<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR3767_1</dcterms:identifier><dcterms:title>nr 01.01 Reglement van orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van de gemeenteraad van Zevenaar</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Zevenaar</dcterms:creator><dcterms:modified>2005-01-03</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Zevenaar</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Zevenaar Post, 19-1-2005</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Reglement van orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van de gemeenteraad van Zevenaar</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">art 16 Gemeentewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2005-01-03</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2005-01-03</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2014-12-09</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling bij gemeentelijke herindeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>05-003</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>bestuurlijke organisatie</overheidrg:onderwerp><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>nr 01.01 Reglement van orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van de gemeenteraad van Zevenaar</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel 1 Begripsomschrijvingen</label></kop><al>In dit reglement wordt verstaan onder:</al><al>a voorzitter : de voorzitter van de raad of diens vervanger;</al><al>b amendement : voorstel tot wijziging van een ontwerp-verordening of
                            ontwerp-beslissing, naar de vorm geschikt om daarin direct te worden
                            opgenomen;</al><al>c subamendement : voorstel tot wijziging van een aanhangig amendement,
                            naar de vorm geschikt om direct te worden opgenomen in het amendement,
                            waarop het betrekking heeft;</al><al>d motie : korte en gemotiveerde verklaring over een onderwerp waardoor
                            een oordeel, wens of verzoek wordt uitgesproken;</al><al>e voorstel van orde : voorstel betreffende de orde van de
                            vergadering;</al><al>f initiatiefvoorstel : een voorstel voor een verordening of een ander
                            voorstel.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2 De voorzitter</label></kop><al>De voorzitter is belast met:</al><al>a het leiden van de vergadering;</al><al>b het handhaven van de orde;</al><al>c het doen naleven van het reglement van orde;</al><al>d hetgeen de Gemeentewet of dit reglement hem verder opdraagt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 3 De griffier</label></kop><al>1 De griffier is in elke vergadering van de raad aanwezig.</al><lijst><li nr="2"><al>Bij zijn verhindering of afwezigheid wordt de griffier vervangen
                                    door de plv. griffier en bij diens afwezigheid door een door de
                                    voorzitter aan te wijzen commissiegriffier.</al></li><li nr="3"><al>Hij kan, indien hij daartoe door de voorzitter wordt
                                    uitgenodigd, aan de beraadslagingen als bedoeld in dit reglement
                                    deelnemen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 3a De secretaris</label></kop><al>De raad kan het college verzoeken de secretaris in de vergadering
                            aanwezig te laten zijn en deel te laten nemen aan de beraadslagingen als
                            bedoeld in dit reglement.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 3b Het seniorenconvent</label></kop><al>1 De raad heeft een seniorenconvent, bestaande uit de voorzitter en de
                            fractievoorzitters.</al><al>2 De voorzitter is voorzitter van het seniorenconvent. De griffier of
                            diens vervanger is in elke vergadering van het seniorenconvent
                            aanwezig.</al><al>3 De voorzitter kan voorstellen de secretaris uit te nodigen voor het
                            seniorenconvent.</al><al>4 Elke fractievoorzitter wijst een lid van de raad aan, dat hem bij zijn
                            afwezigheid in het seniorenconvent vervangt.</al><al>5 Elke fractievoorzitter heeft één stem in het seniorenconvent.</al><al>6 De voorzitter roept het seniorenconvent in vergadering bijeen indien
                            hij, of twee of meer leden dit nodig oordelen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 3c Het presidium</label></kop><lijst><li nr="1"><al>Het presidium bestaat uit: de voorzitter en de
                                    fractievoorzitters.</al></li><li nr="2"><al>Het presidium is belast met de voorbereiding van de raads- en
                                    commissievergaderingen en het toezicht op de griffier en
                                    griffie.</al></li><li nr="3"><al>Het presidium vergadert volgens een door hem vast te stellen
                                    schema en op oproep van de voorzitter.</al></li><li nr="4"><al>Bij de vergaderingen van het presidium is de griffier aanwezig,
                                    tenzij het om een bespreking over zijn persoon gaat. </al></li><li nr="5"><al>Bij de vergaderingen van het presidium is de secretaris aanwezig
                                    op uitnodiging van de voorzitter. </al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Toelating van nieuwe leden; fracties</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel 4 Onderzoek geloofsbrieven; beëdiging</label></kop><al>1 Bij elke benoeming van nieuwe leden van de raad stelt de raad een
                            commissie in bestaande uit drie leden van de raad. De commissie
                            onderzoekt de geloofsbrieven, de daarop betrekking hebbende stukken van
                            nieuw benoemde leden en de andere bij de Kieswet vereiste stukken.</al><al>2 De commissie vangt terstond met het onderzoek aan, waartoe de
                            vergadering wordt geschorst.</al><al>3 Na heropening van de vergadering brengt de commissie mondeling verslag
                            uit aan de vergadering en doet daarbij een voorstel tot een besluit
                            omtrent de toelating van nieuw benoemde leden.</al><al>4 Na een raadsverkiezing roept de voorzitter de toegelaten leden van de
                            raad op om in de eerste vergadering van de raad in nieuwe samenstelling,
                            bedoeld in artikel 18 van de Gemeentewet, de voorgeschreven eed of
                            verklaring en belofte af te leggen.</al><al>5 In geval van een tussentijdse vacaturevervulling roept de voorzitter
                            een nieuw benoemd lid van de raad op voor de vergadering van de raad
                            waarin over diens toelating wordt beslist om de voorgeschreven eed of
                            verklaring en belofte af te leggen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5 Fractie</label></kop><al>1 De leden van de raad, die door het centraal stembureau op dezelfde
                            kandidatenlijst verkozen zijn verklaard, worden bij de aanvang van de
                            zitting als één fractie beschouwd. Is onder een lijstnummer slechts één
                            lid verkozen, dan wordt dit lid als een afzonderlijke fractie
                            beschouwd.</al><al>2 Indien boven de kandidatenlijst een aanduiding was geplaatst, voert de
                            fractie in de raad deze aanduiding als naam. Indien geen aanduiding
                            boven de kandidatenlijst was geplaatst, deelt de fractie in de eerste
                            vergadering van de raad aan de voorzitter mee welke naam deze fractie in
                            de raad wil voeren.</al><al>3 De namen van degenen die als voorzitter van de fractie en als diens
                            plaatsvervanger optreden worden zo spoedig mogelijk doorgegeven aan de
                            voorzitter.</al><al>4 a Indien:</al><al> 1° één of meer leden van een fractie als zelfstandige fractie gaan
                            optreden;</al><al> 2° twee of meer fracties als één fractie gaan optreden;</al><al> 3° één of meer leden van een fractie zich aansluiten bij een andere
                            fractie; wordt hiervan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling
                            gedaan aan de voorzitter.</al><al> b Met de onder a beschreven veranderde situatie wordt rekening gehouden
                            met ingang van de eerstvolgende vergadering van de raad na de mededeling
                            daarvan.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Vergaderingen</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Tijdstip van vergaderen; voorbereidingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel 6 Vergaderfrequentie</label></kop><al>1 De vergaderingen van de raad vinden in de regel plaats op de derde
                                woensdag van de maand, vangen aan om 19.30 uur en worden gehouden in
                                het gemeentehuis.</al><al>2 De voorzitter kan in bijzondere gevallen een andere dag en
                                aanvangsuur bepalen of een andere vergaderplaats aanwijzen. Hij
                                voert hierover, tenzij er sprake is van een spoedeisende situatie,
                                overleg in het presidium.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 7 Oproep; toezending agenda en stukken</label></kop><al>1 De voorzitter zendt ten minste een week voor een vergadering de
                                leden van de raad een schriftelijke oproep onder vermelding van dag,
                                tijdstip en plaats van de vergadering.</al><al>2 De voorlopige agenda en, voor zover nog nodig, de daarbij
                                behorende stukken, met uitzondering van de in artikel 25, eerste en
                                tweede lid, van de Gemeentewet bedoelde stukken worden
                                tegelijkertijd met de schriftelijke oproep aan de leden van de raad
                                verzonden.</al><al>3 De voorzitter zorgt ervoor dat – spoedeisende gevallen
                                uitgezonderd - te behandelen voorstellen en de daarbij behorende
                                stukken, tezamen met een voorstel voor de agenda’s van de
                                raadscommissievergaderingen, tenminste drie weken voor de
                                vergadering aan de leden worden gezonden, opdat deze in de
                                raadscommissies kunnen worden behandeld.</al><al>4 Indien een aanvullende agenda wordt vastgesteld als bedoeld in
                                artikel 8, vierde lid, worden deze agenda en de daarop vermelde
                                voorstellen zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk 48 uur voor aanvang
                                van de vergadering aan de leden van de raad gezonden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8 Agenda</label></kop><al>1 Voordat de schriftelijke oproep wordt verzonden, stelt het
                                presidium de voorlopige agenda van de vergadering vast.</al><al>2 Het presidium ziet erop toe dat agendapunten worden voorbereid in
                                raadscommissies.</al><al>3 In spoedeisende gevallen kan de voorzitter na het verzenden van de
                                schriftelijke oproep tot uiterlijk 48 uur voor de aanvang van een
                                vergadering een aanvullende agenda opstellen.</al><al>4 Bij aanvang van de vergadering stelt de raad de agenda vast. Op
                                voorstel van een lid van de raad of de voorzitter kan de raad bij de
                                vaststelling van de agenda onderwerpen aan de agenda toevoegen of
                                van de agenda afvoeren.</al><al>5 Wanneer de raad een onderwerp onvoldoende voor de openbare
                                beraadslaging voorbereid acht, kan hij het onderwerp verwijzen naar
                                een commissie of aan het college nadere inlichtingen of advies
                                vragen.</al><al>6 Op voorstel van een lid van de raad of van de voorzitter kan de
                                raad de volgorde van behandeling van de agendapunten wijzigen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8a De wethouder</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Het presidium kan een of meer wethouders uitnodigen om in de
                                        vergadering aanwezig te zijn en aan de beraadslagingen deel
                                        te nemen.</al></li><li nr="2."><al>Indien een wethouder bij een raadsvergadering aanwezig wil
                                        zijn en wil deelnemen aan de beraadslagingen, doet hij
