<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR376869_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Nadere regels PGB Jeugd</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Reusel-De Mierden</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-01-09</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Reusel-De Mierden</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="http://www.reuseldemierden.nl/bestuur-regelgeving/bekendmakingen_41589/item/nadere-regels-pgb-jeugd_29297.html#titel29297">Gemeenteblad 2015-013, 23-4-2015</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Nadere regels PGB Jeugd</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Jeugdwet, artikel 8</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Verordening Jeugdhulp 2015, artikel 7 en 8</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">college van burgemeester en wethouders</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-03-03</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-04-24</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2015-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2016-10-22</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>B&amp;W 15-051</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>maatschappelijke zorg en welzijn</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Nadere regels PGB Jeugd</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Inleiding</label></kop><structuurtekst><al>Op grond van de Jeugdwet en de wet Wmo 2015 kunnen volwassenen,
                            jeugdigen en hun ouders, net als onder de huidige wetgeving, kiezen voor
                            een persoonsgebonden budget (pgb) in plaats van zorg in natura (Zin). De
                            voorwaarden voor toekenning van een pgb en de wijze van uitbetaling
                            veranderen door de nieuwe wettelijke regels. De regering beschouwt het
                            pgb, naast zorg in natura, als een goed instrument om tot voorziening te
                            komen. Een cliënt die een individuele voorziening krijgt toegekend,
                            heeft onder voorwaarden het recht om te kiezen voor een persoonsgebonden
                            budget (pgb). Op 1 januari 2015 gaan de nieuwe Wmo, Jeugdwet en Wet
                            Langdurige Zorg (WLZ) in en start ook de uitvoering van het
                            trekkingsrecht persoonsgebonden budget (pgb). We hebben in het opstellen
                            van de nadere regels getracht om zoveel als mogelijk gelijke regels te
                            treffen voor de afzonderlijke beleidsvelden. Hiervoor is actief de
                            afstemming gezocht.</al><al>We brengen allereerst de wettelijke kaders in beeld en hetgeen in de
                            verordening jeugdhulp reeds is opgenomen. Vervolgens wordt het
                            aanvullend beleid beschreven.</al><al/><al><vet>Wettelijke kaders </vet></al><al>Artikel 8 van de Jeugdwet </al><al>Artikel 8.1.1</al><lijst><li nr="1."><al>Indien de jeugdige en zijn ouder dit wensen, verstrekt het
                                    college hen een budget, waaruit het college betalingen doet voor
                                    de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort, die van
                                    derden betrokken wordt.</al></li><li nr="2."><al>Het eerste lid geldt niet voor:</al><lijst><li nr="a."><al>een minderjarige die een kinderbeschermingsmaatregel of
                                            jeugdreclassering heeft opgelegd gekregen, en</al></li><li nr="b."><al>een jeugdige die is opgenomen in een gesloten
                                            accommodatie met een machtiging op grond van hoofdstuk 6
                                            van deze wet.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Bij verordening kan om redenen van doelmatigheid worden
                                    bepaald:</al><lijst><li nr="a."><al>dat, onverminderd het tweede lid, voor daarbij aan te
                                            wijzen vormen van jeugdhulp die tot een individuele
                                            voorziening behoren, in afwijking van het eerste lid,
                                            geen budget wordt verstrekt, en</al></li><li nr="b."><al>in welke gevallen en onder welke voorwaarden de persoon
                                            aan wie een budget wordt verstrekt, de mogelijkheid
                                            heeft om de jeugdhulp te betrekken van een persoon die
                                            deze anders dan in de uitoefening van een bedrijf of
                                            beroep levert.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Een budget wordt slechts verstrekt, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de jeugdige en zijn ouder naar het oordeel van het
                                            college in staat zijn de aan een budget verbonden taken
                                            op verantwoorde wijze uit te voeren;</al></li><li nr="b."><al>de jeugdige en zijn ouder zich gemotiveerd op het
                                            standpunt stellen dat zij de individuele voorziening
                                            niet wensen geleverd te krijgen door een door het
                                            college voorgestelde jeugdhulpaanbieder, en</al></li><li nr="c."><al>naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de
                                            jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort en
                                            die de jeugdige en zijn ouder van het budget willen
                                            betrekken, van goede kwaliteit is.</al></li></lijst></li></lijst><al>Artikel 8.1.2</al><lijst><li nr="1."><al>Een individuele voorziening in natura wordt aan een jeugdige en
                                    een ouder door of namens het college verstrekt. Indien een derde
                                    de voorziening in natura levert, komen op de persoon die deze
                                    voorziening ontvangt, geen werkgevers- of
                                    opdrachtgeversverplichtingen te rusten.</al></li><li nr="2."><al>Indien een jeugdige of een ouder een budget ontvangt, worden de
                                    betalingen voor de jeugdhulp die de jeugdige of de ouder
                                    ontvangen door of namens het college verstrekt.</al></li></lijst><al>Artikel 8.1.3</al><al>Het college licht de jeugdige en zijn ouder vooraf volledig, objectief
                            en in voor hem begrijpelijke bewoordingen in over de gevolgen van de
                            keuze voor een budget in plaats van een individuele voorziening in
                            natura.</al><al>Artikel 8.1.4</al><al>Op het budget is titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht niet van
                            toepassing.</al><al>Artikel 8.1.5</al><al>De Sociale verzekeringsbank, genoemd in artikel 3 van de Wet structuur
                            uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voert namens de colleges de
                            betalingen ten laste van verstrekte budgetten uit.</al><al>Artikel 8.1.6</al><al>Ten behoeve van uniformiteit en transparantie kunnen Onze Ministers
                            regels stellen over de wijze van bekostiging van jeugdhulpaanbieders
                            door gemeenten.</al><al/><al><vet>Verordening jeugdhulp 2015 Kempengemeenten</vet></al><al>In de verordening jeugdhulp 2015 (verder verordening jeugdhulp) spreken
                            we over een persoonsgebonden budget, wat gelijk is aan de term welke
                            gebruikt wordt in de jeugdwet, artikel 8, budget. </al><al>Artikel 8: Regels pgb </al><al>1.Het college verstrekt in overeenstemming met artikel 8.1.1 van de wet
                            alleen een individuelevoorziening in de vorm van een pgb:</al><lijst><li nr="a."><al>als de jeugdige of zijn ouders, al dan niet met hulp uit hun
                                    sociale netwerk dan wel van een curator, bewindvoerder, mentor
                                    of gemachtigde, in staat zijn de aan een pgb verbonden taken op
                                    verantwoorde wijze uit te voeren;</al></li><li nr="b."><al>als de jeugdige of zijn ouders overtuigend kunnen motiveren
                                    waarom zij de individuele voorziening die door een aanbieder
                                    wordt geleverd, niet passend achten;</al></li></lijst><al>c.als naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de jeugdhulp
                            die de jeugdige of zijn ouders willen betrekken van een aanbieder of een
                            persoon die behoort tot het sociale netwerk, van goede kwaliteit
                            is;</al><al>d.voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die door de jeugdige
                            of zijn ouders zijn aangegeven, na is te gaan of de voorziening
                            noodzakelijk is en als goedkoopste adequate voorziening aan te merken
                            valt;</al><al>e.als de jeugdige of zijn ouders de kosten die uitstijgen boven ten
                            hoogste het maximum van de kostprijs van de in de betreffende situatie
                            goedkoopst adequate individuele voorziening in natura, zelf willen
                            bekostigen.</al><al>2.De hoogte van een pgb wordt bepaald aan de hand van en tot het maximum
                            van de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate
                            individuele voorziening in natura.</al><al>3.Degene aan wie een pgb wordt verstrekt, kan de individuele voorziening
                            uitsluitend betrekken van een persoon die behoort tot zijn sociale
                            netwerk indien deze persoon:</al><al>a)voor zijn diensten niet meer krijgt betaald dan het vastgesteld bedrag
                            in de nadere regels conform lid 4;</al><al>b)niet heeft aangegeven dat de zorg aan de ontvanger van het pgb hem te
                            zwaar valt;</al><al>c)het pgb niet zal gebruiken voor de betaling van tussenpersonen of
                            belangbehartigers, en</al><al>d)op geen enkele wijze druk op de ontvanger van het pgb heeft
                            uitgeoefend bij diens besluitvorming.</al><al>4.Het college stelt nadere regels over de wijze waarop de hoogte van een
                            pgb wordt vastgesteld.</al><al>5.De jeugdige of zijn ouders hebben niet de mogelijkheid om te kiezen
                            voor een persoonsgebonden budget als er overwegende bezwaren zijn als
                            bedoeld in artikel 8.1.1 van de wet. Tevens is er geen recht op een
                            persoonsgebonden budget indien de jeugdige of zijn ouders zich eerder
                            niet heeft gehouden aan, bij eerdere verstrekking van een pgb, opgelegde
                            verplichtingen. Wanneer de aanvraag betrekking heeft op kosten die de
                            jeugdige of zijn ouders maakten, voorafgaand aan de indiening van de
                            aanvraag en niet meer is na te gaan of de ingekochte voorziening
                            noodzakelijk was, kan er achteraf geen pgb worden toegekend.</al><al>6.De medewerkers van de overige voorzieningen (het lokaal
                            ondersteuningsteam of het kempenteam) adviseren het college over het
                            verstrekken van het pgb.</al><al>Artikel 7: Toekenning individuele voorzieningen via een beschikking </al><lijst><li nr="6."><al>Bij het verstrekken van een individuele voorziening als pgb
                                    wordt in de beschikking vastgelegd:</al><lijst><li nr="a)"><al>voor welke individuele voorziening het pgb kan worden
                                            aangewend;</al></li><li nr="b)"><al>welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het
                                            pgb;</al></li><li nr="c)"><al>wat de hoogte van het pgb is en hoe deze is
                                            berekend;</al></li><li nr="d)"><al>hoe de feitelijke betaling ten laste van het verstrekte
                                            pgb plaatsvindt;</al></li><li nr="e)"><al>wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is
                                            bedoeld, en</al></li><li nr="f)"><al>de wijze van verantwoording van de besteding van het
                                            pgb.</al></li></lijst></li></lijst><al/><al><vet>Beleidskaders</vet></al><al>Het <onderstreept>meerjarenbeleidskader jeugdhulp Kempengemeenten
                                2015-2019</onderstreept> heeft een aantal uitgangspunten benoemd
                            rondom pgb. Bij de beoordeling van de vraag of de inzet van zorg via een
                            pgb wenselijk is, moeten de volgende aspecten worden afgewogen: </al><lijst><li nr="-"><al>Is de kwaliteit geborgd op basis van de beschreven
                                    kwaliteitseisen? (zie art 7b, verordening). </al></li><li nr="-"><al>Is de persoon voldoende geïnformeerd? (zie art 8.1.3
                                    jeugdwet)</al></li><li nr="-"><al>Kan de persoon de verantwoordelijkheden dragen die bij de inkoop
                                    van een voorziening komt kijken? (zie art. 8, verordening) </al></li><li nr="-"><al>Is pgb doelmatig in de zin van de bijdrage aan het gezinsplan?
                                    (zie art. 8.1b, verordening)</al></li><li nr="-"><al>Kost de verstrekking middels pgb niet meer dan zorg in natura?
                                    (zie art 8.2, verordening) </al></li></lijst><al>In geval iemand in aanmerking komt voor specialistische ondersteuning,
                            in de verordening jeugdhulp een individuele voorziening genoemd, zou
                            deze persoon zorg in natura moeten krijgen. Dat is het uitgangspunt in
                            de verordening jeugdhulp. Wanneer het pgb de enige mogelijkheid blijkt
                            op grond van het gezinsplan en deze is niet als zorg in natura te
                            verstrekken, dan kan daarvoor een pgb toegekend worden op basis van een
                            aantal voorwaarden. </al><al>In de verordening wordt aangegeven dat het college nadere regels stelt.
