<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR376720_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Tegenprestatie Participatiewet Zaanstad 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Zaanstad</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-04-24</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Zaanstad</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad 2014, nr. 84051</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Tegenprestatie Participatiewet Zaanstad 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=8a">Participatiewet, artikel 8a, eerste lid</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-11-27</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuw beleid</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2014/219130</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Verordening Tegenprestatie Participatiewet 2015</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening Tegenprestatie Participatiewet Zaanstad 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Zaanstad</al><al/><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 28 oktober 2014, nr.
                        2014/219130;</al><al>gelet op artikel 8a, eerste lid, onderdeel b, van de Participatiewet;</al><al>overwegende dat de gemeenteraad op grond van artikel 8a, lid 1 onderdeel b
                        van de Participatiewet bij verordening regels stelt met betrekking tot het
                        opdragen van een tegenprestatie als bedoeld in artikel 9, lid1, onderdeel c
                        van de Participatiewet;</al><al/><al>BESLUIT</al><al>vast te stellen de hierna volgende</al><al/><al><vet> “Verordening Tegenprestatie Participatiewet Zaanstad 2015</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><lid><lidnr/><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al>belanghebbenden: personen die behoren tot de doelgroep van de
                                Participatiewet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>mantelzorg: zorg die niet in het kader van een hulpverlenend beroep
                                wordt geboden aan een hulpbehoevende door personen uit diens directe
                                omgeving, waarbij zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de
                                sociale relatie en de gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar
                                overstijgt.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>De tegenprestatie naar vermogen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Inhoud van een tegenprestatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden,
                                die additioneel van aard zijn, inzetten als tegenprestatie voor
                                zover die werkzaamheden:</al><lijst><li nr="a."><al>naar zijn aard niet zijn gericht op toeleiding tot de
                                        arbeidsmarkt;</al></li><li nr="b."><al>niet zijn bedoeld als re-integratie-instrument;</al></li><li nr="c."><al>worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid
                                        in de organisatie waarin ze worden verricht; en</al></li><li nr="d."><al>niet leiden tot verdringing.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan ter nadere uitvoering van deze verordening
                                beleidsregels vaststellen waarin wordt vastgelegd welke aanvullende
                                werkzaamheden het college in ieder geval kan aanbieden en de
                                voorwaarden die daarbij gelden voor zover daarover in deze
                                verordening geen nadere bepalingen zijn opgenomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Het opdragen van een tegenprestatie</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan aan belanghebbenden een tegenprestatie
                                    opdragen.</al></li><li nr="2."><al>Bij het opdragen van een tegenprestatie houdt het college
                                    rekening met de volgende factoren:</al><lijst><li nr="a."><al>de tegenprestatie moet naar vermogen kunnen worden
                                            verricht door een belanghebbende;</al></li><li nr="b."><al>de persoonlijke situatie en individuele omstandigheden
                                            van een belanghebbende;</al></li><li nr="c."><al>de persoonlijke wensen en kwaliteiten van een
                                            belanghebbende;</al></li><li nr="d."><al>het feit dat een belanghebbende al maatschappelijke
                                            activiteiten of vrijwilligerswerk verricht;</al></li><li nr="e."><al>het feit dat belanghebbende al re-integratieactiviteiten
                                            verricht;</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>In afwijking van het eerste lid draagt het college geen
                                    tegenprestatie op aan de belanghebbende die:</al><lijst><li nr="a."><al>aantoonbaar re-integratie activiteiten verricht en de
                                            afspraken vastgelegd in het plan van aanpak nakomt.</al></li><li nr="b."><al>aantoonbaar vrijwilligerswerk verricht dat naar aard en
                                            omvang vergelijkbaar is met een tegenprestatie als