                                        hiertoe voor de vaststelling van de voorlopige agenda een
                                        verzoek aan de voorzitter.</al></li><li nr="3."><al>Voor de verzending van de schriftelijke oproep beslist het
                                        presidium op het verzoek.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label> Artikel 9 Ter inzage leggen van stukken</label></kop><al>1 Stukken, die ter toelichting van de onderwerpen of voorstellen op
                                de agenda dienen, worden gelijktijdig met het verzenden van de
                                schriftelijke oproep voor de leden in de leeskamer ter inzage
                                gelegd. Indien na het verzenden van de schriftelijke oproep stukken
                                ter inzage worden gelegd, wordt hiervan mededeling gedaan aan de
                                leden van de raad.</al><al>2 Een origineel van een ter inzage gelegd stuk wordt niet buiten het
                                gemeentehuis gebracht. Een lid mag een kopie van een ter inzage
                                gelegd slechts voor eigen gebruik buiten het gemeentehuis
                                brengen.</al><al>3 Indien omtrent stukken op grond van artikel 25, eerste of tweede
                                lid, van de Gemeentewet geheimhouding is opgelegd, blijven deze
                                stukken in afwijking van het eerste lid, onder berusting van de
                                griffier en verleent de griffier de leden van de raad inzage.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 10 Openbare kennisgeving</label></kop><al>1 De vergadering wordt door aankondiging in de gemeentelijke
                                informatierubriek en door plaatsing op de internetsite van de
                                gemeente ter openbare kennis gebracht.</al><al>2 De openbare kennisgeving vermeldt:</al><al> a de datum, aanvangstijd en plaats van de vergadering;</al><al> b de wijze waarop en de plaats waar een ieder de voorlopige agenda
                                en de bijbehorende voorstellen en eventuele andere stukken kan
                                inzien.</al><al> c de mogelijkheid tot het uitoefenen van spreekrecht als bedoeld in
                                artikel 14.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Orde der vergadering</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel 11 Presentielijst</label></kop><al>Bij binnenkomst in de vergaderzaal tekent ieder lid van de raad
                                onmiddellijk de presentielijst. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 12 Zitplaatsen</label></kop><al>1 De voorzitter, de leden van de raad en de griffier hebben een
                                vaste zitplaats, door de voorzitter na overleg in het presidium bij
                                aanvang van iedere nieuwe zittingsperiode van de raad
                                aangewezen.</al><al>2 Indien daartoe aanleiding bestaat, kan de voorzitter de indeling
                                herzien na overleg in het presidium.</al><al>3 De voorzitter draagt na overleg in het presidium zorg voor een
                                zitplaats voor de wethouders, secretaris en overige personen, die
                                voor de vergadering zijn uitgenodigd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 13 Opening vergadering; quorum</label></kop><al>1 De voorzitter opent de vergadering op het vastgestelde uur, indien
                                het daarvoor door de wet vereiste aantal leden van de raad blijkens
                                de presentielijst aanwezig is. </al><al>2 Wanneer een kwartier na het vastgestelde tijdstip niet het
                                vereiste aantal leden aanwezig is, bepaalt de voorzitter, na
                                voorlezing van de namen der afwezige leden, dag en uur van de
                                volgende vergadering, met inachtneming van artikel 20 van de
                                Gemeentewet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 14 Spreekrecht burgers</label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 15 Geluid en beeldregistraties</label></kop><al>Van de vergadering wordt een bandopname gemaakt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 16 Primus bij hoofdelijke stemming</label></kop><al>Alvorens de aangekondigde onderwerpen aan de orde te stellen deelt
                                de voorzitter mee, bij welk lid van de raad, de hoofdelijke stemming
                                zal beginnen.</al><al>Daartoe wordt bij loting een volgnummer van de presentielijst
                                aangewezen; bij het daar genoemde lid begint de hoofdelijke
                                stemming. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 17 Notulen</label></kop><al>1 De ontwerp-notulen van de voorgaande vergadering worden, zo
                                mogelijk, aan de leden van de raad toegezonden gelijktijdig met de
                                schriftelijke oproep. De ontwerp-notulen worden gelijktijdig aan de
                                overige personen die het woord gevoerd hebben, toegezonden.</al><al>2 Bij het begin van de vergadering worden, zoveel mogelijk, de
                                notulen van de vorige vergadering vastgesteld. De beraadslaging over
                                het in die vergadering aan de orde gekomene kan daarbij niet worden
                                heropend.</al><al>3 De leden, de voorzitter, de wethouders, de griffier en de
                                secretaris hebben het recht, een voorstel tot verandering aan de
                                raad te doen, indien de notulen onjuistheden bevatten of niet
                                duidelijk weergeven hetgeen gezegd of besloten is. Een voorstel tot
                                verandering dient voor het vaststellen van de notulen bij de
                                griffier te worden ingediend.</al><al>4 De notulen moeten inhouden:</al><al>a de namen van de voorzitter, de griffier, de secretaris, de
                                wethouders en de ter vergadering aanwezige leden, allen voor zover
                                aanwezig, alsmede van de overige personen die het woord gevoerd
                                hebben. Afzonderlijk wordt vermeld welke leden afwezig waren;</al><al>b een vermelding van de zaken die aan de orde zijn geweest;</al><al>c een zakelijke samenvatting van het gesprokene met vermelding van
                                de namen van de aanwezigen die het woord voerden;</al><al>d een overzicht van het verloop van elke stemming, met vermelding
                                bij hoofdelijke stemming van de namen van de leden die voor of tegen
                                stemden, onder aantekening van de namen van de leden die zich
                                overeenkomstig de Gemeentewet van stemming hebben onthouden;</al><al>e de tekst van de ter vergadering ingediende initiatiefvoorstellen
                                en burgerinitiatiefvoorstellen, voorstellen van orde, moties,
                                amendementen en subamendementen;</al><al>f bij het desbetreffende agendapunt de naam en de hoedanigheid van
                                die personen aan wie het op grond van het bepaalde in artikel 25
                                door de raad is toegestaan deel te nemen aan de
                                beraadslagingen.</al><al>5 De notulen worden opgesteld onder de verantwoordelijkheid van de
                                griffier.</al><al>6 De vastgestelde notulen worden door de voorzitter en de griffier
                                ondertekend.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 18 Ingekomen stukken</label></kop><al>1 Bij de raad ingekomen stukken, waaronder schriftelijke
                                mededelingen van het college aan de raad, worden op een lijst
                                geplaatst. Deze lijst wordt aan de leden van de raad toegezonden en
                                ter inzage gelegd.</al><al>2 De raad stelt op voorstel van de voorzitter de wijze van afdoening
                                van de ingekomen stukken vast.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 19 Spreekregels</label></kop><al>1 De leden van de raad en overige aanwezigen spreken vanaf hun
                                plaats of van de spreekplaats en richten zich tot de
                                voorzitter.</al><al>2 Bij bijzondere gelegenheden kan de voorzitter bepalen dat de leden
                                van de raad en de overige aanwezigen vanaf een andere plaats
                                spreken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 20 Volgorde sprekers</label></kop><al>1 Een lid van de raad voert het woord na het aan de voorzitter
                                gevraagd en van hem verkregen te hebben.</al><al>2 De volgorde van sprekers kan worden gewijzigd, wanneer een lid van
                                de raad het woord vraagt over de orde van de vergadering.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Aantal spreektermijnen</titel></kop><al>1 De beraadslaging over een onderwerp of voorstel geschiedt in ten
                                hoogste twee termijnen, tenzij de voorzitter anders beslist.</al><al>2 Elke spreektermijn wordt door de voorzitter afgesloten.</al><al>3 Een lid mag in een termijn niet meer dan één maal het woord voeren
                                over hetzelfde onderwerp of voorstel, tenzij de voorzitter anders
                                beslist.</al><al>4 Het derde lid is niet van toepassing op:</al><al>a de rapporteur van een commissie;</al><al>b het lid dat een (sub)amendement, een motie of een
                                initiatiefvoorstel heeft ingediend, voor wat betreft dat amendement,
                                die motie of dat voorstel.</al><al>5 Bij de bepaling hoeveel malen een lid over hetzelfde onderwerp of
                                voorstel het woord heeft gevoerd, wordt niet meegerekend het spreken
                                over een voorstel van orde.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 22 Spreektijd</label></kop><al>Op voorstel van een lid van de raad of van de voorzitter kan de
                                spreektijd van de leden en de overige aanwezigen aan tijd worden
                                gebonden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 23 Handhaving orde; schorsing</label></kop><al>1 Een spreker mag in zijn betoog niet worden gestoord, tenzij </al><al>a de voorzitter het nodig oordeelt hem aan het opvolgen van dit
                                reglement te herinneren;</al><al>b een lid hem interrumpeert. De voorzitter kan bepalen dat de
                                spreker zonder verdere interrupties zijn betoog zal afronden. De
                                voorzitter kan een korte gedachtewisseling toestaan.</al><lijst><li nr="2"><al>Indien een spreker, zich beledigende of onbetamelijke
                                        uitdrukkingen veroorlooft, afwijkt van het in behandeling
                                        zijnde onderwerp, een andere spreker herhaaldelijk
                                        interrumpeert, dan wel anderszins de orde verstoort, wordt
                                        hij door de voorzitter tot de orde geroepen. Indien de
                                        betreffende spreker, hieraan geen gevolg geeft, kan de
                                        voorzitter hem gedurende de vergadering, waarin zulks plaats
                                        heeft, over het aanhangige onderwerp het woord
                                        ontzeggen.</al></li><li nr="3"><al>De voorzitter kan ter handhaving van de orde de vergadering
                                        van een door hem te bepalen tijd schorsen en – indien na de
                                        heropening de orde opnieuw wordt verstoord – de vergadering
                                        sluiten.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 24 Beraadslaging</label></kop><lijst><li nr="1"><al>De raad kan op voorstel van de voorzitter of een lid van de
                                        raad beslissen over één of meer onderdelen van een onderwerp
                                        of voorstel afzonderlijk te beraadslagen.</al></li><li nr="2"><al>Op verzoek van een lid van de raad of op voorstel van de
                                        voorzitter kan de raad besluiten de beraadslaging voor een
                                        door hem te bepalen tijd te schorsen teneinde het college of
                                        de leden de gelegenheid te geven tot onderling nader beraad.
