige voordat hij overgaat tot uitwinning van de
                        vermogensbestanddelen van de aansprakelijkgestelde, tenzij zich een situatie
                        voordoet als bedoeld in artikel 14.1.4, laatste volzin, van de
                        leidraad.</al><al><vet>49.7.</vet><vet> Volgorde van aansprakelijkstellen</vet></al><al>Als de ontvanger een derde aansprakelijk kan stellen op grond van meer dan
                        één fiscale of civielrechtelijke aansprakelijkheidsbepaling, dan hoeft hij
                        daarbij geen volgorde in acht te nemen. Hetzelfde geldt als de ontvanger
                        verscheidene derden op grond van dezelfde dan wel op grond van verschillende
                        aansprakelijkheidsbepalingen aansprakelijk kan stellen.</al><al>Dit geldt niet in de gevallen waarvoor in de wet of deze leidraad anders is
                        bepaald.</al><al><vet>49.8.</vet><vet> Bezwaar, beroep, hoger beroep en beroep in cassatie tegen de
                            beschikking aansprakelijkstelling</vet></al><al><vet>49.8.1.</vet><vet> Bezwaar en uitstel van betaling</vet></al><al>Een bezwaarschrift tegen de beschikking aansprakelijkstelling wordt tevens
                        aangemerkt als een verzoek om uitstel van betaling.</al><al><vet>49.8.2.</vet><vet> [vervallen]</vet></al><al><vet>49.9.</vet><vet> Overgangsrecht</vet></al><al><vet>49.9.1.</vet><vet> Bij civiele procedure geen invordering of verrekening</vet></al><al>Tijdens de civiele procedure volgend op een betwisting op grond van het tot
                        1 december 2002 geldende recht vinden geen invorderingsmaatregelen plaats.
                        Bij vrees voor onverhaalbaarheid kunnen wel conservatoire maatregelen worden
                        genomen.</al><al>Eveneens vindt tijdens de civiele procedure geen verrekening plaats van uit
                        te betalen bedragen ten name van de aansprakelijkgestelde met een
                        aansprakelijkheidsschuld. Bij vrees voor onverhaalbaarheid kan conservatoir
                        beslag worden gelegd op het uit te betalen bedrag.</al><al><vet>49.9.2.</vet><vet> Wijziging eis</vet></al><al>De ontvanger wijzigt zijn eis als in de fiscale procedure die de
                        belastingschuldige voert een onherroepelijke uitspraak is gedaan met
                        betrekking tot de hoogte van de belastingaanslag die leidt tot aanpassing
                        van het bedrag van de aansprakelijkheidsschuld, en <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=50" struct="BWB">artikel 50,
                            zesde lid, van de wet</extref> (oud) van toepassing is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>50</nr><titel>Bezwaar en beroep bij aansprakelijkheid</titel></kop><al>Vervallen (per 01-12-2002).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>51</nr><titel>Conservatoir beslag bij aansprakelijkheid</titel></kop><al><cursief>De versnelde invordering op grond van de </cursief><extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=10" struct="BWB"><cursief>artikelen 10</cursief></extref><cursief> en </cursief><extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=15" struct="BWB"><cursief>15 van de wet</cursief></extref><cursief> is niet van toepassing op een aansprakelijkgestelde. Wel heeft de
                            ontvanger de mogelijkheid om conservatoir beslag te leggen op grond van </cursief><extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=51" struct="BWB"><cursief>artikel 51 van de wet</cursief></extref><cursief> met toepassing van de regels van het </cursief><extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0001827" struct="BWB"><cursief>Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering</cursief></extref><cursief>.</cursief></al><al>In aansluiting op <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=51" struct="BWB">artikel 51 van de wet</extref> beschrijft dit artikel het
                        beleid over conservatoir beslag en uitstel in verband met bezwaar.</al><al><vet>51.1.</vet><vet> Conservatoir beslag en uitstel in verband met bezwaar</vet></al><al>Als er conservatoir beslag ligt en de aansprakelijkgestelde verzoekt om
                        uitstel van betaling in verband met een bezwaar tegen de beschikking, dan
                        verleent de ontvanger alleen uitstel van betaling als er zekerheid wordt
                        gesteld.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>52</nr><titel>Betalingstermijn beschikking aansprakelijkstelling</titel></kop><al><cursief>Op grond van </cursief><extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=52" struct="BWB"><cursief>artikel 52, eerste lid, van de wet</cursief></extref><cursief> heeft de aansprakelijkgestelde een betalingstermijn van zes weken
                            na dagtekening van de beschikking van de
                            aansprakelijkstelling.</cursief></al><al><cursief>Als na het verstrijken van deze termijn geen betaling heeft
                            plaatsgevonden en geen bezwaarschrift tegen de beschikking is ingediend,
                            is het in de beschikking vermelde bedrag invorderbaar.</cursief></al><al>In aansluiting op <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=52" struct="BWB">artikel 52 van de wet</extref> beschrijft dit artikel het
                        beleid over vermindering van de belastingaanslag.</al><al><vet>52.1.</vet><vet> Vermindering van de belastingaanslag en aansprakelijkstelling</vet></al><al>Als de inspecteur de aanslag vermindert, past de ontvanger het bedrag van de
                        aansprakelijkstellingsbeschikking aan voor zover dat voortvloeit uit de
                        vermindering en deelt dat mee aan de aansprakelijkgestelde.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>53</nr><titel>Aansprakelijkheid: verhaalsrechten en kwijtschelding</titel></kop><al>In aansluiting op artikel 53 van de wet beschrijft dit artikel het beleid
                        over:</al><lijst><li nr="-"><al>geen zelfstandige verjaring van de aansprakelijkheidsschuld;</al></li><li nr="-"><al>ontslag van betalingsverplichting aansprakelijk gestelde bestuurder
                                en verwijtbaarheid.</al></li></lijst><al><vet>53.1.</vet><vet> Geen zelfstandige verjaring van de aansprakelijkheidsschuld</vet></al><al>Een aansprakelijkheidsschuld (beschikking ex <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=49" struct="BWB">artikel 49 van
                            de wet</extref>) is niet voor zelfstandige verjaring vatbaar. Door
                        verjaring van de belastingaanslag waarvoor aansprakelijk is gesteld, eindigt
                        ook het recht van dwanginvordering en verrekening van de
                        aansprakelijkheidsvordering.</al><al><vet>53.2 Ontslag van betalingsverplichting aansprakelijk gestelde
                            bestuurder en verwijtbaarheid</vet></al><al>De ontvanger verleent geen ontslag van betalingsverplichting als sprake is
                        van verwijtbaarheid van de kant van de aansprakelijk gestelde. Dit volgt uit
                        artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de regeling. De vraag of sprake is
                        van verwijtbaarheid beoordeelt de ontvanger op basis van gedragingen van de
                        aansprakelijk gestelde. Dit betekent dat als de aansprakelijkstelling van
                        een bestuurder is gebaseerd op artikel 36, vierde lid, van de wet, het
                        enkele feit dat het lichaam niet op de juiste wijze heeft gemeld niet in de
                        weg hoeft te staan aan ontslag van betalingsverplichting.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>54</nr><titel>Mededeling aan de aansprakelijkgestelde</titel></kop><al>In aansluiting op <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=54" struct="BWB">artikel 54 van de wet</extref> beschrijft dit artikel het
                        beleid over het aanhouden van de betaling van een teruggaaf bij
                        aansprakelijkstelling.</al><al>In aansluiting op <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=54" struct="BWB">artikel 54 van de wet</extref> beschrijft dit artikel het
                        beleid over geen zelfstandige verjaring van de
                        aansprakelijkheidsschuld.</al><al><vet>54.1.</vet><vet> Betaling teruggaaf aanhouden bij aansprakelijkstelling</vet></al><al>De ontvanger houdt de betaling van de teruggaaf - als bedoeld in <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=54" struct="BWB">artikel 54,
                            eerste lid, van de wet</extref> - aan gedurende vier weken na de
                        dagtekening van de schriftelijke mededeling aan de belastingschuldige.</al><al>In deze periode kan de belastingschuldige - als de derde zich al voor de
                        aansprakelijkheidsschuld op hem heeft verhaald - derdenbeslag leggen onder
                        de ontvanger op het bedrag van de teruggaaf. In de derdenbeslagprocedure zal
                        worden uitgemaakt aan wie de ontvanger het bedrag van de teruggaaf moet
                        betalen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>55</nr><titel>tot en met 57 Keten- en bestuurdersaansprakelijkheid</titel></kop><al>Deze bepalingen zijn niet van toepassing voor gemeenten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>58</nr><titel>Informatieverplichtingen van de belastingschuldige of de
                            aansprakelijkgestelde</titel></kop><al><extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=58" struct="BWB"><cursief>Artikel 58 van de wet</cursief></extref><cursief> regelt de verplichting voor de belastingschuldige en de
                            aansprakelijkgestelde tot het verstrekken van gegevens en inlichtingen
                            en het ter beschikking stellen van gegevensdragers die voor de
                            invordering van de 'eigen' belastingschulden van belang zijn.</cursief></al><al><cursief>Verder regelt </cursief><extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=58" struct="BWB"><cursief>artikel 58 van de wet</cursief></extref><cursief> de identificatieverplichting tegenover de ontvanger.</cursief></al><al><cursief>Onder de gegevens die voor de invordering van de 'eigen'
                            belastingschulden van de belastingschuldige van belang zijn, vallen ook
                            de gegevens die de ontvanger nodig heeft om te beoordelen of hij
                            mogelijk derden aansprakelijk kan stellen.</cursief></al><al>In aansluiting op <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=58" struct="BWB">artikel 58 van de wet</extref> beschrijft dit artikel het
                        beleid over:</al><lijst><li nr="-"><al>geen invorderingsonderzoek tijdens een gerechtelijke procedure;</al></li><li nr="-"><al>gegevens voor invordering ‘eigen’ belastingschulden.</al></li></lijst><al><vet>58.1.</vet><vet> Geen invorderingsonderzoek tijdens een gerechtelijke procedure</vet></al><al>Het is de ontvanger niet toegestaan een invorderingsonderzoek te doen
                        instellen, nadat de rechter de ontvanger in de gelegenheid heeft gesteld
                        bewijs te leveren voor in een procedure aangevoerde stellingen, indien en
                        voor zover dat onderzoek wordt ingesteld om gegevens te verwerven om dat
                        bewijs te kunnen leveren.</al><al><vet>58.2 </vet><vet> Gegevens voor invordering van ‘eigen’ belastingschulden</vet></al><al>Onder gegevens die voor de invordering van de ‘eigen’ belastingschulden van
                        de belastingschuldige van belang zijn, vallen ook de gegevens die de
                        ontvanger nodig heeft om te beoordelen of hij mogelijk derden aansprakelijk
                        kan stellen.</al><al><vet>58.3. </vet><vet> Invorderingsonderzoek tijdens faillissement</vet></al><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor gemeenten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>59</nr><titel>Informatieverplichting: gegevensdragers bij een derde</titel></kop><al>Op grond van <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=249" struct="BWB">artikel 249 van de Gemeentewet</extref> is <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=59" struct="BWB">artikel 59 van
                            de wet</extref> niet van toepassing bij de invordering van gemeentelijke
                        belastingen. </al><al><cursief>Artikel 59 legt aan degene die de boekhouding of gegevens van de
                            belastingschuldige of aansprakelijkgestelde (bij)houdt de verplichting
                            op de gevraagde gegevens aan de ontvanger van de rijksbelastingdienst te
                            verstrekken. Het artikel kan op grond van </cursief><extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=246a" struct="BWB"><cursief>artikel 246a van de Gemeentewet</cursief></extref><cursief> bij algemene maatregel van bestuur geheel of gedeeltelijk van
                            toepassing worden verklaard voor gemeentelijke belastingen. In de
                            betreffende algemene maatregel van bestuur, het </cursief><extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0007466" struct="BWB"><cursief>Besluit gegevensverstrekking gemeentelijke
                                belastingheffing</cursief></extref><cursief> (Stb. 1995, 346) is ten aanzien van de invordering geen bepaling
                            opgenomen die overeenkomt met artikel 59. In </cursief><extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0007466&amp;artikel=7" struct="BWB"><cursief>artikel 7 van het Besluit gegevensverstrekking</cursief></extref><cursief> is alleen bepaald dat de rijksbelastingdienst desgevraagd gegevens
                            en inlichtingen moet verstrekken over de inkomens- en vermogenspositie
