<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--
      meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR376755_3</dcterms:identifier><dcterms:title>Uitvoeringsregeling natuur- en landschapsbeheer Noord-Holland 2016-2021 (SVNL 2016-2021)</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Provincie">Noord-Holland</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-25</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Provincie">Noord-Holland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Provinciaal blad, 2016, 90</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Uitvoeringsregeling natuur- en landschapsbeheer Noord-Holland 2016-2021 (SVNL 2016-2021)</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Provinciewet, art. 105, art. 143, art. 45</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.1:CVDR114219_2">Algemene subsidieverordening Noord-Holland 2011.</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanProvincie">gedeputeerde staten</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>milieu</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-09-27</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-10-05</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-10-13</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>art. 1.1, art. 1.2, art. 1.3, art. 1.4, art. 2.1, art. 2.4, art. 2.5, art. 2.6, art. 2.8, art. 2,9, art. 2.10, art. 2.11, art. 2.13, art. 3.7, art. 3.11, art. 3.12, art. 3.13, art. 3.14, bijlage 1, L01.04, bijlage 4 wordt toegevoegd.</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>854837-845838</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>natuur, landschap</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>De Uitvoeringsregeling natuur- en landschapsbeheer Noord-Holland 2016 (SVNL 2016) wordt ingetrokken.</al><al>artikel I, onderdeel A, terugwerkt tot 10 september 2015</al><al>artikel I, onderdelen C tot en met E, terugwerkt tot en met 1 januari 2016.</al><al>Aan de regeling wordt bijlage 4 toegevoegd.</al><al>Bijlage 4: Maximale vergoeding als bedoeld in artikel 3.12 lid 6 en 3.14 lid 5</al><al>Het overzicht met de maximale vergoedingen wordt geplaatst op http://www.portaalnatuurenlandschap.nl.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Uitvoeringsregeling natuur- en landschapsbeheer Noord-Holland 2016-2021 (SVNL
                2016-2021)</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Gedeputeerde sSaten van Noord-Holland;</vet></al><al/><al><vet>Besluiten vast te stellen:</vet></al><al/><al><vet>Uitvoeringsregeling natuur- en landschapsbeheer Noord-Holland 2016-2021
                            (SVNL 2016-2021)</vet></al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><paragraaf><kop><label>§</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze regeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al> Awb: Algemene wet bestuursrecht;</al></li><li nr="b."><al>(Vervallen);</al></li><li nr="c."><al>beheeractiviteit: activiteit uit de koppeltabel; </al></li><li nr="d."><al>beheerfunctie: functie van een cluster van beheeractiviteiten
                                    zoals opgenomen in de koppeltabel;</al></li><li nr="e."><al>certificaat: namens Gedeputeerde Staten door de Stichting
                                    Certificering Subsidiestelsel Natuur- en Landschapsbeheer
                                    afgegeven certificaat, waarmee wordt gewaarborgd dat een
                                    natuurbeheerder of agrarisch collectief voldoet aan bepaalde
                                    beheereisen en het beheer op de afgesproken manier
                                    uitvoert;</al></li><li nr="f."><al>koppeltabel: in bijlage 3 opgenomen overzicht van de
                                    subsidiabele beheeractiviteiten en maximale vergoedingen; </al></li><li nr="g."><al>gescheperde schaapskudde: rondtrekkende schaapskudde die niet
                                    permanent op een plaats graast en die gehoed wordt door een
                                    herder met een of meer honden;</al></li><li nr="h."><al>knooppuntennetwerk: bij de stichting landelijk Fietsplatform of
                                    stichting Wandelnetwerk geregistreerd routenetwerk voor fietsen
                                    of wandelen bestaande uit genummerde knooppunten en
                                    bewegwijzering tussen de knooppunten;</al></li><li nr="i."><al>landbouwactiviteit: landbouwactiviteit als bedoeld en omschreven
                                    in de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB; </al></li><li nr="j."><al>landbouwer: natuurlijke persoon of rechtspersoon, dan wel een
                                    groep van natuurlijke personen of rechtspersonen die, een
                                    landbouwactiviteit uitoefent op landbouwgrond;</al></li><li nr="k."><al>landbouwgrond: landbouwareaal als bedoeld en omschreven in
                                    artikel 2, onder f, van Verordening (EU) nr. 1305/2013, plus
                                    eventuele landschapselementen of watergangen direct grenzend aan
                                    landbouwgrond, waarbij er sprake mag zijn van een scheiding van
                                    die landbouwgrond door een kavelpad of watergang;</al></li><li nr="l."><al>landelijke fietsroutes: bij de stichting landelijk Fietsplatform
                                    geregistreerde landelijke fietsroutes en ANWB-bewegwijzerde
                                    routes als onderdeel van een landelijk fietsroutenetwerk;</al></li><li nr="m."><al>landelijke wandelroutes: bij de stichting Wandelnetwerk
                                    geregistreerde Lange Afstand Wandelpaden en Streekpaden als
                                    onderdeel van een landelijk wandelroutenetwerk;</al></li><li nr="n."><al>landschapsbeheertype: in bijlage 1 opgenomen en nader beschreven
                                    beheertype; </al></li><li nr="o."><al>landschapselement: in bijlage 1 opgenomen en nader beschreven
                                    element;</al></li><li nr="p."><al>leefgebied: in het natuurbeheerplan begrensde landbouwgronden
                                    waarop planten of dieren voorkomen die bepaalde eisen stellen
                                    aan de inrichting en het gebruik van hun omgeving of waarop het
                                    voorkomen van zulke planten of dieren wordt nagestreefd;</al></li><li nr="q."><al>monitoringstoeslag: extra vergoeding voor het uitvoeren van
                                    metingen en het vastleggen van de ontwikkelingen op het
                                    natuurterrein of de landbouwgrond met uitzondering van metingen
                                    in het kader van natuur- en landschapsbeheer, vermeerderd met de
                                    opslag voor de prijsstijging;</al></li><li nr="r."><al>monitoringsprogramma: door Gedeputeerde Staten vastgesteld
                                    meerjarig programma van metingen om de effecten van maatregelen
                                    en ingrepen te kunnen volgen vanuit vastgestelde beleidsdoelen
                                    en beleidstaken;</al></li><li nr="s."><al>natuurbeheerplan: een plan als bedoeld in artikel 1.3 waarin op
                                    basis van een afgestemde ambitie de overeengekomen doelen op het
                                    gebied van natuur- en landschapsbeheer en agrarisch natuur- en
                                    landschapsbeheer zijn vastgelegd;</al></li><li nr="t."><al>natuurbeheertype: in bijlage 2 opgenomen en nader beschreven
                                    beheertype;</al></li><li nr="u."><al>natuurterrein: binnen de provincie gelegen grond met als
                                    hoofdfunctie natuur die in het natuurbeheerplan is begrensd,
                                    alsmede gronden waarvoor een subsidie functieverandering is
                                    verstrekt als bedoeld in de provinciale Uitvoeringsregeling
                                    subsidie kwaliteitsimpuls natuur en landschap
                                    Noord-Holland;</al></li><li nr="v."><al>opslag voor de prijsstijging: op de consumentenprijsindex
                                    gebaseerde opslag van de subsidie om de kostenstijging gedurende
                                    de looptijd van de beschikking te compenseren;</al></li><li nr="w."><al>recreatietoeslag: extra vergoeding voor het recreatief
                                    toegankelijk maken en houden van een natuurterrein, vermeerderd
                                    met de opslag voor de prijsstijging;</al></li><li nr="x."><al>schapentoeslag: extra vergoeding voor het beheer van natuur- en
                                    landschapsbeheertypen ten behoeve van de inzet van gescheperde
                                    schaapskuddes, vermeerderd met de opslag voor de
                                    prijsstijging;</al></li><li nr="y."><al>tarief: tarief voor de in artikel 2.2 genoemde subsidiabele
                                    activiteiten, vermeerderd met de opslag voor de
                                    prijsstijging;</al></li><li nr="z."><al>transactiekosten: kosten zoals bedoeld in artikel 2 sub e van
                                    Verordening (EU) nr. 1305/2013;</al></li><li nr="aa."><al>vaartoeslag: extra vergoeding voor het beheer van natuur- en
                                    landschapsbeheertypen op een natuurterrein dat alleen varend kan
                                    worden bereikt, vermeerderd met de opslag voor de
                                    prijsstijging;</al></li><li nr="bb."><al>Verordening (EU) nr. 640/2014: Gedelegeerde verordening van de
                                    Europese Commissie van tot aanvulling van Verordening (EU) nr.
                                    1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het
                                    geïntegreerd beheers- en controlesysteem en de voorwaarden voor
                                    weigering of intrekking van betalingen en voor administratieve
                                    sancties in het kader van rechtstreekse betalingen,
                                    plattelandsontwikkelingsbijstand en de randvoorwaarden;</al></li><li nr="cc."><al>Verordening (EU) nr. 809/2014: Uitvoeringsverordening van de
                                    Europese Commissie tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen
                                    voor Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement
                                    en de Raad wat betreft het geïntegreerd beheers- en
                                    controlesysteem, plattelandsontwikkelingsmaatregelen en de
                                    randvoorwaarden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.2</nr><titel>Openstelling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Gedeputeerde Staten kunnen een of meerdere keren per jaar een
                                    openstellingsbesluit vaststellen voor het verstrekken van
                                    subsidies op grond van deze regeling. </al></li><li nr="2."><al>In het openstellingsbesluit, bedoeld in het eerste lid, geven
                                    Gedeputeerde Staten nadere invulling aan: </al><lijst><li nr="a."><al> de doelgroep;</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al> de onderdelen van het natuurbeheerplan waarvoor
                                            subsidie kan worden aangevraagd; </al></li></lijst><lijst><li nr="c."><al>het subsidieplafond en de wijze van verdeling;</al></li></lijst><lijst><li nr="d."><al>de periode van openstelling;</al></li></lijst><lijst><li nr="e."><al>de tarieven voor de subsidie natuur- en
                                            landschapsbeheer;</al></li></lijst><lijst><li nr="f."><al>de normbedragen voor de subsidie natuur- en
                                            landschapsbeheer.</al></li><li nr="g."><al>het minimum aantal hectares aan activiteiten waarvoor
                                            een subsidie natuur- en landschapsbeheer kan worden
                                            verstrekt.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.3</nr><titel>Natuurbeheerplan</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Gedeputeerde Staten stellen het natuurbeheerplan vast.</al></li><li nr="2."><al>Als onderdeel van het natuurbeheerplan stellen Gedeputeerde
                                    Staten in ieder geval een elektronische kaart met topografische
                                    ondergrond vast, waarop is aangeduid:</al><lijst><li nr="a."><al>voor welke natuurterreinen een subsidie natuur- en
                                            landschapsbeheer kan worden verstrekt, met daarbij de
                                            aanduiding:</al><lijst><li nr="1e."><al>welk natuurbeheertype in stand kan worden
                                                  gehouden;</al></li></lijst><lijst><li nr="2e."><al>welke landschapsbeheertypen in stand kunnen
                                                  worden gehouden;</al></li></lijst><lijst><li nr="3e."><al>of het natuurterrein in aanmerking komt voor een
                                                  vaar- of schapentoeslag;</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>voor welk leefgebied, of onderdeel van een leefgebied
                                            een subsidie agrarisch natuur- en landschapsbeheer kan
                                            worden verstrekt, met daarbij de aanduiding:</al><lijst><li nr="1e."><al> open akkerland;</al></li><li nr="2e."><al>open grasland;</al></li><li nr="3e."><al>droge dooradering;</al></li><li nr="4e."><al>natte dooradering;</al></li><li nr="5e."><al>categorie water.</al></li></lijst></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.4</nr><titel>Vereisten subsidieaanvraag</titel></kop><al>Een subsidieaanvraag voldoet in ieder geval aan de volgende
                            vereisten:</al><lijst><li nr="a."><al>een subsidieaanvraag wordt ingediend bij Gedeputeerde
                                    Staten;</al></li><li nr="b."><al>een subsidieaanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van het
                                    daartoe door Gedeputeerde Staten beschikbaar gestelde
                                    aanvraagformulier.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.5</nr><titel>Bevoegdheid en beslistermijn subsidieverlening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Gedeputeerde Staten kunnen op aanvraag een subsidie natuur- en
                                landschapsbeheer of agrarisch natuur- en landschapsbeheer
                                verstrekken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Gedeputeerde Staten beslissen op een aanvraag om subsidie binnen
                                dertien weken na afloop van de aanvraagperiode.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De beslissing, bedoeld in het eerste lid, kan eenmaal met ten
                                hoogste dertien weken worden verdaagd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.6</nr><titel>Verplichtingen algemeen</titel></kop><al>De subsidieontvanger is verplicht de administratie en de daartoe
                            behorende bescheiden die betrekking hebben op de verstrekte subsidie ten
                            minste gedurende een periode van vijf jaar na vaststelling van de
                            desbetreffende subsidie te bewaren.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.7</nr><titel>Toezicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens
                                deze uitvoeringsregeling zijn belast de bij besluit van Gedeputeerde
                                Staten aan te wijzen personen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling
                                gedaan door plaatsing in het Provinciaal Blad.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.8</nr><titel>Certificering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Gedeputeerde Staten kunnen besluiten tot afgifte van de volgende
                                certificaten:</al><lijst><li nr="a."><al>natuurbeheer;</al></li><li nr="b."><al>samenwerkingsverband natuurbeheer;</al></li><li nr="c."><al>collectief agrarisch natuurbeheer.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Gedeputeerde Staten kunnen besluiten om de in het eerste lid
                                genoemde certificaten te schorsen of in te trekken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Gedeputeerde Staten kunnen nadere regels vaststellen met betrekking
                                tot het aanvragen, schorsen en intrekken van certificaten.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>2</nr><titel>Natuur- en landschapsbeheer</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1</nr><titel>Doelgroep</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Subsidie kan worden aangevraagd door:</al><lijst><li nr="a."><al>natuurlijke personen, die krachtens eigendom of erfpacht
                                            zeggenschap hebben over het natuurterrein waarvoor
                                            subsidie wordt aangevraagd;</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>privaatrechtelijke rechtspersonen en Staatsbosbeheer,
                                            die krachtens eigendom of erfpacht zeggenschap hebben
                                            over het natuurterrein waarvoor subsidie wordt
                                            aangevraagd;</al></li></lijst><lijst><li nr="c."><al>verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid bestaande
                                            uit natuurlijke personen of rechtspersonen als bedoeld
                                            onder a of b;</al></li><li nr="d."><al> rechtspersonen die volgens een door Gedeputeerde Staten
                                            te bepalen model een overeenkomst zijn aangegaan met
                                            natuurlijke personen of rechtspersonen als bedoeld onder
                                            a of b.</al></li></lijst></li></lijst><lijst><li nr="2."><al>Onverminderd het eerste lid en in afwijking van artikel 2.3 kan
                                    subsidie worden aangevraagd door gemeenten en
                                    samenwerkingsverbanden als bedoeld in de Wet gemeenschappelijke
                                    regelingen waaraan in meerderheid gemeenten deelnemen, voor
                                    zover deze voor het natuurterrein waarvoor subsidie wordt
                                    aangevraagd, subsidie ontvangen op basis van de Subsidieregeling
                                    natuurbeheer Noord-Holland of de Uitvoeringsregeling natuur- en
                                    landschapsbeheer Noord-Holland, waarbij: </al><lijst><li nr="a."><al>de periode waarvoor de subsidie overeenkomstig de
                                            Subsidieregeling natuurbeheer Noord-Holland of de
                                            Subsidieregeling natuur- en landschapsbeheer
                                            Noord-Holland wordt verstrekt op of na 31 december 2015
                                            eindigt, en</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>de subsidie natuurbeheer die op grond van de onderhavige
                                            regeling kan worden verstrekt niet later ingaat dan 1
                                            januari van het kalenderjaar, volgend op het jaar waarin
                                            de in onderdeel a bedoelde subsidie eindigt.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.</nr><titel>Subsidiabele activiteiten</titel></kop><al>Subsidie kan worden verstrekt voor:</al><lijst><li nr="a."><al>het beheer van natuurbeheertypen;</al></li><li nr="b."><al>het beheer van landschapsbeheertypen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Subsidie wordt in ieder geval geweigerd indien: </al><lijst><li nr="a."><al>de subsidieaanvrager een rechtspersoon is die
                                            waterwinning als doelstelling heeft;</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>de subsidieaanvrager een privaatrechtelijke
                                            rechtspersoon is die kennelijk is opgericht ten behoeve
                                            van het beheer van grond of water, waarvan de eigendom
                                            geheel of gedeeltelijk berust bij de rechtspersoon,
                                            bedoeld onder a of een publiekrechtelijke
                                            rechtspersoon;</al></li></lijst><lijst><li nr="c."><al>de subsidieaanvrager een onderneming is die in
                                            financiële moeilijkheden verkeert, als bedoeld in de
                                            Communautaire richtsnoeren inzake staatssteun voor
                                            reddings-en herstructureringssteun aan niet-financiële
                                            ondernemingen in moeilijkheden (PbEU 2014/C
                                            249/01);</al></li></lijst><lijst><li nr="d."><al>de subsidieaanvrager het natuurterrein waarop de
                                            subsidieaanvraag ziet heeft verkregen van:</al><lijst><li nr="1e"><al>een gemeente;</al></li></lijst><lijst><li nr="2e"><al>een samenwerkingsverband als bedoeld in de Wet
                                                  gemeenschappelijke regelingen waaraan in
                                                  meerderheid gemeenten deelnemen;</al></li></lijst><lijst><li nr="3e."><al>het Rijksvastgoed- en ontwikkelbedrijf van het
                                                  ministerie van Financiën;</al></li></lijst><lijst><li nr="4e."><al>een waterschap; of,</al></li></lijst><lijst><li nr="5e."><al>een waterleidingmaatschappij.</al></li></lijst></li></lijst></li></lijst><lijst><li nr="2."><al>In afwijking van het eerste lid, onder d, kan subsidie worden
                                    verstrekt, indien het natuurterrein waarop de subsidieaanvraag
                                    ziet is aangemerkt als een onderdeel waarvoor subsidie kan
                                    worden aangevraagd in het natuurbeheerplan.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4</nr><titel>Subsidievereisten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Om voor subsidie als bedoeld in artikel 2.2 in aanmerking te komen
                                wordt voldaan aan de volgende vereisten:</al><lijst><li nr="a."><al>de activiteiten vinden plaats op een natuurterrein dat is
                                        aangemerkt als een onderdeel waarvoor subsidie kan worden
                                        aangevraagd in het natuurbeheerplan;</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>de activiteiten zijn gericht op de instandhouding van het
                                        natuurbeheertype of landschapsbeheertype; </al></li></lijst><lijst><li nr="c."><al>de activiteiten zijn gericht op beheer van natuur behorende
                                        tot het natuurnetwerk Nederland (NNN);</al></li><li nr="d."><al>de subsidieaanvrager als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid
                                        onder a en b, beschikt over een individueel certificaat of
                                        een groepscertificaat;</al></li><li nr="e."><al>de subsidieaanvrager als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid
                                        onder c en d, beschikt over een groepscertificaat, of de
                                        natuurlijke personen of rechtspersonen als bedoeld in
                                        artikel 2.1, eerste lid onder a of b, die het beheer
                                        uitvoeren beschikken elk afzonderlijk over een individueel
                                        certificaat;</al></li><li nr="f."><al>de subsidieaanvrager als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid
                                        onder d, dient bij de subsidieaanvraag afschriften in van de
                                        in dat artikel genoemde overeenkomst die hij heeft gesloten
                                        met de natuurlijke personen of rechtspersonen als bedoeld in
                                        artikel 2.1, eerste lid onder a of b, die het beheer
                                        uitvoeren.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De schapentoeslag, monitoringstoeslag of recreatietoeslag kan
                                slechts worden verstrekt in aanvulling op de subsidie die de
                                subsidieontvanger ontvangt voor het beheer van
                                natuurbeheertypen;</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> De recreatietoeslag wordt slechts verstrekt voor zover het
                                natuurterrein niet ingevolge artikel 2.9, vierde lid, is vrijgesteld
                                van de openstellingsplicht;</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De vaartoeslag wordt slechts verstrekt in aanvulling op de subsidie
                                die de subsidieontvanger ontvangt voor het beheer van
                                natuurbeheertypen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al> De subsidieaanvraag gaat vergezeld van een kaart waarop de
                                buitengrenzen van de natuurterreinen zijn aangegeven.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Indien een subsidieaanvrager als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid
                                onder c en d, niet beschikt over een groepscertificaat, gaat de
                                aanvraag voor het beheerjaar 2017 vergezeld van de individuele
                                certificaten, of aanvragen daartoe, van de natuurlijke personen of
                                rechtspersonen als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder a of b,
                                die het beheer uitvoeren.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5</nr><titel>Subsidiabele kosten</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De volgende kosten komen voor subsidie in aanmerking:</al><lijst><li nr="a."><al>kosten voor het beheer van een natuurterrein;</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>kosten voor de inzet van gescheperde schaapskuddes op
                                            een natuurterrein;</al></li></lijst><lijst><li nr="c."><al>kosten voor monitoring, indien de subsidieaanvrager over
                                            een certificaat beschikt;</al></li></lijst><lijst><li nr="d."><al>kosten voor het recreatief toegankelijk maken en houden
                                            van een natuurterrein;</al></li></lijst><lijst><li nr="e."><al>kosten die verband houden met het beheer van natuur- en
                                            landschapsbeheertypen op een natuurterrein dat alleen
                                            varend kan worden bereikt. </al></li></lijst></li></lijst><lijst><li nr="2."><al>Gemeenten en samenwerkingsverbanden als bedoeld in de Wet
                                    gemeenschappelijke regelingen, waaraan in meerderheid gemeenten
                                    deelnemen, komen niet in aanmerking voor de kosten, bedoeld in
                                    het eerste lid, onder d.</al></li><li nr="3."><al> Subsidiabel gestelde kosten zijn slechts subsidiabel indien de
                                    activiteiten zijn verricht nadat de aanvraag om subsidie is
                                    ingediend.</al></li><li nr="4."><al>Bij een subsidieaanvrager als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid
                                    onder c en d, die niet beschikt over een groepscertificaat, zijn
                                    de activiteiten van een natuurlijk persoon of rechtspersoon als
                                    bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder a of b, die het beheer
                                    uitvoert niet subsidiabel indien deze niet langer over een
                                    individueel certificaat beschikt.</al></li><li nr="5."><al> Indien een aangevraagd individueel certificaat als bedoeld in
                                    artikel 2.4, vijfde lid, niet voor 1 oktober 2017 is afgegeven,
                                    zijn de activiteiten die de desbetreffende natuurlijke persoon
                                    of rechtspersoon heeft verricht niet subsidiabel.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6</nr><titel>Subsidiehoogte</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 2.2, wordt bepaald
                                    door het aantal hectares van het desbetreffende
                                    natuurbeheertype, en het aantal hectares, meters of stuks van
                                    het desbetreffende landschapsbeheertype, te vermenigvuldigen met
                                    het tarief vermenigvuldigd met zes jaar.</al></li><li nr="2."><al>Indien van toepassing wordt het tarief, bedoeld in het eerste
                                    lid, verhoogd met:</al><lijst><li nr="a."><al>het normbedrag voor monitoring per natuurbeheertype,
                                            vermenigvuldigd met het aantal hectares ;</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>het normbedrag voor de recreatietoeslag, vermenigvuldigd
                                            met het aantal hectares; </al></li></lijst><lijst><li nr="c."><al>het normbedrag voor de schapentoeslag, vermenigvuldigd
                                            met het aantal hectares;</al></li></lijst></li></lijst><lijst><li nr="3."><al>Het tarief, bedoeld in het eerste lid, wordt verhoogd met het
                                    normbedrag voor de vaartoeslag, vermenigvuldigd met het aantal
                                    hectares vermenigvuldigd met zes jaar.</al></li><li nr="4."><al>Indien toepassing van het eerste en tweede lid ertoe leidt dat
                                    de subsidie minder bedraagt dan € 5.000, wordt de subsidie niet
                                    verstrekt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7</nr><titel>Verdeelcriteria</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het beschikbare subsidiebedrag wordt verdeeld op volgorde van
                                binnenkomst van de subsidieaanvragen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een subsidieaanvraag nog niet volledig is, geldt voor het
                                bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de
                                subsidie de dag waarop de subsidieaanvraag volledig is als datum van
                                binnenkomst. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien het subsidieplafond op enige dag wordt bereikt, dan vindt
                                rangschikking van de op die dag binnengekomen volledige
                                subsidieaanvragen plaats door middel van loting.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.8</nr><titel>Subsidieverlening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De subsidie, bedoeld in artikel 2.2, wordt verleend voor een periode
                                van zes aaneengesloten jaren, welke periode steeds begint op 1
                                januari.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Gedeputeerde Staten kunnen de subsidie verlenen onder de
                                opschortende voorwaarde dat binnen drie maanden na de datum van
                                bekendmaking van de beschikking tot subsidieverlening een
                                overeenkomst ter uitvoering van de beschikking tot subsidieverlening
                                als bedoeld in artikel 4:36 van de Awb tot stand komt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.9</nr><titel>Verplichtingen van de subsidieontvanger</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd artikel 1.6 heeft de subsidieontvanger de volgende
                                    verplichtingen:</al><lijst><li nr="a."><al>het verrichten van al het beheer dat noodzakelijk is
                                            voor de instandhouding van de natuurbeheertypen en
                                            landschapsbeheertypen en geen handelingen te verrichten
                                            of te gedogen die afbreuk doen aan de instandhouding
                                            daarvan;</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>er voor zorgdragen dat door of vanwege Gedeputeerde
                                            Staten monitoringswerkzaamheden kunnen worden uitgevoerd
                                            op het desbetreffende natuurterrein;</al></li></lijst><lijst><li nr="c."><al>indien de subsidieontvanger een vergoeding ontvangt als
                                            bedoeld in artikel 2.5, eerste lid, onder c, wordt de
                                            monitoring verricht overeenkomstig het
                                            monitoringsprogramma van de provincie;</al></li></lijst><lijst><li nr="d."><al>het van zonsopgang tot zonsondergang kosteloos
                                            openstellen en toegankelijk houden van het
                                            desbetreffende natuurterrein op ten minste 358 dagen per
                                            jaar;</al></li><li nr="e."><al>ervoor zorg te dragen dat namens Gedeputeerde Staten
                                            audits kunnen worden uitgevoerd in het kader van de
                                            naleving van de certificeringsvoorwaarden;</al></li><li nr="f."><al>voor de gehele duur van de subsidie over een individueel
                                            certificaat of groepscertificaat te beschikken.</al></li><li nr="g."><al>er voor zorgdragen dat een beheerplan aan Gedeputeerde
                                            Staten beschikbaar wordt gesteld (een beheerplan
                                            overeenkomstig het kwaliteitshandboek dat ten behoeve
                                            van certificering is ingediend bij de Stichting
                                            Certificering SNL); </al><al>en </al></li><li nr="h."><al>Gedeputeerde Staten kunnen aan subsidieontvangers
                                            aanvullende voorwaarden stellen ten aanzien van de
                                            verantwoording over het beheer.</al></li></lijst></li></lijst><lijst><li nr="2."><al>Onverminderd het eerste lid, heeft de subsidieontvanger die een
                                    toeslag ontvangt als bedoeld in artikel 2.5, eerste lid, onder
                                    d, de volgende verplichtingen:</al><lijst><li nr="a."><al>het natuurterrein is voldoende toegankelijk en bevat
                                            voldoende wegen, vaarwegen en paden, die recreatief
                                            gebruik mogelijk maken;</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>de wegen, vaarwegen en paden als bedoeld onder a, worden
                                            onderhouden, ;</al></li></lijst><lijst><li nr="c."><al>de subsidieontvanger verleent medewerking aan de
                                            markering en beheer van routes voor wandelen en fietsen
                                            in het kader van de landelijke wandelroutes, landelijke
                                            fietsroutes en knooppuntennetwerken voor wandelen en
                                            fietsen.</al></li></lijst></li></lijst><lijst><li nr="3."><al>Onverminderd het eerste lid, heeft de subsidieontvanger die een
                                    toeslag ontvangt als bedoeld in artikel 2.5, eerste lid, onder
                                    b, de volgende verplichtingen:</al><lijst><li nr="a."><al>bij het in standhouden van het op het natuurterrein
                                            aanwezig natuurbeheertype wordt gebruik gemaakt van een
                                            of meerdere gescheperde schaapskuddes;</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>het gebruik van een of meerdere gescheperde
                                            schaapskuddes strekt zich uit over de gehele oppervlakte
                                            waarvoor de toeslag door Gedeputeerde Staten wordt
                                            verstrekt.</al></li></lijst></li></lijst><lijst><li nr="4."><al>De subsidieontvanger is vrijgesteld van de verplichting, bedoeld
                                    in het eerste lid, onder d, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>sluiting nodig is bij of krachtens de Flora- en
                                            faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 of de Wet
                                            natuurbescherming;</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>het terrein naar zijn aard buiten machte van de
                                            subsidieontvanger niet toegankelijk is;</al></li></lijst><lijst><li nr="c."><al>er bescherming van de persoonlijke levenssfeer
                                            noodzakelijk is tot een maximum van een hectare, of</al></li></lijst><lijst><li nr="d."><al>het terrein vrijgesteld is op grond van het
                                            natuurbeheerplan.</al></li></lijst></li><li nr="5."><al>Indien de subsidieontvanger niet kan voldoen aan een of meerdere
                                    verplichtingen als bedoeld in het eerste tot en met vierde lid,
                                    doet hij daar zo spoedig mogelijk, doch in ieder geval binnen 8
                                    weken melding van,</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.10</nr><titel>Vervalt </titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.11</nr><titel>Vervalt </titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.12</nr><titel>Bevoorschotting en betaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Gedeputeerde Staten verstrekken een voorschot op het verleende
                                subsidiebedrag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Gedeputeerde Staten nemen binnen tien weken na afloop van ieder
                                kalenderjaar een beslissing tot voorschotverlening.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De beslissing, bedoeld in het eerste lid, kan eenmaal met ten
                                hoogste tien weken worden verdaagd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het voorschot op het verleende subsidiebedrag wordt in vijf gelijke
                                termijnen betaald, steeds binnen zes weken na afloop van de
                                beslissing, bedoeld in het tweede of derde lid, tenzij in de
                                beschikking tot subsidieverlening anders is bepaald.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.13</nr><titel>Wijziging subsidieverlening vanwege vergroting areaal</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De subsidieontvanger kan eenmaal per kalenderjaar in de
                                aanvraagperiode een aanvraag indienen tot wijziging van de
                                beschikking tot subsidieverlening met ingang van het volgend
                                kalenderjaar, gericht op vergroting van het areaal.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Gedeputeerde Staten kunnen besluiten om, overeenkomstig de aanvraag
                                bedoeld in het eerste lid, de beschikking tot subsidieverlening te
                                wijzigen voor de resterende looptijd van de subsidie, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de aanvraag voldoet aan de subsidievereisten genoemd in
                                        artikel 2.4, uitgezonderd het eerste lid onder c, en</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>die wijziging leidt in de resterende looptijd van de
                                        verlening tot een verhoging van het subsidiebedrag van
                                        minimaal € 1.200.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De hoogte van de wijziging van de subsidie wordt bepaald op basis
                                van het tarief en de toeslagen die van toepassing waren ten tijde
                                van het nemen van de beschikking tot subsidieverlening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.14</nr><titel>Subsidievaststelling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Gedeputeerde Staten stellen binnen dertien weken na afloop van de
                                zes aaneengesloten beheerjaren waarvoor de subsidie is verstrekt, de
                                subsidie ambtshalve vast.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De beslissing, bedoeld in het eerste lid, kan eenmaal met ten
                                hoogste dertien weken worden verdaagd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het restant bedrag wordt uitbetaald binnen zes weken na de
                                subsidievaststelling. </al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>3</nr><titel>Agrarisch natuur- en landschapsbeheer</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1</nr><titel>Doelgroep</titel></kop><al>Subsidie kan worden aangevraagd door een vereniging met volledige
                            rechtsbevoegdheid bestaande uit landbouwers en andere grondgebruikers
                            van landbouwgrond. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2</nr><titel>Subsidiabele activiteiten</titel></kop><al>Subsidie kan worden verstrekt voor een project met beheeractiviteiten
                            gericht op behoud en versterking van een leefgebied.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.3</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><al>Subsidie wordt geweigerd voor zover voor het gedeelte van het leefgebied
                            waarvoor subsidie is aangevraagd al een subsidie natuurbeheer op grond
                            van deze regeling is verstrekt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.4</nr><titel>Subsidievereisten</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Om voor subsidie als bedoeld in artikel 3.2 in aanmerking te
                                    komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten:</al><lijst><li nr="a."><al>de aanvrager beschikt over een certificaat collectief
                                            agrarisch natuurbeheer; </al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>het project voldoet aan de beoordelingscriteria voor
                                            gebiedsaanvragen zoals die in het natuurbeheerplan in
                                            paragraaf 4.5 zijn opgenomen, inclusief de daarbij
                                            aangeduide kaarten;</al></li></lijst><lijst><li nr="c."><al>aan het project ligt een gebiedsaanvraag ten grondslag
                                            waarin in ieder geval is opgenomen:</al><lijst><li nr="1e."><al>het minimum en maximum aantal hectares waarvoor
                                                  per leefgebied, of onderdeel van het leefgebied
                                                  beheeractiviteiten worden uitgevoerd, waarbij het
                                                  maximum aantal hectares niet meer dan 15% meer mag
                                                  zijn dan het minimum aantal hectares; </al></li></lijst><lijst><li nr="2e."><al>per leefgebied, of onderdeel van het leefgebied
                                                  een projectomschrijving op het niveau van
                                                  beheerfunctie of cluster van beheeractiviteiten,
                                                  een en ander afhankelijk van het gekozen
                                                  abstractieniveau voor de beoordelingscriteria voor
                                                  gebiedscriteria in het natuurbeheerplan; </al></li></lijst><lijst><li nr="3e."><al>de te realiseren doelen;</al></li></lijst><lijst><li nr="4e."><al>een berekening van de kosten voor het uit voeren
                                                  van het project, gesplitst naar leefgebied of
                                                  onderdeel van het leefgebied; </al></li></lijst><lijst><li nr="5e."><al>een of meer topografische kaarten met een schaal
                                                  van 1:5.000 waarop de buitengrenzen van de
                                                  leefgebieden of onderdelen van de leefgebieden
                                                  waarvoor subsidie wordt aangevraagd zijn
                                                  aangegeven.</al></li></lijst></li></lijst></li></lijst><lijst><li nr="2."><al>Indien een aanvrager niet beschikt over een certificaat
                                    collectief agrarisch natuurbeheer, kan hij in afwijking van het
                                    eerste lid, onder a, in de aanvraagperiode 2015 voor beheerjaar
                                    2016 voor subsidie als bedoeld in artikel 3.2 in aanmerking
                                    komen, indien de aanvrager een aanvraag tot een certificaat
                                    heeft ingediend. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.5</nr><titel>Subsidiabele kosten</titel></kop><al>De volgende kosten komen voor subsidie in aanmerking: </al><lijst><li nr="a."><al>kosten voor het uitvoeren van beheeractiviteiten;</al></li><li nr="b."><al>gederfde inkomsten voor het uitvoeren van
                                    beheeractiviteiten;</al></li><li nr="c."><al>transactiekosten.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.6</nr><titel>vervallen</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.7</nr><titel>Subsidiehoogte</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 3.2, wordt bepaald
                                door het maximum aantal hectares per leefgebied dat voldoet aan de
                                subsidievereisten zoals opgenomen in artikel 3.4 te vermenigvuldigen
                                met de gemiddelde kosten per hectare leefgebied, vermenigvuldigd met
                                zes.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De gemiddelde kosten per hectare leefgebied, bedoeld in het eerste
                                lid, worden bepaald door de begrote kosten per leefgebied, bedoeld
                                in artikel 3.4, eerste lid, onder c, vierde onderdeel, te delen door
                                zes en daarna te delen door het maximum aantal hectares dat voor dat
                                leefgebied is aangevraagd. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien toepassing van het eerste tot en met tweede lid ertoe leidt
                                dat de subsidie minder bedraagt dan € 5.000,-, wordt de subsidie
                                niet verstrekt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.8</nr><titel>Verdeelcriteria</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien binnen de aanvraagperiode meerdere volledige
                                    subsidieaanvragen voor dezelfde locatie binnen een leefgebied
                                    zijn ingediend, wordt een aanvraag geselecteerd door te bepalen
                                    welke aanvraag het meest ecologisch effectief wordt
                                    uitgevoerd.</al></li><li nr="2."><al>Indien de binnen de aanvraagperiode ingediende volledige
                                    subsidieaanvragen het vastgestelde subsidieplafond te boven
                                    gaan, voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de
                                    verdeling van de subsidie een afweging tussen de verschillende
                                    volledige aanvragen op basis van de volgende criteria:</al><lijst><li nr="a."><al>de dekkingsgraad, zijnde de verhouding van het aantal
                                            hectares beheer dat is aangevraagd tot het totaal aantal
                                            hectares leefgebied waarop dat gedeelte van de aanvraag
                                            ziet, te waarderen met maximaal 50 punten;</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>de kwaliteit van beheer, zijnde:</al><lijst><li nr="1e."><al>variatie in beheer, te waarderen met maximaal 40
                                                  punten;</al></li></lijst><lijst><li nr="2e."><al>intensiteit van beheer, te onderscheiden
                                                  in:</al><lijst><li nr="i."><al>het aantal verschillende vormen van beheer dat
                                                  is aangevraagd, te waarderen met maximaal 20
                                                  punten;</al></li></lijst><lijst><li nr="ii."><al>de zwaarte van het aangevraagde beheer, te
                                                  waarderen met maximaal 20 punten;</al></li></lijst></li></lijst></li></lijst></li></lijst><lijst><li nr="3."><al>Indien een onderdeel van de aanvraag minder dan 20 punten
                                    scoort, wordt dat gedeelte van de aanvraag geweigerd.</al></li><li nr="4."><al>Indien toepassing van het tweede lid ertoe leidt dat aanvragen
                                    op een gelijk puntenaantal eindigen, wordt de rangschikking van
                                    die aanvragen bepaald door de gemiddelde kosten per hectare
                                    leefgebied, bedoeld in artikel 3.7, tweede lid, waarbij de
                                    aanvraag met de laagste gemiddelde kosten het hoogst wordt
                                    gerangschikt.</al></li><li nr="5."><al>Indien toepassing van het tweede en vierde lid ertoe leidt dat
                                    aanvragen op een gelijke plekworden gerangschikt, wordt
                                    rangschikking van die aanvragen bepaald door loting.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.9</nr><titel>Externe adviescommissie</titel></kop><al>Gedeputeerde Staten kunnen aanvragen voor subsidie als bedoeld in
                            artikel 3.2 voor advies over artikel 3.8 voorleggen aan een
                            adviescommissie.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.10</nr><titel>Subsidieverlening</titel></kop><al>De subsidie, bedoeld in artikel 3.2, wordt verleend voor een periode van
                            zes aaneengesloten kalenderjaren, welke periode steeds begint op 1
                            januari.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.11</nr><titel>Verplichtingen van de subsidieontvanger</titel></kop><al>De subsidieontvanger heeft in ieder geval de volgende
                            verplichtingen:</al><lijst><li nr="a."><al>uitvoering vindt plaats in leefgebieden;</al></li><li nr="b."><al>de subsidieontvanger doet uiterlijk voor 1 januari van ieder
                                    kalenderjaar per leefgebied of onderdeel van een leefgebied
                                    waarvoor is beschikt een opgave van de beheeractiviteiten op
                                    perceelsniveau in het daartoe door Gedeputeerde Staten
                                    aangewezen systeem;</al></li><li nr="c."><al>de gekozen beheeractiviteit of combinatie van beheeractiviteiten
                                    past bij de beheerfunctie of het cluster van beheeractiviteiten
                                    zoals beschikt en het bijhorende leefgebied zoals aangewezen in
                                    het natuurbeheerplan; </al></li><li nr="d."><al> wijzigingen van activiteiten op perceelsniveau die gedurende
                                    het kalenderjaar optreden, worden door de subsidieontvanger
                                    uiterlijk veertien dagen voorafgaand aan het ingaan van de
                                    wijziging gemeld aan Gedeputeerde Staten, door de wijziging op
                                    perceelsniveau door te voeren via het daartoe onder b bedoelde
                                    systeem. De wijzigingen kunnen tot uiterlijk 30 september van
                                    het lopende beheerjaar worden doorgevoerd;</al></li><li nr="e."><al>wijzigingen bestaande uit het toevoegen van percelen worden door
                                    de subsidieontvanger uiterlijk op 15 mei van het lopende
                                    beheerjaar doorgevoerd via het in onderdeel b bedoelde
                                    systeem;</al></li><li nr="f."><al>wijzigingen bestaande uit het terug trekken van percelen met de
                                    daarbij horende beheeractiviteit zijn mogelijk tot en met 30
                                    september, via het in onderdeel b bedoelde systeem, tenzij
                                    artikel 3 lid 2 van Verordening (EU) nr. 809/2014 zich tegen de
                                    wijziging verzet;</al></li><li nr="g."><al>de subsidieontvanger dient ieder kalenderjaar in de periode
                                    waarin de Gecombineerde data inwinning wordt ingediend een
                                    betaalverzoek in voor dat kalenderjaar. De subsidieontvanger
                                    dient deze aanvraag in via een door Gedeputeerde Staten
                                    beschikbaar gesteld formulier</al></li><li nr="h."><al>de subsidieontvanger dient uiterlijk 1 oktober van ieder
                                    kalenderjaar een verantwoording in waarin is beschreven:</al><lijst><li nr="1e."><al>welke activiteiten als bedoeld onder b, daadwerkelijk
                                            zijn uitgevoerd;</al></li></lijst><lijst><li nr="2e."><al>welke wijzigingen als bedoeld onder d, e en f hebben
                                            plaatsgevonden en waarom;</al></li></lijst></li><li nr="i."><al>de subsidieontvanger dient uiterlijk 1 december van ieder
                                    kalenderjaar een voortgangsverslag in;</al></li><li nr="j."><al>de subsidieontvanger beschikt voor de gehele duur van de
                                    subsidie over een certificaat collectief agrarisch
                                    natuurbeheer;</al></li></lijst><lijst><li nr="k."><al>de subsidieontvanger draagt er zorg voor dat er door of vanwege
                                    Gedeputeerde Staten audits kunnen worden uitgevoerd in het kader
                                    van de naleving van de certificeringsvoorwaarden;</al></li><li nr="l."><al>de subsidieontvanger verleent medewerking aan een toezichthouder
                                    als bedoeld in artikel 1.7 om toezicht te houden op de naleving
                                    van de subsidieverplichtingen en verleent een toezichthouder
                                    ongehinderd toegang tot percelen;</al></li><li nr="m."><al>de subsidieontvanger draagt er zorg voor dat door of vanwege
                                    Gedeputeerde Staten monitoringswerkzaamheden kunnen worden
                                    uitgevoerd in het desbetreffende leefgebied.</al></li><li nr="n."><al>uiterlijk veertien dagen na het uitvoeren van de hierna genoemde
                                    activiteiten doet de subsidieontvanger daarvan een melding in
                                    het onder b) bedoelde systeem:</al><al>1°. het bemesten met ruige mest;</al><al>2°. het schoonmaken van watergangen;</al><al>3°. het snoeien;</al><al>4°. het spuiten van bagger,</al><al>5°. het maaien en/of schonen.</al></li><li nr="o."><al>uiterlijk vijf werkdagen dagen na het treffen van maatregelen
                                    ter bescherming van aangetroffen nesten doet de
                                    subsidieontvanger daarvan een melding in het onder b) bedoelde
                                    systeem.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.12</nr><titel>Bevoorschotting en betaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Gedeputeerde Staten verstrekken een voorschot op het verleende
                                subsidiebedrag, naar aanleiding van het ingediende betaalverzoek,
                                bedoeld in artikel 3.11, onder g.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Gedeputeerde Staten nemen binnen tien weken na afloop van ieder
                                kalenderjaar een beslissing tot voorschotverlening.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De beslissing, bedoeld in het tweede lid, kan eenmaal met ten
                                hoogste tien weken worden verdaagd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het voorschot, bedoeld in het eerste lid, wordt in vijf termijnen
                                betaald, steeds binnen zes weken na afloop van de beslissing,
                                bedoeld in het tweede of derde lid. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De hoogte van het voorschot wordt bepaald door het totaal aantal
                                hectares opgegeven in het betaalverzoek, bedoeld in artikel 3.11,
                                onder g, en waarvoor daadwerkelijk beheeractiviteiten zijn
                                uitgevoerd, per leefgebied te vermenigvuldigen met de gemiddelde
                                kosten per hectare leefgebied, bedoeld in artikel 3.7, tweede
                                lid.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Als het bedrag, bedoeld in het vijfde lid, hoger is dan het totaal
                                bedrag dat voor de uitgevoerde beheeractiviteiten op grond van de
                                vergoeding in bijlage 4 maximaal mag worden vergoed, geldt voor de
                                berekening van het voorschot dit maximum bedrag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.13</nr><titel>Wijziging subsidieverlening </titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De subsidieontvanger kan eenmaal per kalenderjaar in de
                                    aanvraagperiode een aanvraag indienen tot wijziging van de
                                    beschikking tot subsidieverlening met ingang van het volgend
                                    kalenderjaar.</al></li><li nr="2."><al>Onder wijziging van de beschikking tot subsidieverlening wordt
                                    verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>vergroting van de minimum en maximum oppervlakte van het
                                            leefgebied of onderdeel van het leefgebied waarvoor
                                            reeds een beschikking is afgegeven, of</al></li><li nr="b."><al>uitbreiding van de bestaande beschikking met een nieuw
                                            leefgebied of een onderdeel daarvan, of</al></li><li nr="c."><al>aanpassing van de gemiddelde kosten per hectare
                                            leefgebied, of</al></li><li nr="d."><al> een combinatie van een vergroting, zoals bedoeld onder
                                            a, met een aanpassing zoals bedoeld onder c, of</al></li><li nr="e."><al>een combinatie van een uitbreiding, zoals bedoeld onder
                                            b, met een aanpassing zoals bedoeld onder c.v</al></li></lijst></li></lijst><lijst><li nr="3."><al>Gedeputeerde Staten kunnen besluiten om, overeenkomstig de
                                    aanvraag, bedoeld in het eerste lid, de beschikking tot
                                    subsidieverlening te wijzigen voor de resterende looptijd van de
                                    subsidie indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de aanvraag voldoet aan de subsidievereisten genoemd in
                                            artikel 3.4, en</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>die wijziging leidt tot een verhoging van minimaal €
                                            1.200..</al></li></lijst></li></lijst><lijst><li nr="4."><al>In afwijking van de gegevens zoals bedoeld in artikel 3.4,
                                    eerste lid onder c ten 4°, dient de subsidieontvanger een
                                    berekening in van de kosten voor het uitvoeren van het project
                                    gedurende de na wijziging resterende looptijd van de subsidie,
                                    gesplitst naar leefgebied of onderdeel van het leefgebied.</al></li></lijst><lijst><li nr="5."><al>De hoogte van de subsidie wordt bepaald op basis van de
                                    gemiddelde kosten per hectare leefgebied. De gemiddelde kosten
                                    per hectare leefgebied worden bepaald door per leefgebied de
                                    kosten voor het uitvoeren van het project in de resterende
                                    looptijd te delen door het aantal jaren waarvoor de
                                    subsidieverlening na de wijziging nog loopt. Dit bedrag wordt
                                    gedeeld door het maximum aantal hectares waarvoor de
                                    subsidieverlening na de wijziging geldt. Het aldus berekende
                                    bedrag geldt met ingang van het kalenderjaar waarin de wijziging
                                    van kracht wordt voor de resterende looptijd van de subsidie
                                    bedoeld in artikel 3.10.</al></li></lijst><lijst><li nr="6."><al>In afwijking van het bepaalde in het derde lid geldt dat de
                                    aanvraag in de situatie als bedoeld in het tweede lid, onder a,
                                    voldoet aan de subsidievereisten genoemd in artikel 3.4, eerste
                                    lid, sub a, sub b en sub c ten 1º, 4º en 5º.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.14</nr><titel>Subsidievaststelling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Gedeputeerde Staten stellen binnen dertien weken na afloop van de
                                zes aaneengesloten kalenderjaren waarvoor de subsidie is verstrekt,
                                de subsidie ambtshalve vast, naar aanleiding van het door de
                                subsidieontvanger in het zesde en laatste kalenderjaar ingediende
                                betaalverzoek, bedoeld in artikel 3.11, onder g.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De beslissing, bedoeld in het eerste lid, kan eenmaal met ten
                                hoogste dertien weken worden verdaagd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het restant bedrag wordt binnen zes weken na afloop van de
                                beslissing, bedoeld in het eerste of tweede uitbetaald.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De hoogte van het restant bedrag wordt bepaald door het totaal
                                aantal hectares opgegeven in het betaalverzoek, bedoeld in artikel
                                3.11, onder g, en waarvoor daadwerkelijk beheeractiviteiten zijn
                                uitgevoerd, per leefgebied te vermenigvuldigen met de gemiddelde
                                kosten per hectare leefgebied, bedoeld in artikel 3.7, tweede
                                lid.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Als het bedrag, bedoeld in het vierde lid, hoger is dan het totaal
                                bedrag dat voor de uitgevoerde beheeractiviteiten op grond van de
                                vergoeding in bijlage 4 maximaal mag worden vergoed, geldt voor de
                                berekening van het restant bedrag dit maximum bedrag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.15</nr><titel>Verlagen subsidies</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ter uitvoering van Verordening (EU) nr. 640/2014 verlagen
                                Gedeputeerde Staten de verleende of vastgestelde subsidie indien er
                                onregelmatigheden zijn geconstateerd bij de uitvoering van controles
                                als bedoeld in artikel 28 en 37 van Verordening (EU) nr.