                                        De beraadslagingen worden hervat nadat de schorsingsperiode
                                        verstreken is.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 25 Deelname aan de beraadslaging door anderen</label></kop><al>1 De raad kan bepalen dat anderen dan de in de vergadering aanwezige
                                leden van de raad, de wethouder, de secretaris, de griffier en de
                                voorzitter deelnemen aan de beraadslaging.</al><al>2 Een beslissing daartoe wordt op voorstel van de voorzitter of één
                                der leden van de raad genomen alvorens met de beraadslaging ten
                                aanzien van het aan de orde zijnde agendapunt een aanvang wordt
                                genomen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 26 Stemverklaring</label></kop><al>Na het sluiten van de beraadslaging en voordat de raad tot stemming
                                overgaat, heeft ieder lid het recht zijn uit te brengen stem kort te
                                motiveren.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 27 Beslissing</label></kop><al>1 Wanneer de voorzitter vaststelt, dat een onderwerp of voorstel
                                voldoende is toegelicht, sluit hij de beraadslaging, tenzij de raad
                                anders beslist.</al><al>2 Nadat de beraadslaging is gesloten, vindt na een stemming over
                                eventuele amendementen, de stemming plaats over het voorstel, zoals
                                het dan luidt, in zijn geheel tenzij geen stemming wordt
                                gevraagd.</al><al>3 Voordat de stemming over het voorstel in zijn geheel plaatsvindt,
                                formuleert de voorzitter het voorstel over de te nemen
                                eindbeslissing.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Procedures bij stemmingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel 28 Algemene bepalingen over stemming</label></kop><al>1 De voorzitter vraagt, of stemming wordt verlangd. Indien geen
                                stemming wordt gevraagd en ook de voorzitter dit niet verlangt,
                                stelt de voorzitter vast dat het voorstel zonder hoofdelijke
                                stemming is aangenomen.</al><al>2 In de vergadering aanwezige leden kunnen aantekening in de notulen
                                vragen, dat zij geacht willen worden te hebben tegengestemd of zich
                                van stemming te hebben onthouden.</al><al>3 Indien door een of meer leden stemming wordt gevraagd, doet de
                                voorzitter daarvan mededeling.</al><al>4 De voorzitter (of de griffier) roept de leden van de raad bij naam
                                op hun stem uit te brengen. De stemming begint bij het lid dat
                                daarvoor overeenkomstig artikel 16 is aangewezen. Vervolgens
                                geschiedt de oproeping naar de volgorde van de presentielijst.</al><al>5 Bij hoofdelijke stemming is ieder ter vergadering aanwezig lid dat
                                zich niet van deelneming aan de stemming moet onthouden verplicht
                                zijn stem uit te brengen.</al><al>6 De leden brengen hun stem uit door het woord ‘voor’ of ‘tegen’ uit
                                te spreken, zonder enige toevoeging.</al><al>7 Heeft een lid zich bij het uitbrengen van zijn stem vergist, dan
                                kan hij deze vergissing nog herstellen voordat het volgende lid
                                gestemd heeft.</al><al> Bemerkt het lid zijn vergissing pas later, dan kan hij nadat de
                                voorzitter de uitslag van de stemming bekend heeft gemaakt wel
                                aantekening vragen dat hij zich heeft vergist; in de uitslag van de
                                stemming brengt dit echter geen verandering.</al><al>8 De voorzitter deelt de uitslag na afloop van de stemming mede, met
                                vermelding van het aantal voor en tegen uitgebrachte stemmen. Hij
                                doet daarbij tevens mededeling van het genomen besluit.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 29 Stemming over amendementen en moties</label></kop><al>1 Indien een amendement op een aanhangig voorstel is ingediend,
                                wordt eerst over dat amendement gestemd.</al><al>2 Indien op een amendement een subamendement is ingediend, wordt
                                eerst over het subamendement gestemd en vervolgens over het
                                amendement.</al><al>3 Indien twee of meer amendementen of subamendementen op een
                                aanhangig voorstel zijn ingediend, bepaalt de voorzitter de volgorde
                                waarin hierover zal worden gestemd. Daarbij geldt de regel, dat het
                                meest verstrekkende amendement of subamendement het eerst in
                                stemming wordt gebracht.</al><al>4 Indien aangaande een aanhangig voorstel een motie is ingediend,
                                wordt eerst over het voorstel gestemd en vervolgens over de
                                motie.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 30 Stemming over personen</label></kop><al>1 Wanneer een stemming over personen voor het doen van een
                                voordracht of het opstellen van een voordracht of aanbeveling moet
                                plaatshebben, benoemt de voorzitter twee leden tot stembureau.</al><al>2 Ieder ter vergadering aanwezig lid dat zich niet op grond van de
                                Gemeentewet van stemming moet onthouden is verplicht een stembriefje
                                in te leveren. De stembriefjes dienen identiek te zijn.</al><al>3 Er hebben zoveel stemmingen plaats als er personen zijn te
                                benoemen, voor te dragen of aan te bevelen. De raad kan op voorstel
                                van de voorzitter beslissen dat bepaalde stemmingen worden
                                samengevat op één briefje.</al><al>4 Het stembureau onderzoekt of het aantal ingeleverde stembriefjes
                                gelijk is aan het aantal leden dat ingevolge het tweede lid
                                verplicht is een stembriefje in te leveren. Wanneer de aantallen
                                niet gelijk zijn worden de stembriefjes vernietigd zonder deze te
                                openen en wordt een nieuwe stemming gehouden.</al><al>5 Voor het bepalen van de volstrekte meerderheid als bedoeld in
                                artikel 30 van de Gemeentewet worden geacht geen stem te hebben
                                uitgebracht die leden die geen behoorlijk stembriefje hebben
                                ingeleverd. Onder een niet behoorlijk ingevuld stembriefje wordt
                                verstaan:</al><al>a een blanco ingevuld stembriefje;</al><al>b een ondertekend stembriefje;</al><al>c een stembriefje waarop meer dan één naam is vermeld, tenzij de
                                stemming verschillende vacatures betreft;</al><al>d een stembriefje waarbij, indien het een benoeming op voordracht
                                betreft, op een persoon wordt gestemd die niet is voorgedragen;</al><al>e een stembriefje waarbij op een andere persoon wordt gestemd dan
                                die waartoe de stemming is beperkt.</al><al>6 In geval van twijfel over de inhoud van een stembriefje beslist de
                                raad, op voorstel van de voorzitter.</al><al>7 Onder de verantwoordelijkheid van de griffier worden de
                                stembriefjes onmiddellijk na vaststelling van de uitslag
                                vernietigd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 31 Herstemming over personen</label></kop><al>1 Wanneer bij de eerste stemming niemand de volstrekte meerderheid
                                heeft verkregen, wordt tot een tweede stemming overgegaan. </al><al>2 Wanneer ook bij deze tweede stemming door niemand de volstrekte
                                meerderheid is verkregen, heeft een derde stemming plaats tussen
                                twee personen, die bij de tweede stemming de meeste stemmen op zich
                                hebben verenigd. Zijn bij de tweede stemming de meeste stemmen over
                                meer dan twee personen verdeeld, dan wordt bij een tussenstemming
                                uitgemaakt tussen welke twee personen de derde stemming zal
                                plaatshebben.</al><al>3 Indien bij tussenstemming of bij de derde stemming de stemmen
                                staken, beslist terstond het lot.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 32 Beslissing door het lot</label></kop><al>1 Wanneer het lot moet beslissen, worden de namen van hen tussen wie
                                de beslissing moet plaatshebben, door de voorzitter op
                                afzonderlijke, geheel gelijke, briefjes geschreven.</al><al>2 Deze briefjes worden, nadat zij door het stembureau zijn
                                gecontroleerd, op gelijke wijze gevouwen, in een stembokaal
                                gedeponeerd en omgeschud.</al><al>3 Vervolgens neemt de voorzitter een van de briefjes uit de
                                stembokaal. </al><al> Degene wiens naam op dit briefje voorkomt, is gekozen.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Rechten van leden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel 33 Amendementen</label></kop><al>1 Ieder lid van de raad kan tot het sluiten van de beraadslagingen
                            amendementen indienen. Een amendement kan het voorstel inhouden om een
                            geagendeerd voorstel in één of meer onderdelen te splitsen, waarover
                            afzonderlijke besluitvorming zal plaatsvinden. Alleen beraadslaagd kan
                            worden over amendementen die ingediend zijn door leden van de raad, die
                            de presentielijst getekend hebben en in de vergadering aanwezig
                            zijn.</al><al>2 Ieder lid dat in de vergadering aanwezig is, is bevoegd op het
                            amendement dat door een lid is ingediend, een wijziging voor te stellen
                            (subamendement).</al><al>3 Elk (sub)amendement en elk voorstel moet om in behandeling genomen te
                            kunnen worden schriftelijk bij de voorzitter worden ingediend, tenzij de
                            voorzitter - met het oog op het eenvoudige karakter van het voorgestelde