                            Deze bepaling komt veel voor in verordeningen. Het vaststellen van een
                            verordening is namelijk een bevoegdheid van de raad. Meestal bepalen zij
                            wat de hoofdlijnen zijn en dat er nadere regels (uitvoeringsbesluit)
                            vastgesteld moeten worden gezien de dualistische visie op de
                            taakverdeling tussen de raad en het college. De nadere regels worden
                            door het college vastgesteld. Een nadere regel is een algemeen
                            verbindend voorschrift. Hierin mogen nieuwe voorwaarden en bevoegdheden
                            staan (binnen de gegeven grenzen). Een nadere regel mag alleen worden
                            opgesteld indien hiervoor een hogere wettelijke basis geldt
                            (jeugdwet).</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label> Nadere regels pgb </label></kop><structuurtekst><al>Een persoonsgebonden budget is een geldbedrag bedoeld om zelf jeugdhulp
                            te betalen. Het college bepaalt of een persoonsgebonden budget wordt
                            toegekend.</al><al/><al><onderstreept>Toegang </onderstreept></al><al>Een kind en/of ouder kan zich vanaf 2015 melden bij het Lokaal
                            Ondersteuningsteam (LOT) in zijn of haar betreffende gemeente. Samen met
                            een professional wordt bekeken of de hulpvraag beantwoord kan worden
                            door het LOT of het Kempenteam voor jeugdhulp (KJT). Het LOT en KJT
                            vormen samen het CJG+ in elke gemeente. Wanneer blijkt dat het LOT of
                            KJT de ondersteuningsvraag niet/of niet geheel kan beantwoorden, kan
                            gekozen worden voor inzet van specialistische ondersteuning (ook wel
                            individuele voorziening genoemd). Samen met het gezin maakt de
                            professional van het LOT of KJT een gezinsplan, waarin doelen worden
                            gesteld. De professional van KJT dan wel LOT, kijkt samen met de
                            aanvrager naar welke vorm van ondersteuning, welke instelling en welke
                            duur noodzakelijk is om de gestelde ondersteuningsvraag te beantwoorden
                            en de doelen uit het gezinsplan te bereiken. Er wordt uitgegaan van zorg
                            in natura ondersteuning bij specialistische ondersteuning. Wanneer de
                            aanvrager zich gemotiveerd op het standpunt stellen dat de individuele
                            voorziening die door een aanbieder wordt geleverd, niet passend is,
                            wordt samen met de professional van het LOT of KJT gekeken naar
                            ondersteuning in de vorm van pgb. Bij deze ondersteuning worden
                            onderstaande nadere regels in acht genomen. </al><al>Er wordt gesproken in de beleidsregels over ‘de aanvrager’. De aanvrager
                            kan een jeugdige zijn en / of zijn ouders. Bij jeugdigen onder de 16
                            jaar zijn het de ouders die over de bekwaamheid moeten beschikken om
                            zorg in te kopen en daarmee ook moeten voldoende aan onderstaande
                            geschiktheidseisen. Bij jeugdigen tussen de 16 en 18 jaar (met uitloop
                            tot 23 jaar ) kan het echter voorkomen dat de jeugdige zelf het contract
                            aangaat met de zorgverlener. Dit is alleen mogelijk als naar oordeel van
                            de professional wordt voldaan aan alle geschiktheidseisen en er geen
                            sprake is van weigeringsgronden.</al><al>Hieronder worden kort de processtappen geschetst voor de toekenning van
                            een individuele voorziening middels pgb. </al><lijst><li nr="1."><al>aanmelding aanvrager bij LOT’s of Kempenteam voor ondersteuning
                                    of jeugdhulp</al></li><li nr="2."><al>onderzoeksfase</al></li><li nr="3."><al>vaststellen of de persoon toegang heeft tot een voorziening
                                </al></li><li nr="4."><al>cliënt en eventueel ouders informeren over het pgb</al></li><li nr="5."><al>cliënt heeft toegang en wil een pgb</al></li><li nr="6."><al>voorwaarden checken</al></li><li nr="7."><al>cliënt voldoet aan voorwaarden, beschikking afgeven</al></li><li nr="8."><al>cliënt aanmelden bij sociale verzekeringsbank (SVB), budget
                                    overmaken naar de SVB, afspraken met SVB volgen</al></li><li nr="9."><al>heroverweging</al></li></lijst><al>Bij het doorlopen van deze stappen worden de onderstaande regels is acht
                            genomen. </al><al/><al><onderstreept>Afweging geschiktheid/bekwaamheid pgb
                                houder</onderstreept></al><al>De aanvrager moet naar het oordeel van het college in staat zijn de aan
                            een budget verbonden</al><al>taken op verantwoorde wijze uit te voeren. Hier wordt aan voldaan
                            wanneer:</al><lijst><li nr="1."><al>De aanvrager zelfstandig een redelijke waardering kan maken van
                                    zijn belangen ten aanzien van de zorgvraag.</al></li><li nr="2."><al>De aanvrager die aan de pgb verbonden taken op verantwoorde
                                    wijze kan uitvoeren. Bij deze taken kan gedacht worden aan het
                                    kiezen van een zorgverlener die in de zorgvraag voldoet,
                                    sollicitatiegesprekken voeren, het aangaan van een contract, het
                                    in de praktijk aansturen van de zorgverlener, bewaken van de
                                    kwaliteit van de geleverde zorg en het bijhouden van een juiste
                                    administratie. </al></li><li nr="3."><al>De aanvrager goed op de hoogte is van zijn rechten en plichten
                                    die horen bij het beheer van een pgb. </al></li><li nr="4."><al>De aanvrager de werkgeversplichten kan uitvoeren wanneer er
                                    sprake is van een ondersteuning of jeugdhulp bij 4 dagen of
                                    meer. Denk hierbij onder meer aan het overeenkomen van een
                                    redelijk uurloon, het doorbetalen van loon bij ziekte en het
                                    hanteren van een redelijke opzegtermijn. </al></li><li nr="5."><al>De aanvrager samen met de professional van het LOT of het KJT
                                    een pgb-plan heeft opgesteld, waar in staat hoe de aanvrager het
                                    pgb wil gaan besteden. Daarin wordt minimaal aangegeven wat de
                                    zorgvraag is, welke doel bereikt moet worden en de wijze waarop
                                    deze doelen behaalt worden, de kwaliteit van zorg (op basis van
                                    de kwaliteitseisen), de duur van de ondersteuning en de soort
                                    ondersteuning (zie ook kader)</al></li></lijst><al>In het geval de cliënt zelf niet beschikt over de benodigde vaardigheden
                            om de regie te voeren over het pgb, kan in een aantal situaties toch een
                            pgb verstrekt worden met de hulp van iemand uit het eigen netwerk of een
                            wettelijk vertegenwoordiger. Deze persoon zal in dat geval ook bij de
                            inhoudelijke gesprekken aanwezig moeten zijn. Daarbij gelden dezelfde
                            afwegingscriteria als bij de beoordeling van de aanvrager.</al><al/><al><onderstreept>Weigeringsgronden </onderstreept></al><al>Het college kan pgb weigeren wanneer:</al><lijst><li nr="1."><al>Er sprake is van spoedeisende hulp, een minderjarige die een
                                    kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering heeft gekregen,
                                    of wanneer een jeugdige is opgenomen in een gesloten
                                    accommodatie</al></li><li nr="2."><al>Een overige of andere voorziening aanwezig is en toereikend
                                    wordt geacht voor de ondersteuningsvraag. Het college verstrekt
                                    een persoonsgebonden budget alleen ten aanzien van individuele
                                    voorziening, wanneer dit de enige mogelijkheid blijkt te zijn op
                                    grond van het gezinsplan. Er is in dat geval geen vorm van
                                    passende zorg in natura voorhanden én de keuze voor pgb wordt
                                    gemotiveerd onderbouwd door de aanvrager. </al></li><li nr="3."><al>De aanvrager zich niet conformeert aan het gezinsplan. </al></li><li nr="4."><al>Blijkt dat de aanvrager onjuiste of onvolledige gegevens heeft
                                    versterkt en de verstrekking van juiste of onvolledige gegevens
                                    tot een andere beslissingen zou hebben geleid.</al></li><li nr="5."><al>Het pgb is bedoeld voor begeleiding- of administratiekosten in
                                    verband met het persoonsgebonden budget. </al></li><li nr="6."><al>De aanvrager niet voldoet aan de aan het pgb verbonden
                                    voorwaarden. De voorwaarden zijn:</al><lijst><li nr="-"><al>de aanvrager moet naar oordeel van het college op eigen
                                            kracht voldoende in staat zijn de aan pgb verbonden
                                            taken op verantwoorde wijze uit te voeren. Dat mag ook
                                            met hulp uit zijn sociale netwerk of van een curator,
                                            bewindvoerder, mentor of gemachtigde.</al></li><li nr="-"><al>een aanvrager moet motiveren dat het door de gemeente
                                            gecontracteerde aanbod van maatwerk- of individuele
                                            voorzieningen niet passend is in zijn specifieke
                                            situaties (voorbeelden: benodigde ondersteuning is niet
                                            goed in te plannen of moet op verschillende locaties
                                            worden geleverd). Bijvoorbeeld de ondersteuning is
                                            vooraf niet goed te plannen, vindt 24/7 op afroep
                                            plaats, moet aansluiten op levensovertuiging,
                                            verschillende locaties, etc. </al></li><li nr="-"><al>naar oordeel van het college is gewaarborgd dat de
                                            ondersteuning van goede kwaliteit is. De belangrijkste
                                            eisen daarbij zijn dat de zorg veilig, doeltreffend en
                                            cliëntgericht geleverd wordt.</al></li></lijst></li><li nr="7."><al>De aanvrager het pgb niet of voor een ander doel gebruikt.</al></li><li nr="8."><al>De aanvrager zich in het verleden niet aan de voorwaarden voor
                                    een pgb heeft gehouden.</al></li></lijst><al> De aanvrager kan bezwaar aantekenen wanneer het college het pgb weigert
                            zoals in de beschikking is opgenomen.</al><al/><al><onderstreept>Kwaliteit zorg PGB door professionals </onderstreept></al><al>Een pgb wordt verstrekt als naar oordeel van het college is gewaarborgd
                            dat de ondersteuning van goede kwaliteit is. Het college toetst vooraf
                            of de kwaliteit van de voorzieningen die de aanvrager van het budget wil
                            betrekken voldoende is gegarandeerd, door middel van het pgb- en
                            gezinsplan. De belangrijkste eisen zijn dat de zorg veilig, doeltreffend
                            en cliëntgericht geleverd wordt.</al><al>Voor aanbieders van professionele jeugdhulp gelden in de Jeugdwet de
                            onderstaande specifieke kwaliteitseisen. Deze gelden ook als de zorg via
                            een pgb geleverd wordt door professionals. </al><lijst><li nr="1."><al>De jeugdhulpaanbieder verleent verantwoorde hulp, waaronder
                                    wordt verstaan hulp van goed niveau, die in ieder geval veilig,
                                    doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht wordt verleend en die
                                    is afgestemd op de reële behoefte van de jeugdige of ouder. De
                                    jeugdhulpaanbieder organiseert zich op zodanige wijze, voorziet
                                    zich kwalitatief en kwantitatief zodanig van personeel en
                                    materieel en dragen zorg voor een zodanige
                                    verantwoordelijkheidstoedeling, dat een en ander leidt of
                                    redelijkerwijs moet leiden tot verantwoorde hulp. De
                                    hulpverlener neemt bij zijn werkzaamheden de zorg van een goede
                                    hulpverlener in acht en handelt daarbij in overeenstemming met
                                    de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de
                                    voor die hulpverlener geldende professionele standaard.</al></li><li nr="2."><al>De jeugdhulpaanbieder is in het bezit van een verklaring omtrent
                                    het gedrag als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en
                                    strafvorderlijke gegevens van personen die in hun opdracht
                                    beroepsmatig of niet incidenteel als vrijwilliger in contact
                                    kunnen komen met jeugdigen of ouders aan wie de
                                    jeugdhulpaanbieder jeugdhulp verleent. Een verklaring is niet
                                    eerder afgegeven dan drie maanden voor het tijdstip waarop
                                    betrokkene gaat werken voor de aanvrager.</al></li><li nr="3."><al>De kwaliteit van de voorziening moet voldoende zijn om de
                                    gestelde doelen in het gezinsplan te kunnen realiseren. De
                                    geleverde voorziening wordt afgestemd met de persoonlijke
                                    situatie van de aanvrager en eventuele andere vormen van
                                    hulp/zorg in het gezin. </al></li><li nr="4."><al>systematische bewaking, beheersing en verbetering van kwaliteit
                                    van de hulpverlening;</al></li><li nr="5."><al>De jeugdhulpaanbieder stellen een meldcode vast waarin
                                    stapsgewijs wordt aangegeven hoe wordt omgegaan met signalen van
                                    huiselijk geweld of kindermishandeling.</al></li><li nr="6."><al>De jeugdhulpaanbieder doet melding van iedere calamiteit of
                                    geweld die bij de verlening van jeugdhulp of bij de uitvoering
                                    ervan plaatsvindt;</al></li><li nr="7."><al>De jeugdhulpaanbieder stelt een vertrouwenspersoon in de
                                    gelegenheid zijn taak uit te oefenen.</al></li><li nr="8."><al>De jeugdhulpaanbieder handelt volgens een privacy protocol
                                    conform artikel 13 van de verordening jeugdhulp. </al></li></lijst><al/><al><onderstreept>Hoogte pgb voor professionals</onderstreept></al><al>Het tarief voor een pgb: </al><lijst><li nr="1."><al>is gebaseerd op een mede door de jeugdige of zijn ouders
                                    opgesteld pgb-plan over hoe zij het pgb gaan besteden en op
                                    welke wijze het pgb gaat bijdragen aan de in het gezinsplan
                                    geformuleerde doelen.</al></li><li nr="2."><al>is toereikend om effectieve en kwalitatief goede zorg in te
                                    kopen. De tarieven voor het pgb dienen in ieder geval een
                                    situatie te realiseren waarbij de aanvrager in staat wordt
                                    gesteld de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort
                                    ook echt te kunnen inkopen. </al></li><li nr="3."><al>bedraagt ten hoogste een maximum van de kostprijs van de in de