                                            bedoeld in deze verordening.</al></li><li nr="c."><al>mantelzorg verricht voor zover het verrichten van die
                                            mantelzorg naar het oordeel van het college
                                            redelijkerwijs noodzakelijk is.</al></li><li nr="d."><al>Een indicatie heeft voor groepsgewijze begeleiding op
                                            grond van de Algemene wet bijzondere ziektekosten, dan
                                            wel een beschikking voor een maatwerkvoorziening op
                                            grond van de Wmo waarbij in het arrangement een element
                                            van dagbesteding is opgenomen.</al></li><li nr="e."><al>een indicatie heeft voor beschut werk.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Het college kan bij dringende redenen in individuele gevallen
                                    een tijdelijke ontheffing verlenen van de verplichting om een
                                    opgedragen tegenprestatie te verrichten.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Duur en omvang van een tegenprestatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De tegenprestatie heeft in beginsel een omvang van minimaal 8 uren
                                per week.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De tegenprestatie heeft een omvang van maximaal 16 uur per week en
                                maximaal 208 uur.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De duur van de tegenprestatie is maximaal zes maanden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De tegenprestatie kan binnen een periode van 12 maanden eenmaal
                                worden opgedragen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Geen werkzaamheden voorhanden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college draagt geen tegenprestatie op indien geen werkzaamheden
                                voorhanden zijn die kunnen worden ingezet als tegenprestatie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het college geen tegenprestatie opdraagt omdat geen
                                werkzaamheden voorhanden zijn, beoordeelt het college binnen 6
                                maanden of op dat moment wel werkzaamheden voorhanden zijn die
                                kunnen worden ingezet als tegenprestatie.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in
                            deze verordening, indien onverkorte toepassing zou leiden tot
                            onredelijkheid of onbillijkheid.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari
                                    2015.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening
                                    tegenprestatie Participatiewet Zaanstad 2015.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><nota-toelichting><kop><titel>Algemenetoelichting</titel></kop><al><vet>VerordeningtegenprestatieParticipatiewetZaanstad 2015</vet></al><al>Het college is bevoegd een belanghebbende te verplichten naar vermogen een
                    tegenprestatie te verrichten, ook als die tegenprestatie niet direct samenhangt
                    met arbeidsinschakeling. Een belanghebbende van achttien jaar of ouder doch
                    jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd is vanaf de dag van melding gehouden
                    naar vermogen een tegenprestatie te verrichten. Dit is vastgelegd in artikel 9,
                    eerste lid, onderdeel c, van de Participatiewet. De tegenprestatie bestaat uit
                    de plicht om naar vermogen door het college opgedragen onbeloonde
                    maatschappelijk nuttige werkzaamheden te verrichten, naast of in aanvulling op
                    reguliere arbeid en die niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt.</al><al><cursief>Tegenprestatie als sluitstuk</cursief></al><al>Omdat we de prioriteit leggen bij re-integratie naar de reguliere arbeidsmarkt
                    én omdat we uitgaan van de eigen verantwoordelijkheid van iedereen, zetten we
                    het wettelijk instrument tegenprestatie in Zaanstad alleen in als een sluitstuk. </al><al>We beginnen met afspraken over re-integratie met de mensen die naar de
                    arbeidsmarkt kunnen terugkeren. Of met afspraken over maatschappelijke
                    participatie met mensen voor wie dat (nog) niet aan de orde is. Het wettelijke
                    instrument ‘tegenprestatie’ wordt pas ingezet als mensen niet uit zichzelf ,
                    naar vermogen, op een of andere wijze participeren en daarmee iets terug doen
                    voor hun uitkering. </al><al>De kandidaat heeft zelf invloed op de inhoud en de vorm van re-integreren en
                    participeren. Hiermee willen wij de eigen verantwoordelijkheid en eigen
                    initiatief stimuleren: wat doe ík terug voor mijn uitkering? En het is de beste
                    manier om aan te sluiten bij wat iemand kan en wil. De omvang van de
                    activiteiten hangen af van iemands vermogen. Als er een goed plan ligt en de
                    kandidaat komt zijn/haar afspraken na, dan hoeven we het wettelijke instrument