                            -oordeelt, dat met een mondelinge indiening kan worden volstaan.</al><al>4 Intrekking, door de indiener(s), van het (sub)amendement is mogelijk,
                            totdat de besluitvorming door de raad heeft plaatsgevonden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 34 Moties</label></kop><al>1 Ieder lid van de raad kan ter vergadering een motie indienen.</al><al>2 Een motie moet om in behandeling genomen te kunnen worden schriftelijk
                            bij de voorzitter worden ingediend.</al><al>3 De behandeling van een motie over een aanhangig onderwerp of voorstel
                            vindt tegelijk met de beraadslaging over dat onderwerp of voorstel
                            plaats.</al><al>4 De behandeling van een motie over een niet op de agenda opgenomen
                            onderwerp vindt plaats nadat alle op de agenda voorkomende onderwerpen
                            zijn behandeld.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 35 Voorstellen van orde</label></kop><al>1 De voorzitter en ieder lid van de raad kunnen tijdens de vergadering
                            mondeling een voorstel van orde doen, dat kort kan worden
                            toegelicht.</al><al>2 Een voorstel van orde kan uitsluitend de orde van de vergadering
                            betreffen.</al><al>3 Over een voorstel van orde beslist de raad terstond.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 36 Initiatiefvoorstel</label></kop><al>1 Een initiatiefvoorstel moet om in behandeling genomen te kunnen worden
                            schriftelijk bij de voorzitter worden ingediend.</al><al>2 Het presidium plaatst het voorstel op de agenda van de eerstvolgende
                            vergadering, tenzij de voorlopige agenda reeds door het presidium is
                            vastgesteld. In dit laatste geval wordt het voorstel op de agenda van de
                            daaropvolgende vergadering geplaatst.</al><al>3 Het voorstel wordt voor advies naar de raadscommissie gezonden, tenzij
                            het presidium oordeelt dat dit niet nodig is. De raad kan bepalen dat
                            het voorstel voor nader advies naar het college dient te worden
                            gezonden. In het laatste geval bepaalt de raad in welke vergadering het
                            voorstel opnieuw geagendeerd wordt.</al><al>4 De raad kan bepalen dat een voorstel, niet zijnde een voorstel voor
                            een verordening, niet wordt behandeld wegens strijd met de wet, het
                            algemeen belang, het belang van de gemeente of het gemeentelijk
                            beleid.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 36a Collegevoorstel</label></kop><al>1 Een voorstel voor een verordening of een ander voorstel van het
                            college aan de raad, dat vermeld staat op de agenda van de
                            raadsvergadering, kan niet worden ingetrokken zonder toestemming van de
                            raad.</al><al>2 Indien de raad van oordeel is dat een voorstel als bedoeld in het
                            eerste lid voor advies terug aan het college moet worden gezonden,
                            bepaalt de raad in welke vergadering het voorstel opnieuw geagendeerd
                            wordt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 36b Interpellatie</label></kop><al>1 Het verzoek tot het houden van een interpellatie wordt, behoudens in
                            naar het oordeel van de voorzitter spoedeisende gevallen, ten minste 48
                            uur voor de aanvang van de vergadering schriftelijk bij de voorzitter
                            ingediend. Het verzoek bevat een duidelijke omschrijving van het
                            onderwerp waarover inlichtingen worden verlangd alsmede de te stellen
                            vragen.</al><al>2 De voorzitter brengt de inhoud van het verzoek zo spoedig mogelijk ter
                            kennis van de overige leden van de raad en de wethouders. Bij de
                            behandeling van de ingekomen stukken van de eerstvolgende vergadering na
                            indiening van het verzoek wordt het verzoek in stemming gebracht. De
                            raad bepaalt op welk tijdstip tijdens de vergadering de interpellatie
                            zal worden gehouden.</al><al>3 De interpellant voert niet meer dan tweemaal het woord, de overige
                            leden van de raad, de burgemeester en de wethouders niet meer dan
                            eenmaal, tenzij de raad hen hiertoe verlof geeft.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 37 Schriftelijke vragen</label></kop><al>1 Schriftelijke vragen worden kort en duidelijk geformuleerd. De vragen
                            kunnen van een toelichting worden voorzien. Bij de vragen wordt
                            aangegeven, of schriftelijke of mondelinge beantwoording tijdens het
                            vragenuur wordt verlangd.</al><al>2 De vragen worden bij de voorzitter van de raad ingediend. Deze draagt
                            er zorg voor dat de vragen zo spoedig mogelijk ter kennis van de overige
                            leden van de raad en het college worden gebracht.</al><al>3 Schriftelijke beantwoording vindt zo spoedig mogelijk plaats, in ieder
                            geval binnen dertig dagen, nadat de vragen zijn binnengekomen.
                            Mondelinge beantwoording vindt plaats in de eerstvolgende
                            raadsvergadering. Indien beantwoording niet binnen deze termijnen kan
                            plaatsvinden, stelt het verantwoordelijk lid van het college de
                            vragensteller hiervan gemotiveerd in kennis, waarbij de termijn
                            aangegeven wordt, waarbinnen beantwoording zal plaatsvinden. Dit bericht
                            wordt behandeld als een antwoord.</al><al>4 De schriftelijke antwoorden worden door het verantwoordelijk lid van
                            het college aan de leden van de raad medegedeeld.</al><al>5 De vragen en antwoorden worden gelijktijdig met de stukken als bedoeld
                            in artikel 18 aan de leden van de raad toegezonden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 37 a Vragenuur</label></kop><al>1 Aan het begin van de vergadering is er een vragenuur, ten behoeve van:
                            het beantwoorden van vooraf ingediende schriftelijke vragen over
                            onderwerpen die niet op de agenda staan, het doen van mededelingen door
                            het college, de behandeling van de ingekomen stukken en vaststellen van
                            de notulen.</al><al>2 Het lid van de raad dat tijdens het vragenuur vragen wil stellen over
                            niet geagendeerde onderwerpen, dient de vragen schriftelijk ten minste
                            48 uur voor aanvang van het vragenuur bij de voorzitter in te
                            dienen.</al><al>3 De voorzitter bepaalt de volgorde, waarin de in het vorige lid
                            bedoelde vragen aan de orde worden gesteld.</al><al>4 De voorzitter stelt degene die schriftelijke vragen heeft gesteld in
                            de gelegenheid een korte toelichting te geven.</al><al>5 Na de beantwoording door het college of de burgemeester krijgt de
                            vragensteller desgewenst het woord om aanvullende vragen te stellen en
                            kan de voorzitter aan andere leden van de raad het woord verlenen om
                            hetzij aan de vragensteller, hetzij aan het college vragen te stellen
                            over hetzelfde onderwerp.</al><al>6 Op het stellen van vragen over geagendeerde onderwerpen is het
                            bepaalde in artikel 21, eerste, tweede en derde lid van overeenkomstige
                            toepassing met inachtneming van het hierna bepaalde. </al><al>7 Tijdens het vragenuur kunnen geen moties worden ingediend en worden
                            geen interrupties toegelaten.</al><al>8 De voorzitter bepaalt per onderwerp de spreektijd voor de
                            vragensteller, voor de wethouders, voor de burgemeester en voor de
                            overige leden van de raad.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 38 Inlichtingen</label></kop><al>Vervallen</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Begroting en rekening</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel 39 Procedure begroting</label></kop><al>Onverminderd het bepaalde in de Gemeentewet geschiedt de voorbereiding,
                            het onderzoek, de behandeling en de vaststelling van de begroting
                            volgens een procedure die de raad vaststelt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 40 Procedure jaarrekening</label></kop><al>Onverminderd het bepaalde in de Gemeentewet geschiedt de voorbereiding
                            en het onderzoek van de jaarrekening en het jaarverslag, alsmede de
                            vaststelling van de jaarrekening en van een eventueel
                            indemniteitsbesluit volgens een procedure die de raad vaststelt.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Lidmaatschap van andere organisaties</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel 41 Verslag; verantwoording</label></kop><al>1 Een lid van de raad, een wethouder, de burgemeester of de secretaris,
                            die door de gemeenteraad is aangewezen tot lid van het algemeen bestuur
                            van een openbaar lichaam of van een ander gemeenschappelijk orgaan,
                            ingesteld op grond van de Wet gemeenschappelijke regelingen, heeft het
                            recht (om in aansluiting op de behandeling van de lijst van ingekomen
                            stukken òf voor het sluiten van de vergadering) verslag te doen over
                            zaken die in het algemeen bestuur als bedoeld aan de orde zijn. Door de
                            raad gewenste bespreking van dit verslag kan de voorzitter verwijzen
                            naar de desbetreffende commissie.</al><al>2 Ieder lid van de raad kan aan een persoon als bedoeld in het eerste
                            lid, schriftelijke vragen stellen. De regels voor het stellen van
                            schriftelijke vragen, vastgesteld in artikel 37, zijn van
                            overeenkomstige toepassing.</al><al>3 Wanneer een lid van de raad een persoon als bedoeld in het eerste lid
                            ter verantwoording wenst te roepen over zijn wijze van functioneren als
                            zodanig, besluit de raad over het toestaan daarvan. De regels voor het
                            vragen van inlichtingen, vastgesteld in artikel 37a zijn van