                            van de belastingschuldige die een verzoek om kwijtschelding van
                            gemeentelijke belasting heeft gedaan op de voet van </cursief><extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=26" struct="BWB"><cursief>artikel 26 van de wet</cursief></extref><cursief>. Bij de beoordeling van een ingediend kwijtscheldingsverzoek
                            kunnen de opgegeven inkomens- en vermogensgegevens worden geverifieerd
                            bij de rijksbelastingdienst.</cursief></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>60</nr><titel>Formele bepalingen voor de informatieverplichtingen</titel></kop><al><extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=60" struct="BWB"><cursief>Artikel 60 van de wet</cursief></extref><cursief> regelt de formele bepalingen voor de
                            informatieverplichtingen.</cursief></al><al>In aansluiting op <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=60" struct="BWB">artikel 60 van de wet</extref> beschrijft dit artikel het
                        beleid over:</al><lijst><li nr="-"><al>het stellen van een redelijke termijn voor verstrekken van
                                informatie;</al></li><li nr="-"><al>de kwaliteit van de gegevens en wijze van verstrekking of
                                beschikbaar stellen.</al></li></lijst><al><vet>60.1.</vet><vet> Redelijke termijn voor verstrekken van informatie</vet></al><al>De ontvanger stelt een redelijke termijn voor het verstrekken van de
                        gegevens en inlichtingen of het ter beschikking stellen van de
                        gegevensdragers.</al><al>Als de ontvanger belang heeft bij een spoedige verstrekking of
                        beschikbaarstelling kan deze termijn ook terstond zijn.</al><al><vet>60.2.</vet><vet> Kwaliteit van de gegevens en wijze van verstrekking of beschikbaar
                            stellen</vet></al><al>Als de opgevraagde gegevens niet duidelijk, stellig en zonder voorbehoud
                        worden verstrekt, herhaalt de ontvanger zijn verzoek en vordert hij op basis
                        van <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=60" struct="BWB">artikel 60, eerste lid, van de wet</extref> correcte en concrete
                        gegevens.</al><al>Als de gegevens ook na herhaald verzoek niet voldoen aan de gestelde eisen,
                        beoordeelt de ontvanger of hij een civiele procedure begint of de
                        strafsancties van <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770" struct="BWB">Hoofdstuk VIII van de wet</extref> toepast.</al><al>Aan de belastingschuldige die niet voldoet aan de verplichting van <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=60" struct="BWB">artikel 60,
                            tweede lid, van de wet</extref>, kan de ontvanger een verzuimboete als
                        bedoeld in <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=63b" struct="BWB">artikel 63b, tweede lid, van de wet</extref> opleggen.</al><al>Gegevensverstrekking vindt in beginsel uitsluitend schriftelijk plaats. In
                        uitzonderingssituaties kan de ontvanger toestaan dat de gegevens mondeling
                        worden verstrekt. In verband met de bewijsvoering zorgt de ontvanger voor
                        een vastlegging van het gesprek.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>61</nr><titel>Geen geheimhoudingsplicht bij de informatieverplichtingen</titel></kop><al><extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=61" struct="BWB"><cursief>Artikel 61 van de wet</cursief></extref><cursief> bepaalt voor de in de artikelen 58, 59 en </cursief><extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=60" struct="BWB"><cursief>60 van de wet</cursief></extref><cursief> opgenomen verplichtingen dat niemand zich op geheimhouding kan
                            beroepen, zelfs niet als die geheimhoudingsverplichting bij wettelijk
                            voorschrift zou zijn opgelegd.</cursief></al><al>In aansluiting op <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=61" struct="BWB">artikel 61 van de wet</extref> beschrijft dit artikel het
                        beleid over niet van de administratie gescheiden (beroeps-)vertrouwelijke
                        gegevens.</al><al><vet>61.1.</vet><vet> Niet van de administratie gescheiden (beroeps-) vertrouwelijke
                            gegevens</vet></al><al>De ontvanger heeft alleen belang bij die gegevens en inlichtingen en
                        gegevensdragers die hem inzicht verschaffen in de financiële positie van de
                        belastingschuldige.</al><al>Doorgaans zijn de beroepsvertrouwelijke gegevens en de financiële gegevens
                        gescheiden. Als het onvermijdelijk is dat de ontvanger privacygegevens onder
                        ogen krijgt, vormt dit geen grond om de verstrekking van gegevens of de
                        beschikbaarstelling van gegevensdragers te weigeren. De ontvanger is op
                        grond van <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=67" struct="BWB">artikel 67, eerste lid, van de wet</extref> gehouden tot geheimhouding
                        van die gegevens.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>62</nr><titel>Informatieverplichtingen van de administratieplichtige</titel></kop><al>Op grond van <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=249" struct="BWB">artikel 249 van de Gemeentewet</extref> is <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=62" struct="BWB">artikel 62 van
                            de wet</extref> niet van toepassing bij de invordering van gemeentelijke
                        belastingen.</al><al><extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=62" struct="BWB"><cursief>Artikel 62 van de wet</cursief></extref><cursief> legt aan derden de verplichting op om gegevens en inlichtingen die
                            voor de invordering van belang kunnen zijn te verstrekken aan de
                            ontvanger van de rijksbelastingdienst. In </cursief><extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=246a" struct="BWB"><cursief>artikel 246a van de Gemeentewet</cursief></extref><cursief> is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur regels kunnen
                            worden gesteld om de artikelen 59 en </cursief><extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=62" struct="BWB"><cursief>62 van de Invorderingswet 1990</cursief></extref><cursief> geheel of gedeeltelijk van toepassing te verklaren of een
                            overeenkomstige bepaling vast te stellen. In de betreffende algemene
                            maatregel van bestuur, het </cursief><extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0007466" struct="BWB"><cursief>Besluit gegevensverstrekking gemeentelijke
                                belastingheffing</cursief></extref><cursief> is ten aanzien van de invordering geen bepaling opgenomen die
                            overeenkomt met artikel 62. In een aantal gevallen kunnen gemeenten
                            echter toch gebruik maken van inlichtingen van derden. Het kan daarbij
                            gaan om de volgende gevallen:</cursief></al><lijst><li nr="-"><al><cursief>Verschaffing inlichtingen door de rijksbelastingdienst. De
                                    Staatssecretaris van Financiën heeft in onderdeel 2.1.1.3 van
                                    het Voorschrift informatieverstrekking 1993 bepaald dat aan
                                    gemeenten desgevraagd informatie wordt verstrekt voor zover die
                                    zijn belast met de uitvoering van de belastingwet of invordering
                                    op basis van de </cursief><extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770" struct="BWB"><cursief>Invorderingswet 1990</cursief></extref><cursief>. Op grond van dit voorschrift kunnen aan de
                                    rijksbelastingdienst ten aanzien van een derde bijvoorbeeld
                                    gegevens over werkgevers of uitkerende instanties worden
                                    gevraagd indien een beslag op loon of uitkering wordt overwogen.
                                    Opgemerkt wordt dat het voorschrift geen wettelijke verplichting
                                    aan de rijksbelastingdienst oplegt tot het verstrekken van
                                    inlichtingen.</cursief></al></li><li nr="-"><al><cursief>Inlichtingenplicht derden op grond van </cursief><extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0001827&amp;artikel=475g" struct="BWB"><cursief>artikel 475g Rv</cursief></extref><cursief>.</cursief></al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>62bis</nr></kop><al>Artikel 62bis is niet van toepassing voor gemeenten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>62a</nr><titel>Onrechtmatig opgelegde verplichting</titel></kop><al>Er zijn in deze leidraad op <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=62a" struct="BWB">artikel 62a
                            van de wet</extref> geen beleidsregels gemaakt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>63</nr><titel>en 63a Beroep op geheimhouding en verplichtingen jegens ontvanger en
                            medewerker invordering</titel></kop><al>Er zijn in deze leidraad op de artikelen 63 en <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=63a" struct="BWB">63a van de
                            wet</extref> geen beleidsregels gemaakt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>63b</nr><titel>Bestuurlijke boeten</titel></kop><al>In aansluiting op <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=63b" struct="BWB">artikel 63b van de wet</extref> beschrijft dit artikel het
                        beleid over:</al><al>algemene uitgangspunten;</al><al>betalingsverzuim bij aanslagbelastingen;</al><al>verplichting toe te laten dat kopieën e.d. worden gemaakt.</al><al>Zolang de gemeente geen besluit heeft genomen dit artikel toe te passen,
                        kunnen nog geen bestuurlijke boetes op grond van <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=63b" struct="BWB">artikel 63b
                            IW1990</extref> toe worden gepast.</al><al><vet>63b.1. </vet><vet> Algemene uitgangspunten</vet></al><al>Bij het opleggen van bestuurlijke verzuimboeten op grond van <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770" struct="BWB">hoofdstuk VIIA van de
                            wet</extref> zijn, naast de bepalingen van de <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0002320" struct="BWB">AWR</extref> die in <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=63b" struct="BWB">artikelen 63b
                            van de wet</extref> worden genoemd, de voorschriften van <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0005537" struct="BWB">titel 5.1 en titel 5.4 van de
                            Awb</extref> van toepassing. Ook zijn de algemene bepalingen van de
                        Beleidsregels bestuurlijke boeten gemeentelijke belastingen van toepassing,
                        voor zover deze een invulling geven aan het geldende wettelijke kader.</al><al><vet>63b.2. </vet><vet> Betalingsverzuim bij aanslagbelastingen</vet></al><al>Voor het opleggen van de boete wordt een systematiek gehanteerd waarbij de
                        boete wordt gerelateerd aan de hoogte van de niet, gedeeltelijk niet of niet
                        binnen de termijn betaalde belasting.</al><al>Ter zake van een verzuim als bedoeld in <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=63b" struct="BWB">artikel 63b,
                            eerste lid, van de wet</extref> kan de ontvanger een boete opleggen van
                        5 procent van de niet, gedeeltelijk niet of niet binnen de termijn betaalde
                        belasting tot het wettelijk maximum van die bepaling. De boete wordt
                        minimaal gesteld op € 50. In afwijking hiervan kan de ontvanger in
                        uitzonderlijke gevallen een boete tot het in <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=63b" struct="BWB">artikel 63b,
                            eerste lid, van de wet</extref> genoemde maximum opleggen, zonder
                        rekening te houden met de genoemde 5 procent. De opgelegde verzuimboete
                        wordt niet verlaagd bij latere wijziging van het bedrag waarover die boete
                        is berekend.</al><al>Als een aanslag in meerdere termijnen betaald mag worden, kunnen er met
                        betrekking tot die aanslag ook meerdere verzuimen als bedoeld in <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=63b" struct="BWB">artikel 63b,
                            eerste lid, van de wet</extref> voorkomen. Als er meerdere dergelijke
                        verzuimen zijn, zijn er even zoveel beboetbare feiten. Bij de bepaling van
                        de hoogte van de boete vanwege een verzuim, houdt de ontvanger alleen
                        rekening met de belasting die betrekking heeft op de desbetreffende
                        betalingstermijn. </al><al>De beschikking waarbij de verzuimboete wordt opgelegd kan, maar behoeft niet
                        gelijktijdig met een eventuele (ambtshalve) beslissing te worden
                        genomen.</al><al><vet>63b.3. </vet><vet> Verplichting toe te laten dat kopieën e.d. worden gemaakt</vet></al><al>Ter zake van het verzuim als bedoeld in <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=63b" struct="BWB">artikel 63b,
                            tweede lid, van de wet</extref> kan de ontvanger een verzuimboete
                        opleggen van 50 procent van het in dat artikel genoemde wettelijk maximum.