                                809/2014.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Indien een landbouwer, of andere grondgebruiker van landbouwgrond,
                                die ten behoeve van de subsidieontvanger beheeractiviteiten
                                uitvoert, subsidieverplichtingen, de baseline of randvoorwaarden
                                schendt, wordt de schending toegerekend aan de
                                subsidieontvanger</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.16</nr><titel>Overgangsbepalingen</titel></kop><al>Voor het kalenderjaar 2016 verlenen Gedeputeerde Staten tot en met 15
                            januari 2016 uitstel van de verplichting, bedoeld in artikel 3.11,
                            onderdeel b.</al><al/></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>4</nr><titel>Overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1</nr><titel>Intrekking</titel></kop><al>De Uitvoeringsregeling natuur- en landschapsbeheer Noord-Holland 2016
                            (SVNL 2016) wordt ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2</nr></kop><al>Openstellingsbesluiten die zijn vastgesteld op grond van artikel 1.2 van
                            de Uitvoeringsregeling natuur- en landschapsbeheer 2016 (SVNL 2016), met
                            inbegrip van hetgeen daarin op grond van artikel 1.2 lid 2 van die
                            regeling is bepaald, worden geacht tevens te zijn genomen op grond van
                            artikel 1.2 van de Uitvoeringsregeling natuur-en landschapsbeheer
                            2016-2021 (SVNL 2016-2021).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3</nr></kop><al>Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van
                            uitgifte van het Provinciaal Blad waarin zij wordt geplaatst.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze regeling wordt aangehaald als: Uitvoeringsregeling natuur- en
                            landschapsbeheer Noord-Holland 2016-2021 (SVNL 2016-2021)</al></artikel></paragraaf></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Haarlem, 1 september 2015.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>Gedeputeerde Staten van Noord-Holland.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>J.W. Remkes, voorzitter.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>G.E.A. van Craaikamp, provinciesecretaris.</ondertekening></regeling-sluiting><bijlage><kop><titel>BIJLAGE 1 </titel></kop><tussenkop>Index landschap</tussenkop><al><onderstreept>Leeswijzer</onderstreept></al><al><onderstreept>L01 Groenblauwe landschapselementen</onderstreept> 16</al><al><vet><onderstreept>L01.01 Poel en klein historisch water</onderstreept></vet>
                    17</al><al><onderstreept>L01.01.00 </onderstreept><onderstreept>Poel en klein historisch
                        water - gemiddeld</onderstreept> 18</al><al><onderstreept>L01.01.01a</onderstreept><onderstreept>Oppervlakte poel &lt; 175
                        m2</onderstreept> 18</al><al><onderstreept>L01.01.01b</onderstreept><onderstreept>Oppervlakte poel &gt; 175
                        m2</onderstreept> 18</al><al><onderstreept>L01.02.00 </onderstreept><onderstreept>Houtwal en houtsingel –
                        gemiddeld</onderstreept> 21</al><al><onderstreept>L01.02.01</onderstreept><onderstreept>Houtsingel en
                        houtwal</onderstreept> 21</al><al><onderstreept>L01.02.02</onderstreept><onderstreept>Hoge houtwal</onderstreept>
                    21</al><al><onderstreept>L01.02.03</onderstreept><onderstreept>Holle weg en
                        graft</onderstreept> 21</al><al><vet><onderstreept>L01.03 Elzensingel</onderstreept></vet> 22</al><al><onderstreept>L01.03.00 </onderstreept><onderstreept>Elzensingel -
                        gemiddeld</onderstreept> 23</al><al><onderstreept>L01.03.01a</onderstreept><onderstreept>Bedekking elzensingel
                        30-50%</onderstreept> 23</al><al><onderstreept>L01.03.01b</onderstreept><onderstreept>Bedekking elzensingel
                        50%-75%</onderstreept> 23</al><al><onderstreept>L01.03.01c</onderstreept><onderstreept>Bedekking elzensingel &gt;
                        75%</onderstreept> 23</al><al><vet><onderstreept>L01.04 Bossingel en bosje</onderstreept></vet> 24</al><al><onderstreept>L01.04.01</onderstreept><onderstreept>Bossingel en
                        bosje</onderstreept> 25</al><al><vet><onderstreept>L01.05 Knip- of scheerheg</onderstreept></vet> 25</al><al><onderstreept>L01.05.00 </onderstreept><onderstreept>Knip- of scheerheg –
                        gemiddeld</onderstreept> 26</al><al><onderstreept>L01.05.01a Knip- en scheerheg; jaarlijks scheren of
                        knippen</onderstreept> 26</al><al><onderstreept>L01.05.01b</onderstreept><onderstreept>Knip- en scheerheg; eenmaal
                        per 2-3 jaar scheren of knippen</onderstreept> 26</al><al><vet><onderstreept>L01.06 Struweelhaag</onderstreept></vet> 27</al><al><onderstreept>L01.06.00 </onderstreept><onderstreept>Struweelhaag –
                        gemiddeld</onderstreept> 28</al><al><onderstreept>L01.06.01a</onderstreept><onderstreept>Struweelhaag snoeicyclus
                        5-7 jaar</onderstreept> 28</al><al><onderstreept>L01.06.01b</onderstreept><onderstreept>Struweelhaag snoeicyclus
                        &gt; 12 jaar</onderstreept> 28</al><al><vet><onderstreept>L01.07 Laan</onderstreept></vet> 29</al><al><onderstreept>L01.07.00 </onderstreept><onderstreept>Laan-
                        gemiddeld</onderstreept> 30</al><al><onderstreept>L01.07.01a</onderstreept><onderstreept>Gemiddelde stamdiameter
                        bomen &lt; 20 cm</onderstreept> 30</al><al><onderstreept>L01.07.01b</onderstreept><onderstreept>Gemiddelde stamdiameter
                        bomen 20-60 cm</onderstreept> 30</al><al><onderstreept>L01.07.01c</onderstreept><onderstreept>Gemiddelde stamdiameter
                        bomen &gt; 60 cm</onderstreept> 30</al><al><vet><onderstreept>L01.08 Knotboom</onderstreept></vet> 31</al><al><onderstreept>L01.08.00 </onderstreept><onderstreept>Knotboom -
                        gemiddeld</onderstreept> 32</al><al><onderstreept>L01.08.01a</onderstreept><onderstreept>Gemiddelde stamdiameter
                        knotboom &lt; 20 cm</onderstreept> 32</al><al><onderstreept>L01.08.01b </onderstreept><onderstreept>Gemiddelde stamdiameter
                        knotboom 20-60 cm</onderstreept> 32</al><al><onderstreept>L01.08.01c</onderstreept><onderstreept>Gemiddelde stamdiameter
                        knotboom &gt; 60 cm</onderstreept> 32</al><al><vet><onderstreept>L01.09 Hoogstamboomgaard</onderstreept></vet> 33</al><al><onderstreept>L01.09.01</onderstreept><onderstreept>Hoogstamboomgaard</onderstreept>
                    34</al><al><vet><onderstreept>L01.10 Struweelrand</onderstreept></vet> 35</al><al><onderstreept>L01.10.01</onderstreept><onderstreept>Struweelrand</onderstreept>
                    36</al><al><vet><onderstreept>L01.11
                            </onderstreept></vet><vet><onderstreept>Hakhoutbosje</onderstreept></vet>
                    37</al><al><onderstreept>L01.11.01a</onderstreept><onderstreept>Droog hakhoutbosje
                        (zomereik, wintereik, berk en haagbeuk dominant)</onderstreept> 38</al><al><onderstreept>L01.11.01b</onderstreept><onderstreept>Vochtig en nat hakhoutbosje
                        (zwarte els en/of gewone es dominant)</onderstreept> 38</al><al><vet><onderstreept>L01.12 Griendje</onderstreept></vet> 39</al><al><onderstreept>L01.12.01</onderstreept><onderstreept>Griendje</onderstreept>
                    40</al><al><vet><onderstreept>L01.13 Bomenrij en solitaire boom</onderstreept></vet>
                    41</al><al><onderstreept>L01.13.01</onderstreept><onderstreept>Bomenrij en solitaire
                        boom</onderstreept> 42</al><al><vet><onderstreept>L01.14 </onderstreept></vet><vet><onderstreept>Rietzoom en
                            klein rietperceel</onderstreept></vet> 43</al><al><onderstreept>L01.14.01a</onderstreept><onderstreept>Smalle rietzoom (&lt; 5
                        meter)</onderstreept> 43</al><al><onderstreept>L01.14.01b </onderstreept><onderstreept>Brede rietzoom (&gt; 5
                        meter) en klein rietperceel</onderstreept> 43</al><al><vet><onderstreept>L01.15 Natuurvriendelijke oever</onderstreept></vet> 44</al><al><onderstreept>L01.15.01</onderstreept><onderstreept>Natuurvriendelijke
                        oever</onderstreept> 44</al><al><onderstreept>L02 Historische gebouwen en omgeving</onderstreept> 45</al><al><vet><onderstreept>L02.01 Fortterrein</onderstreept></vet> 46</al><al><vet><onderstreept>L02.02 Historisch bouwwerk en erf</onderstreept></vet>
                    48</al><al><vet><onderstreept>L02.03 Historische tuin</onderstreept></vet> 49</al><al><onderstreept>L03 Aardwerken</onderstreept> 52</al><al><vet><onderstreept>L03.01 Aardwerk en groeve</onderstreept></vet> 52</al><al><onderstreept>L04 Recreatieve landschapselementen</onderstreept> 54</al><al><vet><onderstreept>L04.01 Wandelpad over boerenland</onderstreept></vet> 54</al><al><onderstreept>L04.01.01</onderstreept><onderstreept>Wandelpad over
                        boerenland</onderstreept> 55</al><al/><al> Leeswijzer</al><tussenkop><cursief>Systematiek</cursief></tussenkop><al>In het kader van de vereenvoudiging en transparantie van het Stelsel Natuur- en
                    Landschapsbeheer (SNL) is een systematiek ontwikkeld die aansluit op de
                    systematiek van de onderdelen Natuur en Agrarisch:</al><al/><al/><al>L = Landschap</al><al>L01 = landschapselemententypen</al><al>L01.01 = landschapsbeheertypen</al><al>L01.01.01 = pakket</al><al>L01.01.01a = pakketvariant</al><al/><al>Binnen het onderdeel Landschap zijn er 4 natuurtypen vastgesteld met daaronder
                    20 beheertypen. De beheertypen zijn vervolgens verder uitgesplitst in
                    verschillende pakketten die het mogelijk maakt om ook op agrarische grond
                    beheersubsidie aan te kunnen vragen voor landschapsbeheer.</al><al/><al>Uitgangspunten van de typologie zijn: </al><lijst><li nr="·"><al>Natuurtypen zijn bedoeld als sturingsinstrument op landelijk en
                            regionaal niveau. </al></li><li nr="·"><al>Natuurtypen zijn bruikbaar om afspraken op het gebied van
                            landschapsbeheer, ruimtelijke ontwikkeling en milieu op elkaar af te
                            stemmen zodat de nagestreefde natuurkwaliteit gerealiseerd kan worden.
                        </al></li><li nr="·"><al>Natuurbeheertypen zijn bruikbaar voor het typeren van een doelstelling
                            van grote gebieden.</al></li><li nr="·"><al>Zowel natuurlijke landschappen als groene cultuurhistorische elementen
                            zijn geïntegreerd in de natuurtypen. </al></li><li nr="·"><al>De indeling in natuurtypen zowel gebaseerd op abiotische als op
                            biotische condities en op cultuurhistorie. </al></li><li nr="·"><al>Beheertypen zijn bedoeld voor de classificering en indeling van het
                            beheer. </al></li><li nr="·"><al>Beheertypen kunnen (op regionaal niveau) beschouwd worden als eenheden
                            met een kleine variatie in natuurwaarde en abiotische randvoorwaarden.
                        </al></li><li nr="·"><al>Beheertypen zijn geschikt om zowel actuele situaties als doelen mee te
                            beschrijven. </al></li><li nr="·"><al>Binnen een beheertype is sprake van een vergelijkbaar beheer en
                            vergelijkbare kosten (koppeling doelen en middelen). </al></li><li nr="·"><al>Pakketten zijn bedoeld voor de aansturing van het agrarisch
                            natuurbeheer.</al></li><li nr="·"><al>Pakketten zijn bruikbaar voor het typeren van de doelstelling op
                            perceelsniveau.</al></li><li nr="·"><al>De indeling in pakketten is met name gebaseerd op een plaatsing in het
                            ruimtelijk kader (als rand of vlak), beheercyclus, variatie in
                            dichtheden en hydrologische toestand.</al><al/></li></lijst><al>Van alle landschapselemententypen is een algemene beschrijving opgenomen. De
                    algemene beschrijving geeft een indruk van het voorkomen en geografische
                    verspreiding van de beheertypen, de kenmerkende natuurwaarden en belangrijkste
                    abiotische en ruimtelijke condities. </al><al/><al>Ook van alle landschapsbeheertypen is een algemene beschrijving opgenomen die
                    samen met de afbakening de basis vormt voor de classificering van de
                    beheertypen. Daarnaast zijn de afbakeningen met name gebaseerd op de minimale
                    oppervlakte en/of afmeting in het kader van ecologische en financiële
                    haalbaarheid van de vergoedingen. </al><al/><al>In de landschapsbeheertypen staat ook aangegeven dat vanwege de cofinanciering
                    bij agrarisch landschapsbeheer aan bepaalde (beheer)eisen voldaan moet worden
                    wil men in aanmerking komen voor een vergoeding voor het beheer. De algemene
                    beheereisen vormen de basis van het (agrarisch landschaps)beheer, die verder
                    aangevuld wordt met de onder de pakketten weergegeven specifieke beheereisen. </al><al/><al>L01 Groenblauwe landschapselementen</al><al/><tussenkop><cursief>Algemene beschrijving</cursief></tussenkop><al>In de loop der eeuwen zijn in het Nederlandse landschap diverse
                    landschapselementen verschenen. Sommige van deze landschapselementen zijn al
                    eeuwen oud. De functie was vaak meerledig: zo dienden dergelijke
                    landschapselementen als perceelsscheiding, veekering of drinkwatervoorziening
                    voor het vee maar ze leverden ook gebruikshout op. Door de komst van
                    prikkeldraad, de schaalvergroting en ruilverkavelingen zijn vele kilometers en
                    hectares van deze elementen verdwenen.</al><al>Deze landschapselementen vertegenwoordigen vaak een hoge natuurwaarde, doordat
                    veel dieren en planten er beschutting, dekking en voedsel vinden. De lijnvormige
                    landschapelementen worden gebruikt als migratieroute door veel zoogdieren als
                    vleermuizen en das. De blauwe landschapselementen dienen als
                    voortplantingsplaats van amfibieën en insecten. Veel vogels vinden
                    nestgelegenheid in de dichtte begroeiing of juist in de ontstane holtes als
                    gevolg van het intensieve beheer dat bij deze landschapelementen plaatsvindt.
                    Planten en insecten profiteren optimaal van de vele microklimaten die de
                    landschapelementen bieden. </al><al/><tussenkop>Beheertypen</tussenkop><al>Dit natuurtype omvat de volgende beheertypen:</al><lijst><li nr="·"><al>L01.01 Poel en klein historisch water</al></li><li nr="·"><al>L01.02 Houtwal en houtsingel</al></li><li nr="·"><al>L01.03 Elzensingel</al></li><li nr="·"><al>L01.04 Bossingel en bosje</al></li><li nr="·"><al>L01.05 Knip- en scheerheg</al></li><li nr="·"><al>L01.06 Struweelhaag</al></li><li nr="·"><al>L01.07 Laan</al></li><li nr="·"><al>L01.08 Knotboom</al></li><li nr="·"><al>L01.09 Hoogstamboomgaard</al></li><li nr="·"><al>L01.10 Struweelrand</al></li><li nr="·"><al>L01.11 Hakhoutbosje</al></li><li nr="·"><al>L01.12 Griendje</al></li><li nr="·"><al>L01.13 Bomenrij en solitaire boom</al></li><li nr="·"><al>L01.14 Rietzoom en klein rietperceel</al></li><li nr="·"><al>L01.15 Natuurvriendelijke oever</al><al/><al><vet>L01.01 Poel en klein historisch water</vet></al><al/><al><vet>Algemene beschrijving</vet></al><al>Poelen zijn natuurlijke of gegraven laagtes, gemaakt om over water voor
                            vee te kunnen beschikken. Andere al dan niet gegraven kleine wateren met
                            een historische betekenis zijn bijvoorbeeld voorraadbassins voor
                            bluswater, visvijvers, schapenwasplaatsen, pingoruïnes en veenputten.
                            Vaak vervulden poelen meerdere functies. De mens heeft altijd water
                            nodig gehad en daarvoor zijn zowel bestaande natuurlijke wateren als
                            zelf gegraven laagtes gebruikt. Ook uit de middeleeuwen zijn putten en
                            kuilen bekend. Tot op de dag van vandaag worden poelen gegraven en
                            gebruikt. Poelen en kleine wateren in het landschap kunnen dus al eeuwen
                            oud zijn, alhoewel sommige van zeer recente datum zijn, denk aan nieuw
                            gegraven amfibieënpoelen. Het beheertype Poel en klein historisch water
                            is te vinden in heel Nederland. Er zijn diverse vormen bekend.</al><al>In het waterrijke West-Nederland dienden de sloten veelal als
                            veedrinkplek en waren poelen dan ook minder noodzakelijk. In dit gebied
                            vinden we de veenputten die door het kleinschalig afgraven van veen zijn
                            ontstaan. </al><al>Als drinkplaats voor vee zijn poelen daar te vinden waar ander
                            drinkwater niet voorhanden was. Vooral in Oost- en Zuid-Nederland zijn
                            poelen veel voorkomende landschapselementen. In de kustgebieden zijn
                            poelen aangelegd om in zoet water te voorzien in een zilte omgeving.
                            Deze poelen werden dan in een kunstmatige verhoging gegraven. Dit zijn
                            de zogenaamde hollestelles. Deze zijn vooral in Zeeland te vinden en
                            liggen vaak buitendijks. Wateren die als bluswater dienden zijn veel
                            nabij boerderijen en nederzettingen te vinden. Visvijvers komen vooral
                            veel in Brabant en Zuid-Limburg voor. Het is belangrijk de historische
                            contouren/vormen te behouden, zeker bij de visvijvers. </al><al>Openheid rondom (een deel van) de poel kan de zichtbaarheid en
                            beleefbaarheid vergroten en is van belang om een goed
                            voortplantingsbiotoop voor amfibieën te behouden. In het verleden was
                            zeker bij veedrinkpoelen het element bereikbaar voor vee en dus in ieder
                            geval deels onbegroeid. Vaak stonden er wel enkele bomen bij een poel
                            voor schaduw voor de dieren en tegen verdamping. Soms kennen poelen
                            gemetselde randen, zoals uit Zuid-Limburg bekend is. Poelen zijn van
                            groot belang als voortplantingsbiotoop voor amfibieën en libellen in het
                            cultuurlandschap. </al><al/><al><vet>Afbakening</vet></al><lijst><li nr="·"><al>Zowel een poel als een klein historisch water is doorgaans een
                                    geïsoleerd stilstaand water dat gevoed wordt door grond- en/of
                                    regenwater. Een poel mag in verbinding staan met sloten of
                                    greppels wanneer sprake is van een natuurlijke eenheid die vrij
                                    afwatert. Veenputten mogen in verbinding staan met het
                                    slotenstelsel in het gebied. </al></li><li nr="·"><al>Het element heeft een oppervlakte van minimaal 0,5 en maximaal
                                    50 are.</al></li><li nr="·"><al>In Zuid-Limburg heeft een voortplantingspoel voor amfibieën een
                                    oppervlakte van minimaal 0,2 are. </al></li><li nr="·"><al>Vijvers die een onderdeel zijn van een park- of tuinaanleg
                                    vallen niet onder dit beheertype, maar onder beheertype
                                    Historische tuin. </al></li><li nr="·"><al>Wateren die onder N06.05 ‘Zuur ven of Hoogveenven’ of N06.06
                                    ‘Zwakgebufferd ven’ vallen horen niet tot dit beheertype.</al></li><li nr="·"><al>Sloten behoren niet tot dit beheertype.</al><al/></li></lijst><al><vet>Subsidieverplichtingen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Op natuurterrein: De beheerder dient het landschapselement in
                                    stand te houden. De wijze waarop hij deze
                                    instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder
                                    zelf.</al></li><li nr="2."><al>Op landbouwgrond: Het beheerpakket landschap kent een aantal
                                    beheereisen die moeten worden nageleefd.</al><al/></li></lijst><al><vet>Beheereisen</vet></al><lijst><li nr="·"><al>Minimaal de helft van het natte oppervlakte van de poel bestaat
                                    in de lente uit open water. Voor behoud van voldoende open water
                                    wordt het element periodiek opgeschoond. Incidenteel mag het
                                    element in de zomerperiode droogvallen;</al></li><li nr="·"><al>Vertrapping van de oevers bij het gebruik van het element als
                                    veedrinkpoel wordt voorkomen. Bij het gebruik als veedrinkpoel
                                    is minimaal de helft van de oeverlengte uitgerasterd; </al></li><li nr="·"><al>Maximaal 25% van de oeverlengte is begroeid met inheemse bomen
                                    en/of struiken; </al></li><li nr="·"><al>Er mogen geen gewasbeschermingsmiddelen en meststoffen in het
                                    element gebruikt worden;</al></li><li nr="·"><al>Er mogen geen vissen of andere dieren (zoals eenden en ganzen)
                                    worden uitgezet of gekweekt;</al></li><li nr="·"><al>Slootmaaisel of bagger mag niet verwerkt worden in het
                                    element;</al></li><li nr="·"><al>Maai- en schoningswerkzaamheden worden verricht in de periode
                                    tussen 1 september en 15 oktober.</al><al/></li></lijst><al><vet>Beheerpakketten</vet></al><al>L01.01.00 Poel en klein historisch water - gemiddeld</al><al>L01.01.01a Oppervlakte poel &lt; 175 m2</al><al>L01.01.01b Oppervlakte poel &gt; 175 m2</al><al/><al><vet>L01.02 Houtwal en houtsingel </vet></al><al/><al><vet>Algemene beschrijving </vet></al><al>Houtwallen en houtsingels komen in heel Nederland voor en er zijn vele
                            lokale varianten zoals; graften, grubben, dykswâlen, schurvelingen of
                            houtkaden. Houtwallen komen vooral voor in cultuurlandschappen in het
                            Zandgebied, Heuvelland en het Duingebied. Lijnvormige
                            landschapselementen met wallichaam in het laagveengebied worden houtkade
                            genoemd. Ook de begroeiing op graften en holle wegen in Zuid-Limburg
                            valt onder dit type.</al><al>Deze lijnvormige landschapselementen kennen een sterke samenhang met het
                            omringende landschap. Houtwallen en houtsingels zijn bepalend voor het
                            kleinschalige kampenlandschap op de zandgronden. Deze lijnvormige
                            elementen vormen een belangrijk biotoop voor aan struwelen en zomen
                            gebonden flora en fauna in het cultuurlandschap. Ze zijn tevens van
                            belang ter oriëntatie voor vleermuizen en als verbindingszone voor
                            fauna. </al><al><vet>Afbakening</vet></al><lijst><li nr="·"><al>Een houtwal of houtsingel is een vrijliggend lijnvormig en
                                    aaneengesloten landschapselement, al dan niet groeiend op een
                                    aarden wal, met een opgaande begroeiing van inheemse bomen en/of
                                    struiken. De begroeiing wordt als hakhout beheerd.</al></li><li nr="·"><al>De houtwal of houtsingel is minimaal 25 meter lang en maximaal
                                    20 meter breed. </al></li><li nr="·"><al>Elzensingels bestaande uit een enkele rij horen niet tot dit
                                    beheertype, maar tot het beheertype L01.03 Elzensingel. </al></li><li nr="·"><al>Windsingels om boomgaarden en kwekerijen horen niet tot dit
                                    beheertype.</al></li></lijst><al>.</al><al><vet>Subsidieverplichtingen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Op natuurterrein: De beheerder dient het landschapselement in
                                    stand te houden. De wijze waarop hij deze
                                    instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder
                                    zelf.</al></li><li nr="2."><al>Op landbouwgrond: Het beheerpakket landschap kent een aantal
                                    beheereisen die moeten worden nageleefd.</al></li></lijst><al><vet>Beheereisen. </vet></al><lijst><li nr="·"><al>Tenminste 75% van de oppervlakte van het element wordt als
                                    hakhout beheerd en periodiek afgezet;</al></li><li nr="·"><al>Snoeihout mag op stapels of rillen in het element verwerkt
                                    worden voor zover het de ondergroei en/of de stoven niet
                                    schaadt;</al></li><li nr="·"><al>Er mag geen snoeihout verbrand worden in of in de directe
                                    omgeving van het element en als snoeihout versnipperd wordt
                                    mogen de snippers niet verwerkt worden in het element;</al></li><li nr="·"><al>Er mogen geen gewasbeschermingsmiddelen, behalve bij bestrijding
                                    van ongewenste houtsoorten (Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse
                                    eik, Robinia en Ratelpopulier) middels een stobbenbehandeling,
                                    en meststoffen in het element gebruikt worden;</al></li><li nr="·"><al>Het wallichaam wordt in stand gehouden als het element daarvan
                                    is voorzien;</al></li><li nr="·"><al>Het element mag niet betreden en/of beschadigd worden door vee.
                                    Indien het element is uitgerasterd moet het raster op een
                                    zodanige afstand staan dat vraat aan stammen wordt
                                    voorkomen;</al></li><li nr="·"><al>Slootmaaisel of bagger mag niet verwerkt worden in het
                                    element;</al></li><li nr="·"><al>Het afzetten van het element wordt alleen verricht in de periode
                                    tussen 1 oktober en 15 maart. Overhangende takken kunnen
                                    gedurende het gehele jaar worden teruggesnoeid.</al></li></lijst><al><vet>Beheerpakketten </vet></al><al>L01.02.00 Houtwal en houtsingel – gemiddeld</al><al>L01.02.01 Houtsingel en houtwal</al><al>·Het element wordt periodiek afgezet in een cyclus van eenmaal per 6-15
                            jaar.</al><al>L01.02.02 Hoge houtwal </al><lijst><li nr="·"><al>Het element wordt periodiek afgezet in een cyclus van éénmaal
                                    per 21-25 jaar. Tussentijds mogen overhangende takken gesnoeid
                                    worden;</al></li><li nr="·"><al>Het wallichaam is minimaal 0,8 meter hoog en de kruidachtige
                                    vegetatie van de steile walkanten mag gemaaid worden;</al></li><li nr="·"><al>Aan de voet van het wallichaam ligt een greppel die in stand
                                    wordt gehouden.</al></li></lijst><al>L01.02.03 Holle weg en graft</al><lijst><li nr="·"><al>Element is gelegen op talud van holle weg of graft in
                                    Zuid-Limburg..</al></li><li nr="·"><al>Het element wordt periodiek afgezet in een cyclus van minimaal
                                    eenmaal per 15 jaar.</al><al/></li></lijst><al><vet>L01.03 Elzensingel</vet></al><al><vet>Algemene beschrijving </vet></al><al>Elzensingels zijn lijnvormige landschapselementen die bestaan uit een
                            enkele rij zwarte elzen, en vaak langs slootkanten staan. Deze
                            elzensingels komen vooral voor in het laagveen-, zand- of rivierengebied
                            en zijn zeer kenmerkend voor de Friese Wouden en komen in verscheidene
                            andere delen van Nederland voor, zoals het Groninger Westerkwartier, de
                            Gelderse Vallei, Midden-Brabant en de gebieden rond Staphorst en
                            Vriezeveen. Elzensingels zijn van belang voor schuilmogelijkheden voor
                            fauna in het cultuurlandschap. </al><al><vet>Afbakening </vet></al><lijst><li nr="·"><al>Een elzensingel is een vrijliggend lijnvormig en aaneengesloten
                                    éénrijig landschapselement dat grotendeels bestaat uit Zwarte
                                    els en als hakhout wordt beheerd.</al></li><li nr="·"><al>Een elzensingel is minimaal 25 meter lang.</al></li><li nr="·"><al>Losse bomenrijen horen niet tot dit beheertype, maar tot het
                                    beheertype L01.13 Bomenrij/solitaire boom.</al></li><li nr="·"><al>Windsingels om boomgaarden en kwekerijen horen niet tot dit
                                    beheertype. </al></li></lijst><al><vet>Subsidieverplichtingen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Op natuurterrein: De beheerder dient het landschapselement in
                                    stand te houden. De wijze waarop hij deze
                                    instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder
                                    zelf.</al></li><li nr="2."><al>Op landbouwgrond: Het beheerpakket landschap kent een aantal
                                    beheereisen die moeten worden nageleefd.</al></li></lijst><al><vet>Beheereisen </vet></al><lijst><li nr="·"><al>75% van lengte van het element wordt als hakhout beheerd;</al></li><li nr="·"><al>Het hakhout wordt periodiek afgezet in een cyclus van éénmaal
                                    per 6-21 jaar. Tussentijds mogen overhangende takken worden
                                    gesnoeid; </al></li><li nr="·"><al>Het snoeihout mag niet in het element verwerkt worden;</al></li><li nr="·"><al>Er mag geen snoeihout verbrand worden in of in de directe
                                    omgeving van het element en als snoeihout versnipperd wordt
                                    mogen de snippers niet verwerkt worden in het element;</al></li><li nr="·"><al>Er mogen geen gewasbeschermingsmiddelen, behalve bij bestrijding
                                    van ongewenste houtsoorten (Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse
                                    eik, Robinia en Ratelpopulier) middels een stobbenbehandeling,
                                    en meststoffen in het element gebruikt worden;</al></li><li nr="·"><al>Het element mag niet betreden en/of beschadigd worden door vee.
                                    Indien het element is uitgerasterd moet het raster op een
                                    zodanige afstand staan dat vraat aan stammen wordt
                                    voorkomen;</al></li><li nr="·"><al>Slootmaaisel of bagger mag niet verwerkt worden in het
                                    element;</al></li><li nr="·"><al>Het afzetten van het element wordt alleen verricht in de periode
                                    tussen 1 oktober en 15 maart. </al></li></lijst><al><vet>Beheerpakketten</vet></al><al>L01.03.00 Elzensingel - gemiddeld</al><al>L01.03.01a Bedekking elzensingel 30-50%</al><al>L01.03.01b Bedekking elzensingel 50%-75%</al><al>L01.03.01c Bedekking elzensingel &gt; 75%</al><al/><al><vet>L01.04 Bossingel en bosje</vet></al><al><vet>Algemene beschrijving </vet></al><al>Een bossingel of een bosje zijn houtopstanden die vroeger vaak
                            aangeplant en beheerd werden als hakhout, maar doorgeschoten zijn. Ze
                            komen in veel gebieden in Nederland voor. Ook de meer recentere
                            landinrichtingsbosjes en kleine bosjes die geen hakhoutbeheer gekend
                            hebben behoren tot dit type. </al><al><vet>Afbakening</vet></al><lijst><li nr="·"><al>Een bossingel is een vrijliggend lijnvormig en aaneengesloten
                                    landschapselement met een opgaande begroeiing van inheemse bomen
                                    en struiken. </al></li><li nr="·"><al>Een bossingel is minimaal 25 meter lang en maximaal 20 meter
                                    breed .</al></li><li nr="·"><al>Een bosje is een vrijliggend vlakvormig en aaneengesloten
                                    landschapselement met een opgaande begroeiing van inheemse bomen
                                    en struiken. </al></li><li nr="·"><al>Een bosje is minimaal 2,0 are en maximaal 1 hectare groot.</al></li></lijst><al><vet>Subsidieverplichtingen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Op natuurterrein: De beheerder dient het landschapselement in
                                    stand te houden. De wijze waarop hij deze
                                    instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder
                                    zelf.</al></li><li nr="2."><al>Op landbouwgrond: Het beheerpakket landschap kent een aantal
                                    beheereisen die moeten worden nageleefd.</al></li></lijst><al><vet>Beheereisen </vet></al><lijst><li nr="·"><al>Het element wordt als bos met hoog opgaande bomen beheerd;</al></li><li nr="·"><al>Het element wordt periodiek gedund en overhangende takken kunnen
                                    het gehele jaar worden gesnoeid;</al></li><li nr="·"><al>Randen van het element kunnen als hakhout beheerd worden;</al></li><li nr="·"><al>Snoeihout mag op stapels of rillen in het element verwerkt
                                    worden voor zover het de ondergroei en/of de stoven niet
                                    schaadt;</al></li><li nr="·"><al>Er mag geen snoeihout verbrand worden in of in de directe
                                    omgeving van het element, en als snoeihout versnipperd wordt
                                    mogen de snippers niet verwerkt worden in het element;</al></li><li nr="·"><al>Er mogen geen gewasbeschermingsmiddelen, behalve bij bestrijding
                                    van ongewenste houtsoorten (Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse
                                    eik, Robinia en Ratelpopulier) middels een stobbenbehandeling,
                                    en meststoffen in het element gebruikt worden;</al></li><li nr="·"><al>Het element mag niet betreden en/of beschadigd worden door vee.
                                    Indien het element is uitgerasterd moet het raster op een
                                    zodanige afstand staan dat vraat aan stammen wordt
                                    voorkomen;</al></li><li nr="·"><al>Slootmaaisel of bagger mag niet verwerkt worden in het
                                    element;</al></li><li nr="·"><al>Dunningswerkzaamheden en het eventueel terugzetten van hakhout
                                    worden alleen verricht in de periode tussen 1 oktober en 15
                                    maart. </al></li></lijst><al><vet>Beheerpakket</vet></al><al>L01.04.01 Bossingel en bosje</al><al/><al><vet>L01.05 Knip- of scheerheg</vet></al><al><vet>Algemene beschrijving </vet></al><al>Heggen zijn al eeuwen te vinden in het Nederlandse cultuurlandschap.
                            Waar in natte delen van Nederland sloten als eigendoms- of
                            perceelscheiding dienden, werden in drogere delen veelal heggen
                            gebruikt. De doornige meidoorn kon daarnaast ook nog een veekerende
                            functie hebben. Ook op landgoederen en forten is het gebruik van
                            meidoornhagen bekend. De introductie van het prikkeldraad rond 1900
                            heeft gezorgd voor het verdwijnen van veel heggen. Heggen komen in heel
                            Nederland voor, maar zijn vooral te vinden rondom dorpen en boerderijen.
                            In Zuid-Limburg is de knip- en scheerheg ook een karakteristiek
                            landschapselement in het landelijke gebied. </al><al>Door het regelmatig knippen heeft de heg een strak en recht uiterlijk.
                            Heggen zijn van belang als leefgebied en migratieroute. Daarnaast bieden
                            heggen schuilmogelijkheden voor de fauna in het cultuurlandschap. </al><al><vet>Afbakening </vet></al><lijst><li nr="·"><al>Een knip- of scheerheg is een vrijliggend lijnvormig
                                    landschapselement, met een aaneengesloten begroeiing van
                                    inheemse bomen en/of struiken, dat wordt geknipt of geschoren.
                                </al></li><li nr="·"><al>Een knip- of scheerheg is minimaal 25 meter lang.</al></li><li nr="·"><al>Een knip- of scheerheg kan periodiek gevlochten worden.</al></li><li nr="·"><al>Windsingels om boomgaarden en kwekerijen horen niet tot dit
                                    beheertype.</al></li></lijst><al><vet>Subsidieverplichtingen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Op natuurterrein: De beheerder dient het landschapselement in
                                    stand te houden. De wijze waarop hij deze
                                    instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder
                                    zelf.</al></li><li nr="2."><al>Op landbouwgrond: Het beheerpakket landschap kent een aantal
                                    beheereisen die moeten worden nageleefd.</al></li></lijst><al><vet>Beheereisen </vet></al><lijst><li nr="·"><al>Snoeimateriaal mag blijven liggen voor zover dat het element of
                                    de ondergroei niet schaadt;</al></li><li nr="·"><al>Er mag geen snoeihout verbrand worden in of in de directe
                                    omgeving van het element;</al></li><li nr="·"><al>Er mogen geen gewasbeschermingsmiddelen, behalve bij bestrijding
                                    van ongewenste houtsoorten (Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse
                                    eik, Robinia en Ratelpopulier) middels een stobbenbehandeling,
                                    en meststoffen in het element gebruikt worden;</al></li><li nr="·"><al>Het element mag niet betreden en/of beschadigd worden door vee.
                                    Indien het element is uitgerasterd moet het raster op een
                                    zodanige afstand staan dat vraat aan stammen wordt
                                    voorkomen;</al></li><li nr="·"><al>Snoeiwerkzaamheden worden alleen verricht in de periode tussen
                                    15 juni en 15 maart.</al></li></lijst><al><vet>Beheerpakketten</vet></al><al>L01.05.00 Knip- of scheerheg – gemiddeld</al><al>L01.05.01a Knip- en scheerheg; jaarlijks scheren of knippen</al><al>·De heg wordt eenmaal per jaar op minimaal 0,8 meter hoogte aan alle
                            zijden geknipt of geschoren.</al><al>L01.05.01b Knip- en scheerheg; eenmaal per 2-3 jaar scheren of
                            knippen</al><al>·De heg bestaat voor meer dan 50% uit meidoorn en wordt om de 2-3 jaar
                            aan alle zijden geknipt of geschoren. Na het knippen/scheren heeft de
                            heg een hoogte van tenminste 1 meter en een breedte van minimaal 0,8
                            meter.</al><al/><al><vet>L01.06 Struweelhaag</vet></al><al><vet>Algemene beschrijving </vet></al><al>In de loop der eeuwen zijn in het Nederlandse landschap diverse
                            lijnvormige landschapselementen verschenen met houtige gewassen. Sommige
                            van deze landschapselementen zijn al eeuwen oud. De functie van
                            dergelijke landschapselementen was perceelsscheiding en veekering. Door
                            de komst van prikkeldraad en de schaalvergroting en ruilverkavelingen
                            zijn vele kilometers van deze elementen verdwenen. Struweelhagen komen
                            in heel Nederland voor en er zijn vele lokale varianten. Karakteristieke
                            heggenlandschappen zijn terug te vinden langs de grote rivieren Maas en
                            IJssel, in Zuid-Beveland en op Walcheren. Deze landschapselementen
                            kennen een sterke samenhang met het omringende landschap. Het verschil
                            met een knip- of scheerheg is dat een struweelhaag minder frequent wordt
                            gesnoeid en daardoor meer en breder uitgroeit. Soms is er sprake van
                            speciale beheervormen zoals bij vlechtheggen. Struweelhagen vormen een
                            belangrijk leefgebied voor aan struwelen en zomen gebonden flora en
                            fauna in het cultuurlandschap. Ze zijn tevens van belang ter oriëntatie
                            voor vleermuizen en als verbindingszone voor fauna. </al><al><vet>Afbakening </vet></al><lijst><li nr="·"><al>Een struweelhaag is een vrijliggend lijnvormig landschapselement
                                    met een aaneengesloten opgaande begroeiing van inheemse,
                                    overwegend doornachtige, struiken. </al></li><li nr="·"><al>Een struweelhaag is minimaal 25 meter lang.</al></li><li nr="·"><al>Hagen die minimaal eenmaal per 3 jaar worden gesnoeid horen tot
                                    het beheertype L01.05 Knip- of scheerheg.</al></li></lijst><al><vet>Subsidieverplichtingen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Op natuurterrein: De beheerder dient het landschapselement in
                                    stand te houden. De wijze waarop hij deze
                                    instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder
                                    zelf.</al></li><li nr="2."><al>Op landbouwgrond: Het beheerpakket landschap kent een aantal
                                    beheereisen die moeten worden nageleefd.</al></li></lijst><al><vet>Beheereisen </vet></al><lijst><li nr="·"><al>Het snoeien kan gecombineerd worden met het vlechten van de
                                    haag;</al></li><li nr="·"><al>Het snoeihout mag niet in het element verwerkt worden, behoudens
                                    bij het vlechten van de haag;</al></li><li nr="·"><al>Er mag geen snoeihout verbrand worden in of in de directe
                                    omgeving van het element, en als snoeihout versnipperd wordt
                                    mogen de snippers niet verwerkt worden in het element;</al></li><li nr="·"><al>Er mogen geen gewasbeschermingsmiddelen, behalve bij bestrijding
                                    van ongewenste houtsoorten (Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse
                                    eik, Robinia en Ratelpopulier) middels een stobbenbehandeling,
                                    en meststoffen in het element gebruikt worden;</al></li><li nr="·"><al>Het element mag niet betreden en/of beschadigd worden door vee.
                                    Indien het element is uitgerasterd moet het raster op een
                                    zodanige afstand staan dat vraat aan stammen wordt
                                    voorkomen;</al></li><li nr="·"><al>Slootmaaisel of bagger mag niet verwerkt worden in het
                                    element;</al></li><li nr="·"><al>Het afzetten van het element wordt alleen verricht in de periode
                                    tussen 1 oktober en 15 maart. Overhangende takken kunnen
                                    gedurende het gehele jaar worden teruggesnoeid;</al></li><li nr="·"><al>Indien snoeiwerkzaamheden machinaal worden uitgevoerd, wordt
                                    geen klepelmaaier gebruikt.</al></li></lijst><al><vet>Beheerpakketten</vet></al><al>L01.06.00 Struweelhaag – gemiddeld</al><al>L01.06.01a Struweelhaag snoeicyclus 5-7 jaar</al><al>·Het element kan vrij uitgroeien en wordt 1 maal per 5 tot 7 jaar aan
                            drie zijden gesnoeid. Na het snoeien heeft de haag een hoogte van
                            tenminste 1,00 meter en een breedte van tenminste 0,8 meter;</al><al>L01.06.01b Struweelhaag snoeicyclus &gt; 12 jaar</al><al>·Het element kan vrij uitgroeien en wordt 1 maal per 12 tot 25 jaar
                            afgezet;</al><al/><al><vet>L01.07 Laan</vet></al><al><vet>Algemene beschrijving </vet></al><al>Lanen zijn wegen die aan beide zijde met een of meerdere rijen bomen
                            zijn beplant. Lanen vormen sinds de 17e eeuw belangrijke dragers van
                            landgoederen en buitenplaatsen. Lanen werden niet alleen aangeplant uit
                            esthetische motieven, maar dienden ook als beschutting tegen
                            weersinvloeden en voor de houtproductie. Lanen blijven populair in de
                            diverse tuinstijlen. Nog altijd worden nieuwe lanen aangelegd. Lanen
                            komen voor in heel Nederland, vaak op en rond landgoederen. Soms
                            herinneren lanen aan vroegere landgoederen op die locatie. </al><al>Lanen zijn belangrijke onderdelen van landgoederen en geven vaak de
                            structuur aan. Niet zelden bevindt zich het landhuis aan het eind van
                            een laan, of biedt een laan een ver zicht naar een markant punt in de
                            omgeving. Zeker oudere lanen met markante bomen kunnen zeer
                            indrukwekkende landschapselementen zijn. Lanen zijn van belang voor aan
                            oude bomen of boomholten gebonden vogels en vleermuizen. Verder zijn ze
                            van belang voor op bomen groeiende mossen en korstmossen en oude lanen
                            waar jaarlijks weinig strooisel blijft liggen zijn van groot belang voor
                            zeldzame mycorhizapaddestoelen. </al><al><vet>Afbakening </vet></al><lijst><li nr="·"><al>Een laan is een weg of pad, die aan beide zijden met een of
                                    meerdere rijen bomen is beplant en is bedoeld en aangelegd als
                                    laan.</al></li><li nr="·"><al>Bij een laan gaat het meestal om bomen van dezelfde soort en
                                    leeftijd en er is sprake van een herkenbaar en regelmatig
                                    plantverband.</al></li><li nr="·"><al>Onder dit beheertype vallen ook dijken met een weg, bovenop de
                                    kruin van de dijk, die aan beide zijden met bomen is
                                    beplant.</al></li><li nr="·"><al>Een laan is minimaal 50 meter lang.</al></li><li nr="·"><al>Losse bomenrijen horen niet tot dit beheertype, maar tot het
                                    beheertype L01.13 Bomenrij/solitaire boom.</al></li></lijst><al><vet>Subsidieverplichtingen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Op natuurterrein: De beheerder dient het landschapselement in
                                    stand te houden. De wijze waarop hij deze
                                    instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder
                                    zelf.</al></li><li nr="2."><al>Op landbouwgrond: Het beheerpakket landschap kent een aantal
                                    beheereisen die moeten worden nageleefd.</al></li></lijst><al><vet>Beheereisen</vet></al><lijst><li nr="·"><al>De bomen worden periodiek gesnoeid; </al></li><li nr="·"><al>Er mag geen snoeihout verbrand worden in of in de directe
                                    omgeving van het element; </al></li><li nr="·"><al>Er mogen geen gewasbeschermingsmiddelen, behalve bij bestrijding
                                    van ongewenste houtsoorten (Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse
                                    eik, Robinia en Ratelpopulier) middels een stobbenbehandeling,
                                    en meststoffen in het element gebruikt worden;</al></li><li nr="·"><al>De bomen mogen niet beschadigd worden door vee. Indien het
                                    element is uitgerasterd moet het raster op een zodanige afstand
                                    staan dat vraat aan stammen wordt voorkomen;</al></li><li nr="·"><al>Slootmaaisel of bagger mag niet verwerkt worden in het
                                    element;</al></li><li nr="·"><al>Snoeiwerkzaamheden worden alleen verricht in de periode tussen
                                    15 juli en 15 maart.</al></li></lijst><al><vet>Beheerpakketten</vet></al><al>L01.07.00 Laan- gemiddeld</al><al>L01.07.01a Gemiddelde stamdiameter bomen &lt; 20 cm</al><al>L01.07.01b Gemiddelde stamdiameter bomen 20-60 cm</al><al>L01.07.01c Gemiddelde stamdiameter bomen &gt; 60 cm</al><al>De diameter van de stammen wordt op 1,0 meter boven het maaiveld gemeten
                            en element wordt als geheel in een van de diameterklassen ingedeeld op
                            basis van de gemiddelde diameter van de bomen van het element.</al><al/><al><vet>L01.08 Knotboom</vet></al><al><vet>Algemene beschrijving </vet></al><al>Knotbomen zijn bomen met een opgaande stam, waarbij periodiek de boven
                            op die stam groeiende takken (of pruik) worden geoogst. Door die oogst
                            ontstaat er op deze hoogte een vergroeiing van de stam: de knot. De
                            knotboom levert gemakkelijk oogstbaar hout op dat op een plaats groeit
                            waar het vee er niet bij kan. Knoteiken worden traditioneel een keer in
                            de zeven tot acht jaar geknot. Bij knotessen gebeurde dat eens in de
                            vijf tot zes jaar en knotwilgen en knotpopulieren worden meestal eens in
                            de vier jaar geknot. Al van voor het begin van onze jaartelling zijn er
                            vermeldingen bekend van knotbomen. Het gaat dan om de soorten wilg,
                            populier, es, els, eik en haagbeuk. Knotessen, knothaagbeuken en
                            knoteiken kunnen bijzonder oud worden. Ook wilgen en bijvoorbeeld
                            populieren worden als knotboom veel ouder dan wanneer ze vrijuit
                            groeien. </al><al>Voor grote delen van vooral Laag Nederland is de knotwilg een zeer
                            kenmerkend landschapselement. Utrecht en Zuid-Holland zijn de provincies
                            met de meeste knotbomen, geschat wordt dat het alleen daar al om
                            honderdduizenden exemplaren gaat. Andere knotboomrijke gebieden zijn
                            Zuid-Limburg, de Achterhoek, de Liemers, het gebied van de grote
                            rivieren en Zeeuws-Vlaanderen. </al><al>Het silhouet van knotbomen is uit veel regio's bekend. Per gebied
                            verschillen echter wel de boomsoorten die ervoor worden gebruikt. In het
                            oosten van het land staan knoteiken, essen en wilgen in houtwallen en
                            als overstaanders in heggen. Maar ze zijn daar en in het zuiden ook te
                            vinden in graften, langs holle wegen en terras- en bosranden. Ze komen
                            zelfs midden in bossen voor als markering van vroegere hakhoutpercelen.
                            Knotelzen staan vaak op armere gronden, ze zijn vooral kenmerkend voor
                            akkerranden in landschappen met kampontginningen, slagenlandschappen en
                            esdorpenlandschappen. Ze kwamen vroeger op veel plaatsen in Nederland
                            voor, langs slootkanten als geknotte elzenhagen, maar ook in rijen
                            tussen akkers en weilanden. In laagveengebieden en langs rivieren en
                            dijken staan verschillende wilgen- en populierensoorten, maar daar en
                            vooral in het laagveengebied worden ook gewone essen gebruikt. De bodem
                            heeft daar weinig draagkracht en essen kunnen geknot veel ouder worden
                            dan doorgroeiende essen. Knotbomen bieden broedgelegenheid aan diverse
                            vogels, waaronder de Steenuil en Wilde eend. Vooral oude knotbomen
                            kunnen zeldzame hierop groeiende mossen en korstmossen herbergen. </al><al><vet>Afbakening </vet></al><lijst><li nr="·"><al>Een knotboom is een inheemse loofboom, waarvan de stam periodiek
                                    op een hoogte van minimaal 1,0 meter boven maaiveld wordt
                                    afgezet (geknot).</al></li><li nr="·"><al>Knotbomen worden aangetroffen als solitaire boom, in rijen of in
                                    kleine groepen. Een kleine groep bestaat uit maximaal 20 bomen.
                                </al></li><li nr="·"><al>Vlakvormige elementen met knotbomen, behoudens kleine groepen,
                                    horen niet tot dit beheertype maar kunnen mogelijk gerangschikt
                                    worden onder het beheertype L01.12 Hakhoutbosje of L01.13
                                    Griendje mits voldaan wordt aan de eisen van deze beheertypen.
                                </al></li></lijst><al><vet>Subsidieverplichtingen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Op natuurterrein: De beheerder dient het landschapselement in
                                    stand te houden. De wijze waarop hij deze
                                    instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder
                                    zelf.</al></li><li nr="2."><al>Op landbouwgrond: Het beheerpakket landschap kent een aantal
                                    beheereisen die moeten worden nageleefd.</al></li></lijst><al><vet>Beheereisen </vet></al><lijst><li nr="·"><al>Knotwilgen, -elzen, -essen en -populieren –worden in een cyclus
                                    van éénmaal per 3-8 jaar geknot. Knoteiken en -haagbeuken worden
                                    geknot in een cyclus van minimaal eenmaal per 15 jaar;</al></li><li nr="·"><al>Er mag geen snoeihout verbrandt worden in de directe omgeving
                                    van de knotboom;</al></li><li nr="·"><al>De boom mag niet beschadigd worden door vee. </al></li><li nr="·"><al>Knotwerkzaamheden worden alleen verricht in de periode tussen 1
                                    oktober en 15 maart.</al></li></lijst><al><vet>Beheerpakketten</vet></al><al>L01.08.00 Knotboom - gemiddeld</al><al>L01.08.01a Gemiddelde stamdiameter knotboom &lt; 20 cm</al><al>L01.08.01b Gemiddelde stamdiameter knotboom 20-60 cm</al><al>L01.08.01c Gemiddelde stamdiameter knotboom &gt; 60 cm</al><al>De diameter van de stammen wordt op 1,0 meter boven het maaiveld gemeten
                            en als het element uit meerdere knotbomen bestaat wordt het element als
                            geheel in een van de diameterklassen ingedeeld op basis van de
                            gemiddelde diameter van de bomen van het element.</al><al/><al><vet>L01.09 Hoogstamboomgaard</vet></al><al><vet>Algemene beschrijving </vet></al><al>Een hoogstamboomgaard is een boomgaard of boomweide met fruitrassen of
                            notenbomen. Hoogstamboomgaarden zijn al bekend uit de middeleeuwen bij
                            kloosters en kastelen, zowel voor eigen gebruik als handel. Ook bij
                            boerderijen komen boomgaarden dan ook al eeuwen voor en sommige locaties
                            kunnen heel oud zijn. De bomen zelf worden vaak niet ouder dan honderd
                            jaar. De stijgende prijzen voor fruit zorgden voor een ware explosie van
                            het aantal boomgaarden tussen 1850 en 1900. Na de Tweede Wereldoorlog
                            verdwenen veel hoogstammen voor de efficiëntere teelt in eerst half- en
                            vervolgens laagstammen. Rooipremies hebben in het hele land veel
                            hoogstamboomgaarden doen verdwijnen. In Zeeland speelde de
                            overstromingen tijdens de Tweede Wereldoorlog en in 1953 een belangrijke
                            rol in het afnemen van de hoogstammen in deze provincie. Inmiddels
                            worden er uit landschappelijke en ecologische motieven weer
                            hoogstambomen aangeplant, maar de oppervlakte is nog maar een fractie
                            van de oppervlakte die kort na de Tweede Wereldoorlog bestond. </al><al>Overal in Nederland komen hoogstamboomgaarden voor, vooral als onderdeel
                            van het boerenerf. Ook bij landgoederen en buitenplaatsen waren vaak
                            (grootschalige) boomgaarden te vinden. Niet overal in Nederland komen
                            hoogstamboomgaarden evenveel voor. Vooral in de traditionele
                            fruitgebieden, zoals Zuid-Limburg en het rivierengebied liggen nu nog
                            veel restanten van oude boomgaarden. In het Hollands-Utrechtse
                            veenweidegebied komen nog veel boomgaarden bij boerderijen voor. Hier is
                            door afzetting van rivierklei een geschikte groeiplaats ontstaan. In
                            noord- en oost Nederland op het zand zijn hoogstamboomgaarden relatief
                            schaars. </al><al>Boomgaarden zijn dikwijls verbonden aan boerderijen. Enkele grotere
                            complexen horen bij landgoederen en buitenplaatsen of dateren uit de
                            tijd van de grote groei (1850-1900). Boomgaarden worden vaak door een
                            heg, haag of sloot afgescheiden van de omgeving. De ondergrond van de
                            hoogstamboomgaard is vaak een begraasd grasland: de hoogte van de
                            stammen zorgden er immers voor dat het vee geen fruit kon eten! In het
                            rivierengebied komen oude boomgaarden op de kleigronden voor, in
                            Zuid-Limburg is er vaak een relatie met de dorpen. Naast hun functie
                            voor fruitproductie hebben hoogstamboomgaarden ook een belangrijke
                            landschappelijke betekenis en vormen ze het leefgebied voor diverse
                            diersoorten zoals bijvoorbeeld steenuil. In oude boomgaarden groeien
                            vaak ook bijzondere zeldzame fruitrassen en in de ondergroei van de
                            hoogstammen handhaaft zich vaak een soortenrijke kruidenvegetatie. </al><al><vet>Afbakening</vet></al><lijst><li nr="·"><al>Een hoogstamboomgaard is een verzameling van fruitbomen, met een
                                    stam van minimaal 1,5 meter hoog en waarvan de onderbegroeiing
                                    bestaat uit een grazige vegetatie. </al></li><li nr="·"><al>Een hoogstamboomgaard bestaat uit minimaal 10 fruitbomen en
                                    heeft een dichtheid van minimaal 50 en maximaal 150 bomen per
                                    hectare. </al></li><li nr="·"><al>Maximaal 10% van de bomen bestaat uit walnoten.</al></li><li nr="·"><al>Een hoogstamboomgaard is vaak in een cluster geplant en
                                    duidelijk afgescheiden van de omgeving. </al></li></lijst><al><vet>Subsidieverplichtingen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Op natuurterrein: De beheerder dient het landschapselement in
                                    stand te houden. De wijze waarop hij deze
                                    instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder
                                    zelf.</al></li><li nr="2."><al>Op landbouwgrond: Het beheerpakket landschap kent een aantal
                                    beheereisen die moeten worden nageleefd.</al></li></lijst><al><vet>Beheereisen </vet></al><lijst><li nr="·"><al>Indien het appel of peer betreft wordt de boom tenminste éénmaal
                                    per 2 jaar gesnoeid. Andere soorten enkel vormsnoei indien
                                    nodig;</al></li><li nr="·"><al>De grasvegetatie wordt jaarlijks gemaaid en het maaisel wordt
                                    afgevoerd of de grasvegetatie wordt beweid;</al></li><li nr="·"><al>Er mag geen snoeihout verbrand worden in de directe omgeving van
                                    de bomen of versnipperd hout verwerkt worden in de
                                    boomgaard;</al></li><li nr="·"><al>Er mogen geen gewasbeschermingsmiddelen, behalve bij bestrijding
                                    van ongewenste houtsoorten (Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse
                                    eik, Robinia en Ratelpopulier) middels een stobbenbehandeling,
                                    en de pleksgewijze bestrijding van Akkerdistel, Ridderzuring en
                                    Brandnetel in het element gebruikt worden;</al></li><li nr="·"><al>De hoogstamfruitboom mag niet beschadigd worden door vee. Jonge
                                    bomen zijn voorzien van een boomkorf;</al></li><li nr="·"><al>Bemesten en bekalken van de boomgaard is toegestaan. Bij
                                    bemesten van de boomgaard worden de fruitbomen en wortels niet
                                    beschadigd;</al></li><li nr="·"><al>Snoeiwerkzaamheden kunnen gedurende het gehele jaar worden
                                    verricht.</al></li></lijst><al><vet>Beheerpakket</vet></al><al>L01.09.01 Hoogstamboomgaard</al><al/><al><vet>L01.10 Struweelrand</vet></al><al><vet>Algemene beschrijving</vet></al><al>Struweelranden kunnen zich ontwikkelen vanuit een extensief beheerde
                            situatie, of aangeplant worden. Afhankelijk van het beheer kunnen randen
                            ontstaan die gedomineerd worden door ruigtekruiden, struiken of een
                            combinatie van beide. Kenmerk van een struweelrand is dat deze zowel
                            vrijliggend, als aansluitend aan een ander element kan liggen.
                            Struweelranden kunnen daarmee dienen als overgangsgebied tussen
                            agrarisch gebruikte percelen en bossen, en zijn in die vorm vooral te
                            beschouwen als een naar voren geschoven bosrand. Met een gunstige
                            ligging kunnen struweelranden bijdragen aan een warmer microklimaat, en
                            zijn dan vooral van belang voor insecten, amfibieën en reptielen.