                                    betreffende situatie goedkoopst adequate individuele voorziening
                                    in natura. De maximale tarieven voor individuele voorzieningen,
                                    specialistische jeugdzorg, voor zorg in natura zijn vastgesteld
                                    tijdens de aanbestedingsprocedure door de inkooporganisatie
                                    Eindhoven.</al></li></lijst><al>Het college hanteert het standpunt dat het pgb aan de inkoop van zorg en
                            ondersteuning dient te worden besteed. Dit betekent dat kosten als
                            gevolg van administratie, bemiddeling, eenmalige uitkering, coördinatie,
                            feestdagenuitkering, reiskosten en verantwoordingsvrij bedrag niet ten
                            lasten mogen worden gelegd van het pgb-budget.</al><al>Als een aanvrager met het pgb een voorziening wil bekostigen die duurder
                            is dan de natura voorziening, dan mag het pgb niet op voorhand geweigerd
                            worden. Indien het tarief van de door de aanvrager gewenste aanbieders
                            hoger is, blijft de hoogte van het pgb gelijk aan het tarief dat is
                            bepaald op basis van hierboven genoemde punten. De extra kosten om de
                            jeugdhulp uit het pgb te contracteren, worden betaald door de
                            aanvrager.</al><al>Voor de jeugdhulp ondersteuning worden de volgende tarieven gehanteerd
                            voor PGB ondersteuning van professionals en zelfstandig zonder personeel
                            (ZZP).</al><al>1.Voor de voorzieningen begeleiding individueel, begeleiding groep,
                            kortdurend verblijf en persoonlijke verzorging worden de maximum
                            pgb-tarieven overgenomen zoals het zorgkantoor deze in 2014 voor de AWBZ
                            hanteert.</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="55*"/><colspec colname="col2" colwidth="45*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Ondersteuning</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Uurtarief </vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Persoonlijke verzorging</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 27,02 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Begeleiding individueel </al></entry><entry colname="col2"><al>€ 35,84 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Begeleiding groep zonder vervoer</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 11,08</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Begeleiding groep met vervoer</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 12,41</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Kortdurend verblijf</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 4, 21 (€ 101,00 per etmaal )</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>2.Voor voorzieningen, niet zijnde de voorzieningen genoemd onder 1, is
                            er sprake van een 80 % van het tarief dat het college heeft afgesproken
                            voor deze diensten met gecontracteerde zorgaanbieders (ZIN) bij het
                            inschakelen van medewerkers in loondienst bij een zorgorganisatie en
                            zelfstandige zonder personeel (ZZP). </al><al/><al><onderstreept>Beperkingsgronden pgb sociaal netwerk </onderstreept></al><al>Het pgb kan worden ingezet om niet-professionele zorgverleners mee te
                            betalen. Dit kan bijvoorbeeld iemand zijn uit het sociale netwerk van de
                            aanvrager. Tot het sociale netwerk worden personen gerekend uit de
                            huiselijke kring en andere personen met wie iemand een sociale relatie
                            onderhoudt. Bij deze laatste groep kan gedacht worden aan familieleden
                            die niet in hetzelfde huis wonen, buren, vrienden, kennissen, etc. Het
                            uitgangspunt hierbij is dat het pgb voor niet-professionele
                            zorgverleners beperkt dient te blijven tot die gevallen waarin dit
                            aantoonbaar tot betere en effectievere ondersteuning leidt en
                            doelmatiger is dan de inzet van een voorziening zorg in natura of een
                            voorziening middels pgb door een professional. Daarnaast is het niet de
                            bedoeling dat het pgb ingezet wordt om mantelzorgers te betalen voor een
                            vorm van ondersteuning die ze eerder onbetaald konden en wilden
                            verrichtten (een vorm van oneigenlijk gebruik van het pgb).</al><al>Zorg die ingekocht wordt met een pgb kan geleverd worden door iemand uit
                            het sociale netwerk. Voor jeugd is het alleen toegestaan voor de
                            zorgcategorie <onderstreept>persoonlijke verzorging, kortdurend
                                verblijf, vervoer en begeleiding</onderstreept>. Voor jeugd geldt
                            dat een ouder zelf de zorgverlener mag zijn voor zijn of haar kind en
                            ook gemachtigd zijn als pgb houder. </al><al>De persoon aan wie een pgb wordt verstrekt, kan de jeugdhulp onder de
                            volgende voorwaardenbetrekken van een persoon die behoort tot het
                            sociale netwerk: </al><lijst><li nr="1."><al>Als de dienst zorg omvat waarvoor krachtens landelijk geldende
                                    kwaliteitscriteria een minimale opleiding vereist is, beschikt
                                    de persoon over de desbetreffende kwalificatie.</al></li><li nr="2."><al>dat deze persoon een lager tarief krijgt betaald voor zijn
                                    diensten dan het ingevolge het vastgestelde tarief voor een
                                    professional. </al></li><li nr="3."><al>dat deze persoon heeft aangegeven dat de zorg aan de
                                    belanghebbende voor hem niet tot overbelasting leidt, en </al></li><li nr="4."><al>dat tussenpersonen of belangbehartigers niet uit het pgb mogen
                                    worden betaald.</al></li></lijst><al>Voor gezinsleden binnen hetzelfde huishouden als de aanvrager maakt de
                            gemeente gebruik van de bepalingen rond gebruikelijke zorg die zijn
                            vastgelegd in het protocol ‘Gebruikelijke zorg van het CIZ’, zie bijlage
                            1. Wanneer de ondersteuningsvraag getypeerd kan worden als gebruikelijke
                            zorg, wordt geen pgb versterkt. Gebruikelijke zorg wordt omschreven
                            worden als “de normale, dagelijkse zorg die partners, ouders, inwonende
                            kinderen of andere huisgenoten geacht worden elkaar onderling te
                            bieden”.</al><al/><al><onderstreept>Kwaliteitseisen pgb sociaal netwerk</onderstreept></al><al>Voor de inzet van mensen uit het sociale netwerk voor ondersteuning zijn
                            de volgende kwaliteitseisen van toepassing.</al><lijst><li nr="1."><al>De persoon verleent verantwoorde hulp, waaronder wordt verstaan
                                    hulp van goed niveau, die in ieder geval veilig, doeltreffend,
                                    doelmatig en cliëntgericht wordt verleend en die is afgestemd op
                                    de reële behoefte van de jeugdige of ouder. </al></li><li nr="2."><al>De persoon is in het bezit van een verklaring omtrent het gedrag
                                    als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en
                                    strafvorderlijke gegevens van personen die in hun opdracht
                                    beroepsmatig of niet incidenteel als vrijwilliger in contact
                                    kunnen komen met jeugdigen of ouders aan wie de
                                    jeugdhulpaanbieder jeugdhulp verleent. Een verklaring is niet
                                    eerder afgegeven dan drie maanden voor het tijdstip waarop
                                    betrokkene is gaan werken voor de aanvrager. </al></li><li nr="3."><al>De kwaliteit van de voorziening moet voldoende zijn om de
                                    gestelde doelen in het gezinsplan te kunnen realiseren. De
                                    geleverde voorziening wordt afgestemd met de persoonlijke
                                    situatie van de aanvrager en eventuele andere vormen van
                                    hulp/zorg in het gezin.</al></li><li nr="4."><al>De persoon doet melding van iedere calamiteit of geweld die bij
                                    de verlening van jeugdhulp of bij de uitvoering ervan
                                    plaatsvindt.</al></li><li nr="5."><al>De persoon stelt een vertrouwenspersoon in de gelegenheid zijn
                                    taak uit te oefenen.</al></li></lijst><al/><al><onderstreept>Hoogte pgb voor sociaal netwerk</onderstreept></al><al>Voor niet-opgeleide personen uit het eigen netwerk geldt een lager
                            tarief dan voor een professionele hulpverlener in dienst bij een
                            aanbieder of als zelfstandige. Voor een voorziening met ondersteuning
                            uit het sociale netwerk bedraagt het pgb ten hoogste € 20,00 per uur,
                            maar niet meer dan 80% van het toepasselijke tarief voor Zorg in Natura.
                            Dit tarief kan jaarlijks door het college worden geïndexeerd.</al><al/><al><onderstreept>Betaling pgb</onderstreept></al><al>Voor de uitbetaling wordt per 1 januari 2015 een zogenoemd
                            trekkingsrechtmodel gehanteerd. Hierbij krijgen Pgb houders geen geld
                            meer op de eigen rekening gestort, maar wordt op factuurbasis uitbetaald
                            aan de door de Pgb-houder gecontracteerde zorgverlener.</al><al>Om redenen van uniformiteit, doelmatigheid en gecoördineerde aanpak van
                            fraude is door de regering het trekkingsrecht ingevoerd en centraal
                            belegt bij één organisatie, de Sociale Verzekeringsbank (SVB). Door
                            gestandaardiseerde uitvoering van het trekkingsrecht kan fraude worden
                            tegengegaan en op landelijke schaal worden aangepakt.</al><al>De pgb houder is verplicht zich te houden aan de door de SVB gestelde
                            bepalingen rondom het trekkingsrecht. Niet voldoen aan de bepalingen van
                            de SVB t.a.v. het trekkingsrecht kan tot gevolg hebben dat het pgb wordt
                            ingetrokken. </al><al/><al><onderstreept>Rol van de SVB</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De pgb-houder sluit een of meerdere zorgcontracten af met
                                    zorgverleners.</al></li><li nr="2."><al>De gemeente of de SVB voert een inhoudelijke toets uit op de
                                    contracten. De SVB beoordeelt en controleert deze zorgcontracten
                                    op arbeidsrechtelijke aspecten.</al></li><li nr="3."><al>De budgethouder dient declaraties in bij de SVB en fiatteert
                                    deze.</al></li><li nr="4."><al>De SVB controleert de declaraties en betaalt uit aan
                                    zorgverlener.</al></li><li nr="5."><al>De SVB verzorgt het budgetoverzicht zodat de PGB-houder en de
                                    gemeente op ieder moment inzicht hebben in de uitgaven en het
                                    resterende budget.</al></li><li nr="6."><al>De SVB stelt een eindoverzicht op, vraagt bij budgethouder na of
                                    er nog openstaande facturen zijn en sluit hierna af.</al></li><li nr="7."><al>De SVB geeft gegevens over het pgb door aan het CAK of aan de
                                    gemeente voor de berekening van de ouder bijdrage (niet gesloten
                                    verblijf).</al></li><li nr="8."><al>Aan het einde stort de SVB het eventuele restant terug naar de
                                    gemeente.</al></li></lijst><al>De SVB zal de door de pgb houder goedgekeurde facturen toetsen op
                            rechtmatigheid en gaat na of de inhoud overeenkomt met de inhoud van de
                            beschikking van de gemeente. </al><al/><al><onderstreept>Rol van het CAK</onderstreept></al><al>Gemeenten zijn op basis van de Jeugdwet wettelijk verplicht een
                            ouderbijdrage op te leggen. Een ouderbijdrage is verschuldigd voor alle
                            jeugdhulp waarbij sprake is van verblijf buiten het gezin, dat wil
                            zeggen waarbij een jeugdige gedurende een etmaal of een deel daarvan
                            verblijf wordt geboden bij een pleegouder of in een accommodatie van een
                            jeugdhulpaanbieder. De opbrengsten van de ouderbijdrage gaan naar de
                            gemeente die de ouderbijdrage heeft opgelegd. Het CAK zal vanaf januari
                            2015 de vaststelling en inning van de ouderbijdrage voor gemeenten gaan
                            uitvoeren. De uitvoeringskosten van het CAK worden door het Rijk
                            betaald. </al><al/><al><onderstreept>Evaluatie</onderstreept></al><al><cursief>Doelmatigheid</cursief></al><al>De gemeente alle lopende pgb’s toetsen op doelmatigheid. De gemeente
                            gaat in gesprek met de budgethouder over de behaalde resultaten zoals
                            opgesteld in het gezinsplan en een controle van de kwaliteitseisen
                            waaraan de ondersteuning moet voldoen. In het gezinsplan wordt opgenomen
                            binnen welke termijn(en) de evaluatie plaatsvindt. Tijdens de evaluatie
                            wordt bekeken of een heroverweging noodzakelijk is door te kijken naar
                            passendheid (sluit de pgb ondersteuning aan op de behoefte) en
                            rechtmatigheid (tegengaan van fraude en oneigenlijk gebruik). Waar
                            noodzakelijk worden het gezins- en pgb-plan bijgesteld aan de nieuwe
                            situatie en/of opnieuw vastgesteld welke specialistische hulp nodig is
                            om de actuele ondersteuningsvraag te beantwoorden. </al><al><cursief>Rechtmatigheid </cursief></al><al>De verantwoordelijkheid om te toetsen op rechtmatigheid, wat belangrijk
                            is voor het tegengaan van fraude, ligt bij de gemeenten. De gemeente kan
                            dit mandateren aan de SVB. Inhoudelijke toetsing van de af te sluiten
                            contracten met de beoogde hulpverleners is noodzakelijk om voor de
                            verantwoording.</al><al/><al><onderstreept>Woonplaatsbeginsel</onderstreept></al><al>De aanvrager moet woonachtig zijn in de gemeente. Alleen als de
                            aanvrager binnen de gemeentegrenzen woont, kan een voorziening worden
                            toegekend. Daarbij wordt gehandeld conform de factsheet woonplaats
                            beginsel, zie bijlage 2 of de laatste daarop ontvangen wijzigingen. </al><al/><al><onderstreept>Overgangsrecht</onderstreept></al><al>In de jeugdwet is een overgangsperiode van 1 jaar opgenomen waardoor
                            cliënten in 2015 nogsteeds kunnen beschikken over de ondersteuning die
                            hen op grond van de AWBZ,Zorgverzekeringswet of wet op de Jeugdzorg al
                            was toegekend. </al><al>Voor de jeugdwet geldt dat gemeenten voor het jaar 2015 op basis van het
                            overgangsrecht gehouden zijn zorg bij bestaande indicaties te
                            continueren. Voor de Jeugdwet is hierbij in het overgangsrecht
                            vastgelegd dat cliënten recht hebben op continuering bij dezelfde
                            aanbieder, indien dit redelijkerwijs mogelijk is. Dit geldt ook voor
                            reeds afgegeven pgb’s. Een gemeente kan er wel voor kiezen de aanbieder
                            op basis van een pgb in dat geval te contracteren als zorg in natura.