                        In afwijking hiervan kan in uitzonderlijke gevallen een boete tot het in
                            <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=63b" struct="BWB">artikel 63b, tweede lid, van de wet</extref> genoemde maximum worden
                        opgelegd. </al><al>De boete wordt opgelegd aan degene die niet aan zijn verplichting voldoet.
                        Dit kan een ander zijn dan de belastingschuldige.</al><al>De beschikking waarbij de verzuimboete wordt opgelegd kan, maar behoeft niet
                        gelijktijdig met een eventuele (ambtshalve) beslissing te worden
                        genomen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>63c</nr><titel>Wijziging maximale hoogte verzuimboete</titel></kop><al>Er zijn in deze leidraad op <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=63c" struct="BWB">artikel 63c
                            van de wet</extref> geen beleidsregels gemaakt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>64</nr><titel>Niet nakomen informatieverplichting: strafmaat voor misdrijf</titel></kop><al>Er zijn in deze leidraad op <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=64" struct="BWB">artikel 64 van
                            de wet</extref> geen beleidsregels gemaakt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>65</nr><titel>Opzettelijk niet nakomen informatieverplichting: zwaardere
                            strafmaat</titel></kop><al><cursief>Bij het niet of niet correct nakomen van een verplichting tot het
                            verstrekken van gegevens of het ter beschikking stellen van
                            gegevensdragers, kan sprake zijn van opzet.</cursief></al><al><cursief>In </cursief><extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=65" struct="BWB"><cursief>artikel 65, eerste en tweede lid, van de wet</cursief></extref><cursief> wordt de strafmaat voor dit strafbare feit gegeven. De beide
                            straffen die in die leden zijn genoemd, kunnen cumulatief worden
                            toegepast. </cursief><extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=65a" struct="BWB"><cursief>Artikel 65a van de wet</cursief></extref><cursief> merkt dit strafbare feit aan als een misdrijf.</cursief></al><al><cursief>Het derde lid van </cursief><extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=65" struct="BWB"><cursief>artikel 65 van de wet</cursief></extref><cursief> bevat de zogenaamde 'inkeerregeling': het recht op strafvervolging
                            vervalt als een persoon tijdig tot inkeer komt en alsnog zorgt voor een
                            juiste en volledige verstrekking van informatie.</cursief></al><al>In aansluiting op <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=65" struct="BWB">artikel 65 van de wet</extref> beschrijft dit artikel het
                        beleid over de reikwijdte opzetcriterium bij een misdrijf.</al><al><vet>65.1.</vet><vet> Reikwijdte opzetcriterium bij misdrijf</vet></al><al>De vereiste opzet voor de toepassing van <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=65" struct="BWB">artikel 65,
                            eerste en tweede lid, van de wet</extref> behoeft zich niet uit te
                        strekken tot het feit dat te weinig belasting wordt ingevorderd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>65a</nr><titel>en artikel 66 Misdrijf of overtreding</titel></kop><al>Er zijn in deze leidraad op artikel 65a en <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=66" struct="BWB">artikel 66 van
                            de wet</extref> geen beleidsregels gemaakt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>67</nr><titel>Geheimhoudingsplicht</titel></kop><al><extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=67" struct="BWB">Artikel 67
                            van de wet</extref> regelt de geheimhoudingsplicht. In het tweede lid
                        van dat artikel is bepaald dat de geheimhoudingsplicht niet geldt als:</al><lijst><li nr="-"><al>bekendmaking verplicht is volgens een wettelijk voorschrift;</al></li><li nr="-"><al>sprake is van structurele gegevensverstrekking aan bestuursorganen
                                die bij ministeriële regeling (voor gemeenten geldt: bij besluit van
                                het college) zijn aangewezen;</al></li><li nr="-"><al>de bekendmaking plaatsvindt aan de belastingschuldige zelf voor
                                zover deze gegevens door of namens hem zijn verstrekt.</al></li></lijst><al>Daarnaast kan het college op grond van het derde lid ontheffing van de
                        geheimhoudingsplicht verlenen.</al><al>In aansluiting op <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=67" struct="BWB">artikel 67 van de wet</extref> beschrijft dit artikel het
                        beleid over:</al><lijst><li nr="-"><al>bekendmaking gegevens op verzoek van de belastingschuldige
                                zelf;</al></li><li nr="-"><al>informatieverstrekking aan gerechtsdeurwaarder over periodieke
                                betalingen.</al></li></lijst><al><vet>67a</vet></al><al>Er zijn in deze leidraad op artikel 67a van de wet geen beleidsregels
                        gemaakt.</al><al><vet>67.1.</vet><vet> Bekendmaking aan de belastingschuldige</vet></al><al>De geheimhoudingsplicht geldt niet voor de bekendmaking van gegevens aan
                        degene op wie zij betrekking hebben (de belastingschuldige) voor zover deze
                        gegevens door of namens hem zijn verstrekt. Ook het verstrekken van
                        informatie over belastingschulden aan de belastingschuldige zelf valt niet
                        onder de geheimhoudingsplicht. Onder belastingschuldige moet hier mede
                        worden verstaan: diens vertegenwoordiger, curator, bewindvoerder of
                        erfgenaam. </al><al><vet>67.2.</vet><vet> Bekendmaking aan derden in het belang van de invordering</vet></al><al>De geheimhoudingsplicht geldt niet voor zover de bekendmaking van gegevens
                        noodzakelijk is voor de uitvoering van de <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770" struct="BWB">Invorderingswet
                        1990</extref>. Dat laatste moet ruim worden opgevat. Als bekendmaking van
                        belang is voor de invordering van de verschuldigde belasting (aanslag) of
                        een aansprakelijkheidsvordering (beschikking), kan de bekendmaking (aan
                        derden) plaatsvinden zonder dat daarmee de geheimhoudingsplicht wordt
                        geschonden</al><al><vet>67.3.</vet><vet> Informatieverstrekking aan gerechtsdeurwaarder over periodieke
                            betalingen</vet></al><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor gemeenten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>68 tot en met 72</nr><titel>Keuze woonplaats bij de invordering van Rijksbelastingen en
                            bodemrecht</titel></kop><al>De artikelen 68 tot en met 70f zijn niet van toepassing voor gemeenten.</al><al>Er zijn in deze leidraad op de <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=71" struct="BWB">artikelen 71
                            en 72 van de wet</extref> geen beleidsregels gemaakt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>73</nr><titel>Insolventieprocedures</titel></kop><al>In dit artikel is het volgende beleid over insolventieprocedures
                        opgenomen:</al><lijst><li nr="-"><al>de algemene uitgangspunten insolventieprocedures;</al></li><li nr="-"><al>insolventieprocedure en wettelijke schuldsanering;</al></li><li nr="-"><al>insolventieprocedure en surséance;</al></li><li nr="-"><al>insolventieprocedure en faillissement;</al></li><li nr="-"><al>insolventieprocedure: minnelijke schuldsanering door leden van de
                                Vereniging voor schuldhulpverlening en sociaal bankieren (“NVVK”) of
                                gemeenten;</al></li><li nr="-"><al>insolventieprocedure: minnelijke schuldsanering door anderen dan
                                leden van de NVVK of gemeenten;</al></li><li nr="-"><al>insolventieprocedures en akkoorden.</al></li></lijst><al><vet>73.1.</vet><vet> Algemene uitgangspunten insolventieprocedures</vet><vet></vet></al><al><vet>73.1.1.</vet><vet> Aanmelden belastingschulden in WSNP of faillissement</vet></al><al>Uiterlijk veertien dagen vóór de verificatievergadering meldt de ontvanger
                        zijn vorderingen ter verificatie aan bij de bewindvoerder. Daarbij wordt er
                        van uitgegaan dat belastingschulden die naar tijdvak worden geheven, geacht
                        worden van dag tot dag te ontstaan.</al><al>De ontvanger meldt ook conserverende belastingschulden ter verificatie aan
                        bij de bewindvoerder.</al><al>Voor het indienen van vorderingen in het faillissement wordt verwezen naar
                        artikel 19.2 van deze leidraad. </al><al><vet>73.1.2</vet><vet> Invorderingsmaatregelen tijdens de toepassing van WSNP of
                            faillissement</vet></al><al>Aansprakelijkstelling voor belastingaanslagen tijdens zowel het
                        faillissement als tijdens de wettelijke schuldsaneringsregeling is
                        mogelijk.</al><al><vet>73.1.3.</vet><vet> Boedelschulden</vet></al><al>De ontvanger ziet er op toe dat de boedelschulden tijdig door de curator
                        worden voldaan. Als belastingschulden die als boedelschulden kunnen worden
                        aangemerkt, ten onrechte niet worden voldaan, wendt de ontvanger zich in
                        beginsel eerst tot de curator teneinde informatie te verkrijgen over de
                        toestand van de boedel en zo mogelijk langs minnelijke weg alsnog voldoening
                        te bewerkstelligen. Als dit niet leidt tot een bevredigende oplossing wendt
                        de ontvanger zich met zijn grieven tot de rechter-commissaris. In het
                        uiterste geval kan de ontvanger rechtstreeks verhaal zoeken op de
                        boedel.</al><al>Het voorgaande is ook van toepassing bij een wettelijke
                        schuldsaneringsregeling.</al><al>Bij de invordering van boedelschulden kan de ontvanger tijdens de wettelijke
                        schuldsaneringsregeling niet het faillissement van de schuldenaar
                        aanvragen.</al><al>Belastingschulden ontstaan gedurende een surséance zijn boedelschulden in
                        het faillissement (zie artikel 19.2.2 van deze leidraad).</al><al><vet>73.1.4.</vet><vet> Proceskostengarantie</vet></al><al>Als de curator een gerechtelijke procedure (niet zijnde de
                        bestuurdersaansprakelijkheidsprocedure) moet aanspannen om een bate voor de
                        boedel te kunnen realiseren, en de aanwezige baten van de boedel niet
                        toereikend zijn om de proceskosten te voldoen, kan de curator bij de
                        ontvanger een gemotiveerd verzoek indienen om garantstelling voor het bedrag
                        dat niet uit de boedel kan worden voldaan.</al><al>Bij de beoordeling van het verzoek neemt de ontvanger als uitgangspunt
                        dat:</al><lijst><li nr="-"><al>de boedel bij de actie van de curator moet zijn gebaat;</al></li><li nr="-"><al>de ontvanger (een deel van) de in het faillissement ingediende
                                vordering zal kunnen innen.</al></li></lijst><al>Daarnaast stelt de ontvanger de eis dat de schuldeisers - die bij een