                    ‘tegenprestatie’ niet in te zetten.</al><al><cursief>Individuele omstandigheden</cursief></al><al>Het college bepaalt aan de hand van de individuele omstandigheden en de
                    voorhanden zijnde onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, de aard, de
                    duur en de omvang van de aan een persoon op te leggen tegenprestatie. Hierbij
                    moet het college de in deze verordening neergelegde criteria in acht nemen. Als
                    het college een tegenprestatie vraagt van belang-hebbende, moet het een
                    duidelijke omschrijving geven van de te verrichten werkzaamheden. Het moet voor
                    een belanghebbende immers duidelijk zijn welke tegenprestatie van hem verwacht
                    wordt (zie Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25-02-2013, nr. 12/3649,
                    CLI:NL:RBZWB:2013:BZ5171).</al><al><cursief>Geentegenprestatie</cursief></al><al>Indien daarvoor dringende redenen - zoals zorgtaken - aanwezig zijn, kan het
                    college in individuele gevallen tijdelijk ontheffing verlenen van de plicht tot
                    het verrichten van een tegenprestatie (artikel 9, tweede lid, van de
                    Participatiewet). De plicht tot tegenprestatie is niet van toepassing op een
                    belanghebbende die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is als bedoeld in
                    artikel 4 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (artikel 9, vijfde
                    lid, van de Participatiewet). De plicht tot tegenprestatie is voorts niet van
                    toepassing op een alleenstaande ouder die in het bezit is van een ontheffing als
                    bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de Participatiewet (artikel 9, zevende
                    lid, van de Participatiewet).</al><al><cursief>Afstemmen</cursief></al><al>Net als bij het niet nakomen van de arbeids- en re-integratieverplichting geldt
                    voor het niet nakomen van de tegenprestatie dat de bijstand kan worden verlaagd
                    overeenkomstig de gemeentelijke maatregelverordening.</al><al><cursief>Bevoegdheidopdragen tegenprestatie</cursief></al><al>De bevoegdheid van het college om een belanghebbende te verplichten naar
                    vermogen een tegenprestatie te verrichten geldt al sinds 1 januari 2012. De
                    regering meent dat de tegenprestatie voor uitkeringsgerechtigden een gelegenheid
                    is om te blijven participeren in de samenleving en om een sociaal netwerk,
                    arbeidsritme en regelmaat te behouden. Dit zijn volgens de regering ook
                    noodzakelijke voorwaarden om de kansen op de arbeidsmarkt te vergroten (TK
                    2013-2014, 33 801, nr. 3, p. 29).</al><al><cursief>Tegenprestatie is geen re-integratieinstrument</cursief></al><al>De plicht tot tegenprestatie heeft tot doel om maatschappelijk nuttige
                    werkzaamheden te doen in de samenleving als tegenprestatie voor het ontvangen
                    van een uitkering. Het opdragen van een tegenprestatie heeft niet primair tot
                    doel de re-integratie van een belanghebbende te bevorderen, maar moet worden
                    gezien als een nuttige bijdrage aan de samenleving (TK 2013-2014, 33 801, nr. 7,
                    p. 49-50). De tegenprestatie is daarom naar zijn aard niet gericht op toeleiding
                    tot de arbeidsmarkt en is niet bedoeld als re-integratie-instrument. Voorts mag
                    een tegenprestatie het accepteren van passende arbeid of van re-Integratie
                    inspanningen niet belemmeren. Immers, als uitgangspunt geldt werk boven
                    uitkering.</al><al><cursief>Verordeningsplicht</cursief></al><al>De Wet maatregelen WWB legt de gemeenteraad de verplichting op om bij
                    verordening regels vast te stellen over het opdragen van een tegenprestatie aan
                    mensen met een bijstands-uitkering in de leeftijd van 18 jaar tot de
                    pensioengerechtigde leeftijd. Deze verordenings- opdracht is neergelegd in
                    artikel 8a, eerste lid, onderdeel b Participatiewet. Het is aan de gemeente om
                    de duur, omvang en inhoud van de tegenprestatie te regelen (zie TK 2013-2014, 33
                    801, nr. 24, p. 6).</al><al><cursief>Ontwikkelen beleiddoor college</cursief></al><al>Het college heeft de opdracht beleid te ontwikkelen ten behoeve van het
                    verrichten van een tegenprestatie en het uitvoeren ervan overeenkomstig de
                    verordening tegenprestatie. Dit volgt uit artikel 7, eerste lid, onderdeel c,
                    van de Participatiewet.</al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Artikelsgewijze toelichting Verordening tegenprestatie</titel></kop><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al>Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, de Algemene wet
                        bestuursrecht of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk gedefinieerd in
                        deze verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing op deze
                        verordening.</al><al><cursief>Mantelzorg</cursief></al><al>In artikel 1 van deze verordening is de definitie opgenomen van mantelzorg.