                            Dit kan blijken u de resultaten van het regionaal inkoopproces voor
                            specialistische jeugdhulp. </al><al>In de periode van het overgangsrecht staat centraal dat de cliënt zijn
                            of haar huidige indicatie met het budget moet kunnen verzilveren. In het
                            geval dat de gemeente de geldende indicatie kan eerbiedigen met een
                            lager budget, dan is dit toegestaan. Echter, wanneer de cliënt aantoont
                            dat hij/zij hetzelfde zorgaanbod (binnen de bandbreedte van de CIZ
                            indicatie) niet met een lager budget kan inkopen, dan dient de gemeente
                            een toereikend budget beschikbaar te stellen. Dit geldt uiteraard alleen
                            voor de periode dat de indicatie nog geldig is en uiterlijk tot
                            1-1-2016. Voor het zorgproduct Regionale Instelling voor Beschermd Wonen
                            (RIBW) en Pleegzorg geldt 5 jaar overgangsrecht. Indien een gemeente
                            niet voldoende budget beschikbaar stelt om de indicatie te verzilveren,
                            dan kan de cliënt bezwaar aantekenen tegen de beschikking.</al><al>De rechten vanuit het oude pgb worden tot uiterlijk 1 januari 2016
                            eerbied, maar gemeenten kunnen wel eerder dan dat moment met
                            budgethouders met ‘oude’ pgb-rechten in gesprek gaan om te komen tot een
                            nieuw aanbod op grond van de Wmo 2015 en Jeugdwet 2015. Tot het moment
                            dat de cliënt een nieuw aanbod, al dan niet wederom een pgb, onder
                            nieuwe voorwaarden heeft aanvaard, blijven de condities van het
                            bestaande pgb gelden.</al></structuurtekst></hoofdstuk></regeling-tekst><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>1</nr><titel>Protocol Gebruikelijke Zorg</titel></kop><al><vet>Voorwoord</vet></al><al>Dit protocol komt in plaats van het ’Werkdocument Gebruikelijke Zorg’ dat in
                    2003 is aanvaard door het bestuur van de LVIO na bespreking in de Regiegroep
                    Indicatiestelling AWBZ.</al><al>Toepassing van het werkdocument ‘Gebruikelijke Zorg’ heeft geleid tot
                    jurisprudentie en adviezen van het CVZ op indicatiegeschillen. Op verzoek van
                    het Ministerie van VWS heeft het CVZ in 2004 gerapporteerd over het effect van
                    het werkdocument op de indicatiestelling voor zorg thuis.</al><al>De uitkomsten hiervan zijn verwerkt en hebben geleid tot dit protocol. Het
                    protocol is vastgesteld door de Raad van Bestuur van het CIZ, het orgaan dat de
                    indicatiestelling AWBZ uitvoert.</al><al>Dit protocol bevat een nadere definiëring en normering van wat gebruikelijke
                    zorg is en verduidelijkt daarmee de zorg die niet valt binnen de aanspraak op
                    AWBZ. Het inhoud geven aan het begrip ‘gebruikelijke zorg’ in de praktijk van de
                    indicatiestelling blijft voortdurend in ontwikkeling. Met organisaties van
                    patiënten, cliënten en mantelzorgers zijn afspraken gemaakt om de zorgvuldigheid
                    van de toepassing van het protocol te blijven bewaken.</al><al>Het Ministerie van VWS is voornemens, gehoord het advies van het CVZ over het
                    werkdocument ‘Gebruikelijke Zorg’, om het protocol ‘Gebruikelijke Zorg’ vast te
                    stellen als onderdeel van de beleidsregel genoemd in artikel 11 van het
                    Zorgindicatiebesluit.</al><al/><al><vet>1. Plaatsbepaling gebruikelijke zorg</vet></al><al><vet>1.1 Gebruikelijke zorg in relatie tot zorg vanwege de AWBZ</vet></al><al>Artikel 6, eerste lid <vet>AWBZ </vet>luidt:</al><al>De verzekerden hebben aanspraak op zorg ter voorkoming van ziekten en ter
                    voorziening in hun geneeskundige behandeling, verpleging en verzorging. Onder
                    vorenbedoelde zorg zijn begrepen voorzieningen tot behoud, herstel of ter
                    bevordering van de arbeidsgeschiktheid of strekkende tot verbetering van
                    levensomstandigheden, alsmede maatschappelijke dienstverlening. Bij of krachtens
                    algemene maatregel van bestuur worden aard, inhoud en omvang van de zorg waarop
                    aanspraak bestaat, geregeld; daarbij kunnen met betrekking tot de inhoud en
                    omvang van de desbetreffende zorg beperkingen worden gesteld. De
                    uitvoeringsorganen dragen zorg dat de bij hen ingeschreven verzekerden hun
                    aanspraak op zorg tot gelding kunnen brengen. Die algemene maatregel van bestuur
                    is het Besluit Zorgaanspraken AWBZ (BZA). In het <vet>Besluit Zorg Aanspraken
                    </vet>zijn aard, inhoud en omvang van de zorg waarop aanspraak bestaat nader
                    geregeld. Daarin staat ook (art. 2 lid drie) dat verzekerde alleen recht heeft
                    op zorg (nader omschreven in art. 2 lid één) wanneer hij gelet op zijn behoeften
                    en uit een oogpunt van doelmatige zorgverlening <vet>redelijkerwijs </vet>daarop
                    is aangewezen. In het <vet>Zorgindicatiebesluit</vet>, art 6 onder f staat
                    omschreven “Voorzover dit voor het nemen van een indicatiebesluit van belang is,
                    wordt onderzoek verricht naar:</al><al>“(…) f: de aard en de omvang van aan de zorgvrager geboden professionele en
                    nietprofessionele hulp, zorg en de mogelijkheden tot continuering en uitbreiding
                    daarvan”.</al><al><vet>1.2 Functies</vet></al><al>De aanspraak op zorg vanwege de AWBZ is vastgelegd in een zevental
                    functies:</al><al>1. huishoudelijke verzorging;</al><al>2. persoonlijke verzorging;</al><al>3. ondersteunende begeleiding;</al><al>4. activerende begeleiding;</al><al>5. verpleging;</al><al>6. behandeling;</al><al>7. verblijf.</al><al>Het bepalen van aard en omvang van gebruikelijke zorg in relatie tot een
                    eventuele aanspraak op zorg vanwege de AWBZ heeft alleen betrekking op de
                    functies <vet>Huishoudelijke Verzorging, Persoonlijke Verzorging </vet>en
                        <vet>Ondersteunende Begeleiding.</vet></al><al><vet>1.3 Gebruikelijke zorg en mantelzorg</vet></al><al>In relatie tot de aanspraak op AWBZ is het van belang de term gebruikelijke zorg
                    goed te onderscheiden van het begrip mantelzorg. Gebruikelijke zorg en
                    mantelzorg zijn elkaar uitsluitende begrippen. <vet>Gebruikelijke zorg </vet>is
                    per definitie zorg waarop <cursief>geen </cursief>aanspraak bestaat vanuit</al><al>de AWBZ. Het is de normale, dagelijkse zorg die partners of ouders en inwonende
                    kinderen geacht worden elkaar onderling te bieden omdat ze als leefeenheid een
                    gezamenlijk huishouden voeren en op die grond een gezamenlijke
                    verantwoordelijkheid hebben voor het functioneren van dat huishouden.
                    Gebruikelijke zorg is ook alleen aan de orde als er een leefeenheid is die een
                    gezamenlijk huishouden voert. Uitwonende kinderen vallen hier dus buiten. Bij
                        <vet>mantelzorg </vet>gaat het om AWBZ-zorg waarop verzekerde <cursief>wel
                    </cursief>aanspraak heeft. Mantelzorg is zorg die niet in het kader van een
                    hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende, door personen uit
                    diens directe omgeving waarbij de zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de
                    sociale relatie (Zorg Nabij, VWS 2001). Bij mantelzorg wordt de normale
                    (gebruikelijke) zorg in zwaarte, duur en/of intensiteit aanmerkelijk
                    overschreden. Mantelzorg vindt plaats op basis van vrijwilligheid, dat wil
                    zeggen dat de mantelzorger bereid en in staat geacht mag worden deze zorg te
                    leveren.</al><al><vet>1.4 De omgeving als wegingsfactor</vet></al><al>De fysieke en sociale omgeving zijn van invloed op de zorgbehoefte van de
                    zorgvrager. Huisgenoten, andere naasten en verwanten van de zorgvrager kunnen
                    zowel in positieve als in negatieve zin de zorgbehoefte beïnvloeden. Zij kunnen
                    zelf zorg behoeven (kleine kinderen, een gehandicapte huisgenoot/familielid),
                    zij kunnen ook verlichting geven en bijdragen aan te verrichten taken (gezonde
                    volwassenen). In het indicatieonderzoek naar beperkingen en
                    participatieproblemen van zorgvragers zal altijd de fysieke en sociale omgeving
                    van de vrager meegenomen worden in de afweging. In geval er voor de zorgvrager
                    mantelzorg vrijwillig beschikbaar is kan dat deel van de zorgaanspraak buiten
                    het indicatiebesluit blijven omdat daar geen professionele zorg vanuit de AWBZ
                    voor ingezet hoeft te worden. De mantelzorger voorziet al in die zorg en de
                    indicatiesteller weegt dat mee in het opstellen van het indicatiebesluit. Welke
                    zorg de mantelzorger op zich neemt en in welke omvang is, in overleg met de
                    zorgvrager, uitsluitend en alleen aan de mantelzorger zelf om te bepalen. Het
                    meewegen van de mantelzorg betekent ook dat de indicatiesteller nagaat of</al><al>voor een deel van de mantelzorg alsnog AWBZ-zorg geïndiceerd moet worden ter
                    ondersteuning van de mantelzorger zodat die regelmatig tijdelijk ontlast wordt.
                    In geval er voor een zorgvrager geen mantelzorg beschikbaar is of mantelzorg
                    wegvalt, wordt dus AWBZ-zorg geïndiceerd.</al><al><vet>1.5 Status van het indicatiebesluit</vet></al><al>Sinds 1 oktober 2002 geeft het indicatieorgaan niet meer een advies aan het
                    zorgkantoor, maar een beschikking in de zin van de Algemene Wet Bestuursrecht.
                    Per die datum geeft het indicatiebesluit, afgegeven door het CIZ, direct recht
                    op de in de beschikking genoemde zorg, hetzij in de vorm van Zorg In Natura
                    (ZIN), hetzij in de vorm van een Persoonsgebonden Budget (PGB). Het is</al><al>de taak van het CIZ het recht van de zorgvrager op zorg vanwege de AWBZ vast te
                    stellen. Of dit recht in natura of in de vorm van een budget zal worden
                    afgenomen door de zorgvrager doet voor de indicatiestelling niet ter zake.</al><al><vet>1.6 Status van dit protocol</vet></al><al>In dit protocol heeft het CIZ de richtlijnen uitgewerkt die de indicatiestellers
                    dienen te hanteren als bij het bepalen van de aanspraak op AWBZ-zorg tevens aan
                    de orde is het beoordelen van hetgeen van huisgenoten onderling kan worden
                    verwacht aan zorg van en voor elkaar. De indicatiesteller houdt de mogelijkheid,
                    in geval toepassing van de richtlijnen in concrete gevallen tot kennelijke
                    onbillijkheid leidt, om zelf en waar nodig in zijn team (MDT) te besluiten dat
                    van de richtlijnen moet worden afgeweken.</al><al/><al><vet>2. Definities en algemene uitgangspunten</vet></al><al><vet>2.1 Zorgvrager</vet></al><al>De zorgvrager of verzekerde is degene die een gezondheidsprobleem heeft en
                    daardoor beperkingen ondervindt in de zelfredzaamheid. Ook wanneer ondersteuning
                    wordt gevraagd in het functioneren van het huishouden door een ander dan de
                    zorgvrager (zoals de echtgenote of de ouder), is degene met het
                    gezondheidsprobleem de zorgvrager. De zorgvrager hoeft niet altijd de aanvrager
                    te zijn; hij/zij moet wel altijd instemmen met de aanvraag, tenzij er sprake is
                    van handelingsonbekwaamheid.</al><al><vet>2.2 Leefeenheid of huishouden</vet></al><al>De definitie voor leefeenheid is opgenomen in het Besluit Zorgaanspraken art. 1
                    onder lid b: “leefeenheid: een eenheid bestaande uit gehuwde verzekerden die al
                    dan niet tezamen met een of meer ongehuwde minderjarige verzekerden duurzaam een
                    huishouden voeren, dan wel uit een meerderjarige ongehuwde verzekerde die met
                    een of meer ongehuwde minderjarige verzekerden duurzaam een huishouden voert”.
                    Onder gehuwde verzekerden worden ook begrepen de ongehuwd samenwonenden en
                    andere volwassenen die met elkaar en/of met kinderen samenwonen.</al><al>Met deze definitie worden alle bewoners van één adres die samen een duurzaam
                    huishouden voeren inbegrepen in het begrip leefeenheid. Indien er sprake is van
                    kamerverhuur, wordt de huurder van de betreffende ruimte niet tot het huishouden
                    c.q. de leefeenheid gerekend. Een soortgelijke positie wordt ingenomen door
                    mensen die omwille van hun zorgbehoefte op één adres ieder zelfstandig wonen.
                    Denk hierbij aan woongemeenschappen van kloosterlingen, ouderen of
                    gehandicapten. Ook hier is dus geen sprake van een leefeenheid.</al><al><vet>2.3 Partner</vet></al><al>De volwassene met wie de zorgvrager een intieme, emotionele relatie heeft èn een
                    duurzame gemeenschappelijke huishouding voert. </al><al><vet>2.4 Huisgenoot</vet></al><al>Iedere volwassene met wie de zorgvrager duurzaam een gemeenschappelijke
                    huishouding voert.</al><al><vet>2.5 Eén- en meerpersoonshuishouden</vet></al><al>Indien de zorgvrager deel uitmaakt van een leefeenheid bestaande uit meerdere
                    personen (meerpersoonshuishouden) moet de indicatiesteller vaststellen wat,
                    gezien de samenstelling van die leefeenheid, in dat geval verstaan wordt onder
                    gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar. Pas dan kan het indicatieorgaan
                    besluiten op welke AWBZ-zorg de zorgvrager redelijkerwijs is aangewezen. In
                    geval zorgvrager een éénpersoonshuishouden voert is er geen sprake van
                    gebruikelijke zorg.</al><al><vet>2.6 Maatschappelijke participatie</vet></al><al>Iedere volwassen burger wordt verondersteld <vet>naast </vet>een volledige baan
                        <vet>of </vet>opleiding een huishouden te kunnen voeren. In geval van een
                    meerpersoonshuishouden staat het hebben van een normale baan of het volgen van
                    een opleiding per definitie het leveren van gebruikelijke zorg niet in de weg.
                    Gebruikelijke zorg gaat voor op andere activiteiten van leden van de leefeenheid
                    in het kader van hun maatschappelijke participatie (zie ook § 3.4).</al><al><vet>2.7 Culturele diversiteit</vet></al><al>Bij het inventariseren van de eigen mogelijkheden van het huishouden wordt geen
                    onderscheid gemaakt op basis van sekse, religie, cultuur, de wijze van
                    inkomensverwerving of persoonlijke opvattingen over het verrichten van
                    huishoudelijke taken. Er is sprake van een pluriforme samenleving waarin een
                    ieder gelijke aanspraken op AWBZ-zorg maakt.</al><al><vet>2.8 PGB en mantelzorg</vet></al><al>Bij het vaststellen van de zorgbehoefte wordt rekening gehouden met wat van een
                    huisgenoot kan worden verwacht in het kader van gebruikelijke zorg. Voor dat
                    deel is er –in principe- geen aanspraak op AWBZ zorg. Wanneer een huisgenoot of
                    partner mantelzorg verleent en de zorgvrager voor dat deel van de zorg een
                    aanvraag indient, kan er een aanspraak zijn. Of de huisgenoot de zorg vervolgens
                    zelf gaat uitvoeren met behulp van een PGB speelt geen rol bij de
                    indicatiestelling.</al><al><vet>2.9 Betrekken van huisgenoten/mantelzorgers bij het
                        indicatieonderzoek</vet></al><al>Indien er sprake is van huisgenoten, die gebruikelijke zorg dan wel mantelzorg
                    leveren, is het zaak dat de indicatiesteller die huisgenoten <vet>altijd
                        persoonlijk hoort </vet>in het kader van het indicatieonderzoek. Op die
                    manier kan de indicatiesteller correct inventariseren welke taken de
                    huisgenoot/mantelzorger uitvoert en hoe hij/zij de belasting van deze taken
                    ervaart in relatie tot zijn/haar maatschappelijke participatie. Ook – of juist -
                    wanneer het gaat om min of meer gebruikelijke zorg en de inzet van de
                    huisgenoot, vereist de zorgvuldigheid dat deze wordt gehoord. Een externe
                    mantelzorger wordt in principe alleen op verzoek van de zorgvrager gehoord in
                    het indicatieonderzoek.</al><al><vet>2.10 Gemotiveerd afwijken</vet></al><al>Indien er sprake is van een zorgvraag waarvan de indicatiesteller objectief
                    heeft vastgesteld dat het gaat om zorg die valt onder de eigen
                    verantwoordelijkheid van het huishouden dan wel om zorg die vrijwillig door
                    mantelzorg wordt geleverd, kan conform dit document worden vastgesteld dat er
                    geen AWBZ-indicatie voor zorg is. Wanneer een dergelijke vaststelling voor de
                    indicatiesteller als professional tot kennelijke onredelijkheid en/of
                    onbillijkheid leidt gezien de situatie van de zorgvrager, kan en moet de
                    indicatiesteller (gemotiveerd) van deze richtlijn afwijken.</al><al><vet>2.11 Cliëntsoevereiniteit</vet></al><al>Een van de basisprincipes van de Modernisering AWBZ is de cliëntsoevereiniteit.