                        verdeling van de activa eveneens zullen profiteren van de vermoedelijke
                        opbrengst van de procedure - bereid zijn om naar evenredigheid mee garant te
                        staan voor de proceskosten. Dit geldt ook voor boedelschuldeisers. Als een
                        bewindvoerder in de wettelijke schuldsaneringsregeling de ontvanger een
                        verzoek om garantstelling doet, treedt de ontvanger in overleg met het
                        college.</al><al><vet>73.1.5.</vet><vet> Belangenbehartiging door de bewindvoerder of de curator</vet></al><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor gemeenten.</al><al><vet>73.1.6.</vet><vet> Bodemvoorrecht in faillissement en in de WSNP</vet></al><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor gemeenten.</al><al><vet>73.1.7.</vet><vet> Bodemrecht en insolventie van de derde-eigenaar</vet></al><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor gemeenten.</al><al><vet>73.1.8.</vet><vet> Uitstel in relatie tot faillissement en WSNP</vet></al><al>Voor uitstel van betaling in relatie tot faillissement en WSNP wordt
                        verwezen naar artikel 25.1.4 en artikel 25.4.4 van deze leidraad.</al><al><vet>73.1.9.</vet><vet> Kwijtschelding in relatie tot faillissement en WSNP</vet></al><al>Zie voor kwijtschelding in relatie tot faillissement en WSNP artikel 26.1.9
                        van deze leidraad.</al><al><vet>73.1.10.</vet><vet> Ketenaansprakelijkheid en bestuurdersaansprakelijkheid in relatie tot
                            faillissement en WSNP</vet></al><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor gemeenten.</al><al><vet>73.1.11.</vet><vet> Toeslagenschuld in relatie tot WSNP en faillissement</vet></al><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor gemeenten.</al><al><vet>73.1.12.</vet><vet> Verplichtingensignaal in relatie tot WSNP en faillissement</vet></al><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor gemeenten.</al><al><vet>73.2.</vet><vet> Insolventieprocedure en Wettelijke schuldsanering</vet></al><al><vet>73.2.1.</vet><vet> Kwijtschelding tijdens WSNP</vet></al><al>Voor de situatie dat een belastingschuldige, ten aanzien van wie de
                        schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard,
                        verzoekt om kwijtschelding van nadien opgekomen belastingschulden die niet
                        zijn aan te merken als boedelschuld, wordt verwezen naar artikel 26.2.17 van
                        deze leidraad.</al><al><vet>73.2.2.</vet><vet> De WSNP</vet><vet> is beëindigd met een schone lei</vet></al><al>Belastingvorderingen waarop de wettelijke schuldsaneringsregeling van
                        toepassing is en voor zover die na de beëindiging op grond van <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0001860&amp;artikel=356" struct="BWB">artikel 356,
                            tweede lid, FW</extref> onvoldaan zijn gebleven, zijn aan te merken als
                        natuurlijke verbintenissen ongeacht of de vorderingen door de ontvanger bij
                        de bewindvoerder zijn aangemeld.</al><al>Met betrekking tot te betalen belastingaanslagen en terugvorderingen (ter
                        zake van toeslagen) die betrekking hebben op de periode waarin de wettelijke
                        schuldsaneringsregeling van toepassing was en die zijn vastgesteld na
                        beëindiging (met schone lei) van die regeling, zal de ontvanger in beginsel
                        afzien van invordering. Daarbij geldt dat aannemelijk moet zijn dat: </al><lijst><li nr="-"><al>de bewindvoerder de aan de betreffende aanslag of terugvordering
                                voorafgaande voorlopige aanslagen / teruggaven of voorschotten dan
                                wel het ontbreken daarvan voldoende op juistheid heeft getoetst;
                                en</al></li><li nr="-"><al>de bewindvoerder over de resultaten van die toetsing in voorkomend
                                geval tijdig contact heeft opgenomen met de Gemeente.</al></li></lijst><al>Belastingteruggaven die zijn vastgesteld nadat de toepassing van de
                        wettelijke schuldsaneringsregeling is geëindigd en die betrekking hebben op
                        een periode vóór de uitspraak van de toepassing van de wettelijke
                        schuldsaneringsregeling kan de ontvanger verrekenen met de vorderingen die
                        tot een natuurlijke verbintenis zijn getransformeerd.</al><al>Met betrekking tot belastingteruggaven die betrekking hebben op de periode
                        voor de beëindiging (met schone lei) van de wettelijke
                        schuldsaneringsregeling en die worden vastgesteld na beëindiging van die
                        regeling, geldt het volgende. Teruggaven (na mogelijke verrekening met
                        openstaande schulden) van minder dan € 500 worden uitbetaald aan de
                        belastingschuldige zelf. Indien de belastingteruggave (na mogelijke
                        verrekening met openstaande schulden) € 500 of meer bedraagt, zal de
                        ontvanger contact opnemen met de gewezen bewindvoerder om met hem te
                        overleggen of de vereffening moet worden heropend.</al><al>Ook na beëindiging van de wettelijke schuldsaneringsregeling kan de
                        ontvanger derden nog aansprakelijk stellen voor niet-betaalde
                        belastingaanslagen die als natuurlijke verbintenissen moeten worden
                        aangemerkt.</al><al>Reeds in gang gezette aansprakelijkheidsprocedures kan de ontvanger
                        voortzetten.</al><al><vet>73.2.3.</vet><vet> De </vet><vet>WSNP</vet><vet> is beëindigd zonder schone lei of de schone lei is ingetrokken</vet></al><al>De WSNP kan ook eindigen zonder schone lei (<extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0001860&amp;artikel=358" struct="BWB">artikel 358,
                            tweede lid, Fw</extref>) en de reeds verstrekte schone lei kan worden
                        ingetrokken (<extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0001860&amp;artikel=358a" struct="BWB">artikel 358a, eerste lid, Fw</extref>). In die situaties
                        kan de ontvanger de invordering hervatten.</al><al><vet>73.2.4.</vet><vet> De </vet><vet>WSNP</vet><vet> is tussentijds beëindigd</vet></al><al>Als een schuldsaneringsregeling tussentijds wordt beëindigd in de zin van
                            <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0001860&amp;artikel=350" struct="BWB">artikel 350, vijfde lid, Fw</extref>, blijft omzetting in faillissement
                        achterwege als er geen baten beschikbaar zijn. In die situatie geldt het
                        invorderingsbeleid voor natuurlijke personen bij opheffing van een
                        faillissement wegens gebrek aan baten (artikel 73.4.14).</al><al><vet>73.3.</vet><vet> Insolventieprocedure en surséance</vet></al><al><vet>73.3.1.</vet><vet> Uitstel en surséance</vet></al><al>Voor uitstel van betaling in relatie tot surséance wordt verwezen naar
                        artikel 25.1.4 en 25.4.4 van deze leidraad.</al><al>Voor kwijtschelding in relatie tot surséance wordt verwezen naar artikel
                        26.1.9 van deze leidraad.</al><al><vet>73.3.2.</vet><vet> Ketenaansprakelijkheid en bestuurdersaansprakelijkheid in relatie tot
                            surséance</vet></al><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor gemeenten.</al><al><vet>73.4.</vet><vet> Insolventieprocedure en faillissement</vet></al><al><vet>73.4.1.</vet><vet> Faillissementsaanvraag: algemeen</vet></al><al>De belastingaanslag(en) waarvoor de ontvanger het faillissement aanvraagt,
                        moet(en) onherroepelijk vaststaan of in redelijkheid materieel verschuldigd
                        worden geacht. Een faillissementsaanvraag blijft achterwege als de
                        belastingschuldige aantoont dat de betalingsonmacht van korte duur is.</al><al>Voor een voorlopige aanslag vraagt de ontvanger slechts een faillissement
                        aan als:</al><lijst><li nr="-"><al>die aanslag is gevolgd door een definitieve aanslag; of</al></li><li nr="-"><al>naast de voorlopige aanslag ook andere aanslagen onbetaald zijn
                                gebleven.</al></li></lijst><al><vet>73.4.2.</vet><vet> Ontbinding van rechtspersonen in plaats van
                            faillissementsaanvraag</vet></al><al>Als sprake is van een rechtspersoon die geen activiteiten meer uitoefent, en
                        bovendien bekend is dat geen baten aanwezig zijn, dan wordt de voorkeur
                        gegeven aan het treffen van maatregelen die moeten leiden tot ontbinding van
                        die rechtspersoon boven het aanvragen van het faillissement van die
                        rechtspersoon.</al><al><vet>73.4.3.</vet><vet> Particulieren en faillissement</vet></al><al>Het aanvragen van het faillissement van een particulier blijft achterwege
                        als wordt verwacht dat de ontvanger de eventuele vermogensbestanddelen ook
                        geheel of nagenoeg geheel zonder faillissement kan uitwinnen, zelfs als
                        daarbij niet de gehele schuld wordt voldaan.</al><al>Particulieren zijn in dit verband natuurlijke personen die niet een
                        onderneming drijven of zelfstandig een beroep uitoefenen en waarvan niet
                        aannemelijk is dat zij van plan zijn dit te doen.</al><al>Voor zover de openstaande belastingschulden het gevolg zijn van
                        bedrijfsvoering of uitoefening van een zelfstandig beroep, worden
                        natuurlijke personen die hun bedrijf of zelfstandige beroepsuitoefening
                        hebben gestaakt in dit verband niet beschouwd als particulieren.</al><al><vet>73.4.4.</vet><vet> Saneringsaanbod en faillissementsaanvraag</vet></al><al>Als de belastingschuldige - voordat de faillissementsaanvraag in behandeling
                        is genomen - een verzoek om kwijtschelding doet, dan wel een
                        buitengerechtelijk akkoord aanbiedt (een en ander in de zin van artikel 73.6
                        van deze leidraad), dan zal de ontvanger de faillissementsaanvraag aanhouden
                        dan wel intrekken om het verzoek dan wel het aanbod aan een nader oordeel te
                        onderwerpen.</al><al>Hiervan wordt afgeweken als op voorhand duidelijk is dat het verzoek dan wel
                        het aanbod louter is gedaan om de behandeling van de faillissementsaanvraag
                        te traineren. Er wordt ook van afgeweken als het aanbod onvoldoende past
                        binnen het door de gemeente gehanteerde kwijtscheldingsbeleid
                        respectievelijk het in het kwijtscheldingsbeleid opgenomen saneringsbeleid,
                        en/of gebaseerd is op een onjuiste voorstelling van zaken. In deze gevallen
                        wijst de ontvanger het verzoek dan wel het aanbod bij beschikking
                        gemotiveerd af, zonder de faillissementsaanvraag in te trekken of aan te
                        houden.</al><al><vet>73.4.5.</vet><vet> Verzoek om uitstel van betaling vóór behandeling
                            faillissementsaanvraag door rechter</vet></al><al>Als de belastingschuldige een verzoek om uitstel van betaling doet, voordat
                        de rechtbank de faillissementsaanvraag in behandeling heeft genomen, dan zal
                        de ontvanger de faillissementsaanvraag aanhouden dan wel intrekken om het
