<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR377473_4</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening maatschappelijke ondersteuning Amsterdam 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Amsterdam</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-04-16</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Amsterdam</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad 2017, 131372</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Wmo-verordening 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Gemeentewet">Gemeentewet, art. 121</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20maatschappelijke%20ondersteuning">Wet maatschappelijke ondersteuning, art. 2.1.3</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2017-06-28</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2017-07-16</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>art 5.3.1 derde lid</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2017, nr. 194/674</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Maatschappelijke zorg, ondersteuning en welzijn</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Datum ondertekening inwerkingtredingsbesluit:</al><al>Bron bekendmaking inwerkingtredingsbesluit: -</al></overheidrg:redactioneleToevoeging><overheidrg:externeBijlage>exb-2018-5778</overheidrg:externeBijlage></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening maatschappelijke ondersteuning Amsterdam 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 1.1 Begripsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr/><al>In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt in
                                aanvulling op het bepaalde in artikel 1.1.1 van de wet verstaan
                                onder:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al id="anker-H99731_0_0_1_1_"> algemeen gebruikelijke voorziening:
                                voorziening die normaal in de handel verkrijgbaar is, ook door
                                mensen zonder beperkingen wordt aangeschaft en gebruikt of die niet
                                aanzienlijk duurder is dan voorzieningen met vergelijkbare
                                functies;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al id="anker-H99731_0_0_1_2_"> andere voorziening: voorziening op basis
                                van een andere wet dan de Wet maatschappelijke ondersteuning
                                2015;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al id="anker-H99731_0_0_1_3_"> bijdrage: bijdrage in de kosten als
                                bedoeld in artikel 2.1.4, eerste lid, van de wet</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al id="anker-H99731_0_0_1_4_"> cliënt: onder cliënt wordt in
                                voorkomende gevallen ook verstaan degene die namens de cliënt als
                                gemachtigde of wettelijk vertegenwoordiger bevoegdelijk
                                optreedt;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al id="anker-H99731_0_0_1_5_"> cliëntondersteuning: onafhankelijke
                                ondersteuning met informatie, advies en algemene ondersteuning die
                                bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie
                                en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op
                                het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg,
                                zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen;</al></lid><lid><lidnr>f.</lidnr><al id="anker-H99731_0_0_1_6_"> gebruikelijke hulp: hulp die naar
                                algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht
                                van de echtgenoot, ouders/verzorgers, inwonende kinderen of andere
                                huisgenoten; </al></lid><lid><lidnr>g.</lidnr><al id="anker-H99731_0_0_1_7_"> logeerbaar maken: toegankelijk maken van
                                de woonruimte en toegankelijk en bruikbaar maken van maximaal één
                                woonkamer, één slaapkamer, één toilet en één douche;</al></lid><lid><lidnr>h.</lidnr><al id="anker-H99731_0_0_1_8_"> mantelzorg: hulp ten behoeve van
                                zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp,
                                het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten
                                als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, die rechtstreeks voortvloeit
                                uit een tussen personen bestaande sociale relatie en die niet wordt
                                verleend in het kader van een hulpverlenend beroep;</al></lid><lid><lidnr>i.</lidnr><al id="anker-H99731_0_0_1_9_"> melding: verzoek als bedoeld in artikel
                                2.3.2 van de wet, om onderzoek naar de behoefte van maatschappelijke
                                ondersteuning;</al></lid><lid><lidnr>j.</lidnr><al id="anker-H99731_0_0_1_10_"> ondersteuningsplan: de weergave van de
                                adviezen, verwijzingen en afspraken die in samenspraak met de cliënt
                                en zijn mantelzorger zijn gemaakt naar aanleiding van zijn melding,
                                alsmede de beoogde resultaten en de evaluatie daarvan; </al></lid><lid><lidnr>k.</lidnr><al id="anker-H99731_0_0_1_11_"> ritbijdrage: een door het college vast
                                te stellen bedrag dat een persoon met beperkingen bijdraagt aan het
                                gebruik van het Aanvullend Openbaar Vervoer;</al></lid><lid><lidnr>l.</lidnr><al id="anker-H99731_0_0_1_12_"> uitvoeringsbesluit: Uitvoeringsbesluit
                                Wmo 2015;</al></lid><lid><lidnr>m.</lidnr><al id="anker-H99731_0_0_1_13_"> verblijf: onderdak, in elk geval met
                                een slaapplaats, al dan niet inclusief voeding, douche en eventueel
                                andere diensten of faciliteiten;</al></lid><lid><lidnr>n.</lidnr><al id="anker-H99731_0_0_1_14_"> verslag: een weergave van de uitkomsten
                                van het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 van de wet;</al></lid><lid><lidnr>o.</lidnr><al id="anker-H99731_0_0_1_15_"> voorliggende voorziening: algemene
                                voorziening of andere voorziening waarmee een vergelijkbaar adequaat
                                resultaat wordt bereikt als met een voorziening op grond van de
                                wet;</al></lid><lid><lidnr>p.</lidnr><al id="anker-H99731_0_0_1_16_"> wet: Wet maatschappelijke ondersteuning
                                2015.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.2</nr><titel>Doelgroep van de verordening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H99731_0_0_1_17_"> Deze verordening richt zich op
                                personen</al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H99731_0_0_1_17_1_"> die hun woonplaats hebben in
                                        Amsterdam en </al></li><li nr="b."><al id="anker-H99731_0_0_1_17_2_"> die hun zelfredzaamheid en/of
                                        maatschappelijke participatie willen behouden of verbeteren
                                        en </al></li><li nr="c."><al id="anker-H99731_0_0_1_17_3_"> daar ondersteuning bij nodig
                                        hebben, of</al></li><li nr="d."><al id="anker-H99731_0_0_1_17_4_"> die, al dan niet woonachtig
                                        in Amsterdam, als mantelzorger ondersteuning aan een
                                        Amsterdammer bieden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H99731_0_0_1_18_"> In afwijking van het bepaalde in het
                                eerste lid richt de verordening zich wat betreft opvang en beschermd
                                wonen op ingezetenen van Nederland die in Amsterdam ondersteuning
                                zoeken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H99731_0_0_1_19_"> Wanneer de doelgroep te maken heeft met
                                meervoudige domeinoverstijgende problematiek op het terrein van de
                                Jeugdwet, de Wet maatschappelijke ondersteuning en de
                                Participatiewet draagt het college zorg voor een goede afstemming
                                van de ondersteuning.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Toegang</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 2.1 Melding en onderzoek</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H99732_0_0_1_1_"> Een melding van een
                                ondersteuningsbehoefte kan schriftelijk, elektronisch, mondeling of
                                telefonisch worden gedaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H99732_0_0_1_2_"> Het college bevordert optimale
                                toegankelijkheid voor alle ingezetenen die een melding willen doen
                                van een ondersteuningsbehoefte.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H99732_0_0_1_3_"> De medewerker die de melding ontvangt
                                registreert en bevestigt de ontvangst van de melding en informeert
                                de cliënt over de gang van zaken na de melding, diens rechten en
                                plichten en de vervolgprocedure. De medewerker wijst de melder erop
                                dat hij een persoonlijk plan kan inbrengen in het onderzoek.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H99732_0_0_1_4_"> De medewerker wijst degenen die zich met
                                een ondersteuningsvraag melden erop dat zij zich bij het onderzoek
                                desgewenst kunnen laten bijstaan door een cliëntondersteuner.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al id="anker-H99732_0_0_1_5_"> De medewerker zal naar aanleiding van de
                                melding onderzoeken waar de behoefte aan ondersteuning van de cliënt
                                en diens mantelzorger uit bestaat. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al id="anker-H99732_0_0_1_6_"> Als een onderzoek als bedoeld in artikel
                                2.3.2 van de wet nodig is, verschaft de cliënt of zijn
                                vertegenwoordiger alle gegevens en bescheiden die voor het onderzoek
                                nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan
                                krijgen. </al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al id="anker-H99732_0_0_1_7_"> Indien de cliënt en de
                                ondersteuningsvraag genoegzaam bekend zijn, kan de medewerker in
                                afwijking van het bepaalde in artikel 2.3.2 van de wet, in overleg
                                met de cliënt afzien van een onderzoek.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al id="anker-H99732_0_0_1_8_"> Bij het onderzoek wordt de cliënt
                                geïnformeerd over de keuze tussen een maatwerkvoorziening in natura
                                en in de vorm van een persoonsgebonden budget en de gevolgen
                                daarvan. </al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al id="anker-H99732_0_0_1_9_"> Het college kan de mogelijkheid
                                instellen van een herbeoordeling van de melding als bedoeld in het
                                vijfde lid door een andere medewerker voor de gevallen dat de cliënt
                                en de medewerker niet tot overeenstemming komen over een
                                ondersteuningsplan.</al></lid><lid><lidnr>10.</lidnr><al id="anker-H99732_0_0_1_10_"> Het college kan nadere regels stellen
                                omtrent de toegangsbeoordeling als bedoeld in dit hoofdstuk.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 2.2 Inhoud onderzoek</vet></titel></kop><lid><lidnr/><al>De behandelend medewerker bespreekt met de cliënt na de melding zo
                                spoedig mogelijk, met inachtneming van diens persoonlijk plan indien
                                aanwezig, de volgende onderwerpen in samenhang met elkaar:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al id="anker-H99732_0_0_2_11_"> de behoeften, persoonskenmerken en de
                                voorkeuren van de cliënt;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al id="anker-H99732_0_0_2_12_"> de mogelijkheden om op eigen kracht of
                                met gebruikelijke hulp zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te
                                verbeteren of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of
                                opvang;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al id="anker-H99732_0_0_2_13_"> de mogelijkheden om met mantelzorg of
                                hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk of met behulp van
                                vrijwillige inzet te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid
                                of zijn participatie of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd
                                wonen of opvang;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al id="anker-H99732_0_0_2_14_"> de behoefte aan maatregelen ter
                                ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al id="anker-H99732_0_0_2_15_"> de mogelijkheden om met gebruikmaking
                                van een algemene voorziening of door het verrichten van
                                maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van
                                zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, onderscheidenlijk de
                                mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening te
                                voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;</al></lid><lid><lidnr>f.</lidnr><al id="anker-H99732_0_0_2_16_"> de mogelijkheden om door middel van
                                samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in
                                de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke
                                gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen,
                                te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het
                                oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid, zijn
                                participatie of aan beschermd wonen of opvang;</al></lid><lid><lidnr>g.</lidnr><al id="anker-H99732_0_0_2_17_"> informatie over bijdragen in de kosten
                                die de cliënt verschuldigd zal zijn. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.3 Verslag onderzoek</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H99732_0_0_3_18_"> De cliënt ontvangt een schriftelijke
                                weergave van de uitkomsten van het onderzoek. Indien er een
                                ondersteuningsplan wordt opgesteld geldt dat als verslag van het
                                onderzoek.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H99732_0_0_3_19_"> Bij opmerkingen of latere aanvullingen
                                van de cliënt over dit verslag wordt een nieuw verslag
                                opgesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 2.4 Aanvraag maatwerkvoorziening</vet></titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H99732_0_0_4_20_"> Een aanvraag voor een
                                maatwerkvoorziening wordt door een cliënt schriftelijk ingediend
                                nadat het onderzoek is uitgevoerd, of na verloop van de
                                onderzoeksperiode. Het college kan bepalen dat een aanvraag ook
                                digitaal of mondeling kan worden gedaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H99732_0_0_4_21_"> Het college kan een door hem daartoe
                                aangewezen adviseur om advies vragen gedurende de behandeling van de
                                aanvraag.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 2.5 Aanvraag persoonsgebonden budget</vet></titel></kop><lid><lidnr/><al>In aanvulling op artikel 2.4 omvat een aanvraag voor een
                                persoonsgebonden budget in elk geval </al></lid><lid><lidnr/><al id="anker-H99732_0_0_5_23_">a. de te treffen maatwerkvoorziening en
                                het beoogde doel, </al></lid><lid><lidnr/><al id="anker-H99732_0_0_5_24_">b. de voorgenomen uitvoering en
                                uitvoerder daarvan, </al></lid><lid><lidnr/><al id="anker-H99732_0_0_5_25_">c. de kwalificaties van de uitvoering en
                            </al></lid><lid><lidnr/><al id="anker-H99732_0_0_5_26_">d. een motivering waarom een