                            Wanneer dat microklimaat ontbreekt, kunnen struweelraden vooral van
                            belang zijn voor broedvogels en planten van een meer extensief
                            beheer.</al><al><vet>Afbakening</vet></al><lijst><li nr="·"><al>Een struweelrand is een aaneengesloten rand met een mozaïek van
                                    struweel (bramen en/of andere inheemse bomen of struiken) en een
                                    kruidachtige begroeiing van inheemse grassen en kruiden die zich
                                    spontaan kan ontwikkelen. </al></li><li nr="·"><al>De rand is minimaal 25 meter lang en maximaal 20 meter
                                    breed.</al></li><li nr="·"><al>Maximaal 50% van de oppervlakte van de rand wordt ingenomen door
                                    inheemse bomen en/of struiken. </al></li><li nr="·"><al>De struweelrand kan langs een bosrand of een landschapselement
                                    liggen maar ook vrij in het veld, bijvoorbeeld langs een
                                    perceelsrand.</al></li></lijst><al><vet>Subsidieverplichtingen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Op natuurterrein: De beheerder dient het landschapselement in
                                    stand te houden. De wijze waarop hij deze
                                    instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder
                                    zelf.</al></li><li nr="2."><al>Op landbouwgrond: Het beheerpakket landschap kent een aantal
                                    beheereisen die moeten worden nageleefd.</al></li></lijst><al><vet>Beheereisen </vet></al><lijst><li nr="·"><al>Periodiek wordt de begroeiing gemaaid en/of afgezet; </al></li><li nr="·"><al>50% van de oppervlakte van de rand bestaande uit een
                                    kruidachtige begroeiing van inheemse grassen en kruiden mag
                                    periodiek gemaaid worden met een cyclus van maximaal éénmaal per
                                    5 jaar. Het maaisel wordt afgevoerd;</al></li><li nr="·"><al>Snoeihout mag op stapels of rillen in het element verwerkt
                                    worden voor zover het de ondergroei en/of de stoven niet
                                    schaadt;</al></li><li nr="·"><al>Er mag geen snoeihout verbrand worden in of in de directe
                                    omgeving van het element, en als snoeihout versnipperd wordt
                                    mogen de snippers niet verwerkt worden in het element;</al></li><li nr="·"><al>Er mogen geen gewasbeschermingsmiddelen, behalve bij bestrijding
                                    van ongewenste houtsoorten (Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse
                                    eik, Robinia en Ratelpopulier) middels een stobbenbehandeling en
                                    de pleksgewijze bestrijding van Akkerdistel, Ridderzuring en
                                    Brandnetel, en meststoffen in het element gebruikt worden. </al></li><li nr="·"><al>Slootmaaisel of bagger mag niet verwerkt worden in het
                                    element;</al></li><li nr="·"><al>Het element mag niet betreden en/of beschadigd worden door vee;
                                </al></li><li nr="·"><al>Maaiwerkzaamheden worden uitgevoerd tussen 15 juli en 15 maart
                                    en het afzetten van struweel wordt alleen verricht in de periode
                                    tussen 1 november en 15 maart.</al></li></lijst><al><vet>Beheerpakketten</vet></al><al>L01.10.01 Struweelrand</al><al/><al><vet>L01.11 </vet><vet> Hakhoutbosje</vet></al><al><vet>Algemene beschrijving </vet></al><al>Boeren hebben al eeuwenlang behoefte aan hout voor allerlei doeleinden.
                            Het kan hierbij gaan om brandhout, staken voor de groentetuin of hout
                            voor gereedschapsstelen. Dit soort bosjes wordt in de volksmond ook wel
                            geriefhoutbosje genoemd. In de loop der tijd zijn deze bosjes vaak in
                            onbruik geraakt omdat er steeds minder behoefte aan het hout kwam. Ook
                            werden in sommige regio’s deze bosjes gebruikt om aan ziekten doodgegaan
                            vee te dumpen.</al><al><vet>Afbakening</vet></al><lijst><li nr="·"><al>Een hakhoutbos(je) is een vrijliggend vlakvormig
                                    landschapselement, met inheemse bomen en/of struiken dat als
                                    hakhout wordt beheerd. </al></li><li nr="·"><al>Een hakhoutbosje is minimaal 1,0 are en maximaal 1,0 hectare
                                    groot.</al></li><li nr="·"><al>Kleine vrijliggende bosjes zonder hakhoutbeheer of met een zeer
                                    beperkte vorm van hakhoutbeheer behoren tot het beheertype
                                    L01.04 Bossingel en Bosje</al></li></lijst><al><vet>Subsidievoorwaarden</vet></al><al>Binnen natuurterreinen dient de beheerder het landschapstype in stand te
                            houden om voor beheersubsidie SNL in aanmerking te komen. De wijze
                            waarop hij deze instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder
                            zelf. </al><al>In agrarisch gebied hebben landschapselementen een aantal verplichte
                            beheereisen, die de basis voor de vergoeding vormen. Deze moeten dus
                            uitgevoerd worden.</al><al><vet>Beheereisen</vet></al><lijst><li nr="·"><al>Minimaal 80% van de oppervlakte van het bosje wordt als hakhout
                                    beheerd;</al></li><li nr="·"><al>Het element wordt periodiek afgezet in een cyclus van éénmaal
                                    per 6 - 25 jaar; </al></li><li nr="·"><al>Snoeihout mag op stapels of rillen in het element verwerkt
                                    worden voor zover het de ondergroei en/of de stoven niet
                                    schaadt;</al></li><li nr="·"><al>Er mag geen snoeihout verbrand worden in of in de directe
                                    omgeving van het element, en als snoeihout versnipperd wordt
                                    mogen de snippers niet verwerkt worden in het element;</al></li><li nr="·"><al>Er mogen geen gewasbeschermingsmiddelen, behalve bij bestrijding
                                    van ongewenste houtsoorten (Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse
                                    eik, Robinia en Ratelpopulier) middels een stobbenbehandeling,
                                    en meststoffen in het element gebruikt worden ;</al></li><li nr="·"><al>Het element mag niet betreden en/of beschadigd worden door vee.
                                    Indien het element is uitgerasterd moet het raster op een
                                    zodanige afstand staan dat vraat aan stammen wordt
                                    voorkomen;</al></li><li nr="·"><al>Slootmaaisel of bagger mag niet verwerkt worden in het
                                    element.</al></li><li nr="·"><al>Het afzetten van het element wordt alleen verricht in de periode
                                    tussen 1 oktober en 15 maart. Overhangende takken kunnen
                                    gedurende het gehele jaar worden teruggesnoeid.</al></li></lijst><al><vet>Beheerpakketten</vet></al><al>L01.11.01a Droog hakhoutbosje (zomereik, wintereik, berk en haagbeuk
                            dominant)</al><al>L01.11.01b Vochtig en nat hakhoutbosje (zwarte els en/of gewone es
                            dominant)</al><al/><al><vet>L01.12 Griendje</vet></al><al><vet>Algemene beschrijving</vet></al><al>In bepaalde delen van het land, was het verbouwen van wilgen lange tijd
                            vrij gebruikelijk in vooral moerassige streken. Deze wilgen werden op
                            enige tientallen centimeters boven de grond afgezet in een 4-6 jarige
                            cyclus. Het hier vanaf komend hout (vaak wilgentenen genoemd) werd o.a.
                            gebruikt als rijshout ter bescherming van waterkeringen. Deze
                            wilgengrienden zijn ook nu nog in het landschap terug te vinden en het
                            eraf komend hout wordt nog steeds gebruikt voor rijshout, maar kent
                            inmiddels ook moderner toepassingen als tuinschermen etc.</al><al>Vooral de oude wilgengrienden hebben vaak een rijke ondergroei van
                            hogere planten, varens en mossen. Faunistisch zijn ze van belang als
                            schuilplaats voor kleine zoogdieren en broedgebied voor zangvogels. Ook
                            reeën vinden een geschikte schuilgelegenheid in wilgengrienden.</al><al><vet>Afbakening </vet></al><lijst><li nr="·"><al>Een griendje is een vrijliggend vlakvormig landschapselement met
                                    inheemse wilgensoorten dat als hakhout wordt beheerd. </al></li><li nr="·"><al>Het griendje is minimaal 1,0 are en maximaal 1,0 hectare
                                    groot.</al></li><li nr="·"><al>Grienden die machinaal gemaaid worden behoren niet tot dit
                                    type.</al></li></lijst><al><vet>Subsidieverplichtingen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Op natuurterrein: De beheerder dient het landschapselement in
                                    stand te houden. De wijze waarop hij deze
                                    instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder
                                    zelf.</al></li><li nr="2."><al>Op landbouwgrond: Het beheerpakket landschap kent een aantal
                                    beheereisen die moeten worden nageleefd.</al></li></lijst><al><vet>Beheereisen </vet></al><lijst><li nr="·"><al>Het element bestaat uit inheemse wilgensoorten en wordt geheel
                                    als hakhout beheerd en afgezet in een cyclus van tenminste
                                    éénmaal per 5 jaar;</al></li><li nr="·"><al>Snoeihout mag op stapels of rillen in het element verwerkt
                                    worden voor zover het de ondergroei en/of de stoven niet
                                    schaadt;</al></li><li nr="·"><al>Er mag geen snoeihout verbrand worden in of in de directe
                                    omgeving van het element, en als snoeihout versnipperd wordt
                                    mogen de snippers niet verwerkt worden in het element;</al></li><li nr="·"><al>Er mogen geen gewasbeschermingsmiddelen, behalve bij bestrijding
                                    van ongewenste houtsoorten (Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse
                                    eik, Robinia en Ratelpopulier) middels een stobbenbehandeling,
                                    en meststoffen in het element gebruikt worden;</al></li><li nr="·"><al>Het element mag niet betreden en/of beschadigd worden door vee.
                                    Indien het element is uitgerasterd moet het raster op een
                                    zodanige afstand staan dat vraat aan stammen wordt
                                    voorkomen;</al></li><li nr="·"><al>Slootmaaisel of bagger mag niet verwerkt worden in het
                                    element;</al></li><li nr="·"><al>Het afzetten van het element wordt alleen verricht in de periode
                                    tussen 1 oktober en 15 maart. Overhangende takken kunnen
                                    gedurende het gehele jaar worden teruggesnoeid.</al></li></lijst><al><vet>Beheerpakket</vet></al><al>L01.12.01 Griendje</al><al/><al><vet>L01.13 Bomenrij en solitaire boom</vet></al><al><vet>Algemene beschrijving</vet></al><al>Bomenrijen komen in heel Nederland voor en zijn vaak zeer bepalende
                            elementen in het landschap, met een grote verscheidenheid aan vormen. Op
                            de zandgronden komen bomenrijen voor langs perceelsgrenzen en langs
                            paden. In het zeekleigebied zijn bomenrijen vaak terug te vinden op de
                            slapende dijken. Ze kunnen bestaan uit één of meerdere boomsoorten, vrij
                            in het veld staan of langs een watergang, schouwpad, weg of anderszins.
                            In deze vorm hebben bomenrijen niet alleen een landschappelijke waarde
                            maar ook waarde als broedgebied voor vogels, of als ecologische
                            corridor, bijvoorbeeld voor vleermuizen. Solitaire bomen zijn eveneens
                            zeer kenmerkend voor het landschap, en vanuit die optiek waardevol om te
                            behouden. </al><al><vet>Afbakening</vet></al><lijst><li nr="·"><al>Een bomenrij/solitaire boom is een vrijliggend landschapselement
                                    van inheemse loofbomen dat niet kan worden gerangschikt onder
                                    andere beheertypes van deze index.</al></li><li nr="·"><al>Bedoeld worden solitaire bomen of bomen in een groep of rij
                                    staande op of langs landbouwgrond.</al></li><li nr="·"><al>Bomen die een onderdeel vormen van een ander beheertype van deze
                                    index of deel uitmaken van een bomenrij als bedoeld in dit
                                    beheertype kunnen niet als solitaire boom of verzameling van
                                    solitaire bomen aangevraagd worden. </al></li><li nr="·"><al>De bomenrij is minimaal 50 meter lang en bestaat uit minimaal 8
                                    bomen per 100 meter. </al></li><li nr="·"><al>Vlakvormige boomweides behoren niet tot dit beheertype. </al></li><li nr="·"><al>Solitaire knotbomen of een rij knotbomen behoren tot het
                                    beheertype L01.08 Knotboom.</al></li><li nr="·"><al>Windsingels om boomgaarden en kwekerijen horen niet tot dit
                                    beheertype</al></li></lijst><al><vet>Subsidieverplichtingen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Op natuurterrein: De beheerder dient het landschapselement in
                                    stand te houden. De wijze waarop hij deze
                                    instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder
                                    zelf.</al></li><li nr="2."><al>Op landbouwgrond: Het beheerpakket landschap kent een aantal
                                    beheereisen die moeten worden nageleefd.</al></li></lijst><al><vet>Beheereisen </vet></al><lijst><li nr="·"><al>De bomen worden periodiek gesnoeid. Jonge bomen gemiddeld
                                    eenmaal per 5 jaar en oudere bomen gemiddeld eenmaal per 10
                                    jaar. Bij oudere bomen kan het snoeien zich beperken tot het
                                    verwijderen van dood hout;</al></li><li nr="·"><al>Na het snoeien beslaat de blijvende kroon altijd minimaal
                                    tweederde deel van de totale lengte van de boom; </al></li><li nr="·"><al>Er mag geen snoeihout verbrand worden in de directe omgeving van
                                    het element;</al></li><li nr="·"><al>Ongewenste houtsoorten (Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik,
                                    Robinia en Ratelpopulier) in het element mogen middels een
                                    stobbenbehandeling bestreden worden;</al></li><li nr="·"><al>De bomen mogen niet beschadigd worden door vee. Jonge bomen in
                                    een weiland (boomdijk) zijn voorzien van een boomkorf of zijn
                                    uitgerasterd;</al></li><li nr="·"><al>Snoeiwerkzaamheden worden alleen verricht in de periode tussen
                                    15 juli en 15 maart. </al></li></lijst><al><vet>Beheerpakketten</vet></al><al>L01.13.01 Bomenrij en solitaire boom</al><al>De diameter van de stammen wordt op 1,0 meter boven het maaiveld gemeten
                            en als het element uit meerdere bomen bestaat wordt het element als
                            geheel in een van de diameterklassen ingedeeld op basis van de
                            gemiddelde diameter van de bomen van het element.</al><al/><al><vet>L01.14 </vet><vet> Rietzoom en klein rietperceel</vet></al><al><vet>Algemene beschrijving</vet></al><al>Rietzomen bestaan uit smalle rietstroken die grenzen aan agrarisch
                            gebruikte percelen. Deze rietstroken kunnen zowel individueel als in
                            samenhang met elkaar voorkomen, en in de laatste vorm soms vele
                            kilometers lengte beslaan. Vanwege een extensief gebruik van deze
                            rietzomen, zijn ze een belangrijk broedgebied voor rietvogels, en
                            eveneens van belang voor amfibieën, ringslang, libellen en
                            moerasvegetaties. </al><al><vet>Afbakening</vet></al><lijst><li nr="·"><al>Een rietzoom bevindt zich langs een waterloop en bestaat uit
                                    riet-, biezen en/of zeggevegetaties, waarvan riet meer dan 50%
                                    van de oppervlakte inneemt. </al></li><li nr="·"><al>De rietzoom heeft een breedte van minimaal 2 meter en is
                                    minimaal 25 meter lang. </al></li><li nr="·"><al>Een klein rietperceel is een vlakvormig element met een
                                    vegetatie die overwegend uit riet bestaat. Het rietperceel heeft
                                    een maaibare oppervlakte van maximaal 0,5 ha. </al></li></lijst><al><vet>Subsidieverplichtingen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Op natuurterrein: De beheerder dient het landschapselement in
                                    stand te houden. De wijze waarop hij deze
                                    instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder
                                    zelf.</al></li><li nr="2."><al>Op landbouwgrond: Het beheerpakket landschap kent een aantal
                                    beheereisen die moeten worden nageleefd.</al></li></lijst><al><vet>Beheereisen </vet></al><lijst><li nr="·"><al>Maximaal 20% van de oppervlakte van het element bestaat uit
                                    struweel;</al></li><li nr="·"><al>Het element wordt periodiek gemaaid in een cyclus van éénmaal
                                    per 2-4 jaar en het maaisel wordt afgevoerd;</al></li><li nr="·"><al>Er mogen geen gewasbeschermingsmiddelen en meststoffen in het
                                    element gebruikt worden;</al></li><li nr="·"><al>Het element mag niet betreden en/of beschadigd worden door vee;
                                </al></li><li nr="·"><al>Slootmaaisel of bagger mag niet verwerkt worden in het
                                    element;</al></li><li nr="·"><al>Maaiwerkzaamheden worden verricht in de periode tussen 1 oktober
                                    en 1 maart.</al></li></lijst><al><vet>Beheerpakketten</vet></al><al>L01.14.01a Smalle rietzoom (&lt; 5 meter)</al><al>L01.14.01b Brede rietzoom (&gt; 5 meter) en klein rietperceel</al><al/><al><vet>L01.15 Natuurvriendelijke oever</vet></al><al><vet>Algemene b</vet><vet>eschrijving</vet></al><al>Natuurvriendelijke oevers komen in heel Nederland voor langs waterlopen
                            maar het meest karakteristiek zijn de natuurvriendelijke oevers voor
                            Laag Nederland. Natuurvriendelijke oevers zijn door de mens aangebracht
                            in de vorm van een plas- of dras berm of een flauw talud langs een
                            bestaande waterloop. De begroeiing bestaat uit plantensoorten van natte
                            ruigten en natte graslanden. Door de kenmerkende flora en fauna hebben
                            deze oevers een hoge ecologische waarde. Zij zijn gebonden aan typische
                            terreinomstandigheden. </al><al><vet>Afbakening</vet></al><lijst><li nr="·"><al>Een natuurvriendelijke oever is een aaneengesloten oever langs
                                    een bestaande waterloop, in de vorm van een plas- of drasberm of
                                    flauw talud (minimaal 1:3) met een begroeiing van inheemse
                                    planten.</al></li><li nr="·"><al>De oever heeft een breedte van tenminste 3 meter en maximaal 10
                                    meter en heeft een minimale lengte van 25 meter..</al></li></lijst><al><vet>Subsidieverplichtingen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Op natuurterrein: De beheerder dient het landschapselement in
                                    stand te houden. De wijze waarop hij deze
                                    instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder
                                    zelf.</al></li><li nr="2."><al>Op landbouwgrond: Het beheerpakket landschap kent een aantal
                                    beheereisen die moeten worden nageleefd.</al></li></lijst><al><vet>Beheereisen </vet></al><lijst><li nr="·"><al>Het element wordt periodiek gemaaid in een cyclus van minimaal
                                    éénmaal per 2 jaar en maximaal éénmaal per jaar. Het maaisel
                                    wordt afgevoerd; </al></li><li nr="·"><al>Er mogen geen gewasbeschermingsmiddelen en meststoffen in het
                                    element gebruikt worden;</al></li><li nr="·"><al>Het element mag niet betreden en/of beschadigd worden door vee;
                                </al></li><li nr="·"><al>Slootmaaisel of bagger mag niet verwerkt worden in het
                                    element;</al></li><li nr="·"><al>Maaiwerkzaamheden worden verricht in de periode tussen 15 juli
                                    en 1 maart.</al></li></lijst><al><vet>Beheerpakket</vet></al><al>L01.15.01 Natuurvriendelijke oever</al><al/></li></lijst><al> L02 Historische gebouwen en omgeving</al><tussenkop><cursief>Algemene beschrijving</cursief></tussenkop><al>Vanaf de (late) middeleeuwen nam de bouw van grote, ruim opgezette bouwwerken
                    een grote sprong voorwaarts. Er werd veel geïnvesteerd in grote
                    verdedigingwerken die het land en haar inwoners diende te beschermen. Maar
                    daarnaast nam ook het aantal luxueuze buitenverblijven toe. De adel en andere
                    welvarende burgers vestigden zich in het buitengebied in een veelal ruim
                    opgezette indeling van gebouwen en bijbehorende gronden. Ook het aantal
                    kloosters nam toe sinds de middeleeuwen sterk toe. De nog resterende gebouwen
                    van die tijd kennen naast hun cultuurhistorische waarde vaak ook een grote
                    natuurwaarde. Kenmerkend voor deze landschappen zijn de muurplanten die op de,
                    met kalkrijke mortel aangelegde, muren groeien en de vleermuizen die in de
                    kelders en de vele holtes die vaak in een dergelijke omgeving aanwezig zijn,
                    zeer geschikte verblijfplaatsen vinden. </al><tussenkop>Beheertypen</tussenkop><al>Dit natuurtype omvat de volgende drie beheertypen:</al><lijst><li nr="·"><al>L02.01 Fortterrein</al></li><li nr="·"><al>L02.02 Historisch bouwwerk en erf</al></li><li nr="·"><al>L02.03 Historische tuin</al><al/><al><vet>L02.01 Fortterrein</vet></al><al><vet>Algemene beschrijving </vet></al><al>In Nederland zijn sinds de 16e eeuw vele forten gebouwd ter bescherming
                            van strategische locaties zoals steden, doorgaande wegen of belangrijke
                            wateren. De bekende waterlinies zoals de Nieuwe Hollandse Waterlinie en
                            de Stelling van Amsterdam waren gebaseerd op stelsels van
                            inundatievlakten en forten, die strategische plekken tussen de
                            onderwaterzettingen moesten verdedigen. Forten zijn vaak uitgebreide
                            complexen bestaande uit gebouwen, wallen en grachten. De Stelling van
                            Amsterdam en de Nieuwe Hollandse Waterlinie kennen tientallen van
                            dergelijke forten, maar ook losse forten komen voor. Fortterreinen
                            hadden diverse functies: wallen dienden ter verdediging, maar er waren
                            ook vlakke gedeelten voor exercitie, beplanting voor de aanwezigheid van
                            gebruikshout en camouflage. </al><al>Voornaamste onderdeel van fortterreinen vormen de vaak complexe stelsels
                            van wallen, waarin de gebouwen vaak liggen ingebed. Ook opstelplaatsen
                            voor geschut zijn in de wallen te vinden. </al><al>Beplanting vormt vaak een belangrijk onderdeel van fortterreinen. Van de
                            forten van de grote waterlinies is bekend, dat deze forten een
                            planmatige beplanting kenden: deels als camouflage, maar vooral ook om
                            gebruikshout beschikbaar te hebben. Restanten van deze beplantingen zijn
                            nog op diverse forten te vinden. </al><al>Concentraties van fortterreinen zijn te vinden rondom de forten van de
                            Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam, maar verspreid
                            door het land komen ook elders forten voor, soms geïsoleerd, soms deel
                            uit makend van een linie. Voorbeelden zijn Fort Sint Pieter op de Sint
                            Pietersberg bij Maastricht of Fort Rammekens bij Vlissingen. </al><al>Belangrijkste beheermaatregelen bestaan uit het onderhouden van de
                            wallen en bijbehorende graslanden en de (al dan niet historische)
                            beplanting. Maaien en afvoeren van het maaisel van de wallen is één van
                            de belangrijkste beheermaatregelen. De schuine taluds van de wallen
                            maken maaien vaak moeilijk. </al><al>Fortterreinen hangen sterk samen met de fortgebouwen, de fortgracht en
                            het buitenfort. Forten kennen meestal een sterke relatie met het
                            omliggende landschap, zoals bijvoorbeeld de strategische ligging en
                            nabijheid van het te verdedigen object, zoals een weg, dijk of stad.
                            Fortterreinen hebben meestal een belangrijke functie als rustgebied voor
                            fauna in het cultuurlandschap. De erop aanwezige gebouwen vormen
                            belangrijke voortplantings- en overwinteringsplekken voor vleermuizen. </al><al><vet>Afbakening</vet></al><lijst><li nr="·"><al>Tot het beheertype Fortterrein behoren de stelsels van wallen,
                                    beplanting en terreinen inclusief de gracht, met uitzondering
                                    van de gebouwen van het fort. Het gaat hierbij vrijwel altijd om
                                    19e en vroeg 20e eeuwse complexen. </al></li><li nr="·"><al>De aanwezige historische beplanting, vaak knotbomen en
                                    meidoornhagen, worden periodiek afgezet. Deze maken onderdeel
                                    van fortterrein en vallen niet apart als landschapselement onder
                                    de beheertypen Houtwal, Struweelhaag, Knotboom, Elzensingel of
                                    Knip- en scheerheg. </al></li><li nr="·"><al>Het grazige gedeelte van het fortterrein wordt niet apart als
                                    beheertype Kruiden- en faunarijk grasland onderscheiden, maar is
                                    onderdeel van het beheertype Fortterrein. </al></li></lijst><al><vet>Subsidieverplichtingen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Op natuurterrein: De beheerder dient het landschapselement in
                                    stand te houden. De wijze waarop hij deze
                                    instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder
                                    zelf.</al></li><li nr="2."><al>Op landbouwgrond: Het beheerpakket landschap kent een aantal
                                    beheereisen die moeten worden nageleefd.</al><al/></li></lijst><al><vet>L02.02 Historisch bouwwerk en erf</vet></al><al><vet>Algemene beschrijving </vet></al><al>Historisch bouwwerk en erf bestaat uit bouwwerken die van belang zijn in
                            de geschiedenis van de architectuur, die belangrijke architectonische
                            elementen bevatten of die een belangrijke historische rol hebben
                            gespeeld in de plaatselijke culturele of sociale ontwikkeling. Hierbij
                            gaat het om het bouwwerk inclusief de bijbehorende directe omgeving
                            zoals bijvoorbeeld erven en omgrachting. Het gaat hierbij om de
                            buitenruimte met een utilitair gebruik die een functionele samenhang
                            heeft met het gebouw. Het geheel kan al of niet officieel als monument
                            zijn aangewezen. Er zijn verschillende bouwwerken te onderscheiden: </al><lijst><li nr="1."><al>Landhuizen en bijgebouwen en omgrachting (stallen,
                                    dienstwoningen, poortgebouwen, oranjerie, duiventil, tuinhuisje,
                                    ijskelders, etc.); </al></li><li nr="2."><al>Boerderijen en bijgebouwen met bijbehorend historische
                                    erfindeling en omgrachting (stallen, etc.); </al></li><li nr="3."><al>Bouwwerken met een religieuze functie (of verleden) inclusief
                                    begraafplaatsen; </al></li><li nr="4."><al>Bouwwerken met een industriële of technische functie (of
                                    verleden) (zoals; molens, sluizen + bijgebouwen, (steen-)
                                    fabrieken); </al></li><li nr="5."><al>Woonhuizen; </al></li><li nr="6."><al>Bouwwerken met een militaire functie en eventuele omgrachting (
                                    of verleden) (zoals fortgebouwen, bunkers, betonnen en stenen
                                    verdedigingswerken. </al></li></lijst><al>Van de verschillende bouwwerken zijn regionale types (bijv. boerderijen)
                            en/of specifieke relaties met de vestigingsplek (bijv. steenfabrieken).
                            Verschillende bouwwerken dienen als broed- of overwinteringplaats van
                            vogels en insecten. </al><al><vet>Afbakening</vet></al><al>·Onder dit beheertype vallen het bouwwerk inclusief de bijbehorende
                            directe omgeving zoals bijvoorbeeld erven. Het gaat hierbij om de
                            buitenruimten die een functionele samenhang hebben met het gebouw.</al><al><vet>Beheer</vet></al><al>Er zijn drie beheeropties: Consolidatie door regulier beheer,
                            restauratie of reconstructie.</al><al>De kern van het beheer is dat het bouwwerk in de huidige toestand
                            blijft. Men kan ook kiezen om tot restauratie of reconstructie over te
                            gaan wat na de ingreep tot een instandhoudingbeheer zal leiden.</al><al/><al><vet>L02.03 Historische tuin</vet></al><al><vet>Algemene beschrijving </vet></al><al>Het beheertype Historische tuin beslaat oude tuinen of tuinonderdelen
                            bij buitenplaatsen, landgoederen kastelen of kloosters die onderhouden
                            moeten worden volgens een bepaald historisch ontwerp. Hierbij horen o.a.
                            gazons, (rozen)perken, fonteinen, sier- en fruitbomen, paden, heggen,
                            bij het ontwerp horende vijvers/waterpartijen etc. Buitenplaatsen
                            ontstonden in de Nederlanden eind 16e eeuw. Sommige buitenplaatsen
                            ontwikkelden zich uit de bestaande kastelen en kloosters, andere werden
                            nieuw gesticht, veelal door de nieuwe stedelijke elite die genoeg geld
                            hadden verdiend om naar 'buiten' te trekken en op een landschappelijk
                            aantrekkelijke plaats te gaan wonen. Buitenplaatsen nabij steden werden
                            lang niet altijd permanent bewoond, vaak werd het huis in de stad
                            aangehouden en woonde de eigenaar alleen in het zomerseizoen op de
                            buitenplaats. Buitenplaatsen waren in Nederland populair vanaf de 17e
                            eeuw. Er zijn diverse stijlvormen bekend:</al><lijst><li nr="·"><al>Geometrische tuinstijl 17e/18e eeuw </al></li><li nr="·"><al>Landschappelijke stijl eind 18e en 19e eeuw </al></li><li nr="·"><al>Gemengde en neostijlen 20e eeuw. </al></li></lijst><al>In praktijk is op de meeste buitenplaatsen een mengvorm van deze
                            tuinstijlen te vinden. De ontwikkeling van tuinstijlen begint in de
                            zeventiende eeuw met de geometrische tuinen met veel symmetrie, water,
                            lanen en zichtassen (denk aan Het Loo), naar de landschappelijke tuinen
                            vanaf eind 18e eeuw naar allerlei meng- en neostijlen in de 20e eeuw. </al><al>Historische tuinen zijn te vinden op landgoederen en buitenplaatsen in
                            heel Nederland. Er zijn enkele bekende zones met vele buitenplaatsen bij
                            elkaar in Nederland te vinden zoals langs de Vecht of de ’s Gravelandse
                            Buitenplaatsen. Tuinen in de geometrische tuinstijl zijn zeldzaam: Het
                            Loo is een bekend voorbeeld. In de landschappelijke tuinstijl zijn vele
                            parken bij landgoederen en buitenplaatsen aangelegd, maar lang niet
                            altijd is daar een historische tuin in deze stijl bij te vinden. Veel
                            historische tuinen komen toch uit de categorie gemengde en neostijlen
                            vanaf begin 20e eeuw. Ook hierbij geldt, dat vele mengvormen voorkomen
                            en vaak elementen uit vroegere stijlperiodes in de tuin werden
                            opgenomen. Ook rondom kloosters kunnen historische tuinen te vinden
                            zijn. De tuin werd vaak ingericht met een mengeling van recreatieve en
                            nuttige functies, waarbij het representatieve aspect dominant was. De
                            tuin was een onderdeel van een groter geheel waar ook lanen, singels,
                            leibomen, solitaire bomen, begroeide slangenmuren, grachten, kanalen,
                            een duiventil, follys en allerlei bijgebouwen bijhoren. Deze
                            verschillende delen worden bijeengehouden doordat ze bij het ontwerp van
                            één buitenplaats horen. </al><al>De tuinen hebben een relatie met het bijbehorende huis. Vaak waren de
                            intensief onderhouden tuinen in de directe omgeving van het huis te
                            vinden. In een enkel geval is het huis verdwenen maar de tuin nog
                            aanwezig. Daarnaast hebben de tuinen een duidelijke relatie met andere
                            onderdelen van het landgoed of de buitenplaats, zoals de lanen en
                            parkbossen of landerijen. Soms hebben deze een sterke regionale inslag,
                            vaak ook niet. </al><al><vet>Afbakening</vet></al><lijst><li nr="·"><al>Het beheertype historische tuinen beslaat oude tuinen of
                                    tuinonderdelen bij buitenplaatsen, landgoederen, kastelen of
                                    kloosters die onderhouden moeten worden volgens een bepaald
                                    historisch ontwerp. Belangrijkste onderdelen zijn in dit type
                                    gazons, (rozen)perken en borders, (uitheemse) bomen en struiken,
                                    kleinschalig padenpatroon, fonteinen, sier- en fruitbomen,
                                    paden, heggen en bij het ontwerp horende vijvers/waterpartijen.
                                    Ook bijzondere tuinelementen als berceaus (loofgangen) of
                                    doolhoven vallen onder dit type. Deze onderdelen worden
                                    intensief onderhouden volgens een bepaald ontwerp. </al></li><li nr="·"><al>Niet tot het beheertype behoren landschapselementen die horen
                                    bij Park- en stinzenbossen (beheertype N17.03) en lanen LN 1.7.
                                </al></li><li nr="·"><al>Gebouwde elementen van de tuin zoals tuinmuren en ijskelders
                                    vallen onder beheertype LN 2.2. </al></li><li nr="·"><al>Een landgoed of buitenplaats bezit niet per definitie een
                                    historische tuin, zoals in dit beheertype bedoeld is. Ook
                                    kloosters kunnen een historische tuin kennen. Stadstuinen vallen
                                    buiten dit type. </al></li></lijst><al><vet>Beheer</vet></al><al>Er zijn drie beheeropties: Consolidatie door regulier beheer of
                            restauratie of reconstructie.</al><al>De kern van het beheer is dat de tuin in de huidige toestand blijft. Bij
                            het beheer is kennis van de oorspronkelijke vorm en betekenis van de
                            verschillende groene elementen van belang. Het beheer is dus gericht op
                            behoud van de oorspronkelijke structuren. Is de structuur van een tuin
                            verloren gegaan door sterke verwaarlozing, dan zijn er vaak nog wel
                            resten te vinden van de oude aanleg. In dat geval kan gekozen worden
                            voor een restauratie of reconstructie. De eerste vraag die daarbij
                            gesteld wordt is: kies je voor een specifiek tijdsbeeld (bijvoorbeeld
                            begin 19e eeuw), of moet de nieuwe situatie een beeld geven van de
                            ontwikkeling van de tuin door de jaren heen? Beide keuzen vereisen een
                            grondige studie van historische bronnen, zoals oude kaarten,
                            beschrijvingen en mogelijk zelfs ontwerptekeningen van de tuin. Op grond
                            daarvan zal gekozen moeten worden voor een van de twee hierboven
                            genoemde mogelijkheden. Consolidatie betekent het behouden van nog
                            aanwezige tuinelementen in de huidige situatie. </al><al/></li></lijst><al> L03 Aardwerken</al><tussenkop>Algemene beschrijving</tussenkop><al>Door de eeuwen heen heeft de mens haar sporen achtergelaten in het Nederlandse
                    landschap. Er werden nederzettingen opgericht in het buitengebied waarbij de
                    omgeving gebruikt werd om in de levensbehoeften van de inwoners te voorzien. Zo
                    werden er verhogingen in het landschap aangelegd die de inwoners moesten
                    beschermen tegen aanvallers maar ook tegen het water. Daarnaast werd het
                    landschap zo ingericht dat het mogelijk werd om vee te houden en gewassen te
                    telen. Om de achterliggende gronden bereikbaar te maken werden paden aangelegd
                    die als gevolg van vele jaren intensief gebruik vaak insleten in het landschap.
                    Deze sporen zijn tot op de dag van vandaag zichtbaar in het landschap en geven
                    het landschap een historische dimensie.</al><tussenkop>Beheertypen</tussenkop><al>Dit natuurtype omvat het volgende beheertype:</al><al>·L03.01 Aardwerk en groeve</al><al/><al>·<vet>L03.01 Aardwerk en groeve</vet></al><al>·<vet>Algemene beschrijving </vet></al><al>·Binnen dit beheertype valt een diverse verzameling van landschapselementen van
                    door de mens gemaakte verhogingen of ophogingen van aarde/grond of door de mens
                    gemaakte kuilen, laagtes of gaten. Grofweg is deze verzameling in 4 groepen in
                    te delen: </al><lijst><li nr="1."><al>Aarden schansen of ander verdedigingswerken: o.a. schansen, landweren,
                            kogelvangers, tankgrachten en loopgraven); </al></li><li nr="2."><al>Wallen en dijken: tuunwallen, aarden wallen, terpen, wierden, dijken
                            (slaper-, binnen-, ban-, overlaat-, peel-, rivier, schaar-, schenkel-,
                            stuif-, zomer-, zeedijk etc) en dammen (incl. Spekdam (spiek, paap);
                        </al></li><li nr="3."><al>Groeves en putten: steengroeven, zand-(grind-)putten en –groeves, kuilen
                            (ijzer-, boeren- en zaagkuilen), daliegaten en leemputten; </al></li><li nr="4."><al>Microreliëf en steilranden; kades (tiendwegen), esranden, bolle akkers
                            en akkerbergen. </al></li></lijst><al>·Vooral wallen en dijken zijn opvallende elementen in het landschap en een
                    belangrijk onderdeel van veel landschappen in het lage deel van Nederland. Van
                    de verschillende landschapselementen zijn regionale types en/ of specifieke
                    relaties met de locatie van voorkomen. </al><al>·<vet>Afbakening </vet></al><lijst><li nr="·"><al>Alle landschapselementen die op de Archeologische Monumentenkaart (AMK)
                            staan, zoals bijvoorbeeld motte’s, grafheuvels en vlietbergen vallen
                            buiten dit beheertype maar vallen onder het type archeologisch waardevol
                            terrein. </al></li><li nr="·"><al>Alleen elementen dia als zodanig worden beheerd vallen onder dit
                            beheertype. </al></li><li nr="·"><al>Elementen die al onder een ander beheertype kunnen worden gerekend
                            vallen buiten dit beheertype. </al></li></lijst><al>·<vet>Beheer</vet></al><al>·Binnen natuurterreinen en in agrarisch gebied geldt een
                    instandhoudingsverplichting. Het beheer dient er op gericht te zijn dat het
                    landschapselement in de huidige toestand blijft.</al><al> L04 Recreatieve landschapselementen</al><tussenkop>Algemene beschrijving</tussenkop><al>Mensen gebruiken het landschap niet alleen om te voorzien in hun
                    levensbehoeften. Het landschap wordt ook gebruikt voor recreatie in haar vele
                    vormen. Van oudsher werden bijvoorbeeld delen van agrarische percelen gebruikt
                    als wandelpad omdat dit vaak de kortste route was tussen twee locaties, vooral
                    op zondag wanneer men naar de kerk ging of het buitengebied in trok ter
                    ontspanning. Meer recent neemt vooral de behoefte toe om het agrarisch landschap
                    breed te ontsluiten voor recreatiedoeleinden. </al><tussenkop>Beheertypen</tussenkop><al>Dit natuurtype omvat het volgende beheertype:</al><al>·L04.01 Wandelpad over boerenland</al><al/><al>·<vet>L04.01 Wandelpad over boerenland</vet></al><al>·<vet>Algemene beschrijving</vet></al><al>·Veel boeren, vaak in georganiseerd verband, overgegaan tot de aanleg van
                    wandelpaden over boerenland. Inmiddels is een heel stelsel van wandelpaden over
                    boerenland ontstaan, vaak onderdeel uitmakend van veel grotere systemen zoals
                    lange afstandwandelpaden, provinciale wandelkaarten etc. Ook zijn tot voor enige
                    decennia aanwezige oudere paden soms weer in ere hersteld, zoals kerkenpaden. </al><al>·<vet>Afbakening</vet></al><lijst><li nr="·"><al>Een wandelpad over boerenland bestaat in beginsel uit een onverhard pad.
                            Kleine gedeelten verhard pad over particuliere gronden kunnen meegenomen
                            worden als dit noodzakelijk is voor de wandelpadenstructuur. </al></li><li nr="·"><al>Het wandelpad heeft een breedte van maximaal 3 meter.</al></li><li nr="·"><al>De paden zijn duidelijk gemarkeerd en zijn geschikt voor wandelaars met
                            een normale conditie.</al></li><li nr="·"><al>Het wandelpad vormt een onderdeel van een doorgaande en/of openbare
                            wandelstructuur.</al></li></lijst><al>·<vet>Subsidieverplichtingen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Op natuurterrein: De beheerder dient het landschapselement in stand te
                            houden. De wijze waarop hij deze instandhoudingsverplichting invult, is
                            aan de beheerder zelf.</al></li><li nr="2."><al>Op landbouwgrond: Het beheerpakket landschap kent een aantal beheereisen
                            die moeten worden nageleefd.</al></li></lijst><al>·<vet>Beheereisen </vet></al><lijst><li nr="·"><al>Het wandelpad wordt zodanig beheerd dat een goede begaanbaarheid
                            gewaarborgd is;</al></li><li nr="·"><al>De voorzieningen die een onderdeel vormen van het wandelpad zoals
                            bruggetjes, klaphekjes e.d. worden in goede staat van onderhoud
                            gehouden;</al></li><li nr="·"><al>Het wandelpad is opengesteld van zonsopgang tot zonsondergang en
                            jaarrond toegankelijk. </al></li></lijst><al>·<vet>Beheerpakket</vet></al><al>·L04.01.01 Wandelpad over boerenland</al><al/><al>·<vet>Index Natuur en Landschap</vet></al><al>·Onderdeel natuurbeheertypen</al><al>·Versie 0.5 21 Januari 2013.</al><al>·Red. P. Schipper en H. Siebel <vet>Inhoudsopgave</vet></al><al>·<onderstreept>Leeswijzer</onderstreept> 59</al><al>·<onderstreept>N00.01 Nog om te vormen naar natuur</onderstreept> 62</al><al>·<onderstreept>N01 Grootschalige, dynamische natuur</onderstreept> 63</al><al>·<onderstreept>N01.01 Zee en wad</onderstreept> 65</al><al>·<onderstreept>N01.02 Duin- en kwelderlandschap</onderstreept> 66</al><al>·<onderstreept>N01.03 Rivier- en moeraslandschap</onderstreept> 67</al><al>·<onderstreept>N01.04 Zand- en kalklandschap</onderstreept> 68</al><al>·<onderstreept>N02 Rivieren</onderstreept> 70</al><al>·<onderstreept>N02.01 Rivier</onderstreept> 71</al><al>·<onderstreept>N03 Beken en bronnen</onderstreept> 72</al><al>·<onderstreept>N03.01 Beek en bron</onderstreept> 74</al><al>·<onderstreept>N04 Stilstaande wateren</onderstreept> 76</al><al>·<onderstreept>N04.01 Kranswierwater</onderstreept> 77</al><al>·<onderstreept>N04.02 Zoete plas</onderstreept> 79</al><al>·<onderstreept>N04.03 Brak water</onderstreept> 82</al><al>·<onderstreept>N04.04 Afgesloten zeearm</onderstreept> 83</al><al>·<onderstreept>N05 Moerassen</onderstreept> 85</al><al>·<onderstreept>N05.01 Moeras</onderstreept> 86</al><al>·<onderstreept>N05.02 Gemaaid rietland</onderstreept> 88</al><al>·<onderstreept>N06 Voedselarme venen en vochtige heiden</onderstreept> 89</al><al>·<onderstreept>N06.01 Veenmosrietland en moerasheide</onderstreept> 90</al><al>·<onderstreept>N06.02 Trilveen</onderstreept> 91</al><al>·<onderstreept>N06.03 Hoogveen</onderstreept> 93</al><al>·<onderstreept>N06.04 Vochtige heide</onderstreept> 95</al><al>·<onderstreept>N06.05 Zwakgebufferd ven</onderstreept> 97</al><al>·<onderstreept>N06.06 Zuur ven of hoogveenven</onderstreept> 99</al><al>·<onderstreept>N07 Droge heiden</onderstreept> 101</al><al>·<onderstreept>N07.01 Droge heide</onderstreept> 102</al><al>·<onderstreept>N07.02 Zandverstuiving</onderstreept> 104</al><al>·<onderstreept>N08 Open duinen</onderstreept> 106</al><al>·<onderstreept>N08.01 Strand en embryonaal duin</onderstreept> 107</al><al>·<onderstreept>N08.02 Open duin</onderstreept> 108</al><al>·<onderstreept>N08.03 Vochtige duinvallei</onderstreept> 110</al><al>·<onderstreept>N08.04 Duinheide</onderstreept> 112</al><al>·<onderstreept>N09 Schorren of kwelders</onderstreept> 113</al><al>·<onderstreept>N09.01 Schor of kwelder</onderstreept> 114</al><al>·<onderstreept>N10 Vochtige schraallanden</onderstreept> 116</al><al>·<onderstreept>N10.01 Nat schraalland</onderstreept> 117</al><al>·<onderstreept>N10.02 Vochtig hooiland</onderstreept> 119</al><al>·<onderstreept>N11 Droge schraallanden</onderstreept> 121</al><al>·<onderstreept>N11.01 Droog schraalland</onderstreept> 122</al><al>·<onderstreept>N12 Rijke graslanden en akkers</onderstreept> 123</al><al>·<onderstreept>N12.01 Bloemdijk</onderstreept> 125</al><al>·<onderstreept>N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland</onderstreept> 126</al><al>·<onderstreept>N12.03 Glanshaverhooiland</onderstreept> 127</al><al>·<onderstreept>N12.04 Zilt- en overstromingsgrasland</onderstreept> 129</al><al>·<onderstreept>N12.05 Kruiden- en faunarijke akker</onderstreept> 131</al><al>·<onderstreept>N12.06 Ruigteveld</onderstreept> 133</al><al>·<onderstreept>N13 Vogelgraslanden</onderstreept> 134</al><al>·<onderstreept>N13.01 Vochtig weidevogelgrasland</onderstreept> 135</al><al>·<onderstreept>N13.02 Wintergastenweide</onderstreept> 136</al><al>·<onderstreept>N14 Vochtige bossen</onderstreept> 137</al><al>·<onderstreept>N14.01 Rivier- en beekbegeleidend bos</onderstreept> 138</al><al>·<onderstreept>N14.02 Hoog- en laagveenbos</onderstreept> 140</al><al>·<onderstreept>N14.03 Haagbeuken- en essenbos</onderstreept> 141</al><al>·<onderstreept>N15 Droge bossen</onderstreept> 142</al><al>·<onderstreept>N15.01 Duinbos</onderstreept> 143</al><al>·<onderstreept>N15.02 Dennen-, eiken- en beukenbos</onderstreept> 145</al><al>·<onderstreept>N16 Bossen met productiefunctie</onderstreept> 146</al><al>·<onderstreept>N16.01 Droog bos met productie</onderstreept> 148</al><al>·<onderstreept>N16.02 Vochtig bos met productie</onderstreept> 150</al><al>·<onderstreept>N17 Cultuurhistorische bossen</onderstreept> 151</al><al>·<onderstreept>N17.01 Vochtig hakhout en middenbos</onderstreept> 152</al><al>·<onderstreept>N17.02 Droog hakhout</onderstreept> 154</al><al>·<onderstreept>N17.03 Park- en stinzenbos</onderstreept> 155</al><al>·<onderstreept>N17.04 Eendenkooi</onderstreept> 157</al><tussenkop>Leeswijzer</tussenkop><tussenkop>T.a.v. versie 0.5</tussenkop><al>De versie 0.5 van het onderdeel natuurbeheertypen van de index natuur- en
                    landschap betreft een versie met beschrijvingen van de beheertypen waar net als
                    in versie 0.3 de landschapselementen zijn uitgehaald en elders in een apart
                    onderdeel Landschapselementen zijn ondergebracht en ten opzichte van versie 0.4.
                    enkele kleine aanpassingen aan de tekst van de beheertypen zijn gedaan ter
                    verdere verduidelijking van de afbakening van de beheertypen, naar aanleiding
                    van gebleken onduidelijkheden tijdens het omzettingsproces vanuit oude
                    typologieën begin 2009.. </al><tussenkop>1 natuurbeheertypen</tussenkop><al>De natuur- en beheertypen zijn in nauwe samenwerking met IPO en LNV en met
                    uitgebreide consultatie ontwikkeld binnen het Project Waarborgen Natuurkwaliteit
                    om de bestaande planning en evaluatiesystemen op het gebied van natuurbeheer te
                    verbeteren. Het ging om de volgende doelen en wensen:</al><lijst><li nr="-"><al>Samenvoegingen en vervanging van bestaande systemen,</al></li><li nr="-"><al>Verbetering waar nodig, echter geen radicaal andere uitgangspunten.</al></li><li nr="-"><al>Stroomlijning met doelen van N2000 en Kaderrichtlijn water</al></li><li nr="-"><al>Vereenvoudiging door reductie van het aantal typen</al></li></lijst><al>Binnen het onderdeel natuur zijn er nu 17 natuurtypen en daaronder 47
                    beheertypen. Uitgangspunten van de typologie zijn:</al><lijst><li nr="-"><al>Natuurtypen zijn bedoeld als sturingsinstrument op landelijk en
                            regionaal niveau. </al></li><li nr="-"><al>Natuurtypen zijn bruikbaar om afspraken op het gebied van natuurbeheer,
                            ruimtelijke ontwikkeling en milieu op elkaar af te stemmen zodat de
                            nagestreefde natuurkwaliteit gerealiseerd kan worden. </al></li><li nr="-"><al>De indeling in natuurtypen is met name gebaseerd op abiotische condities
                            (waterhuishouding en voedselrijkdom).</al></li><li nr="-"><al>Beheertypen zijn bedoeld voor de aansturing van het beheer. De indeling
                            is praktisch en sluit aan op de schaal waarop beheerders werken. In het
                            algemeen betekend dit dat de index toepasbaar moet zijn op een schaal
                            1:25.000. Kleine delen van andere beheertypen worden niet apart
                            weergegeven, de grenzen van het doelgebied komen op duidelijk herkenbare
                            structuren zoals wegen en paden, bosranden etc.</al></li><li nr="-"><al>Alle subsidiabele natuur van terreinbeherende organisaties en
                            particulieren kan worden ondergebracht in de typologie. Voor niet
                            subsidiabel beheer kan door de beheerders een aantal extra typen voor
                            interne sturing worden gehanteerd (bv regulier verpachte gronden,
                            gebouwen en erf). Deze typen zijn niet in de typologie opgenomen.</al></li><li nr="-"><al>Beheertypen kunnen op regionaal niveau beschouwd worden als eenheden met
                            een kleine variatie in natuurwaarde en abiotische randvoorwaarden.</al></li><li nr="-"><al>Beheertypen zijn geschikt om zowel actuele situatie als doelen mee te
                            beschrijven.</al></li><li nr="-"><al>Binnen een beheertype is sprake van een vergelijkbaar beheer en
                            vergelijkbare kosten (koppeling doelen en middelen). Waar echter
                            verschillende maatregelen tot een zelfde resultaat kunnen leiden, is
                            rekening gehouden met de verschillende beheermethoden.</al></li><li nr="-"><al>Zowel natuurlijke landschappen als groene cultuurhistorische elementen
                            zijn geïntegreerd in de beheertypen.</al></li><li nr="-"><al>Om een houtproductiedoelstelling apart te kunnen weergeven is het
                            natuurtype multifunctionele bossen onderscheiden.</al></li><li nr="-"><al>Bij het ontwerp van de beheertypen in de eerste 16 natuurtypen (met als
                            belangrijkste aandachtsveld Natuur of Bos met productiefunctie) is
                            rekening gehouden met drie aspecten:</al><lijst><li nr="o"><al>Ecosysteembenadering; processen, structuur en
                                    levengemeenschappen</al></li><li nr="o"><al>Mate van natuurlijkheid </al></li><li nr="o"><al>Hanteren van kwaliteitsniveaus per type</al></li></lijst></li></lijst><al>Naast deze 17 natuurtypen en 47 beheertypen van het onderdeel natuur is er nog
                    het natuurtype N00 Nog om te vormen naar natuur en het beheertype N00.01 Nog om
                    te vormen naar natuur om gronden die nog moeten worden ingericht of omgevormd
                    naar andere beheertypen in omvang en ligging voor beleid en beheer inzichtelijk
                    te maken.</al><al>Van alle natuurbeheertypen is een algemene beschrijving en afbakening opgenomen.
                    De algemene beschrijvingen geven een indruk van het voorkomen en geografische
                    verspreiding van de beheertypen, de kenmerkende natuurwaarden en belangrijkste
                    abiotische en ruimtelijke condities. Voor de afbakening van de beheertypen is
                    een aantal uitgangspunten geformuleerd:</al><lijst><li nr="-"><al>de afbakening is goed toepasbaar en helder voor deskundige
                            (gecertificeerde) beheerders,</al></li><li nr="-"><al>de indeling is eenduidig toe te passen, de typen sluiten elkaar
                            onderling zoveel mogelijk uit.</al></li></lijst><al>De afbakeningen zijn met name gebaseerd op vegetatiestructuur, abiotische
                    condities en voorkomen in geografische regio’s. In een aantal gevallen wordt het
                    voorkomen van soorten en vegetatietypen gebruikt om het type te karakteriseren.
                    Indien het beheer onlosmakelijk verbonden is met het beheertype wordt dit bij de
                    afbakening vermeld. De afbakening tussen de natuurtypen vochtig bos en droog bos
                    en bos met productie is gebaseerd op hoeveelheid oogst in relatie tot gemiddelde
                    jaarlijkse bijgroei (conform FSC-certificering voor Small and Low Intensity
                    Managed Forest). </al><al>De opschaling tot eenheden die praktisch hanteerbaar zijn voor beheerders heeft
                    tot gevolg dat er, ten opzichte van de gehanteerde indeling in het handboek
                    natuurdoeltypen, ook in de typeomschrijvingen een opschaling plaats vindt. Het
                    gaat dus vaak om een combinatie van natuurkwaliteiten: Bij moerassen
                    bijvoorbeeld gaat het om de combinatie van open waterriet, gesloten rietlanden,
                    ruigten en struwelen. Bossen behoren open plekken, zomen en struwelen te
                    bevatten. In de veenweidegebieden gaat het dan niet meer om graslanden, oevers
                    en sloten afzonderlijk, maar juist om de combinatie van deze drie elementen en
                    de overgangen er tussen. Soms zijn bijzondere kwaliteiten juist gebonden aan
                    gradiënten. De beheertypen herbergen dus meer gradiënten dan de natuurdoeltypen.