                        verzoek aan een nader oordeel te onderwerpen.</al><al>De ontvanger doet dit niet als duidelijk is dat het verzoek louter is gedaan
                        om de behandeling van de faillissementsaanvraag te traineren, of als het
                        verzoek onvoldoende past binnen het door de gemeente gehanteerde
                        uitstelbeleid, en/of gebaseerd is op een onjuiste voorstelling van zaken. In
                        deze gevallen wijst de ontvanger het verzoek bij beschikking gemotiveerd af,
                        zonder de faillissementsaanvraag in te trekken of aan te houden.</al><al><vet>73.4.6.</vet><vet> Toestemming voor faillissementsaanvraag</vet></al><al>De ontvanger moet voor iedere faillissementsaanvraag schriftelijk
                        toestemming van het college hebben.</al><al><vet>73.4.7.</vet><vet> Steunvordering derden voor faillissementsaanvraag</vet></al><al>Als de ontvanger bij zijn faillissementsaanvraag gebruik wil maken van de
                        vordering van een derde als zogenoemde steunvordering, doet hij dit alleen
                        als de derde schriftelijk te kennen heeft gegeven hiertegen geen bezwaar te
                        hebben.</al><al><vet>73.4.8.</vet><vet> Verlenen van steunvordering en faillissementsaanvraag</vet></al><al>Voor het verstrekken van de gegevens van de belastingschuldige geldt niet
                        hetgeen in artikel 73.4.1 tot en met 73.4.7 is vermeld met betrekking tot
                        een faillissementsaanvraag door de ontvanger.</al><al>Wel is voor het verstrekken van de gegevens toestemming van het college
                        vereist, als het een belastingschuldige betreft die een bedrijf voert of
                        zelfstandig een beroep uitoefent waaraan in totaal meer dan vijftig
                        werknemers zijn verbonden. De gegevens worden uitsluitend schriftelijk
                        verstrekt.</al><al>Als de ontvanger zelf het initiatief neemt om een andere schuldeiser van de
                        belastingschuldige te benaderen met het verzoek het faillissement van de
                        belastingschuldige aan te vragen met gebruikmaking van de belastingschuld
                        als steunvordering, dan geldt wel hetgeen is vermeld in artikel 73.4.1,
                        73.4.3, 73.4.6 en 73.4.7 van deze leidraad. In dat geval is dus ook
                        toestemming van het college vereist.</al><al><vet>73.4.9.</vet><vet> Verzet tegen faillietverklaring</vet></al><al>Als de ontvanger gebruik wil maken van de mogelijkheid tot verzet tegen de
                        faillietverklaring als bedoeld in <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0001860&amp;artikel=10" struct="BWB">artikel 10
                            FW</extref> heeft hij hiervoor toestemming van het college nodig.</al><al><vet>73.4.10.</vet><vet> Beroep op regresrecht in faillissement</vet></al><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor gemeenten.</al><al><vet>73.4.11.</vet><vet> Verzending of uitreiking aanslagbiljet bij faillissement</vet></al><al>Voor toezending of uitreiking van het aanslagbiljet ingeval van
                        faillissement wordt verwezen naar artikel 8.1 van deze leidraad.</al><al><vet>73.4.12.</vet><vet> Opkomen in faillissement</vet></al><al>Van de bevoegdheid op grond van <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=19" struct="BWB">artikel 19 van
                            de wet</extref> om van de curator dadelijke voldoening aan de vordering
                        te verlangen wordt verwezen naar artikel 19.2.3 van deze leidraad.</al><al><vet>73.4.13.</vet><vet> Volgorde uitwinning bodembeslag in faillissement</vet></al><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor gemeenten.</al><al><vet>73.4.14.</vet><vet> Na de toepassing van het faillissement</vet></al><al>De ontvanger maakt in beginsel geen gebruik van de bevoegdheid van <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0001860&amp;artikel=196" struct="BWB">artikel 196
                            FW</extref>, om na de beëindiging van een faillissement het
                        proces-verbaal van de verificatievergadering voor het onbetaald gebleven
                        bedrag tegen de schuldenaar te executeren. Als er wel aanleiding tot
                        invordering bestaat, doet de ontvanger dit zoveel mogelijk bij
                        dwangbevel.</al><al>Bij natuurlijke personen hervat de ontvanger slechts in bijzondere
                        omstandigheden de invordering na beëindiging van het faillissement. Deze
                        omstandigheden doen zich onder andere voor als de betrokkene binnen vijf
                        jaar na het faillissement beschikt over een meer dan modaal inkomen of over
                        vermogensbestanddelen van substantiële waarde.</al><al>Als na beëindiging van het faillissement daaruit ontvangen gelden moeten
                        worden terugbetaald, treedt de ontvanger in verband met <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0001860&amp;artikel=194" struct="BWB">artikel 194
                            FW</extref> in overleg met de curator.</al><al><vet>73.4.15.</vet><vet> Opening nationale (secundaire) insolventieprocedure</vet></al><al>Als de belastingschuldige woont of gevestigd is in een lidstaat van de EU -
                        niet Denemarken - en aldaar in staat van insolventie verkeert terwijl in
                        Nederland sprake is van een nevenvestiging, kan in Nederland op grond van de
                        EG-insolventieverordening een zogenoemde territoriale of secundaire
                        procedure worden geopend.</al><al>Onmiddellijk na kennisname van de in het buitenland geopende hoofdprocedure,
                        beoordeelt de ontvanger of hij baat heeft bij het openen van een secundaire
                        of territoriale procedure in Nederland. Een secundaire procedure betreft
                        alleen de liquidatieprocedure - dus niet de surseance van betaling - en
                        wordt afgewikkeld volgens het in Nederland geldende recht. De staat van
                        insolventie behoeft daarbij niet te worden aangetoond.</al><al><vet>73.4.16.</vet><vet> Omzetting faillissement in WSNP</vet></al><al>Als omzetting van een faillissement in een wettelijke
                        schuldsaneringsregeling mogelijk is, toetst de ontvanger - als de
                        schuldenaar hier uitdrukkelijk om verzoekt - een door de schuldenaar in het
                        faillissement aangeboden akkoord aan het beleid ingevolge <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004766&amp;artikel=19a" struct="BWB">artikel
                            19a</extref> en <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004766&amp;artikel=22a" struct="BWB">22a van de regeling</extref>.</al><al><vet>73.5.</vet><vet> Insolventieprocedure: minnelijke schuldsanering</vet><vet> door leden van de NVVK of gemeenten</vet></al><al><vet>73.5.1.</vet><vet> Algemeen</vet></al><al>De ontvanger verleent uitstel van betaling voor een periode van maximaal 36
                        maanden als:</al><lijst><li nr="a."><al>een schuldregelingsovereenkomst in de zin van de Gedragscode
                                Schuldregeling van de NVVK, tot stand is gekomen of een overeenkomst
                                tot stand is gekomen die dezelfde strekking heeft als die
                                gedragscode en waarbij voor de berekening van de
                                aflossingscapaciteit wordt uitgegaan van de door Recofa
                                gepubliceerde normen;</al></li><li nr="b."><al>de schuldhulpverlener lid is van de NVVK of de schuldregeling wordt
                                uitgevoerd door een gemeente in eigen beheer (zie ook artikel
                                73.5a);</al></li><li nr="c."><al>de schuldregeling betrekking heeft op natuurlijke personen, niet
                                zijnde ondernemers;</al></li><li nr="d."><al>redelijkerwijs mag worden aangenomen dat de belastingschuldige –
                                afgezien van de formaliteiten die daarvoor verricht moeten worden –
                                in aanmerking zou komen voor de wettelijke schuldsaneringsregeling
                                natuurlijke personen;</al></li><li nr="e."><al>aan het eind van de looptijd van de schuldregelingsovereenkomst een
                                bedrag zal zijn betaald van ten minste dezelfde omvang als kan
                                worden verkregen indien er sprake zou zijn van een wettelijke
                                schuldsanering.</al></li></lijst><al>Op basis van de voorwaarde onder c is de betreffende regeling ook van
                        toepassing op een ex-ondernemer, als aannemelijk is dat hij in de toekomst
                        geen bedrijf of niet zelfstandig een beroep zal uitoefenen.</al><al>De ontvanger verleent het uitstel pas als de schuldhulpverlener hem
                        schriftelijk heeft bericht dat de overeenkomst tot schuldregeling tot stand
                        is gekomen. Het uitstel vangt aan met ingang van de datum van de
                        schuldregelingsovereenkomst. Na totstandkoming van een
                        schuldregelingsovereenkomst onderzoekt de schuldhulpverlener of een
                        schuldregeling met de schuldeisers tot stand kan worden gebracht. De
                        schuldhulpverlener rondt dit onderzoek af binnen 120 dagen, gerekend vanaf
                        de datum van de schuldregelingsovereenkomst. Wanneer de schuldregeling met
                        de schuldeisers tot stand is gebracht, wordt de schuldregelingsovereenkomst
                        voortgezet; de schuldhulpverlener stelt de schuldeisers daarvan schriftelijk
                        op de hoogte. Slaagt de schuldhulpverlener niet in het tot stand brengen van
                        de schuldregeling, wordt de schuldregelingsovereenkomst beëindigd.</al><al>Deze regeling is ook van toepassing op belastingaanslagen waarvan in
                        beginsel geen kwijtschelding wordt verleend (zoals belastingaanslagen
                        motorrijtuigenbelasting), omdat de wettelijke schuldsaneringsregeling ook
                        van toepassing is op die belastingaanslagen.</al><al>De uitstelregeling geldt voor belastingaanslagen die betrekking hebben op de
                        (materieel) verschuldigde belasting tot en met de dag van de dagtekening van
                        de schuldregelingsovereenkomst en is definitief in die zin dat daarop van de
                        zijde van de ontvanger in beginsel niet meer kan worden teruggekomen. In
                        voorkomend geval wordt het bedrag van de verschuldigde belastingen door
                        middel van schatting bepaald. In het geval de in de vorige volzin bedoelde
                        schatting naar achteraf blijkt substantieel te laag mocht zijn, kan de
                        ontvanger daarop alleen terugkomen indien terzake van die belasting ten
                        tijde van de schatting ten onrechte geen aangifte was gedaan danwel indien
                        de belastingschuldige of de schuldhulpverlener wisten of behoorden te weten
                        dat de schatting te laag was. </al><al><vet>73.5.2.</vet><vet> Opschorten invorderingsmaatregelen na verzoek MSNP</vet></al><al>Een schuldhulpverleningstraject vangt in het algemeen aan met een
                        stabilisatie-overeenkomst tussen de schuldenaar en de schuldhulpverlener als