                            overeenkomstige toepassing.</al><al>3Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op andere organisaties of
                            instituties, waarin de raad een vertegenwoordiger heeft benoemd.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7</nr><titel>Besloten vergadering</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel 42 Algemeen</label></kop><al>Op een besloten vergadering zijn de bepalingen van dit reglement van
                            overeenkomstige toepassing voorzover deze bepalingen niet strijdig zijn
                            met het besloten karakter van de vergadering.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 43 Notulen</label></kop><lijst><li nr="1"><al>De ontwerp-notulen van een besloten vergadering worden aan de
                                    leden van de raad toegezonden en gelijktijdig aan de overige
                                    personen die het woord gevoerd hebben. De voorzitter kan in
                                    afwijking hiervan bepalen dat de notulen enkel voor de
                                    deelnemers aan de vergadering ter inzage worden gelegd.</al></li><li nr="2"><al>Deze notulen worden zo spoedig mogelijk in een besloten
                                    vergadering vastgesteld. Tijdens deze vergadering neemt de raad
                                    een besluit over het al dan niet openbaar maken van deze
                                    notulen. De vastgestelde notulen worden door de voorzitter en de
                                    griffier ondertekend.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label> Artikel 44 Geheimhouding</label></kop><al>Voor de afloop van de besloten vergadering beslist de raad
                            overeenkomstig artikel 25, eerste lid, van de Gemeentewet of omtrent de
                            inhoud van de stukken en het verhandelde geheimhouding zal gelden. De
                            raad kan besluiten de geheimhouding op te heffen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 45 Opheffing geheimhouding</label></kop><al>Indien de raad op grond van artikel 25, derde en vierde lid, artikel 55,
                            tweede en derde lid, of artikel 86, tweede en derde lid, van de
                            Gemeentewet voornemens is de geheimhouding op te heffen wordt, indien
                            daarom wordt verzocht door het orgaan dat geheimhouding heeft opgelegd,
                            in een besloten vergadering met het desbetreffende orgaan overleg
                            gevoerd.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>8</nr><titel>Toehoorders en pers</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel 46 Toehoorders en pers</label></kop><al>1 De toehoorders en vertegenwoordigers van de pers kunnen uitsluitend op
                            de voor hen bestemde plaatsen openbare vergaderingen bijwonen.</al><al>2 Het geven van tekenen van goed- of afkeuring of het op andere wijze
                            verstoren van de orde is verboden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 46a Geluid- en beeldregistraties</label></kop><al>Degenen die in de vergaderzaal tijdens de raadsvergadering geluid- dan
                            wel beeldregistraties willen maken vragen hiervoor toestemming van de
                            voorzitter en gedragen zich naar zijn aanwijzingen, op straffe van
                            directe intrekking van de toestemming.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 47 Verbod gebruik mobiele telefoons</label></kop><al>In de vergaderzaal, met inbegrip van de publieke tribune, is tijdens de
                            vergadering het gebruik, alsmede het standby houden van mobiele
                            telefoons of andere communicatiemiddelen, die inbreuk kunnen maken op de
                            orde van de vergadering, zonder toestemming van de voorzitter, niet
                            toegestaan.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>9</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>48</nr><titel>Uitleg reglement</titel></kop><al><cursief>In de gevallen waarin dit reglement niet voorziet of bij
                                twijfel omtrent de toepassing van het reglement, beslist de raad op
                                voorstel van de voorzitter.</cursief></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>49</nr><titel>In werking treden</titel></kop><al><cursief>Dit reglement treedt terstond in werking.</cursief></al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 3 januari 2005,</al></slotformulering><ondertekening>De griffier, De burgemeester,</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Toelichting</label><nr/><titel>reglement van orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van de
                        gemeenteraad</titel></kop><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel 1 Begripsomschrijvingen</label></kop><al>Onder ‘aanhangig’ wordt verstaan aan de orde/in behandeling zijn.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 2 De voorzitter</label></kop><al>De burgemeester is voorzitter van de raad. Artikel 125, derde lid, van de
                        Grondwet en artikel 9 van de Gemeentewet schrijven dit dwingend voor. In het
                        gewijzigde artikel 77, eerste lid, is bepaald dat het oudste raadslid in
                        anciënniteit het raadsvoorzitterschap waarneemt bij verhindering of
                        ontstentenis van de burgemeester. Als twee raadsleden even lang zitting
                        hebben, is de oudste in jaren degene die het raadsvoorzitterschap waarneemt.
                        Daarnaast heeft de raad altijd de mogelijkheid zelf te kiezen voor een
                        andere waarnemer. Overigens geldt ditzelfde regime in het geval dat alle
                        wethouders afwezig zijn voor de waarneming van het ambt van de burgemeester.
                        Voor de inwerkingtreding van de Wet dualisering gemeentebestuur nam een
                        wethouder de taken van de burgemeester als voorzitter van de raad waar.</al><al>De burgemeester heeft het recht op grond van artikel 21 van de Gemeentewet
                        in de vergadering aan de beraadslaging deel te nemen. Als voorzitter zorgt
                        hij onder andere voor de handhaving van de orde in de vergadering.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 3 De griffier</label></kop><al>De Gemeentewet eist dat de raad de vervanging van de griffier regelt
                        (artikel 107d, eerste lid). In het tweede lid is daarover een bepaling
                        opgenomen. </al><al>In verband met artikel 22 Gemeentewet (verschoningsrecht) is in het derde
                        lid een bepaling opgenomen met betrekking tot het deelnemen van de griffier
                        aan de beraadslaging. Rechtspositionele bepalingen omtrent de beëdiging,
                        woonplaats etcetera zijn niet in dit reglement opgenomen, aangezien dat
                        beter geregeld kan worden in de ambtsinstructie voor de griffier, die de
                        raad vaststelt.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 3a De secretaris</label></kop><al>De secretaris houdt zich voornamelijk bezig met de ondersteuning van het
                        college en het leiden van de ambtelijke organisatie. In het kader van die
                        twee taken kan het tevens wenselijk zijn dat de secretaris deelneemt aan de
                        beraadslagingen van de raad. De secretaris wordt echter benoemd en ontslagen
                        door het college. Dit houdt in dat de raad de secretaris niet kan dwingen om
                        in de raad aanwezig te zijn. De raad zal het college moeten verzoeken of het
                        college de secretaris opdraagt in de vergadering aanwezig te zijn om aan de
                        beraadslagingen deel te nemen. Op deze wijze kan de raad onder meer een
                        beroep doen op kennis en informatie, die de secretaris bezit of kan de
                        secretaris bijvoorbeeld deelnemen aan een discussie over het functioneren
                        van de gemeentelijke organisatie.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3b</nr><titel>en 3c</titel></kop><al>Het seniorenconvent en het presidium hebben een verschillende functie. In
                        het seniorenconvent kunnen inhoudelijke zaken worden besproken. Het
                        presidium heeft het toezicht op de procedurele gang van zaken en op griffie
                        en griffier. In lid 5 van artikel 3c is geregeld dat de secretaris
                        uitgenodigd kan worden om bij de vergadering aanwezig kan zijn. Het kan
                        praktisch zijn om de secretaris aanwezig te laten zijn bij sommige
                        agendapunten, zoals bij de bespreking van de raads- en commissieagenda's. De
                        facto is die keuze aan het presidium. </al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Toelating van nieuwe leden; fracties</titel></kop><al>Artikel 4 Onderzoek geloofsbrieven</al><al>Lid 1 wijkt af van het modelreglement van de VNG, waarin staat dat de
                        processen-verbaal van de stembureaus worden onderzocht. Dat is niet nodig,
                        het proces-verbaal van het hoofdstembureau waarin de gekozenen zijn
                        opgenomen is voldoende; dat wordt gedekt door te verwijzen naar bij de
                        Kieswet vereiste stukken. In lid 2 is voorzien dat terstond met het
                        onderzoek wordt begonnen en in lid 3 dat hierover direct verslag wordt
                        uitgebracht. Dat wijkt af van de regeling van het modelreglement van de VNG,
                        waarin is voorzien in een schriftelijk verslag en voorstel. Voor het overige
                        is het modelreglement gevolgd.</al><al>Met de geloofsbrief geeft de voorzitter van het centraal stembureau aan de
                        benoemde kennis van zijn benoeming. Bij deze brief moeten enkele in de
                        Kieswet vereiste stukken worden gevoegd, waaruit blijkt, dat de benoemde
                        voldoet aan de eisen om als lid van de raad toegelaten te kunnen
                        worden.</al><al>Het onderzoek van de geloofsbrieven moet in een openbare vergadering
                        gebeuren. </al><al>Ingevolge artikel V4 van de Kieswet beslist de raad over de toelating van
                        zijn leden. Daarbij is er een verschil in de procedure bij de samenstelling
                        van een nieuwe raad of bij de vervulling van een tussentijdse vacature.</al><al>De tekst van de eed of verklaring en belofte die een raadslid bij het
                        aanvaarden van het raadslidmaatschap moet afleggen, is in artikel 14 van de
