<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidop="http://standaarden.overheid.nl/oep/meta/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export1.6--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR376990_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening leerlingenvervoer gemeente Gouda 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Gouda</dcterms:creator><dcterms:modified>2015-10-13</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Gouda</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2015-94310.html?zoekcriteria=%3fzkt%3dUitgebreid%26pst%3dGemeenteblad%26dpr%3dAfgelopenWeek%26spd%3d20151014%26epd%3d20151014%26sdt%3dDatumPublicatie%26org%3dGouda%26orgt%3dgemeente%26planId%3d%26pnr%3d1%26rpp%3d10&amp;resultIndex=0&amp;sorttype=1&amp;sortorder=4">Gemeenteblad, 2015 nr. 94310</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening leerlingenvervoer Gouda 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet op het Primair onderwijs, art. 4</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet op het voortgezet onderwijs, art. 4</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet op de expertisecentra, art. 4</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-09-30</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
          databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-10-13</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2025-04-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>970816</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Beleidsregels leerlingenvervoer Gouda 2015</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening leerlingenvervoer gemeente Gouda 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Gouda; </al><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van de
                        gemeente Gouda;</al><al>gelet op de artikelen 4 van de Wet op het primair onderwijs, 4 van de Wet op
                        de expertisecentra en 4 van de Wet op het voortgezet onderwijs;</al><al>gezien het advies van de Wmo raad d.d. 23 juni 2014 en 11 mei 2015.</al><al>besluit: vast te stellen de Verordening leerlingenvervoer gemeente Gouda
                        2015.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><paragraaf><kop><label>§</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>In deze verordening en de daarop gebaseerde regelgeving wordt verstaan
                            onder:</al><lijst><li nr="-"><al>aangepast vervoer: vervoer per besloten (school)busvervoer,
                                    taxi, taxibus of bustaxi;</al></li><li nr="-"><al>afstand: afstand tussen de woning en de school, gemeten langs de
                                    kortste voor de leerling voldoende begaanbare en veilige
                                    weg;</al></li><li nr="-"><al>begeleider: ouder of persoon die door de ouders wordt ingezet om
                                    de leerling tijdens het vervoer te begeleiden;</al></li><li nr="-"><al>commissie van onderzoek: commissie als bedoeld in artikel 41,
                                    tweede lid, van de Wet op de expertisecentra;</al></li><li nr="-"><al>commissie voor de begeleiding: commissie als bedoeld in artikel
                                    40b van de Wet op de expertisecentra;</al></li><li nr="-"><al>eigen vervoer: vervoer per eigen motorvoertuig of fiets;</al></li><li nr="-"><al>inkomen: inkomensgegeven als bedoeld in artikel 21, aanhef en
                                    onder e, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, in het
                                    peiljaar, bedoeld in artikel 4, zevende lid, van de Wet op het
                                    primair onderwijs;</al></li><li nr="-"><al>leerling: leerling van een school als bedoeld in dit
                                    artikel;</al></li><li nr="-"><al>leerlingenvervoer: de door de gemeente verstrekte
                                    vervoersvoorziening.</al></li><li nr="-"><al>ondersteuningsplan:</al></li></lijst><al>1°. voor het primair onderwijs: ondersteuningsplan als bedoeld in
                            artikel 18a, zevende tot en met tiende lid, van de Wet op het primair
                            onderwijs; </al><al>2°. voor het voortgezet onderwijs: ondersteuningsplan als bedoeld in
                            artikel 17a, zevende tot en met tiende lid, van de Wet op het voortgezet
                            onderwijs;</al><lijst><li nr="-"><al>opdc: orthopedagogisch en -didactisch centrum als bedoeld in
                                    artikel 17a, lid 10a, van de Wet op het voortgezet
                                    onderwijs;</al></li><li nr="-"><al>openbaar vervoer: voor een ieder openstaand personenvervoer per
                                    bus, trein, metro, tram, veerdienst of auto;</al></li><li nr="-"><al>opstapplaats: plaats aangewezen door het college, vanaf waar de
                                    leerling gebruik kan maken van het vervoer;</al></li><li nr="-"><al>ouders: ouders, voogden of verzorgers van de leerling;</al></li><li nr="-"><al>regionale verwijzingscommissie: commissie als bedoeld in artikel
                                    10g van de Wet op het voortgezet onderwijs;</al></li><li nr="-"><al>reistijd: totale tijdsduur die ligt tussen het verlaten van de
                                    woning en de aanvang van de schooldag volgens de schoolgids,
                                    minus maximaal 15 minuten, indien en voor zover de leerling het
                                    schoolgebouw met bijbehorend terrein gewoonlijk eerder bereikt
                                    dan de schoolgids aangeeft, dan wel de totale tijdsduur die ligt
                                    tussen het einde van de schooldag volgens de schoolgids en de
                                    aankomst bij de woning, plus een eventuele wachttijd voor het
                                    openbaar vervoer of maximaal 15 minuten bij gebruikmaking van
                                    aangepast vervoer; - samenwerkingsverband:</al></li></lijst><al>1°. voor het primair onderwijs: samenwerkingsverband als bedoeld in
                            artikel 18a, tweede en vijftiende lid, van de Wet op het primair
                            onderwijs; of 2°. voor het voortgezet onderwijs: samenwerkingsverband
                            als bedoeld in artikel 17a, tweede en zestiende lid, van de Wet op het
                            voortgezet onderwijs;</al><al>-school:</al><al>1°.basisschool of speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in de
                            Wet op het primair onderwijs;</al><al>2°. school voor speciaal onderwijs of speciaal en voortgezet speciaal
                            onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de
                            expertisecentra; of</al><al>3°. school voor voortgezet onderwijs als bedoeld in de Wet op het
                            voortgezet onderwijs;</al><lijst><li nr="-"><al>stage: praktische leertijd bij de beroepsopleiding;</al></li><li nr="-"><al>toegankelijke school: school waarop de leerling is aangewezen
                                    van de verlangde godsdienstige of levensbeschouwelijke richting
                                    dan wel de openbare school - vervoer: openbaar vervoer,
                                    aangepast vervoer of eigen vervoer tussen de woning dan wel de
                                    opstapplaats en de school dat plaatsvindt in aansluiting op het
                                    begin en einde van de schooldag volgens de schoolgids, tenzij de
                                    structurele handicap van een leerplichtige leerling die
                                    aansluiting onmogelijk maakt;</al></li><li nr="-"><al>vervoersvoorziening:</al></li></lijst><al>1°. bekostiging van de goedkoopst mogelijke wijze van openbaar vervoer
                            zo nodig met begeleiding of vervoer per fiets met begeleiding; of</al><al>2°. bekostiging van de kosten van eigen vervoer voor de leerling;
                            of</al><al>3°. aanbieding van aangepast vervoer dat de gemeente verzorgt of doet
                            verzorgen; of</al><al>4°. gehele of gedeeltelijke bekostiging van de door het college
                            noodzakelijk geachte vervoerkosten van de leerling en zo nodig diens
                            begeleider;</al><al>-woning: plaats waar de leerling structureel en feitelijk
                            verblijft.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>De door het college noodzakelijk te achten
                                vervoersvoorziening</titel></kop><al>1.Ten behoeve van het schoolbezoek kent het college aan de ouders van in
                            de gemeente verblijvende leerlingen of aan de meerderjarige en
                            handelingsbekwame leerlingen op aanvraag een vervoersvoorziening toe met
                            inachtneming van het bepaalde in deze verordening. </al><al>2. Indien het college toepassing geeft aan het eerste lid, verlangt het
                            college van de ouders aan wie slechts een gedeeltelijke bekostiging van
                            de vervoerskosten toekomt, betaling van een bijdrage tot ten hoogste het
                            bedrag dat de ouders volgens het bepaalde in deze verordening moeten
                            bijdragen aan de kosten van het vervoer. Weigering tot of nalatigheid in
                            de betaling van de in de vorige volzin bedoelde bijdrage doet de
                            aanspraak op de vervoersvoorziening vervallen. </al><al>3. De bepalingen in deze verordening laten onverlet de
                            verantwoordelijkheid van de ouders voor het schoolbezoek van hun
                            kinderen. </al><al>4. Indien de leerling meerderjarig en handelingsbekwaam is, wordt de
                            vervoersvoorziening op aanvraag verstrekt aan de leerling.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Vervoersvoorziening naar de dichtstbijzijnde toegankelijke
                                school</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een vervoersvoorziening wordt toegekend over de afstand tussen de
                                woning dan wel de opstapplaats en de dichtstbijzijnde voor de
                                leerling toegankelijke school, tenzij vervoer naar een verder
                                weggelegen school voor de gemeente minder kosten met zich mee zou
                                brengen en de ouders met het vervoer naar die school schriftelijk
                                instemmen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien ouders een vervoersvoorziening aanvragen voor het bezoeken
                                van een school, die op grotere afstand van de woning is gelegen dan
                                een andere school van dezelfde onderwijssoort, ontstaat slechts
                                aanspraak op een vervoersvoorziening naar eerstgenoemde school als
                                door de ouders schriftelijk wordt verklaard dat zij overwegende
                                bezwaren hebben tegen de richting van het onderwijs van de soort
                                waarop de leerling is aangewezen, die dichterbij de woning zijn
                                gelegen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Toekenning vervoersvoorziening</titel></kop><al>Het college bepaalt bij de toekenning van een vervoersvoorziening de
                            wijze en het tijdstip van de verstrekking dan wel de uitbetaling,
                            alsmede de tijdsduur van de toegekende vervoersvoorziening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Aanvraagprocedure</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een aanvraag voor een vervoersvoorziening wordt gedaan door
                                indiening bij het college van een volledig ingevuld en door de
                                ouders ondertekend formulier, voorzien van de op het formulier
                                vermelde gegevens.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien dit voor een juiste beoordeling van de aanvraag noodzakelijk
                                is, kan het college de ouders verzoeken aanvullende gegevens te
                                verstrekken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien een vervoersvoorziening wordt toegekend geldt deze:</al><lijst><li nr="a."><al>wanneer het een bekostiging betreft, met ingang van de door
                                        de ouders verzochte datum, met dien verstande dat de datum
                                        niet ligt vóór de datum van ontvangst van de aanvraag;</al></li><li nr="b."><al>wanneer het aanbieding van aangepast vervoer betreft, met
                                        ingang van een datum die zo dicht mogelijk aansluit bij de
                                        door de ouders verzochte datum.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Doorgeven van wijzigingen</titel></kop><al>1.De ouders, dan wel de meerderjarige handelingsbekwame leerling, zijn
                            verplicht wijzigingen, die van invloed kunnen zijn op de toegekende
                            vervoersvoorziening, onder vermelding van de datum van wijziging, direct
                            schriftelijk mede te delen aan het college. </al><al>2. Als de wijziging daartoe aanleiding geeft trekt het college de
                            verstrekte vervoersvoorziening in, of herziet het college het eerder
                            genomen besluit. </al><al>3. Ten onrechte genoten bekostiging kan van de ouders worden
                            teruggevorderd, dan wel worden verrekend bij een eventuele nieuw
                            verstrekte vervoersvoorziening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Andere vergoedingen</titel></kop><al>De aanspraak op een vervoersvoorziening wordt verminderd met de
                            aanspraak op een toelage, voor zo ver die voor de betreffende leerling
                            betrekking heeft op de reiskosten.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>2</nr><titel>Bepalingen omtrent het vervoer van leerlingen van scholen voor
                            primair onderwijs</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Algemene bepalingen omtrent het vervoer van leerlingen van
                                scholen voor primair onderwijs</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In deze paragraaf wordt verstaan onder school:</al><lijst><li nr="a."><al>een basisschool of speciale school voor basisonderwijs
                                            als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs; of</al></li><li nr="b."><al>een school voor speciaal onderwijs of een school voor
                                            speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in
                                            de Wet op de expertisecentra.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Deze paragraaf is niet van toepassing op leerlingen van scholen
                                    voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs die voortgezet
                                    onderwijs volgen.</al></li><li nr="3."><al>Met inachtneming van het bepaalde in artikel 3 wordt een
                                    vervoersvoorziening verstrekt over de afstand tussen de woning
                                    dan wel de opstapplaats en:</al><lijst><li nr="a."><al>de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke
                                            speciale school voor basisonderwijs in het
                                            samenwerkingsverband van de basisschool waarvan de
                                            leerling afkomstig is, of</al></li><li nr="b."><al>een andere speciale school voor basisonderwijs in het
                                            onder a bedoelde samenwerkingsverband, indien het
                                            vervoer naar die school voor de gemeente minder kosten
                                            met zich mee zou brengen dan het vervoer naar de
                                            speciale school voor basisonderwijs, bedoeld onder
                                            a.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Het college betrekt bij de beoordeling van de aanvraag voor
