Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Veiligheidsregio Limburg-Noord

Arbeidsvoorwaarden VRLN CAR UWO

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OverheidsorganisatieVeiligheidsregio Limburg-Noord
Officiële naam regelingArbeidsvoorwaarden VRLN CAR UWO
CiteertitelArbeidsvoorwaarden VRLN CAR UWO
Vastgesteld doordagelijks bestuur
Onderwerppersoneel en organisatie
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Geen

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

Gemeentewet, art. 160, lid 1

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Geen

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerking-

treding

Terugwerkende

kracht tot en met

Datum uitwerking-

treding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

15-09-201524-04-2017Nieuwe regeling

05-03-2015

Onbekend

Onbekend

Tekst van de regeling

Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)

Lid 1

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

werkloosheid: werkloosheid in de zin van artikel 16 van de Werkloosheidswet;

betrokkene: de ambtenaar die werkloos geworden is;

dagloon: het dagloon in de zin van de Werkloosheidswet, zonder de maximering van het dagloon, als bedoeld in artikel 22 Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen jo. artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen;

bovenwettelijke uitkering: de aanspraken die de ambtenaar kan ontlenen aan dit hoofdstuk, te weten de aanvullende uitkering als omschreven in paragraaf 2 van dit hoofdstuk en de aansluitende uitkering als omschreven in paragraaf 3 van dit hoofdstuk, met uitzondering van de gemeentelijke werkloosheidsuitkering als bedoeld in artikel 10a:9, lid 3.

Lid 2

Bij de toepassing van dit hoofdstuk wordt artikel 1:2:1 in acht genomen.

Paragraaf 2 Aanvullende uitkering

Artikel 10a:2 Voorwaarden voor recht op uitkering/samenloop met suppletie

Artikel 10a:3 Hoogte van de uitkering: berekeningsgrondslag

Artikel 10a:4 Hoogte van de uitkering: indexering

Artikel 10a:5 Hoogte van de uitkering: bedrag

Artikel 10a:5a Overgangsbepaling: Verlengde uitkering voor mensen die tussen 11 augustus 2003 en 1 augustus 2004 werkloos zijn geworden

Artikel 10a:5b Overgangsbepaling: Aanvullende uitkering voor mensen op wie artikel 130h, eerste lid, van de Werkloosheidswet van toepassing is

Artikel 10a:6 Beëindiging van het recht op uitkering

Artikel 10a:7 Herleving van het recht op uitkering

Artikel 10a:8 Verlenging van het recht op uitkering

Artikel 10a:9 Verplichtingen en sancties

Artikel 10a:10 Anticumulatie

Artikel 10a:11 Scholing

Artikel 10a:12 Aanvulling op ziekengeld

Artikel 10a:12a Aanvulling op Waz-uitkering

Artikel 10a:12b Aanvulling op REA-uitkering

Artikel 10a:13 Uitkering bij overlijden

Artikel 10a:13a Grensarbeiders

Artikel 10a:2 Voorwaarden voor recht op uitkering/samenloop met suppletie

Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)

Lid 1

Recht op een aanvullende uitkering heeft de betrokkene die:

recht heeft op een uitkering krachtens de artikelen 15 tot en met 21 van de Werkloosheidswet en

werkloos is als gevolg van een ontslag op grond van artikel 8:4, 8:5, 8:6, 8:7, onderdeel a of c, 8:8, 8:12.

Lid 2

Het recht op een aanvullende uitkering komt niet tot uitbetaling indien en voor zolang de betrokkene ter zake van eenzelfde ontslag recht heeft op suppletie, als bedoeld in hoofdstuk 11a van de CAR.

Lid 3

Betrokkene, die terzake van een ontslag wegens ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte recht heeft op een WAO-uitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, heeft recht op een aanvullende uitkering op het moment dat de mate van arbeidsongeschiktheid op een lager percentage wordt vastgesteld dan 80% en hij daardoor recht heeft op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet.

Lid 4

Indien de WAO-uitkering, als bedoeld in het derde lid, is ontstaan uit twee of meer dienstbetrekkingen, wordt het recht op de aanvullende uitkering toegerekend aan de dienstbetrekking ter zake waarvan hij betrokkene is, naar rato van de feitelijk genoten inkomsten uit hoofde van de desbetreffende dienstbetrekkingen.

Artikel 10a:3 Hoogte van de uitkering: berekeningsgrondslag

Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)

De berekeningsgrondslag voor de aanvullende uitkering is het dagloon op de dag voorafgaande aan het ontslag ter zake waarvan de betrokkene recht op aanvullende uitkering wordt toegekend, voorzover dat betrekking heeft op het inkomen uit de betrekking waaraan het recht op aanvullende uitkering wordt ontleend.

Artikel 10a:4 Hoogte van de uitkering: indexering

Lid 1

De berekeningsgrondslag van de aanvullende uitkering wordt per 1 januari en 1 juli van een jaar geïndexeerd op een volgens LOGA-partijen vastgestelde wijze.

Lid 2

Het LOGA maakt bekend met welk percentage de berekeningsgrondslag van de aanvullende uitkering wijzigt.

Artikel 10a:5 Hoogte van de uitkering: bedrag

Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)

Lid 1

De uitkering krachtens de Werkloosheidswet en de aanvullende uitkering bedragen tezamen een percentage van de berekeningsgrondslag van de aanvullende uitkering.

Lid 2

Het in het eerste lid genoemde percentage bedraagt:

gedurende de eerste vijftien maanden 80% en

vervolgens 70%

Lid 3

Een eventuele verlenging van de uitkering krachtens artikel 43 van de Werkloosheidswet schort de termijn gedurende welke 80% van de berekeningsgrondslag wordt uitgekeerd niet op.

Lid 4

Ter bepaling van de hoogte van de aanvullende uitkering, als bedoeld in artikel 10a:2, derde lid, wordt uitgegaan van de datum van ontslag

Artikel 10a:5a Overgangsbepaling: Verlengde uitkering voor mensen die tussen 11 augustus 2003 en 1 augustus 2004 werkloos zijn geworden

Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)

Lid 1

De betrokkene die recht heeft op een aanvullende uitkering, die op of na 11 augustus 2003 maar voor 1 augustus 2004 werkloos is geworden en op de eerste dag van werkloosheid jonger is dan 57,5, heeft na afloop van de loongerelateerde uitkering op grond van de Werkloosheidswet gedurende twee jaar recht op een verlengde uitkering.

Lid 2

De betrokkene die recht heeft op een aanvullende uitkering, die op of na 11 augustus 2003 maar voor 1 augustus 2004 werkloos is geworden en op de eerste dag van werkloosheid 57,5 jaar of ouder is, heeft na afloop van de loongerelateerde uitkering op grond van de Werkloosheidswet gedurende 3,5 jaar recht op een verlengde uitkering.

Lid 3

De hoogte van de verlengde uitkering, genoemd in het eerste en tweede lid, is 80% van de berekeningsgrondslag, zolang een periode van 15 maanden te rekenen vanaf de eerste dag van werkloosheid niet is verstreken en vervolgens 70% van de berekeningsgrondslag.

Lid 4

Op de verlengde uitkering genoemd in dit artikel zijn, voor zover toepasbaar, de artikelen van dit hoofdstuk van overeenkomstige toepassing.

Lid 5

Indien recht bestaat op een uitkering op grond van artikel 130h, tweede lid, van de Werkloosheidswet, wordt deze op de verlengde uitkering in mindering gebracht.

Artikel 10a:5b Overgangsbepaling: Aanvullende uitkering voor mensen op wie artikel 130h, eerste lid, van de Werkloosheidswet van toepassing is

Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)

De bepalingen van hoofdstuk 10a, zoals deze luidden voor 1 augustus 2004, blijven gelden voor de betrokkene op wie artikel 130h, eerste lid, van de Werkloosheidswet van toepassing is.

Artikel 10a:6 Beëindiging van het recht op uitkering

Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)

De bepalingen betreffende de gehele of gedeeltelijke beëindiging van het recht op uitkering, vastgelegd in de Werkloosheidswet, zijn van toepassing op de aanvullende uitkering.

Artikel 10a:7 Herleving van het recht op uitkering

Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)

De bepalingen betreffende de herleving van het recht op uitkering, vastgelegd in de Werkloosheidswet, zijn van toepassing op de aanvullende uitkering.

Artikel 10a:8 Verlenging van het recht op uitkering

Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)

De bepalingen betreffende de verlenging van het recht op uitkering, vastgelegd in de Werkloosheidswet, zijn van toepassing op de aanvullende uitkering.

Artikel 10a:9 Verplichtingen en sancties

Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)

Lid 1

Het verplichtingen- en sanctieregime van de Werkloosheidswet is van toepassing op de aanvullende uitkering, met inachtneming van het in lid 2 gestelde en met dien verstande dat een boete in de zin van de Werkloosheidswet niet leidt tot een verandering in het bedrag van de aanvullende uitkering.

Lid 2

Indien een betrokkene ontslagen wordt op grond van artikel 8:4, nadat hij heeft aangegeven voor dit ontslag in aanmerking te willen komen en de uitvoeringsinstelling als gevolg hiervan de uitkering krachtens de Werkloosheidswet als sanctie gedeeltelijk weigert, kent het college een aanvulling op de aanvullende uitkering toe zodanig dat de uitkering krachtens de Werkloosheidswet en de aanvullende uitkering tezamen een bedrag vormen dat overeenkomt met het bedrag waarop betrokkene recht zou hebben gehad indien hij niet te kennen zou hebben gegeven voor ontslag in aanmerking te willen komen.

Lid 3

Indien een betrokkene ontslagen wordt op grond van artikel 8:4, nadat hij heeft aangegeven voor dit ontslag in aanmerking te willen komen en de uitvoeringsinstelling als gevolg hiervan de uitkering krachtens de Werkloosheidswet geheel weigert, kent het college een gemeentelijke werkloosheidsuitkering toe, waarvan de hoogte en de duur overeenkomen met de uitkering krachtens de Werkloosheidswet waarop de betrokkene recht zou hebben gehad indien hij niet te kennen zou hebben gegeven voor ontslag in aanmerking te willen komen. Deze gemeentelijke werkloosheidsuitkering wordt, indien aan de voorwaarden van artikel 10a:2 wordt voldaan, aangevuld met een aanvullende uitkering. Op deze gemeentelijke werkloosheidsuitkering zijn de bepalingen van de Werkloosheidswet van toepassing. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt de gemeentelijke werkloosheidsuitkering gelijkgesteld aan een uitkering krachtens de Werkloosheidswet.

Artikel 10a:10 Anticumulatie

Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)

Artikel 35 van de Werkloosheidswet is van toepassing op de aanvullende uitkering.

Artikel 10a:11 Scholing

Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)

De bepalingen met betrekking tot opleiding, scholing en onbeloonde activiteiten, vastgelegd in de Werkloosheidswet, zijn van toepassing op de aanvullende uitkering.

Artikel 10a:12 Aanvulling op ziekengeld

Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)

Lid 1

De betrokkene die wegens ziekte verhinderd is om arbeid te verrichten en dientengevolge een uitkering krachtens de Ziektewet ontvangt (ziekengeld), heeft, indien hij recht zou hebben op een aanvullende uitkering in de zin van artikel 10a:2 van dit hoofdstuk als hij niet ziek was geweest, recht op aanvulling van dat ziekengeld.

Lid 2

Het ziekengeld en de in het eerste lid genoemde aanvulling bedragen tezamen een bedrag dat gelijk is aan het bedrag dat de betrokkene op grond van artikel 10a:5 zou ontvangen wanneer hij niet wegens ziekte ongeschikt zou zijn om arbeid te verrichten.

Lid 3

Het verplichtingen- en sanctieregime van de Ziektewet is van toepassing op de aanvulling op het ziekengeld.

Artikel 10a:12a Aanvulling op Waz-uitkering

Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)

De betrokkene, die in verband met zwangerschap en bevalling recht heeft op een uitkering op grond van de Waz, heeft recht op een aanvulling tot het voor haar geldende dagloon.

Artikel 10a:12b Aanvulling op REA-uitkering

Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)

Lid 1

De arbeidsgehandicapte betrokkene die werkloos is en dientengevolge een uitkering krachtens de Werkloosheidswet ontvangt, kan bij proefplaatsing en scholing bij een nieuwe werkgever recht hebben op een uitkering op grond van de Wet op (re)integratie arbeidsgehandicapten. Indien hij recht zou hebben op een aanvullende uitkering in de zin van artikel 10a:2 van dit hoofdstuk wanneer hij geen REA-uitkering als hiervoor bedoeld zou hebben gehad, bestaat er ook in dit geval recht op aanvulling.

Lid 2

De in het eerste lid genoemde aanvulling en de REA-uitkering bedragen tezamen een bedrag dat gelijk is aan het bedrag dat betrokkene op grond van artikel 10a:5 zou ontvangen wanneer hij een WW-uitkering en aanvullende uitkering zou ontvangen.

Artikel 10a:13 Uitkering bij overlijden

Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)

Lid 1

Zo spoedig mogelijk na het overlijden van betrokkene wordt in aanvulling op artikel 35 of artikel 36, eerste lid, Ziektewet een overlijdensuitkering toegekend, met dien verstande dat het bedrag van beide uitkeringen tezamen gelijk is aan 100% van het voor betrokkene geldende dagloon, berekend over een periode van 13 weken.

Lid 2

Op de uitkering als bedoeld in dit artikel wordt in mindering gebracht het bedrag van de uitkering waarop de nagelaten betrekkingen van de betrokkene ter zake van diens overlijden aanspraak kunnen maken uit hoofde van een andere bepaling in een gemeentelijke rechtspositieregeling, dan wel krachtens enige wettelijk voorgeschreven verzekering tegen ziekte, arbeidsongeschiktheid of onvrijwillige werkloosheid.

Artikel 10a:13a Grensarbeiders

Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)

Lid 1

De betrokkene, die aansluitend aan zijn arbeidsurenverlies als betrokkene buiten Nederland woont en in verband met artikel 71, eerste lid, onderdeel a ii, EG-verordening 1408/71 geen recht op een WW-uitkering heeft, heeft recht op een aanvullende uitkering voorzover de omstandigheid dat hij geen recht op WW-uitkering heeft, uitsluitend wordt veroorzaakt doordat hij buiten Nederland woont.

Lid 2

De uitkering op grond van dit artikel:

eindigt niet door de omstandigheid dat de betrokkene wegens ziekte of arbeidsongeschiktheid niet beschikbaar is om arbeid te aanvaarden, indien hij geen recht heeft op een uitkering als bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel a, b, of n, WW vanwege het enkele feit dat zijn verzekering op grond van de daar genoemde wetten is geëindigd;

is, indien de betrokkene alsnog of wederom recht krijgt op een WW-uitkering, niet van invloed op het recht op bovenwettelijke uitkering dat voor de betrokkene verbonden is aan dat recht op een WW-uitkering.

Lid 3

De uitkering waarop de betrokkene op grond van dit artikel lid recht heeft, is in hoogte en duur gelijk aan de WW-uitkering en de aanvullende uitkering waarop de betrokkene recht zou hebben gehad indien hij in Nederland zou hebben gewoond.

Lid 4

Indien de betrokkene aantoont dat hij recht heeft op een uitkering wegens ziekte, zwangerschap, bevalling, adoptie of pleegzorg naar het recht van zijn woonland, wordt die uitkering voor de toepassing van het derde lid gelijkgesteld met de overeenkomstige uitkering op grond van de ZW of de Wet arbeid en zorg. Deze gelijkstelling vindt plaats voor ten hoogste de maximale duur van de overeenkomstige uitkering op grond van de ZW of de Wet arbeid en zorg. Zolang deze gelijkstelling duurt is de uitkering gelijk aan de uitkering op grond van de ZW of de Wet arbeid en zorg en de aanvullende uitkering waarop de betrokkene recht zou hebben gehad indien hij in Nederland had gewoond.

Lid 5

Indien de betrokkene een uitkering wegens werkloosheid, ziekte, zwangerschap, bevalling, adoptie, pleegzorg of arbeidsongeschiktheid naar het recht van zijn woonland ontvangt, wordt deze geheel in mindering gebracht op de uitkering op grond van dit artikel over dezelfde periode.

Lid 6

Zolang en voorzover de betrokkene tegelijk recht heeft op een uitkering op grond van dit artikel en een WW-uitkering, een ZW-uitkering, een uitkering op grond van de Wet arbeid en zorg, een bovenwettelijke uitkering of een uitkering die daar naar aard en strekking mee overeenkomt, niet zijnde een uitkering naar het recht van zijn woonland, heeft de uitkering op grond van dit artikel het karakter van een aanvulling tot de hoogte die de uitkering op grond van dit artikel zonder de samenloop zou hebben. Hierbij wordt de wettelijke uitkering geacht onverminderd te zijn ontvangen indien deze op grond van enige wettelijke bepaling geheel of gedeeltelijk is geweigerd, dan wel niet of niet geheel is betaald.

Paragraaf 3 Aansluitende uitkering

Artikel 10a:14 Diensttijd

Artikel 10a:15 Voorwaarden voor recht op uitkering / samenloop met suppletie

Artikel 10a:16 Duur van de uitkering

Artikel 10a:16a Overgangsbepaling: Aansluitende uitkering voor mensen die tussen 11 augustus 2003 en 1 augustus 2004 werkloos zijn geworden

Artikel 10a:16b Overgangsbepaling: Aansluitende uitkering voor mensen op wie artikel 130h, eerste lid, van de Werkloosheidswet van toepassing is

Artikel 10a:17 Hoogte van de uitkering: berekeningsgrondslag

Artikel 10a:18 Hoogte van de uitkering: indexering

Artikel 10a:19 Hoogte van de uitkering: bedrag

Artikel 10a:20 Beëindiging van het recht op uitkering

Artikel 10a:20a Nawerking Ziektewet en WAZ

Artikel 10a:21 Herleving van het recht op uitkering

Artikel 10a:22 Verplichtingen en sancties

Artikel 10a:23 Anticumulatie

Artikel 10a:24 Scholing

Artikel 10a:25 Uitkering bij overlijden

Artikel 10a:25a Grensarbeiders

Artikel 10a:14 Diensttijd

Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)

Lid 1

In deze paragraaf wordt verstaan onder ‘diensttijd’: de aan het ontslag voorafgaande in overheidsdienst doorgebrachte tijd waaraan het deelnemerschap in de zin van het pensioenreglement is verbonden, alsmede tijd die door inkoop voor pensioen geldig zou zijn verklaard.

Lid 2

Onder diensttijd bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan de tijd doorgebracht in de betrekking waaruit de werkloosheid is ontstaan, indien aan die tijd op grond van de Regeling beperking van het zijn van overheidswerknemer in de zin van de wet Privatisering ABP (Stc. 1997, 164) het ambtenaarschap in de zin van evengenoemde regeling niet is verbonden.

Lid 3

In afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede lid blijft buiten beschouwing:

diensttijd liggende vóór een onderbreking van meer dan een jaar;

diensttijd welke in aanmerking is genomen bij de berekening van de duur van een eerder toegekend wachtgeld, een daarmee gelijk te stellen uitkering wegens onvrijwillige werkloosheid of een bovenwettelijke uitkering wegens onvrijwillige werkloosheid ten laste van de overheid;

diensttijd welke in aanmerking is genomen bij de berekening van een pensioen krachtens het pensioenreglement dan wel voorafgaat aan een ontslag verleend op grond van artikel 8:3 van deze regeling of een soortgelijke bepaling in een andere overheidsregeling;

tijd, bedoeld in de artikelen 5.3, 5.4 en 5.5 van het pensioenreglement;

tijd in een aangehouden betrekking, dan wel in een betrekking welke de betrokkene had kunnen aanhouden, doch uit welke hij vrijwillig werkloos is geworden met ingang van de datum waarop de uitkering krachtens de Werkloosheidswet ingaat.

Artikel 10a:15 Voorwaarden voor recht op uitkering / samenloop met suppletie

Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)

Lid 1

Recht op een aansluitende uitkering heeft de betrokkene die:

recht heeft op een uitkering krachtens de artikelen 15 tot en met 21 van de Werkloosheidswet en

werkloos is als gevolg van een ontslag op grond van artikel 8:4, 8:5, 8:6 of 8:8, met inachtneming van het derde lid.

Lid 2

Eveneens recht op een aansluitende uitkering heeft de betrokkene die door het college op basis van artikel 10a:9 derde lid een gemeentelijke werkloosheidsuitkering is toegekend.

Lid 3

In afwijking van het eerste lid biedt ontslag op basis van artikel 8:6 slechts aanspraken op een aansluitende uitkering indien gebruik is gemaakt van de mogelijkheid die artikel 8:6, derde lid, laatste volzin biedt.

Lid 4

Het recht op de aansluitende uitkering ontstaat op de eerste dag van de werkloosheid, waarbij de aansluitende uitkering ingaat zodra de geldende uitkeringsduur van de loongerelateerde uitkering krachtens de Werkloosheidswet is verstreken.

Lid 5

Voor degene op wie artikel 10a:5a van toepassing is, ontstaat het recht op de aansluitende uitkering op de eerste werkloosheidsdag, waarbij de aansluitende uitkering ingaat zodra de geldende uitkeringsduur van de verlengde uitkering is verstreken.

Lid 6

Voor degene op wie artikel 130h, eerste lid, van de Werkloosheidswet van toepassing is, ontstaat het recht op de aansluitende uitkering op de eerste werkloosheidsdag, waarbij de aansluitende uitkering ingaat zodra de geldende uitkeringsduur van uitkering krachtens de Werkloosheidswet is verstreken

Lid 7

Het recht op een aansluitende uitkering komt niet tot uitbetaling indien en voor zolang de betrokkene ter zake van eenzelfde ontslag recht heeft op suppletie, als bedoeld in hoofdstuk 11a van de CAR.

Lid 8

De betrokkene, die terzake van een ontslag wegens ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte als bedoeld in artikel 8:5 recht heeft op een WAO-uitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, heeft recht op een aansluitende uitkering, berekend naar de duur, als bepaald in artikel 10a:16, derde lid, op het moment dat de mate van arbeidsongeschiktheid op een lager percentage wordt vastgesteld dan 80% en hij om die reden recht heeft op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet.

Lid 9

Indien de WAO-uitkering, als bedoeld in het achtstelid, is ontstaan uit twee of meer dienstbetrekkingen, wordt het recht op de aansluitende uitkering toegerekend aan de dienstbetrekking ter zake waarvan hij betrokkene is, naar rato van de feitelijk genoten inkomsten uit hoofde van de desbetreffende dienstbetrekkingen.

Artikel 10a:16 Duur van de uitkering

Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)

Lid 1

De duur van de aansluitende uitkering wordt vastgesteld op drie maanden, vermeerderd voor de betrokkene:

die op de dag van ontslag de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt met een duur gelijk aan 18% van de diensttijd;

die op de dag van ontslag 21 jaar oud is met een duur van 19,5% van de diensttijd en zo vervolgens per leeftijdsjaar opklimmende met 1,5%.

Lid 2

De in het eerste lid berekende duur wordt verminderd met:

de duur van de uitkering krachtens de Werkloosheidswet, zoals deze is vastgesteld op de eerste dag van de werkloosheid en

twee jaar.

Lid 3

Ter bepaling van de duur van de aansluitende uitkering voor betrokkene, genoemd in artikel 10a:15, achtste lid, wordt uitgegaan van de datum van het ontslag.

Lid 4

De betrokkene die op het tijdstip van ontslag de leeftijd van 55 jaren of ouder heeft bereikt, heeft recht op een aansluitende uitkering tot de dag waarop hij de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt.

Artikel 10a:16a Overgangsbepaling: Aansluitende uitkering voor mensen die tussen 11 augustus 2003 en 1 augustus 2004 werkloos zijn geworden

Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)

Lid 1

De duur van de aansluitende uitkering voor de betrokkene die recht heeft op een aansluitende uitkering, die op of na 11 augustus 2003 maar voor 1 augustus 2004 werkloos is geworden, wordt vastgesteld op drie maanden, vermeerderd voor de betrokkene:

die op de dag van ontslag de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt met een duur gelijk aan 18% van de diensttijd;

die op de dag van ontslag 21 jaar oud is met een duur van 19,5% van de diensttijd en zo vervolgens per leeftijdsjaar opklimmende met 1,5% en wordt verminderd met de duur van de loongerelateerde uitkering krachtens de Werkloosheidswet, zoals deze is vastgesteld op de eerste dag van de werkloosheid en de duur van de verlengde uitkering genoemd in artikel 10a:5a.

Lid 2

De betrokkene die recht heeft op een aansluitende uitkering, die op of na 11 augustus 2003 maar voor 1 augustus 2004 werkloos is geworden en die op de eerste dag van werkloosheid de leeftijd van 55 jaren of ouder heeft bereikt, heeft recht op een aansluitende uitkering tot de eerste dag van de kalendermaand, volgend op die waarin hij de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt. Een uitkering op basis van de Algemene Ouderdomswet wordt in mindering gebracht op de aansluitende uitkering.

Lid 3

Op de aanvullende uitkering genoemd in dit artikel zijn, voor zover toepasbaar, de artikelen van dit hoofdstuk van overeenkomstige toepassing.

Lid 4

Indien recht bestaat op een uitkering op grond van artikel 130h, tweede lid, van de Werkloosheidswet, wordt deze op de aansluitende uitkering in mindering gebracht.

Artikel 10a:16b Overgangsbepaling: Aansluitende uitkering voor mensen op wie artikel 130h, eerste lid, van de Werkloosheidswet van toepassing is

Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)

De bepalingen van hoofdstuk 10a, zoals deze luidden voor 1 augustus 2004, blijven gelden voor de betrokkene op wie artikel 130h, eerste lid, van de Werkloosheidswet van toepassing is.

Artikel 10a:17 Hoogte van de uitkering: berekeningsgrondslag

Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)

Artikel 10a:3 is van toepassing op de aansluitende uitkering.

Artikel 10a:18 Hoogte van de uitkering: indexering

Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)

Artikel 10a:4 is van toepassing op de aansluitende uitkering.

Artikel 10a:19 Hoogte van de uitkering: bedrag

Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)

Lid 1

De aansluitende uitkering bedraagt 80% van de berekeningsgrondslag, zolang een periode van 15 maanden te rekenen vanaf de eerste dag van werkloosheid nog niet is verstreken en vervolgens 70% van de berekeningsgrondslag.

Lid 2

Ter bepaling van de hoogte van de aansluitende uitkering, als bedoeld in artikel 10a:15, achtste lid, wordt uitgegaan van de datum van ontslag.

Lid 3

Indien recht bestaat op een uitkering op grond van artikel 130h, tweede lid, van de Werkloosheidswet, wordt deze op de aansluitende uitkering in mindering gebracht.

Artikel 10a:20 Beëindiging van het recht op uitkering

Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)

Lid 1

De bepalingen in de Werkloosheidswet betreffende de gehele of gedeeltelijke beëindiging van het recht op vervolguitkering zijn van overeenkomstige toepassing op de aansluitende uitkering.

Lid 2

In afwijking van het gestelde in lid 1 eindigt het recht op aansluitende uitkering niet in geval van ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte en er geen aanspraak bestaat op een uitkering krachtens de Ziektewet.

Lid 3

Het in het eerste lid gestelde geldt niet in het geval het recht op uitkering krachtens artikel 20, lid 1, onderdeel e van de Werkloosheidswet zou worden beëindigd wegens het verstrijken van de uitkeringsduur. In dat geval eindigt het recht op uitkering na het verstrijken van de uitkeringsduur van de aansluitende uitkering, berekend overeenkomstig artikel 10a:16.

Artikel 10a:20a Nawerking Ziektewet en WAZ

Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)

Indien er op grond van de Ziektewet dan wel op grond van de Waz na aanvang van de aansluitende uitkering recht ontstaat op een uitkering krachtens de Ziektewet, respectievelijk de Waz, wordt deze uitkering in mindering gebracht op de aansluitende uitkering.

Artikel 10a:21 Herleving van het recht op uitkering

Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)

Lid 1

De bepalingen in de Werkloosheidswet betreffende de herleving van het recht op uitkering zijn van overeenkomstige toepassing op de aansluitende uitkering.

Lid 2

Artikel 43 van de Werkloosheidswet en artikel 50 van de Werkloosheidswet, zoals deze luidde voor inwerkingtreding van de wet van 19 december 2003, Stb. 2003, 546, met betrekking tot de verlenging van het recht op uitkering krachtens de Werkloosheidswet zijn niet van overeenkomstige toepassing op de aansluitende uitkering.

Artikel 10a:22 Verplichtingen en sancties

Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)

Lid 1

Het verplichtingen- en sanctieregime van de Werkloosheidswet is van overeenkomstige toepassing op de aansluitende uitkering.

Lid 2

Tijdens ziekte is het verplichtingen- en sanctieregime van de Ziektewet van overeenkomstige toepassing op de aansluitende uitkering.

Artikel 10a:23 Anticumulatie

Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)

Artikel 35 van de Werkloosheidswet is van overeenkomstige toepassing op de aansluitende uitkering.

Artikel 10a:24 Scholing

Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)

De bepalingen met betrekking tot opleiding, scholing en onbeloonde activiteiten, vastgelegd in de Werkloosheidswet, zijn van overeenkomstige toepassing op de aansluitende uitkering.

Artikel 10a:25 Uitkering bij overlijden

Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)

Lid 1

Zo spoedig mogelijk na het overlijden van betrokkene wordt in onder overeenkomstige toepassing van artikel 35 of artikel 36, eerste lid, Ziektewet een overlijdensuitkering toegekend, met dien verstande dat het bedrag van beide uitkeringen tezamen gelijk is aan 100% van het voor betrokkene geldende dagloon, berekend over een periode van 13 weken.

Lid 2

Op de uitkering als bedoeld in dit artikel wordt in mindering gebracht het bedrag van de uitkering waarop de nagelaten betrekkingen van de betrokkene ter zake van diens overlijden aanspraak kunnen maken uit hoofde van een andere bepaling in een gemeentelijke rechtspositieregeling, dan wel krachtens enige wettelijk voorgeschreven verzekering tegen ziekte.

Artikel 10a:25a Grensarbeiders

Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)

Lid 1

Na het verstrijken van de duur van een uitkering op grond van artikel 10a:13a heeft de betrokkene recht op de aansluitende uitkering waarop hij recht zou hebben gehad als hij in Nederland zou hebben gewoond.

Lid 2

Op de uitkering op grond van dit artikel is artikel 10a:13a, tweede, vijfde en zesde lid, van overeenkomstige toepassing.

Paragraaf 4 Bovenwettelijke reïntegratiemaatregelen

Artikel 10a:26 Regeling tegemoetkoming verhuiskosten

Artikel 10a:27 Regeling tegemoetkoming verhuiskosten

Artikel 10a:28 Reïntegratietoeslag

Artikel 10a:29 Reïntegratietoeslag

Artikel 10a:30 Reïntegratietoeslag

Artikel 10a:31 Reïntegratietoeslag

Artikel 10a:32 Reïntegratiepremie

Artikel 10a:33 Reïntegratiepremie

Artikel 10a:34 Reïntegratiepremie

Artikel 10a:26 Regeling tegemoetkoming verhuiskosten

Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)

Lid 1

Aan de betrokkene die elders arbeid of een bedrijf ter hand gaat nemen en recht heeft of zou krijgen op een bovenwettelijke werkloosheidsuitkering indien hij geen betrekking zou hebben aanvaard of bedrijf ter hand zou hebben genomen, kan op zijn aanvraag een vergoeding van € 2.270,- worden toegekend als tegemoetkoming in de kosten van een daartoe noodzakelijke verhuizing.

Lid 2

Indien de betrokkene uit anderen hoofde eveneens een tegemoetkoming in de verhuiskosten krijgt, wordt deze vergoeding op de in het eerste lid genoemde tegemoetkoming in mindering gebracht.

Artikel 10a:27 Regeling tegemoetkoming verhuiskosten

Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)

Lid 1

Om voor een verhuiskostenvergoeding op basis van artikel 10a:26 in aanmerking te komen dient de uitkeringsgerechtigde:

de werkloosheid door het ter hand nemen van arbeid of bedrijf met tenminste 50% met een minimum van vijf uur te verminderen;

te verhuizen binnen zes maanden na de vermindering van de werkloosheid, doch uiterlijk drie maanden voor de oorspronkelijk vastgestelde beëindigingsdatum van de uitkeringsperiode;

arbeid te aanvaarden voor onbepaalde tijd of voor bepaalde tijd met een duur van minimaal één jaar, blijkend uit de overlegging van het arbeidscontract;

zich binnen een afstand van 25 kilometer van de standplaats van de nieuwe arbeid te vestigen, terwijl de afstand tussen deze standplaats en de oude woning tenminste 50 kilometer moet bedragen;

schriftelijk te melden of hij een vergoeding uit anderen hoofde ontvangt en te verklaren dat hij geen bezwaar heeft als de uitvoeringsinstelling bij de nieuwe werkgever deze melding verifieert en de uitvoeringsinstelling vaststelt dat de uitkeringsgerechtigde is verhuisd.

Lid 2

Het recht op de tegemoetkoming in de verhuiskosten ontstaat eerst als vaststaat dat de uitkeringsgerechtigde daadwerkelijk is verhuisd.

Artikel 10a:28 Reïntegratietoeslag

Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)

Lid 1

Betrokkene heeft op aanvraag recht op een reïntegratietoeslag indien:

hij een dienstbetrekking in de zin van de Werkloosheidswet aanvaardt en

het dagloon verbonden aan de nieuwe dienstbetrekking lager is dan 90% van de in artikel 10a:3 genoemde berekeningsgrondslag, met inachtneming van het tweede lid.

Lid 2

De reïntegratietoeslag dient binnen 10 weken nadat de nieuwe dienstbetrekking is aanvaard te worden aangevraagd bij het college.

Lid 3

Indien de omvang in uren van de nieuwe dienstbetrekking kleiner is dan de omvang van de oude betrekking, heeft betrokkene recht op een reïntegratietoeslag, mits het dagloon omgerekend naar de omvang van de oude betrekking lager is dan 90% van de in artikel 10a:3 genoemde berekeningsgrondslag.

Lid 4

Indien de in het eerste lid genoemde dienstbetrekking van tijdelijke aard is, dient zij voor de duur van minimaal één jaar te zijn overeengekomen.

Lid 5

In gevallen waarin artikel 35 van de Werkloosheidswet of artikel 10a:32 van de CAR van toepassing is, is er geen recht op de in het eerste lid genoemde reïntegratietoeslag.

Artikel 10a:29 Reïntegratietoeslag

Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)

Lid 1

De duur van de reïntegratietoeslag is negen maanden voor elk vol jaar dat de betrokkene nog recht zou hebben op een aanvullende en/of aansluitende uitkering indien betrokkene de nieuwe betrekking niet zou hebben verkregen.

Lid 2

Voor de bepaling van de duur van de reïntegratietoeslag op basis van het eerste lid wordt het aantal jaren dat de betrokkene nog recht zou hebben op een bovenwettelijke uitkering op hele jaren naar beneden afgerond.

Artikel 10a:30 Reïntegratietoeslag

Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)

Lid 1

De reïntegratietoeslag wordt beëindigd:

indien de voor betrokkene berekende duur is verstreken;

indien betrokkene geheel werkloos wordt in de nieuwe betrekking;

indien de inkomsten uit de nieuwe betrekking gedurende drie maanden het in artikel 10a:31 opgenomen niveau van de reïntegratietoeslag te boven zijn gegaan.

Lid 2

Onder gehele werkloosheid in de zin van het eerste lid, onderdeel b wordt de situatie verstaan waarin de betrokkene die in de nieuwe betrekking per kalenderweek:

ten minste acht uren werkte zoveel arbeidsuren per kalenderweek heeft verloren dat er minder dan vijf arbeidsuren resteren of;

minder dan acht uren werkte zoveel arbeidsuren per kalenderweek heeft verloren dat er minder dan de helft van de arbeidsuren resteren.

Lid 3

Indien betrokkene gedeeltelijk werkloos wordt in de nieuwe betrekking, blijft de reïntegratietoeslag gelden voor die uren waarvoor betrokkene nog werkzaamheden verricht. De toeslag wordt dan naar rato uitgekeerd.

Lid 4

De uitkeringsgerechtigde dient aan het einde van elke maand een overzicht te verschaffen van de inkomsten uit de nieuwe dienstbetrekking die hij in die maand heeft genoten. Op basis van dit overzicht wordt bepaald of er een recht op een reïntegratietoeslag is en zo ja, hoe hoog die toeslag dient te zijn.

Lid 5

Indien het recht op reïntegratietoeslag op grond van het eerste lid, onderdeel c is beëindigd, kan dit recht niet meer herleven.

Artikel 10a:31 Reïntegratietoeslag

Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)

Lid 1

De reïntegratietoeslag vult de inkomsten uit de nieuwe betrekking aan tot 90% van de in artikel 10a:3 genoemde berekeningsgrondslag.

Lid 2

Indien er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 10a:28, derde lid, vult de reïntegratietoeslag de inkomsten uit de nieuwe betrekking, omgerekend naar de omvang van de oude betrekking, naar rato aan tot 90% van de in artikel 10a:3 genoemde berekeningsgrondslag.

Artikel 10a:32 Reïntegratiepremie

Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)

Lid 1

Op verzoek van de betrokkene kan een reïntegratiepremie worden toegekend indien:

betrokkene een aanvullende en/of aansluitende uitkering wegens werkloosheid geniet en;

hij arbeid voor onbepaalde tijd ter hand gaat nemen of bedrijf gaat uitoefenen, waardoor de werkloosheid volledig wordt opgeheven.

Lid 2

Het verzoek tot toekenning van de reïntegratiepremie dient uiterlijk 10 weken na beëindiging van de uitkering op basis van de Werkloosheidswet door betrokkene te worden ingediend.

Lid 3

Toekenning van een reïntegratiepremie is alleen mogelijk indien het verzoek betrekking heeft op de gehele bovenwettelijke uitkering.

Lid 4

Indien op verzoek van betrokkene een reïntegratiepremie wordt toegekend, wordt het recht op een maandelijks te betalen bovenwettelijke uitkering door het recht op een bedrag ineens vervangen en vervallen daarmee de opgebouwde rechten van betrokkene op een bovenwettelijke uitkering. De artikelen 10a:7, 10a:8 en 10a:21 zijn dan niet van toepassing.

Lid 5

Indien het recht op de aanvullende en/of aansluitende uitkering wegens werkloosheid krachtens artikel 10a:7 of artikel 10a:21 herleeft voordat een besluit over het verzoek van betrokkene omtrent de toekenning van een reïntegratiepremie genomen is, wordt negatief besloten op dit verzoek.

Artikel 10a:33 Reïntegratiepremie

Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)

Lid 1

De berekeningsgrondslag van de reïntegratiepremie is de som van de maandelijkse aanspraken op bovenwettelijke uitkering waarop betrokkene nog recht zou hebben gehad, indien hij geen nieuwe dienstbetrekking had aanvaard en gedurende de gehele resterende periode waarin hij nog aanspraak zou hebben gehad op bovenwettelijke uitkering in dezelfde mate werkloos zou zijn gebleven als dat hij is op de dag voorafgaande aan de indiensttreding bij de nieuwe werkgever.

Lid 2

Voor de toekenning van een reïntegratiepremie wordt uitgegaan van de berekeningsbasis op grond van het eerste lid zoals die op de datum van toekenning van de premie wordt vastgesteld.

Lid 3

Op basis van de Werkloosheidswet opgelegde sancties hebben geen invloed op de berekeningsbasis van de reïntegratiepremie.

Artikel 10a:34 Reïntegratiepremie

Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)

De reïntegratiepremie bedraagt 5% van de in artikel 10a:33 genoemde berekeningsgrondslag, met als maximum een bedrag van 130 maal het dagloon van de betrokkene.

Paragraaf 5 Overgangsbepalingen

Artikel 10a:35 Vervallen

Artikel 10a:36 Overige en slotbepalingen

Artikel 10a:37 Overige en slotbepalingen

Artikel 10a:38 Slotbepaling

Artikel 10a:35 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 10a:36 Overige en slotbepalingen

Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)

Indien het niveau van de uitkering krachtens de Werkloosheidswet een algemene neerwaartse wijziging ondergaat, wordt deze neerwaartse wijziging, tenzij de LOGA-partners anders overeenkomen, binnen zes maanden na datum van het Staatsblad, waarin de maatregel is gepubliceerd, op overeenkomstige wijze ten aanzien van de aanvullende en aansluitende uitkering doorgevoerd vanaf de in het Staatsblad vermelde datum van inwerkingtreding van bedoelde maatregel, doch niet eerder dan zes maanden na de datum van het Staatsblad.

Artikel 10a:37 Overige en slotbepalingen

Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)

Dit hoofdstuk treedt in werking met ingang van 1 januari 2001.

Artikel 10a:38 Slotbepaling

Lid 1

Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen.

Lid 2

Bij verwijzingen in dit hoofdstuk naar artikelen uit de CAR en UWO moet, voor zover niet anders is bepaald, worden uitgegaan van de tekst van deze artikelen, zoals deze luidden op 30 juni 2008.

10d Van werk naar werk-aanpak en voorzieningen bij werkloosheid

Paragraaf 1 Werkingssfeer en begripsbepalingen

Artikel 10d:1 Werkingssfeer

Artikel 10d:2 Begripsbepalingen

Artikel 10d:1 Werkingssfeer

Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar die als gevolg van een organisatieverandering boventallig is geworden of op grond van, 8:5, 8:6 of 8:8 ontslagen wordt en de ambtenaar die op grond van artikel 8:3, 8:5, 8:6 of 8:8 ontslagen is.

Artikel 10d:2 Begripsbepalingen

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

aanvullende uitkering uitkering tijdens de werkloosheidsuitkering;

bezoldiging het gemiddelde van de bezoldiging als bedoeld in artikel 3:1, berekend over een periode van 12 maanden direct voorafgaand aan de start van de re-integratiefase of de start van het Van werk naar werk-traject, vermeerderd met de vakantietoelage en de eindejaarsuitkering; deze wordt geïndexeerd met de generieke salarisverhoging in de gemeentelijke sector;

gemeentelijke sector de gemeenten en gemeenschappelijke regelingen, die de CAR van toepassing hebben verklaard;

boventalligheid: de situatie dat een ambtenaar wegens reorganisatie niet kan terugkeren in de formatie na de reorganisatie;

na-wettelijke uitkering de uitkering na afloop van de werkloosheidsuitkering;

werkloosheid werkloosheid als bedoeld in de Werkloosheidswet, waarbij het arbeidsurenverlies voortvloeit uit de beëindiging van de aanstelling of arbeidsovereenkomst bij de gemeente;

werkloosheidsuitkering uitkering op grond van de Werkloosheidswet, welke uitkering voortvloeit uit de aanstelling of arbeidsovereenkomst met de gemeente.

Paragraaf 2 Samenloop met lokale afspraken

Artikel 10d:3 Samenloop met lokale afspraken

Artikel 10d:3 Samenloop met lokale afspraken

Lid 1

Er kunnen lokaal aanvullende afspraken worden gemaakt op de bepalingen in dit hoofdstuk.

Lid 2

Wanneer voor 26 juni 2012 lokaal andere afspraken zijn overeengekomen, dan die in dit hoofdstuk zijn gesteld, bespreken college en vakorganisaties in de Commissie voor Georganiseerd Overleg wanneer tot herziening zal worden overgegaan van deze lokale afspraken.

Paragraaf 3 Rechten bij ontslag op grond van artikel 8:8

Artikel 10d:4 Rechten bij ontslag op grond van artikel 8:8

Artikel 10d:4 Rechten bij ontslag op grond van artikel 8:8

Lid 1

Voor de ambtenaar die op grond van artikel 8:8 ontslagen wordt, treft het college een passende regeling.

Lid 2

De ambtenaar wordt over de inhoud van de regeling voorafgaand door het college gehoord.

Lid 3

Het college betrekt bij de vaststelling van de regeling de inhoud van de paragraaf over aanvullende uitkering bij ontslag uit dit hoofdstuk, voor zover dit redelijk en billijk is.

Paragraaf 4 Procedure van re-integratie bij ontslag op grond van onbekwaamheid of ongeschiktheid (art 8:6)

Artikel 10d:5 Begripsbepalingen

Artikel 10d:6 Re-integratiefase voor ontslag

Artikel 10d:7 Einde re-integratiefase

Artikel 10d:8 Verlenging reïntegratiefase bij nalatigheid gemeente

Artikel 10d:9 Verlenging re-integratiefase door middel van levensloop

Artikel 10d:10 Re-integratieplan

Artikel 10d:5 Begripsbepalingen

Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder:

re-integratiefase: de fase voorafgaand aan ontslag, waarin door middel van een reintegratieplan afspraken worden gemaakt over de wijze waarop de re-integratie van de ambtenaar het best tot stand kan komen en hieraan uitvoering wordt gegeven met als doel werkloosheid zoveel als mogelijk te voorkomen;

re-integratieplan: het plan van aanpak waarin de re-integratie-inspanningen van gemeente en de ambtenaar beschreven staan, die tot doel hebben de re-integratie van de ambtenaar te bevorderen;

Artikel 10d:6 Re-integratiefase voor ontslag

Lid 1

De ambtenaar die ontslagen wordt op grond van artikel 8:6 heeft recht op een re-integratiefase.

Lid 2

De re-integratiefase begint met een besluit tot ontslag op grond van artikel 8:6.

Lid 3

De re-integratiefase gaat in op de eerste werkdag na verzending of overhandiging van het besluit tot ontslag.

Lid 4

De re-integratiefase is afhankelijk van de duur van het dienstverband bij de gemeente,waaruit ontslag plaatsvindt. Hierbij wordt de duur van het dienstverband gerekend vanaf de datum van indiensttreding bij de gemeente, waaruit ontslag plaatsvindt, tot de datum van de start van de re-integratiefase.

Lid 5

De duur van de re-integratiefase bedraagt bij een dienstverband van:

2 tot 10 jaar 4 maanden

10 tot 15 jaar 8 maanden

15 jaar of meer 12 maanden.

Artikel 10d:7 Einde re-integratiefase

Lid 1

De re-integratiefase eindigt eerder dan na afloop van de voor de ambtenaar geldende termijn, indien de ambtenaar voor het aflopen van deze fase al dan niet in deeltijd een andere functie binnen of buiten de gemeente aanvaardt.

Lid 2

De re-integratiefase eindigt eerder en het ontslag op grond van artikel 8:6 gaat direct in, indien de ambtenaar zich tijdens de re-integratiefase niet houdt aan de afspraken uit het re-integratieplan.

Lid 3

Indien de re-integratiefase eerder eindigt om de in het tweede lid genoemde reden, vervallen de rechten op een aanvullende uitkering en een na-wettelijke uitkering.

Artikel 10d:8 Verlenging reïntegratiefase bij nalatigheid gemeente

Lid 1

De re-integratiefase wordt verlengd wanneer het college zich tijdens de re-integratiefase niet houdt aan de afspraken uit het re-integratieplan.

Lid 2

De verlenging duurt minimaal een maand en maximaal de helft van de oorspronkelijke reintegratiefase.

Lid 3

Tijdens de verlengde re-integratiefase herstelt het college de nalatigheid naar de mate waarin dat mogelijk is.

Lid 4

Tijdens de verlengde re-integratiefase blijven de gemaakte afspraken uit het reintegratieplan van kracht.

Artikel 10d:9 Verlenging re-integratiefase door middel van levensloop

Lid 1

De ambtenaar kan het college verzoeken de re-integratiefase met maximaal 12 maanden te verlengen door gebruik te maken van de mogelijkheid van onbetaald verlof als bedoeld in artikel 6:9.

Lid 2

Het college stemt alleen in met het verzoek indien de ambtenaar tijdens de reintegratiefase redelijkerwijs niet heeft kunnen voldoen aan zijn re-integratieverplichtingen en indien:

onbetaald verlof wordt opgenomen voor de volledige arbeidsduur; en

de ambtenaar tijdens het onbetaald verlof levenslooptegoed opneemt op grond van de gemeentelijke levensloopregeling; en

tijdens de verlengde re-integratiefase activiteiten worden ondernomen of voortgezet die de re-integratie bevorderen.

Lid 3

Het college en de ambtenaar maken nadere afspraken over de voorwaarden waaronder de inspanningen van het college en de ambtenaar, zoals deze zijn neergelegd in het reintegratieplan, tijdens de verlenging van de re-integratiefase worden voortgezet.

Lid 4

Artikel 10d:7 is tijdens de verlenging van de re-integratiefase van overeenkomstige toepassing.

Artikel 10d:10 Re-integratieplan

Lid 1

Het college stelt zo spoedig mogelijk maar uiterlijk binnen een maand na aanvang van de re-integratiefase een re-integratieplan op.

Lid 2

De ambtenaar wordt over de inhoud van het plan voorafgaand door het college gehoord.

Lid 3

In het re-integratieplan worden afspraken opgenomen over de re-integratie-inspanningen die van het college en de ambtenaar verlangd worden. In het re-integratieplan staan in ieder geval afspraken over:

verlof, voor zover dat nodig is, voor activiteiten die neergelegd zijn in het reintegratieplan;

scholing, indien die gevolgd gaat worden, welke scholing, het begin van die scholing, het einde van die scholing, de betaling en de te behalen resultaten;

opstellen arbeidsmarktprofiel;

sollicitatieactiviteiten.

Lid 4

In het re-integratieplan worden afspraken gemaakt over de kosten voor de verschillende activiteiten uit het re-integratieplan. De kosten voor de activiteiten uit het re-integratieplan komen, mits redelijk en billijk, volledig voor rekening van het college, met een maximum van € 7.500,=.

Paragraaf 5 Van werk naar werk-begeleiding bij boventalligheid

Toelichting In deze paragraaf zijn de nieuwe bepalingen opgenomen voortvloeiende uit het Cao-akkoord 2011-2012.

Algemene bepalingen

Artikel 10d:11 Toepassingsbereik

Artikel 10d:12 Duur van een Van werk naar werk-traject

Artikel 10d:13 Inspanningsverplichting

Artikel 10d:14 Start Van werk naar werk-traject

Inhoud Van werk naar werk-traject

Artikel 10d:15 Van werk naar werk-onderzoek

Artikel 10d:16 Van werk naar werk-contract

Artikel 10d:17 Uitvoering van het Van werk naar werk-contract

Verlenging en einde Van werk naar werk-traject

Artikel 10d:18 Einde Van werk naar werk-traject

Artikel 10d:19 Tussentijdse beëindiging

Artikel 10d:20 Advies loopbaanadviseur

Artikel 10d:21 Reguliere beëindiging Van werk naar werk-traject

Artikel 10d:22 Verlenging Van werk naar werk-traject

Artikel 10d:23 Niet-nakoming van afspraken uit Van werk naar werk-contract

Paritaire commissie voor toezicht op Van werk naar werk-trajecten

Artikel 10d:24 Paritaire commissie

Artikel 10d:11 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op de ambtenaar die door het college boventallig wordt verklaard, en die op de datum waarop deze boventalligheid ingaat, een dienstverband van tenminste twee jaar heeft bij de betreffende gemeente.

Artikel 10d:12 Duur van een Van werk naar werk-traject

De boventallig verklaarde ambtenaar heeft recht op een Van werk naar werk-traject dat maximaal twee jaar duurt, tenzij het college besluit tot verlenging op grond van artikel 10d:20 en artikel 10d:22.

Artikel 10d:13 Inspanningsverplichting

In het Van werk naar werk-traject leveren zowel de boventallig verklaarde ambtenaar als het college een actieve bijdrage aan de uitvoering van het Van werk naar werk-traject. De Van werk naar werk-inspanningen zijn gericht op plaatsing van de ambtenaar in een passende dan wel geschikte functie, of aanvaarding door de ambtenaar van een functie buiten de gemeente.

Artikel 10d:14 Start Van werk naar werk-traject

Het Van werk naar werk-traject start op de dag waarop het besluit tot boventalligverklaring in werking is getreden.

Artikel 10d:15 Van werk naar werk-onderzoek

Lid 1

Om richting te geven aan het Van werk naar werk-traject onderzoeken college en ambtenaar gezamenlijk de wensen en ontwikkelingsmogelijkheden van de ambtenaar, binnen en buiten de gemeente. Hierbij worden tevens de kansen van de ambtenaar op de regionale arbeidsmarkt onderzocht.

Lid 2

Bij het in het eerste lid bedoelde onderzoek kan een gecertificeerd loopbaanadviseur worden ingeschakeld.

Lid 3

Het Van werk naar werk-onderzoek kan van start gaan vóór de datum waarop het Van werk naar werk-traject begint en is uiterlijk binnen een maand na die datum afgerond.

Artikel 10d:16 Van werk naar werk-contract

Lid 1

Binnen drie maanden na afronding van het Van werk naar werk-onderzoek stellen college en ambtenaar een Van werk naar werk-contract op.

Lid 2

Het in het eerste lid bedoelde contract bevat de doelen, de voorzieningen die nodig zijn om deze doelen te bereiken, nadere afspraken en daaraan verbonden termijnen.

Lid 3

Afspraken kunnen worden gemaakt over:

het al dan niet toekennen van professionele begeleiding en de tijdsduur daarvan;

het al dan niet elders opdoen van werkervaring;

de werkzaamheden die de ambtenaar gedurende het Van werk naar werk-traject verricht;

het al dan niet volgen van een opleiding en het daarvoor beschikbare budget;

eventuele beperkingen van de ambtenaar, die zijn gebleken uit het Van werk naar werk-onderzoek;

de tijd die de ambtenaar beschikbaar heeft voor sollicitatieactiviteiten en andere inspanningen gericht op het vinden van een nieuwe werkkring. Deze tijd bedraagt tenminste 20% van de omvang van de aanstelling;

het al dan niet gebruik maken van specifieke flankerende voorzieningen, zoals bedoeld in het artikel 17:7.

Lid 4

De noodzakelijke kosten van het Van werk naar werk-traject komen tot een bedrag van € 7.500,- voor rekening van het college. Ten aanzien van kosten die dit bedrag overstijgen neemt het college een afzonderlijk besluit.

Artikel 10d:17 Uitvoering van het Van werk naar werk-contract

Vanaf de start van de uitvoering van het Van werk naar werk-contract wordt de nakoming van de wederzijds gemaakte afspraken gevolgd. Iedere drie maanden wordt de voortgang in het traject geëvalueerd. Hiervan wordt een verslag opgemaakt.

Artikel 10d:18 Einde Van werk naar werk-traject

Het Van werk naar werk-traject eindigt op het moment dat de ambtenaar - al dan niet in deeltijd - een andere functie binnen of buiten de gemeente aanvaardt, op grond van ontslag op eigen verzoek of ontslag om een andere reden.

Artikel 10d:19 Tussentijdse beëindiging

Lid 1

Het Van werk naar werk-traject eindigt, indien de ambtenaar plaatsing in een passende of geschikte functie binnen de gemeente of de aanvaarding van een aangeboden functie buiten de gemeente weigert.

Lid 2

Het college kan eveneens besluiten tot tussentijdse beëindiging van het Van werk naar werk-traject en ontslag, indien de ambtenaar zich niet houdt aan de afspraken uit het Van werk naar werk-contract.

Lid 3

Indien het Van werk naar werk-traject eerder eindigt om de in het eerste of tweede lid genoemde reden, wordt de ambtenaar ontslag verleend op grond van artikel 8:3 met ingang van de dag volgend op die waarop het Van werk naar werk-traject is beëindigd. In dit geval kan het college aangeven dat sprake is van verwijtbare werkloosheid en vervallen de rechten op een aanvullende uitkering en een na-wettelijke uitkering.

Artikel 10d:20 Advies loopbaanadviseur

Lid 1

Indien het Van werk naar werk-traject na verloop van 21 maanden sinds de start ervan niet met een positief resultaat is afgesloten of om een andere reden is beëindigd, brengt een gecertificeerd loopbaanadviseur binnen een maand een advies uit aan het college over het vervolgtraject. Hierbij worden in ieder geval de evaluatieverslagen als bedoeld in artikel 10d:17 in acht genomen. De ambtenaar ontvangt een afschrift van het advies.

Lid 2

Het advies bedoeld in het eerste lid gaat in op de vraag of voortzetting van het Van werk naar werk-traject zinvol is, gelet op de vooruitzichten op korte termijn en de mate waarin voortzetting de kans op een passende of geschikte functie binnen afzienbare termijn vergroot.

Lid 3

Het college beslist of het advies van de loopbaanadviseur wel of niet wordt overgenomen.

Artikel 10d:21 Reguliere beëindiging Van werk naar werk-traject

Lid 1

Na ontvangst van het advies van de loopbaanadviseur beslist het college over het vervolg van het Van werk naar werk-traject, en stelt de ambtenaar in kennis van deze beslissing.

Lid 2

Indien het Van werk naar werk-traject na verloop van 24 maanden niet wordt voortgezet wordt de ambtenaar ontslag verleend op grond van artikel 8:3.

Lid 3

Het ontslag als bedoeld in het tweede lid gaat in op de eerste dag na afloop van de Van werk naar werk-termijn van twee jaar.

Artikel 10d:22 Verlenging Van werk naar werk-traject

Lid 1

Indien er zekerheid is, in de vorm van een schriftelijke toezegging van een werkgever, dat binnen een half jaar een functie voor de ambtenaar kan worden gevonden, of indien voortzetting van het Van werk naar werk-traject de kans op het vinden van een passende of geschikte functie aantoonbaar vergroot, kan het college besluiten het Van werk naar werk-traject te verlengen. Deze verlenging beslaat een redelijke en nader gespecificeerde periode en kan niet meer dan één keer worden verleend.

Lid 2

Indien aan het einde van de periode van verlenging het Van werk naar werk-traject niet tussentijds is beëindigd, verleent het college de ambtenaar ontslag op grond van artikel 8:3.

Lid 3

Het ontslag als bedoeld in het tweede lid gaat in op de eerste dag na afloop van de periode waarmee het Van werk naar werk-traject is verlengd.

Artikel 10d:23 Niet-nakoming van afspraken uit Van werk naar werk-contract

Lid 1

Indien één van beide partijen van mening is dat de andere partij zich niet houdt aan de afspraken zoals vastgelegd in het Van werk naar werk-contract, maakt deze partij dit aan de andere partij in een gesprek kenbaar. Dit gesprek is erop gericht gezamenlijk afspraken te maken over verbetering.

Lid 2

Indien één van beide partijen na het gesprek zoals bedoeld in het eerste lid in gebreke is gebleven ten aanzien van de in het Van werk naar werk-contract vastgelegde afspraken kan de andere partij eisen dat dit gevolgen heeft voor de voortzetting van het contract. Deze partij maakt dit schriftelijk aan de andere partij kenbaar.

Lid 3

Ingeval de ambtenaar van het in het tweede lid bedoelde recht gebruik maakt, kan hij eisen dat het Van werk naar werk-traject wordt verlengd. Deze verlenging bedraagt een redelijke termijn, waarbij de periode die door de niet-nakoming verloren is gegaan als richtlijn kan dienen. Gedurende de periode van verlenging herstelt het college zoveel als mogelijk de gebreken die bij de uitvoering van het Van werk naar werk-contract zijn ontstaan.

Lid 4

Ingeval het college van het in het tweede lid bedoelde recht gebruik maakt, kan hij het Van werk naar werk-traject tussentijds beëindigen op grond van artikel 10d:19 tweede lid en ontslag verlenen op grond van artikel 8:3.

Lid 5

Indien over de nakoming van de afspraken in het Van werk naar werk-contract of de mogelijkheden zoals vastgelegd in dit artikel een geschil ontstaat, kunnen partijen dit geschil voorleggen aan de paritaire commissie.

Artikel 10d:24 Paritaire commissie

Lid 1

Het college stelt een paritair samengestelde commissie in, die desgevraagd toeziet op de individuele toepassing van de bepalingen in deze paragraaf.

Lid 2

Zowel de ambtenaar als het college kan een geschil over de uitvoering van het Van werk naar werk-contract, als bedoeld in artikel 10d:23, vijfde lid, voorleggen aan deze commissie.

Lid 3

De commissie brengt over een in het tweede lid bedoeld geschil een bindend advies uit.

Lid 4

Het college stelt een reglement vast waarin de samenstelling, bevoegdheden en werkwijze van de commissie worden vastgelegd.

Paragraaf 6 Aanvullende uitkering

Artikel 10d:25 Aanvullende uitkering

Artikel 10d:26 Hoogte aanvullende uitkering bij ontslag

Artikel 10d:27 Duur aanvullende uitkering bij ontslag

Artikel 10d:28 Sancties

Artikel 10d:29 Einde aanvullende uitkering

Artikel 10d:25 Aanvullende uitkering

Lid 1

Recht op een aanvullende uitkering heeft de ambtenaar die:

op grond van artikel 8:6 is ontslagen en de re-integratiefase heeft doorlopen, waarbij de situatie zoals beschreven in artikel 10d:7 tweede en derde lid niet aan de orde is; of

op grond van artikel 8:3 is ontslagen en het Van werk naar werk-traject heeft doorlopen, waarbij de situatie zoals beschreven in artikel 10d:19 niet aan de orde is; en

recht heeft op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet en deze ook daadwerkelijk ontvangt.

Lid 2

Voorwaarde voor het verkrijgen van een aanvullende uitkering is dat de ambtenaar ten aanzien van iedere betaling van de aanvullende uitkering alle gegevens aan de gemeente overlegt die van invloed kunnen zijn op de hoogte van zijn aanvullende uitkering.

Artikel 10d:26 Hoogte aanvullende uitkering bij ontslag

Lid 1

De aanvullende uitkering kent twee fases.

Lid 2

Gedurende de eerste fase bedraagt de aanvullende uitkering:

voor ambtenaren met een bezoldiging tot een bedrag van € 4.375,= 10% van de bezoldiging naar rato van het aantal uren dat de ambtenaar werkloos is;

voor ambtenaren met een bezoldiging vanaf € 4.375,= tot een bedrag van € 5.250,= 20% van de bezoldiging naar rato van het aantal uren dat de ambtenaar werkloos is;

voor ambtenaren met een bezoldiging vanaf € 5.250,= 30% van de bezoldiging naar rato van het aantal uren dat de ambtenaar werkloos is.

Lid 3

Gedurende de tweede fase bedraagt de aanvullende uitkering:

voor ambtenaren met een bezoldiging van € 4.375,= tot een bedrag van € 5.250,= 10% van de bezoldiging naar rato van het aantal uren dat de ambtenaar werkloos is;

voor ambtenaren met een bezoldiging van € 5.250,= tot een bedrag van € 6.560,= 20% van de bezoldiging naar rato van het aantal uren dat de ambtenaar werkloos is;

voor ambtenaren met een bezoldiging vanaf € 6.560,= 30% van de bezoldiging naar rato van het aantal uren dat de ambtenaar werkloos is. .

Artikel 10d:27 Duur aanvullende uitkering bij ontslag

Lid 1

De eerste fase van de aanvullende uitkering is één jaar, te rekenen vanaf de dag na de dag van ontslag.

Lid 2

De tweede fase van de aanvullende uitkering begint direct na afloop van de eerste fase en duurt tot het einde van de werkloosheidsuitkering.

Artikel 10d:28 Sancties

Lid 1

Wanneer op grond van de Werkloosheidswet een sanctie wordt toegepast op de werkloosheidsuitkering, wordt deze sanctie evenredig toegepast op de aanvullende uitkering.

Lid 2

Het college stelt voor de toepassing van sancties naast de sanctie op grond van het eerste lid, een sanctiebeleid op.

Lid 3

Wanneer op grond van de Werkloosheidswet een sanctie wordt toegepast kan het college besluiten om het recht op na-wettelijke uitkering geheel of gedeeltelijk te laten vervallen.

Lid 4

Het college stelt ter uitvoering van het derde lid nadere regels op.

Artikel 10d:29 Einde aanvullende uitkering

De aanvullende uitkering eindigt als de uitkeringsduur is verstreken.

Paragraaf 7 Na-wettelijke uitkering

Artikel 10d:30 Na-wettelijke uitkering

Artikel 10d:31 Hoogte na-wettelijke uitkering

Artikel 10d:32 Duur na-wettelijke uitkering

Artikel 10d:33 Einde na-wettelijke uitkering

Artikel 10d:34 Sancties na-wettelijke uitkering

Artikel 10d:35 Afkoop

Artikel 10d:30 Na-wettelijke uitkering

Lid 1

De ambtenaar die recht had op een aanvullende uitkering heeft recht op een na-wettelijke uitkering indien:

de werkloosheid direct aansluitend op de werkloosheidsuitkering voortduurt;

hij ten aanzien van iedere betaling alle gegevens aan de gemeente overlegt die van invloed kunnen zijn op de hoogte van zijn na-wettelijke uitkering.

Lid 2

Bij ontslag op grond van artikel 8:6 geldt als voorwaarde dat het ontslag gelegen is in omstandigheden binnen de werksfeer.

Artikel 10d:31 Hoogte na-wettelijke uitkering

Lid 1

De na-wettelijke uitkering bij werkloosheid voor 36 uur of meer heeft de hoogte van de WW-uitkering, als deze zou zijn voortgezet.

Lid 2

Wanneer sprake is van minder dan 36 uur werkloosheid, wordt het bedrag van de uitkering berekend naar rato van het aantal uren dat de ambtenaar werkloos is.

Lid 3

De na-wettelijke uitkering en het inkomen dat de ambtenaar uit of in verband met arbeid ontvangt, mag een hoogte van 90% van de oude bezoldiging niet overschrijden. Het meerdere wordt gekort op de na-wettelijke uitkering.

Artikel 10d:32 Duur na-wettelijke uitkering

De na-wettelijke uitkering is één maand per dienstjaar in de gemeentelijke sector maal een correctiefactor. De correctiefactor is

1,4 voor dienstjaren tot de leeftijd van 40 jaar

2 voor dienstjaren vanaf de leeftijd van 40 tot de leeftijd van 50 jaar

3 voor dienstjaren vanaf de leeftijd van 50 jaar.

Artikel 10d:33 Einde na-wettelijke uitkering

Lid 1

De na-wettelijke uitkering eindigt wanneer de uitkeringsduur is verstreken.

Lid 2

De na-wettelijke uitkering eindigt wanneer de werkloosheid eindigt.

Lid 3

Vanaf 15 juli 2014 eindigt de na-wettelijke uitkering op de dag waarop de ambtenaar de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt.

Artikel 10d:34 Sancties na-wettelijke uitkering

Het college stelt een sanctiebeleid op, op grond waarvan sancties worden toegepast op de uitbetaling van de na-wettelijke uitkering. Onderdeel van de sanctieregeling is de plicht die de ambtenaar heeft om het college te informeren over alles wat van invloed kan zijn op de duur en hoogte van de na-wettelijke uitkering.

Artikel 10d:35 Afkoop

Lid 1

Het college kan eenmalig, aan het begin van de uitkeringsperiode, op verzoek van de ambtenaar, toestemming geven voor afkoop van de na-wettelijke uitkering.

Lid 2

Het college bepaalt de hoogte van het afkoopbedrag en de voorwaarden waaronder de afkoop verstrekt wordt.

Paragraaf 8 Bijzondere uitkering bij ontslag ingeval van minder dan 35% arbeidsongeschiktheid

Artikel 10d:36 Bijzondere uitkering bij ontslag of definitieve herplaatsing ingeval van minder dan 35% arbeidsongeschiktheid

Artikel 10d:37 Hoogte bijzondere uitkering bij ontslag op grond van artikel 8:5 of definitieve herplaatsing op grond van artikel 7:16

Artikel 10d:38 Duur bijzondere uitkering bij ontslag op grond van artikel 8:5 of definitieve herplaatsing op grond van artikel 7:16

Artikel 10d:39 Overgangsrecht

Artikel 10d:36 Bijzondere uitkering bij ontslag of definitieve herplaatsing ingeval van minder dan 35% arbeidsongeschiktheid

Lid 1

De ambtenaar die voor minder dan 35% arbeidsongeschikt is en die gedurende het derde ziektejaar, bedoeld in artikel 7:16, derde lid, is ontslagen op grond van artikel 8:5 dan wel definitief is herplaatst op grond van artikel 7:16, heeft recht op een bijzondere uitkering indien en voor zolang hij arbeid heeft voor ten minste de restverdiencapaciteit, zoals deze door UWV definitief is vastgesteld.

Lid 2

Voorwaarde voor het recht op de bijzondere uitkering is dat de ambtenaar ten aanzien van iedere betaling alle gegevens aan de gemeente overlegt die van invloed kunnen zijn op de hoogte van zijn bijzondere uitkering.

Artikel 10d:37 Hoogte bijzondere uitkering bij ontslag op grond van artikel 8:5 of definitieve herplaatsing op grond van artikel 7:16

Lid 1

De bijzondere uitkering bedraagt 75% van het verschil tussen het totaalinkomen uit of in verband met arbeid en de bezoldiging voorafgaand aan aanvaarding van de nieuwe arbeid.

Lid 2

Op de bijzondere uitkering wordt de werkloosheidsuitkering in mindering gebracht.

Artikel 10d:38 Duur bijzondere uitkering bij ontslag op grond van artikel 8:5 of definitieve herplaatsing op grond van artikel 7:16

De maximale duur van de bijzondere uitkering is 5 jaar na aanvaarding van de nieuwe arbeid.

Artikel 10d:39 Overgangsrecht

In afwijking van artikel 10d:31 is de duur van de na-wettelijke uitkering voor de ambtenaar die:

op 1 juli 2008 20 dienstjaren of meer had in de gemeentelijke sector en

ontslagen wordt binnen 10 jaar na 1 juli 2008 gelijk aan (0,25 + (0,195 + 0,015 * (X- 21)) * (X - Y) - (X-18) / 12 -2) jaar, met dien verstande dat de factor (X-18) gemaximeerd wordt op 38. Factor X staat hierbij voor de leeftijd in hele jaren op de dag van ontslag; factor Y voor de indiensttreedleeftijd in de gemeentelijke sector.

10e Bijzondere bovenwettelijke werkloosheidsuitkering voor de ambtenaar met op 1 januari 2008 20 dienstjaren of meer

Vervallen hoofdstuk

Hoofdstuk 10e is vervallen

11 Uitkeringsregeling ontslag

Artikel 11:1 Betrokkene

Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)

Lid 1

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder betrokkene: de gewezen ambtenaar aan wie ontslag is verleend:

op grond van artikel 8:4 of artikel 8:5 uit een betrekking waarin hij tijdelijk was aangesteld, terwijl die aanstelling minder dan vijf jaren heeft geduurd dan wel is geschied in een betrekking van kennelijk tijdelijke aard;

op een andere grond genoemd in hoofdstuk 8 van deze regeling, met uitzondering van artikel 8:9, mits dat ontslag niet op eigen verzoek is geschied en evenmin aan eigen schuld of toedoen is te wijten; en die aan dat ontslag geen recht op een uitkering ingevolge artikel 8:3 kan ontlenen.

Lid 2

Onder betrokkene in de zin van dit hoofdstuk kan tevens worden verstaan de gewezen ambtenaar die ontslag heeft gevraagd omdat hij of zij de echtgenoot of geregistreerde partner volgt die door geheel buiten hem of haar liggende oorzaken noodzakelijk van standplaats moet veranderen.

Artikel 11:2 Lichamen

Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder 'lichamen': Rechtspersonen, maat- en vennootschappen, samenwerkingsvormen zonder rechtspersoonlijkheid die met verenigingen maatschappelijk gelijk kunnen worden gesteld, ondernemingen van publiekrechtelijke rechtspersonen en doelvermogens.

Artikel 11:3 Diensttijd

Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)

Lid 1

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder 'diensttijd': de aan het in artikel 11:1, eerste lid, bedoelde ontslag voorafgaande in overheidsdienst doorgebrachte tijd waaraan het ambtenaarschap in de zin van de Wet privatisering ABP is verbonden, alsmede tijd die door inkoop of door een verzoek, bedoeld in artikel D 2 van de pensioenwet, voor pensioen geldig zou zijn verklaard.

Lid 2

Onder diensttijd bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan de tijd doorgebracht in de betrekking waaruit het ontslag, bedoeld in artikel 11:1, is verleend, indien aan die tijd op grond van de Regeling beperking van het zijn van overheidswerknemer in de zin van de wet Privatisering ABP (Stc. 1997, 164) het ambtenaarschap in de zin van evengenoemde regeling niet is verbonden.

Lid 3

In afwijking van het bepaalde in het eerste en het tweede lid blijft buiten beschouwing:

diensttijd liggende vóór een onderbreking van meer dan een maand daarvan wegens verleend ontslag;

diensttijd welke in aanmerking is genomen bij de berekening van de duur van een eerder toegekend wachtgeld of een daarmede gelijk te stellen uitkering wegens onvrijwillige werkloosheid ten laste van de overheid, behalve voor de toepassing van artikel 11:8, vierde lid;

diensttijd welke in aanmerking is genomen bij de berekening van een pensioen krachtens het pensioenreglement dan wel voorafgaat aan een ontslag verleend op grond van artikel 8:3 van deze regeling of een soortgelijke bepaling in een andere overheidsregeling;

tijd als bedoeld in artikel 5.4 van het pensioenreglement;

tijd in een aangehouden betrekking, dan wel tijd in een betrekking welke de betrokkene had kunnen aanhouden, doch uit welke hij vrijwillig ontslag heeft genomen met ingang van de datum waarop de uitkering ingaat.

Lid 4

Indien en voor zover diensttijd die bij de berekening van een uitkering in aanmerking is genomen, met een overheidspensioen, anders dan ten laste van de Stichting Pensioenfonds ABP wordt vergolden, worden de duur en het bedrag van de uitkering, met ingang van de dag waarop dit pensioen is ingegaan, herberekend, waarbij die diensttijd buiten beschouwing wordt gelaten.

Artikel 11:4 Dienstbetrekking

Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)

Lid 1

Dit hoofdstuk verstaat onder dienstbetrekking iedere publiekrechtelijke of privaatrechtelijke arbeidsverhouding waarbij in dienst van een natuurlijke persoon of een lichaam werkzaamheden tegen bezoldiging of loon worden verricht.

Lid 2

Het bepaalde bij of krachtens de artikelen 4, 5 en 6 van de Werkloosheidswet is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 11:5 Bezoldiging

Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)

Lid 1

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder 'bezoldiging': de bezoldiging bedoeld in artikel 3:1, tweede lid van deze regeling zoals deze laatstelijk vóór het ontslag aan de betrekking was verbonden, vermeerderd met de vakantietoelage bedoeld in artikel 6:3 van deze regeling, en de eindejaarsuitkering bedoeld in artikel 3:6.

Lid 2

Voor zover in de bezoldiging een bedrag moet worden begrepen wegens de vergoeding, bedoeld in artikel 3:3 van deze regeling, wordt dit bedrag berekend naar het gemiddelde over de aan de dag van het ontslag voorafgaande twaalf volle kalendermaanden.

Lid 3

Indien in de bezoldiging anders dan wegens periodieke verhoging wijziging zou zijn gekomen als betrokkene de betrekking op die bezoldiging zou zijn blijven vervullen, geldt met ingang van de dag van in werking treden van die wijziging het gewijzigde bedrag als bezoldiging.

Lid 4

Indien de bezoldiging wegens verminderde werkzaamheden voorafgaande aan de opheffing van de betrekking lager was dan zonder verminderde werkzaamheden het geval zou zijn geweest, kan de bezoldiging ten gunste van betrokkene worden herzien.

Artikel 11:6 Recht op uitkering

Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)

Lid 1

Indien wordt voldaan aan de hierna genoemde voorwaarden, bestaat behoudens het bepaalde in het zesde lid, met ingang van de dag waarop het ontslag ingaat, recht op een uitkering waarvan de duur wordt vastgesteld:

voor de betrokkene die in de periode van 12 maanden onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag in ten minste 26 weken als werknemer als bedoeld in artikel 3 van de Werkloosheidswet werkzaam is geweest, ingevolge artikel 11:7;

voor de betrokkene die een diensttijd heeft van ten minste drie jaar onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag, ingevolge artikel 11:7, dan wel wanneer het bepaalde in artikel 11:8, eerste lid, daartoe aanleiding geeft ingevolge artikel 11:8, tweede lid en, indien van toepassing artikel 11:8, vierde lid.

Lid 2

Indien het ontslag ingaat binnen 12 maanden na afloop van perioden waarin de betrokkene ten gevolge van arbeidsongeschiktheid verhinderd was werkzaamheden te verrichten, of werkzaamheden heeft verricht als bedoeld in artikel 8 van de Werkloosheidswet en hij de hoedanigheid van werknemer heeft herkregen, wordt de in het eerste lid, onder a, bedoelde periode van 12 maanden verlengd met de duur van de perioden van de bedoelde verhindering.

Lid 3

De in een week verrichte werkzaamheden worden slechts in aanmerking genomen, voor zover zij betrekking hebben op de dienstbetrekking waaruit de betrokkene is ontslagen en op een of meer dienstbetrekkingen waarvoor eerstgenoemde dienstbetrekking in de plaats is gekomen en voor zover deze niet reeds eerder in aanmerking zijn genomen voor een recht op uitkering.

Lid 4

Met weken, bedoeld in de voorgaande leden, worden gelijkgesteld weken, waarover de betrokkene zonder te werken loon heeft ontvangen.

Lid 5

De regels die gesteld zijn krachtens artikel 17a, derde en vierde lid, van de Werkloosheidswet, zijn van overeenkomstige toepassing.

Lid 6

In bijzondere gevallen kan het college bepalen dat, wanneer niet aan de verplichting bedoeld in artikel 11:21, tweede of derde lid, is voldaan, het recht op uitkering ingaat met de dag waarop de inschrijving bij het arbeidsbureau van zijn woonplaats heeft plaatsgehad.

Lid 7

Geen recht op uitkering bestaat:

indien de betrokkene op dat moment recht heeft op een WAO-uitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer;

indien de betrokkene ter zake van dat ontslag recht heeft op suppletie als bedoeld in hoofdstuk 11a van deze regeling;

indien de betrokkene op de dag van het ontslag de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt;

indien het ontslag aan eigen schuld of toedoen is te wijten;

indien het ontslag naar het oordeel van het college geacht moet worden niet te leiden tot onvrijwillige werkloosheid;

voor de betrokkene, die de leeftijd van 55 jaar nog niet heeft bereikt, aan wie schriftelijk is medegedeeld, dat hem eervol ontslag zal worden verleend en die na die mededeling een hem aangeboden betrekking, welke mede in verband met zijn persoonlijkheid en zijn omstandigheden voor hem passend is te achten, heeft geweigerd te aanvaarden.

Lid 8

De betrokkene, bedoeld in het zevende lid, onder a, heeft recht op uitkering met ingang van de dag waarop de mate van arbeidsongeschiktheid op een lager percentage wordt vastgesteld dan 80. De hoogte van deze uitkering wordt vastgesteld te rekenen vanaf de datum van ontslag. Ter bepaling van de duur van de uitkering wordt voor de toepassing van:

artikel 11:7 als ingangsdatum uitgegaan van de datum met ingang waarvan de mate van arbeidsongeschiktheid op een lager percentage wordt vastgesteld, waarbij voor de toepassing van het vierde lid tevens een WAO-uitkering, in voorkomend geval vermeerderd met een invaliditeitspensioen, vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer mede in aanmerking wordt genomen;

artikel 11:8 als uitgangspunt uitgegaan van de datum van ontslag.

Lid 9

Het college beslist over de toekenning van uitkering op aanvraag door de betrokkene.

Artikel 11:7 Duur van de uitkering

Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)

Lid 1

De uitkeringsduur is 6 maanden, met ingang van de dag waarop het ontslag ingaat.

Lid 2

Indien de betrokkene:

in de periode van 5 jaar onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag ten minste gedurende 3 jaar als werknemer als bedoeld in artikel 3 van de Werkloosheidswet en in dienstbetrekking van 8 of meer uren per week werkzaam is geweest of;

onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag recht heeft op een uitkering op grond van de WAJONG of de WAZ; wordt de duur van de uitkering verlengd met: 3 maanden bij een arbeidsverleden van ten minste 5 jaar; 0,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 10 jaar; 1 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 15 jaar; 1,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 20 jaar; 2 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 25 jaar; 2,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 30 jaar; 3,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 35 jaar en 4,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 40 jaar.

Lid 3

Het arbeidsverleden, bedoeld in het tweede lid, wordt vastgesteld door samentelling van:

perioden, gelegen in de 5 jaar onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag, waarover de betrokkene aantoont als werknemer als bedoeld in artikel 3 van de Werkloosheidswet en in dienstbetrekking van 8 of meer uren per week werkzaam te zijn geweest, en;

de periode gelegen tussen de 18e verjaardag van de betrokkene en de dag, gelegen 5 jaar voor het ontslag.

Lid 4

Perioden, waarin een betrokkene:

Recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 80%;

ter zake van een dienstbetrekking op grond waarvan hem door het rijk invaliditeitspensioen was verzekerd, recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 80%, of een toelage ontvangt die naar aard en strekking overeenkomt met een toelage als bedoeld onder a, die al dan niet vermeerderd met de arbeidsongeschiktheidsuitkering 73% of meer bedraagt van de middelsom, waarnaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering is of zou zijn berekend;

een uitkering ontvangt op grond van hoofdstuk III van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 80% of een toelage op grond van dat hoofdstuk, die al dan niet vermeerderd met de arbeidsongeschiktheidsuitkering 70% of meer bedraagt van het dagloon, waarnaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering is of zou zijn berekend;

na beëindiging van zijn dienstbetrekking een uitkering ontvangt op grond van de Ziektewet over de maximale duur, bedoeld in artikel 29, tweede lid, van die wet;

een uitkering ontvangt, die naar aard en strekking overeenkomt met een uitkering bedoeld onder a of d; worden, indien deze uitkeringen worden ontvangen in verband met een gewezen dienstbetrekking van 8 of meer uren per week, in aanmerking genomen voor de periode van drie jaar, bedoeld in het tweede lid, en voor de perioden gelegen in de vijf jaar, onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag, bedoeld in het derde lid.

Lid 5

Voor de periode van drie jaar, bedoeld in het tweede lid en voor de perioden gelegen in de vijf jaar, onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag, bedoeld in het derde lid, worden perioden waarin een persoon een tot zijn huishouden behorend kind:

beneden de leeftijd van 6 jaar verzorgt, zonder dat deze persoon in dienstbetrekking van 8 of meer uren per week werkzaam is geweest of een uitkering heeft ontvangen als bedoeld in het vierde lid, volledig, en;

vanaf de leeftijd van 6 jaar doch beneden de leeftijd van 12 jaar verzorgt, zonder dat deze persoon in dienstbetrekking van 8 of meer uren per week werkzaam is geweest of een uitkering heeft ontvangen als bedoeld in het vierde lid, voor de helft in aanmerking genomen.

Lid 6

Voor de toepassing van het vijfde lid worden als periode van verzorging niet meegeteld de periode waarin:

de verzorgende persoon als werknemer in de zin van een wettelijke regeling inzake werkloosheid recht heeft op een uitkering ter zake van werkloosheid of;

de verzorging buiten Nederland plaatsvindt anders dan tijdens vakanties.

Lid 7

Indien er in een gezamenlijke huishouding meer verzorgende personen zijn als bedoeld in het vijfde lid, wordt voor de toepassing van dat lid als verzorgende persoon van het kind beschouwd, degene van deze personen die zij als zodanig hebben aangewezen. Ingeval geen verzorgende persoon wordt aangewezen, is het college bevoegd een van hen die naar het oordeel van het college als verzorgende persoon moet worden beschouwd, als zodanig aan te wijzen.

Lid 8

Voor de toepassing van het vijfde en zevende lid wordt onder:

een kind verstaan een eigen, aangehuwd of pleegkind;

een pleegkind verstaan een kind dat als eigen kind wordt onderhouden en opgevoed.

Lid 9

De regels die gesteld zijn krachtens artikel 17b, zevende lid, van de Werkloosheidswet, zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 11:8 Duur van de uitkering

Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)

Lid 1

In afwijking van artikel 11:7, eerste en tweede lid, wordt, indien dit leidt tot een langere uitkeringsduur, waarin tevens voor zover van toepassing de bijzondere verlenging als bedoeld in het vierde lid van dit artikel is begrepen, de duur van de uitkering vastgesteld overeenkomstig de volgende leden.

Lid 2

De duur van de uitkering wordt vastgesteld op een aantal maanden, gelijk aan 1/6 deel van de diensttijd, waarna de uitkomst naar boven wordt afgerond op hele maanden.

Lid 3

De ingevolge het tweede lid berekende uitkeringsduur wordt ten hoogste vastgesteld op 24 maanden.

Lid 4

Indien een betrokkene ten tijde van het ontslag een diensttijd van ten minste tien jaren heeft volbracht en de som van zijn leeftijd en diensttijd, die hij ten tijde van het ontslag heeft bereikt, 60 jaren of meer bedraagt, wordt hem na afloop van de termijn waarover uitkering is toegekend aansluitend gedurende een periode van zes maanden een bijzondere verlenging verleend.

Artikel 11:9 Vervolguitkering

Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)

Lid 1

De betrokkene, die het einde van de uitkeringsduur, bedoeld in artikel 11:7, tweede lid, heeft bereikt, heeft in aansluiting op die uitkering recht op een vervolguitkering.

Lid 2

De betrokkene die:

het einde van de uitkeringsduur, bedoeld in artikel 11:7, eerste lid, heeft bereikt en

voldoet aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 11:7, tweede lid, onderdeel a of b, doch uitsluitend wegens zijn arbeidsverleden geen recht heeft op verlenging van de uitkeringsduur, heeft recht op een vervolguitkering.

Lid 3

Behoudens het gestelde in de volgende leden is de duur van de vervolguitkering een jaar.

Lid 4

De duur van de vervolguitkering voor de betrokkene die op de dag van zijn ontslag 57,5 jaar of ouder is, bedraagt drie en een half jaar.

Lid 5

De betrokkene aan wie ingevolge artikel 11:8 een uitkering is toegekend, heeft aansluitend recht op een vervolguitkering indien de toegekende uitkering eindigt op een tijdstip gelegen binnen een jaar na de datum waarop zijn uitkering zou zijn beëindigd, wanneer deze zou zijn toegekend ingevolge artikel 11:7. De vervolguitkering eindigt op het tijdstip gelegen een jaar na de in de vorige volzin bedoelde datum.

Lid 6

De betrokkene die op de dag van zijn ontslag 57,5 jaar of ouder is en aan wie ingevolge artikel 11:8 een uitkering is toegekend, heeft aansluitend recht op een vervolguitkering indien de toegekende uitkering eindigt op een tijdstip gelegen binnen drie en een half jaar na de datum waarop zijn uitkering zou zijn beëindigd, wanneer deze zou zijn toegekend ingevolge artikel 11:7. De vervolguitkering eindigt op het tijdstip gelegen drie en een half jaar na de in de vorige volzin bedoelde datum.

Lid 7

Tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, zijn bepalingen van de uitkering van overeenkomstige toepassing op de vervolguitkering.

Artikel 11:10 Bedrag van de uitkering

Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)

Lid 1

Het bedrag van de uitkering is gedurende de eerste twee maanden gelijk aan 87% van de bezoldiging, gedurende de volgende twee maanden 77% en vervolgens 67% van de bezoldiging.

Lid 2

Het bedrag van de uitkering is gedurende de termijn van de bijzondere verlenging ingevolge artikel 11:8, vierde lid, 67% van de bezoldiging.

Lid 3

Bij intrekking van de Wet van 20 december 1984 (Stb. 1984, 657) worden de percentages, genoemd in het eerste en tweede lid, met 3 procentpunten verhoogd.

Artikel 11:11 Bedrag van de vervolguitkering

Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)

Lid 1

Het bedrag van de vervolguitkering is gelijk aan het minimumloon, met dien verstande dat dit bedrag nooit meer kan bedragen dan 70% van de bezoldiging.

Lid 2

Voor de toepassing van dit artikel wordt onder minimumloon verstaan het maandbedrag van het minimumloon bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, of, indien het een betrokkene jonger dan 23 jaar betreft, het voor zijn leeftijd geldende minimumloon, bedoeld in artikel 7, derde lid, en artikel 8, derde lid, van genoemde wet, beide vermeerderd met de daarvoor berekende vakantiebijslag, bedoeld in artikel 15 van die wet.