                        Gemeentewet vastgelegd.</al><al>De mogelijkheid van beroep bij de Raad van State tegen de beslissing tot
                        toelating als lid van de raad vervalt door inwerking treden van de Wet
                        dualisering gemeentebestuur.</al><al>Artikel 5 Fracties</al><al>In een aantal gevallen blijkt behoefte te bestaan aan een regeling van wat
                        onder een fractie moet worden verstaan. De Gemeentewet kent een dergelijk
                        begrip niet maar gaat onder andere in artikel 33, tweede lid, wel uit van
                        het bestaan van in de raad vertegenwoordigde groeperingen (recht op
                        fractie-ondersteuning).</al><al>In veel gemeenten bestaan regelingen ten aanzien van vergoedingen aan
                        fracties, faciliteiten voor fracties, fractie-assistentie, etc. In deze
                        nadere regelingen kan nu worden aangesloten bij het in het RvO opgenomen
                        fractiebegrip.</al><al>Na het vaststellen van de uitslag van de verkiezingen vindt de eerste
                        zitting van de raad plaats. Bij de aanvang van deze zitting worden de leden
                        die op dezelfde lijst hebben gestaan, als één fractie beschouwd. De fractie
                        gebruikt in</al><al>de vergadering van de raad de aanduiding die zij boven de kandidatenlijst
                        hadden staan. Op deze wijze is de relatie tussen de fractie in de raad en de
                        fractie op de kandidatenlijst voor de burger duidelijk. Het kan echter
                        voorkomen dat een fractie geen aanduiding boven de kandidatenlijst heeft
                        staan. In een dergelijk geval deelt de fractie in de eerste vergadering de
                        aanduiding mee.</al><al>In de loop van een zittingsperiode kan het voorkomen dat leden de raad
                        verlaten.</al><al>Het beëindigen van de zitting in de raad kan verschillende oorzaken
                        hebben.</al><al>Raadsleden kunnen ongeneeslijk ziek zijn, een conflict met hun
                        fractiehebben, te weinig tijd hebben voor het raadswerk en zo zijn er nog
                        vele redenen denkbaar. In een dergelijk geval vindt er een verandering in de
                        samenstelling van de fractie plaats. Als dit het geval is, deelt de fractie
                        dit aan de voorzitter mede.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Vergaderingen</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Tijd van vergaderen; voorbereidingen</titel></kop><al>Artikel 6 Tijd en plaats van vergaderen</al><al>Ingevolge artikel 17 van de Gemeentewet vergadert de raad zo vaak hij
                        daartoe heeft besloten en voorts indien de burgemeester het nodig oordeelt
                        of indien ten minste een vijfde van het aantal leden van de raad
                        schriftelijk met opgave van redenen daarom vraagt.</al><al>In lid 2 is in afwijking van het modelreglement bepaald dat niet in het
                        seniorenconvent, maar in het presidium overleg wordt gevoerd. Dat is in
                        overeenstemming met de keuze om niet het seniorenconvent, maar het presidium
                        aan te wijzen als overlegplatform voor de raadsagenda. </al><al>Artikel 7 Oproep</al><al>Raadsleden horen op tijd op de hoogte te worden gebracht van dag, tijdstip
                        en plaats van de vergadering. Tegelijkertijd krijgen zij ook de voorlopige
                        agenda en de stukken toegestuurd. De meeste stukken krijgen zij al eerder,
                        zodat de onderwerpen eerst in de raadscommissies kunnen worden behandeld. </al><al>Artikel 8 Agenda</al><al>Het presidium bepaalt in zijn overleg hoe de agenda eruit komt te zien.Dit
                        is echter een voorlopige vaststelling van de agenda. In de praktijk kan de
                        voorzitter na het verzenden van de schriftelijke oproep zo nodig een
                        aanvullende agenda vaststellen. </al><al>Dit kan echter niet tot op het laatste moment, maar tot uiterlijk twee dagen
                        voor de aanvang van de vergadering. Het vierde lid heeft tot doel om de raad
                        een actievere rol te geven in de opstelling van de raadsagenda. Individuele
                        raadsleden kunnen in de raadscommissie en via de commissievoorzitter in het
                        presidium onderwerpen voor de agenda voordragen. Zij kunnen echter ook bij
                        aanvang van de raadsvergadering een voorstel doen om onderwerpen aan de
                        agenda toe te voegen of van de agenda af te voeren.</al><al>Daarmee kan het individuele raadslid in ieder geval op twee momenten invloed
                        uitoefenen op de vaststelling van de agenda. Wat blijft, is de mogelijkheid
                        dat het college de raad voorstellen kan doen. Dat blijkt uit zijn wettelijke
                        taak, artikel 160, lid 1 onder b. Zie ook artikel 36a van het
                        modelreglement. De agendering van die voorstellen verloopt via het
                        presidium.</al><al>Het vijfde lid vloeit voort uit de verplichting van het college om de raad
                        van voldoende informatie te voorzien. Als de raad niet voldoende op de
                        hoogte is van de inhoud en strekking van een onderwerp dan is het niet
                        verantwoord dat de raad zich op hoofdlijnen over dit onderwerp uitspreekt.
                        In een dergelijk geval heeft de raad de mogelijkheid, dat de raad het
                        onderwerp naar een commissie verwijst of aan het college nadere inlichtingen
                        of advies vraagt.</al><al>Het laatste lid regelt dat op verzoek van een lid of op voorstel van de
                        voorzitter de raad de volgorde van behandeling van de agendapunten kan
                        wijzigen.</al><al>Artikel 8a De wethouder</al><al>Artikel 8a is een nadere uitwerking van artikel 21, tweede lid, van de
                        Gemeentewet. Dit artikel voorziet in de mogelijkheid dat wethouders door de
                        raad worden uitgenodigd om ter vergadering aanwezig te zijn. In de praktijk
                        kan dit een 'staande' uitnodiging zijn. De overige leden van het artikel
                        zien op de wijzen waarop een wethouder op eigen initiatief ter vergadering
                        aanwezig is. </al><al>Artikel 9 Ter inzage leggen van stukken</al><al>In afwijking van het modelreglement worden de stukken niet voor eenieder ter
                        inzage gelegd, maar, in overeenstemming met de oude regeling, voor de leden.
                        Op deze wijze behoeven de stukken niet telkens op vertrouwelijkheid te
                        worden gescreend. Desgewenst kan ook aan anderen inzage worden gegeven, in
                        overeenstemming met de Wet Openbaarheid van Bestuur. Eveneens is in
                        overeenstemming met de oude regeling opgenomen dat een kopie van een stuk
                        slechts voor eigen gebruik bedoeld is. </al><al>Artikel 10 Openbare kennisgeving</al><al>Met dit artikel wordt invulling gegeven aan het voorschrift van artikel 19,
                        tweede lid, van de Gemeentewet.</al><al>Voor wat betreft de wijze van publicatie is aangesloten bij artikel 3:12 van
                        de Algemene wet bestuursrecht. Tevens is de plaatsing op het internet
                        toegevoegd.</al></divisie><divisie><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Orde der vergadering</titel></kop><al>Artikel 11 Presentielijst</al><al>De handtekeningen op de presentielijst zijn bedoeld om formeel vast te
                        stellen, dat het vergaderquorum aanwezig is. De lijst kan niet dienen om het
                        stemquorum vast te stellen; daarvoor geldt artikel 29 van de
                        Gemeentewet.</al><al>Artikel 12 Zitplaatsen</al><al>Dit artikel behoeft geen toelichting.</al><al>Artikel 13 Opening vergadering</al><al>De vergadering kan beginnen, indien meer dan de helft van het aantal zitting
                        hebbende raadsleden aanwezig is en de presentielijst heeft getekend.</al><al>Artikel 20 van de Gemeentewet voorziet in een procedure voor een tweede
                        vergadering indien het vereiste aantal leden niet op komt dagen.</al><al>Artikel 14 Spreekrecht burgers</al><al>Dit artikel is vervallen.</al><al>Artikel 15 Bandopname</al><al>Dit artikel behoeft geen toelichting.</al><al>Artikel 16 Primus bij hoofdelijke stemming</al><al>Praktisch gezien verdient het aanbeveling de volgorde van stemmen te bepalen
                        aan het begin van de vergadering; deze volgorde geldt dan voor de gehele
                        vergadering, ook na een eventuele schorsing.</al><al>Uiteraard is ook hier afwijking mogelijk, bij voorbeeld door te bepalen dat
                        pas op het moment van stemming de primus wordt bepaald.</al><al>Zie ook artikel 28, vierde lid.</al><al>Artikel 17 Notulen</al><al>Het recht om aanpassing voor te stellen (derde lid) komt ook toe aan het
                        raadslid en de wethouder, dat bij de desbetreffende vergadering niet
                        aanwezig was.</al><al>Het is aan de raad om te beslissen of een voorgestelde wijziging of
                        aanvulling geaccepteerd wordt. Een afwijzing van een dergelijk voorstel is
                        niet vatbaar voor beroep (aldus de Afdeling Rechtspraak van de Raad van
                        State). Duidelijkheidshalve is in lid 2 toegevoegd: De beraadslaging over
                        het in die vergadering aan de orde gekomene kan daarbij niet worden
                        heropend.</al><al>Artikel 18 Ingekomen stukken; mededelingen</al><al>Omtrent de (aan de raad gerichte) ingekomen stukken worden alleen
                        voorstellen gedaan en besluiten genomen van procedurele aard. Inhoudelijke
                        discussie over de stukken kan de voorzitter buiten de orde verklaren.</al><al>Wanneer een ingekomen stuk leidt tot inhoudelijke discussie en
                        besluitvorming, dient dit op de gebruikelijke wijze te worden
                        voorbereid.</al><al>Artikel 19 Spreekregels</al><al>Dit artikel behoeft geen toelichting.</al><al>Artikel 20 Volgorde sprekers</al><al>Het gaat hierbij niet om interrupties (zie artikel 23).</al><al>Artikel 21 Aantal spreektermijnen</al><al>In afwijking van het modelreglement bepaalt de voorzitter en niet de raad in
                        lid 1 en lid 3 of in meer dan twee termijnen en of meer dan één keer het
                        woord kan worden gevoerd. Tevens is lid 5 toegevoegd, in overeenstemming met
                        artikel 23, dat duidelijk maakt dat interrupties kunnen worden toegestaan.