                    Hiermee wordt bedoeld, dat de wens van de zorgvrager ten aanzien van de vraag
                    van wie hij zorg wenst te ontvangen, leidend dient te zijn bij de (indicatie en)
                    zorgrealisatie. Een zorgvrager heeft vanuit dat perspectief zeggenschap in de
                    zorgverlening. In het verlengde daarvan kan hij niet zonder meer verplicht
                    worden (persoonlijke) zorg van de partner/huisgenoot te aanvaarden. Of er
                    vervolgens aanspraak is op AWBZ-zorg hangt af van de uitkomst van de
                    indicatiestelling.</al><al/><al><vet>3. Richtlijnen voor de indicatiestelling AWBZ bij het bepalen van
                        gebruikelijke zorg in relatie tot een AWBZ-aanspraak op zorg</vet></al><al><vet>3.1 AWBZ aanvullend op eigen mogelijkheden</vet></al><al>De AWBZ is aanvullend op de mogelijkheden die de zorgvrager heeft om op eigen
                    kracht zijn probleem op te lossen. Dit is terug te vinden in 2 wetsartikelen:
                    Artikel 2, lid 3 van het BZA-AWBZ geeft aan dat: “Recht op AWBZ-zorg alleen
                    bestaat wanneer iemand daar mede uit het oogpunt van doelmatigheid van
                    zorgverlening redelijkerwijs op is aangewezen”. Hier geldt wel dat als een
                    dergelijke voorziening niet aanwezig is, of als deze geen redelijke oplossing
                    biedt voor de zorgvraag, AWBZ-zorg kan worden geïndiceerd. Het College voor
                    Zorgverzekeringen heeft zich hierover in meerdere adviezen bij
                    indicatiegeschillen uitgesproken, zoals in RZA 2003, 227 Cvz 22-10-2003 en RZA
                    2003, 194 Cvz 26-8-2003).</al><al>In het <vet>Zorgindicatiebesluit </vet>art 6 onder f staat omschreven “Voorzover
                    dit voor het nemen van een indicatiebesluit van belang is, wordt onderzoek
                    verricht naar:</al><al>“(…) f: de aard en de omvang van aan de zorgvrager geboden professionele en
                    nietprofessionele hulp, zorg en de mogelijkheden tot continuering en uitbreiding
                    daarvan”. </al><al>Wanneer een zorgvrager in zijn hulpvraag voorziet met eigen middelen, en dat
                    niet op eigen kosten wenst te continueren, is er, wanneer daartoe aanleiding
                    bestaat, een aanspraak op AWBZ zorg. Dit doet zich bv. voor wanneer een
                    zorgvrager particuliere hulp in dienst heeft, of wanneer een zorgvrager op eigen
                    kosten in een beschermende woonomgeving woont. Deze op eigen kosten getroffen
                    voorzieningen zijn NIET voorliggend op AWBZ zorg. Vervolgens moet bekeken worden
                    of voorliggende voorzieningen een oplossing kunnen bieden voor het zorgprobleem.
                    Hierbij wordt een onderscheid gemaakt naar wettelijk voorliggende voorzieningen
                    en voorzieningen die algemeen gebruikelijk zijn. Zie bijlage 1. Wettelijke
                    voorliggende voorzieningen zijn afdwingbaar terwijl bij algemeen gebruikelijke
                    voorzieningen moet worden nagegaan of deze voorziening ook werkelijk beschikbaar
                    is en adequaat is ingeval van deze zorgvraag.</al><al><vet>3.2 Gezondheidsproblemen of (dreigende) overbelasting</vet></al><al>Een indicatiesteller kan besluiten dat een huisgenoot of partner geen
                    gebruikelijke zorg kan leveren als deze zodanige gezondheidsproblemen heeft dat
                    de indicatiesteller redelijkerwijs moet concluderen dat de betreffende taken
                    niet door hem uitgevoerd kunnen worden. Een indicatiesteller moet altijd
                    onderzoeken of een leefeenheid, gegeven de voor die leefeenheid geldende
                    gebruikelijke zorg, door de (chronische) uitval van een gezinslid niet alsnog
                    onevenredig belast wordt en overbelasting dreigt. Wanneer partner of huisgenoot
                    gezondheidsproblemen en beperkingen heeft of door de combinatie van een
                    (volledige) werkkring of opleiding en het voeren van het huishouden overbelast
                    dreigt te raken, zullen de (medische) gegevens ter onderbouwing daarvan door de
                    betrokkene moeten worden aangeleverd. Het indicatieorgaan moet zich daar dan een
                    geobjectiveerd oordeel over vormen. Wanneer de dreigende overbelasting wordt
                    veroorzaakt door een combinatie van werk en gebruikelijke zorg en andere
                    activiteiten dan werk en huishouden, gaan werk en gebruikelijke zorg voor. Het
                    beoefenen van vrijetijdsbesteding kan op zich geen reden zijn om een indicatie
                    te geven voor gebruikelijke zorg. In geval de leden van een leefeenheid dreigen
                    overbelast te raken door de combinatie van werk en verzorging van de zieke
                    partner/huisgenoot, kan een</al><al>indicatie worden gesteld op de onderdelen die normaliter tot de gebruikelijke
                    zorg worden gerekend. In eerste instantie zal die indicatie van korte duur zijn
                    om de leefeenheid de gelegenheid te geven de onderlinge taakverdeling aan de
                    ontstane situatie aan te passen. Hetzelfde geldt als een partner/ouder ten
                    gevolge van het plotseling overlijden van de andere ouder dreigt overbelast
                    te</al><al>raken door de combinatie van werk en verzorging van de inwonende kinderen. </al><al><vet>3.3 Fysieke afwezigheid</vet></al><al>Indien de huisgenoot van een zorgvrager vanwege zijn/haar werk fysiek niet
                    aanwezig is wordt hiermee bij de indicatiestelling uitsluitend rekening
                    gehouden, wanneer het om aaneengesloten perioden van ten minste zeven etmalen
                    gaat. De afwezigheid van de huisgenoot moet een verplichtend karakter hebben en
                    inherent zijn aan diens werk; denk hierbij aan off-shore werk, internationaal
                    vrachtverkeer en werk in het buitenland. Wanneer iemand aaneengesloten perioden
                    van ten minste zeven etmalen van huis is, is er in die periode feitelijk sprake
                    van een éénpersoonshuishouden en kan er geen gebruikelijke zorg worden
                    geleverd.</al><al><vet>3.4 Korte levensverwachting</vet></al><al>In geval de zorgvrager een zeer korte, bekende levensverwachting heeft kan ter
                    ontlasting van de leefeenheid van de zorgvrager afgeweken worden van de
                    normering van gebruikelijke zorg.</al><al><vet>3.5 Uitruil</vet></al><al>Ingeval een huisgenoot mantelzorg levert en wil blijven leveren, kan voor het
                    aandeel dat van hem/haar wordt verwacht op het terrein van de gebruikelijke zorg
                    een indicatie worden gesteld.</al><al><vet>3.6 Telefonisch indiceren</vet></al><al>Een aanvraag mag nooit telefonisch worden afgehandeld wanneer de zorgvrager het
                    – ook na uitleg- niet eens is met de uitkomst. </al><al/><al><vet>4. Gebruikelijke zorg naar functie</vet></al><al><vet>4.1 Huishoudelijke verzorging</vet></al><al><vet>4.1.1 Doel huishoudelijke verzorging</vet></al><al>Huishoudelijke verzorging is aangewezen wanneer disfunctioneren van de
                    leefeenheid als gevolg van gezondheidsproblemen van (één van) de verzorgende
                    (leden) dreigt. Dat kan zich uiten in vervuiling (van de woning of van kleding),
                    verwaarlozing (gezondheidsrisico’s, persoonlijke verzorging, voeding en vocht)
                    of ontreddering van zichzelf of van afhankelijke huisgenoten waardoor het
                    functioneren in huis maar ook buitenshuis belemmerd wordt. Het doel van
                    huishoudelijke verzorging kan dan zijn het schoonhouden van het huis en/of het
                    verrichten van de dagelijks voorkomende huishoudelijke activiteiten, maar ook
                    het ondersteunen bij het organiseren van het huishouden. (Zie verder protocol
                    Huishoudelijke Verzorging.)</al><al><vet>4.1.2 Leefeenheid primair verantwoordelijk</vet></al><al>De leefeenheid van een zorgvrager die een beroep doet op de AWBZ blijft altijd
                    primair verantwoordelijk voor het functioneren van het huishouden. Dat betekent
                    dat van een leefeenheid wordt verwacht dat, bij uitval van één van de leden van
                    die leefeenheid, gestreefd wordt naar een herverdeling van de huishoudelijke
                    taken binnen die leefeenheid.</al><al><vet>4.1.3 Huishoudelijke taken: uitstelbaar en niet uitstelbaar</vet></al><al>Onder huishoudelijke taken vallen zowel de uitstelbare als de niet-uitstelbare
                    taken. Het verzorgen van –overigens gezonde- kinderen valt ook onder de functie
                    HV.</al><al>• Niet-uitstelbare taken zijn maaltijd verzorgen, de kinderen verzorgen,
                    afwassen en opruimen;</al><al>• Wel-uitstelbare taken zijn boodschappen doen, wasverzorging, zwaar
                    huishoudelijk werk: stofzuigen, sanitair, keuken, bedden verschonen.</al><al><vet>Taken van een 18-23 jarige</vet></al><al>Van een volwassen gezonde huisgenoot wordt verwacht dat deze de huishoudelijke
                    taken overneemt wanneer de primaire verzorger uitvalt. Een 18-23 jarige wordt
                    verondersteld een eenpersoonshuishouden te kunnen voeren. De huishoudelijke
                    taken voor een éénpersoonshuishouden zijn:</al><al>• schoonhouden van sanitaire ruimte,</al><al>• keuken en een kamer,</al><al>• de was doen,</al><al>• boodschappen doen,</al><al>• maaltijd verzorgen,</al><al>• afwassen en opruimen.</al><al>Te normeren naar 2 uur uitstelbare, zware huishoudelijke taken en 3 uur lichte,
                    niet uitstelbare huishoudelijke taken per week. Daarnaast kunnen zij eventuele
                    jongere gezinsleden verzorgen en</al><al>begeleiden.</al><al><vet>4.1.4 Indicatie voor het aanleren van huishoudelijke
                    activiteiten</vet></al><al>Redenen als 'niet gewend zijn om’ of ‘geen huishoudelijke werk willen en/of
                    kunnen1 verrichten' leiden niet tot een indicatie voor het overnemen van
                    huishoudelijke taken. Indien hiervoor motivatie aanwezig is- kan er een
                    indicatie worden gesteld voor 6 weken zorg voor het aanleren van huishoudelijke
                    taken en/of het leren (efficiënter) organiseren van het huishouden.</al><al><vet>4.1.5 Opvang en verzorging van kinderen bij uitval van een van de
                        ouders</vet></al><al>Ouders hebben een zorgplicht voor hun kinderen. De ouders zorgen voor de
                    opvoeding van hun kinderen. Dit houdt in: het zorgen voor hun geestelijk en
                    lichamelijk welzijn en het bevorderen van de ontwikkeling van hun
                    persoonlijkheid (en naar draagkracht voorzien in de kosten van dit alles).</al><al>Deze zorgplicht strekt zich uit over opvang, verzorging, begeleiding en
                    opvoeding die een ouder (of verzorger), onder meer afhankelijk van de leeftijd
                    en verstandelijke ontwikkeling van het kind, normaal gesproken geeft aan een
                    kind, inclusief de zorg bij kortdurende ziekte. Bij uitval van één van de ouders
                    neemt de andere ouder de gebruikelijke zorg voor de kinderen over. Gebruikelijke
                    zorg voor kinderen omvat in ieder geval de <vet>aanwezigheid </vet>van een
                    verantwoordelijke ouder of derde persoon conform de leeftijd en ontwikkeling van
                    het kind. <vet>Opvang </vet>is niet structureel AWBZ zorg. <vet>Verzorging
                    </vet>van de kinderen kan, zonodig, wel een AWBZ aanspraak zijn.</al><al><vet>Eigen oplossingen gaan voor</vet></al><al>Indien nodig dient de ouder gebruik te maken van de voor hem/haar geldende
                    regeling voor zorgverlof. De indicatiesteller onderzoekt, in geval er mantelzorg
                    aanwezig is, wat in redelijkheid met mantelzorg kan worden opgevangen. Is dit
                    niet mogelijk dan dient de ouder gebruik te maken van (een combinatie van )
                    crèche, opvang op school, buitenschoolse opvang, gastouder ed. (de</al><al>zogenaamde algemeen gebruikelijke voorliggende voorzieningen). Het verplichte
                    gebruik van alternatieve opvangmogelijkheden voor kinderen is redelijk,
                    onafhankelijk van de financiële omstandigheden.</al><al><vet>Voorkomen van crisis en ontwrichting</vet></al><al>Zijn deze mogelijkheden reeds maximaal gebruikt of afwezig, of is er slechts
                    kortdurend overbrugging nodig in noodgevallen, dan kan de functie huishoudelijke
                    verzorging worden ingezet.</al><al><vet>Structurele opvang </vet>van kinderen is geen AWBZ-zorg.