                    In de kwaliteitsbeoordeling komt dit aspect o.a. terug in het onderdeel
                    structuur. De kwaliteit van het leefgebied van veel diersoorten wordt bepaald
                    door de aanwezigheid van meerdere structuurelementen. In de vertaaltabel worden
                    deze kleinschalige elementen als sloten en ruigten en zomen uit oude typologieën
                    niet overal genoemd bij de vertaling. In principe worden ze opgenomen in
                    aanliggende beheertypen.</al><al>Grootschalige dynamische natuur bestaat met uitzondering van Zee en wad altijd
                    uit een combinatie van andere beheertypen. Bij grootschalige beheertypen wordt
                    beschreven welke combinaties van de andere beheertypen te verwachten zijn. De
                    kwaliteit van deze beheertypen wordt bepaald door de kwaliteit van de andere
                    beheertypen die in dit type voorkomen en door de mate van natuurlijkheid. De
                    aanwezigheid van landschapsvormende en hydrologische processen is belangrijk
                    voor het laatste aspect. </al><al>De omschrijvingen in de natuur- en beheertypen zijn niet bedoeld als kookboeken
                    voor het beheer. De werkelijkheid is daarvoor veel te ingewikkeld, maatwerk zal
                    nodig blijven. De omschrijvingen zijn bedoeld om duidelijk te maken wat er onder
                    een type valt. </al><al>Bij de beheertypen zal een foto opgenomen worden ter illustratie van een goed
                    ontwikkelde vorm van het beheertype. Daarnaast wordt een aantal
                    voorbeeldgebieden genoemd, waar het type goed ontwikkeld voorkomt. </al><al>Over de schaal van toepassing van de beheertypen in de nieuwe subsidieregeling
                    en de sturingsrelatie SBB-EZ is ook een praktische insteek noodzakelijk. Omdat
                    veel beheertypen vaak in kleinschalig mozaïek voorkomen (praktisch niet
                    karteerbaar) moet er ruimte zijn voor het kleinschalig voorkomen van andere
                    beheertypen binnen begrensde eenheden. Daarbij is gehanteerd dat 20% van de
                    oppervlakte kleinschalig en in menging tot een ander beheertype mag behoren.
                    Deze ruimte is niet telkens apart genoemd in de afzonderlijke beschrijvingen van
                    de afbakeningen per beheertype. </al><tussenkop>N00.01 Nog om te vormen naar natuur</tussenkop><tussenkop>1.1 Algemene beschrijving</tussenkop><al>Gronden met een intensief agrarisch of ander verleden die een natuurbestemming
                    krijgen, hebben meestal niet van de ene op de andere dag natuurwaarden. Hiervoor
                    is eerst een omvormingsbeheer (verschraling) nodig of inrichting, zoals het
                    afvoeren van de voedselrijke bouwvoor of bosaanplant. Dit kan vaak niet meteen.
                    Vaak is er wel al aangepast beheer nodig. Om deze gronden met een
                    natuurbestemming toch op de kaart te kunnen zetten is er het beheertype ‘nog om
                    te vormen naar natuur’. Hiermee is voor het beheer en beleid inzichtelijk waar
                    en hoeveel natuur nog omgevormd of ingericht moet worden. Als ook voor de
                    toekomst nog niet duidelijk is tot welke natuur het omgevormd wordt kan het ook
                    op ambitiekaart van de Provincie staan aangegeven, totdat daadwerkelijk aan een
                    inrichting wordt gewerkt.</al><tussenkop>1.2 Afbakening</tussenkop><al>·Dit beheertype omvat gronden die in het verleden een andere functie dan natuur
                    hebben gekend en nog niet tot andere beheertypen te rekenen zijn.</al><al>N01 Grootschalige, dynamische natuur</al><tussenkop>Algemene beschrijving</tussenkop><al>Grootschalige, dynamische natuur is een natuurtype waar natuurlijke processen
                    een bepalende invloed hebben op het landschap. Als gevolg hiervan zijn jonge
                    successiestadia zoals open grond, open water of grasland aanwezig, maar ook oude
                    successiestadia zoals bossen of venen. Er is daarom sprake van een ruime
                    variatie in levensgemeenschappen en soorten. </al><al>In een land zoals Nederland zijn vooral processen actief onder invloed van
                    water. Voorbeelden daarvan zijn:</al><lijst><li nr="·"><al>de stroming van oppervlaktewater, waardoor pioniermilieus kunnen
                            ontstaan; </al></li><li nr="·"><al>stagnatie van grond- en regenwater, waardoor veenvorming kan optreden;
                        </al></li><li nr="·"><al>de toestroom van zilt water, waardoor bepaalde soorten worden
                            bevoordeeld en andere (onder andere alle bomen en struiken) worden
                            uitgesloten. </al></li></lijst><al>In droge gebieden kan ook begrazing, brand of wind ervoor zorgen dat plaatselijk
                    lage vegetaties ontstaan op plaatsen die anders geheel zouden dichtgroeien met
                    bos of struweel. </al><tussenkop>Ontstaansgeschiedenis</tussenkop><al>Grootschalige, dynamische natuur is aanwezig als er weinig of geen menselijke
                    invloed is op het landschap. Die omstandigheden zijn op de meeste plaatsen in
                    Nederland al lang verdwenen. </al><al>In de eerste plaats doordat gebieden in gebruik werden genomen voor landbouw,
                    bewoning, enzovoorts. In de tweede plaats doordat men uit
                    veiligheidsoverwegingen bescherming wenste tegen natuurlijke processen, zoals
                    overstroming, brand, dierziekten en dergelijke. </al><al>Na de middeleeuwen heeft het natuurtype zich voornamelijk langs de kust redelijk
                    weten te handhaven. De binnenlandse beheertypen van dit natuurtype zijn in de
                    loop van de eeuwen vrijwel verdwenen. Dit laatste gebeurde zowel direct, door
                    het ontginnen van gebieden en het indammen en bestrijden van dynamische
                    processen, als indirect doordat resterende natuurgebieden steeds kleiner werden
                    en daarmee geen ruimte meer boden voor landschapsvormende processen.</al><al>Tegenwoordig bestaat grote belangstelling om grootschalige, dynamische natuur
                    (weer) te ontwikkelen. Daarvoor zijn grote gebieden nodig die ruimte bieden aan
                    landschapsvormende processen binnen de omstandigheden van de 21e eeuw. Het
                    laatste betekent dat het natuurtype ook kan worden nagestreefd in bijvoorbeeld
                    afgesloten zeearmen die door de mens zijn drooggelegd. Zelfs enige mate van
                    actieve menselijke beïnvloeding behoort tot de mogelijkheden, vanuit de
                    overweging dat natuurlijke processen bijna nergens in Nederland nog geheel
                    ongestoord kunnen verlopen, en omdat vaak niet valt te reconstrueren hoe de
                    natuurlijke referentie eruit ziet. Men kan daarom besluiten om gewenste
                    ruimtelijke variatie te bereiken door de landschapsvormende processen af en toe
                    een handje te helpen.</al><tussenkop>Beheertypen</tussenkop><al>Afhankelijk van de regionale omstandigheden en de landschapsvormende processen
                    die er optreden, omvat dit natuurtype de volgende 4 beheertypen:</al><lijst><li nr="·"><al>N01.01 Zee en wad</al></li><li nr="·"><al>N01.02 Duin en kwelderlandschap</al></li><li nr="·"><al>N01.03 Rivier- en moeraslandschap</al></li><li nr="·"><al>N01.04 Zand- en kalklandschap</al><al/><al>N01.01 Zee en wad</al><al><vet>1.1 Algemene beschrijving</vet></al><al>Zee en wad omvat het water en de niet begroeide droogvallende zand- en
                            slikplaten die door de zee overstroomd worden. Het gaat om droogvallende
                            platen, geulen, zandbanken en diepere zeebodems met een grote variatie
                            aan bodemleven. In meer stabiele stadia, die ook niet zwaar door de mens
                            beïnvloed worden, ontwikkelen zich schelpenbanken. Op plaatsen waar ook
                            zoet water instroomt kunnen zeegrasvelden aanwezig zijn. Zee en wad komt
                            voor langs de gehele kust en met name in de Waddenzee en het
                            Deltagebied.</al><al>De vroegere geleidelijke overgangen naar zoet water zijn door de aanleg
                            van dijken veelal scherp geworden en zoet-zout overgangen met hun
                            bijbehorende flora en fauna zijn dan ook zeldzaam geworden. Door de
                            stroming van het zeewater zijn er erosie en sedimentatieprocessen
                            aanwezig die leiden tot variatie in diepte, substraat en
                            ontwikkelingsstadium van de bodem.</al><al>Met name grootschalig intensief menselijk gebruik zoals bodemvisserij
                            leidt tot zware en langdurige bodemverstoring met tot gevolg een sterke
                            afname van oudere stadia met schelpdierbanken. Hierdoor is er onder
                            andere minder voedsel voor vogels. Recreatie kan daarnaast leiden tot
                            veel verstoring. Het natuurbeheer bestaat hier vooral in het waarborgen
                            van voldoende rust voor de fauna en het beschermen tegen intensieve
                            ingrepen in de bodem.</al><al>Het type is van Europees groot belang voor veel trekvogels, bodemdieren
                            en vissoorten. Verder zijn voor dit type Gewone en Grijze zeehond
                            karakteristiek.</al><al><vet>1.2 Afbakening</vet></al><lijst><li nr="·"><al>Zee en wad omvat de zee, zeearmen en niet begroeide
                                    droogvallende zand- en slikplaten.</al></li><li nr="·"><al>Begroeide platen onder grootschalige natuur worden tot het Duin-
                                    en kwelderlandschap gerekend.</al></li><li nr="·"><al>Het landschap wordt gevormd door natuurlijke processen. Met name
                                    door de werking van de zeewaterstromen en wind.</al></li><li nr="·"><al>De tot dit type behorende eenheid is tenminste 500 ha groot of
                                    maakt onderdeel uit van een groter gebied behorend bij
                                    grootschalige dynamische natuur. </al></li><li nr="·"><al>Het beheertype heeft alleen betrekking op de kustzône. </al></li></lijst><al><vet>Subsidie</vet><vet><onderstreept>verplichtingen</onderstreept></vet></al><al>De beheerder dient het beheertype in stand te houden. De wijze waarop
                            hij deze instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder
                            zelf.</al><al><vet>Voorbeeldgebieden</vet></al><al>Waddenzee, Dollard en Oosterschelde.</al><al/><al>N01.02 Duin- en kwelderlandschap</al><al><vet>1.1 Algemene beschrijving</vet></al><al>Duin- en kwelderlandschap omvat de kustduingebieden en kwelders waar
                            wind- en waterdynamiek vrij spel hebben en veelal ook integrale
                            begrazing door grote zoogdieren aanwezig is. Het bestaat uit beheertypen
                            Strand en embryonaal duin, Open duin, Vochtige duinvallei, Duinheide,
                            Duinbos en Schor of kwelder die echter vanwege het veranderlijke
                            landschap niet in omvang en ligging apart in het beheer worden
                            vastgelegd.</al><al>Door de dynamiek in het landschap is er sprake van allerlei in ligging
                            en omvang variërende successiestadia. Het gaat hierbij om een variatie
                            die alle hierboven genoemde beheertypen omvat. Door het aan banden
                            leggen van wind- en waterdynamiek is er weinig ruimte meer voor dit
                            beheertype en is het beperkt tot een aantal gebieden waar deze dynamiek
                            nog wel vrij spel mag hebben. Met name het frequent ontstaan van
                            pionierstadia maakt dit beheertype van belang voor veel hieraan gebonden
                            zeldzame soorten. </al><al><vet>1.2 Afbakening</vet></al><lijst><li nr="·"><al>Duin- en kwelderlandschap omvat in tijd en ruimte wisselende
                                    beheertypen Strand en embryonaal duin, Open duin, Vochtige
                                    duinvallei, Duinheide, Duinbos, Zoete plas en Schor of
                                    kwelder.</al></li><li nr="·"><al>Het landschap wordt gevormd door natuurlijke processen zoals de
                                    werking van wind, zeewaterstromen en/of grote grazers.</al></li><li nr="·"><al>De tot dit type behorende eenheid is tenminste 500 ha groot of
                                    maakt onderdeel uit van een groter gebied behorend bij
                                    grootschalige dynamische natuur.</al></li></lijst><al><vet>Subsidieverplichtingen</vet></al><al>De beheerder dient het beheertype in stand te houden. De wijze waarop
                            hij deze instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder
                            zelf.</al><al><vet>Voorbeeldgebieden</vet></al><al>Oostpunt Schiermonnikoog, oostpunt Terschelling en Kwade Hoek.</al><al/><al>N01.03 Rivier- en moeraslandschap</al><al><vet>1.1 Algemene beschrijving</vet></al><al>Rivier- en moeraslandschap omvat enerzijds de gebieden langs rivieren
                            waar de waterdynamiek van de rivieren en successie in combinatie met
                            integrale begrazing door grote grazers het landschap bepalen en
                            anderzijds veen- en kleigebieden waar waterstandfluctuaties,
                            hoogteverschillen, successie en integrale begrazing het landschap
                            bepalen. Langs de rivieren gaat het ook om kleine in het
                            overstromingsbereik van de rivier liggende gebieden die tezamen langs
                            een rivier een landschappelijke eenheid vormen.</al><al>Al naar gelang de ligging van het gebied bestaat het uit een groot scala
                            van andere in rivier- en veen- en kleigebieden voorkomende beheertypen
                            (zoals rivier, zoete plas, moeras, droog schraalland, zilt grasland en
                            overstromingsgrasland, ruigteveld, rivier en beekbegeleidend bos of
                            hoog- en laagveenbos) die echter vanwege het veranderlijke landschap
                            niet in omvang en ligging apart in het beheer worden vastgelegd. </al><al>De overstromingsdynamiek is langs de rivieren een belangrijke factor.
                            Deze is echter door allerlei ingrepen bovenstrooms en door het dieper
                            komen te liggen van de rivier veranderd van bijna jaarlijkse lage
                            overstromingen tot onvoorspelbare hoge overstromingen. Hierdoor hebben
                            concurrentiekrachtige soorten van storingsmilieus een groot aandeel
                            gekregen en is begrazing belangrijk om ook andere soorten nog kansen te
                            geven. </al><al>In dit grootschalig voorkomende beheertype zijn ook toppredatoren als
                            zeearend karakteristiek en daarnaast kan ook de bever invloed hebben op
                            het landschap. Ook aanwezigheid van grote zoogdieren zoals edelhert in
                            meer natuurlijke dichtheden zijn van belang.</al><al><vet>1.2 Afbakening</vet></al><lijst><li nr="·"><al>Rivier- en moeraslandschap is gelegen in het Rivierenlandschap
                                    of in het landschapstype Laagveen en zeeklei en omvat in tijd en
                                    ruimte wisselende in dit landschap behorende typen. </al></li><li nr="·"><al>Het landschap wordt gevormd door natuurlijke processen zoals de
                                    werking van water, wind en/of grote grazers.</al></li><li nr="·"><al>De tot dit type behorende eenheid is tenminste 500 ha of maakt
                                    onderdeel uit van een groter gebied behorende bij grootschalige
                                    dynamische natuur. Voor gebieden liggend aan de rivier vormt de
                                    rivier een verbindende schakel mits de gebieden niet meer dan 5
                                    km van elkaar af liggen. </al></li></lijst><al><vet>Subsidieverplichtingen</vet></al><al>De beheerder dient het beheertype in stand te houden. De wijze waarop
                            hij deze instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder
                            zelf.</al><al><vet>Voorbeeldgebieden</vet></al><al>Gelderse Poort, Oostvaardersplassen en Tiengemeten.</al><al/><al>N01.04 Zand- en kalklandschap</al><al><vet>1.1 Algemene beschrijving</vet></al><al>Zand- en kalklandschap omvat de meer natuurlijke gebieden in het zand-
                            en het kalklandschap waar vooral grondwaterstandfluctuaties, successie
                            en waterdynamiek van beken in combinatie met integrale begrazing het
                            landschap vormen. Al naar gelang de ligging van het gebied bestaat het
                            uit een groot scala van andere in zand- en kalkgebieden voorkomende
                            beheertypen (zoals Beek en Bron, Hoogveen. Vochtige heide, Zuur ven of
                            hoogveenven, Droge heide, Droog schraalland, Haagbeuken- en essenbos en
                            Dennen- eiken en beukenbos) die echter vanwege continue veranderingen in
                            het landschap niet in omvang en ligging apart in het beheer kunnen
                            worden vastgelegd.</al><al>Om natuurlijke processen in dit beheertype het landschap te kunnen laten
                            bepalen is een grote oppervlakte nodig. Er is hiervoor in Nederland
                            slechts weinig ruimte overgebleven. De natuurwaarden hangen vooral samen
                            met de variatie in de ruimtelijke gradiënt in vochthuishouding en
                            successiestadia. Bij ontwikkeling vanuit een in het recente verleden
                            intensief geëxploiteerd landschap zijn met name oude ontwikkelingsstadia
                            met bijvoorbeeld dikke en dode bomen van belang voor de biodiversiteit.
                            Naar verloop van tijd wordt het voldoende ontstaan van pioniersituaties
                            voor de biodiversiteit belangrijk, die door begrazing ook langer
                            aanwezig kunnen blijven. Met de mate waarin begrazing in dit
                            landschapstype een rol speelt in relatie tot de biodiversiteit is nog
                            veel onbekend, omdat dit landschapstype in Europa al lange tijd niet
                            meer voorkomt en er slechts recent gestart is met de ontwikkeling ervan.
                            De mate waarin bomen het landschapsbeeld in dit verband zullen domineren
                            is nog onzeker maar zal naar waarschijnlijkheid in ruimte en tijd
                            fluctueren. </al><al>Karakteristieke soorten zijn al degenen die voor de andere beheertypen
                            van zand- en kalkgebieden genoemd zijn. Specifieke soorten die als
                            karakteristiek voor het grootschalig voorkomen van dit type kunnen
                            worden gezien zijn nog grotendeels onbekend, maar omvatten
                            waarschijnlijk een aantal grote roofvogels en toppredatoren als de lynx.
                            Verder zijn meer natuurlijke dichtheden van wild zwijn en Eedelhert van
                            belang.</al><al><vet>1.2 Afbakening</vet></al><lijst><li nr="·"><al>Het beheertype Zand- en kalklandschap is gelegen in de
                                    Zandlandschappen of het Heuvellandschap en omvat in tijd en
                                    ruimte wisselende in dit landschap thuishorende typen.</al></li><li nr="·"><al>Het landschap wordt gevormd door natuurlijke processen zoals de
                                    werking van wind, water (o.a. periodiek hoge grondwaterstanden)
                                    en/of grote grazers.</al></li><li nr="·"><al>De tot dit type behorende eenheid is tenminste 500 ha groot of
                                    maakt onderdeel uit van een groter gebied behorend bij
                                    grootschalige dynamische natuur.</al></li></lijst><al><vet>Subsidieverplichtingen</vet></al><al>De beheerder dient het beheertype in stand te houden. De wijze waarop
                            hij deze instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder
                            zelf.</al><al><vet>Voorbeeldgebieden</vet></al><al>Veluwezoom.</al><al/><al> N02 Rivieren</al><al><vet>Algemene beschrijving</vet></al><al>Onder het type rivieren vallen de brede stromende wateren, inclusief hun
                            oevers en de buitendijkse wateren in de uiterwaarden die tijdens hoge
                            waterstanden in contact staan met de rivieren. </al><al>In vergelijking met het buitenland stromen onze rivieren langzaam.
                            Verder is opvallend dat de rivieren in Nederland zijn vastgelegd in een
                            korset van kribben, kades, dijken en (soms) stuwen, waardoor
                            bijvoorbeeld geen rivierverleggingen meer optreden en er over korte
                            afstand minder variatie is in waterdiepte en stroomsnelheid dan vroeger
                            het geval was. Dezelfde kunstwerken dragen er ook aan bij dat in natte
                            perioden zeer hoge piekafvoeren kunnen voorkomen met kortdurende, hoge
                            stroomsnelheden. </al><al>Toch hebben de verschillende riviertrajecten een duidelijk eigen
                            karakter. Zo ondervinden alleen de westelijke riviertrajecten
                            getijde-invloed van de zee en heeft de Rijn in de zomer een constantere
                            aanvoer van (smelt)water dan de andere rivieren. </al><al><vet>Ontstaansgeschiedenis</vet></al><al>In vroegere tijden waren de rivieren in Nederland een wirwar (in tijd en
                            ruimte) van hoofd- en nevengeulen en een afwisseling van zandplaten,
                            rivierduinen, slibrijke oevers en grindige aanwassen. Op de
                            overstromingsvlakten kwamen uitgestrekte zeggemoerassen en ooibossen
                            voor. </al><al>Deze natuurlijke rivieren zijn vanaf de Middeleeuwen steeds meer aan
                            banden gelegd. Eerst vooral door het aanleggen van dijken om
                            overstromingen te beperken, later ook door de aanleg van kribben, stuwen
                            en beschoeiingen om erosie en sedimentatie in de hand te houden. Sommige
                            trajecten zijn gegraven zoals de Bergse Maas, het Pannerdens kanaal en
                            de vele bochtafsnijdingen. De meeste en meest radicale ingrepen vonden
                            plaats in de tweede helft van de negentiende eeuw. In de 20e eeuw is de
                            waterkwaliteit dramatisch verslechterd, om pas weer langzaam te
                            verbeteren in de afgelopen decennia. </al><al><vet>Beheertypen</vet></al><al>Dit natuurtype omvat één beheertype:</al><al>·N02.01 Rivier</al><al/><al>N02.01 Rivier</al><al><vet>1.1 Algemene beschrijving</vet></al><al>Rivier omvat al het stromend water van de rivieren Rijn en zijtakken,
                            Maas en Overijsselse vecht. Het gaat om alle buitendijkse wateren met
                            hun oevers in de uiterwaarden van deze rivieren. Iedere rivier en ieder
                            riviertraject heeft een eigen karakter. De Grensmaas heeft een wat
                            groter verval, stroomt daardoor wat sneller en heeft grindoevers. Niers,
                            Roer (zijtakken van de Maas) en Overijsselse vecht zijn kleine rivieren
                            met in de zomer soms weinig wateraanvoer. De Rijn met haarzijtakken
                            heeft in de zomer een wat constantere wateraanvoer. De rivieren in het
                            oosten en het zuiden stromen door zandige gebieden, meanderen breed en
                            hebben vrij hoge zandige oeverwallen. De rivieren in de Betuwe liggen in
                            komkleigebieden, meanderen wat minder en liggen tegenwoordig hoog in het
                            landschap. De westelijke rivieren vormen een netwerk, zijn breed,
                            stromen heel traag en zijn te beschouwen als zoetwatergetijde rivieren.
                            De variatie in stroomsnelheid en waterkwaliteit is groot, in afgesnoerde
                            strangen en wielen staat het water stil terwijl de stroming in
                            buitenbochten van de rivier juist groot is. De stilstaande wateren
                            kunnen dichtslibben en verlanden, bij hoog water in de winter kan de
                            geul weer uitschuren. In de zomer kunnen de oevers en stranden breed
                            zijn en begroeid raken met pioniers als slijkgroen. De stilstaande
                            wateren in de uiterwaarden zoals oude geulen, afgesneden meanders en
                            wielen lijken veel op zoete plas. Juist deze afwisseling en verandering
                            zorgen voor een hoge diversiteit. Rivieren zijn internationaal en
                            nationaal van groot belang als leefgebied voor trekvogels, vissen,
                            libellen, kokerjuffers, steenvliegen en haften. Het gaat bijvoorbeeld om
                            rivierrombout, bataafse stroommossel, platte zwanenmossel, bever,
                            barbeel, kopvoorn, rivierdonderpad, meerval, riviergrondel, sneep,
                            winde, rivierprik, zeeprik en aal. Vooral voor trekvissen is het
                            internationale belang groot. De trekvissen elft, fint, houting, steur,
                            zalm komen in Nederland vrijwel niet meer voor. Slechts enkele
                            waterplanten komen voor in de rivier zelf; rivierfonteinkruid,
                            doorgroeid fonteinkruid (nu alleen kleine rivieren), en vlottende
                            waterranonkel in de Grensmaas. </al><al>Het karakter van rivier is blijvend veranderd. De versnelde afvoer van
                            water en hogere piekafvoeren worden veroorzaakt door de ontginning van
                            de oorspronggebieden, de veranderingen in klimaat, de bedijkingen en het
                            rechtrekken van stroomgeulen. Kribben en versteende oevers verhinderen
                            erosie. Zandwinputten en grindgaten zijn zeer diep en veranderen het
                            proces van sedimentatie van zand en slib en stroming van oppervlakte- en
                            grondwater. Door afdammingen langs de kust is de invloed van het getij
                            verminderd. Getijdeslag kwam voor tot de lijn Wijk bij Duurstede, Tiel,
                            Oss.</al><al>Door vergroting van de overstromingsvlakten, verbetering van
                            waterkwaliteit, verbetering van de mogelijkheden voor vistrek,
                            verbetering van de aansluitingen op beken, en vergroting van de variatie
                            in verschillende typen water, het spontaan laten ontstaan van zandige
                            oevers kan echter veel gewonnen worden. Vooral de kleine rivieren bieden
                            hiervoor perspectief.</al><al><vet>1.2 Afbakening</vet></al><lijst><li nr="·"><al>Het beheertype rivier omvat alle wateren (incl. strangen,
                                    grindgaten en oude rivierlopen) in de buitendijkse gebieden van
                                    Maas, Roer, Niers, Bergse maas, Afgedamde maas, Nederrijn, Lek,
                                    Nieuwe Maas, Waal, Merwede, Amer, Oude Maas, Nieuwe Waterweg,
                                    Rijn, IJssel, Overijsselse Vecht en Zwarte Water.</al></li><li nr="·"><al>Kanalen met stromend water; oude stroomgeulen en kreken in het
                                    laagveen- en kleigebied (Reitdiep, Amstel, IJ); en oude
                                    zijtakken van de Rijn die nu afgekoppeld zijn (Kromme Rijn
                                    Hollandse IJssel) worden tot zoete plas gerekend.</al></li></lijst><al><vet>Subsidieverplichtingen</vet></al><al>De beheerder dient het beheertype in stand te houden. De wijze waarop
                            hij deze instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder
                            zelf.</al><al><vet>Voorbeeldgebieden</vet></al><al>n.v.t.</al><al/><al> N03 Beken en bronnen</al><al><vet>Algemene beschrijving</vet></al><al>Beken en bronnen zijn kleine stromende wateren waar grondwater uittreedt
                            en als oppervlaktewater zijn weg zoekt in (uiteindelijk) de richting van
                            de zee. In relatief natuurlijke omstandigheden hebben (laagland)beken
                            een meanderend verloop temidden van bossen en/of graslanden. </al><al>Tegenwoordig echter komen ze meestal voor in de vorm van rechtgetrokken
                            waterlopen met stuwen, zeker op plaatsen waar ze in rationeel verkavelde
                            landbouwgebieden liggen.</al><al>Bronnen liggen vaak nog steeds in moerassen of bossen en vormen daar het
                            begin van een beek, maar zijn daarvoor niet de enige voedingsbron.
                            Stroomafwaarts worden beken bovendien zijdelings gevoed door grondwater
                            (en door het aantakken van zijbeken). De stroomsnelheid is afhankelijk
                            van het verhang in het landschap en natuurlijk de hoeveelheid neerslag. </al><al>In de ecologie van beken is het heel belangrijk dat er op allerlei
                            schaalniveaus verschillen zijn in stroomsnelheid, waterdiepte, sediment,
                            lichtinval, enzovoorts.</al><al><vet>Ontstaansgeschiedenis</vet></al><al>Beken en bronnen hebben altijd een belangrijke rol gespeeld in het wonen
                            en werken van mensen. Omdat bijna alle beken door de eeuwen heen
                            onderhevig zijn geweest aan allerlei aanpassingen, is niet altijd
                            duidelijk hoe natuurlijk of cultuurlijk bepaalde beken zijn. Het minst
                            natuurlijk zijn ongetwijfeld de sprengenbeken, die vanaf de middeleeuwen
                            zijn gegraven voor de aanvoer van drinkwater en om watermolens aan te
                            drijven. Ook was het schone water zeer geschikt voor o.a.
                            papierfabricage en wasserijen. Vanuit de gegraven sprengkop werd het
                            water dan geleid richting watermolen, wasserij of kasteelgracht, via een
                            gegraven sprengenbeek of een beek die al bestond.</al><al>Andere beken zijn gegraven om graslanden te bevloeien. Dit water werd
                            meestal afgetapt van bestaande beken.</al><al><vet>Beheertypen</vet></al><al>Het natuurtype omvat één beheertype:</al><al>·N03.01 Beek en bron </al><al/><al>N03.01 Beek en bron</al><al><vet>1.1 Algemene beschrijving</vet></al><al>Het beheertype Beek en bron komt voor op de zand- en lössgronden van
                            noord, oost en zuid Nederland en in de duinen. Het gaat om kleine
                            stromende wateren met hun bronnen, zoals Regge, Dinkel, Berkel, Dommel,
                            en Swalm, die uiteindelijk uitmonden in een rivier, in oost- en zuid
                            Nederland, of op een (voormalig) estuarium (Drentse Aa, Boorne in noord
                            Nederland). (Mee)stromende wateren zoals molenkolken, sprengen en
                            opgeleide beken behoren eveneens tot dit type. Ieder bekenstelsel kent
                            brongebieden, bovenlopen, een of twee middenlopen en een benedenloop.
                            Bronnen en bovenlopen liggen vaak heel verspreid en hoog in het
                            landschap en zijn vaak gedeeltelijk ge- of vergraven. Middenlopen liggen
                            vaak wat dieper in laagten en trekken daardoor ook veel grondwater aan.
                            De benedenlopen liggen in vlakke veengebieden en overstromingsvlakten,
                            ze kunnen zo breed worden dat ze lijken op kleine rivieren (Eem, Dieze,
                            Reitdiep).</al><al>De meeste beken behoren tot de zogenaamde laaglandbeken daarnaast komen
                            heuvellandbeken voor. De ecologische verschillen tussen beide type beken
                            is groot door de variatie in bodem en de verschillen tussen rustig en
                            turbulent water. Beken in de duinen, duinrellen, hebben vaak kenmerken
                            van beide typen. Laaglandbeken zijn langzaam stromende, vaak vrij brede
                            beken, met een regelmatige waterafvoer. Ze komen voor in vrij vlakke
                            zandgebieden; het Drents plateau, de Achterhoek, de grote glaciale
                            bekkens in midden Nederland en in grote delen van Noord-Brabant.
                            Laaglandbeken ontsprongen vaak in hoogveen, heide of laagveen. Duidelijk
                            herkenbare bronnen ontbreken vaak. In de laaglandbeken komen zeer
                            rustige stukken voor, waar slib en zand afgezet wordt, plaatselijk komt
                            wat grover zand of fijn grind voor. </al><al>De beken in reliëfrijke gebieden; zuid en midden Limburg en stuwwallen
                            van midden Nederland, hebben vaak duidelijk herkenbare bronnen, stromen
                            sneller, slijten wat dieper in en vormen makkelijker zandbanken. De
                            bodems zijn zandig of vaak grindrijk, slib komt slechts plaatselijk
                            voor. </al><al>Beken en bronnen zijn van groot belang voor waterranonkels,
                            fonteinkruiden en sterrekroossoorten, platwormen, waterkevers, libellen,
                            waterjuffers en kokerjuffers, rivierkreeft en een groot aantal vissen:
                            beekforel, beekprik, elrits, serpeling. kwabaal (benedenloop),
                            rivierdonderpad, zeeprik, rivierprik, gestippelde alver en vlagzalm. De
                            laaglandbeken met beekprik, zeeprik, gaffellibel, begroeiingen met
                            drijvende waterweegbree, waterranonkels of teer vederkruid zijn in
                            internationaal opzicht belangrijk. </al><al>Vrijwel alle beken zijn door de mens vergraven. Beken zijn verlengt,
                            verbreed, verdiept, gekanaliseerd en met elkaar verbonden om water
                            versneld af te voeren. De meeste beken zijn in de benedenloop gestuwd en
                            lozen op kanalen en vaarten met vaste peilen. De waterkwaliteit van het
                            beekwater is meestal niet goed door vermesting of vervuiling. Voor
                            vissen is het ongehinderd kunnen trekken van zee naar de paaiplaatsen in
                            beken is van groot belang. Door afdamming en opstuwing is dit vaak niet
                            goed mogelijk. Het recht trekken van beken en opstuwen verminderd ook de
                            overlevingskansen voor libellen, haften, kokerjuffers en platwormen. </al><al>Herstel van de waterkwaliteit is echter mogelijk en is bij de
                            heuvellandbeken ook al succesvol. Voor de laaglandbeken is de situatie
                            echter beduidend minder rooskleurig. Door kanalisatie en vervuiling zijn
                            de condities van dit type beken vrijwel nergens op orde. Vooral de
                            kleinere, zwakgebufferde en voedselarme bovenlopen en duinrellen zijn
                            vrijwel verdwenen.</al><al><vet>1.2 Afbakening</vet></al><lijst><li nr="·"><al>Het beheertype Beek en bron omvat bronnen en stromend water
                                    (gemiddeld meer dan 10 cm/sec) met bronmos, bronkruid,
                                    beekstaartjesmos, waterranonkels, sterrekroossoorten,
                                    vederkruiden, waterviolier en enkele fonteinkruiden. De
                                    vegetaties zijn erg variabel in bedekking, ook binnen één
                                    seizoen. Omringend water en zandbanken zonder deze soorten wordt
                                    ook tot het beheertype gerekend.</al></li><li nr="·"><al>Langzaam stromende riviertjes in het laagveen en kleigebied
                                    behoren tot de beheertypen Zoete plas. </al></li></lijst><al><vet>Subsidieverplichtingen</vet></al><al>De beheerder dient het beheertype in stand te houden. De wijze waarop
                            hij deze instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder
                            zelf.</al><al><vet>Voorbeeldgebieden</vet></al><al>Drentse Aa, Linde, Dinkel, Dal van de Mosbeek, Beerze, Geul en
                            Veluwe.</al><al/></li></lijst><al> N04 Stilstaande wateren</al><tussenkop>Algemene beschrijving</tussenkop><al>Tot dit natuurtype behoren allerlei plassen, meren en andere stilstaande of
                    zwakstromende wateren die niet al te voedselarm, maar ook niet heel voedselrijk
                    zijn. Ze liggen overwegend in het laag-Nederland. Het water kan zowel zoet, brak
                    als zout zijn. In het water groeien waterplanten, en de een rijke fauna van
                    vogels, vissen en andere diergroepen. De variatie in soorten en processen is
                    onder andere afhankelijk van grootte, diepte, grondsoort, en van aanbod aan slib
                    en voedingsstoffen. Zo zijn er bijvoorbeeld diepe wateren waar alleen
                    ondergedoken fonteinkruiden voorkomen, ondiepere wateren met drijvende bladeren
                    van waterlelie en gele plomp, en grote diepe wateren die weinig waterplanten
                    herbergen vanwege de windwerking.</al><tussenkop>Ontstaansgeschiedenis</tussenkop><al>Het natuurtype kan op zeer verschillende manieren zijn ontstaan. Sommige meren
                    zijn van oorsprong natuurlijk, zoals het Naardermeer. De meeste laagveenplassen
                    zijn ontstaan door het afgraven van veen en vervolgens erosie door wind en
                    golfslag. IJsselmeer, Haringvliet en Kromme Rijn zijn voorbeelden van (vrijwel)
                    stilstaande wateren met een natuurlijke ontstaanswijze, die later opzettelijk
                    zijn afgesloten van de zee of de rivier. Kanalen en zandwinplassen zijn
                    kunstmatig gegraven wateren.</al><tussenkop>Beheertypen</tussenkop><al>Dit natuurtype omvat vier beheertypen:</al><lijst><li nr="·"><al>N04.01 Kranswierwater. Dit beheertype heeft zeer helder water nodig, en
                            ontstaat uitsluitend als zowel waterlaag als de bodem voedselarm zijn.
                        </al></li><li nr="·"><al>N04.02 Zoete plas. Bij dit beheertype is het water weliswaar tamelijk
                            voedselarm, maar de bodem is er (matig) voedselrijk. </al></li><li nr="·"><al>N04.03 Brak water. Dit beheertype kan een hoge voedselrijkdom verdragen,
                            in tegenstelling tot de voorgaande twee beheertypen. </al></li><li nr="·"><al>N04.04 Afgesloten zeearm </al><al>N04.01 Kranswierwater</al><al><vet>1.1 Algemene beschrijving</vet></al><al>Kranswieren zijn grote vertakte algen met fijne bladeren, ze groeien
                            meestal dicht bij de bodem en kunnen grote aaneengesloten velden vormen.
                            Ze komen voor in meren van het laagveen- en IJsselmeergebied. Het water
                            moet zeer helder, voedselarm en niet vervuild zijn. Doorgaans is het
                            water zeer mineraalrijk, omdat het onder invloed van toestromend
                            grondwater staat of omdat het een beetje brak is. Kranswierwater komt nu
                            vooral voor in het IJsselmeergebied en in meren waar toestroom is van
                            grondwater uit de Veluwe of de Utrechtse heuvelrug plaats vindt. De
                            klassieke vindplaatsen zijn de laagveenplassen, kleinere watertjes in
                            het duingebied en de binnenduinrand en kwelgebieden op de overgang van
                            de zandgronden naar het laagveengebied. </al><al>De begroeiingen bestaan uit vrij eenvormige vegetatiematten, vaak een
                            beetje aangedrukt op de bodem liggend. Kranswieren sterven soms in de
                            winter af en moeten dan vanuit sporen opnieuw uitlopen. Voor duurzaam
                            behoud van kranswierwater moet het water zeer voedselarm en zeer helder
                            zijn. Worden kranswieren met slib bedekt, dan sterven ze meestal snel
                            af. Niet alle kranswiervegetaties worden tot kranswierwater gerekend.
                            Het gaat om grote aaneengesloten vegetaties van kranswieren, niet om
                            kranswieren die verspreid tussen andere waterplanten of in kleine
                            poeltjes tussen moerasplanten groeien. Belangrijke soorten zijn
                            sterkranswier, stekelharig kransblad, ruw kransblad, kraaltjes
                            glanswier, kleinhoofdig glanswier, klein en groot boomglanswier,
                            brakwaterkransblad, kustkransblad en gebogen kransblad. De krooneend is
                            in belangrijke mate afhankelijk van kranswieren. De grote plassen en
                            meren met kranswieren in ons land behoren tot de grootste vindplaatsen
                            hiervan in Europa. Ook is de soortenrijkdom in ons land hoog: van de
                            ruim veertig kranswiersoorten in Europa komt de helft in ons land voor.
                            Nederland is daarom van zeer groot belang voor dit type. Door vervuiling
                            van het water zijn veel vindplaatsen verdwenen. De toekomst van
                            kranswierwater in het IJsselmeergebied is onzeker. Experimenten met
                            defosfateren van het water zijn hoopvol. In het Naardermeer bijvoorbeeld
                            hebben de kranswieren zich weten te herstellen na het in gebruik nemen
                            van een defosfateringsinstallatie. De kranswieren die van min of meer
                            brak water afhankelijk zijn, blijven echter sterk bedreigd.</al><al><vet>1.2 Afbakening</vet></al><lijst><li nr="·"><al>Het beheertype Kranswierwater omvat waterlichamen, zowel groot
                                    als klein, met een vegetatie die gedomineerd wordt door
                                    kranswieren. In de vegetatie komt tenminste één van de volgende
                                    kranswieren voor: sterkranswier, stekelharig kransblad,
                                    brokkelig kransblad, fijnstekelig kransblad, harig kransblad,
                                    ruw kransblad, teer kransblad, kraaltjesglanswier, kleinhoofdig
                                    glanswier, puntdragend glanswier, klein of groot boomglanswier,
                                    vertakt boomglanswier, brakwaterkransblad, kustkransblad en
                                    gebogen kransblad. De vegetaties zijn erg variabel in bedekking,
                                    ook in één seizoen. Omringend helder water zonder kranswieren
                                    kan daarom ook tot het beheertype gerekend worden.</al></li><li nr="·"><al>Enkele kranswieren komen in de beheertypen Zwak gebufferd ven of
                                    in Vochtige duinvallei voor en worden dan tot dat type gerekend.
                                </al></li><li nr="·"><al>Sommige algemene kranswieren (gewoon kransblad, breekbaar
                                    kransblad en buigzaam glanswier) komen ook voor in vegetaties
                                    die gedomineerd worden door waterplanten van voedselrijk water,
                                    zoals fonteinkruiden. Dergelijke vegetaties behoren niet tot het
                                    beheertype Kranswierwater. </al></li><li nr="·"><al>Soms is het onderscheid met brak water niet groot, alleen als de
                                    kranswieren domineren worden deze wateren tot dit beheertype
                                    gerekend.</al></li></lijst><al><vet>Subsidieverplichtingen</vet></al><al>De beheerder dient het beheertype in stand te houden. De wijze waarop
                            hij deze instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder
                            zelf.</al><al><vet>Voorbeeldgebieden</vet></al><al>De Wieden, Botshol, Naardermeer, Gouwzee, IJmeer, Veluwe randmeren,
                            Vechtplassen en Nieuwkoopse plassen.</al><al/><al>N04.02 Zoete plas</al><al><vet>1.1 Algemene beschrijving</vet></al><al>Zoete plassen komen vooral voor in het lage deel van Nederland. Het gaat
                            om grote en kleine wateren met voedselrijk, vrij helder, (vrijwel)
                            stilstaand water, waarin waterplanten groeien en verlanding vanaf de
                            oever plaatsvindt. Het kan gaan om meren, plassen, wielen, kolken en
                            dobben, maar ook om relatief smalle, trek- of petgaten, vaarten, kanalen
                            en afgekoppelde rivierarmen. (zoals Kromme Rijn, Hollandse IJssel en
                            Amstel) . Sommige meren, zoals de Leijen, Zuidlaardermeer en
                            Naardermeer, hebben (gedeeltelijk) een natuurlijke oorsprong. De meeste
                            laagveenplassen zijn ontstaan door vergraving, vervening of erosie. Bij
                            grote plassen in het laagveengebied heeft de wind veel grip op het water
                            waardoor hoge golven ontstaan en de kans op erosie toeneemt. </al><al>De zeer grote meren in het Delta- en IJsselmeergebied zijn ontstaan na
                            afsluiting van de zee. Het Markermeer en de meeste randmeren (zie
                            afbakening) zijn door compartimentering zodanig veranderd dat ze nu het
                            beste opgevat kunnen worden als zoete plas. Ook de gegraven wateren van
                            de zandgronden, kunnen gerekend worden tot zoete plas. De meeste van
                            deze plassen hebben echter zulke steile oevers en zijn zo diep dat ze
                            nauwelijks van ecologische betekenis zijn. </al><al>De variatie in een plas hangt af van verschillende factoren; wind,
                            stroming van het water, diepte, grondsoort, helderheid van het water,
                            aanwezigheid van slib, sloef of bagger en aanbod van voedingstoffen en
                            mineralen. Planten en dieren hebben ook een grote invloed, watervlooien
                            kunnen zoveel algen eten dat het water helder blijft, bodemwoelende
                            vissen vertroebelen het water, waterplanten verminderen de golfslag en
                            versnellen verlanding. De stroming in het water is meestal niet groot,
                            maar wind en peilverschillen tussen verschillende waterlichamen kunnen
                            wel stroming veroorzaken. De wind stuwt het water een beetje op aan de
                            loefzijde zodat er over de bodem een stroming ontstaat naar de lijzijde.
                            Het water stroomt min of meer een cirkelvormig; aan de oppervlakte met
                            de wind mee en over de bodem tegen de wind in. De lage stroom, over de
                            bodem, neemt licht bodemmateriaal mee. Omdat de overheersende
                            windrichting zuidwest is, zal de bodem juist aan deze kant bestaan uit
                            week en slap sediment. Helderheid en doorzicht worden mede bepaald door
                            het aanbod van voedingstoffen. Algen groeien snel bij veel voedsel en
                            vertroebelen het water.</al><al>De variatie in de plassen hangt samen met deze verschillende
                            omstandigheden. In de diepste delen komen ondergedoken grote
                            fonteinkruiden voor, wat ondieper staan waterplanten met grote drijvende
                            bladen zoals witte waterlelie en gele plomp. De ondergedoken
                            watervegetaties kunnen in mozaïek voorkomen met kranswierwater. Dit is
                            bijvoorbeeld in sommige delen van de randmeren het geval. In de luwte
                            achter de drijvende waterplanten komen, in ondiep water, andere
                            waterplanten zoals krabbenscheer en groot blaasjeskruid voor. De oevers
                            bestaat uit drijftillen met grote zeggen of riet- en biezenkragen. Op
                            windstille plaatsen kunnen deze zoneringen heel breed zijn, aan de
                            windzijde zijn ze heel smal of ontbreken. </al><al>Grote laagveenplassen zijn in Europa zeer zeldzaam. Ze zijn
                            internationaal van belang voor visetende en grazende watervogels,
                            rivierdonderpad, gestreepte waterroofkever, meervleermuis en
                            krabbenscheer. Zoete plas is nationaal van grote betekenis als
                            leefgebied voor otter, vissen zoals paling, kwabaal en snoek, libellen
                            en kokerjuffers, zoals groene glazenmaker, plasrombout, en waterplanten
                            zoals langstengelig fonteinkruid en watergentiaan. </al><al>Troebel water en een zeer hoog aanbod van voedingstoffen komen veel
                            voor. Vermesting, uit landbouwgebieden of bij lozingspunten veroorzaken
                            deze problemen. Ook het inlaten van gebiedsvreemd water waardoor
                            uiteindelijk veel fosfaat vrijkomt in het water is een belangrijke
                            oorzaak. Andere grote problemen zijn de vast ingestelde waterstanden; de
                            waterpeilen zijn in de zomer lager dan in de winter, het gebrek aan
                            mogelijkheden om te trekken en een tekort aan geleidelijke overgangen en
                            ondiepe paaiplaatsen voor vissen en amfibieën. </al><al><vet>1.2 Afbakening</vet></al><lijst><li nr="·"><al>Het beheertype Zoete plas omvat waterlichamen, breder dan 4 m.
                                    en dieper dan 20 cm. (gemiddelde waterdiepte), van stilstaande,
                                    of zeer langzaam stromende wateren, met fonteinkruiden,
                                    zannichellia, waterlelies, gele plomp, watergentiaan,
                                    krabbenscheer, kikkerbeet, groot blaasjeskruid, waterpesten,
                                    hoornbladen, vederkruiden, waterviolier, waterranonkels en soms
                                    ook sterrenkrozen. De vegetaties zijn erg variabel in bedekking,
                                    ook in één seizoen. Omringend water zonder de genoemde soorten
                                    en de drijftillen worden daarom ook tot het beheertype
                                    gerekend.</al></li><li nr="·"><al>Stromende wateren (meer dan 10 cm/sec) behoren tot de
                                    beheertypen Rivier of Beek en bron. De wielen, strangen en oude
                                    rivierlopen in het buitendijkse deel van het rivierengebied
                                    worden tot het beheertype Rivier gerekend. </al></li><li nr="·"><al>Watervegetaties (binnendijks) met indicatoren voor brak water
                                    zoals ruppia, zeegras of zilte waterranonkel behoren tot het
                                    beheertype Brak water. </al></li><li nr="·"><al>Zie ook afbakening bij Afgesloten zeearm. De daar genoemde
                                    wateren worden niet tot Zoete plas gerekend.</al></li><li nr="·"><al>In het beheertype Zwakgebufferd ven of in Vochtige duinvallei
                                    kunnen ook enkele waterranonkels, fonteinkruiden en
                                    sterrenkrozen voorkomen en worden tot het beheertype
                                    Zwakgebufferd ven of Vochtige duinvallei gerekend<vet>.</vet>.
                                    Grote diepe duinplassen kunnen wel tot het beheertype Zoete plas
                                    behoren.</al></li><li nr="·"><al>Water met dominantie van kranswieren wordt gerekend tot
                                    Kranswierwater.</al></li><li nr="·"><al>Kleine wateren die tot poel of klein historisch water kunnen
                                    worden gerekend vallen onder dat beheertype. </al></li></lijst><al><vet>Subsidieverplichtingen</vet></al><al>De beheerder dient het beheertype in stand te houden. De wijze waarop
                            hij deze instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder
                            zelf.</al><al><vet>Voorbeeldgebieden</vet></al><al>Kortenhoefse plassen, Vuntus, Naardermeer, Zuidlaardermeer, diverse
                            Veluwe randmeren, Markermeer, petgaten in Weerribben, Wieden en
                            Apeldoorns kanaal (NB: de meeste meren zijn niet optimaal).</al><al/><al>N04.03 Brak water</al><al><vet>1.1 Algemene beschrijving</vet></al><al>Brak water komt voor in het kustgebied en de laagveengebieden die ooit
                            onder invloed van de zee gestaan hebben. Het gaat vaak om ondiepe en
                            kleine watertjes; kolkgaten, poelen en dobben van kwelders of inlagen en
                            kwelsloten achter de dijk, maar ook om oude (geïsoleerd liggende)
                            kreken. De bodem kan zowel zandig, venig als kleiig zijn. Het water kan
                            brak zijn door zout spatwater van de zee, door incidentele
                            overstromingen of door zout water dat onder de dijk door stroomt en in
                            lage binnendijks gelegen gebieden opwelt. In de laagveengebieden gaat
                            het vaak om fossiel grondwater of om zeewater dat bij sluizen toch weet
                            binnen te dringen en zich vervolgens via sloten en kanalen kan
                            verspreiden. </al><al>Het zoutgehalte van Brak water kan heel erg wisselen, in de zomer kan
                            het water door verdamping zeer zout zijn en in de winter vrijwel zoet
                            door het vele regenwater. Deze grote wisselingen worden alleen door een
                            aantal gespecialiseerde planten en dieren verdragen. Brak water is vaak
                            helder ondanks het van nature hoge fosfaatgehalte. Vermoedelijk is
                            stikstof een beperkende factor. De bodem kan zwart, zuurstofloos zijn en
                            daardoor sulfiden bevatten die stinken als rotte eieren.</al><al>Brak water is van belang voor enkele waterplanten en voor biezen;
                            ruppiasoorten, groot nimfkruid, zilte waterranonkel, brede zannichellia,
                            zeegras, ruwe bies en heen. Ook algen zijn van belang: verschillende
                            soorten darmwier, zeesla, roodwieren, groene draadalgen en kiezelwieren. </al><al>Brak water kan ondiep zijn, warmt dan snel op en is daarom een goede
                            paaiplaats voor brakwatergrondel, driedoornige stekelbaars, grote
                            koornaarvis, zwarte grondel, dikkopje en andere vissen. Een verbinding
                            met de zee is voor vissen van groot belang. In brak water leven vele
                            kleine organismen als mosdiertjes, brakwaterpoliep, roeipootkreeftjes,
                            brakwatervlokreeften, muggenlarven, zeeduizendpoot, kokerjuffers,
                            aasgarnaal, brakwatergarnaal, vorksprietgarnaal, oprolpissebed,
                            brakwaterpissebed, bootsmannetjes, waterkevers, schelpen en vele
                            slakjes. Het rijke onderwaterleven is voedsel voor o.a. lepelaar,
                            tureluur, kluut, en trekvogels. Noordse woelmuis komt vaak voor in de
                            oeverzone en in de begeleidende ruigten.</al><al>Verzoeting en vermesting zijn de grootste bedreiging. Het afsluiten van
                            de estuaria Zuiderzee, Haringvliet, Hollands diep, Krammer en Volkerak
                            heeft geleid tot een enorme afname van het areaal. Veel van de
                            verbindingen van oude kreken met de zee zijn verdwenen door
                            dijkverbeteringen en het doorspoelen van waterlopen met zoet water. Ook
                            rond het Waddengebied is veel areaal Brakwater verdwenen door
                            dijkverzwaringen, het verminderen van het aantal spuipunten en het
                            doorspoelen met zoet water.</al><al>Brak water is internationaal van bijzonder waarde door de macrofauna, de
                            paaimogelijkheden voor grote koornaarvis, als doorgang voor trekvissen
                            (paling, elft, fint) en als foerageergebied voor bijvoorbeeld lepelaar
                            en kluut.</al><al><vet>1.2 Afbakening</vet></al><lijst><li nr="·"><al>Het beheertype brak water omvat waterlichamen breder dan 4 m. en
                                    dieper dan 20 cm., met zwakstromend of stilstaand brakwater (met
                                    een hoge saliniteit: Chloride &gt; 300 mg CL- /l.) en organismen
                                    die typerend zijn voor brak water. </al></li><li nr="·"><al>Brak water waarin kranswieren dominant voorkomen worden tot het
                                    beheertype Kranswierwater gerekend. </al></li><li nr="·"><al>Kreken onder invloed van met getijdenwerking worden tot Schor of
                                    kwelder of tot Duin en kwelderlandschap gerekend, </al></li></lijst><al><vet>Subsidieverplichtingen</vet></al><al>De beheerder dient het beheertype in stand te houden. De wijze waarop
                            hij deze instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder
                            zelf.</al><al><vet>Voorbeeldgebieden</vet></al><al>Inlagen rond de Ooster- en Westerschelde, Dijkwater, Prunjepolder, Den
                            Inkel, Roggesloot, De Bol en Kimswerd, Westzaan, Oostzaan en
                            Ilperveld.</al><al/><al>N04.04 Afgesloten zeearm</al><al><vet>1.1 Algemene beschrijving</vet></al><al>Afgesloten zeearmen zijn kunstmatige wateren die vanaf 1930 ontstaan
                            zijn door het afsluiten van getijdengebieden en estuaria. Het zijn grote
                            meren, met aanvoer van zoet water uit rivieren of beken, die door te
                            spuien het water lozen op zee. Alleen de Grevelingen bevat zout water en
                            het Veerse meer is brak door een verbinding met de Oosterschelde. Er
                            zijn geen natuurlijke equivalenten van deze grote meren te vinden. De
                            geomorfologische processen die langs de kust voorkomen zijn niet meer
                            aanwezig. De daarbij behorende landschapstructuren: geulen, kreken,
                            ondiepten, platen en oeverlanden, zijn er nog wel. </al><al>De verschillen tussen de gebieden zijn groot. Ze verschillen in grootte,
                            ouderdom en waterhuishouding. Het Lauwersmeer ontvangt bijvoorbeeld
                            water uit de Friese en Groningse boezem, het Hollands diep water uit de
                            Maas, de randmeren Zwarte Meer en Vossemeer vormen een verbinding tussen
                            IJssel en IJsselmeer, enz.. De belangrijkste sturende factoren zijn
                            peilbeheer en spuiregime. Het peilbeheer is vaak tegen de natuurlijke
                            jaarlijkse fluctuaties in en op momenten van grote toevoer wordt
                            maximaal gespuid. In diep water kan een koude sprong in het water
                            aanwezig zijn waardoor de diepere lagen zuurstofarm zijn. Golfslag en
                            stuwing van water kunnen zorgen voor stroming, transport van sediment en
                            daarmee voor verschillen in vorm en begroeiing van de oevers. Deze
                            kenmerken maken ieder gebied uniek.</al><al>Waterplanten groeien in ondiep of matig diep water. Bij zeer grote meren
                            is er alleen een zoom van waterplanten in de windluwe delen en langs de
                            oever. De oever zelf is vaak begroeid met riet of met biezen. Hier en
                            daar komen nog driekantige bies, ruwe bies en fransje voor, typische
                            soorten van het zoetwatergetijdengebied. In het diepere water kunnen
                            grote schelpenbanken voorkomen. Deze filteren het water en zorgen voor
                            helderheid. De meren kunnen van betekenis zijn voor meervleermuis, otter
                            en bever.</al><al>De meren zijn, ook internationaal, zeer belangrijk als rust en
                            foerageergebied van watervogels, zoals lepelaar, aalscholver, kleine
                            zwaan, meerkoet, verschillende soorten ganzen en eenden en als
                            broedgebied voor kluut, grote stern en visdiefje. De uitwaterende
                            sluizen vormen nu voor veel vissen een onneembare barrière. De
                            internationale betekenis voor trekvissen zoals elft, fint, houting,
                            steur en zalm kan toenemen door deze barrières op te heffen. Afgesloten
                            zeearm is ook van internationale betekenis voor rivierdonderpad, zeeprik
                            en rivierprik. De oevers van gebieden in het Deltagebied zijn leefgebied
                            van noordse woelmuis en zijn daarom van zeer groot belang.</al><al>De helderheid van het water komt in het gedrang door overmaat van
                            fosfaten of door opwerveling van slib. Het eerste probleem ontstaat
                            vooral in de wat kleinere meren die water ontvangen uit
                            landbouwgebieden. In de loop van de jaren neemt de beschikbaarheid van
                            fosfaten toe. Algenbloei kan het gevolg zijn met woekering van de
                            giftige blauwalgen. De problemen kunnen vermeden worden door te spoelen
                            met zoet water uit andere gebieden, het water te defosfateren of door
                            zout water in te laten. Inlaten van zout water heeft als voordeel dat de
                            oppervlakte brak water toeneemt. Opwervelen van slib kan voorkomen
                            worden door minder scheepvaart toe te staan of door het slib in diepe
                            putten op te vangen.</al><al><vet>1.2 Afbakening</vet></al><lijst><li nr="·"><al>Het beheertype Afgesloten zeearm omvat het water van de
                                    gebieden: Lauwersmeer, IJsselmeer, Ketelmeer, Vossemeer, Zwarte
                                    meer, Hollands diep, Haringvliet, Grevelingen, Krammer,
                                    Volkerak, Veerse meer, Zoommeer en Markizaatsmeer, met de daarin
                                    gelegen (kunstmatige) eilandjes die kunnen dienen als rust- en
                                    broedgebied voor vogels.</al></li><li nr="·"><al>Tot het beheertype Afgesloten zeearm worden ook de kleinere
                                    wateren gerekend die ermee in open verbinding staan, of
                                    regelmatig vanuit de afgesloten zeearm overstroomd worden. </al></li><li nr="·"><al>Water waarin kranswieren domineren behoren tot het beheertype
                                    Kranswierwater.</al></li></lijst><al><vet>Subsidieverplichtingen</vet></al><al>De beheerder dient het beheertype in stand te houden. De wijze waarop
                            hij deze instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder
                            zelf.</al><al><vet>Voorbeeldgebieden</vet></al><al>Zwarte meer, Ketelmeer, Vossemeer, Haringvliet en Grevelingen.</al><al/><al> N05 Moerassen</al><al><vet>Algemene beschrijving</vet></al><al>Moerassen zijn ecosystemen op de grens van water en land. De begroeiing
                            varieert van open water met riet of biezen tot wateren die dicht zijn
                            begroeid met zeggen, riet en kruiden op tijdelijk droogvallende bodems. </al><al>Moerassen zijn van nature voedselrijk en gelegen in
                            overstromingsvlakten. In het verleden traden soms inbraken op vanuit een
                            rivier of de zee, maar tegenwoordig niet meer. Dit heeft onder andere
                            tot gevolg dat het natuurtype nu veelal een sterke neiging heeft om zich
                            - méér dan vroeger - te ontwikkelen in de richting van bos en hoogveen. </al><al><vet>Ontstaansgeschiedenis</vet></al><al>Vooral in het vlakke, westelijk deel van Nederland zijn vroeger grote
                            moerassen ontstaan in ondiepe, al dan niet tijdelijke wateren die werden
                            gevoed door grond- en/of rivierwater. In deze moerassen kwamen allerlei
                            stadia van verlanding voor, van open water tot en met broekbossen en
                            hoogvenen. </al><al>Later zijn deze gebieden overal wel op een of andere manier ontgonnen.