                                    leerlingenvervoer eventuele (vervoers)adviezen van deskundigen
                                    die voor de beoordeling van die aanvraag van belang zijn.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer van een
                                leerling</titel></kop><al>Het college verstrekt aan de ouders van de leerling die een school zoals
                            bedoeld onder artikel 8 bezoekt een vervoersvoorziening op basis van de
                            kosten van het openbaar vervoer, indien de afstand van de woning naar de
                            dichtstbijzijnde voor hem toegankelijke school meer dan zes km
                            bedraagt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer of vervoer per
                                fiets ten behoeve van een begeleider</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verstrekt aan de ouders van de leerling die een school
                                zoals bedoeld onder artikel 8 bezoekt een vervoersvoorziening op
                                basis van de kosten van het openbaar vervoer of vervoer per fiets
                                van begeleider indien:</al><lijst><li nr="a."><al>aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening zoals bedoeld
                                        in artikel 9, of</al></li><li nr="b."><al>de leerling door een structurele lichamelijke,
                                        verstandelijke of zintuiglijke handicap niet zelfstandig van
                                        het openbaar vervoer of de fiets gebruik kan maken. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In aanvulling op het eerste lid kan het college de ouders ook
                                gedurende een bepaalde periode een ov-app verstrekken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien een begeleider meer dan één leerling tegelijk begeleidt,
                                komen slechts de kosten van het vervoer ten behoeve van één
                                begeleider voor bekostiging in aanmerking.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verstrekt een vervoersvoorziening in de vorm van
                                aangepast vervoer aan de ouders van de leerling die een school zoals
                                bedoeld onder artikel 8 bezoekt, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in de
                                        artikelen 9 of 10 en de leerling met gebruikmaking van
                                        openbaar vervoer naar school of terug, meer dan anderhalf
                                        uur onderweg is en de reistijd met aangepast vervoer tot 50%
                                        of minder van de reistijd per openbaar vervoer kan worden
                                        teruggebracht;</al></li><li nr="b."><al>aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in de
                                        artikelen 9 of 10 en openbaar vervoer ontbreekt, tenzij de
                                        leerling naar het oordeel van het college onder begeleiding
                                        gebruik kan maken van het vervoer per fiets;</al></li><li nr="c."><al>aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel 10
                                        en door de ouders ten behoeve van het college genoegzaam
                                        wordt aangetoond dat begeleiding van de leerling door
                                        henzelf of anderen onmogelijk is dan wel tot ernstige
                                        benadeling van het gezin zal leiden en een andere oplossing
                                        niet mogelijk is; of</al></li><li nr="d."><al>de leerling, naar het oordeel van het college, gelet op zijn
                                        structurele lichamelijke, verstandelijke, psychische of
                                        zintuiglijke handicap niet in staat is – ook niet onder
                                        begeleiding – van openbaar vervoer gebruik te maken.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien begeleiding in het aangepast vervoer vereist is, vergoedt het
                                college geen andere kosten dan de vervoerskosten welke verbonden
                                zijn aan de begeleiding van de leerling in het aangepast
                                vervoer.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoer</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening, kan het college
                                de ouders op aanvraag toestaan een of meer leerlingen zelf te
                                vervoeren of te laten vervoeren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is
                                verleend, bekostigt het college aan de ouders die een leerling zelf
                                vervoeren, dan wel laten vervoeren een bedrag van € 0,37 cent per
                                kilometer voor de beladen ritten, behoudens het bepaalde in het
                                vierde lid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is
                                verleend, bekostigt het college aan de ouders die meer dan een
                                leerling tegelijk zelf vervoeren, dan wel laten vervoeren, een
                                bedrag gebaseerd op de Reisregeling Binnenland, behoudens het
                                bepaalde in het vierde lid.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Aan de ouders die een of meer leerlingen laten vervoeren door andere
                                ouders die van gemeentewege voor het vervoer van een of meer
                                leerlingen bekostiging ontvangen, wordt door het college geen
                                bekostiging verstrekt.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening en het college
                                desgewenst toestaat, dan wel van oordeel is, dat de leerling met
                                begeleiding gebruik kan maken van het vervoer per fiets, bekostigt
                                het college aan de ouders een bedrag van € 0,37 cent per kilometer
                                voor de begeleiding van het kind.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Drempelbedrag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan de ouders van een leerling die een school voor basisonderwijs,
                                zoals bedoeld in de Wet op het primair onderwijs, bezoekt van wie
                                het inkomen tezamen meer bedraagt dan € 24.750,- wordt slechts
                                bekostiging verstrekt voor zover de kosten van het vervoer van die
                                leerling de kosten van het openbaar vervoer over de in artikel 9
                                bepaalde afstand te boven gaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In geval het college in plaats van bekostiging in geld toe te kennen
                                het vervoer zelf verzorgt dan wel doet verzorgen, betalen de ouders
                                van een leerling die een school voor basisonderwijs bezoekt per
                                leerling per schooljaar een eigen bijdrage die gelijk is aan de
                                kosten van het openbaar vervoer over de in artikel 9 bepaalde
                                afstand, indien het inkomen van de ouders meer bedraagt dan €
                                24.750,-.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De kosten voor openbaar vervoer, genoemd in het eerste en tweede
                                lid, betreffen de kosten van openbaar vervoer die bij gebruik van de
                                OV-chipkaart of een andere binnen de gemeente geldende
                                OV-betaalmogelijkheid voor de in artikel 9 bepaalde afstand
                                redelijkerwijs zouden worden gemaakt, ongeacht de aanwezigheid van
                                openbaar vervoer of het daadwerkelijk gebruik ervan. Bij het bepalen
                                van de kosten wordt rekening gehouden met de kortingen die voor de
                                leerling binnen het systeem kunnen gelden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het bedrag van € 24.750,- genoemd in het eerste en tweede lid, wordt
                                met ingang van 1 januari 2016 jaarlijks aangepast aan de wijziging
                                die het indexcijfer van de regelingslonen van volwassen werknemers
                                heeft ondergaan ten opzichte van het voorafgaande jaar en
                                rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 450,-. Het aangepaste
                                bedrag treedt in plaats van het in het eerste en tweede lid genoemde
                                bedrag van € 24.750,-.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Deze bepaling is niet van toepassing op leerlingen die wegens hun
                                structurele lichamelijke, verstandelijke, psychische of zintuiglijke
                                handicap op ander vervoer dan openbaar vervoer zijn aangewezen, dan
                                wel vanwege een zodanige handicap niet zelfstandig van openbaar
                                vervoer gebruik kunnen maken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Financiële draagkracht</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde
                                    toegankelijke school voor basisonderwijs, zoals bedoeld in de
                                    Wet op het primair onderwijs, meer dan 20 km bedraagt, wordt de
                                    vastgestelde bekostiging verminderd met een van de financiële
                                    draagkracht van de ouders afhankelijk bedrag.</al></li><li nr="2."><al>In geval het college in plaats van bekostiging in geld toe te
                                    kennen het vervoer zelf verzorgt dan wel doet verzorgen, en de
                                    afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke
                                    school voor basisonderwijs meer dan 20 km bedraagt, betalen de
                                    ouders een van de financiële draagkracht afhankelijke bijdrage
                                    tot ten hoogste het bedrag van de kosten van het vervoer.</al></li><li nr="3."><al>De hoogte van het bedrag als bedoeld in het eerste lid en de
                                    bijdrage als bedoeld in het tweede lid worden berekend per gezin
                                    en zijn afhankelijk van de hoogte van het inkomen van de
                                    ouders.</al><al>Zij bedragen: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="44*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="56*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><cursief>Inkomen in euro’s</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>Eigen </cursief><cursief>bijdragen </cursief><cursief>(per jaar) </cursief><cursief>in</cursief><cursief> euro</cursief><cursief>’</cursief><cursief>s</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>0-33.000 </al></entry><entry colname="col2"><al>Nihil</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>33.000-40.000</al></entry><entry colname="col2"><al>140</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>40.000-46.000</al></entry><entry colname="col2"><al>585</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>46.000-52.000</al></entry><entry colname="col2"><al>1.090</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>52.000-59.000</al></entry><entry colname="col2"><al>1.595</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>59.000-65.500</al></entry><entry colname="col2"><al>2.100</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>65.500 en verder</al></entry><entry colname="col2"><al>Voor elke extra € 5.000: € 515 erbij </al></entry></row></tbody></tgroup></table></li><li nr="4."><al>De inkomensbedragen, genoemd in het derde lid, worden met ingang
                                    van 1 januari 2016 jaarlijks aangepast aan de wijziging die het
                                    indexcijfer van de regelingslonen van volwassen werknemers heeft
                                    ondergaan ten opzichte van 1 januari van het voorafgaande jaar,
                                    en rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 500,-.</al></li><li nr="5."><al>De bedragen van de eigen bijdrage, bedoeld in het derde lid,
                                    worden met ingang van 1 januari 2016 jaarlijks aangepast aan de
                                    wijziging die het consumentenprijsindexcijfer van de reeks alle
                                    huishoudens op het onderdeel vervoersdiensten heeft ondergaan
                                    ten opzichte van 1 januari van het voorafgaande jaar, en
                                    rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 5,-.</al></li><li nr="6."><al>Deze bepaling is niet van toepassing op leerlingen die wegens
                                    hun structurele lichamelijke, verstandelijke, psychische of
                                    zintuiglijke handicap op ander vervoer dan openbaar vervoer zijn
                                    aangewezen, dan wel vanwege een zodanige handicap niet
                                    zelfstandig van openbaar vervoer gebruik kunnen maken.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>3</nr><titel>Bepalingen omtrent het vervoer van leerlingen van scholen voor
                            voortgezet onderwijs</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Algemene bepalingen omtrent het vervoer van leerlingen van
                                scholen voor voortgezet onderwijs</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze paragraaf wordt verstaan onder school:</al><lijst><li nr="a."><al>een school voor voortgezet onderwijs als bedoeld in de Wet
                                        op het voortgezet onderwijs; of</al></li><li nr="b."><al>een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs of
                                        een school voor voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in
                                        de Wet op de expertisecentra.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college betrekt bij de beoordeling van de aanvraag voor
                                leerlingenvervoer eventuele (vervoers)adviezen van deskundigen die
                                voor de beoordeling van die aanvraag van belang zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer en vervoer per
                                fiets met begeleiding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verstrekt aan de ouders van de leerling die een school
                                zoals bedoeld onder artikel 15 bezoekt bekostiging op basis van de
                                kosten van het openbaar vervoer van de leerling en een begeleider,
                                indien de leerling door een structurele lichamelijke,
                                verstandelijke, psychische of zintuiglijke handicap niet zelfstandig
                                van het openbaar vervoer of de fiets gebruik kan maken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In aanvulling op het eerste lid kan het college de ouders ook
                                gedurende een bepaalde periode een ov-app verstrekken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien een begeleider meer dan één leerling tegelijk begeleidt,
                                komen slechts de kosten van het vervoer ten behoeve van één
                                begeleider voor bekostiging in aanmerking.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In afwijking van de bekostiging op basis van de kosten van het
                                openbaar vervoer, zoals bedoeld in het eerste lid, verstrekt het
                                college de ouders een bedrag van € 0,27 cent per kilometer voor de
                                begeleiding van het kind indien de leerling naar het oordeel van het
                                college met begeleiding gebruik kan maken van het vervoer per
                                fiets.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Aan de ouders van de leerling met een structurele lichamelijke,