                                persoonsgebonden budget gewenst is.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.6 Inhoud beschikking</titel></kop><lid><lidnr/><al id="anker-H99732_0_0_6_27_">1. Bij het treffen van een
                                maatwerkvoorziening in natura wordt in de beschikking in elk geval
                                vastgelegd:</al><lijst><li nr=""><al id="anker-H99732_0_0_6_27_1_">a. welke de te treffen
                                        voorziening is;</al></li><li nr=""><al id="anker-H99732_0_0_6_27_2_">b. wat de duur van de
                                        verstrekking is, voorzover dit door het college wordt
                                        bepaald;</al></li><li nr=""><al id="anker-H99732_0_0_6_27_3_">c. hoe de voorziening in
                                        natura wordt verstrekt; </al></li><li nr=""><al id="anker-H99732_0_0_6_27_4_">d. welke verplichtingen zijn
                                        verbonden aan het verstrekken van de
                                        maatwerkvoorziening</al></li></lijst></lid><lid><lidnr/><al id="anker-H99732_0_0_6_28_">2. Bij het treffen van een
                                maatwerkvoorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget wordt
                                in de beschikking in elk geval vastgelegd:</al><lijst><li nr=""><al id="anker-H99732_0_0_6_28_5_">a. voor welke
                                        maatwerkoplossing het persoonsgebonden budget kan worden
                                        aangewend;</al></li><li nr=""><al id="anker-H99732_0_0_6_28_6_">b. wat de hoogte van het
                                        persoonsgebonden budget is;</al></li><li nr=""><al id="anker-H99732_0_0_6_28_7_">c. wat de duur is van de
                                        verstrekking waarvoor het persoonsgebonden budget is
                                        bedoeld, voorzover dit door het college wordt bepaald;</al></li><li nr=""><al id="anker-H99732_0_0_6_28_8_">d. welke verplichtingen zijn
                                        verbonden aan het persoonsgebonden budget, en </al></li><li nr=""><al id="anker-H99732_0_0_6_28_9_">e. welke regels gelden ten
                                        aanzien van facturering en verantwoording van het
                                        persoonsgebonden budget.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr/><al id="anker-H99732_0_0_6_29_">3. Als er sprake is van een te betalen
                                bijdrage in de kosten wordt dit in de beschikking opgenomen.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Algemene voorzieningen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 3.1 Algemeen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H99733_0_0_1_1_"> Een algemene voorziening kan ingericht
                                zijn voor alle inwoners van Amsterdam of voor een specifieke
                                doelgroep, en is rechtstreeks toegankelijk zonder of op basis van
                                een beperkte toegangsbeoordeling. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H99733_0_0_1_2_"> Het college bevordert en treft de
                                algemene voorzieningen die naar zijn oordeel bijdragen aan de zelf-
                                en samenredzaamheid en de participatie van ingezetenen en aan de
                                ondersteuning van mantelzorg en vrijwilligerswerk daarvoor,
                                waaronder in elk geval de in dit hoofdstuk vermelde
                                voorzieningen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H99733_0_0_1_3_"> Het college kan nadere regels
                                stellen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.2 Basisvoorzieningen</titel></kop><lid><lidnr/><al>De basisvoorzieningen op wijkniveau sluiten zoveel als mogelijk aan
                                op eigen initiatieven van burgers en omvatten in elk geval de
                                beschikbaarheid van:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al id="anker-H99733_0_0_2_4_"> informatie en advies;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al id="anker-H99733_0_0_2_5_"> versterking van de vrijwillige inzet en
                                informele netwerken;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al id="anker-H99733_0_0_2_6_"> mantelzorgondersteuning;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al id="anker-H99733_0_0_2_7_"> activering en participatie;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al id="anker-H99733_0_0_2_8_"> collectieve ondersteuning.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.3 Maatschappelijke dienstverlening</titel></kop><al>De maatschappelijke dienstverlening omvat laagdrempelige, eenmalige of
                            kortdurende ondersteuning bij het oplossen van een vraag of een situatie
                            die niet door de cliënt zelf of met zijn eigen netwerk opgelost kan
                            worden, op de levensdomeinen inkomen, huisvesting, gezinsrelaties,
                            sociaal netwerk en maatschappelijke participatie.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.4 </titel></kop><al>[Vervallen per 01-06-2017]</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.5 Beschermd vervoer</titel></kop><al>Het college draagt voor iedere Amsterdammer vanaf 75 jaar zorg voor de
                            beschikbaarheid van beschermd collectief vervoer. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.6 Woningaanpassing</titel></kop><al>Het college draagt zorg voor het aanbrengen van kleine, enkelvoudige
                            woningaanpassingen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.7 Nacht- en crisisopvang en
                                passantenhotel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H99733_0_0_7_9_"> Het college draagt binnen het kader van
                                de opvang voor dak- en thuislozen zonder verblijfsalternatief zorg
                                voor de mogelijkheid van kortdurend onderdak, in elk geval met een
                                slaapplaats, al dan niet inclusief voeding, douche en eventueel
                                andere diensten of faciliteiten gedurende de nacht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H99733_0_0_7_10_"> Het college draagt zorg voor kortdurend
                                voltijdverblijf naar aanleiding van een crisissituatie, op voor
                                specifiek dat doel bestemde plekken, voor opvang gedurende maximaal
                                drie aaneengesloten dagen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.8 Waardering mantelzorgers</titel></kop><al>Het college draagt jaarlijks zorg voor een blijk van waardering voor
                            mantelzorgers. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Maatwerkvoorzieningen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 4.1 Criteria maatwerkvoorziening
                                algemeen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H99734_0_0_1_1_"> Bij het beoordelen van de aanvraag voor
                                een maatwerkvoorziening neemt het college het verslag van het
                                onderzoek als bedoeld in artikel 2.3 als uitgangspunt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H99734_0_0_1_2_"> Alle mogelijkheden van de cliënt om op
                                eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van
                                andere personen uit het sociale netwerk dan wel met gebruikmaking
                                van algemene of andere voorzieningen zijn zelfredzaamheid of
                                participatie te verbeteren of te regelen dat hij geen behoefte meer
                                heeft aan maatwerkvoorzieningen, worden in het onderzoek eerst
                                beoordeeld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H99734_0_0_1_3_"> Bij de beoordeling van de aanvraag
                                hanteert het college in aanvulling op de voorgaande leden en met
                                inachtneming van het beleidsplan op grond van artikel 2.1.2 van de
                                wet in ieder geval de volgende criteria:</al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H99734_0_0_1_3_1_"> een aanspraak op een adequate
                                        andere voorziening op grond van een andere regeling is
                                        voorliggend op een aanspraak op een
                                        maatwerkvoorziening;</al></li><li nr="b."><al id="anker-H99734_0_0_1_3_2_"> er is sprake van een noodzaak
                                        tot het treffen van een maatwerkvoorziening voor
                                        zelfredzaamheid, participatie<cursief>, </cursief>beschermd
                                        wonen of opvang;</al></li><li nr="c."><al id="anker-H99734_0_0_1_3_3_"> er is geen sprake van normale
                                        maatschappelijke kosten of van een algemeen gebruikelijke
                                        voorziening;</al></li><li nr="d."><al id="anker-H99734_0_0_1_3_4_"> er is geen sprake van
                                        voorzienbaarheid, waaronder begrepen kosten die de cliënt
                                        reeds voor het indienen van de aanvraag heeft gemaakt;</al></li><li nr="e."><al id="anker-H99734_0_0_1_3_5_"> het college kent in beginsel
                                        de goedkoopst adequate voorziening toe;</al></li><li nr="f."><al id="anker-H99734_0_0_1_3_6_"> het college vergoedt of
                                        verstrekt geen voorziening als de normale
                                        afschrijvingstermijn van de eerder vergoede of verstrekte
                                        gelijkwaardige voorziening nog niet is verstreken of deze
                                        technisch nog niet is afgeschreven, tenzij deze voorziening
                                        verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet
                                        aan de cliënt zijn toe te rekenen. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H99734_0_0_1_4_"> Het college kan nadere regels stellen
                                inzake de aard, inhoud en omvang van de te verstrekken
                                maatwerkvoorzieningen en de toegang daartoe als bedoeld in dit
                                hoofdstuk.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.2 Aanvullende criteria persoonsgebonden
                                    budget</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H99734_0_0_2_5_"> Het college kent in aanvulling op
                                artikel 4.1 een persoonsgebonden budget toe als naar het oordeel van
                                het college is vastgesteld dat: </al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H99734_0_0_2_5_7_"> cliënt, al dan niet met hulp
                                        uit zijn sociale netwerk dan wel een door cliënt aangewezen
                                        gemachtigde of een door de rechter aangewezen wettelijk
                                        vertegenwoordiger, in staat is tot een redelijke waardering
                                        van zijn belangen ter zake dan wel in staat is te achten om
                                        de aan een persoonsgebonden budget verbonden taken op een
                                        verantwoorde wijze uit te voeren;</al></li><li nr="b."><al id="anker-H99734_0_0_2_5_8_"> is gemotiveerd dat een cliënt
                                        een persoonsgebonden budget wenst;</al></li><li nr="c."><al id="anker-H99734_0_0_2_5_9_"> is gewaarborgd dat de
                                        diensten, hulpmiddelen, woonruimteaanpassingen en andere
                                        maatregelen die met het persoonsgebonden budget betaald
                                        moeten worden veilig, doeltreffend en cliëntgericht
                                        zijn.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H99734_0_0_2_6_"> Het college kent geen persoonsgebonden
                                budget toe als </al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H99734_0_0_2_6_10_"> in de drie jaren, voorafgaand
                                        aan de datum van het onderzoek, toepassing is gegeven aan
                                        artikel 2.3.10, eerste lid, onderdeel a, d, en e van de
                                        wet;</al></li><li nr="b."><al id="anker-H99734_0_0_2_6_11_"> er sprake is van
                                        ondersteuning in een spoedeisende situatie, als bedoeld in
                                        artikel 2.3.3 van de wet;</al></li><li nr="c."><al id="anker-H99734_0_0_2_6_12_"> het een voorziening voor
                                        opvang of aanvullend openbaar vervoer betreft;</al></li><li nr="d."><al id="anker-H99734_0_0_2_6_13_"> voor zover het
                                        persoonsgebonden budget is bestemd voor besteding in het
                                        buitenland, tenzij voldaan is aan door het college te
                                        stellen nadere voorwaarden;</al></li><li nr="e."><al id="anker-H99734_0_0_2_6_14_"> voor zover dit is bedoeld
                                        voor de betaling van tussenpersonen of belangenbehartigers;
                                    </al></li><li nr="f."><al id="anker-H99734_0_0_2_6_15_"> voor zover dit is bedoeld
                                        voor ondersteunings- of administratiekosten in verband met
                                        het persoonsgebonden budget.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H99734_0_0_2_7_"> Het persoonsgebonden budget bedraagt
                                maximaal de kosten van de maatwerkvoorziening in natura. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H99734_0_0_2_8_"> De hoogte van een persoonsgebonden
                                budget voor ondersteuning in de vorm van dienstverlening uit het
                                sociale netwerk, bedraagt maximaal een door het college vast te
                                stellen bedrag.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al id="anker-H99734_0_0_2_9_"> Een cliënt aan wie een persoonsgebonden
                                budget wordt verstrekt, kan diensten, hulpmiddelen,
                                woonruimteaanpassingen en andere maatregelen onder de volgende
                                voorwaarden betrekken van een persoon die behoort tot het sociaal
                                netwerk: </al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H99734_0_0_2_9_16_"> als de dienst zorg omvat
                                        waarvoor krachtens landelijk geldende kwaliteitscriteria een
                                        minimale opleiding vereist is, beschikt de persoon over de
                                        desbetreffende kwalificatie;</al></li><li nr="b."><al id="anker-H99734_0_0_2_9_17_"> deze persoon heeft niet
                                        aangegeven dat de ondersteuning aan de cliënt hem te zwaar
                                        valt, en</al></li><li nr="c."><al id="anker-H99734_0_0_2_9_18_"> de persoon uit het sociaal
                                        netwerk van wie de dienst wordt betrokken zal niet het
                                        budget beheren, behalve met toestemming van het college
                                        vanwege bijzondere omstandigheden. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.3 Aanvullende criteria voor ambulante
                                    ondersteuning</titel></kop><lid><lidnr/><al>In aanvulling op artikel 4.1 kan een cliënt in aanmerking komen voor
                                ambulante ondersteuning als </al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al id="anker-H99734_0_0_3_10_"> er als gevolg van een beperking of
                                dreigende beperking op het gebied van zelfredzaamheid en
                                maatschappelijke participatie noodzaak is tot ondersteuning bij het
                                inzetten van de eigen kracht, het structureren en uitvoeren van
                                praktische activiteiten en het aanleren van vaardigheden bij het
                                regelen van het dagelijks leven, bij het aangaan of onderhouden van
                                sociale contacten en het versterken van het sociale netwerk van de
                                cliënt en/of bij het participeren in de samenleving. De
                                ondersteuning kan ook nodig zijn ter ontlasting van de persoon die
                                gebruikelijke hulp of mantelzorg levert als er daarbij sprake is van