                        Deze begripsbepaling is gebaseerd op het begrip zoals dat wordt gehanteerd
                        in de Wet maatschappelijke ondersteuning (zie artikel 1, eerste lid,
                        onderdeel b, van de Wet maatschappelijke ondersteuning). Onder mantelzorg
                        wordt verstaan: langdurige zorg die niet in het kader van een hulpverlenend
                        beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende door personen uit diens directe
                        omgeving, waarbij zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale
                        relatie en de gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar overstijgt. Het
                        begrip 'mantelzorg' is van belang omdat artikel 3 van deze verordening
                        bepaalt dat het college geen tegenprestatie opdraagt indien een
                        belanghebbende mantelzorg verricht voor zover het verrichten van mantelzorg
                        naar het oordeel van het college redelijkerwijs noodzakelijk is.</al><al>Uit kamerstukken met betrekking tot het begrip 'mantelzorg' zoals neergelegd
                        in de Wet maatschappelijke ondersteuning volgt dat de vier belangrijkste
                        kenmerken van mantelzorg zijn:</al><lijst><li nr="-"><al>er is een bestaande sociale relatie tussen de zorgvrager en de
                                zorgverlener;</al></li><li nr="-"><al>mantelzorg wordt niet verricht in een georganiseerd verband</al></li><li nr="-"><al>het verrichten van mantelzorg is veelal geen bewuste keuze;</al></li><li nr="-"><al>het verlenen van mantelzorg is nooit afdwingbaar.</al></li></lijst><al>Deze kenmerken zijn ontleend aan diverse kamerstukken zoals TK 2004-2005,
                        30</al><al>169, nr. 1 (Notitie "De mantelzorger in beeld") en TK 2005-2006, 30 131, nr.
                        C.</al><al>Voor mantelzorg is vereist dat de verleende zorg de gebruikelijke zorg van
                        huisgenoten voor elkaar overstijgt. Voor de uitvoering van de Wet
                        maatschappelijke ondersteuning hanteren gemeenten veelal het protocol
                        Gebruikelijke Zorg van het Centrum Indicatiestelling Zorg om vast te stellen
                        of sprake is van gebruikelijke zorg. Voor de uitleg van wat onder
                        gebruikelijke zorg kan worden aangesloten bij de definitie van gebruikelijke
                        zorg in het protocol Gebruikelijke Zorg. Gebruikelijke zorg wordt in dat
                        Protocol als volgt omschreven: de normale, dagelijkse zorg die partners of
                        ouders en inwonende kinderen geacht worden elkaar onderling te bieden omdat
                        ze als leefeenheid een gezamenlijk huishouden voeren en op die grond een
                        gezamenlijke verantwoordelijkheid hebben voor het functioneren van dat
                        huishouden.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Inhoud van een tegenprestatie</titel></kop><al>Het college bepaalt aan de hand van de individuele omstandigheden en de
                        voorhanden zijnde onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, de aard,
                        de duur en de omvang van de aan een persoon op te leggen tegenprestatie.
                        Hierbij moet het college de in deze verordening neergelegde criteria in acht
                        nemen. </al><al>Als het college een tegenprestatie vraagt van belanghebbende, moet het een
                        duidelijke omschrijving geven van de te verrichten werkzaamheden. Het moet
                        voor een belanghebbende immers duidelijk zijn welke tegenprestatie van hem
                        wordt verwacht (zie Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25-02-2013, nr. 12/3649,
                        ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ5171).</al><al><cursief>Additioneleonbeloonde maatschappelijk nuttige
                            werkzaamheden</cursief></al><al>In artikel 2, eerste lid, van deze verordening is bepaald dat de
                        tegenprestatie onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden betreffen
                        die additioneel van aard zijn. De maatschappelijk nuttige werkzaamheden in
                        het kader van de tegenprestatie dienen zich te onderscheiden van
                        werkzaamheden die door de reguliere arbeidsmarkt verricht worden. Het