                            Ook nu ondervinden de overgebleven moerassen bijna overal nog de invloed
                            van de mens, o.a. door verdroging als gevolg van ontwatering, ook als
                            die moerassen het stempel natuur hebben. </al><al>Dit heeft ertoe geleid dat bijvoorbeeld zoute en zoete kwel, inbraken
                            vanuit de zee en toestroom van schoon beek- en rivierwater zijn
                            verdwenen of afgezwakt. Deze processen waren voorheen de aanjagers voor
                            een grote verscheidenheid aan ecotopen en soorten. </al><al><vet>Beheertypen</vet></al><al>Dit natuurtype omvat twee beheertypen:</al><lijst><li nr="·"><al>N05.01 Moeras</al></li><li nr="·"><al>N05.02 Gemaaid rietland</al></li></lijst><al>In beide typen wordt riet gemaaid, maar met verschillende
                            doelstellingen. In het eerste geval gebeurt dit vooral om de
                            soortenrijkdom te bewaren, in het tweede geval ligt de nadruk op de
                            oogst van riet.</al><al/><al>N05.01 Moeras</al><al><vet>1.1 Algemene beschrijving</vet></al><al>Moerassen komen voor op de overgang van zoet water naar land. Het lage
                            deel van Nederland is vrijwel volledig ontstaan als moeras. Het
                            zwaartepunt van de verspreiding ligt in de laaggelegen veen- en
                            kleigebieden van Nederland. Moeras ontstaat in stilstaand voedselrijk,
                            zoet water achter de duinen, in overstromingsvlakten van rivieren en
                            beken of in kwelgebieden langs de randen van de zandgronden en in
                            beekdalen. De bodems zijn zeer nat, voedselrijk en matig zuur tot
                            neutraal. </al><al>Typische moerasplanten zijn hoge grassen als riet en rietgras, grote
                            zeggen, biezen en galigaan. Moeras is van groot belang voor vogels,
                            libellen, vissen, amfibieën en enkele zoogdieren als bever, otter,
                            noordse woelmuis en waterspitsmuis. Moeras omvat open begroeiingen van
                            riet, lisdodde en biezen in water; rietlanden en rietruigten. Hierin
                            weerspiegelt zich de overgang van water naar land. Aan de waterkant
                            vormen losgeslagen planten drijftillen met waterscheerling, zeggen,
                            galigaan en slangenwortel. Het rietland kan vrij open zijn met poeltjes
                            waarin waterplanten groeien, kruidenrijk met diverse orchideeën en
                            blauwe knoop of mosrijk met blad- en levermossen of al ouder met hoog
                            opgaand riet die geleidelijk overgaan in ruigten met moerasspirea of
                            poelruit. Door de grote stapeling van organisch materiaal in oude
                            rietlanden en ruigten kunnen deze vegetaties (tijdelijk) overgaan in een
                            grasrijke vegetatie. De kruidenrijke of mosrijke fase met vrij open riet
                            kan duiden op een wat lagere voedselrijkdom in combinatie met matig zure
                            omstandigheden. In dit milieu kunnen veenmossen zich vestigen. Een deel
                            van de rietlanden wordt gemaaid, maar niet jaarlijks (overjarig
                            riet).</al><al>De Nederlandse moerassen zijn vrijwel volledig ontgonnen of verveend;
                            het resterende deel wordt bedreigd door vermesting, verdroging en
                            verbossing. De grote menselijke invloed is in de laagveenmoerassen te
                            herkennen aan het verveningspatroon, ook de moerassen in de jonge
                            polders staan onder grote menselijke invloed. </al><al>Voor een goede kwaliteit en duurzame instandhouding is een natuurlijk
                            fluctuerend waterpeil en een goede waterkwaliteit essentieel. Thans is
                            er veelal sprake van gebrek aan nieuwvorming en versnelde successie
                            waardoor extra beheer nodig is om voldoende oppervlak en kwaliteit te
                            behouden.</al><al>Moeras kan een voorstadium vormen voor Veenmosrietland en moerasheide en
                            uiteindelijk overgaan in Hoogveen. In voedselrijke gebieden kunnen
                            ruigte en bosvorming (afhankelijk van peilregime en aanwezigheid van
                            grote herbivoren en beheer) na verloop van tijd de overhand nemen.</al><al><vet>1.2 Afbakening</vet></al><lijst><li nr="·"><al>Het beheertype moeras omvat verlandingsvegetaties zoals riet- en
                                    biezenvegetaties, natte ruigte en grote zeggenvegetaties.</al></li><li nr="·"><al>Moeras kan tot 20% uit open water bestaan en tot 10% uit
                                    struweel.</al></li><li nr="·"><al>De gemiddelde grondwaterstand in het najaar zakt maximaal tot 40
                                    cm. onder het maaiveld, behoudens eventuele periodieke
                                    droogteperioden.</al></li><li nr="·"><al>Droge rietruigten vallen niet onder dit beheertype maar onder
                                    het beheertype Ruigteveld.</al></li><li nr="·"><al>In de nattere delen varieert de grondwaterstand tussen 0 en – 20
                                    cm.</al></li><li nr="·"><al>Gebieden waar grootschalige processen voorkomen, vallen onder
                                    het natuurtype Grootschalige dynamische natuur.</al></li></lijst><al><vet>Voorbeeldgebieden:</vet> Zuidlaardermeer, Wieden, Weerribben,
                            Rottige meenthe, Naardermeer, Oostelijke vechtplassen, Botshol en
                            Nieuwkoopse Plassen.</al><al/><al>N05.02 Gemaaid rietland</al><al><vet>1.1 Algemene beschrijving</vet></al><al>Gemaaid rietland is rietland dat grotendeels jaarlijks in het
                            winterhalfjaar gemaaid wordt. Het kan gaan om het oogsten van riet, in
                            sommige gebieden een traditie, of om behoud van soorten die afhankelijk
                            zijn van een open structuur. Randen met oud riet, kleine ruigten,
                            struweel en bomen op kaden, zorgen voor broedgelegenheid voor vogels en
                            zijn belangrijk voor andere dieren zoals muizen of salamanders.</al><al>Het meeste gemaaide rietland komt voor in laagveengebieden, vaak
                            gezamenlijk met andere moerassen. In mindere mate komt het ook voor op
                            klei. Gemaaid rietland komt voor op natte tot vochtige bodems en staat
                            onder invloed van oppervlaktewater. Belangrijk voor de rietgroei is
                            enige aanvoer van voedingsstoffen via het water om er voor te zorgen dat
                            de bodem niet te zuur wordt. Gemaaid rietland is ontstaan als typisch
                            cultuurlijke exponent van moeras: het riet werd gemaaid en gebonden ten
                            behoeve van dakbedekking of op een andere manier gebruikt.</al><al>Gemaaid rietland wordt gedomineerd door riet en kan vrij rijk zijn aan
                            mossen of moerasplanten zoals moerasvaren, kamvaren, moeraswalstro,
                            waterzuring, watermunt, grote watereppe, moeraswederik, pluimzegge,
                            echte koekoeksbloem en echte valeriaan. Bij een goede waterkwaliteit
                            zijn de rietlanden soms soortenrijk met rietorchis en zelfs
                            groenknolorchis. De oevers, rietranden en –stroken vormen biotoop voor
                            rietvogels als kleine karekiet en insecten.</al><al>Gemaaid rietland kan, als de kragge dikker wordt, overgaan naar
                            Veenmosrietland en moerasheide. Zonder maaibeheer en watertoevoer zal
                            gemaaid rietland overgaan naar struweel en bos.</al><al><vet>1.2 Afbakening</vet></al><lijst><li nr="·"><al>Het beheertype gemaaid rietland omvat rietvegetaties die
                                    jaarlijks gemaaid worden, waarbij het riet wordt
                                    verwijderd.</al></li><li nr="·"><al>Tot 10% van het beheertype kan bestaan uit struweel.</al></li></lijst><al><vet>Subsidieverplichtingen</vet></al><al>De beheerder dient het beheertype in stand te houden. De wijze waarop
                            hij deze instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder zelf. </al><al><vet>Voorbeeldgebieden</vet></al><al>Wieden, Weerribben, Nieuwkoopse Plassen, Vechtplassen, Botshol,
                            Naardermeer en oevers Zwarte Meer.</al><al/></li></lijst><al>N06 Voedselarme venen en vochtige heiden</al><tussenkop>Algemene beschrijving</tussenkop><al>Voedselarme venen en vochtige heiden zijn natte, voedselarme, open gebieden met
                    lage begroeiingen die voor een groot deel de neiging hebben tot veenvorming. In
                    de lage begroeiing komen onder andere heidesoorten, kruiden en/of veenmossen
                    voor die zijn aangepast aan voedselarme omstandigheden. De combinatie van hoge
                    waterstanden en geringe voedselrijkdom zorgt ervoor dat de plantenresten niet
                    volledig vergaan, maar zich na verloop van tijd ophopen, waardoor een veenpakket
                    kan ontstaan. </al><tussenkop>Ontstaansgeschiedenis</tussenkop><al>Grote delen van ons land waren eertijds bedekt met hoogveen en voedselarme
                    laagvenen, zowel in oost-Nederland als in het lage westen. De huidige
                    voedselarme venen en vochtige heiden zijn daarvan meestal restanten die slechts
                    gedeeltelijk zijn ontsnapt aan afgraving, drooglegging en ontginning. Alleen
                    daar waar de omstandigheden gunstig zijn, komt de successie naar voedselarme
                    venen weer op gang. In west-Nederland gaat het dan om Veenmosrietland en
                    moerasheide en om Trilvenen, in oost-Nederland om de beide ventypen. In het
                    laatste geval gaat de successie slechts zeer langzaam (honderden jaren).
                    Daarnaast zijn er enkele gebieden waar het hoogveen als eindstadium van de
                    successie in stand is gebleven. </al><tussenkop>Beheertypen</tussenkop><al>Het natuurtype omvat de volgende zes beheertypen:</al><lijst><li nr="·"><al>N06.01 Veenmosrietland en moerasheide </al></li><li nr="·"><al>N06.02 Trilveen </al></li><li nr="·"><al>N06.03 Hoogveen </al></li><li nr="·"><al>N06.04 Vochtige heide </al></li><li nr="·"><al>N06.05 Zwakgebufferd ven </al></li><li nr="·"><al>N06.06 Zuur ven of hoogveenven </al></li></lijst><al>De verschillen tussen deze beheertypen hebben deels te maken met verschillen in
                    beheer. Daarnaast zijn natuurlijk ook de lokale omstandigheden bepalend voor het
                    beheertype. Ook binnen een beheertype kunnen de abiotische omstandigheden
                    variëren, waardoor bijvoorbeeld de successie in het ene geval kan verschillen
                    van het andere. Zo zijn sommige Vochtige heiden nat genoeg om zich geleidelijk
                    te kunnen ontwikkelen tot Hoogveen.</al><al/><al>N06.01 Veenmosrietland en moerasheide</al><tussenkop>1.1 Algemene beschrijving</tussenkop><al>Veenmosrietland en moerasheide zijn vrij voedselarme moerastypen en komen alleen
                    voor in laagveenmoerassen en veenweidegebieden. In veenweidegebieden vormt het
                    veenmosrietland vaak linten langs sloten. Moerasheide is zowel binnen Nederland
                    als Europa zeer zeldzaam en kan beschouwd worden als een overgang naar hoogveen.
                    Veenmosrietland en moerasheide waren niet zeldzaam in de oorspronkelijke
                    moerassen, maar zijn door de ontginning en vervening van het laagveengebied
                    vrijwel verdwenen. De laatste voorbeelden zijn in omvang en kwaliteit afgenomen
                    door verdroging, vermesting, verzuring en verbossing. </al><al>Veenmosrietland bestaat uit een vrij ijle rietlaag en vaak een moslaag, rijk aan
                    veenmossen, ronde zonnedauw, orchideeën en varens. Moerasheide bestaat vooral
                    uit veenmossen, gedeeltelijk gaat het om soorten die verder alleen in hoogveen
                    voorkomen. Gewone dophei, verschillende soorten bosbessen en zeggensoorten komen
                    tussen de veenmossen voor. De vegetatie is laag en zeer open, riet en andere
                    hoge moerasplanten zijn slechts hier en daar aanwezig.</al><al>Veenmosrietland en moerasheide zijn oude verlandingsstadia in de reeks van open
                    water naar moerasbos. Vanuit jong rietland kan bij een toenemende dikte meer
                    invloed ontstaan van regenwater, waardoor veenmosrietland en in een later
                    stadium moerasheide tot ontwikkeling kan komen. Bij moerasheide is de invloed
                    van regenwater het grootst. Bij verlanding vanuit brak water kan deze successie
                    bijzonder snel verlopen.</al><al>Veenmosrietland en moerasheide vormen een natuurlijk, laat stadium in de
                    successiereeks. Door de veranderde waterhuishouding verruigen en verbossen deze
                    oude verlandingsstadia veel sneller dan onder natuurlijke omstandigheden. Door
                    te maaien wordt dit proces vertraagd.</al><tussenkop>1.2 Afbakening</tussenkop><lijst><li nr="·"><al>Het beheertype Veenmosrietland en moerasheide omvat late stadia in
                            verlandingsvegetaties waarin veenmossen, heidesoorten en gagel
                            gezamenlijk tenminste 30% van de bedekking vormen.</al></li><li nr="·"><al>Tot 10% van het beheertype kan bestaan uit ander struweel.</al></li><li nr="·"><al>De gemiddelde grondwaterstand in het najaar zakt maximaal tot 40 cm.
                            onder het maaiveld, behoudens eventuele periodieke droogteperioden.
                        </al></li><li nr="·"><al>In de nattere delen liggen de grondwaterstanden tussen 0 en 20 cm.</al></li><li nr="·"><al>Het beheertype komt niet voor in het Heuvellandschap.</al></li></lijst><tussenkop>Subsidieverplichtingen</tussenkop><al>De beheerder dient het beheertype in stand te houden. De wijze waarop hij deze
                    instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder zelf.</al><tussenkop>Voorbeeldgebieden</tussenkop><al>Alde Feanen, Wieden, Weerribben, Nieuwkoopse Plassen, Vechtplassen, Botshol en
                    Wormerveld, Jisperveld, Oostzanerveld, Westeinderplassen en Ilperveld.</al><al/><al>N06.02 Trilveen</al><tussenkop>1.1 Algemene beschrijving</tussenkop><al>Trilveen heeft zijn naam te danken aan de slappe bodems die op en neer bewegen
                    als er overheen gelopen wordt. Het zijn 20 tot 70 cm. dikke drijvende kraggen
                    van plantenresten en veen. Het omvat vegetaties van de klasse der kleine zeggen
                    of van de klasse der hoogveenslenken. Trilveen stelt hoge eisen aan de
                    waterkwaliteit en –kwantiteit en komt voor bij matig voedselrijke omstandigheden
                    en stabiele hoge waterstanden. Trilveen kwam oorspronkelijk voor in beekdalen,
                    onder invloed van een sterke toestroom van grondwater en in laagvenen op de
                    overgang van de hoogveenkernen naar moeras. Nu komen de meeste trilvenen voor in
                    het laagveengebied als verlandingsgemeenschap in beschutte wateren zoals
                    petgaten. Trilveen komt plaatselijk voor in beekdalen op kwelrijke plekken. </al><al>Trilveen wordt gekarakteriseerd door de combinatie van laag blijvende zeggen,
                    mossen en kruiden. Trilveen vormt het leefgebied van planten zoals
                    groenknolorchis, waterdrieblad, moeraskartelblad, ronde zegge, draadzegge,
                    verschillende soorten schorpioenmos, insecten zoals de zilveren maan en vogels
                    als watersnip. In jong Trilveen komen poeltjes voor met waterplanten als plat
                    blaasjeskruid en kranswieren. Bij het dikker worden van de kragge door
                    strooiselophoping neemt de invloed van regenwater toe en kunnen veenmossen zich
                    vestigen. De structuurvariatie; van poeltjes met waterplanten tot de wat hogere
                    veenmosbultjes, zorgt voor veel gradiëntrijke overgangen en verklaart de hoge
                    biodiversiteit van gebieden met trilvenen. Bijzonder soortenrijk zijn ook
                    overgangen van Trilveen naar schrale graslanden op vaste(re) bodem. Het trilveen
                    in de petgaten zal uiteindelijk overgaan in veenmosrietland.</al><al>Trilveen is zowel binnen Nederland als binnen Europa zeer zeldzaam en is door
                    ontginning en vervening vrijwel verdwenen. De laatste restanten trilveen
                    verliezen nog steeds soorten door verslechtering van de waterkwaliteit en
                    verzuring. </al><tussenkop>1.2 Afbakening</tussenkop><lijst><li nr="·"><al>Het beheertype trilveen omvat vegetaties, drijvend op water of op een
                            slappe bodem, gedomineerd door lage cypergrassen, slaapmossen, kruiden
                            en ijl, laagblijvend riet. </al></li><li nr="·"><al>De gemiddelde grondwaterstanden liggen tussen 0 en -10 cm.</al></li><li nr="·"><al>Er komen tenminste enkele karakteristieke plantensoorten voor: ronde
                            zegge, draadzegge, waterdrieblad, moeraskartelblad, kleine valeriaan,
                            snavelzegge, holpijp, vleeskleurige orchis, rietorchis, slank wollegras,
                            veenmosorchis, plat blaasjeskruid, klein blaasjeskruid, rood
                            schorpioenmos, groen schorpioenmos, groot veenvedermos,
                            trilveenveenmos.</al></li></lijst><tussenkop>Subsidieverplichtingen</tussenkop><al>De beheerder dient het beheertype in stand te houden. De wijze waarop hij deze
                    instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder zelf.</al><tussenkop>Voorbeeldgebieden</tussenkop><al>Wieden, Weerribben, Drentse Aa, Naardermeer, Vechtplassen en Langstraat. </al><al/><al>N06.03 Hoogveen</al><tussenkop>1.1 Algemene beschrijving</tussenkop><al>Hoogveen wordt gevormd door veenmossen. Het open hoogveenlandschap omvat naast
                    veenmostapijten ook water, in meren of slenken, en heide. Aan de randzones van
                    het hoogveen kan lokaal opslag van bos en struweel voorkomen. Hoogveenmoerassen
                    bestaan vaak uit meerdere bolliggende venen (hoogveenlenzen) met op de helling
                    stelsels van slenken en meerstallen (kleine meeertjes) en brede overgangen, met
                    overgangsvenen en grote meren, naar de omringende zand of veengebieden.</al><al>De variatie binnen het hoogveen wordt bepaald door de afwisseling van slenken
                    met water en bulten met veenmos en heide. Op en langs de bulten zijn soorten als
                    beenbreek, eenarig wollegras en dwergstruiken zoals kleine veenbes en
                    lavendelhei aanwezig. Door het zure milieu in hoogvenen komen op hoogveen vooral
                    ‘specialisten’ voor. Naast veenmossen als hoogveenveenmos en wrattig veenmos,
                    gaat het ook om insecten als bijvoorbeeld veenbesblauwtje,
                    veenbesparelmoervlinder, hoogveenglanslibel en noordse glazenmaker. Soorten die
                    zich ophouden in of langs de randen van hoogveen zijn: geoorde fuut, paapje en
                    grauwe klauwier. Recent zijn uit het Fochteloërveen broedgevallen bekend van
                    kraanvogels. In een natuurlijke omgeving ontstaat hoogveen in stilstaand open
                    water of in veen met zeer stabiele waterstanden, bijv. vochtige hei of
                    veenmosrietland. Hoogveen wordt dan enkel gevoed door regenwater. Het veen zelf
                    is dicht en laat nauwelijks water naar de ondergrond door. Vrijwel al het water
                    wordt door het tapijt van levende veenmossen zijdelings afgevoerd. </al><al>Naar schatting kwam ooit 10.000 km<sup>2</sup> hoogveen in Nederland voor vooral
                    in het laagveengebied en op natte zandgronden. Driekwart van deze venen is door
                    natuurlijke oorzaken, zoals zeespiegelstijging, verdwenen. De overige hoogvenen
                    zijn vrijwel volledig vergraven om turf te winnen. Daarbij zijn alle
                    geleidelijke overgangen naar zandgronden en andere venen verdwenen evenals het
                    natuurlijke reliëf van de hoogveenlens. Hoogveen wordt nu in Nederland alleen
                    nog aangetroffen op de hogere zandgronden, in de voormalige hoogveenmoerassen,
                    in slenken van heideterreinen en in volledig verlande vennen. Of hoogveen in de
                    laagveengebieden hersteld kan worden is onduidelijk. Moerasheide is te zien als
                    een eerste aanzet tot de vorming van hoogveen. </al><al>Hoogveen is in het hele Atlantische gebied van Europa sterk bedreigd.
                    Internationaal gezien heeft Nederland nog steeds een belangrijk en groot areaal
                    lenshoogvenen. Ongeveer 80% van het areaal lenshoogvenen van het continentale
                    deel van Europa ligt in Nederland.</al><al>Herstel van hoogveen is mogelijk door omstandigheden te creëren waardoor zich
                    een veenmosdek kan ontwikkelen. Lastig is daarbij dat de hydrologische
                    omstandigheden vaak sterk afwijken van die waaronder het veen ooit is ontstaan.
                    Door ontwatering en vervening zijn de veenmosbegroeiingen, de zogenaamde
                    acrotelm, vrijwel verdwenen. Het veen zelf, de catotelm (de weerstandbiedende
                    laag, waarop veenvorming plaats had) is vergraven en laat daardoor vaak water
                    door. Belangrijk voor herstel zijn een zeer stabiele waterstand en een gering
                    waterverlies door het vaste veen, de hellingshoek van het veenoppervlak en het
                    koolzuur- en methaangehalte van het oppervlaktewater </al><tussenkop>1.2 Afbakening</tussenkop><lijst><li nr="·"><al>Het beheertype Hoogveen omvat vegetaties gedomineerd door heidesoorten,
                            eenarig wollegras, veenpluis, pijpenstrootje en veenmossen op een
                            veenbodem.</al></li><li nr="·"><al>De oppervlakte van de veenmostapijten bedraagt tenminste 5% van de
                            beheereenheid. </al></li><li nr="·"><al>Tot 10% van het beheertype kan bestaan uit open water.</al></li><li nr="·"><al>Het beheertype komt voor in het Zandlandschap.</al></li></lijst><tussenkop>Subsidieverplichtingen</tussenkop><al>De beheerder dient het beheertype in stand te houden. De wijze waarop hij deze
                    instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder zelf.</al><tussenkop>Voorbeeldgebieden</tussenkop><al>Fochteloërveen, Witterveld, Bargerveen, Engbertsdijksvenen, Wierdense Veld,
                    Deurnsche Peel, Mariapeel, Groote Peel en Haaksbergerveen.</al><al/><al>N06.04 Vochtige heide</al><tussenkop>1.1 Algemene beschrijving</tussenkop><al>Vochtige heide omvat zowel heiden, struwelen, grazige vegetaties,
                    veenmosplekken, kleine stilstaande watertjes en kale bodem op zandige tot venige
                    plaatsen. Deze heiden komen vooral voor op natte zandgronden of veengebieden,
                    van Drenthe, Oost Nederland en Noord Brabant. De bodem is doorgaans vochtig of
                    nat, vrij zuur en voedselarm en bestaat uit zand of leem. De vegetatie wordt,
                    net als bij droge heide, gekenmerkt door dwergstruiken, waarbij gewone dophei
                    dominant aanwezig is. Soms overheersen grassen (pijpenstrootje) of struiken als
                    gagel. Vochtige heide is meestal arm aan soorten, maar de voorkomende soorten
                    zijn wel karakteristiek. </al><al>Uitgestrekte Vochtige heide-vegetaties zijn in Nederland meestal ontstaan op
                    uitgeputte bodems. Door het rooien van bomen; het plaggen of begrazen van de
                    heide, zijn eeuwenlang mineralen afgevoerd.</al><al>Variatie binnen het beheertype is van groot belang voor karakteristieke
                    faunasoorten waaronder warmteminnende diersoorten als adder en levendbarende
                    hagedis en veel insectensoorten zoals het gentiaanblauwtje en spiegeldikkopje. </al><al>De biodiversiteit in deze arme landschappen is afhankelijk van de variatie in
                    structuren. Een afwisselend voorkomen van gewone dophei, open zandige stukken,
                    grazige en kruidige vegetaties, kleine veentjes en (plaatselijk) struweel,
                    opslag van dennen en berken is belangrijk.</al><tussenkop>1.2 Afbakening</tussenkop><lijst><li nr="·"><al>Het beheertype Vochtige heide omvat voor tenminste 60% vegetatie
                            gedomineerd door dwergstruiken of pijpenstrootje.</al></li><li nr="·"><al>Naast heide bevat dit type ook struwelen, verspreide bomen, grazige
                            vegetaties, kleine stilstaande watertjes en kale bodem op zandige tot
                            venige plaatsen.</al></li><li nr="·"><al>De heidevegetatie dient voor tenminste 30% te bestaan uit gewone dophei,
                            kraaihei en/of bosbessoorten, al dan niet gemengd met struikhei- en
                            enkele karakteristieke soorten bevatten: gevlekte orchis, kleine
                            zonnedauw, ronde zonnedauw, klokjesgentiaan, moeraswolfsklauw,
                            beenbreek, heidekartelblad, eenarig wollegras, veenpluis, witte
                            snavelbies, bruine snavelbies, gewone en noordse veenbies, waterveenmos,
                            groot veenmos, slank veenmos, kussentjesveenmos, week veenmos of zacht
                            veenmos.</al></li><li nr="·"><al>Het beheertype komt voor in het Zandlandschap. </al></li></lijst><tussenkop>Subsidieverplichtingen</tussenkop><al>De beheerder dient het beheertype in stand te houden. De wijze waarop hij deze
                    instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder zelf. </al><tussenkop>Voorbeeldgebieden</tussenkop><al>Dwingelderveld, Havelte, Balloërveld, Delleboersterheide, Boetelerveld, Needse
                    Achterveld, Deelense veld en Kampina. Infanterieschietkamp Harskamp,
                    artillerieschietkamp Oldenbroek, Kleine startbaan bij Havelte en Leemputten van
                    Staverden. </al><al/><al>N06.05 Zwakgebufferd ven</al><tussenkop>1.1 Algemene beschrijving</tussenkop><al>Een Zwak gebufferd ven bevat zeer helder water met vegetaties van biesvormige
                    planten. Vennen zijn laagten met water die in de zomer soms droogvallen. Rond de
                    vennen komen doorgaans droge en natte heide en soms kleine zeggenvegetaties of
                    blauwgrasland voor. Het water is voedselarm, een beetje gebufferd en is daarom
                    niet echt zuur. De oorzaken voor de lichte buffering, in een zure omgeving, zijn
                    verschillend. De buffering kan veroorzaakt worden door stroming van water. Zwak
                    gebufferd ven kan liggen in een slenk die de winter de afvoer van het water uit
                    de heidevelden verzorgt of er kan een bovenloopje door het ven stromen. Andere
                    oorzaken zijn het toestromen van grondwater of de aanwezigheid van een lemige
                    bodem. Het aantal zwakgebufferde vennen is in het verleden groter geweest, door
                    menselijk gebruik van de vennen werd de bodem opgewoeld. Bij opwoelen van de
                    bodem lossen mineralen uit de bodem op in het water, hierdoor wordt het water
                    gebufferd. Schapen werden in de vennen gewassen en er werd regelmatig in de
                    vennen gezwommen.</al><al>Door deze buffering onderscheidt het zich van zure vennen; verlanding naar
                    hoogveen wordt door de buffering afgebroken. De buffering uit zich in een ijle,
                    veelal uit zeldzame planten bestaande vegetaties. Kenmerkende soorten zijn
                    waterlobelia, oeverkruid, ongelijkbladig fonteinkruid, pilvaren,
                    moerashertshooi, veelstengelige waterbies, grote en kleine biesvaren.
                    Zwakgebufferde vennen worden nu vooral aangetroffen in open heidelandschappen
                    van de hogere zandgronden in het oosten, midden en zuiden van het land.</al><al>Zwak gebufferde vennen verzuren snel door verdroging en luchtverontreiniging.
                    Bij verdroging wordt de invloed van regenwater zo groot dat een ven sneller
                    verzuurd. Nationaal zijn zwakgebufferde vennen schaars verspreid over Nederland.
                    Gezien de kenmerkende vegetaties en libellen die aan dit beheertype gebonden
                    zijn heeft Nederland op zowel nationaal als internationaal niveau een grote
                    verantwoordelijkheid om dit beheertype in stand te houden. </al><tussenkop>1.2 Afbakening</tussenkop><lijst><li nr="·"><al>Het beheertype Zwakgebufferd ven omvat wateren die gekarakteriseerd
                            worden door vegetaties met waterlobelia, oeverkruid, ongelijkbladig
                            fonteinkruid, pilvaren, moerashertshooi, veelstengelige waterbies, grote
                            of kleine biesvaren.</al></li><li nr="·"><al>Het beheertype komt voor in het Zandlandschap. </al></li><li nr="·"><al>Het water is matig tot zwak zuur en arm aan fosfaten en stikstof, de
                            bodem bestaat overwegend uit zand.</al></li></lijst><tussenkop>Subsidieverplichtingen</tussenkop><al>De beheerder dient het beheertype in stand te houden. De wijze waarop hij deze
                    instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder zelf. </al><tussenkop>Voorbeeldgebieden</tussenkop><al>Ter Horsterzand, Bergvennen, Breckelenkampse veld, Punthuizen, Lonnekermeer,
                    Stelkampsveld, Grote veld, Empense en Tondense heide, Oisterwijkse vennen,
                    Strabrechtse Heide, De Banen en Broekse Wielen.</al><al/><al>N06.06 Zuur ven of hoogveenven</al><tussenkop>1.1 Algemene beschrijving</tussenkop><al>Zure ven of hoogveenven komt voor op de zandgronden. De meeste vennen liggen in
                    Noord Nederland. Vaak zijn deze vennen ontstaan door uitstuiving van een laagte
                    tot het grondwater of door een grondwaterstandverhoging waardoor laagtes onder
                    water komen te staan. In of vlak onder de venbodem komen vaak ondoorlatende
                    bodemlaagjes voor waardoor het ven water houdt, terwijl de omgeving droog is. Ze
                    worden gevoed worden door regenwater en soms door grondwater dat nog sterk op
                    regenwater lijkt. Het water in de vennen is matig zuur tot zuur en voedselarm.
                    Meerstallen, vennen in het hoogveen, hebben dezelfde waterkwaliteit.</al><al>Het water in deze vennen is soms bruin van kleur door humuszuren. De vennen
                    kunnen lang vegetatieloos zijn en de oevers bestaan dan uit zeggensoorten of uit
                    soorten van Vochtige heide. De bodem is bedekt met venig materiaal. Zowel in het
                    water als op de oevers kunnen hoogveenvegetaties tot ontwikkeling komen,
                    toestroom van grondwater met kooldioxide versnelt dit proces. Het ven kan geheel
                    bedekt raken met een trilveen van veenmossen, waarin zich een hoogveentje of
                    zelfs een berkenbroek kan ontwikkelen.</al><al>Door het extreme milieu komen in zure vennen vooral specialisten voor, het gaat
                    om waterkevers en libellen zoals de venglazenmaker en de noordse glazenmaker. De
                    meeste planten van hoogvenen komen ook in deze vensystemen voor. Als er sprake
                    is van een zeer lichte verrijking kunnen zeldzame planten als veenbloembies, dof
                    veenmos, slangenwortel, kleinste of drijvende egelskop voorkomen. Heikikker en
                    andere kikkers komen alleen voor onder niet te zure omstandigheden. Ook voor
                    vogels als geoorde fuut en dodaars zijn de zure vennen van belang. </al><al>Zuur ven of hoogveenven is nationaal en internationaal van belang gezien de
                    zeldzaamheid van hieraan gebonden soorten. De vennen kunnen vollediger
                    gemeenschappen bevatten dan de hoogveenrestanten. Ze zijn daarom ook van belang
                    als bron van soorten voor de hoogvenen. Zuur ven of hoogveenven wordt bedreigd
                    door slechte luchtkwaliteit en verdroging, maar liggen vaak geïsoleerd in heide
                    of bos en zijn daarom wat minder aangetast dan de lenshoogvenen.</al><tussenkop>1.2 Afbakening</tussenkop><lijst><li nr="·"><al>Het beheertype Zuur ven of hoogveenven omvat door regenwater gevoede,
                            stilstaande wateren met een matig zuur tot zuur karakter. Het water kan
                            een drijvende kragge van veenmossen bevatten. </al></li><li nr="·"><al>Volledig verlande vennen met hoogveenvegetaties behoren tot het
                            beheertype Hoogveen.</al></li><li nr="·"><al>Het beheertype komt voor in het Zandlandschap.</al></li><li nr="·"><al>Veenputten en meerstallen in hoogveen-gebieden worden gerekend tot
                            Hoogveen.</al></li></lijst><tussenkop>Subsidieverplichtingen</tussenkop><al>De beheerder dient het beheertype in stand te houden. De wijze waarop hij deze
                    instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder zelf. </al><tussenkop>Voorbeeldgebieden</tussenkop><al>Diverse vennen op de Strabrechtse heide, Dwingelderveld, Drents Friese wold,
                    Boswachterijen Borger, Gieten en Gasselte, de Veluwe, Utrechtse heuvelrug,
                    Kampina, Beegderheide en de Tongerense heide.</al><al/><al>N07 Droge heiden</al><tussenkop>Algemene beschrijving</tussenkop><al>Droge heiden zijn droge gebieden die voor een deel bestaan uit kaal zand en voor
                    een ander deel zijn begroeid door voornamelijk struikheide en/of kraaiheide,
                    afgewisseld met andere heide- en bosbessoorten, struweel of grassen en
                    (korst)mossen. Het natuurtype is karakteristiek voor de arme, droge zandgronden
                    in het binnenland. </al><tussenkop>Ontstaansgeschiedenis</tussenkop><al>Droge heide is, meestal in de Middeleeuwen of zelfs al eerder, ontstaan door het
                    kappen, branden en beweiden van de oorspronkelijke bossen. Eeuwenlang hebben de
                    lokale boerengemeenschappen er vervolgens plaggen verzameld en vee (aanvankelijk
                    runderen, later schapen) geweid. Daardoor is de bodem geleidelijk steeds
                    voedselarmer geworden. Op plekken die het meest intensief werden gebruikt,
                    verdween zelfs de begroeiing en ontwikkelden zich kleine en grote
                    zandverstuivingen, te midden van een (destijds) vrijwel boomloos landschap. </al><al>De tegenwoordige droge heiden zijn restanten in een beboste omgeving. De zeer
                    zure bodems zijn er thans oververtegenwoordigd, omdat de iets rijkere en meer
                    gebufferde bodems bij voorkeur werden ontgonnen of bebost. Droge heiden hebben
                    een natuurlijke neiging om weer dicht te groeien met bos, ook al zal dat niet
                    zomaar hetzelfde bostype worden als in de oertijd. Daarvoor is de bodem teveel
                    uitgeput gedurende de periode van landbouwkundig gebruik, door natuurlijke
                    uitloging èn door zure deposities in de afgelopen decennia. </al><tussenkop>Beheertypen</tussenkop><al>Dit natuurtype omvat twee beheertypen:</al><lijst><li nr="·"><al>N07.01 Droge heide </al></li><li nr="·"><al>N07.02 Zandverstuiving </al></li></lijst><al>Hoewel beide beheertypen nauw verwant met elkaar zijn, komen ze tegenwoordig
                    hoofdzakelijk voor in ruimtelijk gescheiden eenheden. In het beheertype droge
                    hei zijn op kleine schaal soms nog wel open zandige plekken aanwezig, hetgeen de
                    kwaliteit van het type ten goede komt. </al><al/><al>N07.01 Droge heide</al><tussenkop>1.1 Algemene beschrijving</tussenkop><al>Droge heide omvat zowel heiden, struwelen, kleine open zandige plekken en
                    grazige vegetaties op basenarme zand- en leemgronden. Het beheertype komt voor
                    op de drogere delen van de hogere zandgronden, met name in Midden Nederland en
                    soms op rivierduinen. De vegetatie wordt gekenmerkt door dwergstruiken,
                    struikheide is meestal de dominante soort. </al><al>Op ongestoorde bodems kunnen bosbessoorten en kraaiheide een hoge presentie
                    bereiken, open plekken bevatten veel korstmossen. Soms overheersen grassen als
                    bochtige smele of struiken als jeneverbes, brem en braamsoorten. Op iets lemiger
                    plaatsen zijn vaak ook soorten van heischrale graslanden present, maar door
                    verzuring en vermesting zijn deze evenals veel andere soorten van heide sterk
                    achteruitgegaan. </al><al>Droge heiden zijn in Nederland meestal ontstaan op uitgeputte bodems. Door het
                    rooien van bomen; het plaggen of begrazen van de heide, zijn eeuwenlang
                    mineralen afgevoerd. Er waren meerdere methoden om te plaggen; ondiep waardoor
                    strooisel en houtige resten geoogst werden; en diep door te steken met een schop
                    waardoor humus en de humeuze toplaag van de bodem afgevoerd werden. Op de hogere
                    zandgronden ontstond hierdoor een open landschap met dwergstruiken, aangepast
                    aan deze voedselarme en vrij zure omstandigheden. De heiden werden door runderen
                    of schapen begraasd. Hierdoor bleef het landschap open. De mineralen uit mest en
                    plagsel kwamen vaak op de essen rond de dorpen terecht.</al><al>Variatie in vegetatiestructuur is van groot belang voor warmteminnende
                    diersoorten zoals adder en zandhagedis en veel insecten zoals het heideblauwtje
                    en de bruine vuurvlinder. Het gaat om een afwisseling van jonge heide, oude
                    heide, (plaatselijk) struweel en verspreide bomen, open zandige delen en
                    (plaatselijk) dominantie van grassoorten. Ook soorten van meer besloten
                    landschappen als nachtzwaluw en draaihals kunnen voorkomen. Op de Sallandse
                    Heuvelrug komt de laatste natuurlijke populatie van het korhoen in Nederland
                    voor. </al><tussenkop>1.2 Afbakening</tussenkop><lijst><li nr="·"><al>Het beheertype Droge heide bestaat voor tenminste 60% uit vegetaties
                            gedomineerd door dwergstruiken, bochtige smele of pijpenstrootje.</al></li><li nr="·"><al>Jeneverbesstruwelen en bremstruwelen kunnen onderdeel uitmaken van Droge
                            heide evenals verspreide bomen, kleine open zandige plekken en grazige
                            vegetaties op basenarme zand- en leemgronden.</al></li><li nr="·"><al>De heidevegetatie bestaat voor tenminste 30% uit struikheide, kraaiheide
                            en/of bosbessoorten, al dan niet gemengd met gewone dophei..</al></li><li nr="·"><al>Het beheertype komt voor in het Zandlandschap of het Heuvellandschap.
                            Heide die in de duinen is gelegen behoort tot het beheertype
                            Duinheide.</al></li></lijst><tussenkop>Subsidieverplichtingen</tussenkop><al>De beheerder dient het beheertype in stand te houden. De wijze waarop hij deze
                    instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder zelf. </al><tussenkop>Voorbeeldgebieden</tussenkop><al>Bakkeveense Duinen, Drentsche Aa-gebied, Drouwenerzand, Drents-Friese Wold,
                    Leggelderveld, Havelte-Oost, Mantingerzand, Lemelerberg, Sallandse Heuvelrug,
                    Borkeld, Veluwe, Brabantse Wal, Regte Heide en Leenderbos. </al><al/><al>N07.02 Zandverstuiving</al><tussenkop>1.1 Algemene beschrijving</tussenkop><al>Zandverstuivingen worden gekenmerkt door onbegroeid zand en pionierbegroeiingen
                    met een groot aandeel mossen en korstmossen. Het beheertype Zandverstuiving is
                    te vinden op droge, zure en voedselarme zandbodems in het binnenland. </al><al>Na karakteristieke pionierstadia met algen en buntgras ontstaan meestal mosrijke
                    stadia gevolgd door korstmosrijke stadia (korstmossteppe). Bij verdergaande
                    successie ontstaan droge, open vegetaties met zandstruisgras of fijn
                    schapengras, stuifzandheiden en open dennenbossen. Uitstuiving tot op het
                    grondwater komt voor, in deze valleitjes kunnen pionierbegroeiingen van vochtige
                    bodems voorkomen. Deze vochtige elementen zijn door verdroging van de
                    zandgronden, zeer schaars geworden.</al><al>De jonge zandverstuivingen zijn vanaf de middeleeuwen veelal ontstaan door een
                    te intensief gebruik. Hierdoor is zand bloot komen te liggen en is het zand gaan
                    stuiven. Uitbreiding van de zandvlakten kon plaatsvinden door grootschalige
                    verstuivingen. Pas aan het einde van de 19e eeuw slaagde men erin het stuifzand
                    grotendeels vast te leggen door de aanplant van naaldbos. </al><al>Zandverstuivingen zijn in de loop der jaren sterk in omvang en kwaliteit
                    achteruit gegaan. Depositie van stikstof stimuleert de groei van algen en
                    sommige mossen en versnelt de successie van pionierbegroeiingen naar soortenarme
                    droge graslanden en struweel.</al><al>De mate van biodiversiteit is vooral afhankelijk van een afwisseling en
                    overgangen van kaal zand, korstmosbegroeiingen en droog open grasland. Voor
                    sommige kenmerkende dieren is het in de nabijheid voorkomen van heide, struweel
                    of bos van groot belang.</al><al>De korstmosstadia in zandverstuivingen herbergen een grote diversiteit aan
                    zeldzame korstmossen. Zandverstuivingen zijn eveneens belangrijk voor mossen,
                    vogels, reptielen en ongewervelden. Hoewel niet bijzonder rijk aan fauna kent
                    het wel een aantal specifieke soorten. Voorbeelden zijn kleine heivlinder,
                    aardbeivlinder, blauwvleugelsprinkhaan en zandoorworm en broedvogels als
                    duinpieper en boomleeuwerik. Reptielen als zandhagedis komen eveneens veelvuldig
                    voor in zandverstuivingen.</al><al>, </al><tussenkop>1.2 Afbakening</tussenkop><lijst><li nr="·"><al>Het beheertype Zandverstuiving bestaat uit tenminste 50% uit onbegroeid
                            stuivend zand, mos of korstmosbegroeiingen en droog grasland met
                            buntgras.</al></li><li nr="·"><al>De overige delen bestaan uit heide, grasland met bochtige smele en/of
                            boomgroepen zoals kleine met bomen begroeide forten. </al></li><li nr="·"><al>Het beheertype is in het Zandlandschap gelegen. Kaal zand in de duinen
                            behoort bij de beheertypen Open duin of Strand en embryonaal duin.</al></li></lijst><tussenkop>Subsidieverplichtingen</tussenkop><al>De beheerder dient het beheertype in stand te houden. De wijze waarop hij deze
                    instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder zelf. </al><tussenkop>Voorbeeldgebieden</tussenkop><al>Hulshorsterzand, Loonse en Drunense duinen, Planken Wambuis, Kootwijkerzand en
                    Drouwenerveld.</al><al/><al> N08 Open duinen</al><tussenkop>Algemene beschrijving</tussenkop><al>Open duinen zijn gevarieerde gebieden langs de kust vanaf het strand tot en met
                    de op- en uitgewaaide zanden landinwaarts, die al dan niet begroeid zijn met
                    lage vegetaties en struweel. In een belangrijk deel van deze gebieden zijn
                    sterke processen aan de gang en zijn uitgesproken omstandigheden aanwezig, onder
                    invloed van wind, aanvoer van zand en zout, alsmede voedselarmoede en droogte.
                    Vooral langs het strand ontstaan nieuwe duintjes, die steeds groter kunnen
                    worden of weer verdwijnen. Verstuivende gebieden kunnen aan de wandel gaan en
                    oudere duinen overstuiven. Er kunnen zich ook zee-inbraken voordoen onder
                    invloed van kuststromingen bij een afkalvende of aangroeiende kust. Dit gaat
                    sterker spelen bij een stijging van de zeespiegel stijgt ten opzichte van het
                    land.</al><al>Vochtige duinvalleien ontstaan door afsnoering van een strandvlakte of door
                    uitblazing van windkuilen tot op het grondwaterniveau. In de binnenduinen vindt
                    lang niet overal meer aanvoer van vers, kalkhoudend zand plaats, waardoor de
                    bodem na verloop van tijd uitloogt en verzuurt. Op noordhellingen heerst een
                    veel gematigder microklimaat dan elders, waardoor zich daar aparte
                    levensgemeenschappen ontwikkelen.</al><tussenkop>Ontstaansgeschiedenis</tussenkop><al>Open duinen in Nederland zijn pas vanaf de Middeleeuwen ontstaan door het
                    opwaaien van zeezand, op een systeem van voornamelijk strandwallen die zich al
                    veel eerder hadden gevormd langs de kust. Dat de duinen plaatselijk zo breed en
                    hoog konden worden, hangt mede samen met het feit dat de mens eeuwenlang
                    intensief gebruik heeft gemaakt van het gebied, onder andere voor intensieve
                    begrazing. In de laatste eeuwen heeft zich in plaats van een aangroei- een
                    afslagkust ontwikkeld. Tegenwoordig wordt verdere afslag met man en macht
                    voorkomen en ook de verstuivingen binnen de duingebieden zijn sterk aan banden
                    gelegd. </al><tussenkop>Beheertypen</tussenkop><al>Open duinen vallen op door hun grote ruimtelijke variatie, die vooral samenhangt
                    met het reliëf en de afstand tot de (zoute) zee. Er worden vier beheertypen
                    onderscheiden:</al><lijst><li nr="·"><al>N08.01 Strand en embryonaal duin </al></li><li nr="·"><al>N08.02 Open duin </al></li><li nr="·"><al>N08.03 Vochtige duinvallei </al></li><li nr="·"><al>N08.04 Duinheide </al><al/><al>N08.01 Strand en embryonaal duin</al><al><vet>1.1 Algemene beschrijving</vet></al><al>Strand en embryonaal duin bevat onbegroeide of spaarzaam begroeide
                            stranden, strandplaten en de daarop voorkomende jonge duinen. Ze komen
                            meestal aan de zeezijde van de buitenste duinenrij voor, maar soms bij
                            inbraken van de zee, ook aan de binnenkant van deze duinenrij. Wind en
                            getijde zorgen voor een voortdurend veranderend uiterlijk. Veel
                            embryonale duinen en stranden bestaan slechts kortstondig door toedoen
                            van storm of springvloed. </al><al>De duinen en stranden kunnen zowel droog als nat zijn. Door de dominante
                            invloed van het zoute water en de geselende werking van het stuivende
                            zand, is de begroeiing zeer open en schaars. Waar het zeewater niet komt
                            en de duintjes iets hoger worden komt biestarwegras voor. Dit zeer
                            geharde gras houdt zand vast. De duintjes worden daardoor nog hoger en
                            er ontstaan luwe plekken. Hier kan helm zich vestingen en wordt nog meer
                            zand ingevangen. Op het vloedmerk, door het water afgezette
                            plantenresten, vestigen zich andere karakteristieke soorten zoals
                            zeeraket, loogkruid en zeepostelein. De meer beschut liggende embryonale
                            duinen aan de binnenzijde van de buitenste duinenrij vormen een overgang
                            naar open duin.</al><al>Strand en embryonaal duin staan aan het begin van de duinvorming en
                            leggen daarmee de basis voor de biodiversiteit van de begroeiingsreeksen
                            van de duinen Europees gezien zijn de embryonale duinen en stranden van
                            bijzondere waarde. Strand en embryonaal duin zijn van belang voor
                            broedende en foeragerende kustvogels, zoals dwergstern, eider, kleine
                            mantelmeeuw en de strandplevier. Rust is een belangrijke voorwaarde voor
                            hun aanwezigheid. Ook enkele ongewervelde dieren zijn aangepast aan de
                            omstandigheden van embryonale duinen en stranden. Strand en embryonaal
                            duin komen aan de kust voor, maar vaak ontbreekt goede kwaliteit door de
                            hoge recreatiedruk en de beperkte ruimte voor natuurlijke processen. </al><al><vet>1.2 Afbakening</vet></al><lijst><li nr="·"><al>Het beheertype Strand en embryonaal duin bestaat grotendeels uit
                                    kaal zand en een pioniervegetatie gekenmerkt door biestarwegras
                                    of planten die karakteristiek zijn voor vloedmerk.</al></li><li nr="·"><al>Strand en embryonaal duin wordt door de zee begrensd en is
                                    onderhevig aan getijdenwerking en wind. </al></li></lijst><al><vet>Subsidieverplichtingen</vet></al><al>De beheerder dient het beheertype in stand te houden. De wijze waarop
                            hij deze instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder
                            zelf.</al><al><vet>Voorbeeldgebieden</vet></al><al>De Hors en Onrust (Texel), Vliehors (Vlieland), Kwade Hoek,
                            Schiermonnikoog, Griend, Koegelwiek en de Boschplaat.</al><al/><al>N08.02 Open duin</al><al><vet>1.1 Algemene beschrijving</vet></al><al>Open duin bevat structuurrijke begroeiingen en deels onbegroeide delen
                            van zeeduinen. Processen zoals verstuiving en begrazing zorgen voor
                            variatie. Zout spatwater waait de duinen in en kan het blad van bomen
                            verbranden, maar zorgt ook voor extra bufferstoffen.</al><al>Open duin bestaat uit een afwisseling van lage mos- en korstmosrijke
                            vegetaties, grazige vegetaties met bv. Helm, kruidenrijke
                            duingraslanden, zoomvegetaties, ruigte en laag struweel, zoals
                            bijvoorbeeld duindoornstruweel en braamstruweel. De bossen komen meer in
                            de oudere duinen voor, beschermd voor de wind door duinen en struwelen,
                            maar kunnen bij een afslagkust vlak aan zee komen te liggen. </al><al>Open duin ontstaat bij aanwaskusten op natuurlijke wijze uit Strand en
                            embryonaal duin. Bij afslagkusten slaat de zee bressen in de zeereep.