Artikel 11:12 Verhuiskosten

Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)

Aan de betrokkene bedoeld in artikel 11:8, eerste lid, kan, indien hij elders arbeid of bedrijf ter hand gaat nemen, door het college een op de voet van de Verplaatsingskostenregeling te bepalen vergoeding in de kosten van een daartoe noodzakelijke verhuizing worden toegekend.

Artikel 11:13 Vermindering

Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)

Lid 1

Wanneer de betrokkene inkomsten verkrijgt uit of in verband met arbeid, waaronder mede wordt verstaan een uitkering krachtens de WAJONG of de WAZ, of bedrijf, ter hand genomen op of na de dag waarop hem het ontslag is verleend dan wel schriftelijk mededeling is gedaan van het voornemen hem ontslag te verlenen, wordt op de in artikel 11:6 bedoelde uitkering een vermindering toegepast tot het bedrag waarmee die inkomsten en uitkering samen de bezoldiging te boven gaan. Voor de bepaling van het bedrag waarmede de uitkering vermeerderd met inkomsten zoals bedoeld in de eerste volzin, de bezoldiging overschrijdt, wordt een vermindering van de uitkering ingevolge artikel 11:23, eerste lid, niet in aanmerking genomen.

Lid 2

Ten aanzien van de betrokkene aan wie een uitkering is toegekend en die wegens ongeschiktheid tot het verrichten van zijn betrekking ontslag is verleend uit de betrekking die hij gedurende de met recht op uitkering doorgebrachte tijd bekleedde en waarin hij deelnemer was in de zin van het pensioenreglement, worden inkomsten bedoeld in het eerste lid als volgt verrekend. De inkomsten, ter hand genomen met ingang van of na de dag waarop het ontslag plaats vond uit de betrekking die door betrokkene gedurende de met recht op uitkering doorgebrachte tijd werd bekleed, worden verrekend over de maand waarop zij betrekking hebben of geacht kunnen worden betrekking te hebben. In afwijking van het gestelde in het eerste lid, geschiedt deze verrekening op zodanige wijze dat de oorspronkelijk toegekende uitkering wordt verminderd met het bedrag waarmee het pensioen al dan niet aangevuld met een wachtgeld of uitkering, vermeerderd met de inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf met inbegrip van de oorspronkelijk toegekende uitkering de oorspronkelijke bezoldiging overschrijdt. Indien na die vermindering een bedrag aan overschrijding van de bezoldiging resteert, wordt het aanvullende wachtgeld of de aanvullende uitkering verminderd met het resterende bedrag aan overschrijding.

Lid 3

Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen gedurende vakantie, verlof of non-activiteit, onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag ter zake waarvan hem de uitkering is toegekend.

Lid 4

Wanneer de betrokkene op of na de dag bedoeld in het eerste lid, inkomsten of hogere inkomsten verkrijgt uit arbeid of bedrijf ter hand genomen vóór evenbedoelde dag, is ten aanzien van die inkomsten of hogere inkomsten het bepaalde in het eerste lid van overeenkomstige toepassing. De hierbedoelde vermindering vindt echter niet plaats, indien de inkomsten of hogere inkomsten het gevolg zijn van algemene loonsverhogingen, of indien betrokkene aannemelijk maakt dat die inkomsten niet het gevolg zijn van verhoogde werkzaamheid of van andere oorzaken, verband houdende met het ontslag.

Lid 5

Onder inkomsten bedoeld in de voorgaande leden worden niet verstaan inkomsten, verkregen wegens overwerk of gratificatie.

Artikel 11:14 Opgave van inkomsten

Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)

Lid 1

De betrokkene doet van het ter hand nemen van arbeid of bedrijf op of na de dag waarop hem ontslag is verleend of hem schriftelijk mededeling is gedaan van het voornemen hem ontslag te verlenen, onverwijld mededeling aan het college of aan een door het college aan te wijzen ambtenaar. Daarbij doet hij voor zover mogelijk opgave van de inkomsten die hij uit dan wel in verband met die arbeid of dat bedrijf zal verkrijgen. Tijdelijke of blijvende wijzigingen in alle evengenoemde bedragen geeft hij tijdig voor het verschijnen van de eerstvolgende uitkeringstermijn op.

Lid 2

Indien de in het eerste lid bedoelde bedragen niet vooraf door de betrokkene zijn op te geven doet hij voor het verschijnen van elke uitkeringstermijn opgave van hetgeen hij sedert het ter hand nemen van de arbeid of het bedrijf dan wel sedert de vorige opgave heeft verkregen. Brengt de aard van de arbeid of het bedrijf, ter beoordeling van het college, mede dat de inkomsten over een langere termijn moeten worden berekend, welke echter niet langer dan een jaar mag zijn, dan geschiedt de opgave dienovereenkomstig en wordt het bedrag van de vermindering voorlopig vastgesteld onder voorbehoud van verrekening aan het einde van evenbedoelde termijn.

Lid 3

Bij de vaststelling van het bedrag van de vermindering kan van een opgave, bedoeld in het tweede lid, worden afgeweken.

Lid 4

Het in de voorgaande leden bepaalde vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van de arbeid of bedrijf en de inkomsten daaruit, bedoeld in artikel 11:13, het derde en vierde lid.

Artikel 11:15 Overlijdensuitkering

Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)

Lid 1

Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de betrokkene, bedoeld in artikel 11:6 wordt aan de nagelaten echtgenoot of geregistreerde partner een bedrag uitgekeerd gelijk aan de bezoldiging als bedoeld in artikel 11:5 over een tijdvak van drie maanden. Laat de overledene geen echtgenoot of geregistreerde partner na dan geschiedt de uitkering ten behoeve van zijn minderjarige wettige of natuurlijke kinderen dan wel minderjarige pleegkinderen. Ontbreken ook zodanige kinderen dan geschiedt de uitkering ten behoeve van ouders, broers, zusters of meerderjarige kinderen van wie de overledene kostwinner was.

Lid 2

Indien ter zake van zijn overlijden aan de in het eerste lid bedoelde betrekkingen een bedrag wordt toegekend uit hoofde van een door de overledene vervulde andere betrekking, ten gevolge waarvan op de uitkering een vermindering werd toegepast op grond van artikel 11:13, wordt een bedrag uitgekeerd gelijk aan de verminderde uitkering over een tijdvak van drie maanden, voor zover nodig aangevuld, zodanig dat de som van beide bedragen gelijk is aan het bedrag, bedoeld in het eerste lid.

Lid 3

Indien de overledene geen betrekkingen bedoeld in het eerste lid nalaat, kan het bedrag van de uitkering geheel of ten dele worden aangewend voor de betaling van de kosten van de laatste ziekte of van de lijkbezorging als de nalatenschap van de overledene daartoe ontoereikend is.

Lid 4

Op de uitkering als bedoeld in dit artikel wordt in mindering gebracht het bedrag van de uitkering waarop de nagelaten betrekkingen van de gewezen ambtenaar ter zake van diens overlijden aanspraak kunnen maken uit hoofde van een bepaling in een gemeentelijke rechtspositieregeling, dan wel krachtens enig wettelijk voorgeschreven verzekering tegen ziekte, arbeidsongeschiktheid of onvrijwillige werkloosheid.

Artikel 11:16 Verplichtingen bij ziekte

Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)

Lid 1

Indien betrokkene wegens ziekte ongeschikt is arbeid te verrichten, of daarvan is hersteld, is hij verplicht daarvan terstond mededeling te doen aan het college.

Lid 2

Het college stelt nadere voorschriften vast met betrekking tot de geneeskundige begeleiding van betrokkene als bedoeld in het eerste lid.

Lid 3

Indien betrokkene door het UWV schriftelijk in kennis is gesteld van de mogelijkheid van het doen van een aanvraag voor een WAO-uitkering, is hij verplicht binnen de bij of krachtens de WAO gestelde termijnen een WAO-uitkering aan te vragen en alle medewerking te verlenen die noodzakelijk is voor het verkrijgen van deze uitkering.

Lid 4

Indien betrokkene als bedoeld in het derde lid, geen WAO-uitkering aanvraagt en hem dit redelijkerwijs kan worden verweten, wordt voor de toepassing van dit hoofdstuk rekening gehouden met de WAO-uitkering behorende bij een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer.

Lid 5

Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen door betrokkene als bedoeld in het vierde lid, de WAO-uitkering vermindering ondergaat, dan wel het recht daarop geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, en dit betrokkene redelijkerwijs kan worden verweten, wordt de bedoelde uitkering voor de toepassing van dit hoofdstuk steeds geacht onverminderd te zijn genoten.

Artikel 11:17 Uitkering bij ziekte

Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)

Lid 1

Indien de betrokkene binnen de termijn waarover hij aanspraak heeft op een van de uitkeringen bedoeld in de artikelen 11:6 tot en met 11:15 dan wel uiterlijk een maand na afloop van die termijn wegens ziekte verhinderd is arbeid te verrichten, wordt hem telkens met ingang van de vierde dag van die verhindering een uitkering toegekend van 80% van zijn bezoldiging.

Lid 2

De in het eerste lid bedoelde uitkering eindigt zodra de betrokkene deze over tezamen 260 werkdagen bij een vijfdaagse werkweek heeft genoten. De bepalingen van hoofdstuk 7 van deze regeling, zoals dit luidde voor 1 januari 2001, zijn voor zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing.

Artikel 11:18 Samenloop

Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)

Zolang de betrokkene de uitkering geniet, bedoeld in artikel 11:17, eerste lid, wordt met ingang van de dag waarop de verhindering wegens ziekte aanvangt, de uitbetaling van de uitkering, bedoeld in de artikelen 11:6 tot en met 11:15, opgeschort.

Artikel 11:19 Afkoop

Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)

Op verzoek van de betrokkene die voldoet aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 11:7, tweede lid, onderdeel a of b, kan het recht op uitkering geheel of ten dele worden afgekocht.

Artikel 11:20 Verval en opnieuw toekennen van het recht op uitkering

Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)

Lid 1

Het recht op uitkering dat in verband met het niet voldoen aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 11:7, tweede lid, onderdeel a of b, uitsluitend wordt vastgesteld ingevolge artikel 11:7, eerste lid, vervalt met ingang van de dag waarop de werkloosheid eindigt en wordt bij weer intredende onvrijwillige werkloosheid opnieuw toegekend voor de resterende duur met ingang van de dag waarop de laatstbedoelde werkloosheid ingaat, tenzij de betrokkene ter zake van deze laatstelijk opgetreden werkloosheid aanspraak heeft op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet of krachtens enige publiekrechtelijke regeling inzake wachtgeld of uitkering.

Lid 2

Voor toepassing van dit artikel wordt onder beëindiging van de werkloosheid begrepen:

het aanvaard hebben van een naar zijn aard vaste dienstbetrekking;

het gedurende een periode van een maand vervuld hebben van een naar zijn aard tijdelijke dienstbetrekking bij dezelfde werkgever, voorzover de omvang van de nieuwe dienstbetrekking ten minste gelijk is aan die van de dienstbetrekking op basis waarvan het recht op uitkering bestaat.

Lid 3

Een betrokkene die bij afloop van de opnieuw toegekende uitkering als bedoeld in het eerste lid, nog onvrijwillig werkloos is, heeft opnieuw recht op een uitkering, mits de betrokkene:

binnen 6 maanden na de dag waarop het recht op uitkering ontstond als bedoeld in artikel 11:6, eerste lid, onder a, arbeid in dienstbetrekking heeft aanvaard; en

in ten minste 13 weken opnieuw werkzaam is geweest als werknemer als bedoeld in artikel 3 van de Werkloosheidswet.

Lid 4

Voor de toepassing van het derde lid worden weken waarop de betrokkene zonder te werken loon heeft ontvangen, gelijkgesteld met gewerkte weken.

Lid 5

De duur van de uitkering als bedoeld in het derde lid, bedraagt zes maanden, verminderd met de resterende duur van de opnieuw toegekende uitkering als bedoeld in het eerste lid.

Lid 6

Het college beslist over het opnieuw toekennen van de uitkering als bedoeld in het eerste lid en op toekenning van een uitkering als bedoeld in het derde lid, op aanvraag door de betrokkene.

Lid 7

Het recht op uitkering vervalt wanneer de daartoe strekkende aanvraag, bedoeld in het zesde lid en in artikel 11:6, negende lid, niet binnen een termijn van twee jaren na het ontstaan of het opnieuw ontstaan van dat recht bij het college is ingekomen.

Artikel 11:21 Verplichtingen

Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)

Lid 1

Zolang de betrokkene de leeftijd van 55 jaren niet heeft bereikt, is hij verplicht een hem aangeboden betrekking, die hem in verband met zijn persoonlijkheid en omstandigheden redelijkerwijs kan worden opgedragen, te aanvaarden dan wel tot het verkrijgen van inkomsten gebruik te maken van elke gelegenheid die in verband met zijn persoonlijkheid en omstandigheden passend kan worden geacht.

Lid 2

Zolang de betrokkene de leeftijd van 55 jaar nog niet heeft bereikt, is hij verplicht zich bij het arbeidsbureau van zijn woonplaats als werkzoekende te doen inschrijven op de eerste werkdag, volgende op die waarop het ontslag ingaat. Hij dient binnen veertien dagen daarna een bewijs van inschrijving als werkzoekende van het arbeidsbureau aan het college over te leggen.

Lid 3

De betrokkene, die op de dag van het ontslag metterwoon verblijf houdt in het buitenland dan wel nadien metterwoon verblijf gaat houden in het buitenland en die de leeftijd van 55 jaar nog niet heeft bereikt, is verplicht zich te doen inschrijven als werkzoekende bij een aldaar gevestigde instantie van arbeidsbemiddeling die daartoe de mogelijkheid biedt en die naar het oordeel van het college vergelijkbaar is met het arbeidsbureau.

Lid 4

Het college kan bepalen dat de in het tweede en derde lid omschreven verplichting niet geldt voor bepaalde betrokkenen of groepen van betrokkenen.

Lid 5

De betrokkene, bedoeld in het eerste lid, is voorts verplicht zich te gedragen naar de voorschriften die hem door het college in het algemeen of voor enig bijzonder geval worden gegeven, strekkende tot het verkrijgen van een betrekking of andere bron van inkomsten.

Lid 6

Door het aanvaarden van de uitkering wordt de betrokkene geacht er in toe te stemmen dat zij, die naar het oordeel van het college daarvoor in aanmerking komen, alle voor de uitvoering van deze regeling noodzakelijke inlichtingen geven.

Artikel 11:22 Opschorting

Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)

Lid 1

Indien de betrokkene na zijn ontslag uit hoofde van ziekte aanspraak op doorbetaling van bezoldiging heeft of krijgt of een uitkering ten bedrage van de laatstgenoten bezoldiging in verband met de betrekking waaruit hem ontslag is verleend, wordt de uitvoering of verdere uitvoering van de uitkeringsregeling vervat in deze regeling opgeschort tot het einde van het tijdvak waarover die aanspraak bestaat.

Lid 2

Het college kan op verzoek van de betrokkene die zich als dienstplichtige in militaire dienst bevindt of moet begeven, de uitvoering of verdere uitvoering van de uitkeringsregeling vervat in deze regeling opschorten tot het einde van het tijdvak van diens militaire dienst.

Artikel 11:23 Samenloop

Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)

Lid 1

Indien de betrokkene ter zake van de dienstbetrekking waaruit hij met recht op uitkering is ontslagen, aanspraak heeft op een WAO-uitkering en in voorkomend geval vermeerderd met een invaliditeitspensioen, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 80%, wordt het geldende bedrag van de uitkering, toegekend ter zake van hetzelfde ontslag, met het hierna genoemde percentage verminderd. Deze vermindering bedraagt bij een arbeidsongeschiktheid van

65% tot 80% :

80%;

55% tot 65% :

60%;

45% tot 55% :

50%;

35% tot 45% :

40%;

25% tot 35% :

30%;

15% tot 25% :

20%;

minder dan 15% :

0%.

De som van de in de eerste volzin bedoelde WAO-uitkering, in voorkomend geval vermeerderd met een invaliditeitspensioen, en de verminderde uitkering bedraagt voorts niet meer dan de onverminderde uitkering die wordt genoten indien er geen sprake is van samenloop. Ingeval van overschrijding wordt het overschrijdende bedrag op de uitkering in mindering gebracht.

Lid 2

Indien de betrokkene, bedoeld in het eerste lid, geen WAO-uitkering aanvraagt en hem dit redelijkerwijs kan worden verweten, wordt voor de toepassing van dit artikel rekening gehouden met de WAO-uitkering waarbij een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer behoort.

Lid 3

Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen door betrokkene, bedoeld in het eerste lid, de WAO-uitkering vermindering ondergaat, dan wel het recht op deze uitkering geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, en dit betrokkene redelijkerwijs kan worden verweten, wordt de bedoelde uitkering voor de toepassing van dit artikel steeds geacht onverminderd te zijn genoten.

Artikel 11:24 Samenloop

Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)

Indien de betrokkene aanspraken krijgt op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet of de Ziektewet, worden gedurende de termijn, waarover die aanspraken bestaan, de op grond van deze regeling toegekende uitkeringen niet uitbetaald.

Artikel 11:25 Betaling

Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)

Lid 1

Het bedrag van de uitkering, over een jaar berekend, wordt naar boven tot een volle euro afgerond en in dezelfde termijnen uitbetaald als de bezoldiging welke vóór de toekenning van de uitkering werd genoten.

Lid 2

Met toestemming van de betrokkene kan de uitbetaling van de uitkering over langere termijnen geschieden.

Artikel 11:26 Verval van uitkering

Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)

Lid 1

De uitkeringen kunnen geheel of gedeeltelijk vervallen worden verklaard:

indien de betrokkene bedoeld in artikel 11:6, de opgave bedoeld in artikel 11:14, eerste en tweede lid, nalaat dan wel onjuist of onvolledig doet;

indien de betrokkene niet voldoet aan het bepaalde in artikel 11:21, tweede en derde lid, dan wel indien hij zonder toestemming van het college gedurende de tijd, waarin hij een uitkering geniet, de in evengenoemde leden bedoelde inschrijving teniet doet of nalaat deze op de door het arbeidsbureau dan wel de buitenlandse instantie van arbeidsbemiddeling bepaalde tijdstippen te doen verlengen;

indien de betrokkene enig op grond van artikel 11:21, vijfde lid, gegeven voorschrift niet nakomt, tenzij hem hiervan redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt, dan wel indien er overigens gegronde reden is om aan te nemen dat hij niet ernstig tracht werk te vinden;

indien de betrokkene zich zonder toestemming van het college in het buitenland vestigt of geacht moet worden aldaar duurzaam te verblijven;

indien betrokkene niet voldoet aan de verplichtingen die bij of krachtens artikel 11:16, eerste en tweede lid, zijn gesteld;

indien de betrokkene zich zodanig gedraagt, dat hem ontslag zou zijn verleend als hij in dienst was gebleven;

indien achteraf blijkt, dat voor het aan de betrokkene verleende ontslag zich feiten en/of omstandigheden hebben voorgedaan die, zo deze eerder bekend waren, aanleiding zouden hebben gevormd hem als ambtenaar met toepassing van artikel 8:13 van deze regeling ontslag te verlenen;

indien de betrokkene niet ernstig tracht werk te vinden.

Lid 2

Het voorgaande lid is, voor zover nodig, van overeenkomstige toepassing op een uitkering, bedoeld in artikel 11:17.

Lid 3

Indien de betrokkene de verplichting bedoeld in artikel 11:21, eerste lid, niet nakomt dan wel indien hij als ingeschrevene bij het arbeidsbureau dan wel de buitenlandse instantie van arbeidsbemiddeling opzettelijk of door nalatigheid verzuimt gevolg te geven aan een oproeping of aanwijzing van het arbeidsbureau, welke kan leiden tot het verkrijgen van werk dat hem in verband met zijn persoonlijkheid en omstandigheden redelijkerwijs kan worden opgedragen of indien hij weigert dergelijk werk te aanvaarden, vervalt de uitkering voor het gedeelte waarmee deze tezamen met de verzuimde of verloren gegane inkomsten, de bezoldiging te boven zou zijn gegaan.

Lid 4

Het bepaalde in dit artikel is niet van kracht indien het niet nakomen van voorschriften, het weigeren of geen gebruik maken van een aangeboden betrekking of van een gelegenheid tot het verkrijgen van inkomsten geschiedt tijdens een staking of uitsluiting, behoudens het geval dat het naar het oordeel van het college noodzakelijk is dat de ambtenaar werkzaamheden verricht ter vervanging van stakers of uitgeslotenen of om werknemers behulpzaam te zijn, zulks met het oog op de openbare veiligheid of gezondheid of voor de regelmatige functionering van de openbare dienst.

Artikel 11:27 Einde van het recht op uitkering

Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)

Lid 1

Het recht op uitkering eindigt:

met ingang van de eerste dag van de kalendermaand volgende op die waarin de betrokkene de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt;

met ingang van de dag volgende op die waarop de betrokkene is overleden;

indien het recht op uitkering geheel wordt afgekocht.

Lid 2

Het recht op uitkering eindigt met ingang van de dag waarop de betrokkene recht verkrijgt op een WAO-uitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer. Artikel 11:6, achtste lid, is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat van deze uitkering de duur, voor zover deze wordt bepaald aan de hand van artikel 11:8, en de hoogte worden vastgesteld te rekenen vanaf de datum van ontslag.

Lid 3

De voorgaande leden zijn, voor zover nodig van overeenkomstige toepassing op een uitkering, bedoeld in artikel 11:17.

Artikel 11:28 Nadere voorschriften

Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)

Ter uitvoering van dit hoofdstuk kan het college nadere voorschriften geven.

Artikel 11:29 Overgangsbepalingen

Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)

Lid 1

Op de uitkeringen toegekend krachtens de bepalingen van de uitkeringsregeling zoals deze luidde voor 1 augustus 1991, worden voor de resterende duur na 30 juli 1991, de bepalingen van de uitkeringsregeling zoals deze luiden met ingang van 1 augustus 1991 toegepast, met dien verstande dat de hoogte, voor de reeds vastgestelde duur, nooit lager zal zijn dan op grond van de uitkeringsregeling zoals deze luidde voor 1 augustus 1991.

Lid 2

Ten aanzien van de uitkeringen, als bedoeld in het eerste lid, die voortduren na 30 juli 1991, wordt op basis van de desbetreffende bepalingen in de uitkeringsregeling zoals deze luiden met ingang van 1 augustus 1991, de duur opnieuw berekend. Indien de aldus berekende duur van de toegekende uitkering langer is dan de oorspronkelijk vastgestelde duur, wordt deze laatstgenoemde duur verlengd met het verschil tussen beide.

Lid 3

De betrokkene aan wie een uitkering was toegekend op grond van artikel 11, eerste lid, van de uitkeringsregeling, zoals deze luidde tot 1 augustus 1991, en welke als gevolg van beëindiging van de werkloosheid is vervallen, behoudt binnen de in artikel 13, tweede lid genoemde termijn en overeenkomstig de overige daarvoor genoemde voorwaarden het recht op opnieuw toekennen van de uitkering. Artikel 13, eerste lid van de uitkeringsregeling zoals deze luidde tot 1 augustus 1991, blijft van toepassing op een weder toegekende uitkering als bedoeld in de vorige volzin, met dien verstande dat de duur van de toegekende uitkering wordt herberekend op grond van het tweede lid.

Artikel 11:30 Overgangsbepalingen

Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)

Lid 1

Degene aan wie voor 1 januari 1995 een uitkering is toegekend op basis van de bepalingen van de uitkeringsverordening zoals deze luidde voor 1 januari 1995, en waarvan de duur doorloopt tot na 31 december 1994, behoudt wat betreft de hoogte van deze uitkering de aanspraken zoals deze zijn vastgelegd in evengenoemde verordening.

Lid 2

Het voorgaande geldt eveneens ten aanzien van degene aan wie voor 1 januari 1995 een uitkering is toegekend op basis van dit hoofdstuk.

Artikel 11:31 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 11:32 Slotbepaling

Lid 1

Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar of arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of later.

Lid 2

Bij de verwijzingen in dit hoofdstuk naar artikelen elders uit de CAR en/of UWO moet, voorzover niet anders is bepaald, worden uitgegaan van de tekst van deze artikelen zoals deze luidde op 31 december 2000.

11a Suppletie

Artikel 11a:1 Begripsomschrijvingen

Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)

Lid 1

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder :

arbeidsongeschiktheid: arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 18, eerste lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;

arbeidsongeschiktheidsuitkering: een periodieke uitkering, toegekend op grond van arbeidsongeschiktheid, die voortvloeit uit enig dienstverband van betrokkene;

WAO-uitkering: uitkering op grond van de WAO;

betrokkene: de overheidswerknemer, bedoeld in artikel 2 van de WPA, aan wie op grond van artikel 8:5 ontslag is verleend op grond van ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking wegens ziekte, en die ten tijde van dat ontslag minder dan 80% arbeidsongeschikt is, met uitzondering van degene die zijn resterende verdienvermogen volledig benut in een of meer aangehouden betrekkingen;

bestuursorgaan: het orgaan als bedoeld in artikel 8:5, eerste lid, dat bevoegd is betrokkene ontslag te verlenen;

suppletie: de suppletie, bedoeld in artikel 11a:6;

dagloon: het dagloon in de zin van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering zonder toepassing van de maximumdagloongrens van artikel 9, eerste lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering, vermeerderd met het bedrag aan pensioenpremie, bedoeld in artikel 10 van de Wet financiële voorzieningen privatisering ABP, en in voorkomend geval verminderd met bijdragen strekkende tot betaling van de premie van een door of voor de betrokkene afgesloten particuliere ziektekostenverzekering als bedoeld in artikel 1, tweede lid, onderdeel b, van het Besluit Algemene Dagloonregelen WAO;

berekeningsgrondslag van de suppletie: het dagloon van betrokkene op de dag voorafgaande aan het ontslag ter zake waarvan hem recht op suppletie wordt toegekend, voor zover dat betrekking heeft op het inkomen uit de betrekking waaraan het recht op suppletie wordt ontleend;

werkloosheidsuitkering: een periodieke uitkering ter zake van ontslag of werkloosheid, die voortvloeit uit enig dienstverband van betrokkene.

Lid 2

Bij de toepassing van dit hoofdstuk wordt artikel 1:2:1 in acht genomen.

Artikel 11a:2 Recht op suppletie

Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)

Lid 1

Betrokkene heeft recht op suppletie vanaf het tijdstip dat aan hem ontslag is verleend op grond van ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking wegens ziekte.

Lid 2

Het eerste lid is niet van toepassing indien het in dat lid bedoelde ontslag wordt verleend na het moment dat de ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking wegens ziekte 90 maanden onafgebroken heeft geduurd. Voor het bepalen van genoemde periode van 90 maanden worden perioden van ziekte samengeteld indien die elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.

Artikel 11a:3 Recht op suppletie

Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)

Lid 1

Het verplichtingen- en sanctieregime van de Werkloosheidswet is van overeenkomstige toepassing op het recht op suppletie.

Lid 2

Onverminderd het eerste lid, omvat passende arbeid in de zin van de Werkloosheidswet voor de toepassing van de suppletie mede gangbare arbeid. Hierbij wordt onder gangbare arbeid verstaan: alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de betrokkene met zijn krachten en bekwaamheden in staat is.

Artikel 11a:4 Recht op suppletie

Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)

Het recht op suppletie komt niet tot uitbetaling voor zolang :

betrokkene een WAO-uitkering ontvangt, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer;

betrokkene is herplaatst in een functie waaraan hij recht kan ontlenen op herplaatsingstoelage als bedoeld in hoofdstuk 12 van het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.

Artikel 11a:5 Recht op suppletie

Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)

Het recht op suppletie eindigt:

na ommekomst van de duur van de suppletie;

met ingang van de dag volgende op die waarop de betrokkene is overleden;

met ingang van de eerste dag van de maand waarin de betrokkene de leeftijd van 65 jaar bereikt.

Artikel 11a:6 Suppletie

Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)

Lid 1

De suppletie bedraagt een percentage van de berekeningsgrondslag van de suppletie.

Lid 2

De berekeningsgrondslag van de suppletie wordt telkens aangepast aan de voor de sector Gemeenten geldende algemene bezoldigingswijziging.

Lid 3

Het in het eerste lid bedoelde percentage bedraagt :

gedurende de eerste drieëndertig maanden 80%; en

gedurende de daaropvolgende drieëndertig maanden 70%.

Artikel 11a:7 Suppletie

Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)

Lid 1

In afwijking van artikel 11a:6, derde lid, wordt, indien het in artikel 11a:2 bedoelde ontslag is verleend op een latere datum dan het moment waarop de ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking wegens ziekte 24 maanden onafgebroken heeft geduurd, de in artikel 11a:6, derde lid, genoemde periode verminderd met de periode die gelegen is tussen de ontslagdatum en het moment waarop genoemde ongeschiktheid 24 maanden onafgebroken heeft geduurd. Deze vermindering vindt plaats, te beginnen met de periode gedurende welke de betrokkene recht heeft op 80% van de berekeningsgrondslag van de suppletie.

Lid 2

Voor het bepalen van de in het eerste lid bedoelde periode van 24 maanden worden perioden van ziekte samengeteld indien die elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.

Artikel 11a:8 Suppletie

Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)

Lid 1

Indien de betrokkene gedurende de periode dat recht bestaat op suppletie, ter zake van de dienstbetrekking waaruit dat recht op suppletie is ontstaan, een werkloosheidsuitkering, een Waz-uitkering dan wel een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangt, wordt het bedrag van genoemde uitkering of uitkeringen in mindering gebracht op het bedrag van de suppletie. Indien de bedoelde betrokkene uit hoofde van twee of meer dienstbetrekkingen als overheidswerknemer recht heeft op een WAO-uitkering, wordt die uitkering voor de toepassing van de eerste volzin, toegerekend aan de dienstbetrekking ter zake waarvan hem recht op suppletie is toegekend, naar rato van de feitelijk genoten inkomsten uit hoofde van de desbetreffende dienstbetrekkingen.

Lid 2

Indien de betrokkene recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering die kan worden toegerekend aan een dienstbetrekking, waaruit hij is ontslagen op een datum, gelegen vóór de datum van ontslag uit de dienstbetrekking ter zake waarvan hem recht op suppletie is toegekend, welk recht voortduurt na laatstgenoemde datum, wordt, in geval van een verhoging van de mate van de arbeidsongeschiktheid waardoor het bedrag van die arbeidsongeschiktheidsuitkering verhoogd wordt, uitsluitend het bedrag van die verhoging van die arbeidsongeschiktheidsuitkering in mindering gebracht op het bedrag van de suppletie. Indien de bedoelde betrokkene uit hoofde van twee of meer dienstbetrekkingen als overheidswerknemer recht heeft op een WAO-uitkering, wordt die uitkering voor de toepassing van de vorige volzin toegerekend aan de in die volzin eerstgenoemde dienstbetrekking, naar rato van de feitelijk genoten inkomsten uit hoofde van de desbetreffende dienstbetrekkingen.

Lid 3

Indien de toerekeningswijze, bedoeld in het tweede lid, in een individueel geval naar het oordeel van het bestuursorgaan leidt tot een kennelijk onredelijke uitkomst voor de betrokkene, kan het bestuursorgaan ten gunste van die betrokkene tot een wijze van toerekenen besluiten die met de strekking van dit artikel overeenkomt.

Artikel 11a:9 Suppletie

Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)

Lid 1

Indien betrokkene gedurende de periode dat recht bestaat op suppletie inkomsten verwerft uit of in verband met arbeid of bedrijf, anders dan bedoeld in artikel 11a:8, wordt de berekeningsgrondslag van de suppletie verminderd met de inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf.

Lid 2

Onder inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, bedoeld in het eerste lid, worden begrepen inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf die zijn ontstaan:

met ingang van of na de dag waarop het ontslag ter zake waarvan de betrokkene suppletie is toegekend, hem is aangezegd;

gedurende non-activiteit, vakantie of verlof onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag ter zake waarvan de betrokkene suppletie is toegekend;

vóór de dag van het ontslag ter zake waarvan de betrokkene suppletie is toegekend, anders dan bedoeld in onderdeel a en b, en artikel 11a:8, tweede lid, voor zover uit deze arbeid of dit bedrijf na die dag inkomsten of meer inkomsten worden genoten door de betrokkene, terwijl die inkomsten of die meerdere inkomsten of een gedeelte daarvan, het gevolg zijn van een verhoogde werkzaamheid dan wel verband houden met het ontslag.

Lid 3

In bijzondere gevallen kan het bestuursorgaan ten gunste van betrokkene afwijken van het tweede lid.

Artikel 11a:10 Suppletie

Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)

Voor de toepassing van artikel 11a:8 en 11a:9 worden uitkeringen steeds geacht onverminderd door betrokkene te zijn genoten indien, als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen door betrokkene, één of meer werkloosheidsuitkeringen, een Waz-uitkering, arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, uitkeringen op grond van de Ziektewet dan wel uitkeringen die naar aard en strekking overeenkomen met laatstgenoemde uitkeringen, waarop betrokkene recht heeft:

vermindering ondergaan;

blijvend geheel geweigerd worden;

tijdelijk of blijvend gedeeltelijk geweigerd worden; dan wel;

in uitkeringsduur beperkt worden.

Artikel 11a:11 Suppletie

Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)

Lid 1

Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de betrokkene, aan wie een suppletie is toegekend, keert het bestuursorgaan een bedrag uit, gelijk aan de berekeningsgrondslag van de suppletie van betrokkene over een tijdvak van drie maanden.

Lid 2

Het in het eerste lid bedoelde bedrag wordt uitgekeerd:

aan de langstlevende der echtgenoten of geregistreerde partner(s) indien de overledene niet duurzaam van de andere echtgenoot of geregistreerde partner gescheiden leefde;

bij ontstentenis van de onder a bedoelde persoon aan de minderjarige wettige of natuurlijke kinderen;

bij ontstentenis van de onder a en b bedoelde personen aan degenen ten aanzien van wie de overledene grotendeels in de kosten van het bestaan voorzag en met wie hij in gezinsverband leefde.

Lid 3

Voor de toepassing van het tweede lid worden mede als echtgenoot of geregistreerde partner aangemerkt niet gehuwde personen van verschillend of gelijk geslacht die duurzaam een gezamenlijke huishouding voeren, tenzij het betreft personen tussen wie bloedverwantschap in de eerste of tweede graad bestaat.

Lid 4

Van een gezamenlijke huishouding als bedoeld in het derde lid, kan slechts sprake zijn indien twee ongehuwde personen gezamenlijk voorzien in huisvesting en bovendien beiden een bijdrage leveren in de kosten van de huishouding dan wel op andere wijze in elkaars verzorging voorzien.

Lid 5

Op het uit te keren bedrag, bedoeld in het eerste lid, wordt in mindering gebracht het bedrag van de uitkering waarop de nagelaten betrekkingen van de betrokkene ter zake van diens overlijden aanspraak kunnen maken uit hoofde van een of meer werkloosheidsuitkeringen, arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, uitkeringen op grond van de Ziektewet dan wel uitkeringen die naar aard en strekking overeenkomen met laatstgenoemde uitkeringen, waarop betrokkene recht had.

Artikel 11a:12 Betaling van suppletie

Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)

Lid 1

Het bestuursorgaan stelt op aanvraag vast of er recht op suppletie bestaat.

Lid 2

Een aanvraag wordt ingediend door middel van een door het bestuursorgaan beschikbaar gesteld aanvraagformulier.

Lid 3

Het bestuursorgaan betaalt de suppletie zo spoedig mogelijk uit, doch uiterlijk binnen een maand nadat het het recht op die suppletie heeft vastgesteld. Het bestuursorgaan betaalt de suppletie in de regel per maand achteraf.

Lid 4

De suppletie die niet in ontvangst is genomen of is ingevorderd binnen 3 maanden na de dag van betaalbaarstelling, wordt niet meer betaald. Het bestuursorgaan kan in bijzondere gevallen ten gunste van betrokkene afwijken van de eerste volzin.

Artikel 11a:13 Betaling van suppletie

Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)

Lid 1

Het bestuursorgaan betaalt ambtshalve een naar redelijkheid vast te stellen voorschot op een suppletie indien uitsluitend onzekerheid bestaat omtrent de hoogte van de suppletie, omtrent het van de suppletie aan de betrokkene te betalen bedrag of omtrent het nakomen van een verplichting als bedoeld in artikel 11a:3.

Lid 2

Het bestuursorgaan kan op verzoek van de betrokkene een naar redelijkheid vast te stellen voorschot op een suppletie betalen indien onzekerheid bestaat omtrent het recht op suppletie.

Lid 3

Een voorschot, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt beschouwd als een suppletie.

Artikel 11a:14 Scholing, opleiding en onbeloonde activiteiten

Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)

Lid 1

Het bestuursorgaan kan regels stellen op grond waarvan in bij die regels aan te geven gevallen en met inachtneming van bij die regels te stellen beperkingen de betrokkene bevoegd is deel te nemen aan een opleiding of scholing in dagonderwijs.

Lid 2

Indien de betrokkene die recht heeft op suppletie gaat deelnemen aan een voor hem naar het oordeel van het bestuursorgaan noodzakelijke opleiding of scholing, blijft volgens door het bestuursorgaan te stellen regels het recht op suppletie bestaan totdat die opleiding of scholing is geëindigd.

Lid 3

In de door het bestuursorgaan te stellen regels, bedoeld in het tweede lid, worden in ieder geval voorschriften en beperkingen gegeven met betrekking tot de aard, de omvang en de duur van de in het tweede lid bedoelde opleiding of scholing.

Artikel 11a:15 Scholing, opleiding en onbeloonde activiteiten

Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)

Lid 1

De betrokkene die onbeloonde activiteiten verricht, is verplicht daarvan mededeling te doen aan het bestuursorgaan.

Lid 2

De betrokkene heeft voor het verrichten van bijzondere vormen van onbeloonde activiteiten voorafgaande toestemming van het bestuursorgaan nodig.

Artikel 11a:16 Uitvoeringsvoorschriften

Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)

Lid 1

Het bestuursorgaan stelt nadere regels vast met betrekking tot :

de wijze waarop de controle van betrokkene plaatsvindt;

het genieten van vakantie tijdens de duur van de suppletie.

Lid 2

Het bestuursorgaan kan nadere regels stellen met betrekking tot artikel 11a:15.

Artikel 11a:16:0:1 Uitvoeringsregeling suppletieregeling

In aanvulling op het gestelde in artikel 11a:16 heeft de Veiligheidsregio Limburg-Noord een Uitvoeringsregeling suppletieregeling vastgesteld.

Klik hier om naar deze regeling in het onderdeel aanvullende regelingen te gaan.

Artikel 11a:17 Conversie herplaatsingswachtgeld en bezoldiging of uitkering wegens ziekte

Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)

Lid 1

Degene die op 31 december 1995 uit hoofde van een ontslag uit de sector gemeenten recht heeft op een herplaatsingswachtgeld als bedoeld in artikel K 4, tweede lid, juncto artikel K 6 van de Algemene burgerlijke pensioenwet, zoals die wet luidde op die datum, en waarvan de duur op 1 januari 1996 nog niet is verstreken, heeft recht op suppletie.

Lid 2

Het in het eerste lid bedoelde recht op suppletie bedraagt bij een op 31 december 1995 genoten recht op herplaatsingswachtgeld van.

1 maand

gedurende de eerste 27 maanden 80%

vervolgens 33 maanden 70%

2 maanden

gedurende de eerste 26 maanden 80%

vervolgens 33 maanden 70%

3 maanden

gedurende de eerste 25 maanden 80%

vervolgens 33 maanden 70%

4 maanden

gedurende de eerste 24 maanden 80%

vervolgens 33 maanden 70%

5 maanden

gedurende de eerste 22 maanden 80%

vervolgens 33 maanden 70%

6 maanden

gedurende de eerste 21 maanden 80%

vervolgens 33 maanden 70%

7 maanden

gedurende de eerste 20 maanden 80%

vervolgens 33 maanden 70%

8 maanden

gedurende de eerste 19 maanden 80%

vervolgens 33 maanden 70%

9 maanden

gedurende de eerste 18 maanden 80%

vervolgens 33 maanden 70%

10 maanden

gedurende de eerste 17 maanden 80%

vervolgens 33 maanden 70%

11 maanden

gedurende de eerste 16 maanden 80%

vervolgens 33 maanden 70%

12 maanden

gedurende de eerste 15 maanden 80%

vervolgens 33 maanden 70%

13 maanden

gedurende de eerste 14 maanden 80%

vervolgens 33 maanden 70%

14 maanden

gedurende de eerste 13 maanden 80%

vervolgens 33 maanden 70%

15 maanden

gedurende de eerste 12 maanden 80%

vervolgens 33 maanden 70%

16 maanden

gedurende de eerste 11 maanden 80%

vervolgens 33 maanden 70%

17 maanden

gedurende de eerste 10 maanden 80%

vervolgens 33 maanden 70%

18 maanden

gedurende de eerste   9 maanden 80%

vervolgens 33 maanden 70%

19 maanden

gedurende de eerste   9 maanden 80%

vervolgens 33 maanden 70%

20 maanden

gedurende de eerste   8 maanden 80%

vervolgens 33 maanden 70%

21 maanden

gedurende de eerste   7 maanden 80%

vervolgens 33 maanden 70%

22 maanden

gedurende de eerste   6 maanden 80%

vervolgens 33 maanden 70%

23 maanden

gedurende de eerste   5 maanden 80%

vervolgens 33 maanden 70%

24 maanden

gedurende de eerste   4 maanden 80%

vervolgens 33 maanden 70%

25 maanden

gedurende de eerste   3 maanden 80%

vervolgens 33 maanden 70%

26 maanden

gedurende de eerste   2 maanden 80%

vervolgens 33 maanden 70%

27 maanden

gedurende de eerste   1 maand 80%

vervolgens 33 maanden 70%

28 maanden

 

gedurende 33 maanden 70%

29 maanden

 

gedurende 32 maanden 70%

30 maanden

 

gedurende 31 maanden 70%

31 maanden

 

gedurende 30 maanden 70%

32 maanden

 

gedurende 29 maanden 70%

33 maanden

 

gedurende 28 maanden 70%

34 maanden

 

gedurende 27 maanden 70%

35 maanden

 

gedurende 26 maanden 70%

36 maanden

 

gedurende 25 maanden 70%

37 maanden

 

gedurende 24 maanden 70%

38 maanden

 

gedurende 23 maanden 70%

39 maanden

 

gedurende 22 maanden 70%

40 maanden

 

gedurende 21 maanden 70%

41 maanden

 

gedurende 20 maanden 70%

42 maanden

 

gedurende 19 maanden 70%

43 maanden

 

gedurende 18 maanden 70%

44 maanden

 

gedurende 17 maanden 70%

45 maanden

 

gedurende 16 maanden 70%

46 maanden

 

gedurende 15 maanden 70%

47 maanden

 

gedurende 14 maanden 70%

48 maanden

 

gedurende 13 maanden 70%

49 maanden

 

gedurende 11 maanden 70%

50 maanden

 

gedurende 10 maanden 70%

51 maanden

 

gedurende   9 maanden 70%

52 maanden

 

gedurende   8 maanden 70%

53 maanden

 

gedurende   7 maanden 70%

54 maanden

 

gedurende   6 maanden 70%

55 maanden

 

gedurende   5 maanden 70%

56 maanden

 

gedurende   4 maanden 70%

57 maanden

 

gedurende   3 maanden 70%

58 maanden

 

gedurende   2 maanden 70%

59 maanden

 

gedurende   1 maand 70%

Lid 3

De artikelen 11a:3, 11a:4, 11a:5, 11a:6, tweede lid, 11a:7, 11a:8, 11a:9, 11a:10, 11a:11, alsmede artikel 11a:12, derde lid tot en met 11a:16 zijn van overeenkomstige toepassing.

Lid 4

Het bestuursorgaan stelt ambtshalve van iedere overheidswerknemer als bedoeld in het eerste lid, het recht op suppletie vast met inachtneming van het in dit artikel bepaalde.

Lid 5

Artikel 11a:6, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor de vaststelling van de berekeningsgrondslag voor de betrokkene als dagloon geldt het dagloon zoals bepaald in artikel 42, derde en vierde lid, van de WPA, zonder toepassing van de maximumdagloongrens van artikel 9, eerste lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering.

Lid 6

Bij de bepaling op 1 januari 1996 van de periode waarover herplaatsingswachtgeld is genoten, wordt deze periode naar beneden afgerond op een hele maand.

Artikel 11a:18 Conversie herplaatsingswachtgeld en bezoldiging of uitkering wegens ziekte

Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)

Indien de overheidswerknemer, bedoeld in artikel 2 van de WPA, op 1 januari 1996 gedurende een periode van 52 weken of langer onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest in de zin van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en de mate van zijn algemene invaliditeit op grond van het pensioenreglement is vastgesteld op ten minste 15 procent dan wel de mate van arbeidsongeschiktheid ingevolge de ministeriële regeling op grond van artikel 8, derde lid, van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet is vastgesteld op ten minste 25 procent, binnen een periode van zes maanden is aan te merken als betrokkene, geldt voor hem als dagloon het dagloon zoals bepaald in artikel 39, vierde en vijfde lid, van de WPA, zonder toepassing van de maximumdagloongrens van artikel 9, eerste lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering.

Artikel 11a:19 Overige en slotbepalingen

Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)

Indien het niveau van de WAO-conforme uitkering als bedoeld in paragraaf 9 van de WPA een algemene neerwaartse wijziging ondergaat, wordt deze neerwaartse wijziging, tenzij de LOGA-partners anders overeenkomen, binnen zes maanden na de datum van het Staatsblad, waarin de maatregel is gepubliceerd, op overeenkomstige wijze ten aanzien van de suppletie doorgevoerd vanaf de in het Staatsblad vermelde datum van inwerkingtreding van bedoelde maatregel, doch niet eerder dan zes maanden na de datum van het Staatsblad.

Artikel 11a:20 Overige en slotbepalingen

Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)

Dit hoofdstuk treedt in werking met ingang van 1 januari 1996.

Artikel 11a:21 Overige en slotbepalingen

Lid 1

Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar, van wie de eerste dag van ongeschiktheid, bedoeld in artikel 8:5, is gelegen op of na 1 januari 2004 en die op of na 1 januari 2007 op grond van artikel 8:5 is ontslagen, met uitzondering van de ambtenaar die op grond van de WAO recht heeft op een WAO-uitkering.

Lid 2

Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar, van wie de eerste dag van ongeschiktheid, bedoeld in artikel 8:5, is gelegen op of na 1 januari 2004 en die tussen 1 juli 2006 en 1 januari 2007 op grond van artikel 8:5 is ontslagen en volledig arbeidsongeschikt is, met uitzondering van de ambtenaar die op grond van de WAO recht heeft op een WAO-uitkering.

12 Overleg met organisaties van overheidspersoneel

Artikel 12:1 Algemene bepalingen

Lid 1

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

de commissie: de in artikel 12:2 bedoelde commissie voor georganiseerd overleg;

de ambtenaren: de ambtenaren in de zin van de collectieve arbeidsvoorwaardenregeling en de werknemers die werkzaam zijn op basis van een arbeidsovereenkomst;

de organisaties: de plaatselijk werkende groeperingen van de landelijke verenigingen van overheidspersoneel, aangesloten bij de centrales welke zijn toegelaten tot het centraal overleg met het College voor Arbeidszaken van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten.

Lid 2

Er is een commissie voor georganiseerd overleg, die is samengesteld uit een vertegenwoordiging van het gemeentebestuur en een vertegenwoordiging van de toegelaten organisaties.

Lid 3

Onder toegelaten organisaties worden verstaan: de Algemene Centrale van Overheidspersoneel (ACOP) , de Christelijke Centrale van Overheids- en Onderwijzend Personeel (CCOOP) en de Centrale van Middelbare en Hogere Functionarissen bij overheid, onderwijs, bedrijven en instellingen (CMHF) , dan wel een van de bij deze centrales aangesloten bonden, voorzover deze centrales, respectievelijk bonden voldoende representatief geacht kunnen worden.

Lid 4

De leden van ABVAKABO en NOVON die op 1 juli 1998 zitting hebben in de commissie namens ACOP of Ambtenarencentrum, dan wel namens ABVAKABO of NOVON, behouden hun zetels als vertegenwoordigers van ACOP dan wel ABVAKABO FNV/NOVON. Indien deze leden ophouden lid van de commissie te zijn, worden ze niet vervangen totdat het aantal leden namens ACOP dan wel ABVAKABO FNV/NOVON in overeenstemming is met het aantal als genoemd in de bepaling van de samenstelling van de commissie. Uiterlijk op 1 juli 2002 wordt het aantal leden in overeenstemming gebracht met de hier geldende bepalingen.

Lid 5

Andere vakorganisaties dan bedoeld in het derde lid kunnen toegelaten worden indien zij representatief geacht kunnen worden. Een desbetreffend verzoek wordt in het georganiseerd overleg besproken.

Lid 6

Organisaties die tot het georganiseerd overleg zijn toegelaten, verliezen hun toegang tot dit overleg zodra zij niet meer voldoende representatief geacht worden.

Artikel 12:1:1 Samenstelling

Lid 1

Voor de vertegenwoordiging van het gemeentebestuur in de commissie, bedoeld in artikel 12:1, wijst het college uit zijn midden een of meer vertegenwoordigers en hun plaatsvervangers aan. De aanwijzing geschiedt bij elke nieuwe zittingsperiode van de raad en voorts telkens ter vervanging van hen die ophouden lid van het college te zijn.

Lid 2

Voor de vertegenwoordiging van de toegelaten organisaties in de commissie, bedoeld in artikel 12:1, worden per centrale, bedoeld in artikel 12:1, derde lid, twee leden en hun plaatsvervangers aangewezen. Deze aanwijzing geschiedt door en uit de organisaties, welke een minimum aantal ambtenaren tot haar leden tellen. Indien verschillende organisaties deel uitmaken van een zelfde centrale, geldt het in de vorige zin bepaalde voor deze organisaties gezamenlijk. In een nader vast te stellen regeling wordt het bedoelde minimum aantal ambtenaren bepaald.

Artikel 12:1:2 Samenstelling

Lid 1

Uiterlijk 1 februari van elk jaar doet elke organisatie, bedoeld in artikel 12:1:1 , tweede lid, aan het college opgaaf van het aantal der op 1 januari van dat jaar bij haar aangesloten ambtenaren.

Lid 2

Degene, die als lid of als plaatsvervanger door een organisatie is aangewezen, houdt op dit te zijn zodra hij geen lid van de organisatie of geen ambtenaar meer is, alsmede indien de organisatie schriftelijk aan het college doet weten dat zijn aanwijzing als vertegenwoordiger of plaatsvervanger is ingetrokken. In deze gevallen wordt zo spoedig mogelijk een opvolger aangewezen.

Artikel 12:1:3 Samenstelling

Lid 1

Voorzitter van de commissie is de door het college aangewezen vertegenwoordiger of bij afwezigheid zijn plaatsvervanger.

Lid 2

Het college wijst een ambtenaar, niet behorende tot de vertegenwoordiging van de organisaties, tot secretaris van de commissie aan, alsmede diens plaatsvervanger. Zo nodig stelt het college verder personeel voor het secretariaat ter beschikking.

Lid 3

De secretaris kan aan de besprekingen deelnemen.

Artikel 12:1:4 Mededeling omtrent CAR en UWO

Lid 1

Ingeval het LOGA tussen het College voor Arbeidszaken van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en de centrales van overheidspersoneel leidt tot overeenstemming, als gevolg waarvan de tekst van de CAR wijzigt, doet het college daarvan mededeling aan de commissie voor georganiseerd overleg.

Lid 2

Ten aanzien van gemeenten die zijn aangesloten bij de UWO geldt dat, ingeval het LOGA, bedoeld in het eerste lid, leidt tot overeenstemming, als gevolg waarvan de tekst van de UWO wijzigt, het college daarvan mededeling doet aan de commissie voor georganiseerd overleg.

Artikel 12:1:5 Mededeling omtrent CAR en UWO

Lid 1

Indien door het bevoegde bestuursorgaan wordt voorgesteld verandering te brengen in de inrichting van enig dienstonderdeel, wijziging in de behoefte aan arbeidskrachten daaronder begrepen, stelt het college het overleg als bedoeld in artikel 12:2 hiervan op de hoogte.

Lid 2

Het college stelt in geval van een ingrijpende verandering in de inrichting van enig dienstonderdeel regels vast betreffende:

de fase waarin ter zake van die verandering het overleg als bedoeld in artikel 12:2 wordt gevoerd;

de wijze waarop en de fase waarin de bij die verandering betrokken ambtenaren worden gehoord;

de personele gevolgen van die verandering.

Lid 3

Over het voornemen al dan niet regels, bedoeld in het vorig lid, vast te stellen wordt overleg gevoerd als bedoeld in artikel 12:2.

Artikel 12:2 Taak en bevoegdheden

Lid 1

De commissie voert overleg over alle aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand van de ambtenaren met inbegrip van de algemene regels volgens welke het personeelsbeleid zal worden gevoerd. De commissie kan niet overleggen over onderwerpen die voorbehouden zijn aan het LOGA tussen het College voor Arbeidszaken van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en de centrales van overheidspersoneel.

Lid 2

Er worden nadere regels gesteld over de werkwijze van de commissie voor georganiseerd overleg.

Lid 3

De nadere regels, bedoeld in het tweede lid, bevatten een bepaling hoe moet worden gehandeld indien een geschil niet tot overeenstemming leidt.

Artikel 12:2:1 Taak en bevoegdheden

Besluiten omtrent de onderwerpen, bedoeld in artikel 12:2, eerste lid, worden door het college en de raad niet genomen, noch voorstellen daaromtrent gedaan, dan nadat de commissie haar gevoelen over de concept-besluiten, respectievelijk voorstellen heeft kenbaar gemaakt.

Artikel 12:2:2 Taak en bevoegdheden

Lid 1

De commissie, alsmede de vertegenwoordiging van de organisaties, is bevoegd aangaande de in artikel 12:2, eerste lid, bedoelde onderwerpen voorstellen te doen aan het college.

Lid 2

Heeft een voorstel betrekking op onderwerpen behorende tot de bevoegdheid van het college, dan neemt het college daaromtrent een beslissing. Behoort het voorstel tot de bevoegdheid van de raad, dan legt het college het voorstel voorzien van zijn advies ter besluitvorming voor aan de raad.

Lid 3

De besluiten, welke worden genomen naar aanleiding van voorstellen van de commissie, worden meegedeeld aan de vertegenwoordiging van de organisaties en aan de hoofdbesturen van de vertegenwoordigde organisaties.

Artikel 12:2:3 Taak en bevoegdheden

Lid 1

De commissie kan een subcommissie instellen, bestaande uit door haar aan te wijzen voorzitter en leden, indien dit voor de behandeling van een bepaald onderwerp nodig wordt geacht.

Lid 2

De secretaris van de commissie is tevens secretaris van de subcommissie. Hij kan zich doen bijstaan of vervangen door degenen die ingevolge artikel 12:1:3, tweede lid, ter beschikking staan.

Lid 3

Het bepaalde in artikel 12:2:7 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 12:2:4 Vergaderingen

Lid 1

De commissie vergadert indien de voorzitter dit nodig oordeelt op door hem te bepalen tijdstippen.

Lid 2

Voorts belegt de voorzitter een vergadering indien ten minste drie leden van de commissie hem dit schriftelijk met opgaaf van redenen verzoeken en wel uiterlijk binnen één maand na ontvangst van het verzoek.

Artikel 12:2:5 Vergaderingen

Lid 1

De commissie wordt tijdig, in de regel 14 dagen van tevoren, ter vergadering opgeroepen. De oproepingsbrief vermeldt zoveel mogelijk de te behandelen onderwerpen.

Lid 2

Een vergadering kan slechts plaatshebben indien de vertegenwoordiging van het gemeentebestuur aanwezig is en ten minste de helft van de organisaties is vertegenwoordigd. Wanneer de vertegenwoordiging van het gemeentebestuur bestaat uit twee of meer leden van het college kan de vergadering slechts plaatshebben indien ten minste de helft van de vertegenwoordiging van het gemeentebestuur aanwezig is en ten minste de helft van de organisaties is vertegenwoordigd.

Lid 3

Indien wegens onvoltalligheid in de zin van het tweede lid een vergadering niet kan plaatshebben, worden de aan de orde zijnde onderwerpen door de voorzitter geplaatst op de agenda van een binnen 14 dagen te houden nieuwe vergadering, in welke vergadering die onderwerpen in elk geval kunnen worden behandeld.

Artikel 12:2:6 Vergaderingen

Elk lid heeft het recht onderwerpen ter behandeling aanhangig te maken door deze schriftelijk op te geven aan de voorzitter. Deze stelt die onderwerpen zoveel mogelijk in de eerstvolgende vergadering aan de orde.

Artikel 12:2:7 Vergaderingen

Lid 1

De vergaderingen zijn niet openbaar.

Lid 2

De voorzitter kan hoofden van dienst of andere ambtenaren de vergadering laten bijwonen. Deze kunnen aan de besprekingen deelnemen.

Lid 3

De vertegenwoordigers van de organisaties kunnen zich laten bijstaan door een vertegenwoordiger van het hoofdbestuur van hun organisatie; zij zijn voorts bevoegd de onderwerpen van de agenda binnen de grenzen van een doelmatige en vertrouwelijke behandeling van zaken aan voorbespreking in eigen kring te onderwerpen.

Lid 4

De voorzitter kan omtrent het in de vergadering behandelde en omtrent de inhoud van aan de commissie overgelegde stukken geheimhouding opleggen. Deze geheimhouding geldt niet ten opzichte van het college en van de raad, alsmede niet tegenover de hoofdbesturen van de vertegenwoordigende organisaties.

Artikel 12:2:8 Vergaderingen

De voorzitter kan op verzoek van ten minste twee leden of zo dikwijls hij dit nodig acht, de vergadering schorsen voor een door hem te bepalen tijd.

Artikel 12:2:9 Vergaderingen

Lid 1

Indien in de vergadering moet worden gestemd brengt elke vertegenwoordiging, bedoeld in artikel 12:1, tweede lid, één stem uit.

Lid 2

De stem van de vertegenwoordiging van het gemeentebestuur wordt bepaald door hoofdelijke stemming van de aanwezige leden in of buiten de vergadering. Bij staking van stemmen beslist de stem van de voorzitter.

Lid 3

De stem van de vertegenwoordiging van de organisaties wordt bepaald door stemming per vertegenwoordigende organisatie, waarbij voor elke organisatie zoveel stemmen worden uitgebracht als ambtenaren bij haar zijn aangesloten op de eerste dag van het lopende jaar, met dien verstande dat voor een organisatie niet meer stemmen in aanmerking komen dan het totaal aantal stemmen dat door de andere organisaties gezamenlijk wordt uitgebracht. Bij staking van stemmen wordt de vertegenwoordiging geacht tegen te hebben gestemd.

Lid 4

Indien een organisatie in de loop van het jaar wordt vertegenwoordigd, geldt voor de toepassing van het derde lid het aantal aangesloten ambtenaren op dat tijdstip.

Artikel 12:2:10 Vergaderingen

Het in de vergadering behandelde wordt zakelijk weergegeven in de notulen, welke zo spoedig mogelijk in afschrift aan de leden worden gezonden, tenzij in het reglement, bedoeld in artikel 12:2:11, anders is bepaald.

Artikel 12:2:11 Vergaderingen

Indien door de commissie een reglement van orde voor de vergaderingen wordt vastgesteld, behoeft dit de goedkeuring van het college.

Artikel 12:3:1 Advies- en arbitragecommissie

De artikelen 12:3:2, 12:3:3, 12:3:4, 12:3:5, 12:3:6, 12:3:7 en 12:3:8 zijn slechts van toepassing in die gemeenten die zijn aangesloten bij de advies- en arbitragecommissie.

Artikel 12:3:2 Advies- en arbitragecommissie

Voor de toepassing van de artikelen 12:3:4, 12:3:5, 12:3:6, 12:3:7 en 12:3:8 wordt verstaan onder:

deelnemers aan het overleg: de vertegenwoordiging van het gemeentebestuur en de vertegenwoordigers van de organisaties genoemd in artikel 12:1, derde lid;

advies- en arbitragecommissie: de advies- en arbitragecommissie ingesteld door het College voor Arbeidszaken van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten.

Artikel 12:3:3 Advies- en arbitragecommissie

De artikelen 12:3:4, 12:3:5, 12:3:6, 12:3:7 en 12:3:8 zijn slechts van toepassing op geschillen inzake aangelegenheden, bedoeld in artikel 12:2, eerste lid, voor zover die aangelegenheden uitsluitend de rechtstoestand van ambtenaren betreffen, met inbegrip van de algemene regels volgens welke het personeelsbeleid zal worden gevoerd.

Artikel 12:3:4 Advies- en arbitragecommissie

Indien een of meer van de deelnemers aan het overleg tijdens het overleg tot het oordeel komen dat dit overleg niet zal leiden tot een uitkomst die de instemming van alle deelnemers aan het overleg zal hebben, brengen zij dat oordeel binnen zes dagen, nadat zij daarvan in het overleg blijk hebben gegeven, schriftelijk ter kennis van de overige deelnemers aan het overleg.

Artikel 12:3:5 Advies- en arbitragecommissie

Lid 1

Binnen tien dagen na de kennisgeving, bedoeld in artikel 12:3:4, schrijft de voorzitter een vergadering uit van de commissie voor georganiseerd overleg. De vergadering moet worden gehouden binnen zeven dagen nadat deze is uitgeschreven.

Lid 2

Tenzij door de commissie, bedoeld in het eerste lid, wordt besloten het overleg voort te zetten dan wel te beëindigen, wordt in de vergadering nagegaan of overeenstemming bestaat over de vraag wat het onderwerp en de inhoud van het geschil is en of een oplossing van dat geschil zal worden gezocht door middel van voortzetting van het overleg nadat het advies is ingewonnen van de advies- en arbitragecommissie dan wel door onderwerping van het geschil aan een arbitrale uitspraak van die commissie.

Lid 3

Tot het inwinnen van advies zijn - ieder voor zich - de vertegenwoordiging van het gemeentebestuur en een meerderheid van alle toegelaten organisaties, als bedoeld in artikel 12:1, derde en vierde lid, bevoegd.

Lid 4

Voor onderwerping van het geschil aan arbitrage is overeenstemming vereist tussen de vertegenwoordiging van het gemeentebestuur en de toegelaten organisaties, als bedoeld in artikel 12:1, derde en vierde lid. Het bepaalde in artikel 12:2:9 is hierbij onverkort van toepassing.

Artikel 12:3:6 Advies- en arbitragecommissie

Lid 1

Binnen zes dagen na de vergadering, bedoeld in artikel 12:3:5, wordt het verzoek om advies ter kennis gebracht van de voorzitter van de advies- en arbitragecommissie. Het verzoek wordt ondertekend door de deelnemers aan het overleg die zich voor inwinning van het advies hebben uitgesproken en bevat ten minste het onderwerp en de inhoud van het geschil. Indien in de vergadering bedoeld in artikel 12:3:5 geen overeenstemming is bereikt tussen alle deelnemers aan het overleg over de vraag wat het onderwerp en de inhoud van het geschil is, brengen de overige deelnemers aan het overleg hun visie op het onderwerp en de inhoud van het geschil eveneens binnen zes dagen na eerdergenoemde vergadering ter kennis van de voorzitter van de advies- en arbitragecommissie.

Lid 2

Binnen zes dagen na de vergadering bedoeld in artikel 12:3:5 wordt het verzoek om arbitrage ter kennis gebracht van de voorzitter van de advies- en arbitragecommissie. Het verzoek daartoe wordt ondertekend door alle deelnemers aan het overleg en dient ten minste te bevatten:

het onderwerp en de inhoud van het geschil;

de standpunten van alle deelnemers aan het overleg omtrent onderwerp en inhoud van het geschil.

Artikel 12:3:7 Advies- en arbitragecommissie

Binnen twee weken na ontvangst van het advies wordt het overleg over het geschil voortgezet.

Artikel 12:3:8 Advies- en arbitragecommissie

De arbitrale uitspraak van de advies- en arbitragecommissie heeft bindende kracht.

Artikel 12:3:9 Advies- en arbitragecommissie

In de gevallen, waarin deze regeling niet voorziet, beslist het college, na overleg met de commissie van georganiseerd overleg.

13 Overgangsbepaling en slotbepalingen CAR

Artikel 13:1 Overgangs- en slotbepaling CAR

Lid 1

Deze regeling treedt in werking per............ (*1)

Noot *1: De ingangsdatum wordt lokaal ingevuld. LOGA-partijen zijn overeengekomen dat als uiterste ingangsdatum geldt 1 januari 1996.

Lid 2

Met ingang van de datum waarop deze regeling in werking treedt, vervallen de bepalingen van het geldende algemeen ambtenarenreglement dan wel van die verordeningen, die tekstueel dan wel materieel gelijkluidend zijn aan de bepalingen van deze regeling.

Lid 3

Indien de inwerkingtreding van deze regeling ertoe leidt dat bepalingen uit het geldende algemeen ambtenarenreglement vervallen, waardoor aanspraken van individuele ambtenaren in neerwaartse of opwaartse zin worden bijgesteld, vindt overleg plaats over de gevolgen daarvan.

Lid 4

In afwijking van het gestelde in het eerste en tweede lid hebben de artikelen 10:1, 10:6, 10:15 eerste en tweede lid, 10:19, 10:23 tweede lid, 11:1, 11:6 zevende en achtste lid, 11:13 eerste en tweede lid, 11:23, 11:24 en artikel 11:27 tweede lid, terugwerkende kracht tot en met 1 augustus 1993.

Artikel 13:2 Overgangs- en slotbepaling CAR

Ten aanzien van degene die per 31 december 1996 geen volledige betrekking bekleedt, geldt dat de omvang van deze betrekking per 1 januari 1997 naar rato is teruggebracht, tenzij betrokkene heeft verzocht om handhaving van het aantal uren van de betrekking per 31 december 1996 en dit verzoek niet is afgewezen.

Artikel 13:3 Overgangs- en slotbepaling CAR

Ten aanzien van de toegekende FLO-uitkeringen, wachtgelden en uitkeringen ingevolge hoofdstuk 11 die voortduren tot na 1 januari 1997 geldt dat de artikelen 9:2, tweede lid, 10:5, eerste lid, en 11:5, eerste lid, terugwerkende kracht hebben tot en met 1 januari 1997.

14 Medezeggenschap

Artikel 14:0:0:1 OR reglement

In aanvulling op het gestelde in hoofdstuk 14 heeft de Veiligheidsregio Limburg-Noord een OR reglement vastgesteld.

Klik hier om naar dit regelement in het onderdeel aanvullende regelingen te gaan.

Artikel 14:1 Medezeggenschap

Aan het begin van iedere zittingsperiode van de OR sluiten de ondernemer en de (centrale) ondernemingsraad een convenant over de benodigde inzet voor het OR-werk, de compensatie daarvoor en het (maximum) aantal zittingstermijnen.

Artikel 14:1:1 Medezeggenschap in ondernemingen met 35-50 werknemers

Gelet op het bepaalde in artikel 5a, eerste lid van de Wet op de ondernemingsraden (WOR) zijn gemeenten voor hun onderneming of onderdelen daarvan als bedoeld in artikel 4 van de WOR, verplicht een ondernemingsraad in te stellen indien en voor zolang in hun onderneming ten minste 35 personen werkzaam zijn als bedoeld in artikel 1, tweede en derde lid, van de WOR.

15 Overige rechten en verplichtingen

Artikel 15:0:0:1 Roobeleid

In aanvulling op het gestelde in hoofdstuk 15 heeft de Veiligheidsregio Limburg-Noord een Rookbeleid vastgesteld.

Klik hier om naar dit beleid in het onderdeel aanvullende regelingen te gaan.

Artikel 15:0:0:2 Gedragscode

In aanvulling op het gestelde in hoofdstuk 15 heeft de Veiligheidsregio Limburg-Noord een Gedragscode vastgesteld.

Klik hier om naar deze gedragscode in het onderdeel aanvullende regelingen te gaan.

Artikel 15:1 Verplichtingen

De ambtenaar is gehouden zijn betrekking nauwgezet en ijverig te vervullen en zich ook overigens te gedragen zoals een goed ambtenaar betaamt.

Artikel 15:1a Verplichtingen

De ambtenaar is verplicht de eed of belofte af te leggen die bij wet, bij instructie of bij besluit van het college is voorgeschreven.

Artikel 15:1b Persoonlijk gebruik van goederen of diensten

Het is de ambtenaar verboden, behoudens toestemming verleend door of namens het college in bijzondere gevallen, ten eigen bate:

diensten te laten verrichten door personen in gemeentedienst;

aan de gemeente toebehorende eigendommen te gebruiken;

gebruik te maken van hetgeen hem in of in verband met zijn betrekking ter kennis is gekomen.

Artikel 15:1c Aannemen van geschenken en gelden

Het is de ambtenaar verboden:

in verband met zijn betrekking vergoedingen, beloningen, giften of beloften van derden te vorderen, te verzoeken of aan te nemen, anders dan met toestemming van het college;

steekpenningen aan te nemen.

Artikel 15:1d In acht nemen ordemaatregelen

Lid 1

De ambtenaar is verplicht zich te gedragen naar de maatregelen van orde die ten aanzien van het verblijf in de kantoren, werkplaatsen of op andere arbeidsterreinen zijn vastgesteld.

Lid 2

Indien de ambtenaar verhinderd is zijn betrekking te vervullen, is hij verplicht dit zo spoedig mogelijk mede te delen of te doen mededelen.

Artikel 15:1e Nevenwerkzaamheden

Lid 1

De ambtenaar is verplicht aan het college, op een door dit orgaan te bepalen wijze, opgave te doen van de nevenwerkzaamheden die hij verricht of voornemens is te gaan verrichten, die de belangen van de dienst, voorzover deze in verband staan met zijn functievervulling, kunnen raken.

Lid 2

Er wordt een registratie gevoerd op basis van de ingevolge het eerste lid gedane opgaven.

Lid 3

Het is de ambtenaar verboden nevenwerkzaamheden te verrichten waardoor de goede vervulling van zijn functie of de goede functionering van de openbare dienst, voorzover deze in verband staat met zijn functievervulling, niet in redelijkheid zou zijn verzekerd. Omtrent dit verbod kunnen nadere regels worden gesteld.

Lid 4

Het college regelt de openbaarmaking van de in het eerste lid bedoelde nevenwerkzaamheden van de gemeentesecretaris en directeuren van gemeentelijke diensten en bedrijven, alsmede van andere ambtenaren aangesteld in een functie waarvoor ter bescherming van de integriteit van de openbare dienst openbaarmaking van nevenwerkzaamheden noodzakelijk is.

Artikel 15:1e:0:1 Regelement nevenwerkzaamheden personeel

In aanvulling op het gestelde in artikel 15:1e heeft de Veiligheidsregio Limburg-Noord een Regelement nevenwerkzaamheden personeel vastgesteld.

Klik hier om naar deze regeling in het onderdeel aanvullende regelingen te gaan.

Artikel 15:1f Melding financiële belangen

Lid 1

Het college wijst ambtenaren aan die zijn aangesteld in een functie waaraan in het bijzonder het risico van financiële belangenverstrengeling of het risico van oneigenlijk gebruik van koersgevoelige informatie verbonden is.

Lid 2

De ambtenaar bedoeld in het eerste lid meldt aan het college, op een door dit orgaan te bepalen wijze, zijn financiële belangen respectievelijk bezit van en transacties in effecten, die de belangen van de dienst, voor zover deze in verband staan met de functievervulling, kunnen raken.

Lid 3

Er wordt een registratie gevoerd van de meldingen bedoeld in het tweede lid.

Lid 4

Het is de ambtenaar verboden financiële belangen te hebben, effecten te bezitten en transacties in effecten te verrichten waardoor de goede vervulling van zijn functie of de goede functionering van de openbare dienst, voorzover deze in verband staat met zijn functievervulling, niet in redelijkheid zou zijn verzekerd. Omtrent dit verbod kunnen nadere regels worden gesteld.

Artikel 15:1g Aanneming en levering ten behoeve van de openbare dienst

Lid 1

Het is de ambtenaar verboden middellijk of onmiddellijk deel te nemen aan aannemingen en leveringen ten behoeve van de openbare dienst.

Lid 2

Het college kan regelen stellen betreffende het deelnemen van de ambtenaar, middellijk of onmiddellijk, aan aannemingen en leveringen ten behoeve van anderen.

Artikel 15:1:9 Vervallen

(Vervallen)

De artikelen 15:1:1 tot en met 15:1:6 zijn vernummerd tot 15:1 tot en met 15:1e

Artikel 15:1:8 is vernummerd tot 15:1g

Artikel 15:1:10 Staking bij een particuliere werkgever

Lid 1

De ambtenaar kan niet worden verplicht, indien bij enig particulier werkgever een staking is uitgebroken of een uitsluiting plaats heeft, ter vervanging van stakers of uitgesloten werkzaamheden te verrichten of werknemers bij het verrichten van werkzaamheden behulpzaam te zijn, tenzij naar het oordeel van het college zulks met het oog op de openbare veiligheid of gezondheid of voor de regelmatige functionering van de openbare dienst van de gemeente noodzakelijk is.

Lid 2

Ter zake van de toepassing van het bepaalde in het eerste lid wordt zo spoedig mogelijk overleg gepleegd in de commissie, bedoeld in artikel 12:1 tweede lid.

Artikel 15:1:11 Aanvaarden andere werkzaamheden

Lid 1

De ambtenaar is verplicht, indien hij daartoe door of namens het college wordt aangewezen, in tijden van oorlog, oorlogsgevaar of andere buitengewone omstandigheden andere werkzaamheden te verrichten dan die welke hij gewoonlijk verricht, mits deze werkzaamheden strekken ter uitvoering van de taak die de gemeente in die tijden heeft of zal krijgen, dan wel ertoe strekken een zo goed en ongestoord mogelijke uitvoering van die taak te verzekeren.

Lid 2

De ambtenaar is verplicht, indien hij daartoe door het college wordt aangewezen, taken te verrichten in het kader van de Wet veiligheidsregio’s.

Lid 3

In geval van een ramp of crisis als bedoeld in artikel 1 Wet veiligheidsregio’s, is de ambtenaar die is aangewezen op grond van het tweede lid van dit artikel verplicht de taken in het kader van de Wet veiligheidsregio’s te verrichten onder leiding en toezicht van het bevoegd gezag van de veiligheidsregio waar de ramp of crisis plaatsvindt.

Lid 4

De ambtenaar, op grond van het eerste of tweede lid aangewezen, is te allen tijde verplicht lessen te volgen en deel te nemen aan oefeningen welke verband houden met zijn in dat lid aangeduide taak.

Lid 5

De aanwijzing, bedoeld in het eerste of tweede lid geschiedt slechts, indien de persoonlijke omstandigheden van de ambtenaar zulks redelijkerwijs toelaten.

Artikel 15:1:12 Vergoeding van schade

Lid 1

De ambtenaar kan worden verplicht tot gehele of gedeeltelijke vergoeding van door de gemeente geleden schade, voor zover deze aan zijn schuld of nalatigheid is te wijten.

Lid 2

Het bedrag van de schadevergoeding en de wijze van inhouding daarvan op zijn bezoldiging worden niet vastgesteld dan nadat de ambtenaar in de gelegenheid is gesteld zich schriftelijk of mondeling te verantwoorden en ter zake van de wijze van inhouding zijn wensen kenbaar te maken.

Artikel 15:1:13 Plichten rekenplichtige ambtenaar

Lid 1

De rekenplichtige ambtenaar wordt voor de verplichting tot aanzuivering van een tekort geheel of gedeeltelijk ontheven naarmate hij het beheer nauwgezet heeft gevoerd en de nodige voorzorgen heeft genomen voor de bewaring van gelden en geldswaardige papieren.

Lid 2

Vloeit de verplichting tot aanzuivering van een tekort voort uit een aansprakelijkheid voor ondergeschikt personeel dan wordt bovendien in aanmerking genomen in hoeverre hij op de handelingen van dat personeel deugdelijk toezicht heeft gehouden.

Lid 3

De rekenplichtige ambtenaar is van zijn verantwoordelijkheid ontheven gedurende de tijd dat hij door ziekte of wettige afwezigheid zijn beheer niet persoonlijk heeft gevoerd, indien gedurende die tijd zijn betrekking wordt waargenomen krachtens aanwijzing door of namens het college.

Artikel 15:1:14 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 15:1:15 Beoordeling van de ambtenaar

Lid 1

Het college kan bepalen, dat met inachtneming van door het college te stellen regelen over de ambtenaar periodiek een beoordeling wordt uitgebracht omtrent de wijze waarop hij zijn betrekking vervult en omtrent zijn gedragingen tijdens de uitoefening van die betrekking.

Lid 2

Onverminderd het bepaalde in het eerste lid wordt met de ambtenaar zijn gedrag besproken tijdens de uitoefening van zijn betrekking of de wijze waarop hij zijn betrekking vervult, voor zover deze aanleiding geven tot aanmerkingen, waarbij tevens aandacht wordt geschonken aan de wijze waarop het gedrag of de wijze waarop hij zijn betrekking vervult naar het oordeel van het college verbeterd kan worden.

Artikel 15:1:15:1 Regeling beoordelingsgesprekken

In aanvulling op het gestelde in artikel 15:1:15 heeft de Veiligheidsregio Limburg-Noord een Regeling beoordelingsgesprekken vastgesteld.

Klik hier om naar deze regeling in het onderdeel aanvullende regelingen te gaan.

Artikel 15:1:16 Dragen van uniform of dienstkleding

Lid 1

De ambtenaar is verplicht tijdens de vervulling van zijn betrekking de door het college voor die betrekking of voor bepaalde werkzaamheden voorgeschreven kleding of uniform en onderscheidingstekenen te dragen.

Lid 2

Het deelnemen aan betogingen en optochten in het voorgeschreven uniform is de ambtenaar slechts toegestaan, indien daarvoor door of namens het college toestemming is gegeven.

Lid 3

Het is de ambtenaar verboden om bij gekleed gaan in uniform insignes of andere onderscheidingstekens of in dienst uniformkledingstukken te dragen, een en ander voor zover die niet van gemeentewege zijn verstrekt of voorgeschreven of tot het dragen waarvan niet door het college vergunning is verleend. Dit verbod is niet van toepassing ten aanzien van ordetekenen tot het aannemen of dragen waarvan door het hoger bestuursorgaan verlof is verleend.

Lid 4

Bij afzonderlijke regeling kunnen regelen worden gesteld betreffende de verstrekking, reiniging en herstelling van de in het eerste lid bedoelde kleding.

Artikel 15:1:16:1 Kledingreglement

In aanvulling op het gestelde in artikel 15:1:16 heeft de Veiligheidsregio Limburg-Noord een Kledingreglement vastgesteld.

Klik hier om naar dit reglement in het onderdeel aanvullende regelingen te gaan.

Artikel 15:1:17 Standplaats

Lid 1

Indien het dienstbelang dit eist, kan de ambtenaar de verplichting worden opgelegd in of meer nabij zijn standplaats te gaan wonen.

Lid 2

Onder standplaats dient te worden verstaan: de gemeente of het met name genoemde gedeelte van de gemeente, waar de ambtenaar gewoonlijk zijn werkzaamheden verricht.

Lid 3

Het college kan ter uitvoering van het in het eerste lid bepaalde nadere regels stellen.

Artikel 15:1:18 Dienstwoning

Lid 1

De ambtenaar is verplicht, indien hem door het college een dienstwoning is aangewezen, deze te betrekken en zich ter zake van de bewoning en het gebruik te gedragen naar de voorschriften die daaromtrent zijn gesteld.

Lid 2

Hij draagt de onderhoudskosten welke volgens de wet en het plaatselijk gebruik gemeenlijk voor rekening van de huurder zijn, tenzij terzake een afwijkende regeling is vastgesteld.

Artikel 15:1:19 Verbod betreden arbeidsterrein

Aan de ambtenaar kan door of namens het college de toegang tot de kantoren, werkplaatsen of andere arbeidsterreinen, dan wel het verblijf aldaar worden ontzegd.

Artikel 15:1:20 Infectieziekten

Lid 1

De ambtenaar die in contact staat of kort geleden gestaan heeft met een persoon, die een ziekte heeft, waarvoor ingevolge het krachtens de Infectieziektewet bepaalde een nominatieve aangifteplicht geldt, mag zijn betrekking niet vervullen en heeft geen toegang tot de dienstgebouwen, -lokalen en -terreinen voor zolang de hoofdinspecteur of de inspecteur van het staatstoezicht op de volksgezondheid niet heeft verklaard, dat hij het gevaar voor overbrenging van een infectieziekte, of het gevaar dat hij verdacht moet worden te lijden aan zodanige ziekte, geweken acht.

Lid 2

De ambtenaar die verkeert in de in het vorige lid omschreven situatie, is verplicht daarvan ten spoedigste kennis te geven aan het college. Hij is gehouden zich te gedragen naar de door of vanwege het college gegeven aanwijzingen, waaronder die met betrekking tot het ondergaan van een geneeskundig onderzoek.

Lid 3

De ambtenaar geniet over de tijd, gedurende welke het hem overeenkomstig het bepaalde in dit artikel verboden is zijn betrekking te vervullen, zijn volledige bezoldiging.

Artikel 15:1:21 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 15:1:22 Reis- en verblijfkosten

Lid 1

De ambtenaar heeft recht op vergoeding van reis- en verblijfkosten ter zake van reizen in het belang van de dienst.

Lid 2

Deze vergoeding wordt vastgesteld en uitgekeerd overeenkomstig de daarvoor door het college gestelde regelen.

Artikel 15:1:22:1 Reisregeling

In aanvulling op het gestelde in artikel 15:1:22 heeft de Veiligheidsregio Limburg-Noord een Reisregeling vastgesteld.

Klik hier om naar deze regeling in het onderdeel aanvullende regelingen te gaan.

Artikel 15:1:23 Vergoeden van schade

Lid 1

Aan de ambtenaar wordt de schade aan hem toebehorende kleding en uitrusting, geen motorrijtuig in de zin van de Wet Aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen zijnde, vergoed welke hij buiten zijn schuld of nalatigheid lijdt ten gevolge van de vervulling van zijn betrekking, voor zover die schade niet bestaat uit de normale slijtage dier goederen.

Lid 2

Aan de ambtenaar wordt schade vergoed aan een aan hem toebehorend motorrijtuig in de zin van de Wet Aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen welke hij lijdt ten gevolge van de vervulling van zijn betrekking, tenzij:

die schade bestaat uit de normale slijtage of;

er sprake is van aan opzet of bewuste roekeloosheid grenzende verwijtbaarheid of;

de ambtenaar in de regel 10.000 of meer kilometers per jaar rijdt ten behoeve van de dienst en per kilometer een vergoeding ontvangt gelijk aan of hoger dan het belastingvrije bedrag per kilometer.

Artikel 15:1:23:1 Regeling vergoeding van schade bij gebruik eigen motorvoertuig

In aanvulling op het gestelde in artikel 15:1:23 heeft de Veiligheidsregio Limburg-Noord een Regeling vergoeding van schade bij gebruik eigen motorvoertuig vastgesteld.

Klik hier om naar deze regeling in het onderdeel aanvullende regelingen te gaan.

Artikel 15:1:24 Gebruik motorrijtuig

Het is de ambtenaar slechts toegestaan een hem toebehorend motorrijtuig in de zin van de Wet Aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen bij de vervulling van zijn betrekking te gebruiken, indien en voor zover hem daartoe door of namens het college toestemming is verleend. Aan deze toestemming kunnen bepaalde voorwaarden worden verbonden.

Artikel 15:1:25 Schadeloosstelling

Het college kan bepalen in welke niet elders voorziene gevallen schadeloosstelling en vergoeding van kosten zullen worden verleend.

Artikel 15:1:26 Volgen van een opleiding

De ambtenaar is, indien het college dit bepaalt, verplicht zich voor het volgen van een bijzondere vakopleiding beschikbaar te stellen of enig ander door het college nader aan te duiden onderwijs te volgen. De aan het volgen van het in dit artikel bedoelde onderwijs verbonden kosten komen ten laste van de gemeente.

Artikel 15:1:27 Volgen van een opleiding

Aan de ambtenaar beneden de leeftijd van 18 jaar wordt, indien hij dit wenst en voor zolang de belangen van de dienst zich daartegen niet verzetten, gedurende ten hoogste één dag per week verlof met behoud van bezoldiging verleend voor het volgen van lessen aan inrichtingen voor voortgezet, herhalings- of vakonderwijs en vormingsinstituten voor leerplichtvrije jeugd.

Artikel 15:1:28 Bijzondere prestaties

Wegens buitengewone toewijding of bijzonder loffelijke vervulling van de betrekking kan aan de ambtenaar, naast een tevredenheidsbetuiging, een bijzondere beloning worden toegekend in de vorm van:

extra verlof;

gratificatie.

Artikel 15:1:29 Onbekendheid met gemeentelijke bepalingen

Ter zake van niet-naleving van bepalingen welke redelijkerwijs niet kunnen worden geacht de ambtenaar bekend te zijn, worden hem geen voordelen onthouden of nadelen toegebracht.

Artikel 15:1:30 Borstvoeding

Aan de vrouwelijke ambtenaar, die een borstkind heeft, wordt gedurende ten hoogste 1 jaar na de geboorte van het kind de gelegenheid gegeven haar kind te zogen dan wel de borstvoeding te kolven.

Artikel 15:1:31 Benadeling positie gemeentelijke organisatie

De gemeente draagt er zorg voor dat degene die als lid of als plaatsvervangend lid door een organisatie is aangewezen voor de commissie bedoeld in artikel 12:1, tweede lid, dan wel activiteiten vervult waarvoor hij krachtens artikel 6:4:2 buitengewoon verlof kan genieten, niet uit hoofde van zijn lidmaatschap of activiteiten wordt benadeeld in zijn positie in de gemeentelijke organisatie.

Artikel 15:1:31:1 Regeling voorkoming en bestrijding ongewenste omgangsvormen

In aanvulling op het gestelde in hoofdstuk 15 heeft de Veiligheidsregio Limburg-Noord een Regeling voorkoming en bestrijding ongewenste omgangsvormen vastgesteld.

Klik hier om naar deze regeling in het onderdeel aanvullende regelingen te gaan.

Artikel 15:2 Klokkenluiders

Lid 1

Het college stelt een regeling vast voor het omgaan met vermoedens van misstanden.

Lid 2

Ambtenaren en door het college aangewezen interne vertrouwenspersonen die misstanden conform de vast te stellen regeling aan de orde stellen, mogen niet om die reden worden ontslagen of anderszins in hun positie binnen de gemeente benadeeld worden.

Artikel 15:2:0:1 Klokkenluidersregeling

In aanvulling op het gestelde in artikel 15:2 heeft de Veiligheidsregio Limburg-Noord een Klokkenluidersregeling vastgesteld.

Klik hier om naar deze regeling in het onderdeel aanvullende regelingen te gaan.

Artikel 15:3 Vervallen

(Vervallen)

16 Disciplinaire straffen

Artikel 16:1:1 Plichtsverzuim

Lid 1

De ambtenaar die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt dan wel bij herhaling aanleiding geeft tot toepassing te zijnen aanzien van maatregelen van inhouding, beslag of korting, als bedoeld in de tweede titel van de Ambtenarenwet, kan deswege disciplinair worden gestraft.

Lid 2

Plichtsverzuim omvat zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van iets dat een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.