                        onderscheid tussen betaalde en onbetaalde werkzaamheden is afhankelijk van
                        onder meer economische factoren en van keuzes die mede op basis daarvan door
                        het bedrijfsleven en/of de overheid worden gemaakt (TK 2013-2014, 33 801,
                        nr. 3, p. 30).</al><al><cursief>Werkzaamheden diekunnen worden ingezet</cursief></al><al>Het college kan onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, die
                        additioneel van aard zijn, inzetten als tegenprestatie voor zover die
                        werkzaamheden voldoen aan de in artikel 2, eerste lid, van deze verordening
                        genoemde voorwaarden. Dit betekent dat de als tegenprestatie in te zetten
                        werkzaamheid:</al><al>a) naar zijn aard niet is gericht op toeleiding tot de arbeidsmarkt;</al><al>b) niet is bedoeld als re-integratie-instrument;</al><al>c) wordt verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid in de
                        organisatie waarin deze worden verricht; en</al><al>d) niet leidt tot verdringing.</al><al>Deze voorwaarden zijn gebaseerd op de belangrijkste kenmerken van de
                        tegenprestatie die volgen uit de parlementaire geschiedenis (zie TK
                        2010-2011, 32 815, nr. 3, p. 14).</al><al>In beleidsregels kan het college vastleggen welke werkzaamheden in ieder
                        geval als tegenprestatie kunnen worden ingezet (artikel 2, tweede lid, van
                        deze verordening). Deze werkzaamheden voldoen aan de in artikel 22, eerste
                        lid, van deze verordening gestelde voorwaarden. Zaanstad gaat de soort
                        activiteiten die ingezet worden, samen met de sociale wijkteams en de sector
                        uitvoering verder ontwikkelen.</al><al>De gemeente kan voor het werven van maatschappelijk nuttige werkzaamheden
                        samenwerken met maatschappelijke organisaties zoals: welzijnsinstellingen,
                        vrijwilligerswerkorganisaties, buurthuizen en/of sportvoorzieningen. Om
                        ervoor te zorgen dat voldoende maatschappelijk nuttige werkzaamheden
                        voorhanden zijn, is het van belang dat contacten worden onderhouden met
                        maatschappelijke organisaties. Een vrijwilligersvacaturebank bij een
                        vrijwilligerscentrale kan een belangrijk hulpmiddel zijn om het aanbod van
                        maatschappelijk nuttige werkzaamheden te bepalen. De gemeente kan ervoor
                        kiezen uitsluitend werkzaamheden binnen de gemeentegrenzen als
                        tegenprestatie in te zetten of werkzaamheden zowel binnen als buiten de
                        gemeentegrenzen in te zetten. Zie hierover de toelichting bij artikel 5 van
                        deze verordening.</al><al><cursief>Tegenprestatie mag niet leiden tot verdringing</cursief></al><al>De tegenprestatie mag niet worden ingezet in het kader van de re-integratie.
                        De tegenprestatie mag bovendien niet direct gericht zijn op toeleiding naar
                        de arbeidsmarkt en is dan ook niet bedoeld als re-integratie-instrument. Het
                        betreffen werkzaamheden die worden verricht naast of in aanvulling op
                        reguliere arbeid en die niet mogen leiden tot verdringing op de
                        arbeidsmarkt. Reguliere werkzaamheden kunnen daarom niet als tegenprestatie
                        worden ingezet. De tegen-prestatie mag het accepteren van passende arbeid of
                        van re-integratie- inspanningen niet belemmeren. Het uitgangspunt werk boven
                        uitkering staat voorop. Dit volgt uit artikel 9, eerste lid, onderdeel c,
                        van de Participatiewet en de parlementaire geschiedenis (zie TK 2010-2011,
                        32 815, nr. 3, p. 14).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Het opdragen van een tegenprestatie</titel></kop><al>Het college heeft beleidsvrijheid om een tegenprestatie op te leggen. Het
                        college bepaalt uiteindelijk of, en zo ja welke tegenprestatie wordt
                        opgedragen. Tegen een besluit tot het opdragen van een tegenprestatie kan
                        bezwaar en beroep worden aangetekend (TK 2013-2014, 33 801, nr. 7, p.