                                verstandelijke, psychische of zintuiglijke handicap die een school
                                buiten Gouda zoals bedoeld onder artikel 15 bezoekt vanwege zijn
                                handicap, verstrekt het college, in afwijking van het bepaalde in
                                het eerste lid en met inachtneming van het bepaalde in het derde en
                                vierde lid, een vervoersvoorziening op basis van de kosten van het
                                openbaar vervoer van de leerling indien de leerling zelfstandig van
                                het openbaar vervoer gebruik kan maken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verstrekt een vervoersvoorziening in de vorm van
                                aangepast vervoeraan de ouders van de leerling die een school
                                zoals bedoeld onder artikel 15 bezoekt, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel 16
                                        en de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar
                                        school of terug, meer dan anderhalf uur onderweg is en de
                                        reistijd met aangepast vervoer tot 50% of minder van de
                                        reistijd per openbaar vervoer kan worden teruggebracht;</al></li><li nr="b."><al>aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel 16
                                        en openbaar vervoer ontbreekt, tenzij de leerling naar het
                                        oordeel van het college onder begeleiding gebruik kan maken
                                        van het vervoer per fiets;</al></li><li nr="c."><al>aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel 16
                                        en door de ouders ten behoeve van het college genoegzaam
                                        wordt aangetoond dat begeleiding van de leerling door
                                        henzelf of anderen onmogelijk is dan wel tot ernstige
                                        benadeling van het gezin zal leiden en een andere oplossing
                                        niet mogelijk is; of</al></li><li nr="d."><al>de leerling, naar het oordeel van het college, gelet op zijn
                                        structurele lichamelijke, verstandelijke, psychische of
                                        zintuiglijke handicap niet in staat is – ook niet onder
                                        begeleiding – van openbaar vervoer gebruik te maken.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien begeleiding in het aangepaste vervoer vereist is, vergoedt
                                het college geen andere kosten dan de vervoerskosten welke verbonden
                                zijn aan de begeleiding van de leerling in het aangepaste
                                vervoer.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoer</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening, kan het college
                                de ouders op aanvraag toestaan een of meer leerlingen zelf te
                                vervoeren of te laten vervoeren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is
                                verleend, bekostigt het college aan de ouders die een leerling zelf
                                vervoeren, dan wel laten vervoeren een bedrag van € 0,37 cent per
                                kilometer voor de beladen ritten, behoudens het bepaalde in het
                                vierde lid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is
                                verleend, bekostigt het college aan de ouders die meer dan een
                                leerling tegelijk zelf vervoeren, dan wel laten vervoeren, een
                                bedrag op basis van de Reisregeling Binnenland gerekend, behoudens
                                het bepaalde in het vierde lid.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Aan de ouders die een of meer leerlingen laten vervoeren door andere
                                ouders die van gemeentewege voor het vervoer van een of meer
                                leerlingen bekostiging ontvangen wordt door het college geen
                                bekostiging verstrekt.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>4</nr><titel>Bepalingen omtrent weekeinde- en vakantievervoer</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Toekenning vervoersvoorziening voor het weekeinde en de vakantie
                                aan in de gemeente wonende ouders</titel></kop><al>Met inachtneming van artikel 3 kent het college desgewenst een
                            vervoersvoorziening voor het weekeinde- en vakantievervoer toe aan de in
                            de gemeente wonende ouders van de leerling die, met het oog op het
                            volgen van voor hem passend (voortgezet) speciaal onderwijs in een
                            internaat of pleeggezin verblijft, volgens het bepaalde in deze
                            paragraaf.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Vervoersvoorziening voor weekeinde en vakantie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kent aan de ouders een vervoersvoorziening toe voor het
                                weekeindevervoer van de leerling voor de, eenmaal per weekeinde
                                gemaakte, reis van het internaat of het pleeggezin waar de leerling
                                verblijft, naar de woning van de ouders en terug, voor zover de
                                weekeinden niet vallen binnen de in het tweede lid bedoelde
                                schoolvakanties.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kent aan de ouders een vervoersvoorziening toe voor het
                                vakantievervoer van de leerling voor de, eenmaal per schoolvakantie
                                van twee dagen of meer, gemaakte reis van het internaat of het
                                pleeggezin waar de leerling verblijft, naar de woning van de ouders
                                en terug, voor zover de vakantie voorkomt in de schoolgids van de
                                school die de leerling bezoekt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Paragraaf 2 en 3 van deze verordening zijn van overeenkomstige
                                toepassing, met uitzondering van artikel 11, eerste lid, aanhef en
                                onder a, en artikel 17, eerste lid, aanhef en onder a.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>5</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Beslissing college in gevallen waarin de regeling niet
                                voorziet</titel></kop><al>In gevallen, de uitvoering van het leerlingenvervoer betreffende, waarin
                            deze verordening niet voorziet, beslist het college. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr><titel>Afwijken van bepalingen</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen, het vervoer voor onderwijs
                            aangaande, ten gunste van de ouders afwijken van de bepalingen in deze
                            verordening, zonodig na advies te hebben gevraagd aan deskundigen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23.</nr><titel>Intrekking oude regeling</titel></kop><al>De verordening leerlingenvervoer gemeente Gouda wordt ingetrokken. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24.</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt één dag na bekendmaking in werking
                                    .</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening
                                    leerlingenvervoer Gouda 2015.</al></li></lijst></artikel></paragraaf></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 30 september 2015</al></slotformulering><ondertekening>De voorzitter,</ondertekening><ondertekening>De griffier,</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting Verordening</titel></kop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><tussenkop>Wettelijke plicht</tussenkop><al>De gemeenteraad heeft de wettelijke plicht een regeling vast te stellen voor het
                    leerlingenvervoer. In artikel 4, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs
                    (hierna: WPO), artikel 4, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs
                    (hierna: WVO) en artikel 4, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra
                    (hierna: WEC), heet het ‘de bekostiging van de door het college noodzakelijk te
                    achten vervoerskosten ten behoeve van het schoolbezoek’. Het gaat hierbij zowel
                    om scholen voor basisonderwijs, speciaal basisonderwijs, (voortgezet) speciaal
                    onderwijs (cluster 3 en 4) en regulier voortgezet onderwijs die zijn aangesloten
                    bij samenwerkingsverbanden primair of voortgezet onderwijs, als om instellingen
                    voor cluster 1 en cluster 2. </al><al>De verordening geeft uitvoering aan de taakstelling van het
                    gemeentebestuur.</al><tussenkop>Inhoud en indeling verordening</tussenkop><al>Naast voorschriften voor de wijze waarop ouders de aanvraag kunnen indienen,
                    bevat deze verordening criteria aan de hand waarvan ouders aanspraak kunnen
                    maken op een vervoersvoorziening. Uitgangspunt daarbij is dat de
                    verantwoordelijkheid voor het schoolbezoek van de leerling bij de ouders
                    blijft.</al><al>De verordening volgt de indeling van de samenwerkingsverbanden passend
                    onderwijs: primair onderwijs en voortgezet onderwijs.</al><tussenkop>Vervoersvoorziening</tussenkop><al>In de verordening wordt het begrip ‘vervoersvoorziening’ gehanteerd. Een
                    vervoersvoorziening kan een kostendekkende vergoeding zijn. In sommige gevallen
                    is een voorziening mogelijk in de vorm aangepast vervoer, dat de gemeente
                    verzorgt of doet verzorgen. </al><al>Het college bepaalt in welke vorm de voorziening wordt verstrekt. Het vervoer
                    dient echter te allen tijde passend te zijn. </al><al/><al>Uitgangspunt van de regeling is bekostiging van het openbaar vervoer. Wanneer de
                    leerling door zijn structurele handicap geen gebruik kan maken van het openbaar
                    vervoer, zelfs niet met begeleiding, komt hij in aanmerking voor aangepast
                    vervoer.</al><al>Als ouders aangeven hun kind zelf te willen vervoeren dienen ze hiervoor
                    toestemming te vragen aan het college. De bekostiging vindt dan plaats op basis
                    van het goedkoopste adequate alternatief. Het college kan toestemming weigeren
                    op grond van de kosten.</al><tussenkop>Drempelbedrag en draagkrachtafhankelijke bijdrage </tussenkop><al>Het college kan ouders van een leerling die een school voor basisonderwijs
                    bezoekt een drempelbedrag in rekening brengen (zie artikel 13) . De ouderlijke
                    bijdrage is hierbij gekoppeld aan de door de gemeente vastgestelde
                    kilometergrens, dat wil zeggen de afstand van de woning tot de school waarboven
                    aanspraak kan bestaan op leerlingenvervoer. In de verordening is deze grens
                    vastgesteld op zes kilometer. De ouderlijke bijdrage is dan gelijk aan de kosten
                    van het openbaar vervoer over deze afstand. </al><al/><al>Het drempelbedrag wordt per leerling in rekening gebracht. Daarnaast vraagt het
                    college een bijdrage aan ouders van leerlingen die een school voor
                    basisonderwijs bezoeken die meer dan 20 kilometer van de woning is gelegen (zie
                    artikel 14). Deze bijdrage is afhankelijk van de draagkracht en wordt per gezin
                    geheven.</al><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting </tussenkop><tussenkop>§ 1 Algemene bepalingen </tussenkop><tussenkop>Artikel 1. Begripsomschrijving</tussenkop><al>-<cursief>afstand</cursief></al><al>De afstand dient consequent te worden gemeten. Er wordt voor elke afstand
                    eenzelfde, professionele routeplanner gehanteerd. </al><al/><al>De route hoeft overigens niet in alle gevallen toegankelijk te zijn voor
                    gemotoriseerd verkeer, volgens een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak
                    van de Raad van State ((hierna: ABRvS) 12 juni 1995, nr. R03.93.5575). Ook kan
                    de route – en daarmee de afstand – op de heenweg verschillen van die van de
                    terugweg, volgens een uitspraak van de ABRvS (27 december 1989, nr.
                    R03.88.7309). </al><tussenkop>- inkomen</tussenkop><al>Als peiljaar voor het inkomen moet op grond van de WPO (artikel 4, zevende lid)
                    worden aangemerkt het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar
                    waarin het schooljaar waarvoor bekostiging van de vervoerskosten wordt gevraagd,
                    begint.</al><tussenkop>- leerling</tussenkop><al>Voor basisscholen en speciale scholen voor basisonderwijs geldt dat kinderen de
                    leeftijd van vier jaar moeten hebben bereikt om als leerling te worden
                    toegelaten (artikel 39, eerste lid, van de WPO). In het derde lid van artikel 39
                    van de WPO is bepaald dat kinderen vanaf drie jaar en tien maanden ten hoogste
                    vijf dagen (schoolgewenningsdagen) de basisschool mogen bezoeken. Deze kinderen
                    zijn echter geen leerlingen in de zin van de wet, en de ouders kunnen dan ook
                    geen aanspraak maken op een vervoersvoorziening.</al><al/><al>Voor het (voortgezet) speciaal en voortgezet onderwijs geldt dat ouders van
                    leerlingen die zijn toegelaten tot scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs
                    of voortgezet onderwijs aanspraak kunnen maken op een vervoersvoorziening indien
                    wordt voldaan aan de voorwaarden van de gemeentelijke verordening
                    leerlingenvervoer. De leeftijd van de leerling is hierbij niet van belang.</al><al/><al>Een belangrijke uitzondering vormen leerlingen die rijdende scholen bezoeken
                    voor kinderen van kermisexploitanten of van circusmedewerkers (Titel B van het
                    Besluit trekkende bevolking WPO). Ouders van leerlingen die deze scholen
                    bezoeken kunnen geen aanspraak maken op een vervoersvoorziening. De kosten voor
                    noodzakelijk vervoer van deze leerlingen ten behoeve van het schoolbezoek vormen
                    onderdeel van de materiële instandhouding van die scholen.</al><tussenkop>- ondersteuningsplan</tussenkop><al>Het ondersteuningsplan speelt in het passend onderwijs een belangrijke rol. </al><al/><al>Het plan dient te verwezenlijken dat leerlingen een ononderbroken
                    ontwikkelingsproces kunnen doormaken, en dat leerlingen die extra ondersteuning
                    behoeven een zo passend mogelijke plaats in het onderwijs krijgen. Ook wordt het
                    basisondersteuningsniveau aangegeven, dat voor elke school geldt. </al><al>Het ondersteuningsplan omvat onder meer de procedure en criteria voor de
                    verdeling, besteding en toewijzing van de ondersteuningsmiddelen en –
                    voorzieningen aan de scholen. Ook moeten de procedure en de criteria voor de
                    plaatsing van leerlingen op speciale scholen voor basisonderwijs in het
                    samenwerkingsverband en op scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs in het
                    plan worden opgenomen, evenals de procedure en criteria voor terug- of
                    overplaatsing naar reguliere scholen.</al><al/><al>Het samenwerkingsverband stelt het ondersteuningsplan vast, maar de gemeente
                    heeft een belangrijke rol: over het concept van het plan dient eerst op
                    overeenstemming gericht overleg (hierna: OOGO) te hebben plaatsgevonden met het
                    college van de gemeenten die binnen het gebied van het samenwerkingsverband zijn
                    gelegen (artikel 18a, negende lid, van de WPO en artikel 17a, negende lid, van