                        <vet>Niet-structurele opvang </vet>van kinderen kan alleen bij ontwrichting
                    of calamiteiten tijdelijk tot een AWBZ- aanspraak leiden. <vet>Verzorging
                    </vet>van de kinderen kan, zonodig, wel een AWBZ aanspraak (HV) zijn.</al><al><vet>4.1.6 Uitval van ouder in éénoudergezin</vet></al><al>Indien er sprake is van uitval van de ouder in een éénoudergezin, of beide
                    ouders ondervinden beperkingen in de opvang en verzorging van de kinderen, wordt
                    er eerst (zie § 4.5) nagegaan wat mantelzorg opvangt, en wat vrijwilligers als
                    vervangende mantelzorg, voorliggende voorzieningen en algemeen gebruikelijke
                    voorzieningen kunnen opvangen.<vet>Oppas </vet>en <vet>opvang </vet>van gezonde
                    kinderen zijn in principe geen AWBZ zorg, daarvoor zijn andere, algemeen
                    gebruikelijke en voorliggende voorzieningen voorhanden. Wel is er een indicatie
                    mogelijk voor de <vet>verzorging </vet>van de kinderen conform leeftijd. Gebruik
                    van <vet>kinderopvang/crèche </vet>als voorliggende voorziening voor oppas en
                    opvang van gezonde kinderen tot 5 dagen per week is redelijk. Indien
                    indicatiesteller zich ervan heeft vergewist dat de voorliggende algemeen
                    gebruikelijke voorzieningen niet aanwezig of niet toepasbaar zijn of zijn
                    uitgeput is bij uitval van de ouder in een éénoudergezin afhankelijk van de
                    leeftijd en ontwikkeling van het kind een indicatie voor HV mogelijk tot 40 uur
                    per week voor oppas en opvang van gezonde kinderen. Een dergelijke indicatie is
                    in principe van korte duur (max. 3 maanden), de periode waarin een eigen
                    oplossing moet worden gevonden.</al><al><vet>4.1.7 Bijdrage van kinderen aan het huishouden</vet></al><al>In geval de leefeenheid van de zorgvrager mede bestaat uit kinderen, dan gaat de
                    indicatiesteller ervan uit, dat de kinderen, afhankelijk van hun leeftijd en
                    psychosociaal functioneren, een bijdrage kunnen leveren aan de huishoudelijke
                    taken.</al><al>• Kinderen tot 5 jaar leveren geen bijdrage aan de huishouding.</al><al>• Kinderen tussen 5-12 jaar worden naar hun eigen mogelijkheden betrokken bij
                    lichte huishoudelijke werkzaamheden als opruimen, tafel dekken/afruimen,
                    afwassen/afdrogen, boodschap doen, kleding in de wasmand gooien.</al><al>• Kinderen vanaf 13 jaar kunnen, naast bovengenoemde taken hun eigen kamer op
                    orde houden, d.w.z. rommel opruimen, stofzuigen, bedverschonen.</al><al><vet>4.1.8 Hoge leeftijd en trainbaarheid</vet></al><al>Wanneer in redelijkheid niet (meer) kan worden verondersteld dat een nieuwe taak
                    als het huishouden nog is te trainen of aan te leren, zoals bij ouderen op hoge
                    leeftijd (&gt; 75 jaar) kan, indien nodig, hulp voor die zwaar huishoudelijke
                    taken worden geïndiceerd die anders tot de gebruikelijke zorg zouden worden
                    gerekend.</al><al/><al><vet>4.2 Persoonlijke verzorging</vet></al><al><vet>4.2.1 Volwassenen onderling</vet></al><al>Van belang is onderscheid te maken tussen:</al><al>• gebruikelijke persoonlijke verzorging van partners voor elkaar,</al><al>• gebruikelijke persoonlijke verzorging van volwassen huisgenoten voor elkaar,
                    w.o. inwonende volwassen kinderen (&gt; 18 jaar) voor hun ouders.</al><al>Van <cursief>partners </cursief>wordt verwacht dat zij naar vermogen elkaar
                    persoonlijke verzorging bieden in kortdurende zorgsituaties (&lt; 3 maanden) met
                    uitzicht op herstel. Alleen als er gemotiveerd kan worden, in geval van een
                    kortdurende zorgsituatie, dat een partner niet de persoonlijke verzorging kan
                    bieden aan diens zorgbehoevende partner kan er alsnog een AWBZ-indicatie voor
                    persoonlijke verzorging worden gegeven. Bij een zorgvraag die naar verwachting
                    langer dan 3 maanden zal gaan duren, is persoonlijke verzorging –indien
                    voorzienbaar vanaf het begin- ook tussen partners geen gebruikelijke zorg.
                    Wanneer de partner voor het deel dat de gebruikelijke zorg overstijgt, een
                    aanvraag indient voor AWBZ zorg, dient dat te worden opgevat als een signaal dat
                    de mantelzorg niet vrijwillig wordt gegeven. Persoonlijke verzorging van
                        <cursief>huisgenoten</cursief>, anders dan partners, onderling is geen
                    gebruikelijke zorg. De zorgplicht van partners onderling betreft persoonlijke,
                    lichamelijke zorg inclusief assistentie bij de algemeen dagelijkse
                    levensverrichtingen, aandacht en begeleiding bij ziekte en psychosociale
                    problemen. Dit betreft in ieder geval kortdurende zorgsituaties (tot 3 maanden)
                    met uitzicht op herstel. Een voorbeeld hiervan is de zorg voor een huisgenoot
                    tijdens een kortdurend gezondheidsprobleem als herstel na een operatie, griep,
                    gekneusde ledematen e.d. Deze vorm van zorg is in principe (afhankelijk van de
                    aard, omvang en duur) gebruikelijk. </al><al><vet>4.2.2 PGB of Zorg in natura</vet></al><al>In een advies bij een indicatiegeschil (RZA 2004, 82, Cvz 22-03-2004) van het
                    College voor Zorgverzekeringen is de uitspraak gedaan, die van belang is in het
                    indiceren voor persoonlijke verzorging in relatie tot gebruikelijke zorg en
                    mantelzorg. Het advies van CVZ luidt:</al><al><cursief> “Het werkdocument beperkt die zorgplicht (van partners onderling voor
                        persoonlijke verzorging, red) tot drie maanden. Dat betekent dat na verloop
                        van die tijd het bieden van persoonlijke verzorging onder het begrip
                        mantelzorg valt en het indicatieorgaan hiervoor desgevraagd een indicatie
                        zal moeten afgeven, ook als het relatief weinig zorg betreft waarbij de
                        partner niet overbelast raakt. Dit is een aanscherping ten opzichte van de
                        AASV, waarin de partner geacht wordt ook in situaties langer dan drie
                        maanden persoonlijke verzorging aan de zorgbehoevende partner te bieden,
                        tenzij de zorgende partner daar niet toe in staat is (vanwege (dreigende)
                        overbelasting of vanwege werktijden), of als de zorgverlenende partner
                        moeite heeft met taken op het vlak van persoonlijke verzorging”.
                    </cursief></al><al>In dit protocol wordt vastgehouden aan het uitgangspunt dat in situaties langer
                    dan drie maanden zonder uitzicht op spoedig herstel de persoonlijke verzorging
                    aan de zorgbehoevende partner niet meer tot de gebruikelijke zorg wordt
                    gerekend. Wanneer er een aanvraag voor een PGB voor Persoonlijke Verzorging
                    wordt ingediend door een zorgvrager van wie de partner de zorg verleent of zal
                    gaan verlenen en tevens duidelijk is dat de partner die zorg langer dan drie
                    maanden levert of gaat leveren kan er dus aanspraak zijn op AWBZ zorg zonder dat
                    er sprake is van overbelasting van de partner. Een indicatiestelling vindt
                    plaats zonder daarin te betrekken welke verstrekkingsvorm aan de orde is, PGB of
                    ZIN. Met name in langdurige situaties waarin de geïndiceerde zorg wordt
                    uitgevoerd door huisgenoten is het van belang dat de mantelzorger/ huisgenoot
                    niet overbelast raakt en alsnog een indicatie voor het deel van de zorg nodig
                    heeft, dat tot de gebruikelijke zorg wordt gerekend. Wanneer een huisgenoot zelf
                    de geïndiceerde zorg levert moet de indicatiesteller alert zijn op mogelijke
                    overbelasting. Het kan niet zo zijn dat vanwege de overbelasting van de
                    –betaalde- mantelzorger er voor de gebruikelijke zorgtaken extra zorg
                    geïndiceerd moet worden. </al><al><vet>4.2.3 Leefeenheid met kinderen die extra zorg behoeven</vet></al><al>Bij het beoordelen van de extra draaglast van ouders met een kind met een
                    handicap, chronische ziekte of andere beperkingen in het functioneren, wordt
                    gekeken naar wat een kind zonder die beperkingen in vergelijkbare omstandigheden
                    aan zorg nodig zou hebben. Daar waar de gebruikelijke zorg van ouders voor
                    kinderen aanmerkelijk wordt overschreden wordt indien gevraagd AWBZ-zorg, de
                    functie PV, geindiceerd. Zo kan worden onderbouwd dat bijvoorbeeld de zorg voor
                    kinderen van 0-5 niet per definitie alleen gebruikelijke zorg is. Voor de
                    gebruikelijke zorg conform de leeftijd van het kind kan geen beroep gedaan
                    worden op de AWBZ. Extra zorg overtreft de normale zorg door extra duur en
                    intensiteit van toezicht, verzorging en begeleiding. Deze extra zorg valt onder
                    de functie PV of OB afhankelijk van het doel.</al><al><vet>Kinderen van 0 tot 5</vet></al><al>• kunnen niet zonder toezicht van volwassenen;</al><al>• hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotore ontwikkeling;</al><al>• zijn tot 4 jaar niet zindelijk;</al><al>• moeten volledig verzorgd worden: aan- en uitkleden, eten, wassen;</al><al>• hebben begeleiding nodig bij hun sport/spel/vrijetijdsbesteding;</al><al>• sport- en hobbyactiviteiten niet in verenigingsverband;</al><al>• zijn niet in staat zich zonder begeleiding in het verkeer te begeven.</al><al><vet>Kinderen van 5-12</vet></al><al>• kinderen vanaf 5 jaar hebben een reguliere dagbesteding op school;</al><al>• kunnen niet zonder toezicht van volwassenen;</al><al>• hebben toezicht nodig en nog maar weinig hulp bij hun persoonlijke
                    verzorging;</al><al>• hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotore ontwikkeling;</al><al>• zijn overdag zindelijk, en 's nachts merendeels ook;</al><al>• hebben bij hun vrijetijdsbesteding alleen begeleiding nodig in het verkeer
                    wanneer zij van en naar hun activiteiten gaan;</al><al>• hebben een reguliere dagbesteding op school, oplopend van 22 tot 25
                    uur/week;</al><al>• sport- en hobbyactiviteiten in verenigingsverband, ongeveer 2 maal per
                    week.</al><al><vet>Kinderen van 12 tot 18 jaar</vet></al><al>• hebben geen voortdurend toezicht nodig van volwassenen;</al><al>• kunnen vanaf 16 jaar dag en nacht alleen gelaten worden</al><al>• kunnen vanaf 18 jaar zelfstandig wonen</al><al>• hebben bij hun persoonlijke verzorging geen hulp en maar weinig toezicht
                    nodig;</al><al>• hebben geen begeleiding nodig van en naar hun vrijetijdsactiviteiten;</al><al>• sport- en hobbyactiviteiten in verenigingsverband, een onbekend aantal keren
                    per week;</al><al>• hebben tot 16 jaar een reguliere dagbesteding op school;</al><al>• hebben begeleiding en stimulans nodig bij ontplooiing en ontwikkeling (bv.