Artikel 16:1:2 Disciplinaire straffen

Lid 1

Naast de mogelijkheid genoemd in artikel 8:13, kunnen de volgende disciplinaire straffen worden toegepast:

schriftelijke berisping;

arbeid buiten de voor de betrekking van de ambtenaar vastgestelde werktijden zonder vergoeding of tegen een lagere dan de normale vergoeding voor ten hoogste zes uren met een maximum van drie uren per dag en met dien verstande dat deze arbeid niet kan worden opgelegd op zondag en op de voor de ambtenaar geldende kerkelijke feestdagen;

vermindering van vakantie met ten hoogste 1/3 van het aantal uren waarop de ambtenaar voor het desbetreffende kalenderjaar aanspraak heeft;

geldboete tot ten hoogste 1% van het bedrag van het salaris per jaar;

niet-betaling van het salaris, doch ten hoogste tot een bedrag overeenkomende met het salaris over een halve maand;

stilstand van verhoging van salaris, met uitzondering van verhogingen als gevolg van algemene loonmaatregelen, een herwaardering van de betrekking daaronder begrepen, voor ten hoogste vier jaren;

vermindering van salaris met ten hoogste het bedrag van de laatste twee periodieke verhogingen, of, indien aan de door de ambtenaar beklede betrekking geen schaal is verbonden, vermindering van het salaris met ten hoogste 5%, een en ander voor de tijd van niet langer dan twee jaren;

plaatsing in een andere betrekking, al of niet in een ander onderdeel van de dienst, voor bepaalde of onbepaalde tijd en met of zonder vermindering van bezoldiging;

schorsing voor een bepaalde tijd zonder of met gedeeltelijk genot van bezoldiging.

Lid 2

De straffen genoemd in het eerste lid, onder a t/m g, worden opgelegd door het college; de straffen genoemd onder h en i, alsmede de straf genoemd in artikel 8:13, worden opgelegd door het bestuursorgaan dat bevoegd is tot aanstelling in de laatstelijk door de ambtenaar vervulde betrekking.

Lid 3

Bij het opleggen van een straf kan worden bepaald, dat zij niet ten uitvoer zal worden gelegd indien de betrokken ambtenaar zich gedurende de bij het opleggen van de straf te bepalen termijn niet schuldig maakt aan soortgelijk plichtsverzuim als waarvoor de bestraffing plaatsvindt, noch aan enig ander ernstig plichtsverzuim en zich houdt aan bij het opleggen van de straf eventueel te stellen bijzondere voorwaarden.

Artikel 16:1:3 Verantwoording

Lid 1

De verantwoording door de ambtenaar geschiedt, indien deze niet schriftelijk plaatsvindt, ten overstaan van het college of ten overstaan van een door het college aangewezen vertegenwoordiger. De verantwoording vindt niet eerder dan 6 maal 24 uur en niet later dan 12 maal 24 uur plaats. Op verzoek van de ambtenaar kan van deze termijn worden afgeweken.

Lid 2

Geschiedt de verantwoording mondeling, dan wordt daarvan binnen 36 uur proces-verbaal opgemaakt, dat na voorlezing wordt getekend door hem te wiens overstaan de verantwoording plaats heeft en door de ambtenaar. Weigert de ambtenaar de ondertekening, dan wordt daarvan in het proces-verbaal, zo mogelijk met vermelding van de redenen, melding gemaakt. Een afschrift van het proces-verbaal wordt de ambtenaar uitgereikt.

Lid 3

Indien de ambtenaar zulks verlangt, worden hij en zijn raadsman in de gelegenheid gesteld kennis te nemen van de ambtelijke rapporten of andere bescheiden welke op de hem ten laste gelegde feiten betrekking hebben.

Artikel 16:1:4 Verantwoording

De ambtenaar verstrekt het college een bewijs van ontvangst van het schriftelijk besluit tot strafoplegging.

Artikel 16:1:5 Verantwoording

De straf, behalve die van schriftelijke berisping, wordt niet ten uitvoer gelegd zolang zij niet onherroepelijk is geworden, tenzij bij de strafoplegging onmiddellijke tenuitvoerlegging is bevolen.

17 Opleiding en ontwikkeling

Artikel 17:1 Ontwikkeling en mobiliteit

Lid 1

De ambtenaar is op de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor zijn duurzame inzetbaarheid en loopbaanperspectief, waardoor diens positie op de interne en externe arbeidsmarkt verbetert.

Lid 2

In het belang van de organisatie en zichzelf ontwikkelt de ambtenaar zich door middel van scholing en het opdoen van werkervaring.

Lid 3

De ambtenaar maakt actief gebruik van het gemeentelijk loopbaanbeleid.

Artikel 17:2 Ontwikkeling en mobiliteit

Lid 1

Het college begeleidt en ondersteunt de ambtenaar bij het verbeteren en ontwikkelen van diens inzetbaarheid en mobiliteit.

Lid 2

Het college voert een actief intern en extern mobiliteitsbeleid en onderhoudt loopbaanbeleid, gericht op mobiliteit en organisatieverandering.

Lid 3

Het college wijst de ambtenaar op diens mogelijkheden binnen het gemeentelijk loopbaanbeleid.

Artikel 17:3 Individueel loopbaanbudget

Lid 1

De ambtenaar heeft jaarlijks recht op een loopbaanbudget van € 500.-.

Lid 2

Indien bij inwerkingtreding van dit artikel het college een opleidingsplan heeft vastgesteld dat gelijkwaardige ruimte biedt aan loopbaanontwikkeling op basis van individuele wensen over loopbaanactiviteiten gericht op vergroting van inzetbaarheid kan dit opleidingsplan ongewijzigd worden voortgezet ongeacht het bepaalde in het eerste lid. Dit na instemming van de ondernemingsraad.

Lid 3

De ambtenaar zet het loopbaanbudget in ten behoeve van loopbaangerelateerde activiteiten, zoals opleiding, training, scholing, loopbaanadvies, coaching en ontwikkeling, gericht op de vergroting van zijn inzetbaarheid en zijn arbeidsmarktpotentie ten behoeve van een andere functie binnen of buiten de organisatie.

Lid 4

De in het derde lid genoemde activiteiten dienen te zijn gericht op een reëel loopbaanperspectief.

Lid 5

Afspraken over de wijze van besteding van het loopbaanbudget worden vastgelegd in een (aanvulling op het) persoonlijk ontwikkelingsplan.

Lid 6

Het resterende budget dat na verloop van het kalenderjaar waarin de aanspraak is opgebouwd niet is benut, komt te vervallen.

Lid 7

In afwijking op het bepaalde in het zesde lid kan de ambtenaar het loopbaanbudget gedurende maximaal drie jaar opsparen, om daarmee eenmalig een duurdere activiteit te financieren. Dit wordt vastgelegd in (een aanvulling op) het persoonlijk ontwikkelingsplan.

Lid 8

Indien na toepassing van het bepaalde in het zevende lid na verloop van de overeengekomen periode het budget niet of niet volledig is benut komt het resterende budget te vervallen.

Lid 9

Dit artikel is geldig in 2013, 2014 en 2015.

Artikel 17:4 Persoonlijk ontwikkelingsplan

Lid 1

Naast de afspraken over het individueel loopbaanbudget leggen het college en de ambtenaar in een persoonlijk ontwikkelingsplan de afspraken vast over de loopbaanontwikkeling en de vereiste kennis en vaardigheden van de ambtenaar, alsmede een in dat kader door hem te volgen opleiding en de te ondernemen activiteiten.

Lid 2

Het persoonlijk ontwikkelingsplan wordt ten minste een keer per drie jaar opgesteld en door het college vastgesteld.

Lid 3

Een te volgen opleiding en de te ondernemen activiteiten passen in de doelstellingen, criteria en budgettaire voorwaarden van het gemeentelijk opleidingsbeleid, zoals neergelegd in het door het college vastgestelde opleidingsplan.

Lid 4

De kosten die gemaakt worden in het kader van de in het persoonlijk ontwikkelingsplan opgenomen opleiding en activiteiten worden door het college vergoed.

Lid 5

In het persoonlijk ontwikkelingsplan worden afspraken vastgelegd met betrekking tot benodigd verlof en eventuele verdere medewerking van de zijde van de werkgever die de ambtenaar in staat moeten stellen de gemaakte afspraken uit te voeren.

Lid 6

In het persoonlijk ontwikkelingsplan worden afspraken vastgelegd met betrekking tot een of meer van de volgende onderwerpen:

de keuze van opleidingsvorm of instituut, alsmede de redelijkerwijs te maken kosten;

de periode gedurende welke een studie gevolgd zal worden;

de minimaal te behalen resultaten en te maken voortgang;

de omstandigheden onder welke een te volgen studie kan worden onderbroken of gestopt;

de gehele of gedeeltelijke terugbetaling van de genoten vergoeding bij het voortijdig afbreken van een studie door de ambtenaar;

de gehele of gedeeltelijke terugbetaling van de genoten vergoeding bij het verlaten van de gemeentelijke dienst binnen een te bepalen periode na afronding van de studie;

eventuele andere onderwerpen die van belang zijn voor een goede uitvoering van de gemaakte afspraken.

Artikel 17:5 Loopbaanadvies

De ambtenaar heeft na elke periode van vijf jaar recht op loopbaanadvies bij een door het college aangewezen interne of externe deskundige.

Artikel 17:6 Inzetbaarheid

In het persoonlijk ontwikkelingsplan van en het functioneringsgesprek met een ambtenaar van 50 jaar en ouder stelt het college zijn belasting en belastbaarheid aan de orde. Zo nodig worden naar aanleiding hiervan afspraken gemaakt over aanpassingen in het individuele takenpakket.

Artikel 17:7 Flankerend beleid

Het college stelt vast welke mobiliteitsbevorderende voorzieningen beschikbaar kunnen worden gesteld aan ambtenaren die zich in een Van-werk-naar-werk-traject bevinden.

18 Verplaatsingskosten

Artikel 18:1:1 Begripsomschrijvingen

Lid 1

Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder:

betrokkene: de ambtenaar of gewezen ambtenaar in de zin van de CAR;

woongebied: een door het college aan te wijzen gebied aansluitend aan het grondgebied van de gemeente;

standplaats: de gemeente of het met name genoemde deel daarvan, waar de ambtenaar gewoonlijk zijn werkzaamheden verricht;

gezinsleden: de echtgenoot, geregistreerde partner van de betrokkene en de kinderen, stief- en pleegkinderen van de betrokkenen en/of van de echtgenoot, geregistreerde partner voor zover zij samenwonen;

eigen huishouding voeren: het zelfstandig en voor eigen rekening bewonen van woonruimte, voorzien van eigen meubilair en stoffering, een en ander ter beoordeling van het bevoegde gezag;

berekeningsbasis: het twaalfvoud van de bezoldiging – in de zin van artikel 3:1, dan wel hetgeen daarmede overeenkomt ingeval dat artikel niet op hem van toepassing is – die betrokkene geniet op het berekeningstijdstip, vermeerderd met de aanspraak op de vakantie-uitkering en in voorkomende gevallen vermeerderd met:   

genoten wachtgeld of uitkering krachtens hoofdstuk 10 of 11 of een genoten werkloosheidsuitkering krachtens de WW en eventueel hoofdstuk 10a;

genoten uitkering krachtens dan wel overeenkomstig hoofdstuk 9 of het FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering;

genoten herplaatsingstoelage krachtens hoofdstuk 12 van het pensioenreglement;

berekeningstijdstip: 1e datum waarop de betrokkene verhuist; 2e indien de betrokkene verhuist voor de datum dat de functie feitelijk wordt vervuld, de datum van ingang van de functievervulling; 3e bij het overlijden of ontslag van de betrokkene, de datum waarop laatstelijk bezoldiging werd genoten;

verplaatsen en verplaatsing: veranderen onderscheidenlijk verandering van de standplaats van de betrokkene in opdracht van het bestuursorgaan;

verplaatsingskostenvergoeding: tegemoetkoming in de kosten van een verplaatsing, dan wel van een verhuizing voortvloeiende uit indiensttreding of ontslag, ofwel een tegemoetkoming in reis- en pensionkosten voor de periode dat de verhuizing nog niet heeft plaatsgevonden;

dienstwoning: de door het bevoegde gezag aan de betrokkene in verband met de uitoefening van zijn functie aangewezen woning.

Lid 2

Bij de toepassing van dit hoofdstuk wordt artikel 1:2:1 in acht genomen.

Artikel 18:1:2 Tegemoetkoming verhuiskosten

Lid 1

De betrokkene, die vanwege het dienstbelang de verplichting is opgelegd om in of meer nabij zijn standplaats te gaan wonen, als bedoeld in artikel 15:1:17, tweede lid, wordt een tegemoetkoming in verhuiskosten verleend.

Lid 2

De betrokkene, die in verband met een indiensttreding is verhuisd en aan wie binnen twee jaar na verhuizing ontslag op verzoek wordt verleend of die ten gevolge van aan hem te wijten feiten of omstandigheden binnen twee jaren na de verhuizing wordt ontslagen, dient de hem toegekende tegemoetkoming in verhuiskosten terug te betalen. Overgang zonder onderbreking naar een andere tak van dienst van dezelfde gemeente of naar een van haar bedrijven of instellingen wordt niet als ontslag op verzoek beschouwd.

Lid 3

De tegemoetkoming in verhuiskosten wordt aan de betrokkene, die in verband met een indiensttreding dient te verhuizen, slechts verleend, indien hij schriftelijk heeft verklaard dat een verplichting tot terugbetalen als bedoeld in het vorige lid hem bekend is.

Artikel 18:1:3 Tegemoetkoming verhuiskosten

Lid 1

De betrokkene, die in opdracht van het bevoegde gezag, anders dan in verband met een verplaatsing of indiensttreding, een dienstwoning betrekt of verlaat, wordt een tegemoetkoming in verhuiskosten verleend.

Lid 2

Indien het verlaten van een dienstwoning samenhangt met een ontslag op verzoek anders dan een ontslag op verzoek met recht op uitkering voor vervroegd uittreden, of met een ontslag als gevolg van aan betrokkene te wijten feiten of omstandigheden en het ontslag niet ingaat binnen twee jaren nadat de dienstwoning is betrokken, kan een gedeeltelijke tegemoetkoming in verhuiskosten worden verleend.

Lid 3

Indien het verlaten van een dienstwoning verband houdt met het overlijden van de betrokkene, wordt een tegemoetkoming in verhuiskosten verleend aan de nagelaten gezinsleden.

Lid 4

Bij toepassing van het tweede en derde lid wordt een vergoeding in de verhuiskosten, bedoeld in artikel 18:1:5, eerste lid, verleend, met dien verstande dat deze vergoeding niet meer bedraagt dan die waarop aanspraak zou bestaan bij verhuizing binnen het woongebied.

Artikel 18:1:4 Tegemoetkoming verhuiskosten

Geen tegemoetkoming in verhuiskosten ingevolge de artikelen 18:1:2 en 18:1:3 wordt verleend, indien de verhuizing niet heeft plaatsgevonden binnen twee jaar nadat de verplichting tot verhuizen is opgelegd dan wel na de datum van het ontslag, het overlijden of de verplaatsing.

Artikel 18:1:5 Tegemoetkoming verhuiskosten

Lid 1

De tegemoetkoming in verhuiskosten kan slechts bestaan uit:

een bedrag voor de kosten van transport van de bagage en van de inboedel van de betrokkene en zijn gezinsleden naar de nieuwe woning, waaronder begrepen de kosten van het in- en uitpakken van breekbare zaken;

een bedrag voor dubbel woonkosten, gelijk aan de noodzakelijk te maken kosten, met een maximum van € 307,49 per maand met dien verstande dat de tegemoetkoming ten hoogste voor vier maanden wordt verleend;

een bedrag voor alle andere direct uit de verhuizing voortvloeiende kosten, met een maximum van € 6.149,43.

Lid 2

Indien de betrokkene op de dag van de verhuizing een eigen huishouding voert, wordt het bedrag bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, voor zover bij of krachtens dit artikel niet anders is bepaald, gesteld op een tegemoetkoming van 3% van de berekeningsbasis voor ieder woon- of slaapvertrek, tot een maximum van vier van deze vertrekken, die de achtergelaten woning telt, met dien verstande dat het maximumbedrag genoemd in het eerste lid, onderdeel c, niet overschreden wordt.

Lid 3

Indien het betreft een verhuizing van een gezin, waarin de echtgenoten, geregistreerde partners beide betrokkene zijn in de zin van dit hoofdstuk en afzonderlijk opdracht hebben om te verhuizen of zijn verplaatst, wordt voor beide betrokkenen de berekeningsbasis vastgesteld. Ingeval beide betrokkenen een deeltijdbetrekking hebben en niet tevens een deeltijdbetrekking bij een andere werkgever die aanspraak geeft op een tegemoetkoming in verhuiskosten, wordt de berekeningsbasis vastgesteld als ware er sprake van een voltijdbetrekking. De tegemoetkoming wordt toegekend op grond van de hoogste berekeningsbasis.

Lid 4

Indien de betrokkene geen eigen huishouding voert, wordt geen tegemoetkoming als bedoeld in het eerste lid, onder c, verleend. Indien bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven, kan voor deze kosten niettemin een tegemoetkoming worden verleend van 3% van de berekeningsbasis.

Artikel 18:1:6 Tegemoetkoming woon- werkverkeer

Lid 1

De betrokkene die vanwege het dienstbelang de verplichting is opgelegd om in of meer nabij zijn standplaats te gaan wonen, zoals bedoeld in artikel 15:1:17 en daarin, ondanks alle pogingen daartoe, niet slaagt heeft aanspraak op een vergoeding van de kosten voor het dagelijks reizen tussen de woning en de plaats van tewerkstelling, zolang hij bij de verhuizing in aanmerking zou kunnen komen voor een tegemoetkoming in de verhuiskosten.

Lid 2

Een betrokkene als bedoeld in het eerste lid, die naar het oordeel van het bevoegde gezag niet dagelijks heen en weer kan reizen, heeft, tenzij van gemeentewege al dan niet tegen betaling in huisvesting wordt voorzien, aanspraak op een tegemoetkoming in de pensionkosten voor verblijf in een pension in of nabij het gebied als bedoeld in artikel 15:1:17, benevens een tegemoetkoming voor ten hoogste eenmaal per week in de reiskosten naar de plaats waar hij metterwoon nog gevestigd is.

Lid 3

Indien een betrokkene als bedoeld in het eerste en tweede lid, naar het oordeel van het bevoegde gezag niet alles, wat redelijkerwijs van hem mag worden verwacht, heeft gedaan om zo spoedig mogelijk te verhuizen, komt hij niet langer in aanmerking voor tegemoetkomingen als bedoeld in het eerste en tweede lid.

Lid 4

Een betrokkene die een functie voor betrekkelijk korte duur bekleedt of voor betrekkelijk korte duur elders is geplaatst en als gevolg daarvan niet behoeft te verhuizen kan een tegemoetkoming in de reiskosten als bedoeld in het eerste lid worden verleend, dan wel een tegemoetkoming overeenkomstig het tweede lid, indien de betrokkene naar het oordeel van het bevoegde gezag niet dagelijks heen en weer kan reizen.

Artikel 18:1:6:1 Regeling uitwisseling arbeidsvoorwaardentegemoetkoming woon-werkverkeer

In aanvulling op het gestelde in artikel 18:1:6 heeft de Veiligheidsregio Limburg-Noord een Regeling uitwisseling arbeidsvoorwaardentegemoetkoming woon-werkverkeer vastgesteld.

Klik hier om naar deze regeling in het onderdeel aanvullende regelingen te gaan.

Artikel 18:1:7 Hoogte tegemoetkoming

Lid 1

De tegemoetkoming in reiskosten bedoeld in artikel 18:1:6, eerste en vierde lid, is gelijk aan de gemaakte kosten van het openbaar vervoer op basis van het tarief van de tweede klasse.

Lid 2

De vergoeding die plaatsvindt op basis van het eerste lid is, voor dat deel dat gebruik wordt gemaakt van de trein, gemaximeerd op het bedrag van € 3.900 per jaar.

Lid 3

De betrokkene die met de trein reist en van de woning of het pension met het ander (aansluitend) openbaar vervoer naar het eerst mogelijke station kan reizen maar van dit openbaar vervoer geen gebruik maakt en in de plaats daarvan met eigen vervoer naar dat station reist, ontvangt een tegemoetkoming van € 102,77 op jaarbasis.

Lid 4

De tegemoetkoming in reiskosten bedoeld in artikel 18:1:6, eerste en vierde lid, is, indien het college de plaats van tewerkstelling van een betrokkene heeft aangewezen als een plaats van tewerkstelling die niet per openbaar vervoer is te bereiken, of indien de betrokkene behoort tot een aangewezen groep voor wie de plaats van tewerkstelling vanwege de opgedragen werktijden niet per openbaar vervoer is te bereiken, € 0,17 per kilometer met een maximum van 20 kilometer enkele reis.

Lid 5

De betrokkene, die naar het oordeel van het college de plaats van tewerkstelling met het openbaar vervoer kan bereiken maar daarvan geen gebruik maakt, heeft aanspraak op een tegemoetkoming van 25% van de tegemoetkoming bedoeld in het vierde lid.

Artikel 18:1:7a Vervallen

(Vervallen)

Artikel 18:1:8 Niet verhuisplichtig, toch een tegemoetkoming woon-werkverkeer

Indien het bevoegde gezag de plaats van tewerkstelling van een betrokkene die niet conform artikel 15:1:17 verhuisplichtig is, heeft aangewezen als een plaats van tewerkstelling die niet met het openbaar vervoer is te bereiken, of indien de betrokkene behoort tot een aangewezen groep voor wie de plaats van tewerkstelling vanwege de opgedragen werktijden niet per openbaar vervoer is te bereiken, wordt aan de betrokkene voor de gehele duur van het dienstverband een vergoeding per afgelegde kilometer verstrekt. De hoogte van deze vergoeding wordt vastgesteld door het bevoegde gezag.

Artikel 18:1:9 Pensionkosten

Lid 1

De tegemoetkoming in pensionkosten als bedoeld in artikel 18:1:6, tweede lid, bedraagt voor de betrokkene die gewoonlijk met gezinsleden samenwoont 90% en voor de overige betrokkenen 60% van de betaalde pensionkosten, voor zover deze kosten niet uitgaan boven de door het bestuursorgaan redelijk geoordeelde pensionkosten.

Lid 2

De tegemoetkoming in reiskosten voor gezinsbezoek dan wel voor het bezoeken van de plaats waar betrokkene nog is gehuisvest is gelijk aan de kosten van het gebruik van het openbaar vervoer en wel naar het tarief van de laagste klasse.

Artikel 18:1:10 Duur tegemoetkoming reis- en pensionkosten

Lid 1

De tegemoetkoming ingevolge het bepaalde in de artikelen 18:1:7 en 18:1:9 wordt voor de eerste keer voor niet langer dan zes maanden verleend. Het bevoegde gezag kan deze termijn op verzoek van betrokkene telkens voor niet langer dan zes maanden verlengen.

Lid 2

Geen aanspraak op tegemoetkoming in reis- en/of verblijfkosten bestaat indien de declaratie van de in een kalendermaand gemaakte kosten conform artikel 18:1:7, eerste lid, en artikel 18:1:14, in geval wordt gekozen voor het vergoedingssysteem zoals dat gold vóór 1 juli 2004, niet binnen drie maanden na die kalendermaand bij het bevoegde gezag is ingediend.

Lid 3

Het bevoegd gezag is bevoegd te bepalen dat de tegemoetkomingen vastgesteld op basis van artikel 18:1:7, eerste lid, en artikel 18:1:14 maandelijks zonder declaratie worden uitbetaald met inachtneming van een korting op de bedragen van 6%.

Artikel 18:1:11 Procedure tegemoetkoming verhuiskosten

Lid 1

De aanvraag voor een tegemoetkoming in verhuiskosten dient voor de datum van de verhuizing bij het bevoegde gezag te zijn ingediend.

Lid 2

Zo spoedig mogelijk na de verhuizing doch in ieder geval binnen zes maanden daarna doet de betrokkene bij het bevoegde gezag opgave van de kosten als bedoeld in artikel 18:1:5, eerste lid, onder b.

Artikel 18:1:12 Voorschot

Het bevoegde gezag kan ter zake van de in dit hoofdstuk bedoelde tegemoetkomingen een voorschot verlenen.

Artikel 18:1:13 Slotbepaling

Het college kan voor zover nodig in afwijking van de bij of krachtens dit hoofdstuk gestelde regels beslissen in individuele gevallen, waarin deze regelen naar het oordeel van het college niet of niet naar redelijkheid voorzien.

Artikel 18:1:14 Overgangsrecht

De betrokkene aan wie voor 1 juli 2004 een tegemoetkoming woon-werkverkeer op grond van artikel 18:1:7, vierde lid zoals dat luidde voor 1 juli 2004, is toegekend, heeft gedurende de periode van maximaal twee jaar, welke ingaat op het moment van toekenning, recht op een tegemoetkoming woon-werkverkeer conform de vergoedingssystematiek zoals die gold voor 1 juli 2004. Indien de vergoedingssystematiek zoals die geldt vanaf 1 juli 2004 financieel voordeliger is voor deze betrokkene, dan heeft hij recht op een tegemoetkoming conform de laatstgenoemde vergoedingssystematiek. Indien de medewerker gehoor heeft gegeven aan de verhuisplicht, dan vervalt de tegemoetkoming woon-werkverkeer.

18a Nadere regelgeving beroepsbrandweer district Venlo

Inhoudsopgave

18a:1:1:1 Algemene bepaling

18a:2:1:1 Begripsomschrijvingen

18a:3:1:1 Nadere voorschriften

18a:4:1:1 Betrekkingen en rangen

18a:5:1:1 Arbeidsduur, werktijden, vakantie en verlof

18a:5:1:2 Arbeidsduur

18a:5:1:3 Werktijden

18a:5:1:4 Vakantie en verlof

18a:6:1:1 Toelagen

18a:7:1:1 Overwerk

18a:8:1:1 Duiktoelage

18a:9:1:1 Overgangsbepaling toelagen zoals die luidde per 1 december 1987

18a:10:1:1 Overgangsbepaling toelagen 1987, 2003 en 2009

18a:11:1:1 Overige rechten en verplichtingen

18a:11:1:2

18a:1:1:1 Algemene bepaling

Lid 1

De bepalingen in dit hoofdstuk zijn enkel van toepassing op het district Venlo en kunnen op basis van landelijke of regionale ontwikkelingen aan veranderingen onderhevig zijn.

Lid 2

De uitvoeringsbesluiten en kaders samenhangend met dit hoofdstuk zoals genomen door de rechtsvoorgangers van het district Venlo zijn onverkort van toepassing tenzij anders in de toekomst wordt besloten.

Lid 3

Buiten de bepalingen van deze regeling gelden voor de toepassing van dit hoofdstuk de volgende bepalingen.

18a:2:1:1 Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

medewerker: hij, die is aangesteld in een van de brandweerrangen bij de beroepsbrandweer en belast met de repressieve brandweertaak;

24-uursdienst: een aanwezigheidsdienst van 24 uur aaneengesloten, bestaande uit 8 werkuren, 8 wachturen en 8 slaapuren, te beginnen om 08.00 uur, tijdens welke dienst de medewerker verplicht is op de arbeidsplaats aanwezig te zijn en volgens rooster in ploegendienst werkzaam te zijn.

18a:3:1:1 Nadere voorschriften

Lid 1

Op de medewerker zijn de bepalingen van het Besluit brandweerpersoneel (Staatsblad 1991, nr. 276) alsmede de overlegregeling van de Arbeidstijdenwet (Staatsblad 1995, nr. 598) en het Arbeidstijdenbesluit (Staatsblad 1995, nr. 599) van toepassing.

Lid 2

Onverminderd het bepaalde in het Besluit brandweerpersoneel gelden voor aanstelling of bevordering tot hoofdbrandwacht de volgende eisen:

het bezit van het certificaat: Levensreddende handelingen;

het bezit van een geldig rijbewijs voor de categorieën B en C.

18a:4:1:1 Betrekkingen en rangen

Lid 1

De rangen van de medewerker tot die van officier zijn als volgt:

medewerker repressie beroeps:

aspirant brandwacht

brandwacht

hoofdbrandwacht

plaatsvervangend ploegcommandant

ploegcommandant

Lid 2

De toekenning van een van de in het eerste lid bedoelde rangen is afhankelijk van het bezit van het diploma, zoals voorgeschreven in het Besluit personeel Veiligheidsregio en de wijze van functioneren van de medewerker.

Lid 3

Bevordering gebeurt op basis van de bevorderingssystematiek repressie beroeps die door de Beheersdirectie Veiligheidsregio Limburg-Noord wordt vastgesteld.

18a:5:1:1 Arbeidsduur, werktijden, vakantie en verlof

Niet van toepassing zijn de artikelen 4:2, tweede lid, 4:2:1, 6:1:1, tweede lid en 6:2:2.

18a:5:1:2 Arbeidsduur

Binnen de geldende organieke repressieve brandweerorganisatie wordt de medewerker aangesteld in 24-uursdienst.

18a:5:1:3 Werktijden

Lid 1

Voor de medewerker geldt de Beschrijving dienstrooster, overeenkomstig bijlage behorende bij dit hoofdstuk.

Lid 2

De feitelijke arbeidsduur / aanwezigheid en de vakantie van de medewerker in 24-uursdienst wordt met inachtneming van het eerste lid vastgelegd in een dienstrooster.

Lid 3

Het dienstrooster bedoeld in het tweede lid wordt jaarlijks door de Commandant district Venlo vastgesteld.

Lid 4

Op het besluit bedoeld in het derde lid is het instemmingsrecht in de zin van de Wet op de ondernemingsraden van toepassing.

18a:5:1:4 Vakantie en verlof

Voor vakantie en andere vormen van verlof gelden de Beschrijving dienstrooster, overeenkomstig bijlage behorende bij de Beschrijving dienstrooster.

18a:6:1:1 Toelagen

Lid 1

Voor de medewerker zijn de artikelen 3:3 en 3:3:1 niet van toepassing.

Lid 2

De medewerker heeft aanspraak op een toelage onregelmatige dienst, alsmede op een bijzondere brandweertoelage.

Lid 3

De in het tweede lid genoemde toelagen worden door de Commandant district brandweer Venlo vastgesteld op basis van de betreffende modelregeling van het College voor Arbeidszaken van de Vereniging voor Nederlandse gemeenten (Ledenbrief 6 mei 1986, OPZ/63914).

Lid 4

Op het besluit bedoeld in het derde lid is het adviesrecht in de zin van de Wet op de ondernemingsraden van toepassing.

Lid 5

Invoering van de 48-urige aanwezigheidsdienst in het dienstrooster per 1 januari 2008 laat onverlet de hoogte van de toelagen als bedoeld in het tweede lid per 31 december 2007.

18a:7:1:1 Overwerk

Lid 1

Voor de medewerker is 3:2:1, eerste en vijfde lid niet van toepassing.

Lid 2

De vergoeding, bedoeld in 3:2, bestaat uit verlof gelijk aan het aantal volle uren van het overwerk, alsmede uit het bedrag dat voor die uren wordt berekend overeenkomstig het derde lid. Bij de vaststelling van het totaal aantal uren per maand, dat voor vergoeding in aanmerking komt, worden gedeelten van uren, afgerond naar boven, op halve uren.

Lid 3

De vergoeding, bedoeld in 3:2, bestaat uit verlof gelijk aan het aantal volle uren van het overwerk, alsmede uit het bedrag dat voor die uren wordt berekend overeenkomstig het derde lid. Bij de vaststelling van het totaal aantal uren per maand, dat voor vergoeding in aanmerking komt, worden gedeelten van uren, afgerond naar boven, op halve uren.

100 voor elk uur tussen 0.00 en 24.00 uur op een zaterdag, zondag en een van de dagen genoemd in 4:2:1, derde en vierde lid, en

40 voor elk uur gedurende alle niet onder a. genoemde dagen en uren.

Lid 4

Dit geldt uitsluitend voor overwerk genoemd in de Beschrijving dienstrooster.

Artikel 18a:8:1:1 Duiktoelage

Lid 1

De medewerker, op 1 januari 2011 ingedeeld in de duikploeg, van het brandweerdistrict Venlo heeft bij wijze van garantie aanspraak op een toelage, mits en voor zover hij voor zijn taak gecertificeerd is.

Lid 2

De toelage, als bedoeld in het eerste lid, bedraagt:

als duiker: € 48,30* per maand;

als duikploegleider: € 24,28* per maand en in het geval die taak voor 1-1-2011 werd uitgeoefend door een organiek niet leidinggevende € 72,58* per maand.

Lid 3

De in het tweede lid genoemde bedragen worden door het bestuur bij verhoging van de bedragen, als opgenomen in de salarisschalen, bedoeld in artikel 3a:1:1:1, onder d, overeenkomstig verhoogd.

Lid 4

De in het tweede lid genoemde bedragen (*) zijn gebaseerd op de normbedragen geldend per 1 juni 2008.

Artikel 18a:9:1:1 Overgangsbepaling toelagen zoals die luidde per 1 december 1987

Lid 1

De medewerker, op 30 november 1987 ingedeeld in de continudienst, ontvangt per 1 december 1987, voor zolang hij belast is met een functie, als bedoeld in artikel 18a:4:4, een garantietoelage ten bedrage van het verschil tussen de (som) van toelage(n) per 1 december 1987 – afhankelijk van de indeling in continudienst of dagdienst – en het bedrag van de som van de toelagen op 30 november 1987 (maximaal € 211,18, norm 1 september 1987).

Lid 2

De medewerker, op 30 november 1987 ingedeeld in de dagdienst, ontvangt per 1 december 1987, voor zolang hij belast is met een functie, als bedoeld in artikel 18a:4:4, een garantietoelage ten bedrage van het verschil tussen de (som) van de toelage(n) per 1 december 1987 – afhankelijk van de indeling in de continudienst of dagdienst – en het bedrag van de som van de toelagen op 30 september 1987 (maximaal € 211,18, norm 1 september 1987), dat de medewerker op 30 november 1987 zou hebben genoten bij plaatsing in de continudienst op genoemde datum.

Lid 3

Met betrekking tot de garantietoelage, als bedoeld in het eerste en tweede lid, geldt dat:

vergoedingen op grond van artikel 3:2:1, 18a:4:1 en 18a:4:3;

vergoedingen voor extra consignatiediensten;

een vergoeding van de onderscheidenlijke toelagen, als genoemd in het tweede lid van artikel 18a:4:4,

berekend over een aangesloten tijdvak van 12 maanden niet tot uitbetaling zullen komen, voor zover de onder a tot en met c genoemde vergoedingen het over die periode ontvangen totaalbedrag van de garantietoelage overschrijden.

Lid 4

Het bepaalde in artikel 18a:2:5, derde lid, is van overeenkomstige toepassing voor de toelage onregelmatige dienst en de brandweertoelage op 30 november 1987 (maximaal € 211,18, norm 1 september 1987). Bij verhoging van het salaris van de medewerker zullen, voor zover van toepassing, de hiervoor genoemde toelagen, met inachtneming van de van toepassing zijnde maximale berekeningsgrondslag, worden aangepast.

Artikel 18a:10:1:1 Overgangsbepaling toelagen 1987, 2003 en 2009

Lid 1

In afwijking van het bepaalde in artikel 18a:9:1:1 wordt voor het inverdienen op de garantietoelage door de medewerker compensatie geboden door middel van het verrichten van extra diensten, die zijn verwerkt in het dienstrooster, overeenkomstig het bepaalde in Beschrijving dienstrooster.

Lid 2

Voor het verschil in 24-uursdiensten tussen 2003 en 2009 wordt door de medewerker compensatie geboden door middel van het verrichten van extra diensten, die zijn verwerkt in het dienstrooster, overeenkomstig het bepaalde in Beschrijving dienstrooster.

Artikel 18a:11:1:1 Overige rechten en verplichtingen

De medewerker is verplicht de laadinrichting van zijn alarmontvanger gebruiksgereed in zijn woning aan te sluiten.

Artikel 18a:11:1:2

Lid 1

De medewerker wordt periodiek onderworpen aan een geneeskundig onderzoek door een door het bestuur aangewezen geneeskundige, overeenkomstig de ter zake geldende richtlijnen.

Lid 2

In geval van weigering kan de medewerker eervol worden ontslagen.

18b Nadere regelgeving beroepsbrandweer district Roermond

Inhoudsopgave

Artikel 18b:1:1:1 Algemene bepaling

Artikel 18b:2:1:1 Begripsomschrijvingen

Artikel 18b:3:1:1 Nadere voorschriften

Artikel 18b:4:1:1 Betrekkingen en rangen

Artikel 18b:5:1:1 Arbeidsduur en werktijden

Artikel 18b:5:1:2 Arbeidsduur en werktijden

Artikel 18b:5:1:3 Roosters en werktijden

Artikel 18b:5:1:4 Roosters en werktijden

Artikel 18b:5:1:5 Vakantie en verlof

Artikel 18b:6:1:1 Toelagen en vergoedingen

Artikel 18b:7:1:1 Overwerk

Artikel 18b:8:1:1 Overige rechten en verplichtingen

Artikel 18b:8:1:2 Overige rechten en verplichtingen

Artikel 18b:8:1:3 Overige rechten en verplichtingen

Artikel 18b:8:1:4 Overige rechten en verplichtingen

Artikel 18b:1:1:1 Algemene bepaling

Lid 1

De bepalingen in dit hoofdstuk zijn enkel van toepassing op het district Roermond en kunnen op basis van landelijke of regionale ontwikkelingen aan veranderingen onderhevig zijn.

Lid 2

De ‘Roostertechniek‘ zoals opgenomen en vastgesteld in de notitie ‘Invoering arbeidstijdenbesluit brandweer Roermond, van november 2008, alsmede het ‘Tweede loopbaanbeleid voor bezwarende functies in de 24-uursdienst bij de brandweer van de gemeente Roermond’ van september 2009 zoals vastgesteld door de rechtsvoorgangers van het district Roermond zijn van toepassing tenzij in de toekomst anders wordt besloten.

Lid 3

Voor het overige gelden de bepalingen van de AVR alsmede de bepalingen uit het sociaal statuut dat is overeengekomen bij de regionalisering.

Artikel 18b:2:1:1 Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

medewerker: hij, die is aangesteld in een van de brandweerrangen bij de beroepsbrandweer district Roermond en belast met de repressieve brandweertaak;

24-uursdienst: een aanwezigheidsdienst van 24 uur aaneengesloten, tijdens welke dienst de medewerker verplicht is op de arbeidsplaats aanwezig te zijn en volgens rooster in ploegendienst werkzaam te zijn.

Artikel 18b:3:1:1 Nadere voorschriften

Op de medewerker zijn de bepalingen van het Besluit brandweerpersoneel (Staatsblad 1991, nr. 276) alsmede de overlegregeling van de Arbeidstijdenwet (Staatsblad 1995, nr. 598) en het Arbeidstijdenbesluit (Staatsblad 1995, nr. 599) van toepassing.

Artikel 18b:4:1:1 Betrekkingen en rangen

Lid 1

De toekenning van een van de in het besluit Brandweerpersoneel bedoelde rangen is afhankelijk van het bezit van het diploma, zoals voorgeschreven in het Besluit personeel Veiligheidsregio, en de wijze van functioneren van de medewerker.

Lid 2

De medewerker is verplicht tijdens de vervulling van zijn betrekking het door het bevoegd gezag voorgeschreven uniform en onderscheidingstekenen te dragen.

Artikel 18b:5:1:1 Arbeidsduur en werktijden

Niet van toepassing zijn de artikelen 4:2, tweede lid, en 4:2:1 van deel l van de AVR.

Artikel 18b:5:1:2

Lid 1

De formele arbeidsduur per week bedraagt voor een voltijder gemiddeld ten hoogste 48 uur en per jaar ten hoogste 2399 uur (1804 maal factor 1,33). Voor deeltijders geldt de arbeidsduur naar rato van de aanstelling.

Lid 2

De arbeidsduur per jaar kan op grond van bepalingen in hoofdstuk 4 van deel l van de AVR afwijken.

Lid 3

Binnen de geldende organieke repressieve brandweerorganisatie wordt de medewerker aangesteld in 24-uursdienst.

Artikel 18b:5:1:3 Roosters en werktijden

Lid 1

De overeengekomen arbeidsduur wordt verdeeld over de weekdagen. Daarbij wordt rekening gehouden met werkgevers- en werknemersbelangen, waarbij de werkgever belang heeft bij een verdeling in relatie tot werkaanbod, werkdruk en bezetting en het werknemersbelang wordt bepaald door vrije tijd, zorgtaken en andere wensen.

Lid 2

Het rooster wordt jaarlijks opgesteld en minstens vier weken voor ingangsdatum aan de werknemer meegedeeld.

Lid 3

In het rooster wordt rekening gehouden met de formele arbeidsduur per week.

Lid 4

Zowel vanuit de organisatie als vanuit de werknemer kan in de loop van het jaar behoefte ontstaan om wijzigingen aan te brengen in het aantal ingeroosterde uren op bepaalde dagen.

Lid 5

Het rooster is ingedeeld in 24-uurswachten en 12-uurswachten.

Artikel 18b:5:1:4

Lid 1

De dienst bestaat uit de navolgende activiteiten:

werken: het verrichten van werkzaamheden verband houdende met de uitrukdienst en de door of namens de commandant brandweer opgedragen andere werkzaamheden in of buiten de brandweerkazerne;

wachten: de aanwezigheidsdienst in de brandweerkazerne in verband met de paraatheid. Hieronder wordt mede verstaan het verrichten van werkzaamheden van huishoudelijke aard die voortvloeien uit het langdurig verblijf in de kazerne;

slapen: 8 uur per etmaal in de 24-uurswacht, die men geacht wordt te hebben geslapen.

Lid 2

Het effectieve aantal werkuren per dienst bedraagt:

24-uurswacht door de week: 11 uur;

24-uurswacht in het weekend: 5 uur;

12-uurswacht door de week: 9½ uur.

Artikel 18b:5:1:5 Vakantie en verlof

Lid 1

Voor vakantie, het overschrijven van vakantie naar een volgende jaar en andere vormen van (buitengewoon) verlof gelden de bepalingen uit de AVR.

Lid 2

Het verlof van de medewerker wordt jaarlijks conform het bepaalde in artikel 6:2:1, lid 4, van deel l van de AVR vermeerderd, waarbij voor 14,4 uren wordt gelezen 19,2 uren.

Lid 3

Ter compensatie van het gemis van de niet op zaterdag of zondag vallende feestdagen, wordt de vakantie van de medewerker jaarlijks met een gelijk aantal dagen vermeerderd.

Artikel 18b:6:1:1 Toelagen en vergoedingen

Lid 1

Voor de medewerker zijn de artikelen 3:3 en 3:3:1 van deel l van de AVR niet van toepassing.

Lid 2

De medewerker 24-uursdienst brandweer als bedoeld in deze regeling ontvangt voor het bezwarende karakter van de werkzaamheden maandelijks een vergoeding ter grootte van 17% van het maximumsalaris behorende bij schaal 6 van bijlage IIa van de AVR

Lid 3

De medewerker die wordt belast met piketdienst, heeft voor deze bereikbaarheidsdienst aanspraak op de vergoeding als bedoeld in hoofdstuk 20.

Artikel 18b:7:1:1 Overwerk

Voor de medewerker is artikel 3:2 en 3:2:1 van deel 1 van de AVR van toepassing, waarbij een correctiefactor van 1,33 geldt ten aanzien van de berekening van het verlof.

Artikel 18b:8:1:1Overige rechten en verplichtingen

In het belang van de organisatie kan piketdienst worden opgelegd. De medewerker, aan wie piket is opgedragen, is verplicht zich zo spoedig mogelijk na oproep te vervoegen bij de brandweerkazerne.

Artikel 18b:8:1:2

De medewerker is verplicht de alarmontvanger ten behoeve van alarmering steeds op ontvangst te hebben ingesteld.

Artikel 18b:8:1:3

Lid 1

De medewerker wordt periodiek onderworpen aan een geneeskundig onderzoek door een door het bestuur aangewezen geneeskundige, overeenkomstig de ter zake geldende richtlijnen.

Lid 2

De medewerker is op grond van het bepaalde in artikel 7:2:4 van deel l van de AVR verplicht zich te onderwerpen aan dit periodiek medisch onderzoek.

Lid 3

In geval van weigering kan de medewerker eervol worden ontslagen.

Artikel 18b:8:1:4

Op grond van het bepaalde in artikel 19a:4 van deel I van de AVR wordt de fysieke conditie van de medewerker getest met behulp van de fire-fittest.

19 Rechtspositieregeling vrijwilligers bij de gemeentelijke brandweer

Paragraaf 1 Algemene bepalingen

Artikel 19:1 Werkingssfeer

Artikel 19:2 Begripsbepaling

Artikel 19:3 Overleg met vakorganisaties

Artikel 19:4 Informatievoorziening aan de vrijwilliger

Artikel 19:5 Informatievoorziening aan derden

Artikel 19:1 Werkingssfeer

Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar die door het college aangesteld is als vrijwilliger bij de gemeentelijke brandweer.

Artikel 19:2 Begripsbepaling

Hoofdwerkgever: de werkgever waarbij de vrijwilliger in loondienst is.

Artikel 19:3 Overleg met vakorganisaties

Het overleg over de aangelegenheden die van algemeen belang zijn voor de rechtstoestand van de vrijwilligers vindt plaats in de op grond van artikel 12:1, tweede lid, van de CAR ingestelde commissie voor georganiseerd overleg. Dit geldt ook voor de algemene regels volgens welke het personeelsbeleid gevoerd zal worden.

Artikel 19:4 Informatievoorziening aan de vrijwilliger

Lid 1

De vrijwilliger ontvangt op zijn verzoek kosteloos een exemplaar van dit hoofdstuk, van de wijzigingen daarvan en van alle andere schriftelijke regels die hij bij de uitvoering van zijn werkzaamheden heeft na te leven.

Lid 2

De vrijwilliger die regels heeft na te leven die niet schriftelijk zijn vastgesteld wordt hierover naar behoren geïnformeerd.

Artikel 19:5 Informatievoorziening aan derden

Een exemplaar van dit hoofdstuk, van de wijzigingen daarvan en van alle regels die ter uitvoering van artikel 125 van de Ambtenarenwet voor de vrijwilliger worden getroffen met inbegrip van de wijzigingen daarop, worden kosteloos ter beschikking gesteld aan:

de vakorganisaties die deelnemen aan het georganiseerd overleg bedoeld in artikel 19:3, eerste lid;

ieder ander die daarvoor naar het oordeel van het college in aanmerking komt.

Paragraaf 2 Aanstelling en bevordering

Artikel 19:6 Aanstelling in vaste of tijdelijke dienst

Artikel 19:7 Voorwaarden voor aanstelling

Artikel 19:7a Vervallen

Artikel 19:8 Bericht van aanstelling

Artikel 19:9 Bevordering

Artikel 19:10 Vervallen

Artikel 19:6 Aanstelling in vaste of tijdelijke dienst

Lid 1

Het college kan de vrijwilliger aanstellen in vaste dienst, of in tijdelijke dienst voor een bepaalde periode.

Lid 2

Een aanstelling in tijdelijke dienst wordt alleen verleend bij wijze van proef.

Lid 3

Een aanstelling in tijdelijke dienst wordt voor een periode van maximaal twee jaar verleend. In bijzondere gevallen kan de tijdelijke aanstelling verlengd worden met een periode van ten hoogste een jaar.

Lid 4

Het college verleent de vrijwilliger een vaste aanstelling zodra de maximale termijn voor een tijdelijke aanstelling verstreken is, tenzij de proef niet geslaagd is.

Artikel 19:7 Voorwaarden voor aanstelling

Lid 1

Voor aanstelling als vrijwilliger kunnen alleen die personen in aanmerking komen die voldoen aan de eisen die het Besluit personeel veiligheidsregio’s daarvoor stelt.

Lid 2

Degene die in aanmerking wil komen voor aanstelling als vrijwilliger voldoet bovendien aan de volgende voorwaarden:

hij beschikt over de voor de brandweerdienst vereiste karaktereigenschappen;

hij is door de aard en de plaats van zijn dagelijkse werkzaamheden en de ligging van zijn woning, in staat om zijn taak bij de gemeentelijke brandweerdienst naar behoren te vervullen;

hij is ten minste 18 jaar.

Artikel 19:7a Vervallen

(Vervallen)

Artikel 19:8 Bericht van aanstelling

Lid 1

De vrijwilliger ontvangt voor indiensttreding kosteloos een bericht van aanstelling. Hierin wordt vermeld:

de naam, voornamen, geboorteplaats en geboortedatum van de vrijwilliger;

de duur van de aanstelling; bij een tijdelijke aanstelling wordt de periode waarvoor de aanstelling is aangegaan zo nauwkeurig mogelijk omschreven;

de ingangsdatum van de aanstelling;

de functie waarin de vrijwilliger is aangesteld en de vergoeding die aan hem wordt toegekend.

Lid 2

Het college deelt wijzigingen in de punten b tot en met d zo spoedig mogelijk, kosteloos, mee aan de vrijwilliger.

Artikel 19:9 Bevordering

Het college kan een vrijwilliger alleen tot een hogere functie bevorderen wanneer hij voldoet aan de eisen die het Besluit personeel veiligheidsregio’s daarvoor stelt. In het besluit tot bevordering worden ten minste de nieuwe functie en de daaraan verbonden vergoeding vermeld.

Artikel 19:10 Vervallen

(vervallen)

Paragraaf 3 Relatie hoofdwerkgever

Artikel 19:11 Informatie over hoofdwerkgever

Artikel 19:12 Informatie aan hoofdwerkgever

Artikel 19:11 Informatie over hoofdwerkgever

Lid 1

De vrijwilliger die in loondienst is verstrekt het college bij indiensttreding de contactgegevens van zijn hoofdwerkgever en informeert het college over zijn werktijden aldaar. De vrijwilliger informeert het college zo spoedig mogelijk over wijzigingen.

Lid 2

De vrijwilliger die werkzaam is als zelfstandig ondernemer informeert het college bij zijn indiensttreding hierover en verstrekt gegevens over de aard van zijn werkzaamheden en het tijdsbeslag daarvan. De vrijwilliger informeert het college zo spoedig mogelijk over wijzigingen.

Artikel 19:12 Informatie aan hoofdwerkgever

De vrijwilliger bericht zijn hoofdwerkgever zo spoedig mogelijk na indiensttreding dat:

hij aangesteld is als vrijwilliger bij de brandweer;

hij tijdens werktijd ingezet kan worden voor brandweerwerkzaamheden;

de Arbeidstijdenwet van toepassing is op zijn werkzaamheden voor de brandweer en dat bij de vaststelling van zijn werktijden hier rekening mee gehouden moet worden;

de gemeente hem een vergoeding verstrekt voor brandweeractiviteiten tijdens werktijd;

ingeval van ziekte als gevolg van een dienstongeval bij de brandweer, de hoofdwerkgever recht heeft op een vergoeding.

Paragraaf 4 Vergoedingen

Artikel 19:13 Vergoeding

Artikel 19:14 Jaarvergoeding

Artikel 19:15 Vergoeding voor oefeningen, cursussen en overige werkzaamheden

Artikel 19:16 Vergoeding voor daadwerkelijke brandbestrijding en hulpverlening

Artikel 19:17 Vergoeding voor langdurige aanwezigheid

Artikel 19:18 Consignatievergoeding

Artikel 19:19 Kazerneringsdienst

Artikel 19:20 Vergoeding tijdens en in verband met zwangerschap

Artikel 19:21 Opleidingskosten

Artikel 19:22 Gratificatie

Artikel 19:23 Fiscaal aantrekkelijke regelingen

Artikel 19:24 Salarismutaties

Artikel 19:13 Vergoeding

Lid 1

De vrijwilliger ontvangt zolang de aanstelling duurt een vergoeding overeenkomstig de regels van dit hoofdstuk en bijlage IIb van de CAR-UWO.

Lid 2

In afwijking van het eerste lid, ontvangt de medewerker die vanaf 31 december 1979 onafgebroken ambtenaar en als vrijwilliger werkzaam is, zolang de aanstelling duurt een vergoeding overeenkomstig de regels van dit hoofdstuk en bijlage IIc van de CAR-UWO.

Artikel 19:14 Jaarvergoeding

Lid 1

De vrijwilliger ontvangt elk kalenderjaar een jaarvergoeding.

Lid 2

De jaarvergoeding wordt vastgesteld op het bedrag dat in de bijlage, genoemd in artikel 19:13 is vermeld achter de functiecategorie, behorende bij de functie waarin de vrijwilliger is aangesteld, in de tweede kolom.

Lid 3

In de jaarvergoeding is een netto-bedrag opgenomen van € 136, ter vergoeding van onkosten die worden gemaakt in verband met de beroepsuitoefening.

Lid 4

In de jaarvergoeding voor de officieren is tevens een netto-onkostenvergoeding opgenomen van € 2 per in het kader van de beroepsuitoefening verrichte activiteit niet zijnde brandbestrijding of andere hulpverlening.

Artikel 19:15 Vergoeding voor oefeningen, cursussen en overige werkzaamheden

Lid 1

De vrijwilliger die deelneemt aan een oefening, een cursus volgt met toestemming van het college, of in opdracht van het college overige werkzaamheden verricht heeft recht op een vergoeding.

Lid 2

De vergoeding wordt vastgesteld aan de hand van het uurbedrag dat in de bijlage, genoemd in artikel 19:13 staat vermeld achter de functie waarin de vrijwilliger is aangesteld, in de derde kolom. Wanneer de vergoeding op nul is gesteld heeft de vrijwilliger voor die activiteit geen recht op vergoeding.

Lid 3

In de uurvergoeding genoemd in het tweede lid is een netto-onkostenvergoeding opgenomen van € 2 per activiteit voor vrijwilligers niet zijnde officieren.

Artikel 19:16 Vergoeding voor daadwerkelijke brandbestrijding en hulpverlening

Lid 1

De vrijwilliger die zich, na hiertoe opgeroepen te zijn, bezighoudt met daadwerkelijke brandbestrijding en hulpverlening ontvangt hiervoor een vergoeding.

Lid 2

De vergoeding wordt vastgesteld aan de hand van het uurbedrag dat in de bijlage, genoemd in artikel 19:13 staat vermeld achter de functiecategorie, behorende bij de functie van de vrijwilliger, in de vierde kolom.

Lid 3

In de uurvergoeding genoemd in het tweede lid is een netto-onkostenvergoeding opgenomen van € 2 per activiteit voor vrijwilligers niet zijnde officieren.

Artikel 19:17 Vergoeding voor langdurige aanwezigheid

Lid 1

De vrijwilliger die, in opdracht van het college, vijf uur of langer ingezet wordt voor oefeningen, cursussen of overige brandweerwerkzaamheden, ontvangt een vergoeding voor langdurige aanwezigheid. De vergoeding wordt vastgesteld aan de hand van het uurbedrag dat in bijlage, genoemd in artikel 19:13 staat vermeld achter de functiecategorie, behorende bij de functie waarin de vrijwilliger is aangesteld, in de vijfde kolom.

Lid 2

Wanneer de vergoeding op nul is gesteld heeft de vrijwilliger geen recht op een vergoeding voor langdurige aanwezigheid.

Lid 3

De vergoeding voor langdurige aanwezigheid wordt alleen verstrekt over die uren waarin de vrijwilliger daadwerkelijk geoefend heeft, een cursus gevolgd heeft of overige brandweerwerkzaamheden verricht heeft.

Artikel 19:18 Consignatievergoeding

De vrijwilliger die zich ter beschikking moet houden om opgeroepen te worden voor werkzaamheden ontvangt een consignatievergoeding. Deze vergoeding bedraagt:

per uur 16% van het bedrag genoemd in kolom drie van de bijlagen, genoemd in artikel 19:13 op zondagen, nieuwjaarsdag, tweede Paasdag, Hemelvaartsdag, tweede Pinksterdag, de beide Kerstdagen, de dag waarop de verjaardag van de koningin wordt gevierd en iedere andere dag die daarnaast door het college wordt aangewezen als feestdag;

per uur 10% van het bedrag genoemd in kolom drie van de bijlagen, genoemd in artikel 19:13 voor alle overige dagen.

Artikel 19:19 Kazerneringsdienst

Het college kan bij lokale regeling regels stellen over de vergoeding van kazerneringsdiensten.

Artikel 19:20 Vergoeding tijdens en in verband met zwangerschap

Lid 1

De vrijwilliger bedoeld in artikel 19:29 heeft gedurende de periode dat zij niet ingezet wordt in de repressieve brandweerdienst, of niet deelneemt aan oefeningen recht op doorbetaling van de vergoedingen bedoeld in artikel 19:15 tot en met 19:18.

Lid 2

De hoogte van deze vergoeding wordt berekend op basis van het bedrag dat de vrijwilliger gemiddeld over het kwartaal voorafgaand aan de eerste dag van het verlof ontvangen heeft. Indien het arbeidspatroon in deze periode sterk afwijkt van het gebruikelijke, past het college deze berekening toe op een kalenderkwartaal waarin wel sprake was van een gebruikelijk arbeidspatroon.

Artikel 19:21 Opleidingskosten

Het college vergoedt de kosten van het volgen van een opleiding of een cursus, deelname aan examens en het bijwonen van bijeenkomsten, voor zover deze in opdracht van of met toestemming van het college zijn gemaakt.

Artikel 19:22 Gratificatie

Bij lokale regeling kan het college regels vaststellen voor het toekennen van een gratificatie.

Artikel 19:23 Fiscaal aantrekkelijke regelingen

De vrijwilliger kan gebruik maken van de lokale regeling met fiscaal gunstige personeelsvoorzieningen.

Artikel 19:24 Salarismutaties

De algemene salarismutaties voor de sector gemeenten zoals die in het LOGA worden overeengekomen, zijn wat betreft het percentage en de ingangsdatum van overeenkomstige toepassing op de bedragen genoemd in bijlage bij artikel 19:13. De overeenkomstig het vorige lid berekende vergoedingen worden wat betreft de jaarvergoeding afgerond op hele euro’s en wat betreft de overige vergoedingen op eurocenten.

Paragraaf 5 Verzekeringen en schadevergoeding

Artikel 19:25 Ongevallenverzekering

Artikel 19:26 Vergoeding geneeskundige kosten

Artikel 19:27 Verzekering zelfstandig ondernemers

Artikel 19:28 Schade aan kleding en uitrusting

Artikel 19:25 Ongevallenverzekering

Lid 1

Het college sluit een ongevallenverzekering af voor de vrijwilliger.

Lid 2

De ongevallenverzekering keert uit bij overlijden, tijdelijke en blijvende arbeidsongeschiktheid als gevolg van een dienstongeval, overeenkomstig de polisvoorwaarden.

Lid 3

De vrijwilliger wordt bij indiensttreding geïnformeerd over de inhoud van de verzekering.

Lid 4

Wijzigingen worden zo spoedig mogelijk ter kennis van de vrijwilliger gebracht.

Lid 5

De vrijwilliger ontvangt op zijn verzoek kosteloos een afschrift van de polisvoorwaarden.

Artikel 19:26 Vergoeding geneeskundige kosten

Lid 1

Het college vergoedt de vrijwilliger de noodzakelijk gemaakte medische kosten die ontstaan zijn als gevolg van een dienstongeval en die voor zijn rekening blijven. De vergoeding bedraagt ten hoogste het bedrag waarvoor het college zich terzake heeft verzekerd.

Lid 2

Indien het verzekerde bedrag niet toereikend is om de in het eerste lid genoemde medische kosten van de vrijwilliger te vergoeden, kan het college in bijzondere gevallen een tegemoetkoming verstrekken in de hogere kosten.

Artikel 19:27 Verzekering zelfstandig ondernemers

Lid 1

Het college kan voor de vrijwilliger die zelfstandig ondernemer is een aanvullende verzekering sluiten die voorziet in een uitkering bij blijvende arbeidsongeschiktheid als gevolg van een dienstongeval.

Lid 2

Het college informeert de vrijwilliger die het betreft bij indiensttreding of deze verzekering voor hem is afgesloten en indien dat het geval is wordt de vrijwilliger geïnformeerd over de dekking van de verzekering.

Artikel 19:28 Schade aan kleding en uitrusting

Het college vergoedt de vrijwilliger de schade aan zijn kleding, uitrusting en een hem toebehorend motorrijtuig in de zin van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen, die hij buiten zijn schuld of nalatigheid lijdt ten gevolge van de door hem verrichtte werkzaamheden, voor zover de schade niet bestaat uit normale slijtage van die goederen.

Paragraaf 6 Zwangerschap

Artikel 19:29 Zwangerschap

Artikel 19:29 Zwangerschap

Lid 1

De vrijwilliger meldt haar zwangerschap in een zo vroeg mogelijk stadium bij het college.

Lid 2

Gedurende de zwangerschap, tot zes maanden daarna en tijdens de periode van borstvoeding wordt de vrijwilliger niet ingezet voor repressieve brandweeractiviteiten.

Lid 3

Deelname aan brandweeroefeningen in de in het tweede lid genoemde situaties vindt alleen plaats na voorafgaande toestemming door de bedrijfsarts.

Paragraaf 7 Beschikbaarheid en overige plichten vrijwilliger

Artikel 19:30 Beschikbaarheid van de vrijwilliger

Artikel 19:31 Verplichtingen

Artikel 19:32 Eed of belofte

Artikel 19:33 Verboden

Artikel 19:34 Gebruik van motorrijtuig

Artikel 19:35 Kledingvoorschrift

Artikel 19:36 Verboden ten aanzien van de kleding

Artikel 19:37 Vergoeding van schade

Artikel 19:30 Beschikbaarheid van de vrijwilliger

Lid 1

Het college stelt regels over de beschikbaarheid van de vrijwilliger voor de brandweerdienst.

Lid 2

De vrijwilliger neemt deel aan oefeningen, bijeenkomsten en cursussen die door of vanwege het college zijn georganiseerd.

Lid 3

De vrijwilliger die niet beschikbaar is voor de brandweerdienst, of niet kan deelnemen aan een oefening, bijeenkomst of cursus doet daarvan tijdig melding, onder opgave van redenen en overeenkomstig de instructie van het college.

Artikel 19:31 Verplichtingen

De vrijwilliger dient zijn werkzaamheden nauwgezet en ijverig te verrichten en zich te gedragen als een goed vrijwilliger.

Artikel 19:32 Eed of belofte

De vrijwilliger is verplicht de eed of belofte af te leggen die bij wet, bij instructie of bij besluit van het college is voorgeschreven.

Artikel 19:33 Verboden

Het is de vrijwilliger verboden:

de aan de gemeente toebehorende eigendommen aan te wenden voor persoonlijk gebruik, tenzij hiervoor toestemming is verleend door of namens het college;

vergoedingen, beloningen, giften of beloften van derden te vorderen, te verzoeken of aan te nemen, tenzij hiervoor toestemming is verleend door of namens het college;

steekpenningen aan te nemen.

Artikel 19:34 Gebruik van motorrijtuig

Het is de vrijwilliger slechts toegestaan een motorrijtuig in de zin van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen te gebruiken ten behoeve van zijn werkzaamheden als vrijwilliger, indien hem daartoe door het college toestemming is verleend. Aan deze toestemming kunnen bepaalde voorwaarden worden verbonden.

Artikel 19:35 Kledingvoorschrift

Lid 1

De vrijwilliger is verplicht tijdens zijn werkzaamheden de door het college voorgeschreven dienstkleding en uitrustingsstukken te dragen.

Lid 2

De dienstkleding en uitrustingsstukken worden door het college kosteloos in bruikleen verstrekt aan de vrijwilliger, die bij ontslag verplicht is deze bij het college in te leveren.

Lid 3

De vrijwilliger draagt zorg voor het onderhoud van de hem in bruikleen verstrekte dienstkleding en uitrustingsstukken en hij is verplicht deze te doen onderwerpen aan inspectie en controle, wanneer daartoe door het college opdracht is gegeven.

Lid 4

Het college is verantwoordelijk voor reparatie van de dienstkleding en uitrustingsstukken.

Artikel 19:36 Verboden ten aanzien van de kleding

Het is de vrijwilliger verboden:

de dienstkleding en uitrustingsstukken te dragen wanneer hij geen werkzaamheden als vrijwilliger verricht, behalve in de gevallen waarin het college daarvoor toestemming heeft verleend;

de dienstkleding en uitrustingsstukken aan derden in bruikleen te geven;

dienstkleding te dragen voorzien van:

andere rangonderscheidingstekenen dan die verbonden aan de rang, behorende bij de functie die de vrijwilliger bekleedt;

insignes en andere onderscheidingstekenen, tenzij tot het dragen daarvan door de staat of door het college toestemming is verleend.

Artikel 19:37 Vergoeding van schade

Lid 1

De vrijwilliger die door zijn schuld of nalatigheid de gemeente schade toebrengt kan verplicht worden deze schade geheel of gedeeltelijk te vergoeden.

Lid 2

De vrijwilliger wordt in de gelegenheid gesteld om zijn wensen kenbaar te maken ten aanzien van de inhouding van de schadevergoeding op zijn vergoeding.

Paragraaf 8 Disciplinaire maatregelen schorsing in het belang van de dienst

Artikel 19:38 Plichtsverzuim

Artikel 19:39 Disciplinaire straffen

Artikel 19:40 Schorsing in het belang van de dienst

Artikel 19:38 Plichtsverzuim

Lid 1

De vrijwilliger die zich aan plichtsverzuim schuldig maakt, kan disciplinair worden gestraft.

Lid 2

Plichtsverzuim omvat zowel het overtreden van een voorschrift als het overigens doen of nalaten van iets dat een goed vrijwilliger in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.

Artikel 19:39 Disciplinaire straffen

De volgende disciplinaire straffen kunnen worden opgelegd:

schriftelijke berisping;

inhouding van een deel van de jaarvergoeding bedoeld in artikel 19:14;

schorsing voor een bepaalde tijd, al dan niet met inhouding van de vergoeding;

ongevraagd ontslag.

Artikel 19:40 Schorsing in het belang van de dienst

De vrijwilliger kan voor een bepaalde tijd geschorst worden:

wanneer hem de straf van disciplinair ontslag is opgelegd of hem het voornemen daartoe kenbaar is gemaakt;

wanneer tegen hem, op grond van het daartoe bepaalde in het Wetboek van Strafvordering, een bevel tot inverzekeringstelling of voorlopige hechtenis ten uitvoer wordt gelegd;

wanneer tegen hem een strafrechtelijke vervolging is ingesteld wegens misdrijf;

in andere gevallen waarin het belang van de dienst dit noodzakelijk maakt.

Paragraaf 9 Ontslag

Artikel 19:41 Ontslag op eigen verzoek

Artikel 19:42 Ongevraagd ontslag

Artikel 19:43 Einde tijdelijk dienstverband

Artikel 19:41 Ontslag op eigen verzoek

Lid 1

Het college verleent eervol ontslag aan de vrijwilliger die daarom verzoekt.

Lid 2

Dit ontslag wordt verleend met ingang van een datum die ten minste een maand en ten hoogste drie maanden ligt na de datum van ontvangst van het verzoek.

Lid 3

Het college kan een beslissing op het verzoek om eervol ontslag aanhouden, wanneer tegen de vrijwilliger een strafrechtelijke vervolging wegens misdrijf loopt, of wanneer overwogen wordt de vrijwilliger disciplinair te straffen. Beslissing op het ontslagverzoek vindt plaats zodra de uitspraak van de rechter onherroepelijk geworden is, respectievelijk zodra besloten is de vrijwilliger al dan niet disciplinair te straffen.

Artikel 19:42 Ongevraagd ontslag

Lid 1

Het college kan de vrijwilliger ongevraagd ontslag verlenen op grond van:

het eindigen van de noodzaak tot beschikbaarheidsstelling of wegens verandering van de brandweerorganisatie;

de omstandigheid dat hij door de aard of de plaats van zijn dagelijkse werkzaamheden dan wel de ligging van zijn woning geacht moet worden niet langer in staat te zijn taak bij de brandweer te vervullen;

onbekwaamheid of ongeschiktheid tot het verrichten van zijn werkzaamheden op grond van ziekten of gebreken;

onbekwaamheid of ongeschiktheid tot het verrichten van zijn werkzaamheden anders dan op grond van ziekten of gebreken;

onder curatelestelling;

toepassing van lijfsdwang wegens schulden krachtens onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak;

onherroepelijk geworden veroordeling tot vrijheidsstraf wegens misdrijf;

een in het ontslagbesluit genoemde andere grond;

Lid 2

Het ongevraagd ontslag wordt eervol verleend, met uitzondering van het ontslag op de grond genoemd in het eerste lid, onderdeel g van dit artikel.

Artikel 19:43 Einde tijdelijk dienstverband

Lid 1

De tijdelijke aanstelling eindigt van rechtswege op de laatste dag van de periode waarvoor deze is aangegaan. Wordt het dienstverband nadien feitelijk gehandhaafd zonder dat opnieuw een tijdelijke aanstelling is verleend, dan is de vrijwilliger met ingang van de eerste dag na het verstrijken van vorenbedoelde periode in vaste dienst.

Lid 2

De tijdelijke aanstelling kan tussentijds ongevraagd beëindigd worden op een van de gronden genoemd in artikel 19:42.

Bijlagen

Vergoedingentabel vrijwilligers bij de gemeentelijke brandweer per 1 april 2015

 jaarvergoeding uurbedrag oefeningen en cursussen e.d. uurbedrag voor brandbestrijding en hulpverlening uurbedrag voor langdurige aanwezigheid
1. aspirant manschap a 330,0010,2019,0712,71
2. Manschap A, Chauffeur, Voertuigbediener, Gaspakdrager, Brandweerduiker, Verkenner gevaarlijke stoffen 330,0011,7222,0314,68
3. Manschap B, duikploegleider, langer dan 5 jaar manschap A, manschap A en ten minste twee specialisaties uit categorie 2 330,0013,0024,3816,25
4. bevelvoerder 495,0016,2830,6120,41
5. officier van dienst 3902,000,0039,020,00
6 hoofdofficier van dienst, adviseur gevaarlijke stoffen 5603,000,0056,030,00
7.commandant van dienst 8335,000,0062,520,00

Gebruteerde vergoedingentabel vrijwilligers bij de gemeentelijke brandweer per 1 april 2015

 jaarvergoeding uurbedrag oefeningen en cursussen e.d. uurbedrag voor brandbestrijding en hulpverlening uurbedrag voor langdurige aanwezigheid
1. Aspirant manschap A334,0010,3419,4012,92
2. Manschap A, Chauffeur, Voertuigbediener, Gaspakdrager, Brandweerduiker, Verkenner gevaarlijke stoffen334,0011,9422,4814,98
3. Manschap B, duikploegleider, langer dan 5 jaar manschap A, manschap A en ten minste twee specialisaties uit categorie 2 334,0013,2324,7716,52
4. bevelvoerder503,0016,5631,0820,72
5. officier van dienst3977,000,0039,770,00
6 hoofdofficier van dienst, adviseur gevaarlijke stoffen 5704,000,0057,040,00
7.commandant van dienst 8491,000,0063,640,00

In deze bijlage is de tabel opgenomen die uitsluitend geldt voor de zeer beperkte categorie vrijwilligers bij de brandweer voor wie de vergoedingen tot het inkomen in de zin van het Pensioenreglement worden gerekend. Het gaat hierbij om personen die vóór 1 januari 1980 een aanstelling hadden als vrijwilliger bij de gemeentelijke brandweer. Onder bepaalde voorwaarden vielen zij onder de werking van de Algemene Burgerlijke Pensioenwet (ABP-wet). Op 1 januari 1980 is de regeling op dit punt gewijzigd en zijn vrijwilligers bij de gemeentelijke brandweer uitgesloten van het ambtenaarschap in de zin van de ABP. Bij de wijziging in 1980 is een overgangsmaatregel getroffen. Deze hield in dat vrijwilligers die op 31 december 1979 al ambtenaar waren, het ambtenaarschap behielden zolang zij in dezelfde dienstverhouding werkzaam bleven. Op grond van deze overgangsbepaling zijn er nu nog vrijwilligers bij de brandweer die overheidswerknemer zijn en pensioen opbouwen bij het ABP. Degenen die na 1 januari 1980 zijn aangesteld, zijn per definitie geen ABP-deelnemer. Voor hen is deze bijlage niet van belang, maar geldt bijlage 11.

19 Uitvoeringsregeling Rechtspositie brandweervrijwilligers Veiligheidsregio Limburg-Noord

Inhoudsopgave

Artikel 1 Algemeen

Artikel 2 Selectie en aanstelling

Artikel 3 Jaarvergoeding

Artikel 4 Uitrukvergoeding (voor brandbestrijding en hulpverlening)

Artikel 5 Consignatievergoeding

Artikel 6 Piketfunctionarissen

Artikel 7 Kazerneringsvergoeding ‘hybride kazernes’

Artikel 8 Kazerneringsvergoeding ‘vrijwillige kazernes’

Artikel 9 Uitruk dagdienstpersoneel

Artikel 10 Vergoeding voor oefeningen, cursussen, studie en overige werkzaamheden

Artikel 11 Vergoeding voor medische keuring

Artikel 12 Afronding uurvergoeding

Artikel 13 Ziekte en arbeidsongeschiktheid

Artikel 14 Reis- en verblijfskostenregeling

Artikel 15 Bevorderingen

Artikel 16 Verzekeringen

Artikel 17 Rechtsbijstandverzekering

Artikel 18 Vrijwilliger met niet repressieve taken (voluntair)

Artikel 19 Gratificatie bij ambtsjubilea en andere persoonlijke gebeurtenissen

Artikel 20 Deelname wedstrijdploeg

Artikel 21 Cafetariaregeling

Artikel 22 Telefoonkostenvergoeding

Artikel 23 Personeelsvoorzieningen

Artikel 24 Ontslag

Artikel 25 Hardheidsclausule

Artikel 26 Inwerkingtreding

Declaratie inzeturen vrijwillig piketfunctionaris brandweer

Artikel 1 Algemeen

Lid 1

Voor de toepassing van deze uitvoeringsregeling wordt verstaan onder vrijwilliger: vrijwilliger in de zin van de rechtspositie vrijwilliger conform CAR hoofdstuk 19.

Lid 2

Cumulatie van vergoedingen voor verschillende werkzaamheden die zich gelijktijdig voordoen (bijvoorbeeld uitruk en oefenen) is niet mogelijk. Alsdan geldt de van toepassing zijnde hoogste vergoeding uit de vergoedingentabel (bijlage IIb bij artikel 19:13 CAR, deel I AVR).

Lid 3

Cumulatie van vergoeding voor activiteiten die binnen hetzelfde (vergoedings)uur vallen is evenmin mogelijk, behoudens het bepaalde in artikel 4 (uitrukvergoeding), lid 5.

Lid 4

In gevallen waarin deze uitvoeringsregeling niet voorziet kan het bestuur, met overeenstemming van het GO, nadere voorschriften stellen.

Lid 5

De directeur Veiligheidsregio Limburg-Noord, bepaalt, de specifieke bedrijfsvoeringsprofielen voor de verschillende kazernes (vrije instroom, consignatie- en kazerneringsprofielen).

Artikel 2 Selectie en aanstelling

Lid 1

Conform hoofdstuk 19, paragraaf 2 van de CAR (deel I AVR) en mandatering VRLN d.d. 5 februari 2014.

Lid 2

De selectie geschiedt door de afdelingscoördinator in overleg met de postcommandant en de leidinggevenden, zij worden hierbij ondersteund door het team P&O.

Lid 3

Aanstelling vindt plaats nadat:

een positieve verklaring omtrent gedrag door de aan te stellen vrijwilliger is overgelegd. De gemaakte kosten voor het verkrijgen van deze verklaring worden door Veiligheidsregio Limburg-Noord niet vergoed.

een verklaring dat men medisch geschikt (aanstellingskeuring) is bevonden is overlegd.

Lid 4

De vrijwilliger, die op het moment van de aanstelling bij wijze van proef niet in het bezit is van het diploma manschap A, kan alleen dan voor een vaste aanstelling in aanmerking komen indien hij aan het einde van zijn proeftijdaanstelling van maximaal twee jaar, minimaal zijn diploma deeltaak 1 heeft behaald en voldoet aan redelijk te stellen eisen voor vaste benoembaarheid met minimaal een voldoende beoordeling. In bijzondere gevallen kan de tijdelijke aanstelling eenmalig worden verlengd met een periode van ten hoogste 1 jaar.

Lid 5

De vrijwilliger wordt aangemerkt als interne kandidaat bij de Veiligheidsregio Limburg-Noord bij wervings- en selectietrajecten.

Artikel 3 Jaarvergoeding

Lid 1

Conform artikel 19:14 CAR (deel I AVR).

Lid 2

De jaarvergoeding wordt in 12 maandelijks gelijke delen vergoed/betaald.

Lid 3

Bij gevraagd of ongevraagd ontslag eindigt de maandelijkse jaarvergoeding op de dag van het ontslag.

Lid 4

Tijdens ziekte of tijdens afwezigheid anderszins met goedkeuring van de postcommandant, blijft het recht op de vaste jaarvergoeding onverkort van kracht, tenzij anders is bepaald.

Artikel 4 Uitrukvergoeding (voor brandbestrijding en hulpverlening)

Lid 1

Conform artikel 19:16 CAR (deel I AVR)

Lid 2

Bij opkomst en daadwerkelijke inzet na een alarmmelding geldt als totale vergoedingstijd de werkelijke uitruktijd (= tijdstip alarmering tot tijdstip terugmelding kazerne) conform de registratie van de alarmcentrale.

Lid 3

De vrijwilliger die werkzaamheden verricht in de vorm van brandbestrijding of hulpverlening heeft recht op een vergoeding van minimaal 1 uur.

Lid 4

Bij opkomst zonder inzet na een alarmmelding, is deze vergoeding gelijk aan een vergoeding van 1 uur, mits in de kazerne wordt gewacht totdat de bevelvoerder aangeeft dat géén extra materieel of menskracht nodig is en men niet later dan 10 minuten na alarmering (referentietijd = lichtkrant) in de kazerne is gearriveerd.

Lid 5

Bij uitrukken achter elkaar (zonder terugkeer naar de kazerne) of indien een oproep voor een nieuwe activiteit binnen 5 minuten na terugkomst op de kazerne plaatsvindt, is sprake van voortzetting van dezelfde activiteit.

Artikel 5 Consignatievergoeding

Conform artikel 19:18 CAR (deel I AVR).

Artikel 6 Piketfunctionarissen

De vrijwilliger die benoemd is in de operationele functie van Officier van Dienst, Hoofd Officier van Dienst, Adviseur Gevaarlijke Stoffen en/of Meetplanleider, Commandant van Dienst worden vergoed conform bijlage IIb CAR (deel I AVR).

Artikel 7 Kazerneringsvergoeding ‘hybride kazernes’

Lid 1

De vrijwilliger die werkzaamheden uitvoert in het kazerneringsprofiel ‘hybride kazernes’ volgt de dagindeling van de beroepsmedewerker.

Lid 2

De vergoeding betreft een gemiddelde van planbare arbeid, uitruk en paraatheid (wachten/slaaptijd) (onder planbare arbeid wordt sporten, oefenen en overige werkzaamheden verstaan).

Lid 3

De vrijwilliger werkzaam volgens het kazerneringsprofiel ‘hybride kazernes’ ontvangt hiervoor de volgende vergoedingen:

uitrukvergoeding (vergoeding voor daadwerkelijke brandbestrijding en hulpverlening) conform kolom 4 (uitrukvergoeding) bijlage IIb CAR (deel I AVR)

vergoeding voor overige werkzaamheden langer dan 5 uur conform kolom 5 (langdurige aanwezigheid) bijlage IIb CAR

vergoedingen voor overige werkzaamheden korter dan 5 uur conform kolom 3 (oefenvergoeding) bijlage IIb CAR (deel I AVR)

vergoeding voor slaap/wachtdienst = 50% van de oefenvergoeding conform kolom 3 (oefenvergoeding) bijlage IIb CAR (deel I AVR).

Lid 4

De vrijwilliger die conform het vigerende rooster van de SIV werkzaamheden verricht ontvangt de volgende vergoedingen:

vergoeding voor slaap/wachtdienst = 50% van de oefenvergoeding conform kolom 3 (oefenvergoeding) bijlage IIb CAR (deel I AVR) voor eigen werkzaamheden

vergoeding voor langdurige aanwezigheid bij werkzaamheden in opdracht van VRLN conform kolom 5 (langdurige aanwezigheid) bijlage IIb CAR (deel I AVR)

Lid 5

Bij niet geplande kazernering, waarbij de kazernering binnen 24 uur voor de kazernering door de leiding van de betreffende vrijwillige kazerne kenbaar wordt gemaakt, geldt voor de duur van de kazernering een uitrukvergoeding conform kolom 4 bijlage IIb CAR (deel I AVR).

Artikel 8 Kazerneringsvergoeding ‘vrijwillige kazernes’

Een vrijwilliger werkzaam volgens het kazerneringsprofiel ‘vrijwillige kazernes’, ontvangt hiervoor de volgende vergoedingen:

Uitrukvergoeding (vergoeding voor daadwerkelijke brandbestrijding en hulpverlening conform kolom 4 (uitrukvergoeding), bijlage IIb CAR (deel I AVR)

Vergoeding voor overige werkzaamheden langer dan 5 uur conform kolom 5 (langdurige aanwezigheid) bijlage IIb CAR

Vergoeding voor oefenen en overige werkzaamheden korter dan 5 uur (vergoeding voor oefenen en cursussen) conform kolom 3 (oefenvergoeding) bijlage IIb CAR (deel I AVR)

Bij niet geplande kazernering, waarbij kazernering binnen 24 uur voor de kazernering door het management kenbaar wordt gemaakt, geldt voor de duur van de kazernering een uitrukvergoeding.

Dit artikel is van toepassing op de vrijwillige kazernes op basis van het bedrijfsvoeringsprofiel vrije instroom of consignatie.

Artikel 9 Uitruk dagdienstpersoneel

Lid 1

Vrijwilligers met een hoofdfunctie, anders dan een functie binnen de 24uurs dienst, binnen de VRLN, die tevens een aanstelling hebben als brandweervrijwilliger binnen VRLN, kunnen als vrijwilliger worden ingezet teneinde in een dag situatie een eerste of tweede uitruk te kunnen laten plaatsvinden.

Lid 2

Medewerkers met hoofdfunctie, anders dan de 24 uurs beroepsdienst, binnen de VRLN en tevens brandweervrijwilliger, krijgen alleen reguliere uurloon betaald. Er vindt al capaciteitsverlies plaats in de hoofdfunctie bij daadwerkelijke inzetten.

Lid 3

Indien de uitruk langer duurt dan de reguliere werktijd in de hoofdfunctie, worden de meer uren tegen de geldende uitrukvergoeding vergoed.

Artikel 10 Vergoeding voor oefeningen, cursussen, studie en overige werkzaamheden

Lid 1

Conform artikel 19:15 en 19:21 CAR (deel I AVR) en bijlage IIb behorende bij artikel 19:13 CAR (deel I AVR).

Lid 2

Dit artikel is van toepassing op de vrijwilliger werkzaam binnen het bedrijfsprofiel ‘vrije instroom” en “consignatie”.

Lid 3

De vergoeding geldt voor alle voorkomende werkzaamheden behoudens de uitruk (bijvoorbeeld: opleidingen/cursussen/examens, medische keuringen, vergaderingen, controle en overige werkzaamheden).

Lid 4

Voor cursussen en examen geldt dat het werkelijk aantal uren worden vergoed (inclusief 1 uur reistijd binnen regio), voor het afleggen van een examen wordt de daadwerkelijke tijd vergoed tot maximaal 8 uur.

Lid 5

Het werkelijk aantal oefenuren (exclusief reistijd) worden vergoed. Oefeningen duren in principe 2 uur, tenzij de oefening aanmerkelijk langer duurt (ter beoordeling van de postcommandant). Degene die belast is met de voorbereiding van de oefening (oefenleider, oefeninstructeur, oefencoördinator) krijgt de voorbereidingstijd per oefening vergoed met een maximum van 2 uur op basis van de oefenvergoeding (kolom 3) van bijlage IIb19:13 CAR (deel I AVR).

Lid 6

Indien de oefening, cursus, opleiding of examen plaatsvindt op de eigen post wordt geen reistijd vergoed.

Lid 7

Voor oefeningen, cursussen, opleidingen of examens die buiten de eigen post plaatsvinden wordt de daadwerkelijke reistijd voor de heen- en terugreis vergoed met een maximum van 1 uur (enkele reis).

Lid 8

Voor het bijwonen van vergaderingen cq. nazorg geldt de daadwerkelijke tijd conform de oefenvergoeding (kolom 3) van bijlage IIb19:13 CAR (deel I AVR).

Lid 9

Voor de uitvoering van koude taken (brandveilig leven) worden de daadwerkelijke uren vergoed conform de oefenvergoeding (kolom 3) bijlage IIb CAR (deel I AVR).

Lid 10

De vaste vergoeding voor de vrijwilliger die benoemd is als postcommandant is vastgesteld op 100 respectievelijk 150 uur op jaarbasis, afhankelijk van de grootte van de aan te sturen vrijwillige post, conform de oefenvergoeding (kolom 3) bijlage IIb CAR (deel I AVR).

Lid 11

Vergoeding voor realistisch oefenen in een oefencentrum is vastgesteld op maximum 16 uur (inclusief reistijd, oefentijd, ademlucht vullen, opruimwerkzaamheden, e.d.)

Lid 12

De vrijwilliger die, in opdracht van het Dagelijks Bestuur, 5 uur of langer wordt ingezet voor oefeningen, cursussen of overige brandweerwerkzaamheden, ontvangt een vergoeding voor de daadwerkelijke uren wegens langdurige aanwezigheid op basis van kolom 5 bijlage IIb CAR (deel I AVR).

Lid 13

Er vindt geen vergoeding plaats voor eventuele zelfstudie in het kader van opleidingen en cursussen.

Lid 14

Indien de opleiding/cursus/examen niet succesvol, ten gevolge van aan de vrijwilliger verwijtbare omstandigheden kan worden vervolgd dan wel is afgerond, komen de studiekosten en –uren geheel voor eigen rekening van de vrijwilliger.

Lid 15

De toestemming tot het volgen van een opleiding wordt eerst dan verleend indien de vrijwilliger zich schriftelijk akkoord heeft verklaard met de voorwaarden die kunnen leiden tot een terugbetalingsverplichting van de studiekosten.

Lid 16

Van een volledige terugbetalingsverplichting is sprake indien de vrijwilliger de opleiding /cursus verwijtbaar niet met goed gevolg heeft beëindigd. Dit kan betrekking hebben op:

verwijtbaar ontslag of op eigen verzoek;

het op eigen verzoek beëindigen van de opleiding/cursus zonder dat daar op grond van redelijkheid en billijkheid een zwaarwegend persoonlijk belang onder heeft gelegen;

het verwijtbaar (bijv. veelvuldig verzuim anders dan ziekte) met onvoldoende resultaat afsluiten van de opleiding.

de terugbetalingsverplichting geldt tot 2 jaar na beëindiging van de opleiding/cursus.

Lid 17

Indien op de datum van ingang van het ontslag van de in de vorige passage genoemde termijn van 2 jaar, tenminste één jaar is verstreken, blijft de verplichting tot terugbetaling beperkt tot 1/24 gedeelte van de genoten bedragen voor iedere volle maand die aan de termijn van 2 jaren ontbreekt.

Artikel 11 Vergoeding voor medische keuring

Lid 1

De kosten van de periodieke medische keuring / PPMO worden door Veiligheidsregio Limburg-Noord vergoed.

Lid 2

De vrijwilliger ontvangt voor de medische keuring / PPMO een vergoeding van 4 uur inclusief reistijd (conform kolom 3 (oefenvergoeding) van de bijlage IIb behorende bij artikel 19:13 CAR, deel I AVR).

Artikel 12 Afronding uurvergoeding

Met inachtneming van het gestelde in artikel 4 lid 3, worden alle minuten, volgend op het eerste uur, in het eerste halfuur van ieder uur afgerond naar 30 minuten en alle minuten meer dan 30 minuten, afgerond naar een uur.

Artikel 13 Ziekte en arbeidsongeschiktheid

Lid 1

Bij ziekte blijft de jaarvergoeding onverkort van kracht. De overige vergoedingen zijn niet meer van toepassing.

Lid 2

Ziek voor de hoofdwerkgever betekent tevens ziek voor de Veiligheidsregio Limburg-Noord, tenzij de hoofdwerkgever schriftelijk toestemming verleent aan de Veiligheidsregio Limburg-Noord om brandweerwerkzaamheden te verrichten en er goedkeuring is van de bedrijfsarts van de Veiligheidsregio Limburg-Noord.