                    de WVO). </al><tussenkop>- opdc</tussenkop><al>Een orthopedagogisch-didactisch centrum kan worden aangemerkt als ‘school’,
                    wanneer het gaat om het geven van onderwijs.</al><tussenkop>- openbaar vervoer</tussenkop><al>Bij de definiëring van het begrip ‘openbaar vervoer’ is aangesloten bij de
                    begripsomschrijving zoals deze is vastgelegd in artikel 1 van de Wet
                    personenvervoer 2000, met uitzondering van de zinsnede ‘volgens een
                    dienstregeling’; zodoende kan ook de regiotaxi desgewenst als een vorm van
                    openbaar vervoer worden beschouwd. In de verordening is de begripsomschrijving
                    uitgebreid met ‘veerdienst’.</al><tussenkop>- opstapplaats</tussenkop><al>Een van de mogelijkheden om het vervoer efficiënter en daardoor goedkoper te
                    organiseren, is het instellen van centrale opstapplaatsen, van waar de
                    leerlingen met de taxi of bus worden vervoerd. Met een dergelijk systeem worden
                    de leerlingen niet thuis voor de deur opgehaald, maar dienen zij zich, al dan
                    niet onder begeleiding van de ouders, te begeven naar de door de gemeente
                    aangewezen opstapplaats. </al><tussenkop>- ouders</tussenkop><al>De omschrijving volgt de begripsbepalingen van de WPO en de WEC.</al><al>Ook pleegouders zijn aan te merken als verzorgers en vallen daarmee onder het
                    begrip ‘ouders’.</al><tussenkop>- reistijd</tussenkop><al>De omschrijving van het begrip ‘reistijd’ is van belang om de tijd die een
                    leerling met het openbaar vervoer onderweg is te kunnen vergelijken met de tijd
                    die nodig is om diezelfde leerling met aangepast vervoer naar en van school te
                    vervoeren. Immers, wanneer de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer
                    naar school of terug meer dan anderhalf uur onderweg is en de reistijd met
                    aangepast vervoer tot 50% of minder van de reistijd per openbaar vervoer kan
                    worden teruggebracht, komt de leerling in aanmerking voor aangepast vervoer
                    (artikel 11, eerste lid, aanhef en onder a, en artikel 17, eerste lid, aanhef en
                    onder a).</al><al/><al>De praktijk leert dat leerlingen, ongeacht de manier waarop zij de afstand naar
                    school overbruggen, zo’n vijftien minuten voor de aanvang van de lessen op het
                    schoolplein aankomen. Het ligt voor de hand deze tijd uit te sluiten van de
                    reistijd. De eventuele wachttijd voor het openbaar vervoer aan het einde van de
                    schooldag wordt wel meegerekend. Wanneer een leerling met aangepast vervoer
                    wordt vervoerd, is er tijd nodig de school te verlaten en in de taxi(bus) te
                    stappen. Het is in dit geval dan ook redelijk enige tijd (vijftien minuten) op
                    te tellen bij de berekende duur van de rit. </al><tussenkop>- samenwerkingsverband</tussenkop><al><cursief>Onder </cursief><cursief>1°</cursief>: Een samenwerkingsverband primair
                    onderwijs omvat volgens artikel 18a van de WPO alle binnen een bepaald
                    aaneengesloten gebied gelegen vestigingen van basisscholen, speciale scholen
                    voor basisonderwijs, scholen voor speciaal onderwijs en scholen voor speciaal en
                    voortgezet speciaal onderwijs, voor zover daaraan speciaal onderwijs wordt
                    verzorgd, behorend tot cluster 3 en cluster 4. Een uitzondering vormen
                    vestigingen van scholen waarvoor het bestuur is aangesloten bij een landelijk
                    samenwerkingsverband. </al><al>Scholen voor speciaal onderwijs of scholen voor speciaal en voortgezet speciaal
                    onderwijs, behorend tot cluster 3 en cluster 4, die geen vestigingen hebben in
                    het gebied van het samenwerkingsverband, kunnen toch deelnemen aan dit
                    samenwerkingsverband.</al><al>Instellingen behorend tot cluster 1 en cluster 2 behoren niet tot het
                    samenwerkingsverband.</al><al/><al><cursief>Onder </cursief><cursief>2°</cursief>: Een samenwerkingsverband
                    voortgezet onderwijs omvat volgens artikel 17a van de WVO alle binnen een
                    bepaald aaneengesloten gebied gelegen vestigingen van scholen voor voortgezet
                    onderwijs, scholen voor voortgezet speciaal onderwijs en scholen voor speciaal
                    en voortgezet speciaal onderwijs, voor zover daaraan voortgezet speciaal
                    onderwijs wordt verzorgd, behorend tot cluster 3 en cluster 4. Een uitzondering
                    vormen vestigingen van scholen waarvoor het bestuur is aangesloten bij een
                    landelijk samenwerkingsverband. </al><al>Scholen voor voortgezet speciaal onderwijs of scholen voor speciaal en
                    voortgezet speciaal onderwijs, behorend tot cluster 3 en cluster 4, die geen
                    vestigingen hebben in het gebied van het samenwerkingsverband, kunnen toch
                    deelnemen aan dit samenwerkingsverband.</al><al>Instellingen behorend tot cluster 1 en cluster 2 behoren niet tot het
                    samenwerkingsverband.</al><tussenkop>- school</tussenkop><al><cursief>Speciaal onderwijs:</cursief> In de WEC gaat het om onderwijs aan dove
                    kinderen of slechthorende kinderen, kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden,
                    visueel gehandicapte kinderen, lichamelijk gehandicapte kinderen, langdurig
                    zieke kinderen, zeer moeilijk lerende kinderen, zeer moeilijk opvoedbare
                    kinderen, meervoudig gehandicapte kinderen en kinderen in scholen verbonden aan
                    pedologische instituten.</al><al/><al>De WEC onderscheidt de volgende clusters:</al><al/><al>Cluster 1: onderwijs aan visueel gehandicapte kinderen dan wel meervoudig
                    gehandicapte kinderen met deze handicap, </al><al/><al>Cluster 2: onderwijs aan dove kinderen, slechthorende kinderen en kinderen met
                    ernstige spraakmoeilijkheden dan wel meervoudig gehandicapte kinderen met een
                    van deze handicaps, </al><al/><al>Cluster 3: onderwijs aan langdurig zieke kinderen met een lichamelijke handicap,
                    lichamelijk gehandicapte kinderen en zeer moeilijk lerende kinderen dan wel
                    meervoudig gehandicapte kinderen met een van deze handicaps en </al><al/><al>Cluster 4: onderwijs aan langdurig zieke kinderen anders dan met een
                    lichamelijke handicap, zeer moeilijk opvoedbare kinderen en kinderen in scholen
                    verbonden aan pedologische instituten.</al><al/><al>Het onderwijs van cluster 1 en cluster 2 wordt gegeven in instellingen. Deze
                    instellingen vallen ook onder het begrip ‘school’.</al><al/><al><cursief>Voortgezet onderwijs:</cursief> In de WVO gaat het om scholen voor
                    voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (hierna: vwo), hoger algemeen vormend
                    onderwijs (hierna: havo), voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (hierna:
                    vmbo) en praktijkonderwijs (hierna: pro). </al><al>Leerwegondersteunend onderwijs is geen aparte schoolsoort, maar betreft extra
                    ondersteuning aan leerlingen in het vmbo.</al><tussenkop>- stage</tussenkop><al>Een stage kan deel uitmaken van het onderwijsprogramma van scholen voor
                    voortgezet onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs. In het
                    arbeidsmarktgerichte uitstroomprofiel van het voortgezet speciaal onderwijs is
                    voor leerlingen vanaf 14 jaar minstens één stage op ten hoogste vier dagen per
                    week zelfs verplicht (artikel 17, eerste lid, van de WEC). </al><al>Wanneer de stage is opgenomen in de schoolgids is het stageadres aan te merken
                    als ‘school’.</al><tussenkop>- toegankelijke school</tussenkop><al>Leerlingen kunnen op grond van hun lichamelijke of geestelijke toestand zijn
                    aangewezen op een bepaalde school.</al><al>In de WPO is bepaald dat het samenwerkingsverband primair onderwijs beoordeelt
                    of een leerling toelaatbaar is tot een speciale school voor basisonderwijs in
                    het samenwerkingsverband of tot het speciaal onderwijs van cluster 3 en cluster
                    4 (artikel 18a, zesde lid, van de WPO). Het samenwerkingsverband laat zich
                    daarbij adviseren door deskundigen.</al><al/><al>De WVO kent een dergelijke bepaling: het samenwerkingsverband voortgezet
                    onderwijs beoordeelt of een leerling toelaatbaar is tot het voortgezet speciaal
                    onderwijs (artikel 17a, zesde lid, onder c, van de WVO). Ook hier geldt dat het
                    samenwerkingsverband zich daarbij laat adviseren door deskundigen.</al><al/><al>Met ingang van 1 augustus 2015 is het praktijkonderwijs en het
                    leerwegondersteunend onderwijs in het passend onderwijs geïntegreerd; het
                    samenwerkingsverband beslist of een leerling toelaatbaar is tot het
                    praktijkonderwijs of is aangewezen op leerwegondersteunend onderwijs. </al><al>Voor instellingen voor cluster 1 en cluster 2 geldt een afwijkende procedure. In
                    de WEC is bepaald dat de commissie van onderzoek beoordeelt of een leerling in
                    aanmerking komt voor het onderwijs op de instelling óf op begeleiding vanuit de
                    instelling, waarbij de leerling dan is ingeschreven op een andere school
                    (artikel 41, tweede lid, van de WEC).</al><tussenkop>- vervoer</tussenkop><al>Het vervoer vindt plaats in aansluiting op het begin en einde van de schooldag,
                    zoals aangegeven in de schoolgids. Alleen wanneer de leerplichtige leerling door
                    een structurele handicap slechts een deel van het onderwijsprogramma kan volgen,
                    kan in een voorkomend geval tijdens de schooltijd vervoerd worden. Sociale
                    omstandigheden, lichamelijke problemen van tijdelijke aard of leeftijd zijn geen
                    grond voor het vervoer tijdens schooltijd.</al><al/><al>Met afwijkende roosters, zoals deze voorkomen in het voortgezet onderwijs, kan
                    in beginsel geen rekening gehouden worden. De vervoerskosten zouden dan te hoog
                    oplopen. Soms zijn, in overleg met leerlingen, ouders en de school, bepaalde
                    vervoersarrangementen en -combinaties mogelijk, waarbij dan de leerlingen
                    beurtelings een bepaalde tijd moeten wachten op het vervoer.</al><tussenkop>- vervoersvoorziening</tussenkop><al>De wet bepaalt dat de gemeenten het vervoer zelf kunnen verzorgen, dan wel doen
                    verzorgen. In de begripsbepaling ‘vervoersvoorziening’ is dit nader
                    uitgewerkt.</al><al/><al>-<cursief>woning</cursief></al><al>Onder ‘woning’ wordt in de verordening verstaan: de plaats waar de leerling
                    structureel en feitelijk verblijft. Hierbij is het niet relevant in welke
                    gemeente de ouders en/of het kind staan ingeschreven.</al><al/><al>Hierbij is de hoofdregel is dat daar waar de leerling feitelijk verblijft
                    (structureel element, de inschrijving in de gemeente is niet relevant) door de
                    ouders een aanvraag ingediend moet worden. De betreffende gemeente toetst deze
                    aanvraag aan de verordening.</al><al/><al>Om administratieve rompslomp te voorkomen wordt door de VNG geadviseerd een
                    uitzondering op deze hoofdregel te maken indien:</al><lijst><li nr="1."><al>het kind van het leerlingenvervoer gebruik maakt in gemeente A én</al></li><li nr="2."><al>het van tevoren vaststaat dat het een korte periode (max. 6 weken) in
                            een andere gemeente (B) zal verblijven én</al></li><li nr="3."><al>het kind de oude school blijft bezoeken én</al></li><li nr="4."><al>na de korte periode terug zal keren naar de oorspronkelijke gemeente
                            (A).</al></li></lijst><al>In dit geval blijft gemeente A het vervoer bekostigen/verzorgen.</al><al/><al>NB: De hierboven geadviseerde periode van max. 6 weken is per se niet bedoeld
                    als overgangsperiode bij de wijziging in aanvraag en bekostiging van het
                    leerlingenvervoer van de ene naar de andere gemeente.</al><al/><al>De genoemde uitzondering geldt uiteraard niet wanneer het een leerling betreft
                    die vanwege een vakantie van de ouders tijdelijk elders verblijft. In alle
                    andere situaties dat een kind tijdelijk elders verblijft geldt de hoofdregel.
                    Bijvoorbeeld bij crisisopvang, als het niet duidelijk is waar het kind daarna
                    terecht komt. Dan moet in de gemeente waar het kind verblijft (waar de
                    crisisopvang is) een aanvraag ingediend worden. Een en ander betekent overigens
                    niet automatisch dat de aanvraag ook toegekend wordt. De aanvraag kan worden
                    afgewezen omdat de gemeente het geen “woning” vindt (onvoldoende structureel) of
                    omdat het niet de dichtstbijzijnde toegankelijke school betreft.</al><al/><al>Het adres waar kinderen een bepaalde tijd vóór aanvang en/of na afloop van de
                    schooldag worden opgevangen (de buitenschoolse opvang) valt niet onder het
                    begrip ‘woning’. Een uitzondering hierop is wanneer de opvang een structureel
                    karakter heeft en het vervoer van school naar het opvangadres niet tot
                    meerkosten leidt. </al><tussenkop>Artikel 2. De door het college noodzakelijk te achten
                    vervoersvoorziening</tussenkop><al>Ook als het college het vervoer zelf verzorgt of laat verzorgen, kan het van
                    ouders aan wie slechts een gedeeltelijke bekostiging van de vervoerskosten
                    toekomt, verlangen een eigen bijdrage te betalen voor het vervoer van hun
                    leerlingen (artikel 2, tweede lid). De hoogte van deze eigen bijdrage, die
                    slechts van toepassing is op ouders van leerlingen die scholen voor
                    basisonderwijs of speciale scholen voor basisonderwijs bezoeken, is afhankelijk
                    van het inkomen van de ouders en de afstand tussen de woning en de te bezoeken
                    school (zie artikelen 13 en 14). </al><al>Indien de ouders weigeren de bijdrage te betalen of nalatig hierin zijn leidt
                    dit tot het vervallen van de aanspraak op de bekostiging dan wel, indien gebruik
                    wordt gemaakt van bijvoorbeeld een taxi (busje), tot stopzetting van het
                    vervoer. </al><al/><al>In het tweede lid van artikel 2 komt ook tot uitdrukking dat het drempelbedrag
                    en de bijdrage afhankelijk van het inkomen nooit hoger kunnen zijn dan de
                    werkelijke kosten van vervoer. </al><al/><al>De verantwoordelijkheid voor het schoolbezoek blijft ingevolge de Leerplichtwet
                    in alle gevallen bij de ouders liggen. In het derde lid van artikel 2 is deze
                    verantwoordelijkheid nog eens expliciet vastgelegd. Deze verantwoordelijkheid
                    kan door de ouders niet op- of overgedragen worden aan de gemeente. De
                    wettelijke regeling, noch de gemeentelijke verordening beperkt deze
                    verantwoordelijkheid van de ouders.</al><al/><al>Het vierde lid van artikel 2 bepaalt dat een leerling die meerderjarig en
                    handelingsbekwaam is zelf een aanvraag voor leerlingenvervoer kan indienen, in
                    plaats van de ouders/verzorgers. </al><tussenkop>Artikel 3. Vervoersvoorziening naar de dichtstbijzijnde toegankelijke
                    school</tussenkop><al>In de artikelen 4 van de WPO, de WEC en de WVO is bepaald dat de gemeenteraad
                    bij het vaststellen van de verordening de “op godsdienst of levensbeschouwing
                    van ouders berustende keuze van een school dient te eerbiedigen”. Tevens is in