                    huiswerk).</al><al><vet>4.2.4 Verpleging is geen gebruikelijke zorg</vet></al><al>Kortdurende zorg en verpleging van zieke kinderen thuis behoort ook tot de
                    gebruikelijke zorg van ouders voor hun kinderen. Verpleging van een (chronisch)
                    ziek kind is geen gebruikelijke zorg. De verpleegkundige handelingen die moeten
                    worden uitgevoerd kunnen worden geïndiceerd. Indien het kind is aangewezen op
                    voortdurend nabij toezicht is dat –conform leeftijd- wel gebruikelijke
                    zorg.</al><al><vet>4.3 Ondersteunende begeleiding</vet></al><al><vet>4.3.1 Doelstelling OB</vet></al><al>Ondersteunende begeleiding heeft een drieledige functie. Ondersteunende
                    begeleiding kan bij alle grondslagen aan de orde zijn.</al><al>1. ondersteunende begeleiding gericht op het <vet>handhaven van de
                        zelfredzaamheid</vet>. Dit betreft de zorgvrager zelf in zijn dagelijks
                    functioneren, het helpen bij het structureren van de dag. Van de partner kan
                    worden verwacht dat persoonlijke aandacht en begeleiding van de zorgvrager in
                    het normale dagelijks leven gebruikelijke zorg is.</al><al>2. Indien de zorgvrager een intensieve langdurige claim op de partner legt, is
                        <vet>vermindering van de belasting van informele verzorgers </vet>(tweede
                    doelstelling van OB) wellicht van toepassing.</al><al>3. OB heeft het doel <vet>maatschappelijk isolement te voorkomen </vet>bij
                    –alleenstaande- zorgvragers die zonder (professionele) begeleiding niet in staat
                    zijn aan het maatschappelijk leven deel te nemen. Bij deze vorm van OB is geen
                    sprake van gebruikelijke zorg, om de simpele reden dat daar nu net het probleem
                    lag: het gaat meestal om zorgvragers die deze gebruikelijke begeleiding missen
                    en daardoor dreigen in een isolement te raken.</al><al><vet>4.3.2 OB bij volwassenen onderling</vet></al><al>Bij volwassenen onderling kan van partners en andere volwassen huisgenoten ten
                    opzichte van elkaar worden verondersteld dat een groot deel van het sociaal
                    verkeer gezamenlijk plaatsvindt, en begeleiding door onderling dus gebruikelijk
                    is. I<cursief>nwonende volwassenen waaronder partner, huisgenoot of volwassen
                        kinderen (&gt; 18 jaar) </cursief>worden verondersteld de praktische,
                    ondersteunende begeleiding in het normale maatschappelijke verkeer te
                    verzorgen.</al><al><vet>4.3.3 Ouders voor kinderen</vet></al><al>Ouders hebben een zorgplicht voor hun kinderen. Binnen de ondersteunende
                    begeleiding spitst de vraag van ouders van kinderen met beperkingen zich toe op
                    oppasvoorziening, begeleiding bij onderwijs en vrije tijdsactiviteiten en
                    ondersteuning mantelzorg. Dit zijn domeinen, waarbij de afweging van wat
                    gebruikelijke zorg en wat extra zorg is, aan de orde is (zie 5). Desalniettemin
                    zal eventuele overbelasting altijd onderzocht en eventueel meegewogen moeten
                    worden. Bij ondersteunende begeleiding is de afweging voor welke voorliggende
                    voorzieningen wettelijke regelingen bestaan van belang. Denk daarbij
                    bijvoorbeeld aan de zorgplicht van de gemeente ten aanzien van welzijn,
                    maatschappelijke opvang en vervoer. Ook op gebied van bijvoorbeeld onderwijs is
                    er een zorgplicht op andere beleidsterrein. (Zo kan bijvoorbeeld het helpen
                    structureren van taken wel, maar huiswerkbegeleiding geen OB.) Wanneer de
                    indicatiesteller met argumenten kan onderbouwen dat een inwonend volwassen kind
                    niet de ondersteunende begeleiding kan bieden aan diens zorgbehoevende ouder kan
                    alsnog een AWBZ-indicatie worden afgegeven.</al><al/><al><vet>5. Voorliggende voorzieningen</vet></al><al>Behalve gebruikelijke zorg zijn ook voorliggende voorzieningen reden om de
                    aanspraak op AWBZ zorg te beperken of af te wijzen. De methodiek van de
                    indicatiestelling zoals ontwikkeld in het Breed Indicatie Overleg (BIO protocol
                    1997) kende de volgende afwegingen: Wanneer er algemene voorzieningen zijn
                    waarvan de hulpvrager gebruik kan maken, dan verdienen die de voorkeur boven het
                    gebruik van bijzondere, (voorheen) sectorale voorzieningen. Bijvoorbeeld:
                    openbaar vervoer gaat voor bijzonder vraagafhankelijk vervoer, en dit gaat weer
                    voor op collectief aanvullend vervoer, dat weer voor gaat op vervoer gericht op
                    een specifieke doelgroep. Dezelfde redenering gaat op voor arbeid, dagbesteding,
                    onderwijs, welzijnsvoorzieningen, enz. Voorliggende voorzieningen zijn er in
                    twee soorten: wettelijke en algemeen gebruikelijke.</al><al><vet>5.1 Wettelijk voorliggende voorzieningen</vet></al><al>Wettelijk voorliggende voorzieningen zijn neergelegd in andere regelgeving dan
                    de AWBZ. Op dit moment is de relatie tussen andere wetgeving die betrekking
                    heeft op het domein van zorg, wonen en welzijn en de AWBZ nog niet
                    uitgekristalliseerd. Wanneer er wettelijke voorliggende voorzieningen zijn,
                    dient de hulpvrager daar gebruik van te maken. Wanneer zo’n voorziening een
                    adequate oplossing voor het probleem van de zorgvrager zou bieden, bestaat er
                    geen aanspraak op AWBZ-zorg. Het is daarbij niet van belang of de voorliggende
                    voorziening daadwerkelijk aanwezig is of niet. Er moet bij de indicatiestelling
                    vanuit worden gegaan dat de voorliggende voorziening beschikbaar is. Het feit
                    dat de instantie die verantwoordelijk is voor de realisatie van de voorziening
                    in gebreke is gebleven, is geen reden dit af te wentelen op de AWBZ. Voorbeelden
                    zijn: de Ziekenfondswet, ziektekostenverzekering, Welzijnswet gemeente, de Wet
                    voorzieningen gehandicapten. De afweging of voorliggende voorzieningen een
                    adequate oplossing bieden voor het probleem van de zorgvrager is een vraag die
                    de indicatiesteller zich stelt nadat de afweging: “Is hier sprake van
                    gebruikelijke zorg?” heeft plaatsgevonden.</al><al><vet>5.2 Algemeen gebruikelijke voorziening</vet></al><al>Een algemeen gebruikelijke voorziening is een voorliggende voorziening waarvan
                    gebruik moet worden gemaakt als deze voorhanden is en in redelijkheid een
                    oplossing biedt voor de zorgvraag van de zorgvrager. Hierbij moet worden gedacht
                    aan:</al><al>• boodschappendienst;</al><al>• crèche, kinderopvang, gastouder;</al><al>• alarmering;</al><al>• maaltijdservice;</al><al>• financieel-administratieve ondersteuning;</al><al>• hondenuitlaatdienst.</al><al><vet>Vrijwilligers is vervangende mantelzorg</vet></al><al>Vrijwilligers moeten niet worden opgevat als een ‘voorliggende voorziening’ maar
                    als vervanging van mantelzorg. Dat betekent dat indien er vrijwilligers
                    aanwezig, beschikbaar en bereid zijn om de zorg vrijwillig te (blijven) leveren,
                    er voor dat deel geen aanspraak bestaat op AWBZ zorg.</al><al/><al><vet>Bijlage 1. Het onderzoeken van overbelasting</vet></al><al><vet>Algemeen</vet></al><al>De indicatiesteller onderzoekt altijd of er in de individuele situatie moet
                    worden afgeweken van de algemene regels. Een van de redenen om in de individuele
                    situatie af te wijken kan zijn dat degene van wie wordt verwacht dat zij taken
                    overneemt, reeds overbelast dreigt te raken. In Van Dale wordt overbelasting
                    uitgelegd als “meer belasten dan het prestatievermogen toelaat”. In medische
                    kringen praten we dan over het (on)evenwicht tussen draagkracht(=
                    belastbaarheid) en draaglast (= belasting). Overbelasting kan veroorzaakt worden
                    door een combinatie van symptomen van</al><al>lichamelijke en/of psychische aard en wordt het bepaald door in- en uitwendige
                    factoren.</al><al>Factoren die van invloed zijn op de <vet><cursief>draagkracht
                    </cursief></vet>zijn onder meer:</al><al>• lichamelijke conditie mantelzorger;</al><al>• geestelijke conditie mantelzorger;</al><al>• wijze van omgaan met problemen (coping);</al><al>• motivatie voor zorgtaak;</al><al>• sociaal netwerk.</al><al>Factoren die van invloed zijn op de <vet><cursief>draaglast </cursief></vet>zijn
                    onder meer:</al><al>• omvang en mate van (on)planbaarheid van zorgtaken;</al><al>• ziektebeeld en prognose;</al><al>• inzicht van mantelzorger in ziektebeeld van de zorgvrager;</al><al>• woonsituatie;</al><al>• bijkomende sociale problemen;</al><al>• bijkomende emotionele problemen;</al><al>• bijkomende relationele problemen.</al><al><vet>Onderzoek naar de draaglast-draagkracht mantelzorger</vet></al><al>Het kan soms heel duidelijk zijn dat de mantelzorger overbelast is, in ander
                    gevallen is dat minder duidelijk en zal dit in het indicatieonderzoek moeten
                    worden uitgediept. Er bestaat niet één, simpel af te nemen test, die hierover
                    direct uitsluitsel geeft. Wel bestaan er allerlei vragenlijsten op dat gebied en
                    kunnen door de mantelzorger ervaren klachten duiden op overbelasting. Een
                    recente uitspraak van het Cvz (Zknr. 23010188) leert dat het College van mening
                    is dat de beperkingen in de belastbaarheid vanwege de gezondheid van de
                    mantelzorger dienen te worden beoordeeld door of onder verantwoordelijkheid van
                    een arts. In voorkomende gevallen kan het opnemen van contact met de
                    behandelende sector volstaan om hierover een oordeel te vormen. Dit dient dan
                    wel onder aanwijzing van een (CIZ-arts) te gebeuren; deze dient vervolgens ook
                    bij het eindoordeel te worden betrokken.</al><al/><al><vet>Onderzoeksvragen</vet></al><al>Hieronder volgt een reeks van vragen die de indicatiesteller zouden kunnen
                    helpen bij het verkrijgen van een indruk over de eventuele overbelasting van de
                    mantelzorger.</al><al>• Wat zegt de mantelzorger er zelf over, hoe ervaart hij of zij het zorgen?</al><al>• Hoe is de (lichamelijke en geestelijke) gezondheid van de mantelzorger?</al><al>• Zijn er signalen van overbelasting: nervositeit, vermoeidheid?</al><al>• Heeft de mantelzorger een “uitlaatklep”? Heeft hij of zij de mogelijkheid om
                    activiteiten buitenshuis te doen? Kan iemand zijn verhaal kwijt bij vrienden,
                    familie of professionals? Wordt er respijtzorg geboden zodat de mantelzorger
                    even op adem kan komen?</al><al>• Hoe is de relatie tussen de mantelzorger en de cliënt? Hoe stelt de cliënt
                    zich op, veeleisend of juist dankbaar? Kan de mantelzorger grenzen aangeven en
                    ‘nee’ zeggen? Is er irritatie tussen de mantelzorger en cliënt?</al><al>• Heeft de mantelzorger inzicht in de ziekte van de cliënt? (Als men weet dat
                    bepaald gedrag uit de ziekte voortkomt, kan het gemakkelijker zijn dat gedrag te
                    accepteren.)</al><al>• Hoeveel tijd heeft de mantelzorger? Heeft iemand een baan, een eigen gezin,
                    een ander familielid dat zorg behoeft? Voorbeeld: een echtgenoot wordt ziek,
                    terwijl zijn vrouw ook al voor haar ouders zorgt. </al><al>• Is de zorg te plannen of is er continue controle en toezicht nodig?</al><al>• Hoe is de prognose? (Een terminale situatie is altijd zwaar, maar een situatie
                    die langdurig en stabiel is, kan ook veeleisend zijn.)</al><al>• Wat zijn de knelpunten in de zorg?</al><al>• Hoe is de woonsituatie? Woont men afgelegen, of in een flat zonder lift zodat
                    de cliënt en de mantelzorger min of meer samen opgesloten zitten.</al><al><vet>Symptomen die zouden kunnen wijzen op overbelasting</vet></al><al>Diverse symptomen zijn waar te nemen bij (dreigende) overbelasting. Het is
                    mogelijk, dat slechts één van deze symptomen waarneembaar is. Over het algemeen
                    zullen meerdere symptomen gecombineerd optreden. De mate, waarin ze zich
                    manifesteren, zal van persoon tot persoon verschillen. Daarnaast dient men zich
                    te bedenken dat het hierbij om veelal, aspecifieke symptomen gaat, die ook bij
                    andere stoornissen kunnen passen (dit is een van de redenen waarom Cvz de
                    beoordeling hiervan bij de CIZ-arts neerlegt). Het bestaan van deze symptomen
                    moet dus als een mogelijk signaal worden opgevat. Indien er meerdere van
                    onderstaande symptomen aanwezig zijn, is het raadzaam dat de zorger zijn
                    huisarts raadpleegt, omdat bij langdurige aanwezigheid en/of verwaarlozing van
                    dergelijke symptomen weer kunnen leiden tot andere, ernstige stoornissen. </al><al>Mogelijke symptomen van overbelasting zijn:</al><al>• Gespannen spieren, vaak in schoudergordel en rug</al><al>• Hoge bloeddruk</al><al>• Gewrichtspijn</al><al>• Gevoelens van slapte</al><al>• Slapeloosheid</al><al>• Migraine, duizeligheid</al><al>• Spierkrampen</al><al>• Verminderde weerstand, ziektegevoeligheid</al><al>• Opvliegingen</al><al>• Ademnood en gevoelens van beklemming op de borst</al><al>• Plotseling hevig zweten</al><al>• Gevoelens van beklemming in de hals</al><al>• Spiertrekkingen in het gezicht</al><al>• Verhoogde algemene prikkelbaarheid, boosheid, (verbale) agressie, zwijgen</al><al>• Ongeduld</al><al>• Vaak huilen</al><al>• Neerslachtigheid</al><al>• Isolering</al><al>• Verbittering</al><al>• Concentratieproblemen</al><al>• Dwangmatig denken, niet meer kunnen stoppen</al><al>• Rusteloosheid</al><al>• Perfectionisme</al><al>• Geen beslissingen kunnen nemen</al><al>• Denkblokkades</al><al><vet>Bronnen:</vet></al><al>• Een open gesprek. Indicatiestelling en mantelzorg NIZW 2000;</al><al>• Nieuwsbrief adviesprocedure indicatiegeschillen Cvz, nr. 2003/3;</al><al>• Assesment Scales in Old Age Psychiatry. A. Burns e.a. Martin Dunitz Ltd</al><al>1999.</al><al/><al><vet>Bijlage 2. Over wegen en overwegen</vet></al><al><cursief>Uit: Gebruikelijke zorg van ouders voor hun kinderen, Jeanne
                        Stroucken,</cursief></al><al><cursief>Jeanette van den Brink, afstudeerscriptie MGZ, VDO, 2002</cursief></al><al>De in dit document gehanteerde indeling in leeftijdscategorieën komt overeen met
                    de verdeling in de bestudeerde literatuur (o.a. Mönks 1994 en Verhulst 1997).
                    Andere documenten die deze indeling ook hanteren zijn bijvoorbeeld de Sociale
                    Redzaamheidschaal Zwakzinnigen. Deze test wordt pas vanaf 4 jaar gebruikt,
                    waaruit je kunt opmaken dat voor die leeftijd de vaardigheden in het kader van
                    zelfredzaamheid niet of nauwelijks te verwachten zijn bij kinderen. Kijkend naar
                    de kinderopvang in Nederland dan is te zien dat ook daar dezelfde categorieën
                    worden gehanteerd. Tot 4 jaar zijn er kinderdagcentra waar kinderen kunnen
                    worden opgevangen van ouders die bijvoorbeeld werken. Vanaf 4 jaar tot 12 jaar
                    is er de zogenaamde BSO ofwel Buiten Schoolse Opvang. Daar wordt opvang verzorgd
                    voor kinderen na schooltijd en in vakanties. Voor kinderen van 12 jaar en ouder
                    is geen (of nauwelijks) opvang. Hieruit zou kunnen worden opgemaakt dat kinderen
                    tot 12 jaar na school opvang nodig hebben en oudere kinderen niet meer. Dat zegt
                    iets over de leeftijd die normaal geacht wordt voor een kind, zonder direct
                    toezicht thuis te zijn. Voor ons een belangrijk gegeven, want dat geeft het
                    moment aan waarop ouders van verstandelijk gehandicapte kinderen een beroep
                    kunnen doen op de AWBZ voor vergoeding van de oppas die zij nodig hebben voor
                    hun kind. Wanneer het gaat over verkeersveiligheid zijn er eigenlijk geen
                    eenduidige leeftijdsgrenzen gevonden. De motorische vaardigheden worden wel
                    beschreven, maar niet wanneer een kind normaal gesproken alleen het verkeer in
                    kan. Er wordt wel iets gezegd over de leeftijd kinderen waarop regels begrijpen
                    (verkeersregels) en op welke leeftijd kinderen meerdere dingen tegelijk kunnen
                    overzien en er op kunnen reageren (het verkeer) (Verhulst 1997). Het enige
                    uitgangspunt dat hierbij algemeen vorm heeft gekregen is het moment waarop
                    kinderen op de basisschool verkeersexamen doen. Dit vindt meestal plaats in
                    groep 7 wanneer kinderen tussen de 10 en 12 jaar oud zijn. Gesteld kan worden
                    dat de meeste kinderen vanaf 12 jaar zich zelfstandig in het verkeer moeten
                    kunnen begeven. Ook is bestudeerd wat er geschreven staat over de
                    zelfredzaamheid van kinderen in het kader van de persoonlijke verzorging, met
                    name de onderdelen: zichzelf wassen of douchen, aan- en uitkleden en
                    tandenpoetsen. In dat kader is tevens de zindelijkheid benoemd. Samenvattend kan
                    gesteld worden dat deze vaardigheden door de meeste kinderen beheerst worden
                    rond hun 5<sup>e</sup> levensjaar, maar dat controle dan nog wel nodig is. (o.a.