                                (dreigende) overbelasting, en voor het signaleren van terugval of
                                het voorkomen van escalatie, of</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al id="anker-H99734_0_0_3_11_"> er bij het functioneren van de cliënt
                                sprake is van risico voor hemzelf of diens omgeving, of</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al id="anker-H99734_0_0_3_12_"> toezicht op de cliënt nodig is.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.4 Aanvullende criteria voor dagbesteding </titel></kop><lid><lidnr/><al>In aanvulling op artikel 4.1 kan een cliënt in aanmerking komen voor
                                dagbesteding als </al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al id="anker-H99734_0_0_4_13_"> de cliënt als gevolg van een beperking
                                of specifieke omstandigheid onvoldoende in staat is om zelf of met
                                behulp van zijn netwerk zinvolle tijdsinvulling met sociale
                                contacten of deelname aan het maatschappelijk verkeer te
                                organiseren, of</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al id="anker-H99734_0_0_4_14_"> er sprake is van een beperking of
                                specifieke omstandigheid, waardoor gedurende de dagbesteding
                                deskundigheid vereist is, of</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al id="anker-H99734_0_0_4_15_"> overbelasting van mantelzorgers
                                daardoor wordt voorkomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.5 Aanvullende criteria voor opvang en beschermd
                                    wonen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H99734_0_0_5_16_"> In aanvulling op artikel 4.1 kan een
                                cliënt in aanmerking komen voor opvang als hij</al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H99734_0_0_5_16_19_"> feitelijk of residentieel
                                        dakloos is, al dan niet voorafgaand aan opname in een
                                        (psychiatrische) kliniek, of aan detentie, en</al></li><li nr="b."><al id="anker-H99734_0_0_5_16_20_"> beperkt zelfredzaam is op
                                        meerdere door het college aan te wijzen leefgebieden,
                                        en</al></li><li nr="c."><al id="anker-H99734_0_0_5_16_21_"> niet beschikt over
                                        alternatieven die de situatie van feitelijke of residentiële
                                        dakloosheid op kunnen heffen. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H99734_0_0_5_17_"> In aanvulling op artikel 4.1 kan </al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H99734_0_0_5_17_22_"> een slachtoffer van
                                        huiselijk geweld in aanmerking komen voor opvang inclusief
                                        bijbehorende begeleiding als deze</al></li><li nr="1."><al id="anker-H99734_0_0_5_17_23_"> slachtoffer is van geweld in
                                        huiselijke kring, en vanwege aspecten van veiligheid de
                                        thuissituatie moet verlaten, en </al></li><li nr="2."><al id="anker-H99734_0_0_5_17_24_"> 18 jaar of ouder is, al dan
                                        niet met kinderen, en</al></li><li nr="3."><al id="anker-H99734_0_0_5_17_25_"> geen mogelijkheden heeft om
                                        zelf, al dan niet met gebruikmaking van het eigen sociale
                                        netwerk of door interventie van derden een veilige situatie
                                        te creëren, of in alternatieve huisvesting te voorzien.</al></li><li nr="b."><al id="anker-H99734_0_0_5_17_26_"> een slachtoffer van
                                        huiselijk geweld, waartoe ook alle leden van het gezin met
                                        hun onderlinge gezinsrelaties en patronen behoren, in
                                        aanmerking komen voor ambulante hulpverlening als </al></li><li nr="1."><al id="anker-H99734_0_0_5_17_27_"> het slachtoffer of de
                                        beschermende ouder of verzorger 18 jaar of ouder is, en</al></li><li nr="2."><al id="anker-H99734_0_0_5_17_28_"> het slachtoffer en de leden
                                        van het gezin niet in staat zijn om zelf, al dan niet met
                                        gebruikmaking van het eigen sociale netwerk of door
                                        interventie van derden een veilige situatie te creëren,
                                        en</al></li><li nr="3."><al id="anker-H99734_0_0_5_17_29_"> opvang niet of niet meer
                                        nodig is.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H99734_0_0_5_18_"> In aanvulling op artikel 4.1 kan een
                                cliënt in aanmerking komen voor beschermd wonen als </al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H99734_0_0_5_18_30_"> hij een psychiatrische
                                        aandoening of een verstandelijke beperking heeft, en</al></li><li nr="b."><al id="anker-H99734_0_0_5_18_31_"> er voor hem sprake is van
                                        noodzaak tot bescherming van zichzelf of zijn omgeving,
                                        waarbij die noodzaak direct voortkomt uit de psychiatrische
                                        aandoening of de verstandelijke beperking, en</al></li><li nr="c."><al id="anker-H99734_0_0_5_18_32_"> hij niet beschikt over
                                        alternatieven die de noodzaak voor beschermd wonen op kunnen
                                        heffen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H99734_0_0_5_19_"> Het college kan nadere regels stellen
                                inzake toelating naar aanleiding van afspraken met andere gemeentes
                                over wederzijdse overdracht van cliënten en inzake prioritering van
                                doelgroepen bij de toegang tot de opvang en beschermd wonen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.6 Aanvullende criteria voor
                                logeeropvang</titel></kop><lid><lidnr/><al>In aanvulling op artikel 4.1 kan een cliënt gedurende maximaal drie
                                etmalen per week in aanmerking komen voor logeeropvang als er zonder
                                de inzet hiervan overbelasting van de mantelzorger dreigt en</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al id="anker-H99734_0_0_6_20_"> de cliënt langdurig is aangewezen op
                                meer dan gebruikelijke hulp, en</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al id="anker-H99734_0_0_6_21_"> dagbesteding en ambulante ondersteuning
                                niet voldoende oplossing bieden, en</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al id="anker-H99734_0_0_6_22_"> de cliënt geen aanspraak kan maken op
                                de Zorgverzekeringswet of de Wet langdurige zorg om de overbelasting
                                te voorkomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.7 Aanvullende criteria voor
                                    woonvoorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H99734_0_0_7_23_"> In aanvulling op artikel 4.1 kan een
                                cliënt in aanmerking komen voor een woonvoorziening als hij</al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H99734_0_0_7_23_33_"> aantoonbare beperkingen
                                        heeft bij het normaal gebruik van zijn woning, en</al></li><li nr="b."><al id="anker-H99734_0_0_7_23_34_"> alles heeft gedaan om een
                                        geschikte woning te bewonen, of</al></li><li nr="c."><al id="anker-H99734_0_0_7_23_35_"> een op basis van aantoonbare
                                        beperkingen aanwezige gedragsstoornis heeft met ernstig
                                        ontremd gedrag tot gevolg, waarbij alleen het zich kunnen
                                        afzonderen kan leiden tot een situatie waarin deze persoon
                                        met beperkingen tot rust kan komen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H99734_0_0_7_24_"> Een cliënt kan alleen voor een
                                woonruimteaanpassing in aanmerking komen wanneer deze langdurig
                                noodzakelijk is en verhuizing niet mogelijk is of niet de goedkoopst
                                adequate voorziening is.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H99734_0_0_7_25_"> Een persoon met beperkingen kan alleen
                                voor woonruimteaanpassingen in aanmerking komen als hij rechtmatig
                                een woonruimte bewoont, geen tijdelijke huurovereenkomst heeft en de
                                ondervonden beperkingen in de woonruimte niet voortvloeien uit de
                                aard van de in de woonruimte gebruikte materialen of uit de slechte
                                staat van onderhoud van de woonruimte.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H99734_0_0_7_26_"> Een woonvoorziening wordt slechts
                                verstrekt als de cliënt zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de
                                woonruimte waaraan de voorziening wordt getroffen, dan wel voor het
                                logeerbaar maken van een andere woonruimte dan waar de cliënt met
                                beperkingen zijn hoofdverblijf heeft, als het hoofdverblijf van de
                                cliënt een erkende zorginstelling is.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.8 Aanvullende criteria voor hulp bij het
                                    huishouden</titel></kop><lid><lidnr/><al>In aanvulling op artikel 4.1 kan een cliënt in aanmerking komen voor
                                hulp bij het huishouden ingeval:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al id="anker-H99734_0_0_8_27_"> aantoonbare beperkingen bij het voeren
                                van een huishouden, en</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al id="anker-H99734_0_0_8_28_"> problemen die zich voordoen bij
                                gebruikelijke hulp en mantelzorg.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.9 Aanvullende criteria voor vervoersvoorziening
                                </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H99734_0_0_9_29_"> In aanvulling op artikel 4.1 kan een
                                cliënt in aanmerking komen voor collectief vervoer als de cliënt
                                niet of onvoldoende gebruik kan maken van het openbaar vervoer.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H99734_0_0_9_30_"> In aanvulling op artikel 4.1 en het
                                voorgaande lid kan een cliënt eerst in aanmerking komen voor een
                                individuele vervoersvoorziening als deze langdurig noodzakelijk is
                                en het collectief vervoer niet afdoende is.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al id="anker-H99734_0_0_9_31_"> Bij de te verstrekken
                                vervoersvoorziening wordt ten aanzien van de vervoersbehoefte ten
                                behoeve van maatschappelijke participatie uitsluitend rekening
                                gehouden met de verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving
                                en in elk geval binnen Amsterdam in het kader van het leven van
                                alledag. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H99734_0_0_9_32_"> In afwijking van het derde lid kan een
                                vervoersvoorziening worden verstrekt als zich een situatie voordoet
                                waarbij het gaat om een bovenregionaal contact, dat uitsluitend door
                                de persoon met beperkingen zelf bezocht kan worden, terwijl het
                                bezoek voor de persoon met beperkingen noodzakelijk is om dreigende
                                vereenzaming te voorkomen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al id="anker-H99734_0_0_9_33_"> De te verstrekken vervoersvoorziening
                                zal maatschappelijke participatie door middel van lokale
                                verplaatsingen met tenminste een omvang per jaar van 1.500 kilometer
                                met een bandbreedte tot 2.000 kilometer mogelijk maken.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.10 Aanvullende criteria voor
                                    rolstoelvoorziening</titel></kop><al>In aanvulling op artikel 4.1 kan een cliënt binnen de kaders van de wet,
                            het door de raad vastgestelde plan en deze verordening in aanmerking
                            komen voor een rolstoelvoorziening als het voor hem regelmatig
                            noodzakelijk is om zich zittend te verplaatsen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.11 Financiële tegemoetkoming
                                meerkosten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H99734_0_0_11_34_"> Het college kan ter ondersteuning van
                                de zelfredzaamheid en de participatie op aanvraag een financiële
                                tegemoetkoming verstrekken aan ingezetenen die als gevolg van een
                                beperking of chronische psychische of psychosociale problemen
                                aannemelijke meerkosten hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H99734_0_0_11_35_"> Een financiële tegemoetkoming als
                                omschreven in het eerste lid kan in ieder geval worden verstrekt
                                voor de hiernavolgende meerkosten in verband met:</al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H99734_0_0_11_35_36_"> gebruik eigen of in
                                        bruikleen verstrekte gesloten buitenwagen, auto of
                                        autobus</al></li><li nr="b."><al id="anker-H99734_0_0_11_35_37_"> verhuizen</al></li><li nr="c."><al id="anker-H99734_0_0_11_35_38_"> een voorziening, dan wel
                                        een aanpassing aan een voorziening, voor
                                        sportbeoefening.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H99734_0_0_11_36_"> Het college stelt nadere regels over
                                de gevallen waarin een tegemoetkoming kan worden verstrekt, de
                                berekening van de hoogte en de wijze van verstrekking van de
                                tegemoetkoming.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H99734_0_0_11_37_"> De tegemoetkoming kan
                                inkomensafhankelijk zijn. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Bijdragen</titel></kop><paragraaf><kop><titel><cursief>Paragraaf 5.1 Algemeen</cursief></titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5.1.1 Bijdrageplicht </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H99735_0_1_1_1_"> De cliënt is een bijdrage verplicht
                                    voor de volgende algemene voorzieningen</al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H99735_0_1_1_1_1_"> beschermd vervoer;</al></li><li nr="b."><al id="anker-H99735_0_1_1_1_2_"> nachtopvang;</al></li><li nr="c."><al id="anker-H99735_0_1_1_1_3_"> passantenpension.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H99735_0_1_1_2_"> De cliënt is een bijdrage
                                    verschuldigd voor alle maatwerkvoorzieningen met uitzondering
                                    van ambulante ondersteuning als bedoeld in artikel 4.3 en
                                    dagbesteding als bedoeld in artikel 4.4.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.1.2 Compensatie gebruikskosten </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H99735_0_1_2_3_"> De aanbieder van een algemene of
                                    maatwerkvoorziening kan aan de cliënt een compensatie vragen
                                    voor de kosten die de aanbieder maakt voor diensten die
                                    aanvullend op de voorziening worden aangeboden en waarvan de
                                    cliënt gebruik maakt. Het gaat hierbij in elk geval om
                                    kosten:</al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H99735_0_1_2_3_4_"> voor het gebruik van
                                            consumpties en maaltijden bij dag- en nachtopvang en het
                                            passantenpension, en</al></li><li nr="b."><al id="anker-H99735_0_1_2_3_5_"> voor het doen van een was.