                        Binnen dit kader kan streng worden vastgehouden aan een eerste en tweede
                        termijn, maar is er ook een mogelijkheid voor de voorzitter een vrijere
                        discussie toe te staan.</al><al>Het stellen van vragen dient ook als een spreektermijn beschouwd te
                        worden.</al><al>De beraadslaging over een motie vindt niet plaats in afzonderlijke
                        termijnen, maar gelijktijdig met de beraadslaging over het betreffende, aan
                        de orde zijnde onderwerp.</al><al>Artikel 22 Spreektijd</al><al>Dit artikel is iets anders geredigeerd dan het modelreglement.</al><al>Artikel 23 Handhaving orde; schorsing</al><al>De bevoegdheid die in het tweede lid aan de voorzitter wordt gegeven om een
                        spreker over een aanhangig onderwerp het woord te ontzeggen, gaat minder ver
                        dan de mogelijkheid die artikel 26, derde lid, van de Gemeentewet biedt om
                        aan dat lid, dat door zijn gedragingen de geregelde gang van zaken
                        belemmert, de toegang tot de vergadering te ontzeggen. De laatstgenoemde
                        bevoegdheid van de voorzitter blijft echter onverlet. Artikel 23 is slechts
                        een aanvulling op de Gemeentewet.</al><al>Onder interruptie is overigens niet te verstaan het geven van tekenen van
                        goed- of afkeuring; deze uitingen worden beschouwd als verstoringen van de
                        orde.</al><al>Voor wat betreft de handhaving van de orde op de publieke tribune wordt
                        verwezen naar de artikel 46a van dit reglement.</al><al>In lid 1 onder b is toegevoegd dat de voorzitter een korte gedachtewisseling
                        kan toestaan, opdat een beperkte vrijere discussie mogelijk is.</al><al>Artikel 24 Beraadslaging</al><al>Teneinde de vergaderduur niet te zeer te verlengen wordt over een voorstel
                        dat in onderdelen of artikelen is verdeeld, in principe in zijn geheel
                        beraadslaagd. </al><al>Er is een uitzonderingsmogelijkheid opgenomen.</al><al>Artikel 25 Deelname aan de beraadslaging door anderen </al><al>Deze bepaling is noodzakelijk in verband met het in artikel 22 Gemeentewet
                        geregelde verschoningsrecht.</al><al>Artikel 26 Stemverklaring</al><al>Stemverklaringen zullen kort moeten zijn en mogen niet het karakter krijgen
                        van een derde termijn, als laatste reactie op de vorige spreker. De
                        stemverklaringen worden alle gegeven vóór de hoofdelijke oproep van de leden
                        tot de stemming begint.</al><al>Artikel 27 Beslissing</al><al>Deze bepaling beoogt niet meer, dan vast te leggen dat ook nog een
                        beslissing over het voorstel (indien een amendement is aangenomen, in zijn
                        geamendeerde vorm) moet worden genomen.</al></divisie><divisie><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Procedures bij stemmingen</titel></kop><al>Artikel 28 Algemene bepalingen over stemming</al><al>Indien een lid te kennen geeft een hoofdelijke stemming te wensen, moet de
                        stemming plaatsvinden. De raad heeft niet de bevoegdheid om van deze
                        bepaling van artikel 32 van de Gemeentewet af te wijken. Vraagt niemand
                        stemming, dan wordt het voorstel geacht te zijn aangenomen.</al><al>De regeling in het tweede lid kan toepassing krijgen, indien de uitkomst van
                        de stemming tevoren duidelijk is en slechts enkele leden zouden
                        tegenstemmen. </al><al>Bij wie de stemming begint, is geregeld in artikel 16.</al><al>Bij staking van stemmen is het bepaalde in artikel 32 van de Gemeentewet van
                        toepassing. Indien de vergadering voltallig is, wordt het voorstel geacht te
                        zijn verworpen. Is de vergadering niet voltallig, dan wordt het nemen van
                        het besluit tot een volgende vergadering uitgesteld. Als ook dan de stemmen
                        staken, wordt het voorstel geacht niet te zijn aangenomen.</al><al>Artikel 29 Stemming over amendementen en moties</al><al>Voor meer informatie over een amendement of een motie (betekenis, indiening
                        e.d.) wordt verwezen naar de artikelen 1, 33 en 34 van dit reglement. Voor
                        alle duidelijkheid wordt hier een verschil in procedure aangegeven tussen
                        een motie en een amendement. Een amendement komt in stemming voorafgaande
                        aan de stemming over het voorstel van het college. Een motie strekt niet tot
                        wijziging van een voorgesteld besluit; over een motie wordt een apart
                        besluit genomen, nadat de besluitvorming over het aanhangige voorstel is
                        afgerond. Bij een motie over een afzonderlijk onderwerp geldt dit uiteraard
                        niet en is het vierde lid niet van toepassing.</al><al>Artikel 30 Stemming over personen</al><al>De Gemeentewet geeft aan, dat over benoemingen (niet ontslag) van personen
                        of het opstellen van een voordracht of aanbeveling schriftelijk moet worden
                        gestemd (artikel 31 van de Gemeentewet).</al><al>Een voordracht is voor de raad bindend; de raad heeft slechts keus tussen
                        degenen die op de voordracht zijn vermeld.</al><al>Een aanbeveling is een voorstel waarvan de raad mag afwijken.</al><al>Wanneer er veel benoemingen te doen zijn (bij voorbeeld aan het begin van
                        een nieuwe zittingsperiode) zou een gecombineerd stembiljet kunnen worden
                        ontworpen. </al><al>In het zesde lid wordt aangesloten bij het bepaalde in artikel 30 van de
                        Gemeentewet.</al><al>Wat onder een (niet) behoorlijk ingevuld stembriefje moet worden verstaan,
                        is in de wet niet geregeld en daarom wel in dit reglement.</al><al>Artikel 31 Herstemming over personen</al><al>Dit artikel behoeft geen toelichting.</al><al>Artikel 32 Beslissing door het lot</al><al>Dit artikel behoeft geen toelichting.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Rechten van leden</titel></kop><al>Artikel 33 Amendementen</al><al>Leden van de raad kunnen aan de raad wijzigingen op het voorstel van het
                        college voorstellen, de zogenaamde amendementen. Wanneer een amendement is
                        ingediend, kan dit voor een ander raadslid aanleiding zijn, op dit
                        amendement nog weer een wijziging voor te stellen, het subamendement.</al><al>Een (sub)amendement kan ingediend worden op een voorgesteld besluit, dat
                        aanhangig is. De beraadslaging over het (sub)amendement vindt plaats in ten
                        hoogste twee termijnen. Indien (in uitzonderlijke situaties) een
                        ingediend</al><al>amendement verdere beraadslaging noodzakelijk maakt, kan de raad besluiten
                        tot een derde termijn (artikel 21).</al><al>Voor wat betreft de stemming over amendementen wordt verwezen naar artikel
                        29.</al><al>Voorstel tot splitsing van een voorgesteld beslissing kan, indien
                        aangenomen, meebrengen, dat één onderdeel van een besluit wel en een ander
                        niet wordt aanvaard.</al><al>Artikel 34 Moties</al><al>Een motie is een voorstel tot het doen van een uitspraak. Het kan gaan om
                        het uitspreken van een wens (van inhoudelijke, politieke, procedurele aard)
                        of het uitspreken van instemming dan wel afkeuring over bepaalde
                        ontwikkelingen.</al><al>Een motie betreft dus niet een concreet besluit dat op rechtsgevolg is
                        gericht; een motie heeft geen juridische, maar een politieke betekenis.
                        Daarom zijn burgemeester en wethouders formeel niet aan een motie gebonden
                        of tot uitvoering ervan verplicht. Wel kan het naast zich neerleggen van een
                        motie door het college leiden tot een vertrouwensbreuk tussen raad en
                        college en hieruit kan het college dan zijn consequentie trekken.</al><al>Voor wat betreft de besluitvormingsprocedure omtrent een motie wordt
                        opgemerkt, dat over een motie een apart besluit wordt genomen. </al><al>Voor de beraadslaging over een motie over een aanhangig onderwerp geldt, dat
                        deze niet plaatsvindt in afzonderlijke termijnen, maar gelijktijdig met de
                        beraadslaging over het onderwerp, waarop de motie betrekking heeft.</al><al>Een besluit over een motie over een niet op de agenda opgenomen onderwerp
                        vindt aan het einde van de vergadering plaats. Dergelijke moties benaderen
                        de in artikel 36 geregelde initiatiefvoorstellen.</al><al>Artikel 35 Voorstellen van orde</al><al>De voorzitter legt aan de raad ter beslissing voor of er inderdaad sprake is
                        van een voorstel van orde. Over een voorstel van orde wordt direct, zonder
                        beraadslaging, besloten door de raad. Indien het gaat om een niet
                        geagendeerd voorstel, dient de procedure van een initiatiefvoorstel gevolgd
                        te worden (artikel 36).</al><al>Artikel 36 Initiatiefvoorstellen</al><al>Het is de taak van burgemeester en wethouders aan de raad de nodige
                        voorstellen te doen. Maar raadsleden kunnen ook zelf een voorstel voor een
                        ontwerp-verordening of ontwerp-beslissing doen. Hiervoor is het recht van
                        initiatief toegekend.</al><al>Een voorstel voor een ontwerp-verordening moet de raad in behandeling nemen.
                        Voor andere initiatiefvoorstellen is geen verplichte behandeling
                        voorgeschreven. </al><al>Dit betekent dat de raad (aanvullende) voorwaarden kan stellen aan het in
                        behandeling nemen van een ander initiatiefvoorstel. Dat is gedaan in lid
                        vier. De raad kan besluiten een voorstel, niet zijnde een verordening, niet
                        in behandeling te nemen. Deze optie is facultatief, het is geen
                        verplichting. De mogelijkheid is enigszins lood om oud ijzer: men kan om
                        dezelfde redenen besluiten het desbetreffende voorstel af te wijzen. Omdat
                        de wet de mogelijkheid biedt en wellicht omdat er een bepaald politiek
                        gewicht kan worden gehecht aan het niet in behandeling nemen van een
                        voorstel om de genoemde redenen, is lid vier opgenomen. De raad bepaalt of
                        een voorstel in strijd is met de wet (bijvoorbeeld de Wet op de ruimtelijke
                        ordening), het algemeen belang (bijvoorbeeld de volksgezondheid), het belang
                        van de gemeente (bijvoorbeeld het terugtrekken uit een publiek-private
                        samenwerking die gericht is op het renoveren van achtergestelde woonwijken)
                        of het gemeentelijk beleid (het bouwen van een parkeergarage in het centrum
                        als enkele maanden geleden de binnenstad autoluw is gemaakt). </al><al>In lid 2 is in afwijking van het modelreglement en in
                        overeenstemming met de rol van het presidium niet de voorzitter, maar het
                        presidium aangewezen als degene die het voorstel op de agenda plaatst.