                    genoemde artikelen bepaald dat in de verordening geen onderscheid wordt gemaakt
                    tussen openbaar en bijzonder onderwijs. </al><al>In het ondersteuningsplan staat welke school voor de leerling toegankelijk is,
                    gelet op zijn structurele lichamelijke, verstandelijke, psychische en/of
                    zintuiglijke handicap. Als dichtstbijzijnde school kan worden aangemerkt de
                    school die naar afstand het dichtstbij gelegen is, gemeten langs de kortste voor
                    de leerling voldoende begaanbare, veilige weg. </al><al/><al>Indien de situatie zich zou voordoen dat vervoer naar een verder van de woning
                    van de leerling gelegen school van dezelfde richting voor de gemeente goedkoper
                    zou zijn (of niet meer kosten met zich brengt), kan het college aan de ouders
                    vragen ermee in te stemmen dat de leerling naar die school wordt vervoerd. Voor
                    een openbare school geldt hetzelfde. </al><tussenkop>RICHTING </tussenkop><al>Als onderwijsrichtingen worden het openbaar onderwijs en bijzonder onderwijs
                    erkend. Binnen het bijzonder onderwijs gelden (rooms) katholiek onderwijs,
                    protestants-christelijk onderwijs (gereformeerd, hervormd), onderwijs naar de
                    leer van de Gereformeerde kerk (vrijgemaakt), reformatorisch onderwijs,
                    evangelisch onderwijs; joods onderwijs, (orthodox) islamitisch onderwijs en
                    hindoe-onderwijs, algemeen bijzonder onderwijs, interconfessioneel onderwijs en
                    onderwijs op antroposofische grondslag (Vrijescholen), etc. </al><al/><al>Een bepaalde onderwijskundige (vernieuwings)methode wordt niet tot het begrip
                    ‘richting’ gerekend. Hiermee worden onder andere bedoeld: Jenaplanscholen,
                    Montessorischolen, Iederwijsscholen, Leonardoscholen, etc.</al><al/><al><cursief>Verklaring van bezwaar</cursief> Op grond van artikel 3, tweede lid,
                    dienen ouders van een leerling die een school bezoekt die op grote afstand is
                    gelegen, terwijl zich dichterbij andere, ook voor de leerling passende scholen
                    bevinden, bij de aanvraag van een vervoersvoorziening schriftelijk te verklaren
                    dat zij overwegende bezwaren hebben tegen het openbaar onderwijs dan wel tegen
                    de richting van de dichterbij gelegen bijzondere scholen. Deze verklaring van
                    bezwaar dient zich te richten tegen de richting van het bijzonder onderwijs dan
                    wel tegen het openbaar onderwijs, en niet tegen de onderwijskundige methode die
                    op de school gehanteerd wordt. Het college is niet gerechtigd de bezwaren van
                    ouders tegen een bepaalde richting inhoudelijk te verifiëren. </al><al/><al><cursief>Instellingen voor cluster 1 en cluster 2</cursief> Voor instellingen
                    voor cluster 1 en cluster 2 geldt het volgende: de instelling of de reguliere
                    school waar de leerling is aangemeld of staat ingeschreven vraagt de
                    toelaatbaarheid tot een instelling aan bij de commissie van onderzoek. Deze
                    commissie beoordeelt aan de hand van criteria of een leerling is aangewezen op
                    onderwijs op de instelling of op begeleiding vanuit de instelling. Als de
                    leerling niet toelaatbaar is tot de instelling, kunnen ouders hun kind
                    inschrijven bij een reguliere school of, als daar reden voor is, bij een school
                    voor (voortgezet) speciaal onderwijs. De ouders kiezen zelf voor een school,
                    maar kunnen daarbij advies krijgen van de commissie van onderzoek van de
                    instelling. Bepaalt deze commissie dat de leerling extra ondersteuning nodig
                    heeft op een reguliere school, dan krijgt de leerling begeleiding vanuit de
                    instelling.</al><al/><al><cursief>De school is vol</cursief> Het spreekt voor zich dat op een voor de
                    leerling geschikte school wel ruimte voor de leerling moet zijn en dat de
                    leerling moet zijn/worden toegelaten. Een school die vol is heeft geen
                    zorgplicht voor de leerling. Indien de dichtstbijzijnde school niet toegankelijk
                    is voor een leerling omdat de school vol is, wordt een vervoersvoorziening
                    toegekend naar de eerstvolgende dichtstbijzijnde, toegankelijke school. De
                    aanspraak op vervoer naar deze verder weg gelegen school blijft bestaan, zolang
                    er een wachtlijst is voor de dichtstbijzijnde school. Als de wachtlijst is
                    opgelost en de leerling kan worden geplaatst op de dichtstbijzijnde school - de
                    gemeente dient naar de duur van de wachtlijst te informeren - kan de
                    vervoersvoorziening beperkt worden tot aan de dichtstbijzijnde school, aangezien
                    deze weer toegankelijk is geworden. Dit ongeacht het feit of de leerling vanaf
                    dat moment ook daadwerkelijk de dichtstbijzijnde school gaat bezoeken. Ouders
                    zijn vrij om hun kind naar elke school van hun keus te laten gaan, maar in het
                    kader van het leerlingenvervoer hoeft slechts een vervoersvoorziening naar de
                    dichtstbijzijnde, toegankelijke school te worden verstrekt.</al><al/><al><cursief>Dislocaties en nevenvestigingen</cursief> Als een school die een
                    leerling bezoekt meer dan een locatie heeft, rijst de vraag of slechts de
                    hoofdvestiging dan wel alle onderwijslocaties als school in de zin van de
                    verordening moeten worden beschouwd. Aansluitend bij de regelgeving inzake de
                    huisvesting en materiele instandhouding geldt dat de feitelijke locatie die door
                    de leerling wordt bezocht kan worden aangemerkt als ‘school’. </al><tussenkop>Stage </tussenkop><al>Komt de leerling in aanmerking voor een vervoersvoorziening naar de school waar
                    hij staat ingeschreven, dan bestaat er in beginsel ook aanspraak op
                    leerlingenvervoer naar het stageadres. De gemeente kan tijdens het overleg
                    scholen er op attenderen dat stageplaatsing financiële gevolgen kan hebben voor
                    gemeenten. Scholen kunnen dit aspect dan mee laten wegen door een stageplek te
                    zoeken zo dicht mogelijk bij huis, of op de route van het leerlingenvervoer. </al><tussenkop>Symbiose</tussenkop><al>Wanneer een leerling van een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs
                    gedurende ten minste 180 minuten per week onderwijs volgt op een basisschool,
                    een speciale school voor basisonderwijs of een school voor voortgezet onderwijs,
                    is er sprake van symbiose (artikel 24 van de WEC en Titel IV van het
                    Onderwijskundig besluit WEC). Daarvoor moet wel een overeenkomst tussen de
                    scholen gesloten zijn. De leerling volgt in dat geval onderwijs op twee
                    verschillende locaties. Komt de leerling in aanmerking voor een
                    vervoersvoorziening naar de school waar hij staat ingeschreven, dan bestaat er
                    in beginsel ook aanspraak op leerlingenvervoer naar de school waar een
                    symbiose-overeenkomst mee gesloten is, voor zover deze reis voldoet aan de
                    voorwaarden van de verordening. Het gaat dan om vervoer in aansluiting op het
                    begin en einde van de schooldag.</al><tussenkop>Artikel 4. Toekenning vervoersvoorziening</tussenkop><al>In artikel 4 is bepaald, dat het college bij de toekenning van de
                    vervoersvoorziening tevens de termijn van de verstrekking vastlegt. In de
                    beschikking dient deze termijn aangegeven te worden. De gekozen formulering van
                    artikel 4 geeft de ruimte om per geval de termijn te bepalen. </al><al/><al>Tevens dient het college, wanneer er bekostiging plaatsvindt, de wijze en het
                    tijdstip van uitbetaling te bepalen. Zo zal moeten worden bepaald of:</al><lijst><li nr="-"><al>de bekostiging per maand, kwartaal, of halfjaar geschiedt;</al></li><li nr="-"><al>de bekostiging in de vorm van een voorfinanciering of op
                            declaratiebasis, dan wel via een vast termijnbedrag achteraf
                            geschiedt.</al></li></lijst><al>Aangezien de praktijk ten aanzien van de wijze van betaling en het tijdstip van
                    betalen veel verschillende varianten laat zien, is in de verordening geen
                    expliciete keuze gemaakt. </al><tussenkop>Artikel 5. Aanvraagprocedure</tussenkop><al>Om in aanmerking te komen voor een vervoersvoorziening moeten ouders een
                    aanvraag indienen. Het college stelt hiervoor een (digitaal) aanvraagformulier
                    beschikbaar. </al><al>Indien er sprake is van co-ouderschap moeten beide ouders afzonderlijk een
                    aanvraag indienen voor de dagen dat het kind tijdens weekdagen bij hen
                    verblijft.</al><al/><al><cursief>Overleggen gegevens ten behoeve van de aanvraag</cursief> Onder
                    gegevens moet ook worden verstaan eventuele toevoeging van verklaringen
                    (bewijsstukken), bijv. een medische verklaring, werkgeversverklaring, verklaring
                    van de rijksinspecteur der belasting of een verklaring van overwegende bezwaren. </al><al/><al>Het college beoordeelt de aanvraag op basis van het aanvraagformulier en de
                    (eventueel) verstrekte informatie. De aanvrager dient die gegevens en bescheiden
                    te verschaffen, die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij
                    redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. Als de verstrekte gegevens en
                    bescheiden onvoldoende zijn, dan kan het college om aanvulling verzoeken.</al><al/><al>Een aanvrager is op grond van artikel 4:2 van de Algemene wet bestuursrecht
                    (hierna: Awb) verplicht deze gegevens te overleggen, als deze van belang zijn
                    voor de beslissing op de aanvraag. De gegevens dienen juist en volledig ingevuld
                    te zijn. Het college bepaalt of dat daadwerkelijk het geval is. </al><al/><al>Als het aanvraagformulier aanvulling behoeft of gecorrigeerd dient te worden,
                    verzoekt het college om de ontbrekende gegevens binnen een door het college te
                    bepalen redelijke termijn aan te vullen of te verbeteren. Wordt hiervan geen
                    gebruik gemaakt, dan dient het college de afweging te maken of de aanvraag in
                    behandeling wordt genomen (artikel 4:5, eerste lid, van de Awb). Op grond van
                    artikel 4:5, vierde lid, van de Awb kan de aanvraag buiten behandeling worden
                    gelaten.</al><al/><al> Artikel 4:15 van de Awb bepaalt dat de beslistermijn wordt opgeschort tot de
                    dag waarop de aanvraag met de ontbrekende gegevens is aangevuld of de daarvoor
                    gestelde termijn ongebruikt is verstreken.</al><al/><al>Beslistermijn Artikel 4:13 van de Awb bepaalt dat een redelijke termijn
                    waarbinnen een beschikking dient te worden gegeven in ieder geval is verstreken
                    indien het college binnen acht weken geen beschikking heeft gegeven, of aan de
                    aanvrager een bericht van verdaging heeft gezonden. </al><al/><al><cursief>Verdaging</cursief> Het kan voorkomen dat de gestelde
                    afwikkelingstermijn niet haalbaar is voor de gemeente. Hiervan kan bijvoorbeeld
                    sprake zijn wanneer het gevraagde oordeel van deskundigen uitblijft, of indien
                    er sprake is van een bijzondere situatie. In dergelijke gevallen kan het college
                    de beslissing verdagen. Uiterlijk een dag vóór het verstrijken van de tweede
                    termijn dient een beschikking op de ingediende aanvraag door het college te zijn
                    gegeven.</al><al/><al> Een beschikking treedt niet in werking voordat deze bekend is gemaakt (artikel
                    3:44 van de Awb). De hierboven genoemde termijnen zijn inclusief de tijd die het
                    college nodig heeft om een genomen beschikking aan de aanvragers bekend te
                    maken. </al><al/><al><cursief>Ingangsdatum</cursief> Een toegekende vervoersvoorziening kan bestaan
                    uit een bekostiging aan de ouders of aan de meerderjarige en handelsbekwame
                    leerling, óf aanbieding van aangepast vervoer dat de gemeente verzorgt of doet
                    verzorgen, in de vorm van busvervoer of een taxi(busje). In het geval van een
                    bekostiging zal de ingangsdatum van deze bekostiging in principe samenvallen met
                    de in het aanvraagformulier verzochte datum van ingang, maar niet zijn gelegen
                    vóór de datum waarop de aanvraag door de gemeente werd ontvangen (artikel 5,
                    derde lid, aanhef en onder a). Er vindt dus geen bekostiging met terugwerkende
                    kracht plaats. Wanneer de leerling aangepast vervoer krijgt aangeboden dat
                    verzorgd wordt door de gemeente zal de datum van ingang zo veel mogelijk
                    aansluiten bij de door de ouders verzochte datum. Deze ligt dan uiteraard niet
                    vóór de datum waarop de aanvraag door de gemeente werd ontvangen. Bovendien
                    dient rekening te worden gehouden met het feit dat het inschakelen of
                    contracteren van een vervoerder enige tijd kan kosten (artikel 5, derde lid,
                    aanhef en onder b). </al><tussenkop>Artikel 6. Doorgeven van wijzigingen</tussenkop><al> Wijzigingen die van directe invloed zijn op de toegekende vervoersvoorziening
                    dienen onderwijld aan het college door gegeven te worden. Van invloed op de
                    vervoersvoorziening zijn onder andere:</al><lijst><li nr="-"><al>wijziging in het woonadres van de leerling, bijvoorbeeld door
                            verhuizing;</al></li><li nr="-"><al>verandering van school (bijvoorbeeld van speciaal onderwijs naar
                            voortgezet speciaal onderwijs);</al></li><li nr="-"><al>wijziging van het adres van de school;</al></li><li nr="-"><al>wijziging van de schooltijden;</al></li><li nr="-"><al>verandering van de reistijd, bijvoorbeeld door een wijziging in het
                            openbaar vervoer;</al></li><li nr="-"><al>wijziging in de gezinssituatie, in verband met het al dan niet kunnen
                            begeleiden van leerlingen.</al></li></lijst><al/><al>Als de wijziging daartoe aanleiding geeft trekt het college de
                    verstrekte vervoersvoorziening in, of herziet het college het eerder genomen
                    besluit. Van ouders van leerlingen die een school voor basisonderwijs of een
                    speciale school voor basisonderwijs bezoeken kan in bepaalde gevallen,
                    afhankelijk van het inkomen, een bijdrage worden gevraagd; zie artikelen 13 en
                    14. Deze bijdrage kan worden verrekend met de eventuele bekostiging. Een
                    wijziging in het inkomen van deze ouders heeft in principe geen invloed op de
                    bekostiging van de vervoerskosten voor datzelfde jaar. Indien echter sprake is
                    van een structurele daling in het inkomen van de ouders kan het college,
                    vooruitlopend op een komend schooljaar, de bekostiging aanpassen. </al><al/><al>Het college kan, zonder dat ouders iets hebben doorgegeven, zelf wijzigingen
                    constateren die van invloed kunnen zijn op de vervoersvoorziening. Daarbij kan
                    blijken dat ouders ten onrechte bekostiging (hebben) ontvangen. Artikel 6, derde
                    lid, biedt in dergelijke situaties een kapstok om de ten onrechte betaalde
                    bekostiging terug te vorderen of in mindering te brengen bij eventueel nieuw te
                    verstrekken bekostiging.</al><al/><al><vet>Artikel </vet><vet>7</vet><vet>. Andere vergoedingen</vet></al><al>Als kan worden aangetoond dat een aanvrager van