                                        </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H99735_0_1_2_4_"> De compensatie, bedoeld in het
                                    vorige lid, geldt niet als bijdrage als bedoeld in de Wmo en is
                                    maximaal de hoogte van de kosten als bedoeld in het eerste
                                    lid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H99735_0_1_2_5_"> De aanbieder maakt de
                                    verschuldigdheid en hoogte van de kosten als hiervoor bedoeld
                                    zichtbaar voor de cliënten die de voorziening van hem
                                    betrekken.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel><cursief>Paragraaf 5.2 Algemene voorzieningen</cursief></titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5.2.1 Bijdrageplicht algemene voorzieningen </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H99735_0_2_3_6_"> De ritbijdrage voor het beschermd
                                    vervoer is gelijk aan het tarief voor het openbaar vervoer voor
                                    volwassenen (voltarief) dat door het dagelijks bestuur van de
                                    Stadsregio Amsterdam wordt vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H99735_0_2_3_7_"> De bijdrage in de kosten voor
                                    nachtopvang bedraagt: </al><lijst><li nr="a"><al id="anker-H99735_0_2_3_7_6_"> € 5,- per nacht voor
                                            personen die nog niet gestart zijn met een
                                            instroomtraject;</al></li><li nr="b"><al id="anker-H99735_0_2_3_7_7_"> € 7,50 per nacht voor
                                            personen die zijn gestart met een instroomtraject; </al></li><li nr="c"><al id="anker-H99735_0_2_3_7_8_"> € 0,- voor personen zonder
                                            inkomen. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al id="anker-H99735_0_2_3_8_"> In afwijking van het vorige lid
                                    bedraagt de bijdrage in de kosten voor nachtopvang voor jongeren
                                    van 18 tot en met 22 jaar: </al><lijst><li nr="a"><al id="anker-H99735_0_2_3_8_9_"> € 3,50 per nacht;</al></li><li nr="b"><al id="anker-H99735_0_2_3_8_10_"> € 0,- voor jongeren
                                            zonder inkomen. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H99735_0_2_3_9_"> De bijdrage in de kosten voor
                                    verblijf in het passantenpension bedraagt per persoon per nacht: </al><lijst><li nr="a"><al id="anker-H99735_0_2_3_9_11_"> € 15,00 voor een
                                            eenpersoonskamer;</al></li><li nr="b"><al id="anker-H99735_0_2_3_9_12_"> € 11,25 voor een
                                            tweepersoonskamer;</al></li><li nr="c"><al id="anker-H99735_0_2_3_9_13_"> € 8,50 voor een
                                            vierpersoonskamer.</al></li></lijst></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 5.3 Maatwerkvoorzieningen </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5.3.1 Bijdrageplicht Maatwerkvoorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H99735_0_3_4_10_"> De bijdrage in de kosten voor een
                                    maatwerkvoorziening is inkomensafhankelijk, met uitzondering van
                                    de ritbijdrage voor collectief vervoer. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H99735_0_3_4_11_"> De bijdrage voor een
                                    maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget is ten hoogste
                                    gelijk aan de maximale bijdrage die mogelijk is op grond van het
                                    uitvoeringsbesluit, waarbij geldt dat zij nooit hoger is dan de
                                    kostprijs van de voorziening. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H99735_0_3_4_12_"> De bijdrage in de kosten voor een
                                    persoon met beperkingen van 18 jaar en ouder is per vier
                                    weken:</al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H99735_0_3_4_12_14_"> € 0,00 voor de gehuwde
                                            of de gehuwden tezamen, waarvan een van beiden of beiden
                                            de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt
                                            of nog niet hebben bereikt en zij een gezamenlijk
                                            bijdrageplichtig inkomen hebben van maximaal €
                                            37.275,00;</al></li><li nr="b."><al id="anker-H99735_0_3_4_12_15_"> € 13,00 voor de gehuwde
                                            of de gehuwden tezamen, waarvan beiden de
                                            pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt en zij een
                                            gezamenlijk bijdrageplichtig inkomen hebben van maximaal
                                            € 25.054,00;</al></li><li nr="c."><al id="anker-H99735_0_3_4_12_16_"> € 13,00 voor een
                                            ongehuwde die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet
                                            heeft bereikt en een bijdrageplichtig inkomen heeft van
                                            maximaal € 24.103,00;</al></li><li nr="d."><al id="anker-H99735_0_3_4_12_17_">€ 13,00 voor een
                                            ongehuwde die de pensioengerechtigde leeftijd heeft
                                            bereikt en een bijdrageplichtig inkomen heeft van
                                            maximaal € 18.140,00.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H99735_0_3_4_13_"> Indien het inkomen van de persoon
                                    met beperkingen meer bedraagt dan de inkomens genoemd in het
                                    derde lid onder a tot en met d dan worden de daar genoemde
                                    bedragen verhoogd met een dertiende deel van 10% van het
                                    verschil tussen zijn inkomen en het inkomen genoemd in het derde
                                    lid onder a tot en met d.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al id="anker-H99735_0_3_4_14_"> De bijdrage voor een
                                    maatwerkvoorziening wordt berekend op basis van: </al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H99735_0_3_4_14_18_"> als de dienst per uur
                                            wordt geleverd, de gecontracteerde uurprijs en de
                                            geleverde uren;</al></li><li nr="b."><al id="anker-H99735_0_3_4_14_19_"> voor woon- en
                                            vervoersvoorzieningen, de laagste kostprijs die de
                                            gemeente betaalt voor de voorziening; </al></li><li nr="c."><al id="anker-H99735_0_3_4_14_20_"> voor overige gevallen
                                            per periode en op basis van de vergoeding die de
                                            gemeente voor de dienstverlening over die periode
                                            verschuldigd is;</al></li><li nr="d."><al id="anker-H99735_0_3_4_14_21_"> voor een
                                            persoonsgebonden budget voor bijdrageplichtige diensten
                                            en woon- en vervoersvoorzieningen: op basis van het door
                                            de cliënt bestede bedrag.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al id="anker-H99735_0_3_4_15_"> Het college brengt de bijdrage voor
                                    de volgende periode in rekening:</al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H99735_0_3_4_15_22_"> voor dienstverlening:
                                            zolang de toekenning voor de dienstverlening niet is
                                            ingetrokken en er in een periode ondersteuning is
                                            geboden;</al></li><li nr="b."><al id="anker-H99735_0_3_4_15_23_"> voor een voorziening in
                                            natura, anders dan onder a: zolang de cliënt gebruik
                                            maakt van of in het bezit is van de voorziening, en waar
                                            van toepassing tot maximaal de kostprijs van een
                                            eenmalig verstrekte voorziening;</al></li><li nr="c."><al id="anker-H99735_0_3_4_15_24_"> bij een periodieke
                                            verstrekking van een persoonsgebonden budget: over
                                            iedere periode waarover een persoonsgebonden budget is
                                            verstrekt;</al></li><li nr="d."><al id="anker-H99735_0_3_4_15_25_"> voor logeeropvang: het
                                            aantal etmalen dat de cliënt gebruik heeft gemaakt van
                                            de voorziening.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al id="anker-H99735_0_3_4_16_"> Als een persoon over een periode
                                    voor meerdere voorzieningen een bijdrage is verschuldigd, dan
                                    komt de betaalde bijdrage allereerst ten goede aan de
                                    voorziening die eenmalig is verstrekt en waarvoor het college
                                    geen huur verschuldigd is.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al id="anker-H99735_0_3_4_17_"> Wanneer meerdere personen gebruik
                                    maken van één voorziening, wordt de bijdrage berekend over de
                                    kosten gedeeld door het aantal bijdrageplichtige gebruikers.
                                </al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al id="anker-H99735_0_3_4_18_"> Het college kan nadere regels
                                    stellen inzake de aard, inhoud en hoogte van de bijdrage.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.3.2 Bijdrageplicht verblijf in opvang en
                                        beschermd wonen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H99735_0_3_5_19_"> Een cliënt is voor verblijf in een
                                    opvang of beschermd wonen een bijdrage verschuldigd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H99735_0_3_5_20_"> De bijdrage is gelijk aan de
                                    kostprijs voor het verblijf in een opvang of beschermd wonen,
                                    met inachtneming van hetgeen is bepaald in artikel 3.11 van het
                                    uitvoeringsbesluit.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H99735_0_3_5_21_"> De bijdrageplicht geldt ook
                                    gedurende tijdelijke afwezigheid uit de opvang of beschermd
                                    wonen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H99735_0_3_5_22_"> Een cliënt is geen bijdrage
                                    verschuldigd indien hij aan een instelling een vergoeding
                                    betaalt voor het wonen en de daarbij horende ondersteuning.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al id="anker-H99735_0_3_5_23_"> Een cliënt is geen bijdrage
                                    verschuldigd als hij tijdens zijn verblijf woonkosten is
                                    verschuldigd als hoofdbewoner voor de woning die hij heeft
                                    verlaten in verband met risico’s voor de veiligheid in verband
                                    met huiselijk geweld.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al id="anker-H99735_0_3_5_24_"> Het college stelt de bijdrage voor
                                    opvang vast alsmede de wijze van innen van de bijdrage.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Toezicht en handhaving</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 6.1 Maatregelen onterechte toekenning
                                    voorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H99736_0_0_1_1_"> Onverminderd artikel 2.3.8 van de wet is
                                een cliënt die een aanvraag heeft ingediend of aan wie krachtens
                                deze verordening een voorziening is verstrekt, verplicht zo spoedig
                                mogelijk en schriftelijk aan het college mededeling te doen van
                                feiten en omstandigheden, waarvan redelijkerwijs duidelijk moet zijn
                                dat deze van invloed kunnen zijn op het recht op een
                                voorziening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H99736_0_0_1_2_"> Onverminderd artikel 2.3.10 van de wet
                                kan het college een besluit, genomen op grond van deze verordening,
                                geheel of gedeeltelijk herzien of intrekken als het college
                                vaststelt dat:</al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H99736_0_0_1_2_1_"> niet of niet meer is of wordt
                                        voldaan aan de voorwaarden gesteld bij of krachtens deze
                                        verordening;</al></li><li nr="b."><al id="anker-H99736_0_0_1_2_2_"> beschikt is op grond van
                                        gegevens waarvan gebleken is dat die gegevens zodanig
                                        onjuist waren dat, waren de juiste gegevens bekend geweest,
                                        een andere beslissing zou zijn genomen;</al></li><li nr="c."><al id="anker-H99736_0_0_1_2_3_"> de cliënt niet langer op de
                                        voorziening is aangewezen;</al></li><li nr="d."><al id="anker-H99736_0_0_1_2_4_"> de voorziening niet meer
                                        toereikend is te achten;</al></li><li nr="e."><al id="anker-H99736_0_0_1_2_5_"> de cliënt de voorziening niet
                                        of voor een ander doel gebruikt dan waarvoor hij is
                                        verstrekt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H99736_0_0_1_3_"> Een besluit tot verlening van een
                                persoonsgebonden budget kan worden ingetrokken als blijkt dat het
                                budget binnen zes maanden na toekenning niet is aangewend voor de
                                bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft
                                plaatsgevonden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H99736_0_0_1_4_"> Als het recht op een voorziening is
                                ingetrokken kan op basis daarvan een reeds uitbetaald
                                persoonsgebonden budget worden teruggevorderd met terugwerkende
                                kracht tot uiterlijk de datum dat het recht is ingetrokken.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6.2 Maatregelen bij misbruik en oneigenlijk gebruik
                                    van voorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H99736_0_0_2_5_"> Ingeval het recht op verstrekte
                                voorziening is ingetrokken, kan deze voorziening dan wel de
                                geldwaarde van de toegekende voorziening worden teruggevorderd als
                                de voorziening is verleend op basis van onjuist verstrekte
                                gegevens.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H99736_0_0_2_6_"> Ingeval het recht op een in bruikleen
                                verstrekte voorziening is ingetrokken kan deze voorziening worden
                                teruggehaald.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H99736_0_0_2_7_"> Bij herhaald en ernstig wangedrag bij
                                het ontvangen van diensten dan wel herhaalde onzorgvuldige omgang
                                met verstrekte voorzieningen, kan het college al dan niet tijdelijke
                                maatregelen ten aanzien van de cliënt treffen ter bescherming van de
                                medewerker van een aanbieder dan wel voorkomen van (verdere) schade.
                            </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7</nr><titel>Kwaliteit en klachten</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 7.1 Kwaliteitseisen maatschappelijke
                                    ondersteuning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H99737_0_0_1_1_"> Het college neemt in de contracten en
                                subsidieafspraken met aanbieders op aan welke kwaliteitseisen de
                                maatschappelijke ondersteuning moet voldoen. Hierbij sluit het
                                college zoveel als mogelijk aan bij artikel 3.1 van de wet en de
                                kwaliteits- en deskundigheidseisen die in de desbetreffende branche
                                gelden. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H99737_0_0_1_2_"> Als en voorzover geen kwaliteits- en
                                deskundigheidseisen gedefinieerd en vastgesteld zijn stelt het
                                college in aanvulling of afwijking daarvan nadere eisen vast met
                                betrekking tot de kwaliteit van de maatschappelijke ondersteuning.