Artikel 14 Reis- en verblijfskostenregeling

Lid 1

De reis- en verblijfskostenregeling Veiligheidsregio Limburg-Noord, is van toepassing op de vrijwilliger van Veiligheidsregio Limburg-Noord.

Lid 2

Vergoeding voor verplaatsingen met eigen voertuig tussen kazernes vindt eveneens plaats op basis van deze regeling.

Lid 3

Veiligheidsregio Limburg-Noord kent geen vergoeding toe voor woon-werk verkeer.

Lid 4

Voor de vrijwilligers die ingeroosterd zijn ten behoeve van de SIV, anders dan op hun eigen post, kunnen de meer kilometers van eigen post naar post SIV declareren conform de reis- en verblijfskostenregeling VRLN.

Artikel 15 Bevorderingen

Lid 1

Conform artikel 19:9 CAR (deel I AVR).

Lid 2

De bevordering kan alleen dan plaatsvinden wanneer de vrijwilliger voldoet aan de eisen die het Besluit Personeel Veiligheidsregio’s daarvoor stelt.

Lid 3

Veiligheidsregio Limburg-Noord zal een regionaal bevorderingsbeleid verder uitwerken.

Artikel 16 Verzekeringen

Lid 1

Conform artikel 19:25 t/m 19:28 CAR (deel I AVR)

Lid 2

Via de veiligheidsregio Limburg-Noord zijn de verzekeringen afgesloten.

Artikel 17 Rechtsbijstandverzekering

Het betreft juridisch advies en/of rechtsbijstand. Verzekerde is:

de ambtenaar die door of vanwege verzekeringsnemer is aangesteld om in openbare dienst werkzaam te zijn, alsmede hij met wie een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht is aangegaan.

de vrijwilliger van verzekeringnemer indien verzekeringnemer een veiligheidsregio of ambulance organisatie is.

de vrijwilliger die door verzekeringsnemer op basis van (dienst)opdracht wordt ingezet bij rampenbestrijding, niet zijnde diegenen bedoeld in lid 1 en 2 van dit artikel.

Artikel 18 Vrijwilliger met niet repressieve taken (voluntair)

Lid 1

Onder een vrijwilliger met niet repressieve taken wordt verstaan: iemand die als vrijwilliger wordt aangesteld bij de Veiligheidsregio Limburg-Noord, conform artikel 19:1 CAR (deel I AVR),maar die geen repressieve taak uitoefent.

Lid 2

Een vrijwilliger met niet repressieve taken is ondersteunend aan de primaire taak van de brandweer.

Lid 3

Een vrijwilliger met niet repressieve taken voert deze alleen uit in opdracht van de postcommandant.

Lid 4

Voor de bepaling van het vergoedingstarief is aansluiting gezocht bij de reeds in de tabel opgenomen functies. De inhoud van de bij deze functies behorende kwalificatie profielen is bepalend voor de vergoeding:

Functies die los staan van de primaire brandweertaakKinderoppas vrijwillige kazerneVergoeding volgens functie aspirant manschap A
Functies die gericht zijn op de voorbereiding van daadwerkelijke brandweertaak  Vergoeding volgens functie Manschap A
Functies die specifiek gericht zijn op voorlichting geven binnen de brandweertaakBrandveilig leven Ondersteuner bij lokale oefeningen vrijwillige kazerneVergoeding volgens functie Manschap B
Functies die gericht zijn op begeleidende taak binnen de brandweertaak  Vergoeding volgens functie Bevelvoerder

Artikel 19 Gratificatie bij ambtsjubilea en andere persoonlijke gebeurtenissen

Lid 1

Conform artikel 19:22 CAR (deel I AVR)

Lid 2

De vrijwilliger heeft recht op een ambtsjubileumgratificatie. De hoogte van voornoemde gratificatie varieert afhankelijk van het aantal dienstjaren. Bij 25 en 40 jaar in dienst als vrijwilliger bestaat het recht op een gratificatie ter hoogte van € 45,00 netto per vol dienstjaar als vrijwilliger.

Lid 3

De Veiligheidsregio Limburg-Noord, stelt jaarlijks een vergoeding beschikbaar voor de vrijwilligers voor een activiteit per post. Het bedrag dat hiervoor beschikbaar wordt gesteld, betreft € 100,00 per vrijwilliger.

Lid 4

Aan de regeling lief en leed wordt conform het vigerende attentiebeleid uitvoering gegeven.

Artikel 20 Deelname wedstrijdploeg

Lid 1

Voor de aan wedstrijden deelnemende ploeg geldt dat er ter voorbereiding op deelname aan de brandweerwedstrijd maximaal 6 voorbereidende oefeningen per jaar van elke maximaal 2 uur worden vergoed conform oefenvergoeding (kolom 3) bijlage IIb CAR (deel I AVR).

Lid 2

Voor deelname aan brandweerwedstrijden (gewest, landelijk, provinciaal) wordt per wedstrijdploeg € 150,00 netto ter beschikking gesteld voor de te maken reis- en verblijfskosten.

Lid 3

Indien voor deelname aan landelijke brandweerwedstrijden geen eigen vervoer mogelijk is, kan de deelnemende ploeg een verzoek doen voor gebruik dienstvervoer bij de manager Veiligheid.

Lid 4

De daadwerkelijke tijd voor deelname aan de brandweerwedstrijd wordt niet vergoed.

Artikel 21 Cafetariaregeling

De vrijwilliger kan deelnemen aan dezelfde binnen Veiligheidsregio Limburg-Noord tertiaire regelingen (o.a. regeling fietsplan, bedrijfsfitness) als de medewerker in beroepsdienst, mits kan worden aangetoond dat hij/zij geen gebruik van kan maken van een inhoudelijk gelijkluidende dan wel vergelijkbare regeling bij de hoofdwerkgever.

Artikel 22 Telefoonkostenvergoeding

Indien het voor de functie postcommandant noodzakelijk is, ontvangt de vrijwilliger die benoemd is in de functie van postcommandant een tegemoetkoming in de kosten van maximaal € 10,00 netto per maand.

Artikel 23 Personeelsvoorzieningen

Lid 1

Personeelsvoorzieningen/-verzekeringen zijn ondergebracht bij Achmea Centraal Beheer.

Lid 2

De vrijwilliger heeft de vrije keuze om hier gebruik van te maken.

Artikel 24 Ontslag

Conform hoofdstuk 19, paragraaf 9 CAR (deel I AVR)

Het afscheid wordt gevierd in het eigen korps. De kosten zijn voor rekening van het organisatieonderdeel. De vrijwilliger ontvangt een afscheidstoelage. Bij ontslag als gevolg van medische reden, vanwege leeftijd of ontslag op eigen verzoek ontvangt de vrijwilliger een toelage van € 45,00 netto welke verhoogd wordt met € 4,50 netto voor ieder vol jaar dat de vrijwilliger in werkzaam is geweest bij de Veiligheidsregio Limburg-Noord cq. de rechtspositionele voorganger.

Artikel 25 Hardheidsclausule

Het Dagelijks Bestuur van Veiligheidsregio Limburg-Noord, kan in een individueel geval afwijken van deze regeling indien bijzondere omstandigheden daartoe nopen.

Artikel 26 Inwerkingtreding

Deze uitvoeringsregeling betreft de lokale uitwerking rechtspositie vrijwilligers bij de gemeentelijke brandweer (CARUWO, deel I AVR) en treedt in werking op 1 januari 2015. De Uitvoeringsregeling hoofdstuk 19 rechtspositie brandweervrijwilligers d.d. 1 juli 2009 wordt hiermee per gelijke datum ingetrokken.

19a Keuringen brandweerpersoneel

Artikel 19a:1 Algemeen

Lid 1

Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar die bij de brandweer is aangesteld, als beroeps of vrijwilliger, in de functie van bevelvoerder en manschap A en B, zoals vermeld in het Besluit personeel veiligheidsregio’s.

Lid 2

Het college kan in aanvulling op het eerste lid andere functies bij de brandweer aanwijzen waarop dit hoofdstuk van toepassing is.

Artikel 19a:2 Aanstellingskeuring

Lid 1

Aanstelling in een functie, bedoeld in artikel 19a:1, is alleen mogelijk als na een geneeskundig onderzoek gericht op de te bekleden functie blijkt dat tegen het bekleden van de functie uit medisch oogpunt geen bezwaren bestaan.

Lid 2

Het geneeskundig onderzoek bestaat uit de onderdelen zoals opgenomen in de aanstellingskeuring in bijlage VIIa van de CAR.

Lid 3

Het geneeskundig onderzoek wordt gedaan door geneeskundigen, die daartoe door het college zijn aangewezen.

Lid 4

De kosten van het geneeskundig onderzoek komen ten laste van de gemeente.

Artikel 19a:2:0:1 Protocol aanstellingskeuring

In aanvulling op het gestelde in artikel 19a:2 heeft de Veiligheidsregio Limburg-Noord een Protocol aanstellingskeuring vastgesteld.

Klik hier om naar dit protocol in het onderdeel aanvullende regelingen te gaan.

Artikel 19a:3 Periodiek Preventief Medisch Onderzoek

Lid 1

Periodiek wordt de medische gezondheid van de ambtenaar, die is aangesteld in een functie, bedoeld in artikel 19a:1, getoetst conform het Periodiek Preventief Medisch Onderzoek (PPMO).

Lid 2

Het PPMO bestaat uit de onderdelen, zoals opgenomen in bijlage VIIb van de CAR.

Lid 3

Het geneeskundig onderzoek geschiedt voor de ambtenaar gelijktijdig of minimaal een half jaar na indienstreding.

Lid 4

Het geneeskundig onderzoek geschiedt voor de ambtenaar met een leeftijd van:

jonger dan veertig één keer in de vier jaar;

tussen de veertig en vijftig één keer per twee jaar;

ouder dan vijftig jaar eens per jaar.

Lid 5

Als het college daar aanleiding toe ziet kan in afwijking van de frequentie zoals bedoeld in lid 4 een tussentijdse keuring worden afgenomen.

Lid 6

Als de uitkomst van het PPMO daar aanleiding toe geeft, kan het college de medewerker tijdelijk en voor een vooraf bepaalde tijd van een aantal of het totaal van zijn taken vrijstellen. Deze bepaalde tijd kan in bijzondere gevallen, zolang de mate van ongeschiktheid zich voordoet, worden verlengd.

Lid 7

Bij geheel of gedeeltelijke vrijstelling van taken houdt de beroepsmedewerker recht op zijn bezoldiging en de vrijwillige medewerker op zijn vergoeding, met dien verstande dat het recht op toeslagen en vergoedingen alleen geldt als de werkzaamheden van de medewerker recht hierop geven. Bij geheel of gedeeltelijke vrijstelling wegens ziekte en ongeschiktheid is hoofdstuk 7 onverkort van toepassing.

Lid 8

Het college kan de medewerker die is aangesteld als beroeps gedurende de tijdelijke vrijstelling van taken andere werkzaamheden opleggen.

Artikel 19a:4 Fysieke test

Jaarlijks wordt de fysieke conditie van de ambtenaar, die is aangesteld in een functie bedoeld in artikel 19a:1, getoetst.

19b Aanvullende rechtspositieregeling voor de ambtenaar in een instelling voor kunsteducatie

Paragraaf 1 Algemene bepalingen

Artikel 19b:1 Werkingssfeer

Artikel 19b:2 Begripsbepaling

Artikel 19b:3 Functie-eisen

Artikel 19b:4 Functioneringsgesprek

Artikel 19b:5 Verdeling van werkzaamheden

Artikel 19b:1 Werkingssfeer

Dit hoofdstuk is van toepassing op ambtenaren werkzaam in de kunsteducatie in de functie van:

docent, bedoeld in bijlage IVa1;

consulent, bedoeld in bijlage IVa1;

balletbegeleider, bedoeld in bijlage IVa1.

Artikel 19b:2 Begripsbepaling

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder instelling: een onderdeel van de gemeente dat kunsteducatie aanbiedt of ondersteunt.

Artikel 19b:3 Functie-eisen

Lid 1

Een voorwaarde bij aanstelling is dat de ambtenaar werkzaam in de functie van docent en consulent in het bezit is van een diploma van een HBO-opleiding op zijn specifieke vakgebied.

Lid 2

In uitzonderlijke gevallen kan het college, na overleg erover met de OR, afwijken van het eerste lid.

Artikel 19b:4 Functioneringsgesprek

Na elke periode van een jaar wordt met de ambtenaar een functioneringsgesprek gehouden.

Artikel 19b:5 Verdeling van werkzaamheden

Lid 1

Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:

lesgebonden uren: alle uren waarin direct en educatief contact is met leerlingen;

niet-lesgebonden uren: alle uren die niet te kwalificeren zijn als lesgebonden uren;

sjabloon: opsomming van werkzaamheden binnen lesgebonden en niet-lesgebonden uren.

Lid 2

Niet-lesgebonden uren als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b zijn in te delen in de volgende vier categorieën:

het voorbereiden van lesgebonden uren;

het in opdracht van de werkgever reizen tussen locaties van dezelfde instelling;

activiteiten voor opleiding en ontwikkeling, of andere activiteiten die ertoe bijdragen de eigen vakbekwaamheid op peil te houden;

algemene werkzaamheden in het belang van de instelling.

Lid 3

Het college stelt aan de hand van het sjabloon van bijlage IVa een regeling vast waarin per discipline de verhouding lesgebonden versus niet-lesgebonden uren staat. In de regeling kan per discipline een afwijking op deze verhouding en de voorwaarden daarvoor worden opgenomen. Voor de vaststelling van deze regeling is overeenstemming vereist tussen de werkgever en de OR.

Lid 4

Het college stelt aan de hand van de regeling, bedoeld in het derde lid, voor iedere ambtenaar vast wat voor zijn functie de verhouding lesgebonden versus niet-lesgebonden uren is.

Lid 5

Zolang voor de functie van de ambtenaar de verhouding, bedoeld in het vierde lid, nog niet is vastgesteld, heeft de ambtenaar maximaal 65% van zijn formele arbeidsduur aan lesgebonden uren en minimaal 35% van zijn formele arbeidsduur aan niet-lesgebonden uren.

Paragraaf 2 Salariëring

Artikel 19b:6 Vaststelling salaris

Artikel 19b:7 Aanloopbedragen

Artikel 19b:8 Uitloopbedragen

Artikel 19b:9 Recht op toelage onregelmatige dienst

Artikel 19b:6 Vaststelling salaris

Lid 1

In plaats van bijlage II en IIa , bedoeld in artikel 3:1, derde lid, past het college de salaristabel, genoemd in bijlage IV, toe bij het vaststellen van het salaris van de ambtenaar.

Lid 2

Het functiewaarderingssysteem, bedoeld in de bezoldigingsregeling, bedoeld in artikel 3:1, eerste lid, is niet van toepassing. De functie van

balletbegeleider is gewaardeerd op schaal 5;

docent is gewaardeerd op schaal 8;

consulent is gewaardeerd op schaal 9.

Lid 3

Het college bepaalt met inachtneming van het tweede lid de invoering en de waardering van junior- of seniorfuncties. Het college stelt hiervoor de functiebeschrijving vast.

Artikel 19b:7 Aanloopbedragen

Lid 1

Als een ambtenaar in een functie wordt benoemd zonder dat hij reeds voldoet aan alle daarvoor geldende eisen van ervaring, opleiding of vaardigheden, kan zijn salaris worden vastgesteld in één van de aanloopbedragen van de bij de functie behorende salarisschaal. De aanloopbedragen zijn opgenomen in de salaristabel, genoemd in bijlage IV.

Lid 2

Het college stelt regels vast voor het gebruik van aanloopbedragen en voor de bevordering naar een bij de functie behorende salarisschaal.

Artikel 19b:8 Uitloopbedragen

Lid 1

In de salaristabel, genoemd in bijlage IV, zijn uitloopbedragen opgenomen.

Lid 2

Een ambtenaar krijgt na twee achtereenvolgende jaren ingeschaald te zijn in het maximum van de bij de functie behorende salarisschaal een periodieke verhoging naar het eerste uitloopbedrag. Vervolgens vindt periodieke verhoging iedere keer na twee jaar plaats.

Artikel 19b:9 Recht op toelage onregelmatige dienst

Lid 1

Artikel 3:3 is niet van toepassing. De ambtenaar heeft wel recht op een toelage onregelmatige dienst over volle uren arbeid verricht op zondag.

Lid 2

De toelage onregelmatige dienst wordt uitgekeerd in de vorm van verlof en bedraagt 25% van de uren.

Lid 3

Het verlof, bedoeld in het tweede lid, wordt op verzoek van de ambtenaar verleend tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten en toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 6:2:4, eerste lid, of aan artikel 6:2:6.

Lid 4

Indien zowel het college als de ambtenaar dat wensen, wordt de toelage, in afwijking van het eerste lid, in geld verstrekt.

Paragraaf 3 Arbeidsduur en vakantie

Artikel 19b:10 Vakantie-uren

Artikel 19b:11 Verplicht vrije periodes

Artikel 19b:12 Vaststellen van het rooster

Artikel 19b:13 Overgangsrecht

Artikel 19b:14 Ontslagbescherming tijdens overgangstermijn

Artikel 19b:15 Samenloop zwangerschaps- en bevallingsverlof met een verplicht vrije periode

Artikel 19b:10 Vakantie-uren

Lid 1

In afwijking van artikel 6:2 is de duur van de vakantie voor de ambtenaar met een volledige betrekking 180 uur, indien

met toepassing van artikel 19b:11 een deel van het jaar is aangemerkt als verplicht vrije periode of

de ambtenaar geen verlof kan opnemen door het toegewezen hebben gekregen van lessen/cursussen

Bij een deeltijdbetrekking geldt de duur van de vakantie naar rato.

Lid 2

De vakantie-uren worden gelijkelijk over de verplicht vrije periodes en eventueel de vrij opneembare vakantie verdeeld, met een maximum van 36 uur per week.

Artikel 19b:11 Verplicht vrije periodes

Lid 1

Het college stelt per cursusjaar 12 weken vast, waarin de ambtenaar verplicht vrij is.

Lid 2

De ambtenaar houdt zich op verzoek van het college gedurende maximaal een week tijdens de verplicht vrije periode beschikbaar voor werkzaamheden.

Lid 3

Afwijkingen van het eerste lid zijn mogelijk indien de ondernemingsraad dan wel de ambtenaar daarmee instemt.

Artikel 19b:12 Vaststellen van het rooster

Lid 1

In afwijking van artikel 4:1, eerste lid, is op de ambtenaar artikel 5.7 van de Arbeidstijdenwet van toepassing.

Lid 2

In aanvulling op artikel 4:2 verstrekt het college zo snel mogelijk maar in ieder geval binnen 2 maanden na ingang van een cursusjaar een rooster van de in dat cursusjaar te werken uren.

Lid 3

Als substantiële wijzigingen optreden in het rooster, verstrekt het college zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen een maand, een aangepast rooster.

Artikel 19b:13 Overgangsrecht

Lid 1

Voor de ambtenaar met een volledige betrekking, die op 31 december 2008 een kortere arbeidsduur heeft dan 1836 uur per jaar, wordt de arbeidsduur met ingang van 1 januari 2009 met 72 uur per jaar verhoogd. Deze verhogingen vinden plaats totdat voor de ambtenaar een arbeidsduur geldt van 1836 uur per jaar. Voor een ambtenaar met een deeltijdbetrekking gelden deze verhogingen naar rato.

Lid 2

Indien een ambtenaar na 1 januari 2009 wordt aangesteld, geldt voor deze ambtenaar een arbeidsduur zoals die geldt voor de ambtenaren, die in dienst zijn van de instelling.

Artikel 19b:14 Ontslagbescherming tijdens overgangstermijn

Tot 1 januari 2012 vindt geen ontslag plaats op grond van artikel 8:3 indien en voor zover dit ontslag uitsluitend wordt veroorzaakt door verhoging van het aantal te werken uren als bedoeld in artikel 19b:13.

Artikel 19b:15 Samenloop zwangerschaps- en bevallingsverlof met een verplicht vrije periode

Lid 1

Bij samenloop van een verplichte vrije periode als bedoeld in artikel 19b:11, eerste lid, met zwangerschaps- en bevallingsverlof heeft de ambtenaar met een volledige betrekking recht op compensatie van het vakantieverlof tot 144 uur vakantieverlof per jaar.

Lid 2

Een ambtenaar met een deeltijd betrekking heeft naar rato recht op compensatie van het vakantieverlof tot 144 uur vakantieverlof per jaar.

Lid 3

Vakantie voor de gecompenseerde vakantie-uren wordt op verzoek van de ambtenaar verleend tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten en toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 6:2:4, eerste lid, of aan artikel 6:2:6.

Paragraaf 4 Ontslag en uitkeringen

Artikel 19b:16 Overtolligheid

Artikel 19b:17 Reorganisatieontslag en ontslagvolgorde

Artikel 19b:18 Reorganisatieontslag voor minder dan 5 uur of, bij een formele arbeidsduur van minder dan 10 uur, voor minder dan de helft van de formele arbeidsduur

Artikel 19b:19 Garantie-uitkering KV

Artikel 19b:16 Overtolligheid

Uiterlijk in de tiende week van elk cursusjaar bekijkt het college of het totaal aantal uren werk voor ambtenaren met dezelfde functie overeenkomt met de totale aanstellingsomvang van deze ambtenaren.

Artikel 19b:17 Reorganisatieontslag en ontslagvolgorde

Lid 1

Bij ontslag op grond van artikel 8:3 wordt, zolang het plan, bedoeld in artikel 8:3, derde lid, nog niet bestaat, de volgende ontslagvolgorde gehanteerd:

(deeltijd)ontslag verlenen aan ambtenaren die daarvoor in aanmerking wensen te komen;

aanstellingen voor bepaalde tijd niet te verlengen;

(deeltijd)ontslag verlenen aan ambtenaren na toepassing van het afspiegelingsbeginsel in combinatie met anciënniteitsbeginsel.

Lid 2

Bij toepassing van het afspiegelingsbeginsel, genoemd in het eerste lid, onderdeel c, wordt binnen categorieën van ambtenaren met dezelfde functies uitgegaan van de volgende drie leeftijdsgroepen:

van 15 tot 30 jaar;

van 30 tot 45 jaar; en

van 45 jaar en ouder.

Lid 3

Het college kan in uitzonderlijke gevallen afwijken van de ontslagvolgorde, genoemd in het tweede lid.

Artikel 19b:18 Reorganisatieontslag voor minder dan 5 uur of, bij een formele arbeidsduur van minder dan 10 uur, voor minder dan de helft van de formele arbeidsduur

Lid 1

Dit artikel is van toepassing op de ambtenaar die voor minder dan 5 uur of, bij een formele arbeidsduur van minder dan 10 uur, voor minder dan de helft van zijn formele arbeidsduur wordt ontslagen.

Lid 2

Voor de ambtenaar geldt de ontslagvolgorde uit het plan, bedoeld in artikel 8:3, derde lid.

Lid 3

Zolang het plan, bedoeld in artikel 8:3, derde lid, nog niet bestaat, is artikel 19b:17 van overeenkomstige toepassing.

Lid 4

Op de ambtenaar is hoofdstuk 10d niet van toepassing. Ontslag op grond van artikel 8:3 vindt slechts plaats indien het na een zorgvuldig onderzoek niet mogelijk is gebleken om de ambtenaar binnen de openbare dienst van de gemeente andere mede in verband met zijn persoonlijkheid en omstandigheden voor hem passende werkzaamheden op te dragen, dan wel indien deze zodanige werkzaamheden weigert te aanvaarden.

Lid 5

Bij ontslag op grond van artikel 8:3 wordt een opzegtermijn van drie maanden in acht genomen.

Artikel 19b:19 Garantie-uitkering KV

Lid 1

Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder

de ambtenaar: de ambtenaar die voor minder dan 5 uur of, bij een formele arbeidsduur van minder dan 10 uur, voor minder dan de helft van zijn formele arbeidsduur wordt ontslagen

minimumuurloon: het naar een uur herleid minimumloon als bedoeld in de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag.

Lid 2

De garantie-uitkering KV is de uitkering aan de ambtenaar die:

gedeeltelijk werkloos is als gevolg van een ontslag op grond van artikel 8:3;

in de 39 weken onmiddellijk voorafgaand aan het ontslag in tenminste 26 weken als werknemer als bedoeld in artikel 3 van de Werkloosheidswet werkzaam is geweest;

aantoont dat hij in de periode van vijf jaren onmiddellijk voorafgaand aan het jaar waarin zijn eerste werkloosheidsdag is gelegen, in tenminste vier jaren over 52 of meer dagen per jaar loon heeft ontvangen;

ter zake van het arbeidsurenverlies geen WW-recht heeft.

Lid 3

De duur van de garantie-uitkering KV is afhankelijk van de lengte van het dienstverband bij de instelling. Bij een dienstverband van:

een tot twee jaar is de duur van de uitkering 6 maanden;

twee tot drie jaar is de duur van de uitkering 12 maanden;

drie tot vier jaar is de duur van de uitkering 18 maanden;

ten minste vier jaar is de duur van de uitkering 24 maanden.

Lid 4

De garantie-uitkering KV bedraagt:

gedurende de eerste twaalf maanden 70% van het uurloon op de dag voorafgaand aan het ontslag, vermenigvuldigd met het aantal verloren arbeidsuren, en

vervolgens 70% van het minimumuurloon, vermenigvuldigd met het aantal verloren arbeidsuren.

Lid 5

In afwijking van het tweede tot en met het vierde lid heeft de ambtenaar die niet voldoet aan de voorwaarde in het tweede lid onder c, maar wel aan de overige voorwaarden in het tweede lid, recht op een garantie-uitkering KV gedurende 6 maanden. Deze uitkering bedraagt 70% van het minimumuurloon vermenigvuldigd met het aantal verloren arbeidsuren.

Lid 6

De ambtenaar aan wie een garantie-uitkering KV is toegekend, is verplicht zich in te schrijven als werkzoekende bij het CWI en zich beschikbaar te stellen voor het aannemen van passende werkzaamheden. Daarnaast dient hij alle informatie te verstrekken die voor de uitvoering van deze regeling noodzakelijk is. Bij het niet nakomen van deze verplichtingen kan het college besluiten de garantie-uitkering (gedeeltelijk) te beëindigen.

Lid 7

Indien de ambtenaar aan wie een garantie-uitkering KV is toegekend, na zijn ontslag nieuwe werkzaamheden ter hand neemt, wordt de garantie-uitkering KV beëindigd met het aantal uren dat de nieuwe werkzaamheden omvat.

Lid 8

Indien het recht op een garantie-uitkering KV op grond van het zevende lid geheel of gedeeltelijk is beëindigd, en vervolgens de werkzaamheden die tot dat eindigen hebben geleid, hebben opgehouden te bestaan, herleeft het recht op de garantie-uitkering KV voor zover er geen nieuwe rechten op enige uitkering uit hoofde van het ontslag uit deze werkzaamheden zijn ontstaan.

Lid 9

Het recht op de garantie-uitkering KV eindigt volledig:

als de ambtenaar ter zake van het arbeidsurenverlies, dat tot het toekennen van een garantie-uitkering heeft geleid, een andere uitkering kan krijgen;

met ingang van de eerste dag van de maand volgende op die waarin de ambtenaar volledig gebruik maakt van het ABP Keuzepensioen;

op de dag na het overlijden van de ambtenaar;

met ingang van de dag waarop de ambtenaar recht krijgt op een WAO- of WIA-uitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer.

20 Vergoeding piketdiensten beroepsbrandweer

Artikel 20:1:1 Vergoeding piketdienst beroepsbrandweer

De ambtenaar, op wie de verplichting rust zich buiten de voor hem geldende werktijden ter beschikking te houden ten behoeve van de brandweerdienst, heeft aanspraak op een vergoeding.

Artikel 20:1:2 Vergoeding piketdienst beroepsbrandweer

Deze vergoeding bestaat uit verlof, dat door de commandant wordt verleend zo spoedig mogelijk in de regel binnen zes kalenderweken na het tijdvak waarin de ambtenaar zich ter beschikking moest houden. Het verlof bedraagt 16% van het aantal uren, waarin hij zich ter beschikking moest houden, voor zover deze vielen op zondag, nieuwjaarsdag, tweede Paasdag, Hemelvaartsdag, tweede Pinksterdag, de beide Kerstdagen, de dag waarop de verjaardag van de koningin wordt gevierd en iedere andere dag, die daarboven door het college wordt aangewezen en 10% van het aantal uren waarin hij zich ter beschikking moest houden, indien deze uren vielen op andere dagen.

Artikel 20:1:3 Vergoeding piketdienst beroepsbrandweer

Indien naar het oordeel van de commandant het dienstbelang zich verzet tegen het toekennen van verlof, wordt een vergoeding in geld gegeven. De vergoeding bedraagt 16% van het 1/156 gedeelte van het salaris per maand voor elk uur, waarin de ambtenaar zich ter beschikking moet houden, voor zover deze uren vielen op zondag, nieuwjaarsdag, tweede Paasdag, Hemelvaartsdag, tweede Pinksterdag, de beide Kerstdagen, de dag waarop de verjaardag van de koningin wordt gevierd en iedere andere dag die daarboven door het college wordt aangewezen en 10% van dat salarisgedeelte voor elk uur, waarin hij zich ter beschikking moest houden, indien deze uren vielen op andere dagen. De uitbetaling heeft zo spoedig mogelijk plaats.

21 De rechtspositionele erkenning van alternatieve samenlevingsvormen

Artikel 21:1:1 Begripsomschrijving

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder levenspartner verstaan: een persoon met wie de niet-gehuwde ambtenaar samenwoont en met het oogmerk duurzaam samen te leven een gemeenschappelijke huishouding voert, hetgeen blijkt uit een schriftelijke verklaring, ingericht volgens door het college nader te stellen regels. Tegelijkertijd kan slechts één persoon als levenspartner worden aangemerkt.

Artikel 21:1:2 Gelijkstelling levenspartner met echtgenoot

De bepalingen die gelden voor de gehuwde ambtenaar, zijn op overeenkomstige wijze van toepassing op de ambtenaar met een levenspartner. Waar in deze bepalingen staat "echtgenoot" moet tevens worden gelezen "levenspartner".

Artikel 21:1:3 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 21:1:4 Gelijkstelling levenspartner met echtgenoot

In gevallen waarin dit hoofdstuk niet of niet naar redelijkheid voorziet, treft het college een passende voorziening.

22 Overgangs- en slotbepaling UWO

Artikel 22:1:1 Overgangs- en slotbepaling UWO

Lid 1

Deze regeling treedt uiterlijk in werking op 1 januari 1998.

Lid 2

Met ingang van de datum waarop deze regeling in werking treedt, dan wel gedeelten daarvan in werking treden, vervallen de bepalingen van het geldende algemeen ambtenarenreglement dan wel van die verordeningen, die tekstueel dan wel materieel gelijkluidend zijn aan de bepalingen van deze regeling.

Lid 3

Indien de inwerkingtreding van deze regeling ertoe leidt dat bepalingen uit het geldende algemeen ambtenarenreglement dan wel uit verordeningen vervallen, waardoor aanspraken van individuele ambtenaren in neerwaartse of opwaartse zin worden bijgesteld, vindt overleg plaats over de gevolgen daarvan.

Aanvullende regelingen

Deel I

Gratificatiebeleid, leidraad

Niet-structurele bijzondere beloningsvormen, leidraad

Overwerkvergoeding, uitvoeringsregeling

Deel II

Aanwijzing dienstvrije dagen, regeling

Aanstellingskeuringen, protocol

Algemene dienst, regeling

Bezoldigingsregeling

Flexibilisering arbeidsduur en werktijden, regeling

Klokkenluiders regeling

Nevenwerkzaamheden personeel, reglement

Regels bij ziekte

Reisregeling Veiligheidsregio Limburg-Noord

Richtlijnen met betrekking tot de diensttijd, geldend voor ambtsjubileum

Suppletieregeling, uitvoeringsregeling

Uitkeringsreglement Werkloosheidswet, model

Uitwisseling arbeidsvoorwaarden vakbondscontributie, regeling

Uitwisseling arbeidsvoorwaardentegemoetkoming woon-werkverkeer, regeling

Vakantieregeling

Vergoeding van schade bij gebruik eigen motorvoertuig, regeling

Voorkoming en bestrijding ongewenste omgangsvormen, regeling

Deel III

Arbeidstijdenbesluit brandweer Roermond

Attentiebeleid

Bedrijfsfitness

Beoordelingsgesprekken, regeling

Bezwarenregeling personele aangelegenheden

Buitengewoon verlof voor begeleiding van zieken/invaliden/bejaarden bij reizen in georganiseerd verband, regeling

Dienstrooster

Fietsplan, regeling

Functiebeschrijving en –waardering, regeling

Gedragscode

Kledingreglement

OR reglement

Privacyreglement e-mail en Internetgebruik

PRO-gesprekken, regeling

Rookbeleid

Sociaal statuut organisatieontwikkeling 2012

Stage, uitvoeringsregeling

Telewerken, raamregeling

Verlof, beleidsregels

Werkoverleg, regeling

Werving en selectie, beleidsregels bij

Regeling aanwijzing dienstvrije dagen

Inhoudsopgave

Artikel 1

Artikel 2

Artikel 3

Artikel 1

Lid 1

Een standaard werkdag bedraagt 7,2 uur.

Lid 2

De arbeidsduur op jaarbasis bedraagt 1804 uur netto.

Lid 3

Voor de parttimer wordt de arbeidsduur van zijn aanstelling naar rato vastgesteld.

Artikel 2

De aangewezen dagen als bedoeld in artikel 4:2:1, lid 4, van deel I zijn:

Carnavalsmaandag en –dinsdag;

goede vrijdag;

de vijfde mei.

Artikel 3

Deze regeling gaat in per 1 januari 2002

Regeling algemene dienst

Inhoudsopgave

Artikel 1 Begripsbepalingen

Artikel 2 Inzetbaarheid

Artikel 3 Termijnen

Artikel 4 Jaarplancyclus

Artikel 5 Ondersteuning

Artikel 6 Voorkeurspositie

Artikel 7 Hardheidsclausule

Artikel 8 Inwerkingtreding

Artikel 1 Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

medewerker: de ambtenaar in de zin van de CAR-UWO, deel l van de AVR, dan wel degene met wie een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht is gesloten;

passende functie: een functie die de ambtenaar redelijkerwijs in verband met zijn persoonlijke omstandigheden, kennis vaardigheden en vooruitzichten kan vervullen; onder persoonlijke omstandigheden en vooruitzichten kunnen worden verstaan: interesse, gezondheid, opleiding scholing en salarispositie.

Artikel 2 Inzetbaarheid

Medewerkers in algemene dienst zijn in principe inzetbaar binnen de gehele organisatie op passende structurele en -tijdelijke functies en op projecten met passende werkzaamheden.

Artikel 3 Termijnen

Lid 1

Nieuw in dienst tredende medewerkers en zittende medewerkers waarvan de functie gebonden aanstelling per 1 januari 2013 van rechtswege is omgezet in een aanstelling in algemene dienst, worden voor een periode van ongeveer 5 jaar in de functie geplaatst waarop ze respectievelijk hebben gesolliciteerd of die ze op de dag voor omzetting vervulden.

Lid 2

De termijn bedoeld in het eerste lid kan na afloop worden verlengd. Leidinggevende en medewerker bepalen in overleg de duur van de verlenging.

Lid 3

De termijn wordt telkens automatisch met één jaar verlengd, indien de medewerker voor of met het aflopen van de termijn niet in een andere functie is geplaatst of ingeval er geen nieuwe afspraken zijn gemaakt over de termijn van voortzetting/verlenging van de plaatsing in de huidige functie.

Artikel 4 Jaarplancyclus

Lid 1

Gesprekken over de inzetbaarheid van de medewerker binnen de organisatie worden gevoerd binnen het kader van de Jaarplancyclus (PRO-gesprek).

Lid 2

Leidinggevende en medewerker maken jaarlijks concrete afspraken over ontwikkeling en opleiding gericht op inzetbaarheid in de huidige functie (effectiviteit) of over doorstroom naar een andere passende functie (loopbaanplan). De leidinggevende houdt bij het maken van de afspraken over ontwikkeling, opleiding of doorstroming, voor zover relevant, rekening met de persoonlijke situatie van de medewerker (leeftijd, gezondheid, gezinssituatie enz.).

Lid 3

De leidinggevende faciliteert de medewerker in het realiseren van de afspraken over opleiding en ontwikkeling met inachtneming van het gestelde in Hoofdstuk 17 CAR-UWO, deel l van de AVR.

Lid 4

De medewerker kan in het kader van mobiliteit (doorstroom ten bate van blijvende inzetbaarheid en effectiviteit) niet worden verplicht een hem aangeboden passende functie te accepteren. De medewerker behoort een weigering echter wel te beargumenteren.

Artikel 5 Ondersteuning

Lid 1

P&O ondersteunt de leidinggevende en de medewerker bij het opstellen en het realiseren van een loopbaanplan.

Lid 2

Medewerkers die zich willen oriënteren op een vervolgfunctie, worden in de gelegenheid gesteld een loopbaantest af te leggen.

Artikel 6 Voorkeurspositie

Medewerkers in algemene dienst die in overleg met hun leidinggevende een loopbaanplan hebben opgesteld, hebben na herplaatsingskandidaten (als gevolg van reorganisatie of arbeidsongeschiktheid) een voorkeurspositie bij het vervullen van vacatures op hetzelfde niveau als de functie die zij vervullen, mits zij voldoen aan de functie-eisen.

Artikel 7 Hardheidsclausule

In die gevallen waarin (de toepassing van) deze regeling voor de medewerker onbedoeld tot een onbillijke of onredelijke situatie leidt, kan het DB van deze regeling afwijken.

Artikel 8 Inwerkingtreding

Deze regeling kan worden aangehaald als "Regeling Algemene Dienst" en treedt in werking met ingang van 1 januari 2013.

Arbeidstijdenbesluit brandweer Roermond

Inhoudsopgave

1 Inleiding

2 Doorlopen traject

3 Oud dienstrooster (voor 1-1-2008)

4 Uitgangspunten nieuwe dienstrooster (per 1-1-2009)

5 Het nieuwe dienstrooster (per 1-1-2009)

6 Vakantie en verlof 24-uursdienstmedewerker

7 Consignatie R1

8 Geoefendheid

9 Dagindeling (concept)

10 Vrijwilligers

11 Organisatorische wijzigingen M.I.V. 1-1-2008

Bijlage 1 Dagindeling 24-uurswacht

Bijlage 2 Organisatie aanpassingen als gevolg van de invoering 48-urige werkweek

Een nieuw rooster Datum: november 2008 Versie: 2.2

Wijzigingen
Datum / versie / doorHoofdstuk
29-11-2007 / versie 1.2 / L.C.W. HanssenH7 Vakantie en verlof H8 Consignatie / piket
 Er zal nog een officiële regeling aanvullende arbeidsvoorwaarden en een werktijdenregeling medewerker 24-uursdienst worden opgemaakt.
25-10-2008 / versie 2.0 / A.P.P. WollersheimGehele herziening

1 Inleiding

Op 1 juni 2006 is het nieuwe Arbeidstijdenbesluit van kracht geworden. Dit houdt voor de brandweer t.a.v. aanwezigheidsdiensten in dat:

gemiddeld 48 uren per week in elke periode van 26 weken arbeid wordt verricht;

voorafgaand en aansluitend aan een wachtdienst er 11 uur rust is; - ten hoogste 62 maal in een periode van 26 weken een aanwezigheidsdienst wordt opgelegd.

Met een opt-out regeling kan het aantal werkuren verder opgehoogd worden tot gemiddeld maximaal 60 uur per week.

Op 7 maart 2007 is een akkoord tussen het VNG en de vakbonden getekend. Op 26 april 2007 zijn nog enkele aanpassingen hieraan toegevoegd. In het akkoord is geregeld dat salaris en toelagen ongewijzigd blijven bij een 48-urige werkweek. De werkgever heeft hierbij de verplichting om binnen een 48-uurrooster tot een zodanige verdeling te komen van de onderscheiden wacht-, slaap- en productieve uren, dat er een salaris in overeenstemming met de volledige betrekking wordt verdiend. Verder is gesteld dat ondanks de 6 uur kleinere aanwezigheid per week de geoefendheid niet achteruit mag gaan. Werkgevers mogen daartoe dagdiensten inroosteren ten behoeve van het verbeteren van het oefenen. Het uitvoeren van werkzaamheden in het weekend behoort tot de mogelijkheden.

In het rooster van voor 1-1-2008 was een 24-uursdienstmedewerker gemiddeld 54 uur aanwezig per week. Om te voldoen aan het gewijzigde Arbeidstijdenbesluit mag een 24- uursdienstmedewerker nog maar gemiddeld 48 uur per week aanwezig zijn. Het rooster is daarom met ingang van 1-1-2008 aangepast. De invoering van de 48-urige werkweek heeft daarnaast ook gevolgen voor de benodigde formatie en organisatie om dit nieuwe rooster te draaien.

Het gewijzigde rooster is op 1-1-2008 in werking getreden. Het invoeren van een nieuw rooster is niet eenvoudig gebleken. De combinatie van 24-uursdienstpersoneel, vrijwilligers en dagdienstmedewerkers maakt het rooster complex. Dat er gaandeweg punten naar boven zijn gekomen die beter op een andere manier georganiseerd kunnen worden is enigszins voorspelbaar. Op grond van haar instemmingsrecht heeft de Ondernemingsraad voorwaarden verbonden aan de invoering van het gewijzigde dienstrooster. De voorwaarden betreffen o.a. het periodiek evalueren van het rooster in 2008. Op grond van deze evaluaties zijn er diverse verbetervoorstellen gedaan voor het nieuwe dienstrooster.

Doel en uitgangspunten:

In deze notitie worden de uitgangspunten en kaders van het nieuwe dienstrooster vastgelegd waarmee voldaan wordt aan de gewijzigde Arbeidstijdenwet en –besluit.

De verbetervoorstellen uit de periodieke evaluaties in 2008 van het dienstrooster zijn in deze notitie meegenomen. Het merendeel van de knelpunten is daarmee verholpen.

Een van de uitgangspunten is dat het rooster tot doel heeft de productieve uren te vergroten wat mede ten goede komt aan het verbeteren van de vakbekwaamheid van het brandweerpersoneel en het verrichten van uiteenlopende kazernewerkzaamheden.

Een ander uitgangspunt is dat de paraatheid op een zo efficiënt mogelijke wijze wordt georganiseerd. Dit houdt in dat er niet meer personeel ingeroosterd zal worden dan noodzakelijk voor het waarborgen van de minimale paraatheid.

Ten slotte wordt er geen gebruik gemaakt van de opt-out regeling voor de invulling van het nieuwe dienstrooster.

Afkadering:

De afschaffing van het flo, de invulling van het tweede loopbaanbeleid en de uitwerking van de rechtspositieregelingen in de RAGR worden in deze notitie niet inhoudelijk besproken.

2 Doorlopen traject

In maart 2007 is gestart met het traject om te komen tot een nieuw rooster. Er zijn drie werkgroepen in het leven geroepen te weten:

werkgroep 24-uursdienst personeel

werkgroep vrijwilligers

werkgroep dagdienstpersoneel

In deze werkgroepen namen ook personeelsadviseurs deel.

Omdat het gemiddeld aantal uren per week afnam van 54 uur naar 48 uur zijn voorstellen gedaan voor vijf nieuwe formatieplaatsen ten behoeve van de 24-uursdienst (3 fte), opleiden en oefenen (1 fte) en beheer (1 fte). Deze formatieplaatsen worden in 2008 allen ingevuld.

Tevens liep nog een project om te komen tot een uitbreiding van de minimumbezetting naar 8 man. Hiervoor is voor de begroting 2008 een prioriteit gesteld voor een tweetal formatieplaatsen ten behoeve van de 24-uursdienst. Door het uitblijven van overeenstemming met de all-in gemeenten worden deze twee formatieplaatsen in 2008 niet ingevuld.

Desondanks gaat het nieuwe dienstrooster uit van het structureel inroosteren van 8 medewerkers. Het dienstrooster laat toe dat in bijzondere omstandigheden de bezetting incidenteel verlaagd wordt tot 7 medewerkers.

De ploegen zijn in september en oktober 2007 in 2 sessies voorgelicht en zijn er vragen beantwoord. Hierbij was ook een afvaardiging van de OR aanwezig en de personeelsadviseur. Vervolgens heeft er een voorlichting voor de OR plaats gevonden.

De vrijwilligers zijn in augustus 2007, voor zover er uitsluitsel gegeven kon worden, voorgelicht. In oktober 2007 zijn de vrijwillige ploegchefs bijgesproken. Ten slotte is in november 2007 wederom een voorlichting aan de vrijwilligers gegeven.

Met het dagdienstpersoneel is in oktober 2007 overleg gevoerd.

De ondernemingsraad heeft in december 2007 haar instemming verleend aan het nieuwe dienstrooster van de brandweer onder de voorwaarde dat het jaar 2008 als een proefjaar zal worden beschouwd. In de brief van de OR van 8 februari 2008 worden hieraan voorwaarden verbonden met betrekking tot de evaluatie van het rooster en de notitie betreffende de verplichtingen en vergoedingen van de vrijwilligers.

Bij het invoeren van het nieuwe dienstrooster is de afspraak gemaakt met de OR dat op een tweetal momenten (1 mei en 1 oktober 2008) evaluaties van het rooster dienen plaats te vinden. Hieraan is invulling gegeven door de gehouden evaluaties op 31 maart, 4 juli (ingelast overleg op verzoek van de OR en 24-uursdienst), 27 augustus en 6 november 2008. Aan deze evaluaties namen deel vertegenwoordigers van de drie beroepsploegen, de vrijwilligers van de post Roermond, de dagdienst, de OR, de teamleider 24 uurdienst, het afdelingshoofd repressie en een personeelsadviseur. In de evaluaties zijn ook andere knelpunten naar voren gekomen dan de door de OR in haar instemmingsbrief genoemde knelpunten. Bij het opstellen van deze nota is rekening gehouden met de aangedragen oplossingen voor alle besproken knelpunten in het dienstrooster in het proefjaar 2008.

3 Oud dienstrooster (voor 1-1-2008)

Het beroepspersoneel in operationele dienst van de gemeente Roermond werkt in een gecombineerd rooster. Dit houdt in dat er zowel 24-uurs als 12-uurswachten worden gedraaid. Ook worden delen van het rooster ingevuld door vrijwilligers en dagdienstmedewerkers. Daarnaast bestaat er de mogelijkheid om delen van dagen ingeroosterd te worden. In de onderstaande tabel zijn de roostermogelijkheden aangegeven.

A17:00-19:00
D07:30-17:00
D107:30-13:00
D213:00-19:00
DA07:30-19:00
DD07:30-17:00
2407:30-07:30
N19:00-07:30

Tabel 1 mogelijkheden binnen het oude rooster.

Er zijn ook reservewachten voor 24-uursdienst medewerkers ingepland, welke opgeroepen kunnen worden bij een ziekmelding. In het oude rooster is iedere beroepsbrandwacht gemiddeld 54 uur per week aanwezig. De 22 24-uursdienstmedewerkers zijn verdeeld over twee ploegen van elk 11 man sterk. Elke ploeg heeft een ploegchef, twee bevelvoerders en 8 (hoofd)brandwachten. De diverse functies en specialismen worden door de ploegleden ingevuld. Naast het oefenen heeft iedereen andere werkzaamheden en taken die uitgevoerd moeten worden. De planning van de diensten worden door de ploegchef en bij diens afwezigheid door de bevelvoerders gedaan. De dagdienst is verantwoordelijk voor de invulling van de “B” op werkdagen van 07:30 uur tot 17:00 uur. Hiermee wordt overdag een minimale bezetting gegarandeerd van 7 man.

De paraatheid van minimaal 7 man wordt in het oude rooster als volgt gegarandeerd:

Dag (ma t/m vr): minimaal 6 parate 24-uursdienstmedewerkers aangevuld met een dagdienstmedewerker (de “B”) van 07.30 tot 17.00 uur.

Avond/nacht/weekend/feestdagen: minimaal 4 parate 24-uursdienstmedewerkers aangevuld met 3 vrijwilligers.

Het komt in het oude rooster regelmatig voor dat op werkdagen meer dan de minimaal vereiste 6 24-uursdienstmedewerkers op dienst zijn, waardoor de sterkte groter is dan de vereiste 7 parate medewerkers. Verlofopname door een 24-uursdienstmedewerker is niet verplicht in deze situatie.

4 Uitgangspunten nieuwe dienstrooster (per 1-1-2009)

Voor het opstellen van het rooster is uitgegaan van een aantal uitgangspunten. Deze uitgangspunten zijn:

Het rooster voldoet aan het arbeidstijdenbesluit

Een medewerker (24-uursdienst, dagdienst of vrijwilliger) die ingeroosterd is voor een parate dienst is altijd beschikbaar voor de uitruk

Het dienstrooster maakt het mogelijk om naast de ingeplande diensten ook andere dienstactiviteiten buiten het rooster uit te voeren zoals opleiding en oefening, het bijwonen van vergaderingen, etc.

In het rooster is ruimte voor de opvang van ziekte en bijzonder verlof

In het reguliere rooster is de vereiste parate bezetting gelijk aan 8 medewerkers. In het vakantierooster is de vereiste parate bezetting gelijk aan 7 medewerkers. Er wordt gestreefd naar een parate bezetting van 8 medewerkers in het vakantierooster.

Het aantal ingeroosterde medewerkers is gebaseerd op de gewenste parate sterkte. Er worden niet meer medewerkers ingeroosterd dan noodzakelijk om de vereiste parate bezetting te kunnen garanderen.

In het rooster wordt uitgegaan van 12-uurs en 24-uurs wachten (of diensten)

Er wordt geen gebruik gemaakt van de opt-out regeling voor het inroosteren van individuele medewerkers

De aanbevelingen uit de evaluaties van het nieuwe rooster gehouden in 2008, worden verwerkt in het dienstrooster per 1-1-2009.

De gemeentelijke arbeidsvoorwaarden zijn leidend voor het rooster

5 Het nieuwe dienstrooster (per 1-1-2009)

Op basis van de uitgangspunten is een nieuw dienstrooster opgesteld. Het rooster kent 12-uurs en 24-uurswachten. Dagelijks worden er niet meer dan 8 medewerkers ingepland voor de wacht (met uitzondering van 7 man in de vakantieperiode). Hierdoor wordt op een zo efficiënt mogelijke wijze omgegaan met de beschikbare capaciteit.

De te verrichten 12-uurs en 24-uurswachten worden voor iedere medewerker in het rooster ingepland. Dit houdt in dat het voor iedereen bekend is wanneer er een wacht gedraaid moet worden.

In tabel 1 zijn alle voorkomende wachtdiensten die in het dienstrooster kunnen worden ingepland vermeld.

WachtTijdstipOmschrijvingIn te vullen door
D07:00-19:0012-uurswacht overdag24-uursdienst / dagdienst / vrijwilliger op niet werkdagen
N19:00-07:0012-uurswacht avond/nachtVrijwilliger / dagdienst
2407:00-07:0024-uurswacht24-uursdienst / vrijwilliger op niet werkdagen
R107:00-08:00Reservedienst (consignatie)24-uursdienst
24R107:00-07:0024-uurswacht c.q. verlofbuffer24-uursdienst

Tabel 2 Mogelijkheden wachtdiensten

Op basis van deze wachtdiensten kan een basisrooster (een stempel) gemaakt worden. Het stempel voor het rooster van 2009 ziet er als volgt uit:

Tabel 3 stempel rooster

Het stempel is de basis voor een roostercyclus van 24 weken. In deze cyclus is het aantal verschillende wachten voor iedere 24-uursdienstmedewerker gelijk. Dit betekent dat in deze cyclus, door de week en in de weekenden, de 24-uursdienstmedewerkers voor evenveel diensten worden ingepland. Het basisrooster is ook zodanig opgesteld dat de diensten zo gelijkmatig mogelijk worden verdeeld in het rooster.

Voor elke 24-uursdienstmedewerkers wordt jaarlijks een urencontract gemaakt. De te werken uren en het te ontvangen verlof worden berekend volgens de gebruikelijke gemeentelijke uren en verlofberekening.

Naast het hierboven beschreven reguliere rooster is er een afwijkend vakantierooster. Het inplannen van medewerkers geschied volgens de onderstaande afspraken:

Inplanting van personeel in het reguliere rooster Het reguliere rooster kent een parate bezetting van 8 man. In bijzondere omstandigheden (bijv. bij ziekte) kan de parate bezetting terug naar 7 man. Er wordt voor aanvulling gezorgd.

De vrijwilligers van de post Roermond worden op werkdagen voor twee 12-uursdiensten ingepland (vergelijk: in het oude rooster was dit aantal drie). In het weekend worden de vrijwilligers voor zes 12-uursdiensten ingepland. Indien er knelpunten zijn met het inplannen van de vrijwilligers van de post Roermond, bestaat de mogelijkheid om vrijwilligers van de andere posten in te plannen. De medewerkers van de dagdienst worden op werkdagen voor twee 12-uursdiensten ingepland.

De medewerkers worden als volgt in het reguliere rooster ingepland:

De 24-uursdienstmedewerkers worden in het reguliere rooster gemiddeld 40 uur per week ingepland. Bij ‘acute’ ziekte van een 24-uursdienstmedewerker gaat de parate sterkte terug naar 7 man Bij ziekte van een dagdienstmedewerker zal binnen de dagdienst naar vervanging worden gezocht.

Inplanning van personeel in het vakantierooster In de vakantieperiode wordt een afwijkend rooster gedraaid. Het vakantierooster geldt voor een periode van 9 weken. In deze periode kan elke 24-uursdienstmedewerker 3 weken aaneensluitend zomerverlof genieten. Het vakantierooster houdt ook rekening met het feit dat dagdienst en vrijwillige medewerkers “schaarser” zijn als gevolg van het genieten van hun zomervakantie. De dagdienstmedewerkers zijn daarom vrij gepland. Het aantal parate vrijwilligers in het weekend is teruggebracht van 3 naar 2 man.

De R1 is de eerste reserve bij ziekte van een 24-uursdienstmedewerker (beroeps), indien een beroepsmedewerker zich ziek meldt. Bij ziekte van een 24-uursdienstmedewerker zal de R1 (de geconsigneerde reserve) opgeroepen worden. De R1 wordt niet gebruikt voor opvang van langdurige ziekte.

Het aantal in te plannen diensten per week bedraagt:

24-uursdienst:35 x 24 uurswachten 10 x 12 uurswachten
Dagdienst:0 x 12-uurwachten
Vrijwilligers:10 x 12-uurswachten (ma t/m vr) 4 x 24 uurswachten óf 8 x 12 uurswachten (za en zo)

In het vakantierooster zijn de medewerkers over een periode van 9 weken gemiddeld 48 uur per week ingepland.

Er wordt gestreefd naar een bezetting van 8 man op termijn in het vakantierooster.

Aantal beschikbare (in te plannen) parate uren per 24-uursdienst medewerker per jaar Hieronder volgt een berekening van het basis aantal in te plannen uren per 24-uurdienst medewerker uitgaande van een 48-urige werkweek:

Aantal weken per jaar:52,18 weken
Aanwezigheidsuren per week per persoon:48 uur
Bruto aanwezigheid per persoon in een 48 uursrooster:2504,57 uur
Bruto aanwezigheid per persoon in 36 uursrooster:1878,43 uur
Roosterfactor:1,33
Feestdagencompensatie:72 uur (in 2009 gelijk aan 10* 7,2 uur)
Verlofuren (basisverlof)166 uur

Netto aanwezige (beschikbare) uren per medewerker in een 48 uursrooster is gelijk aan: Bruto aanwezigheid in een 48 uursrooster – (feestdagencompensatie + verlof) x roosterfactor = 2504,57 – (72+166)*1,33 = 2.188 uur.

Een 24-uursdienstmedewerker kan in 2009 voor maximaal 2.188 uur ingepland worden in een rooster, uitgaande van een 48-urige werkweek. (Teruggerekend naar een 36-urige werkweek is het aantal gelijk aan 1.645 uur)

Aantal ingeplande parate uren per 24-uursdienst medewerker per jaar conform het reguliereen vakantierooster Hieronder volgt een berekening van het aantal ingeplande uren volgens het reguliere- en vakantierooster

Reguliere rooster: (35 diensten/week x 24 uur + 10 diensten/week x12 uur) x 43,18 weken = 41.453 uren per jaar per 24 medewerkers.

Vakantierooster: (35 diensten/week x 24 uur + 10 diensten/week x12 uur) x 9 weken = 8.640 uur per jaar per 24 medewerkers.

Totaal ingeplande uren: 41.453 + 8.640 = 50.093 uur per jaar per 24 medewerkers Ofwel 2.087 uur per jaar per medewerker

Aantal niet ingeplande beschikbare uren (het ‘rugzakje’) per 24-uursdienst medewerker per jaar Het aantal niet ingeplande parate uren bedraagt 2.188 - 2.087 = 101 uur per jaar per medewerker. Niet ingeplande beschikbare uren vormen als het ware een ‘rugzakje’ voor de medewerker waarmee andere activiteiten dan de wachtdiensten kunnen worden verricht.

De niet ingeplande beschikbare uren worden gebruikt om een tiental terugkomdagen voor de drie ploegen mogelijk te maken. Deze terugkomdagen worden gebruikt om de medewerkers de gelegenheid te geven zich te bekwamen in hun vak (door opleiding en oefening) zonder dat ze zich beschikbaar moeten houden voor de uitruk. Het gaat hierbij om oefeningen als duiken, inzet gaspakken team, realistische oefeningen in oefencentra, vaaroefeningen, etc.

Additioneel leeftijdsverlof (aanvullend op het basisverlof) kan ook door de beschikbare uren in het rugzakje worden opgevangen.

Ziekte wordt opgevangen in het reguliere rooster door de bezetting te verlagen naar 7 man. Reservering van extra beschikbare uren in het rugzakje voor het oproepen van een vrij geplande medewerker is hierdoor niet meer noodzakelijk. Bij langdurige ziekte van een medewerker zal de dienst naar een oplossing zoeken om de zieke medewerker te vervangen (bijv. door inhuur). De zieke werknemer uit de 24 uurs dienst die in dagdienst kan gaan werken (met instemming van de bedrijfsarts) krijgt de eerste week van zijn ziekteverlof de tijd om regelingen te treffen m.b.t. kinderopvang in de thuissituatie. Met ingang van de tweede week van zijn ziekteverlof start zijn dagdienst. De gewerkte uren worden in overleg met het afdelingshoofd verrekend, afhankelijk van de persoonlijke situatie.

Ook in geval van bijzonder verlof voor een medewerker, zal de dienst de structurele afwezigheid van de medewerker opvangen (bijv door inhuur). Bij incidenteel kortdurend bijzonder verlof zal de bezetting in het reguliere rooster ook verlaagd worden naar 7 man.

De beschikbare uren in het ‘rugzakje’ kunnen worden aangevuld door het vrijplannen van een medewerker voor een 24R1 wacht in het weekend.

Voor het kunnen volgen van reguliere brandweeropleidingen kunnen medewerkers beschikken over vrij beschikbare uren in het ‘rugzakje’. Door medewerkers vrij te roosteren voor een 24R1 wachtdienst wordt het rugzakje gevuld met 24 extra beschikbare uren voor het volgen van de opleiding.

Indien een opleiding tijdens een geplande dienst plaats vindt, wordt de medewerker in de gelegenheid gesteld om deze opleiding te volgen. De medewerker wordt dan voor de duur van de cursus uitgepland voor de parate dienst. Indien een medewerker op een zaterdag een opleiding moet volgen, wordt de tijd x de roosterfactor (1,33) gecompenseerd.

Op bovenstaande wijze is het mogelijk om een rooster op maat te maken voor elke medewerker. Door te plannen op maat kan er rekening gehouden worden met bijzondere verloven van de medewerkers. Hiermee wordt tevens voorkomen dat een medewerker onbenutte beschikbare uren in het rugzakje opbouwt. Dit wordt op individueel niveau gemonitord.

6 Vakantie en verlof 24-uursdienstmedewerker

Zoals eerder aangegeven worden in het nieuwe rooster enkel de beschikbare uren, de uren waarin men moet werken, ingepland. Voor de zomervakantie is rekening gehouden met een periode van 3 maal 3 weken waarin iedere 24-uursdienstmedewerker drie weken aaneengesloten zomerverlof kan opnemen. De verlofopname in de zomerperiode zal in onderling overleg plaats vinden. In deze periode wordt het drie ploegensysteem losgelaten en wordt er gewerkt met één grote poule van medewerkers waaruit iedereen wordt ingeroosterd. In deze periode wordt de bijdrage van het dagdienstpersoneel naar nul teruggebracht.

Iedere medewerker zal in de gelegenheid worden gesteld om voorafgaand aan het kalenderjaar zijn verlofwensen voor bijzondere feestdagen kenbaar te maken. Het inroosteren voor Kerst en Nieuwjaar zal plaatsvinden op basis van vrije instroom.

Aangezien er ingeroosterd wordt op basis van beschikbare (te werken) uren kan er geen verlof worden opgenomen zoals dat binnen het oude rooster (voor 1-1-2008) mogelijk was met behulp van een verlofkaart.

Als een medewerker alsnog verlof wil voor een ingeplande dienst, dan zal de paraatheid geborgd moeten worden door een collega uit een andere ploeg. Het verkrijgen van verlof voor een ingeplande dienst is dus mogelijk door ruilingen toe te passen. De medewerker moet hiervoor een verlofruilaanvraag indienen. Voor deze verlofruilaanvraag gelden de volgende spelregels: De medewerker dient een formele verlofruilaanvraag in bij de teamleider met een verlofbriefje. De teamleider zal zich tot het uiterste inspannen om tegemoet te komen aan dit verzoek door middel van een dienstruil of . Er wordt uitgegaan van maximaal 8 gegarandeerde verlofruilverzoeken per jaar per medewerker. Na 8 gegarandeerde verlofruilverzoeken zal de teamleider een nieuw verzoek pas inwilligen indien de bedrijfsvoering dit toelaat.

Het bijkomende voordeel van een verlofruil is dat er geen extra uren worden opgebouwd ten gunste van het ’rugzakje’, welke vervolgens weer op een later moment moeten worden ingeroosterd.

Ruilingen met de R2 (de gegarandeerde verlofplaats) vindt enkel plaats op basis van vrijwilligheid.

7 Consignatie R1

In het vakantierooster is sprake van een consignatie van de R1-medewerker van 07.00 uur tot 08.00 uur. De consignatie van deze medewerker is bedoeld voor de opvang van een zieke 24- uursdienstmedewerker bij aanvang van de dienst ‘s ochtends. Ziekte tijdens een avond/ nacht dienst wordt zoveel mogelijk opvangen door de inzet van een extra vrijwilliger.

De regels voor de R1 zijn;

Gedurende een uur, van 07:00 uur tot 08:00 uur, is de R1 medewerker beschikbaar (geconsigneerd).

Het consignatie-uur wordt vergoed conform de 10/16 regeling

Indien opkomst noodzakelijk is dan wordt de R1 door de bevelvoerder van dienst gebeld.

Indien de R1 op dienst moet komen, begint zijn dienst alsnog om 07.00 uur. Het arbeidstijdenbesluit is ook in deze situatie van toepassing. De teamleider of de bevelvoerder van dienst draagt vervolgens zorg voor een (structurele) vervanging van de ziek gemelde medewerker zodat de R1 z.s.m. weer naar huis kan.

Mocht er sprake zijn van een tweede ziektemelding gedurende het verloop van de dag, dan zal de teamleider een vervanger aanzoeken binnen de aanwezige dagdienst of een vrijwilliger of een 24-uursdienstmedewerker oproepen (op vrijwillige basis).

Bij langdurige ziekte zal de dienst naar een oplossing zoeken. De langdurige zieke medewerker wordt in principe niet door de R1 opgevangen.

8 Geoefendheid

In het akkoord tussen werkgevers en VNG is overeengekomen dat de geoefendheid van het gekazerneerde brandweerpersoneel (waar nodig) wordt verbeterd. Om hier invulling aan te geven zullen er oefeningen plaats vinden op drie niveaus:

Avondinstructies: De avondinstructies zijn kortdurende basisoefeningen waarbij een enkel aspect aan bod komt. Deze oefeningen duren 1,25 uur. Deze zullen bij de wisseling van de wacht in de avonduren worden gehouden op werkdagen. Op deze avonden zijn er ook vrijwillige en dagdienst medewerkers ingepland. De gezamenlijke avondoefeningen van de wacht bevorderen de vakbekwaamheid van het brandweerpersoneel en de onderlinge samenwerking. Op woensdag en vrijdag is er een sportinstructie gepland.

Middagoefeningen op werkdagen: Het gaat hier om basis- en specialistische oefeningen conform de leidraad oefenen tijdens de parate dienst. Dit zijn oefeningen die ingepland staan in het dagrooster. De parate ploeg zal de oefeningen draaien. De paraatheid komt hierbij niet in het gedrang.

Terugkomdagen: Oefeningen waarbij de medewerkers niet paraat kunnen zijn, worden buiten het parate rooster ingepland. Gedacht moet worden aan realistische oefeningen in oefencentra, duiken gaspakoefeningen, varen e.d. Jaarlijks worden er een tiental terugkomdagen voor de drie beroepsploegen ingepland, buiten het parate rooster om.

9 Dagindeling (concept)

De werk-, wacht- en rusttijden voor de medewerkers van de wacht zijn voor maandag t/m zondag in dagindeling vastgelegd (zie bijlage 1). De dagindeling weerspiegeld de afspraken die gemaakt zijn tussen werkgevers en werknemers over het vergroten van het aantal productieve uren en het verbeteren van de geoefendheid als gevolg van de invoering van de 48-urige werkweek.

Het aantal productieve werkuren bedraagt:

tijdens een 24-uursdienst op werkdagen 11 uur

tijdens een 24-uursdienst in het weekend 5 uur

tijdens een 12-uursdienst op werkdagen 9 ½ uur

Appèl Voorafgaand aan elke 12-uursdienst zal er een appèl plaats vinden. Reden hiervoor is dat om de 12-uur de samenstelling van de ploeg wijzigt. In het weekend is het mogelijk dat er geen wijziging plaats vindt als iedereen is ingepland voor een 24-uursdienst. Toch is ook in het weekend standaard een avondappèl ingesteld om de onderlinge afstemming en overleg te bevorderen. Door de week wordt aansluitend aan het avondappèl een gezamenlijke basisoefening verricht waardoor de onderlinge samenwerking en individuele vakbekwaamheid wordt bevorderd.

10 Vrijwilligers

Vrijwilligers worden ingepland conform het arbeidstijdenbesluit. Dit betekent een vrijwilliger niet meer dan gemiddeld 48 uur per week bezig is met reguliere brandweeractiviteiten zoals oefenen of een wachtdienst. Uitgaande dat elke vrijwilliger 40 uur per week werkt in zijn regulier beroep zouden er 8 uur per week resteren voor brandweeractiviteiten. Voor de vrijwilliger geldt dat oefenen en het draaien van wachten als (aanwezigheid)uren moeten worden gezien. Uren welke voor alarmmeldingen worden gemaakt zijn echter géén aanwezigheidsuren.

Als ervan uit wordt gegaan dat door een vrijwilliger 2 uur per week wordt geoefend, dan blijven er per week nog 6 uur over die voor het invullen van een wacht gebruikt zouden kunnen worden. Per twee weken is dit één 12-uursdienst die een vrijwilliger kan draaien. Per week worden de vrijwilligers gemiddeld voor 21,3 12-uurswachten ingeroosterd. Het is dus theoretisch mogelijk om met 43 vrijwilligers het rooster te draaien. Het formatieve aantal vrijwilligers verbonden aan de post Roermond bedraagt 57. Dit aantal is ruim voldoende om het rooster te kunnen draaien én het aantal diensten voor de vrijwilligers te beperken tot maximaal één 12-uursdienst per twee weken. De vrijwilligers van de posten Swalmen, Montfort, Stevensweert, Wessem en Thorn kunnen indien gewenst ook worden opgeroepen voor 12-uursdiensten.

11 Organisatorische wijzigingen M.I.V. 1-1-2008

De invoering van het nieuwe dienstrooster heeft een aantal organisatorische wijzigingen tot gevolg, te weten:

indeling ploegen

organisatiewijziging

Ad 1. De twee beroepsploegen ploegen bestonden voor 1-1-2008 elk uit 11 medewerkers. In het nieuwe rooster wordt er gewerkt met drie ploegen van elk 8 medewerkers. De medewerkers zijn als gevolg hiervan opnieuw ingedeeld in ploegen. Uitgangspunten bij de nieuwe indeling waren de functie binnen de repressieve organisatie en de taken die in de ‘koude’ organisatie werden verricht.

Ad 2. Door het nieuwe rooster is de ploeggrootte kleiner geworden en is het aantal diensten per medewerker per week afgenomen. Dit heeft tot gevolg dat de contactmomenten tussen de voormalige ploegchefs en ploegleden afnemen. Om het sturingsprobleem op te lossen is er een organisatiewijziging doorgevoerd. De functie van ploegchef is komen te vervallen en binnen elke ploeg zijn twee bevelvoerders aangesteld. De bevelvoerders hebben o.a. als taak om de dag te begeleiden en om met het vak bezig te zijn door verdieping van kennis, oefenen e.d. Voor de aansturing van de ploegen is een teamleider in dagdienst aangesteld die tevens de verantwoordelijkheid heeft over het rooster. Het bureau opleiden en oefenen (bestaand) en bureau beheer (nieuw), zal faciliterend naar het 24-uursdienstpersoneel optreden. Dit houdt in dat oefeningen en werkzaamheden meer voorbereid moeten worden. Oefeningen en werkzaamheden worden bij het ochtendappel uitgezet. In bijlage 2 wordt de organisatiewijziging uitgebreid toegelicht.

Bijlage 1 Dagindeling 24-uurswacht

Maandag: 07.00 Dienstwissel / ochtendappel 07.15 Controle voertuigen/uitrusting 07.30 Grote controle voertuigen 09.45 Koffie pauze 10.00 Voortgang ochtendprogramma 12.15 Middag pauze 13.15 Werkzaamheden TD 15.45 Thee pauze 16.00 Voortgang middagprogramma 16.30 Werkoverleg A/B/C 17.30 Opruimen 18.00 Pauze 19.00 Avondappel / controle voertuigen / uitrusting 19.15 Avond instructie 20.30 Vrije wacht 23.00 Nachtrust 06.30 Opstaan

Dinsdag: 07.00 Dienstwissel / ochtendappel 07.15 Controle voertuigen/uitrusting 07.30 Werkzaamheden TD 09.45 Koffie pauze 10.00 Werkzaamheden TD 12.15 Middag pauze 13.15 Elementaire / basis instructie 15.45 Thee pauze 16.00 Voortgang middagprogramma 18.00 Pauze 19.00 Avondappel / controle voertuigen / uitrusting 19.15 Avond instructie 20.30 Vrije wacht 23.00 Nachtrust 06.30 Opstaan

Woensdag: 07.00 Dienstwissel / ochtendappel 07.15 Controle voertuigen/uitrusting 07.30 Werkzaamheden TD 09.45 Koffie pauze 10.00 Voortgang ochtendprogramma 12.15 Middag pauze 13.15 Elementaire / basis instructie 15.45 Thee pauze 16.00 Voortgang middagprogramma 18.00 Pauze 19.00 Avondappel / controle voertuigen / uitrusting 19.15 Avond instructie / fysieke vaardigheden 20.30 Vrije wacht 23.00 Nachtrust 06.30 Opstaan

Donderdag: 07.00 Dienstwissel / ochtendappel 07.15 Controle voertuigen/uitrusting 07.30 Zwemmen / fysieke vaardigheden 09.30 Koffie pauze 09.45 Bevelvoerdersoverleg (om de 2 a 3 weken) Voortgang ochtendprogramma 12.15 Middag pauze 13.15 Elementaire / basis instructie 15.45 Thee pauze 16.00 Voortgang middagprogramma 18.00 Pauze 19.00 Avondappel / controle voertuigen / uitrusting 19.15 Avond instructie 20.30 Vrije wacht 23.00 Nachtrust 06.30 Opstaan

Vrijdag: 07.00 Dienstwissel / ochtendappel 07.15 Controle voertuigen/uitrusting 07.30 Zwemmen / fysieke vaardigheden 09.30 Koffie pauze 10.00 Werkzaamheden TD 12.15 Middag pauze 13.15 Elementaire / basis instructie 15.45 Thee pauze 16.00 Corvee 18.00 Pauze 19.00 Avondappel / controle voertuigen / uitrusting 19.15 Avond instructie / fysieke vaardigheden 20.30 Vrije wacht 23.00 Nachtrust 06.30 Opstaan

Zaterdag: 07.00 Dienstwissel / ochtendappel 07.15 Controle voertuigen/uitrusting 07.30 Poetsen uitrukmateriaal / opgedragen werkzaamheden 09.45 Koffie pauze 10.00 Fysieke vaardigheden 12.00 Douchen 12.15 Eten halen 12.30 Middag pauze / vrije wacht 15.45 Thee / koffie 16.00 Vrije wacht 19.00 Avondappel 23.00 Nachtrust 06.30 Opstaan

Zondag: 07.00 Dienstwissel / ochtendappel 07.15 Controle voertuigen / uitrusting 07.30 Vrije oefening 09.45 Koffie pauze 10.00 Fysieke vaardigheden 12.15 Eten halen 12.30 Middag pauze / vrije wacht 15.45 Thee / koffie 16.00 Vrije wacht 19.00 Avondappel 23.00 Nachtrust 06.30 Opstaan 07.00 Dienstwissel / ochtendappel

Ten gevolge van een uitruk kan een verschuiving plaatsvinden van werkzaamheden. De avondinstructie kan maximaal tot 21.30 uur plaatsvinden. De bevelvoerder van dienst draagt zorg voor de aangepaste dagindeling zodra er buitengewone omstandigheden zijn zoals een uitruk.

Bijlage 2 Organisatie aanpassingen als gevolg van de invoering 48-urige werkweek

Inleiding.

Met ingang van 1 januari 2008 is de 48-urige werkweek van toepassing voor de brandweer Roermond, waardoor de werktijd voor de uitrukdienst is verkort van 54 uur naar 48 uur. Als gevolg hiervan is er een nieuw dienstrooster geïntroduceerd voor de 24-uursdienst, de dagdienst en de vrijwilligers.

Historie.

Tot 1-1-2008 is het personeel van de 24 uurdienst ingeroosterd volgens een roostermethodiek, die zijn oorsprong vindt in de jaren 70 ten tijde van de invoering van de 60-urige werkweek voor de 24 uurdienst. Arbeidstijdverkortingen, die in de loop der jaren daarna zijn doorgevoerd, zijn in het 60-urig rooster verwerkt door het inplannen van extra compensatiedagen voor het betreffende personeel. Deze compensatiedagen werden opgevangen door het beschikbaar krijgen van extra capaciteit in de vorm van personeelsuitbreiding. Een belangrijk kenmerk van het rooster van voor 1-1-2008 is, dat er op werkdagen tijdens kantooruren, aanvullend op het 24-uursdienstpersoneel, gebruik wordt gemaakt van geüniformeerd dagdienstpersoneel (1) om de minimum sterkte te garanderen. In de avond-, nacht- en weekenduren wordt er een beroep gedaan op maximaal 3 vrijwilligers om de minimum sterkte te waarborgen. Om het 24 uurdienst personeel de gelegenheid te bieden verlof op te nemen dan wel om ziektegevallen onder het personeel te kunnen opvangen, is er extra capaciteit in het rooster voorhanden. Deze roostermethodiek heeft als nadeel dat in het geval er geen sprake is van vervanging van zieke medewerkers en/of er een geringe behoefte onder het personeel is om verlof op te nemen, er sprake is van een parate bezetting die de minimumsterkte overstijgt. Hierdoor wordt de beschikbare capaciteit niet efficiënt benut in het rooster.

48 Urige werkweek.

De invoering van de 48-urige werkweek noodzaakt de organisatie kritisch te kijken naar de inrichting van het dienstrooster. De volgende randvoorwaarden spelen hierbij een rol:

Door het grote verschil tussen de 60 en 48-urige werkweek moet de basis van het bestaande rooster, gebaseerd op een 60-urige werkweek worden losgelaten;

Een 48-urige werkweek pleit voor een 3-ploegenstelsel (24 uur op en 48 uur af), dit in tegenstelling tot het huidige 2-ploegenstelsel;

De verhouding tussen het aantal werk-, wacht- en slaapuren binnen het rooster dient in overeenstemming te worden gebracht met de rechterlijke uitspraak dat de arbeidstijdverkorting niet mag leiden tot een salarisvermindering, maar dat de invulling, zwaarte, belasting van de functie in overeenstemming moet zijn met de geldende honorering.

De verhoging van de minimumsterkte naar uiteindelijk 8 personen;

Er kunnen nooit meer personen in dienst zijn dan de vereiste minimumsterkte;

De te verrichten diensten omvatten 12 dan wel 24 uur;

Buiten de zomervakantie om is er op werkdagen gedurende 24 uur een dagdienst medewerker beschikbaar t.b.v. de uitrukdienst (telt mee voor de minimum sterkte);

In de avond, nachtelijke en weekenduren (inclusief de feestdagen) zijn er 3 vrijwilligers / dagdienstmedewerkers beschikbaar voor aanvulling van de minimumsterkte. Gedurende de zomervakantie zijn er minimaal 2 en maximaal 3 vrijwilligers beschikbaar.

De organisatie van de 24 uurdienst.

In de situatie van voor 1-1-2008 wordt de 24 uurdienst gevormd door 2 ploegen (A- en Bploeg) van elk 11 medewerkers. Ieder ploeg beschikt over 3 bevelvoerders, waarvan er één de functie van ploegleider bekleedt. Het geheel wordt aangestuurd door een kazernecommandant.

Wijzigingen in de organisatie van de 24-uursdienst na 1-1-2008

De functie van kazernecommandant komt te vervallen (wordt gewijzigd).

De functies van ploegleiders komen te vervallen.

Het aantal bevelvoerders blijft ongewijzigd (6)

Een nieuwe functie van teamleider 24 uurdienst wordt geïntroduceerd.

Ad. 1.

In de oude situatie beschikten beide ploegen in de 24 uurdienst over een ploegleider. De ploegleider was verantwoordelijk voor het functioneren van de ploeg, de paraatheid (het roosteren van de bezetting) en vormde het eerste aanspreekpunt. Beide ploegleiders werden aangestuurd door de kazernecommandant. De kazernecommandant was voorts verantwoordelijk voor de kazerne(s) en technische dienst. Gezien de complexheid van de toekomstige roosters en de uitbreiding van 2 naar 3 ploegen, vergt de aansturing van de 24 uurdienst meer aandacht. Daarnaast hebben de huidige ploegleiders minder tijd voor hun leidinggevende taak beschikbaar en wordt de aandacht in hun functie als bevelvoerder nadrukkelijker gevraagd voor het onderdeel opleiden en oefenen. Het voorgaande heeft er toe geleid dat de functie van kazernecommandant is opgeheven en de daarbij behorende taken zijn verdeeld over een teamleider 24 uurdienst en het hoofd van het nieuw in te richten bureau beheer (de voormalige technische dienst). M.a.w. de beide ploegleiderfuncties zijn verenigd in de teamleider 24 uurdienst en de beheerstaken in de functie van kazernecommandant zijn ondergebracht bij het bureau beheer.

Ad. 2.

Met de introductie van een derde ploeg, zou in het oude rooster een derde ploegleider moeten worden aangesteld. Aangezien de huidige arbeidstijdenwet naast het maximale aantal aanwezigheidsuren van gemiddeld 48 uur per week, buiten de reguliere werktijd weinig mogelijkheden biedt voor extra gezamenlijke overlegmomenten, vormde ook de verplichte inachtneming van rusturen van 11 uur voor en na een 24-uurdienst een belemmering voor gezamenlijk afstemmingsoverleg tussen de ploegleiders en de kazernecommandant. Daarnaast moest er een oplossing worden gezocht voor het moeizame proces van de roosterbezetting. De verantwoordelijkheid en uitvoering wordt nu weggelegd bij de teamleider 24-uurdienst terwijl in het verleden alle bevelvoerders in meer of mindere mate bij de uitvoering betrokken waren, wat tot onduidelijkheden leidde en de uniformiteit in handelen zeker niet ten goede kwam. De tijd die hiermee gemoeid was zal in de toekomst worden aangewend voor de aandachtsvelden opleiden en oefenen. De opheffing van de ploegleiderfunctie leidt niet tot een vermindering van het aantal bevelvoerders. In het nieuwe dienstrooster is dit aantal bevelvoerders gelijk aan zes.

Ad. 3.

Zoals hierboven vermeldt, blijft het aantal bevelvoerders funkties gelijk. Voor de zittende medewerkers betekent dit dat de mogelijkheid om bevelvoerder te worden gelijk blijft. Het aantal bevelvoerders blijft gehandhaafd op zes. In het verleden konden bevelvoerders bij gebleken geschiktheid doorgroeien naar de functie van ploegchef. In de nieuwe situatie zijn de functies van ploegchef komen te vervallen en is de functie van teamleider geïntroduceerd. De voormalige ploegchef Peter Seelen is doorgegroeid naar teamleider. De tweede ploegleider Jan Maessen heeft gebruik gemaakt van de overgangsregeling FLO.

Ad. 4.

Met de invoering van het nieuwe rooster op 1 januari 2008 is de nieuwe functie van teamleider 24-uurdienst geïntroduceerd. Deze medewerker maakt onderdeel uit van de organisatie van de 24-uurdienst en is verantwoordelijk voor de aansturing van de drie ploegen. De teamleider zal de werkzaamheden in dagdienstverband inplannen. De teamleider zal ook als officier van dienst gaan functioneren.

Organisatie dagdienst

De organisatie van de dagdienst ondergaat eveneens een verandering als gevolg van de invoering van de 48-urige werkweek voor de 24-uurdienst. In het voorgaande is al aangegeven dat dit gevolgen heeft voor de functie van kazernecommandant. Was het voorheen de taak van de kazernecommandant om in samenwerking met de ploegchefs de 24 uurdienst aan te sturen, deze aansturing wordt nu in handen gelegd in de handen van de teamleider 24 uurdienst (zie afb. 2)

Met de uitbreiding van het aantal korpsen, voornamelijk als gevolg van herindelingen, is de omvang van het aantal gebouwen, voertuigen, materieel en personeel aanzienlijk toegenomen. Met de taakuitbreiding als gevolg van de invoering van de 48-urige werkweek, is de verantwoordelijkheid voor het beheer (aanschaf/onderhoud) van gebouwen, voertuigen en materieel, en het aansturen van de 24 uurdienst niet meer te verenigen in een persoon. Gekozen is de functie te splitsen in een teamleider 24 uurdienst en een hoofd bureau beheer.

Attentiebeleid

Inhoudsopgave

  • I.

    Viering jubilea

  • A.

    Overheidsdiensttijd

  • B.

    In dienst van de Veiligheidsregio

  • C.

    Actief bij de brandweer binnen het Regiobureau Brandweer

  • D.

    Pensionering - FPU - WIA – ontslag

  • E.

    Vrijwillig ontslag (afscheidstoelage artikel 3:8:1)

  • F.

    Overige "medewerkers" binnen het Regiobureau Brandweer en de GHOR

II. Uit te reiken attenties

III. De uitvoering

IV. Cumulatiebeding

Onderstaand wordt nader ingegaan op de te onderscheiden jubilea, de viering daarvan alsmede de te verstrekken materiële attenties bij speciale gelegenheden.

I. Viering jubilea.

Bij de viering van jubilea wordt een onderscheid gemaakt tussen overheidsdienst- en dienstjubilea.

A. Overheidsdiensttijd

(ambtsjubilea die hun grond/rechtvaardiging vinden in de CAO – AVR/CAR/UWO)

12,5 jaar overheidsdienst (ambtsjubileum): een gratificatie, die niet is opgenomen in artikel 3:5:1, en die gebaseerd is op de helft van de bezoldiging waarop de ambtenaar in de maand van zijn jubileum aanspraak heeft, vermeerderd met de vakantietoelage;

25 jaar overheidsdienst (ambtsjubileum): een gratificatie, die in afwijking van artikel 3:5:1 lid 1, gebaseerd is op de gehele bezoldiging waarop de ambtenaar in de maand van zijn jubileum aanspraak heeft, vermeerderd met de vakantietoelage

40 respectievelijk 50 jaar overheidsdienst (ambtsjubileum): een gratificatie conform artikel 3:5:1 lid 1

ontslag (zie onder D. / E.): een afscheidstoelage

Bij ontslag op eigen verzoek en bij ontslag vanwege reorganisatie of arbeidsongeschiktheid, FPU, FLO of 65 jaar ontvangt de ambtenaar een afscheidstoelage, indien hij minimaal een jaar in dienst is van de Veiligheidsregio Limburg-Noord, ter grootte van € 45,--, aangevuld met € 4,50 voor ieder vol dienstjaar bij de Veiligheidsregio.

De jaren doorgebracht in dienst van het Gewest Midden Limburg of het Gewest Noord- Limburg tellen mee bij de vaststelling van de hoogte van de toelage.

Viering:

ad a. Viering binnen de sector; sectordirecteur draagt zorg voor overhandiging enveloppe. ad b. en c. Viering middels een receptie (vanaf ±15.30 uur); hiervoor worden alle medewerkers uitgenodigd; tevens kunnen ook overige genodigden (waaronder familie, oud collegae, relaties) aanwezig zijn (tot maximaal ± 50 personen).

Na besluitvorming door de directeur, kan in een aantal gevallen (bureauhoofd/manager of in uitzonderingssituaties) overgegaan worden tot een officiële, openbare receptie, waarvan de kosten voor rekening van de dienst/sector.

In plaats van een receptie bij /namens de dienst/sector kan de jubilaris ervoor kiezen om buiten de sector zijn jubileum te vieren (bv. thuis of een etentje); er bestaat dan aanspraak op een tegemoetkoming van maximaal € 450,-- onder overlegging van de rekeningen. Bij zo’n viering buiten de dienst/sector bestaat alleen aanspraak op de genoemde vergoeding als medewerkers van de Veiligheidsregio (collega’s) direct betrokken worden bij de viering.

B. In dienst van de Veiligheidsregio

(dienstjubilea ter eigen keuze van de Veiligheidsregio):

12,5 in dienst van de Veiligheidsregio of zijn voorgangers;

25 jaar in dienst van de Veiligheidsregio of zijn voorgangers;

40 jaar in dienst van de Veiligheidsregio of zijn voorgangers.

Voorstel tot viering van de gebeurtenissen onder B. ad a:

Viering dergelijke jubilea binnen de eigen dienst/sector en wel één keer per jaar gezamenlijk met al degenen die hiervoor in aanmerking komen. Indien één van de betrokken medewerkers tegelijkertijd ook een overheidsjubileum viert dan is A. ad a van toepassing.

Voorstel tot viering gebeurtenissen onder B. ad b en c:

Deze jubilea worden één keer per jaar gezamenlijk gevierd middels een (informele) receptie; een eventuele (brandweer)onderscheiding kan tijdens deze viering uitgereikt worden.

De bijeenkomst wordt gepland vanaf ± 15.30 uur in een externe lokaliteit. Hiervoor zullen alle medewerkers worden uitgenodigd; tevens kunnen ook overige genodigden (w.o. familie, oud collegae, relaties) aanwezig zijn (tot maximaal 50 personen). De kosten zijn voor rekening van de dienst/sector.

Slechts in een bijzonder geval kan, na besluitvorming door de directeur, overgegaan worden tot een officiële, openbare receptie; met name geldt dit voor het niveau van bureauhoofd of manager of in uitzonderingssituaties. De kosten zijn voor rekening van de dienst/sector.