                    leerlingenvervoer via een andere weg (bijvoorbeeld via de werkgever) vergoeding
                    ontvangt voor de kosten van het vervoer naar school, mag de gemeente die
                    vergoeding aftrekken van de bekostiging die de aanvrager zou hebben gekregen op
                    basis van de verordening leerlingenvervoer. Ook is het mogelijk deze vergoeding
                    als bijdrage in rekening te brengen, wanneer het om aangepast vervoer gaat dat
                    de gemeente verzorgt of doet verzorgen. </al><al/><al>Het bovenstaande geldt echter niet voor vergoedingen die – op aanvraag – aan
                    ouders van schoolgaande kinderen in het voortgezet onderwijs worden verstrekt op
                    basis van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten. Deze
                    vergoeding is opgebouwd uit verschillende componenten, zoals lesgeld, en is
                    zeker niet uitsluitend bestemd voor reiskosten. Daarom wordt deze vergoeding
                    niet verrekend met de vervoersvoorziening. </al><al/><tussenkop>§ 2 Bepalingen omtrent het vervoer van leerlingen van scholen voor
                    primair onderwijs</tussenkop><tussenkop>Artikel 8. Algemene bepalingen omtrent het vervoer van leerlingen van
                    scholen voor primair onderwijs</tussenkop><al>Paragraaf 2betreft leerlingen van scholen die zijn aangesloten bij een
                    samenwerkingsverband primair onderwijs (zoals omschreven in ‘Algemeen’), en
                    leerlingen van instellingen voor cluster 1 en cluster 2 die primair onderwijs
                    volgen. </al><al/><al><cursief>Dichtstbijzijnde speciale school voor basisonderwijs in het
                        samenwerkingsverband </cursief>Het derde lid van artikel 8 is een
                    aanvulling op artikel 3. Voor alle onderwijssoorten geldt de hoofdregel van
                    artikel 3, eerste lid: een vervoersvoorziening wordt toegekend naar de
                    dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school. Volgens artikel 4,
                    vijfde lid, van de WPO moet echter, wanneer het gaat om speciale scholen voor
                    basisonderwijs, het vervoer naar de dichtstbijzijnde school in het
                    samenwerkingsverband worden bekostigd. Dat hoeft niet per se de dichtstbijzijnde
                    toegankelijke school van zijn soort te zijn. Het is mogelijk dat er een speciale
                    school voor basisonderwijs buiten het samenwerkingsverband, maar dichterbij de
                    woning is gelegen. </al><al/><al>Sinds de invoering van het passend onderwijs beoordeelt het samenwerkingsverband
                    of leerlingen toelaatbaar zijn tot het onderwijs aan speciale scholen voor
                    basisonderwijs in het samenwerkingsverband (artikel 18a, zesde lid, aanhef en
                    onder c, van de WPO). </al><al>Een ‘toelaatbaarheidsverklaring’ voor een speciale school voor basisonderwijs,
                    afgegeven door het samenwerkingsverband aan een leerling, geldt alleen binnen
                    dat samenwerkingsverband (artikel 40, achtste lid, van de WPO). Een ander
                    samenwerkingsverband kan immers gekozen hebben voor een hoger of lager niveau
                    van basisondersteuningsvoorzieningen, die op elke school aanwezig zijn. </al><al/><al>In het derde lid van artikel 8 wordt gesproken van de basisschool waarvan de
                    leerling afkomstig is. Dit is op grond van artikel 3 de dichtstbijzijnde
                    toegankelijke basisschool. In dat geval is artikel 8 van toepassing. Daarnaast
                    geldt, als gevolg van de verwijzing naar artikel 3, bij toepassing van artikel
                    8, derde lid, aanhef en onderdeel b, ook hier het vereiste van schriftelijke
                    instemming van de ouders. </al><al/><al><cursief>Adviezen van deskundigen</cursief></al><al>Om te kunnen beoordelen of een leerling in aanmerking komt voor een
                    vervoersvoorziening en, als dat het geval is, voor welk type voorziening de
                    leerling dan in aanmerking komt, is in een aantal gevallen advies van
                    deskundigen ter zake nodig. Het zal dan veelal gaan om de vraag of een leerling
                    door zijn handicap in het geheel niet van openbaar vervoer gebruik kan maken, of
                    alleen onder begeleiding daarvan gebruik kan maken, of wellicht – al dan niet
                    onder begeleiding – naar school kan fietsen. </al><al/><al>Adviezen kunnen worden gegeven door: - de commissie voor de begeleiding,
                    ingesteld door een of meer scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs van
                    cluster 3 en cluster 4; - de commissie van onderzoek, ingesteld door een of meer
                    instellingen van cluster 1 en cluster 2; - de ambulante begeleider van de
                    leerling; - de directeur van de school; - het samenwerkingsverband. Deze
                    instanties staan immers, na de ouders, het dichtst bij de leerling. Om een zo
                    objectief mogelijk advies te verkrijgen is het van belang gerichte vragen te
                    stellen en te verzoeken de antwoorden te motiveren. </al><al/><al>Wanneer de specifieke handicap van de leerling daarom vraagt kan advies worden
                    ingewonnen van deskundigen als de huisarts van de leerling, de
                    jeugdgezondheidsdienst, de geneeskundige dienst, een sociaal-medische
                    adviesdienst, een medicus gespecialiseerd in de betreffende handicap, een
                    orthopedagoog, kinderpsycholoog en dergelijke.</al><al/><al> Een onafhankelijk onderzoek is soms noodzakelijk. De kosten hiervan komen voor
                    rekening van de gemeente. </al><al/><al><vet>Artikel </vet><vet>9</vet><vet>. Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer </vet><vet>van een leerling</vet></al><al>In artikel 9 zijn de minimumvoorwaarden vastgelegd waaronder ouders van
                    leerlingen die scholen bezoeken die onder paragraaf 2 vallen, aanspraak kunnen
                    maken op bekostiging van de vervoerkosten. Hierbij geldt als uitgangspunt:
                    volledige bekostiging van de kosten van openbaar, vervoer.</al><al/><al><cursief>Afstandscriterium</cursief> Artikel 4, achtste lid, van de WPO en
                    artikel 4, zevende lid, van de WEC stellen dat de gemeentelijke regeling kan
                    bepalen dat geen aanspraak op bekostiging bestaat op grond van de afstand.
                    Artikel 4, zevende lid, van de WPO stelt een afstand van zes kilometer als
                    bovengrens. </al><al>Deze afstand wordt in de verordening als criterium aangehouden. De afstand wordt
                    per route, zowel voor de heen- als voor de terugweg, bepaald. </al><al/><al>Een combinatie van afstandscriterium en leeftijdscriterium is op grond van de
                    wet niet mogelijk (artikel 4, achtste en negende lid, van de WPO en artikel 4,
                    zevende en achtste lid, van de WEC). Met andere woorden: een voor de hand
                    liggend onderscheid in afstand tussen jongere en oudere kinderen is niet
                    toegestaan. </al><al/><al><cursief>Kosten openbaar vervoer</cursief> De gemeente bekostigt de goedkoopst
                    mogelijke wijze van openbaar vervoer. Het gaat hierbij om de kosten die met de
                    OV-chipkaart (of eventueel een andere, binnen de gemeente of regio geldende
                    betaalmogelijkheid) worden gemaakt, rekening houdend met kortingen die voor de
                    leerling binnen het systeem kunnen gelden. </al><al/><al><vet>Artikel 1</vet><vet>0</vet><vet>. Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer of vervoer per fiets ten
                        behoeve van een begeleider</vet></al><al>In een aantal gevallen zal blijken dat het voor een leerling niet mogelijk is
                    zelfstandig met het openbaar vervoer te reizen. </al><al/><al><cursief>Leerlingen op het primair onderwijs</cursief></al><al>In artikel 9 is bepaald dat ouders van leerlingen van het primair onderwijs in
                    aanmerking komen voor een vervoersvoorziening, als de afstand van de woning naar
                    de dichtstbijzijnde toegankelijke school meer dan zes kilometer is. Hierbij is
                    tevens recht op een vergoeding voor begeleiding omdat er vanuit gegaan wordt dat
                    leerlingen op het primair onderwijs altijd begeleiding nodig hebben wanneer de
                    afstand meer dan 6 km is en dat gehandicapte leerlingen (die niet zelfstandig
                    met het OV kunnen reizen) ook zijn aangewezen op een vorm van begeleiding. </al><al/><al><cursief>Structurele handicap</cursief> Ouders, van leerlingen die door hun
                    structurele beperking niet zelfstandig met het openbaar vervoer kunnen reizen,
                    komen in aanmerking voor een vervoersvoorziening voor de begeleider, ongeacht de
                    afstand van de woning naar de school. </al><al/><al>De vraag of een leerling al dan niet als gehandicapte valt aan te merken is
                    hierbij niet van doorslaggevend belang. Bij de toekenning van een
                    vervoersvoorziening gaat het om de vraag of de leerling, door zijn beperking
                    (wettelijke term: handicap), al dan niet zelfstandig van het openbaar vervoer
                    gebruik kan maken. Zo zijn er situaties denkbaar waarbij een leerling met een
                    bepaalde structurele beperking wel zelfstandig met het openbaar vervoer kan
                    reizen. Een gewenningsperiode zal dan meestal noodzakelijk zijn, waarbij de
                    leerling de gelegenheid krijgt de weg te leren kennen, om leert gaan met de
                    OV-chipkaart en dergelijke. </al><al/><al>Bij de aanvraag dienen ouders verklaringen van deskundigen te overleggen. Het
                    college kan ook advies van onafhankelijke deskundigen inwinnen. Zie de
                    toelichting op artikel 8. </al><al/><al>Wanneer er sprake is van een tijdelijke handicap (bijvoorbeeld een gebroken
                    been) valt het vervoer van de leerling onder de verantwoordelijkheid van de
                    ouders. Echter, wanneer de leerling een groot gedeelte van het schooljaar in
                    verband met – bijvoorbeeld- herstel van een operatie en/of revalidatie niet of
                    niet zelfstandig met het openbaar vervoer kan reizen, kunnen ouders een aanvraag
                    voor een vervoersvoorziening indienen. </al><al/><al><cursief>Begeleiding</cursief></al><al>Begeleiding in het vervoer is primair een taak van de ouders. Als zij niet in
                    staat zijn hun kind te begeleiden, dienen zij zelf voor een oplossing te zorgen
                    Zo kan ook een familielid, een kennis, een oppas, een van de buren, een ouder
                    van een andere leerling of een klassenassistent de leerling begeleiden. Met de
                    begeleiding van een jongere leerling door een oudere leerling moet uiteraard
                    heel omzichtig worden omgegaan. Een en ander hangt af van factoren als leeftijd,
                    verkeerssituaties en dergelijke. </al><al/><al>Wie de leerling ook begeleidt, de bekostiging vindt plaats aan de ouders van de
                    leerling. Als een begeleider meer dan een leerling tegelijk begeleidt, wordt de
                    begeleider slechts één maal bekostigd. </al><tussenkop>Ov-app</tussenkop><al>Het is een app voor op een smartphone die mensen helpt die moeite hebben om
                    zelfstandig met het openbaar vervoer te reizen. De Ov-app begeleidt de reiziger
                    van deur tot deur met looproutes, actuele Ov-informatie en een noodknop om,
                    indien nodig, hulp in te schakelen. De Ov-app wordt aangeschaft door de gemeente
                    en beschikbaar gesteld aan de leerling. </al><al><vet>Artikel 1</vet><vet>1</vet><vet>. Vervoersvoorziening in de vorm van
                        aangepast vervoer</vet> Een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast
                    vervoer dient in principe slechts in uitzonderingsgevallen te worden versterkt.
                    Deze uitzonderingen zijn in artikel 11 vastgelegd. </al><al/><al><cursief>Eerste lid, onderdeel a: Reistijd met openbaar vervoer is meer dan
                        anderhalf uur en kan met aangepast vervoer tot 50% of minder worden
                        teruggebracht</cursief> Bij een reisduur tot anderhalf uur met het openbaar
                    vervoer komt de vrijheid van de ouders om voor een bepaalde school te kiezen
                    niet in de knel, zo oordeelde de ABRvS. </al><al/><al>Van belang is hier de omschrijving van het begrip reistijd; zie ook de
                    toelichting op artikel 1. De praktijk leert dat leerlingen, ongeacht de manier
                    waarop zij de afstand naar school overbruggen, zo’n vijftien minuten vóór de
                    aanvang van de lessen op het schoolplein aankomen. Het ligt voor de hand deze
                    tijd uit te sluiten van de reistijd. De eventuele wachttijd voor het openbaar
                    vervoer aan het einde van de schooldag wordt wel meegerekend. Wanneer een
                    leerling met aangepast vervoer wordt vervoerd, is er tijd nodig de school te
                    verlaten en in de taxi(bus) te stappen. Het is in dit geval dan ook redelijk
                    enige tijd (vijftien minuten) op te tellen bij de berekende duur van de rit. </al><al/><al> Het kan voorkomen dat voor de heenreis (woning/opstapplaats-school) de reistijd
                    van anderhalf uur met het openbaar vervoer overschreden wordt, terwijl dit voor
                    de terugreis niet het geval is (of vice versa). In een dergelijk geval wordt er
                    voor de heenreis aangepast vervoer toegekend, en voor de terugreis bekostiging
                    op basis van openbaar vervoer (of vice versa). </al><al>Overigens kunnen ouders, als zij op basis van het criterium reistijd aanspraak
                    op aangepast vervoer maken, niet van het college eisen dat de totale reistijd
                    ook daadwerkelijk tot 50% of minder wordt teruggebracht.</al><al/><al><cursief>Eerste lid, onderdeel b: Openbaar vervoer ontbreekt</cursief> In een
                    aantal gemeenten ontbreekt openbaar vervoer geheel of rijdt zo weinig frequent
                    dat leerlingen daar geen gebruik van kunnen maken voor het vervoer van de woning
                    naar de school of terug. In dat geval kan het college allereerst het volgende
                    overwegen:</al><lijst><li nr="-"><al>de vervoersonderneming verzoeken om wijzigingen aan te brengen in de
                            dienstregeling, zodat het openbaar vervoer bruikbaar wordt voor het
                            reizen naar de school en terug; </al></li><li nr="-"><al>het bevoegd gezag van de school verzoeken de schooltijden (beter) af te
                            stemmen op de dienstregeling van het openbaar vervoer.</al></li></lijst><al/><al><cursief>Eerste lid, onderdeel c: Begeleiding van de leerling in het openbaar
                        vervoer is niet mogelijk</cursief></al><al>De ouders dienen op een voor de gemeente bevredigende wijze
                    aan te tonen dat het hun onmogelijk is hun kind in het openbaar vervoer te
                    begeleiden, of dat deze begeleiding tot ernstige benadeling van het gezin zou
                    leiden. </al><al>Van ouders wordt ook verwacht dat zij allereerst zelf een oplossing zoeken voor
                    het (laten) begeleiden van hun kinderen, wanneer dit nodig is. Zie ook de
                    toelichting op artikel 10, onder het kopje ‘Begeleiding’. </al><al/><al>In de toelichting op het amendement van de Kamerleden Dijkgraaf en Ferrier van 5
                    maart 2012, dat tot een wetswijziging heeft geleid, staat een en ander als volgt
                    omschreven: “De inzet die van ouders wordt gevraagd moet redelijk zijn. Van
                    ouders mag uiteraard een bepaalde mate van inzet verwacht worden, maar die inzet
                    mag niet zover gaan dat de mogelijkheid van leerlingenvervoer illusoir wordt.”