                                Hierbij neemt het college minimaal de volgende eisen mee:</al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H99737_0_0_1_2_1_"> de voorzieningen worden
                                        afgestemd op de persoonlijke situatie van de cliënt;</al></li><li nr="b."><al id="anker-H99737_0_0_1_2_2_"> de voorzieningen worden
                                        afgestemd met andere vormen van zorg en welzijn;</al></li><li nr="c."><al id="anker-H99737_0_0_1_2_3_"> beroepskrachten handelen in
                                        overeenstemming met de professionele standaard.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H99737_0_0_1_3_"> Onverminderd de bestuursrechtelijke en
                                civielrechtelijke handhavingsbevoegdheden handhaaft het college deze
                                nadere regels door periodieke overleggen met de aanbieder(s) en de
                                cliëntenra(a)den, en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7.2 Verhouding prijs en kwaliteit levering
                                    voorziening door derden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H99737_0_0_2_4_"> Het college stelt voor het leveren van
                                een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de wet,
                                vast:</al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H99737_0_0_2_4_4_"> een vaste prijs, die geldt
                                        voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet
                                        2012 en het op basis daarvan aangaan van een overeenkomst
                                        met de derde; of</al></li><li nr="b."><al id="anker-H99737_0_0_2_4_5_"> een reële prijs die geldt als
                                        ondergrens voor:</al></li><li nr="1"><al id="anker-H99737_0_0_2_4_6_">° een inschrijving en het op
                                        basis daarvan aangaan van een overeenkomst met de derde,
                                        en</al></li><li nr="2"><al id="anker-H99737_0_0_2_4_7_">° de vaste prijs als bedoeld in
                                        onderdeel a.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H99737_0_0_2_5_"> De vaste prijs of de reële prijs voor
                                een dienst is ten minste gebaseerd op de volgende
                                kostprijselementen:</al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H99737_0_0_2_5_8_"> de kosten van de
                                        beroepskracht;</al></li><li nr="b."><al id="anker-H99737_0_0_2_5_9_"> redelijke overheadkosten;</al></li><li nr="c."><al id="anker-H99737_0_0_2_5_10_"> kosten voor niet productieve
                                        uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte,
                                        scholing, werkoverleg;</al></li><li nr="d."><al id="anker-H99737_0_0_2_5_11_"> reis- en
                                        opleidingskosten;</al></li><li nr="e."><al id="anker-H99737_0_0_2_5_12_"> indexatie van de reële prijs
                                        voor het leveren van een dienst; en</al></li><li nr="f."><al id="anker-H99737_0_0_2_5_13_"> overige kosten als gevolg van
                                        door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders
                                        waaronder rapportageverplichtingen en administratieve
                                        verplichtingen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H99737_0_0_2_6_"> Het college kan bij het verlenen van de
                                opdracht voor te leveren diensten rekening houden met:</al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H99737_0_0_2_6_14_"> de aard en omvang van de te
                                        verrichten taken;</al></li><li nr="b."><al id="anker-H99737_0_0_2_6_15_"> de voor de sector
                                        toepasselijke CAO-schalen in relatie tot de zwaarte van de
                                        functie;</al></li><li nr="c."><al id="anker-H99737_0_0_2_6_16_"> een redelijke toeslag voor
                                        overheadkosten;</al></li><li nr="d."><al id="anker-H99737_0_0_2_6_17_"> een voor de sector reële mate
                                        van non-productiviteit van het personeel als gevolg van
                                        verlof, ziekte, scholing en werkoverleg;</al></li><li nr="e."><al id="anker-H99737_0_0_2_6_18_"> kosten voor bijscholing van
                                        het personeel.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H99737_0_0_2_7_"> Het college houdt bij het verlenen van
                                de opdracht voor te leveren overige voorzieningen, rekening
                                met:</al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H99737_0_0_2_7_19_"> de marktprijs van de
                                        voorziening;</al></li><li nr="b."><al id="anker-H99737_0_0_2_7_20_"> de eventuele extra taken die
                                        in verband met de voorziening van de leverancier worden
                                        gevraagd, zoals:</al></li><li nr="1"><al id="anker-H99737_0_0_2_7_21_">° aanmeten, levering en
                                        plaatsing van de voorziening;</al></li><li nr="2"><al id="anker-H99737_0_0_2_7_22_">° instructie over het gebruik
                                        van de voorziening;</al></li><li nr="3"><al id="anker-H99737_0_0_2_7_23_">° onderhoud van de
                                        voorziening. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al id="anker-H99737_0_0_2_8_"> Het college kan nadere regels stellen
                                ter zake en met inachtneming van het voorgaande.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7.3 Meldingsregeling calamiteiten en geweld
                                </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H99737_0_0_3_9_"> Het college draagt aanbieders met wie de
                                gemeente een contract heeft gesloten op iedere calamiteit en vorm
                                van geweld die bij het verlenen van maatschappelijke ondersteuning
                                heeft plaatsgevonden, onverwijld te melden, onverminderd de
                                verantwoordelijkheid van de aanbieder om passende maatregelen te
                                treffen ter zake van de melding en van het voorkomen van meldingen
                                in de toekomst. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H99737_0_0_3_10_"> Het college kan nadere regels stellen
                                ter zake en met inachtneming van het voorgaande.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7.4 Klachtregeling en medezeggenschap</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H99737_0_0_4_11_"> Het college neemt in de contracten en
                                subsidieafspraken met aanbieders op dat de aanbieders een effectieve
                                en laagdrempelige klachtregeling moeten hebben voor de behandeling
                                van klachten van cliënten ten aanzien van gedragingen van de
                                aanbieder jegens een cliënt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H99737_0_0_4_12_"> Het college neemt in de afspraken met
                                aanbieders van een maatwerkvoorziening op dat de aanbieders een
                                regeling voor medezeggenschap moeten hebben, waarvan de
                                uitgangspunten aansluiten bij de Wet medezeggenschap cliënten
                                zorginstellingen. De medezeggenschap ziet in ieder geval op
                                voorgenomen besluiten die voor de cliënten van belang zijn.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H99737_0_0_4_13_"> Onverminderd de bestuursrechtelijke en
                                civielrechtelijke handhavingsbevoegdheden handhaaft het college deze
                                nadere regels door periodieke overleggen met de aanbieder(s) en de
                                cliëntenra(a)den, en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H99737_0_0_4_14_"> Het college kan besluiten één of
                                meerdere van de in dit artikel genoemde eisen niet of anders aan de
                                aanbieder te stellen, indien deze niet proportioneel is in relatie
                                tot de omvang van de organisatie van de aanbieder of de aard of
                                omvang van de opdracht.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al id="anker-H99737_0_0_4_15_"> Het college kan nadere regels stellen
                                ter zake en met inachtneming van het voorgaande.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>8</nr><titel>Beleidsparticipatie</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 8.1 Beleidsparticipatie </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H99738_0_0_1_1_"> Het college betrekt de ingezetenen van
                                de gemeente en in de gemeente een belang hebbende natuurlijke en
                                rechtspersonen bij de voorbereiding van het beleid betreffende
                                maatschappelijke ondersteuning.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H99738_0_0_1_2_"> Het college stelt een adviescommissie in
                                op de wijze voorzien in artikel 84 Gemeentewet, die belast wordt met
                                de taak gevraagd en ongevraagd advies uit te brengen bij de
                                besluitvorming over verordening en beleidsvoorstellen, bij de
                                instelling waarvan wordt voorzien in de benodigde ondersteuning om
                                haar taken uit te voeren.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H99738_0_0_1_3_"> Het college kan nadere regels stellen
                                met betrekking tot de verplichtingen genoemd in de voorgaande
                                leden.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>9</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 9.1 Hardheidsclausule </titel></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt met een
                            vastgestelde ondersteuningsbehoefte afwijken van de bepalingen van deze
                            verordening, als toepassing van de verordening tot onbillijkheden van
                            overwegende aard leidt.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9.2 Indexering</titel></kop><al>Het college kan jaarlijks per 1 januari de in het kader van deze
                            verordening en door het college vastgestelde bedragen verhogen of
                            verlagen. Het college kan per voorziening bepalen welke prijsindex
                            hierbij wordt gehanteerd.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9.3 Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op 1 juni 2017, met uitzondering van
                            artikel 5.3.1, derde lid. Artikel 5.3.1, derde lid treedt op 17 juli
                            2017 in werking.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9.4 Overgangsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H99739_0_0_5_1_"> Een cliënt houdt recht op een
                                voorziening verstrekt op grond van de Verordening voorzieningen
                                maatschappelijke ondersteuning 2012 als gepubliceerd in Gemeenteblad
                                2011, afd. 3A, nr. 199/770, totdat het college een nieuw besluit
                                heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is
                                verstrekt, wordt ingetrokken. Het aan het besluit ten grondslag
                                liggende onderzoek wordt uitgevoerd met inachtneming van hoofdstuk 2
                                en 3 van deze verordening, met dien verstande dat het onderzoek
                                ambtshalve kan plaatsvinden.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9.5 Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening maatschappelijke
                            ondersteuning Amsterdam 2015.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting </titel></kop><divisie><kop><titel>Algemene toelichting </titel></kop><al><vet>Aanleiding</vet></al><al>De Verordening maatschappelijke ondersteuning Amsterdam is gebaseerd
                                op de "Wet van 9 juli 2014, houdende regels inzake de gemeentelijke
                                ondersteuning op het gebied van zelfredzaamheid, participatie,
                                beschermd wonen en opvang (Wet maatschappelijke ondersteuning
                                2015)". Deze wet is gepubliceerd in het Staatsblad onder nummer
                                2014, 280. Onder de Wmo 2015 hangen het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015
                                (Stb. 2014, 420) en de Uitvoeringsregeling Wmo 2015 (Stc. 2014,
                                36807). Ook deze regelgeving heeft invloed op de Amsterdamse
                                Verordening, onder andere op het gebied van de eigen bijdrage en
                                administratieve voorwaarden.</al><al>De wetgever stimuleert burgers eigen verantwoordelijkheid te dragen
                                voor de wijze waarop zij hun leven inrichten en deelnemen aan het
                                maatschappelijk leven, en verwacht van burgers dat zij elkaar daarin
                                naar vermogen bijstaan. De Wet maatschappelijke ondersteuning 2015
                                (Wmo 2015) wil de rechten en plichten van de burger meer met elkaar
                                in evenwicht te brengen. Burgers die zelf dan wel samen met personen
                                in hun naaste omgeving onvoldoende zelfredzaam zijn of onvoldoende
                                in staat zijn tot participatie, kunnen een beroep doen op door de
                                overheid georganiseerde ondersteuning. </al><al>De wet bevat de regeling op basis waarvan de gemeente Amsterdam
                                verantwoordelijk is voor de maatschappelijke ondersteuning van haar
                                inwoners. De regering geeft met de Wet maatschappelijke
                                ondersteuning 2015 uitwerking aan het deel van de maatregelen die in
                                het regeerakkoord ‘Bruggen slaan' zijn opgenomen dat betrekking
                                heeft op de decentralisatie van de verantwoordelijkheid voor
                                langdurige ondersteuning naar gemeenten. De wet bouwt voort op de
                                ervaringen die zijn opgedaan met de Wmo sinds 2007 en breidt de
                                verantwoordelijkheid van gemeenten voor maatschappelijke
                                ondersteuning daarnaast verder uit door decentralisatie van
                                verantwoordelijkheden die tot 1 januari 2015 in de AWBZ waren
                                opgenomen. </al><al>Amsterdam is verantwoordelijk voor het ondersteunen van de zelf- en
                                samenredzaamheid en participatie van mensen met een beperking,
                                chronische psychische of psychosociale problemen: die ondersteuning
                                moet erop gericht zijn dat mensen zo lang mogelijk in de eigen
                                leefomgeving kunnen blijven. Voor mensen met psychische of
                                psychosociale problemen of voor mensen die, al dan niet in verband
                                met risico's voor hun veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, de
                                thuissituatie hebben verlaten, moet Amsterdam voorzien in de
                                behoefte aan beschermd wonen en opvang.</al><al>Het streven naar participatie en zelfredzaamheid binnen de Wmo kan
                                niet los worden gezien van het VN-verdrag inzake de rechten van
                                personen met een handicap. In 2016 is door het Rijk het VN-verdrag
                                voor mensen met een beperking geratificeerd. Het verdrag is op 14
                                juli 2016 in werking getreden. Daarmee maakt dit verdrag deel uit
                                van de wettelijke context waarbinnen overheden (en daarmee
                                gemeenten) dienen te opereren.</al><al>Het verdrag regelt dat iedereen, met of zonder een beperking,
                                volwaardig kan deelnemen aan de samenleving. Het doel van dit
                                verdrag is een voor ieder toegankelijke samenleving. Hoe Amsterdam
                                dit doel gaat uitvoeren wordt door de gemeenteraad onder meer
                                opgenomen in het periodieke beleidsplan voor de Wmo.</al><al><vet>Overgangsrecht</vet></al><al><cursief>AWBZ</cursief></al><al>De AWBZ-aanspraken begeleiding, kortdurend verblijf, vervoer,
                                persoonlijke verzorging, beschermd wonen en doventolkzorg (de zorg
                                door een doventolk bij een gesprek in de leefsituatie) zijn met
                                ingang van 1 januari 2015 komen te vervallen. In de wet is
                                vastgelegd dat, gerekend vanaf 1 januari 2015, voor beschermd wonen
                                wel een overgangstermijn geldt waarin de betrokken cliënten hun
                                recht behouden gedurende maximaal vijf jaar of zoveel minder als de
                                looptijd van het indicatiebesluit omvat.</al><al><vet>Opdracht Wmo 2015 aan Gemeentes</vet></al><al>De Wmo 2015 draagt het gemeentebestuur op zorg te dragen voor de
                                maatschappelijke ondersteuning van haar burgers, en voor de
                                kwaliteit en continuïteit van de voorzieningen. Daartoe moet de
                                gemeenteraad een beleidsplan opstellen (artikel 2.1.2 Wmo 2015) en
                                een <cursief>Verordening</cursief> met "de regels die noodzakelijk
                                zijn voor de uitvoering van dit beleidsplan en de door het college
                                ter uitvoering daarvan te nemen besluiten of te verrichten
                                handelingen" (artikel 2.1.3 Wmo 2015).</al><al><cursief>Verordening</cursief></al><al>De verordening bevat een uitwerking van alle bepalingen die volgens
                                de wet verplicht zijn (zie de artikelen 2.1.3, 2.1.4, 2.1.5, 2.1.6,
                                2.1.7, 2.3.6 en 2.6.6 van de wet). Daarbij is ook gebruik gemaakt
                                van de bepalingen in de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten
                                (VNG) opgestelde modelverordening. </al><al>Daarnaast zijn ook aanvullende bepalingen opgenomen waar deze een
                                meer compleet beeld geven van de rechten en plichten van Amsterdamse
                                burgers, mede gelet op de specifieke Amsterdamse praktijk. In de
                                verordening is het grote belang van de toegangsprocedure bevestigd
                                door deze fase in een apart hoofdstuk op te nemen. Juist in de
                                "melding en onderzoek"-fase zal immers de rol van de mantelzorger,
                                de vrijwilliger, het sociaal netwerk en de eigen regie op de
                                zelfredzaamheid en participatie onderzocht en waar nodig versterkt
                                moeten worden; deze fase zal de transformatie naar een andere
                                verhouding tussen overheid en burger moeten ondersteunen. Daarnaast
                                is ervoor gekozen om in hoofdstuk 3 een beeld te schetsen van de
                                algemene voorzieningen, die zonder beschikking toegankelijk zijn en
                                naast de dragende samenleving een ruggengraat zullen vormen van het
                                Amsterdams Zorgstelsel.</al><al><vet>Amsterdams Zorgstelsel</vet></al><al>Uitgangspunten van het Amsterdams Zorgstelsel zijn vastgelegd in het
                                Koersbesluit voor 2015 en de daarna vastgestelde
                                Uitvoeringsbesluiten. Het Amsterdams Zorgstelsel, is opgebouwd op
                                basis van drie lijnen: </al><al>• De basisvoorzieningen die voor zoveel mogelijk Amsterdammers
                                toegankelijk zijn. Deze voorzieningen zijn maximaal ingebed in de
                                wijk, laten de eigen regie van Amsterdammers op hun leven intact en
                                dragen ertoe bij dit waar nodig te ondersteunen of te versterken, en
                                sluiten aan op het sociale netwerk en de dragende samenleving. In de
                                realisatie en uitvoering van de basisvoorzieningen is een
                                belangrijke rol voor de stadsdelen weggelegd. </al><al>• Het wijkgerichte aanbod (algemene en maatwerkvoorzieningen) dat
                                rechtstreeks toegankelijk is voor alle Amsterdammers of op basis van
                                een toegangsbeoordeling. De dienstverlening staat open voor alle
                                Amsterdammers. De wijkzorgprofessionals bepalen of ondersteuning
                                noodzakelijk is. Hier zal ook het gesprek plaatsvinden met de burger
                                die zich meldt met een vraag om de ondersteuningsbehoefte en de
                                eigen mogelijkheden te onderzoeken, en te bekijken hoe de gemeente
                                daar een rol in speelt of kan spelen. Als er langdurige
                                professionele ondersteuning nodig is wordt er een ondersteuningsplan
                                opgesteld. </al><al>• Het stedelijke aanbod van maatwerkvoorzieningen, waaronder woon-
                                en vervoersvoorzieningen. Als de noodzaak van de verstrekking van
                                deze voorzieningen is vastgesteld, zorgt de gemeente ervoor dat ze
                                aanwezig zijn door middel van doelmatige inkoop.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikelgewijze toelichting </titel></kop></divisie><divisie><kop><titel>Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen </titel></kop></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 1.1 Begripsbepalingen</titel></kop><al>In de Wmo en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit is een groot
                                aantal definities opgenomen, reden waarom het aantal in deze
                                verordening beperkt is. Niet iedere bepaling behoeft
                                toelichting.</al><al>a. algemeen gebruikelijke voorziening</al><al>Dit betreft voorzieningen die in principe voor iedereen beschikbaar
                                zijn, of iemand nu wel of geen beperking heeft. Hoewel het kan
                                voorkomen dat ze specifiek voor een beperking worden aangeschaft,
                                worden ze vanwege hun algemeen gebruikelijke karakter toch niet
                                vergoed. Voorbeelden van een algemeen gebruikelijke voorziening zijn
                                een fiets, een rollator, een verhoogd toilet, thermostatische kranen
                                en zonwering.</al><al>c. bijdrage</al><al>Voorheen werd dit de eigen bijdrage genoemd; de Wmo 2015 noemt het
                                de bijdrage in de kosten. De bijdrage wordt nader uitgewerkt in
                                hoofdstuk 5 van deze verordening.</al><al>e. gebruikelijke hulp</al><al>Van gebruikelijke hulp is sprake indien er een huisgenoot aanwezig
                                is die in staat kan worden geacht hulp te bieden of bepaalde taken
                                over te nemen. Huishoudelijk werk, administratie, financiën, maar
                                ook begeleiding bij bijvoorbeeld (ziekenhuis)bezoek vallen onder
                                gebruikelijke hulp. Bij de bepaling van gebruikelijke hulp wordt
                                rekening gehouden met de leeftijd en eventuele beperking(en) van de
                                huisgeno(o)t(en). Onder een huisgenoot wordt verstaan een persoon
                                die een huishouden vormt met de persoon die beperkingen ondervindt.