                        bedoeld in artikel 73.5.1, onder b. Voor de toepassing van dit artikel wordt
                        met een stabilisatie-overeenkomst gelijkgesteld een schriftelijke mededeling
                        van de schuldhulpverlener inhoudend dat hij activiteiten ontplooit die erop
                        gericht zijn de financiële situatie van de schuldenaar op korte termijn te
                        stabiliseren. </al><al>Vanaf de ontvangst van een afschrift van de stabilisatie-overeenkomst neemt
                        de ontvanger gedurende 120 dagen geen dwanginvorderingsmaatregelen. Lopende
                        invorderingsmaatregelen schort de ontvanger op, zo nodig in overleg met de
                        schuldhulpverlener. Voorts vindt verrekening alleen plaats met teruggaven
                        die betrekking hebben op belasting die (materieel) is ontstaan tot en met de
                        dag waarop het afschrift van de stabilisatie-overeenkomst is ontvangen.</al><al>Dit terughoudende beleid geldt niet in situaties waarin op voorhand
                        duidelijk is dat de belastingschuldige niet in aanmerking komt voor uitstel
                        van betaling op basis van artikel 73.5.1 van deze leidraad. De ontvanger
                        informeert de schuldhulpverlener hierover.</al><al>Als zich bijzondere omstandigheden voordoen kan de voormelde termijn door de
                        schuldhulpverlener in overleg met de ontvanger met maximaal 120 dagen worden
                        verlengd.</al><al><vet>73.5.3.</vet><vet> Gevolgen uitstel MSNP voor invorderingsmaatregelen</vet></al><al>Eventuele gelegde beslagen vervallen zodra een schuldregeling tussen de
                        schuldenaar en diens schuldeisers tot stand is gekomen ( en de
                        schuldregelingsovereenkomst dus wordt voortgezet). Verrekening kan
                        plaatsvinden met teruggaven die betrekking hebben op belasting die
                        (materieel) is ontstaan tot en met de dag waarop het afschrift van de
                        stabilisatie-overeenkomst is ontvangen.</al><al><vet>73.5.4.</vet><vet> Houding ontvanger tijdens uitstel MSNP</vet></al><al>Als sprake is van een verleend uitstel van betaling op grond van een
                        schuldregelingsovereenkomst, handelt de ontvanger gedurende de periode van
                        uitstel op dezelfde wijze als bij een wettelijke
                        schuldsaneringsregeling.</al><al>Als de belastingschuldige verzoekt om kwijtschelding van belastingschulden
                        die materieel zijn ontstaan na de dag van de dagtekening van de
                        schuldregelingsovereenkomst, dan wordt het verzoek behandeld overeenkomstig
                        het bestaande beleid.</al><al>Dit houdt onder meer in dat bij de berekening van de betalingscapaciteit op
                        het inkomen van de belastingschuldige niet in mindering wordt gebracht dat
                        deel van het inkomen dat door de schuldhulpverlener wordt beheerd. Verder
                        wordt opgemerkt dat de middelen die onder beheer van de schuldhulpverlener
                        berusten, niet worden beschouwd als vermogen in de zin van <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004766&amp;artikel=12" struct="BWB">artikel 12 van
                            de regeling</extref>.</al><al>Rapport Werkgroep Rekenmethode vtlb van Recofa, onderdeel 4.5.3: na
                        afwijzing kwijtschelding kan aanspraak gemaakt worden op betaling uit de
                        boedel (andere schuldeisers krijgen minder, de gehele aanslag wordt
                        voldaan). Zie tevens artikel 26.2.17 van deze Leidraad.</al><al><vet>73.5.5.</vet><vet> Intrekken uitstel gedurende MSNP</vet></al><al>De ontvanger trekt het uitstel in als:</al><lijst><li nr="-"><al>hij niet uiterlijk binnen 120 dagen na de dagtekening van de
                                schuldregelingsovereenkomst door de schuldhulpverlener schriftelijk
                                is geïnformeerd dat de schuldregelingsovereenkomst wordt
                                voortgezet;</al></li><li nr="-"><al>de schuldenaar nieuw opkomende belastingschulden die (materieel)
                                betrekking hebben op belasting verschuldigd na de dag van de
                                dagtekening van de schuldregelingsovereenkomst, onbetaald laat;</al></li><li nr="-"><al>de schuldenaar zijn lopende fiscale verplichtingen niet nakomt;</al></li><li nr="-"><al>de schuldenaar zijn schuldeisers tracht te benadelen;</al></li><li nr="-"><al>de schuldregelingsovereenkomst wordt beëindigd, anders dan in de zin
                                van art. 73.5.6.</al></li></lijst><al>De ontvanger trekt in de situaties genoemd bij het eerste, tweede, derde en
                        vierde gedachtestreepje het uitstel niet eerder in, dan nadat hij de
                        schuldhulpverlener een brief heeft gestuurd over zijn voornemen het uitstel
                        in te trekken als belastingschuldige niet binnen veertien dagen zijn
                        verplichtingen correct nakomt.</al><al><vet>73.5.6.</vet><vet> De schuldenaar voldoet aan zijn verplichtingen MSNP</vet></al><al>Als de ontvanger uitstel van betaling heeft verleend voor de periode van de
                        MSNP, wordt een schriftelijke kennisgeving van de schuldhulpverlener na
                        afloop van de overeenkomst tot schuldregeling aangemerkt als het aanbieden
                        van een buitengerechtelijk akkoord in de zin van <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004766&amp;artikel=19a" struct="BWB">artikel 19a
                            van de regeling</extref>.</al><al>In de kennisgeving moet zijn gesteld dat de overeenkomst na eindcontrole is
                        beëindigd en de schuldenaar aan zijn verplichtingen heeft voldaan.</al><al><vet>73.5.7</vet><vet> Na de toepassing van de MSNP</vet></al><al>Met betrekking tot te betalen belastingaanslagen die betrekking hebben op de
                        periode waarin de minnelijke schuldsaneringsregeling van toepassing was en
                        die zijn vastgesteld na beëindiging van die regeling, zal de ontvanger in
                        beginsel, als de schuldenaar aan zijn verplichtingen uit die regeling heeft
                        voldaan, afzien van invordering. Daarbij geldt dat aannemelijk moet zijn
                        dat:</al><al>de schuldhulpverlener de aan de betreffende aanslag of terugvordering
                        voorafgaande voorlopige aanslagen/teruggaven of voorschotten dan wel het
                        ontbreken daarvan op voldoende juistheid heeft getoetst; en</al><al>hij over de resultaten van die toetsing in voorkomend geval tijdig contact
                        heeft opgenomen met de ontvanger.</al><al><vet>73.5a</vet><vet> Insolventieprocedure - minnelijke schuldsanering door anderen dan
                            leden van de NVVK of</vet><vet>gemeenten</vet></al><al>Verzoeken om een minnelijke schuldsaneringsregeling gedaan door een persoon
                        of instelling als bedoeld in <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004815&amp;artikel=48" struct="BWB">artikel 48,
                            eerste lid, van de Wet op het consumentenkrediet</extref>, niet zijnde
                        een NVVK-lid of een gemeente, worden in behandeling genomen met inachtneming
                        van het volgende. De ontvanger zal een belangenafweging moeten maken en zich
                        daarbij moeten afvragen of hij al dan niet tot instemming met de
                        schuldregeling kan komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen
                        het belang dat hij heeft bij de uitoefening van de bevoegdheid tot weigering
                        en het belang van de schuldenaar dat door die weigering wordt geschaad.
                        Artikel 73.5 is daarbij van overeenkomstige toepassing. Dit betekent onder
                        meer dat de schuldregeling betrekking moet hebben op natuurlijke personen,
                        niet zijnde ondernemers.</al><al>Bij die belangenafweging zullen de volgende omstandigheden een rol kunnen
                        spelen:</al><lijst><li nr="1."><al>is het schikkingsvoorstel goed en betrouwbaar gedocumenteerd;</al></li><li nr="2."><al>is voldoende duidelijk gemaakt dat het aanbod het uiterste is
                                waartoe de schuldenaar financieel in staat moet worden geacht;</al></li><li nr="3."><al>biedt het alternatief van faillissement of schuldsanering enig
                                uitzicht voor de schuldenaar;</al></li><li nr="4."><al>biedt het alternatief van faillissement of schuldsanering enig
                                uitzicht voor de ontvanger: hoe groot is de kans dat de weigerende
                                ontvanger dan evenveel of meer zal ontvangen;</al></li><li nr="5."><al>bestaat er precedentwerking voor vergelijkbare gevallen;</al></li><li nr="6."><al>wat is de zwaarte van het financiële belang dat de ontvanger heeft
                                bij volledige nakoming;</al></li><li nr="7."><al>hoe groot is het aandeel van de weigerende ontvanger in de totale
                                schuldenlast;</al></li><li nr="8."><al>staat de weigerende ontvanger alleen naast de overige met de
                                schuldregeling instemmende schuldeisers;</al></li><li nr="9."><al>is er eerder een minnelijke of een gedwongen schuldregeling geweest
                                die niet naar behoren is nagekomen.</al></li></lijst><al>Als uit de belangenafweging volgt dat kan worden ingestemd met een dergelijk
                        verzoek dan verleent de ontvanger op het moment van het ingaan van de
                        schuldregeling voor 36 maanden uitstel van betaling. </al><al><vet>73.6.</vet><vet> Insolventieprocedures en akkoorden</vet></al><al><vet>73.6.1.</vet><vet> Buitengerechtelijk akkoord</vet></al><al>In het tweede lid van de artikelen 19a en <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004766&amp;artikel=22a" struct="BWB">22a van de
                            regeling</extref> zijn bepalingen opgenomen die de doelstellingen van de
                        WSNP - namelijk het sluiten van een buitengerechtelijk akkoord met de
                        gezamenlijke schuldeisers over de sanering van de schulden zonder
                        tussenkomst van een rechter - ook voor gemeenten laten gelden.</al><al>Deze bepalingen zijn ook van toepassing op betalingsverplichting van een
                        aansprakelijkgestelde van wie redelijkerwijs mag worden aangenomen dat de
                        wettelijke schuldsaneringsregeling op hem van toepassing is.</al><al>Een verzoek tot het sluiten van een buitengerechtelijk akkoord kan een ieder
                        indienen, ook de schuldenaar.</al><al><vet>73.6.2.</vet><vet> Voorwaarden voor toetreding tot een buitengerechtelijk akkoord</vet></al><al>De ontvanger moet zich er eerst van verzekeren of redelijkerwijs mag worden
                        aangenomen dat de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing zal
                        worden verklaard. Van belang voor de beantwoording van die vraag is artikel
                        288 FW dat de weigeringsgronden voor de rechter bevat op een verzoek om
                        toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling.</al><al>De betaling van het aangeboden bedrag moet in beginsel ineens plaatsvinden.