                        Indien het presidium al bijeen is geweest, komt het voorstel de daarop
                        volgende keer aan bod. Het presidium zal het voorstel cf. de vaste werkwijze
                        ter voorbereiding op de agenda van de raadscommissie plaatsen. In lid 3 is
                        ook de mogelijkheid opgenomen dat de raad een nader advies inwint van het
                        college alvorens een besluit te nemen. Het laatste lid wijkt af van het
                        modelreglement, daarin wordt alles open gelaten en ontstaat een loze
                        bepaling.</al><al>Artikel 36a Collegevoorstel</al><al>Artikel 36a heeft betrekking op het agenderingsrecht van de raad. De raad is
                        de enige die een voorstel voor een verordening of een ander voorstel kan
                        agenderen, dat het college heeft voorbereid. Als het college het voorstel
                        heeft voorbereid, betekent dit niet dat het college het door hem voorbereide
                        voorstel kan intrekken indien het college van oordeel is dat verdere
                        behandeling van het voorstel niet wenselijk is. De raad moet hier
                        toestemming voor geven. </al><al>Indien de raad van oordeel is dat een voorstel voor een verordening of een
                        ander voorstel niet voldoende is voorbereid, kan de raad het voorstel voor
                        een verordening of een ander voorstel op grond van het tweede lid nogmaals
                        voor advies aan het college zenden. De raad kan het college bijvoorbeeld
                        verzoeken het voorstel voor een verordening of ander voorstel nader te
                        onderbouwen. </al><al>De raad bepaalt echter wanneer het voorstel voor een verordening of ander
                        voorstel, dat door het college verder voorbereid is, opnieuw behandeld
                        wordt. De raad kan dit in dezelfde raadsvergadering regelen, maar de raad
                        kan dit ook aan het presidium overlaten.</al><al>Artikel 36b Interpellatie</al><al>Dit artikel stelt nadere regels aan artikel 155 van de Gemeentewet. Het
                        interpellatierecht ligt in het verlengde van het mondelinge vragenrecht. Het
                        gaat om een recht van een volksvertegenwoordiger om tijdens een vergadering
                        over een niet-geagendeerd onderwerp inlichtingen aan het college of de
                        burgemeester te vragen. Daarvoor is verlof van de raad voor nodig.</al><al>Artikel 37 Schriftelijke vragen</al><al>Het vragenrecht geeft aan de leden van de raad het recht informatie te
                        vragen over aangelegenheden die tot de bevoegdheid van het college of de
                        burgemeester behoren. Het is vooral bedoeld voor vragen met een politieke
                        relevantie waarop een expliciet antwoord van het college of de burgemeester
                        wordt verlangd. Indien aangegeven is dat schriftelijke beantwoording
                        voldoende is, kan hiermee worden volstaan. Wanneer een mondeling antwoord
                        wordt verlangd - dat zal vaak zijn als men het college of de burgemeester in
                        het openbaar over het onderwerp als het ware aan de tand wil voelen - geeft
                        artikel 37a hiervoor een nadere regeling. </al><al>Voor vragen van meer technische aard is de regeling voor ambtelijke bijstand
                        meer aangewezen: via de griffier kan direct een antwoord vanuit de
                        ambtelijke organisatie worden gekregen.</al><al>In het modelreglement is in lid zes de mogelijkheid opgenomen dat
                        naar aanleiding van het schriftelijk antwoord in een volgende vergadering
                        weer nadere mondelinge inlichtingen kunnen worden gevraagd aan het eind van
                        de vergadering. Dat wordt te ingewikkeld. Nadere vragen kunnen in het
                        vragenuur aan bod komen. In lid 1 is in afwijking van het modelreglement
                        ‘tijdens het vragenuur’ toegevoegd.</al><al>Artikel 37a Vragenuur</al><al>Deze bepaling vormt voor wat betreft de beantwoording van schriftelijk
                        gestelde vragen een aanvulling op artikel 155, eerste lid, van de
                        Gemeentewet met betrekking tot het vragenrecht. Het geeft een nadere
                        uitwerking aan artikel 37 als het gaat om mondelinge beantwoording. Voor het
                        overige wordt het vragenuur ook gebruikt om het college mededelingen te
                        laten doen. Vragen over onderwerpen die op de agenda staan worden door het
                        college bij de behandeling van de onderwerpen behandeld. De beraadslaging
                        over de onderwerpen vindt zonder het college plaats. </al><al> Artikel 38 Inlichtingen</al><al>Artikel 155 Gemw. regelt het vragenrecht; het complement is de
                        inlichtingenplicht van artikelen 169, derde lid, en 180, derde lid van de
                        Gemeentewet. De uitwerking is geregeld in de artikelen 37 en 37a. Om dat nog
                        een keer te regelen in artikel 38 is dubbelop en bovendien onjuist want die
                        regeling overlapt en verwart daarmee de regeling van artikel 37 en 37a. De
                        desbetreffende bepaling uit het modelreglement is daarom niet
                        overgenomen.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Begroting en rekening</titel></kop><al>Artikel 39 Procedure begroting en artikel 40 Procedure jaarrekening</al><al>Deze artikelen behoeven geen toelichting. De desbetreffende procedure kan
                        jaarlijks of in zijn algemeenheid voor een langere periode worden
                        bepaald.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Lidmaatschap van andere organisaties</titel></kop><al>Artikel 41 Verslag; verantwoording</al><al>Leden van de raad (of in voorkomende gevallen de burgemeester, een wethouder
                        of de gemeentesecretaris), die lid zijn van een algemeen bestuur van een
                        gemeenschappelijke regeling, verrichten aldaar hun taak zowel als leden van
                        dat bestuur en als vertegenwoordiger van en in naam van de gemeente. Voor de
                        wijze, waarop zij in het bestuur van de gemeenschappelijke regeling
                        functioneren, zijn zij verantwoording verschuldigd aan de raad, die hen
                        heeft aangewezen. </al><al>Ook de gemeenschappelijke regeling dient over deze verantwoordingsplicht en
                        over de informatieverstrekking aan de raad bepalingen te bevatten.</al><al>In het eerste lid van dit artikel is een regeling getroffen voor mondelinge
                        verslaglegging (uiteraard kan ook een ander moment worden gekozen).</al><al>In het tweede lid wordt de mogelijkheid tot het stellen van schriftelijke
                        vragen aangegeven, overeenkomstig de regels, daarvoor gesteld in artikel 37. </al><al>Het derde lid bevat de procedure voor de ter verantwoording roeping, die
                        aansluit bij de regels voor het vragenuur.</al><al>Het is zinvol de bepalingen van dit artikel ook van toepassing te verklaren
                        op andere organisaties, waarin de raad een of meer van zijn leden heeft
                        benoemd.</al><al>Hierbij valt te denken aan privaatrechtelijke rechtspersonen en
                        vennootschappen, zoals een (raad van commissarissen van) een NV. Hierin
                        voorziet het vierde lid.</al><al>In lid 4 is ’één van zijn leden’ uit het modelreglement vervangen door ’een
                        vertegenwoordiger’. In lid 3 is ’artikel 38’ vervangen door ’artikel 37a’.
                    </al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7</nr><titel>Besloten vergadering</titel></kop><al>Artikel 42 Algemeen</al><al>Een besloten vergadering van de raad is een officiële vergadering, waarbij
                        de vergaderregels van het reglement van orde in acht genomen dienen te
                        worden, voorzover de bepalingen niet strijdig zijn met het besloten karakter
                        van de vergadering.</al><al>In artikel 23 van de Gemeentewet zijn procedurevoorschriften opgenomen voor
                        ‘het sluiten van de deuren’, de wijze waarop een vergadering een besloten
                        vergadering wordt.</al><al>Artikel 43 Notulen</al><al>In dit artikel wordt uitwerking gegeven aan artikel 23, vierde lid, van de
                        Gemeentewet. </al><al>Artikel 44 Geheimhouding</al><al>Hetgeen besproken wordt in een besloten vergadering, valt niet van
                        rechtswege onder de geheimhoudingsplicht. Daarvoor is toepassing van de
                        procedure volgens artikel 25 van de Gemeentewet nodig.</al><al>Artikel 45 Opheffing geheimhouding</al><al>In de aangehaalde artikelen wordt aan de raad de mogelijkheid geboden de
                        geheimhouding van stukken op te heffen; stukken die niet per se aan hem
                        behoeven te zijn overgelegd. Het kan dus (zie bij voorbeeld artikel 86,
                        tweede lid, van de Gemeentewet) gaan om de situatie dat de burgemeester
                        geheimhouding heeft opgelegd ten aanzien van stukken die hij aan de
                        raadscommissie heeft overgelegd. De raadscommissie kan dan aan de raad
                        verzoeken de geheimhouding op te heffen (indien de burgemeester daar niet
                        toe bereid is). In het onderhavige artikel is nu ter zake een
                        overlegverplichting opgenomen waardoor recht wordt gedaan aan het principe
                        van hoor en wederhoor.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>8</nr><titel>Toehoorders en pers</titel></kop><al>Artikel 46 Toehoorders en pers</al><al>Dit artikel behoeft geen toelichting.</al><al>Artikel 46a Geluid- en beeldregistraties</al><al>In het modelreglement is geen toestemming nodig; dat is hier wel
                        opgenomen.</al><al>Artikel 47 Verbod gebruik mobiele telefoons</al><al>Dit artikel behoeft geen toelichting.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>9</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><al><vet>Artikelen 48 behoeft geen toelichting.</vet></al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>