                                Er wordt geen onderscheid gemaakt op basis van sekse, religie,
                                cultuur, de wijze van inkomensverwerving of persoonlijke opvattingen
                                over het verrichten van huishoudelijke taken.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 1.2 Doelgroep van de verordening</titel></kop><al>De verordening kent twee doelgroepen. Ten eerste Amsterdammers met
                                behoefte aan ondersteuning vanwege een of meer beperkingen en/of
                                chronische psychische of psychosociale problemen. De gebondenheid
                                aan een gemeente is essentieel voor de begrenzing van de reikwijdte
                                van de Wmo. Uitgangspunt daarbij is de inschrijving in de
                                gemeentelijke basisregistratie personen (BRP). Voor wie niet staat
                                ingeschreven en een aanspraak op ondersteuning op grond van deze
                                verordening wil maken is het mogelijk om de gebondenheid aan
                                Amsterdam op een andere manier vast te stellen.</al><al>Ten tweede kunnen mantelzorgers voor vormen van ondersteuning in
                                aanmerking komen, indien degene voor wie zij mantelzorger zijn
                                ingezetene is van Amsterdam.</al><al>Voor opvang, al dan niet in verband met huiselijk geweld, kan iedere
                                ingezetene van Nederland zich melden. Het kan voor het succes van
                                een traject wenselijk zijn dat iemand elders in Nederland opvang
                                krijgt, bijvoorbeeld omdat hij daar personen heeft die hem
                                ondersteuning kunnen bieden of omwille van de veiligheid. In dat
                                geval kan het college in overleg treden met het college van die
                                andere gemeente om hem daar opvang te bieden. </al><al>De uitvoering van de taken op grond van de Wmo en van de aanpalende
                                Jeugdwet en Participatiewet wordt op elkaar afgestemd. Daarbij gaat
                                de aandacht onder meer uit naar de continuïteit van de ondersteuning
                                bij de overgang naar volwassenheid, naar een op elkaar afgestemd
                                pakket van voorzieningen en naar samenwerking tussen zorg en
                                welzijn, formele en informele ondersteuners en intramurale en
                                extramurale voorzieningen.</al></divisie><divisie><kop><titel>Hoofdstuk 2 Toegang </titel></kop></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.1 Melding en onderzoek</titel></kop><al>In dit artikel is de toegangsprocedure voor mensen met behoefte aan
                                ondersteuning opgenomen. De Wmo 2015 introduceert het begrip
                                melding, waarmee de bespreking van een ondersteuningsbehoefte start.
                                De melding kan, door of namens de cliënt, op verschillende manieren
                                worden gedaan, onder andere via de Wmo Helpdesk, het Sociaal Loket
                                of de wijkzorg. </al><al>De medewerker die de melding in behandeling heeft, bespreekt samen
                                met de melder waaruit de behoefte aan ondersteuning bestaat; dit
                                wordt ook wel het vraagverhelderingsgesprek genoemd. Hieronder wordt
                                nadrukkelijk ook de behoefte van de mantelzorger(s) onder begrepen,
                                indien aanwezig. De melding kan leiden tot een onderzoek als bedoeld
                                in artikel 2.3.2 van de wet. Ook als de melding leidt tot een
                                aanvraag voor een maatwerkvoorziening, zal dit nader onderzoek
                                plaatsvinden. Een melder kan zich laten bijstaan door een familielid
                                of anderen uit zijn netwerk. Tevens kan de melder kosteloos gebruik
                                maken van een cliëntondersteuner.</al><al>De medewerker die de melding in behandeling heeft, geeft uitleg over
                                dit onderzoek en over de benodigde informatie, en verzamelt deze
                                informatie voor zover mogelijk. Daarbij is de medewerking van de
                                melder onontbeerlijk. Als iemand al voldoende bekend is en er zijn
                                geen nieuwe omstandigheden die op de melding van invloed zijn, kan
                                in overleg met de melder worden afgezien van het onderzoek.</al><al>De aanvrager wordt in de onderzoeksfase reeds voorbereid op de
                                eventuele keuze tussen een ondersteuning in natura en een
                                persoonsgebonden budget, ingeval er een maatwerkvoorziening wordt
                                aangevraagd. </al><al>De termijn voor het vaststellen van de ondersteuningsbehoefte
                                bedraagt uiterlijk zes weken. </al><al>Indien de melder en de medewerker het niet eens worden over de
                                inhoud van het ondersteuningsplan, dan kan er door de melder om een
                                zogenoemde <cursief>second opinion</cursief> worden verzocht. De
                                melding wordt dan herbeoordeeld met een andere medewerker. Doel is
                                het voorkomen van onnodige juridisering van zorginhoudelijke
                                discussies. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.2 Inhoud onderzoek</titel></kop><al>Dit betreft het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 van de wet.
                                Bij aanvang van het onderzoek kan iemand ook zelf al een (deel van
                                een) persoonlijk plan hebben gemaakt bijvoorbeeld over welke
                                ondersteuning hij wenst en op welke manier. Ook hierbij kan de
                                mantelzorg betrokken worden.</al><al>In artikel 2.3.2 van de wet en in dit verordeningsartikel staat
                                opgesomd wat in het kader van het onderzoek beoordeeld wordt. Indien
                                de aard van de aanvraag daartoe aanleiding geeft, kan het onderzoek
                                worden beperkt tot de aspecten die voor de aanvraag van belang
                                zijn.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.3 Verslag onderzoek</titel></kop><al>In het kader van de beantwoording van de ondersteuningsvraag is het
                                van belang dat de cliënt en de medewerker die het onderzoek uitvoert
                                zoveel mogelijk van dezelfde informatie kunnen uitgaan. Het verslag
                                waarmee het onderzoek wordt afgesloten wordt aan de cliënt
                                verstrekt, tenzij er een ondersteuningsplan wordt opgesteld. In dat
                                geval maakt het resultaat van het onderzoek deel uit van het
                                ondersteuningsplan en hoeft er niet een apart verslag te worden
                                opgesteld. </al><al>Het verslag als zodanig is geen beschikking waartegen bezwaar en
                                beroep mogelijk is. Mocht de uitkomst van het onderzoek, ook na een
                                eventuele second opinion, niet tot overeenstemming leiden omdat de
                                cliënt niet de voorziening ontvangt die hij denkt nodig te hebben,
                                dan kan daar een aanvraag voor worden ingediend waarna aan de hand
                                van een voor bezwaar vatbare beschikking het besluit van de gemeente
                                juridisch getoetst kan worden.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.4 Aanvraag maatwerkvoorziening</titel></kop><al>Een maatwerkvoorziening wordt in beginsel schriftelijk aangevraagd.
                                Het college kan ook de mogelijkheid van een mondelinge of digitale
                                aanvraag instellen. </al><al>Als dat voor het onderzoek nodig is, kan een externe adviseur worden
                                gevraagd op bepaalde aspecten van het onderzoek te adviseren. Het
                                gaat dan bijvoorbeeld om de beoordeling van iemands medische
                                situatie in relatie tot de beperkingen waarvoor ondersteuning wordt
                                gevraagd. </al><al>Op grond van artikel 2.3.2 van de wet wordt het onderzoek naar de
                                ondersteuningsbehoefte binnen zes weken uitgevoerd. Een
                                maatwerkvoorziening wordt aangevraagd na afronding van het
                                onderzoek, of na verloop van de zes weken.</al></divisie><divisie><kop><titel> Artikel 2.5 Aanvraag persoonsgebonden budget</titel></kop><al>Voor maatwerkvoorzieningen bestaat in beginsel de mogelijkheid om te
                                kiezen tussen de voorziening in natura en als persoonsgebonden
                                budget. Indien iemand kiest voor verstrekking in de vorm van een
                                persoonsgebonden budget, moet hij hiervoor een motivering kunnen
                                geven, zoals gesteld in het tweede lid onder b van artikel 2.3.6 van
                                de wet. Ook moet vooraf inzicht gegeven worden in hoe de besteding
                                van het persoonsgebonden budget voorziet in de vastgestelde
                                ondersteuningsbehoefte. Mede door aan deze eisen te voldoen maakt de
                                cliënt zich verantwoordelijk voor een passende besteding van het
                                budget. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.6 Inhoud beschikking</titel></kop><al>De inhoud van dit artikel spreekt voor zich.</al></divisie><divisie><kop><titel>Hoofdstuk 3 Algemene voorzieningen </titel></kop></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 3.1 Algemeen</titel></kop><al>Een algemene voorziening is in de wet gedefinieerd als een aanbod
                                van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar
                                de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers,
                                toegankelijk is en dat is gericht op het versterken van zelf- en
                                samenredzaamheid en participatie of op opvang. De voorwaarden aan
                                het gebruik van de algemene voorziening zullen voornamelijk
                                betrekking hebben op de doelgroep van de voorziening en op het
                                nakomen van de gebruiksvoorwaarden van de voorziening.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 3.2 Basisvoorzieningen</titel></kop><al>Basisvoorzieningen zijn algemene voorzieningen die primair gericht
                                zijn op het versterken van de eigen kracht van mensen en hun
                                omgeving en op het ondersteunen van initiatieven ter behoud en
                                versterking van de eigen kracht. De basisvoorzieningen zijn
                                beschikbaar in alle wijken, en bestuurscommissies zullen in de
                                uitvoering een belangrijke rol spelen. Ook de maatschappelijke
                                dienstverlening biedt een basisvoorziening in de vorm van
                                collectieve ondersteuning op de levensdomeinen inkomen, huisvesting,
                                gezinsrelaties, sociaal netwerk en maatschappelijke
                                participatie.</al><al>Mensen worden geholpen om zoveel mogelijk eigen oplossingen te
                                vinden, eventueel met ondersteuning van familie, buren, vrienden,
                                vrijwilligers en mantelzorgers. Ook kan men er terecht voor
                                informatie en advies over toegang tot andere Wmo-voorzieningen.
                                Daarnaast kan men er terecht voor onder meer vrijwilligerswerk,
                                mantelzorgondersteuning, activering en deelname aan allerhande
                                activiteiten voor en door bewoners. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 3.3 Maatschappelijke dienstverlening</titel></kop><al>In elk stadsdeel is een instelling voor maatschappelijke
                                dienstverlening waar Amsterdammers naar toe kunnen komen voor
                                ondersteuning. Deze instellingen bieden binnen de Wmo individuele en
                                collectieve vormen van maatschappelijke dienstverlening en
                                cliëntondersteuning, en daarnaast sociaal raadsliedenwerk en
                                schuldhulpverlening.</al><al>Als taken overgenomen moeten worden, onder begeleiding uitgevoerd of
                                thuis getraind moeten worden, is ambulante ondersteuning
                                passender.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 3.5 Beschermd vervoer</titel></kop><al>Beschermd vervoer is een vorm van openbaar vervoer waarbij mensen
                                van adres naar adres vervoerd worden. Iedere Amsterdammer van 75
                                jaar of ouder kan gebruik maken van het beschermd vervoer. Het
                                beschermd vervoer is gericht op de lokale mobiliteit. Het college
                                hanteert een afstand van maximaal 25 kilometer hemelsbreed vanaf het
                                woonadres. Mobiliteit over grotere afstanden valt in principe onder
                                verantwoordelijkheid van het Rijk: voor vervoer over afstanden die
                                verder zijn dan 5 zones in het openbaar vervoer, organiseert het
                                Rijk Valys.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 3.6 Woningaanpassing</titel></kop><al>Een woningaanpassing is een kleine aanpassing aan de woning waarvoor
                                geen bouwtechnische ingrepen nodig zijn, zoals het verwijderen van
                                een eenvoudige drempel of het aanbrengen van een douchezitje.