                            Het kale zand wordt vervolgens door de wind het open duin ingeblazen. De
                            duinen kunnen onder invloed van de wind vele vormen aannemen. Loopduinen
                            zijn hoge duinen die zich geleidelijk verplaatsen, soms over het gehele
                            eiland. </al><al>Door sterke begrazing en graverijen van dieren kunnen de oudere,
                            begroeide duinen opnieuw gaan stuiven. Als de wind hierop goed grip
                            krijgt kunnen uitstuivingskuilen of zelfs duinvalleien ontstaan. Het
                            zand van de kalkrijke duinen van het vasteland is wat bruiner, kleiner
                            en ronder. Het verstuift wat minder snel dan de witte zanden van de
                            Waddeneilanden. </al><al>Hoewel Open duin in Nederland vrij veel voorkomt, is het internationaal
                            gezien zeldzaam. Nederland kent daarom een bijzondere
                            verantwoordelijkheid. Open duin is van belang voor veel planten
                            (duindoorn, zeewolfsmelk, blauwe zeedistel, helm duinroosje, kleverige
                            reigersbek, ruw vergeet-mij-nietje, duinviooltje, mossen, korstmossen en
                            paddenstoelen en ook voor diverse diersoorten zoals roodborsttapuit,
                            velduil, tapuit, duinparelmoervlinder, blauwvleugsprinkhaan, en
                            zandhagedis.</al><al>Open duin vormt vaak een overgang naar bijvoorbeeld Strand en embryonaal
                            duin en Duinbos. Samen met andere typen van het Kust- en duingebied
                            vormt het een landschappelijk en ecologisch eenheid. Windwerking en
                            begrazing zorgen op een natuurlijke manier voor variatie in de
                            begroeiingen. Door luchtvervuiling, de afname in konijnenstand en
                            verminderde verstuiving zijn veel open duinen de afgelopen decennia
                            verruigd.</al><al><vet>1.2 Afbakening</vet></al><lijst><li nr="·"><al>Het beheertype Open duin omvat een afwisseling van stuivend
                                    zand, duingrasland, helmduinen en laag struweel, zoals
                                    duindoornstruweel. Kleinere delen kunnen bestaan uit vochtige
                                    duinvallei, overgangen naar schor of kwelder etc.</al></li><li nr="·"><al>Hoge struwelen, zoals meidoornstruweel, worden tot het
                                    beheertype Duinbos gerekend. </al></li><li nr="·"><al>Open duin omvat in het duin- en kustgebied de zeereep en de
                                    binnenduinen.</al></li><li nr="·"><al>Het beheertype komt voor in het duinlandschap.</al></li></lijst><al><vet>Subsidieverplichtingen</vet></al><al>De beheerder dient het beheertype in stand te houden. De wijze waarop
                            hij deze instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder zelf.. </al><al><vet>Voorbeeldgebieden</vet></al><al>Schiermonnikoog, Ameland, Terschelling Vlieland, Texel, Zwanenwater,
                            Kennemerland, Coepelduynen, Meijendel, Berkheide, Voornes Duin, Duinen
                            van Goeree en Kop van Schouwen.</al><al/><al>N08.03 Vochtige duinvallei</al><al><vet>1.1 Algemene beschrijving</vet></al><al>In vochtige duinvallei komt zowel open water, lage pionierbegroeiingen,
                            grote of kleine zeggenvegetaties als kruipwilgstruweel voor. Het gaat om
                            valleien van de jonge duinen langs de kust. Deze valleien staan vaak
                            onder invloed van zoet grondwater.</al><al>Duinvalleien kunnen op meerdere manieren ontstaan, ze ontstaan
                            bijvoorbeeld bij aangroeikusten waar zandbanken aanhelen. De
                            overstroming met zeewater wordt op groene stranden en slufters
                            geleidelijk steeds minder. De aangroeiende embryonale en witte duinen
                            sluiten uiteindelijk de vallei af van de zee. Door uitstuiving van de
                            oudere duinen achter de zeereep, kan ook een laagte ontstaan, die nat
                            wordt wanneer duinen uitstuiven tot op het niveau van het grondwater.
                            Door zeeinbraken, of door natuurlijke verdroging van het duinmassief bij
                            een afslagkust, kan de ontwikkeling van een natte duinvallei afgebroken
                            worden.</al><al>Vochtige duinvallei is vaak rijk aan overgangen; van open water tot
                            droge duinranden, waardoor veel variatie in begroeiing kan ontstaan. De
                            lage en open vegetaties van biezen, russen en mossen, kunnen lang
                            voorkomen dankzij de zandige, vochtige tot zeer natte, vaak kalkrijke
                            bodems en door de invloed van voedselarm grond- en oppervlaktewater. De
                            begroeiingen zijn zeer soortenrijk, enerzijds door de vele pioniers als
                            dwergrus, stijve moerasweegbree, teer guichelheil, dwergbloem,
                            bitterling, knopbies en parnassia maar ook de soorten van open water
                            (kranswieren, weegbreefonteinkruid) en door soorten van iets meer
                            gesloten begroeiingen zoals veldgentiaan, gelobde maanvaren,
                            vleeskleurige orchis, groenknolorchis, honingorchis en
                            moeraswespenorchis. In de wat oudere kalkarme duinvalleien komen meer
                            vegetaties van vochtige heiden voor, ze gaan dan over naar duinheide of
                            duinbos en verliest daarmee een groot deel van de pioniersoorten..
                            Ontkalking en humusvorming zijn belangrijke processen die zorgen voor
                            veranderingen in de vegetatie.</al><al>Behalve voor planten is vochtige duinvallei van belang voor
                            paddenstoelen, vogels, dagvlinders, amfibieën en zoogdieren. Zowel de
                            nationaal als internationaal betekenis is groot; Nederland kent wegens
                            het beperkte voorkomen van duinvalleien in Europa en door de hoge
                            biodiversiteit een grote (inter)nationale verantwoordelijkheid.
                            Verjonging van de duinen door erosie en sedimentatieprocessen is van
                            groot belang voor het behoud van de pionierstadia. Ontginning voor
                            grasland of akker; bebossing en verdroging door waterwinning hebben in
                            het verleden tot het verdwijnen van veel duinvalleien geleid.</al><al><vet>1.2 Afbakening</vet></al><lijst><li nr="·"><al>Vochtige duinvallei bestaat uit in het duin- en kustgebied
                                    gelegen vochtige tot natte laagten, al dan niet met open,
                                    voedselarm water, of vochtige delen van drooggevallen
                                    zandplaten, </al></li><li nr="·"><al>Vochtige duinvallei wordt niet of incidenteel door zeewater
                                    geïnundeerd, en is gekenmerkt door een lage vegetatie.</al></li><li nr="·"><al>Tot 20% van het beheertype kan bestaan uit struweel. </al></li><li nr="·"><al>Tot 30% van het beheertype kan bestaan uit dwergstruiken</al></li></lijst><al><vet>Subsidieverplichtingen</vet></al><al>De beheerder dient het beheertype in stand te houden. De wijze waarop
                            hij deze instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder zelf. </al><al><vet>Voorbeeldgebieden</vet></al><al>Oosterkwelder en Westduinen (Schiermonnikoog), Noordvaarder en
                            Boschplaat (Terschelling), Kroonspolder (Vlieland), Zuid Kennemerland,
                            Mokslootvallei en Voornes duin.. </al><al/><al>N08.04 Duinheide</al><al><vet>1.1 Algemene beschrijving</vet></al><al>Duinheide omvat de droge tot natte heiden in de zeeduinen. Duinheide
                            komt tot ontwikkeling op ontkalkte bodems met een humuslaag. Dominante
                            soorten in duinheide zijn struikhei, kraaihei en gewone dophei, naast
                            deze soorten kan ook kruipwilg voorkomen. De variatie in duinheide is
                            groot, de heide komt voorop schaduwrijke noordzijden van duinen, met
                            dichte mostapijten en eikvaren; op zeer zonnige zandige plekken, met
                            pioniers en korstmossen en in oude vochtige duinvalleien. In
                            vergelijking met binnenlandse heide is er wat meer buffering. </al><al>Duinheide kwam enkele honderden jaren geleden niet of nauwelijks voor in
                            de Nederlandse duinen door de overheersende zandverstuivingen. Het
                            vastleggen van duinen leidt tot een humusvorming in de bodem waardoor de
                            toplaag zuurder wordt. Vochtige vormen van duinheide kunnen na verloop
                            van tijd ontstaan uit oudere en zure vormen van vochtige duinvalleien.
                            Droge vormen ontstaan uit duingrasland; op ontkalkte zandige stukken in
                            oude duinen, vaak met zandzegge; of door geleidelijke overstuiving van
                            natte heiden. Oude, onbegraasde duinheide, vaak met kraaihei en
                            kruipwilg, vormt een dikke laag ruwe humus waarop geleidelijk ruigten
                            met duinriet en wilgenroosje kunnen ontstaan. De successie naar ruigte
                            en uiteindelijk bos verloopt zeer traag omdat soorten als berk hierin
                            slecht kiemen.</al><al>Duinheide komt met enkele duizenden hectaren voor in Nederland, ten
                            noorden van Bergen is het in alle duingebieden te vinden. Europees
                            gezien is de waarde van duinheide vrij groot. </al><al>Duinheide is van belang voor vaatplanten als drienervige zegge en rond
                            wintergroen, mossen, korstmossen, maar ook voor broedvogels, dagvlinders
                            en reptielen. Overgangen en variatie in reliëfrijk terreinen kunnen voor
                            een hoge kwaliteit zorgen. Door begrazing kan duinheide open en
                            soortenrijk blijven. Duinheide kan daarnaast waardevolle overgangen
                            vormen naar andere beheertypen als vochtige duinvallei en open
                            duin.</al><al><vet>1.2 Afbakening</vet></al><lijst><li nr="·"><al>Het beheertype duinheide omvat voor tenminste 30% vegetaties
                                    gedomineerd door dwergstruiken: Gewone dophei, Kraaiheide,
                                    Struikheide soms met Eikvaren of Grote veenbes. </al></li><li nr="·"><al>De overige delen kunnen bestaan uit open zand of zijn begroeid
                                    met korstmosvegetaties, grazige vegetaties, kruipwilgstruweel of
                                    veenmosvegetaties.</al></li><li nr="·"><al>Het beheertype komt voor in het Duinlandschap.</al></li></lijst><al><vet>Subsidieverplichtingen</vet></al><al>De beheerder dient het beheertype in stand te houden. De wijze waarop
                            hij deze instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder zelf. </al><al><vet>Voorbeeldgebieden</vet></al><al>Duinen van Ameland, Terschelling, Vlieland, Den Helder, Callantsoog,
                            Zwanenwater, Schoorl en Solleveld.</al><al/></li></lijst><al> N09 Schorren of kwelders</al><tussenkop>Algemene beschrijving</tussenkop><al>Kwelders (of schorren, zoals ze in zuidwest-Nederland worden genoemd) zijn
                    pioniervegetaties en buitendijkse graslanden die regelmatig door zeewater worden
                    overspoeld. De lagere delen worden bij vrijwel elk hoogwater, dus tweemaal per
                    dag, overstroomd, de hoogste delen vaak alleen bij springtij of tijdens stormen. </al><al>Onder natuurlijke omstandigheden groeien de kwelders op de ene plek aan door
                    opslibbing, terwijl er elders weer stukken verloren gaan door erosie. Kwelders
                    vertonen een fraai patroon van steeds fijner vertakkende kreken of prielen die
                    worden geflankeerd door hoge oeverwallen met daarachter gelegen kommen.</al><al>Er is een duidelijke zonering in de vegetatie. Aan de waterzijde is eerst een
                    zone met lage pioniervegetaties aanwezig, waar vaak grote groepen vogels
                    fourageren. Vanaf ongeveer de gemiddelde hoogwaterlijn komt een gesloten
                    vegetatie tot ontwikkeling, die kan verschillen onder invloed van begrazing.
                    Verderop, op de middelhoge en hoge kwelder, domineren hoge grassen en kruiden en
                    vinden bepaalde vogelsoorten een broedbiotoop.</al><al>Naast sterke overeenkomsten zijn er ook duidelijke verschillen tussen de
                    kwelders in het noorden en de schorren in het zuiden. Dit heeft te maken met de
                    nabijheid van riviermonden in het deltagebied en de grotere getijverschillen
                    aldaar. Daardoor hebben de schorren een brak karakter en zijn de
                    hoogteverschillen er aanzienlijk groter dan bij de kwelders.</al><tussenkop>Ontstaansgeschiedenis</tussenkop><al>Kwelders ontstaan in beschutte kustgebieden onder invloed van het getij. Tijdens
                    vloed wordt zand en slib aangevoerd dat bezinkt op plaatsen naarmate de stroming
                    zwakker wordt. Dichtbij de kreken wordt hoofdzakelijk zand afgezet, terwijl
                    kleideeltjes pas in rustig water bezinken. Als zich eenmaal planten hebben
                    gevestigd, versnelt de sedimentatie, maar net zo goed kan door erosie weer open
                    water ontstaan. </al><al>Eertijds kwamen kwelders en schorren langs grote delen van de kust in noord- en
                    zuidwest Nederland voor, inclusief de Zuiderzee. Vooral door inpolderingen en
                    het afsluiten van zeegaten zijn grote delen daarvan ontgonnen. Hier staat
                    tegenover dat langs de Gronings-Friese kust nieuwe kwelders zijn ontstaan via
                    landaanwinningswerken. </al><al>Door het stimuleren van opslibbing zijn daar halfnatuurlijke kwelders gevormd,
                    die veel hoger liggen dan de natuurlijke kwelders en die zeer slibrijk zijn. </al><tussenkop>Beheertypen</tussenkop><al>Dit natuurtype omvat één beheertype:</al><al>·N09.01 Schor of kwelder </al><al/><al>·N09.01 Schor of kwelder</al><al>·<vet>1.1 Algemene beschrijving</vet></al><al>·Schor en kwelder zijn verschillenden benamingen voor hetzelfde ecosysteem.
                    Kwelder is het woord dat in Noord-Nederland gebruikt wordt en schor in Zuidwest
                    Nederland. Het gaat om laaggelegen zandige of slikkige gronden onder invloed van
                    getijde met pioniergemeenschappen, ruigten en graslanden van zoutminnende en
                    zouttolerante vegetaties. De laagste delen worden dagelijks overstroomd door
                    zeewater, de hoogste delen slechts af en toe. Bodemdeeltjes die bij iedere
                    overstroming met hoogwater achterblijven vormen schor of kwelder. </al><al>·Schor of kwelder toont een duidelijke zonering die bepaald wordt door de mate
                    van overstroming. Pioniervegetaties met zeekraal komen voor op de dagelijks
                    overstroomde lage kwelders. De middelhoge kwelder wordt nog wel regelmatig
                    overstroomd, hier heersen kweldergrassen, lamsoor en zeeweegbree. De hoge
                    kwelders zijn begroeid met dichte matten van grassen en russen. Door lage
                    duintjes; kommen met slik; kreken en kleine getijdengeultjes, is het landschap
                    zeer gevarieerd. Op de oeverwallen staat zeealsem, ruigten komen voor op linten
                    van aangespoelde planten. Slijkgrassen en ruigtekruiden komen vooral voor op
                    kwelders en slikken die eroderen, waardoor kleine kliffen ontstaan en de bodem
                    wat droger wordt. Er zijn grote regionale verschillen. In het Noorden vormen
                    kwelders de geleidelijke overgang van land naar de waddenzee. Hier gaat het om
                    grote vrij vlakke gebieden. De kwelders van de eilanden zijn op een vrij
                    natuurlijke manier ontstaan, langs de Gronings-Friese kust zijn ze door
                    landaanwinningswerken kunstmatig opgehoogd.</al><al>·In het zuiden spelen de estuaria van de rivieren een belangrijke rol. Het
                    getijdenverschil in de estuaria heel groot en kan 8 á 9 meter bedragen. De
                    rivieren voeren slib aan en het water van de schorren in de estuaria kan brak
                    zijn. Schorren hebben meer hoogte verschil dan kwelders, de hoge delen van het
                    schor zijn zandig, de lage delen bevatte juist heel veel slib. Begrazing en
                    overstroming met sedimentatie van zand en slib zorgen er voor dat deze
                    natuurlijke graslanden niet door ruigten overgenomen worden. Schor of kwelder
                    zijn als overwinteringgebied van groot belang voor ganzen en als broedgebied
                    voor bergeend, grote stern, dwergstern, visdief en lepelaar. Het zijn vrijwel de
                    enige gebieden op het land waar nog relatief ongehinderd geologische processen
                    plaatsvinden, ze zijn daarom aardkundig van grote betekenis. Kwelders en
                    schorren komen veel voor langs de Europese kusten, maar meestal in kleine
                    oppervlakten. De aanzienlijke oppervlakte van het type in Nederland in
                    combinatie met de centrale ligging in Europa maakt onze kwelders en schorren van
                    internationaal belang. Door landaanwinning, ontginning en door het afsluiten van
                    zeegaten is het areaal afgenomen. Herstel van natuurlijke erosie en sedimentatie
                    is van belang, aangezien oudere, soortenarme stadia toenemen.</al><al>·<vet>1.2 Afbakening</vet></al><lijst><li nr="·"><al>Het beheertype Schor of kwelder is buitendijks gelegen en begroeid met
                            zoutminnende en zouttolerante vegetaties die, dagelijks of af en toe,
                            overstroomd worden door zeewater. </al></li><li nr="·"><al>De inliggende krekenstelsels worden tot Schor of kwelder gerekend.</al></li><li nr="·"><al>Tot 10% van het beheertype kan bestaan uit onbegroeide platen.</al></li><li nr="·"><al>De overstromingfrequentie is meer dan enkele keren per jaar, zie ook
                            ziltgrasland en overstromingsweiland. •</al></li><li nr="·"><al>Regelmatig met zout water overstroomde vegetaties van biestarwegras op
                            uitgesproken zandige bodem worden tot het beheertype Strand en
                            embryonaal duin gerekend </al></li></lijst><al>·<vet>Subsidieverplichtingen</vet></al><al>·De beheerder dient het beheertype in stand te houden. De wijze waarop hij deze
                    instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder zelf. </al><al>·<vet>Voorbeeldgebieden</vet></al><al>·Boschplaat, Oosterkwelder De Hon, Oosterschelde en Verdronken Land van
                    Saeftinghe.</al><al/><al> N10 Vochtige schraallanden</al><tussenkop>Algemene beschrijving</tussenkop><al>Vochtige schraalgraslanden zijn grazige, laagproductieve begroeiingen op
                    vochtige en natte bodems. In goede vorm zijn ze opmerkelijk soortenrijk, vooral
                    wat de flora betreft. Hun voortbestaan is afhankelijk van jaarlijks maaien en
                    afvoeren van het maaisel. Geringe verschillen in de bodem en het
                    grondwaterregime geven aanleiding voor vele verschillende soortencombinaties. </al><tussenkop>Ontstaansgeschiedenis</tussenkop><al>Vochtige schraalgraslanden hebben bijna altijd een verleden als boerengrasland
                    dat voorzag in de behoefte aan hooi als wintervoer voor het vee. Zo mogelijk
                    vond na de oogst ook enige beweiding plaats. De graslanden waren een essentieel
                    onderdeel van het landbouwkundig systeem dat eeuwen heeft voortgeduurd. De lage
                    ligging in het landschap bracht met zich mee dat de meeste gebieden regelmatig
                    overstroomden met water vanuit beek, rivier of boezem. Daarmee werden
                    bufferstoffen en vaak ook enige voedingsstoffen aangevoerd die de vegetatie en
                    de productie in stand hielden. Voor het laatste werden veel graslanden in de
                    beekdalen en natte heidegebieden zelfs opzettelijk bevloeid. In de hogere delen
                    van Nederland staan vochtige schraalgraslanden bovendien van nature onder
                    invloed van kwel, die ook zorgt voor aanvoer van bufferstoffen. </al><al>Het overgrote deel van de vroegere vochtige schraalgraslanden heeft de
                    intensivering van de landbouw niet overleefd. Zelfs de restanten die zijn
                    aangekocht als reservaat zijn daarna veelal nog aangetast of verdwenen door een
                    scala van oorzaken, zoals waterwinning, ontwatering, verontreiniging van het
                    grond- en oppervlaktewater en onvoldoende beheer.</al><tussenkop>Beheertypen</tussenkop><al>Het natuurtype omvat twee beheertypen, die voornamelijk worden onderscheiden op
                    grond van hun toegankelijkheid voor maaiapparatuur:</al><lijst><li nr="·"><al>N10.01 Nat schraalland </al></li><li nr="·"><al>N10.02 Vochtig hooiland </al><al/></li></lijst><al>N10.01 Nat schraalland</al><tussenkop>1.1 Algemene beschrijving</tussenkop><al>Nat schraalland is, net als Vochtig hooiland, zeer oud boerengrasland. Nat
                    schraalland is echter minder productief en de bodem is heel slap. De graslanden
                    zijn daardoor slecht toegankelijk, ze kunnen ’s winters onder water staan maar
                    zullen ’s zomers oppervlakkig uitdrogen. Door jaarlijks te hooien blijft het
                    voedselarme karakter behouden. De variatie in de graslanden is groot.
                    Blauwgraslanden en kleine zeggenvegetaties worden tot nat schraalland gerekend.
                    Hiermee in mozaiek voorkomende dotterbloemhooilanden en veldrusschraallanden
                    worden ook tot nat schraalland gerekend. </al><al>Nat schaalland kwam in het verleden algemeen voor in de grote veengebieden van
                    Friesland, Holland en Utrecht. Uit oude beschrijvingen blijkt dat het ging om
                    een combinatie van blauwgrasland met zeggenvegetaties. Deze blauw getinte
                    graslanden kwamen voor met door pijpenstrootje, moerasstruisgras of echte witbol
                    gedomineerde graslanden. Daarnaast komt nat schraalland voor in beekdalen en op
                    de veengronden tussen binnenduinrand en oude strandwallen. In Oost Nederland
                    komen bijzondere vormen komen voor in lage slenken van heidevelden die
                    geleidelijk uitlopen in bovenlopen en in droogdalen van de stuwwallen. Ook in de
                    beekdalen van Heuvelland en van Noord Brabant komen, onder invloed van zeer
                    baserijk grondwater, afwijkende en bijzondere vormen voor van nat schraalland.
                    In beekdalen staan nat schraaland vaak onder invloed van toestromend grondwater,
                    in de laagveengebieden gaat het echter om de combinatie van hoge
                    grondwaterstanden, tijdelijke inundaties met gebufferd schoon oppervlaktewater
                    of wat beter gebufferde bodems. Vaak zijn de bodems matig zuur, maar omdat nat
                    schraaland zeer gevoelig is voor verdere verzuring is de aanwezigheid van
                    bufferstoffen, die verdere verzuring voorkomen, van essentieel belang.</al><al>De vegetatie is kruiden- en zeggenrijk en vormt overgangen naar rietland, heide
                    of struweel. In de graslanden zijn vaak kleine verschillen in hoogte, in laagten
                    blijft water langer blijft staan op overgangen naar iets drogere gronden kunnen
                    heischrale graslanden en heiden voorkomen. Juist deze gradiënten maken het type
                    zeer soortenrijk. Nat schraalland kan rijk zijn aan zegge (blonde zegge, blauwe
                    zegge, geelgroene zegge, vlozegge, tweehuizige zegge), en orchideeën (brede
                    orchis, rietorchis, gevlekte orchis, vleeskleurige orchis, moeraswespenorchis).
                    Karakteristieke dagvlinders zijn zilveren maan en pimpernelblauwtje. Een aantal
                    van nat schraalland afhankelijke vlinders is in ons land helaas verdwenen. In
                    overgangen naar kalkmoeras kunnen groenknolorchis, vetblad of parnassia
                    voorkomen. </al><al>Nat schraalland is door de rijkdom aan zeldzame soorten van groot Europees en
                    nationaal belang. Blauwgraslanden zijn beperkt tot een klein gebied aan de
                    Atlantische kust van Europa.</al><al>Nat schraalland komt vaak in oude, maar vaak kleine reservaten voor en zijn
                    daarom zeer gevoelig voor ingrepen in de omgeving. Het nat schaalland van de
                    oude strandwallen en het laagveen is vrijwel verdwenen. In een aantal beekdalen
                    is de situatie iets beter door het toestromen van grondwater. Verdroging,
                    verzuring en vermesting zijn de belangrijke bedreigingen voor nat schraalland.
                    De graslanden worden doorgaans niet bemest.</al><tussenkop>1.2 Afbakening</tussenkop><lijst><li nr="·"><al>Nat schraalland omvat blauwgrasland, kleine zeggen- en kalkmoeras.
                            Dotterbloemhooilanden en veldrusschraallanden in beekdalen en
                            boezemlanden kunnen ook tot dit type gerekend worden als ze in
                            combinatie met de eerste drie vegetatietypen voorkomen. </al></li><li nr="·"><al>Komen dotterbloemhooiland en veldrusschraalland zonder blauwgrasland,
                            kleine zeggen- of kalkmoeras voor, dan in de draagkracht van de bodem
                            wat minder slecht en worden ze tot het beheertype Vochtig hooiland
                            gerekend.</al></li><li nr="·"><al>De graslanden komen voor op voedselarme, matig zure tot basische bodems
                            die gedurende de winter het waterpeil tenminste op of rond het maaiveld
                            hebben (0-20 cm. beneden maaiveld) en ’s zomers slechts oppervlakkig
                            uitdrogen. De bodems zijn vanwege het natte karakter weinig
                            draagkrachtig.</al></li><li nr="·"><al>In Nat schraalland komen tenminste enkele karakteristieke soorten voor:
                            blonde zegge, vlozegge, sterzegge, tweehuizige zegge, knotszegge, blauwe
                            zegge, waterdrieblad, draadrus, melkviooltje, spaanse ruiter, gevlekte
                            orchis, moeraswespenorchis, klokjesgentiaan, welriekende nachtorchis,
                            klein glidkruid, brede en rietorchis, vleeskleurige orchis, blauwe
                            knoop, moerasstreepzaad, addertong, harlekijn, adderwortel, kleine
                            valeriaan, moeraskartelblad, welriekende nachtorchis, parnassia,
                            vetblad.</al></li><li nr="·"><al>Het beheertype wordt jaarlijks gemaaid en het maaisel wordt
                            afgevoerd.</al></li></lijst><tussenkop>Subsidieverplichtingen</tussenkop><al>De beheerder dient het beheertype in stand te houden. De wijze waarop hij deze
                    instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder zelf. </al><tussenkop>Voorbeeldgebieden</tussenkop><al>Wijnjeterperschar, Ûnlan fân Jelsma, de Oude riet, Elperstroom, Drentse Aa
                    Lieverense diep, Weerribben, Wieden, Veerslootslanden, Luttenbergerven, Mosbeek,
                    Punthuizen Stelkampsveld, De Bruuk, het Binnenveld, Meeuwen- en Allemanskamp,
                    Laegieskamp, Abbestede, Limmer die, Ronde venen, Langstraat, Dommeldal,
                    Urkhovense zegge, Merkse en Kathager beemden.</al><al/><al>N10.02 Vochtig hooiland</al><tussenkop>1.1 Algemene beschrijving</tussenkop><al>Vochtig hooiland is ontstaan door de ontginning van moerassen of natte bossen en
                    door langdurig gebruik als hooiland. Vochtig hooiland komt voor op natte veen-
                    en kleibodems met een redelijke draagkracht. Het gaat om bloemrijke graslanden,
                    vaak geel van soorten als ratelaar, gewone roklaver, moerasrolklaver, geel
                    walstro, scherpe boterbloem, kruipende boterbloem of dotterbloem.
                    Vochtighooiland is minder zeggenrijk dan nat schraaland. Ze zijn nu niet meer
                    interessant voor boeren door hun lage productie en eiwit-arm gewas, maar ze
                    behoorden ooit tot de betere graslanden. </al><al>Net als bij natte schraallanden zijn microgradiënten in het vochtgehalte
                    belangrijk. De hooilanden langs de rivieren bijvoorbeeld zijn zeer gradiëntrijk
                    met overgangen naar oeverwallen, rivierduintjes of kommen. In zeekleigebieden
                    wordt het reliëf gevormd door de oorspronkelijke platen en kreken. In vochtig
                    hooiland komen overgangen naar grote zeggenvegetaties en ruigten met
                    moerasspirea voor Lokaal kan opslag plaatsvinden van wilgenstruwelen. Deze
                    elementen zijn van belang voor vlinders of struweelvogels. Open landschappen
                    kunnen van belang zijn voor weidevogels. Belangrijke gebieden met vochtig
                    hooiland zijn te vinden in beekdalen, op hoge in cultuur gebrachte kwelders,
                    langs (kleine) rivieren en in het veenweidegebied.</al><al>Vochtig hooiland langs de rivieren is internationaal belangrijk. Van bijzondere
                    betekenis is wilde kievitsbloem. Een groot deel van de Europese populatie van
                    deze soort komt in Nederland voor in de oeverlanden van Zwarte water en
                    Overijsselse vecht. Vochtige hooilanden zijn nationaal van belang als leefgebied
                    van o.a. kemphaan, watersnip, zomertaling, paapje, donker pimpernelblauwtje,
                    rode vuurvlinder, moerasprinkhaan, zompsprinkhaan, harlekijn, weidekervel,
                    trosdravik, wilde kievitsbloem, brede orchis, fijnstelige, kale, geplooid,
                    slanke en spitslobbige vrouwenmantel, waterkruiskruid, zwartblauwe rapunzel,
                    bosbies en adderwortel. Bovenveengraslanden zijn de laatste voorbeelden van in
                    cultuur gebrachte hoogvenen. </al><al>Vochtige hooilanden zijn door ontginning, ontwatering en bemesting zeldzaam
                    geworden. Deze graslanden wordt jaarlijks gehooid, soms twee maal al dan niet
                    met nabeweiding. De graslanden worden doorgaans niet bemest. Om verzuring tegen
                    te gaan kan, bij uitzondering, ruige stalmest of bekalking toegepast
                    worden.</al><tussenkop>1.2 Afbakening</tussenkop><al>Vochtig hooiland omvat hooilanden (zie eerste alinea), al dan niet met
                    nabeweiding. (Zie ook nat schraalland voor de afgrenzing met dit
                    beheertype)</al><lijst><li nr="·"><al>Vochtig hooiland omvat dotterbloem-, kievitsbloem- of
                            pimpernelhooilanden, weidekervelgraslanden, veldrusschraallanden of de
                            wat schralere bovenveengraslanden. (Zie ook nat schraalland voor de
                            afgrenzing met dit beheertype)</al></li><li nr="·"><al>Vochtig hooiland wordt ofwel vrijwel jaarlijks overstroomd door
                            oppervlaktewater (o.a. langs de rivieren); staat onder invloed van
                            uitredend kwelwater (beekdalen) of is gelegen op een veenbodem met een
                            gemiddeld waterpeil van 20-30 cm. onder maaiveld, waarbij het peil in de
                            zomer alleen gedurende korte tijd dieper kan wegzakken.</al></li><li nr="·"><al>Het beheertype wordt jaarlijks gemaaid en het maaisel wordt afgevoerd.
                        </al></li></lijst><tussenkop>Subsidieverplichtingen</tussenkop><al>De beheerder dient het beheertype in stand te houden. De wijze waarop hij deze
                    instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder zelf. </al><tussenkop>Voorbeeldgebieden</tussenkop><al>Leekstermeer, Lieverense diep, Drentse Aa, Westerwoldse a, Bargerveen,
                    Tsjongerdellen, Rottige meenthe, Meppeler diep, Zwarte water, Overijsselse vecht
                    bij Zwolle, Scherenwelle, Dinkel, Springendal, Regge, Hackfort, Hagenbeek, De
                    Nederlanden, de Bol, Waal en Burg, Ilperveld, Jipserveld, Oostelijke
                    vechtplassen, Bieschbos, Dijkwater, Zoute haard, Dommelbeemden, De Gement en
                    Moerputten.</al><al/><al> N11 Droge schraallanden</al><tussenkop>Algemene beschrijving</tussenkop><al>Droge schraalgraslanden zijn gevarieerde, grazige begroeiingen op droge plekken
                    in het landschap. Ze zijn soortenrijk dankzij het feit dat de grond tamelijk
                    (maar niet extreem) voedselarm is, met een extensief gebruik of beheer door de
                    mens. Dit laatste leidt ertoe dat vaak overgangen aanwezig zijn naar struweel,
                    wat gunstig is voor de fauna. Andere bodemeigenschappen (zoals de zand- en
                    leemfractie en het kalkgehalte) kunnen regionaal sterk variëren, waardoor de
                    soortensamenstelling zeer wisselend is.</al><tussenkop>Ontstaansgeschiedenis</tussenkop><al>Droge schraalgraslanden zijn lang geleden meestal ontstaan uit droge
                    natuurbossen die werden gekapt, verbrand en beweid. Ze ontstonden in de hogere
                    delen van het land op bodems die van nature tamelijk basenrijk zijn.
                    Vermoedelijk is een deel van de droge schraalgraslanden er door uitputting van
                    de bodem en door natuurlijke uitloging geleidelijk ‘doorveranderd' in droge
                    heide. In bijvoorbeeld Zuid-Limburg hebben ze een lange geschiedenis van
                    voornamelijk begrazing. In de lagere delen van het land (rivier- en beekdalen)
                    wordt de vereiste basenrijkdom van de bodem op peil gehouden via periodieke
                    overstroming.</al><tussenkop>Beheertypen</tussenkop><al>Het natuurtype omvat één beheertype:</al><al>·N11.01 Droog schraalland </al><al>De verschijningsvorm kan per regio behoorlijk verschillen.</al><al/><al>N11.01 Droog schraalland</al><tussenkop>1.1 Algemene beschrijving</tussenkop><al>Droog schraalland omvat open, droge, laagproductieve, kruidenrijke, grazige
                    vegetaties op droge lemige zandgronden, rivierduinen en op löss en kalk in het
                    heuvelland,. Het gaat zowel om stroomdalgraslanden (incl. zinkweiden) als
                    heischrale graslanden en kalkgraslanden. Kalkgraslanden en zinkweiden zijn tot
                    Zuid-Limburg beperkt. </al><al>Naast soortenrijke korte vegetaties zijn ook overgangen met zoomvegetaties en
                    struwelen (met o.a. sleedoorn, rozen of jeneverbes) van belang voor de hier vaak
                    aanwezige hoge soortenrijkdom. Dit geldt ook voor dagzomend krijtgesteente in
                    kalkgraslanden, als bijzonder droog micromileu met o.a. bijbehorende vetplanten.
                    Ze zijn van belang voor verschillende soortgroepen: vaatplanten, paddestoelen,
                    mossen, vlinders, sprinkhanen en andere insecten.</al><al>Droog schraalland is afhankelijk van voldoende basenrijkdom. Meestal levert de
                    bodem deze basen, maar of via water (bv. korte overstroming) of door
                    sedimentatie van vers zand, kunnen ook bufferstoffen van elders aangevoerd
                    worden. Ook mieren of mollen kunnen een rol spelen door niet uitgeloogd zand
                    naar de oppervlakte te brengen. Droog schraalland is op zeer arme zandgronden
                    vaak aanwezig langs paden of vormt een overgang vaak tussen heide en vochtig
                    hooiland. Op lemige zandbodems en op rivierduinen kan droog schraalland op
                    grotere oppervlakten voorkomen. In Zuid-Limburg gaat het om hellinggraslanden,
                    waarin zowel heischrale graslanden als kalkgraslanden voorkomen. Er zijn vaak
                    gradiënten aanwezig in basenrijkdom of vocht, die voor overgangen naar andere
                    graslanden of heiden zorgen.</al><al>Droge Schraalanden zijn zeldzaam in het West-Europese laagland en zijn op
                    Europees niveau van grote waarde, vooral de heischrale vegetaties en
                    stroomdalgraslanden langs de grote rivieren. Zinkweiden zijn uiterst zeldzaam en
                    beperkt zich in Nederland tot een enkele locatie in het geuldal. Ook nationaal
                    is droog schraalland van belang ondermeer als leefgebied van: tijmblauwtje,
                    aardbeivlinder, bruin dikkopje, bruin blauwtje, bruine vuurvlinder,
                    klaverblauwtje, sleedoornpage, kalkgraslanddikkopje, veldparelmoervlinder,
                    koninginnepage, veldkrekel, zoemertje, rapunzelklokje, harige ratelaar, gulden
                    sleutelbloem, gestreepte klaver, gewone en liggende vleugeltjesbloem, geel
                    zonneroosje, valkruid, heidezegge, rozenkransje, gelobde maanvaren, zilverhaver,
                    kleine pimpernel, betonie, berggamander, bevertjes, breed fakkelgras, duitse
                    gentiaan, voorjaarsganzerik, voorjaarszegge, veldgentiaan, wondklaver, wilde
                    tijm, welriekende agrimonie, zacht vetkruid, tripmadam, breukkruid, zwolse
                    anjer, stijf hardgras, zinkboerenkers, zinkviooltje en vele orchideeën. </al><al>Door ontginning, verzuring en bemesting is droog schraalland in Nederland
                    vrijwel verdwenen en het voorkomen van de vele karakteristieke soorten is
                    ernstig bedreigd. De belangrijkste bedreiging voor de restanten van droog
                    schraalland is vermesting in de vorm van stikstofdepositie waardoor de soorten
                    van het schraalland worden verdrongen door algemene grassen. Droge schraallanden
                    kennen meestal een lange geschiedenis van begrazing. De graslanden worden
                    doorgaans niet bemest.</al><tussenkop>1.2 Afbakening</tussenkop><lijst><li nr="·"><al>Droog schraalland omvat droge graslanden met lage open vegetatie die
                            gedomineerd worden door kenmerkende soorten en vegetaties van heischraal
                            grasland, kalkgrasland, droog stroomdalgrasland of zinkweide.
                            Soortenarme droge graslanden, zonder deze kenmerkende soorten en
                            vegetaties, worden gerekend tot het beheertype kruiden- en faunarijk
                            grasland.</al></li><li nr="·"><al>Droge schrale graslanden in het duingebied behoren bij het beheertype
                            Open duin.</al></li></lijst><tussenkop>Subsidieverplichtingen</tussenkop><al>De beheerder dient het beheertype in stand te houden. De wijze waarop hij deze
                    instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder zelf. </al><al><vet>Voorbeeldgebieden:</vet> Eexterveld, Havelterberg, Veluwe, Vreugderijker
                    waard, Cortenoever, Junner en Arjener Koeland, Kunderberg, Gerendal, Gulpdal,
                    St. Pietersberg en Bemelerberg. </al><al/><al> N12 Rijke graslanden en akkers</al><tussenkop>Algemene beschrijving</tussenkop><al>Voedselrijke graslanden en akkers zijn soortenrijke lage begroeiingen op
                    relatief voedselrijke gronden. Op kleigronden gaat het ongeveer om
                    nutriëntenniveaus die van nature aanwezig zijn; op zandgronden kon het
                    natuurtype pas ontstaan door lichte vormen van bemesting. </al><al>Voedselrijke graslanden en akkers waren vroeger onderdeel van het agrarisch
                    bedrijf. Voor de soortenrijkdom is ook nu van belang dat het gebruik/beheer
                    extensief is. De grote soortenrijkdom betreft zowel plantensoorten (vooral
                    kruiden) als verschillende diergroepen. De soorten zelf behoeven niet altijd
                    zeldzaam of typerend te zijn.</al><tussenkop>Ontstaansgeschiedenis</tussenkop><al>In de meeste gevallen zijn voedselrijke graslanden een relict van de voormalige
                    landbouwpraktijk. Indien het beheer jarenlang zou wegvallen, kan een
                    ontwikkeling optreden naar struweel en bos, behalve in zilt grasland waar geen
                    bosopslag mogelijk is. Het beheertype bloemdijken is een voorbeeld van een min
                    of meer ‘aangelegd biotoop'.</al><al>Welk beheertype op een bepaalde plaats realiseerbaar is, hangt af van de
                    abiotische omstandigheden. Daarnaast is het beheer mede bepalend voor het
                    beheertype dat zich kan ontwikkelen.</al><tussenkop>Beheertypen </tussenkop><al>Dit natuurtype omvat de volgende beheertypen:</al><lijst><li nr="·"><al>N12.01 Bloemdijk </al></li><li nr="·"><al>N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland </al></li><li nr="·"><al>N12.03 Glanshaverhooiland </al></li><li nr="·"><al>N12.04 Zilt- en overstromingsgrasland </al></li><li nr="·"><al>N12.05 Kruiden- en faunarijke akker </al></li><li nr="·"><al>N12.06 Ruigteveld </al><al/><al>N12.01 Bloemdijk</al><al><vet>1.1 Algemene beschrijving</vet></al><al>Bloemdijken komen vooral in Zeeland voor, soms in Groningen en Friesland
                            en in het rivierengebied. Het gaat meestal om oude dijken (slaperdijken)
                            die bestaan uit kalkhoudende, zandige klei. Ze hebben hun waterkerende
                            functie vaak verloren (niet altijd) en worden extensief begraasd of
                            gehooid. Bloemdijken kunnen belangrijke cultuurhistorische monumenten
                            zijn en zijn van belang voor graslanden en struwelen. De variatie en
                            afwisseling kan groot zijn door verschillen in microklimaat, afgetrapte
                            randen langs schapenpaadjes en vochtige stukken aan de voet van de dijk. </al><al>Europees gezien zijn de Nederlandse bloemdijken uniek te noemen en van
                            belang door het hierop voorkomende glanshaverhooiland.. Bloemdijken zijn
                            van belang voor planten, zoals klaversoorten, wilde uien en soorten van
                            kalkrijke zomen en ruigten, dagvlinders en zoogdieren. De vegetaties
                            behoren tot glanshaverhooiland, droge graslanden, en ruigten van het
                            marjoleinverbond. Er vindt extensieve beweiding plaats, of er wordt 1 of
                            2 keer per jaar gehooid. Het aantal bloemdijken van goede kwaliteit is,
                            onder meer door dijkverzwaringen en intensiever beheer, sterk afgenomen
                            en nu vrij klein. Door verschraling en begrazing met een kudde kan de
                            rijkdom vergroot worden, de kudde zorgt ook voor transport van zaden en
                            daarmee voor genetische uitwisseling. De graslanden worden doorgaans
                            niet bemest.</al><al><vet>1.2 Afbakening</vet></al><lijst><li nr="·"><al>Het beheertype Bloemdijk komt uitsluitend voor op dijken en
                                    omvat zeer kruidenrijke, min of meer schrale, graslanden.</al></li><li nr="·"><al>Tot 20% van het beheertype kan bestaan uit struweel. </al></li></lijst><al><vet>Subsidieverplichtingen</vet></al><al>De beheerder dient het beheertype in stand te houden. De wijze waarop
                            hij deze instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder zelf. </al><al><vet>Voorbeeldgebieden:</vet></al><al>Zuid-Beveland, Zeeuws-Vlaanderen, Slachtedyk, voormalige zuiderzeedijk,
                            en Gelderse Poort en IJssel.</al><al/><al>N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland</al><al><vet>1.1 Algemene beschrijving</vet></al><al>Kruiden- en faunarijk grasland omvat graslanden die kruidenrijk zijn,
                            maar niet tot de schraallanden, vochtig hooiland, zilt grasland en
                            overstromingsgrasland of glanshaverhooiland behoren. De vegetatie kan
                            behoren tot allerlei verbonden van graslandvegetaties; ondermeer
                            kamgrasvegetaties of de meer algemene witbolgraslanden. Diverse soorten
                            ruigte en struweel kunnen in dit grasland voorkomen. Het grasland wordt
                            meestal extensief beweid of gehooid en niet of slechts licht bemest. </al><al>Het beheertype Kruiden- en faunarijk grasland kan voorkomen op diverse
                            bodems van vochtig tot droog en heeft doorgaans een (matig) voedselrijk
                            karakter. Kruiden- en faunarijk grasland komt in vrijwel alle
                            landschapstypen voor. Toch is het areaal de laatste veertig jaar enorm
                            afgenomen door de gangbare landbouwpraktijk: sterke bemesting
                            gecombineerd met periodiek doodspuiten van de grasmat en opnieuw
                            inzaaien met hoog productieve grasvariëteiten. De meeste overgebleven
                            kruidenrijke graslanden liggen in overhoekjes van het agrarische gebied
                            of komen voor in natuurgebieden. Daar kan kruidenrijk grasland een
                            tijdelijk fase zijn als de benodigde abiotische omstandigheden voor
                            schraallanden niet of nog niet gerealiseerd kunnen worden. </al><al>Kruiden- en faunarijk grasland wordt bij een goede kwaliteit gekenmerkt
                            door variatie in structuur (ruigte en plaatselijk struweel, hogere en
                            lage vegetatie) en een kruidenrijke graslandbegroeiing die rijk is aan
                            kleine fauna. Gradiënten binnen (grond)waterpeil en voedselrijkdom
                            zorgen voor diverse vegetatietypen.</al><al>Kenmerkende of bijzondere soorten van schralere beheertypen ontbreken
                            grotendeels binnen Kruiden- en faunarijk grasland, maar graslanden zijn
                            vaak wel rijk aan minder zeldzame soorten. Het type is o.a. van belang
                            voor vlinders en andere insecten, vogels en kleine zoogdieren De
                            graslanden worden doorgaans niet bemest. Om verzuring tegen te gaan kan,
                            bij uitzondering, ruige stalmest of bekalking toegepast worden.</al><al><vet>1.2 Afbakening</vet></al><lijst><li nr="·"><al>Het betreft grasland, de grasachtigen (monocotylen) zijn
                                    dominant, maar kruiden (dicotylen) en mossen hebben een
                                    oppervlakteaandeel van tenminste 20%</al></li><li nr="·"><al>De graslanden zijn niet tot andere beheertypen te rekenen (zie
                                    afbakening andere graslanden).</al></li><li nr="·"><al>Vrijwel jaarlijks in winter en voorjaar langdurig overstroomde
                                    weilanden worden niet tot dit beheertype maar tot Zilt- en
                                    overstromingsgrasland gerekend</al></li></lijst><al><vet>Subsidieverplichtingen</vet></al><al>De beheerder dient het beheertype in stand te houden. De wijze waarop
                            hij deze instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder zelf. </al><al><vet>Voorbeeldgebieden</vet></al><al>Malpiebeemden, Bommelerwaard-west, Ryptsjersterpolder.</al><al/><al>N12.03 Glanshaverhooiland</al><al><vet>1.1 Algemene beschrijving</vet></al><al>Glanshaverhooiland bevat hooilanden met (zeer) bloemrijke vegetaties van
                            het glanshaververbond. Het komt voor op van matig vochtige tot periodiek
                            overstroomde uiterwaarden, op zeekleigronden en en op löss of
                            krijtafzettingen. Dominantie van glanshaver komt vaak voor, maar soms
                            zijn andere hoge grassen, bijvoorbeeld, goudhaver, zachte haver of grote
                            vossestaart dominant. Grote vossestaart graslanden, vaak met echte
                            koekoeksbloem of veldgerst, vormen overgangen naar vochtig hooiland en
                            komen ondermeer voor in afgestuwde riviertrajecten. Graslanden van een
                            goede kwaliteit kennen een grote kruidenrijkdom. Ten opzichte van andere
                            graslanden zijn opvallend veel schermbloemigen te vinden. Ook de
                            inwendige structuur van deze graslanden is rijk, de hoge grassen vormen
                            een open scherm de kruiden komen minder hoog en vormen soms zelfs twee
                            onderlagen. De graslanden kunnen structuurrijk zijn met overgangen naar
                            zoomvegetaties (o.a. Marjoleinverbond) of ruigten. </al><al>Glanshaverhooiland komt vaak voor in gradiëntrijke gebieden. In
                            reliëfrijke uiterwaarden staat op de hogere delen droog schraalland en
                            komen in de lagere delen vochtig hooiland of overstromingsgrasland voor.
                            In het verleden was het areaal Glanshaverhooiland groter dan
                            tegenwoordig. Door intensiever agrarisch gebruik is veel verloren
                            gegaan. Goede vormen van het beheertype zijn in Nederland zeldzaam
                            geworden. </al><al>Glanshaverhooland is op Europees niveau van waarde. Het is van nationaal
                            belang voor diverse soorten zoals: beemdkroon, beemdooievaarsbek,
                            bochtige klaver, brede ereprijs, graslathyrus, grote centaurie,
                            veldsalie, kluwenklokje, paarse, oosterse en gele morgenster,
                            weidegeelster, ruige leeuwetand, grote en kleine bevernel, ruige
                            weegbree, ruige leeuwetand, rapunzelklokje, klavervreter, geelgors,
                            putter, grauwe gors, kneu, paapje, patrijs, en dwergmuis en
                            veldspitsmuis. Glanshaverhooiland is van zeer groot belang als
                            leefgebied voor kwartelkoning. De graslanden worden doorgaans niet
                            bemest. Om verzuring tegen te gaan kan, bij uitzondering, ruige stalmest
                            of bekalking toegepast worden.</al><al><vet>1.2 Afbakening</vet></al><lijst><li nr="·"><al>Het beheertype Glanshaverhooiland omvat doorgaans hoogopgaande
                                    grassen en kruiden gedomineerde graslanden, en bevat de volgende
                                    soorten van de glanshaver-associatie: hoge abundantie van
                                    glanshaver, eventueel met andere grassen zoals goudhaver,
                                    kropaar, timoteegras, grote vossenstaart, zachte haver én
                                    tenminste twee andere kenmerkende soorten: margriet, gele
                                    morgenster, knolboterbloem, knoopkruid, karwijvarkenskervel,
                                    wilde peen, hopklaver, gewone rolklaver, geel walstro of
                                    aardaker..</al></li><li nr="·"><al>Glanshaverhooiland op dijken worden tot het beheertype bloemdijk
                                    gerekend.</al></li><li nr="·"><al>Natte hooilanden: kievitsbloem-, weidekervel- of grote
                                    pimpernelhooiland worden tot vochtig hooiland gerekend.</al></li><li nr="·"><al>Het beheertype wordt jaarlijks gemaaid en het maaisel afgevoerd.
                                </al></li></lijst><al><vet>Subsidieverplichtingen</vet></al><al>De beheerder dient het beheertype in stand te houden. De wijze waarop
                            hij deze instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder zelf.. </al><al><vet>Voorbeeldgebieden</vet></al><al>Velperwaarden, Rammelwaard, Cortenoever, Amerongse Bovenpolder,
                            uiterwaarden langs de Lek bij Ameide, uiterwaarden langs de Waal bij
                            Zaltbommel en bij Druten, oevers van het Beatrixkanaal nabij Eindhoven
                            en Putberg.</al><al/><al>N12.04 Zilt- en overstromingsgrasland</al><al><vet>1.1 Algemene beschrijving</vet></al><al>Zilt- en overstromingsgrasland bestaat uit vegetaties met grassen,
                            russen en kruiden op vochtige zand- veen of kleigronden.
                            Overstromingsgrasand kent in de winter en voorjaar vrijwel jaarlijks een
                            periode dat het overstroomd is door water. Zilte graslanden staan
                            (incidenteel) onder invloed van brak of zout water, zonder dat er sprake
                            is van getijde. Zilt grasland komt ook voor op de hoge kwelders langs de
                            Fries-Groningse kust en plaatselijk in het Verdronken land van
                            Saeftinghe waar zomerdijken, werkdammen etc. ervoor zorgen dat de hoog
                            opgeslibde, vrij intensief begraasde schorren (vrijwel) nooit meer door
                            het zeewater worden overspoeld. Ook verder van het kustgebied, in
                            polders, kunnen zilte graslanden voorkomen. Vaak gaat het om oude
                            kreken. Door onderbemaling stroomt zout grondwater naar deze laagten.