                    Met de term ‘leerlingenvervoer’ zal overigens ‘aangepast vervoer’ bedoeld zijn.
                    Per ouder(paar) en per aanvraag zal het college moeten beoordelen of de
                    gevraagde inzet redelijk is. </al><al/><al><cursief>Eerste lid, onderdeel d: Leerling kan door zijn handicap niet van het
                        openbaar vervoer gebruik maken </cursief>Als de leerling door zijn
                    structurele handicap niet in staat is, zelfs niet onder begeleiding, van het
                    openbaar vervoer gebruik te maken, verstrekt het college een voorziening in de
                    vorm van aangepast vervoer. De vraag of een leerling al dan niet als gehandicapt
                    valt aan te merken is hierbij niet van belang. Het gaat om de vraag of de
                    leerling, door zijn handicap, al dan niet zelfstandig van het openbaar vervoer
                    gebruik kan maken. Zie verder de toelichting op artikel 10, onder het kopje
                    ‘Structurele handicap’. </al><al/><al><cursief>Tweede lid: Kosten van de begeleiding</cursief> Soms is begeleiding in
                    het aangepast vervoer noodzakelijk, bijvoorbeeld wanneer een leerling verzorging
                    nodig heeft, of in het geval een leerling bepaald ongewenst gedrag vertoont. In
                    dit geval worden alleen de kosten van het vervoer die aan deze begeleiding
                    verbonden zijn vergoed. Ook kan de gemeente een plaats beschikbaar stellen in
                    het aangepast vervoer. Salariskosten worden niet vergoed. Voor medische
                    begeleiding tijdens het vervoer is de gemeente niet verantwoordelijk.</al><al>Het bedrag die opgenomen is onder het tweede lid is gebaseerd op de
                    autovergoeding uit de Reisregeling binnenland.</al><tussenkop>Artikel 12. Bekostiging op basis van de kosten van eigen
                    vervoer</tussenkop><al>Artikel 12 geeft nadere regels voor de bekostiging van het eigen vervoer.
                    Hiervan is sprake wanneer ouders de leerlingen zelf naar school vervoeren of
                    laten vervoeren met een eigen vervoermiddel (auto, bromfiets, etc.), of wanneer
                    een leerling onder begeleiding gebruikmaakt van de fiets. </al><al/><al> Als ouders de leerling zelf wensen te (laten) vervoeren, is toestemming van het
                    college noodzakelijk. Een belangrijke maatstaf voor toestemming kan zijn dat de
                    bekostiging van het vervoer door de ouders voor de gemeente goedkoper is.
                    Daarvan is in ieder geval geen sprake als de leerling in aanmerking komt voor
                    een voorziening in de vorm van aangepast vervoer, en er is plaats in een busje
                    dat toch al rijdt. </al><al/><al>De bekostiging van het eigen vervoer is gerelateerd aan de voorziening waar de
                    ouders in principe op basis van de bepalingen in de verordening voor in
                    aanmerking komen: </al><al/><al><cursief>a</cursief><cursief>. Aangepast vervoer</cursief> Als ouders in
                    aanmerking komen voor een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer
                    en zij met toestemming van het college de leerling zelf vervoeren, wordt een
                    vergoeding per kilometer verstrekt. De hoogte van deze kilometervergoeding is
                    afgeleid van op de Reisregeling Binnenland gerekend van woning tot het
                    schooladres voor zowel de ochtend als de middag. Alleen de zogenaamde beladen
                    ritten komen voor vergoeding in aanmerking. </al><al/><al>Geen vergoeding wordt verstrekt wanneer de leerling ook tussen de middag wordt
                    vervoerd. </al><al/><al><cursief>Ouders vervoeren meer dan één leerling</cursief></al><al>Artikel 12, derde lid, bepaalt dat ouders aanspraak maken op bekostiging op
                    basis van een kilometervergoeding als zij – na toestemming van het college –
                    meer dan één leerling tegelijk vervoeren. Dit geldt ook wanneer ouders in
                    principe slechts aanspraak maken op bekostiging op basis van de kosten van
                    openbaar vervoer. De kilometervergoeding geldt voor de auto, en wordt niet per
                    leerling verstrekt. Wanneer ouders toestemming vragen meerdere kinderen met een
                    eigen busje te vervoeren, kan het college bij wijze van uitzondering op grond
                    van artikel 22 (de zogenaamde hardheidsclausule) een andere bekostiging
                    vaststellen. Dit vervoer kan goedkoper zijn dan aangepast vervoer per leerling.
                    </al><al/><al><cursief>Vervoer per fiets</cursief><cursief>alleen met begeleiding</cursief><cursief>. </cursief></al><al>Ouders van een leerling kunnen het wenselijk vinden dat hun kind gebruik maakt
                    van de fiets, bijvoorbeeld ter bevordering van de zelfredzaamheid. Wanneer de
                    ouders op basis van de bepalingen in de verordening voor een vervoersvoorziening
                    in aanmerking komen, kan het college – na toestemming te hebben gegeven – een
                    kilometervergoeding voor de begeleiding van het kind per fiets toekennen. </al><al/><al><vet>Artikel 1</vet><vet>3</vet><vet>. Drempelbedrag</vet></al><al>Artikel 4, zevende lid, van de WPO biedt gemeenten de mogelijkheid een
                    drempelbedrag bij ouders in rekening te brengen. In de verordening is gebruik
                    gemaakt van deze optie ten aanzien van de ouders van leerlingen die onderwijs
                    volgen op scholen voor basisonderwijs. Aan ouders van leerlingen die onderwijs
                    volgen op speciale scholen voor basisonderwijs wordt geen drempelbedrag in
                    rekening gebracht. De wetgever heeft bedoeld de ouders verantwoordelijk te laten
                    zijn voor een bepaald deel van de (werkelijk gemaakte) kosten van het vervoer,
                    de zogenaamde drempel. Het bedrag wordt per leerling in rekening gebracht. Als
                    een leerling slechts voor een deel van het schooljaar een vervoersvoorziening
                    wordt toegekend, wordt het drempelbedrag naar evenredigheid in rekening
                    gebracht. Dit geldt ook wanneer alleen voor de heen- of terugreis een
                    vervoersvoorziening wordt toegekend, of voor enkele dagen per week. </al><al/><al><cursief>Kilometergrens</cursief> Bij het drempelbedrag is de ouderlijke
                    bijdrage gekoppeld aan de door de gemeente vastgestelde kilometergrens, dat wil
                    zeggen de afstand van de woning tot de school waarboven aanspraak kan bestaan op
                    een vervoersvoorziening. Invoering van het drempelbedrag houdt in dat de kosten
                    van het openbaar vervoer tot aan deze kilometergrens voor rekening van de ouders
                    komen. Artikel 4, zevende lid, van de WPO stelt een afstand van zes kilometer
                    als bovengrens. Deze afstand wordt in de verordening aangehouden. </al><al/><al><cursief>Doelgroep</cursief> Doelgroep voor het drempelbedrag zijn de ouders van
                    leerlingen van scholen voor basisonderwijs, die een gezamenlijk inkomen hebben
                    dat boven een bepaalde grens uitkomt. Een uitzondering geldt voor leerlingen die
                    wegens hun structurele handicap op ander vervoer dan openbaar vervoer zijn
                    aangewezen, of vanwege een zodanige handicap niet zelfstandig van openbaar
                    vervoer gebruik kunnen maken. Aan hun ouders mag geen drempelbedrag gevraagd
                    worden. </al><al/><al>Voor deze leerlingen geldt ook geen kilometergrens als voorwaarde voor een
                    vervoersvoorziening. Aan ouders van leerlingen die een school voor (voortgezet)
                    speciaal onderwijs bezoeken kan geen drempelbedrag worden opgelegd, aangezien de
                    WEC deze mogelijkheid niet biedt. </al><al/><al><cursief>Inkomen</cursief> Onder inkomen moet worden verstaan: het
                    inkomensgegeven, zoals bedoeld in artikel 21, aanhef en onder e, van de Algemene
                    wet inzake rijksbelastingen in het peiljaar. De inkomensgrens voor het
                    drempelbedrag en de wijze van indexering zijn bepaald in artikel 4, zevende lid,
                    van de WPO. Als peiljaar moet worden aangemerkt het tweede kalenderjaar
                    voorafgaand aan het kalenderjaar waarin het schooljaar waarvoor bekostiging van
                    de vervoerskosten wordt gevraagd, begint (zie artikel 1). Als grenswaarde wordt
                    in de wet een gezamenlijk inkomen genoemd van </al><al>€ 17.700,- voor het school jaar 1998-1999; dit bedrag moet per 1 januari 1999
                    jaarlijks worden geïndexeerd op een voorgeschreven wijze. In de verordening is
                    de grenswaarde van het gezamenlijk inkomen voor het heffen van een drempelbedrag
                    voor het schooljaar 2015-2016 (dus voor het peiljaar 2013) vastgesteld op €
                    24.750,-. </al><al/><al><cursief>Hoogte drempelbedrag</cursief>Als een drempelbedrag wordt
                    ingevoerd, is de gemeente voor de berekening van de hoogte daarvan gebonden aan
                    de wet. Er kan niet worden gewerkt met een fictief bedrag. Het gaat om de kosten
                    van het openbaar vervoer die zouden worden gemaakt om de afstand tot aan de door
                    de gemeente vastgestelde kilometergrens te overbruggen. De kosten van het
                    openbaar vervoer worden berekend, die met de OV-chipkaart (of eventueel een
                    andere, binnen de gemeente of regio geldende betaalmogelijkheid) zouden worden
                    gemaakt, rekening houdend met kortingen die voor de leerling binnen het systeem
                    kunnen gelden. </al><al/><al>Bij de vaststelling van de hoogte van het drempelbedrag is het niet van belang
                    of de leerling daadwerkelijk gebruikmaakt van het openbaar vervoer. Ook wanneer
                    de leerling gebruikmaakt van aangepast vervoer, of wanneer er geen openbaar
                    vervoer aanwezig is, dienen de ouders de kosten van het openbaar vervoer over de
                    afstand tot aan de door de gemeente gestelde kilometergrens zelf te dragen. </al><al/><al>In dat geval wordt uitgegaan van de meest gangbare, voor de leerling
                    toegankelijke route, en gerekend met een OV-prijs die geldt binnen het
                    betreffende vervoersgebied. </al><al/><al><cursief>Aantonen van het inkomen</cursief> Als de gemeente zelf geen inzage kan
                    verkrijgen in de inkomensgegevens kunnen aanvragers een kopie van de
                    belastingaanslag sturen om het inkomen aan te tonen. </al><al>Ouders kunnen ook een IB 60-formulier opvragen bij de belastingdienst. </al><al/><al>Wanneer ouders weigeren de gevraagde informatie over hun inkomen te verstrekken,
                    wordt op grond van artikel 4:15 van de Awb de beslistermijn opgeschort tot de
                    dag waarop de aanvraag met de ontbrekende gegevens is aangevuld, of de daarvoor
                    gestelde termijn ongebruikt is verstreken. In het laatste geval kan het college
                    besluiten de aanvraag niet in behandeling te nemen. De aanvragers worden hiervan
                    schriftelijk op de hoogte gesteld. Zie ook de toelichting op artikel 5, onder
                    het kopje ‘Overleggen gegevens ten behoeve van de aanvraag’. </al><al/><al>Als het gezamenlijk inkomen van het peiljaar nog niet bekend is, kan het derde
                    kalenderjaar voorafgaande aan het desbetreffende schooljaar als voorlopig
                    uitgangspunt worden gehanteerd. In een later stadium, als het inkomen van het
                    peiljaar wel bekend is, kan een definitieve berekening worden gemaakt.
                    </al><al/><al><cursief>Structurele daling van inkomen</cursief> Wanneer het inkomen van de
                    betrokken ouders in de periode die ligt tussen het peiljaar en het kalenderjaar
                    waarin de aanvraag wordt ingediend op een structurele wijze is gedaald, is het
                    redelijk om in het voordeel van de ouders een later peiljaar te kiezen door
                    gebruik te maken van de afwijkingsmogelijkheid van artikel 23. Om te bepalen in
                    welk geval het redelijk is van de peildatum af te wijken, kan artikel 6.12 van
                    de Wet studiefinanciering 2000 als richtsnoer dienen. </al><al/><al><cursief>Pleegouders</cursief></al><al>Pleegouders kunnen als ‘ouders’ in de zin van de verordening worden aangemerkt
                    (zie de toelichting op artikel 1). Zij kunnen dus, als zij voldoen aan de
                    voorwaarden, in aanmerking komen voor een vervoervoorziening. Volgens een
                    uitspraak van de ABRvS (31 augustus 1993, nrs. R03.93. 1702 en R03.93.1773) is
                    het redelijk dat als de verzorgers pleegouders zijn, hun ook het drempelbedrag
                    in rekening gebracht kan worden. </al><al/><al><cursief>Invordering drempelbedrag</cursief>Artikel 2 geeft de regels
                    voor de invordering van het drempelbedrag. Wanneer het college zelf het vervoer
                    verzorgt of laat verzorgen dienen de ouders die daarvoor in aanmerking komen het
                    drempelbedrag aan de gemeente over te maken. Wanneer de ouders in gebreke
                    blijven vervalt de aanspraak en wordt het vervoer stopgezet. </al><tussenkop>Artikel 14. Financiële draagkracht</tussenkop><al> Artikel 4, elfde lid, van de WPO biedt gemeenten de mogelijkheid een bijdrage
                    te vragen in de kosten van het vervoer, wanneer de afstand tot de
                    dichtstbijzijnde toegankelijke school meer is dan 20 kilometer. Deze bijdrage
                    kan alleen worden gevraagd wanneer het een school voor regulier basisonderwijs
                    betreft. De bijdrage is afhankelijk van de financiële draagkracht van de ouders.