                    Mönks 1994 en Verhulst 1997).</al><al/><al>Conclusie daaruit is dat het normaal is dat kinderen tot 5 jaar geheel verzorgd
                    worden door hun ouders of opvoeders op het gebied van persoonlijke verzorging.
                    Tot welke leeftijd toezicht nodig blijft, wordt niet vermeld. Wij vinden echter
                    dat, gebaseerd op wat we hebben gelezen, er vanuit gegaan mag worden dat rond
                    het 12e levensjaar toezicht in het kader van de persoonlijke verzorging niet
                    meer nodig is. Voor de indicatieaanvragen voor persoonlijke verzorging zal dan
                    ook een leeftijdsgrens van 12 jaar gehanteerd kunnen worden. Bij het zoeken naar
                    wat deskundigen schrijven over vrijetijdsbesteding, is uitgegaan van een sport
                    of hobby bedrijven, niet buitenspelen of binnenshuis zichzelf vermaken. Binnen
                    clubs of verenigingen worden kinderen ook weer ingedeeld in
                    leeftijdscategorieën. Tot 5 jaar kunnen kinderen eigenlijk nergens georganiseerd
                    sporten of hobby’s uitoefenen. Kinderen tot 6 jaar zijn motorisch nog
                    onvoldoende ontwikkeld en is het uithoudingsvermogen te gering om sport te
                    beoefenen, behalve zwemmen (Feddema, Wagenaar 1999). Zwemles valt ons inziens
                    echter niet onder vrijetijdsbesteding. Het leren zwemmen wordt in Nederland over
                    het algemeen als een essentieel onderdeel van de opvoeding gezien. Vanaf 5 jaar,
                    maar meestal vanaf 6 jaar, vallen kinderen bij clubs en verenigingen onder de
                    beginners. Vanaf 8 jaar vallen ze doorgaans in een volgende categorie tot 10
                    jaar en daarna in een categorie tot 12 jaar. Indeling in categorieën gaat
                    meestal door tot 18 jaar. Daarna horen kinderen (bij sporten) tot de senioren.
                    Over een gemiddeld aantal uren vrijetijdsbesteding per week buitenshuis voor
                    kinderen is vrijwel niets te vinden in de literatuur. Vermeld staat alleen wat
                    er binnen een sport- of hobbyclub aan uren per kind wordt besteed, maar niet
                    naar hoeveel clubs kinderen normaal gesproken gaan. Het betreft meestal
                    activiteiten voor 1 tot 2 uur per week. Het totaal aantal uren
                    vrijetijdsbesteding is dus afhankelijk van het aantal clubs dat wordt bezocht en
                    hobby's die worden beoefend. </al></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>2</nr><titel>Woonplaatsbeginsel</titel></kop><al><vet>Stappenplan </vet></al><al>Via onderstaande link wordt verwezen naar een stappenplan waarmee een
                    professional bepalen kan vaststellen welke gemeente verantwoordelijk is. Dit ten
                    behoeve van de bestuurlijke en financiële verantwoordelijkheidsverdeling tussen
                    gemeenten. De VNG en het Rijk hebben</al><al>afgesproken om de Jeugdwet toe te passen zoals in dit stappenplan uiteen is
                    gezet. Bij dit schema hoort een factsheet met uitleg over het
                    woonplaatsbeginsel.</al><al/><al><extref doc="http://www.voordejeugd.nl/attachments/article/1373/Mindmap%20op%20A0-formaat.pdf">http://www.voordejeugd.nl/attachments/article/1373/Mindmap%20op%20A0-formaat.pdf</extref></al><al/><al><vet>Factsheet</vet></al><al>Op 1 januari 2015 treedt de Jeugdwet in werking en worden de gemeenten
                    verantwoordelijk voor het hele jeugdveld. Daarom is het voor gemeenten onder
                    andere belangrijk om te bepalen of</al><al>jeugdigen die in hun gemeenten jeugdhulp nodig hebben, daadwerkelijk tot hun
                    verantwoordelijkheid behoren.</al><al>De ministeries van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en van Veiligheid en
                    Justitie hebben hiervoor samen met de VNG een stappenplan voor gemeenten
                    ontwikkeld. Door de stappen uit dit</al><al>plan te volgen, wordt voor gemeenten duidelijk welke gemeente verantwoordelijk
                    is voor het bepalen en financieren van de benodigde jeugdhulp of die voortvloeit
                    uit een strafrechtelijke beslissing of voor de uitvoering van jeugdbescherming
                    en jeugdreclassering.</al><al/><al>De verantwoordelijke gemeente is in beginsel de gemeente waar de ouder met gezag
                    woont. Als een jeugdige en zijn of haar ouders hulp nodig hebben, wordt eerst
                    bekeken waar het gezag ligt.</al><al>Daarna wordt vastgesteld wat het adres is. Zo wordt duidelijk welke gemeente
                    verantwoordelijk is voor de desbetreffende jeugdige. Bij een verhuizing, een
                    wijziging in het gezag of als de jeugdige meerderjarig wordt, verandert de
                    situatie. Voor de nieuwe situatie moet opnieuw met behulp van het stappenplan
                    worden bepaald welke gemeente op dat moment de verantwoordelijke gemeente
                    is.</al><al/><al><vet>Het vaststellen van de woon- of verblijfplaats</vet></al><al>Bij het bepalen van het woonadres wordt aangesloten bij de inschrijving in de
                    Basisregistratie Personen (BRP). Als een jeugdige zelf, of zijn of haar
                    gezagsdrager, niet heeft gezorgd voor de inschrijving in de BRP, moet hij of zij
                    gewezen worden op zijn of haar wettelijke plicht om zich in te schrijven. Als er
                    geen inschrijving in de BRP is, wordt gekeken naar het werkelijke</al><al>verblijf van de gezagsdrager.</al><al>In sommige gevallen is het werkelijke verblijfplaats van de jeugdige bepalend
                    voor de verantwoordelijke gemeente. Soms komt het voor dat het werkelijke
                    verblijf van een jeugdige bij een nevenvestiging van een jeugdhulpaanbieder is.
                    In die gevallen is het adres van de nevenvestiging het adres dat geldt. Als het
                    moment van de hulpvraag wordt gehanteerd, geldt het eerste contact van de
                    jeugdige bij de toegang.</al><al/><al><vet>Verhuizing</vet></al><al>Een wijziging van de inschrijving in de BRP betekent de start van overleg tussen
                    gemeente die verantwoordelijk was en de gemeente die verantwoordelijk wordt. Dit
                    overleg is gericht op de feitelijke overdracht.</al><al/><al><vet>Hulp bij acute situaties</vet></al><al>Bij acute situaties wordt direct jeugdhulp aan de jeugdige geleverd of een
                    kinderbeschermingsmaatregel uitgesproken. De gemeente die de acute hulp levert,
                    stelt via het stappenplan vast welke gemeente formeel verantwoordelijk is. De
                    kosten van alle geleverde acute hulp zijn immers voor rekening van die gemeente.
                    Wanneer de Jeugdwet niet van toepassing is, is er geen gemeente direct
                    verantwoordelijk voor de desbetreffende jeugdige. Gemeenten die kosten voor
                    jeugdhulp hebben gemaakt moeten in die uitzonderlijke gevallen de kosten
                    verhalen op de reisverzekering, de desbetreffende buitenlandse verzekeraar of
                    via de gezagsdrager van de jeugdige.</al><al/><al/><al><vet>Overgangsrecht in 2015</vet></al><al>Met betrekking tot het overgangsrecht geldt de situatie zoals deze op 31
                    december 2014 bekend is. Waar in het stappenplan het moment van de hulpvraag
                    staat, geldt ten aanzien van het</al><al>overgangsrecht de situatie op 31 december 2014. Een jeugdige heeft recht op
                    (jeugd)hulp tot het moment waarop een indicatie of verwijzing of
                    strafrechtelijke beslissing eindigt, tot maximaal het</al><al>einde van 2015. Bij langdurige pleegzorg geldt het overgangsrecht tot het moment
                    dat de jeugdige 18 jaar wordt.</al><al/><al><vet>Gescheiden ouders in verschillende gemeenten</vet></al><al>Als ouders na een echtscheiding in verschillende gemeenten wonen en de jeugdige
                    bij beide ouders woont, moet er een hoofdverblijf worden aangewezen. De rechter
                    kan bij de scheidingsuitspraak het hoofdverblijf bepalen. Als het hoofdverblijf
                    niet door de rechter is bepaald, geven de ouders aan wat het hoofdverblijf van
                    de jeugdige is. Kunnen of willen de ouders dit niet aangeven dan gaan de twee
                    desbetreffende gemeenten met elkaar in overleg. Daarbij hanteren zij het
                    criterium: de verantwoordelijke gemeente is die gemeente waar de jeugdhulp in
                    het belang van de jeugdige binnen zijn sociale netwerk (school, sport en
                    vriendenkring) georganiseerd kan worden.</al><al/><al><vet>Voorlopige voogdij</vet></al><al>De kinderrechter kan om verschillende redenen een voorlopige voogdij uitspreken.
                    Het gaat daarbij altijd om acute noodsituaties waarin een snel ingrijpen ter
                    (tijdelijke) bescherming van de minderjarige nodig is. Zo kan het nodig zijn om
                    een medische behandeling voor een kind mogelijk te maken, als toestemming door
                    de ouder(s) wordt geweigerd. Voorlopige voogdij kan ook een tussenmaatregel zijn
                    wanneer deze wordt uitgesproken gedurende het onderzoek naar een beëindiging van
                    het ouderlijk gezag. Dan is het gezag van de ouder(s) geschorst, in afwachting
                    van een definitieve maatregel. Bij de situatie van voorlopige voogdij is voor
                    het bepalen van de woonplaats gekozen voor een praktische oplossing.
                    Uitgangspunt is de situatie die gold voordat sprake was van voorlopige voogdij.
                    De gemeente waar de ouder die het gezag had woont is verantwoordelijk. Als die
                    ouder tijdens de duur van de situatie van voorlopige voogdij verhuist, wordt de
                    gemeente waar deze ouder naar toe gaat verantwoordelijk.</al><al/><al><vet>Tijdelijke voogdij</vet></al><al>Bij de situatie van tijdelijke voogdij is er tijdelijk in de voogdij voorzien.
                    Deze situatie kan onbeperkt duren, tot het moment waarop ouders terugkeren,
                    bijvoorbeeld na het uitzitten van een gevangenisstraf in het buitenland, of
                    totdat een jeugdige terugkeert naar het land van herkomst (Nidos heeft dan
                    meestal de tijdelijke voogdij) of tot het moment waarop een jeugdige
                    meerderjarig wordt. De verblijfplaats van de jeugdige is in deze situaties
                    bepalend.</al><al/><al><vet>Instellingsvoogdij</vet></al><al>Als de voogdij door een gecertificeerde instelling wordt uitgeoefend is het
                    werkelijke verblijf van de jeugdige bepalend. Vaak woont deze jeugdige in een
                    pleeggezin of in een residentiële instelling. Als de jeugdige in een
                    residentiële instelling woont, geldt niet het adres van de hoofdvestiging van de
                    jeugdhulpaanbieder maar het werkelijke verblijf van een jeugdige bij de
                    nevenvestiging.</al><al/><al><vet>Meerderjarige jeugdige</vet></al><al>Als een jeugdige 18 jaar wordt, is er geen gezagsrelatie meer. Daarom wordt in
                    dat geval uitgegaan van het adres van de jeugdige.</al><al/><al><vet>Woonplaats van gezagsdrager(s) onbekend of in het buitenland</vet></al><al>Als de woonplaats van de gezagsdrager(s) onbekend is, geldt het werkelijk
                    verblijf van de jeugdige op het moment van de hulpvraag. Als de gezagsdrager(s)
                    in het buitenland wonen en de jeugdige in Nederland verblijft, geldt het
                    werkelijk verblijf van de jeugdige. Er is dus altijd een gemeente
                    verantwoordelijk.</al><al/><al><vet>Woonplaats gezagsdrager en jeugdige in buitenland</vet></al><al>Als ouders en jeugdige in het buitenland wonen, is er geen recht op jeugdhulp.
                    Gemeenten hoeven dan geen jeugdhulp te leveren.</al><al/><al><vet>Woonplaats gezagsdrager in Nederland en jeugdige in buitenland.</vet></al><al>De gemeente waar de gezagsdrager woont is verantwoordelijk.</al><al/><al><vet>Briefadres</vet></al><al>Soms wordt iemand op een briefadres en niet op een woonadres ingeschreven in de
                    BRP. Dit kan voorkomen als iemand bijvoorbeeld in een psychiatrische instelling,
                    een Blijf van mijn Lijf-huis of in een gevangenis verblijft. Bij een briefadres
                    geldt het werkelijke verblijf van de jeugdige op het</al><al>moment van de hulpvraag. Wanneer zowel het briefadres als het woonadres bekend
                    zijn in de BRP, wordt het woonadres gehanteerd.</al></bijlage></regeling></body></cvdr>