                        Als de ontvanger bij wijze van uitzondering instemt met betaling in
                        termijnen eist hij zekerheid.</al><al>Als in het buitengerechtelijk akkoord belastingschulden zijn begrepen
                        waarvoor derden aansprakelijk kunnen worden gesteld, neemt de ontvanger als
                        voorwaarde op dat de kwijtschelding pas wordt geëffectueerd op het moment
                        dat op grond van die aansprakelijkheid geen baten meer kunnen worden
                        verkregen. De ontvanger ziet van deze voorwaarde af als in het aangeboden
                        bedrag de baten in de aansprakelijkheid tot uitdrukking komen.</al><al><vet>73.6.3.</vet><vet> Gevolgen buitengerechtelijk akkoord</vet></al><al>Als de ontvanger toetreedt tot een buitengerechtelijk akkoord verleent hij
                        kwijtschelding voor het deel van de belastingschuld dat onbetaald blijft,
                        nadat hij het bedrag dat hem op grond van het akkoord toekomt, heeft
                        ontvangen. Zonodig stelt hij een derdebeslagene of houder van penningen op
                        de hoogte van het verval van het beslag en zorgt hij voor doorhaling van een
                        beslag op een registergoed.</al><al>De ontvanger heft de beslagen op zodra hij ontvangt wat hij heeft gevorderd
                        op grond van het buitengerechtelijk akkoord.</al><al><vet>73.6.4.</vet><vet> Voorwaarden voor toetreding tot een gerechtelijk akkoord</vet></al><al>De betaling van het aangeboden bedrag moet in beginsel ineens plaatsvinden.
                        Als de ontvanger bij wijze van uitzondering instemt met betaling in
                        termijnen eist hij zekerheid.</al><al>Als in het akkoord belastingschulden zijn begrepen waarvoor derden
                        aansprakelijk kunnen worden gesteld, neemt de ontvanger als voorwaarde op
                        dat de kwijtschelding pas wordt geëffectueerd op het moment dat op grond van
                        die aansprakelijkheid geen baten meer kunnen worden verkregen. De ontvanger
                        ziet van deze voorwaarde af als in het aangeboden bedrag de baten in de
                        aansprakelijkheid tot uitdrukking komen.</al><al><vet>73.6.5.</vet><vet> Gevolgen toetreden tot gerechtelijk akkoord</vet></al><al>Als de ontvanger vrijwillig toetreedt tot een gerechtelijk akkoord verleent
                        hij kwijtschelding voor het deel van de belastingschuld dat onbetaald
                        blijft, nadat hij het bedrag dat hem op grond van het akkoord toekomt, heeft
                        ontvangen. </al><al><vet>73.6.6.</vet><vet> Begrip belastingschuld en (buiten)gerechtelijk akkoord</vet></al><al>Bij de beoordeling van een akkoord stelt de ontvanger eerst vast op welke
                        belastingaanslagen het akkoord betrekking heeft. Uitgangspunt daarbij is de
                        materiële belastingschuld die is ontstaan tot aan de dag dat de wettelijke
                        schuldsaneringsregeling is uitgesproken of de dag waarop een
                        buitengerechtelijk akkoord wordt aangeboden.</al><al>Er rust een inspanningsverplichting op de gemeente om de te saneren schuld
                        zo volledig mogelijk en tot het juiste bedrag vast te stellen, in die zin
                        dat de materieel verschuldigde belasting wordt geformaliseerd in een
                        aanslag.</al><al>De ontvanger betrekt bestuurlijke boeten, rente en kosten integraal in een
                        akkoord.</al><al><vet>73.6.7.</vet><vet> Schuldig nalatig en (buiten)gerechtelijk akkoord</vet><vet> (Vervallen per 1-1-2011)</vet></al><al><vet>73.6.8.</vet><vet> Gevolgen dwangakkoord</vet></al><al>Als de rechter in het kader van een wettelijke schuldsanering een
                        dwangakkoord oplegt aan de gezamenlijke schuldeisers, lijdt de ontvanger het
                        deel van de belastingschuld dat onvoldaan blijft oninbaar.</al><al>Aangezien de ontvanger niet heeft ingestemd met het akkoord, verleent hij
                        geen kwijtschelding. De belastingvorderingen die resteren na het
                        dwangakkoord blijven als natuurlijke verbintenissen over.</al><al><vet>73.6.9.</vet><vet> Kwijtschelding voor ondernemers bij een saneringsakkoord</vet></al><al>Indien een akkoord op grond van <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004766&amp;artikel=22a" struct="BWB">artikel 22a
                            van de regeling</extref> niet mogelijk is, vindt kwijtschelding voor
                        ondernemers uitsluitend plaats bij een zogenoemd saneringsakkoord in de zin
                        van artikel 22 van de regeling. Zie ook artikel 26.3 van deze leidraad.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>74</nr><titel>Uitstel- en kwijtscheldingsfaciliteiten</titel></kop><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor gemeenten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>75</nr><titel>Kosten van vervolging</titel></kop><al>Dit artikel beschrijft het beleid bij het in rekening brengen van kosten van
                        vervolging. Met 'vervolgingskosten of kosten' wordt bedoeld de kosten die op
                        grond van de <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0002645" struct="BWB">Kostenwet
                            invordering rijksbelastingen</extref> (Kostenwet) in rekening worden
                        gebracht.</al><al>Hieronder vallen ook de kosten die verbonden zijn aan de werkzaamheden die
                        de belastingdeurwaarder verricht voor de invordering op civiele wijze.</al><al>In dit artikel is het volgende beleid over kosten van vervolging
                        opgenomen:</al><lijst><li nr="-"><al>gevorderde som bevat geen vervolgingskosten;</al></li><li nr="-"><al>aan derden toekomende bedragen;</al></li><li nr="-"><al>rechtsmiddelen en vervolgingskosten;</al></li><li nr="-"><al>verzoek om vermindering vervolgingskosten aanmerken als
                                bezwaar;</al></li><li nr="-"><al>niet in rekening brengen van vervolgingskosten;</al></li><li nr="-"><al>onverschuldigdheid van vervolgingskosten;</al></li><li nr="-"><al>niet-verwijtbaarheid en vervolgingskosten;</al></li><li nr="-"><al>versnelde invordering en vervolgingskosten;</al></li><li nr="-"><al>aansprakelijkgestelden en vervolgingskosten;</al></li><li nr="-"><al>geen kwijtschelding van vervolgingskosten;</al></li><li nr="-"><al>limitering betekeningskosten dwangbevel.</al></li></lijst><al><vet>75.1.</vet><vet> Gevorderde som bevat geen vervolgingskosten</vet></al><al>De gevorderde som bij een aanmaning of dwangbevel (waarvan onderscheidenlijk
                        sprake is in <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0002645&amp;artikel=2" struct="BWB">artikel 2</extref> en <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0002645&amp;artikel=3" struct="BWB">artikel 3,
                            eerste lid, van de Kostenwet invordering rijksbelastingen</extref>) is
                        te verstaan als het belastingbedrag waarvoor de aanmaning of het dwangbevel
                        is uitgevaardigd, dus zonder de vervolgingskosten en eventuele - pro memorie
                        opgenomen - rente.</al><al><vet>75.2.</vet><vet> Aan derden toekomende bedragen</vet></al><al>Onder de bedragen die op grond van <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0002645&amp;artikel=6" struct="BWB">artikel 6 van
                            de Kostenwet invordering rijksbelastingen</extref> aan de
                        belastingschuldige in rekening worden gebracht, vallen:</al><lijst><li nr="-"><al>de kosten van de advertenties als bedoeld in <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0002645&amp;artikel=3" struct="BWB">artikel
                                    3, vierde lid</extref>, en <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0002645&amp;artikel=4" struct="BWB">artikel
                                    4, eerste lid, van de Kostenwet invordering
                                    rijksbelastingen</extref>;</al></li><li nr="-"><al>de vergoeding van de bewaarder dan wel door hem ingeschakelde
                                derden;</al></li><li nr="-"><al>de kosten van het openen van deuren en huisraad als bedoeld in
                                    <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0001827&amp;artikel=444" struct="BWB">artikel 444 Rv</extref>;</al></li><li nr="-"><al>de kosten van het verrichten van werkzaamheden voor de verkoop ter
                                plaatse van de in beslag genomen zaken;</al></li><li nr="-"><al>de kosten van het verrichten van werkzaamheden door makelaars,
                                deskundigen en afslagers;</al></li><li nr="-"><al>de kosten van het doen overbrengen van de in beslag genomen zaken
                                als de verkoop elders plaatsvindt;</al></li><li nr="-"><al>de kosten van het aanbrengen en verwijderen door derden van
                                wielklemmen of andere bestanddelen die verhindering van gebruik,
                                vervoer en belasting van de in beslaggenomen roerende zaken
                                bewerkstelligen;</al></li><li nr="-"><al>de kosten van opslag, afvoer en bewaarneming van inbeslaggenomen
                                roerende zaken.</al></li></lijst><al>Om redenen van beleid worden de laatstgenoemde kosten enkel in rekening
                        gebracht als de verkoop op uitdrukkelijk verzoek van de belastingschuldige
                        elders gebeurt dan wel als daarbij voornamelijk zijn belang is gediend.