                                Algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn uitgesloten. Indien de
                                kleine woningaanpassing deel uit maakt van een grootschaliger
                                aanpassing aan de woning, valt deze kleine aanpassing onder artikel
                                4.7.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 3.7 Nacht- en crisisopvang en
                                    passantenpension</titel></kop><al>In de Wmo was de maatschappelijke opvang als zogenoemde collectieve
                                voorziening gepositioneerd. In de Wmo 2015 gelden de opvang en
                                beschermd wonen als maatwerkvoorziening, met uitzondering van nacht-
                                en crisisopvang en het passantenpension. Nachtopvang is het bieden
                                van verblijf gedurende de nacht binnen het kader van de opvang en
                                het voldoen aan een aantal algemene criteria is voldoende voor
                                toegang; er is geen sprake van een maatwerktraject bij de
                                nachtopvang. Ook crisisopvang is naar zijn aard geen voorziening die
                                je aanvraagt, waarna er een beoordeling en beschikking plaatsvindt;
                                het gaat hierbij om kortdurend voltijd verblijf naar aanleiding van
                                een crisissituatie, op voor specifiek dat doel bestemde plekken,
                                voor maatschappelijke opvang gedurende drie dagen. Er wordt snel
                                ingegrepen, en nadat de eerste crisis is bezworen wordt nader
                                gekeken voor meer structurele hulp, waaronder de mogelijkheid van
                                een maatwerkvoorziening opvang. Een passantenpension, tenslotte, is
                                ook geen maatwerkvoorziening. Een passantenpension is een plek waar
                                tijdelijk verblijf wordt geboden aan mensen die op eigen kracht of
                                met behulp van kortdurende ondersteuning vanuit maatschappelijk werk
                                hun problemen kunnen oplossen.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 3.8 Waardering mantelzorgers</titel></kop><al>Het college moet zorgdragen voor een jaarlijkse blijk van waardering
                                voor de mantelzorgers van haar cliënten. De wijze waarop is vrij.
                                Het college werkt in een nadere regeling uit hoe de jaarlijkse
                                waardering en erkenning van mantelzorgers wordt vormgegeven. Een
                                voorbeeld hiervan is een Dag van de mantelzorger. </al></divisie><divisie><kop><titel>Hoofdstuk 4 Maatwerkvoorzieningen </titel></kop><al>De Wmo 2015 geeft de opdracht om in de verordening op te nemen op
                                welke wijze en op basis van welke criteria wordt vastgesteld of een
                                maatwerkvoorziening noodzakelijk is. In dit hoofdstuk is daar vorm
                                aan gegeven. Artikel 4.1 geldt in alle gevallen, en per specifieke
                                voorziening worden daar passende criteria aan toegevoegd waar dat
                                nodig is.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 4.1 Criteria maatwerkvoorziening algemeen</titel></kop><al>In dit artikel is verwoord dat, alvorens wordt overgegaan tot de
                                verstrekking van een maatwerkvoorziening, eerst wordt gekeken naar
                                andere mogelijkheden om de cliënt te helpen met zijn beperkingen.
                                Dat kan bijvoorbeeld een verwijzing zijn naar een voorliggende
                                voorziening, zoals de Wet langdurige zorg of Zorgverzekeringswet,
                                het helpen bij het inzetten van het eigen netwerk, kortdurende
                                ondersteuning door het wijkteam, en een verwijzing naar een algemene
                                voorziening. De maatwerkvoorziening vormt het sluitstuk. </al><al>Als het college vaststelt dat een maatwerkvoorziening noodzakelijk
                                is, zal het college kiezen voor de goedkoopst adequate voorziening.
                                Voorop staat dat de voorziening adequaat (doelmatig) is om bij te
                                dragen aan de ondersteuningsbehoefte. Als er echter meerdere
                                varianten mogelijk zijn, kiest het college voor de goedkoopste
                                variant. Als er al eerder een maatwerkvoorziening (of individuele
                                voorziening, zoals dat heette onder de oude Wet maatschappelijke
                                voorziening) is verstrekt en deze voorziening biedt nog voldoende
                                ondersteuning en is nog niet technisch afgeschreven, dan komt de
                                cliënt niet opnieuw in aanmerking voor een maatwerkvoorziening. De
                                noodzaak is dan niet aanwezig.</al><al>Wanneer een voorziening wordt aangevraagd nadat deze gerealiseerd
                                is, wordt deze geweigerd als de gemeente geen mogelijkheid meer
                                heeft de noodzaak, adequaatheid en passendheid van de voorziening te
                                beoordelen, noch invloed heeft op de te verstrekken soort
                                voorziening. Onderzocht kan worden of een tijdig ingediende aanvraag
                                tot toekenning van de ingediende aanvraag had geleid. Als dat het
                                geval is, is er geen reden tot afwijzing. Het artikel is bedoeld om
                                te voorkomen dat een aanvrager in een vroegtijdig stadium uitgaven
                                doet, waarvan de bestemming uiteindelijk niet overeenstemt met wat
                                het college als goedkoopst adequate voorziening beschouwt.</al><al>Maatwerkvoorzieningen kunnen in bruikleen of in eigendom worden
                                verstrekt. Als een maatwerkvoorziening in bruikleen wordt verstrekt,
                                kan het college met de cliënt een bruikleenovereenkomst afsluiten.
                                Uiteraard bestaat voor een maatwerkvoorziening in de vorm van
                                dienstverlening deze keuzemogelijkheid niet.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 4.2 Aanvullende criteria persoonsgebonden
                                    budget</titel></kop><al>Het persoonsgebonden budget is een volwaardig en nevengeschikt
                                alternatief voor zorg in natura. Als een persoonsgebonden budget is
                                toegekend, kan het na facturering van de uitgevoerde zorg aan de
                                betrokken ondersteuner/zorgverlener worden uitbetaald door de
                                Sociale Verzekeringsbank, die daarvan ook de administratie voor de
                                gemeente uitvoert. </al><al>De gemeente weigert een cliënt een persoonsgebonden budget als de
                                gemeente in de drie jaar voorafgaand aan de aanvraag een beslissing
                                om een maatwerkvoorziening of een persoonsgebonden budget te
                                verstrekken heeft herzien of ingetrokken omdat de cliënt toen
                                onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt (artikel 2.3.10,
                                onderdeel a), niet voldeed aan de gestelde voorwaarden (artikel
                                2.3.10, onderdeel d) of de maatwerkvoorziening of het
                                persoonsgebonden budget niet of voor een ander doel gebruikte
                                (artikel 2.3.10, onderdeel e).</al><al>Met de in dit artikel opgenomen uitsluitingen volgt Amsterdam de
                                beperkingen voor het persoonsgebonden budget in de Wmo 2015. Daaraan
                                is toegevoegd de bepaling in het tweede lid onder c; dit ziet op de
                                situatie van het collectief vervoer en de opvang. De financiering
                                van het aanvullend openbaar vervoer, zo is in rechtspraak ook
                                geaccepteerd, zou zodanig duur worden als voor deze voorziening ook
                                een persoonsgebonden budget mogelijk was, dat het openstellen van
                                die mogelijkheid een onaanvaardbaar financieel risico voor de
                                gemeente oplevert. Dit geldt ook voor de opvang. Om het financieel
                                risico te beperken en het stelsel van ondersteuning in stand te
                                kunnen houden, heeft Amsterdam ervoor gekozen deze twee
                                voorzieningen bij verordening uit te sluiten.</al><al>In de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr.
                                3, blz. 39) is vermeld dat een gemeente kan bepalen dat het
                                persoonsgebonden budget niet hoger mag zijn dan een percentage van
                                de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan het verlenen van
                                adequate ondersteuning in natura. Gemeenten hebben daarmee ook de
                                mogelijkheid om differentiatie aan te brengen in de hoogte van het
                                persoonsgebonden budget. Amsterdam kan dan ook verschillende
                                tarieven hanteren voor verschillende vormen van ondersteuning en
                                voor verschillende typen hulpverleners. Gemeenten kunnen bij het
                                vaststellen van tarieven in de verordening bijvoorbeeld onderscheid
                                maken tussen ondersteuning die wordt geleverd door het sociale
                                netwerk en door hulpverleners die werken volgens de toepasselijke
                                kwaliteitsstandaarden.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 4.3 Aanvullende criteria voor ambulante
                                    ondersteuning</titel></kop><al>Ambulante ondersteuning wordt geboden aan Amsterdammers die
                                beperkingen hebben bij het zelfstandig functioneren of zonder de
                                ondersteuning risico lopen om hun zelfredzaamheid te verliezen.
                                Ambulante ondersteuning is gericht op het bevorderen of stabiliseren
                                van de zelfredzaamheid en de maatschappelijke participatie of het
                                begeleiden van achteruitgang. </al><al>Er kan hierbij voor cliënten die dit niet zelf kunnen of niet kunnen
                                (laten) regelen gedacht worden aan ondersteuning bij de
                                administratie, woonbegeleiding of het indelen van de dag of bij het
                                initiëren van deelname aan buurtactiviteiten, vrijwilligerswerk of
                                dagbesteding.</al><al>Ambulante ondersteuning kan ingezet worden ter ontlasting van de
                                mantelzorger indien sprake is van (dreigende) overbelasting.</al><al>De geboden ondersteuning wordt niet zwaarder of langer ingezet dan
                                nodig is.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 4.4 Aanvullende criteria voor dagbesteding</titel></kop><al>Dagbesteding biedt de Amsterdammer zingeving, activiteiten en
                                sociaal verkeer en ondersteunt de cliënt bij het bevorderen,
                                behouden en begeleiden van achteruitgang hiervan. Dagbesteding
                                kenmerkt zich door de op de cliënt aangepaste aard en inhoud van het
                                activiteiten. De begeleiding is deskundig in het bieden van passende
                                ondersteuning, structuur, toezicht en/of zorg. Dagbesteding wordt
                                aangeboden in een groep of is gericht op het hebben van contact met
                                meerdere personen. </al><al>Er is bij de cliënt sprake van een langdurige beperking of er is
                                sprake van een specifieke omstandigheid die aan de
                                ondersteuningsbehoefte van de cliënt ten grondslag ligt. Behalve bij
                                het het bieden van passende ondersteuning kan de cliënt tijdens de
                                dagbesteding ook begeleiding nodig hebben bij persoonlijke
                                verzorging en/of communicatie. Tevens is het ontlasten van de
                                mantelzorger en het voorkomen van diens overbelasting een beoogd
                                resultaat.</al><al>Als de cliënt de dagbesteding niet zelf of met behulp van zijn
                                netwerk kan bereiken dan neemt de aanbieder passende maatregelen om
                                dat mogelijk te maken. In geval van een persoonsgebonden budget is
                                hiervoor een financiële tegemoetkoming meerkosten mogelijk.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 4.5 Opvang en beschermd wonen </titel></kop><al>De opvang is bedoeld voor hen die niet beschikken over een eigen
                                woonruimte en die voor een slaapplek gedurende de nacht ofwel waren
                                aangewezen op buiten slapen ofwel overnachten in de openlucht en in
                                overdekte openbare ruimten (portieken, fietsenstallingen, stations,
                                winkelcentra of een auto) en binnen slapen in passantenverblijven
                                van de maatschappelijke opvang, inclusief eendaagse noodopvang, of
                                binnen slapen bij vrienden, kennissen of familie, zonder
                                vooruitzicht op een slaapplek voor de daarop volgende nacht. Ook de
                                personen die als bewoner staan ingeschreven bij instellingen voor
                                maatschappelijke opvang (internaten en sociale pensions,
                                woonvoorzieningen op basis van particulier initiatief dat zich richt
                                op semipermanente bewoning door daklozen en particuliere commerciële
                                pensions waar voornamelijk daklozen wonen) behoren tot de doelgroep. </al><al>Voor slachtoffers van huiselijk geweld gelden afwijkende criteria.