                        49).</al><al>Artikel 3 van deze verordening stelt voorwaarden ten aanzien van het
                        opdragen van de tegen-prestatie. Het college dient maatwerk toe te passen
                        bij het opdragen van een tegenprestatie. Rekening moet worden gehouden met
                        de individuele omstandigheden van belanghebbende, waaronder leeftijd,
                        opleiding, werkervaring en andere relevante persoonlijke omstandigheden. De
                        werkzaamheden worden immers opgedragen ‘naar vermogen’. Het is dus van
                        belang dat belanghebbende ook in staat is de werkzaamheden te verrichten
                        (zie Rechtbank Zeeland-West- Brabant 25-02-2013, nr. 12/3649,
                        ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ5171).</al><al><cursief>Mantelzorg</cursief></al><al>Artikel 4, derde lid onderdeel c van de verordening bepaalt dat geen
                        tegenprestatie wordt opgedragen indien een belanghebbende mantelzorg
                        verricht en het college het verrichten hiervan redelijkerwijze noodzakelijk
                        vindt. De regering heeft deze mogelijkheid uitdrukkelijk benoemd in de nota
                        van wijziging met betrekking tot de Wet maatregelen WWB (TK 2013-2014, 33
                        801, nr. 24, p. 6). Of sprake is van mantelzorg wordt getoetst aan de
                        criteria van het begrip mantelzorg zoals neergelegd in artikel 1 van deze
                        verordening. Verricht een belang-hebbende mantelzorg in de zin van deze
                        verordening en is het verrichten van mantelzorg volgens het college
                        redelijkerwijs noodzakelijk, dan draagt het college een belanghebbende geen
                        tegenprestatie op.</al><al><cursief>Geen tegenprestatie</cursief></al><al>Indien daarvoor dringende redenen - zoals zorgtaken - aanwezig zijn, kan het
                        college in individuele gevallen tijdelijk ontheffing verlenen van de plicht
                        tot het verrichten van een tegenprestatie (artikel 9, tweede lid, van de
                        Participatiewet). De verplichting tot het verrichten van een tegenprestatie
                        is niet van toepassing op een belanghebbende die volledig en duurzaam
                        arbeidsongeschikt is, als bedoeld in artikel 4 van de Wet werk en inkomen
                        naar arbeidsvermogen (artikel 9, vijfde lid, van de Participatiewet).</al><al>De verplichting tot tegenprestatie is niet van toepassing op een
                        alleenstaande ouder die in het bezit is van een ontheffing als bedoeld in
                        artikel 9a, eerste lid, van de Participatiewet (artikel 9, zevende lid, van
                        de Participatiewet).</al><al><cursief>Weigering tegenprestatie</cursief></al><al>Het college dient bij weigering van belanghebbende om de tegenprestatie te
                        verrichten, op basis van het individuele geval de hoogte en de duur van de
                        op te leggen maatregel te bepalen (TK 2013-2014, 33 801, nr. 3, p. 29). Dit
                        is vastgelegd in de maatregelverordening.</al><al><cursief>Factorenopdragentegenprestatie</cursief></al><al>In artikel 3, tweede lid, van deze verordening is neergelegd met welke
                        factoren het college rekening moet houden bij het opdragen van een
                        tegenprestatie. Deze factoren worden hierna toegelicht.</al><al><cursief>Factor: tegenprestatie 'naar vermogen'</cursief></al><al>De werkzaamheden die als tegenprestatie ingezet worden, moeten naar vermogen
                        door een belanghebbende verricht kunnen worden. De term 'naar vermogen'
                        heeft betrekking op de mogelijkheden waarover een belanghebbende beschikt om
                        deze werkzaamheden te verrichten. Immers, niet alle onbeloonde
                        maatschappelijk nuttige werkzaamheden kunnen worden opgedragen aan elke
                        uitkeringsgerechtigde (TK 2013-2014, 33 801, nr. 3, p. 30).</al><al><cursief>Factor: persoonlijke situatie enindividuele omstandigheden
                            belanghebbende</cursief></al><al>Bij het opdragen van de tegenprestatie houdt het college rekening met de
                        persoonlijke situatie en individuele omstandigheden van een belanghebbende,
                        waaronder leeftijd, opleiding en werkervaring (Rechtbank
                        Zeeland-West-Brabant 25-02-2013, nr. 12/3649, ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ5171).