                            Zilt- en overstromingsgrasland komt veel voor in Zeeland. Vaak gaat het
                            om laaggelegen stukken grond, inlagen, direct achter een dijk die onder
                            invloed van zout water staan dat onder de dijk door stroomt. Korte
                            grazige vegetaties met ronde rus of kweldergrassen worden afgewisseld
                            met pioniervegetaties met zeekraal of laksteeltje of door ruigten met
                            selderij, engels lepelblad of heemst Het kan ook gaan om terreinen die
                            vergraven zijn; karrevelden of oude veengebieden met sporen van
                            moernering. Moernering of selnering is een middeleeuwse methode om zout
                            te winnen. Veen dat zout bevatte werd kleinschalig gewonnen, gedroogd en
                            gebrand. De as was zout. Door de vele kleine verschillen in reliëf zijn
                            dergelijke graslanden vaak een mozaïek van beide subtypen, op de iets
                            drogere delen afgewisseld met kruidenrijke kamgrasweiden.</al><al>Veengronden met brak grondwater komen ook voor in de veengronden van het
                            groene hart. De veengronden boven het IJ zijn ooit zout geworden onder
                            invloed van de binnendringende Zuiderzee, maar liggen nu in een volledig
                            verzoet gebied. In sloten komt nog wel brak water voor, dit kan gebruikt
                            worden om graslanden te bevloeien. Sommige droogmakerijen zijn zo diep
                            onderbemalen dat ze zout grondwater aantrekken. De overstromingsweiland
                            ligt hier in geïsoleerde laagten en op afgetrapte slootranden.
                            Overstromingsweiland komt ook voor in het rivierengebied, in kommen,
                            oude verlande lopen van de rivier en laagten tussen oeverwallen en
                            rivierduinen.</al><al>Het beheertype is op Europees niveau van belang voor noordse woelmuis en
                            kruipen moerasscherm, Zilt- en overstromingsgrasland is verder van
                            nationaal belang als leefgebied voor haften en bedreigde broedvogels,
                            zoals kluut, tureluur, grutto en visdief en verder voor
                            moeraspaardebloem, Platte bies, Polei, Rode ogentroost, Stekende bies en
                            Voszegge. De graslanden worden doorgaans niet bemest bemest tenzij
                            sprake is van zodanige aantallen broedende weidevogels dat ook
                            rangschikking onder vochtig weidevogelgrasland gerechtvaardigd is.</al><al>.</al><al><vet>1.2 Afbakening</vet></al><lijst><li nr="·"><al>Zilt grasland omvat korte grazige vegetaties op vochtige zand-,
                                    veen of kleigronden die incidenteel onder invloed staan van brak
                                    of zout water, zonder dat er sprake is van getijden. </al></li><li nr="·"><al>Overstromingsweiland omvat korte grazige vegetaties en kan
                                    gezamenlijk met ziltgrasland voorkomen. Het komt ook voor in
                                    kleigebieden, het rivierengebied of in het laagveengebied en
                                    wordt in het voorjaar langdurig overstroomd door
                                    oppervlaktewater of door uittredend kwelwater.</al></li></lijst><al><vet>Subsidieverplichtingen</vet></al><al>De beheerder dient het beheertype in stand te houden. De wijze waarop
                            hij deze instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder zelf. </al><al><vet>Voorbeeldgebieden:</vet></al><al>Yerseke en Kapelse Moer, Prunje polder, inlagen langs Oosterschelde of
                            Westerschelde, Polder Kimswerd, Klaarkampermeer, en de zomerpolders van
                            Noard-Fryslân Bûtendyks.</al><al/><al>N12.05 Kruiden- en faunarijke akker</al><al><vet>1.1 Algemene beschrijving</vet></al><al>Kruiden- en faunarijke akkers, bestaan meestal uit akkers met ijle
                            kruid- of grasachtige vegetaties die zich tussen de verbouwde gewassen
                            bevinden. Het beheertype Kruiden- en faunarijke akker omvat kruidenrijke
                            zomen, akkerranden of complete akkers, waarbinnen het aandeel
                            grasachtigen zeer beperk is. Het hoofdgewas wordt ruim gezaaid of
                            gepoot, waardoor er voldoende open plekken (pioniermilieus)aanwezig
                            zijn, waar zich eenjarigen kunnen vestigen. De openheid van de
                            akkergewassen en de daarbinnen voorkomende eenjarigen biedt ideale
                            mogelijkheden voor insecten, muizen en akkervogels. Door na oogst delen
                            braak te laten liggen biedt het ook in het winterhalfjaar kans aan veel
                            soorten.</al><al>Kruiden- en faunarijke akkers zijn vrijwel overal te realiseren.
                            Floristisch zijn de beste resultaten te verkrijgen op historische
                            akkercomplexen en op krijt, klei en leembodems. Tot ruim in de eerste
                            helft van de vorige eeuw behoorden akkers tot een van de rijkste
                            ecosystemen met een sterk regionale identiteit. Door verandering in
                            gewaskeuze en intensivering van teelten (wat gepaard ging met
                            efficiëntere zaadschoning en intensievere, vaak chemische
                            onkruidbestrijding en een sterkere bemesting) is er van biodiversiteit
                            op akkers in Nederland weinig overgebleven. Veel van akkers afhankelijke
                            soorten staan op de Rode Lijst. Om deze soorten en het
                            cultuurhistorische beeld van deze akkers te behouden worden er in het
                            natuurbeheer daarom speciaal hiervoor akkers beheerd op een scala van
                            verschillende bodemtypen.</al><al>Typerende soorten van Kruiden- en faunarijke akker zijn: patrijs,
                            kwartel, geelgors, ortolaan, grauwe gors, korenbloem, akkerboterbloem,
                            groot spiegelklokje, handjesereprijs, wilde ridderspoor en gele
                            ganzenbloem. Ook zijn akkers en onkruidranden van belang voor de
                            kwartelkoning. Ten zuiden van Roermond komt de hamster voor in
                            akkers.</al><al><vet>1.2 Afbakening</vet></al><lijst><li nr="·"><al>Het beheertype omvat akkers met per 2 ha tenminste 3 van
                                    onderstaande soorten die specifiek zijn voor akkers. </al></li><li nr="·"><al>De volgende broedvogels zijn aan de orde: patrijs, grauwe gors,
                                    grauwe kiekendief, ortolaan, veldleeuwerik, gele kwikstaart,
                                    graspieper.</al></li><li nr="·"><al>De volgende vaatplanten zijn aan de orde: Aardaker,
                                    aardkastanje, akkerandoorn, akkerboterbloem, akkerdoornzaad,
                                    akkergeelster, akkerklokje, akkerleeuwenbek, akkerogentroost,
                                    akkerspurrie, akkerviltkruid, akkerzenegroen, behaarde
                                    boterbloem , blauw guichelheil, blauw walstro, blauwe
                                    leeuwenbek, bleekgele hennepnetel, bolderik, bosdroogbloem,
                                    brede raai, brede wolfsmelk, doffe ereprijs, dolik, doorgroeide
                                    boerenkers, dreps, driehoornig walstro, driekleurig viooltje,
                                    Duits viltkruid, dwerggras, dwergvlas, dwergviltkruid, eironde
                                    leeuwenbek, fijn goudscherm, Franse boekweit, Franse silene,
                                    geel viltkruid, gegroefde veldsla, gele ganzenbloem, geoorde
                                    veldsla, getande veldsla, gewone veldsla, gewone vogelmelk,
                                    gipskruid, glad biggenkruid, groot spiegelklokje, grote
                                    leeuwenklauw, handjesereprijs, harige ratelaar, heelbeen,
                                    hennepvreter, hondspeterselie, kalkraket, klein spiegelklokje,
                                    klein tasjeskruid, kleine leeuwenbek, kleine leeuwenklauw,
                                    kleine wolfsmelk, korenbloem, korenschijnspurrie, korensla,
                                    liggend hertshooi, liggende raket, naakte lathyrus,
                                    naaldenkervel, nachtkoekoeksbloem, priemvetkruid, riempjes,
                                    roggelelie, rood guichelheil, ruige klaproos, ruw parelzaad,
                                    slanke wikke, slofhak, smalle raai, spatelviltkruid,
                                    spiesleeuwenbek, stijf vergeet-mij-nietje, stijve wolfsmelk,
                                    stinkende ganzenvoet, stinkende kamille, tengere veldmuur, valse
                                    kamille, veelkleurig vergeet-mij-nietje, vlasdolik,
                                    vlashuttentut, vlaswarkruid, vroege ereprijs, gladde ereprijs,
                                    wilde ridderspoor, wilde weit, zilverhaver, zomeradonis.</al></li><li nr="·"><al>Het voorkomen van de hamster is op zich zelf staand ook
                                    voldoende om tot dit beheertype te behoren.</al></li><li nr="·"><al>Het inzaaien van bijzondere plantensoorten is alleen toegestaan
                                    in de vorm van uit andere kruidenrijke akkers uit dezelfde regio
                                    afkomstig zaaigoed.</al></li></lijst><al><vet>Subsidieverplichtingen</vet></al><al>De beheerder dient het beheertype in stand te houden. De wijze waarop
                            hij deze instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder zelf. </al><al><vet>Voorbeeldgebieden</vet></al><al>Linnerveld (Midden-Limburg), Overasselt, Uffelter Noordes en Noorderesch
                            (Buinen) Bergherbos (De Liemers), Noordhout, Land van Cuijk, Cortenoever
                            en Fortmond. </al><al/><al>N12.06 Ruigteveld</al><al><vet>1.1 Algemene beschrijving</vet></al><al>Tot dit beheertype behoren over grote oppervlakte voorkomende
                            ruigtevelden met dominantie of in mozaiek voorkomende ruigtevegetaties,
                            die meestal ontstaan zijn na grootschalige ingrepen, zoals na
                            drooglegging of plotselinge sterke extensievering na een intensief
                            grasland- of akkerbeheer. De successie naar bos kan in deze ruigten lang
                            achterwege blijven. Vaak is er plaatselijk vlier of wilg aanwezig als
                            verspreide struiken of struweel. Deze kunnen echter weer afsterven en
                            weer in ruigte overgaan. Deels kunnen ook meer grazige plekken
                            voorkomen, zeker bij begrazing. In de droge ruigte kan ook riet
                            domineren.</al><al>Ruigtevelden kunnen rijk zijn aan insecten en bij een begrazingsbeheer
                            soms ook ruimte bieden aan veel kruiden. Het beheertype ruigteveld is
                            met name van belang voor een aantal vogelsoorten zoals blauwborst,
                            sprinkhaanzanger en soms velduil. </al><al><vet>1.2 Afbakening</vet></al><lijst><li nr="·"><al>Het beheertype Ruigteveld omvat grootschalige droge ruigten met
                                    plaatselijk struweel.</al></li><li nr="·"><al>Natte rietruigte valt onder het beheertype moeras.</al></li><li nr="·"><al>Kleinschalig voorkomende ruigte in afwisseling met andere
                                    beheertypen, zoals Moeras, bostypen en graslandtypen worden als
                                    onderdeel van deze beheertypen gerekend.</al></li><li nr="·"><al>Ruigten die onderdeel zijn van een eenheid die groot genoeg is
                                    om onderdeel uit te maken van Grootschalige dynamische
                                    landschappen worden tot het daaronder vallende beheertype
                                    gerekend.</al></li></lijst><al><vet>Subsidieverplichtingen</vet></al><al>De beheerder dient het beheertype in stand te houden. De wijze waarop
                            hij deze instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder zelf. </al><al><vet>Voorbeeldgebieden</vet></al><al><vet>,….</vet></al></li></lijst><al> N13 Vogelgraslanden</al><tussenkop>Algemene beschrijving</tussenkop><al>Vogelgraslanden zijn grootschalige open gebieden waar graslanden worden beheerd
                    ten behoeve van grote aantallen vogels. Het betreft hierbij voornamelijk
                    weidevogels, zwanen, ganzen en eenden. De desbetreffende gebieden zijn vochtig
                    tot nat. De eisen die de bedoelde soorten stellen, maakt dat vogelgraslanden
                    niet (meer) passen in het reguliere agrarisch bedrijf. Daarom is het natuurtype
                    beperkt tot reservaten en gebieden met bepaalde vormen van agrarisch
                    natuurbeheer. </al><tussenkop>Ontstaansgeschiedenis</tussenkop><al>Weidevogels en wintergasten kwamen tot enkele decennia geleden nog verspreid
                    voor in grote aantallen (weidevogels) dan wel in kleinere aantallen
                    (wintergasten). Vooral door intensivering van de landbouw zijn de weidevogels
                    sterk afgenomen, terwijl de wintergasten juist ervan hebben geprofiteerd. Om het
                    tij te keren, respectievelijk de grote aantallen zwanen, ganzen en smienten op
                    te vangen, worden tegenwoordig speciale vogelgraslanden aangewezen. Op deze
                    graslanden wordt een beheer gevoerd dat de gebieden maximaal aantrekkelijk maakt
                    voor de bedoelde soorten. </al><al>Voor de komst van de mens kwamen uitgestrekte graslanden eigenlijk alleen voor
                    in sterk dynamische milieus zoals op kwelders en binnen het overstromingsbereik
                    van rivieren. Door het kappen van bossen en vervolgens door begrazing van vee en
                    maaien is het graslandareaal geweldig uitgebreid. </al><al>Verschillende vogelsoorten die oorspronkelijk in geringe dichtheden voorkwamen
                    in open vlakten (steppen, hoogvenen, toendra's), konden zich vanuit kustweiden
                    en oevergraslanden dankzij de weidecultuur over heel Nederland verspreiden. </al><tussenkop>Beheertypen</tussenkop><al>Dit natuurtype omvat twee beheertypen:</al><lijst><li nr="·"><al>N13.01 Vochtig weidevogelgrasland </al></li><li nr="·"><al>N13.02 Wintergastenweide </al></li></lijst><al>De verschillen tussen beide beheertypen zijn gebaseerd op de vogelsoorten
                    waarvoor ze bedoeld zijn, het seizoen waarin de soorten er gebruik van maken
                    (zomer respectievelijk winter), en de eisen die de soorten stellen aan de
                    vegetatie. </al><al/><al>N13.01 Vochtig weidevogelgrasland</al><tussenkop>1.1 Algemene beschrijving</tussenkop><al>Vochtig weidevogelgrasland omvat natte en vochtige graslanden met primair een
                    weidevogeldoelstelling; beiden zijn belang voor een diversiteit in soorten. De
                    zuurgraad dient matig zuur tot neutraal te zijn, de voedselrijkdom is minimaal
                    licht voedselrijk. Het kan zowel kruidenrijke als door bemesting voedselrijke
                    (raaigras)graslanden bevatten. Goede weidevogelgraslanden worden gekenmerkt door
                    een open karakter, een mozaïek van diverse vormen van graslandbeheer en soorten
                    als grutto, kievit, scholekster en tureluur. Ook eenden als zomertaling en
                    slobeend zijn kenmerkend. Vochtig weidevogelgrasland komt op diverse bodems en
                    in diverse landschapstypen voor. Het zwaartepunt ligt in het landschapstype
                    Laagveen en zeeklei: hier komt het voor op zowel klei- als veengrond. Ook in het
                    Rivierengebied (voornamelijk uiterwaarden) komt Vochtig weidevogelgrasland voor. </al><al>Weidevogels kwamen in het verleden in (veel) grotere aantallen voor dan
                    tegenwoordig. Door ondermeer intensivering van landbouw en veeteelt zijn de
                    aantallen weidevogels afgenomen. Daarom is speciaal op weidevogels afgestemd
                    beheer nodig om ze te behouden. Internationaal gezien zijn onze weidevogels heel
                    bijzonder en heeft ons land een grote verantwoordelijkheid voor de
                    populaties.</al><al>Een goede kwaliteit kenmerkt zich door een mozaïek van verschillende
                    beheersvormen van grasland (diversiteit in maaidata, beweiding, plasdras etc.),
                    een rijke en bereikbare bodemfauna, insectenrijkdom (‘kuikengrasland’), een open
                    landschap met weinig dekking voor predatoren en brede, rijkbegroeide
                    slootkanten. Heel laat gemaaide delen (na 1 augustus) zijn van belang voor de
                    kwartelkoning, andere vogelsoorten en insecten. Het maai- en graasbeheer wordt
                    zodanig gevoerd dat zo min mogelijk jongen slachtoffer worden van
                    beheeringrepen. De graslanden worden bemest met organische mest om het aanbod
                    van voedsel te verzorgen voor weidevogels</al><tussenkop>1.2 Afbakening</tussenkop><al>·Het beheertype omvat grasland met per 100 ha minimaal 35 broedparen van Grutto,
                    Tureluur, Watersnip, Kemphaan, Slobeend, Zomertaling, Veldleeuwerik, Wulp,
                    Kluut, Krakeend, Kuifeend, Wintertaling, Graspieper en/of Gele kwikstaart.</al><tussenkop>Subsidieverplichtingen</tussenkop><al>De beheerder dient het beheertype in stand te houden. De wijze waarop hij deze
                    instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder zelf. </al><tussenkop>Voorbeeldgebieden</tussenkop><al>Hempense meer, Wynse polder, Haenmeer, de Dulf, Westerhornerpolder, Wormer- en
                    Jisperveld, de Wilck, Donkse laagten, Westeinde en Oude land van Strijen.</al><al/><al>N13.02 Wintergastenweide</al><tussenkop>1.1 Algemene beschrijving</tussenkop><al>Wintergastenweide omvat voedselrijk, productief grasland welke dient als
                    foerageergebied voor ganzen, zwanen en eenden. Dergelijke grasland kent een
                    intensief beheer van maaien en bemesten, en gaat kort de winter in. Ze liggen in
                    open landschappen zoals in het landschapstype Laagveen en zeeklei en
                    Rivierengebied, ze komen op diverse voedselrijke bodems voor.</al><al>Veel grasetende vogelsoorten zijn de laatste decennia door intensivering van de
                    landbouw sterk in aantal toegenomen. Mede door de grote internationale
                    verantwoordelijk voor deze soorten en het jacht- en schadebeleid zijn en worden
                    diverse reservaten voor wintergasten ingericht.</al><al>Goede wintergastenweide staat in de winter vaak deels onder water of kent open
                    water in de directe omgeving. Hierdoor kent het ook een rustfunctie voor diverse
                    vogels. De graslanden bestaan uit energierijke grassoorten, deze vormen het
                    voedsel voor grasetende vogels zoals kolgans, rietgans, brandgans, grauwe gans,
                    smient, kleine en wilde zwaan. De betekenis voor andere soortgroepen dan vogels
                    is gering. Het aandeel van andere planten dan gras is door het intensieve beheer
                    meestal klein.</al><tussenkop>1.2 Afbakening</tussenkop><lijst><li nr="·"><al>Wintergastenweide omvat graslandgebieden met een
                            wintergastendoelstelling waarbij tenminste 1 van de volgende soorten op
                            enig moment gedurende de winter in een kwalificerend aantal aanwezig is:
                            Wilde zwaan, Kleine zwaan, Brandgans, Grauwe gans, Kleine rietgans,
                            Kolgans, Taigarietgans, Toendrarietgans, Gewone rotgans en/of Smient.
                            Onder kwalificerend aantal wordt verstaan dat van een soort op enig
                            moment gedurende het winterhalfjaar tenminste 1% van de gehele Europese
                            populatie aanwezig dient te zijn.</al></li><li nr="·"><al>Wintergastenweide maakt onderdeel uit van de 80.000 ha die wettelijk is
                            opengesteld voor de opvang van ganzen in Nederland dan wel als het
                            gebied waar het grasland onderdeel van uitmaakt behoort tot een Natura
                            2000 gebied. </al></li><li nr="·"><al>De graslandgebieden vormen een onderdeel van een mogelijk door
                            verschillende beheerders beheerd graslandgebied met
                            wintergastendoelstelling van minimaal 100 ha.</al></li><li nr="·"><al>Graslanden met een wintergastenfunctie die als weidevogelgrasland worden
                            beheerd en aan de criteria van Vochtig weidevogelgrasland voldoen worden
                            tot dat beheertype gerekend. </al></li></lijst><tussenkop>Subsidieverplichtingen</tussenkop><al>De beheerder dient het beheertype in stand te houden. De wijze waarop hij deze
                    instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder zelf. </al><tussenkop>Voorbeeldgebieden</tussenkop><al>Korendijkse Slikken, Scheelhoek, Oude Land van Strijen en Zeeburg.</al><al/><al>N14 Vochtige bossen</al><tussenkop>Algemene beschrijving</tussenkop><al>Vochtige bossen zijn bossen en struwelen met hoofdfunctie natuur op vochtige tot
                    natte standplaatsen. Een geringe mate van houtoogst is mogelijk. Het vochtige
                    karakter wordt meestal veroorzaakt door hoge grondwaterstanden en/of
                    overstromingen vanuit rivieren of beken, maar kan ook samenhangen met een
                    kleiige of lemige bodem die veel vocht vasthoudt in natte perioden. De
                    natuurlijke voedselrijkdom van de bodem loopt uiteen van zeer voedselarm in
                    hoogveenbos tot voedselrijk in rivierbegeleidend bos. </al><al>In vochtige bossen kunnen diverse (loof)boomsoorten dominant zijn. Van nature is
                    sprake van een grote structuurvariatie waarbij opgaande bosgedeelten afwisselen
                    met open plekken en struweel. Dit draagt bij aan de grote soortenrijkdom van
                    vochtige bossen. </al><al>In de huidige Nederlandse situatie zijn nog veel cultuurinvloeden uit het
                    verleden herkenbaar, zoals sloten en greppels, bomen die zijn aangeplant en
                    sporen van hakhoutbeheer.</al><tussenkop>Ontstaansgeschiedenis</tussenkop><al>De meeste vochtige bossen in ons land komen voort uit bossen die indertijd zijn
                    aangelegd en/of gebruikt als productiebos. Denk daarbij aan doorgeschoten
                    griend- en hakhoutbossen of aan wilgen- en populierenplantages waar het vroegere
                    bosbeheer is stilgevallen of geëxtensiveerd. Met name in het laagveengebied en
                    in beekdalen zijn ook aanzienlijke oppervlakten vochtig bos spontaan ontstaan
                    als gevolg van het stopzetten van het agrarisch beheer of de rietcultuur. In
                    hoogveengebieden hebben vochtige bossen zich veelal sterk uitgebreid als gevolg
                    van verdroging. Onder andere in de IJsselmeerpolders zijn veel vochtige bossen
                    in eerste aanleg ontstaan via gerichte aanplant. Vooral in de laatste decennia
                    ontwikkelt zich ook vochtig bos op ‘maagdelijke' plekken die speciaal zijn
                    bedoeld voor spontane successie naar vochtig bos, zoals in de uiterwaarden van
                    de grote rivieren en drooggevallen delen van afgesloten zeearmen. </al><al>Een en ander betekent dat het overgrote deel van de vochtige bossen in Nederland
                    een relatief jong karakter heeft. en dat het al dan niet cultuurlijk verleden er
                    nog duidelijk herkenbaar is. </al><tussenkop>Beheertypen</tussenkop><al>Het natuurtype omvat drie beheertypen, die voornamelijk worden onderscheiden op
                    grond van verschillende combinaties van omstandigheden met betrekking tot vocht
                    en voedselrijkdom. Deze typen zijn:</al><lijst><li nr="·"><al>N14.01 Rivier- en beekbegeleidend bos </al></li><li nr="·"><al>N14.02 Hoog- en laagveenbos </al></li><li nr="·"><al>N14.03 Haagbeuken- en essenbos </al><al/><al>N14.01 Rivier- en beekbegeleidend bos</al><al><vet>1.1 Algemene beschrijving</vet></al><al>Rivier- en beekbegeleidend bos omvat periodiek overstroomde bossen. Deze
                            bossen staan onder invloed van stromend oppervlaktewater, of water van
                            vergelijkbare kwaliteit. Het kan gaan om bossen die overstroomd worden
                            door rivier- of beek, zoals ooibossen en beekbossen, maar ook om bossen
                            die onder invloed staan van vrijwel permanent uittredend gebufferd
                            grondwater, zoals bronbos. Vegetatiekundig behoren deze bossen tot het
                            Wilgenverbond, Iepenrijke Eiken-Essenverbond en Verbond van Els en Es.
                            Rivier- en beekbegeleidend bos is op diverse bodems te vinden, zowel op
                            rivierklei als op de meer (lemige) zandbodems langs de beken. Rivier- en
                            beekbegeleidend bos is te vinden in de landschapstypen Rivierengebied
                            (buitendijkse gronden grote rivieren, Biesbosch en Oude Maas) en in
                            Beekdalen binnen het overstromingsbereik van beken. Veel van het Rivier-
                            en beekbegeleidend bos is ontstaan uit voormalige grienden in de
                            Biesbosch en langs de grote rivieren, die hun economische betekenis
                            hadden verloren. Recente bossen zijn vaak spontaan ontstaan uit opslag
                            na klei of zandwinning.</al><al>Rivier- en beekbegeleidend bos met hun karakteristieke soorten zijn
                            sterk achteruitgegaan in omvang en kwaliteit in Nederland. Door
                            bedijking, verdroging, grote wijzigingen in overstromingsdynamiek en
                            bosexploitatie is het karakter van de slechts geringe oppervlakte
                            Rivierbegeleidend bos sterk beïnvloedt. Europees gezien is
                            Rivierbegeleidend bos zo zeldzaam, dat Nederland voor de resterende
                            oppervlakte een grote verantwoordelijkheid draagt. Bronbos is door
                            verdroging vaak sterk verruigd of geheel verdwenen en komt in Nederland
                            slechts op geringe oppervlakte op een beperkt aantal plaatsen voor.</al><al>Laaggelegen delen van Rivierbegeleidend bos worden meestal gedomineerd
                            door wilgen en moerasplanten. Hoger op de oever gaat een goed ontwikkeld
                            ooibos geleidelijk over in gewone es, iep en meer typische bosplanten.
                            Struweel wordt vaak gedomineerd door wilgen of meidoorns. Door
                            verdroging en onvoorspelbare overstromingen domineren ruigten vaak op
                            open plekken. Bij begrazing zijn ook grazigere vegetaties aanwezig.
                            Langs beken is doorgaans zwarte els of gewone es de dominante soort.
                            Voedselrijkdom en basenrijkdom worden sterk bepaald door het
                            overstromingswater. Vooral langs de rivieren en in de getijdengebieden
                            kent het Rivier- en beekbegeleidend bos een voedselrijk en basisch
                            karakter. Onder invloed van sterke kracht van overstromingen kan
                            structuurvariatie vaak op een natuurlijke manier ontstaan.</al><al>Rivier- en beekbegeleidend bos is van belang voor diverse soortgroepen,
                            zoals broedvogels, mede door het (vaak) weelderige en ontoegankelijke
                            karakter. De bever is kenmerkend voor Rivier- en beekbegeleidend bos
                            direct aan oevers. Door de basenrijke omstandigheden en vaak hoge
                            luchtvochtigheid zijn deze bossen belangrijk voor veel zeldzame mossen.
                            In het getijdebos in Nederland komen de grootste populaties van
                            spindotterbloem en het zeer zeldzame vloedschedemos in Europa voor.
                            Bossen langs beken kennen eveneens een rijke fauna. Bronbos kent
                            kenmerkende soorten voor beschaduwde bronmilieu’s zoals goudveil en
                            bittere veldkers .</al><al><vet>1.2 Afbakening</vet></al><lijst><li nr="·"><al>Rivier- en beekbegeleidend bos omvat bossen en struwelen die
                                    periodiek door oppervlaktewater worden overstroomd bij hoge
                                    waterstanden in beek of rivier en bossen die direct onder
                                    invloed staan van vrijwel permanent uittredend grondwater.</al></li><li nr="·"><al>Rivier- en beekbegeleidend bos komt niet in de duinen voor.</al></li><li nr="·"><al>Ook aangeplant populierenbos en doorgeschoten wilgengriend
                                    behoren tot dit type voor zover ze periodiek overstromen.</al></li><li nr="·"><al>Bos op veengronden waar stagnerend water periodiek boven het
                                    maaiveld komt worden tot Hoog- en laagveenbos gerekend.</al></li></lijst><al><vet>Subsidieverplichtingen</vet></al><al>De beheerder dient het beheertype in stand te houden. De wijze waarop
                            hij deze instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder zelf. </al><al><vet>Voorbeeldgebieden</vet></al><al>Millingerwaard, Geul, Biesbosch, Zalkerbos, Oude Maas, Bekendelle, Lage
                            Kavik, Hemelse berg, Duivelsberg, boven-Geuldal</al><al/><al>N14.02 Hoog- en laagveenbos </al><al><vet>1.1 Algemene beschrijving</vet></al><al>Hoog- en laagveenbos is bos op natte standplaatsen op venige bodem met
                            dominerende soorten als zwarte els, zachte berk en grauwe wilg.
                            Vegetatiekundig behoren deze bossen tot het Elzenverbond, verbond van de
                            berkenbroekbossen en verbond van wilgenbroekstruwelen. Soms zijn deze
                            bossen heel structuurrijk, soms vrij uniform. Hoog- en laagveenbos omvat
                            bossen en struwelen en komt in vrijwel alle landschapstypen voor,
                            waarbij hoogveenbossen tot de meest zeldzame broekbossen behoren. Water
                            speelt een grote rol binnen het beheertype en bepaalt voor een groot
                            deel de begroeiing. Bij veel invloed van regenwater (vooral in hoogveen)
                            domineert de zachte berk en een ondergroei van veenmossen en
                            dwergstruiken, bij invloed van grondwater (in laagveen en dalen) juist
                            de zwarte els en moerasplanten. Aaneengesloten struwelen komen vooral
                            voor in hoog- en laagveengebieden met soorten als grauwe wilg, gagel en
                            zwarte appelbes. Op open plekken domineren moerasplanten. Hoog- en
                            laagveenbossen kennen een hoge diversiteit bij veel structuurvariatie en
                            de afwezigheid van verdroging. In Hoog- en laagveenbossen met elzen
                            ontstaat deze variatie bij een hoge ouderdom door het ontstaan van
                            hogere wortelkluiten en poelen na het omvallen van oude bomen. Hoog- en
                            laagveenbos met berken is relatief ijl en open en is van belang voor
                            reptielen en amfibieën. </al><al>Veel veenbossen zijn op een natuurlijke manier ontstaan, soms na
                            stopzetten van maaibeheer van rietlanden (laagveenmoerassen) of door
                            verdroging en stikstofdepositie (hoogveen). </al><al>Nationaal en internationaal worden Hoog- en laagveenbossen bedreigd door
                            verdroging, versnippering en eutrofiering. Nederland heeft een
                            belangrijke taak het areaal en de kwaliteit in stand te houden en waar
                            nodig te verbeteren.</al><al>Opvallend binnen bos op laagveen zijn diverse typische moerasplanten,
                            zoals moerasvaren. Bos op hoogveen kent karakteristieke hoogveensoorten
                            als rijsbes en een aantal veenmossen.</al><al><vet>1.2 Afbakening</vet></al><lijst><li nr="·"><al>Hoog- en laagveenbos omvat bossen en struwelen gedomineerd door
                                    elzen, zachte berk, grauwe wilg, wilde gagel en katwilg op natte
                                    standplaatsen op venige bodem.</al></li><li nr="·"><al>Bossen met els waarvan het karakter grotendeels door
                                    overstromingen van oppervlaktewater of uittredend bronwater
                                    wordt bepaald worden tot Rivier- en beekbegeleidend bos
                                    gerekend.</al></li><li nr="·"><al>Vochtig bos in de duinen wordt tot het beheertype duinbos
                                    gerekend.</al></li></lijst><al><vet>Subsidieverplichtingen</vet></al><al>De beheerder dient het beheertype in stand te houden. De wijze waarop
                            hij deze instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder zelf. </al><al><vet>Voorbeeldgebieden</vet></al><al>Bos op laagveen: Alde Feanen, Naardermeer, Wieden en Weerribben,
                            Nieuwkoopse Plassen, Het Hol.</al><al>Bos op hoogveen: Korenburgerveen, Witterveld Engbertsdijkvenen.</al><al/><al>N14.03 Haagbeuken- en essenbos</al><al><vet>1.1 Algemene beschrijving</vet></al><al>Haagbeuken- en essenbos wordt gedomineerd door diverse boomsoorten zoals
                            haagbeuk, gewone es, esdoorn en gladde iep. Het betreft rijke bossen op
                            klei- of leemgrond en/of op bodems waar aanrijking plaatsvindt met basen
                            door periodiek hoge grondwaterstanden buiten de invloed van beek of
                            rivier. Vegetatiekundig behoren de bossen tot het Haagbeukenverbond,
                            Iepenrijke Eiken-Essenverbond en Verbond van Els en Es. De bijbehorende
                            struwelen maken ook onderdeel uit van dit type. Het bostype is vaak rijk
                            in structuur en kent een opvallende voorjaarsflora. Haagbeuken- en
                            essenbos komt op verschillende bodemtypen voor met een basisch en
                            vochtig tot vrij nat karakter. </al><al>Het meeste bos wat tot het beheertype behoort is aangeplant. Ook
                            aangeplante wilgen- en populierenbossen in polders behoren hiertoe. De
                            cultuurlijke oorsprong verraadt zich bijvoorbeeld door sporen van
                            voormalig hakhoutbeheer of aanplant in rijen. Haagbeuken- en essenbos
                            omvat bijvoorbeeld de aangeplante bossen op kleibodems zoals in
                            Flevoland, eiken-haagbeukenbossen op lemige zandgrond in (voornamelijk)
                            het oosten van Nederland en de hellingbossen op lemige/kleiige
                            kalkhellingen in Zuid-Limburg. </al><al>Een rijke voorjaarsflora is kenmerkend in de eiken-haagbeukenbossen en
                            hellingbossen met soorten als daslook, speenkruid en grote muur. Open
                            plekken worden vaak gedomineerd door ruigtekruiden. In struwelen zijn
                            vlier en doornstruiken aanwezig, bij begrazing ontwikkelen zich ook
                            grazige vegetaties. </al><al>Het beheertype is bij veel variatie in structuur rijk aan fauna en
                            flora. De bossen in het Heuvellandschap zijn o.a. van belang voor
                            specifieke amfibieën en orchideeën. De jonge polderbossen kennen vaak al
                            wel een hoge rijkdom aan makkelijk koloniserende sporenplanten en
                            vogels, maar zijn relatief arm aan vaatplanten en fauna die
                            karakteristiek zijn voor oudere bosgroeiplaatsen en wel in de Beekdalen
                            en het Heuvellandschap voorkomen. </al><al><vet>1.2 Afbakening</vet></al><lijst><li nr="·"><al>Haagbeuken- en essenbos omvat bos- en struweel op basenrijke
                                    klei- en leemgronden en/of gronden waar periodiek aanrijking
                                    plaatsvindt door periodiek hoge grondwaterstanden buiten de
                                    invloed van overstroming van beek en rivier.</al></li><li nr="·"><al>Maximaal 20% van de oppervlakte wordt gedomineerd door niet
                                    inheemse bomen.</al></li><li nr="·"><al>Op 80% van de oppervlakte wordt geen hout geoogst of is de
                                    houtoogst minder dan 20% van de bijgroei. Op de overige
                                    oppervlakte kan meer geoogst worden in het kader van omvorming
                                    naar een natuurlijker bos.</al></li></lijst><al><vet>Subsidieverplichtingen</vet></al><al>De beheerder dient het beheertype in stand te houden. De wijze waarop
                            hij deze instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder zelf. </al><al><vet>Voorbeeldgebieden</vet></al><al>Harderbos, Kloosterbos, Wildenborch, Smoddebos en het Savelsbos.</al><al/></li></lijst><al> N15 Droge bossen</al><tussenkop>Algemene beschrijving</tussenkop><al>Droge bossen zijn bossen en struwelen met natuurfunctie op droge gronden. Een
                    geringe mate van houtoogst is mogelijk zonder de natuurwaarden wezenlijk aan te
                    tasten. De boomlaag wordt in principe gedomineerd door een of meer Europese
                    loofboomsoorten of door Grove den. In de praktijk zijn in veel gevallen
                    vooralsnog ook niet-Europese boomsoorten aanwezig. Het overgrote deel van de
                    droge bossen in Nederland is aangeplant of heeft zich spontaan gevestigd in de
                    afgelopen anderhalve eeuw. Voor een bosecosysteem zijn ze dat betrekkelijk jong.
                    Dit leidt ertoe dat de droge bossen in ons land nog niet erg structuurrijk zijn,
                    dus zonder open plekken en zonder een goed ontwikkelde struik- en kruidlaag. Ook
                    andere oorzaken dragen daaraan bij, met name het feit dat de droge gronden in
                    Nederland nog altijd de sporen dragen van eeuwenlange verschraling, waardoor een
                    deel van de karakteristieke bomen en struiken nog niet aanwezig (kunnen)
                    zijn.</al><tussenkop>Ontstaansgeschiedenis</tussenkop><al>De meeste droge bossen in ons land komen voort uit bossen die in de 19e en 20e
                    eeuw zijn aangelegd en/of gebruikt als productiebos. Een deel daarvan was
                    eikenhakhout. Andere gebieden zijn jarenlang beheerd als monoculturen van met
                    name naaldboomsoorten, maar die in de laatste decennia worden omgevormd naar
                    natuurbossen, zoveel mogelijk gebruik makend van natuurlijke successie. Vooral
                    in het duingebied en aan de rand van droge heiden zijn ook droge bossen die zich
                    spontaan hebben gevestigd. In ecologisch opzicht hebben de meeste droge bossen
                    een jong karakter. Slechts sporadisch komen ook bossen voor met een lange
                    bosgeschiedenis. Echte oerbossen komen hier al lang niet meer voor.</al><tussenkop>Beheertypen</tussenkop><al>Het natuurtype omvat de volgende twee beheertypen:</al><lijst><li nr="·"><al>N15.01 Duinbos </al></li><li nr="·"><al>N15.02 Dennen-, eiken- en beukenbos </al><al/><al>N15.01 Duinbos</al><al><vet>1.1 Algemene beschrijving</vet></al><al>Duinbos omvat de bossen en struwelen in het Duin- en Kustgebied.
                            Vegetatiekundig behoren de bossen tot het Zomereikverbond, Elzenverbond,
                            Iepenrijke Eiken-Essenverbond en Verbond der naaldbomen. De struwelen
                            kunnen over grote oppervlakten aaneengesloten voorkomen en lopen vaak
                            geleidelijk over in hoger opgaand bos; deze variatie is aantrekkelijk
                            voor veel vogelsoorten. Duinbos is het leefgebied van veel soorten
                            paddestoelen. Aan de binnenduinrand kan duinbos rijk aan
                            voorjaarsplanten zijn.</al><al>Duinbos kan voorkomen op zowel kalkrijke als kalkarme zandgronden in het
                            Duin- en Kustgebied, zowel op duinen als in vochtige valleien en op
                            drooggevallen zandplaten. In de meeste duingebieden in Nederland komt
                            het veelvuldig voor.</al><al>Duinbos is internationaal gezien zeldzaam. Duinbos (inclusief struweel)
                            is vaak op een natuurlijke manier ontstaan, als gevolg van successie. In
                            de negentiende eeuw waren bossen nog zeer schaars in de duinen. Door het
                            wegvallen van konijnenvraat en door een slechte luchtkwaliteit is er
                            thans sprake van versnelde successie vanuit open duin. Veel dennenbossen
                            zijn ontstaan door aanplant in het verleden o.a. om het stuivende
                            duinzand vast te houden.</al><al>Duinbos wordt gedomineerd door of kent een gemengd voorkomen van ruwe
                            berk, grove den, zomereik en beuk. Op plekken waar struwelen domineren
                            komen soorten als meidoorn, duindoorn, wegedoorn, egelantier, hondsroos
                            en gewone vlier voor. Op open plekken komen dauwbraam en kruidenrijke
                            zoomvegetaties voor. Bij begrazing zijn ook grazige vegetaties aanwezig.
                            Een hoge diversiteit van Duinbos treedt op bij een afwisseling van
                            struweel, opgaand bos en open plekken. Door de invloed van zeewind
                            ontstaat er een geleidelijke natuurlijke overgang van struweel in het
                            buitenduin naar hoger opgaand bos in verder van de zee gelegen
                            binnenduin. </al><al>De bossen en struwelen zijn rijk aan broedvogels. De bossen hebben
                            daarnaast belangrijke betekenis voor diverse soorten paddestoelen en
                            vaatplanten. Loofbos is qua flora en fauna vaak meer divers dan
                            dennenbos, hetzelfde geldt voor kalkrijke duinbossen ten opzichte van
                            kalkarme.</al><al><vet>1.2 Afbakening</vet></al><lijst><li nr="·"><al>Duinbos omvat zowel het droge als het vochtige bos- en hoog
                                    struweel in het Duinlandschap.</al></li><li nr="·"><al>Maximaal 20% van het areaal van het betreffende bosgebied wordt
                                    gedomineerd door boomsoorten die oorspronkelijk van buiten
                                    Europa zijn ingevoerd, zoals Amerikaanse eik en Douglasspar.
                                </al></li><li nr="·"><al>Op 80% van de oppervlakte wordt geen hout geoogst of is de
                                    houtoogst minder dan 20% van de bijgroei. Op de overige
                                    oppervlakte kan meer geoogst worden in het kader van omvorming
                                    naar een natuurlijker bos.</al></li></lijst><al><vet>Subsidieverplichtingen</vet></al><al>De beheerder dient het beheertype in stand te houden. De wijze waarop
                            hij deze instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder zelf. </al><al><vet>Voorbeeldgebieden</vet></al><al>Zuid Kennemerland, Schiermonnikoog, Voornes Duin, Lauwersmeer,
                            Amsterdamse Waterleidingduinen, Meijendel en Berkheide en Kop van
                            Schouwen.</al><al/><al>N15.02 Dennen-, eiken- en beukenbos</al><al><vet>1.1 Algemene beschrijving</vet></al><al>Dennen-, eiken-, of beukenbos omvat bossen met dennen, eiken, beuken
                            en/of berken en zijn vaak eenvoudig van structuur. Veel van deze bossen
                            komen voor op zure, droge en zandige bodems. Wanneer de bodem meer leem
                            bevat, kennen de bossen een grotere floristische rijkdom. Ook vochtiger
                            typen van deze bossen met pijpenstrootje in de ondergroei behoren
                            hiertoe. Vegetatiekundig behoren deze bossen tot het Zomereikenverbond
                            of het Verbond der naaldbossen. </al><al>Dennen-, eiken of beukenbos is te vinden in het Zandlandschap zoals op
                            de Veluwe en delen van Drenthe. Plaatselijk komt het ook voor in het
                            Heuvellandschap en op oude strandwallen. Veel van de bossen zijn vorige
                            eeuw ontstaan als gevolg van aanplant of natuurlijke successie. De
                            cultuurlijke invloed is vaak te merken aan bijvoorbeeld ingevoerde
                            boomsoorten en sporen van hakhoutbeheer. Hoewel Dennen-, eiken-, of
                            beukenbos algemeen voorkomt ontbreekt vaak een hoge diversiteit aan
                            flora en fauna. Oorzaken betreffen een geringe structuurrijkdom in
                            voormalige productiebossen, de jonge leeftijd en gevolgen van verzuring
                            en vermesting. Dennen-, eiken- en beukenbos kan zowel combinaties van
                            boomsoorten bevatten als een sterke dominantie van één soort. Door het
                            zure en voedselarme karakter is er bij ongestoorde ontwikkeling sprake
                            van ophoping van strooisel wat zich met name voordoet bij bossen zonder
                            leem in de ondergrond en bij sterke dominantie van eiken en beuken die
                            zuur strooisel produceren. Hierdoor is bodemvegetatie vaak beperkt
                            aanwezig. Aanwezigheid van soorten met rijker en makkelijker afbreekbaar
                            strooisel, zoals linde op leemhoudende bodems, zorgt voor een milde
                            humus, en daardoor een beter ontwikkelde bodemvegetatie. Het kronendak
                            is minder gesloten en er is meer variatie tussen lichte en donkere
                            delen. Op open plekken ontwikkelen zich vaak braamstruwelen en vestigen
                            zich struiken als lijsterbes en vuilboom. In late stadia kan hulst
                            dominant aanwezig zijn. Bij begrazing zijn ook grazige heidevegetaties
                            aanwezig. Begrazing heeft een sterk effect op omvang en samenstelling
                            van de boomverjonging. Natuurlijke processen zoals windworp kunnen voor
                            variatie in structuur zorgen, maar vaak is (een aanvullend) menselijk
                            beheer nodig om gevarieerde bossen te verkrijgen. Begrazing kan
                            voorkomen dat open plekken weer snel dichtgroeien.</al><al>De betekenis voor de biodiversiteit is met name gelegen in grote
                            aantallen (vaak bedreigde) paddestoelen, blad- en korstmossen en enkele
                            vaatplanten. Structuurrijke bossen met enige buffering in de bodem,
                            bossen met een hoge luchtvochtigheid en bossen met oude bomen kennen
                            vaak een hogere biodiversiteit.</al><al><vet>1.2 Afbakening</vet></al><lijst><li nr="·"><al>Dennen-, eiken-, of beukenbos omvat bossen en struwelen
                                    gedomineerd door eiken, dennen, beuken, berken, lijsterbes,
                                    ratelpopulier of vuilboom. </al></li><li nr="·"><al>Maximaal 20% van het areaal van het betreffende bosgebied wordt
                                    gedomineerd door boomsoorten die oorspronkelijk van buiten
                                    Europa zijn ingevoerd, zoals Amerikaanse eik en
                                    Douglasspar.</al></li><li nr="·"><al>Op 80% van de oppervlakte wordt geen hout geoogst of is de
                                    houtoogst minder dan 20% van de bijgroei. Op de overige
                                    oppervlakte kan meer geoogst worden in het kader van omvorming
                                    naar een natuurlijker bos.</al></li><li nr="·"><al>Dit beheertype is gelegen buiten het Duinlandschap. Indien het
                                    in het Duinlandschap is gelegen behoort het tot het beheertype
                                    Duinbos.</al></li></lijst><al><vet>Subsidieverplichtingen</vet></al><al>De beheerder dient het beheertype in stand te houden. De wijze waarop
                            hij deze instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder zelf. </al><al><vet>Voorbeeldgebieden</vet></al><al>Veluwezoom, Dwingelderveld, Mantingerbos, Drents-Friese Wold, Kootwijk
                            en het Speulderbos.</al><al/></li></lijst><al> N16 Bossen met productiefunctie</al><tussenkop>Algemene beschrijving</tussenkop><al>Bossen met productiefunctie zijn bossen die een dubbelfunctie hebben: natuur en
                    houtproductie. De natuurfunctie stelt daarbij beperkingen aan de
                    productiefunctie en omgekeerd. Tegenwoordig wordt gestreefd naar bossen met een
                    gemengde samenstelling van (deels) inheemse boomsoorten en een gevarieerde
                    leeftijdsopbouw, met aanwezigheid van een behoorlijk aantal oude bomen.</al><al>Bossen met productiefunctie hebben een eenvoudiger structuur dan natuurbossen,
                    omdat het beheer in belangrijke mate gericht is op een regelmatige verdeling van
                    bomen die in de toekomst zullen worden geoogst. Waar natuurlijke verjonging van
                    de gewenste soorten uitblijft, worden deze eventueel geplant. Bomen die elkaar
                    beconcurreren, worden gedund. Een deel van de bomen krijgt de kans om oud te
                    worden, maar voordat ze doodgaan worden de meeste gekapt en verkocht. Naast deze
                    maatregelen voor houtproductie, wordt op beperkte schaal ook ruimte gegeven aan
                    kromme, kwijnende, omgevallen en dode bomen.</al><al>In de ondervegetatie en de fauna wordt niet direct ingegrepen (behalve eventueel
                    jacht). Toch kunnen de kruiden en de dieren wel worden beïnvloed door het
                    houtteeltkundig beheer, bijvoorbeeld als ‘schaduwboomsoorten' zoals beuk of
                    fijnspar worden bevoordeeld, waardoor lokaal minder licht op de bodem valt en de
                    ondervegetatie er beperkt blijft. Daarnaast kan de chemische samenstelling van
                    de bladeren van de gewenste boomsoorten (bijvoorbeeld eik, beuk, naaldbomen)
                    zuurder zijn dan die van de boomsoorten waarvan die ter plekke van nature zouden
                    kunnen groeien (bijvoorbeeld linde, berk). Daardoor kunnen bossen met
                    productiefunctie ook een ‘zuurdere' vegetatie hebben dan een bostype met alleen
                    natuurfunctie.</al><tussenkop>Ontstaansgeschiedenis</tussenkop><al>In het verleden kwamen bossen met productiefunctie zoals hierboven bedoeld,
                    nauwelijks voor in Nederland. Veel productiebossen bestonden uit vakken met
                    aangeplante monocultures van (deels) uitheemse boomsoorten van dezelfde
                    leeftijd. Er was weinig structuurvariatie, en er was sprake van vlaksgewijze
                    eindkap, waarna de cyclus zich kon herhalen.</al><al>Als gevolg van gewijzigde inzichten in de gewenste vorm van bosbeheer zijn
                    dergelijke ‘ouderwetse' productiebossen al geruime tijd in ontwikkeling in de
                    richting van een gevarieerder bos qua soorten, leeftijdsopbouw en structuur. Via
                    een aangepast beheer (‘geïntegreerd bosbeheer') wordt daarbij meer ruimte
                    geboden aan natuurlijke processen. De huidige kwaliteit van het type kan op veel
                    plaatsen nog sterk verbeteren, mits de externe invloeden zullen blijven
                    verminderen. Met name stikstofdepositie vormt nog een grootschalig probleem,
                    mede omdat bossen twee maal zoveel depositie invangen als lage vegetaties. Als
                    gevolg hiervan wordt de ondervegetatie in bossen steeds eenvormiger. Daarnaast
                    speelt depositie een rol bij de verminderde vitaliteit van sommige
                    boomsoorten.</al><al>Het bostype komt voor op veel bodemtypen, variërend van tamelijk voedselarm tot
                    voedselrijk.</al><al>De productiefunctie is niet gebaat bij zeer voedselarme en natte omstandigheden.