                                Het uitgangspunt is dat, als opvang noodzakelijk is omdat de
                                thuissituatie niet veilig is en de betrokkene niet zelf in
                                alternatieve huisvesting kan voorzien, aanvragers worden opgevangen
                                in de gemeente waar zij wonen. Opvang in de eigen gemeente is
                                kansrijker omdat dan het bestaande sociale netwerk kan blijven
                                worden aangesproken. Er kunnen echter zwaarwegende omstandigheden
                                zijn voor opvang buiten de eigen gemeente. Het kan dan gaan om
                                redenen van veiligheid, of om situaties waar acuut opvang geboden is
                                maar de gemeente van herkomst op dat moment geen plek beschikbaar
                                heeft. Als sprake is van huiselijk geweld tegen een persoon of tegen
                                leden van het gezin van de persoon en er is geen opvang
                                noodzakelijk, is ambulante hulpverlening mogelijk.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 4.6 Aanvullende criteria voor logeeropvang</titel></kop><al>In Amsterdam wordt kortdurend verblijf op grond van de Wmo sinds 1
                                juni 2017 aangeduid als logeeropvang. Logeeropvang is gedurende
                                maximaal 3 etmalen per week mogelijk bij die cliënten waarbij de
                                mantelzorger gedurende langere tijd meer dan gebruikelijke hulp
                                biedt. Daarnaast moet duidelijk zijn dat ontlasting van de
                                mantelzorger noodzakelijk is. Daarbij is het verhaal van de
                                mantelzorger leidend.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 4.7 Aanvullende criteria voor
                                    woonvoorzieningen</titel></kop><al>Woonvoorzieningen worden verstrekt om beperkingen bij het normale
                                gebruik van de woning te compenseren. Het normale gebruik van de
                                woonruimte omvat de elementaire woonfuncties, dat zijn de
                                activiteiten die de gemiddelde bewoner in zijn woning in elk geval
                                verricht. Het gaat daarbij om eten bereiden, slapen en
                                lichaamsreiniging, en essentiële huishoudelijke werkzaamheden, zoals
                                kleding wassen, en het aan- en uitkleden, wassen en verschonen van
                                een geheel van zijn verzorger(s) afhankelijk kind.</al><al>Het primaat verhuizen houdt in dat verhuizen naar een geschikte
                                woonruimte voorrang heeft boven woonruimteaanpassingen, wanneer de
                                kosten van de aanpassingen naar verwachting hoger zijn dan het in
                                nadere regels vast te leggen bedrag. Bij de beoordeling van de
                                aanvraag wordt rekening gehouden met het netwerk in de buurt.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 4.8 Aanvullende criteria voor hulp bij het
                                    huishouden</titel></kop><al>Hulp bij het huishouden is het geheel of gedeeltelijk overnemen van
                                huishoudelijke activiteiten in verband met beperkingen die leiden of
                                die dreigen te leiden tot het disfunctioneren van de verzorging van
                                het huishouden van de persoon met beperkingen dan wel van de
                                leefeenheid waartoe hij behoort. Hulp bij het huishouden wordt
                                toegekend voor het hoofdverblijf in Amsterdam.</al><al>Als de persoon met beperkingen huisgenoten heeft die het
                                huishoudelijk werk over kunnen nemen, dan worden zij verondersteld
                                dit door een herverdeling van taken te doen. De persoon met
                                beperkingen krijgt in deze situatie geen hulp bij het huishouden van
                                de gemeente, ook al is er sprake van beperkingen. Dit principe is
                                gebaseerd op de achterliggende gedachte dat huisgenoten in
                                gezamenlijkheid verantwoordelijk zijn voor het huishoudelijke werk.
                                Dat betekent dat indien degene die gewend is het huishoudelijk werk
                                te doen hiertoe niet meer in staat is, andere huisgenoten
                                verondersteld worden dit over te nemen. Er wordt geen onderscheid
                                gemaakt op basis van sekse, religie, cultuur, de wijze van
                                inkomensverwerving of persoonlijke opvattingen over het verrichten
                                van huishoudelijke taken.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 4.9 Aanvullende criteria voor
                                    vervoersvoorziening</titel></kop><al>Deze voorziening is primair gericht op het sociaal vervoer, ook wel
                                vervoer in het kader van het leven van alledag in de directe woon-
                                of leefomgeving genoemd. Het primaat ligt bij het collectief
                                vervoer, in Amsterdam Aanvullend Openbaar Vervoer (AOV) genoemd. Dit
                                is een uitsluitend voor pashouders toegankelijk vervoerssysteem
                                waarbinnen mensen op afroep zittend worden vervoerd. In het AOV
                                worden aan personen met beperkingen die niet met het openbaar
                                vervoer kunnen reizen alternatieven geboden om zich te kunnen
                                verplaatsen.</al><al>Bij individuele vervoersvoorzieningen moet worden gedacht aan
                                bijvoorbeeld scootmobielen, die al dan niet in combinatie met het
                                AOV voor compensatie van de ervaren beperking van de zelfredzaamheid
                                of participatie moet zorgen.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 4.10 Aanvullende criteria voor
                                    rolstoelvoorziening</titel></kop><al>Primair doel van de rolstoel is zittend verplaatsen, omdat lopend
                                verplaatsen, ook met andere voorzieningen als looprek, rollator,
                                wandelstok en krukken langdurig niet of onvoldoende mogelijk is. De
                                rolstoel kan zowel handbewogen als elektrisch aangedreven zijn en
                                worden gebruikt voor verplaatsingen binnen en buiten de woning.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 4.11 Financiële tegemoetkoming meerkosten</titel></kop><al>De Wmo 2015 kent de mogelijkheid van een financiële tegemoetkoming
                                in de meerkosten en dat wordt met dit artikel geregeld. De
                                financiële tegemoetkoming voor meerkosten van een verhuizing is een
                                Amsterdamse regeling, en is ook bestemd voor de inrichtingskosten.
                                Het college kan naast de genoemde tegemoetkomingen meer
                                tegemoetkomingen in nadere regels opnemen, en zal daarin tevens
                                aangeven op welke wijze de afstemming met de bijzondere bijstand
                                plaatsvindt.</al></divisie><divisie><kop><titel>Hoofdstuk 5 Bijdragen </titel></kop><al>De wet schrijft voor dat, voor zover Amsterdam een bijdrage in de
                                kosten wil vragen, dit gereguleerd wordt via de verordening. Bij de
                                omslag naar eigen kracht hoort ook het vergroten van het
                                kostenbewustzijn van de burger en meer financiële
                                verantwoordelijkheid voor diegenen die dat kunnen betalen. </al><al>Daarom wordt er voor enkele algemene voorzieningen een bijdrage
                                gevraagd. Benoemd wordt welke voorzieningen dit zijn. Voor beschermd
                                vervoer geldt dat het OV-tarief in Amsterdam wordt vastgesteld door
                                de Stadsregio en te vinden is op www.stadsregioamsterdam.nl . </al><al>Voor de bijdrage nachtopvang zijn de overwegingen: </al><al>- het is een redelijk bedrag voor het gebodene;</al><al>- het is betaalbaar voor mensen met een uitkering;</al><al>- het is een bedrag dat niet belemmerend werkt voor doorstroom.</al><al>Het is niet de bedoeling dat nachtopvang een eindstation is. Het is
                                een tijdelijke oplossing, gericht op doorstroom van cliënten naar
                                opvang die gericht is op vergroten van de zelfredzaamheid. De hoogte
                                van de bijdrage in de nachtopvang is ook een instrument in de
                                doorstroom. Als mensen niets of een (te) laag bedrag betalen dan zal
                                er geen prikkel zijn door te stromen naar de 24-uursopvang, of
                                individueel begeleid wonen, waar immers ook een eigen bijdrage
                                geldt. </al><al>Voor basisvoorzieningen op wijkniveau kan een compensatie worden
                                gevraagd voor gebruikskosten. De aanbieders van deze voorzieningen
                                zijn vrij om te bepalen óf er een compensatie wordt gevraagd, met
                                inachtneming van de genoemde voorwaarden.</al><al>Voorts wordt een bijdrage in de kosten gevraagd voor
                                maatwerkvoorzieningen. Dat is nodig om de groeiende vraag naar zorg
                                op te vangen en de zorg ook in de toekomst betaalbaar te houden en
                                om de door het Rijk opgelegde bezuinigingen op te kunnen vangen. Een
                                bijdrage in de kosten kan de vraag remmen doordat burgers zelf een
                                voorziening aanschaffen in plaats van deze bij de gemeente aan te
                                vragen, kiezen voor een goedkopere oplossing of afzien van een
                                voorziening voor incidenteel gebruik. Een uitzondering op de
                                bijdrageplicht voor maatwerkvoorzieningen wordt gemaakt voor
                                ambulante ondersteuning en dagbesteding.</al><al>Sinds 2015 is Amsterdam één van de gemeenten die ten gunste van de
                                cliënt afwijkt van de landelijke parameters voor de eigen bijdragen
                                voor Wmo maatwerkvoorzieningen zoals vastgelegd in het
                                Uitvoeringsbesluit Wmo. Dit is nu in artikel 5.3.1 van de
                                verordening vastgelegd.</al><al>Voor de inkomensafhankelijke bijdrage in de kosten geldt de
                                wettelijke verplichting dat het Centraal Administratie Kantoor (CAK)
                                de hoogte van de bijdrage berekent en het bedrag int. Daarnaast
                                gelden de landelijk in het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 vastgestelde
                                kaders waarbinnen de gemeenteraad de nadere invulling aan de te
                                heffen bijdragen kan geven.</al><al>Als gevolg van een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep, 18 mei
                                2016,heeft de rechter bepaald dat de hoogte van de bijdragen voor
                                algemene voorzieningen in de verordening dient te worden vastgelegd
                                en dat delegatie aan het college niet is toegestaan. Dit artikel
                                bevat de hoogte van de bijdragen van de algemene voorzieningen
                                waarvoor een bijdrage geldt.</al></divisie><divisie><kop><titel>Hoofdstuk 6 Toezicht en handhaving </titel></kop><al>In het belang van de gemeente én in het belang van de cliënten zal
                                de gemeente Amsterdam in de uitvoering de nodige aandacht moeten
                                besteden aan het voorkomen van onterechte verstrekkingen door middel
                                van goed onderzoek, en het waar mogelijk terugnemen of -vorderen als
                                blijkt dat onverhoopt toch onterecht een voorziening is toegekend.
                                Dit is ook een wettelijke verplichting. </al><al>Daarnaast komt het voor dat cliënten zich ernstig misdragen tegen
                                medewerkers van zorgaanbieders of oneigenlijk gebruik maken van
                                verstrekte voorzieningen zoals vervoersvoorzieningen. Voor die
                                gevallen is voorzien in de mogelijkheid van het nemen van al dan
                                niet tijdelijke maatregelen. Uiteraard dient daarbij de
                                ondersteuningsbehoefte betrokken worden.</al></divisie><divisie><kop><titel>Hoofdstuk 7 Kwaliteit en klachten </titel></kop></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 7.3 Meldingsregeling calamiteit en geweld</titel></kop><al>De aanbieder heeft op grond van de wet een meldingsplicht bij de
                                gemeentelijke toezichthouder. Daarnaast zullen de meldingen over
                                incidenten, calamiteiten en geweld ook in het kader van het
                                contractmanagement onderwerp van gesprek zijn.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 7.4 Klachtregeling en medezeggenschap</titel></kop><al>Aanbieders van voorzieningen moeten beschikken over een interne
                                klachtenregeling. Het behoort tot de verantwoordelijkheid van de
                                aanbieder om de cliënt te informeren over het bestaan van de
                                klachten- en dispuutregeling. In de contracten met de aanbieder
                                worden de eisen vastgelegd die van belang zijn om de
                                klachtenregeling goed te kunnen laten functioneren. </al><al>Aanbieders van maatwerkvoorzieningen in de vorm van dienstverlening,
                                opvang of beschermd wonen die rechtspersoon zijn moeten beschikken
                                over een regeling ten behoeve van de behartiging van de belangen van
                                de cliënten van de aanbieder. Het behoort tot de
                                verantwoordelijkheid van de aanbieder om de cliënt te informeren
                                over het bestaan van de medezeggenschapsregeling. In de contracten
                                met de aanbieder worden de eisen vastgelegd die van belang zijn om
                                de medezeggenschap goed te kunnen laten functioneren. Deze
                                medezeggenschap dient zoveel mogelijk aan te sluiten bij de Wet
                                medezeggenschap cliënten zorginstellingen.</al><al>Het college kan besluiten dat een cliëntenraad bij een aanbieder
                                niet hoeft te worden ingesteld. Dit zou het college bijvoorbeeld
                                kunnen beslissen als er sprake is van een zeer kleine organisatie of
                                een natuurlijke persoon en een samenwerking met een andere aanbieder
                                op dit punt niet mogelijk is.</al></divisie><divisie><kop><titel>Hoofdstuk 8 Beleidsparticipatie </titel></kop></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 8.1 Beleidsparticipatie</titel></kop><al>Dit artikel regelt dat het college de burgers van Amsterdam betrekt
                                bij de totstandkoming van het Wmo-beleid. Dat past bij de aard van
                                de wet en bij hoe het college en burgers samen invulling geven aan
                                de doelen van de wet. Dit artikel biedt burgers de waarborgen voor
                                een tijdige inspraak op de voornemens van de gemeente inzake het
                                Wmo-beleid en verplicht het college om burgers in staat te stellen
                                de inspraak effectief te kunnen vormgeven. Ook op grond van de
                                Inspraakverordening 2003 geldt overigens de in dit artikel opgenomen
                                verplichting, en die geldt als aanvulling op wat in deze verordening
                                niet geregeld wordt.</al></divisie><divisie><kop><titel>Hoofdstuk 9 Slotbepalingen </titel></kop></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 9.1 Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de aanvrager
                                afwijken van de bepalingen van deze verordening. Afwijken kan enkel
                                ten gunste, niet ten nadele van de aanvrager. Benadrukt wordt dat
                                slechts in bijzondere gevallen gebruik gemaakt kan worden van de
                                hardheidsclausule. Het college geeft bij toepassing van deze
                                clausule duidelijk aan waarom van de verordening moet worden
                                afgeweken.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 9.2 Indexering</titel></kop><al>Deze bepaling maakt het mogelijk om de bedragen die gebaseerd zijn
                                op deze verordening te indexeren. Of daarvoor bijvoorbeeld de
                                consumentenprijsindex (cpi) van het Centraal Bureau voor de
                                Statistiek (CBS) wordt genomen, of een andere index, kan per
                                voorziening door het college worden bepaald.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 9.3 Inwerkingtreding</titel></kop><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 9.4 Overgangsbepaling</titel></kop><al>De overgangsbepaling heeft betrekking op de situatie waarin voor
                                inwerkingtreding van deze verordening een aanvraag voor
                                ondersteuning is ingediend.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 9.5 Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als Verordening maatschappelijke
                                ondersteuning Amsterdam 2015 en wordt afgekort als Wmo-verordening
                                2015.</al></divisie></nota-toelichting><bijlage><al><extref doc="/cvdr/images/Amsterdam/i259489.pdf">Nota van beantwoording op de concept wmo - verordening 2015.pdf (439 Kb)</extref></al></bijlage></regeling></body></cvdr>