C. Actief bij de brandweer binnen het Regiobureau Brandweer

(ter eigen keuze van de sector/ Veiligheidsregio): De NVBR kent de volgende brandweeronderscheidingen:

12,5 jaar actief een brandweerfunctie bekleden binnen de RB: actie: brandweeronderscheiding aanvragen;

20 en 25 jaar actief een brandweerfunctie bekleden binnen de RB: actie: brandweeronderscheiding aanvragen;

30 en 35 jaar actief een brandweerfunctie bekleden binnen de RB: actie: brandweeronderscheiding aanvragen;

40, 45 en 50 jaar actief een brandweerfunctie bekleden binnen de RB: actie: brandweeronderscheiding aanvragen;

tussentijdse dienstbeëindiging en actief een brandweerfunctie bekleed hebben binnen de RB: actie: brandweeronderscheiding aanvragen.

Voorstel tot viering van de gebeurtenissen onder C. ad 1:

Viering binnen de eigen dienst/sector en wel één keer per jaar gezamenlijk met al degenen die hiervoor in aanmerking komen. Indien één van de betrokken medewerkers tegelijkertijd ook een overheidsjubileum viert dan is A. ad a van toepassing.

Eventuele brandweeronderscheidingen of andere “zaken” kunnen tijdens deze viering eveneens uitgereikt worden. De kosten zijn voor rekening van de sector.

Voorstel tot viering gebeurtenissen onder C. ad 2 en 3:

Viering conform B. ad b. en c.

D. Pensionering - FPU - WIA – ontslag

(proportionele gratificatie artikel 3:5:1, lid 6 en afscheidstoelage artikel 3:8:1)

Viering middels een receptie (vanaf ± 15.30 uur) bij de dienst/sector zelf en hiervoor worden alle medewerkers uitgenodigd. Tevens kunnen ook overige genodigden (w.o. familie, oud collegae, relaties) aanwezig zijn (tot maximaal 50 personen).

In plaats van een receptie bij/namens de dienst/sector kan betrokkene ervoor kiezen om buiten de dienst/sector zijn afscheid te vieren (bv. thuis of een etentje); er bestaat dan aanspraak op een tegemoetkoming van maximaal € 450,-- op basis van rekeningen. Bij zo’n viering buiten de dienst/sector bestaat alleen aanspraak op de genoemde vergoeding als medewerkers van de Veiligheidsregio (collega’s) direct betrokken worden bij de viering.

Slechts in bijzonder gevallen (bureauhoofd/manager of in uitzonderingssituaties) kan, na besluitvorming door het dienst-/sectorhoofd, overgegaan worden tot een officiële openbare receptie. De kosten zijn voor rekening van de dienst/sector.

E. Vrijwillig ontslag (afscheidstoelage artikel 3:8:1)

Indien het dienstverband meer dan 10 jaar heeft geduurd wordt dezelfde gedragslijn gevolgd als onder D. (pensionering ? receptie).

In plaats van een receptie bij of namens de dienst/sector kan betrokkene ervoor kiezen om buiten de dienst/sector het afscheid te vieren (bv. thuis of een etentje); er bestaat dan aanspraak op een tegemoetkoming van maximaal € 450,-- op basis van rekeningen. Bij zo’n viering buiten de dienst/sector bestaat alleen aanspraak op de genoemde vergoeding als medewerkers van de Veiligheidsregio (collega’s) direct betrokken worden bij de viering.

F. Overige "medewerkers" binnen het Regiobureau Brandweer en de GHOR

de wvd/ags

de voorlichter

(H)OvD; OvDG; instructeurs

ad a. en b.:

Omdat deze groep medewerkers, die werkzaam is op grond van een aanstelling als vrijwilliger, alleen bekend is bij een beperkte groep medewerkers van het Regiobureau Brandweer wordt voorgesteld om bij een aantal hier te benoemen gebeurtenissen stil te staan.

12,5 jaar als vrijwilliger voor de RB ( of zijn voorganger) werkzaam zijn;

25 jaar als vrijwilliger voor de RB (of zijn voorganger) werkzaam zijn;

40 jaar als vrijwilliger voor de RB (of zijn voorganger) werkzaam zijn.

Afscheid/ontslag als vrijwilliger

Vier zo’n jubileum/ afscheid op een bescheiden manier binnen het Regiobureau Brandweer één keer per jaar gezamenlijk met al degenen die hiervoor in aanmerking komen; een eventuele brandweeronderscheiding op grond van de werkzaamheden bij de RB kan dan ook uitgereikt worden. In plaats hiervan zou evt. een eigen onderscheiding uitgereikt kunnen worden. De kosten zijn voor rekening van het Regiobureau Brandweer. Bij afscheid/ontslag zou de afscheidstoelage (artikel 3:8:1) toegepast kunnen worden.

ad c.:

De (H)OvD en OvDG verrichten hun "piket"-dienst op basis van hun kwaliteiten vanuit hun eigen organisatie; en ze vallen dan ook onder die rechtspositie (geen dubbele viering). Bij het afscheid/ontslag als (H)OvD, OvDG wordt de afscheidstoelage (artikel 3:8:1) toegepast.

De instructeurs worden per module "ingehuurd" en gehonoreerd. Indien bekend is hoelang zij reeds les geven wordt voorgesteld om één keer per jaar bij een gezamenlijke bijeenkomst voor de instructeurs aandacht te schenken aan 12,5, 25 en 40 jaar instructeur zijn of met het beëindigen van het les geven. Hierbij zou evt. een eigen onderscheiding uitgereikt kunnen worden (optie: dit eventueel met andere opleidingsinstituten oppakken).

II. Uit te reiken attenties

Onderstaand worden de gelegenheden en de daarbij te besteden bedragen dan wel aan te bieden attenties weergegeven:

bij huwelijk medewerker:  € 45,--;
bij geboorte kind:  € 23,--;
bij 25-jarig huwelijk/geregistreerd partnerschap medewerker:  € 34,50;
bij 40-jarig huwelijk/geregistreerd partnerschap medewerker:  € 45,--;
bij overlijden medewerker:overlijdensadvertentie in dagblad; bloemstuk Veiligheidsregio; bijwonen begrafenis;  
bij overlijden partner/kind/gezinslid:bloemstuk Veiligheidsregio; bijwonen begrafenis;  
bij overlijden familielid in 1e en/of 2e graad:condoléancekaart bestuur/dienst of afdeling;  
bij ziekenbezoek:  € 11,50;
bij ziekenhuisopname:  € 11,50;
bij stages of vrijwilligerswerk korter dan 3 mndn.:boeken/cadeaubon(€ 11,50);
bij stages of vrijwilligerswerk tussen 3-6 mndn.:boeken/cadeaubon [afhankelijk van inhoud en zinvolheid kan dit bedrag oplopen tot maximaal € 45,--];(€ 11,50)
bij stages of vrijwilligerswerk langer dan 6 mndn.: boeken/cadeaubon € 45,--;  
bij eervol ontslag of ontslag vanwege reorganisatie of arbeidsongeschiktheid:(artikel 3:8:1 AVR-CAR/UWO) € 45,-- + per dienstjaar € 4,50  

III. De uitvoering.

Vanuit de centrale PIS dienen een aantal persoonsgegevens aangeleverd te worden. De gewenste basisgegevens dienen uiteraard bekend en ingevoerd te zijn.

Aan de hand van die gegevens zal de dienst-/sectordirecteur/manager via de personeelsadviseur geïnformeerd worden.

De dienst-/sectordirecteur/manager kan vervolgens binnen zijn afdeling de noodzakelijke maatregelen treffen (overleg/ afstemming aan de hand van de afspraken).

Vervolgens kan de daadwerkelijke uitvoering conform de per dienst/sector afgesproken methode worden opgepakt.

De direct leidinggevende is verantwoordelijk voor de onder hoofdstuk II vermelde attenties en te onder nemen acties.

Ten aanzien van de "overige medewerkers" wordt voorgesteld om de "bewaking en afhandeling" van:

de instructeurs plaats te laten vinden door het bureau opleidingen;

de wvd-er/ ags-er door het bureau P&P;

de (H)OvD door het bureau Operatiën;

de OvDG door de GHOR.

IV. Cumulatiebeding

Voor een jubilaris die in een tijdsbestek van 3 jaar verschillende jubilea heeft te vieren, vindt in principe slechts eenmaal een viering plaats. In samenspraak met de jubilaris wordt hiervoor een regeling getroffen.

Regeling Bedrijfsfitness 1

Inhoudsopgave

Artikel 1 Begripsbepalingen

Artikel 2 Deelname en inschrijving bedrijfsfitness

Artikel 3 Kosten bedrijfsfitness

Artikel 4 Einde deelname bedrijfsfitness

Artikel 5 Aansprakelijkheid

Artikel 6 Onvoorziene gevallen

Artikel 7 Slotbepalingen

Artikel 1 Begripsbepalingen

Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder:

medewerker: de ambtenaar in de zin van artikel 1:1, eerste lid, onder a, van de Arbeidsvoorwaardenregeling;

bedrijfsfitness: basisabonnement fitness buiten werktijd bij een door de werkgever aangewezen fitnesscentrum via BenVitaal;

werkgever: Veiligheidsregio Limburg-Noord.

Artikel 2 Deelname en inschrijving bedrijfsfitness

Lid 1

De medewerker kan op zijn verzoek deelnemen aan bedrijfsfitness;

Lid 2

De aanmelding voor bedrijfsfitness geschiedt via een digitale inschrijving op het Benefitsplein van BenVitaal;

Lid 3

De werkgever draagt zorg voor controle van de medewerker gegevens en de goedkeuring richting BenVitaal;

Lid 4

De deelname geldt voor een door de medewerker gekozen abonnementstermijn;

Lid 5

Medewerkers die al een abonnement hebben bij het sportcentrum van zijn/haar keuze dienen eerst lopende contracten/afspraken uit te dienen, alvorens zij kunnen overstappen naar de “nieuwe” bedrijfsfitnessregeling;

Lid 6

Een abonnement is persoonlijk en derhalve niet overdraagbaar aan derden.

Artikel 3 Kosten bedrijfsfitness

Lid 1

De kosten van het basisabonnement voor bedrijfsfitness worden door de VRLN maandelijks rechtstreeks aan BenVitaal betaald;

Lid 2

De kosten zoals genoemd in lid 1 worden gedurende looptijd van de deelname maandelijks met het bruto salaris van de medewerker verrekend;

Lid 3

Het eenmalige inschrijfgeld dient de medewerker rechtstreeks aan het fitnesscentrum te betalen. Hiervoor geldt geen fiscaal voordeel middels verrekening met het bruto salaris.

Artikel 4 Einde deelname bedrijfsfitness

Lid 1

De medewerker kan de deelname aan bedrijfsfitness uitsluitend beëindigen door een digitale opzegging via het Benefitsplein.

Lid 2

Hierbij dient de medewerker rekening te houden dat er een abonnent voor bepaalde tijd wordt aangegaan. De medewerker dient uiterlijk 1 maand voor de vervaldatum van de 1e contractperiode het abonnement stop te zetten. Na de 1e contractperiode is het mogelijk om maandelijks op te zeggen.

Lid 3

Het recht op bedrijfsfitness en de verrekening daarvan met het bruto salaris eindigt van rechtswege op de ingangsdatum van ontslag van de medewerker;

Lid 4

De op de ingangsdatum van ontslag resterende kosten van bedrijfsfitness worden ingehouden op het laatste salaris van de medewerker.

Artikel 5 Aansprakelijkheid

De werkgever aanvaardt geen enkele aansprakelijkheid voor schade aan de deelnemer, aan hem toebehorende zaken en/of schade aan derden, die voortvloeit uit het sporten op basis van deze regeling, uit gebreken en/of schade die anderszins verband houdt met de deelname aan deze regeling.

Artikel 6 Onvoorziene gevallen

Voor gevallen waarin deze regeling niet of niet naar billijkheid voorziet, treft de werkgever een bijzondere regeling.

Artikel 7 Slotbepalingen

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2010 en kan worden aangehaald als “Regeling bedrijfsfitness Veiligheidsregio Limburg-Noord” .

Regeling beoordelingsgesprekken

Inhoudsopgave

Artikel 1 Begripsbepalingen

Artikel 2 Doelstelling

Artikel 3 Kenmerken

Artikel 4 Frequentie

Artikel 5 De leidinggevenden

Artikel 6 Rol derden

Artikel 7 Procedurele bepalingen m.b.t. beoordelingsgesprekken

Artikel 8

Artikel 9 Niet voorziene gevallen

Artikel 10 Slotbepalingen

Artikel 1 Begripsbepalingen

Deze regeling verstaat onder:

Medewerker: degene die in dienst is van de Veiligheidsregio Limburg-Noord.

Leidinggevende: degene onder wiens verantwoordelijkheid de medewerker zijn werkzaamheden verricht; bij twijfel hierover beslist de sectordirecteur.

Beoordelingsgesprek: een gesprek tussen de medewerker en de leidinggevende aan de hand van een beoordelingsformulier over de beoordeling van het functioneren van de medewerker.

Beoordelingsadviseur: de daartoe door de sectordirecteur aangewezen functionaris, welke desgevraagd de beoordelaar en medewerker tijdens het gesprek adviseert inzake de interpretatie en uitvoering van deze regeling;

Informant: degene die aangewezen is om nadere informatie te verstrekken over de functie uitoefening door de (te beoordelen) medewerker.

Functie-eisen: de voor een voldoende vervulling van de functie bekend gemaakte geldende normen.

Artikel 2 Doelstelling

Lid 1

Beoordelingsgesprekken zijn gericht op het op zorgvuldige en betrouwbare wijze (kunnen) doen van beargumenteerde uitspraken over het huidige functioneren van een medewerker al dan niet gevolgd door positieve of negatieve rechtspositionele consequenties. Daarnaast is de intentie om op grond van een systematische evaluatie te komen tot een verantwoorde beslissing inzake de loopbaanontwikkeling van betrokken werknemer.

Lid 2

De beoordeling van de medewerker betreft de wijze waarop deze gedurende het beoordelingstijdvak zijn functie heeft vervuld, met inbegrip van zijn gedragingen tijdens de uitoefening van zijn functie.

Lid 3

De beoordeling vindt plaats tegen de achtergrond van de functie en van de aan de functievervulling redelijkerwijs te stellen eisen. Eisen, waarvan de medewerker buiten zijn schuld geen kennis droeg, blijven daarbij buiten beschouwing.

Lid 4

Een beoordeling heeft betrekking op tenminste de zes maanden en ten hoogste de twee jaren gelegen direct voor het tijdstip van de beoordeling. Het beoordelingstijdvak strekt zich niet uit over een periode waarover reeds een beoordeling is opgemaakt noch over een gedeelte daarvan.

Lid 5

Voor het vastleggen van de beoordeling wordt gebruik gemaakt van een daartoe vastgesteld modelformulier.

Artikel 3 Kenmerken

Lid 1

Kenmerken van de gesprekken zijn:

Gerichtheid op het verleden.

Rechtstreekse rechtspositionele consequenties. Een beoordeling wordt altijd opgemaakt wanneer er t.a.v. de medewerker beslissingen moeten worden genomen die rechtspositionele consequenties hebben, zoals:

een besluit over een vaste aanstelling;

een besluit over inschaling op een bepaald functieniveau, de normale periodieke verhoging daaronder niet begrepen;

een besluit betreffende ontslag anders dan op eigen verzoek;

een besluit betreffende herplaatsing;

als vervolg op het PRO-gesprek, wanneer uit dat gesprek een functioneren blijkt dat duidelijk uitgaat boven de gestelde eisen;

als vervolg op het PRO-gesprek, wanneer uit dat gesprek een functioneren blijkt dat duidelijk achter blijft bij de gestelde eisen, met dien verstande dat een beoordeling in dat geval plaats vindt twee maanden na bedoeld PRO-gesprek.

Lid 2

Tevens wordt een beoordeling opgemaakt wanneer de medewerker en/of de directe leidinggevende en/of de naasthogere leidinggevende daarom vraagt.

Artikel 4 Frequentie

Lid 1

Met alle medewerkers met een benoeming zowel in vaste als in tijdelijke ambtelijke dienst wordt een beoordelingsgesprek gevoerd in de in artikel 3 beschreven gevallen. In ieder geval wordt 1 keer per drie jaar een beoordelingsgesprek gehouden.

Lid 2

Met overige medewerkers worden beoordelingsgesprekken gevoerd ter beoordeling van de leidinggevende en de betrokken medewerker.

Artikel 5 De leidinggevenden

Lid 1

Gesprekken zoals bedoeld in deze regeling worden gehouden tussen de leidinggevende en de medewerker.

Lid 2

De voorzitter van het bestuur en de portefeuillehouder Personeelszaken voeren gesprekken met de directeur Veiligheidsregio.

Lid 3

De sectoraal portefeuillehouder en de portefeuillehouder Personeelszaken voeren gesprekken met de sectordirecteuren.

Lid 4

In overleg kunnen andere personen bij de gesprekken worden betrokken.

Artikel 6 Rol derden

Lid 1

De directeur Veiligheidsregio c.q. de sectordirecteur kan in het belang van een juiste beoordeling bepalen, al dan niet op een gemotiveerd verzoek van de medewerker en/of diens directe leidinggevende, dat de beoordeling wordt opgemaakt door de directe en de naasthogere leidinggevende gezamenlijk. De directeur Veiligheidsregio c.q. de sectordirecteur kan in het belang van een juiste beoordeling:

al dan niet op verzoek van de medewerker naast de in het vorige lid bedoelde functionarissen anderen aan het opmaken van de beoordeling doen deelnemen, die aan de werkzaamheden van de medewerker leiding hebben gegeven;

op verzoek van de medewerker dan wel met diens instemming bepalen, dat anderen aan de beoordelaar(s) inlichtingen verschaffen van feitelijke aard over de functievervulling van de medewerker.

Lid 2

De namen en functies van de in het vorige lid bedoelde functionarissen worden op het beoordelingsformulier vermeld.

Lid 3

Desgevraagd kan de beoordeling wordt opgemaakt in aanwezigheid van de beoordelingsadviseur.

Lid 4

De door de directe leidinggevende, eventueel in aanwezigheid van de beoordelingsadviseur, opgemaakte beoordeling wordt aan de naasthogere leidinggevende ter ondertekening voorgelegd. Indien de naasthogere leidinggevende van mening is dat de beoordeling niet juist/en of niet volledig is, wordt in aanwezigheid van de beoordelingsadviseur door de directe en naasthogere leidinggevende gezamenlijk de beoordeling opgemaakt.

Lid 5

Indien de beoordelaars na overleg niet tot een eensluidend oordeel kunnen geraken wordt de beoordeling in overleg met de sectordirecteur c.q. de directeur Veiligheidsregio opgemaakt.

Artikel 7 Procedurele bepalingen m.b.t. beoordelingsgesprekken

Lid 1

Wanneer de beoordeling is opgemaakt wordt deze zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen twee weken door de directe leidinggevende besproken met de medewerker.

Lid 2

De directeur Veiligheidsregio c.q. de sectordirecteur kan in bijzondere gevallen bepalen dat de naasthogere leidinggevende van de medewerker aan het gesprek deelneemt.

Lid 3

Op verzoek van de medewerker en/of de beoordelaar(s) kan het gesprek worden gevoerd in aanwezigheid van de beoordelingsadviseur.

Lid 4

Een samenvatting van het beoordelingsgesprek wordt op het beoordelingsformulier vastgelegd. Indien de medewerker ten aanzien van een of meer onderdelen van de beoordeling een afwijkende mening heeft wordt deze mening door de beoordelaar(s) uitdrukkelijk op het formulier vermeld.

Lid 5

De medewerker is verplicht het beoordelingsformulier (inclusief de in het vierde lid van dit artikel bedoelde samenvatting) voor gezien te tekenen.

Artikel 8

Lid 1

Binnen 2 weken nadat het beoordelingsgesprek heeft plaats gevonden, wordt de beoordeling door de leidinggevende ter kennis gebracht van de directeur Veiligheidsregio c.q. sectordirecteur.

Lid 2

Indien aan de sectordirecteur uit de aantekeningen op het beoordelingsformulier blijkt, dat de mening van de medewerker op een of meer onderdelen afwijkt van de mening van de beoordelaar(s) bespreekt hij dit met die beoordelaar(s), de medewerker en de beoordelingsadviseur, waarna hij besluit de beoordeling al dan niet te wijzigen. De directeur Veiligheidsregio c.q. de sectordirecteur stelt de beoordeling tenslotte voorlopig vast. Lid 8 is van overeenkomstige toepassing.

Lid 3

Wanneer de in het vorige lid bedoelde omstandigheid zich niet voordoet stelt de directeur Veiligheidsregio c.q. de sectordirecteur de beoordeling voorlopig vast, tenzij hij van mening is dat deze niet juist en/of niet volledig is. In het laatste geval is het bepaalde in het vorige lid van overeenkomstige toepassing.

Lid 4

De medewerker ontvangt terstond na de voorlopige vaststelling een afschrift van de beoordeling, vergezeld van een schriftelijke toelichting op de daarin eventueel aangebrachte wijzigingen.

Lid 5

De medewerker kan zijn bedenkingen tegen de voorlopig vastgestelde beoordeling binnen dertig dagen na ontvangst aan de directeur Veiligheidsregio c.q. de sectordirecteur kenbaar maken.

Lid 6

De definitieve vaststelling van de beoordeling vindt plaats bij afzonderlijk besluit van de directeur Veiligheidsregio c.q. de sectordirecteur:

na het verstrijken van de termijn van dertig dagen als bedoeld in het vorige lid zonder dat bedenkingen kenbaar zijn gemaakt;

na accordering door de medewerker;

binnen dertig dagen na ontvangst van de door de medewerker gemaakte bedenkingen tegen e voorlopig vastgestelde beoordeling.

Lid 7

Het gedateerde en ondertekende formulier wordt gedurende 10 jaren in een gesloten enveloppe bewaard in het personeelsdossier. Archivering geschiedt op een zodanige wijze dat inzage mogelijk is door de leidinggevende, de medewerker, personeelsadviseur, de directeur Veiligheidsregio, de sectordirecteur en indien de situatie zich voordoet, door de opvolgers van deze functionarissen.

Lid 8

De directeur Veiligheidsregio c.q. de sectordirecteur kan de voorlopig vastgestelde beoordeling ook vervallen verklaren onder bepaling van het tijdstip waarop en het tijdvak waarover een nieuwe beoordeling zal worden opgemaakt.

Lid 9

De medewerker en de beoordelaars worden van de beslissing schriftelijk in kennis gesteld met dien verstande dat de beslissing als bedoeld in het zesde lid, onder c, en het elfde lid nader gemotiveerd worden.

Artikel 9 Niet voorziene gevallen

In gevallen waarin deze regeling niet voorziet, beslist de (sector)directeur.

Artikel 10 Slotbepalingen

Lid 1

Deze regeling wordt verder genoemd: 'Regeling beoordelingsgesprekken van de Veiligheidsregio Limburg-Noord'.

Lid 2

De directie van de instelling draagt er zorg voor dat een exemplaar van deze regeling en van de daarbij behorende bijlage(n) op een voor de medewerkers toegankelijke plaats in de instelling ter inzage liggen.

Lid 3

De regeling treedt in werking met ingang van januari 2009.

Bezoldigingsregeling

Inhousopgave

Artikel 1 Begripsbepalingen

Artikel 2:1 Recht op salaris

Artikel 2:2 Gebroken tijdvakken

Artikel 2:3 Onvolledige betrekking

Artikel 2:4 Salarisbedragen

Artikel 2:5 Indeling in salarisschaal

Artikel 2:6 Periodieke verhoging van het salaris

Artikel 2:7 Extra verhoging van het salaris

Artikel 2:8 Geen periodieke verhoging

Artikel 2:9 Salaris bij indeling in een hogere schaal

Artikel 3:0 Arbeidsmarkttoelage/persoonlijke toelage

Artikel 3:1 Waarnemingstoelage

Artikel 3:2 Toelage onregelmatige dienst

Artikel 3:3 Toelage bereikbaarheids- en beschikbaarheidsdiensten

Artikel 3:4 Toelage extra bezwarende werkomstandigheden

Artikel 3:5 EHBO - toelage

Artikel 3:6 Bedrijfshulpverleningstoelage

Artikel 3:8 Vergoeding woon werkverkeer bij standplaatswijziging

Artikel 3:9 Afbouwtoelage

Artikel 3:10 Berekening c.q. betaling bezoldiging bij ziekte

Artikel 4:1 Telefoonkostenvergoeding

Artikel 5:1 Uitkering om bijzondere redenen

Artikel 6:1 Slotbepaling

Artikel 6:2 Inwerkingtreding

Artikel 1 Begripsbepalingen

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

ambtenaar: degene op wie het bepaalde in artikel 3:1, van deel I van toepassing is;

salaris: het salaris, als bedoeld in artikel 3:1, tweede lid, onder b, van deel I;

uurloon: het uurloon, als bedoeld in artikel 1:1, eerste lid, onder o, van deel I;

salarisschaal: de schaal, als bedoeld in artikel 3:1, tweede lid, onder a, van deel I, opgenomen in bijlage II of IIa;

maximumsalaris: het hoogste bedrag van een salarisschaal, exclusief de bedragen, die gelden als diensttijduitloop, voor zover de salarisschaal dat aangeeft;

bezoldiging: de bezoldiging, als bedoeld in artikel 3:1, tweede lid, onder c, van deel I;

toelage: alle toelagen, waarop ingevolge of krachtens deze regeling aanspraak bestaat;

functie: het geheel van werkzaamheden, als bedoeld in artikel 1:1, eerste lid, onder b, van deel I, overeenkomstig hetgeen door het Dagelijks Bestuur is bepaald;

functieschaal: de salarisschaal, als bedoeld in artikel 3:1, tweede lid, van deel I;

volledige betrekking: de volledige betrekking, als bedoeld in artikel 1:1, eerste lid onder k, van deel I.

Artikel 2:1 Recht op salaris

Lid 1

Het recht op salaris vangt aan met de dag, waarop de aanstelling van de ambtenaar ingaat. Indien in het aanstellingsbesluit geen datum van ingang is vermeld, vangt het recht op salaris aan met de dag, waarop de ambtenaar feitelijk in dienst is getreden.

Lid 2

Het recht op salaris eindigt, in geval van ontslag, met ingang van de dag waarop het ontslag ingaat.

Artikel 2:2 Gebroken tijdvakken

Wanneer het salaris of een toelage moet worden berekend over een gedeelte van een maand, wordt het bedrag per dag vastgesteld door het maandbedrag te delen door het aantal kalenderdagen van die maand.

Artikel 2:3 Onvolledige betrekking

Het salaris van de ambtenaar met een onvolledige betrekking wordt vastgesteld op een evenredig deel van het salaris dat voor hem zou gelden bij een volledige betrekking.

Artikel 2:4 Salarisbedragen

Lid 1

De salarissen van de ambtenaren, wier salaris niet bij of krachtens de wet is geregeld, worden vastgesteld op de bedragen volgens de salarisschalen zoals opgenomen in bijlage II of bijlage IIa.

Lid 2

Wijzigingen in de bijlagen II en IIa worden door het Dagelijks Bestuur aangebracht overeenkomstig de Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling van de sector Gemeenten.

Artikel 2:5 Indeling in salarisschaal

Lid 1

De toepassing van bijlage II dan wel bijlage IIa vindt plaats overeenkomstig hetgeen is bepaald in artikel 3:1, derde tot en met vijfde lid, van deel I.

Lid 2

De salarisschaal, welke voor de ambtenaar geldt, wordt, tenzij zijn wijze van functioneren zich nog daartegen verzet, door het Dagelijks Bestuur bepaald met inachtneming van het niveau van de functie. Inpassing geschiedt in de functierang tenzij de medewerker niet voldoet aan de formeel voor de functie geldende vereisten kennis en ervaring. Met de medewerker worden in dat geval toetsbare afspraken gemaakt over de vereiste aanvulling(en). In dat geval vindt inpassing plaats in de schaal direct gelegen onder de functieschaal, in principe voor een termijn van ten hoogste één jaar.

Lid 3

Het niveau van de functie wordt door het Dagelijks Bestuur bepaald overeenkomstig de resultaten van een functiewaarderingsonderzoek. Het Dagelijks Bestuur stelt nadere regels met betrekking tot de uitvoering van een functiewaarderingsonderzoek en de daarbij te hanteren methode.

Lid 4

Anders dan bij het aanvaarden van passende of gangbare arbeid, dan wel bij wijze van disciplinaire straf, als bedoeld in hoofdstuk 16 van deel I, kan zonder voorafgaand ontslag van een ambtenaar geen salarisschaal gaan gelden met een lager maximumsalaris dan dat van de reeds voor hem geldende schaal.

Artikel 2:6 Periodieke verhoging van het salaris

Lid 1

Het salaris van de ambtenaar wordt binnen de voor hem geldende salarisschaal periodiek verhoogd tot het naast hogere bedrag.

Lid 2

De periodieke verhogingen worden toegekend aan de ambtenaar die het maximumsalaris van de voor hem geldende salarisschaal nog niet heeft bereikt, voor de eerste maal met ingang van de eerste dag van de maand waarin zijn aanstelling een jaar is verstreken en nadien telkens na een jaar, behoudens toepassing van artikel 2:8.

Lid 3

Het salaris wordt, wanneer het maximumsalaris is bereikt en de salarisschaal dat aangeeft, verhoogd op de wijze zoals daarbij is vermeld.

Lid 4

Voor de toepassing van het bepaalde in het tweede of derde lid telt niet mee:

de tijd, doorgebracht met verlof buiten genot van bezoldiging voor niet langer dan één jaar, indien zulks met toepassing van artikel 6:4:4, van deel I, nadrukkelijk is bepaald;

de tijd, doorgebracht met verlof buiten genot van bezoldiging, voor zover deze een tijdvak van een jaar te boven gaat;

de tijd, gedurende welke de ambtenaar in de uitoefening van zijn functie is geschorst:

bij wijze van disciplinaire straf;

op grond van het feit dat tegen hem een strafrechtelijke vervolging wegens misdrijf is ingesteld, of hem door het daartoe bevoegde gezag het voornemen tot bestraffing met onvoorwaardelijk ontslag te kennen is gegeven, of hem van de oplegging van deze straf mededeling is gedaan, dan wel dat hij in verzekering is gesteld of zich in voorlopige hechtenis bevindt;

in het belang van de dienst.

Lid 5

Het Dagelijks Bestuur kan beslissen, dat het bepaalde in het vierde lid, onder b en c, sub 3, geen toepassing vindt.

Lid 6

Indien vaststaat, dat een schorsing als bedoeld in het vierde lid, onder c, sub 2, niet door het ten uitvoer leggen van een straf is gevolgd noch zal worden gevolgd, telt de tijd van deze schorsing alsnog mee voor de toepassing van het bepaalde in het tweede of derde lid.

Artikel 2:7 Extra verhoging van het salaris

Lid 1

Aan de ambtenaar, die het maximumsalaris van de voor hem geldende salarisschaal nog niet heeft bereikt, kan een extra verhoging van het salaris tot een in de salarisschaal genoemd bedrag, niet uitgaande boven het maximumsalaris, worden toegekend op grond van zeer goede of uitstekende vervulling van de functie.

Lid 2

Bij toepassing van het bepaalde in het eerste lid blijft het tijdstip waarop ingevolge artikel 2:6 een salarisverhoging wordt toegekend onverlet, tenzij anders wordt bepaald.

Artikel 2:8 Geen periodieke verhoging

Lid 1

Indien een ambtenaar onvoldoende functioneert, blijkend uit een beoordeling, tot stand gekomen overeenkomstig de regelen bedoeld in artikel 15:1:15, van deel I, kan worden bepaald, dat voor hem de in artikel 2:6 bedoelde salarisverhoging achterwege wordt gelaten tot een nader te bepalen tijdstip.

Lid 2

Toepassing van het bepaalde in het eerste lid mag niet leiden tot vermindering van het reeds toegekende salaris.

Lid 3

Indien na toepassing van het bepaalde in het eerste lid daartoe termen aanwezig zijn, kan het Dagelijks Bestuur bepalen, dat de daaruit voor de ambtenaar voortvloeiende nadelen, hetzij met terugwerkende kracht, hetzij voor de toekomst, geheel of gedeeltelijk ongedaan worden gemaakt.

Artikel 2:9 Salaris bij indeling in een hogere schaal

Lid 1

Wanneer de ambtenaar wordt ingedeeld in een salarisschaal met een hoger maximumsalaris wordt het salaris vastgesteld op het naasthogere bedrag in de nieuwe schaal en wel zodanig, dat het salaris in de nieuwe salarisschaal uitgaat boven het salaris, dat de ambtenaar in de verlaten salarisschaal zou hebben genoten.

Lid 2

Indien bijlage IIa van toepassing is, wordt – onverminderd het bepaalde in het eerste lid – in het geval dat het verschil tussen het nieuwe bedrag en het bedrag dat de ambtenaar onmiddellijk daaraan voorafgaand genoot minder bedraagt dan 75% van het verschil tussen enerzijds het bedrag, dat de ambtenaar aan salaris zou hebben ontvangen indien hij niet zou zijn overgegaan naar de nieuwe schaal, maar in de oude schaal een periodieke verhoging zou hebben gekregen en anderzijds het bedrag van zijn oude salaris, wordt het salaris in de nieuwe salarisschaal vastgesteld op het bedrag, dat volgt op het naasthogere bedrag, als bedoeld in het eerste lid.

Lid 3

Het bepaalde in het tweede lid is eveneens van toepassing in het geval de ambtenaar het maximum van de voor hem geldende schaal heeft bereikt. In die situatie wordt het in het tweede lid bedoelde verschil van 75% genomen tussen het maximum bedrag van de oude schaal en het bedrag van de periodiek onmiddellijk daaraan voorafgaand.

Artikel 3:0 Arbeidsmarkttoelage/persoonlijke toelage

Lid 1

Aan de ambtenaar kan om redenen van werving of behoud een toelage worden toegekend. Indien de toelage wordt toegekend om redenen van werving wordt deze omschreven als arbeidsmarkttoelage en indien deze geldt voor behoud wordt deze omschreven als persoonlijke toelage.

Lid 2

De in het eerste lid bedoelde toelage wordt toegekend voor bepaalde tijd.

Lid 3

De hoogte van de toelage als bedoeld in het eerste lid bedraagt maximaal het verschil tussen de voor de ambtenaar geldende functieschaal en het maximum salaris van de naasthogere salarisschaal.

Lid 4

De toelage bedoeld in het eerste lid eindigt:

indien de in het derde lid bedoelde salarisschaal gaat gelden als functieschaal

op de in het tweede lid vastgestelde vervaldatum.

Lid 5

Onverminderd het bepaalde in lid 4 kan wanneer de arbeidsmarktsituatie waarop de toelage is gebaseerd nog steeds bestaat, opnieuw een toelage als bedoeld in het eerste lid aan de ambtenaar worden toegekend.

Artikel 3:1 Waarnemingstoelage

Een waarnemingstoelage wordt toegekend overeenkomstig hetgeen is geregeld in artikel 3:1:2 van deel I.

Artikel 3:2 Toelage onregelmatige dienst

Lid 1

Aan de ambtenaar voor wie een salarisschaal geldt met een lager maximumsalaris dan dat van salarisschaal 11 en voor wie de werktijden zijn vastgesteld als bedoeld in artikel 3:3 van deel I, wordt een toelage toegekend,

Lid 2

De toelage, als bedoeld in het eerste lid, bedraagt per gewerkt uur een percentage van het voor de ambtenaar geldende salaris per uur en wel:

20% voor de uren op maandag tot en met vrijdag tussen 06.00 en 08.00 uur en tussen 18.00 en 22.00 uur;

40% voor de uren op maandag tot en met vrijdag tussen 00.00 en 06.00 uur en tussen 22.00 en 24.00 uur;

45% voor de uren op zaterdag tussen 00.00 en 22.00 uur;

70% voor de uren op zaterdag tussen 22.00 en 24.00 uur, op zondag en op feestdagen, genoemd in artikel 4:2:1, derde lid, van deel I;

met dien verstande dat genoemde percentages worden berekend over ten hoogste het uurloon, dat is afgeleid van het salaris, behorende bij het maximumsalaris van salarisschaal 7 van bijlage IIa.

Lid 3

Voor de in het tweede lid onder a genoemde morgen- en avonduren wordt de toelage slechts toegekend, indien de arbeid is aangevangen voor 07.00 uur, respectievelijk is beëindigd na 19.00 uur.

Lid 4

In bijzondere gevallen kan door het Dagelijks Bestuur een regeling worden getroffen die het bepaalde in de vorige leden aanvult of daarvan afwijkt.

Artikel 3:3 Toelage bereikbaarheids- en beschikbaarheidsdiensten

Lid 1

De ambtenaar, die de verplichting is opgelegd, als bedoeld in artikel 15:1:10, tweede lid, onder c, van deel I, wordt een toelage toegekend.

Lid 2

De toelage bedraagt:

op een van de dagen van maandag tot en met vrijdag: € 16,75

op een zaterdag of zondag en op de feestdagen, genoemd in artikel 4:2:1, 4e lid, van deel I: € 33,501

Lid 3

De bedragen in het tweede lid worden door het Dagelijks Bestuur bij verhoging van de bedragen, als opgenomen in de salarisschalen, bedoeld in artikel 1:1, onder d, overeenkomstig verhoogd.

Lid 4

In bijzondere gevallen kan het Dagelijks Bestuur een regeling treffen welke van het bepaalde in het tweede lid afwijkt.

Artikel 3:4 Toelage extra bezwarende werkomstandigheden

Lid 1

De toelage als bedoeld in artikel 3:3, lid 2, wordt vermeerderd met 25%, ingeval naar het oordeel van het Dagelijks Bestuur sprake is van een strenge gebondenheid. Van een strenge gebondenheid is in elk geval sprake indien de ambtenaar gebonden is aan de woning, dan wel kazernering elders plaatsvindt.

Lid 2

De toelage als bedoeld in artikel 3:3, lid 2, wordt vermeerderd met 25%, ingeval sprake is van de omstandigheid bedoeld in het eerste lid en de ambtenaar gedurende zijn bereikbaarheids- en beschikbaarheidsdienst zijn eigen auto ter beschikking van de dienst dient te houden.

Artikel 3:5 EHBO - toelage

De ambtenaar die door of namens het Dagelijks Bestuur nadrukkelijk wordt aangewezen voor het behalen en behouden van een geldig E.H.B.O.- diploma, ontvangt, indien hij op 1 april van enig jaar in het bezit is van een geldig diploma, een toelage. Deze toelage bedraagt per maand ½% van schaal 4 met 8 periodieke verhogingen van bijlage IIa. Het bepaalde in het derde lid van artikel 3:3 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3:6 Bedrijfshulpverleningstoelage

Lid 1

De ambtenaar die door het Dagelijks Bestuur is aangewezen als bedrijfshulpverlener, als bedoeld in artikel 22 van de Arbeidsomstandighedenwet en die naast zijn normale werkzaamheden de bedrijfshulpverleningstaken naar behoren heeft uitgevoerd, ontvangt een toelage.

Lid 2

De toelage wordt bepaald volgens de Bedrijfshulpverleningsregeling Binnenlandse Zaken, laatstelijk vastgesteld d.d. 21 november 1997/nr. PZ 97/U 651 en bedraagt ten minste € 195,35 per jaar.

Artikel 3:8 Vergoeding woon werkverkeer bij standplaatswijziging

Aan een ambtenaar die op verzoek van een leidinggevende uit oogpunt van dienstbelang een functie aanvaardt, die leidt tot een wijziging van standplaats en dientengevolge tot een grotere afstand voor woon-werkverkeer t.o.v. de bestaande situatie, wordt een vergoeding toegekend van € 0,16 per meer af te leggen kilometer gedurende 3 jaar vanaf de datum van ingang van de nieuwe standplaats.

Artikel 3:9 Afbouwtoelage

Lid 1

Aan de ambtenaar wiens bezoldiging als gevolg van het buiten zijn toedoen beëindigen of verminderen van een toelage, als bedoeld in de artikelen 3:0, 3:2, 3:3, 3:4 en 3:5 een blijvende verlaging ondergaat, welke tenminste 3% bedraagt van het salaris, wordt een aflopende toelage toegekend, mits hij de toelage, direct voorafgaande aan het tijdstip van vorenbedoelde beëindiging of vermindering ervan, gedurende ten minste 2 jaar zonder wezenlijke onderbreking heeft genoten.

Lid 2

In afwijking van het bepaalde in het eerste lid ontvangt de ambtenaar met ingang van de maand waarin hij de leeftijd van 55 jaar bereikt een vaste toelage, mits hij op dat moment gedurende ten minste 5 jaar zonder wezenlijke onderbreking een toelage, als bedoeld in het eerste lid heeft genoten.

Lid 3

De toelage bedoeld in het tweede lid wordt vastgesteld op het bedrag dat de ambtenaar over de twaalf kalendermaanden voorafgaande aan de maand waarin hij de leeftijd van 55 jaar bereikt gemiddeld per maand aan toelage als bedoeld in het eerste lid heeft genoten. Het derde lid van artikel 3:3 is van overeenkomstige toepassing.

Lid 4

Voor de toepassing van het eerste en tweede lid wordt onder wezenlijke onderbreking verstaan een onderbreking van langer dan twee maanden.

Lid 5

Voor de ambtenaar, die een vaste toelage, als bedoeld in het tweede lid, is toegekend, komt een toelage, als bedoeld in de artikelen 3:0, 3:2, 3:3, 3:4 of 3:5, al dan niet vermeerderd met de toelage, bedoeld in het eerste lid, niet tot uitbetaling. Het voorgaande lijdt uitzondering in het geval de vaste toelage minder bedraagt dan de aanspraak ingevolge genoemde artikelen.

Lid 6

Het Dagelijks Bestuur stelt voor de uitvoering van het bepaalde in het eerste lid nadere regels vast.

Artikel 3:10 Berekening c.q. betaling bezoldiging bij ziekte

Lid 1

Het bedrag van de bezoldiging als bedoeld in artikel 7:3, eerste lid, CAR wordt vastgesteld door het salaris te vermeerderen met het bedrag dat de ambtenaar gemiddeld over een periode van 3 kalendermaanden voorafgaande aan de eerste ziektedag heeft ontvangen voor het verrichten van bereikbaarheids-/beschikbaarheidsdiensten en onregelmatigheids-diensten.

Lid 2

Indien het bepaalde in het eerste lid leidt tot een onredelijke uitkomst kan het Dagelijks Bestuur besluiten de referteperiode vast te stellen op 12 kalendermaanden voorafgaande aan de eerste ziektedag.

Artikel 4:1 Telefoonkostenvergoeding

De ambtenaar kan de noodzakelijk en daadwerkelijk gemaakte telefoon(gespreks)kosten declareren als bereikbaarheid noodzakelijk was en hij niet de beschikking heeft gehad over van dienstwege verstrekte communicatiemiddelen (gsm).

Artikel 5:1 Uitkering om bijzondere redenen

Het Dagelijks Bestuur is bevoegd, indien daartoe om bijzondere redenen gronden aanwezig zijn, vergoedingen, schadeloosstellingen, gratificaties en andere geldelijke uitkeringen te verlenen, tenzij de gronden voor het verlenen van deze uitkeringen tot toepassing van de bij of krachtens een verordening vastgestelde voorschriften behoren te leiden.

Artikel 6:1 Slotbepaling

Voor gevallen, waarin bepalingen van dit hoofdstuk niet of niet naar billijkheid voorzien, treft het Dagelijks Bestuur een bijzondere regeling.

Artikel 6:2 Inwerkingtreding

Deze regeling kan worden aangehaald als “bezoldigingsregeling” en treedt in werking op 1 januari 2002.

Bezwarenregeling personele aangelegenheden

Inhoudsopgave

Artikel 1 Begripsbepalingen

Artikel 2 Inleidende bepalingen

Artikel 3 Samenstelling van de commissie

Artikel 4 Ambtelijk secretaris

Artikel 5 Zittingsduur

Artikel 6 Ingediend bezwaarschrift

Artikel 7 Uitoefening bevoegdheden

Artikel 8 Vooronderzoek

Artikel 9 Hoorzitting

Artikel 10 Quorum

Artikel 11 Niet-deelneming aan de behandeling

Artikel 12 Openbaarheid hoorzitting

Artikel 13 Verslaglegging van de hoorzitting

Artikel 14 Nader onderzoek

Artikel 15 Advies

Artikel 16 Geheimhouding

Artikel 17 Jaarverslag

Artikel 18 Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 1 Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

Awb: Algemene wet bestuursrecht;

Commissie: De ingevolge artikel 7:13 Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingestelde onafhankelijke bezwarencommissie, die in het kader van deze regeling belast is met de behandeling van bezwaren in personele aangelegenheden;

DB: door of namens het Dagelijks Bestuur van de Veiligheidsregio Limburg-Noord, dit is het bestuursorgaan dat het bestreden besluit heeft genomen;

GO: De commissie voor Georganiseerd Overleg, zoals bedoeld in artikel 12:1 van de CAR-UWO, die is samengesteld uit een vertegenwoordiging van het DB en een vertegenwoordiging van de toegelaten organisaties;

Voorzitter: De voorzitter van de bezwarencommissie;

VRLN: Veiligheidsregio Limburg-Noord.

Artikel 2 Inleidende bepalingen

Lid 1

Er is een commissie ter voorbereiding van de door het DB te nemen beslissing op bezwaren tegen besluiten van de VRLN.

Lid 2

De commissie is slechts bevoegd ten aanzien van bezwaarschriften die zijn ingediend tegen besluiten van het DB die betrekking hebben op personele aangelegenheden.

Artikel 3 Samenstelling van de commissie

Lid 1

De commissie bestaat uit tenminste drie leden.

Lid 2

De leden van de commissie zijn onafhankelijk en zij kunnen geen deel uitmaken van of werkzaam zijn onder verantwoordelijkheid van de VRLN.

Lid 3

De leden van de commissie worden benoemd, geschorst en ontslagen door het DB, conform het bepaalde in lid 4 van dit artikel.

Lid 4

De leden, als bedoeld in lid 1 van dit artikel, worden op de volgende wijze geselecteerd:

een lid: aan te wijzen door de werkgever;

een lid: aan te wijzen door de werknemersdelegatie in de commissie voor Georganiseerd Overleg;

de voorzitter: aan te wijzen door de werkgever en de werknemersdelegatie in de commissie voor het Georganiseerd Overleg gezamenlijk;

Lid 5

Het DB benoemt tevens een plaatsvervanger voor ieder lid van de commissie, de plaatsvervangers worden op identieke wijze voorgedragen als de leden van de commissie.

Artikel 4 Ambtelijk secretaris

Lid 1

De ambtelijk secretaris ondersteunt de voorzitter en de leden van de commissie bij de uitoefening van hun taak en dient de commissie desgevraagd van advies.

Lid 2

De ambtelijk secretaris van de commissie is een door het DB aangewezen ambtenaar.

Lid 3

De ambtelijk secretaris is in de uitoefening van zijn functie uitsluitend verantwoording schuldig aan de commissie.

Lid 4

Het DB wijst (mede ter borging van de continuïteit) één of meer plaatsvervangers van de ambtelijk secretaris aan.

Artikel 5 Zittingsduur

Lid 1

De voorzitter en de leden van de commissie worden benoemd voor een periode van maximaal vier jaar en kunnen één keer herbenoemd worden.

Lid 2

De voorzitter en leden van de commissie kunnen op elk moment ontslag nemen.

Lid 3

Het DB kan tussentijds tot schorsing en ontslag van de voorzitter of een lid overgaan indien daartoe zwaarwegende redenen zijn. Alvorens wordt overgegaan tot een dergelijke maatregel vindt overleg plaats tussen werkgever en de werknemersdelegatie in de commissie voor Georganiseerd Overleg.

Lid 4

Het DB zal ook tot ontslag overgaan als de voorzitter of een lid een ambt of functie heeft aanvaard die krachtens artikel 3, lid 2, van deze regeling onverenigbaar is met het lidmaatschap van de commissie.

Lid 5

De aftredende voorzitter en de aftredende leden van de commissie blijven hun functie vervullen tot in hun opvolging is voorzien.

Lid 6

Het gestelde in lid 5 van dit artikel geldt niet voor de voorzitter en/of leden die op grond van het bepaalde in lid 3 of lid 4 van dit artikel uit hun functie zijn ontheven.

Lid 7

Het DB stelt een rooster van aftreden op zodat de continuïteit van de commissie wordt gewaarborgd. De samenstelling van de commissie blijft zoals genoemd in artikel 3 lid 4 van deze regeling.

Artikel 6 Ingediend bezwaarschrift

Lid 1

Op het ingediende bezwaarschrift wordt de datum van ontvangst aangetekend.

Lid 2

Het bezwaarschrift met de daarbij overgelegde stukken wordt zo spoedig mogelijk in handen van de commissie gesteld.

Lid 3

Bij het bericht van ontvangst als bedoeld in artikel 6:14 van de Awb wordt vermeld dat de commissie over het bezwaar zal adviseren.

Artikel 7 Uitoefening bevoegdheden

Voor de toepassing van deze regeling oefent de voorzitter van de commissie de volgende bevoegdheden uit:

Het verlangen van een machtiging als bedoeld in artikel 2:1, tweede lid, van de Awb.

Het bieden van de gelegenheid tot het herstellen van een verzuim als bedoeld in dat artikel 6:6 van de Awb.

Het toezenden van stukken als bedoeld in artikel 6:17 van de Awb aan een gemachtigde tijdens de behandeling door de commissie.

Het afzien van het horen als bedoeld in artikel 7:3 van de Awb.

Het ter inzage leggen van stukken als bedoeld in artikel 7:4, tweede lid, van de Awb.

Artikel 8 Vooronderzoek

Lid 1

De commissie is in verband met de voorbereiding van de behandeling van het bezwaarschrift bevoegd met in kennisstelling van betrokkene alle relevante inlichtingen in te winnen of te laten inwinnen.

Lid 2

De voorzitter kan uit eigen beweging of op verlangen van de commissie bij deskundigen advies of inlichtingen inwinnen en hen uitnodigen daartoe op de hoorzitting te verschijnen. Indien daaraan kosten zijn verbonden, is voorafgaand overleg met de algemeen directeur (over de redelijkheid van de kosten) aangewezen.

Artikel 9 Hoorzitting

Lid 1

De voorzitter van de commissie bepaalt het tijdstip en de plaats van de hoorzitting waar de belanghebbende(n) en het bestuursorgaan in de gelegenheid worden gesteld zich door de commissie te laten horen.

Lid 2

De voorzitter nodigt de belanghebbende(n) en (de vertegenwoordiger van) het DB ten minste drie weken voor de hoorzitting schriftelijk uit.

Lid 3

Binnen acht dagen na de uitnodiging kunnen de belanghebbende(n) of het bestuursorgaan onder opgaaf van redenen de voorzitter verzoeken het tijdstip van de hoorzitting te wijzigen.

Lid 4

De beslissing van de voorzitter op dit verzoek wordt uiterlijk één week voor het tijdstip van de hoorzitting aan de belanghebbende(n) en het bestuursorgaan meegedeeld.

Lid 5

De voorzitter is bevoegd in bijzondere omstandigheden af te wijken of afwijking toe te staan van de termijnen die genoemd zijn in lid 1 t/m 3 van dit artikel.

Lid 6

De voorzitter beslist over de toepassing van artikel 7:3 van de Awb, indien de voorzitter op grond van lid 2 van dit artikel besluit af te zien van het horen, doet hij daarvan mededeling aan de belanghebbende(n) en aan het bestuursorgaan.

Artikel 10 Quorum

Voor het houden van een hoorzitting is vereist dat de voorzitter en twee leden van de commissie, dan wel hun plaatsvervangers, aanwezig zijn.

Artikel 11 Niet-deelneming aan de behandeling

De voorzitter en de leden van de commissie nemen niet deel aan de behandeling van een bezwaarschrift indien daarbij hun onpartijdigheid in het geding kan zijn. De voorzitter en de leden van de commissie worden in een dergelijke situatie vervangen door hun plaatsvervanger.

Artikel 12 Openbaarheid hoorzitting

De hoorzitting van de commissie is niet openbaar.

Artikel 13 Verslaglegging van de hoorzitting

Lid 1

Het verslag van de hoorzitting als bedoeld in artikel 7:7 van de Awb bevat:

de namen van de aanwezigen en hun hoedanigheid;

een zakelijke vermelding van wat over en weer is gezegd en wat verder ter hoorzitting is voorgevallen;

verwijst naar de op de hoorzitting overgelegde bescheiden, die aan het verslag worden toegevoegd;

Lid 2

Het verslag wordt ondertekend door de voorzitter en de secretaris van de commissie.

Lid 3

Het verslag wordt aan belanghebbende(n) en het bestuursorgaan gezonden.

Lid 4

Het verslag is niet openbaar, maar wordt wel meegezonden naar het DB als een beslissing van het DB wordt gevraagd.

Lid 5

Het verslag wordt pas ter beschikking gesteld aan anderen dan de commissieleden en het DB als de belanghebbende beroep instelt.

Artikel 14 Nader onderzoek

Lid 1

Indien na afloop van de hoorzitting nader onderzoek wenselijk blijkt te zijn, dan kan de voorzitter uit eigen beweging of op verlangen van de andere commissieleden dit onderzoek instellen.

Lid 2

De uit het nader onderzoek verkregen informatie wordt in afschrift aan de leden van de commissie, het bestuursorgaan en de belanghebbende(n) toegezonden.

Lid 3

De leden van de commissie, het bestuursorgaan en de belanghebbende(n) kunnen binnen een week na verzending van de nadere informatie aan de voorzitter een verzoek richten tot het beleggen van een nieuwe hoorzitting.

Lid 4

De voorzitter beslist op zo'n verzoek.

Lid 5

Op een nieuwe hoorzitting zijn de bepalingen in deze regeling die betrekking hebben op de hoorzitting, zo veel mogelijk van overeenkomstige toepassing.

Artikel 15 Advies

Lid 1

De commissie beraadslaagt en beslist achter gesloten deuren over het door haar aan het DB uit te brengen advies.

Lid 2

De commissie beslist bij meerderheid van stemmen over het uit te brengen advies.

Lid 3

Van een minderheidsstandpunt wordt bij het advies melding gemaakt indien die minderheid dat verlangt.

Lid 4

Het advies is gemotiveerd en omvat een voorstel voor de te nemen beslissing op het bezwaarschrift.

Lid 5

Het advies wordt door de voorzitter en de secretaris van de commissie ondertekend.

Artikel 16 Geheimhouding

De leden van de commissie zijn verplicht tot geheimhouding van al hetgeen hen bij de uitoefening van hun lidmaatschap van de commissie ter kennis komt.

Artikel 17 Jaarverslag

De commissie brengt jaarlijks een verslag van haar werkzaamheden uit. Dit verslag wordt in ieder geval ter kennis gebracht van het DB, de Ondernemingsraad en het GO.

Artikel 18 Overgangs- en slotbepalingen

Lid 1

Het DB kan nadere regels stellen omtrent hetgeen in deze regeling is bepaald voor zover de aard en strekking van deze regeling zich daartegen niet verzet.

Lid 2

In gevallen waarin deze regeling niet of niet in redelijkheid voorziet beslist het DB.

Lid 3

Deze regeling kan worden aangehaald als “Bezwarenregeling voor personele aangelegenheden Veiligheidsregio Limburg-Noord”.

Lid 4

De regeling treedt na bekendmaking in werking op 1 juli 2013.

Regeling buitengewoon verlof voor begeleiding van zieken/invaliden/bejaarden bij reizen in georganiseerd verband

Inhoudsopgave

Artikel 1

Artikel 2

Artikel 3

Artikel 4

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder medewerker, de ambtenaar als bedoeld in artikel 1:1, lid1, sub a, van deel I.

Artikel 2

De medewerker die in georganiseerd verband (mede) zorg draagt voor begeleiding van zieken/ invaliden/bejaarden bij georganiseerde reizen kan hiervoor buitengewoon verlof worden verleend met behoud van bezoldiging.

Artikel 3

Het verlof bedoeld in artikel 2 bedraagt per kalenderjaar de helft van het aantal benodigde uren met een maximum van 22 uren.

Artikel 4

Deze regeling kan worden aangehaald als “Regeling buitengewoon verlof voor begeleiding van zieken/invaliden/bejaarden bij reizen in georganiseerd verband” en treedt in werking per 1 januari 2002.

Dienstrooster

Inhoudsopgave

Aanwezigheidsrooster

Flexibele uren

Aanwezigheid versus werktijden

Ploegsamenstelling

Inverdieners

Repressief personeel in dagdienst

Neventaken

Planning en uitvoering

Instructie

Opleiding

Dienstreizen

Inzetbaarheid aansluitend aan een 24-uursdienst

Ruimte binnen het ATB

Bijlage 1 Vastgestelde generieke uren en maatwerkuren 2011

Bijlage 2 Voorbeeld flexibele uren brandmeester en hoofdbrandwacht

Bijlage 3 lnstructeursvergoeding

Bijlage 4 Generiek blokschema dienstrooster

Bijlage 5 Beleidsregels verlof

Aanwezigheidsrooster

Het aangepaste rooster, dat per 1 januari 2011 zal worden ingevoerd bij Brandweer Venlo, is een aanwezigheidsrooster met 4 ploegen, gebaseerd op een gemiddelde van 48 aanwezigheidsuren per week. Dit komt neer op jaarlijks 91 24-uursdiensten en 128 nader in te vullen flexibele uren per persoon. De 24-uursdiensten lopen volgens een vast patroon van 24 uur "op" en 72 uur "af". Uitgangspunt van het rooster is om alle werkzaamheden binnen het rooster te verwerken, kortom 48 uur= 48 uur.

De personele bezetting van dit rooster is gebaseerd op een roosterfactor 4,67 hetgeen in de praktijk neerkomt op 37,3 formatieplaatsen. In de roosterfactor zijn zaken als ouderschaps-, zwangerschapsverlof en ziekteverzuim meeberekend. De 4 ploegen bestaan uit 9 formatieplaatsen, waarbij één kaderlid de wisselstoel bij het team repressie en nazorg invult. Deze 37ste persoon wordt vrijgespeeld om algemene werkzaamheden te verrichten voor het team repressie en nazorg (zie ook de paragraaf Ploegsamenstelling).

Per jaar wordt 2.399 uren per persoon gewerkt. Door het draaien van 91 24- uursdiensten (2.184 uur) en door 3 weken ingeroosterd vakantieverlof (87 uur), blijft per persoon een restant aan flexibele uren over. Deze uren worden per persoon deels ingeroosterd en deels gebruikt als buffer.

Arbeidsuren per jaar2.399  
24-uursdiensten per jaar, 91 stuks2.184-/-
Ingeroosterd vakantieverlof 87-/-
Flexibele uren128  

Flexibele uren

De flexibele uren zijn onder te verdelen in drie categorieën uren, te weten generieke uren, maatwerkuren en restant flexibele uren:

Generieke uren Dit zijn basisuren die iedere persoon dient uit te voeren in het kader van zijn/haar functie, maar die niet binnen het reguliere rooster passen. De uren zijn voor eenieder hetzelfde. In bijlage 1 zijn de voor 2011 vastgestelde generieke uren opgenomen.

Maatwerkuren Dit zijn specifieke uren die iedere persoon dient uit te voeren in het kader van zijn/haar functie, maar die niet binnen het reguliere rooster passen. De uren zijn afhankelijke van de specifieke functie die hij/zij uitvoert. In bijlage 1 zijn de voor 2011 vastgestelde maatwerkuren opgenomen.

Restant flexibele uren Na het in mindering brengen van de generieke uren en de maatwerkuren blijft een restsaldo over van de 128 flexibele uren. Dit kan zowel een negatief saldo zijn als een positief saldo. Een negatief saldo betekent een arbeidsoverschrijding. Wanneer een negatief saldo bereikt wordt door de inzet van werkuren (bijvoorbeeld een opleiding) dan wordt het saldo weer teruggebracht door het uitroosteren van 24- uursdiensten. In dit geval wordt op het uitroosteren van 24-uursdiensten om het restant flexibele uren aan te vullen, de sleutel van 1,33 toegepast. Dit betekent concreet 24 : 1,33 = 18 uur. Wordt een negatief saldo bereikt door het draaien van een extra 24-uursdienst, dan wordt deze één op één verrekend met de dienst die wordt uitgeroosterd. Het uitroosteren gebeurt bij de eerstvolgende mogelijkheid. Over de eerste 128 uur wordt geen sleutel toegepast.

Verlofbeperking in relatie met uitroosteren In de meeste gevallen zal het gaan om een positief saldo. Dit saldo zal dienen als buffer om gaten in het rooster te dichten (ondermeer bij inval voor ziekte volgens de bellijst). Dit biedt een flexibelere verlofmogelijkheid (bijvoorbeeld bij meerdere verlofaanvragen) en het beperkt het aantal diensten met meer dan acht personen tot een minimum. Om te garanderen dat de helft van deze buffer per half jaar daadwerkelijk wordt opgenomen, plant de coördinator repressie samen met de postcommandant beroeps en de ploegcommandanten voor 1 juli 2011 en 1 oktober 2011 de overgebleven uren naar rato in. Uitgangspunt is dat op 1 januari 2012 alle saldi binnen een marge van -18 en +8 uur staan. Het restant flexibele uren binnen deze marge wordt verrekend met de flexibele uren van 2012. Bij het plannen van het jaarrooster zal het aantal werkzaamheden verwerkt worden met de norm die ervoor staat. Bij het verwerken van de gerealiseerde uren zal de norm onveranderd gehanteerd worden bij het daadwerkelijke aantal momenten. Wanneer blijkt dat de norm niet juist ingeschat is kan deze in uitzonderlijke gevallen gedurende het jaar aangepast worden. Aanpassing van de norm is ter beoordeling van de teamleider repressie. Voor een aantal van de werkzaamheden geldt een verlofbeperking; het streven is om de werkzaamheden met een verlofbeperking te beperken tot maximaal 80 uur per jaar. In bijlage 1 is vermeld welke werkzaamheden een verlofbeperking hebben. Wanneer de werkzaamheden korter duren, wordt de resterende tijd ingevuld middels werkzaamheden op de kazerne (bijvoorbeeld bij planvorming) of wordt op verzoek verlof afgeschreven. Dit is ter beoordeling van de ploegcommandant. Het uitgangspunt bij het inroosteren van flexibele uren is dat zoveel mogelijk wordt gewerkt met blokken van minimaal 4 en maximaal 8 uur. De in deze beschrijving dienstrooster 2011 opgenomen werkzaamheden zijn de op voorhand voorziene uren. Wanneer er in de loop van 2011 onvoorziene werkzaamheden zijn, dan komen deze ten laste van het restant flexibele uren. Deze werkzaamheden zijn ter beoordeling van de teamleider repressie of de postcommandant beroeps. Een voorbeeldberekening van de flexibele uren voor een brandmeester en een hoofdbrandwacht is opgenomen in bijlage 2. Het rooster is voorzien van een separaat zomervakantieblok van 12 weken. De regeling inzake dit zomervakantieblok is apart beschreven in de Beleidsregels verlof (zie bijlage 4 ).

RV vanwege een cursus/opleiding: is geen verlofbeperking

RV vanwege aanvullen Flex-uren : is wel verlofbeperking

24 uurdiensten verschuiven na overleg met ploeg: is verlofbeperking

BV is verlofbeperking

Inplannen van flexibele uren De flexibele uren zijn onderverdeeld in generieke uren, maatwerkuren en restant flexibele uren. Per categorie is een norm vastgesteld voor welke datum/termijn wijzigingen in het rooster kenbaar dienen te zijn gemaakt. In uitzonderlijke gevallen kan de teamleider repressie of de postcommandant beroeps hiervan afwijken. Het inzetten van het restant flexibele uren gebeurt alleen met bloktijden.

Generieke uren:2011 - basisrooster, voor 1 december
Maatwerkuren:1 e kwartaal 2011 - basisrooster, voor 1 januari 2e kwartaal 2011 - roosterwijziging, voor 1 maart 3e kwartaal 2011 - roosterwijziging, voor 1 juni 4e kwartaal 2011 - roosterwijziging, voor 1 september
Restant flexibele uren:roosterwijziging, uiterlijk 28 dagen tevoren

Aanwezigheid versus werktijden

De sleutel voor de berekening van de aanwezigheidsuren (inbegrepen verlofuren) is 1,33. De 24-uursdiensten vangen dagelijks aan om 08.00 uur en eindigen de dag daaropvolgend om 08.00 uur. De 24-uursdiensten zijn verdeeld in werktijd, wachttijd en rusttijd. Tijdens reguliere werkdagen (maandag tot en met vrijdag) wordt de tijd van 08.00 tot 12.00 en van 13.00 tot 17.00 uur aangemerkt als werktijd, de lunchtijd en de tijd van 17.00 tot 23.00 uur als wachttijd en de tijd van 23.00 tot 07.00 uur als rusttijd . Van 07.00 tot 08.00 uur is wachttijd. Tijdens de weekenddagen geldt de tijd van 07.00 tot 23.00 uur als wachttijd en van 23.00 tot 07.00 uur als rusttijd.

Ploegsamenstelling

Het rooster kent 4 ploegen van elk 9 ploegleden: 1 brandmeester (ploegcommandant tevens bevelvoerder) , 1 onderbrandmeester (bevelvoerder) en 7 manschappen. Per ploeg zijn altijd minimaal 8 personen in dienst waarvan minimaal 1 (onder)brandmeester. Iedere dienstdoende ploeg waarborgt alle specialistische taken die Brandweer Venlo uitvoert.

De ploeg wordt aangestuurd door de ploegcommandant. Hij is verantwoordelijk voor het reilen en zeilen van zijn ploeg. De ploegcommandant is verantwoording verschuldigd aan de postcommandant beroeps. De ploegcommandant treedt binnen het 24-uursrooster in beginsel op als bevelvoerder, maar kan ook als manschap worden ingezet. Tevens is hij instructeur en oefenleider.

De ploegcommandant wordt in zijn dagelijkse werkzaamheden bijgestaan door de onderbrandmeester. Deze treedt binnen het 24-uursrooster in beginsel op als bevelvoerder, maar kan ook als manschap worden ingezet. De onderbrandmeester is tevens instructeur en oefenleider.

Eén van de (onder)brandmeesters wordt op toerbeurt voor de duur van een% jaar geplaatst op de wisselstoel coördinator repressie bij het team repressie. Tijdens dit halfjaar werkt deze (onder)brandmeester volledig in dagdienst. Hij zal gedurende deze periode zijn reguliere oefeningen volgen in zijn eigen ploeg en indien noodzakelijk taken waarnemen uit de continudienst. Om in dat % jaar het totaal aantal leden van de desbetreffende ploeg op 9 te houden, wordt een extra manschap in die periode in deze ploeg geplaatst.

Doordat de (onder)brandmeester een half jaar in dagdienst werkzaam is, moet binnen de betreffende ploeg na het eerste halfjaar al geschoven worden met een manschap. Na twee jaar heeft in iedere ploeg een wisseling plaats gevonden van 1 persoon. Iedere twee jaar wordt de volledige groepssamenstelling geëvalueerd en gewisseld.

De manschappen zijn allemaal opgeleid en geoefend voor het uitvoeren van alle specialistische en specifieke operationele taken van Brandweer Venlo. Dit, met uitzondering van de duiktaak, assistent duiken, duikinstructie en de taak van duikploegleider. Bij de samenstelling van de ploegen dient met dit laatste nadrukkelijk rekening te worden gehouden.

Inverdieners

Vanaf 1986 kennen we binnen de repressieve dienst een inverdienregeling (zie AGV), die op ongeveer 32 personen van toepassing was. Het gaat hierbij om een garantieloon over de onregelmatigheidstoeslag (ORT) en bijzondere brandweer toelage. Het stuk dat inverdiend moet worden is het verschil van 124 diensten naar toen 91 diensten (oude inverdieners).

Met de roosterwijziging van 2003 is deze regeling voor de oude inverdieners gewijzigd (toen nog ongeveer 17 personen). In 2003 is het rooster van 91 diensten naar 108 diensten gegaan. Hierdoor is het stuk garantieloon dat inverdiend moest worden een stuk minder geworden. De afspraak van 2003 was dan ook dat iedere oud inverdiener 1 24-uursdienst op jaarbasis extra werd ingeroosterd, op een moment waar dit voor het rooster wenselijk/noodzakelijk was (dienstbelang). Tevens was dit voor de administratie een verlossing voor het verwerken van gemaakte overuren. Deze konden vanaf dat moment voor iedereen hetzelfde worden toegepast.

Momenteel telt de dienst nog 8 oud inverdieners, 24 nieuwe inverdieners en 5 brandwachten die per september 2007 nieuw zijn aangesteld en onder dezelfde regeling komen te vallen als de groep van 24. Voor deze gehele groep geldt dat er voor het verschil van 108 diensten naar 91 diensten moet worden inverdiend. Dit inverdienen is verwerkt in het rooster door het draaien van de eerder genoemde flexibele uren. Verder is afgesproken dat alle extra uren in mindering komen op het saldo flexibele uren (met uitzondering van een inzet dienstdoende ploeg die voortduurt tot na de ploegwisseling om 08.00 uur, opkomst groeps-, duik- of korpsalarm, of vergaderingen en overleggen waarvan vooraf door de teamleider repressie is bepaald dat deze uitbetaald worden). Bovendien zijn er extra bereikbaarheidsdiensten verwerkt in het rooster (gele puntje). Tijdens dergelijke diensten zijn mensen van 07.30 tot 08.00 uur bereikbaar en beschikbaar om voor een collega die zich ziek meldt in te vallen. De oude inverdieners worden ook in het nieuwe rooster 1 24-uursdienst op jaarbasis extra ingeroosterd, volgens de afspraken zoals die hiervoor in 2003 zijn gemaakt.

Pierre Mooren is voor 0.3 fte werkzaam binnen het 24-uursrooster van de repressieve dienst. Dit betekent 0,3 x 1.350 (netto werkuren)= 405 x 1,33 = 538,65 uren. Uitgaande van 20 24-uursdiensten betekent dit dat Pierre nog 538 -/- 480 = 58 flexibele uren heeft. Pierre verricht zijn diensten in de ploeg waarvan één van de twee bevelvoerders in dagdienst is tewerkgesteld als coördinator repressie. Op deze wijze kan de betreffende (ploeg)bevelvoerder regulier verlof genieten. Het streven is om Pierre zijn diensten te verdelen in 10 diensten voor 1 juli en 10 diensten na 1 juli. Om tot een evenredige verdeling te komen tussen werk- weekend- en feestdagen, dag- avond- en nachturen, volledige 24-uursdiensten en losse uren, dient een en ander in goed overleg tussen Pierre en de betreffende ploegcommandant te worden afgestemd. In voorkomend geval worden tegengestelde belangen of knelpunten voorgelegd aan de teamleider repressie, die hierover zal beslissen. Omdat de betreffende ploegcommandant ook een eigenstandig recht heeft om verdeeld over het totale kalenderjaar zijn verlofuren te genieten (dit kan in een kalender-halfjaar minder zijn dan de 10 diensten die Pierre 'draait'), kan het voorkomen dat Pierre als gde of zelfs als 1 ode persoon in dienst is, met dien verstande dat dit zoveel als mogelijk dient te worden voorkomen. In dat geval vervult Pierre de functie van bevelvoerder en treedt de ploegcommandant op als manschap. De capaciteit van Jack Lenssen treedt op als back-up voor Pierre en als algemeen 'vangnet' voor het totale rooster. Ook Jack Lenssen neemt deel aan de geplande flexibele uren.

Repressief personeel in dagdienst

Het personeel dat is ingeroosterd in de dagdienst heeft een werktijd van 08.00 uur tot 12.00 uur en van 13.00 uur tot 17.00 uur. Als deze medewerker de dienst moet waarnemen van 08.00 uur tot 17 .00 uur voor verlof of ziekte van een collega wordt het uur van 12.00 tot 13.00 bijgeschreven op de verlofkaart. Deze regeling geldt ook voor de (onder)brandmeester die voor een half jaar geplaatst is op de wisselstoel coördinator repressie. De (onder)brandmeester staat in principe als reserve op het dagrooster, wat betekent dat als hij de deur uit moet, dit dient te melden bij de ploegcommandant, zodat de sterkte ten alle tijden gewaarborgd is. Wanneer bij aanvang dienst blijkt dat de (onder)brandmeester geen repressieve functie heeft, kan hij zijn middagverlof beperken tot een half uur en zijn dienst om 16.30 uur beëindigen.

Tijdelijke plaatsingen in de dagdienst, zoals bijvoorbeeld geldt voor de (onder)brandmeester op de wisselstoel coördinator repressie, hebben geen consequenties voor het recht op en de hoogte van de toelages (ORT). Wel wordt over de betreffende periode het aantal aanwezigheidsuren en het verlof herberekend.

Neventaken

Naast de repressieve taken en werkzaamheden heeft iedere medewerker nog een of meerder preparatieve neventaken. Hiermee worden de werkuren die naast het oefenen en repressief optreden overblijven, op een effectieve/nuttige manier ingevuld.

Deze werkzaamheden zijn onder te verdelen in vier groepen te weten: planvorming, ademlucht werkplaats, remise, en opleiden en oefenen. Het totaal aantal personen dat kan worden ingezet voor deze werkzaamheden is 29. Verder zijn er nog een aantal neventaken waarbij met een ploegindeling ook rekening gehouden moet worden.

Aantallen en aansturing:

Planvorming: totaal 8 personen uit de repressieve dienst (evenredig verdeeld over de 4 ploegen). Deze mensen worden in de werkuren aangestuurd door de coördinator planvorming.

Ademlucht werkplaats: totaal 8 personen uit de repressieve dienst (evenredig verdeeld over de 4 ploegen). Deze worden aangestuurd door de coördinator repressie.

Remise: totaal 9 personen uit de repressieve dienst (evenredig verdeeld over de 4 ploegen). Deze mensen worden aangestuurd door de coördinator repressie voor algemene werkzaamheden.

Opleiden en oefenen: totaal 5 personen uit de repressieve dienst (evenredig verdeeld over de 4 ploegen. Deze mensen worden door de coördinator O&O aangestuurd.

Iedere medewerker rouleert in beginsel om de drie jaar naar een andere neventaak. Hierdoor heeft iedereen na 12 jaar alle nevenfuncties bekleed. Op deze wijze wordt in de eerste 12 jaar van de aanstellingsduur iedereen in de gelegenheid gesteld om zich breder te oriënteren op interesses voor de tweede loopbaan. In dit geval gaat het niet om de inhoud van de neventaak, maar wel om de aard van de werkzaamheden.

Een aantal medewerkers heeft zitting in de OC Brandweer. Met de OC Brandweer is afgesproken dat, met uitzondering van de voorzitter en de secretaris, 6 vergaderingen à 4 uur ten laste komen van de maatwerkuren. Een vergadering van 4 uur is opgebouwd uit 2 uur overleg OC Brandweer intern en 2 uur overleg OC Brandweer met de Commandant. Alle overige vergaderingen (bijvoorbeeld BOR) worden vergoed als overwerk , dit geldt voor alle leden van de OC Brandweer. Overig OC-werk (bijvoorbeeld leeswerk) wordt zoveel mogelijk tijdens het werkrooster uitgevoerd. Het OC-werk wordt gepland in afstemming met de ploegcommandant, de coördinator repressie, de coördinator O&O of de coördinator planvorming en mag niet ten koste gaan van de kwaliteit van de dagelijkse werkzaamheden.

Planning en uitvoering

De coördinator repressie is verantwoordelijk voor het tijdig opmaken en bekend stellen van het jaar- en kwartaalrooster. Hij stemt dit vroegtijdig af met de coördinator O&O en andere belanghebbenden. Het toekennen van het verlof binnen dat jaar- en kwartaalrooster en het opmaken van de dagstaten is een verantwoordelijkheid van de ploegcommandant.

Instructie

Het geven van instructie aan één van de beroepsploegen vindt plaats binnen het rooster. Alleen de (onder)brandmeesters geven instructie. Enige uitzondering hierop is de functie van duikinstructeur, dit kan een hoofdbrandwacht zijn.

Het geven van externe instructie, niet zijnde aan één van de beroepsploegen, wordt beschouwd als een activiteit die buiten het rooster plaatsvindt. Dit geldt voor zowel instructie aan de vrijwilligers van brandweer Venlo als aan externe korpsen. Het ondersteunen van oefeningen met bijvoorbeeld een AL of HV wordt niet gezien als instructie maar als maatwerkuren. In dat geval wordt gebruik gemaakt van materieel van brandweer Venlo en gaat het om een reguliere taak.

Het geven van externe instructie wordt aangemerkt als een bijzondere werkzaamheid binnen de huidige aanstelling, maar naast de reguliere taak. Instructie wordt als zodanig vergoed middels een aparte instructeursvergoeding als aanvulling op het salaris. Hiermee wordt het rooster niet belast met werkzaamheden die niet tot het takenpakket behoren en worden instructeurs op eenzelfde wijze beloond als vrijwillige (of externe) instructeurs. Met de instructeursvergoeding wordt aangesloten bij de tarieven die gelden binnen Zuid-Nederland, zie bijlage 3.

Omdat het gaat om een bijzondere activiteit binnen de huidige aanstelling, is het geven van instructie ter beoordeling van de teamleider repressie of de coördinator repressie. Zodoende wordt voorkomen dat externe instructie negatieve gevolgen heeft voor het rooster.

Opleiding

Wanneer een opleiding in het belang van de dienst wordt gevolgd, gebeurt dit onder werktijd. Bij een dagopleiding wordt de medewerker gedurende de opleidingsdagen geplaatst in dagdienst; afhankelijk van de duur van de opleiding is dit van 08.00 uur - 17.00 uur, 08.00 uur - 12.00 uur of van 13.00 uur - 17.00 uur. Wanneer de opleiding op een dag korter duurt dan de geplande dagdienst, wordt de resterende tijd ingevuld middels werkzaamheden op de kazerne (bijvoorbeeld bij planvorming) of wordt op verzoek verlof afgeschreven. Dit is ter beoordeling van de ploegcommandant. Bij een avondopleiding worden de daadwerkelijk gemaakte uren afgeschreven. Zelfstudie wordt niet gecompenseerd.

Uren voor het volgen van een opleiding worden gehaald uit het restant flexibele uren. In het geval van een kortdurende opleiding zal dit in de meeste gevallen niet tot overschrijding leiden, echter in het geval van een langdurige opleiding mogelijk wel.

In het geval van een overschrijding worden 24-uursdiensten uitgeroosterd. Op dit uitroosteren wordt de roosterfactor 1,33 toegepast; dat betekent dat voor een 24- uursdienst 18 uren worden bijgeschreven op het restant flexibele uren.

Dienstreizen

Voor het maken van een dienstreis wordt het AGV gevolgd. Dit betekent dat reistijd geen werktijd is. Enige uitzondering hierop is wanneer het een oefening/opleiding betreft waarbij een complete ploeg en een repressief brandweervoertuig betrokken zijn.

Inzetbaarheid aansluitend aan een 24-uursdienst

Voor activiteiten aansluitend aan een 24-uursdienst gelden volgende regels:

Aansluitend een opleiding met praktijk: uitroosteren (continudienst) of verlof opnemen (vrijwilliger);

Aansluitend een opleiding met theorie < 4 uur: geen beperking;

Aansluitend een opleiding met theorie> 4 uur: uitroosteren (continudienst) of verlof opnemen (vrijwilliger);

Aansluitend een overleg < 4 uur: geen beperking;

Aansluitend een overleg> 4 uur: uitroosteren (continudienst) of verlof opnemen (vrijwilliger);

Aansluitend (binnen 11 uur) een uitruk (vrijwilliger) of korpsalarm/duikalarm (continudienst): geen beperking bij voldoende nachtrust;

Aansluitend (binnen 11 uur) een uitruk (vrijwilliger) of korpsalarm/duikalarm (continudienst): geen opkomst bij onvoldoende nachtrust.

Voor activiteiten voorafgaande aan een 24-uursdienst gelden volgende regels:

Tot maximaal 23.00 uur (bloktijd KI-uren) inzet voor oefening/cursus/opleiding

Voor het uitroosteren geldt dat er minimaal 11 uur rust tussen de arbeidstijden dient te zijn. De dienst werkt met bloktijden, dit betekent dat de medewerker in continudienst vanaf 17:00 uur uitgeroosterd wordt en dat de vrijwilliger vanaf 17:00 uur verlof neemt. De medewerker in continudienst gaat de dag erna in dagdienst van 08:00-12:00 uur, 13:00-17:00 uur of 08:00-17:00 uur (afhankelijk van duur opleiding/overleg) waardoor er sprake is van verschoven werktijd. De vrijwilliger kan zijn opleidingsuren declareren en neemt daarom verlof (wanneer iemand anders verlof heeft dient hij/zij zelf voor een vervanger te zorgen). Onvoorziene gevallen zijn ter beoordeling van de hoofd afdeling repressie en nazorg.

Ruimte binnen het ATB

Het ATB geeft aan dat iemand in een periode van 26 weken ten hoogste gemiddeld 48 uur per week mag werken. Dit betekent dat op jaarbasis 26 X 2 X 48 = 2.496 uur gewerkt mag worden. Uitgaande van een jaarbetrekking van 2.399 uur, betekent dit een ruimte van 2.496 -/- 2.399 = 97 uur alvorens conform het ATB teveel gewerkt wordt. Berekent over de gangbare periode van 26 weken is dit 48,5 uur. Deze ruimte is beschikbaar alvorens sprake is van een 'maatwerkconstructie' of 'opt-out'. Op de uren die meer gewerkt wordt dan de aanstelling van 2.399 uur is de vergoedingsregeling van de beroepsbrandweer, AGV Hoofdstuk 18a, van toepassing.

Bijlage 1 Vastgestelde generieke uren en maatwerkuren 2011

Kik hier voor vastgestelde generieke uren en maatwerkuren 2011

Bijlage 2 Voorbeeld flexibele uren brandmeester en hoofdbrandwacht

Klik hier voor het voorbeeld flexibele uren brandmeester en hoofdbrandwacht

Bijlage 3 lnstructeursvergoeding

lnstructeursvergoeding

 NiveauTarief
Theorie-instructie100-300 (manschap/hbt) 400-500 (bevelvoerder) Officier€ 40,42 € 50,75 € 65,43
Praktijkinstructie100-300 (manschap/hbt) 400-500 (bevelvoerder) Officier€ 33,00 € 43,00 € 50,00
OefenondersteuningMedewerker (hulpinstructeur)€ 19,53

Bijlage 4 Generiek blokschema dienstrooster

Klik hier voor het Generiek blokschema dienstrooster.

Bijlage 5 Beleidsregels verlof

Klik hier voor de Beleidsregels verlof.

Regeling fietsplan

Inhoudsopgave

Artikel 1 Definities

Artikel 2 Waardebepaling

Artikel 3 Kenmerken van de regeling

Artikel 4 Uitvoering van de regeling

Artikel 5 Fiscale voorwaarden

Artikel 6 Eigendom

Artikel 7 Aansprakelijkheid

Artikel 8 Beëindiging van de overeenkomst

Artikel 9 Verklaring Woon-Werk

Artikel 10 Inwerkingtreding

Bijlagen

Artikel 1 Definities

De regeling: het fietsplan van de Veiligheidsregio Limburg-Noord 2003.

Werkgever: de Veiligheidsregio Limburg-Noord.

Deelnemer: een medewerk(st)er in dienst van de Veiligheidsregio Limburg-Noord met een vaste ambtelijke aanstelling of diegene die binnen een jaar in vaste dienst van de Veiligheidsregio zal komen (bijvoorbeeld in tijdelijke dienst met een proeftijd van een jaar).

Fiets: een rijwiel inclusief verzekering, accessoires (= met een fiets samenhangende zaken die direct dienstbaar zijn aan het woon-werkverkeer; hierbij kan o.a. gedacht worden aan noodzakelijke onderhoud en reparaties, extra slot, regenkleding, steun voor aktetas, etc.).

Vakantie-uren: de vergoeding zoals gedefinieerd in artikel 4a:1, lid 5 van de CAR en compensatie-uren die zijn toegevoegd aan het vrij opneembaar verlof.

Eindejaarsuitkering: de uitkering zoals gedefinieerd in artikel 3:6 van de CAR.

Salaris: het bedrag van de schaal het welk aan de ambtenaar is toegekend of indien voor de betrekking een vast bedrag geldt, dit bedrag.

Brutolooncomponenten: de vergoeding, de uitkering zoals genoemd onder sub 5,6 en 7.

Nettolooncomponent: salaris verminderd met een aftrek voor belastingen, premies voor sociale verzekeringen, pensioenen e.d.

Renteloze lening: krediet verstrekt door de werkgever waarbij aflossing door de deelnemer via inhouding op het netto-salaris plaatsvindt.

Artikel 2 Waardebepaling

Voor zover de bepaling van de waarde van de bruto- en nettolooncomponenten zoals bedoeld in artikel 1, sub 8 en 9, geldt als berekeningsbasis de maand januari van het kalenderjaar waarin aan de regeling wordt deelgenomen. De waarde van een uurloon ingevolge artikel 1, sub 5 komt bij een volledige betrekking overeen met een bruto bedrag gelijk aan 1/156 van het van toepassing zijnde schaalbedrag. De waarde ingevolge artikel 1, sub 6, komt overeen met het bruto bedrag van de uitkering.

Artikel 3 Kenmerken van de regeling

De deelnemer aan dit plan kan in het bezit komen van een fiets door binnen een periode van maximaal 36 maanden af te zien van looncomponenten, als bedoeld in artikel 1, sub 8 en 9, ter grootte van maximaal bedrag van € 749,- incl. btw van de aanschafprijs van de fiets, vermeerderd met de premie voor een gangbare verzekering. Voor accessoires als bedoeld in lid 1, sub 4, kan de werkgever gedurende maximaal 3 jaar een vergoeding van ten hoogste € 82 per kalenderjaar geven.

Artikel 4 Uitvoering van de regeling

De deelnemer heeft de mogelijkheid tot:

het in bezit komen van een fiets, al dan niet met verzekering;

het bestellen van accessoires;

het voorzien in onderhoud en reparatie.

Per deelnemer kan per periode van 36 maanden bij dezelfde werkgever niet meer dan voor één fiets inclusief verzekering, onderhoud / reparatie en accessoires een beroep op de regeling worden gedaan. Deelname aan de regeling geschiedt door het sluiten van de voor dat doel bestemde overeenkomst tussen de deelnemer en de werkgever.

Keuze van leverancier: De keuze van de fietsen leverancier wordt vrijgelaten. Wel dient deze ingeschreven te staan bij de Kamer van Koophandel.

De werkgever kan ten aanzien van de uitvoering van de regeling nadere regels stellen.

Artikel 5 Fiscale voorwaarden

De fiets dient op meer dan de helft van de dagen waarop de deelnemer werkzaamheden verricht te worden gebruikt voor het woon-werkverkeer. Indien achteraf blijkt, bij controle door de fiscus, dat de deelnemer onvoldoende aannemelijk kan maken dat de fiets niet of niet in voldoende mate wordt ingezet voor het woon-werkverkeer komen de fiscale gevolgen voor zijn of haar rekening. Dit betekent dat de werkgever dan gerechtigd is de daaruit voortvloeiende naheffingsgrondslag met betrekking tot de deelnemer te verhalen.

Artikel 6 Eigendom

De deelnemer koopt de fiets met eventuele verzekering en bijbehorende accessoires rechtstreeks bij leverancier. Hij of zij voldoet de kosten zelf aan betreffende leverancier. Bij aflevering van de fiets aan de deelnemer is deze juridisch en economisch eigenaar.

Artikel 7 Aansprakelijkheid

De werkgever aanvaardt geen enkele aansprakelijkheid voor schade aan de deelnemer, aan hem toebehorende zaken en/of schade aan derden, die voortvloeit uit het gebruik, uit gebreken en/of schade die anderszins verband houdt met de fiets. Schade en/of diefstal ontheft de deelnemer niet van de verplichtingen welke voortvloeien uit de overeenkomst als bedoeld in artikel 4. De deelnemer kan na aflevering op geen enkele wijze de werkgever aanspreken voor verplichtingen die voortvloeien uit de garantiebepalingen van de leverancier. De deelnemer dient zich in geval van klachten over de fiets uitsluitend te wenden tot de leverancier.