                    Er wordt geen bijdrage gevraagd wanneer het gaat om leerlingen die wegens hun
                    structurele handicap op ander vervoer dan openbaar vervoer zijn aangewezen, of
                    vanwege een zodanige handicap niet zelfstandig van openbaar vervoer gebruik
                    kunnen maken. De draagkrachtafhankelijke bijdrage wordt per gezin geheven, in
                    tegenstelling tot het drempelbedrag dat per leerling in rekening wordt gebracht. </al><al/><al>In artikel 14 is gekozen voor een systeem waarin met een aantal inkomensblokken
                    wordt gewerkt, waaraan een vooraf vastgestelde draagkrachtafhankelijke
                    ouderlijke bijdrage is gekoppeld. Zowel de bedragen van de inkomensblokken als
                    van de verschuldigde bijdrage worden geïndexeerd vastgesteld op een wijze die
                    aansluit bij artikel 4 van de WPO. </al><al/><al>Voor het aantonen van het inkomen, hoe om te gaan met een structurele daling van
                    het inkomen, een aanvraag door pleegouders en de invordering wordt verwezen naar
                    de betreffende kopjes van de toelichting op artikel 13. </al><tussenkop>§ 3 Bepalingen omtrent het vervoer van leerlingen van scholen voor
                    voortgezet onderwijs </tussenkop><al/><al><vet>Artikel 1</vet><vet>5</vet><vet>. Algemene bepalingen omtrent het vervoer van leerlingen van scholen voor
                        voortgezet onderwijs</vet></al><al>Paragraaf 3betreft leerlingen van scholen die zijn aangesloten bij een
                    samenwerkingsverband voortgezet onderwijs, en leerlingen van instellingen voor
                    cluster 1 en cluster 2 die voortgezet onderwijs volgen. Volgens artikel 4, het
                    vierde lid, van de WEC en artikel 4, eerste lid, van de WVO komen leerlingen
                    slechts voor een vervoersvoorziening in aanmerking als zij wegens hun handicap
                    op ander vervoer dan openbaar vervoer zijn aangewezen, dan wel vanwege hun
                    handicap niet zelfstandig van openbaar vervoer gebruik kunnen maken.
                    </al><al/><al><cursief>Adviezen van deskundigen</cursief>Artikel 15, tweede lid, is
                    identiek aan artikel 8, vierde lid. Zie voor een toelichting daarom de
                    toelichting op artikel 8 onder het kopje ‘Adviezen van
                    deskundigen’.</al><al/><al><vet>Artikel 1</vet><vet>6</vet><vet>. Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer met begeleiding en vervoer
                        per fiets </vet></al><al> Ouders van leerlingen die door hun structurele handicap al dan niet zelfstandig
                    met het openbaar vervoer kunnen reizen, komen in aanmerking voor bekostiging van
                    de vervoerskosten voor de leerling én een begeleider, ongeacht de afstand van de
                    woning naar de school. </al><al/><al><cursief>Begeleiding</cursief> Begeleiding in het vervoer is primair een taak
                    van de ouders. Als zij niet in staat zijn hun kind te begeleiden, dienen zij
                    zelf voor een oplossing te zorgen Zo kan ook een familielid, een kennis, een
                    oppas, een van de buren, een ouder van een andere leerling of een
                    klassenassistent de leerling begeleiden. Zie voor verdere toelichting de
                    toelichting op artikel 10 onder het kopje ‘Begeleiding’.</al><al/><al><cursief>Eerste lid</cursief> De vraag of een leerling al dan niet als
                    gehandicapt valt aan te merken is hierbij niet van belang. Het gaat om de vraag
                    of de leerling, door zijn handicap, al dan niet zelfstandig van het openbaar
                    vervoer gebruik kan maken. Zie voor verdere toelichting de toelichting op
                    artikel 10 onder het kopje ‘Structurele handicap’<cursief>.</cursief></al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Zie voor de toelichting op de ov-app de toelichting op artikel 10. </al><tussenkop>Vijfde lid</tussenkop><al>Ondanks dat het wettelijk niet verplicht is, vergoedt het college ook de kosten
                    van het openbaar vervoer van de leerling die door een structurele lichamelijke,
                    verstandelijke, psychische of zintuiglijke handicap op een bepaalde school is
                    aangewezen, maar die wel zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik kan maken.
                    De reden hiervoor is dat deze ouders meerkosten hebben t.o.v. ouders waarvan de
                    kinderen binnen Gouda onderwijs kunnen volgen. Dit is buitenwettelijk
                    begunstigend beleid.</al><al/><al><vet>Artikel 1</vet><vet>7</vet><vet>. Vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer</vet></al><al>Een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer dient in principe
                    slechts in uitzonderingsgevallen te worden versterkt. Deze uitzonderingen zijn
                    in artikel 17 vastgelegd. Artikel 17 is identiek aan artikel 11, dat geldt voor
                    leerlingen van scholen voor primair onderwijs. Zie voor een toelichting op
                    artikel 17 daarom de toelichting op artikel 11. Wanneer daar ‘artikel 11’ staat
                    dient er in dit geval ‘artikel 17’ te worden gelezen. </al><al/><al><vet>Artikel 1</vet><vet>8</vet><vet>. Bekostiging op basis van de kosten van
                        eigen vervoer</vet> Artikel 18 is nagenoeg identiek aan artikel 12, dat
                    geldt voor leerlingen van scholen voor primair onderwijs. Zie voor een
                    toelichting op artikel 18 daarom de toelichting op artikel 12. Wanneer daar
                    ‘artikel 12’ staat dient er in dit geval ‘artikel 18’ te worden gelezen.
                    </al><al/><al><vet>§ 4 Bepalingen omtrent weekeinde- en vakantievervoer</vet></al><tussenkop>Artikel 19. Toekenning vervoersvoorziening voor het weekeinde en de
                    vakantie aan in de gemeente wonende ouders</tussenkop><al>Artikel 4, zesde lid, van de WEC geeft aan in de verordening bepalingen op te
                    nemen voor het weekeinde- en vakantievervoer. In paragraaf 4 van de
                    modelverordening wordt hier invulling aan gegeven. </al><al/><al>Artikel 19 bevat twee belangrijke componenten: </al><al>1. Een vervoersvoorziening voor het weekeinde en de vakantie wordt alleen
                    verstrekt als het verblijf van de leerling in een internaat of een pleeggezin
                    noodzakelijk is met het oog op het volgen van passend (voortgezet) speciaal
                    onderwijs. Zo is het bepaald in de WEC. </al><al/><al>Doorslaggevend is de directe relatie tussen het verblijf in een internaat of
                    pleeggezin en het volgen van passend onderwijs op een school die ver van de
                    woning is gelegen. Dit betekent dat het college geen vervoersvoorziening voor
                    het weekeinde en de vakantie toekent, als de leerling passend onderwijs kan
                    volgen op een school die redelijkerwijs met dagelijks vervoer vanuit het
                    ouderlijk huis bereikt kan worden. Ook betekent dit dat er geen
                    vervoersvoorziening van en naar de woning van de ouders wordt verstrekt als de
                    leerling om medische of sociale redenen in een internaat of pleeggezin
                    verblijft, en daar in de buurt een school bezoekt. De gemeente dient na te gaan
                    op welke gronden een leerling op een internaat of bij een pleeggezin is
                    geplaatst. Ouders van leerlingen van het regulier en speciaal basisonderwijs en
                    van het regulier voortgezet onderwijs komen niet in aanmerking voor een
                    vervoersvoorziening voor het weekeinde of de vakantie. </al><al/><al>2. Het college van de gemeente waar de ouders wonen verstrekt de
                    vervoersvoorziening voor het weekeinde- en vakantievervoer, als de ouders
                    daarvoor in aanmerking komen. Zo is het bepaald in de Wec. Het college van de
                    gemeente waar de leerling in een internaat of een pleeggezin verblijft heeft
                    hierin geen rol. </al><al/><al>Wanneer de leerling in aanmerking komt voor dagelijks vervoer van het internaat
                    of pleeggezin naar de school en terug, verstrekt het college van de gemeente
                    waar de leerling in het internaat of het pleeggezin verblijft deze voorziening.
                    </al><al/><al><vet>Artikel 2</vet><vet>0</vet><vet>. Vervoersvoorziening voor weekeinde en
                        vakantie</vet> Artikel 20 bepaalt dat een vervoersvoorziening kan worden
                    toegekend voor de reizen van het internaat of pleeggezin naar de woning van de
                    ouders en terug in het weekeinde en in de vakanties. Het college van de gemeente
                    waar de ouders wonen bepaalt welke vervoersvoorziening wordt toegekend. </al><al/><al>Artikel 21, derde lid, geeft aan dat de bepalingen van paragraaf 2 en 3 van de
                    modelverordening van overeenkomstige toepassing zijn op de toekenning van een
                    vervoersvoorziening voor het weekeinde en de vakantie, op enkele uitzonderingen
                    na. Dit houdt het volgende in: </al><al/><al>- Alleen die leerlingen van het voortgezet speciaal onderwijs komen in
                    aanmerking voor een vervoersvoorziening voor het weekeinde en de vakantie, die
                    wegens hun structurele handicap op ander vervoer dan openbaar vervoer zijn
                    aangewezen, dan wel niet zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik kunnen
                    maken. </al><al/><al>- Voor de toekenning is bekostiging van de kosten van openbaar vervoer het
                    uitgangspunt. </al><al/><al>- Het college bekostigt ook de kosten van het openbaar vervoer voor een
                    begeleider, als de leerling wegens zijn structurele handicap of leeftijd niet in
                    staat is zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik te maken. Zie artikelen 10
                    en 16. - Het college verstrekt een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast
                    vervoer als:</al><lijst><li nr="a."><al>openbaar vervoer ontbreekt;</al></li><li nr="b."><al>begeleiding in het openbaar vervoer niet mogelijk is;</al></li><li nr="c."><al>de leerling wegens zijn structurele handicap niet in staat is - ook niet
                            onder begeleiding - van het openbaar vervoer gebruik te maken.</al></li></lijst><al>Zie artikelen 11 en 17.</al><al>Nota bene: Een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer wordt in dit
                    geval niet verstrekt als de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer meer
                    dan anderhalf uur onderweg is. </al><al/><al>- Het college kan toestaan dat de ouders de leerling zelf vervoeren of laten
                    vervoeren. De bekostiging is dan afhank2en 18. </al><al/><al>De algemene bepalingen van paragraaf 1 van de modelverordening zijn uiteraard
                    ook van toepassing, evenals de slotbepalingen van paragraaf 5. </al><tussenkop>§ 5 Slotbepalingen</tussenkop><al/><al><vet>Artikel 2</vet><vet>1</vet><vet>. Beslissing college in gevallen waarin de regeling niet voorziet</vet></al><al>In de verordening zijn de hoofdlijnen voor de bekostiging van het
                    leerlingenvervoer vastgelegd. Er kunnen zich echter concrete gevallen voordoen
                    waarin de modelverordening niet voorziet. Te denken valt hierbij aan
                    gemeenschappelijke afspraken met andere gemeenten, combinaties van openbaar
                    vervoer met aangepast vervoer, varianten in het gebruik van eigen vervoer etc.
                    Artikel 21 bepaalt dat het college in dergelijke situaties beslist. Redelijkheid
                    is hierbij het uitgangspunt. Bij de besluitvorming dient in de geest van de wet
                    en de verordening gehandeld te worden. </al><al/><al><vet>Artikel 2</vet><vet>2</vet><vet>. Afwijken van bepalingen</vet></al><al>Artikel 22 stelt dat het college slechts in voor ouders voordelige zin kan
                    afwijken van de verordening. Met deze bepaling wordt aangesloten bij artikel 4,
                    twaalfde lid, van de WPO, artikel 4, tiende lid, van de WEC en artikel 4,
                    zevende lid, van de WVO. Van een afwijking in voor ouders gunstige zin kan
                    bijvoorbeeld sprake zijn bij toekenning van bekostiging van openbaar vervoer
                    voor een begeleider, toekenning van een vervoersvoorziening in de vorm van
                    aangepast vervoer, bekostiging van groepsvervoer dat is georganiseerd door de
                    ouders, of toekenning van een vervoersvoorziening naar een verder weg gelegen
                    school. De ouders dienen aan te tonen dat er sprake is van een bijzondere
                    situatie.</al><al>Nota bene: Het gaat hierbij uitsluitend om vervoer voor schoolbezoek ten behoeve
                    van onderwijs, niet voor schoolbezoek ten behoeve van een medische behandeling
                    bijvoorbeeld.</al><al/><al>De ABRvS heeft in de casuïstiek nadere richtlijnen gegeven voor de toepassing
                    van de hardheidsclausule:</al><al/><al>-Hardheidsclausules hebben tot doel onbillijkheden van overwegende aard, die
                    zich ten aanzien van personen bij een strikte toepassing van de bepalingen van
                    de verordening zouden voordoen, weg te nemen. De toepassing ervan is niet aan
                    enige beperking gebonden. Met alle feiten en omstandigheden kan rekening worden
                    gehouden, zoals bijvoorbeeld medische, pedagogische en sociale factoren (12 mei
                    1989, nr. R03.88.7057/Sp347/26-41).</al><al/><al> - Door middel van toepassing van de hardheidsclausule kan van alle bepalingen
                    van de verordening worden afgeweken, inclusief het heffen van het drempelbedrag
                    (2 april 1990 R03.87.7147/58-43). </al><al/><al><cursief>Advies van deskundigen</cursief> In artikel 22 wordt bepaald dat het
                    college zo nodig advies vraagt van deskundigen ter zake. Zie hiervoor de
                    toelichting op artikel 8, onder het kopje ‘Adviezen van deskundigen’. </al><al/><al><cursief>Precedentwerking</cursief> Ter voorkoming van - ongewenste -
                    precedentwerking moet de toepassing van de hardheidsclausule worden onderbouwd
                    met argumenten die op de specifieke, concrete situatie van de ouders en/of de
                    leerling betrekking hebben. </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>