                    Onder dergelijke omstandigheden heeft het weinig zin om deze omstandigheden
                    kunstmatig aan te passen, omdat dan de natuurfunctie al gauw in het gedrang
                    komt.</al><tussenkop>Beheertypen</tussenkop><al>Op basis van de vochttoestand van de bodem worden twee beheertypen
                    onderscheiden: </al><lijst><li nr="·"><al>N16.01 Droog bos met productie </al></li><li nr="·"><al>N16.02 Vochtig bos met productie </al><al/><al>N16.01 Droog bos met productie</al><al><vet>1.1 Algemene beschrijving</vet></al><al>Droog bos met productie bestaat uit verschillende, veelal van oorsprong
                            aangeplante, bosopstanden van den, (winter)eik, beuk, Douglas, lariks of
                            fijnspar. De voedselarmere delen worden grotendeels gedomineerd door
                            den, eik en beuk, op de wat rijkere bodems is er een hogere groei van
                            beuk, Douglas, lariks en spar, met betere mengingsmogelijkheden. Dit
                            bostype is de productievariant van het bostype dennen-, eiken- en
                            beukenbos (zonder productie; 15.02). </al><al>Het bostype komt voor op een voedselarme tot lemige, zandige, zure
                            ondergrond van het Droge Zandlandschap zoals op de Veluwe, delen van
                            Drenthe en Brabant. Lokaal is het bostype te vinden in het
                            Heuvellandschap, kalkarme duinen en strandwallen. Het bostype is veelal
                            uit hakhout, heide- en stuifzandterreinen ontstaan, maar kan ook
                            aangelegd zijn op voormalige landbouwgronden waardoor de bovengrond
                            verrijkt is. </al><al>Het is het omvangrijkste bostype en combineert een redelijk tot goede
                            groei met een ruime variatie aan, en mengingsmogelijkheden van, loof- en
                            naaldboomsoorten, vooral op de wat lemigere bosgroeiplaatsen. Het maakt
                            dit type tot het belangrijkste type voor de houtproductie. De
                            diversiteit is (nog) relatief laag. Dit wordt onder andere veroorzaakt
                            door de uniforme aanleg en beheer in het verleden, door de jonge
                            leeftijd van de bossen en onvoldoende abiotische kwaliteit als gevolg
                            van verzuring en vermesting. Oudere bossen en bossen op of grenzend aan
                            oude bosgroeiplaatsen, hebben een relatief hoge natuurpotentie vooral
                            wanneer deze een gevarieerde structuur met substantieel aandeel zware
                            bomen en dood hout hebben. De betekenis voor de biodiversiteit bestaat
                            vooral uit (vaak bedreigde) paddestoelen, korst- en bladmossen, enkele
                            vaatplanten, insecten en broedvogels. </al><al>Droog bos met productie kan bestaan uit meer lichtere bossen door
                            (mengingen van) den, lariks, eik en berk en/of meer donkere bossen (door
                            mengingen) met beuk, Douglas en fijnspar. De armere delen blijven bij
                            spontane ontwikkeling hoofdzakelijk een door dennen-, eiken en beuken
                            gedomineerd bos. Op de wat rijkere delen leidt spontane ontwikkeling tot
                            een bos waarin (combinaties van) beuk, Douglas, lariks of spar zullen
                            gaan overheersen, vaak ten koste van den en eik. Het bostype combineert
                            productieve soorten en een substantieel aandeel kwaliteitsbomen, met
                            mede door het beheer beïnvloede, verschillende ontwikkelingsfasen, een
                            gevarieerde bosstructuur, menging van boomsoorten en dood hout. </al><al>Spontane ontwikkelingen leiden (de komende decennia) vaak naar een
                            dichter, vrij eenvormig bos met natuurlijke verjonging van beperkte
                            samenstelling en matige productiepotentie. Natuurlijke verstoringen
                            zoals windworp hebben (vooralsnog) een beperkt effect hierop. De
                            bedekking, samenstelling en doorgroeiperspectieven van loofbomen,
                            struiken en struwelen worden sterk beperkt door de mate waarin
                            herbivoren aanwezig zijn (edelhert, ree). Vaak is menselijk beheer,
                            zoals kap, begrazingsbeheer en inbreng van strooiselverrijkende soorten
                            (zie Droge bos variant zonder productie; 15.02), nodig om dynamiek,
                            variatie en vestigingsmilieus te bevorderen. Hiermee kan tegelijkertijd
                            gestuurd worden op verjonging die voldoende potentie heeft om de
                            productie in kwalitatieve en kwantitatieve zin te waarborgen.</al><al><vet>1.2 Afbakening</vet></al><lijst><li nr="·"><al>Droog bos met productie omvat bossen op de voedselarme tot
                                    lemige zandgronden gedomineerd door loofbomen en (meereisende)
                                    naaldboomsoorten. </al></li><li nr="·"><al>Houtoogst is een doel en vindt periodiek plaats met een hogere
                                    intensiteit dan in de droge bossen beheertypen zonder productie,
                                    of boomsoorten die oorspronkelijk van buiten Europa zijn
                                    ingevoerd zijn dominant over meer dan 20% van het areaal van het
                                    betreffende bosgebied, ook als er geen productiedoelstelling
                                    is.</al></li></lijst><al><vet>Subsidieverplichtingen</vet></al><al>De beheerder dient het beheertype in stand te houden. De wijze waarop
                            hij deze instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder zelf. </al><al><vet>Voorbeeldgebieden</vet></al><al>Staphorst, Noord-Bargerbos, Kootwijk, Speulderbos, Mastbos,
                            Gieten-Borger en Emmerdennen.</al><al/><al>N16.02 Vochtig bos met productie</al><al><vet>1.1 Algemene beschrijving</vet></al><al>Vochtig bos met productie bestaat uit loofbossen die gedomineerd worden
                            door diverse boomsoorten zoals populier, es, esdoorn, beuk, haagbeuk,
                            eik, iep en els. Het is een grotendeels gesloten bos met een weelderige
                            ondergroei. Dit bostype is de productievariant van delen van het
                            haagbeuken- en essenbos en beek- en rivierbegeleidend bos.</al><al>Het komt voor op matig nat tot matig droge, vrij voedselrijke kleiige
                            tot zandige bodems, waaronder overstromingsdelen van beken. Het bostype
                            kan gevonden worden in het rivierengebied op oeverwallen en hoge
                            uiterwaarden, lokaal op lemige zandgronden in het oosten, op kleibodems
                            zoals in de Flevopolders maar ook in de kustgebieden, en lemige/kleiige
                            kalkhellingen in Zuid-Limburg.</al><al>Dit bostype levert een belangrijke bijdrage aan de houtvoorziening door
                            de goede groei van diverse gewilde (hardhout) loofboomsoorten. In
                            potentie kan dit bostype de meeste houtige soorten bevatten. De
                            diversiteit is laag tot matig hoog. Vooral soorten van oudere, meer
                            ontwikkelde bosgroeiplaatsen ontbreken vaak nog, terwijl makkelijk
                            koloniserende sporenplanten en vogels al aanwezig zijn. Door snelle
                            groei en sterfte kan binnen afzienbare tijd een gevarieerde bosstructuur
                            ontstaan, met veel dood hout en een weelderige struiklaag en
                            bodemvegetatie. </al><al>Populier kan een belangrijke bijdrage leveren aan snelle bosontwikkeling
                            en de productie van aanzienlijke hoeveelheid zaaghout en (dik) dood
                            hout. De ondergroei bij populier wordt echter vaak (nog) gedomineerd
                            door ruigtekruiden zoals grote brandnetel. Ook in door andere
                            boomsoorten gedomineerde bossen treedt regelmatig verruiging op in
                            grotere open plekken. Dit kan de verjonging van gewenste boom- en
                            struiksoorten belemmeren. Kleinschalige kap en aanplant wanneer
                            zaadbronnen van gewenste soorten nog ontbreken kan de (kwalitatieve en
                            kwantitatieve) productie en samenstelling bevorderen.</al><al><vet>1.2 Afbakening</vet></al><lijst><li nr="·"><al>Het beheertype Vochtig bos met productie omvat bossen op
                                    basenrijke bodems gedomineerd door (meereisende)
                                    loofboomsoorten. </al></li><li nr="·"><al>Houtoogst is een doel en vindt periodiek plaats met een hogere
                                    intensiteit dan in de Vochtige bossen beheertypen zonder
                                    productie, of boomsoorten die oorspronkelijk van buiten Europa
                                    zijn ingevoerd zijn dominant over meer dan 20% van het areaal
                                    van het betreffende bosgebied, ook als er geen
                                    productiedoelstelling is.</al></li></lijst><al><vet>Subsidieverplichtingen</vet></al><al>De beheerder dient het beheertype in stand te houden. De wijze waarop
                            hij deze instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder zelf. </al><al><vet>Voorbeeldgebieden</vet></al><al>Horsterwold, Haagse Bos, Spijk-Bremerberg en Kuinderbos.</al><al/></li></lijst><al> N17 Cultuurhistorische bossen</al><tussenkop>Algemene beschrijving</tussenkop><al>Cultuurhistorische bossen zijn bossen die vanwege een combinatie van
                    cultuurhistorische en ecologische elementen in een bepaalde staat worden
                    gehouden. </al><al>Het beheer wordt gekenmerkt door een sterke sturing van de mens in de structuur
                    en soortensamenstelling, vooral in de boom- en struiklaag. </al><al>De bossen worden bovendien gekenmerkt door een zekere ouderdom, in de vorm van
                    oude bomen of oude stronken van bomen. In landschappelijk opzicht zijn vaak
                    structuren aanwezig zoals lanen, sloten en greppels en wallen. </al><tussenkop>Ontstaansgeschiedenis</tussenkop><al>Zoals de term eigenlijk al zegt, zijn cultuurhistorische bossen lang geleden
                    aangelegd en hebben ze sindsdien een specifiek beheer gehad. De voorgeschiedenis
                    kan erg verschillen. Sommige bossen groeien op intacte bodems en bestaan uit
                    boomsoorten die van nature ter plaatse thuishoren, op andere plaatsen is de
                    aanleg gepaard gegaan met intensieve grondbewerking en hydrologische ingrepen en
                    zijn soorten van elders geïmporteerd.</al><al>Cultuurhistorische bossen zijn in het verleden lange tijd het meest voorkomende
                    bostype in Nederland geweest. Ze kunnen het best voortbestaan op de nu nog
                    bestaande plaatsen en onder de condities waarbij ze zich hebben ontwikkeld. </al><tussenkop>Beheertypen</tussenkop><al>Dit natuurtype omvat de volgende vier beheertypen:</al><lijst><li nr="·"><al>N17.01 Vochtig hakhout en middenbos </al></li><li nr="·"><al>N17.02 Droog hakhout </al></li><li nr="·"><al>N17.03 Park- en stinzenbos </al><lijst><li nr="·"><al>N17.04 Eendenkooi </al><al/><al>N17.01 Vochtig hakhout en middenbos</al><al><vet>1.1 Algemene beschrijving</vet></al><al>Vochtig hakhout zijn loofbossen die bestaan uit houtgewas dat
                                    men niet hoog laat opschieten, maar dicht bij de grond afzet om
                                    de stronken weer te laten ontspruiten en de gevormde opslag te
                                    kunnen oogsten. Middenbos bestaat uit hakhout met overstaanders
                                    (doorgegroeide hakhouttelgen) of bovenstaander (aanplant). </al><al>Hakhout en middenbos komen al eeuwen voor in Nederland. Door
                                    hakhoutbeheer kan een voortdurende houtopbrengst gewaarborgd
                                    worden. Door het dicht bij de grond afzetten van de bomen
                                    ontstonden de kenmerkende stobben of stoven, die vele eeuwen oud
                                    kunnen zijn. Verschillende boomsoorten zorgden voor hout voor
                                    verschillende doeleinden: brandhout, gebruikshout voor
                                    bijvoorbeeld gereedschapsstelen, schors voor de leerlooierij. </al><al>In verschillende vormen komt dit type door het gehele land voor.
                                    De variatie is groot: van grienden met wilgen in het
                                    rivierengebied tot elzenhakhout in Zeeland. Globaal geldt, dat
                                    in het rivierengebied essen- en wilgenhakhout voorkomt in de
                                    uiterwaarden, maar ook in beekdalen en op de overgang van veen
                                    naar klei in het laagveengebied. Vochtige eikenhakhoutbossen
                                    komen op de zandgronden voor. De hellingbossen in Zuid-Limburg,
                                    waar nog middenbos voorkomt, worden ook tot dit type gerekend.
                                    Het beheertype Vochtig hakhout en middenbos betreft
                                    hakhoutcomplexen die niet of nauwelijks machinaal te bewerken
                                    zijn doordat ze vochtig zijn, op een helling liggen of de stoven
                                    op rabatten staan. </al><al>In West-Nederland en het rivierengebied zijn hakhoutbossen vaak
                                    opvallende elementen in het open landschap. Denk bijvoorbeeld
                                    aan grienden in de rivieruiterwaarden en elzenhakhout of
                                    geriefhoutbosjes in het veenweidegebied.. Overal in de natte
                                    zandgebieden komen (eiken)hakhoutbossen voor, vaak eertijds
                                    gelegen in open gebieden, maar nu dikwijls omgeven door jonger
                                    bos en daardoor landschappelijk minder herkenbaar. Met name oud
                                    hakhout en middenbos herbergt met de oude groeiplaats, het dunne
                                    strooiseldek en het hakhoutbeheer samenhangende zeldzame
                                    bosplanten van vochtige standplaatsen en aan oude hakhoutstoven
                                    gebonden mossen en insecten.</al><al><vet>1.2 Afbakening</vet></al><lijst><li nr="·"><al>Vochtig hakhout en middenbos wordt periodiek afgezet.
                                        </al></li><li nr="·"><al>Kenmerkend voor het beheertype is de aanwezigheid van
                                            hakhoutstoven. Bij dit vochtige type kan gedacht worden
                                            aan boomsoorten van rijke groeiplaatsen als wilg, els,
                                            es, hazelaar, haagbeuk maar ook eiken op rabatten. De
                                            cyclus verschilt per vorm en boomsoort, maar meestal
                                            dient om de 3 tot 10 jaar gehakt te worden.</al></li></lijst><al><vet>Subsidieverplichtingen</vet></al><al>De beheerder dient het beheertype in stand te houden. De wijze
                                    waarop hij deze instandhoudingsverplichting invult, is aan de
                                    beheerder zelf. </al><al><vet>Voorbeeldgebieden</vet></al><al><vet>……………..</vet></al><al>N17.02 Droog hakhout</al><al><vet>1.1 Algemene beschrijving</vet></al><al>Droog hakhout is een loofbos bestaande uit houtgewas dat men
                                    niet hoog laat opschieten, maar dicht bij de grond afzet om de
                                    stronken weer te laten ontspruiten en de gevormde opslag te
                                    kunnen oogsten. Hakhoutbossen komen al eeuwen voor in Nederland.
                                    Door hakhoutbeheer kan een voortdurende houtopbrengst
                                    gewaarborgd worden. Door het dicht bij de grond afzetten van de
                                    bomen ontstonden de kenmerkende stobben of stoven, die vele
                                    eeuwen oud kunnen zijn. Verschillende boomsoorten zorgden voor
                                    hout voor verschillende doeleinden: brandhout, gebruikshout voor
                                    bijvoorbeeld gereedschapsstelen, schors voor de leerlooierij. </al><al>Droog hakhout komt met name voor op de hogere en drogere
                                    zandgronden van Nederland en aan de kust in de binnenduinrand.
                                    Het bestaat meestal uit eiken en ook wel berk en beuk. Het
                                    beheertype betreft hakhoutcomplexen die machinaal te verwerken
                                    zijn doordat ze op goed bereikbare droge gronden staan.</al><al>Overal in de zandgebieden komen (eiken)hakhoutbossen voor, vaak
                                    omgeven door wallen en hierdoor afgeschermd van heide en ander
                                    open terrein, maar nu dikwijls omgeven door jonger bos en
                                    daardoor landschappelijk minder herkenbaar. Met name oud hakhout
                                    kan aan oude groeiplaats, dunne strooisellaag en hakhoutbeheer
                                    samenhangende bosplanten van droge standplaatsen herbergen zoals
                                    bijvoorbeeld fraai hertshooi en aan oude stoven gebonden mossen
                                    en insecten.</al><al><vet>1.2 Afbakening</vet></al><lijst><li nr="·"><al>Droog hakhout wordt periodiek afgezet (vrijwel alle
                                            bomen) </al></li><li nr="·"><al>Het beheertype bestaat uit een perceel hakhout van enige
                                            omvang op droge gronden. Kenmerkend is de aanwezigheid
                                            van hakhoutstoven. Het bestaat uit boomsoorten zoals
                                            zomereik, beuk en winterlinde. De cyclus verschilt per
                                            vorm en boomsoort, maar meestal dient om de 4 tot 15
                                            jaar gehakt te worden. </al></li></lijst><al><vet>Subsidieverplichtingen</vet></al><al>De beheerder dient het beheertype in stand te houden. De wijze
                                    waarop hij deze instandhoudingsverplichting invult, is aan de
                                    beheerder zelf. </al><al><vet>Voorbeeldgebieden</vet></al><al><vet>……………..</vet></al><al>N17.03 Park- en stinzenbos</al><al><vet>1.1 Algemene beschrijving</vet></al><al>Parkbossen zijn alle vormen van bos die vallen binnen een
                                    historisch park- of tuinaanleg. Stinzenbossen bestaan veelal uit
                                    oude bossen bij landgoederen met een karakteristieke
                                    stinzenflora, vaak bolgewassen en kruidachtige overblijvende
                                    gewassen, in de ondergroei. Sinds het ontstaan van landhuizen en
                                    landgoederen in Nederland vanaf de late middeleeuwen is er ook
                                    aandacht voor de omgeving van het huis. In de zeventiende en
                                    achttiende eeuw ontwikkelen zich tuinstijlen, maar worden ook de
                                    omliggende bossen meegenomen in de aanleg. In de
                                    landschappelijke parkstijl hebben parkbossen een nadrukkelijke
                                    rol. Sommige van deze parkbossen krijgen een rijke struiklaag en
                                    veel kruiden, die vooral in het voorjaar bloeien. Deze planten
                                    zijn oorspronkelijk aangeplant, maar inmiddels verwilderd en
                                    inheems geworden. Ook zijn in dit bostype veel uitheemse bomen
                                    te vinden, door landgoedeigenaren aangeplant ter verfraaiing van
                                    het bos. De naam van dit type, Stinzenbos, komt van het woord
                                    stins, de Friese benaming voor kasteel/landhuis.</al><al>Beheer is gericht op het behouden van de bijzondere (uitheemse)
                                    bomen en het handhaven van de karakteristieke struiklaag en
                                    kruiden. Dit kan betekenen het vrijstellen van bijzondere bomen,
                                    het vrijhouden van opslag van delen waar de bijzondere
                                    stinzenflora voorkomt en het behouden van de struiklaag. In
                                    sommige bossen gaat het om bollen of kruiden van de
                                    stinzenflora, maar het kan ook gaan ook om bloeiende struiken
                                    zoals azelea en rhododendron.</al><al>Landgoederen komen voor in geheel Nederland, maar vooral voor in
                                    het zand-, rivieren-, zeeklei- en duingebied. Park- en
                                    stinzenbos komt voornamelijk voor op min of meer kalkrijke
                                    zand-, zavel- en kleigronden op oeverwallen langs rivieren, op
                                    Friese stinzen en in de binnenduinrand. </al><al>Dit beheertype hangt steeds samen met een cultuurhistorisch
                                    waardevol landgoed. Vaak is de samenhang groot met andere
                                    landgoedelementen zoals een huis, tuin, lanen en overige bossen
                                    op het landgoed. Stinzenbossen kennen een bijzondere aan actief
                                    beheer gekoppelde stinzenplantenflora. Park- en stinzenbossen
                                    kennen tegenwoordig vaak een actief beheer gericht op het in
                                    stand houden van oude bomen en boomholten en de daaraan
                                    gekoppelde aanwezigheid van broedvogels en vleermuizen. </al><al><vet>1.2 Afbakening</vet></al><lijst><li nr="·"><al>Het beheertype Park- en stinzenbos bestaat uit opgaand
                                            bos, als onderdeel van een (voormalig) landgoed, met
                                            meestal een rijke struiklaag en veel kruiden die vooral
                                            in het voorjaar bloeien. </al></li><li nr="·"><al>In de kruidlaag van Stinzenbossen komen veel planten
                                            voor die oorspronkelijk zijn aangeplant en nu zijn
                                            verwilderd. Het betreft deels inheemse planten (zoals
                                            daslook en wilde narcis), maar met name ook van
                                            oorsprong uitheemse planten (veel soorten bol- en
                                            knolgewassen, zoals hyacinten, sneeuwklokjes en
                                            krokussen maar bijvoorbeeld ook hartbladzonnebloem,
                                            Italiaanse aronskelk of azalea). Daarnaast komen ook
                                            geïntroduceerde uitheemse boomsoorten voor met een hoge
                                            sierwaarde. </al></li><li nr="·"><al>Park- en stinzebos kent een actief beheer dat gericht is
                                            op het behoud van de bijzondere flora en fauna. De
                                            bomen, struiken en kruiden van Park- en Stinse bos staan
                                            in een verband dat een bedacht, esthetisch doel
                                            dient..</al></li><li nr="·"><al>Ornamentele boomgroepen, ook wel clumps genoemd, vallen
                                            buiten dit type en behoren in beheertype Historische
                                            tuin. </al></li><li nr="·"><al>Bomen en struiken die langs lanen geplant zijn, worden
                                            niet tot dit beheertype gerekend, maar worden gerekend
                                            tot een beheertype uit de Index Landschap </al></li><li nr="·"><al>Stadsparken behoren niet tot dit beheertype.</al></li></lijst><al><vet>Subsidieverplichtingen</vet></al><al>De beheerder dient het beheertype in stand te houden. De wijze
                                    waarop hij deze instandhoudingsverplichting invult, is aan de
                                    beheerder zelf. </al><al><vet>Voorbeeldgebieden</vet></al><al>n.v.t.</al><al/><al>N17.04 Eendenkooi</al><al><vet>1.1 Algemene beschrijving</vet></al><al>Een Eendenkooi bestaat uit een waterplas met vangpijpen. De vorm
                                    is per streek en per kooi sterk verschillend. Eendenkooien
                                    kennen een aantal onderdelen: allereerst de kooiplas, een
                                    centraal stuk open water. Aan de kooiplas zitten drie of
                                    meerdere vangpijpen; sloten, voorzien van rietschermen, waar de
                                    eenden in gelokt kunnen worden. Complex van kooiplas en
                                    vangpijpen is omgeven door het kooibos. Vaak zijn in deze bossen
                                    hakhout en knotbomen te vinden. Eendenkooien zijn vaak omgeven
                                    door een sloot en soms is er nog een kooikerhuisje aanwezig. </al><al>Eendenkooien zijn typisch Nederlandse elementen, ontstaan in de
                                    late middeleeuwen. De kooien werden in voorgaande eeuwen
                                    aangelegd om wilde eenden te vangen voor consumptie. Er wordt
                                    onderscheid gemaakt tussen levende kooien en rustende kooien. De
                                    zogenaamde levende kooien kennen speciale rechten
                                    (afpalingsrecht) en moeten vangklaar zijn. Dat wil zeggen dat
                                    minimaal één vangarm bedrijfsklaar moet zijn. Rustende kooien
                                    kennen deze rechten niet en hier is geen minimumeis aan de staat
                                    van onderhoud. Een kooirelict tenslotte is een overblijfsel van
                                    een eendenkooi, vaak is dan nog slechts de structuur van de kooi
                                    herkenbaar.</al><al>Waarschijnlijk zijn er in Nederland ruim 1.000 eendenkooien
                                    geweest: nu resteren nog 118 geregistreerde kooien (levende
                                    kooien). Eendenkooien komen voor in grote delen van Nederland,
                                    alleen Drenthe, Limburg en Flevoland kennen geen eendenkooien
                                    (meer).</al><al>Eendenkooien komen voor in diverse landschapstypen. De kooi ligt
                                    op een rustige plek in waterrijk gebied en is omzoomd door bos
                                    en struweel. Hierdoor zijn kooien in verder open landschap
                                    opvallende elementen. Eendenkooien vormen vaak rustgebieden in
                                    het landschap voor vogels en zoogdieren en kennen door de
                                    afwisseling van water en bos een rijke broedvogelbevolking.</al><al><vet>1.2 Afbakening</vet></al><lijst><li nr="·"><al>Onder het beheertype Eendenkooi vallen de geregistreerde
                                            eendenkooien en die kooien die aan de voorwaarden van
                                            geregistreerde kooien voldoen. </al></li><li nr="·"><al>De Eendenkooi omvat de kooiplas met omringend kooibos,
                                            tot een maximale grootte van 4 ha. </al></li><li nr="·"><al>Het beheer bestaat ui het openhouden van kooiplas en
                                            vangarmen, onderhoud in het kooibos met afzetten van
                                            hakhout en knotten van de knotbomen en het vangklaar
                                            houden van minimaal één van de vangarmen. </al></li></lijst><al><vet>Subsidieverplichtingen</vet></al><al>De beheerder dient het beheertype in stand te houden. De wijze
                                    waarop hij deze instandhoudingsverplichting invult, is aan de
                                    beheerder zelf. </al><al><vet>Voorbeeldgebieden</vet></al><al>n.v.t.</al><al><vet>Bijlage 3</vet></al><al>De koppeltabel zoals bedoeld in artikel 1.1, onderdeel f, is
                                    geplaatst op
                                        <onderstreept>http://www.portaalnatuurenlandschap.nl/assets/Koppeltabel_08_04_2014-nationaal-def.pdf</onderstreept>.</al></li></lijst></li></lijst></bijlage><nota-toelichting><kop><label>TOELICHTING</label><titel/></kop><al/><al><vet><vet>Toelichting behorende bij de Uitvoeringsregeling Natuur- en
                            landschapsbeheer Noord-Holland 2016-2021.</vet></vet></al><al><vet>Aanleiding</vet></al><al>Per 1 januari 2016 gaat het Subsidiestelsel Natuur en Landschap (SNL) 2016 in.
                    De belangrijkste wijzigingen ten opzichte van het huidige SNL hebben betrekking
                    op het agrarisch natuur- en landschapsbeheer. </al><al>Het Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer 2016 gaat uit van een collectieve
                    aanpak en de inzet van agrarisch natuur- en landschapsbeheer op de meest
                    kansrijke gebieden. Agrarische collectieven vragen de subsidie aan; boeren
                    vragen dus niet meer individueel subsidie aan voor agrarisch natuur- en
                    landschapsbeheer. </al><al/><al><vet><vet>Beleidskader </vet></vet></al><al>Het rijk zet zich in voor versterking van de natuur en een effectieve invulling
                    van de internationale natuurdoelen. Uitgangspunt daarbij is het instandhouden en
                    bevorderen van plant- en diersoorten, van natuurlijke habitats met
                    internationale betekenis, van ecologisch gezonde watersystemen en een schoon
                    milieu. </al><al><vet>Provinciaal beleid natuur en landschap</vet></al><al>De provincie is verantwoordelijk voor de uitvoering van het natuurbeleid. Zij
                    treedt op als gebiedsregisseur in het landelijk gebied en brengt de partijen bij
                    elkaar die zorgen voor de uitvoering van het natuur- en landschapsbeheer. De
                    provincie bepaalt ook waar zij welke doelen wil realiseren en welke financiële
                    middelen zij hiervoor inzet. Zij legt deze doelen en middelen onder andere vast
                    in het provinciale Natuurbeheerplan. Hierin staat in welke gebieden natuur-,
                    agromilieu- en klimaatdiensten ingezet kunnen worden.</al><al>De provincie houdt bij de uitvoering van het natuurbeleid rekening met
                    beleidsdoelen van andere overheden en activiteiten in het landelijk gebied,
                    zoals het waterbeleid, recreatiebeleid, economisch en milieubeleid, zodat
                    synergie kan worden bereikt. </al><al>Via het SNL 2016 verleent de provincie subsidie voor het behoud en de
                    ontwikkeling van (agrarische) natuurgebieden en landschappen. De natuurkwaliteit
                    staat hierbij centraal. </al><al><vet>Algemene uitgangspunten SNL </vet></al><al>In de Strategische Visie SNL die is vastgesteld tussen overheden en beheerders
                    van gronden, zijn de volgende uitgangspunten bepaald:</al><lijst><li nr="·"><al>Uniformiteit in twaalf provincies (het is een landelijk stelsel met
                            provinciale specificaties).</al></li><li nr="·"><al>De provincies stellen doelen en kaders en regisseren overleg (sturing op
                            hoofdlijnen).</al></li><li nr="·"><al>Alle partijen die landschap en (agrarische) natuurgebieden beheren en
                            kunnen bijdragen aan natuurkwaliteitsdoelstellingen stemmen met elkaar
                            af en werken met elkaar samen.</al></li><li nr="·"><al>Uitgangspunt is een gebiedsgerichte benadering. Dat betekent dat
                            rekening wordt gehouden met regionale verschillen in het landschap, wat
                            leidt tot regionaal maatwerk.</al></li><li nr="·"><al>Er wordt afgestemd met waterschappen over de realisatie en financiering
                            van kwalitatieve en kwantitatieve waterdoelen.</al></li></lijst><al/><lijst><li nr="·"><al>De beheerders van gronden worden afgerekend op uitgevoerd beheer.</al></li><li nr="·"><al>Het stelsel is robuust: beleidswijzigingen zijn eenvoudig in te
                            passen.</al></li><li nr="·"><al>Met het SNL krijgen beheerders van gronden meer verantwoordelijkheid
                            voor en vertrouwen in de uitvoering.</al></li><li nr="·"><al>Het SNL past binnen de regels van staatssteun en POP.</al></li></lijst><al>Europa stelt regels voor staatssteun en controleert op de inzet van POP-gelden.
                    In het SNL zijn de regels zoveel mogelijk beperkt tot het voldoen aan de
                    Europese eisen. </al><al><vet>Uitgangspunten van de Subsidieverordening natuur- en landschapsbeheer
                        (SVNL) zijn</vet>:</al><lijst><li nr="·"><al>De juridische basis voor subsidieverlening is zo simpel mogelijk;</al></li><li nr="·"><al>Er zijn geen dubbelingen met de Algemene wet bestuursrecht (Awb);</al></li><li nr="·"><al>Subsidie voor agrarisch natuur- en landschapsbeheer (agrarische
                            collectieven) en voor natuurbeheer (natuurbeheerders);</al></li><li nr="·"><al>Onderscheid tussen gecertificeerde en niet-gecertificeerde
                            natuurbeheerders voor natuurbeheer; </al></li><li nr="·"><al>Uniformiteit in de twaalf provincies. </al></li></lijst><al><vet>Index Natuur en Landschap </vet></al><al>De Index Natuur en Landschap is een gemeenschappelijke, landelijk uniforme
                    “natuurtaal” die de typen natuur, landschap en agrarische natuur in Nederland
                    beschrijft. De Index onderscheidt twee niveaus: natuurtypen (voor de sturing en
                    verantwoording op landelijk niveau), en beheertypen (voor de operationele
                    aansturing van het beheer op regionaal en lokaal niveau). Voor het natuurbeheer
                    vormen de beheertypen de basis voor afspraken over doelen en middelen tussen
                    provincie en natuurbeheerder. Voor het agrarisch natuur- en landschapsbeheer
                    kunnen zowel afspraken worden gemaakt op het niveau van natuurtypen als op het
                    niveau van beheertypen.</al><al><vet>Catalogus groen blauwe diensten </vet></al><al>De Catalogus groen blauwe diensten is een overzicht van de maximale vergoedingen
                    die Nederlandse overheden mogen geven aan grondeigenaren of beheerders van
                    gronden die een Groenblauwe dienst (agrarische) natuur en landschap,
                    cultuurhistorie, recreatie of waterbeheer) leveren. In de Catalogus zijn alle
                    beheeractiviteiten beschreven waarvoor provincies in het SNL subsidie
                    verstrekken. Voor het agrarisch natuur- en landschapsbeheer zijn de
                    beheeractiviteiten samengevat in een koppeltabel die aangeeft welke
                    beheeractiviteiten binnen een leefgebied of onderdeel daarvan kunnen worden
                    vergoed met medefinanciering vanuit Europa. </al><al><vet>Natuurbeheerplan </vet></al><al>Het Natuurbeheerplan beschrijft de beleidsdoelen en subsidiemogelijkheden voor
                    de ontwikkeling en het beheer van natuurgebieden, agrarische natuur en
                    landschapselementen in de provincie. De provincie geeft subsidie voor een
                    aanzienlijk deel van de kosten voor ontwikkeling en beheer van natuur en
                    landschap. Het Natuurbeheerplan vormt de basis voor de aanvraag van deze
                    subsidies; het geeft de kaders aan waaraan een aanvraag moet voldoen om in
                    aanmerking te kunnen komen voor subsidie.</al><al>Voor het agrarisch natuurbeheer zijn de beleidsdoelen biodiversiteit en water
                    gekoppeld aan de agrarische leefgebieden. Begrenzing op de kaart in het
                    Natuurbeheerplan gebeurt op basis van natuurtypen (=leefgebied) met daaronder
                    een of meerdere beheertypen. In de tekst van het Natuurbeheerplan bepaalt de
                    provincie welkedoelsoorten waar beschermd moeten worden en welk beheer daarvoor
                    ingezet kan worden. Ook kunnen er instapeisen worden geformuleerd per
                    beheertype.</al><al><vet>Beheertypenkaart en ambitiekaart kern van het Natuurbeheerplan </vet></al><al>De beheertypenkaart geeft alle bestaande, beheerwaardige (agrarische) natuur en
                    landschap weer. Deze kaart vormt ook de basis voor het verlenen van
                    beheersubsidies. Voor een deel van de natuurgebieden en agrarische gebieden met
                    specifieke natuurwaarden bestaat een ambitie om het huidige gebruik of het
                    beheer te veranderen. Dit ligt vast op de ambitiekaart.</al><al><vet>Openstellingsbesluit: subsidiemogelijkheden en –budget </vet></al><al>De provincie geeft de subsidiemogelijkheden jaarlijks aan op de kaarten in het
                    Natuurbeheerplan. In het provinciale openstellingsbesluit staat of de subsidie
                    wordt opengesteld en hoeveel subsidie beschikbaar is (in subsidieplafonds per
                    natuurtype, leefgebied of onderdeel daarvan, al dan niet onderverdeeld naar
                    regio’s).</al><al><vet>Certificering </vet></al><al>Natuurbeheerders en agrarische collectieven kunnen een verklaring van de
                    Stichting Certificering Subsidiestelsel Natuur- en Landschapsbeheer krijgen
                    waarmee wordt ingestemd met de manier waarop deze beheerders de kwaliteitseisen
                    voor het uitvoeren van beheer, de organisatie en de administratie garanderen.
                    Dit wordt een (natuur)certificaat genoemd. Vertrouwen in de beheerder staat
                    hierbij centraal. Om voor een certificaat in aanmerking te komen, stelt de
                    natuurbeheerder respectievelijk het agrarisch collectief een Kwaliteitshandboek
                    op dat gebaseerd is op een Programma van Eisen. De Stichting Certificering
                    Subsidiestelsel Natuur- en Landschapsbeheer verstrekt, namens de provincies, de
                    certificaten na beoordeling van het kwaliteitshandboek en voert audits uit bij
                    de gecertificeerden om de kwaliteitsbewaking in de praktijk te toetsen. </al><al><vet>Monitoring Natuurkwaliteit</vet></al><al>Er wordt jaarlijks veel geïnvesteerd in (agrarisch) natuurbeheer. Om vast te
                    stellen of de afgesproken doelen voor in stand houden van soorten worden gehaald
                    of dat de uitvoering bijgesteld moeten worden, hebben Rijk, provincies en
                    beheerders van gronden een uniforme werkwijze ontwikkeld, de Werkwijze
                    Monitoring Beoordeling Natuurnetwerk – Natura 2000/PAS. Hiermee kan worden
                    gestuurd op de ambities voor het Natuurnetwerk Nederland en een vitaal
                    platteland, op beheerprestaties en op een effectieve inzet van middelen. Voor
                    het agrarisch natuurbeheer is deze werkwijze nog in ontwikkeling. </al><al><vet>Artikelsgewijs</vet></al><al><vet>Artikel 1.1 Definities, onderdeel d</vet></al><al>Binnen een beheerfunctie zijn diverse beheeractiviteiten samengevoegd, waarna
                    wordt gesproken van een cluster. Die clustering heeft plaatsgevonden vanuit het
                    achterliggende doel van die beheerfunctie. In de koppeltabel (zie daarvoor
                    artikel 3.11 onder c) is terug te vinden dat clustering heeft plaatsgevonden
                    vanuit de volgende beheerfuncties:</al><lijst><li nr="-"><al>Creëren fourageergebied</al></li><li nr="-"><al>Creëren nat biotoop</al></li><li nr="-"><al>Verschralen</al></li><li nr="-"><al>Optimaliseren broed- en opgroeimogelijkheden</al></li><li nr="-"><al>Optimaliseren nestbescherming</al></li><li nr="-"><al>Optimaliseren voortplantingsmogelijkheden</al></li><li nr="-"><al>Waterberging</al></li><li nr="-"><al>Bufferzone</al></li><li nr="-"><al>Verbeteren waterkwaliteit</al></li><li nr="-"><al>Vernatting</al></li><li nr="-"><al>Water vasthouden</al></li></lijst><al><vet>Artikel 1.2 Openstelling</vet></al><al/><al><vet>In de openstelling worden de subsidieplafonds vastgesteld en bekendgemaakt.
                        Daarbij is het mogelijk om een deelplafond vast te stellen, specifiek voor
                        bepaalde doelgroepen, onderdelen van het natuurbeheerplan of
                        leefgebied.</vet></al><al><vet>Artikel 2.1 Doelgroep</vet></al><al>Een eigenaar die de grond in erfpacht heeft gegeven, zal geen subsidie meer
                    kunnen aanvragen omdat hij slechts het bloot eigendom heeft en geen zeggenschap
                    meer heeft over het grondgebruik en het beheer. Wel kunnen de genoemde
                    gerechtigden die hun grond in pacht uitgeven subsidie aanvragen en ontvangen
                    zolang ze de pacht zo hebben vorm gegeven dat de zeggenschap over het beheer nog
                    bij hen ligt. Pachters komen niet in aanmerking voor een subsidie
                    natuurbeheer.</al><al><vet>Artikel 2.9 Verplichtingen van de subsidieontvanger</vet></al><al><vet>Tweede lid, onderdeel a en c, Toegankelijkheid</vet></al><al>Er wordt belang gehecht aan de recreatieve openstelling van natuurterreinen.
                    Daarom bevat het tweede lid verplichtingen ten behoeve van landelijke
                    wandelpaden, fietsroutes en knooppuntennetwerken. Van subsidieontvangers wordt
                    niet alleen gevraagd om het natuurterrein open te stellen voor publiek, maar ook
                    om desgevraagd medewerking te verlenen aan bewegwijzering van wandel- en
                    fietsroutes. </al><al>Als een natuurterrein om de in het vierde lid genoemde redenen niet kan worden
                    opengesteld, dan is dat gedeelte vrijgesteld van openstelling.</al><al>Een terrein is toegankelijk (oftewel begaanbaar) als er in het terrein gelopen,
                    gefietst of gevaren kan worden zonder dat er gevaarlijke situaties (bijvoorbeeld
                    bij moerassen en trilvenen) ontstaan.</al><al>Een terrein is bereikbaar als het te bereiken is vanaf de openbare weg, of via
                    een aangrenzend opengesteld terrein.</al><al><vet>Algemeen agrarisch natuur- en landschapsbeheer</vet></al><al>De agrarische gebieden rondom de natuurgebieden vormen een belangrijke schakel
                    in het realiseren van de natuurdoelen vanwege de bufferfunctie die zij
                    vervullen. Daarnaast zijn er veel soorten die hun leefgebied in het agrarisch
                    gebied hebben. Om dit beter op elkaar aan te sluiten, is een effectiever en
                    efficiënter agrarisch natuur- en landschapsbeheer nodig. </al><al>Het agrarisch natuur- en landschapsbeheer is gericht op het creëren van
                    positieve omstandigheden voor biodiversiteit, waterkwaliteit en –kwantiteit.
                    Bovendien heeft het beheer een duidelijke meerwaarde voor natuur, landschap,
                    water en agrarisch ondernemerschap. Het nieuwe agrarisch natuurbeheer is het
                    resultaat van een integrale toepassing in de streek.</al><al>Het maatschappelijk draagvlak en de beleefbaarheid en leefbaarheid van het
                    platteland wordt vergroot, mede door aan te sluiten bij praktijk,
                    omstandigheden en ervaring van ondernemers.</al><al><vet>Artikelsgewijs</vet></al><al><vet>Artikel 3.1 Doelgroep</vet></al><al>Vanaf 2016 vragen gecertificeerde agrarische collectieven subsidie aan voor
                    agrarisch natuur- en landschapsbeheer, zij zijn de begunstigde van de subsidie.
                    Een agrarisch collectief is een samenwerkingsverband in een bepaald gebied dat
                    bestaat uit agrariërs en andere grondgebruikers in dat gebied die zich
                    vrijwillig hebben verenigd voor het uitvoeren van agrarisch natuur- en
                    landschapsbeheer.</al><al>Voor deze subsidie komen alleen agrarische collectieven in aanmerking, die een
                    SNL-certificaat bezitten.</al><al>Bepaald is dat enkel een vereniging subsidie kan aanvragen. Een coöperatie is op
                    grond van het Burgerlijk Wetboek een bijzondere vorm van een vereniging en wordt
                    op grond van de verordening derhalve ook als een vereniging aangemerkt.</al><al>De keuze voor een vereniging vloeit voort uit de Brusselse eis dat subsidie
                    alleen mogelijk is aan landbouwers en groepen van landbouwers of andere
                    grondgebruikers. Uit die eis volgt dat er een directe relatie moet zijn tussen
                    de “groep” die aanvraagt en landbouwers of grondgebruikers daarachter. De
                    vereniging is de enige rechtsvorm die deze relatie zichtbaar maakt. Vanuit
                    controleerbaarheid is volledige rechtsbevoegdheid nodig. </al><al><vet>Artikel 3.2 Subsidiabele activiteiten</vet></al><al>Uitgangspunt van het Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer (ANLb2016) is een
                    leefgebiedenbenadering: het creëren en in stand houden van een leefgebied voor
                    een soort of groep van soorten die vergelijkbare beheeractiviteiten vragen in
                    een bepaald gebied. </al><al>Er zijn vier agrarische leefgebieden en één categorie voor water. De vier
                    leefgebieden komen overeen met de agrarische natuurtypen van de Index Natuur en
                    Landschap: open grasland, open akkerland, natte dooradering en droge
                    dooradering.</al><al>De beheeractiviteiten die samen nodig zijn voor het behoud of de versterking van
                    een leefgebied zijn gebundeld in ‘clusters van beheeractiviteiten’. Per cluster
                    worden ook de beheerfuncties aangegeven, bijvoorbeeld het creëren van
                    foerageergebieden, of het verschralen of optimaliseren van
                    voortplantingsmogelijkheden. Voor de categorie water gelden andere
                    beheerfuncties, zoals waterberging of bufferzones. In afspraken met haar leden
                    clustert het agrarisch collectief de beheeractiviteiten tot beheerpakketten. </al><al><vet>Artikel 3.3 Weigeringsgronden</vet></al><al>Indien voor een gedeelte van het leefgebied waarvoor een subsidie wordt
                    aangevraagd reeds een subsidie is verstrekt, dan wordt dat gedeelte van de
                    aanvraag geweigerd. Het restant van de aanvraag kan dan gehonoreerd worden, als
                    dat resterende gedeelte aan de gestelde eisen voldoet. </al><al><vet>Artikel 3.4 Subsidievereisten</vet></al><al>Vanaf 2016 is bij het agrarisch natuur- en landschapsbeheer sprake van een
                    projectsubsidie voor het beheer gedurende zes jaar. Een gebiedsaanvraag moet
                    voldoen aan alle opgesomde vereisten. Een agrarisch collectief kan bijvoorbeeld
                    een gebiedsaanvraag doen voor drie verschillende leefgebieden of drie onderdelen
                    van een leefgebied. De gebiedsaanvraag wordt dan voor ieder van die drie
                    leefgebieden apart getoetst aan de subsidievereisten. Daarmee kan het voorkomen,
                    dat de gebiedsaanvraag enkel voor twee leefgebieden of onderdelen voldoet en
                    voor een leefgebied of onderdeel niet. Het onderdeel van de gebiedsaanvraag dat
                    dan op dat ene leefgebied ziet wordt afgewezen en het agrarisch collectief
                    ontvangt enkel voor de twee leefgebieden die wel voldoen aan de vereisten een
                    subsidie.</al><al>De zesjarige subsidie wordt in de aanvraagperiode voor het SNL aangevraagd via
                    een gebiedsaanvraag. Deze aanvraag is gebaseerd op een samenhangend ecologisch
                    effectief en efficiënt beheerplan. In aanloop naar het insturen van de
                    gebiedsaanvraag bespreekt het agrarisch collectief de concept-gebiedsaanvraag
                    met de provincie om eventuele knelpunten of provinciale afwegingen af te
                    stemmen. </al><al><vet>Eerste lid, onder c, eerste onderdeel, Minimum en maximum aantal hectares
                        per leefgebied</vet></al><al>Bij de gebiedsaanvraag is het noodzakelijk het minimum aantal hectares (bijv.
                    per leefgebied) te benoemen, waaronder de uiteindelijke betaalaanvragen niet uit
                    mogen komen. Het maximum aantal hectares mag 15% hoger zijn dan het minimum. De
                    begroting van de subsidiabele kosten is voor het maximum aantal hectares, want
                    bij de betaalaanvraag wordt getoetst hoeveel hectares daadwerkelijk zijn beheerd
                    en of de vergoeding van het gevoerde beheer niet het maximum bedrag in de
                    Catalogus Groenblauwe Diensten overschrijdt (staatssteuntoets). </al><al><vet>Eerste lid, onder c, tweede onderdeel, Projectomschrijving</vet></al><al/><al>De beheeractiviteiten die nodig zijn voor het behoud of de versterking van een
                    leefgebied zijn gebundeld in ‘clusters van beheeractiviteiten’. Per cluster van
                    beheeractiviteiten wordt ook de beheerfunctie aangegeven, bijvoorbeeld:
                    broedmogelijkheden, opgroeimogelijkheden, foerageren en nat biotoop. Voor de
                    categorie water gelden aanvullende beheerfuncties. <vet>Binnen</vet> elk cluster
                    van beheeractiviteiten dragen beheerpakketten, combinaties van
                    beheeractiviteiten en eventueel aanvullende voorwaarden voor agrarisch natuur-
                    en landschapsbeheer op een bepaald perceel, bij aan de realisatie van de
                    beheerfunctie van het cluster van beheeractiviteiten. </al><al><vet>Tweede lid, uitzondering certificaatsvereiste</vet></al><al>Duidelijk is dat voor de eerste aanvraagperiode onder deze regeling in 2015,
                    voor start op 1 januari 2016, het niet mogelijk is om voor alle collectieven
                    voor 1 juni al een certificaat af te geven. Daarom is in het tweede lid op het
                    vereiste uit het eerste lid een uitzondering gemaakt. Voor de eerste
                    aanvraagperiode is het voldoende dat op het moment van aanvragen van subsidie,
                    tevens een aanvraag voor een certificaat is ingediend. </al><al>In artikel 3.11 onder l is vastgelegd dat het collectief als subsidieontvanger
                    voor de gehele subsidieperiode moet beschikken over een certificaat. De
                    subsidieperiode begint conform artikel 3.10 op 1 januari. Hieruit volgt dat het
                    collectief voor de eerste aanvraagperiode daarom tot 1 januari de tijd heeft om
                    het certificaat uiteindelijk te verkrijgen.</al><al><vet>Artikel 3.5 Subsidiabele kosten</vet></al><al>Onderdeel a en b zijn de kosten die rechtstreeks met het verrichten
                    respectievelijk leveren van de dienst te maken hebben. Onderdeel c benoemt
                    transactiekosten. Dit zijn kosten die niet direct met de uitvoering van de
                    dienst te maken hebben, maar kosten verbonden aan het vervullen van de
                    randvoorwaarden zodat de dienst daadwerkelijk uitgevoerd kan worden. Denk aan
                    kosten voor administratie, ureninzet om de aanvraag te kunnen doen etc. Hierbij
                    wordt uitgegaan van maximaal 20% transactiekosten en streefpercentage van
                    15%.</al><al><vet>Artikel 3.6 Niet subsidiabele kosten</vet></al><al>Kosten die voortvloeien uit het voldoen aan de basis, vanuit de goede
                    landbouwpraktijk, vallen buiten de subsidie. </al><al>Hierbij kan worden gedacht aan:</al><lijst><li nr="a."><al>de vastgestelde toepasselijke dwingende normen krachtens titel VI,
                            hoofdstuk I, van Verordening (EU) nr. 1306/2013;</al></li><li nr="b."><al>de vastgestelde toepasselijke criteria krachtens artikel 4, lid 1, onder
                            c), tweede en derde streepje, van de RB-verordening</al></li><li nr="c."><al>de minimumactiviteiten en toepasselijke minimumvereisten voor het
                            gebruik van meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen;</al></li><li nr="d."><al>andere toepasselijke dwingende voorschriften die bij nationale wetgeving
                            zijn vastgesteld.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 3.7 Subsidiehoogte </vet></al><al><vet>Derde lid Ondergrens</vet></al><al>In dit lid 4 wordt de ondergrens voor het te subsidiëren bedrag geregeld. Elke
                    provincie kan hier een eigen ondergrens bepalen. SCAN adviseert daarvoor een
                    minimaal bedrag van Є50.000.</al><al><vet>Artikel 3.8 Verdeelcriteria</vet></al><al>In dit artikel is geregeld hoe het beschikbare geld verdeeld wordt over de
                    ingekomen aanvragen die volledig zijn en aan de vereisten van artikel 3.4
                    voldoen.</al><al>Als er voor een gebied meerdere aanvragen binnenkomen, worden die aanvragen
                    onderling gewogen.</al><al>In het tweede lid is beschreven hoe de aanvragen onderling worden gewogen. Alle
                    aanvragen worden onderling gewogen op basis van de beoordelingscriteria en van
                    punten voorzien. De aanvraag met de meeste punten gaat voor, totdat het geld
                    verdeeld is. </al><al><vet>Artikel 3.11 Subsidieverplichtingen</vet></al><al><vet>Onder d Wijziging van activiteiten op perceelsniveau</vet></al><al>Tijdens het beheerjaar kan blijken dat het beheerplan voor dat jaar niet
                    helemaal uitvoerbaar blijkt of niet klopt. Bij het beheer dat gericht is op
                    specifieke doelsoorten is het bijvoorbeeld van belang de beheeractiviteiten
                    (zoals uitgesteld maaien) aan te passen aan de aanwezigheid van jonge dieren.
                    Ook kunnen vogels op een ander perceel gaan zitten dan dat in het beheerplan is
                    opgenomen, waardoor het beheer verlegd moet worden. Deze wijzigingen zijn
                    toegestaan en moeten direct in het systeem vastgelegd worden. Tot het indienen
                    van het jaarlijks betaalverzoek uiterlijk op 15 mei kan, als hiervoor een
                    ecologische reden is, de locatie van het beheer verplaatst worden naar meer
                    effectieve percelen. Nadat het betaalverzoek is ingediend, kunnen beheerlocaties
                    niet meer wijzigen. Wel kan tot 30 september het beheer op een perceel wijzigen,
                    bijvoorbeeld vanwege het uitvliegen van kuikens.</al><al><vet>Onder i Aanvraag tot betaling</vet></al><al>De subsidieontvanger vraagt in de zesjarige subsidieperiode jaarlijks tussen 1
                    april en 15 mei uitbetaling aan voor alle percelen waarop zij beheer uitvoert
                    volgens de subsidiebeschikking. Hiermee wordt het maximaal te betalen
                    subsidiebedrag vastgelegd (het aantal hectares uit de gebiedsaanvraag
                    vermenigvuldigd met het gemiddelde bedrag per hectare). Voor beheerjaar 2016
                    doet de subsidieontvanger dus uiterlijk op 15 mei 2016 een betaalverzoek voor
                    het beheer dat in 2016 plaatsvindt.</al><al><vet>Onder j Verantwoording</vet></al><al>Uiterlijk 1 oktober dient de subsidieontvanger jaarlijks de verantwoording van
                    het betaalverzoek in. In de verantwoording wordt op perceelsniveau vastgelegd
                    welk beheer is uitgevoerd (de locatie en de beheeractiviteit per oppervlakte).
                    Samen met de actuele veldgegevens wordt dit gebruikt als basis voor het
                    jaarlijkse evaluatiegesprek met de provincie. </al><al>De verantwoording van het betaalverzoek is de basis voor de hoogte van de
                    betaling die steeds na afloop van een beheerjaar wordt uitgekeerd. Bij het
                    Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer 2016 hoeft dus niet jaarlijks een
                    kostenoverzicht te worden ingediend. Bepaald wordt of de beheeractiviteiten in
                    het beheerplan volgens de Catalogus Groenblauwe Diensten, eventueel na
                    correcties en sancties, gelijk of hoger zijn dan het maximaal uit te betalen
                    bedrag. De subsidieontvanger krijgt het bedrag dat vermeld is in de
                    betaalaanvraag uitbetaald als aan de subsidiebeschikking wordt voldaan en het
                    maximumbedrag dat volgt uit de eerdergenoemde berekening niet wordt
                    overschreden.</al><al/><al><vet>Artikel 3.13 Wijziging subsidieverlening vanwege vergroting
                    areaal</vet></al><al>Een uitbreidingsaanvraag is een verzoek tot uitbreiding van de zesjarige
                    subsidiebeschikking. Als hiervoor budget wordt opengesteld, kan het agrarisch
                    collectief jaarlijks een uitbreidingsaanvraag indienen voor de resterende
                    looptijd van de oorspronkelijke zesjarige subsidiebeschikking. De
                    uitbreidingsaanvraag moet de oorspronkelijke aanvraag versterken en passen
                    binnen het natuurbeheerplan dat op het moment van het indienen van de
                    uitbreidingsaanvraag geldt. De uitbreidingsaanvraag doorloopt dezelfde
                    beoordelingsprocedure als nieuwe aanvragen.</al><al><vet>Artikel 3.14 Subsidievaststelling</vet></al><al>Aan het einde van de zesjarige subsidieperiode wordt de afrondende
                    subsidiebeschikking vastgesteld op basis van de jaarlijkse beschikkingen op het
                    betaalverzoek, uitgebreid met de laatste beoordeling van het betaalverzoek. De
                    vaststelling wordt getoetst aan de subsidiebeschikking. </al><al><vet>Artikel 3.15 Sancties</vet></al><al>Artikel 35 van verordening (EU) nummer 640/14 bepaalt dat het bevoegd gezag een
                    sanctiebeleid moet opstellen. Daarin wordt aangegeven hoe de provincie omgaat
                    met de situatie dat de subsidieontvanger niet aan haar verplichtingen voldoet. </al><al><vet>Toelichting </vet><vet>behorende </vet><vet>bij de wijzigingen ten opzichte
                        van de SVNL 2016</vet></al><al><vet>ALGEMEEN</vet></al><al>Op 1 januari 2016 gaat het Subsidiestelsel Natuur en Landschap (SNL) 2016 in. Om
                    het nieuwe stelsel mogelijk te maken, is een geheel nieuwe subsidieregeling
                    vastgesteld: de Uitvoeringsregeling natuur- en landschapsbeheer Noord-Holland
                    2016 (hierna: SVNL 2016).</al><al>In deze gewijzigde uitvoeringsregeling worden ten opzichte de SVNL 2016 op
                    diverse plekken aanpassingen aangebracht. Het gaat hierbij om technische
                    wijzigingen die het doel hebben om, nog voorafgaand aan de start van het nieuwe
                    stelsel, te voorkomen dat bij de uitvoering knelpunten ontstaan. In de
                    artikelsgewijze toelichting worden enkele wijzigingen nader toegelicht.</al><al/><al><vet>ARTIKELSGEWIJS</vet></al><al>Artikelen 1.1, 3.12, 3.14 en bijlage 3</al><al>Voor het agrarisch natuur- en landschapsbeheer zijn de beheeractiviteiten
                    samengevat in een koppeltabel die aangeeft welke beheeractiviteiten binnen een
                    leefgebied of onderdeel daarvan kunnen worden vergoed met medefinanciering
                    vanuit Europa. In bijlage 3 is deze koppeltabel opgenomen. </al><al>Artikelen 1.1 en 3.11</al><al>De definitie van landbouwgrond is aangepast. Deze aanpassing leidt voorts tot
                    aanpassing van artikel 3.11 sub a. Door deze aanpassing wordt duidelijk dat
                    landschapselementen onderdeel van de subsidie agrarisch natuurbeheer kunnen
                    vormen.</al><al>Artikelen 1.1 en 1.8</al><al>In de SVNL’16 is niet expliciet opgenomen dat Gedeputeerde Staten certificaten
                    kunnen verstrekken. Om enige onzekerheid die daardoor zou kunnen ontstaan weg te
                    nemen, bevat deze wijziging expliciet de grondslag. </al><al>Artikel 3.7</al><al>Door de aanpassing van het eerste lid wordt verduidelijkt dat de subsidie niet
                    afhankelijk is van het aangevraagde (maximum) aantal hectares, maar van de
                    goedgekeurde hectares.</al><al>Artikel 4.1 </al><al>De Uitvoeringsregeling natuur- en landschapsbeheer Noord-Holland 2016 (SVNL
                    2016) wordt ingetrokken.</al><al>Artikel 4.2</al><al>In de overgangsbepaling wordt bepaald dat op grond van de SVNL 2016 vastgestelde
                    openstellingsbesluiten, met inbegrip van de invulling –o.a. de subsidieplafonds-
                    die daaraan op grond van artikel 1.2 lid 2 van de SVNL 2016 is gegeven, onder de
                    SVNL 2016-2021 van kracht blijven. </al><al/></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>