Artikel 8 Beëindiging van de overeenkomst

De overeenkomst als bedoeld in artikel 4 eindigt:

bij beëindiging van het dienstverband;

bij overlijden van de deelnemer;

na een wijziging welke de overeenkomst in strijd maakt met de huidige c.q. dan geldende regelgeving;

op verzoek van de deelnemer, waarbij een opzegtermijn van 1 maand in acht dient te worden genomen;

indien de deelnemer zich niet houdt aan de aard en strekking van deze regeling (bijvoorbeeld bij doorverkoop binnen 36 maanden aan derden);

bij voortijdig beëindiging van de voormelde overeenkomst, op grond van het bepaalde onder e. van dit artikel is de deelnemer een boete verschuldigd. Deze boete bedraagt in beginsel 100% van de aanschafwaarde van de fiets en dient vanuit het nettoloon te worden betaald. De werkgever kan de boete matigen naar gelang de gebruiksperiode van de fiets is verstreken.

Artikel 9 Verklaring Woon-Werk

Bij deze regeling behoort als bijlage de overeenkomst fietsplan Veiligheidsregio Limburg-Noord. Om te voldoen aan de fiscale voorwaarden dient eveneens bijlage 2 (verklaring woon-werk) te worden ingevuld. Wenst een deelnemer wel gebruik te maken van de regeling maar niet te voldoen aan de fiscale voorwaarden, dan is dit mogelijk. Verrekening is dan echter niet mogelijk op een fiscaal aantrekkelijke wijze, maar door inhouding op het nettosalaris (de zogenaamde renteloze lening). Voor declaratie van de kosten dient de deelnemer gebruik te maken van bijlage 4 behorende bij deze regeling.

Artikel 10 Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juni 2003 en kan worden aangehaald als het “fietsplanVeiligheidsregio Limburg-Noord”.

Bijlagen

Bijlage 1: Verklaring van deelname aan het fietsproject

Bijlage 2: Verklaring woon-werk

Bijlage 3: Overeenkomst bij het fietsplan

Bijlage 4: Declaratieformulier fietsplan

Regeling flexibilisering arbeidsduur en werktijden

Inhoudsopgave

§1 Begrippen

Artikel 1:1 Begrippen

§2 De algemene regels voor de werktijden

Artikel 2:1 De arbeidsduur en het cafetariamodel

Artikel 2:2 De roosters

Artikel 2:3 De begin - en eindtijden

Artikel 2:4 Wijziging van het rooster

§3 Meeruren

Artikel 3:1

§4 De algemene regels voor verlof

Artikel 4:1 De omvang van verlof

Artikel 4:2 Toekenning van verlof

Artikel 4:3 Brugdagen

§5 Bijzondere onderwerpen in relatie met werktijdenregeling

Artikel 5:1 Overwerk

Artikel 5:2 Ziekte en zwangerschap

Artikel 5:3 Ouderschapsverlof

Artikel 5:4 Buitengewoon verlof

Artikel 5:5 Meldkamer en 24-uurs diensten brandweerdistrict Venlo

§6 Inwerkingtreding

§1 Begrippen

Artikel 1:1 Begrippen

De volgende begrippen worden gehanteerd:

arbeidsduur: de overeengekomen werktijd per jaar;

bedrijfstijd: de tijd waarin de organisatie haar diensten kan aanbieden;

openingstijd: de tijd waarin de organisatie bereikbaar is voor externen;

werktijd: de tijd dat de medewerker binnen de bedrijfstijd arbeid verricht voor de organisatie;

werkdag: een dag waarop de werknemer arbeid moet verrichten;

verlofdag: een dag waarop de werknemer de bedongen arbeid niet hoeft te verrichten;

pauze: een periode van een onafgebroken aantal minuten waarop geen arbeid wordt verricht.

overwerk: de periode dat de werknemer incidenteel in dienstopdracht arbeid verricht buiten zijn feitelijke arbeidsduur per week;

brugdag: een dag waarop de organisatie geen diensten aanbiedt (gesloten is) en op welke dag derhalve geen uren worden ingeroosterd;

meeruren: die uren die de medewerker in overleg met de leiding maakt, aanvullend op hetgeen voor die dag/week in zijn rooster staat.

§2 De algemene regels voor de werktijden

Artikel 2:1 De arbeidsduur en het cafetariamodel

De arbeidsduur op jaarbasis is vastgesteld op 1804 uur; daarin begrepen is het (vakantie)verlof.

De formele arbeidsduur bedraagt gemiddeld 36 uur per week; de feitelijke arbeidsduur per week kan variëren, waarbij de afwijking gebaseerd is op hoofdstuk 4 van deel I.

Het cafetariamodel maakt het mogelijk, dat de arbeidsduur per jaar anders wordt dan 1804. Deel I biedt onder voorwaarden de mogelijkheid om: waardoor de arbeidsduur per medewerker kan gaan verschillen. De afspraken omtrent het gebruik maken van het cafetariamodel worden telkens met individuele werknemers voor een jaar gemaakt, voorafgaand aan het jaar waarop de afspraak betrekking heeft.

op jaarbasis 50,4 uren meer te werken om extra vakantie-uren op te bouwen.

op jaarbasis 72 arbeidsuren te kopen of te verkopen;

Voor een parttimer gelden de in dit artikel genoemde uren naar rato van de aanstelling.

Artikel 2:2 De roosters

Lid 1

Elke leidinggevende draagt zorg voor een adequate en verantwoorde bezetting van zijn organisatieonderdeel.

Lid 2

De medewerker wordt in staat gesteld om de arbeid te verrichten volgens een jaarlijks op te stellen rooster. De keuze voor een rooster wordt in overleg met de leidinggevende in december vastgelegd.

Lid 3

In de roosters wordt alleen gewerkt met hele of halve uren.

Het totaal ingeroosterd aantal uren per jaar komt overeen met de arbeidsduur.

Lid 4

Indien een medewerker meer dan 5 ½ uur tot en met 10 uur aaneengesloten werkt, dient zijn arbeid te worden onderbroken door een pauze van ten minste 30 minuten, die mag worden opgesplitst in twee keer een kwartier.

Lid 5

Werkt een medewerker langer dan 10 uur aaneengesloten, dan is de pauze minstens 45 minuten. De pauze mag worden gesplitst in meer pauzes van minimaal een kwartier.

Lid 6

De feitelijke arbeidsduur kan ten hoogste 11 uur per dag en 50 uur per week bedragen. De leidinggevende kan daartoe in overleg met de medewerker besluiten. De rusttijden van de arbeidstijdenwet worden hierbij in acht genomen.

Lid 7

Indien de medewerker gebruikt maakt van de mogelijkheid om zijn feitelijke arbeidsduur uit te breiden tot 11 uur per dag en/of 50 uur per week dan levert dit geen overwerk op in de zin van artikel 3:2:1 van deel I.

Artikel 2:3 De begin - en eindtijden

De bedrijfs- en openingstijd zijn sector gebonden. Dat wil zeggen dat iedere sector deze zelf afzonderlijk vaststelt. Criteria daarbij zijn verantwoorde en adequate bedrijfsvoering, klantvriendelijkheid en bereikbaarheid. De leidinggevende kan, voor individuele medewerkers of groepen medewerkers, vaste aanvang- en eindtijden vaststellen om tot een adequate dienstverlening te komen.

Artikel 2:4 Wijziging van het rooster

Lid 1

In de loop van het jaar kan behoefte ontstaan om wijzigingen aan te brengen in het aantal ingeroosterde uren op bepaalde dagen. Een wijziging van het rooster betekent altijd een verschuiving van uren. De volgende mogelijkheden doen zich voor:

de medewerker kan om een verschuiving van een aantal uren naar een andere dag verzoeken. Als de dienst het toelaat wordt deze verschuiving gehonoreerd; het rooster wordt aangepast;

de leiding kan een verschuiving noodzakelijk vinden in verband met de werkdruk. Een verzoek van de leidinggevende wordt ten minste één maand voor aanvang van de werkzaamheden aan de medewerker gedaan. Om reden van dienstbelang kan hiervan worden afgeweken. De medewerker heeft dan recht op een verschuivingstoelage.

Lid 2

Van verschuiven is sprake:

als de arbeidsduur van een week gewijzigd wordt ten gunste of ten koste van de arbeidsduur van een andere week of weken;

als de begin- en eindtijd van een bepaalde dag verschoven wordt op de dag zelf of het hele blok naar een nog lege andere dag van dezelfde week.

§3 Meeruren

Artikel 3:1

Naast de wijziging van het rooster in de vorm van een verschuiving is het voor de medewerker mogelijk om flexibel, naar behoefte, te kunnen werken. In overleg met de leiding is het mogelijk om op die dag meer uren te maken dan volgens rooster overeengekomen is en deze uren op een later moment weer te compenseren met vrije tijd. Er is geen verplichting om extra uren te maken. Deze meeruren worden geregistreerd in TIM(e) en geaccordeerd door de leidinggevende. Om te voorkomen, dat teveel meeruren gespaard worden en er daarmee op het eind van een jaar een grote voorraad meeruren (en mogelijk vakantie-uren) ontstaat, is het maximum aan meeruren 20 uren (voor iedereen gelijk). Resteren er op het eind van het jaar nog meeruren, dan komen deze te vervallen. De meeruren behoren immers tot het jaar waarin ze gemaakt zijn en zouden anders een negatief effect op de bezetting/productie van het jaar daaropvolgend hebben. Bij hoge uitzondering kunnen deze meeruren worden uitbetaald tegen het geldende uurloon (100%). Hiermee dient zeer terughoudend te worden omgegaan.

§4 De algemene regels voor verlof

Artikel 4:1 De omvang van verlof

Ieder heeft recht op verlof volgens de regels van de vakantieregeling in deel I. De berekening vindt plaats op basis van uren.

Artikel 4:2 Toekenning van verlof

Een verzoek om verlof wordt toegekend voor zover de dienst/het werk het toelaat. Daarbij worden de regels van deel I in acht genomen. Er kan vakantieverlof worden opgenomen en/of het meeruren saldo in TIM(e) worden gebruikt. Het verdient uiteraard aanbeveling eerst het meeruren saldo in TIM(e) aan te spreken (gezien de strekking van artikel 3:1).

Artikel 4:3 Brugdagen

Voor het rooster gelden brugdagen als “dienstvrije dagen”. Op een brugdag worden geen uren ingeroosterd. Het is een vrije dag, zonder dat er vakantie uren voor ingeleverd hoeven te worden. Aangezien het aanwijzen van een brugdag directe gevolgen heeft voor de dienstverlening zal de sector in overleg met de OR aangeven welke brugdagen er worden aangewezen. In het Managementoverleg (MO) zal daarover afstemming plaatsvinden.

§5 Bijzondere onderwerpen in relatie met werktijdenregeling

Artikel 5:1 Overwerk

Er is sprake van overwerk wanneer in dienstopdracht de ingeroosterde arbeidsduur per week wordt overschreden. Overwerk geeft volgens de regels van deel I recht op een overwerkvergoeding. Verschuiven van werktijden in dienstopdracht binnen een week, zonder dat de feitelijke arbeidsduur wijzigt, geeft derhalve geen recht op een overwerkvergoeding. Overwerkuren tellen niet mee bij de jaarlijkse arbeidsduur.

Conform het bepaalde in artikel 3:2:1 van deel I bestaat de overwerkvergoeding uit verlof gelijk aan het aantal volle uren van het overwerk, alsmede uit een bedrag dat voor die uren wordt gerekend, conform lid 5.

Artikel 5:2 Ziekte en zwangerschap

Bij ziekte en/of zwangerschapsverlof volgt de medewerker het aantal uren op dat volgens rooster gewerkt zou worden. Bij langdurige ziekte en zwangerschapsverlof zal het rooster zodanig worden aangepast, dat er sprake is van een inroostering van gemiddelde werkweken, rekening houdend met de reeds gewerkte uren. Op het moment van herstel wordt het resterende gedeelte van de te werken uren in overleg met de betreffende medewerker opnieuw ingeroosterd.

Artikel 5:3 Ouderschapsverlof

De duur van betaald ouderschapsverlof bedraagt een aaneengesloten periode van minimaal een maand en maximaal 6 maanden over ten hoogste de helft van de voor betrokkenen geldende gemiddelde formele arbeidsduur per week, tenzij de organisatiebelangen vragen om een langere duur (dan max. 1 jaar). Het ouderschapsverlof wordt in uren toegekend. Men dient dan ook het aantal uren op te nemen dat men op de betreffende dag van het verlof zou werken. De werknemer kan de werkgever verzoeken om:

het verlof toe te kennen voor een langere periode dan 6 maanden;

het verlof op te delen in ten hoogste 3 perioden, waarbij elke periode tenminste een maand bedraagt;

meer uren verlof toe te kennen dan de helft van de formele arbeidsduur per week.

Indien het ouderschapsverlof, conform het bepaalde onder b, is opgedeeld in perioden en de arbeidsverhouding wordt beëindigd voordat het verlof volledig is genoten, heeft de ambtenaar (conform het bepaalde in de Wet arbeid en zorg) indien hij een nieuw dienstverband aangaat, tegenover de nieuwe werkgever aanspraak op het resterende deel van het ouderschapsverlof.

Artikel 5:4 Buitengewoon verlof

Buitengewoon verlof wordt verleend door de werkgever. Dit verlof heeft –meestal- betrekking op een bijzondere, niet in het rooster te plannen gebeurtenis (zoals begrafenis, geboorte). De ingeplande uren die als buitengewoon verlof toegekend worden, maken onderdeel uit van de werkuren op jaarbasis. In geval van planbare bijzondere gebeurtenissen (bv. eigen huwelijk) worden de rechten vertaald naar de arbeidsduur per dag (fulltimer 7, 2 uur en parttimer naar rato). Deze verlofuren worden vervolgens bijgeschreven In TIM(e) en bij opname verantwoord als buitengewoon verlof.

Artikel 5:5 Meldkamer en 24-uurs diensten brandweerdistrict Venlo

Bij de Brandweer zijn afwijkende afspraken over de arbeidsduur per dag en per week. Het vastgestelde rooster behoeft ook niet de individuele toestemming van de brandweerman. De maximale arbeidsduur per jaar blijft wel als randvoorwaarde overeind. De centralisten van de meldkamer en de medewerkers in de 24-uurs dienst van het brandweerdistrict Venlo werken volgens een eigen rooster. Zij zijn werkzaam in een continu rooster (7 dagen per week/24 uur per dag) en hiervoor gelden andere regels.

§6 Inwerkingtreding

Deze regeling kan worden aangehaald als “regeling flexibilisering arbeidsduur en werktijden“ en treedt in werking op 1 januari 2012.

Per gelijke datum wordt de “regeling arbeidsduur en werktijden“ die is vastgesteld per 1 januari 2002 ingetrokken.

Regeling flexibilisering arbeidsduur en werktijden (T)

Inhoudsopgave

§1 Inleiding

§2 Probleemstelling

§3 Uitgangspunten

§4 De aard van de spelregels

§1 Inleiding

In het arbeidsvoorwaardenakkoord 2009-2011 zijn afspraken gemaakt over flexibilisering en levensfase. De bandbreedtesystematiek die was neergelegd in artikel 4:1 lid 1 van de CAR-UWO is hierdoor geschrapt. Tot aan de invoering van de CAO 2009-2011 kon afwijking van de formele arbeidsduur per week slechts plaatsvinden binnen vastgestelde marges, de hiervoor genoemde bandbreedtesystematiek. Nu deze bandbreedtesystematiek is verlaten, zijn de mogelijkheden om te differentiëren in de feitelijke arbeidsduur sterk verruimd. De voor de medewerker geldende arbeidsduur per jaar mag echter niet overschreden worden en er gelden maxima voor de arbeidsduur per dag (11) en per week (50). Tijdens piektijden kan er hierdoor meer dan de huidige 9 of 42 uur per dag/week worden gewerkt en in rustigere periodes minder.

Voorwaarden

Door het wegvallen van de bandbreedtesystematiek kan de werkgever de feitelijke arbeidsduur per week op een andere omvang vaststellen dan de formele arbeidsduur per week. Hieraan zijn vier voorwaarden verbonden:

De medewerker stemt ermee in.

De feitelijke arbeidsduur per dag bedraagt niet meer dan 11 uur.

De feitelijke arbeidsduur per week bedraagt maximaal 50 uur.

De voor de medewerker geldende arbeidsduur per jaar wordt niet overschreden.

Uitgangspunt bij deze arbeidsduur- en werktijdenregeling is dat de leidinggevende stuurt op resultaat en vertrouwt op de professionaliteit van de medewerker. Daarbij mag de leidinggevende ervan uitgaan dat de medewerker zich optimaal inzet. Een verantwoorde en adequate dienstverlening is een eis. Iedere leidinggevende gaat met zijn medewerkers in gesprek onder diens inzet, de planning van de werkzaamheden en de werktijden.

OR en GO

De systematiek van de werktijden dient in het GO besproken te worden; hier worden afspraken gemaakt ten aanzien van het beleid inzake werktijden. In de OR dient de praktische invulling van de werktijdenregeling aan de orde te komen. De begin- en eindtijden en de methodiek hoe bv. roosters worden ingevuld behoren hiertoe.

§2 Probleemstelling

Vastgelegd is dat een fulltimer bij de Veiligheidsregio als basis 1804 uur per jaar werkt. Daarmee is niet bepaald op welke momenten van het jaar, week en dag deze uren worden ingevuld. We constateren, dat er zowel vanuit de organisatie als vanuit de medewerkers wensen zijn om deze uren (zo) flexibel (mogelijk) in te zetten. Als we invulling geven aan de flexibiliteit van inzet van de te werken uren, zullen we afspraken moeten maken over de regels die daarvoor gelden.

§3 Uitgangspunten

De werkuren worden ingezet op de momenten dat de organisatie dat nodig vindt. Maar de organisatie kan niet zomaar in alle vrijheid bepalen wanneer. Daar zijn regels voor o.a. in de arbeidstijdenwet.

Duidelijk is dat bij de planning van die inzet het organisatiebelang leidend is. Als we op deze manier flexibel willen inspelen op de behoeften van de organisatie en de wensen van de medewerkers zullen er afspraken gemaakt moeten worden over de planning van de inzet van de werktijd, over de registratie van de realisering van die inzet en over de evaluatie.

de planning De organisatie levert wat van haar gevraagd wordt; daartoe zal er een planning gemaakt moeten worden van de productie en van de inzet van mensen die nodig zijn voor die productie. Dat neemt niet weg, dat er algemene regels moeten zijn voor het maken van de planning.

de realisering Een overeengekomen planning betekent niet, dat deze planning een rigide gegeven is. De organisatie kan alsnog op een gegeven moment incidenteel wat willen wijzigen in die planning en de medewerkers kunnen wijzigingen willen aanbrengen. Er moeten dus spelregels zijn waarbinnen dat mogelijk wordt gemaakt. Spelregels, die medewerkers beschermen tegen willekeur van de organisatie, maar ook spelregels, die de continuïteit van de organisatie garanderen.

de evaluatie Achteraf zal verantwoord moeten worden dat we de planning gehaald hebben. Dat geldt zowel voor de inzet in tijd als voor de afgesproken productie. Verantwoordelijkheid dragen betekent ook verantwoording afleggen en derhalve registratie. Geconcludeerd is, dat bij de inzet van medewerkers in de organisatie Daarvoor is het nodig:

het organisatiebelang leidend is;

en dat daarbinnen zoveel mogelijk met wensen en belangen van medewerkers rekening moet worden gehouden.

dat de inzet van medewerkers vooraf gepland wordt;

dat registratie plaatsvindt van de inzet in tijd en producten;

zodat verantwoording kan worden afgelegd van de inzet en kan worden bijgestuurd.

§4 De aard van de spelregels

Bij het opstellen van de spelregels is uitgegaan van het principe, dat eenvormigheid moet worden vastgelegd daar waar nodig en flexibiliteit daar waar mogelijk. Dat betekent, dat er per bureau, afdeling, sector, op verschillende onderdelen verschillende afspraken mogelijk kunnen zijn, afhankelijk van de taakstelling van die eenheid. Anderzijds betekent het dat er één registratiesysteem moet worden gekozen, omdat de uiteindelijke verantwoording op de schaal van de gehele organisatie moet worden afgelegd.

Op het centraal niveau dienen dan afspraken gemaakt te worden over:

arbeidsduur (incl. toepassing cafetaria model);

spelregels roostertechniek, waaronder wijziging, verschuiving en meeruren;

brugdagen;

omgaan met spaarverlof / spaarvariant;

een aantal bijzondere onderwerpen, die aandacht verdienen in relatie tot de flexibilisering van werktijden.

Op sector niveau dienen afspraken gemaakt te worden over:

bedrijfstijd, openingstijd en werktijd;

de feitelijke aan- en afwezigheid en registratie daarvan;

verlof.

De individuele afspraken over begin- en eindtijden worden niet aan de OR voorgelegd, maar dienen te passen binnen de regelingen, die daarvoor in overleg met de OR gemaakt worden.

Regeling functiebeschrijving en –waardering VRLN 2013

Inhoudsopgave

Artikel 1 Begripsbepalingen

Artikel 2 Vaststelling van de functiebeschrijving en functiewaardering van normfuncties

Artikel 3 Vaststelling van de functiebeschrijving en -waardering van lokale functiebeschrijvingen

Artikel 4 Vaststelling van de conversietabel

Artikel 5 Voornemen, bedenkingen, besluit en bezwaar

Artikel 6 Nieuwe en gewijzigde taken

Artikel 7 Vaststelling van de functiebeschrijving en functiewaardering

Artikel 8 Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 1 Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

Manager: De ambtenaar die als manager is benoemd door het DB en die als zodanig primair verantwoordelijk is voor de leiding van één afdeling van de organisatie;

Bezwarencommissie: De ingevolge artikel 7:13 Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingestelde onafhankelijke commissie van bezwaar, die in het kader van deze regeling belast is met de behandeling van bezwaren.

CAR-UWO: Collectieve ArbeidsvoorwaardenRegeling voor de sector gemeenten en de UitWerkingsOvereenkomst;

Conversietabel: De door het DB vastgestelde tabel waarmee de functiewaarderingen vertaald worden naar één van de in bijlage IIa van de CAR-UWO opgenomen salarisschalen;

DB: Dagelijks Bestuur van de Veiligheidsregio Limburg-Noord;

Directeur: De ambtenaar die als algemeen Directeur is benoemd door het DB en die als zodanig primair verantwoordelijk is voor de leiding van de gehele organisatie;

Functie: Geheel van taken en/of werkzaamheden dat is afgeleid uit de taakstelling van de organisatie, en dat is opgedragen aan één of meer medewerkers;

Functiebeschrijving: De normbeschrijving dan wel de lokale functiebeschrijving die een weergave is van aard, karakter, niveau en complexiteit van taken;

Functiedeskundige: De daartoe opgeleide medewerker die door de directeur is belast met het opstellen van functiebeschrijvingen en functiewaarderingen;

Functiehouder: De ambtenaar in de zin van de CAR-UWO in dienst van de VRLN of de werknemer met wie door de VRLN een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht, als bedoeld in artikel 2:5 van de CAR-UWO, is aangegaan;

Functiewaardering: Het op methodische wijze met het geldende waarderingssysteem vaststellen van de bij elke functiebeschrijving behorende functiewaardering;

GO: De commissie voor Georganiseerd Overleg, zoals bedoeld in artikel 12:1 van de CAR-UWO, die is samengesteld uit een vertegenwoordiging van het DB en een vertegenwoordiging van de toegelaten organisaties;

Indelingsbesluit: het besluit waarin opgenomen de vertaling van de functie-inhoud naar een functiegroep en –niveau;

Lokale functiebeschrijving: De lokaal gewijzigde normbeschrijving of lokaal toegevoegde nieuwe functiebeschrijving;

MT: Het Managementteam dat bestaat uit de directeur en de managers;

Normfunctie: De generieke functiebeschrijving die als normbeschrijving al is voorzien van een vaste waardering.

OR: De OndernemingsRaad als bedoeld in artikel 2, lid 1, van de WOR;

VRLN: Veiligheidsregio Limburg-Noord;

WOR: Wet op de OndernemingsRaden;

WOR-bestuurder: De bestuurder in de zin van de WOR, binnen de VRLN is dit de directeur.

Artikel 2 Vaststelling van de functiebeschrijving en functiewaardering van normfuncties

Lid 1

De directeur selecteert in samenspraak met de functiedeskundige per functie een normfunctie, waarbij het uitgangspunt is dat voor elke functie een normfunctie wordt gekozen.

Lid 2

De geselecteerde normfunctie wordt door de directeur voorlopig vastgesteld.

Lid 3

Elke nieuwe normfunctie wordt door de WOR-bestuurder ter informatie aangeboden aan de OR.

Lid 4

De directeur legt elke nieuwe normfunctie, met inachtneming van het bepaalde in lid 1 t/m 3, ter vaststelling voor aan het DB.

Lid 5

Het DB stelt elke nieuwe normfunctie en bijbehorende functiewaardering bij algemeen verbindend voorschrift vast.

Artikel 3 Vaststelling van de functiebeschrijving en -waardering van lokale functiebeschrijvingen

Lid 1

Indien de normbeschrijving voor de functie onvolledig is, of als een normbeschrijving van de functie niet aanwezig is, dan wordt door de functiedeskundige een lokale functiebeschrijving opgesteld, waarbij het uitgangspunt is dat slechts in zeer uitzonderlijke gevallen, te bepalen door de directeur, een lokale functiebeschrijving wordt opgesteld.

Lid 2

De functiedeskundige waardeert, met de vastgelegde functiewaarderingsmethode, elke nieuwe lokale functiebeschrijving die op verzoek van de directeur is opgesteld.

Lid 3

De lokale functiebeschrijving en de waardering van die lokale functiebeschrijving worden ter toetsing aangeboden aan het MT en aan de OR en vervolgens voorlopig vastgesteld door de directeur.

Lid 4

Het DB stelt de lokale functiebeschrijving en de waardering van die lokale functiebeschrijving bij algemeen verbindend voorschrift vast met inachtneming van het advies functiewaardering als bedoeld in lid 2 en 3.

Artikel 4 Vaststelling van de conversietabel

Lid 1

Het DB stelt, na verkregen overeenstemming binnen het GO, een conversietabel vast.

Lid 2

Met de vastgestelde conversietabel worden de waarderingen van alle geselecteerde normfuncties en van alle lokale functiebeschrijvingen omgezet naar functieschalen binnen de door de organisatie vastgestelde salarisstructuur.

Artikel 5 Voornemen, bedenkingen, besluit en bezwaar

Lid 1

De directeur informeert de functiehouder schriftelijk over het voornemen om op de functie van functiehouder een nieuwe (norm of lokale) functiebeschrijving, van toepassing te verklaren. In het voornemen zijn tevens de gevolgen voor inschaling en de bezoldiging van de functiehouder opgenomen.

Lid 2

De functiehouder wordt vervolgens gedurende een termijn van 2 weken in de gelegenheid gesteld zijn bedenkingen over het voornemen schriftelijk en gemotiveerd kenbaar te maken aan de directeur. Deze termijn kan, indien nodig, op verzoek van de medewerker worden verlengd.

Lid 3

De directeur neemt na afloop van de termijn van 2 weken een gemotiveerd besluit over de (norm of lokale) functiebeschrijving, waarin de functie van de functiehouder wordt ingedeeld.

Lid 4

Het besluit van de directeur als bedoeld in lid 3 van dit artikel bevat:

de naam van de (norm of lokale) functie;

de functiebeschrijving;

de functieschaal;

de gevolgen voor inschaling en de bezoldiging van de functiehouder.

Lid 5

Het besluit van de directeur als bedoeld in lid 3 van dit artikel, is een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb en tegen dit besluit kan de functiehouder schriftelijk en gemotiveerd bezwaar maken bij het DB.

Artikel 6 Nieuwe en gewijzigde taken

Lid 1

Indien aan een functiehouder, door of namens de directeur, nieuwe of gewijzigde taken worden opgedragen, zodanig dat de functie voor meer dan 25% wijzigt, dit ter bepaling door de directeur, dan heroverweegt het DB, na en met inachtneming van het advies van de directeur, de indeling in de functiebeschrijving.

Lid 2

Indien de heroverweging leidt tot een nieuw indelingsbesluit, dan is het bepaalde in artikel 5 van toepassing. In het geval dat de heroverweging niet leidt tot een nieuw indelingsbesluit, dan wordt de functiehouder hiervan in kennis gesteld.

Artikel 7 Vaststelling van de functiebeschrijving en functiewaardering

Lid 1

Indien sprake is van een organisatiebrede functiebeschrijvingsronde, of indien sprake is van een organisatorische verandering zoals bedoeld in artikel 25, lid 1, aanhef en onder e, van de WOR, dan legt de directeur alle nieuwe (norm en/of lokale) functiebeschrijvingen ter advisering voor aan het MT en de OR.

Lid 2

Het DB stelt vervolgens de nieuwe (norm en/of lokale) functies en bijbehorende functiewaardering vast bij algemeen verbindend voorschrift met inachtneming van de adviezen als bedoeld in lid 1.

Artikel 8 Overgangs- en slotbepalingen

Lid 1

Het DB kan nadere regels stellen omtrent hetgeen in deze regeling is bepaald voor zover de aard en strekking van deze regeling zich daartegen niet verzet.

Lid 2

Indien bij nadere regels van deze regeling wordt afgeweken, dient hierover overeenstemming te worden bereikt in de commissie voor GO.

Lid 3

De toepassing van deze regeling wordt jaarlijks geëvalueerd met de commissie voor het Georganiseerd Overleg.

Lid 4

In gevallen waarin deze regeling niet of niet in redelijkheid voorziet beslist het DB.

Lid 5

De regeling treedt na bekendmaking in werking op 1 juni 2013 en vervangt de “Regeling organieke functiebeschrijving en -waardering Veiligheidsregio Limburg-Noord” van 1 februari 2005.

Lid 6

Deze regeling kan worden aangehaald als “Regeling functiebeschrijving- en waardering Veiligheidsregio Limburg-Noord”.

Gedragscode

Inhoudsopgave

Artikel 1 Goed ambtenaarschap

Artikel 2 Vertrouwelijk omgaan met gevoelige informatie

Artikel 3 Nevenfuncties en andere privéactiviteiten

Artikel 4 Geschenken, aanbiedingen en incidentele vergoedingen

Artikel 5 Uitnodigingen voor reizen, congressen, evenementen en diners

Artikel 6 Verantwoord omgaan met voorzieningen en personeelsregelingen

Artikel 7 Belangen van familieleden, vrienden en ex-collega’s

Artikel 8 Reageren op niet-integere zaken

Artikel 9 De leidinggevende draagt de gedragscode uit

Artikel 10 Reikwijdte en inwerkingtreding

Artikel 1 Goed ambtenaarschap

Lid 1

Je beseft dat je onderdeel bent van de overheid. Je dient het algemeen belang en probeert met jouw handelen het vertrouwen in de overheid te versterken. Je doet dit vanuit een respectvolle houding waarin de standpunten, visies en inbreng van anderen serieus worden genomen.

Lid 2

Je houdt je aan de wettelijke voorschriften en aan algemeen aanvaarde gedragsregels. Je treedt correct op tegen burgers en bedrijven. Je discrimineert niet en verleent geen voorkeursbehandelingen. Dat betekent dat je jouw werkzaamheden verrichten zonder daarbij onderscheid te maken op grond van godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of andere persoonsgebonden kenmerken.

Lid 3

Je voert jouw werk op een professionele manier uit. Je geeft de leiding en het bestuur juiste, relevante en volledige informatie. Situaties waarin je niet volgens jouw professionele normen kunt werken stel je intern aan de orde.

Lid 4

Je gaat respectvol met collega’s om. Je houdt er rekening mee dat normen en waarden onderling kunnen verschillen. Je bent aanspreekbaar op jouw gedrag. Een respectvolle houding komt onder andere tot uiting in collegialiteit, teamgeest, openheid en klantgerichtheid. Een ander onderdeel is het respect tonen voor de individuele verscheidenheid en het nastreven van correcte omgangsvormen.

Lid 5

Respectvol omgaan met collega’s en derden betekent ook dat je het gebruik van mobiele telefoon, pda e.d. tijdens een overleg/training/cursus tot een minimum beperkt (voor medewerkers die bereikbaarheidsdienst of oproepdienst hebben geldt uiteraard een uitzondering).

Lid 6

Je gaat verantwoord om met middelen van de organisatie (gelden, diensten, goederen, kennis). Je vermijdt het maken van onnodige kosten.

Lid 7

Je draagt verantwoordelijkheid voor jouw eigen handelen. Je kunt de keuzes die je binnen jouw werk maakt verantwoorden.

Lid 8

Je ondersteunt de verantwoordelijkheid van jouw leidinggevende door hem of haar waar nodig te informeren.

Artikel 2 Vertrouwelijk omgaan met gevoelige informatie

Lid 1

Je gaat binnen en buiten het werk zorgvuldig om met persoonlijke gegevens van burgers, gegevens van bedrijven en instellingen, politiek gevoelige informatie en andere informatie die in handen van buitenstaanders de belangen van de organisatie kan schaden.

Lid 2

Je gaat functioneel om met gevoelige informatie. Je respecteert de privacy van cliënten, zakelijke relaties en collega’s.

Lid 3

Je gebruikt financiële informatie en voorkennis van beleid voor de uitoefening van jouw functie en niet voor andere doeleinden.

Lid 4

Je ‘lekt’ geen vertrouwelijke informatie vanuit de organisatie naar buiten. Je laat niet uit slordigheid buitenstaanders meeluisteren naar een gesprek over het werk of meekijken naar interne stukken.

Lid 5

Je verstrekt geen informatie aan media zonder overleg met de afdeling Communicatie.

Lid 6

Je zorgt ervoor dat stukken met vertrouwelijke gegevens veilig zijn opgeborgen als je jouw werkplek verlaat en dat jouw computer is afgesloten.

Lid 7

Informatie waarover het bestuur een geheimhoudingsplicht heeft opgelegd, houdt je geheim.

Artikel 3 Nevenfuncties en andere privéactiviteiten

Lid 1

Je bent je ervan bewust dat activiteiten die je naast jouw werk verricht het functioneren van de organisatie op een of andere manier kunnen raken. Voorbeelden van nevenactiviteiten zijn bestuursfuncties, commissariaten, vrijwilligerswerk, een eigen bedrijfje en vennoot- of aandeelhouderschap.

Lid 2

Je meldt een (voorgenomen) nevenactiviteit bij jouw leidinggevende als de activiteit raakvlakken heeft met jouw functie-uitoefening. Een raakvlak is in elk geval aanwezig als je activiteiten verricht voor een organisatie, instantie of bedrijf dat op een of andere manier banden heeft met de organisatie. Bijvoorbeeld: in jouw functie adviseer je over subsidie op het terrein van welzijn en in jouw vrije tijd vervul je een bestuursfunctie binnen een welzijnstichting in dezelfde organisatie.

Lid 3

Je meldt activiteiten die (kunnen) leiden tot een botsing of onverenigbaarheid met organisatiebelangen waar je in jouw functie mee te maken hebt. Bijvoorbeeld: privé voer je actie tegen de sloop van een gebouw en in jouw functie ben je betrokken bij besluiten over de bestemming van dit gebouw.

Lid 4

Je meldt een nevenactiviteit ook als deze het risico op schade met zich mee kan brengen voor de organisatie. Zo kan jouw productiviteit eronder lijden als je in jouw vrije tijd als barkeeper regelmatig tot laat aan het werk bent. Een ander voorbeeld zijn ethisch of politiek omstreden privéactiviteiten van ambtenaren. Die zouden schade kunnen toebrengen aan het imago of de geloofwaardigheid van de organisatie.

Lid 5

Je realiseert je dat ook het oordeel van de buitenwereld van belang is. Je kunt jouw ‘petten’ misschien zonder probleem scheiden, maar als jouw nevenactiviteit de schijn van belangenverstrengeling wekt, is dit ook schadelijk voor het vertrouwen in de overheid.

Lid 6

Financiële belangen in de privésfeer (bijvoorbeeld het hebben van aandelen) kunnen een onafhankelijke besluitvorming in de weg staan of de schijn daarvan hebben. Als de organisatie niets weet van jouw financiële belangen, ben je de enige die kan inschatten of dat belang zich verdraagt met jouw functie-uitoefening. Heb je in jouw functie een relatie met een bedrijf waar je persoonlijk een financieel belang in hebt, vermijd dan risico’s en bespreek dit met jouw leidinggevende.

Lid 7

Ook relaties die tot de privésfeer horen kunnen de organisatie op de een of andere manier raken (bijvoorbeeld een relatie tussen collega’s). Je bent je bewust van de eventuele risico’s die dit met zich brengt.

Artikel 4 Geschenken, aanbiedingen en incidentele vergoedingen

Lid 1

Je accepteert een geschenk alleen als jouw onafhankelijke opstelling ten opzichte van de gever daardoor niet beïnvloed wordt. Je gaat na of acceptatie van het geschenk verplichtingen schept voor de toekomst. Je bedenkt ook hoe de buitenwereld zou kunnen aankijken tegen het aannemen van een geschenk. In veel gevallen levert dit geen probleem op. Denk aan een fles wijn voor een door je verrichte presentatie, een ceremonieel aan je overhandigd rapport van een bureau of aan bedrijfsattenties, zoals kalenders en pennen. Dergelijke geschenken zijn bedoeld als blijk van waardering voor jouw specifieke inspanning of de goede samenwerkingsrelatie.

Lid 2

Een geschenk van een derde dat je in verband met jouw werk hebt gekregen is in principe eigendom van de organisatie.

Lid 3

Geschenken die je accepteert meld je bij jouw leidinggevende. Geschenken die naar jouw idee meer dan € 25, - waard zijn accepteer je niet.

Lid 4

Je meldt ook aangeboden geschenken die je niet hebt geaccepteerd en in het vooruitzicht gestelde geschenken. Bedrijfsattenties, zoals agenda’s, kalenders, pennen, muismatten en hebbedingetjes, hoeft Je niet te melden.

Lid 5

Aanbiedingen voor privéwerkzaamheden, kortingen op privégoederen en andere gunsten accepteer je niet.

Lid 6

Geschenken die op jouw huisadres worden aangeboden accepteer je niet. Indien een geschenk toch thuis is afgeleverd, bespreek je de bestemming daarvan met jouw leidinggevende.

Lid 7

Geschenken die je worden aangeboden door een relatie die nog iets van je ‘nodig’ heeft (een opdracht, vergunning, subsidie, beslissing in bezwaarprocedure), accepteer je niet.

Lid 8

Je accepteert geen geldbedragen. Als afgesproken is dat een derde betaalt voor jouw verrichtingen, gebeurt dat door middel van een factuur aan de organisatie.

Lid 9

Vanzelfsprekend vraag je nooit gunsten voor jezelf aan derden.

Artikel 5 Uitnodigingen voor reizen, congressen, evenementen en diners

Lid 1

Je beoordeelt of een uitnodiging relevant is voor de organisatie. Je bespreekt alle uitnodigingen met jouw leidinggevende.

Lid 2

Je reist niet op kosten van derden. Als deelname aan een reis functioneel is, dan is er sprake van een dienstreis en gelden de algemene regels: er is toestemming nodig van de leidinggevende en de kosten zijn voor de organisatie.

Lid 3

Je neemt jouw verantwoordelijkheid bij informele contacten met derden, zoals recepties en etentjes waar alcohol wordt geschonken. Zorg dat je ‘nee’ kunt blijven zeggen als het ‘nee’ moet zijn.

Lid 4

Je bent ervoor verantwoordelijk dat de leiding op de hoogte is van het reilen en zeilen binnen jouw functie-uitoefening. Blijkt achteraf een uitnodiging meer te hebben omvat dan ingeschat, laat dit dan aan jouw leidinggevende weten.

Artikel 6 Verantwoord omgaan met voorzieningen en personeelsregelingen

Lid 1

Je houdt privégebruik van e-mailsysteem, internet, (mobiele) telefoon, pda, kopieerapparaat en dergelijke beperkt. Je zorgt ervoor dat dit jouw dagelijkse werkzaamheden niet hindert.

Lid 2

Je laat jouw privégebruik van apparatuur openlijk zijn, zodat je erop kunt worden aangesproken. Jouw leidinggevende of collega kan een andere opvatting hebben van ‘beperkt gebruik’ dan jij.

Lid 3

Je neemt geen eigendommen mee naar huis. Het lenen van eigendommen voor privégebruik is alleen mogelijk als je daarvoor toestemming van jouw leidinggevende hebt gekregen.

Lid 4

Je doet geen privébetalingen via de organisatie. Je verzendt geen ongefrankeerde brievenpost via de postkamer.

Lid 5

Je declareert alleen kosten die je hebt gemaakt. Je maakt eerlijk gebruik van regelingen voor het personeel.

Lid 6

Verantwoord gebruik van organisatiemiddelen betekent ook: naleven van de werktijden en de regels bij ziekteverzuim.

Artikel 7 Belangen van familieleden, vrienden en ex-collega’s

Lid 1

Je bent alert op situaties in jouw werk waarin je met privérelaties te maken krijgt. Je licht jouw leidinggevende in over aanvragen en offertes van vrienden, familieleden of bedrijven waarin familie of vrienden werkzaam zijn. Je voorkomt de schijn van vriendjespolitiek en behandelt dergelijke aanvragen niet zelf.

Lid 2

Je bent terughoudend met het geven van adviezen aan bekenden in de privésfeer. Je bent bedacht op botsing van belangen.

Lid 3

Je let bij het inhuren van ex-collega’s goed op het volgen van de juiste procedure van inhuur en aanbesteding. Je kunt motiveren waarom de inhuur van een ex-ambtenaar als zelfstandige nodig en verantwoord is. Je realiseert je hoe dat kan overkomen op de buitenwereld die geen achtergrondinformatie heeft. Je bespreekt de risico’s met jouw leidinggevende.

Artikel 8 Reageren op niet-integere zaken

Lid 1

Je bespreekt twijfels over de integriteit van collega’s zo veel mogelijk met henzelf. Is dit niet mogelijk of leidt dit niet tot resultaat, dan licht je de leidinggevende, de vertrouwenspersoon of het bestuur in.

Lid 2

Je bent ook zelf aanspreekbaar op jouw handelen en uitlatingen. Collega’s en burgers kunnen jouw werkwijze en woorden anders ervaren dan je bedoelt.

Lid 3

Je meldt een vermoeden van fraude of corruptie bij de leidinggevende, het bestuur of de vertrouwenspersoon.

Lid 4

Bij vermoedens van fraude, maar ook bij andere twijfelachtige zaken, kun je gebruikmaken van de Klokkenluidersregeling. De organisatie is verplicht om een reactie te geven op jouw melding. Wil je dat niet bekend wordt dat je de misstand aankaart, dan kun je via de vertrouwenspersoon een melding te doen. Alleen de vertrouwenspersoon is dan op de hoogte van jouw identiteit.

Artikel 9 De leidinggevende draagt de gedragscode uit

Lid 1

Als leidinggevende ben je je bewust van jouw voorbeeldfunctie en draag je de respectvolle omgangsvormen, zoals vastgelegd, in woord en gebaar uit.

Lid 2

Je bent open over jouw manier van werken. Je bent aanspreekbaar op jouw werkwijze en houding naar medewerkers.

Lid 3

Bij twijfel en vragen over de juiste handelwijze kunnen medewerkers bij je terecht.

Lid 4

Je bespreekt twijfels en vragen over integriteit in werkverband en stimuleert medewerkers hetzelfde te doen.

Lid 5

Je bent alert op risicogevoelige situaties waarin medewerkers terecht kunnen komen en draagt bij aan hun weerbaarheid daartegen.

Lid 6

Je spreekt medewerkers aan op dubieus gedrag, maakt afspraken en treft zonodig maatregelen.

Artikel 10 Reikwijdte en inwerkingtreding

De gedragscode is naast de eed/belofte zoals benoemd in artikel 15:1a AVR één van de instrumenten om de integriteit te bevorderen.

Met de eed/belofte benadrukt de medewerker bij zijn aanstelling uitdrukkelijk dat hij zich als goed ambtenaar zal gedragen. De gedragscode beschrijft meer expliciet de gedragsnormen en –regels voor medewerkers. Het uitgangspunt is dat de situatie op de werkvloer verbetert als normen en regels duidelijk zijn en als iedereen ze consequent hanteert. Deze gedragscode vormt dan ook een aanvulling op de eed/belofte.

De regeling is van toepassing op alle medewerkers van de organisatie. De code wordt naar analogie ook toegepast op degenen die anderszins binnen de organisatie werkzaam zijn (externe inhuur, stagiairs etc.). In het kader van deze code worden ook zij aangemerkt als medewerker in dienst van de Veiligheidsregio.

Deze regeling kan worden aangehaald als “Gedragscode Veiligheidsregio Limburg-Noord“ en treedt in werking op 1 januari 2012.

Per gelijke datum worden de “Gedragscode” binnen de GGD Limburg-Noord en de “Richtlijnen voor het aanvaarden van relatiegeschenken en uitnodigingen” die is vastgesteld per 1 januari 2002 ingetrokken.

Gedragscode (T)

Inhoudsopgave

  • 1.

    Toelichting goed ambtenaarschap

  • 2.

    Toelichting vertrouwelijk omgaan met gevoelige informatie

  • 3.

    Toelichting nevenfuncties en andere privéactiviteiten

  • 4.

    Toelichting geschenken, aanbiedingen en incidentele vergoedingen

  • 5.

    Toelichting uitnodigingen voor reizen, congressen, evenementen en diners

  • 6.

    Toelichting verantwoord omgaan met voorzieningen en personeelsregelingen

  • 7.

    Toelichting belangen van familieleden, vrienden en ex-collega’s

  • 8.

    Toelichting reageren op niet-integere zaken

  • 9.

    Toelichting de manager draagt de gedragscode uit

  • 10.

    Toelichting reikwijdte en inwerkingtreding

1. Toelichting goed ambtenaarschap

De term ‘goed ambtenaarschap’ verwijst naar de verplichting zich te gedragen ‘zoals een goed ambtenaar betaamt’. Deze verplichting is neergelegd in artikel 15:1 van de AVR. Het niet nakomen van verplichtingen kan worden beschouwd als plichtsverzuim en bestraft worden. In dit verband zijn ook van belang de Regeling voorkoming en bestrijding ongewenste omgangsvormen, Regeling klokkenluiders Veiligheidsregio Limburg-Noord en het Privacyreglement e-mail en Internetgebruik.

2. Toelichting vertrouwelijk omgaan met gevoelige informatie

Het vertrouwelijk omgaan met gevoelige informatie waarborgt de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van de overheid. De samenleving moet erop kunnen vertrouwen dat een ambtenaar de privacy van burgers respecteert. Ook jouw privacy als ambtenaar dient door de organisatie gerespecteerd te worden. Daarom gebruikt de overheid informatie alleen voor het doel waarvoor deze verkregen is. De Ambtenarenwet verplicht de ambtenaar om geheimhouding te bewaren over bepaalde zaken die hij in zijn functie komt te weten (artikel 125a derde lid). De rechtspositie verbiedt oneigenlijk gebruik van kennis die ambtenaren in hun functie hebben opgedaan (artikel 15:1b AVR).

3. Toelichting nevenfuncties en andere privéactiviteiten

Een ambtenaar dient het algemeen belang en werkt onpartijdig. Dat wil zeggen dat geen vermenging optreedt met oneigenlijke belangen en dat ook de schijn van vermenging wordt vermeden. Raakvlakken tussen functionele taken en privéactiviteiten van ambtenaren kunnen leiden tot botsing of verstrengeling van belangen. Daardoor kan een onafhankelijke beoordeling in gevaar komen of kan de schijn daarvan ontstaan. Dergelijke nevenactiviteiten kunnen verboden worden (artikel 15:1e AVR). Ambtenaren zijn verplicht om nevenactiviteiten die een raakvlak met hun werk (kunnen) hebben te melden. De meldingen worden door de organisatie geregistreerd. Een voorbeeld is het in de vrije tijd voeren van acties tegen een nieuwe rijksweg, terwijl men als planoloog bij de plannen tot aanleg betrokken is. De begrippen nevenfunctie, nevenwerkzaamheid, nevenactiviteit en privéactiviteit zijn hier op één lijn gesteld. Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen betaalde en onbetaalde activiteiten. Veel vormen van vrijetijdsbesteding beïnvloeden het werk bij de organisatie overigens niet. Bijvoorbeeld bestuurlijke activiteiten binnen een politieke partij of een bestuursfunctie bij een sportvereniging of in het culturele leven. Als er geen enkele relatie bestaat met de functie, hoeft de activiteit niet gemeld te worden.

Een ambtenaar heeft de vrijheid om te kiezen welke activiteiten hij buiten zijn werk wil verrichten. Daarmee heeft hij dus ook de verantwoordelijkheid om af te wegen of deze activiteit te combineren is met zijn functie bij de organisatie. Dat is niet altijd eenvoudig te beoordelen. Belangenverstrengeling kan zich op allerlei manieren voordoen. Bij de beoordeling van de risico’s van nevenwerkzaamheden kunnen enkele vragen behulpzaam zijn.

Is er verwevenheid met het functionele beleidsterrein?

Bestaat er een risico dat ambtelijke informatie wordt gebruikt?

Kunnen er persoonlijke confrontaties in de functie plaatsvinden?

Hoe is de reputatie van de organisatie, het bedrijf of de branche?

Hoe zal de buitenwereld tegen de combinatie van functies aankijken?

Wat is de tijdbelasting van de nevenwerkzaamheden?

Men moet erop bedacht zijn dat belangen elkaar in de loop van de tijd kunnen gaan raken door verandering in omstandigheden, bijvoorbeeld in de functie, in de relatie tussen organisatie en privéactiviteit of door het samengaan van organisaties. Sommige privéactiviteiten hoeven geen relatie te hebben met de inhoud van uw werk, maar zitten toch in de gevarenzone. Zo kan een bijbaan in de avonduren en weekeinden zo veel van een ambtenaar vergen dat zijn normale werk er door in het gedrang komt. Maar ook maatschappelijke afkeurenswaardige activiteiten van ambtenaren kunnen schade toebrengen aan ‘het aanzien van het ambt’. Nevenactiviteiten met (mogelijk) schadelijke gevolgen voor de organisatie kunnen verboden worden. Na melding van de activiteit toetst de organisatie of er voor de organisatie risico’s kunnen kleven aan de privéactiviteiten. In sommige gevallen zullen risico’s ondervangen kunnen worden door afspraken tussen ambtenaar en leidinggevende. Zo’n afspraak kan zijn dat in de functie geen werkzaamheden verricht worden in relatie tot de organisatie of het bedrijf waar men privé bij betrokken is. Is dat niet mogelijk, dan is ook denkbaar dat men een geheel andere functie binnen de organisatie gaat uitoefenen. Een afspraak kan ook zijn dat alleen in de weekenden als muzikant opgetreden wordt. Of dat de werkzaamheden als zelfstandige alleen in andere regio’s uitgeoefend worden.

Als de risico’s niet te beperken of te ondervangen zijn, dan zal de organisatie de nevenwerk-zaamheden (kunnen) verbieden. Het belang van de organisatie gaat niet altijd boven het privébelang van een ambtenaar. De uitoefening van bepaalde grondrechten heeft voorrang op het belang van de werkgever. Een voorbeeld daarvan is het als burger bezwaar maken tegen een OZB-aanslag door een ambtenaar van de afdeling Belastingen. Zijn werkinhoud mag er niet toe leiden dat hij zijn recht op bezwaar en beroep tegen overheidsbeslissingen niet kan uitoefenen. Wel zal hij op kantoor werk en privé gescheiden moeten houden en kan hij dus niet belast worden met de behandeling van zijn eigen bezwaarschrift. Nevenactiviteiten kunnen positieve gevolgen hebben voor de functie-uitoefening. Het schrijven van artikelen in een vakblad kan gunstig zijn voor de professionele uitstraling van de organisatie en voor de kennisverdieping van de ambtenaar. Wel moeten er afspraken worden gemaakt over de vraag of op eigen titel dan wel als organisatieambtenaar wordt gepubliceerd, over de inhoud van de artikelen in relatie tot het politieke beleid, in wiens tijd het werk verricht wordt en of een eventuele beloning behouden mag worden.

Een ambtenaar mag niet als zelfstandige ingehuurd worden door de organisatie waarbij hij in dienst is. De AVR (artikel 15:1g) verbiedt de ambtenaar direct of indirect werk aan te nemen of diensten/goederen te leveren ten behoeve van de organisatie. Het is dus niet toegestaan om voor een deel van de week als ambtenaar werkzaam te zijn en voor een ander deel in het kader van een eigen bedrijf werkzaamheden uit te voeren voor de organisatie. Voor politieke nevenfuncties, zoals wethouder of raadslid, gelden aparte regels. Men kan bijvoorbeeld niet tegelijkertijd ambtenaar en bestuurder zijn in dezelfde organisatie. Ook geldt er een aparte regeling voor verlof of non-activiteit. Vakbondsactiviteiten nemen een bijzondere plaats in. Er geldt een verlofregeling ten behoeve van vakbondsactiviteiten tijdens werktijd.

De Ambtenarenwet (artikel 125 lid 2) bepaalt dat in de rechtspositie geregeld moet worden dat ambtenaren in risicovolle functies verplicht worden hun financiële belangen te melden. Deze meldplicht is nog niet vastgelegd in de sectorale rechtspositieregelingen zoals AVR. Vooruitlopend hierop is het raadzaam dat medewerkers vrijwillig openheid geven over relevante financiële belangen.

4. Toelichting geschenken, aanbiedingen en incidentele vergoedingen

Een ambtenaar handelt onafhankelijk en onpartijdig. Burgers en organisaties worden op gelijke wijze bejegend. Een ambtenaar geeft geen voorkeursbehandelingen en vermijdt ook de schijn daarvan. Het Wetboek van Strafrecht (artikelen 362 en 363) stelt het aannemen van giften, beloften of diensten door een ambtenaar strafbaar als deze hem zijn gegeven met de bedoeling in zijn werk iets te doen of na te laten. De AVR verbiedt het aannemen van steekpenningen. De AVR verbiedt ook het verzoeken om en aannemen van geschenken of beloften zonder toestemming van het college (artikel 15:1c). Voor alle geschenken en voordelen geldt: bedenk wat de achterliggende bedoeling van de gever kan zijn. De bedoeling van de gever kan blijken uit de aard van het geschenk. Er is een verschil tussen een bedrijfskalender en een persoonlijk cadeautje, zoals een zeldzame postzegel die nog aan de collectie van een ambtenaar ontbreekt. Een cadeau van meer dan € 25, - mag in geen geval geaccepteerd worden.

Ook het tijdstip waarop een geschenk wordt aangeboden is van belang. Een jaarlijkse attentie met de kerst is een gebruikelijk gebaar in zakelijke relaties. Een cadeaubon voor de technische ondersteuning van een medewerker bij een congres kan beschouwd worden als gebaar van dank dat geen verplichtingen voor de toekomst schept. Dat ligt anders als een medewerker een blijk van waardering ontvangt terwijl het werk nog niet beëindigd is. Dan zal een geschenk bedoeld kunnen zijn om hem te ‘paaien’ of op zijn minst die indruk wekken. Daarom mag in een onderhandelingsfase of voorafgaand aan andere handelingen die beslissend zijn voor de gever, geen geschenk geaccepteerd worden.

De omstandigheid dat een geschenk in het openbaar wordt aangeboden of juist zonder dat anderen het zien, werpt ook een licht op de bedoeling van de gever. Geschenken die bij het huisadres worden aangeboden wekken de schijn van beïnvloeding en mogen niet aanvaard worden. Door het melden van aanbiedingen en geschenken krijgt de organisatie zicht op de aard van relaties met derden en de handelwijze van het personeel. Zinvolle vragen zijn bijvoorbeeld of het geschenk een incidenteel geval is of dat de betrokken ambtenaar vaker iets ontvangt van dezelfde relatie. En of ook andere ambtenaren van dezelfde relatie regelmatig iets aangeboden krijgen en accepteren. Inzicht in het gedrag geeft het management de mogelijkheid om bij te sturen indien dat nodig is.

Zo kan een relatie die een waardevol geschenk heeft aangeboden op de hoogte worden gebracht van het beleid, bijvoorbeeld door de gedragscode bekend te maken. Geschenken die een ambtenaar van derden krijgt in verband met zijn functie zijn eigendom van de organisatie. Binnen de organisatie kan ervoor gekozen worden om ontvangen geschenken met alle collega’s te delen, te verloten, in het organisatiehuis te plaatsen of een andere bestemming te geven.

5. Toelichting uitnodigingen voor reizen, congressen, evenementen en diners

De aanwezigheid van medewerkers bij bijeenkomsten en evenementen zal doorgaans een directe functionele betekenis hebben voor de organisatie: het profileren van een organisatieonderdeel, het delen van ervaringen, het opdoen van kennis, de mogelijkheid waardevolle contacten te leggen of te onderhouden.

Ontbreekt die betekenis, dan wordt de uitnodiging afgeslagen. Als een ambtenaar wordt uitgenodigd om bijvoorbeeld een spreekbeurt te houden op een symposium zullen er, net als bij nevenactiviteiten, afspraken moeten worden gemaakt over de vraag of dat namens de organisatie dan wel op persoonlijke titel gebeurt en of het tijdens dan wel buiten werktijd plaatsvindt. Voor een lezing op persoonlijke titel onder werktijd moet verlof gevraagd worden. Voor een lezing namens de organisatie mag de ambtenaar geen geldelijke beloning aanvaarden. Uitnodigingen voor ontspannende activiteiten kunnen tegelijkertijd functioneel zijn. Een etentje ter afsluiting van een goed verlopen project bestendigt de relatie tussen partijen. Tijdens het onderhandelingsproces kan een gezamenlijke lunch of diner met een relatie zinvol zijn. Dit dient de ambtenaar samen met de leidinggevende te beoordelen. Er kunnen tegelijkertijd risico’s aan vastzitten. Een overdadig diner met attracties op kosten van een derde kan een sfeer van verplichtingen scheppen. Een uitnodiging moet daarom kritisch bekeken worden. Een ambtenaar moet vermijden dat hij meer dan eens door een zakelijke relatie op een lunch getrakteerd wordt maar zelf niet op kosten van de organisatie iets aanbiedt.

6. Toelichting verantwoord omgaan met voorzieningen en personeelsregelingen

Alle zaken binnen de organisatie worden bekostigd met gemeenschapsgeld. Ze zijn dus bestemd voor de doeleinden van de organisatie. Dat geldt van internetaansluiting tot suikerzakje. In de AVR (artikel 15:1b) is bepaald dat een ambtenaar zonder toestemming privé geen gebruik mag maken van interne diensten en eigendommen van de organisatie.

7. Toelichting belangen van familieleden, vrienden en ex-collega’s

De AVR kent geen bepaling die een ex-ambtenaar verbiedt om tegen beloning werkzaamheden voor de organisatie te verrichten. De Gemeentewet (en de modelcode voor bestuurders) kent wel zo’n verbod voor oud-bestuurders. In gunnings - en aanbestedingsregels kunnen voorschriften zijn opgenomen over de positie van voormalig personeelsleden. Het inhuren van een ex-collega heeft voor de organisatie praktische voordelen, maar ook nadelen. Voormalig ambtenaren kunnen oneigenlijk gebruikmaken van hun kennis en contacten die ze hebben opgedaan in hun ambtelijke functie. Soms worden bij uitdiensttreding van een collega die voor zichzelf begint afspraken gemaakt over toekomstige opdrachten. Deze praktijken zijn concurrentievervalsend en kunnen de geloofwaardigheid en integriteit van de overheid aantasten.

8. Toelichting reageren op niet-integere zaken

Voor de integriteit van een organisatie is het belangrijk dat medewerkers zich vrij voelen om misstanden intern aan te kaarten. Het begrip ‘misstand’ is breed: het kan gaan om fraude, diefstal van kantoormeubilair, het bevoordelen van vrienden bij het verlenen van een vergunning, het achterhouden van relevante informatie door een wethouder, het door een manager onderhands regelen van vacaturevervulling etc. Er mag in principe niet ‘gelekt’ worden naar de pers. Vermoedens van misstanden in de organisatie zijn interne aangelegenheden waarmee vertrouwelijk omgegaan moet worden. Er zijn echter omstandigheden denkbaar dat het naar buiten brengen van vertrouwelijke informatie door een ambtenaar terecht is, bijvoorbeeld als de organisatie niet adequaat reageert bij een acuut gevaar voor de volksgezondheid. Het Wetboek van Strafvordering (artikel 162) verplicht een ambtenaar aangifte te doen als hij kennis heeft van een ambtsmisdrijf. Het is niet de bedoeling dat de ambtenaar zelfstandig aangifte doet, maar dat hij contact opneemt met de leidinggevende. De organisatie is dan verantwoordelijk voor de contacten met politie en justitie.

9. Toelichting de manager draagt de gedragscode uit

Iedere medewerker is verantwoordelijk voor zijn individuele gedrag. De leidinggevende heeft daarnaast een verantwoordelijkheid voor de omgeving waarin de medewerkers hun werk doen. Een omgeving waarin grote openheid heerst, werkt remmend op ‘gesjoemel’ en ander ongewenst gedrag. De leidinggevende bevordert de bewustwording van de medewerkers en ondersteunt hen in het omgaan met gevoelige en risicovolle situaties. De leidinggevende maakt ongewenst gedrag van een medewerker bespreekbaar, corrigeert en treft zonodig strafmaatregelen.

10. Toelichting reikwijdte en inwerkingtreding

Deze paragraaf spreekt voor zich.

Leidraad gratificatiebeleid

Lid 1

Er dient allereerst sprake te zijn van een meer dan normale inzet / prestatie, die ook voor de omgeving herkenbaar is. Bovendien dient er sprake te zijn van een incidentele en individualiseerbare prestatie. Er wordt nl. van uitgegaan dat de medewerker zijn werk / taak goed doet en daarbij ook zijn best doet en de nodige inzet levert. De extra inzet moet ook herkenbaar zijn voor de omgeving (collegae, andere leiding, personeelszaken).

Lid 2

Indien de meer dan normale prestatie / inzet, reeds via en vergoedingsregeling of via overwerk/meerwerk vergoed wordt of als de werkzaamheden in de functiebeschrijving zijn meegenomen, dan is het toekennen van een bijzondere beloning (gratificatie) niet aan de orde (geen dubbele beloning).

Lid 3

De nadruk bij voorstellen zou dienen te liggen bij de lagere functies; vaak is hier minder zichtbaar of en zo ja welke extra prestaties men levert en blijft erkenning eerder uit.

Lid 4

Het voorstel dient gekoppeld te worden aan de bijzondere gebeurtenis/prestatie. Daarom kunnen gedurende het gehele jaar voorstellen gedaan worden.

Lid 5

Het diensthoofd is gemachtigd om, in overleg met het afdelingshoofd, een gratificatie toe te kennen; de secretaris dient het voorstel ter instemming mede te ondertekenen.

Lid 6

Eenieder kan, beargumenteerd, een medewerker voordragen voor een gratificatie.

Lid 7

Eenmaal per jaar dient het Dagelijks Bestuur een overzicht van de toegekende gratificaties te ontvangen.

Lid 8

Per dienst/sector zullen de toegekende gratificaties (jaarlijks) bekend gemaakt worden.

Leidraad gratificatiebeleid (T)

Buitengewone toewijding of bijzonder loffelijke vervulling van de betrekking zijn begrippen, die voor een subjectieve interpretatie vatbaar zijn. Voor legitimatie van het toekennen van een gratificatie zal toch een meer objectieve motivering gehanteerd moeten worden. Harde criteria zijn zeer moeilijk te geven. Voor de meer langduriger vormen van beloningsdifferentiatie ligt dit eenvoudiger, hier kan worden gewerkt met de gezichtspunten van de beoordelingssystematiek.

Voor de toepassing van de gratificatie moeten de begrippen bijzonder, herkenbaar (voor betrokkene en zijn omgeving), incidenteel en individualiseerbaar voldoende aanknopingspunten bieden om invulling aan de begrippen "buitengewone toewijding" of "bijzonder loffelijk vervulling van de betrekking" te kunnen geven. Dit naast het algemene uitgangspunt dat er alleen een extra beloning wordt toegekend als er sprake is van een extra prestatie.

De hiervoor genoemde toekenninggronden, en dan met name de individualiseerbaarheid, sluiten niet uit dat aan meerdere medewerkers in een vergelijkbare situatie een gratificatie wordt toegekend. Dit lijkt op een collectieve gratificatie, maar is dit niet, nu aan alle vier toekenningsgronden voldaan moet worden. De prestatie, welke voor extra beloning in aanmerking komt, behoeft niet rechtstreeks in verband te staan met de functie.

Incidenteel

Het instrument van gratificatie komt voor de langdurige vormen van bijzonder goed functioneren, waarbij een duidelijk einde niet valt aan te geven of te verwachten, niet in aanmerking. Andere beloningsinstrumenten liggen voor de hand (tijdelijke toelage bv.).

Geen dubbele beloning

Indien de geïndividualiseerde, bijzondere, herkenbare en éénmalige prestatie al anderszins wordt beloond, bijvoorbeeld in de vorm van een overwerkvergoeding of een waarnemingstoelage, of omdat de desbetreffende werkzaamheden in het kader van de organieke functiewaardering zijn meegewogen, komt het instrument gratificatie niet in aanmerking. Bij onvolledige vervanging, bijvoorbeeld bij ziekte van collega's, wel. Een uitzondering op het uitgangspunt van geen dubbele beloning moet worden gemaakt voor die situaties, waarin de extra beloning (overwerkvergoeding) niet in verhouding staat tot de betekenis van de bijzondere prestatie.

Tijdstip van toekenning

De gratificatie dient ook qua tijdstip van toekenning gerelateerd te zijn aan de bijzondere, herkenbare en éénmalige prestatie. Als richtlijn kan gelden maximaal 1 maand na de bijzondere prestatie. Dit betekent, dat gedurende het gehele dienstjaar gratificaties kunnen worden toegekend. Bundeling aan het einde van het jaar doet afbreuk aan het karakter van het instrument. Wel is het uiteraard mogelijk, bij langduriger situaties te sturen op toekenning aan het einde van het jaar.

Hoogte gratificatie

De gratificatie wordt netto uitbetaald, waarbij uitgegaan wordt van een maximaal bedrag van € 750,- netto. Naast het genoemde geldbedrag kan de dienstleiding in incidentele -lichtere- gevallen een andere vorm van beloning toekennen, bijvoorbeeld een "dinner for two" theater-/museumbon, een fles wijn. De genoemde vormen kunnen binnen de grenzen van de belastingwetgeving onbelast worden toegekend. Bij het toekennen van een gratificatie aan meerdere medewerkers in een vergelijkbare situatie (zie punt 2) zal de hoogte ervan naar bevind van zaken worden vastgesteld.

Tenslotte

Bedacht moet worden dat er bijzondere prestaties zijn die voor een gratificatie in aanmerking komen, maar die minder in de publiciteit komen. De dienstleiding moet hier alert op zijn. Daarnaast zal de werking van het instrument periodiek geëvalueerd moeten worden.

Kledingreglement

Inhoudsopgave

Hoofdstuk I: Algemeen

Artikel 1

Artikel 2

Artikel 3

Artikel 4

Artikel 5

Hoofdstuk II: Beschermende kleding

Artikel 6

Artikel 7

Artikel 8

Artikel 9

Hoofdstuk III: Representatieve kleding

Artikel 10

Artikel 11

Artikel 12

Artikel 13

Hoofdstuk I: Algemeen

Artikel 1

Lid 1

Voor de uitoefening van een functie kan aan het personeel dienstkleding verstrekt worden.

Lid 2

Dienstkleding is verplicht: wanneer die kleding bij de uitvoering van de werkzaamheden nodig is om bescherming te bieden, en

als de kleding functioneel is bij een representatieve functie.

De verplichting tot het dragen van dienstkleding wordt bepaald door de directeur van de sector.

Lid 3

De directeur van de sector bepaalt de modellen van de dienstkleding en de daarvoor te bezigen materialen; voor uniformkleding is hij hierbij gehouden aan ministeriele richtlijnen.

Artikel 2

De in artikel 1 bedoelde kleding wordt verstrekt bij indiensttreding. Noodzaak tot reparaties en vervangen worden door of vanwege de directeur beoordeeld. Vervangen kleding wordt ingenomen. De kledingdrager is verplicht de hem verstrekte kleding in goede staat te houden. Kleine reparaties zijn voor rekening van de drager.

Artikel 3

De in artikel 1 bedoelde kleding dient op de daarvoor bestemde plaats te worden geborgen en uitsluitend te worden gebruikt voor dienst.

Artikel 4

De verstrekte kleding wordt bij het verlaten van de dienst ingeleverd.

Artikel 5

In alle overige gevallen waarin dit reglement niet voorziet beslist de directeur van de sector.

Hoofdstuk II: Beschermende kleding

Artikel 6

Voor de volgende groepen personeel is beschermende kleding noodzakelijk:

Voor brandweerpersoneel met een operationele uitrukfunctie is een uitruktenue

Voor overige operationele piketfuncties is er beschermende kleding

Voor personeel dat deel uitmaakt van de bedrijfshulpverlening is er beschermende kleding

Artikel 7

Het uitruktenue dient het brandweerpersoneel bij een uitruk of uitrukoefening te dragen. Het tenue bestaat uit:

blusjas

blusbroek

helm

laarzen

sokken (dik)

werkhandschoenen

Artikel 8

De beschermende kleding dienen de overige operationele piketfunctionarissen te dragen bij inzet of oefening. Het tenue bestaat uit:

Beschermende jas

Helm

Artikel 9

De beschermende kleding dient de bedrijfshulpverlener te dragen bij inzet of oefening. Het tenue bestaat uit:

herkenningsvest

helm

handschoenen

Hoofdstuk III: Representatieve kleding

Artikel 10

Voor de volgende groepen personeel is representatieve kleding noodzakelijk:

Voor brandweerpersoneel is er uniformkleding,

Voor meldkamerpersoneel (niet zijnde brandweerpersoneel) is er uniformkleding.

Artikel 11

De uniformkleding voor het brandweerpersoneel wordt altijd gedragen indien zij representatieve werkzaamheden verrichten. Het tenue bestaat uit:

Kledingstuk HerenUniformkledingKledingstuk DamesUniformkledingAantal eerste verstrekkingMinimum draagtijd * [Jaar]
TuniekTuniek23
PantalonRok en/of pantalon (naar eigen keuze; samen maximaal aantal volgende kolom)33
PetHoedje15
Overhemd lange mouwOverhemd lange mouw42
Overhemd korte mouwOverhemd korte mouw42
StropdasShawltje22
SokkenPanty’s62
SchoenenSchoenen13
EpaulettenEpauletten34
RiemRiem (naar keuze)14
Pull-over (V-hals)Pull-over (V-hals)13
TruiTrui13
Jack kort,Jack kort,15
RegenjasRegenjas15
Shawl witShawl wit16
Shawl zwartShawl zwart16
Handschoenen (glace)Handschoenen (glace)16

* Onder minimale draagtijd wordt verstaan: een tijdsduur die voor het betreffende kledingstuk bij normaal gebruik in acht wordt genomen alvorens tot vervanging wordt overgegaan.

Artikel 12

De uniformkleding voor de meldkamer wordt altijd gedragen tijdens dienst. Het tenue bestaat uit:

Kledingstuk HerenUniformkledingKledingstuk DamesUniformkledingAantal eerste verstrekkingMinimum draagtijd [Jaar]
TuniekTuniek13
PantalonRok en/of pantalon (naar eigen keuze; samen maximaal aantal volgende kolom)33
PetHoedje15
Overhemd lange mouwOverhemd lange mouw42
Overhemd korte mouwOverhemd korte mouw42
StropdasShawltje21
SokkenPanty’s62
SchoenenSchoenen13
EpaulettenEpauletten23
RiemRiem (naar keuze)14
Pull-over (V-hals)Pull-over (V-hals)23
RegenjasRegenjas15
Shawl zwartShawl zwart16

Artikel 13

Het kledingreglement wordt met terugwerkende kracht tot 1 januari 2005 vastgesteld.

Aldus vastgesteld in de vergadering van het Dagelijks Bestuur d.d. 3 februari 2005

Regeling Klokkenluiders

Inhoudsopgave

Artikel 1 Begripsbepalingen

Interne procedure

Artikel 2 Interne melding

Artikel 3 Standpunt

Externe procedure

Artikel 4 Het Meldpunt

Artikel 5 Melding bij het Meldpunt

Artikel 6 Ontvangstbevestiging en onderzoek

Artikel 7 Niet ontvankelijkheid

Artikel 8 Inhoudelijk advies van het Meldpunt

Artikel 9 Nader standpunt

Artikel 10 Jaarverslag

Slotbepaling

Artikel 11 Inwerkingtreding

Artikel 1 Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

ambtenaar: de ambtenaar bedoeld in artikel 1:1, eerste lid, onderdeel a en artikel 1:2, onderdeel a; d; e en f van de Arbeidsvoorwaardenregeling Veiligheidsregio Limburg-Noord (AVR);

vertrouwenspersoon: de functionaris die als zodanig is aangewezen;

meldpunt: een externe commissie of persoon die als zodanig door de Veiligheidsregio is aangewezen;

vermoeden van een misstand: een op redelijke gronden gebaseerd vermoeden met betrekking tot de Veiligheidsregio-organisatie waar de ambtenaar werkzaam is omtrent:

een strafbaar feit;

een schending van regelgeving of beleidsregels;

het misleiden van justitie;

een gevaar voor de volksgezondheid, de veiligheid of het milieu, of

het bewust achterhouden van informatie over deze feiten.

Interne procedure

Artikel 2 Interne melding

Lid 1

De ambtenaar die een vermoeden van een misstand wil melden, doet dit bij zijn direct leidinggevende, diens leidinggevende of de vertrouwenspersoon.

Lid 2

De ambtenaar kan de vertrouwenspersoon verzoeken zijn identiteit bij het Dagelijks Bestuur niet bekend te maken. De ambtenaar kan dit verzoek te allen tijde herroepen.

Lid 3

De leidinggevende dan wel de vertrouwenspersoon draagt er zorg voor dat het Dagelijks Bestuur onverwijld op de hoogte worden gesteld van een gemeld vermoeden van een misstand en van de datum waarop de melding ontvangen is.

Lid 4

Naar aanleiding van de melding van een vermoeden van een misstand stelt het Dagelijks Bestuur onverwijld een onderzoek in.

Lid 5

Het Dagelijks Bestuur zendt aan de ambtenaar dan wel de vertrouwenspersoon die een vermoeden van een misstand heeft gemeld, een ontvangstbevestiging. De ontvangstbevestiging bevat het gemelde vermoeden van een misstand en het moment waarop de ambtenaar het vermoeden aan de leidinggevende of de vertrouwenspersoon heeft gemeld.

Artikel 3 Standpunt

Lid 1

Het Dagelijks Bestuur stelt de ambtenaar dan wel de vertrouwenspersoon, binnen zes weken schriftelijk op de hoogte van hun standpunt omtrent het gemelde vermoeden van een misstand.

Lid 2

Indien het standpunt niet binnen zes weken kan worden gegeven, kan het Dagelijks Bestuur de afhandeling voor ten hoogste vier weken verdagen. Het Dagelijks Bestuur stelt de ambtenaar dan wel de vertrouwenspersoon hiervan schriftelijk in kennis.

Externe procedure

Artikel 4 Het Meldpunt

Lid 1

Het Dagelijks Bestuur wijst een of meer personen aan die het meldpunt vormt of vormen.

Lid 2

Het meldpunt heeft tot taak een door de ambtenaar gemeld vermoeden van een misstand te onderzoeken en het Dagelijks Bestuur daaromtrent te adviseren.

Lid 3

Indien het meldpunt uit meerdere personen bestaat, is dit altijd een oneven aantal, inclusief de voorzitter. Tevens kunnen in dat geval een secretaris, een plaatsvervangend voorzitter en andere plaatsvervangende leden worden benoemd. Zij beslissen bij gewone meerderheid van stemmen.

Artikel 5 Melding bij het Meldpunt

Lid 1

De ambtenaar kan het vermoeden van een misstand binnen redelijke termijn melden bij het meldpunt, indien:

hij het niet eens is met het standpunt bedoeld in artikel 3;

hij geen standpunt ontvangen heeft binnen de termijnen bedoeld in artikel 3.

Lid 2

De ambtenaar kan het meldpunt verzoeken zijn identiteit niet bekend te maken. Hij kan dit verzoek te allen tijde herroepen.

Artikel 6 Ontvangstbevestiging en onderzoek

Lid 1

Het meldpunt bevestigt de ontvangst van een melding van een vermoeden van een misstand aan de ambtenaar die het vermoeden heeft gemeld en stelt het Dagelijks Bestuur op de hoogte van de melding.

Lid 2

Indien het meldpunt dit voor de uitoefening van zijn taak noodzakelijk acht, stelt het een onderzoek in.

Lid 3

Ten behoeve van het onderzoek omtrent een melding van een vermoeden van een misstand is het meldpunt bevoegd bij het Dagelijks Bestuur alle inlichtingen in te winnen die het voor de vorming van zijn advies nodig acht. Het Dagelijks Bestuur verschaft het meldpunt de gevraagde inlichtingen.

Lid 4

Het meldpunt kan het onderzoek of gedeelten daarvan opdragen aan één van de leden of een deskundige.

Lid 5

Wanneer de inhoud van bepaalde door het Dagelijks Bestuur verstrekte informatie vanwege het vertrouwelijke karakter uitsluitend ter kennisneming van het meldpunt dient te blijven, wordt dit aan het meldpunt meegedeeld. Het meldpunt beveiligt informatie met een vertrouwelijk karakter tegen kennisneming door onbevoegden.

Artikel 7 Niet ontvankelijkheid

Lid 1

Het meldpunt verklaart de melding niet ontvankelijk indien:

de misstand niet van voldoende gewicht is;

de ambtenaar de procedure bedoeld in artikel 2 niet heeft gevolgd, of

de ambtenaar de procedure bedoeld in artikel 2 wel heeft gevolgd, maar de termijnen bedoeld in artikel 3 nog niet zijn verstreken.

de ambtenaar de melding aan het meldpunt niet binnen redelijke termijn heeft gedaan nadat hij op de hoogte is gesteld van het standpunt van het Dagelijks Bestuur.

Lid 2

Het meldpunt stelt het Dagelijks Bestuur op de hoogte van de niet-ontvankelijkheid.

Artikel 8 Inhoudelijk advies van het Meldpunt

Lid 1

Indien het gemelde vermoeden van een misstand ontvankelijk is, legt het meldpunt binnen zes weken zijn bevindingen omtrent de melding van een vermoeden van een misstand neer in een advies aan het Dagelijks Bestuur. Het meldpunt zendt een afschrift van het advies aan de ambtenaar met inachtneming van het eventueel vertrouwelijke karakter van de aan het meldpunt verstrekte informatie.

Lid 2

Indien het advies niet binnen zes weken kan worden gegeven, wordt de termijn door het meldpunt met ten hoogste vier weken verlengd. Het meldpunt stelt het Dagelijks Bestuur alsmede de ambtenaar daarvan schriftelijk in kennis.

Lid 3

Het advies wordt in geanonimiseerde vorm en met inachtneming van het eventueel vertrouwelijke karakter van aan het meldpunt verstrekte informatie en de ter zake geldende wettelijke bepalingen openbaar gemaakt op een wijze die het meldpunt geëigend acht, tenzij zwaarwegende belangen zich daartegen verzetten.

Artikel 9 Nader standpunt

Lid 1

Het Dagelijks Bestuur stelt binnen twee weken na ontvangst van het advies bedoeld in artikel 8, de ambtenaar alsmede het meldpunt, schriftelijk op de hoogte van hun nader standpunt.

Lid 2

Aan de ambtenaar die het meldpunt heeft verzocht zijn identiteit niet bekend te maken geschiedt de berichtgeving van het nader standpunt via het meldpunt.

Lid 3

Een van het advies afwijkend nader standpunt wordt gemotiveerd.

Artikel 10 Jaarverslag

Lid 1

Jaarlijks wordt door het meldpunt een verslag opgemaakt.

Lid 2

In dat verslag wordt in geanonimiseerde zin en met inachtneming van de ter zake geldende wettelijke bepalingen gemeld:

het aantal en de aard van de meldingen van een vermoeden van een misstand;

het aantal meldingen dat niet tot een onderzoek geleid heeft;

het aantal onderzoeken die het meldpunt heeft verricht, en

het aantal adviezen en de aard van de adviezen die het meldpunt heeft uitgebracht.

Lid 3

Dit jaarverslag wordt aan het Dagelijks Bestuur en de Ondernemingsraad gestuurd en openbaar gemaakt.

Slotbepaling

Artikel 11 Inwerkingtreding

Deze regeling treedt inwerking op 1 juli 2003.

Niet-structurele bijzondere beloningsvormen (gratificatiebeleid)

Inhoudsopgave

Artikel 1 Belanghebbende

Artikel 2 Bijzonder prestatie

Artikel 3 Beloningsvormen

Artikel 4 Inwerkingtreding / Citeertitel

Artikel 1 Belanghebbende

Deze leidraad is van toepassing op alle medewerkers met een dienstverband met de Veiligheidsregio Limburg-Noord.

Artikel 2 Bijzonder prestatie

Buitengewone, op zichzelf staande eenmalige bijzondere prestaties van een medewerker, die niet reeds op een andere wijze worden beloond, kunnen worden gehonoreerd middels een bijzondere beloning.

Artikel 3 Beloningsvormen

Lid 1

Voor de toepassing van het bepaalde in artikel 2 kan:

een gratificatie worden toegekend ter hoogte van netto maximaal € 750,- of

een andere beloning worden toegekend in de vorm van extra vakantie of beloningen in natura, zoals boekenbon, theaterbon, diner etc.

Lid 2

De toekenning van de in het eerste lid genoemde beloningsvormen vindt zo spoedig mogelijk plaats na de geleverde prestatie.

Artikel 4 Inwerkingtreding / Citeertitel

Deze regeling kan worden aangehaald als “leidraad niet-structurele bijzondere beloningsvormen”; ze gaat in per 1 januari 2002.

Reglement nevenwerkzaamheden personeel

Inhoudsopgave

Artikel 1

Artikel 2

Artikel 3

Artikel 4

Artikel 5

Artikel 6

Artikel 7

Artikel 8

Artikel 9

Artikel 10

Artikel 11

Artikel 12

Artikel 13

Artikel 14

Artikel 15

Artikel 1

De medewerker in dienst van de Veiligheidsregio Limburg-Noord, met een aanstelling of arbeidsovereenkomst ingevolge deel I, die nevenwerkzaamheden verricht of wil gaan verrichten waarvan hij in redelijkheid kan vermoeden dat die de belangen van de dienst, voor zover deze in verband staan met zijn functievervulling, kunnen raken, is verplicht die nevenwerkzaamheden te melden bij de directeur/secretaris; de directeur meldt zijn - hier bedoelde - nevenwerkzaamheden aan de secretaris; de secretaris meldt zijn - hier bedoelde - nevenwerkzaamheden aan de voorzitter.

Artikel 2

Lid 1

Nevenwerkzaamheden, bedoeld in artikel 1, kunnen onder meer bestaan uit het uitoefenen van een eigen bedrijf, het als zelfstandige al dan niet tegen betaling verlenen van diensten of geven van adviezen, waaronder begrepen het lidmaatschap van door overheidsorganen ingestelde commissies, het toetreden tot besturen van verenigingen of maatschappelijke organisaties en het verrichten van vrijwilligerswerk.

Lid 2

Onder nevenwerkzaamheden in de zin van dit reglement wordt niet verstaan een politieke functie, zijnde een vertegenwoordigende functie in een publiekrechtelijke college, zoals bedoeld in artikel 125 c van de Ambtenarenwet.

Artikel 3

Indien de medewerker en de directeur, respectievelijk de directeur en de secretaris, dan wel de secretaris en de voorzitter in gezamenlijk overleg tot de conclusie komen, dat de gemelde nevenwerkzaamheden geen risico inhouden voor de goede vervulling van de functie of het goed functioneren van de openbare dienst, kan met de gedane melding worden volstaan. De directeur, respectievelijk de secretaris dan wel de voorzitter bevestigt schriftelijk dat hij geen bezwaren ziet.

Artikel 4

Lid 1

Indien twijfel bestaat over een mogelijk risico, als bedoeld in artikel 3, dan wel geoordeeld wordt, dat door de uitoefening van de nevenwerkzaamheden de goede vervulling van de functie of het goed functioneren van de openbare dienst, voor zover deze in verband staan met de functievervulling, niet in redelijkheid is verzekerd en de medewerker de (beoogde) nevenwerkzaamheden wil (blijven) verrichten, dient de aangelegenheid door de betrokken werknemer voor een standpuntbepaling aan het Dagelijks Bestuur te worden voorgelegd. Daarbij dient een zo nauwkeurig mogelijke omschrijving te worden gegeven van de aard en de omvang van de (beoogde) nevenwerkzaamheden, alsmede informatie over de vraag of die werkzaamheden al dan niet geheel in vrije tijd (zullen) worden verricht en of al dan niet sprake is van betaalde nevenwerkzaamheden.

Lid 2

Het verzoek om een standpuntbepaling als bedoeld in het eerste lid, dient vergezeld te gaan van de visie van de directeur, respectievelijk de secretaris, dan wel de voorzitter betreffende de (eventuele) consequenties van de verrichte of de beoogde nevenwerkzaamheden voor de functievervulling en of het functioneren van de openbare dienst. Ook dient daarbij vermeld te worden de eventuele wenselijkheid van het stellen van voorwaarden.

Artikel 5

Lid 1

Indien nevenwerkzaamheden geheel of gedeeltelijk tijdens diensttijd worden verricht, dient daarvoor vakantieverlof te worden opgenomen.

Lid 2

Voor nevenwerkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, die naar het oordeel van het Dagelijks Bestuur van voldoende meerwaarde zijn voor de functievervulling of anderszins van voldoende belang zijn voor de Veiligheidsregio kan op verzoek van de medewerker buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging worden verleend.

Lid 3

Indien de medewerker tijdens de verlofperiode als bedoeld in het tweede lid voor het nevenwerk een vergoeding ontvangt, niet zijnde een vergoeding voor gemaakte kosten, dient de vergoeding in de Veiligheidsregiokas te worden gestort. De vergoeding, die ingevolge dit lid in de Veiligheidsregiokas dient te worden gestort, gaat het bedrag van de bezoldiging over de met het verlof overeenkomende tijd niet te boven.

Lid 4

Onder nevenwerkzaamheden, bedoeld in dit artikel, worden ook nevenwerkzaamheden begrepen, die niet onder de meldplicht vallen van dit reglement.

Artikel 6

Binnen 8 weken nadat het in artikel 4 bedoelde verzoek is ontvangen, neemt het Dagelijks Bestuur een besluit naar aanleiding van dat verzoek.

Artikel 7

Lid 1

Bij de oordeelsvorming van het Dagelijks Bestuur met betrekking tot de toelaatbaarheid van de verrichte of beoogde nevenwerkzaamheden zullen in elk geval de volgende criteria worden gehanteerd:

onoorbare belangenverstrengeling;

botsing van belangen;

schade aan het aanzien van het ambt.

Lid 2

Het Dagelijks Bestuur kan aan het verrichten van nevenwerkzaamheden voorwaarden verbinden die naar zijn oordeel noodzakelijk zijn om de goede functievervulling of de goede functionering van de openbare dienst te waarborgen.

Artikel 8

Van de besluiten op verzoeken om een standpuntbepaling, als bedoeld in artikel 4 wordt een register aangelegd. Het register wordt onder verantwoordelijkheid van het Dagelijks Bestuur namens hen beheerd door of namens de beleidsmedewerker Personeelszaken van de Veiligheidsregio Limburg-Noord.

Artikel 9

Het doel van de registratie is het verzamelen en registreren van gegevens inzake door medewerkers verrichte nevenwerkzaamheden ten behoeve van de voorbereiding en uitvoering van het regionaal beleid inzake handhaving en bevordering van de integriteit van de Veiligheidsregio en zijn medewerkers.