                        Hierbij wordt rekening gehouden met het fysieke en psychische vermogen van
                        een belanghebbende. Bij het opdragen van de tegenprestatie dient het college
                        maatwerk te leveren.</al><al>Voorts wordt bij opdragen van een tegenprestatie rekening gehouden met
                        praktische omstandigheden zoals reistijd, beschikbaarheid van kinderopvang
                        en/of belanghebbende al maatschappelijke activiteiten verricht.</al><al><cursief>Factor: persoonlijke wensen enkwaliteiten
                        belanghebbende</cursief></al><al>Bij het opdragen van de verplichting tot tegenprestatie houdt het college
                        rekening met de persoonlijke wensen en kwaliteiten van belanghebbende. De
                        regering vindt het immers belangrijk dat een belanghebbende invloed heeft op
                        de keuze van de activiteiten (TK 2013-2014, 33 801, nr. 7, p. 47).
                        Belanghebbende kan zelf ideeën aandragen voor de als tegen-prestatie te
                        verrichten werkzaamheden. Het college kan in beleidsregels bepalen wanneer
                        een belanghebbende zijn keuze voor het verrichten van maatschappelijk
                        nuttige activiteit kenbaar maakt aan het college.</al><al>Het college beoordeelt de door belanghebbende zelf aangedragen ideeën en kan
                        besluiten om het voorstel van belanghebbende over te nemen en die
                        werkzaamheden in te zetten als tegenprestatie. Uiteraard moet die
                        werkzaamheid voldoen aan het bepaalde bij of krachtens artikel 2 van deze
                        verordening en moet die werkzaamheid beschikbaar zijn. Het college is niet
                        gehouden te voldoen aan de wensen van een belanghebbende, maar moet deze wel
                        in de beoordeling meenemen. Draagt belanghebbende geen ideeën aan, dan legt
                        het college belanghebbende een lijst met keuzemogelijkheden voor van
                        maatschappelijk nuttige werk-zaamheden die voorhanden zijn. Als
                        belanghebbende geen voorkeur kenbaar maakt of er geen keuzemogelijkheid is,
                        legt het college een werkzaamheid op. Het is immers aan het college, en niet
                        aan een belanghebbende, een tegenprestatie op te dragen aan
                        belanghebbende.</al><al><cursief>Factor: maatschappelijke activiteitenen vrijwilligerswerkdoor
                            belanghebbende</cursief></al><al>Het college houdt er bij het opdragen van de plicht tot tegenprestatie
                        rekening met het eventuele gegeven dat een belanghebbende al maatschappelijk
                        actief is (TK 2013-2014, 33 801, nr. 24, p. 6). Indien een belanghebbende al
                        een maatschappelijke activiteit verricht, kan het college in bepaalde
                        gevallen besluiten deze maatschappelijke activiteit aan te merken als
                        tegenprestatie. Ook kan de omstandigheid dat een belanghebbende
                        maatschappelijke activiteit verricht, ertoe leiden dat hiermee rekening
                        wordt gehouden bij het vaststellen van de tegenprestatie, met name de duur
                        en de omvang van de tegenprestatie. Een voorbeeld van maatschappelijke
                        activiteiten zijn: de zorg voor een ouder of een gehandicapt kind. Het
                        college beoordeelt de maatschappelijke activiteiten en houdt daarbij
                        rekening met de duur en omvang.</al><al>Dit geldt ook voor het verrichten van vrijwilligerswerk. Het college kan ook
                        besluiten vrijwilligerswerk van in beginsel minimaal 8 uren per week
                        aanmerken als tegenprestatie. Hierbij moet wel rekening worden gehouden met
                        de minimale en maximale duur van de tegenprestatie zoals neergelegd in
                        artikel 4 van deze verordening. Hierbij kan ook de aard van het
                        vrijwilligerswerk een rol spelen. Omdat vrijwilligerswerk veelzijdig van
                        aard is, is geen begripsomschrijving opgenomen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Duur en omvang van een tegenprestatie</titel></kop><al>Het college bepaalt aan de hand van de individuele omstandigheden en de
                        voorhanden zijnde onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, de aard,
                        de duur en de omvang van de aan een persoon op te leggen tegenprestatie.