                        Eventuele gemaakte reiskosten door de gemeente voor de betekening en de
                        tenuitvoerlegging van het dwangbevel kunnen niet op de belastingschuldige
                        worden verhaald, evenals mogelijke porti- en telefoonkosten.</al><al><vet>75.3.</vet><vet> Rechtsmiddelen en vervolgingskosten</vet></al><al>Als de belastingschuldige in beroep gaat tegen de uitspraak op het bezwaar,
                        handelt de ontvanger overeenkomstig de voorschriften van het <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0031003" struct="BWB">Besluit Beroep in
                            Belastingzaken</extref>.</al><al>De ontvanger kan zich beperken tot de stukken die in de procedure over de
                        toepassing van de Kostenwet relevant zijn.</al><al>Indiening van een bezwaarschrift of beroepschrift (in hoger beroep) stuit op
                        grond van <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0005537&amp;artikel=6:16" struct="BWB">artikel 6:16 Awb</extref> niet de aanvang of de
                        voortzetting van de tenuitvoerlegging van de akte van vervolging.</al><al>Als om uitstel van betaling wordt verzocht, is het beleid dat is verwoord in
                        artikel 25.1 en 25.2 van deze leidraad van overeenkomstige toepassing.</al><al><vet>75.4.</vet><vet> Verzoek om vermindering vervolgingskosten aanmerken als bezwaar</vet></al><al>Een verzoek van de belastingschuldige tot vermindering van de in rekening
                        gebrachte kosten wordt aangemerkt als een bezwaarschrift. Het bepaalde in
                        artikel 75.3 van deze leidraad is van overeenkomstige toepassing.</al><al><vet>75.5.</vet><vet> Niet in rekening brengen van vervolgingskosten</vet></al><al>In de volgende gevallen brengt de ontvanger voor het uitbrengen van exploten
                        geen vervolgingskosten in rekening:</al><lijst><li nr="-"><al>herhaalde betekening van een dwangbevel;</al></li><li nr="-"><al>(herhaalde) betekening van een dwangbevel uitsluitend ter stuiting
                                van de verjaring;</al></li><li nr="-"><al>betekening van een vordering;</al></li><li nr="-"><al>betekening aan een minderjarige of onder curatele gestelde als
                                bedoeld in artikel 13.3 van deze leidraad met dien verstande dat de
                                eerste betekening wel, maar de tweede betekening (aan de wettelijke
                                vertegenwoordiger) niet in rekening wordt gebracht;</al></li><li nr="-"><al>betekening van een beslissing van het college op een beroepschrift
                                tegen de inbeslagneming van roerende zaken aan de derde die het
                                beroepschrift heeft ingediend, de beslagene en zo nodig de
                                bewaarder, al dan niet gepaard gaande met gehele of gedeeltelijke
                                opheffing van het beslag;</al></li><li nr="-"><al>betekening van een proces-verbaal van overgang van de bewaring van
                                beslagen roerende zaken, anders dan op verzoek of door toedoen van
                                de belastingschuldige.</al></li></lijst><al><vet>75.6.</vet><vet> Onverschuldigdheid van vervolgingskosten</vet></al><al>Naast de gevallen waarin ten aanzien van de kostenberekening rekenfouten
                        zijn gemaakt dan wel een onjuist tarief is gehanteerd, zijn kosten niet
                        verschuldigd in de volgende gevallen:</al><lijst><li nr="-"><al>Als de betaling op de rekening van de gemeente is bijgeschreven op
                                of voorafgaand aan de dag waarop de kosten verschuldigd zijn
                                geworden;</al></li><li nr="-"><al>Voor zover na het in rekening brengen van de kosten een afname van
                                de schuld, anders dan door betaling, kwijtschelding of verrekening
                                tot stand is gekomen. Deze situatie zal zich voordoen bij
                                vermindering van belastingaanslagen;</al></li><li nr="-"><al>Als er achteraf bezien al voor het in rekening brengen van de kosten
                                om beleidsmatige redenen aanleiding is geweest om de invordering op
                                te schorten. Hierbij valt te denken aan:</al></li><li nr="-"><al>een schriftelijk ingediend verzoek om uitstel;</al></li><li nr="-"><al>een ingediend aanvraagformulier voor kwijtschelding, mits volledig
                                ingevuld;</al></li><li nr="-"><al>een ingediend verzoekschrift bij het college, de raad of de
                                gemeentelijke ombudsman</al><al>Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat zich omstandigheden kunnen
                                voordoen waarin het noodzakelijk is de invordering wel voort te
                                zetten. In dat geval komen de hieraan verbonden kosten
                                vanzelfsprekend niet voor een tegemoetkoming in aanmerking.</al><al>Kosten worden in afwijking van het voorgaande altijd in rekening
                                gebracht als sprake is van trainering van de invordering;</al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>Als na het in rekening brengen van de kosten aan de belastingaanslag
                                een nieuwe dagtekening is toegekend;</al></li><li nr="-"><al>Als een derdenbeslag nooit blijkt te hebben gelegen als bedoeld in
                                artikel 14.4.1 van deze leidraad;</al></li><li nr="-"><al>Als zaken - die in een onroerende zaak aanwezig zijn - zowel in een
                                beslag op roerende als in een beslag op onroerende zaken zijn
                                begrepen omdat twijfel bestaat over de vraag of deze zaken roerend
                                dan wel onroerend zijn en duidelijkheid is verkregen door middel van
                                welk beslag die zaken moeten worden uitgewonnen. In dat geval zijn
                                de kosten die verband houden met het niet voortgezette beslag niet
                                verschuldigd;</al></li><li nr="-"><al>Als zaken - die op of in een schip van de belastingschuldige
                                aanwezig zijn - zowel in een beslag op het schip als in een beslag
                                op roerende zaken zijn begrepen omdat twijfel bestaat over de vraag
                                of deze zaken een bestanddeel vormen van het schip dan wel
                                zelfstandige roerende zaken zijn, en duidelijkheid is verkregen door
                                middel van welk beslag die zaken moeten worden uitgewonnen. In dat
                                geval zijn de kosten die verband houden met het niet voortgezette
                                beslag niet verschuldigd;</al></li><li nr="-"><al>Als invorderingsmaatregelen worden getroffen met inachtneming van de
                                    <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=10" struct="BWB">artikelen 10</extref> en <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=15" struct="BWB">15 van
                                    de wet</extref>, en de belastingschuldige binnen twee werkdagen
                                na uitreiking van het aanslagbiljet de openstaande belastingschuld
                                betaalt;</al></li><li nr="-"><al>De beslissing om de kosten terug te brengen tot het juiste bedrag
                                dan wel de kosten terug te betalen, gebeurt ambtshalve dan wel na
                                een daartoe ingediend verzoekschrift.</al></li></lijst><al><vet>75.7.</vet><vet> Niet-verwijtbaarheid en vervolgingskosten</vet></al><al>In uitzonderlijke situaties kan er voor de ontvanger aanleiding bestaan de
                        in rekening gebrachte vervolgingskosten - hoezeer ook verschuldigd - te
                        verminderen als de belastingschuldige hier schriftelijk om verzoekt.</al><al>Van zo’n situatie kan sprake zijn als de belastingschuldige aantoont in
                        omstandigheden te hebben verkeerd die het hem feitelijk onmogelijk maakten
                        zijn verplichtingen tijdig na te komen en bovendien de invordering van
                        vervolgingskosten - gezien de omstandigheden van het specifieke geval-
                        onredelijk en onbillijk is.</al><al><vet>75.8.</vet><vet> Versnelde invordering en vervolgingskosten</vet></al><al>Als invorderingsmaatregelen zijn getroffen met inachtneming van de <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=10" struct="BWB">artikelen
                            10</extref> en <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=15" struct="BWB">15 van de wet</extref>, vermeldt de belastingdeurwaarder in
                        de akte van betekening bij het dwangbevel dat de in verband met die
                        maatregelen berekende vervolgingskosten niet verschuldigd zijn als de
                        openstaande belastingschuld binnen twee werkdagen na uitreiking van het
                        aanslagbiljet wordt betaald. De vorige volzin is van overeenkomstige
                        toepassing op de beslagkosten.</al><al><vet>75.9.</vet><vet> Aansprakelijkgestelden en vervolgingskosten</vet></al><al>Voor de door aansprakelijkgestelden verschuldigde kosten die het gevolg zijn
                        van invorderingsmaatregelen die tegen de aansprakelijkgestelde zijn genomen,
                        is dit hoofdstuk van overeenkomstige toepassing.</al><al><vet>75.10.</vet><vet> Geen kwijtschelding van vervolgingskosten</vet></al><al>Kwijtschelding van vervolgingskosten is niet mogelijk wegens vermeende
                        betalingsonmacht. De ontvanger doet in dat geval ook geen toezegging dat
                        deze kosten niet zullen worden ingevorderd.</al><al>Het voorgaande laat onverlet dat kwijtschelding wordt verleend dan wel
                        kosten buiten invordering worden gelaten, wanneer de hoofdsom wordt
                        kwijtgescholden dan wel buiten invordering gelaten. </al><al>Kwijtschelding van het aanslagbedrag wordt niet eerder verleend dan na
                        betaling van de verschuldigde (verwijtbare) invorderingskosten. Hiervoor
                        wordt verwezen naar artikel 26.1.5 van deze leidraad.</al><al><vet>75.11.</vet><vet> Limitering betekeningskosten dwangbevel</vet></al><al>Als op dezelfde dag aan een belastingschuldige meerdere ten name van die
                        belastingschuldige gestelde dwangbevelen worden betekend en de
                        betekeningskosten in totaal meer zouden bedragen dan het maximumbedrag zoals
                        genoemd in <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0002645&amp;artikel=3" struct="BWB">artikel 3, eerste lid van de Kostenwet invordering
                            rijksbelastingen</extref>, zijn niet meer betekeningskosten verschuldigd
                        dan dit maximumbedrag.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>76</nr><titel>tot en met 79 Douane en invordering, motorrijtuigenbelasting,
                            internationale invordering en invordering Awir</titel></kop><al>Deze bepalingen zijn niet van toepassing voor gemeenten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>80</nr><titel>Invordering, Awb en het moment van vaststelling van
                            (naheffings)aanslagen</titel></kop><al>In dit artikel is beleid opgenomen met betrekking tot <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0005537&amp;artikel=4:121" struct="BWB">artikel
                            4:121 van de Awb</extref> en het moment van vaststelling van
                        (naheffings)aanslagen.</al><al><vet>80.1. </vet><vet>Tenuitvoerlegging termijndwangbevel</vet></al><al>Een eenmaal ingestelde vervolging voor één of meer van de vervallen
                        termijnen van de belastingaanslag wordt met dezelfde voortvarendheid
                        voltooid als de eindvervolging.</al><al><vet>80.2. </vet><vet>Moment van vaststelling van (naheffings)aanslagen</vet></al><al>Het overgangsrecht met betrekking tot <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0005537" struct="BWB">Afdeling 4.4.1 van de Awb</extref> (Vaststelling en inhoud
                        van de verplichting tot betaling) bepaalt kort gezegd het volgende. Op een
                        betalingsverplichting die is vastgesteld of ontstaan voor 1 juli 2009 geldt
                        het recht van voor die datum. Voor betalingsverplichtingen van na 1 juli
                        2009 geldt de genoemde afdeling 4.4.1. Bij aanslagbelastingen geldt als
                        moment van vaststelling de datum van dagtekening van de aanslag. Bij
                        aangiftebelastingen wordt voor het moment van vaststelling aangesloten bij
                        de dagtekening van de naheffingsaanslag.</al><al><cursief>Dit overgangsrecht kan van toepassing zijn bij hondenbelasting,
                            parkeerbelasting, toeristenbelasting en vermakelijkhedenretributie,
                            indien deze bij wege van voldoening op aangifte worden
                            geheven.</cursief></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>81</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Dit artikel regelt de inwerkingtreding.</al><al><vet>81.1.</vet><vet> Inwerkingtreding</vet></al><al>Deze Leidraad treedt in werking na bekendmaking en werkt terug tot en met 1
                        januari 2015.</al></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al></al></slotformulering><ondertekening>burgemeester en wethouders van Heerenveen.</ondertekening><ondertekening>De gemeentesecretaris, </ondertekening><ondertekening>F.H. Perdok </ondertekening><ondertekening>De burgemeester, </ondertekening><ondertekening>T.J. van der Zwan </ondertekening></regeling-sluiting></regeling></body></cvdr>