Artikel 10

In het register worden opgenomen, naam, voornamen en functie, van degene die een verzoek om een standpuntbepaling als bedoeld in artikel 4 heeft ingediend, de datum van het verzoek, de aard en omvang van de nevenwerkzaamheden en de beslissing van het Dagelijks Bestuur.

Artikel 11

Rechtstreekse toegang tot de registratie hebben uitsluitend de beheerder en de secretaris, alsmede de directeur en de personeelsadviseur van de sector / dienst voor zover het betreft informatie over nevenwerkzaamheden van binnen hun dienstonderdeel werkzame medewerkers.

Artikel 12

Verstrekking van in het register opgenomen gegevens aan andere instanties of personen dan degene op wie de gegevens betrekking hebben, vindt uitsluitend plaats op basis van een besluit van het Dagelijks Bestuur. Daarbij worden de bepalingen van de van toepassing zijnde privacywetgeving in acht genomen.

Artikel 13

De medewerker heeft te allen tijde het recht op inzage van de over hem in het register opgenomen gegevens.

Artikel 14

Ter beveiliging van de in het register opgenomen gegevens, tegen verlies of aantasting en tegen onbevoegde kennisneming wijziging of verstrekking daarvan worden door of vanwege de beheerder technische en organisatorische beveiligingsmaatregelen getroffen.

Artikel 15

Dit reglement kan worden aangehaald als “Reglement nevenwerkzaamheden personeel”. Dit reglement treedt in werking met ingang van 1 januari 2002.

Reglement ondernemingsraad

Inhoudsopgave

I.Begripsbepalingen

Artikel 1

II. Samenstelling en zittingsduur

Artikel 2

Artikel 3

III. Voorbereiding van de verkiezing; actief en passief kiesrecht; kandidaatstelling

Artikel 4

Artikel 5

Artikel 6

Artikel 7

Artikel 8

Artikel 9

IV. Wijze van stemmen bij verkiezingen

Artikel 10

Artikel 11

Artikel 12

Artikel 13

Artikel 14

V.Voorziening in tussentijdse vacatures

Artikel 15

VI. Bezwarenregeling

Artikel 16

VII. Werkwijze en secretariaat

Artikel 17

Artikel 18

Artikel 19

Artikel 20

Artikel 21

Artikel 22

Artikel 23

VIII. Slotbepalingen

Artikel 24

I. Begripsbepalingen

Artikel 1

Dit reglement verstaat onder:

de ondernemer: het Dagelijks Bestuur van de Veiligheidsregio Limburg-Noord;

de onderneming: de Veiligheidsregio Limburg-Noord;

de wet: de Wet op de Ondernemingsraden;

de bedrijfscommissie: de Bedrijfscommissie voor de Overheid;

de bestuurder: de algemeen directeur van de Veiligheidsregio Limburg-Noord;

de werknemersorganisaties: de verenigingen van werknemers zoals bedoeld in artikel 9, lid 2, onder a van de wet.

II. Samenstelling en zittingsduur

Artikel 2

Lid 1

De ondernemingsraad bestaat uit 13 leden. Dit aantal wijkt af van de staffel in artikel 6, lid 1 van de Wet. Dit aantal geldt voor de zittingsperiode van de ondernemingsraad die ingaat op de dag van de algemene verkiezingen en is vastgesteld in overeenstemming met de ondernemer. Vijf maanden voor het einde van de zittingsperiode vindt opnieuw overleg plaats tussen de OR en ondernemer over de omvang van de ondernemingsraad

Lid 2

De leden worden gekozen door en uit de volgende kiesgroepen:

3leden worden gekozen door en uit de afdelingen Veiligheid Noord en Midden
4leden worden gekozen door en uit de afdelingen Gezondheid Noord en Midden
2leden worden gekozen door en uit de afdelingen Bedrijfsondersteuning en Mobiliteitscentrum
2leden worden gekozen door en uit de afdelingen Beleid, Informatie en Advies en Expert en Speciale Diensten
2leden worden gekozen door en uit de Brandweer vrijwilligers die niet al beroepsmatig werkzaam zijn binnen de onderneming

Lid 3

De ondernemingsraad benoemt uit zijn midden een voorzitter, een vicevoorzitter en een secretaris.

Lid 4

De voorzitter, de vicevoorzitter en de secretaris vormen het dagelijks bestuur (DB) van de ondernemingsraad.

Lid 5

De leden van het dagelijks bestuur vertegenwoordigen de ondernemingsraad in rechte.

Artikel 3

Lid 1

De leden van de ondernemingsraad treden om de vier jaar tegelijk af.

Lid 2

De aftredende leden zijn direct herkiesbaar.

III. Voorbereiding van de verkiezing; actief en passief kiesrecht; kandidaatstelling

Artikel 4

Lid 1

De organisatie van de verkiezing van de leden van de ondernemingsraad gebeurt onder verantwoordelijkheid van de ondernemingsraad.

Lid 2

De ondernemingsraad kan de organisatie van de verkiezing opdragen aan een commissie.

Artikel 5

Lid 1

Kiesgerechtigd zijn de personen die gedurende tenminste zes maanden in de onderneming werkzaam zijn geweest of gedurende tenminste zes maanden werkzaam zijn geweest bij organisaties die deel zijn gaan uitmaken van de Onderneming op de verkiezingsdatum.

Lid 2

Verkiesbaar tot lid van de ondernemingsraad zijn de personen die gedurende tenminste zes maanden bij de onderneming werkzaam zijn geweest of gedurende tenminste zes maanden werkzaam zijn geweest bij organisaties die deel zijn gaan uitmaken van de Onderneming op de verkiezingsdatum.

Artikel 6

Lid 1

De ondernemingsraad bepaalt na overleg met de ondernemer de datum van de verkiezingen evenals de tijdstippen van aanvang en einde van de stemming. Het secretariaat van de ondernemingsraad doet van een en ander mededeling aan de ondernemer, aan de in de onderneming werkzame personen en aan de werknemersorganisaties. Tussen het doen van deze mededeling en de datum waarop de verkiezing wordt gehouden liggen tenminste 13 weken.

Lid 2

De datum van de verkiezing ligt niet eerder dan 4 weken en niet later dan 2 weken voor de afloop van de zittingsperiode van de aftredende leden van de ondernemingsraad.

Lid 3

De ondernemingsraad of de door hem ingestelde verkiezingscommissie kan zich bij de verkiezingen laten bijstaan door een bureau dat (de organisatie van) de (digitale) verkiezingen begeleidt.

Artikel 7

Lid 1

Uiterlijk 9 weken voor de verkiezingen stelt de ondernemingsraad een lijst op van de in elke kiesgroep bedoeld in artikel 2, eerste lid, werkzame personen, die op de verkiezingsdatum verkiesbaar dan wel kiesgerechtigd zijn, en maakt deze lijst in de onderneming bekend.

Lid 2

Kandidaatstelling vindt plaats per kiesgroep door indiening van een lijst van een of meer kandidaten bij het secretariaat van de ondernemingsraad. Deze verstrekt een gedagtekend bewijs van ontvangst, gesteld ten name van degene die de lijst heeft ingediend.

Lid 3

Tot uiterlijk 6 weken voor de verkiezingsdatum kunnen werknemersorganisaties die tot een kiesgroep behorende kiesgerechtigde personen onder haar leden tellen, voor die kiesgroep kandidatenlijsten indienen.

Lid 4

Binnen 1 week nadat de in lid 3 bedoelde termijn is verstreken, bepaalt de ondernemingsraad voor iedere kiesgroep het aantal handtekeningen dat tenminste nodig is voor de indiening van een kandidatenlijst door die personen van de betrokken kiesgroep die geen lid zijn van een werknemersorganisatie welke voor die kiesgroep een kandidatenlijst heeft ingediend.

Lid 5

Tot uiterlijk 3 weken voor de verkiezingsdatum kunnen kandidaten zich verkiesbaar stellen via een vrije lijst.

Lid 6

Bij elke kandidatenlijst wordt van iedere daarop voorkomende kandidaat de schriftelijke verklaring overgelegd inhoudende dat deze de kandidatuur aanvaardt.

Lid 7

De naam van een kandidaat mag slechts op één kandidatenlijst voorkomen.

Artikel 8

Lid 1

De ondernemingsraad onderzoekt of de ingediende kandidatenlijsten en de daarop voorkomende kandidaten voldoen aan de vereisten van de wet en van dit reglement.

Lid 2

De ondernemingsraad verklaart een kandidatenlijst die niet aan de in het vorige lid bedoelde vereisten voldoet, ongeldig en deelt dit onmiddellijk schriftelijk en met opgave van redenen mede aan degene(n) die de lijst heeft (hebben) ingediend.

Lid 3

Gedurende één week na deze mededeling bestaat de gelegenheid de lijst aan de gestelde vereisten aan te passen.

Lid 4

De kandidatenlijsten worden uiterlijk 2 weken voor de verkiezingsdatum door de ondernemingsraad aan de in de onderneming werkzame personen bekend gemaakt.

Artikel 9

Als er in een kiesgroep niet meer kandidaten zijn gesteld dan er voor die kiesgroep plaatsen zijn te vervullen, vinden er in die kiesgroep geen verkiezingen plaats en worden de gestelde kandidaten geacht te zijn verkozen.

IV. Wijze van stemmen bij verkiezingen

Artikel 10

Lid 1

De verkiezing komt tot stand door anonieme elektronische stemming.

Lid 2

Iedere kiesgerechtigde ontvangt een oproep voor de verkiezingen (hetzij per papieren brief, dan wel per e-mail of SMS) met daarbij een unieke code die benodigd is om de stem(men) elektronisch te kunnen uitbrengen. Deze code is uniek en kan slechts eenmaal gebruikt worden om te stemmen.

Lid 3

In de week van de verkiezingen brengt de kiesgerechtigde persoon zijn stem uit via voor de verkiezingen geselecteerde systeem op de site waarop de elektronische OR-verkiezing is geplaatst.

Lid 4

Iedere kiesgerechtigde persoon brengt zijn stem uitsluitend uit op voor zijn kiesgroep gestelde kandidaten.

Lid 5

Ieder kiesgerechtigde persoon kan voor ten hoogste twee andere kiesgerechtigde personen stemmen, mits hij door deze personen schriftelijk daartoe is gemachtigd.

Artikel 11

Iedere kiesgerechtigde persoon brengt zijn stem uit op maximaal het aantal kandidaten als er in de kiesgroep zetels te bezetten zijn. De kiesgerechtigde heeft daarbij de mogelijkheid te kiezen uit de voor zijn kiesgroep gestelde kandidaten.

Artikel 12

Lid 1

Na het einde van de stemming stelt de ondernemingsraad het aantal geldige stemmen vast dat op elke kandidatenlijst en elk daarop voorkomende kandidaat is uitgebracht.

Lid 2

Ongeldig zijn de uitgebrachte stemmen:

die niet door of namens de ondernemingsraad zijn gewaarmerkt;

waaruit niet duidelijk de keuze van de stemgerechtigde blijkt;

waarop niet meer stemmen zijn uitgebracht dan overeenkomt met het binnen de kiesgroep te bezetten zetels;

waarbij een code is gebruikt waarvan is komen vast te staan dat deze onjuist is (normaliter is het elektronische systeem zo ingericht dat bij gebruik van een onjuiste code het uitbrengen van een stem niet mogelijk is).

Artikel 13

Lid 1

Gekozen zijn de kandidaten die per kiesgroep achtereenvolgens het hoogste aantal stemmen hebben ontvangen. Wanneer voor de laatste te bezetten zetel(s) meerdere kandidaten zijn die een gelijk aantal stemmen hebben ontvangen, beslist tussen hen het lot.

Lid 2

Indien een aan een kiesgroep toegekende zetel wegens gebrek aan voldoende kandidaten niet kan worden ingevuld vanuit deze kiesgroep, kan deze zetel worden toegekend aan een niet gekozen kandidaat uit een andere kiesgroep die daarvoor op basis van de uitslag van de verkiezing als eerste in aanmerking komt. Wanneer er voor de laatste te bezetten zetel(s) meerdere kandidaten zijn op wie een gelijk aantal stemmen is uitgebracht, beslist het lot.

Lid 3

De uitslag van de verkiezing wordt door de ondernemingsraad vastgesteld en volledig bekend gemaakt aan de ondernemer, aan de in de onderneming werkzame personen, en aan de werknemersorganisaties die de kandidatenlijsten hebben ingediend.

Artikel 14

De uitslag van de digitale stemming wordt door het secretariaat van de ondernemingsraad in een beveiligd bestand tenminste drie maanden bewaard.

V. Voorziening in tussentijdse vacatures

Artikel 15

Lid 1

In geval van een tussentijdse vacature in de ondernemingsraad wijst de ondernemingsraad tot opvolger van het betrokken lid aan de kandidaat die voor de betrokken kiesgroep volgens de uitslag van de laatstgehouden verkiezing daarvoor als eerste in aanmerking komt.

Lid 2

De aanwijzing gebeurt binnen een maand na het ontstaan van de vacature. Artikel 13, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Lid 3

Als er geen opvolger als bedoeld in het eerste lid aanwezig is, wordt volgens de regeling in lid 4 (verkorte procedure) in de vacature voorzien.

Lid 4

Aan de personen die werkzaam zijn in de kiesgroep waar de vacature is ontstaan en aan de werknemersorganisaties die tot die kiesgroep behorende kiesgerechtigde personen onder hun leden tellen, wordt bekend gemaakt dat er in die kiesgroep sprake is van een tussentijdse vacature die niet kan worden ingevuld. Deze personen en werknemersorganisaties hebben gedurende 2 weken de gelegenheid om kandidaten voor te dragen conform dit reglement.

Lid 5

Wanneer de in lid 4 beschreven procedure leidt tot een aantal kandidaten dat kleiner of gelijk is aan het aantal te vervullen vacatures, dan worden de gestelde kandidaten geacht te zijn gekozen. Dit wordt bekend gemaakt aan de in de kiesgroep werkzame personen en aan de werknemersorganisaties die tot die kiesgroep behorende kiesgerechtigde personen onder hun leden tellen. Gedurende 1 week na deze mededeling bestaat de gelegenheid om bij de ondernemingsraad, onder opgave van reden en onder voordracht van een alternatieve kandidaat, bezwaar te maken tegen de benoeming van een kandidaat.

Lid 6

Wanneer de in lid 4 beschreven procedure leidt tot meer kandidaten dan het aantal te vervullen vacatures, dan worden tussentijdse verkiezingen gehouden, tenzij binnen 6 maanden algemene verkiezingen plaatsvinden. Hetzelfde geldt wanneer er tegen kandidaten bezwaar is gemaakt conform de procedure in lid 5.

Lid 7

Wanneer de in lid 4 beschreven procedure niet leidt tot kandidaten uit de betrokken kiesgroep, kan de vacante zetel worden toegekend aan een niet gekozen kandidaat uit een andere kiesgroep die daarvoor op basis van de uitslag van de verkiezing als eerste in aanmerking komt. Wanneer er voor de laatste te bezetten zetel(s) meerdere kandidaten zijn op wie een gelijk aantal stemmen is uitgebracht, beslist het lot.

Lid 8

Wanneer het bepaalde in lid 7 ook niet leidt tot kandidaten voor de vacature, dan wordt aan alle in de onderneming werkzame personen en aan alle werknemersorganisaties die in de onderneming werkzame personen onder hun leden tellen, de gelegenheid gegeven om kandidaten te stellen. De procedure in lid 4 en 5 is daarbij van overeenkomstige toepassing. Als deze procedure ook niet leidt tot kandidaten, wordt de vacature niet opgevuld.

VI. Bezwarenregeling

Artikel 16

Lid 1

Iedere belanghebbende kan, binnen een week na de bekendmaking daarvan, bij de ondernemingsraad bezwaar maken tegen een besluit van een ondernemingsraad met betrekking tot:

de bepaling van de datum van de verkiezing en de tijdstippen van het begin en einde van de stemming (artikel 6, eerste lid),

de opstelling van de lijst van kiesgerechtigde en verkiesbare personen (artikel 7, eerste lid),

de geldigheid van een kandidatenlijst (artikel 8),

de vaststelling van de uitslag van de verkiezing (artikel 13, tweede lid),

de voorziening in een tussentijdse vacature (artikel 15)

Lid 2

De ondernemingsraad beslist zo spoedig mogelijk op het bezwaar en treft daarbij zo nodig de noodzakelijke voorzieningen.

VII. Werkwijze en secretariaat

Artikel 17

Lid 1

De ondernemingsraad komt in vergadering bijeen in de navolgende gevallen:

op verzoek van het dagelijks bestuur;

op gemotiveerd verzoek van tenminste vier leden;

op gemotiveerd verzoek van een kiesgroep.

Lid 2

Het dagelijks bestuur bepaalt tijd en plaats van de vergadering. Een vergadering op verzoek van leden van de ondernemingsraad of een kiesgroep wordt gehouden binnen 14 dagen nadat hun verzoek daartoe bij de voorzitter is ingekomen.

Lid 3

De bijeenroeping gebeurt door het secretariaat, door middel van een schriftelijke kennisgeving aan de leden en vindt tenminste 7 dagen vóór de te houden vergadering plaats, behalve in spoedeisende gevallen.

Lid 4

Een vergadering kan slechts plaatsvinden als de meerderheid van de leden van de ondernemingsraad aanwezig is.

Lid 5

Zijn de voorzitter en vicevoorzitter niet aanwezig dan kiest de ondernemingsraad uit de aanwezige leden een voorzitter voor de vergadering.

Lid 6

De ondernemingsraad vergadert in beslotenheid. De vergadering kan besluiten om een openbaar gedeelte in te lassen.

Artikel 18

Lid 1

De secretaris is verantwoordelijk voor de functionele aansturing van de ambtelijke secretaris. De secretaris en de ambtelijk secretaris vormen samen het secretariaat van de ondernemingsraad.

Lid 2

Het secretariaat is belast met het bijeenroepen van de ondernemingsraad, het opmaken van de agenda, het opstellen van het verslag van de vergadering, evenals met het voeren van de briefwisseling en het beheren van de voor de ondernemingsraad bestemde en van de ondernemingsraad uitgaande stukken.

Lid 3

Alle stukken die door de leden van de ondernemingsraad worden ontvangen en die voor de ondernemingsraad van belang zijn worden aan het secretariaat aangeleverd. Het secretariaat zorgt voor een juiste en tijdige behandeling van deze stukken.

Artikel 19

Lid 1

Het secretariaat maakt in overleg met het dagelijks bestuur voor iedere vergadering een agenda op. Ieder lid van de ondernemingsraad kan bij het secretariaat onderwerpen of agendapunten indienen ten behoeve van de agenda.

Lid 2

Het secretariaat maakt de agenda bekend aan de leden van de ondernemingsraad, aan de ondernemer en aan de in de onderneming werkzame personen. Behoudens in spoedeisende gevallen vindt de bekendmaking tenminste 7 dagen vóór de vergadering van de ondernemingsraad plaats.

Artikel 20

Lid 1

De ondernemingsraad stelt voor de behandeling van bepaalde door de ondernemingsraad te bepalen onderwerpen commissies in.

Lid 2

De taak, samenstelling en werkwijze van een dergelijke commissie worden door de ondernemingsraad vastgesteld.

Lid 3

In een commissie moeten tenminste twee leden van de ondernemingsraad zitting hebben.

Lid 4

Aan een commissie worden geen rechten en bevoegdheden van de ondernemingsraad overgedragen.

Lid 5

Alle inkomende en uitgaande stukken voor en van een commissie lopen via het secretariaat.

Artikel 21

Lid 1

De ondernemingsraad beslist over alle voorstellen bij meerderheid van stemmen. Blanco stemmen tellen niet mee.

Lid 2

Over zaken wordt mondeling en over personen wordt schriftelijk gestemd.

Lid 3

Wanneer bij een besluit met betrekking tot de benoeming van een persoon geen van de kandidaten bij de eerste stemming de gewone meerderheid haalt, vindt herstemming plaats tussen de twee kandidaten die bij de eerste stemming de meeste stemmen kregen. Bij deze herstemming is diegene gekozen, die dan de meeste stemmen heeft gekregen. Als de stemmen staken beslist het lot.

Lid 4

Bij staking van stemmen over een voorstel tot een door de ondernemingsraad te nemen besluit dat geen betrekking heeft op een te benoemen persoon, wordt dit voorstel op de eerstvolgende vergadering opnieuw aan de orde gesteld. Wanneer dan weer de stemmen staken, wordt het voorstel geacht te zijn verworpen.

Artikel 22

Lid 1

Het secretariaat maakt een verslag van de vergadering en stuurt het minimaal 7 dagen voor de volgende vergadering aan de leden van de ondernemingsraad. Betreft het een verslag van een overlegvergadering dan wordt het verslag tevens aan de bestuurder verzonden.

Lid 2

De ondernemingsraad stelt in haar vergadering de notulen van de vorige vergadering vast. Betreft het een verslag van een overlegvergadering dan wordt dit gezamenlijk met de bestuurder in de volgende overlegvergadering gedaan.

Lid 3

Het secretariaat maakt binnen 7 dagen na vaststelling het verslag bekend aan de in de onderneming werkzame personen. Het verslag bevat geen gegevens waaromtrent geheimhouding moet worden betracht als gevolg van het bepaalde in artikel 20 van de wet.

Artikel 23

Lid 1

Het secretariaat maakt jaarlijks vóór 1 maart een verslag op van de werkzaamheden van de ondernemingsraad in het afgelopen jaar. De ondernemer moet dit verslag goedkeuren.

Lid 2

Het secretariaat maakt het jaarverslag zo spoedig mogelijk na de goedkeuring bekend aan de ondernemer en aan de in de onderneming werkzame personen.

VIII. Slotbepalingen

Artikel 24

Lid 1

Dit reglement kan worden gewijzigd en aangevuld bij besluit van de ondernemingsraad.

Lid 2

Voordat de wijziging of aanvulling wordt vastgesteld, stelt de ondernemingsraad de ondernemer in de gelegenheid daarover zijn standpunt kenbaar te maken.

Lid 3

In de vergadering waarin wordt besloten het reglement te wijzigen of aan te vullen dienen tenminste twee derde van de leden van de ondernemingsraad aanwezig te zijn.

Lid 4

Een zodanig besluit wordt genomen door een meerderheid van twee derde van de uitgebrachte stemmen. Blanco stemmen tellen niet mee.

Lid 5

De ondernemingsraad maakt de wijziging of aanvulling bekend aan de in de onderneming werkzame personen en verstrekt een afschrift aan de ondernemer.

Dit reglement is in overeenstemming met het bepaalde in artikel 24 van het vorige reglement vastgesteld d.d. 21 juni 2011.

Vastgesteld door de Ondernemingsraad van de Veiligheidsregio Limburg-Noord d.d. 14 februari 2014.

Uitvoeringsregeling overwerkvergoeding

Inhoudsopgave

Artikel 1

Artikel 2

Artikel 3

Artikel 4

Artikel 1

Om voor een overwerkvergoeding als bedoeld in artikel 3:2:1 van deel I in aanmerking te komen moet de ambtenaar voor de aanvang van het overwerk een uitdrukkelijke opdracht tot het verrichten daarvan hebben ontvangen van zijn hoofd van dienst of namens deze van zijn directe leidinggevende.

Artikel 2

Lid 1

Geen aanspraak op vergoeding heeft de ambtenaar wiens functieniveau is vastgesteld op schaal 11 of hoger van bijlage IIa, c.q. de ambtenaar die gehonoreerd wordt conform schaal 11 of hoger van bijlage IIa.

Lid 2

In geval van operationele inzet bij calamiteitsituaties wordt van het bepaalde in het eerste lid afgeweken.

Artikel 3

Het Dagelijks Bestuur kan in afwijking van het bepaalde in artikel 2 in voorkomende gevallen afwijkende regels stellen.

Artikel 4

Deze regeling, welke kan worden aangehaald als “uitvoeringsregeling overwerk” treedt in werking met ingang van 1 januari 2002.

Privacyreglement e-mail en Internetgebruik

Inhoudsopgave

Hoofdstuk 1 defenities, reikwijdte en doeleinden

Artikel 1 Definities

Artikel 2 Reikwijdte

Artikel 3 Doeleinden

Hoofdstuk 2 verantwoordelijkheden en beheer

Artikel 4 Verantwoordelijkheden en beheer

Hoofdstuk 3 gebruik elektronische communicatiemiddelen

Artikel 5 Gebruik elektronische communicatiemiddelen

Hoofdstuk 4 controle, bewaring en verwijdering

Artikel 6 Controle

Artikel 7 Bewaring en verwijdering

Hoofdstuk 5 rechten van medewerker: verbeteren, aanvullen, veriwjdern of afschermen persoonsgegevens

Artikel 8 Rechten van de medewerker

Hoofdstuk 6 sancties, onvoorziene omstandigheden, openbaarmaking, inwerkingtreding, evaluatie en slotbepaling

Artikel 9 Sancties

Artikel 10 Onvoorziene omstandigheden

Artikel 11 Openbaarmaking, inwerkingtreding en evaluatie

Artikel 12 Slotbepaling

Hoofdstuk 1 defenities, reikwijdte en doeleinden

Artikel 1 Definities

In dit privacyreglement wordt verstaan onder:

WBP: Wet bescherming persoonsgegevens;

Veiligheidsregio: de Veiligheidsregio Limburg-Noord;

CMT: het Centraal Managementteam;

Cbp: College bescherming persoonsgegevens;

Medewerker: degene die aan te merken is als:

werknemer in dienst van de Veiligheidsregio

persoon die (betaalde of niet-betaalde) werkzaamheden voor de Veiligheidsregio verricht, anders dan in ambtelijk dienstverband;

E-mailfaciliteiten: de door of namens de Veiligheidsregio aan medewerkers ter beschikking gestelde e-mailfaciliteiten;

Internetfaciliteiten: de door of namens de Veiligheidsregio aan medewerkers ter beschikking gestelde internetfaciliteiten;

Elektronische communicatiemiddelen: e-mail- en/of internetfaciliteiten;

Persoonsgegeven: elk gegeven betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon in de zin van de WBP;

Verwerken van persoonsgegevens: elke handeling of elk geheel van handelingen met betrekking tot persoonsgegevens, waaronder in ieder geval het verzamelen, vastleggen, ordenen, bewaren, bijwerken, wijzigen, opvragen, raadplegen, gebruiken, verstrekken door middel van doorzending, verspreiding of enige andere vorm van terbeschikkingstelling, samenbrengen, met elkaar in verband brengen, alsmede het afschermen, uitwissen of vernietigen van gegevens;

Verantwoordelijke: het Dagelijks Bestuur, zijnde het bestuursorgaan dat het doel van en de middelen voor de verwerking van persoonsgegevens vaststelt;

Onrechtmatig gebruik dan wel misbruik van de elektronische communicatiemiddelen: een doen of nalaten in strijd met dit privacyreglement of andere wet- en regelgeving of een inbreuk op een recht.

Artikel 2 Reikwijdte

Lid 1

Dit privacyreglement is van toepassing op het verwerken van persoonsgegevens inzake het gebruik van elektronische communicatiemiddelen. Dit privacyreglement geeft de wijze aan waarop in de Veiligheidsregio wordt omgegaan met elektronische communicatiemiddelen en omvat regels ten aanzien van verantwoord gebruik hiervan en regels over de wijze waarop controle hiervan plaatsvindt.

Lid 2

Dit privacyreglement geldt voor werknemers in dienst van de Veiligheidsregio en personen die (betaalde of niet-betaalde) werkzaamheden voor de Veiligheidsregio verrichten, anders dan in ambtelijk dienstverband.

Artikel 3 Doeleinden

De verwerking van persoonsgegevens inzake het gebruik van de elektronische communicatiemid-delen heeft de volgende doeleinden:

het verkrijgen van inzicht in de mate van gebruik van de elektronische communicatiemiddelen;

het voorkomen van onrechtmatig gebruik dan wel misbruik van de elektronische communicatiemiddelen;

het beveiligen van het systeem en het netwerk.

Hoofdstuk 2 verantwoordelijkheden en beheer

Artikel 4 Verantwoordelijkheden en beheer

Lid 1

Door de verantwoordelijke worden de nodige maatregelen getroffen opdat persoonsgegevens, gelet op de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt, juist en nauwkeurig zijn.

Lid 2

Door de verantwoordelijke worden passende technische en organisatorische maatregelen ten uitvoer gelegd om persoonsgegevens te beveiligen tegen verlies of tegen enige vorm van onrechtmatige verwerking.

Lid 3

Door de verantwoordelijke worden één of meerdere systeembeheerders aangewezen die belast zijn met het beheer van het (de) bestand(en). Deze systeembeheerders zijn, op grond van artikel 125a, derde lid, Ambtenarenwet, verplicht tot geheimhouding van de persoonsgegevens waarvan zij kennisnemen, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hen tot mededeling verplicht of uit hun taak de noodzaak tot mededeling voortvloeit.

Hoofdstuk 3 gebruik elektronische communicatiemiddelen

Artikel 5 Gebruik elektronische communicatiemiddelen

Lid 1

Medewerkers gebruiken de elektronische communicatiemiddelen primair voor het uitvoeren van de aan hen door de Veiligheidsregio opgedragen taken.

Lid 2

Incidenteel privé-gebruik van de elektronische communicatiemiddelen door medewerkers is toegestaan mits dit gebruik in overeenstemming is met dit privacyreglement en dit gebruik in geen geval storend is voor dan wel ten koste gaat van het uitvoeren van de aan hen door de Veiligheidsregio opgedragen taken.

Lid 3

Het is medewerkers niet toegestaan met behulp van de e-mailfaciliteiten kettingbrieven te versturen of pornografisch materiaal te versturen of op te vragen, dan wel aanstootgevende, dreigende, lasterlijke, seksueel intimiderende, onzedelijke, racistische of discriminerende opmerkingen te maken. Evenmin is het medewerkers toegestaan met behulp van de e-mailfaciliteiten illegale software te verzenden of op te vragen dan wel bestanden zonder voorafgaand overleg met de systeembeheerder(s) te verzenden of op te vragen waarvan medewerker redelijkerwijs moet aannemen dat deze te omvangrijk zijn.

Lid 4

Het is medewerkers niet toegestaan met behulp van de internetfaciliteiten bewust internetsites te bezoeken die pornografisch, dan wel racistisch materiaal bevatten of die naar algemeen maatschappelijke maatstaven als lasterlijk, beledigend, aanstootgevend, onzedelijk of oneervol worden beschouwd, mee te doen in chat-sessies, on line te gokken, illegale software te downloaden dan wel zonder voorafgaand overleg met de systeembeheerder(s) bestanden te downloaden waarvan medewerker redelijkerwijs moet aannemen dat deze te omvangrijk zijn.

Lid 5

Zonder voorafgaande toestemming van de systeembeheerder(s) is het medewerkers niet toegestaan met behulp van de e-mailfaciliteiten een elektronisch bericht aan alle of vrijwel alle medewerkers van de Veiligheidsregio tegelijkertijd te versturen.

Lid 6

Indien medewerkers met gebruik van de internetfaciliteiten handelingen verrichten die als e-mailtoepassingen zijn te kwalificeren, dan zijn de bepalingen van artikel 5, derde en vijfde lid, van overeenkomstige toepassing.

Lid 7

Medewerkers zullen bij het gebruik van de elektronische communicatiemiddelen de nodige zorgvuldigheid betrachten en de integriteit en goede naam van de Veiligheidsregio waarborgen.

Hoofdstuk 4 controle, bewaring en verwijdering

Artikel 6 Controle

Lid 1

Controle door de secretaris resp. de sectordirecteuren, ieder voor zover hun afdeling c.q. sector betreft, op het gebruik van de elektronische communicatiemiddelen vindt slechts plaats in het kader van de in artikel 3 genoemde doeleinden. Deze doeleinden stellen beperkingen aan de omvang en wijze van controle.

Controle ter verkrijging van inzicht in de mate van gebruik van de elektronische communicatiemiddelen wordt in beginsel beperkt tot de verkeersgegevens (tijd, hoeveelheid, omvang). Ook kan op verzoek van de secretaris c.q. directeur voor zijn afdeling resp. sector op geanonimiseerde wijze een overzicht worden gemaakt van de meest bezochte internetadressen.

Controle ter voorkoming van onrechtmatig gebruik dan wel misbruik van de elektronische communicatiemiddelen wordt zo beperkt mogelijk gehouden, in die zin dat deze in redelijke verhouding staat tot het doel waarvoor deze wordt aangewend. Bovendien vindt de controle in beginsel geanonimiseerd en slechts steekproefsgewijs plaats.

Controle in het kader van het beveiligen van het systeem en het netwerk voor het tegengaan van virussen en andere schadelijke programma’s vindt op geautomatiseerde wijze plaats.

Lid 2

Controle vindt in beginsel plaats op het niveau van getotaliseerde gegevens die niet herleidbaar zijn tot individuele personen. Indien een medewerker of een groep medewerkers wordt verdacht van het overtreden van regels, kan gedurende een vastgestelde (korte) periode gerichte controle plaatsvinden.

Lid 3

Controle beperkt zich in principe tot verkeersgegevens van het gebruik van de elektronische communicatiemiddelen. Alleen bij zwaarwegende redenen vindt er controle op de inhoud plaats.

Lid 4

Onrechtmatig gebruik dan wel misbruik van de elektronische communicatiemiddelen wordt zo veel mogelijk softwarematig onmogelijk gemaakt. Daartoe wordt contentfiltering toegepast.

Lid 5

Indien geconstateerd wordt dat een medewerker dit privacyreglement overtreedt, dan wordt de betrokken medewerker zo spoedig mogelijk hierop aangesproken door zijn sectordirecteur resp. de secretaris voor stafbureau beheer.

Lid 6

Het gebruik van de elektronische communicatiemiddelen door OR-leden, GO-leden, bedrijfsartsen en andere medewerkers met een vertrouwensfunctie is in beginsel uitgesloten van controle. Dit geldt niet voor de controle op de veiligheid van het elektronische verkeer.

Artikel 7 Bewaring en verwijdering

Lid 1

Persoonsgegevens, gerelateerd aan de elektronische communicatiemiddelen, worden maximaal zes maanden bewaard. Gegevens die ouder zijn dan zes maanden worden automatisch verwijderd, tenzij er bijzondere redenen zijn, bijvoorbeeld een zwaarwegend vermoeden van onrechtmatig gebruik dan wel misbruik van de elektronische communicatiemiddelen, om de gegevens langer te bewaren. Dat moet dan expliciet kunnen worden gemaakt en worden gemeld aan het Cbp.

Lid 2

Indien de systeembeheerder om technische redenen persoonsgegevens, gerelateerd aan de elektronische communicatiemiddelen, niet kan verwijderen, wordt onder verwijderen verstaan het niet meer verstrekken van deze gegevens voor de in artikel 3 geformuleerde doeleinden.

Hoofdstuk 5 rechten van medewerker: verbeteren, aanvullen, veriwjdern of afschermen persoonsgegevens

Artikel 8 Rechten van de medewerker

Lid 1

Aan de medewerker die daarom aan verantwoordelijke verzoekt wordt een overzicht verschaft van de hem betreffende persoonsgegevens die worden verwerkt.

Lid 2

De medewerker kan de verantwoordelijke verzoeken zijn persoonsgegevens te verbeteren, aan te vullen, te verwijderen of af te schermen indien deze feitelijk onjuist zijn, voor het doel of de doeleinden van de verwerking onvolledig of niet ter zake dienend zijn dan wel anderszins in strijd met een wettelijk voorschrift worden verwerkt. Het verzoek bevat de aan te brengen wijzigingen.

Lid 3

De verantwoordelijke bericht de verzoeker binnen vier weken na ontvangst van het in het tweede lid genoemde verzoek schriftelijk of, dan wel in hoeverre, hij daaraan voldoet. Een weigering is met redenen omkleed. Een beslissing op een verzoek geldt als een besluit in de zin van artikel 1:3, Algemene wet bestuursrecht.

Lid 4

De verantwoordelijke draagt er zorg voor dat een beslissing tot verbetering, aanvulling, verwijdering of afscherming zo spoedig mogelijk wordt uitgevoerd.

Hoofdstuk 6 sancties, onvoorziene omstandigheden, openbaarmaking, inwerkingtreding, evaluatie en slotbepaling

Artikel 9 Sancties

Lid 1

Overtreding van dit privacyreglement kan voor werknemers in dienst van de Veiligheidsregio resulteren in disciplinaire maatregelen of ontslag als disciplinaire straf als bedoeld in de Arbeidsvoorwaardenregeling van de Veiligheidsregio.

Lid 2

Overtreding van dit privacyreglement kan voor personen die (betaalde of niet-betaalde) werkzaamheden voor de Veiligheidsregio verrichten, anders dan in ambtelijk dienstverband, resulteren in:

maatregelen waardoor deze personen, al dan niet tijdelijk, geen beschikking meer hebben over (een deel van) de elektronische communicatiemiddelen;

beëindiging van de overeenkomst/afspraak op basis waarvan zij werken.

Artikel 10 Onvoorziene omstandigheden

In gevallen waarin dit privacyreglement niet voorziet of bij twijfel omtrent de toepassing van dit privacyreglement, beslist de beheerdirectie.

Artikel 11 Openbaarmaking, inwerkingtreding en evaluatie

Lid 1

Dit privacyreglement wordt verstrekt of ter beschikking gesteld aan alle medewerkers die, direct of indirect, de beschikking krijgen over elektronische communicatiemiddelen.

Lid 2

Dit privacyreglement treedt in werking op 1 juni 2007.

Lid 3

Dit privacyreglement wordt voor de eerste keer een jaar na inwerkingtreding en vervolgens tweejaarlijks geëvalueerd door de beheerdirectie en de ondernemingsraad.

Artikel 12 Slotbepaling

Onverminderd het bepaalde in dit privacyreglement, zal op het verwerken van persoonsgegevens de op 1 september 2001 in werking getreden WBP van toepassing zijn.

Aldus vastgesteld in de vergadering van het Dagelijks Bestuur van 5 april 2007.

Regeling PRO-gesprekken

Inhoudsopgave

Artikel 1 Begripsbepalingen

Artikel 2 Doelstelling

Artikel 3 Kenmerken

Artikel 4 Frequentie

Artikel 5 Procedure voor, tijdens en na het PRO-gesprek

Artikel 6 Persoonlijke Ontwikkel Plannen (POP’s)

Artikel 7 Gespreksonderwerpen

Artikel 8 De leidinggevenden

Artikel 9 Rol derden

Artikel 10 Bezwaar PRO-gesprekken

Artikel 11 Niet voorziene gevallen

Artikel 12 Slotbepalingen

Artikel 1 Begripsbepalingen

Deze regeling verstaat onder:

Medewerker: degene die in dienst is van de Veiligheidsregio Limburg-Noord.

Leidinggevende: degene onder wiens verantwoordelijkheid de medewerker zijn werkzaamheden verricht; bij twijfel hierover beslist de sectordirecteur.

PRO: Persoonlijk Resultaatgericht Ontwikkelgesprek: een gesprek tussen de medewerker en de leidinggevende aan de hand van een verslagformulier over aspecten die van invloed zijn op het functioneren van de medewerker en de leidinggevende en onderwerpen die gericht zijn op de persoonlijke ontwikkeling van de medewerker.

POP: Persoonlijk Ontwikkel Plan bedoeld in hoofdstuk 17 CAR-UWO waarin concrete en toetsbare doelstellingen worden opgenomen met betrekking tot loopbaanplanning, de bijbehorende ontwikkeling van competenties, de daarvoor door de medewerker te verrichten inspanningen, de door de Veiligheidsregio beschikbaar te stellen faciliteiten en eventuele andere onderwerpen.

Artikel 2 Doelstelling

PRO-gesprekken zijn gericht op het functioneren en de persoonlijke ontwikkeling van de individuele medewerker.

Artikel 3 Kenmerken

Kenmerken van het gesprek zijn:

Toekomstgerichtheid;

Een gelijkwaardige inbreng van gesprekspartners en het tweezijdige karakter ervan;

Het ontbreken van rechtspositionele consequenties.

Artikel 4 Frequentie

Lid 1

Met alle medewerkers met een benoeming zowel in vaste als in tijdelijke ambtelijke dienst wordt ten minste 1 maal per jaar een PRO-gesprek gevoerd;

Lid 2

Met overige medewerkers worden PRO-gesprekken gevoerd ter beoordeling van de leidinggevende en de betrokken medewerker.

Artikel 5 Procedure voor, tijdens en na het PRO-gesprek

Lid 1

Tenminste 2 weken voorafgaand aan het gesprek bepaalt de leidinggevende in overleg met de betrokken medewerker de datum en het tijdstip van het te voeren gesprek.

Lid 2

Tijdens het gesprek komen behalve standaard gespreksonderwerpen, die zijn vermeld op het formulier PRO-gesprek, ook gespreksonderwerpen aan de orde die de medewerker en/of de leidinggevende hebben ingebracht. Leidinggevende en medewerker maken gespreks-onderwerpen die zij zelf willen inbrengen tijdig voordat het gesprek plaatsvindt bij de gesprekspartner kenbaar.

Lid 3

De door de medewerker en/of de leidinggevende ingebrachte gespreksonderwerpen worden op het verslagformulier vermeld.

Lid 4

Tijdens het PRO-gesprek worden de gedurende het vorige gesprek gemaakte afspraken geëvalueerd.

Lid 5

Direct (doch uiterlijk twee weken) na afloop van het gesprek worden de afspraken op het verslagformulier vastgelegd. Het formulier wordt gedateerd en zowel door de medewerker als door de leidinggevende voor akkoord ondertekend.

Lid 6

De vertrouwelijkheid van de verslaglegging wordt gegarandeerd door het Dagelijks Bestuur, de sectordirecteur en/of de leidinggevende.

Lid 7

Het gedateerde en ondertekende formulier, als bedoeld in het 5e lid, wordt gedurende 10 jaren in een gesloten enveloppe bewaard in het personeelsdossier. Archivering geschiedt op een zodanige wijze dat inzage mogelijk is door de leidinggevende, de medewerker, personeelsadviseur, de sectordirecteur en indien de situatie zich voordoet, door de opvolgers van deze functionarissen.

Lid 8

De medewerker ontvangt een kopie van het gedateerde en ondertekende formulier.

Artikel 6 Persoonlijke Ontwikkel Plannen (POP’s)

Lid 1

Het POP-gesprek vindt plaats in het perspectief van persoonlijke omstandigheden en ambities, ontwikkelingen op het vakgebied van de medewerker, ontwikkelingen binnen de Veiligheidsregio en op de arbeidsmarkt.

Lid 2

De medewerker en de leidinggevende stellen op basis van dit gesprek en met inachtneming van het bepaalde in hoofdstuk 17 van de CAR-UWO een POP op.

Lid 3

De portefeuillehouder c.q. de directeur stelt het POP, dat past binnen een vastgesteld opleidingsbeleid, vast.

Artikel 7 Gespreksonderwerpen

Lid 1

Tijdens de PRO-gesprekken met een medewerker komen tenminste de volgende onderwerpen aan de orde:

Evaluatie van afspraken uit het vorige PRO-gesprek;

Ontwikkelingen/veranderingen in functie en organisatie;

Levensfase: de verhouding tussen belasting en belastbaarheid;

Evaluatie/analyse van kennis en competenties en afspraken over de ontwikkeling hiervan;

Loopbaanwensen en –mogelijkheden van de medewerker;

Functioneren van de leidinggevende in relatie tot de medewerker;

Verzuim van de medewerker;

Onderwerpen aangedragen door de medewerker;

Onderwerpen aangedragen door de leidinggevende;

Resultaatgerichte werkafspraken.

Lid 2

Tijdens de gesprekken met de sectordirecteur komen bovendien de volgende onderwerpen aan de orde:

Geven van leiding.

Onderhouden van externe contacten.

Samenwerking met het Dagelijks Bestuur, incl. de voorbereiding en uitvoering van het bestuurlijk beleid.

Managementtaken.

Uitvoeren van gemandateerde bevoegdheden.

Overige aspecten van zijn/haar taken.

Artikel 8 De leidinggevenden

Lid 1

Gesprekken zoals bedoeld in deze regeling worden gehouden tussen de leidinggevende en de medewerker.

Lid 2

De voorzitter van het bestuur en de portefeuillehouder Personeelszaken voeren gesprekken met de Directeur Veiligheidsregio.

Lid 3

De sectoraal portefeuillehouder en de portefeuillehouder Personeelszaken voeren gesprekken met de sectordirecteuren.

Lid 4

In overleg kunnen andere personen bij de gesprekken worden betrokken.

Artikel 9 Rol derden

Op verzoek van een of beide gesprekspartners kunnen gesprekken in aanwezigheid van een vertrouwenspersoon of personeelsadviseur plaatsvinden.

Artikel 10 Bezwaar PRO-gesprekken

Tegen de inhoud van PRO-gesprekken, het inhoudelijk verslag en de gemaakte afspraken, kan geen bezwaar worden gemaakt. De medewerker kan het gespreksformulier wel aanvullen met persoonlijke opmerkingen.

Artikel 11 Niet voorziene gevallen

In gevallen waarin deze regeling niet voorziet, beslist de sectordirecteur.

Artikel 12 Slotbepalingen

Lid 1

Deze regeling wordt verder genoemd: 'Regeling PRO-gesprekken van de Veiligheidsregio Limburg-Noord'.

Lid 2

De sectordirecteur draagt er zorg voor dat een exemplaar van deze regeling en van de daarbij behorende bijlage(n) op een voor de medewerkers toegankelijke plaats in de instelling ter inzage liggen.

Lid 3

De regeling treedt in werking met ingang van januari 2009.

Protocol aanstellingskeuringen

Inhoudsopgave

Artikel 1 Begripsomschrijving

Artikel 2 Doel van de aanstellingskeuring

Artikel 3 Voorwaarden waaronder een aanstellingskeuring moet plaatsvinden

Artikel 4 Informatie

Artikel 5 Rapportage en verslaglegging

Artikel 6 Inzage

Artikel 7 Herkeuring

Artikel 1 Begripsomschrijving

In dit protocol wordt verstaan onder:

keurling: de persoon (sollicitant) die de keuring ondergaat;

aanstellingskeuring: vragen over de gezondheidstoestand van de keurling en het verrichten van medisch onderzoek in het kader van een geschiktheidsonderzoek naar uit de functie voortvloeiende medische eisen;

keurend arts: arts onder wiens verantwoordelijkheid de aanstellingskeuring wordt verricht en die de opdrachtgever zijn gevolgtrekking mededeelt;

keuringvrager/opdrachtgever: de (aanstaand) werkgever die een aanstellingskeuring van de sollicitant vergt.

Artikel 2 Doel van de aanstellingskeuring

Het doel van een aanstellingskeuring is de beoordeling van de huidige belastbaarheid van de keurling ten opzichte van de belasting door de betreffende functie.

Artikel 3 Voorwaarden waaronder een aanstellingskeuring moet plaatsvinden

Lid 1

Een aanstellingskeuring kan alleen plaatsvinden indien specifieke functie-eisen voor de vervulling van de functie zijn geformuleerd die in medische termen kunnen worden vertaald.

Lid 2

Een aanstellingskeuring vindt plaats voorafgaand aan de aanstelling.

Lid 3

Een aanstellingskeuring wordt eerst verricht nadat alle overige beoordelingen van de geschiktheid van de aspirant-werknemer hebben plaats gevonden en de werkgever op grond daarvan voornemens is de keurling aan te stellen.

Lid 4

De keurend arts moet een professioneel onafhankelijke positie hebben ten opzichte van de opdrachtgever.

Lid 5

De keurend arts mag niet tegelijkertijd de behandelend c.q. begeleidend arts van de keurling zijn.

Lid 6

De keurend arts moet aantoonbaar voldoende kennis en vaardigheden hebben om de belastbaarheid ten opzichte van de te verwachten belasting door de functie te kunnen beoordelen.

Lid 7

De te stellen vragen en de uit te voeren onderzoeken moeten aantoonbaar relevant zijn voor de aanstellingskeuring en moeten nodig zijn om informatie te verkrijgen over de huidige belastbaarheid ten opzichte van de belasting door de functie.

Lid 8

Onderzoeken en vragen die in het kader van de aanstellingskeuring worden uitgevoerd of gesteld, mogen geen onevenredige inbreuk maken op de fysieke en psychische integriteit en persoonlijke levenssfeer van de keurling. Worden desondanks dergelijke vragen gesteld of dergelijk onderzoek voorgesteld dan heeft de keurling het recht medewerking daaraan te weigeren, zonder consequenties voor de uitslag van de keuring.

Lid 9

De opdrachtgever is verantwoordelijk voor een goede procedure en de kosten van de keuring. Voor de adequate uitvoering is de keurend arts verantwoordelijk.

Artikel 4 Informatie

Lid 1

De keurling dient tijdig voor de aanvang van de aanstellingskeuring schriftelijk informatie te ontvangen over doel en inhoud van de keuring, alsmede over de procedure en het tijdpad.

Lid 2

De keurling dient de keurend arts naar beste weten de inlichtingen te geven en de medewerking te verlenen die deze redelijkerwijs voor de beoordeling van de medische geschiktheid voor de functie behoeft.

Lid 3

De keurend arts mag informatie, voor zover relevant voor de aanstellingskeuring, slechts bij derden opvragen na gerichte toestemming van de keurling.

Lid 4

De keurling heeft het recht als eerste geïnformeerd te worden over de uitslag van de aanstellingskeuring.

Artikel 5 Rapportage en verslaglegging

Lid 1

De keurend arts richt een dossier in met betrekking tot de aanstellingskeuring. Hierin dienen de bevindingen en de gevolgtrekking van de keuring op een inzichtelijke en heldere wijze schriftelijk te worden vastgelegd.

Lid 2

De gevolgtrekking van de aanstellingskeuring kan inhouden:

een positieve uitslag;

een positieve uitslag onder bepaalde beperkingen;

een negatieve uitslag.

Lid 3

Indien de medische gegevens tijdens de aanstellingskeuring niet volledig zijn kan de uitslag voor een periode van uiterlijk 4 weken worden aangehouden teneinde nader onderzoek te doen of aanvullende gegevens te ontvangen.

Lid 4

Rapportage aan de opdrachtgever bevat alleen de gevolgtrekking van de aanstellingskeuring en kan alleen plaatsvinden na toestemming van de keurling.

Lid 5

Nadat de totale sollicitatieprocedure is afgerond, dient het medisch dossier betreffende de aanstellingskeuring te worden vernietigd, indien niet tot aanstelling wordt overgegaan.

Artikel 6 Inzage

Lid 1

De keurend arts verstrekt aan de keurling desgevraagd zo spoedig mogelijk inzage in en afschrift van het dossier, bevattende de stukken die betrekking hebben op de totstandkoming van de keuringsbeslissing.

Lid 2

De keurend arts mag zonder gerichte toestemming van de keurling geen inlichtingen aan derden (inclusief de opdrachtgever) over de keurling verstrekken.

Artikel 7 Herkeuring

Lid 1

Bij een negatieve uitslag of een positieve uitslag onder bepaalde beperkingen dient de keurling de mogelijkheid te worden geboden zich terug te trekken of een herkeuring aan te vragen alvorens rapportage aan de werkgever plaatsvindt.

Lid 2

De keurling heeft recht op een onafhankelijke herkeuring.

Lid 3

De opdrachtgever is verantwoordelijk voor een goede procedure en de kosten van de herkeuring. Voor de adequate uitvoering is de keurend arts verantwoordelijk.

Lid 4

De uitslag van de herkeuring is bindend en de keurling wordt als eerste geïnformeerd alvorens de uitslag aan de opdrachtgever wordt medegedeeld door de keurend arts.

Lid 5

Op de herkeuring zijn overigens de artikelen 1 tot en met 6 van dit protocol van toepassing.

Protocol aanstellingskeuringen

Inhoudsopgave

Artikel 1

Artikel 2

Artikel 3

Artikel 4

Artikel 5

Artikel 6

Artikel 7

Artikel 1

Bij een geschiktheidsonderzoek in geval van functieverandering is geen sprake van een aanstellingskeuring, indien de bestaande aanstelling/arbeidsovereenkomst niet wordt gewijzigd. Uiteraard worden aan een geschiktheidsonderzoek bij functieverandering dezelfde eisen gesteld als aan het onderzoek in het kader van een aanstellingskeuring. Dergelijk onderzoek vindt plaats als onderdeel van bedrijfsgeneeskundige begeleiding. Vindt er wel een wijziging van de aanstelling/arbeidsovereenkomst plaats, dan is er sprake van een aanstellingskeuring.

Artikel 2

Een oordeel wordt gegeven over de belastbaarheid op het moment van de keuring. Bij de beoordeling zal daarnaast het voorkomen van schade voor de gezondheid, de bescherming van de veiligheid van de keurling alsmede de veiligheid van derden bij uitvoering van de betreffende arbeid worden betrokken. De gegevens van de aanstellingskeuring mogen na toestemming van de keurling worden gebruikt als nulmeting in het kader van de bedrijfsgeneeskundige begeleiding. Het onderzoek tijdens de aanstellingskeuring dient echter steeds gebaseerd te zijn op de doelstelling van de aanstellingskeuring, en wel op de bredere doelstelling van de bedrijfsgeneeskundige begeleiding.

Artikel 3

Lid 1

Dit betekent dat functie-eisen zijn opgesteld die vertaald zijn in gezondheidscriteria waarvoor de specifieke deskundigheid van een medicus noodzakelijk is om deze te kunnen beoordelen. Functies waaraan dezelfde eisen worden gesteld zijn geclusterd.

Lid 3

De aanstellingskeuring is geen selectie-instrument tussen sollicitanten. Zij vormt het sluitstuk van de sollicitatieprocedure.

Lid 4

De positie van de keurend arts die in dienst van de opdrachtgever werkzaam is, is vastgelegd in een professioneel statuut op grond van de Arbo-wet.

Lid 5

Onder behandelend arts wordt in het algemeen verstaan de huisarts of specialist die de patiënt in behandeling heeft. Het is ongewenst dat een arts een aanstellingskeuring verricht bij een keurling die reeds door de betreffende arts bedrijfsgeneeskundig begeleid wordt.

Lid 6

Gelet op de wettelijke verplichting voor werkgevers Arbo-diensten in te schakelen ligt het voor de hand dat aanstellingskeuringen door aan een aan Arbo-diensten verbonden arts wordt uitgevoerd.

Lid 7

Algemene ongerichte vragen en onderzoeken maken geen deel uit van een aanstellingskeuring of een aanstellingsprocedure. Vragen naar het ziekteverleden worden slechts gesteld, indien deze relevant zijn voor de beoordeling van de huidige belastbaarheid ten opzichte van de belasting door de functie, teneinde een gericht onderzoek mogelijk te maken. De uitslag van andere keuringen mag niet van invloed zijn op de beoordeling van de belastbaarheid van de keurling. Het is van belang er op te wijzen dat een aanstellingskeuring geen pensioenkeuring, arbeidsongeschiktheidskeuring of levensverzekeringskeuring is. De doelstellingen van deze keuringen zijn sterk verschillend, evenals de medische invulling ervan. Gezien het verschil in doelstellingen, en de daarbij aan de orde zijnde belangen, kan een aanstellingskeuring niet gebruikt worden als keuring voor een pensioenvoorziening of een arbeidsongeschiktheidsverzekering. De keurling kan, op voorstel van de opdrachtgever of keurend arts, aangeven de voorkeur te geven aan één medisch onderzoek, waarin de gegevens voor verschillende keuringen worden verzameld. De keurend arts dient dan bij voorkeur eerst de aanstellingskeuring (inclusief de beoordeling) af te ronden, waarna aanvullende informatie voor de verzekeringskeuring wordt verzameld.

Lid 8

In de eerste plaats moet hierbij worden gedacht aan onderzoek dat een onevenredig zware belasting voor de keurling met zich meebrengt. Daarnaast betreft het ook onderzoek waarbij het te verwachten belang voor de opdrachtgever niet opweegt tegen de risico's voor de keurling. Hieronder wordt begrepen onderzoek gericht op het verkrijgen van kennis over de kans op een ernstige niet behandelbare ziekte of over de aanwezigheid van een niet behandelbare ernstige ziekte welke naar verwachting eerst na lange tijd manifest zal worden. In het regeringsstandpunt wordt aangegeven dat onderzoek naar alcohol. drugs en geneesmiddelen slechts in aanmerking komt indien de functie-eisen daartoe aanleiding geven. Voor onderzoek naar onbehandelbare aandoeningen is als zodanig geen plaats (Tweede Kamer 1993-1994, 23612, nr. 1, p. 5). Vragen en/of onderzoek naar HIV antistoffen, naar erfelijke aanleg en (voorgenomen) zwangerschap kunnen geen onderdeel zijn van een aanstellingskeuring.

Artikel 4

Lid 1

De keurling dient daarbij onder meer informatie te krijgen over de relatie tussen de inhoud van de keuring en de voor de functie relevante informatie over de verhouding tussen belasting en belastbaarheid, over de mogelijkheid voor herkeuring, en over het eventuele gebruik van de gegevens in het kader van de bedrijfsgeneeskundige begeleiding. De keurling wordt in de gelegenheid gesteld informatie te ontvangen over de medische eisen die aan de functie worden gesteld.

Lid 2

Ten einde aan dit vereiste te voldoen, dient de keurend arts te beschikken over een opdracht die strookt met het bepaalde in het protocol en te handelen binnen de grenzen van dat protocol en zijn/haar beroepscode.

Lid 3

Voor het vragen van medische informatie dient er gerichte toestemming van de keurling te zijn, evenals voor het verstrekken van deze informatie (conform de KNMG-richtlijnen inzake het omgaan met medisch gegevens).

Lid 4

Door als eerste van de uitslag kennis te nemen kan de keurling beslissen of de opdrachtgever in kennis gesteld mag worden van de uitslag van de keuring. Deze norm is reeds in de (tucht)rechtspraak alsmede in artikel 7:464 tweede lid van de WGBO te vinden. Indien de keurling beslist dat de opdrachtgever niet in kennis mag worden gesteld van de gevolgtrekking van de keuring, brengt de redelijkheid met zich mee dat de keurling het initiatief neemt om de opdrachtgever binnen een termijn van een week in kennis te stellen van zijn/haar beslissing. Indien bij toeval tot dan toe onbekende aandoeningen of afwijkingen worden geconstateerd dient de keurend arts er voor te zorgen dat de keurling hierover op adequate wijze wordt geïnformeerd, opdat verdere diagnostiek en behandeling in de curatieve sector kan plaatsvinden. In uitzonderingsgevallen kan voor het overbrengen van de betreffende informatie de huisarts ingeschakeld worden.

Artikel 5

Lid 2

Onder positieve uitslag wordt verstaan dat er geen medische bezwaren tegen aanstelling van de keurling in de functie zijn. Onder een positieve uitslag onder bepaalde beperkingen wordt verstaan dat er geen medisch bezwaren tegen aanstelling van de keurling zijn mits bepaalde maatregelen worden getroffen. Onder een negatieve uitslag wordt verstaan dat er medische bezwaren tegen aanstelling van de keurling in de functie zijn.

Lid 3

Er kunnen zich situaties voordoen waarbij de keurend arts nog niet tot een gevolgtrekking kan komen. In de eerste plaats kunnen bepaalde uitslagen of opgevraagde relevante gegevens nog niet ontvangen zijn. Ook kan er sprake zijn van tijdelijke omstandigheden die de uitslag van de aanstellingskeuring beïnvloeden. Tenslotte kan de keurend arts niet zeker zijn van zijn bevindingen inzake de aanstellingskeuring, en een andere arts om een second opinion vragen. Er is dan geen sprake van een herkeuring. Noch de keurend arts, noch de keurling kan verplicht worden de opdrachtgever informatie te verstrekken over de reden van het aanhouden van de keuringsuitslag.

Lid 5

Voor medische gegevens geldt een algemene wettelijke bewaartermijn van tien jaar. Voor in het kader van een keuring verkregen gegevens wordt zowel in de KNMG gedragsregels II.13 als in de WGBO artikel 7:464 lid 2 aangegeven dat de gegevens slechts bewaard worden zolang dat noodzakelijk is in verband met het doel van de keuring. Indien na een aanstellingskeuring of herkeuring de sollicitatieprocedure is afgerond en er niet tot aanstelling wordt overgegaan heeft het geen nut de (her)keuringsgegevens te bewaren. De keurling zal van de voorgenomen vernietiging op de hoogte worden gesteld; dit kan geschieden bij de informatieverstrekking die voorafgaand aan de keuring plaats vindt. De keurling kan tegen deze voorgenomen vernietiging bezwaar maken en eventueel aangeven aan wie de gegevens ter beschikking moeten worden gesteld. Indien wel tot aanstelling wordt overgegaan mogen gegevens na toestemming van de keurling ter beschikking worden gesteld van de bedrijfsarts. Aan de keurling kan toestemming worden gevraagd om de keuringsgegevens voor wetenschappelijk onderzoek te gebruiken.

Artikel 6

Beide genoemde normen zijn ontleend aan de WGBO en de 'Richtlijnen inzake het omgaan met medische gegevens (1992, KNMG).

Artikel 7

Lid 2

De keuze van de herkeurend arts komt tot stand in overleg met de keurling. Gedacht kan worden aan een pool van herkeurend artsen waar de keurling een keuze uit kan maken.

Lid 3

Voor de vergoeding van de kosten voor de herkeuring zal een procedure moeten worden gevonden zodat niet herleidbaar is bij welke keurling de herkeuring heeft plaats gevonden.

Lid 4

Door als eerste geïnformeerd te worden kan de keurling beslissen of de opdrachtgever in kennis gesteld mag worden van de uitslag van de herkeuring.

Regels bij ziekte

Inhoudsopgave

Inleiding

Visie op verzuim

Verzuim wordt bezien vanuit het volgende perspectief:

Overwegingen per fase:

Verzuimreglement

De medewerker

De leidinggevende

De aanvraag ziekteverlof

Contactmomenten

Inzet bedrijfsarts

Langdurig verzuim

Frequent verzuim

Deskundigenoordeel

Maatregelen

Praktische handleiding bij verzuim:

Inleiding

De verouderde Ziektewet is al weer een aantal jaren geleden vervangen door de Wet verbetering Poortwachter. De aandacht voor verzuim is daarmee in een ander perspectief komen staan. De Wet verbetering Poortwachter legt nl. heel duidelijk een aantal verplichtingen bij de werkgever en de werknemer neer. De leidinggevende heeft daarin een heel bijzondere rol gekregen. De leidinggevende is namelijk de zgn. claimbeoordelaar en hij/zij bepaalt dus of er loondoorbetaling zal plaatsvinden bij verzuim. Verzuim is een kostbare zaak, de kosten zijn ca. € 125, - per persoon per dag. Het verzuim binnen de Veiligheidsregio is van een beperkte omvang, waardoor dit niet direct tot zorgen hoeft te leiden. Echter vanuit zorg voor het personeel is het wel degelijk zinvol het verzuim als sturingsinstrument te blijven monitoren en het de aandacht te geven die het onderwerp verdient in relatie tot inzetbaarheid van medewerkers.

Verzuimbeleid maakt deel uit van het brede spectrum van Arbobeleid, beleid dat nog verder vorm en invulling zal moeten worden gegeven.

Visie op verzuim

Binnen de Veiligheidsregio Limburg-Noord wordt de visie gehanteerd: “Ziekte overkomt je, maar verzuim is een keuze”.

Immers ziek zijn hoeft nog geen arbeidsongeschiktheid te betekenen. Het gaat primair om de mogelijkheden tot inzetbaarheid die een medewerker nog heeft. Die inzetbaarheid moet breed gezien worden, kan immers tijdelijk op een andere werkplek zijn en (binnen de totale Veiligheidsregio Limburg Noord) ook een ander organisatieonderdeel. In zijn totaliteit gaat het om de netto inzetbaarheid van alle medewerkers. Verzuim is veelal positief te beïnvloeden als de reden voor verzuim bekend is. Dat betekent dat wanneer werkgever, leidinggevende en medewerker gezamenlijk bereid zijn de oorzaak aan te pakken, ieder vanuit diens eigen verantwoordelijkheid, het verzuim naar verwachting kan worden teruggedrongen. Om een interventie te kunnen plegen op het (dreigende) verzuim is persoonlijk contact met een medewerker een absolute must. De direct leidinggevende heeft een belangrijke functie in verzuimaanpak en re-integratie. Dat vraagt om vaststelling van een hoeveelheid regels en betekent aanpassing van bestaande regels.

Verzuim wordt bezien vanuit het volgende perspectief:

We onderscheiden binnen het model van eigen regie over inzetbaarheid 3 fases:

De at home fase (Verzuimbeleid/verzuim aanpak): Hier is de medewerker arbeidsongeschikt (ziek) thuis. Deze fase is te omschrijven als de fase die begint bij de verzuimmelding en eindigt bij de herstelmelding of ontslag.

De at risk fase (Preventiebeleid): Het gaat hier om medewerkers die een verhoogd risico lopen om te verzuimen. Bijvoorbeeld om medewerkers met een chronische ziekte, medewerkers met een frequent verzuimpatroon, medewerkers die in een andere levensfase komen of medewerkers die op dit moment (nog) niet volledig inzetbaar zijn. Het kan echter ook zijn dat de arbeidsomstandigheden een risico vormen op de inzetbaarheid van medewerkers. Deze fase is te omschrijven als de fase die begint bij het signaleren van een risico/aandachtspunt, op zowel afdeling- als medewerkerniveau, en eindigt bij het opheffen of beheersen van dit risico/aandachtspunt.

De at work fase (Vitaliteitbeleid): Dit zijn de medewerkers die aan het werk zijn en volledig inzetbaar zijn. Deze fase is te omschrijven als de fase die zich richt op het verder optimaliseren en bevorderen van inzetbaarheid. Werken aan werklust en vitaliteit.

Hoewel deze drie fases, binnen het regie model, nauw met elkaar verbonden zijn, vraagt elke fase om een eigen aanpak.

Overwegingen per fase:

Fase 1 De At home fase:

De algemene indruk is dat binnen de bedrijfsonderdelen van de Veiligheidsregio Limburg Noord, het verzuimpercentage geen direct knelpunt is. Het realiseren van verzuimreductie binnen de GGD lijkt wel realistisch.

Het opstellen van centraal verzuimbeleid/gezondheidsbeleid, hetgeen aanpassing betreft van de bestaande regels bij ziekte, waarbij aanpassen van de meldingsprocedure een onderdeel is. In het verzuimreglement moeten rollen/taken/verantwoordelijkheden duidelijk worden vastgelegd alsmede de registratie van (verzuim)gesprekken.

De beschikbaarheid en interpretatie van verzuimcijfers wordt vanuit P&O opgepakt en wordt frequent onderwerp van gesprek op managementniveau alsmede in de verschillende vormen van werkoverleg.

De communicatie richting medewerkers over verzuimbeleid zal regionaal eenduidig moeten worden opgepakt, waarin de nieuwe visie nadrukkelijk zal moeten worden verwoord: “Nieuw” is de uit te dragen visie: ziek = ziek, maar ziek ? arbeidsongeschikt (maar kan wel).

Niet het ziek zijn is bepalend, maar de mate van arbeidsgeschiktheid.

De medewerker is verplicht om informatie te geven aan de leidinggevende over zijn/haar arbeidsmogelijkheden. De leidinggevende is immers de claimbeoordelaar.

De leidinggevende en de medewerker voeren samen de regie over inzetbaarheidherstellende en/of bevorderende maatregelen.

De bedrijfsarts kan, op basis van een gerichte adviesvraag, de leidinggevende en de medewerker ondersteunen en adviseren.De P&O-adviseurs zijn ondersteunend en adviserend en zij volgen daarnaast de effectiviteit van het begeleidingsproces en toetsen of de noodzakelijk activiteiten conform Wet verbetering Poortwachter ook uitgevoerd worden.

Het is raadzaam om regiobreed een databank op te stellen waaruit blijkt welke vervangende werkzaamheden er beschikbaar zijn. Vervangende werkzaamheden hoeven niet in het eigen organisatieonderdeel plaats te vinden.

Inmiddels zijn voor alle leidinggevenden structurele afspraken gemaakt voor een Sociaal Medisch Team, met per organisatieonderdeel een algemeen deel en ruimte voor elke leidinggevende om individuele medewerkers te bespreken. Daarnaast is er uiteraard ruimte om een driegesprek te voeren tussen leidinggevende, medewerker en de bedrijfsarts. Bij die gesprekken zal een P&O -adviseur aansluiten.

Fase 2 De At risk fase:

Zo nodig kunnen Plannen van Aanpak per afdeling worden opgesteld op basis van beschikbare informatie (RI&E; medewerkers tevredenheidonderzoeken, werkplekonderzoeken, etc.)

In het verzuimreglement wordt een aanpak frequent verzuimers voorgesteld bestaande uit het verplicht voeren van een verzuimgesprek bij elke 3e melding van verzuim binnen een periode van 12 maanden, waarbij de afspraken die worden gemaakt worden vastgelegd en opgeslagen in het persoonlijk dossier.

Verzuim heeft mogelijk een relatie met de levensfase van de medewerker(st)er en verzuim zal om die reden onderwerp van gesprek moeten zijn in de te houden PRO-gesprekken.

Fase 3 De At work fase (vitaliteitbeleid)

Het merendeel van de organisatieonderdelen kent geen verzuimprobleem, desondanks is het zinvol om aandacht te besteden aan het thema: “Wat kunnen wij als organisatie doen om onze medewerkers vitaal te houden en/of de huidige inzetbaarheid verder te bevorderen.” Het hebben van een regeling bedrijfsfitness is daarbij een ondersteunend middel, maar ook niet meer dan dat. Met een dergelijke regeling worden doorgaans medewerkers bereikt die al een motivatie hebben tot bewegen. De inzetbaarheid van iedere medewerker moet echter aandacht krijgen, ook van diegenen die niet intrinsiek gemotiveerd zijn tot bewegen. Een van de effecten van het sociaal beleid 2006-2009 was het ontstaan van een werkgroep gezondheid. Deze werkgroep heeft haar werkzaamheden met een rapportage afgerond. De uitkomsten daarvan kunnen mogelijk worden gebruikt bij het verder ontwikkelen van vitaliteitbeleid. Feit is dat vaak veel aandacht uitgaat naar medewerkers die verzuimen, terwijl de medewerkers die inzetbaar zijn die aandacht meer dan verdienen.

Verzuimreglement

De gezondheid van onze medewerkers is uitermate belangrijk en is mede bepalend voor het succes van onze organisatie. Wanneer een medewerker wegens ziekte niet in staat is om geheel of gedeeltelijk werkzaamheden te verrichten, heeft dit invloed op ons succes. Daarom zijn regels opgesteld over de aanvraag van ziekteverlof met eigen verantwoordelijkheden voor de organisatie en de medewerker. Met deze regels voldoet de Veiligheidsregio Limburg Noord aan de huidige wet- en regelgeving. Ook komt het tegemoet aan het doel het ziekteverzuim zoveel mogelijk terug te dringen.

Ieder mens is wel eens ziek en heeft zo nu en dan last van meer of minder ernstige klachten. Daarbij blijkt, dat bij vergelijkbare klachten, sommige mensen eerder en langer verzuimen dan anderen. Dat verschil is dan niet een verschil in ziekte, maar in verzuimgedrag. Vanzelfsprekend is verzuim soms niet vermijdbaar, maar soms ook wel. Ziek zijn overkomt je, maar verzuimen kan een keuze zijn.

Ziek zijn wil dus lang niet altijd zeggen dat er sprake is van volledige arbeidsongeschikt of dat er geen werkzaamheden meer zouden kunnen worden verricht. Wanneer er werkbare mogelijkheden zijn, streeft de Veiligheidsregio Limburg Noord er naar deze ook aan te bieden.

Deze procedure informeert over de regels rond de aanvraag van ziekteverlof. Zoals:

Wat zijn de verantwoordelijkheden van de medewerker en welke taak vervult de leidinggevende in de verlofaanvraag en de verzuimbegeleiding?

Hoe gaat een aanvraag ziekteverlof in de praktijk?

Wanneer krijgt een medewerker te maken met de bedrijfsarts, of andere deskundigen en wat als de arbeidsongeschiktheid langdurig blijkt te worden?

Ook staan in deze procedure afspraken en regels over frequent ziekteverlof (frequent verzuim).

De medewerker

Van elke arbeidsongeschikte medewerker wordt een actieve houding verwacht, gericht op een zo spoedig mogelijk herstel en een zo kort mogelijke afwezigheid.

Bij de aanvraag van ziekteverlof wordt de leidinggevende door de medewerker geïnformeerd over diens afwezigheid. Het gaat hierbij niet over de diagnose maar over de beperkingen waardoor de medewerker niet kan werken. Met andere woorden: bij de aanvraag van ziekteverlof dient de medewerker kenbaar te maken waarom hij/zij niet in staat is werkzaamheden te verrichten. Wanneer de medewerker mogelijkheden ziet tot aangepaste of vervangende werkzaamheden dient dit te worden aangegeven.

Op basis van de verstrekte informatie, beoordeelt de leidinggevende in hoeverre de ziekteverlof aanvraag geaccepteerd kan worden of dat er sprake is van een andere vorm van verlof, zoals: calamiteitenverlof, zorgverlof, vakantieverlof, betaald verlof of onbetaald verlof.

De medewerker en de leidinggevende maken samen afspraken. Onder andere over wat de medewerker en/of de leidinggevende gaat doen om terugkeer binnen de organisatie te bevorderen. Soms is het nodig of wenselijk om hierover advies te vragen bij de bedrijfsarts. De leidinggevende zal deze afspraak regelen.

Wanneer blijkt dat er wel werkbare mogelijkheden zijn, maar invulling hiervan is niet mogelijk binnen het ‘normale werk’, dan zal getracht worden om de medewerker tijdelijk elders in te zetten. Ook hierover worden afspraken met de medewerker gemaakt.

De leidinggevende

De leidinggevende heeft zowel een sturende- als een begeleidende rol gedurende de periode van arbeidsongeschiktheid van de medewerker. Zo beoordeelt de leidinggevende of de medewerker geheel of deels in aanmerking komt voor loondoorbetaling bij ziekte. Soms blijkt het verzuim bijvoorbeeld beter te passen in zorgverlof of kan er met de aandoening of beperking wel gewerkt worden. Op basis van de informatie die de leidinggevende tijdens de aanvraag van ziekteverlof krijgt, kan hij de bedrijfsarts of andere deskundigen inschakelen voor advies. De leidinggevende maakt met de medewerker afspraken over het volgende contact en spant zich samen met de medewerker in om de periode van afwezigheid zo kort mogelijk te houden. De gemaakte afspraken worden vastgelegd in het personeelsdossier.

De aanvraag ziekteverlof

Wanneer een medewerker wegens ziekte niet in staat is om geheel of gedeeltelijk het eigen werk uit te voeren, dan dient deze hierover met de leidinggevende te spreken. Dat betekent dat wanneer er contact wordt opgenomen met de organisatie middels de receptie/het secretariaat, zij de medewerker direct zullen proberen door te verbinden met de leidinggevende. Als dat niet lukt, zal er een terugbelbericht gemaakt worden voor de leidinggevende. Deze belt dan zo mogelijk dezelfde dag nog terug.

Om een goed beeld van de situatie te krijgen om verzuimverlof te kunnen verlenen zal de leidinggevende een aantal vragen stellen, zoals:

Wat is de oorzaak van het verzoek om verzuimverlof? Welke beperkingen ervaart de medewerker om het eigen werk te doen. M.a.w.: hij/zij geeft aan waarom hij/zij niet kunt werken.

Welke werkzaamheden kunnen er eventueel nog wel verricht worden? Of zijn er mogelijkheden om andere, passende taken te doen?

Wat kan de organisatie doen om het herstel te bevorderen? Wat gaat de medewerker hier zelf aan doen?

Hoe lang gaat het duren? Zijn er taken die iemand anders kan/moet overnemen? Zijn er afspraken die afgezegd moeten worden?

Waar is de medewerker te bereiken? Bijvoorbeeld bij ziekenhuisopname moet de naam van het ziekenhuis doorgegeven worden of een afwijkend verpleegadres. Ook als er tussentijds van verblijfadres wordt gewijzigd dient dit te worden doorgegeven aan de leidinggevende.

Wat is het vervolg op dit gesprek en wat voor afspraken voor vervolgcontact worden gemaakt.

De leidinggevende beoordeelt op basis van het gesprek of er verzuimverlof opgenomen kan worden en maakt afspraken over werkhervatting- en re-integratiemogelijkheden. Soms kan het wenselijk zijn om eerst een persoonlijk gesprek te hebben. De leidinggevende geeft zo nodig aan welke stappen er vanuit de afdeling P&O gezet kunnen of moeten worden.

Contactmomenten

Gedurende het verzuimverlof is het belangrijk dat er regelmatig contact (telefonisch en/of persoonlijk) is tussen de medewerker en de direct leidinggevende en/of de P&O functionaris. Indien nodig wordt de bedrijfsarts ingeschakeld om een advies te geven over de belastbaarheid en werkhervattingmogelijkheden. Tijdens de contactmomenten tussen medewerker en direct leidinggevende zal de nadruk liggen op welke werkzaamheden wél kunnen worden verrichten en hoe zo snel mogelijk weer kan worden deelgenomen aan het arbeidsproces.

Inzet bedrijfsarts

Bij de beoordeling van de mate van arbeids(on)geschiktheid kan advies worden gevraagd aan de bedrijfsarts. De bedrijfsarts is medisch adviseur van zowel de medewerker als de werkgever en adviseert over belastbaarheid, herstelgedrag en mogelijkheden voor inzet in werk. Alvorens op het spreekuur te verschijnen formuleren medewerker en leidinggevende samen een concrete vraagstelling waarover advies van de bedrijfsarts wenselijk is. De bedrijfsarts adviseert tevens over in te zetten interventies, die gericht zijn op werkhervatting-mogelijkheden. Het werkhervattingadvies wordt na afloop van het spreekuurbezoek aan de medewerker uitgereikt. Ook de leidinggevende krijgt hiervan een afschrift.

Langdurig verzuim

Wanneer sprake is van (dreigend) langdurig verzuim zal de P&O functionaris ingeschakeld worden. De P&O functionaris zal medewerker en leidinggevende ondersteunen bij het begeleiden, met als doel om een spoedige werkhervatting mogelijk te maken. Na vijf weken arbeidsongeschiktheid volgt in ieder geval ook een gezamenlijk gesprek met de P&O functionaris en de leidinggevende. Doel van dit gesprek is om kritisch na te gaan of de juiste inspanningen gedaan worden, zowel door de organisatie als door de medewerker, om de re-integratie (terugkeer op het werk) te bevorderen.

Frequent verzuim

Wanneer de medewerker drie of meer keer binnen een periode van 12 maanden arbeidsongeschikt is geweest, is er sprake van frequent verzuim. In dat geval zal de leidinggevende de medewerker uitnodigen voor een gesprek. Het doel van dit gesprek is om afspraken te maken die ertoe moeten leiden het frequente verzuim weer op een accepttabel niveau te krijgen.

(Nb. Er kunnen duidelijke oorzaken/redenen zijn van de frequente afwezigheid. Het probleem (de frequente afwezigheid) is daarmee nog niet opgelost en dient daarom bespreekbaar gemaakt te worden. Afspraken die in dit gesprek worden gemaakt worden vastgelegd in een verslag en dat verslag wordt opgeborgen in het persoonlijk dossier.

Deskundigenoordeel

Het kan voorkomen dat de medewerker het niet eens is met de beslissing van de leidinggevende. In dat geval zal altijd contact opgenomen worden met de bedrijfsarts. Aan de hand van een concrete vraagstelling zal dan advies ingewonnen worden bij de bedrijfsarts.

Wanneer de medewerker het met het advies van de bedrijfsarts niet eens is, moet dit per direct aan de bedrijfsarts worden gemeld. De medewerker kan dan een deskundigenoordeel aanvragen bij de uitvoeringsinstelling (UWV). De bedrijfsarts geeft aan hoe en waar de uitvoeringsinstelling is te bereiken.

Maatregelen

Vanuit de wetgeving worden strenge voorwaarden verbonden aan de re-integratie-inspanningen van zowel de werkgever als de medewerker. Dit betekent dat enerzijds wij als Veiligheidsregio Limburg Noord vanuit onze zorgplicht alles moeten doen om re-integratie mogelijk te maken, waar nodig door het aanbieden van passend werk, interventies of externe re-integratie. Aan de andere kant is de medewerker verplicht om passend werk te aanvaarden en er alles aan te doen om de periode van loondoorbetaling bij ziekte voor de Veiligheidsregio Limburg Noord zo veel mogelijk te beperken. De Veiligheidsregio Limburg Noord is gerechtigd om maatregelen te nemen wanneer overtredingen geconstateerd worden, zoals het opschorten van de loondoorbetaling.

Praktische handleiding bij verzuim:

De medewerker die meent niet in staat te zijn om te werken door ziekte meldt dat z.s.m. op de eerste werkdag, maar in elk geval voor 09.00 uur bij de leidinggevende. Als de leidinggevende niet bereikbaar is, dan geschiedt dit bij diens vervanger. Ook geeft de medewerker dit door aan de receptie/het secretariaat, zodat de melding schriftelijk wordt vastgelegd.

Medewerker en leidinggevende maken afspraken over (vervangend) werk, vervolgcontact(en) tussen beide, dan wel welke adviesvraag aan de bedrijfsarts zal worden voorgelegd.

Bij (dreigend) langdurig verzuim zal P&O worden ingeschakeld, teneinde een spoedige werkhervatting mogelijk te maken.

Wanneer een medewerker binnen een periode van 12 maanden een 3e verzuimmelding doet, zal de leidinggevende hem/haar uitnodigen voor een verzuimgesprek. De afspraken die daarin gemaakt worden schriftelijk vastgelegd en bewaard in het persoonlijk dossier.

Bij verschil van inzicht tussen medewerker en leidinggevende kan de bedrijfsarts om een advies worden gevraagd. Is een der partijen het oneens met het advies van de bedrijfsarts dan kan een deskundigenoordeel worden aangevraagd. Ook kan er een driegesprek plaatsvinden tussen leidinggevende, medewerker en bedrijfsarts.

Wil de medewerker tijdens een periode van verzuim met vakantie, dan kan dit alleen met toestemming vooraf van de leidinggevende. Duidelijk mag zijn dat er tijdens de vakantie niets mag worden ondernomen wat herstel negatief zou kunnen beïnvloeden.

Treedt verzuim door ziekte op tijdens vakantie dan meldt de medewerker dat terstond, vanaf het vakantieadres. De ziekte dient in dit geval schriftelijk te worden bevestigd door een arts. Die verklaring kan bij terugkeer leiden tot correctie van het verlof.

Op de eerste dag van gehele of gedeeltelijke werkhervatting (al dan niet op therapeutische basis) meldt de werknemer dit bij de leidinggevende en bij de receptie/het secretariaat zodat dit geregistreerd wordt.

Afspraken die i.v.m. werkhervatting zijn gemaakt, worden door de leidinggevende geregeld.

Wanneer de medewerker wordt opgeroepen door de Arbodienst is deze verplicht te verschijnen op het spreekuur van de bedrijfsarts dan wel een door de arbodienst aangewezen.

Reisregeling Veiligheidsregio Limburg-Noord

Inhoudsopgave

§1 Begripsbepalingen

Artikel 1 Begripsbepalingen

Artikel 2 Begin en einde van de dienstreis

§2 Vergoeding wegens reiskosten

Artikel 3 Openbaar vervoer

Artikel 4 Het gebruik van de eigen auto

Artikel 5 Het gebruik van de eigen auto

Artikel 6 Het gebruik van de eigen (brom)fiets

Artikel 7 Het gebruik van de eigen (brom)fiets

Artikel 8 Verblijfkosten

Artikel 9 Vergoedingen

§3 Slotbepalingen

Artikel 10 Reisdeclaraties

Artikel 11 Hardheidsclausule

Artikel 12 Inwerkingtreding/citeertitel

§1 Begripsbepalingen

Artikel 1 Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

medewerker: degene, op wie deel I van toepassing is, alsmede degene, die op de arbeidsovereenkomst in dienst is.

plaats van tewerkstelling: het gebouw, gebouwencomplex of terrein, dat de medewerker voor de uitoefening van zijn functie is aangewezen;

dienstreis: de noodzakelijke verplaatsing van een medewerker tot het verrichten van dienst buiten de plaats van tewerkstelling, alsmede het hiermee verband houdende verblijf buiten deze plaats.

Artikel 2 Begin en einde van de dienstreis

Lid 1

Voor de vergoeding van reis- en verblijfkosten geldt, dat de standplaats het begin- en eindpunt van de dienstreis is.

Lid 2

In afwijking van het bepaalde in het eerste lid kan de woning van de medewerker als beginpunt respectievelijk als eindpunt van de dienstreis worden aangemerkt als de dienstreis:

Begint en eindigt bij de woning van de medewerker zonder dat de standplaats wordt bezocht;

Begint bij de woning van de medewerker en via het reisdoel eindigt op de standplaats of

Begint bij de standplaats en via het reisdoel eindigt bij de woning van de medewerker

Lid 3

T.a.v de dienstreis genoemd in lid 2 geldt, dat:

De vergoeding nooit hoger is dan de retourafstand standplaats-reisdoel (zoals bepaald in lid 1). Werkelijk gereden kilometers verband houdende met de beschreven afstanden zijn declarabel en

Woon-werkverkeer in het kader van het Sociaal Statuut niet declarabel is, tenzij de voor eigen rekening blijvende kilometers in het traject van de dienstreis meer zijn dan de oorspronkelijke woon-werkverkeerafstand.

Lid 4

In gevallen waarin toepassing van dit artikel leidt tot onredelijke uitkomsten kan de directeur van het sectoronderdeel waarop de declaratie betrekking heeft een afwijkende regeling treffen.

§2 Vergoeding wegens reiskosten

Artikel 3 Openbaar vervoer

Lid 1

Wegens reiskosten per openbaar vervoer worden vergoed de kosten van het openbaar vervoer die in verband met de dienstreis blijkens overgelegde bewijsstukken zijn gemaakt.

Lid 2

Indien een dienstreis onder 1 niet per openbaar vervoer is afgelegd maar met eigen auto wordt € 0,09 ) op declaratiebasis vergoed.

Lid 3

De medewerker die tijdens een dienstreis gebruik maakt van vervoer per trein is gerechtigd om voor rekening van de Veiligheidsregio in de eerste klasse te reizen.

Artikel 4 Het gebruik van de eigen auto

Lid 1

Om reden van doelmatigheid (bv. het niet beschikbaar zijn van een dienstauto) kan voor het incidenteel, dan wel geregeld gebruik van de eigen auto voor dienstreizen door de sectordirecteur toestemming worden verleend.

Lid 2

Voor het gebruik van de eigen auto, bedoeld in het eerste lid, geldt het bedrag per afgelegde kilometer, ingevolge artikel 2 van de Reisregeling binnenland.

Artikel 5

Voor dienstreizen buiten de provincie Limburg, in de regio Eindhoven en in het Duitse grensgebied kan alleen gebruik worden gemaakt van de eigen auto indien zulks naar het oordeel van de sectordirecteur op gronden van doelmatigheid (bv. het niet beschikbaar zijn van een dienstauto) gewenst is. In de volgende gevallen wordt de dienstreis per eigen auto geacht doelmatiger te zijn dan gebruik van een openbaar middel van vervoer:

de reis vindt plaats in gezelschap van een of meer medewerkers die dezelfde reis moeten maken en daardoor de reis per auto goedkoper is dan per openbaar middel van vervoer (carpoolen);

het reisdoel per openbaar middel van vervoer niet of zeer moeilijk bereikbaar is;

de medewerker apparaten moet meenemen.

Artikel 6 Het gebruik van de eigen (brom)fiets

Lid 1

Aan de medewerker, van wie het dienstbelang vordert, dat hij voor dienstreizen geregeld gebruik maakt van een (brom)fiets, kan door het Dagelijks Bestuur toestemming worden verleend tot het gebruik van zijn eigen (brom)fiets en wordt hem deswege een vergoeding toegekend.

Lid 2

Als vergoeding, bedoeld in het eerste lid, geldt het bedrag per afgelegde kilometer, ingevolge artikel 4 van de Reisregeling binnenland (16 maart 1993, nr. AB 93/U280 Stcrt.56).