                        Hierbij moet het college de in deze verordening neergelegde criteria in acht
                        nemen. Artikel 4 van deze verordening stelt voorwaarden ten aanzien van de
                        duur en omvang van de tegenprestatie.</al><al><cursief>Individuele omstandigheden</cursief></al><al>Het college beoordeelt op basis van de individuele omstandigheden van een
                        belanghebbende de omvang en de duur van de tegenprestatie. De omvang van de
                        werkzaamheden en de duur in de tijd dienen in de regel beperkt te zijn. Dat
                        betekent dat het college steeds een afweging maakt op basis van de situatie
                        in welke mate een tegenprestatie verlangd kan worden (TK 2013-2014, 33 801,
                        nr. 30).</al><al><cursief>Minimale duur tegenprestatiein uren</cursief></al><al>Artikel 4, eerste lid. De tegenprestatie wordt opgedragen voor, in beginsel,
                        minimaal 8 uren per week. Voor het minimaal aantal uren is gekozen om
                        personen werkzaamheden te laten verrichten van enige omvang. We hanteren
                        maatwerk bij het bepalen van het minimum aantal uren. Het aantal uren kan
                        minder zijn op basis van de individuele situatie en mogelijkheden
                        (vermogen).</al><al><cursief>Maximale duur tegenprestatiein uren</cursief></al><al>De tegenprestatie heeft een omvang van maximaal 16 uren per week en maximaal
                        208 uren in totaal. De marge tussen het minimum en maximum aantal uren wordt
                        mede bepaalt door de soort werkzaamheden. </al><al><cursief>Maximale duur tegenprestatiein maanden</cursief></al><al>Artikel 4, derde lid, regelt dat de tegenprestatie wordt ingezet voor een
                        maximale duur. De tegenprestatie kan worden opgedragen voor de maximale duur
                        van zes maanden. Uit het onderzoeksrapport "Voor wat hoort wat" blijkt dat
                        bij ongeveer de helft van de gemeenten die de tegenprestatie uitvoeren de
                        gemiddelde duur korter is dan een half jaar en bij iets minder dan de helft
                        is de gemiddelde duur meer dan een half jaar. Het is van belang dat de duur
                        beperkt is. Het opdragen van de tegenprestatie tot aan het einde van de
                        uitkering is in ieder geval niet beperkt in duur en in omvang.</al><al>Artikel 4, vierde lid, regelt dat het opdragen van een tegenprestatie binnen
                        een periode van 12 maanden slechts 1 maal worden opgedragen en omvat in die
                        periode ten hoogste 208 uur. </al><al>Deze bepaling waarborgt dat de tegenprestatie relatief gering wordt ingezet.
                        De tegenprestatie dient immers niet in de weg te staan aan de re-integratie
                        van een belanghebbende. Bovendien is het verstandig de tegenprestatie
                        relatief gering in omvang en duur in te zetten om aan de veilige kant van de
                        internationale bepalingen met betrekking tot het verbod op dwangarbeid en
                        verplichte arbeid te blijven (artikel 4 EVRM). </al><al>Het is dus mogelijk na 12 maanden nogmaals een tegenprestatie op te leggen.
                        Ook dan wordt het wettelijke instrument ‘tegenprestatie’ ingezet als
                        sluitstuk. Het wordt pas ingezet als mensen niet uit zichzelf, naar
                        vermogen, op een of andere wijze participeren en daarmee iets terug doen
                        voor hun uitkering. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Geen werkzaamheden voorhanden</titel></kop><al>Artikel 5 van deze verordening bepaalt dat geen tegenprestatie wordt
                        opgedragen indien geen onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden
                        voorhanden zijn. In deze verordening kiest de gemeenteraad ervoor dat indien
                        geen maatschappelijk nuttige werkzaamheden voorhanden zijn binnen de eigen
                        gemeentegrenzen, buiten de gemeentegrenzen gezocht moet worden naar
                        maatschappelijk nuttige werkzaamheden. Ter uitvoering hiervan kan worden
                        samengewerkt met de omliggende gemeenten. Indien het college besluit geen
                        tegenprestatie op te leggen omdat geen onbeloonde maatschappelijk nuttige
                        werkzaamheden voorhanden zijn, wordt binnen zes maanden een heronderzoek
                        uitgevoerd om te beoordelen of op dat moment wel maatschappelijk nuttige
                        werkzaamheden voorhanden zijn. Dit is geregeld in artikel 5, tweede lid, van
                        deze verordening.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2015. Vanaf die
                        datum is in artikel 8a, eerste lid, onderdeel b, van de Participatiewet de
                        verordeningsopdracht voor de gemeenteraad neergelegd om regels in de
                        verordening vast te stellen over het opdragen van een tegenprestatie.</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>