Artikel 7

Lid 1

Aan de medewerker, van wie het dienstbelang vordert, dat hij voor dienstreizen geregeld gebruik maakt van een rijwiel, kan door de sectordirecteur een vergoeding worden toegekend voor het gebruik van zijn eigen rijwiel.

Lid 2

Al naar gelang de medewerker door de sectordirecteur wordt ingedeeld in één van onderstaande categorieën, wordt voor de vergoeding uitgegaan van het bedrag per kilometer, als genoemd in artikel 4 van de Reisregeling binnenland van 16 maart 1993, nr. AB93/U280 (Stcrt.56):

categorie 1: bij een gebruik voor de dienst van gemiddeld minder dan 1800 kmper jaar, wordt voor de vergoeding 1500 kilometer in aanmerking genomen;

categorie 2: bij een gebruik voor de dienst van gemiddeld 1800 tot en met 3600 km per jaar, wordt voor de vergoeding 3000 kilometer in aanmerking genomen;

categorie 3: bij een gebruik voor de dienst van gemiddeld meer dan 3600 km per jaar, wordt voor de vergoeding 4000 kilometer in aanmerking genomen.

Lid 3

Bij niet-vervulling van de functie onafgebroken langer dan twee maanden, wordt de op grond van dit artikel toegekende vergoeding voor de verdere duur daarvan stopgezet.

Artikel 8 Verblijfkosten

Lid 1

De in verband met een dienstreis noodzakelijk gemaakte kosten voor maaltijden en logies en voor kleine uitgaven overdag en ‘s avonds worden vergoed overeenkomstig het bepaalde in artikel 9.

Lid 2

Geen aanspraak op vergoeding wegens verblijfkosten bestaat voor een dienstreis korter dan vier uur en voor een dienstreis binnen de Veiligheidsregio Limburg-Noord.

Artikel 9 Vergoedingen

Lid 1

De vergoeding voor verblijfkosten als bedoeld in artikel 8, omvat voor ieder vol etmaal dat de dienstreis duurt:

een bedrag voor kleine uitgaven overdag (dagcomponent);

een bedrag voor kleine uitgaven ’s avonds (avondcomponent);

vermeerderd met:

een bedrag voor een lunch (lunchcomponent);

een bedrag voor een avondmaaltijd (dinercomponent);

een bedrag voor logies (logiescomponent);

een bedrag voor een ontbijt (ontbijtcomponent).

Lid 2

De aanspraak op voornoemde vergoedingen bestaat slechts indien voor het verkrijgen van de respectievelijke verstrekkingen kosten zijn gemaakt in een daarvoor bestemde gelegenheid.

Lid 3

Bij aansluitende dienstreizen kan de avondcomponent als bedoeld in het eerste lid niet langer dan voor de eerste acht avonden worden toegekend. Voor ieder volgend etmaal dat binnen die dienstreizen valt, wordt het bedrag van de avondcomponent gehalveerd.

Lid 4

Voor een resterend gedeelte van een etmaal, dan wel voor een incidentele dienstreis van kortere duur dan een etmaal, worden de uit te keren bedragen voor verblijfkosten berekend overeenkomstig het eerste, het tweede en het derde lid, met dien verstande dat:

de dagcomponent slechts wordt toegekend, indien mede wordt voldaan aan de voorwaarde dat tenminste 4 uren in het resterende gedeelte of in de dienstreis valt;

de avondcomponent en de ontbijtcomponent slechts worden toegekend, indien mede wordt voldaan aan de voorwaarde dat een overnachting in het resterende gedeelte of in de dienstreis valt;

de lunchcomponent respectievelijk de dinercomponent slechts worden toegekend, indien mede wordt voldaan aan de voorwaarde dat de tijd tussen 12.00 uur en 14.00 uur respectievelijk tussen 18.00 uur en 21.00 uur geheel in het resterende gedeelte of in de dienstreis valt.

Lid 5

De vergoedingen als bedoeld in dit artikel zijn gelijk aan de gemaakte kosten, met dien verstande dat de vergoedingsbedragen van de verschillende componenten maximaal bedragen de overeenkomstig de door de Minister van Binnenlandse Zaken ter zake vastgestelde vergoedingen voor het burgerlijk rijkspersoneel.

§3 Slotbepalingen

Artikel 10 Reisdeclaraties

Lid 1

Het declareren van de reis- en of verblijfkosten geschiedt op een door de sector voorgeschreven wijze, onder overlegging van de vereiste bewijsstukken.

Lid 2

De aanspraak op een vergoeding vervalt, indien de medewerker de declaratie niet indient binnen drie maanden na de maand waarop de declaratie betrekking heeft.

Artikel 11 Hardheidsclausule

In gevallen waarin deze regeling niet of niet in redelijkheid voorziet, neemt de sectordirecteur een beslissing.

Artikel 12 Inwerkingtreding/citeertitel

Lid 1

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2002

Lid 2

Deze regeling kan worden aangehaald als “Reisregeling personeel Veiligheidsregio Limburg-Noord”.

Richtlijnen met betrekking tot de diensttijd, geldend voor ambtsjubileum

Inhoudsopgave

Artikel 1

Artikel 2 Geen diensttijd

Artikel 3 Geen dubbeltelling

Artikel 4 Niet aaneengesloten diensttijd

Artikel 5 Niet aaneengesloten diensttijd

Artikel 1

Als overheidsdienst wordt aangemerkt de tijd, doorgebracht:

In een burgerlijke dienstbetrekking bij de Nederlandse overheid, waaronder te dezen mede worden begrepen de N.V. Nederlandse Spoorwegen, de vm. N.V. Artillerie-Inrichtingen” en de N.V. Staatsmijnen;

in een betrekking (vóór 1 januari 1966), als bedoeld in artikel 4, eerste lid van de Pensioenwet 1922 (Stb. 1922, 240), een betrekking, als bedoeld in artikel B2 van de Algemene burgerlijke pensioenwet (Stb. 1966, 6) in een betrekking als bedoeld in artikel U 1 van die wet;

in burgerlijke dienst bij de overheid in de landen Suriname (tot 25 november 1975) en de Nederlandse Antillen, bij de voormalige gouvernementen van Suriname, Curaçao en Nieuw-Guinea en (tot 27 december 1949) bij de voormalige Indische Pensioenfondsen;

in dienst bij de niet- openbaar onderwijs in de onder c. genoemde landen en voormalige overzeese rijksdelen, voor zover zulks de belanghebbende onder de werkingssfeer van een overheidspensioenregeling bracht of zou hebben gebracht, indien hij in vaste dienst was geweest;

tot en met 31 december 1954 in dienst van de republiek Indonesië, voor zover die tijd door de Garantiewet Burgerlijk Overheidspersoneel Indonesië wordt bestreken;

in Nederlandse militaire of daarmede voor de toepassing van de Arbeidsvoorwaardenregeling gelijkgestelde dienst, waaronder begrepen dienst bij het voormalig K.N.I.L. en de troepen in Suriname (tot 25 november 1975) en de Nederlandse Antillen en Aruba;

als volontair met een volledige dagtaak;

de tijd, waarover rechtsherstel is verleend.

Artikel 2 Geen diensttijd

Als diensttijd in de zin van deze regeling wordt, in afwijking van het vorenstaande, niet aangemerkt diensttijd, welke niet in actieve dienst is doorgebracht wegens het bekleden van een politiek ambt. Voorts komt als dienst niet in aanmerking tijd, welke is doorgebracht buiten het genot van inkomsten uit de dienstbetrekking, behoudens - onverminderd het bepaalde in de vorige volzin - voor zoveel het tijd betreft, gedurende welke betrokkene buitengewoon verlof heeft genoten mede dan wel overwegend in het algemeen belang (artikel 6:4:4 van deel I). Evenmin wordt als diensttijd aangemerkt fictieve diensttijd, onverminderd het onder 1 h bepaalde.

Artikel 3 Geen dubbeltelling

Diensttijd, gelijktijdig in meer dan één betrekking doorgebracht, telt voor de vaststelling van de datum van het ambtsjubileum slechts eenmaal mede. Evenmin vindt dubbeltelling plaats van diensttijd, doorgebracht binnen de keerkringen of in andere bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gebieden als bedoeld in artikel B 4 van de Algemene burgerlijke pensioenwet (Stb. 1966, 6).

Artikel 4 Niet aaneengesloten diensttijd

De diensttijd behoeft niet aaneengesloten te zijn. De perioden van onderbreking worden uiteraard niet als diensttijd aangemerkt.

Artikel 5 Niet aaneengesloten diensttijd

Deze richtlijnen, welke kunnen worden aangehaald als “Richtlijnen met betrekking tot de diensttijd, geldend voor ambtsjubileum”, treden in werking op 1 januari 2002.

Rookbeleid

Op 1 januari 2004 is het recht op een rookvrije werkplek in werking getreden. Werkgevers zijn verplicht om ervoor te zorgen dat werknemers kunnen werken zonder hinder of overlast te ondervinden van tabaksrook. Het recht op een rookvrije werkplek beperkt zich niet tot werkkamers maar omvat alle ruimten waar werknemers kunnen komen zoals trappen, hallen, gangen, liften, toiletten, wachtruimten, recreatieruimten, kantines en dergelijke. Tegen deze achtergrond is het volgende rookbeleid geformuleerd voor alle dienstgebouwen en terreinen behorende tot de Veiligheidsregio Limburg-Noord.

In alle gebouwen en op alle terreinen van de Veiligheidsregio Limburg-Noord mag niet worden gerookt. Het verbod geldt ook in alle bedrijfswagens waarvan door medewerkers gebruik kan worden gemaakt.

Een uitzondering op deze regel geldt voor speciaal daarvoor ingerichte specifieke rookgelegenheden. Voor alle dienstgebouwen geldt, dat medewerkers door de werkgever indien mogelijk, in de gelegenheid worden gesteld om te roken in daarvoor in te richten (beperkte) voorzieningen die buiten het zicht van de bezoekers worden geplaatst (bijvoorbeeld een overkapping). Uitgangspunt hierbij is, dat er sprake is van een eenvoudige voorziening. Per locatie wordt dit apart bezien.

In de locaties die van derden worden gehuurd geldt dit rookbeleid alleen in de gehuurde werkruimtes. In eventueel niet gehuurde werkruimtes in datzelfde gebouw is het rookbeleid van de verhuurder van toepassing.

In overleg met de lijnverantwoordelijke worden afspraken gemaakt over de frequentie en de tijdstippen waarop gebruik gemaakt kan worden van de specifieke rookgelegenheid. Uitgangspunt is, dat ter compensatie van de extra rookpauzes, de rokende fulltime medewerker jaarlijks twee verlofdagen (14,4 uur) inlevert of een en ander compenseert door 14,4 uur meer te werken (zonder salaris) dan de jaarlijkse arbeidsduur. Voor deeltijdmedewerkers geldt dit aantal uren naar rato van de functieomvang.

Dit beleid is, gehoord de Ondernemingsraad en de Commissie voor het Georganiseerd Overleg, vastgesteld in de vergadering van het Dagelijks Bestuur van 6 juli 2006 en geldt met ingang van 1 januari 2007.

Sociaal statuut organisatieontwikkeling VRLN 2012

Inhoudsopgave

Artikel 1 Doel van het Sociaal Statuut

Artikel 2 Werkingssfeer van het Sociaal plan

Artikel 3 Definities

Artikel 4 Uitgangspunten

Artikel 5 Toepasbaarheid

Artikel 6 Gezamenlijke Inspanningsverplichting bij organisatiewijziging

Artikel 7 Kwaliteit

Artikel 8 Medewerking

Artikel 9 Functieboek

Artikel 10 Categorieën functies

Artikel 11 Reflectie mogelijkheid

Artikel 12 Plaatsingscommissie

Artikel 13 Bronmateriaal voor commissie

Artikel 14 Bevoegdheden commissie

Artikel 15 Plichten commissie

Artikel 16

Artikel 17 Nadere informatie/inlichtingen

Artikel 18 Plaatsing categorie A functies

Artikel 19 Plaatsing categorie B functies

Artikel 20 Belangstelling bij categorie C functies

Artikel 21 Uitgangspunten plaatsing categorie C functies

Artikel 22 Voorkeursvolgorde bij herplaatsing

Artikel 23 Basisgegevens bij plaatsingsvoorstellen

Artikel 24 Inspanningsverplichting

Artikel 25 Plaatsingsbesluit

Artikel 26 Plaatsing tijdelijk personeel

Artikel 27 Salarisgarantie

Artikel 28 Persoonsgebonden toelage

Artikel 29 Functiegebonden toelage

Artikel 30 Wijziging standplaats

Artikel 31 Gratificaties

Artikel 32 Werk naar werkgarantie

Artikel 33 Maatwerk

Artikel 34 Faciliteiten externe oriëntatie

Artikel 35 Loonsuppletie

Artikel 36 Algemene wet bestuursrecht

Artikel 37 Bezwarencommissie

Artikel 39 Onvoorziene situaties

Artikel 40 Citeertitel en inwerkingtreding

Artikel 1 Doel van het Sociaal Statuut

Dit Sociaal Statuut heeft tot doel de uitgangspunten vast te stellen, waar nodig aanvullende rechtspositionele waarborgen te geven en nadere regels te stellen die nodig zijn om de personele wijzigingen tijdens de organisatiewijziging verband houdend met invoering van de nieuwe besturings- en bedrijfsvoeringsfilosofie VRLN, het nieuwe management- en besturingsconcept alsmede de nieuwe hoofdstructuur en in ontwikkeling zijnde fijnstructuur op sociaal verantwoorde wijze te doen verlopen.

Dit Sociaal Statuut kan van toepassing worden verklaard op toekomstige kleinere interne organisatorische wijzigingen.

Artikel 2 Werkingssfeer van het Sociaal plan

Lid 1

De Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling voor de sector gemeenten (CAR) en de Uitwerkingsovereenkomst (UWO) zijn van toepassing en vormen de basis van dit statuut.

Lid 2

Dit statuut dient ter vervanging van het Sociaal statuut VRLN 2004.

Lid 3

Onder de werkingssfeer van dit sociaal statuut vallen niet die medewerkers die reeds onder een voorafgaand actief sociaal statuut of plan vallen voor wie nog niet een definitieve plaatsing is gerealiseerd.

Lid 4

Het Sociaal Statuut is niet van toepassing op brandweervrijwilligers.

Artikel 3 Definities

De definities zoals opgenomen in de Arbeidsvoorwaardenregeling Veiligheidsregio Limburg-Noord (AVR) zijn onverkort van toepassing. Voorts wordt verstaan onder:

Medewerker: ambtenaar in vaste dienst van de VRLN op basis van de AVR of een ambtenaar in tijdelijke dienst met een proeftijd en uitzicht op een vast dienstverband;

Directie: functionarissen aangesteld als directeur en algemeen directeur in de nieuwe organisatie;

Afdelingsmanagement: functionarissen aangesteld als afdelingshoofd in de nieuwe organisatie;

Coördinatoren; niet leidinggevende functies belast met (deel van) coördinatie of bedrijfsvoering binnen een organisatorische eenheid;

Plaatsingscommissie: de door het Dagelijks Bestuur benoemde commissie bestaande uit een vertegenwoordiger namens de werkgever, een vertegenwoordiger van de vakorganisaties niet zijnde medewerker(s) in dienst van de organisatie VRLN en een door hen gezamenlijk voorgedragen voorzitter die aan de directie een advies uitbrengt over de plaatsingen in de nieuwe organisatie;

Functie: geheel van werkzaamheden welke door de medewerker dienen te worden verricht;

Functieboek: overzicht van alle functies die in de nieuwe organisatie ingesteld zijn;

Passende functie: een functie die de medewerker redelijkerwijs in verband met zijn persoonlijkheid, zijn omstandigheden en zijn vaardigheden en de voor hem bestaande vooruitzichten kan worden opgedragen. Hierbij geldt de beperking dat uitsluitend sprake kan zijn van een passende functie indien de functiesalarisschaal niet meer dan twee salarisschalen lager is dan de salarisschaal die geldt voor betrokkene op de dag direct voorafgaand aan de datum van de organisatiewijziging;

Vervallen functie: een functie die in het functieboek als vervallen wordt gedefinieerd;

Geschikte functie: een functie die niet valt onder het begrip passend maar die de ambtenaar bereid is te vervullen;

Voorkeursfunctie: een functie waarvan de medewerker te kennen geeft deze bij voorkeur te willen vervullen;

Categorie A: de functie is nagenoeg hetzelfde als in de oude situatie en de totaal beschikbare formatie is niet verminderd = ongewijzigde functie;

Categorie B: de functie valt in categorie A, maar daarbij is de beschikbare formatie lager dan het aantal ambtenaren dat voor de functie in aanmerking komt;

Categorie C: de functie is substantieel gewijzigd of vervalt en/of er zijn nieuwe taken aan de functie toegevoegd = gewijzigde functie.

Artikel 4 Uitgangspunten

Lid 1

De belangen van de organisatie en de medewerkers zijn gelijkwaardig. Sociale, financiële en organisatorische aspecten van de organisatieverandering worden daarom bij het voorbereiden en beschouwen hiervan in gelijke mate in beschouwing genomen.

Lid 2

Basisgedachte is dat de organisatie en haar medewerkers kunnen inspelen op de steeds veranderende omgeving. Dit houdt in dat niet zo zeer de taken van de organisatie centraal staan, maar meer en meer het lerend vermogen van de medewerkers. Flexibiliteit is derhalve het kernbegrip. Sociale competenties en steeds (opnieuw) leren van (vak)vaardigheden staan centraal bij de medewerker. De leiding moet helpen om dit te realiseren en richting te geven aan de organisatie.

Lid 3

In het kader van de flexibiliteit, zoals bedoeld in lid 2, wordt de aanstelling in algemene dienst geïntroduceerd. Bij de organisatiewijziging worden de huidige aanstellingen vervangen door een aanstelling in algemene dienst. Dit betekent dat de medewerker ook elders binnen de organisatie op een gelijkwaardige functie inzetbaar is. Deze flexibele inzetbaarheid wordt ook mede mogelijk gemaakt door het werken met functiefamilies: alle functies worden beschreven met behulp van een beperkt aantal, algemeen geformuleerde zogenaamde standaard functieschetsen. Een aanstelling in algemene dienst verandert niets aan de rechtspositie van een medewerker. Het enige dat verandert is dat nadrukkelijker dan voorheen de mogelijkheden tot flexibiliteit die de AVR biedt, daadwerkelijk worden benut.

Lid 4

Besluiten ten aanzien van de medewerker worden niet eerder genomen nadat de betrokkene (indien hij dat wenst) door (een vertegenwoordiging van de) plaatsingscommissie is gehoord en hij zijn wensen, belangstelling en alles wat hij van belang acht kenbaar heeft kunnen maken. Hij kan zich laten bijstaan door een raadsman.

Artikel 5 Toepasbaarheid

Lid 1

Dit statuut is toepasbaar voor de algehele organisatiewijziging waarbij ook functiegroep(en) ten behoeve van de bouw of ontwikkeling van de organisatie bij voorrang ten uitvoering worden gebracht;

Lid 2

De toepassing als bedoeld in lid 1 is te beschouwen als een afzonderlijke organisatiewijziging waarvan vooraf de medezeggenschap alsook de betreffende medewerkers in kennis worden gesteld.

Lid 3

Dit statuut is ook van toepassing op kleinere organisatiewijzigingen waarbij minimaal sprake is van een wijzing van meer dan 25 % van de functies behorend tot de betreffende organisatorische eenheid.

Artikel 6 Gezamenlijke Inspanningsverplichting bij organisatiewijziging

Zowel werkgever als medewerkers zullen zich tot het uiterste inspannen om te voorkomen dat de bij de organisatiewijziging betrokken medewerkers onvrijwillig werkloos raken. Uitgangspunt hierbij is dat er geen gedwongen ontslagen zullen plaatsvinden.

Artikel 7 Kwaliteit

De VRLN stelt met inachtneming van de uitgangspunten van dit statuut het kwaliteits-criterium voorop bij de beslissingen die genomen moeten worden. Dit betekent dat de Plaatsingscommissie die kandidaat voorrang geeft die het beste voldoet aan de functie-eisen. De commissie maakt daarbij gebruik van het functieboek en de in artikel 13 beschreven bronnen.

Artikel 8 Medewerking

Lid 1

Zowel organisatie als medewerker verlenen alle medewerking die nodig is voor een juiste toepassing van dit statuut;

Lid 2

De medewerker zal zich tot het uiterste moeten inspannen om in een passende functie geplaatst te kunnen worden;

Lid 3

Indien aantoonbaar onvoldoende medewerking door de medewerker wordt verleend aan de voor hem geldende verplichting uit dit statuut kan dit uitsluitsel voor delen van de regeling betekenen en in voorkomende gevallen ontslag tot gevolg hebben.

Artikel 9 Functieboek

Lid 1

Voorafgaand aan de plaatsing in de nieuwe organisatie/effectuering van organisatiewijziging, wordt een nieuw (deel) functieboek vastgesteld met daarbij een vastgestelde waardering.

Lid 2

Er worden in de organisatie een zodanig aantal functieboeken neergelegd zodat eenieder daarvan kennis kan nemen.

Artikel 10 Categorieën functies

Ten behoeve van de bepaling of een functie ongewijzigd is (art. 3 sub l tot en met n) worden de functies ingedeeld in de volgende categorieën:

Categorie A: De functie is nagenoeg hetzelfde als in de oude situatie en de totaal beschikbare formatie is niet verminderd = ongewijzigde functie (25 % van de oude functie of minder is gewijzigd).

Categorie B: De functie valt in categorie A, maar daarbij is de beschikbare formatie lager dan het aantal medewerkers dat voor de functie in aanmerking komt.

Categorie C: De functie vervalt of is substantieel gewijzigd en/of er zijn nieuwe taken aan de functie toegevoegd = gewijzigde functie (meer dan 25 % van de niveaubepalende taken van de oude functie is gewijzigd).

Artikel 11 Reflectie mogelijkheid

Lid 1

Het Dagelijks Bestuur doet aan alle medewerkers schriftelijk mededeling over hun positie in het organisatieveranderingsproces. Duidelijk moet blijken of betrokkene een functie bekleedt die ongewijzigd blijft, gewijzigd wordt of komt te vervallen.

Lid 2

Medewerkers waarvan de functie is gewijzigd of is komen te vervallen (categorie C) dienen binnen een nog nader vast te stellen termijn door middel van een reflectieformulier voorkeursfuncties kenbaar te maken. Verder worden zij in de gelegenheid gesteld een motivering voor de belangstelling aan te geven.

Artikel 12 Plaatsingscommissie

Lid 1

Het Dagelijks Bestuur stelt een plaatsingscommissie in, bestaande uit een vertegenwoordiger namens de werkgever, een vertegenwoordiger van de vakorganisaties niet zijnde medewerker(s) in dienst van de organisatie VRLN en een door hen gezamenlijk voorgedragen voorzitter (bij voorkeur met ruime ervaring als professioneel selecteur en als voorzitter van een selectiecommissie in het kader van gemeentelijke herplaatsingsprocedures) die aan de directie een advies uitbrengt over de plaatsingen in de nieuwe organisatie.

Lid 2

De plaatsingscommissie wordt bijgestaan door een ambtelijk secretaris (geen lid van de commissie en zonder stemrecht).

Lid 3

De commissie is unaniem in haar advisering en de vergaderingen van de plaatsingscommissie zijn besloten.

Lid 4

De voorzitter van de commissie kan ten behoeve van de procesbewaking en ter versterking van de objectieve werkwijze adviseurs de vergadering laten bijwonen. Deze hebben geen stemrecht.

Artikel 13 Bronmateriaal voor commissie

De plaatsingscommissie heeft tot haar beschikking:

Besturings- en bedrijfsvoeringsconcept

Directie- en managementconcept

Strategische HRM nota

Opleidings- en werkervaringsgegevens

Pro-gespreksformulieren (met instemming van medewerker)

Eventuele geschiktheidtesten bijvoorbeeld een assessment (met instemming van medewerker, iedere medewerker heeft de mogelijkheid deel te nemen aan een E-assessment)

Het functieboek (oud en nieuw)

Reflectieformulieren

Per medewerker, de huidige functie, aanstellingsomvang en functieschaal;

Het competentieprofiel.

Artikel 14 Bevoegdheden commissie

De commissie heeft de bevoegdheid om:

Medewerkers te horen;

Informanten te horen;

Alle voor plaatsing relevante stukken in te zien;

Te adviseren om passende maatregelen te treffen (maatwerk);

Geschiktheidsonderzoeken te laten uitvoeren.

Artikel 15 Plichten commissie

De commissie heeft de plicht om:

Medewerkers te horen die hiertoe verzoeken;

Informanten te horen indien een medewerker daartoe verzoekt;

Medewerkers te horen ten aanzien waarvan het voornemen bestaat het Dagelijks Bestuur te adviseren betrokkene niet in de eerste voorkeursfunctie te benoemen.

Artikel 16

Medewerkers kunnen zich laten bijstaan door een raadsman.

Artikel 17 Nadere informatie/inlichtingen

Lid 1

Een oordeel van de commissie over het functioneren van de ambtenaar ter voorbereiding op een advies kan enkel gebaseerd zijn op een formeel uitgebrachte (schriftelijke) personeelsbeoordeling (uitgebracht na 1 januari 2005).

Lid 2

Op verzoek van de commissie kan de kandidaat referenties opgeven om inlichtingen in te winnen over zijn functioneren.

Artikel 18 Plaatsing categorie A functies

De functie zal worden toegekend aan die medewerker die de betreffende functie voor de organisatiewijziging uitoefende (principe ‘Mens volgt werk’).

Artikel 19 Plaatsing categorie B functies

Met alle medewerkers die de betreffende functie voor de organisatiewijziging uitoefenden wordt door de commissie een gesprek gevoerd. In dit gesprek wordt beoordeeld welke medewerker het beste voldoet aan de criteria zoals opgenomen in artikel 7 en 23. De medewerkers die uiteindelijk niet in aanmerking komen voor de beschikbare functieformatie zullen vervolgens deelnemen aan de procedure van categorie C functies

Artikel 20 Belangstelling bij categorie C functies

Indien de functie substantieel is gewijzigd (meer dan 25 %) en/of aan de functie nieuwe taken worden toegevoegd dan wel er geen functieformatie beschikbaar is zoals bedoeld in voorafgaand artikel dan is de medewerker verplicht om voor minimaal 3 functies zijn of haar belangstelling kenbaar te maken. Het betreft hierbij functies die aangemeld zijn als categorie C functies.

Artikel 21 Uitgangspunten plaatsing categorie C functies

Plaatsing in de categorie C functies geschiedt volgens het kwaliteitscriterium (hoogste rangorde) waarbij aanvullend rekening gehouden wordt met:

Plaatsing in een functie geschiedt bij voorkeur in een functie met een (indicatieve) functieschaal die gelijk is aan de functieschaal in de vorige functie;

Indien plaatsing in de functie als bedoeld onder sub a niet mogelijk is kan geplaatst worden in een functie met één lagere salarisschaal, de salarisgarantie is hierbij van toepassing;

Indien plaatsing in de functie als bedoeld onder sub a en b van dit artikel niet mogelijk is, kan geplaatst worden in een functie met maximaal twee lagere salarisschalen, de salarisgarantie is hierbij van toepassing;

Indien plaatsing zoals bedoeld onder sub a, b of c van dit artikel niet mogelijk is kan de medewerker op eigen verzoek worden geplaatst in een geschikte functie (zonder salarisgarantie).

Artikel 22 Voorkeursvolgorde bij herplaatsing

De werkgever hanteert, bij het nemen van besluiten ten aanzien van de medewerkers die betrokken zijn bij de organisatiewijziging, de volgende voorkeursvolgorde:

Categorie A functies.

Categorie B functies

Categorie C functies.

Artikel 23 Basisgegevens bij plaatsingsvoorstellen

Bij het nemen van besluiten als bedoeld in artikel 19 en artikel 20, wordt met de volgende gegevens rekening gehouden:

de geschiktheid van de ambtenaar voor een functie, zoals die blijkt uit opleidings- en werkervaringsgegevens, beoordelingsgesprekken en eventuele geschiktheidtesten, bv. een assessment;

de voorkeur van de ambtenaar voor bepaalde functies;

het type dienstverband van de ambtenaar;

het afspiegelingsbeginsel, afgestemd op en afhankelijk van het betreffende organisatieonderdeel.

Artikel 24 Inspanningsverplichting

Lid 1

Indien geplaatst wordt in een functie met meer dan één salarisschaal lager dan de salarisschaal die voor de organisatieverandering van toepassing was heeft het Dagelijks Bestuur de inspanningsverplichting om betrokkene binnen redelijke termijn te plaatsen in een functie van maximaal één salarisschaal lager. Het Dagelijks Bestuur zal zich actief opstellen om aan deze verplichting te voldoen.Deze inspanningsverplichting is niet van toepassing indien plaatsing is geschied op basis van artikel 27 lid 4.

Lid 2

Na drie jaar wordt geëvalueerd of de inspanningsverplichting als bedoeld onder lid 1 van dit artikel moet worden gehandhaafd. Dit geschiedt mede aan de hand van het persoonlijk ontwikkelplan dat voor betreffende medewerker is opgesteld.

Artikel 25 Plaatsingsbesluit

Lid 1

Voorafgaand aan het plaatsingsbesluit wordt het voornemen tot plaatsing aan de medewerkers schriftelijk kenbaar gemaakt en medewerkers in de gelegenheid gesteld om hun zienswijze kenbaar te maken.

Lid 2

Binnen een termijn van 6 weken nadat advies is uitgebracht aan het Dagelijks Bestuur ontvangen de betrokken medewerkers een schriftelijk besluit waaruit blijkt in welke functie hij geplaatst wordt of dat plaatsing voor betrokkene binnen de organisatie onmogelijk is gebleken.

Lid 3

Het besluit tot plaatsing als bedoeld in lid 1 van dit artikel geschiedt onder de condities van aanstelling in algemene dienst.

Lid 4

Het Dagelijks Bestuur baseert het besluit op het door de commissie uitgebrachte advies. Indien hiervan afgeweken wordt, vindt een schriftelijke gemotiveerde afweging plaats en wordt deze ter kennis gebracht aan de betrokken medewerker. Het advies van de commissie wordt eveneens ter kennis gebracht.

Artikel 26 Plaatsing tijdelijk personeel

Indien na de plaatsingsprocedure van de in artikel 3 sub a bedoelde medewerkers in de nieuwe organisatie functies onvervuld blijven en wel vacant worden gesteld, komen hiervoor als eerste in aanmerking medewerkers in tijdelijke dienst voor bepaalde tijd of op basis van een rbeidscontract. Het criterium geschiktheid is hierop van toepassing.

Artikel 27 Salarisgarantie

Lid 1

De medewerker die niet in een functie met een gelijke indicatieve salarisschaal kan worden geplaatst en wordt geplaatst in een functie met een lagere salarisschaal heeft recht op alle salarisperspectieven waarop hij volgens zijn oude functie recht op had.

Lid 2

Om van het recht zoals bedoeld in lid 1 gebruik te kunnen maken moet de medewerker aan dezelfde voorwaarden voldoen als op de oude functie van toepassing waren.

Lid 3

Indien de medewerker op verzoek van het Dagelijks Bestuur een functie met een lagere indicatieve salarisschaal accepteert is de salarisgarantie als bedoeld in lid 1 van toepassing.

Lid 4

Indien de medewerker op eigen verzoek een functie met een lagere indicatieve salarisschaal accepteert is de salarisgarantie als bedoeld in lid 1 niet van toepassing.

Artikel 28 Persoonsgebonden toelage

Lid 1

De medewerker houdt recht op een tijdelijke persoonsgebonden toelage totdat de termijn zoals die was afgesproken is verlopen;

Lid 2

De medewerker houdt recht op een persoonsgebonden toelage die niet aan tijd gebonden is zolang hij voldoet aan de voorwaarden die aan de toekenning van de toelage ten grondslag hebben gelegen;

Lid 3

Indien voor de medewerker een hogere salarisschaal gaat gelden worden de gegarandeerde persoonsgebonden toelage in het nieuwe salarisbedrag geïncorpereerd of verrekend.

Artikel 29 Functiegebonden toelage

Lid 1

Indien de medewerker in de oude functie recht had op een functiegebonden toelage en deze toelage komt niet terug in de nieuwe functie dan wordt het verlies gecompenseerd in een afbouwregeling;

Lid 2

De afbouwregeling houdt in dat het eerste jaar 75 %, het tweede jaar 50 % en het derde jaar 25 % en het vierde jaar 0% van de toelage wordt uitgekeerd mits de toelage gedurende twee jaar voorafgaand aan de organisatieverandering ononderbroken is genoten;

Lid 3

De afbouwregeling kan nooit langer zijn dan de periode waarover de toelage is genoten.

Artikel 30 Wijziging standplaats

Indien de medewerker op verzoek van het Dagelijks Bestuur een functie aanvaardt, die leidt tot een wijziging van standplaats en dientengevolge tot een grotere afstand voor woon-werkverkeer ten opzichte van de bestaande situatie, wordt conform het bepaalde in artikel 3:8 van de Bezoldigingsregeling van de AVR een vergoeding toegekend van € 0,16 per meer af te leggen kilometer gedurende 3 jaar vanaf de datum van ingang van de nieuwe standplaats.

Artikel 31 Gratificaties

Indien een medewerker een functie elders aanvaardt wordt de eerstvolgende gratificatie uitbetaald indien deze binnen een termijn van drie jaren volgend op de ontslagdatum genoten zou zijn, mits deze na de ontslagdatum niet elders uitbetaald wordt.

Artikel 32 Werk naar werkgarantie

Lid 1

Partijen komen voor de duur van vier jaar (vanaf 1 januari 2014) een werk naar werkgarantie overeen. Binnen deze periode verplicht de werkgever zich tot maximale inspanning om alle medewerkers (definitie medewerkers artikel 3 sub a) die op 1 maart 2012 werkzaam zijn in een functie binnen de formatie te plaatsen in een reguliere functie;

Lid 2

Medewerkers hebben ten behoeve van een werk naar werkgarantie een aanstelling in algemene dienst en de bereidheid om zich maximaal in te spannen om intern andere passende of geschikte werkzaamheden te aanvaarden;

Lid 3

Gedurende deze periode heeft de medewerker recht op de salarisgarantie als bedoeld in artikel 27;

Lid 4

Als gedurende de looptijd van de werk naar werkgarantie de gemeenteraden (een) besluit(en) nemen om de meerjarenbegroting zodanig aan te passen dat in de jaren van de garantie de loonsom wordt afgeraamd (= personeelskrimp), dan zal binnen het Georganiseerd Overleg nader overleg plaatsvinden. Handhaving van deze garantie kan dan onder druk komen te staan.

Artikel 33 Maatwerk

Mocht aan het eind van de periode als bedoeld in artikel 32 plaatsing in een reguliere functie niet mogelijk zijn gebleken, dan worden maatwerkafspraken gemaakt. Bij maatwerk kan gedacht worden aan:

faciliteiten bij ontslag op eigen verzoek (mobiliteitspremie);

faciliteiten opbouw eigen zaak, plaatsing bij ander -publiek/privaatrechtelijke organisatie, loonsuppletie andere baan, suppletie bij aanvaarden betrekking met minder uren;

outplacement;

collegiale doorlening/detachering;

bovenformatieve plaatsing;

aanvullende garanties met betrekking tot secundaire arbeidsvoorwaarden.

Bovenstaande lijst is niet limitatief en kan, in het kader van maatwerk, leiden tot aanvullingen of combinaties van afzonderlijke elementen.

Artikel 34 Faciliteiten externe oriëntatie

Daar waar mogelijk en wenselijk zal bijstand worden verleend om solliciteren elders te vergemakkelijken door onder meer:

Voor sollicitaties buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging te verlenen;

de reiskosten bij sollicitaties te vergoeden op basis van de rechtspositieregeling;

op verzoek van de leidinggevende bij ontslag geen opzegtermijn te hanteren;

faciliteiten in tijd en geld toe te kennen voor omscholing, indien voldoende aannemelijk kan worden gemaakt dat omscholing reële vooruitzichten biedt op een functie buiten deze organisatie.

Artikel 35 Loonsuppletie

Lid 1

De medewerker die elders een passende functie aanvaardt tegen een lager bruto maandsalaris dan waarop hij in de oorspronkelijke functie recht op zou hebben ontvangt een loonsuppletie tot 100 % van zijn netto bezoldiging gedurende de periode waarin hij aanspraak kon maken op een WW-uitkering.

Lid 2

De loonsuppletie wordt beëindigd:

indien de voor betrokkene geldende duur is overschreden;

zodra de inkomsten in de nieuwe betrekking gedurende drie maanden het oorspronkelijke netto salaris te boven gaan.

Lid 3

De medewerker dient elke maand inzage te verschaffen in de inkomsten die genoten zijn;

Lid 4

Wanneer het recht van de loonsuppletie is komen te vervallen vanwege het bereiken/ overschrijden van het oorspronkelijke nettosalaris dan kan het recht niet meer herleven.

Artikel 36 Algemene wet bestuursrecht

Tegen elk besluit dat het Dagelijks Bestuur neemt ten behoeve van de medewerker kan de medewerker bezwaar aantekenen conform de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 37 Bezwarencommissie

Lid 1

Er is een bezwarencommissie conform artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht.

Lid 2

De bezwarencommissie bestaat uit drie leden waarvan:

Een lid wordt aangewezen door het Dagelijks Bestuur;

Een lid wordt aangewezen door de vakorganisaties die zijn vertegenwoordigd in het Georganiseerd Overleg;

Een lid op voordracht op beide andere leden en deze vervult tevens het voorzitterschap van de bezwarencommissie.

Lid 3

Het Dagelijks Bestuur wijst een ambtelijk secretaris aan die geen lid is van de commissie.

Artikel 39 Onvoorziene situaties

Lid 1

Partijen spreken af dat bij verschil van opvatting over de uitvoering van dit statuut advies wordt gevraagd aan een adviescommissie met daarin:

een lid aangewezen door het Dagelijks Bestuur en

een lid, niet zijnde een plaatselijk lid, aangewezen door de vakorganisaties die zijn vertegenwoordigd in het Georganiseerd Overleg.

Lid 2

De aard van het veranderingstraject, de arbeidsvoorwaardenregeling en het model sociaal plan van de vakorganisaties Regio Zuid vormen het kader voor de advisering van de commissie.

Lid 3

Het Dagelijks Bestuur neemt in de gevallen zoals genoemd in lid 1 van dit artikel, gehoord hebbende het advies van de commissie, een besluit.

Lid 4

In de gevallen waarin het sociaal statuut niet voorziet of in redelijkheid voorziet beslist het Dagelijks Bestuur, gehoord de commissie voor Georganiseerd Overleg.

Artikel 40 Citeertitel en inwerkingtreding

Dit sociaal statuut kan worden aangehaald als Sociaal Statuut VRLN organisatieontwikkeling 2012. Over het statuut is op 21 december 2012 overeenstemming bereikt met de vakorganisaties ABVAKABO FNV en CNV Publieke Zaak. Op 7 februari 2013 heeft het Dagelijks Bestuur het statuut vastgesteld. Dit statuut treedt dan ook met onmiddellijke ingang in werking.

Uitvoeringsregeling stage

Inhoudsopgave

Inleiding

Doel

Omvang stages en procedure

Stageopdracht

Maatschappelijke stage

Begeleiding

Stageovereenkomst

Geheimhouding

Verzekeringen

Vergoedingen

Reiskosten

Verlof

Ziekteverzuim

Tijdregistratie

Afwezigheid

Aanname stagiair

Administratieve zaken omtrent de stage

Beëindiging van de stage

Inleiding

De missie van de Veiligheidsregio Limburg-Noord luidt: Samen meer-waarde behalen in veiligheid en gezondheid in Limburg-Noord.

De Veiligheidsregio Limburg-Noord biedt als samenwerkende partij van en voor de gemeenten in Noord- en Midden-Limburg diensten aan op het terrein van rampenbestrijding, crisisbeheersing, brandweer, gezondheid en sociale veiligheid. Kernwaarde hierbij is het begrip “samen”. Veiligheid en gezondheid zijn bij uitstek domeinen waarop de burgers en bedrijven zelf een belangrijke invloed uitoefenen.

Zodoende is de visie van de Veiligheidsregio: De Veiligheidsregio is de partner van burgers, instellingen en bedrijven op het terrein van veiligheid en gezondheid. In afstemming met de missie en de visie van de organisatie wordt dit uitvoeringsbeleid met betrekking tot stages vastgelegd. Dit betekent duidelijkheid voor de stagiairs maar ook voor diverse organisatieonderdelen binnen de Veiligheidsregio Limburg-Noord die bij stagiairs betrokken zijn.

Deze uitvoeringsregeling is opgesteld met behulp van gegevens die relevant zijn voor een goede uitvoering van stages en is tevens gebaseerd op ervaringen met eerdere stagiairs. De werkwijze van de Veiligheidsregio Limburg-Noord rond stages kan bij de opleidingsinstituten worden bekend gemaakt zodat studenten die zoeken naar een stageplek in een vroeg stadium kunnen bekijken of de organisatie Veiligheidsregio Limburg-Noord hen aanspreekt. Deze uitvoeringsregels zijn opgesteld met de bedoeling de werkwijze, zoals die soms al binnen de organisatie wordt gehanteerd, schriftelijk vast te leggen in een samenhangend kader. Het geeft eenduidigheid en duidelijkheid voor betrokken partijen. De regels kunnen tevens als arbeidsmarktinstrument worden beschouwd met betrekking tot de werving van nieuw personeel.

Doel

Het doel van het aanbieden van stageplaatsen binnen de organisatie is:

een mogelijke toekomstige werknemer praktische werkervaring op te laten doen. Een student kan op deze manier indrukken opdoen vanuit het werkveld.

een meerwaarde voor de Veiligheidsregio Limburg-Noord door de opdracht die de student uitvoert voor de Veiligheidsregio.

het bieden van stageplaatsen kan het imago van de organisatie verbeteren. De student maakt op deze manier kennis met het werken binnen een overheidsinstelling. De Veiligheidsregio Limburg-Noord kan zichzelf positioneren en daarmee ‘marketen’.

Omvang stages en procedure

Het aantal stages binnen de Veiligheidsregio Limburg-Noord hangt nauw samen met de mogelijkheid van organisatieonderdelen en afdelingen om een stagiair op de juiste wijze te begeleiden tijdens de stageperiode. Opdracht en duur van de stage zijn van invloed op het beschikbaar stellen van stageplaatsen. Gezocht wordt naar een win-win situatie voor beide partijen. De student doet praktijkervaring op en de organisatie kan een opdracht of een onderzoek laten verrichten dat van belang is voor de organisatie. De medewerking van medewerkers en begeleiders binnen de organisatie is dus een belangrijke rol bij de vaststelling van het aantal stages, er moet genoeg tijd voor de stagiairs zijn.

Een manager of hoofd van een afdeling kan aangeven hoeveel mogelijke stageplaatsen er zijn. Vanuit maatschappelijke betrokkenheid en verantwoordelijkheid biedt de organisatie in principe elk schooljaar opnieuw stagemogelijkheden. Binnen het MT van de GGD/GHOR is hierover vastgesteld dat voor een aantal specifieke opleidingsinstituten er minimaal jaarlijks 1 student per afdeling een stagemogelijkheid zal worden geboden.

Stageopdracht

De stage kan per afdeling verschillen. Dit is afhankelijk van de werkzaamheden die op de verschillende afdelingen verricht worden. De stagiair kan als volgt worden ingezet:

In het primaire en ondersteunende proces.

Voor speciale opdrachten vanuit de Veiligheidsregio (ook door middel van actieve benadering naar scholingsinstituten).

Voor speciale opdrachten die vanuit een opleiding zijn vereist.

*Eigen initiatief vanuit de student is een optie als de opdracht een meerwaarde heeft voor de Veiligheidsregio Limburg-Noord.

Maatschappelijke stage

Maatschappelijke stage voor jongeren is op dit moment in de politiek en de samenleving een hot item. Met ingang van schooljaar 2011-2012 zijn alle scholen voor voortgezet onderwijs (VMBO, HAVO en VWO) namelijk verplicht om hun leerlingen een maatschappelijke stage te laten lopen. Leerlingen moeten onder verantwoordelijkheid van hun school vrijwilligerswerk verrichten. De maatschappelijke stage biedt organisaties een unieke gelegenheid om jongeren al in het voortgezet onderwijs kennis te laten maken met de taken en het werk binnen een organisatie. Als dit op een voor jongeren aansprekende manier wordt gedaan, kan de maatschappelijke stage het imago van werken binnen de organisatie verbeteren en zorgen voor een toekomstige instroom van jongeren.

Het gaat om een vorm van leren buiten de muren van de school, waarbij leerlingen door middel van vrijwilligersactiviteiten, kennis maken met allerlei aspecten en onderdelen van de samenleving. Het idee erachter is dat de leerling het beste leert hoe de maatschappij in elkaar zit, door er actief aan mee te doen.

De meeste scholen kiezen voor een gefaseerde opbouw, waarbij ze het aantal uren maatschappelijke stage elk jaar uitbreiden. In het schooljaar 2010-2011 hebben veel scholen een maatschappelijke stage van 60 uur opgenomen in hun onderwijsprogramma. Vwo-leerlingen die in het schooljaar 2011-2012 starten in het voortgezet onderwijs, moeten een maatschappelijke stage doen van 72 uur. Voor havisten is de norm 60 uur en voor leerlingen uit het vmbo of praktijkonderwijs 48. Binnen de veiligheidsregio zal ook deze vorm van stage aandacht krijgen.

Begeleiding

De begeleiding van de stagiair wordt per afdeling geregeld. Minimaal één persoon is verantwoordelijk voor de begeleiding van de stagiair. Deze persoon wordt aangewezen als stagebegeleider. Een stagebegeleider zal aan een aantal eisen moeten voldoen.

Er zal binnen de reguliere werktijd tijd moeten worden ingeroosterd voor de begeleiding van de student. Het is dus niet de bedoeling dat de begeleider hiervoor extra uren maakt.

De begeleider zal inhoudsdeskundig moeten zijn en affiniteit moeten hebben met het onderwerp van de opdracht van de student en tevens over coachende kwaliteiten moeten beschikken.

Stageovereenkomst

Voorafgaande aan iedere stage wordt er in ieder geval een stageovereenkomst getekend vanuit de organisatie. Daarnaast eventueel nog een stageovereenkomst vanuit het opleidingsinstituut. Aanmelding voor een stageperiode moet tijdig gemeld worden bij de personeelsadministratie. Een stagiair kan niet eerder starten dan nadat het stageovereenkomst is getekend. De bepalingen die vermeld staan in de overeenkomst zijn bindend.

Geheimhouding

De stagiair is verplicht geheim te houden datgene wat hem/haar in de stage onder geheimhouding wordt toevertrouwd, en ook de informatie die hem/haar ter beschikking komt en waarvan hij/zij het vertrouwelijk karakter behoort te begrijpen. In de stageovereenkomst is dit opgenomen.

De stageverlenende instelling heeft het recht zich op de hoogte te stellen van en - indien naar het voorstel van de stageverlenende instelling noodzakelijk - wijzigingen aan te brengen in alle schriftelijke stukken of op andere wijze opgeslagen informatie, die door de stagiaire in het kader van de stage worden opgesteld en niet uitsluitend voor eigen gebruik dienen.

Publicatie van schriftelijke stukken door de stagiaire geschiedt eerst na schriftelijk door de organisatie verleende toestemming.

Verzekeringen

De Veiligheidsregio Limburg-Noord is standaard per jaar voor extra personen verzekerd, hieronder vallen ook de stagiair(e)s. Het betreft een WA-verzekering.

Vergoedingen

Per stage geldt een vergoedingsregeling. Deze vergoeding is afhankelijk van de duur en de soortstage. Stages worden ingedeeld in de volgende categorieën.

Snuffelstages, dit betreffen kortdurende stages van één of enkele dagen of stages korte dan drie maanden. Deze stagiairs krijgen géén vergoeding vanuit de organisatie.

In het attentiebeleid dat onderdeel uitmaakt van de arbeidsvoorwaardenregeling is opgenomen:

bij stages of vrijwilligerswerk korter dan drie maanden: boeken/cadeaubon € 20, -

bij stages of vrijwilligerswerk tussen drie-zes maanden: boeken/cadeaubon € 20, -(afhankelijk van inhoud en zinvolheid kan dit bedrag oplopen tot maximaal € 50, -)

bij stages of vrijwilligerswerk langer dan zes maanden: boeken/cadeaubon € 50,

Voor stages van minimaal drie maanden aaneengesloten geldt een financiële vergoeding. Voor VMBO/MBO'ers geldt een vergoeding van €137,50, voor HBO'ers en WO’ers geldt een vergoeding van € 275, - bruto per maand. Bij een parttime stage geldt dat de vergoeding naar rato wordt berekend.

Afstudeerstages vallen onder de hierboven genoemde vergoedingsregeling voor stages wanneer aan dezelfde voorwaarden wordt voldaan. Er wordt van uitgegaan dat de afstudeerstages afgesloten worden met een concreet product (verslag/presentatie).

Wanneer een stagiair langer dan twee weken ziek is, wordt de stagevergoeding stopgezet totdat de stagiair hervat.

Reiskosten

Aan de stagiair worden geen reiskosten ten behoeve van het woon-werkverkeer vergoed. Dienstreizen die de stagiair in het kader van de stage moet maken worden geheel vergoed op grond van de binnen de Veiligheidsregio Limburg-Noord geldende reiskostenvergoeding. De stagiair die in het bezit is van een OV jaarkaart en met het openbaar vervoer dienstreizen maken, krijgen hiervoor geen extra vergoeding.

Verlof

Bij een 36-urige werkweek heeft de stagiair recht op twee verlofdagen per maand. In onderling overleg met de stagebegeleider en P&O kan hiervan afgeweken worden. Bij een parttime werkweek is de verlofopbouw naar rato. Verder wordt de officiële vakantie van het opleidingsinstituut door de stagiair aangehouden, zoals ook in het stagecontract staat vermeld.

Ziekteverzuim

Bij afwezigheid door ziekte dient de stagiair zich persoonlijk voor 9.00 uur ‘s morgens ziek te melden bij zijn of haar stagebegeleider. Indien de opleiding bij ziekmelden ook regels hanteert dient de student zich ook bij de opleiding ziek te melden.

Tijdregistratie

De stagiair doet aan tijdregistratie in het daarvoor aangewezen systeem wanneer het afdelingshoofd daarom vraagt.

Afwezigheid

De stagiair is verplicht bij afwezigheid dit te melden bij zijn stagebegeleider vanuit de organisatie. Onder afwezigheid wordt verstaan, bezoeken aan derden buiten de Veiligheidsregio Limburg-Noord, terugkomdagen op de opleiding en andere aan de opleiding gerelateerde bezoeken.

De stagiair is verder tijdens kantooruren aanwezig tenzij anders is overeengekomen.

Aanname stagiair

De aanname van de stagiair wordt door P&O gecoördineerd. De procedure zal als volgt verlopen:

De stageverzoeken komen bij P&O binnen, danwel worden doorgeleid aan P&O.

P&O screent de verzoeken en informeert bij de desbetreffende afdeling of er behoefte is aan een stagiair of bepaalt dit aan de hand van een inventarisatie uitgevoerd binnen de afdelingen aan het begin van een (school)jaar.

Studenten die om welke reden dan ook niet in aanmerking komen voor een stageplek, wordt hierover schriftelijk geïnformeerd. Het CV inclusief begeleidend schrijven wordt vernietigd. Er wordt dus geen bestand aangelegd van stagezoekende studenten.

Komt een student wel in aanmerking dan worden zijn gegevens doorgeleid naar de afdeling waar de stage zal gaan plaatsvinden.

De contactpersoon voor stages binnen de afdeling en een medewerker van P&O voeren een sollicitatie/kennismakingsgesprek met de student. Dit geldt alleen voor de langdurige stages (3 maanden en langer). Sollicitaties/kennismakingsgesprekken voor korte stages (snuffelstages) worden door de afdeling zelf gevoerd. Indien beide partijen tot een overeenstemming komen wordt er een stageovereenkomst getekend.

De overeenkomst zal door zowel door P&O, de desbetreffende afdeling en de stagiair getekend worden.

Afhankelijk van de afdeling en aard van werkzaamheden zal onder verantwoordelijkheid van het afdelingshoofd bekeken worden of het vaccinatiebeleid van toepassing is.

Administratieve zaken omtrent de stage

De administratieve en beheersmatige zaken die geregeld moeten worden omtrent de stage worden door de afdeling P&O verzorgd. Alle formulieren, contracten en overige administratieve zaken over de stage zullen door P&O beheerd en gearchiveerd worden. Eventuele medische verklaringen, verklaring omtrent het gedrag of andere verplichte documenten zullen eveneens door P&O gearchiveerd worden.

Beëindiging van de stage

De stage eindigt door verloop van de afgesproken periode. Is er tussentijds sprake van ontevredenheid van een van de partijen dan kan een stageovereenkomst in overleg eerder dan het einde van de stageduur beëindigd worden.

De afsluiting van de stage zal plaatsvinden conform de eisen die vanuit de opleiding van de stagiair gelden. De faciliteiten die hiervoor nodig zijn zullen door de Veiligheidsregio Limburg-Noord verzorgd worden, evenals de faciliteiten voor het verwerken van een scriptie of stageverslag.

In het kader van de afsluiting van een stage van minimaal 3 maanden zal een evaluatief gesprek tussen stageverlenende afdeling en de stagiair plaatsvinden. Hiervoor is een vragenlijst beschikbaar. Deze vragenlijst wordt bij ondertekening van de stageovereenkomst door stagiair uitgereikt door P&O.

Uitvoeringsregeling suppletieregeling

Inhoudsopgave

Artikel 1

Artikel 2

Artikel 3

Artikel 4

Artikel 5

Artikel 6

Artikel 7

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

suppletieregeling: de suppletieregeling die is opgenomen in hoofdstuk 11a van deel I;

suppletie: de suppletie, bedoeld in artikel 11a:16 van de suppletieregeling;

betrokkene: de betrokkene, bedoeld in artikel 11a:1, onder d, van de suppletieregeling;

LISV: het landelijk instituut sociale verzekeringen, genoemd in hoofdstuk 4 van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997;

uitvoeringsinstelling: de instelling aan wie het bestuursorgaan, belast met de uitvoering van de suppletieregeling, de werkzaamheden, verbonden aan de uitvoering van de suppletieregeling, heeft opgedragen.

Artikel 2

Lid 1

De artikelen 1 tot en met 8 van het Model uitkeringsreglement Werkloosheidswet (zie bijlage) gelden voor zoveel mogelijk als Uitvoeringsvoorschriften ten behoeve van een doelmatige controle van betrokkenen en als Uitvoeringsvoorschriften met betrekking tot het genieten van vakantie tijdens de duur van de suppletie, met dien verstande dat voor de hierna te noemen begrippen uit het model uitkeringsreglement moet worden gelezen:

bedrijfsvereniging: het bestuursorgaan belast met de uitvoering van de suppletieregeling;

bestuur: de uitvoeringsinstelling;

werknemer: betrokkene;

werkgever: het bestuursorgaan dat bevoegd is betrokkenen ontslag te verlenen;

uitkering: suppletie;

Werkloosheidswet, wat de toepassing van artikel 7 betreft: suppletieregeling.

Lid 2

Met betrekking tot het genieten van vakantie tijdens de duur van de suppletie gelden als uitvoeringsvoorschriften de Regels betreffende het begrip vakantie en de perioden van vakantie met behoud van recht op uitkering, vastgesteld bij besluit van de toenmalige Sociale verzekeringsraad, d.d. 23 januari 1992 (Stcrt. 1992, 19) welke ingevolge artikel XLVII van de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen gelden als het besluit van het LISV op grond van artikel 19, vijfde lid, van de Werkloosheidswet met dien verstande dat voor uitkering dient te worden gelezen: suppletie.

Lid 3

Wijzigingen in het in het eerste lid genoemde modelreglement onderscheidenlijk de in het tweede lid genoemde Regels, gelden, voor zover deze als uitvoeringsvoorschriften van de suppletieregeling zijn aangeduid, als wijzigingen van deze uitvoeringsvoorschriften.

Artikel 3

Betrokkene is verplicht om met inachtneming van de nadere aanwijzingen van de uitvoeringsinstelling, het ontstaan van de ziekte als gevolg waarvan hij verhinderd is arbeid te verrichten, aan de uitvoeringsinstelling te melden, alsook zijn herstel daarvan.

Artikel 4

Het recht op suppletie van de betrokkene die gaat deelnemen aan een voor hem naar oordeel van de uitvoeringsinstelling noodzakelijke opleiding of scholing, blijft bestaan totdat die opleiding of scholing is beëindigd, indien:

de opleiding of scholing arbeidsmarktgericht is, deel uitmaakt van het re-integratieplan dat door de uitvoeringsinstelling in samenspraak met betrokkene is vastgesteld en naar aard en omvang niet meer omvat dan in het re-integratieplan is vastgesteld of

de opleiding of scholing arbeidsmarktgericht is en, wanneer er geen re-integratieplan is, zoals bedoeld in onderdeel a, de uitvoeringsinstelling daarvoor toestemming geeft.

Artikel 5

In afwijking van artikel 4 blijft het recht op suppletie van de betrokkene die gaat deelnemen aan een voor hem naar het oordeel van de uitvoeringsinstelling noodzakelijke opleiding of scholing, na afloop van de ingevolge de artikelen 11a:2, 11a:6 en 11a:7, onderscheidenlijk artikel 11a:17 van de suppletieregeling vastgestelde reguliere duur van de suppletie niet bestaan totdat die opleiding of scholing is beëindigd, indien:

tijdens de opleiding of scholing ter zake van die opleiding of scholing recht bestaat op een voorziening in de derving van de inkomsten;

de opleiding of scholing de strekking heeft om na afloop daarvan werkzaamheden bij een bepaalde onderneming of een bepaald bestuursorgaan te gaan verrichten;

de opleiding of scholing langer duurt dan een jaar;

tijdens de opleiding of scholing sprake is van het verrichten van productieve werkzaamheden.

Artikel 6

De betrokkene kan de in artikel 11a:15 van de suppletieregeling bedoelde onbeloonde activiteiten verrichten met behoud van suppletie, indien naar het oordeel van de uitvoeringsinstelling:

de betreffende activiteiten van de betrokkene geen bedrijfsmatig karakter hebben;

de betreffende activiteiten van de betrokkene in de gegeven situatie doorgaans niet door een betaalde kracht zullen of kunnen worden verricht; en

de instelling die of het bestuursorgaan dat de niet betaalde werkzaamheden organiseert, geen subsidie heeft of kan verkrijgen wat de loonkosten betreft.

Artikel 7

Lid 1

Deze voorschriften kunnen worden aangehaald als “uitvoeringsvoorschriften suppletieregeling”.

Lid 2

De in het eerste lid genoemde voorschriften treden in werking met ingang van 1 januari 2002.

Raamregeling telewerken

Inhoudsopgave

Artikel 1

Artikel 2

Artikel 3

Artikel 4

Artikel 5

Artikel 6

Artikel 7

Artikel 8

Artikel 9

Artikel 10

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

secretaris/directeur: het hoofd van het stafbureau beheer resp. de sector;

de ambtenaar: degene die vanwege de Veiligheidsregio is aangesteld om in openbare dienst werkzaam te zijn, alsmede hij met wie een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht is aangegaan;

telewerken: het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van de dienst in de woning van de ambtenaar waarbij gebruik wordt gemaakt van informatie- en telecommunicatietechnologie;

woning: de gelegenheid waar de ambtenaar blijkens verklaringen uit de gemeentelijke basisadministratie woont.

Artikel 2

In deze regeling wordt verstaan onder betrokkene:

de ambtenaar die uit hoofde van zijn functie verplicht is om te telewerken;

de ambtenaar die op vrijwillige basis één of meer werkdagen per week telewerkt.

Artikel 3

nvt

Artikel 4

Lid 1

De ambtenaar die op vrijwillige basis een of meer dagen per week wil telewerken kan daartoe bij het bevoegd gezag een aanvraag indienen.

Lid 2

Een aanvraag kan worden toegewezen indien het belang van de dienst daarbij is gebaat.

Artikel 5

Lid 1

Met betrokkene worden de afspraken over telewerken schriftelijk vastgelegd.

Lid 2

De afspraken, bedoeld in het eerste lid, hebben in ieder geval betrekking op:

de eisen die voortvloeien uit het bepaalde bij of krachtens de Arbeidsomstandighedenwet;

de bereikbaarheid van betrokkene;

de wijze van terugkoppeling met de organisatie;

de te verrichten werkzaamheden;

de aan betrokkene te verlenen telewerkvoorzieningen;

de wijze waarop de telewerkvoorzieningen worden verleend;

de periode waarin betrokkene telewerkt;

het aantal dagen per week en de dagen waarop betrokkene telewerkt;

de wijze van en de gronden voor beëindiging van het telewerken;

de gevolgen die beëindiging van het telewerken heeft voor de verleende telewerkvoor-zieningen;

informatiebeveiliging;

privacyaspecten.

Artikel 6

De telewerkvoorzieningen, bedoeld in artikel 5, tweede lid, onderdeel e, kunnen zijn:

een computer en bijbehorende noodzakelijke apparatuur;

de inrichting van de werkruimte;

een fax;

een mobiele telefoon;

de aanleg van een extra telefoonlijn;

een volledige vergoeding van alle voor de dienst gemaakte telefoonkosten;

een volledige vergoeding van alle voor de dienst gemaakte internetkosten;

een vergoeding van de kosten voor gebruik privé-ruimte.

Artikel 7

Lid 1

De telewerkvoorzieningen, bedoeld in artikel 6, onderdelen a tot en met h, worden aan de betrokkene, als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, ter beschikking gesteld, verstrekt of vergoed voor zover deze voorzieningen voor betrokkene noodzakelijk zijn om te kunnen telewerken.

Lid 2

Indien voor het telewerken gebruik wordt gemaakt van een eigen computer kan aan betrokkene een onbelaste vergoeding van € 22,69 per maand worden verleend. Het bevoegd gezag kan deze vergoeding verlagen indien betrokkene van het bevoegd gezag een bijdrage in de aanschafkosten van de computer heeft ontvangen.

Lid 3

De vergoeding, als bedoeld in artikel 6, onderdeel h, bedraagt voor betrokkene, als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, € 60,-- bruto per maand.

Lid 4

Het in het derde lid genoemde bedrag wordt aangepast overeenkomstig een algemene wijziging van het salaris van het burgerlijk rijkspersoneel met ingang van de dag waarop de salariswijziging van kracht wordt.

Lid 5

Het bestuur kan ten aanzien van de vergoeding, bedoeld in het derde lid, afwijkende regels vaststellen.

Artikel 8

Lid 1

De telewerkvoorzieningen, bedoeld in artikel 6, onderdelen a tot en met g, kunnen door het bevoegd gezag aan de betrokkene, als bedoeld in artikel 2, onderdeel b, ter beschikking worden gesteld, worden verstrekt of worden vergoed voor zover deze voorzieningen voor betrokkene noodzakelijk zijn om te kunnen telewerken.

Lid 2

Indien voor het telewerken gebruik wordt gemaakt van een eigen computer en bijbehorende noodzakelijke apparatuur kan aan betrokkene een onbelaste vergoeding worden verleend van € 22,69 per maand. Het bevoegd gezag kan deze vergoeding verlagen indien betrokkene van het bevoegd gezag een bijdrage in de aanschafkosten van de computer heeft ontvangen.

Artikel 9

Het Bestuur kan voor de uitvoering van deze regeling nadere regels vaststellen.

Artikel 10

Deze regeling wordt aangehaald als Raamregeling Telewerken en treedt in werking met ingang van 1 januari 2002.

Raamregeling Telewerken

Inhoudsopgave

Algemeen

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 2

Artikel 4

Artikel 5

Artikel 6

Artikel 7

Artikel 8

Artikel 9

In een moderne rijksdienst waarin actief wordt ingespeeld op de mogelijkheden die de informatie- en communicatietechnologie biedt, zal telewerken in de zin van plaats- en tijdonafhankelijk werken een prominentere rol kunnen krijgen.

In dat kader is in de Arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Rijk 2000-2001 met de centrales van overheidspersoneel overeengekomen om een raamregeling telewerken te ontwikkelen. In deze regeling worden de rechtspositionele aspecten van telewerken geregeld. Daarbij zal in ieder geval worden ingegaan op de volgende elementen:

De begripsafbakening;

De wijze waarop afspraken tussen telewerker en werkgever worden gemaakt en vastgelegd. Het gaat daarbij onder andere om afspraken over de inrichting van de werkplek, de computerapparatuur, de data (telefoon, modem), de wijze van terugkoppeling met de organisatie (werkoverleg, werkafspraken, functioneringsgesprek, aantal telewerkdagen);

De vergoeding van de kosten die met de voorgaande punten samenhangen (inrichtingskosten, apparatuurkosten, dataverbindingskosten, kosten gebruik privé-ruimte);

De wijze waarop telewerken rijksdienstbreed kan worden ingevoerd en de wijze waarop daarover met de vertegenwoordigers van het personeel overleg gevoerd kan worden.

Het karakter van de nieuwe raamregeling staat los van de al of niet beleidsmatige wenselijkheid van de toepassing van telewerken in de rijksdienst. De afweging of de medewerker gaat telewerken dient door leidinggevende en medewerker zelf te kunnen worden gemaakt, rekening houdend met verschillende factoren. De regeling gaat dus niet over het wanneer en waarom van telewerken en zal de ruimte voor betrokkenen om afspraken over het toepassen van telewerken te maken niet onnodig beperken.

De regeling creëert wel meer duidelijkheid over de rechtspositionele aspecten van telewerken en neemt daarmee de beletselen weg tot het toepassen van deze werkvorm daar waar betrokkenen dit wenselijk achten, voor zover die beletselen gelegen zijn in onduidelijkheid over deze aspecten.

Telewerken betreft het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van de dienst in of vanuit de woning van de ambtenaar. Het toepassen van deze werkvorm kan al of niet gebonden zijn aan de functie die wordt vervuld. Vereist het vervullen van de functie op zichzelf niet het hanteren van deze werkvorm dan vindt telewerken per definitie plaats op basis van vrijwilligheid van betrokkenen. Ook in kwantitatieve zin kent telewerken vele verschijningsvormen. Deze lopen uiteen van incidenteel een paar uur tot structureel één of meer of alle dagen thuiswerken.

Onder het werkingsbereik van de raamregeling telewerken worden de volgende hoofdvormen van telewerken gebracht:

de plaats van tewerkstelling is de woning van de werknemer; er wordt dus structureel in of vanuit de woning gewerkt waarbij het contact met de werkgever plaatsvindt door gebruik te maken van informatie- en telecommunicatietechnologie;

het op vrijwillige basis minimaal één hele werkdag per week thuis werken, waarbij het contact met de werkgever plaatsvindt door gebruik te maken van informatie –en telecommunicatietechnologie.

Het betreft hier twee heel verschillende situaties.

In het eerste geval hangt telewerken onlosmakelijk met de desbetreffende functie samen. Op de werkgever rust in dat geval de logische plicht om zijn werknemer in staat te stellen de functie uit te oefenen en deze op zijn kosten te voorzien van alle daartoe benodigde voorzieningen. In de raamregeling worden deze voorzieningen benoemd en voor zover relevant van normen voorzien. In het tweede geval wordt op basis van vrijwilligheid en vanwege het gezamenlijke belang van werkgever en werknemer een afspraak tot telewerken gemaakt. In deze situatie is telewerken geen recht, maar ook geen plicht. Dit heeft betekenis voor de inhoud van de raamregeling ten aanzien van deze vorm van telewerken. Zo ligt het niet in de rede om bijvoorbeeld in de sfeer van voorzieningen of vergoedingen dwingende voorschriften op te nemen. Het past meer om in de raamregeling slechts de mogelijkheden te schetsen waarvan de werkgever gebruik kan maken . In beide situaties is de omvang van de telewerkvoorzieningen niet gekoppeld aan de mogelijkheden die de belastingwetgeving biedt om telewerkvoorzieningen onbelast te verschaffen. Wel kan daarvan gebruik worden gemaakt.

Onderhavige regeling strekt er niet toe de werkvorm telewerken rijksbreed “in te voeren”. Afspraken over de invoering van telewerken kunnen beter op decentraal niveau worden gemaakt omdat op dat niveau het beste de afweging kan worden gemaakt of telewerken wenselijk en

mogelijk is. De regeling geeft aan betrokkenen die het gebruik van deze werkvorm overwegen wel een duidelijk kader ten aanzien van de (rechtspositionele) voorwaarden die daarbij in acht moeten worden genomen. Binnen dit kader kunnen op decentraal niveau nadere regels in overeenstemming met het DGO worden overeengekomen of nadere afspraken worden gemaakt in overleg met de ondernemings-raden.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 2

De omschrijving van betrokkene in samenhang met de omschrijving van telewerken leidt ertoe dat onder het werkingsbereik van de raamregeling telewerken alleen de in het algemeen gedeelte genoemde twee hoofdvormen van telewerken vallen.

Artikel 4

De ambtenaar die wenst te gaan telewerken kan daartoe een aanvraag indienen. Het bevoegd gezag zal vervolgens de afweging moeten maken of de dienst daarbij wel gebaat is. Daarbij dient het bevoegd gezag in ieder geval rekening te houden met:

de financiële consequenties van telewerken voor de werkgever;

de effecten van telewerken op de kwaliteit en kwantiteit van het afgeleverde werk;

de invloed van telewerken op de motivatie van het personeel;

de invloed van telewerken op de continuïteit van de organisatie;

het gegeven of de functie zich leent voor telewerken;

de persoonskenmerken van betrokkene;

de thuissituatie van betrokkene;

privacy en beveiligingsaspecten.

Artikel 5

Met de betrokkene die vanuit de aard van zijn functie verplicht is om te gaan telewerken en met de betrokkene die op zijn verzoek is toegestaan om te telewerken, worden schriftelijk afspraken gemaakt die zien op de voorwaarden waaronder telewerken plaatsvindt. De afspraken over de eisen die voortvloeien uit de Arbo-wetgeving houden het volgende in. De werkgever heeft de plicht om te zorgen dat de werkplek van de telewerker aan de Arbo-eisen voldoet en dat de betrokken medewerker ook thuis werkt in overeenstemming met de daarvoor geldende Arbo-voorschriften. De werkgever kan daartoe niet continu direct toezicht houden op de telewerkplek. Goede voorlichting aan de medewerker is derhalve vereist. Daarnaast dient betrokkene uitdrukkelijk te verklaren dat de werkplek voldoet aan de Arbo-eisen en dat hij in overeenstemming met de geldende Arbo-voorschriften zijn werkzaamheden zal verrichten. Voorts dient betrokkene zich akkoord te verklaren met het feit dat controle van de werkplek door of namens de werkgever kan plaatsvinden mits die controle tijdig is aangekondigd.

De werkgever besteedt bij het formuleren van het algemeen Arbobeleid aandacht aan telewerken alsmede aan de ervaringen die daarmee zijn opgedaan. Het Arbobeleid is een onderwerp voor de medezeggenschap. Specifieke bepalingen voor thuiswerk -bijvoorbeeld op het punt van verstrekking van voorzieningen, registratie van relevante gegevens en de melding van ongevallen– zijn opgenomen in het Arbeidsomstandighedenbesluit (Stb 1997, 60). Daarnaast zien de afspraken op:

de telewerkvoorzieningen en de wijze waarop deze aan betrokkene worden verleend;

de concrete werkafspraken zoals: bereikbaarheid, de wijze van terugkoppeling met collega’s/leidinggevende, het aantal telewerkdagen per week, de te verrichten werkzaamheden;

de beëindiging van telewerken en de consequenties daarvan voor de aan betrokkene verleende telewerkvoorzieningen.

In het kader van de te maken schriftelijke afspraken dient voor de ambtenaar die vanwege zijn functie verplicht wordt tot telewerken met het volgende rekening te worden gehouden. Indien deze ambtenaar door bijzondere omstandigheden buiten zijn schuld tijdelijk niet thuis kan werken, kan dit geen reden voor ontslag vormen.

Artikel 6

In dit artikel worden de voorzieningen opgesomd die door het bevoegd gezag bij telewerken aan betrokkene kunnen worden verleend. De voorzieningen bestaan uit goederen (computer, inrichting werkkamer, fax, mobiele telefoon) en het geven van vergoedingen (telefoonkosten, internetkosten, kosten gebruik privé-ruimte). Het bevoegd gezag bepaalt of de voorzieningen worden verstrekt, ter beschikking gesteld of vergoed. Verstrekking van een telewerkvoorziening houdt in dat de voorziening eigendom wordt van de werknemer. Het ter beschikking stellen van een voorziening houdt in dat de voorziening in bruikleen aan de werknemer wordt gegeven en eigendom blijft van de werkgever. De vergoeding van de voorziening houdt in dat aan de werknemer een geldbedrag wordt gegeven voor de telewerkvoorziening. De belastingwetgeving maakt het mogelijk dat indien aan bepaalde voorwaarden is voldaan telewerkvoorzieningen onbelast of tot een bepaalde maximumwaarde onbelast kunnen worden verstrekt, ter beschikking gesteld of vergoed. Bij de verlening van de telewerkvoorzieningen kan daarmee derhalve rekening worden gehouden.

Artikel 7

In het geval de aard van de functie per definitie met zich brengt dat de werkzaamheden in en /of vanuit de woning worden verricht en de woning is aangewezen als plaats van tewerkstelling dient de werkgever de werknemer in staat te stellen zijn werk in de woning te verrichten. Uitgangspunt in deze situatie is dat de werkgever daartoe alle noodzakelijk geachte telewerkvoorzieningen aan de medewerker verstrekt, ter beschikking stelt of vergoedt. Voorwaarde echter is dat de betrokkene de voorziening nodig heeft om te kunnen telewerken. Afhankelijk van de concrete invulling van het telewerken kan een bepaalde voorziening al dan niet noodzakelijk zijn. Dit zal vooral betrekking hebben op voorzieningen als een fax en een mobiele telefoon. In het tweede lid wordt geregeld dat aan betrokkene die reeds over een computer met bijbehorende noodzakelijke randapparatuur beschikt een onbelaste vergoeding van €22,69 (50 gulden) per maand kan worden gegeven, indien betrokkene voor het telewerken gebruik maakt van de eigen computer. Deze mogelijkheid vloeit voort uit de in 1994 met de Belastingdienst (Grote ondernemingen Den Haag) gemaakte afspraken in het kader van telewerken bij de rijksdienst. Deze afspraken zijn neergelegd in de bijlage behorende bij de circulaire AD94/U364 van 22 maart 1994 van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Het gaat daarbij om afschrijvings- en onderhoudskosten, waarbij inbegrepen verzekeringskosten (brand en inbraak) alsmede elektriciteitskosten van de apparatuur (niet van de verlichting in de werkkamer) en de voorwaarden waaronder een onbelaste vergoeding kan worden verstrekt. Een verlaging van dit bedrag is mogelijk in de gevallen dat betrokkene in het kader van pc-privé project reeds een subsidie van de werkgever heeft ontvangen voor de aanschaf van een computer.

In de regel zal de werkgever de benodigde apparatuur ter beschikking stellen, zodat het verlenen van een dergelijke tegemoetkoming in de praktijk eerder uitzondering dan regel zal zijn In het derde lid wordt geregeld dat betrokkene een redelijke vergoeding ontvangt voor de verplichting om een ruimte in zijn huis ter beschikking te stellen en in te richten als werkruimte. De vergoeding daarvoor bedraagt €60 (f 132,22) bruto per maand. De vergoeding wordt geïndexeerd met de algemene salarisontwikkeling in de sector Rijk.

Het vijfde lid geeft de minister de mogelijkheid om in overeenstemming met het Departementaal Georganiseerd Overleg van de hoogte van de normvergoeding af te wijken. Zo kan in de situatie dat partijen dit redelijk achten de vergoeding naar beneden of boven worden bijgesteld. Zo kan bijvoorbeeld worden overeengekomen dat bij de vaststelling van de vergoeding rekening wordt gehouden met het gemiddeld aantal uren dat betrokkene in de telewerkruimte doorbrengt voor het verrichten van werkzaamheden. Daarnaast kan ook worden overeengekomen dat bij het vaststellen van de hoogte van de vergoeding rekening wordt gehouden met het feitelijk aantal vierkante meters die benodigd zijn om te kunnen telewerken. De Rijksgebouwendienst hanteert als norm voor de oppervlakte van een kantoorwerkplek 8 m2.

Artikel 8

Dit artikel heeft betrekking op de situatie dat betrokkene en bevoegd gezag op vrijwillige basis afspreken dat betrokkene een of meer dagen per week gaat telewerken. In die situatie kan het bevoegd gezag aan betrokkene telewerkvoorzieningen verlenen. Het bevoegd gezag is niet verplicht om telewerkvoorzieningen te verschaffen; betrokkene en bevoegd gezag dienen daar nadere afspraken over te maken. Zo kunnen betrokkene en het bevoegd gezag ook afspreken dat betrokkene zelf voor de telewerkvoorzieningen zorgdraagt.

Voordat tot verlening van de telewerkvoorzieningen kan worden overgegaan dient aan de volgende voorwaarden te zijn voldaan. Betrokkene heeft de voorziening nodig om te kunnen telewerken. Afhankelijk van de concrete invulling van het telewerken kan een bepaalde voorziening al dan niet noodzakelijk zijn. Dit zal vooral betrekking hebben op voorzieningen als een fax en een mobiele telefoon, internetkosten, aanleg extra telefoonlijn. Verder zal de betrokkene die reeds beschikt over een ingerichte telewerkruimte die voldoet aan de Arbo-normen niet in aanmerking komen voor de inrichting van de werkkamer op kosten van de werkgever. In het tweede lid wordt geregeld dat aan betrokkene die reeds over een personal computer met bijbehorende randapparatuur beschikt een onbelaste vergoeding van € 22,69 (50 gulden) per maand kan worden gegeven, indien de eigen computer voor het telewerken wordt gebruikt.

Deze mogelijkheid vloeit voort uit de in 1994 met de Belastingdienst (Grote ondernemingen Den Haag) gemaakte afspraken in het kader van telewerken bij de rijksdienst. Deze afspraken zijn neergelegd in de bijlage behorende bij de circulaire AD94/U364 van 22 maart 1994 van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Het gaat daarbij om afschrijvings- en onderhoudskosten, waarbij inbegrepen verzekeringskosten (brand en inbraak) alsmede elektriciteitskosten van de apparatuur (niet van de verlichting in de werkkamer).

Een verlaging van dit bedrag is mogelijk in de gevallen dat betrokkene in het kader van pc-privéproject een subsidie van de werkgever heeft ontvangen voor de aanschaf van een computer. In de regel zal de werkgever de benodigde apparatuur ter beschikking stellen, zodat het verlenen van een dergelijke tegemoetkoming in de praktijk eerder uitzondering dan regel zal zijn.

Artikel 9

Dit artikel bepaalt dat voor de uitvoering van deze regeling door onze minister nadere regels kunnen worden vastgesteld. Deze regels zullen in overeenstemming met het DGO moeten worden vastgesteld. Zo kunnen regels worden vastgesteld over de situaties en de voorwaarden waaronder tot beëindiging van de telewerkovereenkomst wordt overgegaan. Daarbij kan onder andere worden gedacht aan de volgende situaties: ontslag, langdurige ziekte, verandering van functie, een werkplek die niet meer voldoet aan de voorschriften van de Arbo-wet.

Daarnaast kunnen regels worden gesteld over de consequenties die deze beëindiging heeft voor de verstrekte, ter beschikking gestelde of reeds vergoede telewerkvoorzieningen. Zo kan worden bepaald dat bij de beëindiging van de schriftelijke afspraken om te telewerken de ter beschikking gestelde telewerkvoorzieningen aan het bevoegd gezag moeten worden overgedragen.

De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Bijlage artikelen 1 tot en met 8 van het Model uitkeringsreglement Werkloosheidswet.

Inhoudsopgave

Artikel 1

Artikel 2

Artikel 3

Artikel 4

Artikel 5

Artikel 6

Artikel 7

Artikel 8

Artikel 1

In dit reglement wordt verstaan onder:

bedrijfsvereniging: de Bedrijfsvereniging USZO, gevestigd te Heerlen;

bestuur: het bestuur van de onder a genoemde bedrijfsvereniging;

Werkloosheidswet: Wet tot verzekering van werknemers tegen geldelijke gevolgen van werkloosheid (Stb. 1987, 93);

werknemer: de werknemer in de zin van de Werkloosheidswet;

werkgever: de werkgever in de zin van de Werkloosheidswet;

uitkering: de uitkering in de zin van hoofdstuk II van de Werkloosheidswet;

Arbeidsvoorzieningsorganisatie: de instelling, bedoeld in artikel 2 van de Arbeidsvoorzieningswet (Stb. l990, 402).

Artikel 2

Lid 1

Een werknemer die werkloos wordt is verplicht daarvan uiterlijk op de eerste werkdag volgend op de eerste dag van werkloosheid aangifte te doen op de door het bestuur daarvoor aangewezen adressen.

Lid 2

Het bestuur zorgt ervoor dat de adressen waar de aangifte moet worden gedaan aan werkgevers en werknemers bekend kunnen zijn.

Artikel 3

Lid 1

Een werknemer die werkloos wordt is verplicht binnen een week na het intreden van zijn werkloosheid een schriftelijke aanvraag om uitkering in te dienen door middel van een door het bestuur beschikbaar gesteld formulier waarop de voor het beoordelen van de aanvraag door het bestuur gewenste gegevens zijn vermeld en dat door de werknemer is ondertekend.

Lid 2

Het in het vorige lid bedoelde formulier bevat of is vergezeld van een bewijs van inschrijving van de werknemer als werkzoekende bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie voor zover de inschrijving krachtens artikel 26, eerste lid onder d, van de Werkloosheidswet voor het geldend maken van het recht op uitkering vereist is.

Artikel 4

Lid 1

Door of namens het bestuur wordt een onderzoek ingesteld naar de juistheid en volledigheid van de gegevens, bedoeld in artikel 3, eerste lid.

Lid 2

In afwijking van het eerste lid is de werknemer verplicht desgevraagd zorg te dragen voor een door of namens de werkgever, bij wie hij in de periode van twaalf maanden onmiddellijk voorafgaand aan het intreden van zijn werkloosheid werkzaam was, of, indien hij in deze periode bij meerdere werkgevers werkzaam was, door ieder van die werkgevers ondertekende verklaring, waarin deze de juistheid van de gegevens, bedoeld in artikel 3, eerste lid, voor zover hij deze kan beoordelen, bevestigt.

Artikel 5

Lid 1

Tijdens de duur van de uitkering is de werknemer verplicht aan het bestuur of een door het bestuur aangewezen adres onverwijld mededeling te doen van:

het tijdstip van de aanvang van al dan niet in dienstbetrekking verrichte werkzaamheden of de uitbreiding van door hem reeds verrichte zodanige werkzaamheden, ook indien het in het laatst bedoelde geval werkzaamheden betreft die reeds werden verricht voordat de werkzaamheden bij de laatste werkgever werden beëindigd;

alle overige feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering, het geldend maken van het recht op uitkering, de hoogte of de duur van de uitkering, of op het bedrag van de uitkering dat aan de werknemer wordt betaald.

Lid 2

Tenminste voor elke betaling van uitkering verstrekt de werknemer tegen een door het bestuur aan te geven tijdstip op een door hem ondertekend formulier, dat door het bestuur beschikbaar wordt gesteld, een opgave betreffende:

de werkzaamheden die door hem zijn verricht gedurende de periode waarover door hem aanspraak op uitkering wordt gemaakt;

de inkomsten die door hem al dan niet uit bedoelde werkzaamheden, over die periode zijn genoten.

Lid 3

Het formulier, bedoeld in het tweede lid, bevat de verklaring, dat de opgave naar waarheid is verstrekt en dat niets is verzwegen dat van invloed kan zijn op het recht op uitkering, het geldend maken van het recht op uitkering, de hoogte of de duur van de uitkering, of op het bedrag van de uitkering dat aan de werknemer wordt betaald.

Artikel 6

Lid 1

De werknemer, ten aanzien van wie aangifte van werkloosheid is gedaan, is verplicht:

controle door personen, die daarmee of namens het bestuur zijn belast en die zich met een daartoe strekkende machtiging kunnen legitimeren, mogelijk te maken. Daartoe dient hij hetzij op zijn woon- of verblijfplaats bereikbaar te zijn, dan wel er zorg voor te dragen, dat de met controle belaste personen kunnen vernemen waar hij wel bereikbaar is;

van een wijziging in zijn woon- of verblijfplaats of adres onverwijld aan het bestuur kennis te geven.

Lid 2

Indien daartoe naar het oordeel van het bestuur aanleiding bestaat, kan het een werknemer, ten aanzien van wie aangifte van werkloosheid is gedaan, de verplichting opleggen:

zich dagelijks een of meermalen op een bepaalde plaats aan te melden en daarbij een controlelijst te tekenen, met dien verstande, dat het tijdstip der aanmelding voor de verschillende dagen van een kalenderweek zoveel mogelijk verschillend wordt vastgesteld;

op door of het namens het bestuur aan te wijzen uren thuis te zijn en de door of namens het bestuur aangewezen personen gelegenheid te geven tot controle;

voor het geval hij zijn woning of zijn woon- of verblijfplaats verlaat, zorg te dragen, dat aan zijn huisgenoten bekend is, waar hij zich bevindt;

zich aan andere door het bestuur vast te stellen controlemaatregelen te onderwerpen en daaraan zijn medewerking te verlenen.

Artikel 7

De werknemer, ten aanzien van wie aangifte van werkloosheid is gedaan, is, ook nadat hij uitkering ontvangen heeft, verplicht te voldoen aan een verzoek van het bestuur of een daartoe schriftelijk door of vanwege het bestuur gemachtigd persoon om ten behoeve van de uitvoering der Werkloosheidswet:

op een aangegeven plaats en tijd te verschijnen;

mondeling of schriftelijk en in het laatste geval binnen een schriftelijk gestelde termijn inlichtingen te geven ten opzicht van hemzelf of van hem, in wiens dienst hij werkt of gewerkt heeft,

inzage te verlenen in boeken, bescheiden en andere stukken, voor zover deze betekenis kunnen hebben voor het recht op uitkering, het geldend maken van het recht op uitkering, de hoogte of de duur van de uitkering of het bedrag van de uitkering dat aan de werknemer wordt betaald.

Artikel 8

Lid 1

De werknemer, ten aanzien van wie aangifte van werkloosheid is gedaan en die voornemens is tijdens de duur van de uitkering met vakantie te gaan, is verplicht zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk vier weken voor de aanvang van die vakantie aan het bestuur mededeling te doen van de voorgenomen duur van de vakantie en van de periode waarin deze zal plaatsvinden.

Lid 2

Het bestuur kan beslissen dat de werknemer, gelet op zijn kansen op de arbeidsmarkt in de periode van de voorgenomen vakantie, in die periode geen vakantie dan wel geen vakantie van de voorgenomen duur mag genieten. De werknemer wordt van deze beslissing uiterlijk binnen drie weken na de in het eerste lid bedoelde mededeling schriftelijk in kennis gesteld. Indien hij deze beslissing binnen de gestelde termijn heeft ontvangen, is het de werknemer niet toegestaan met vakantie te gaan dan wel een vakantie van de voorgenomen duur te genieten.

Lid 3

De werknemer is verplicht de periode van de voorgenomen vakantie dan wel de periode van vakantie waarvoor hem met toepassing van het tweede lid toestemming is verleend, niet te overschrijden.

Regeling uitwisseling arbeidsvoorwaarden vakbondscontributie

Inhoudsopgave

Artikel 1 Karakter van de regeling

Artikel 2 Vakbondscontributie

Artikel 3 Voorwaarden voor belastingvrije vergoeding van de vakbondscontributie

Artikel 4 Bronnen

Artikel 5 Procedure

Artikel 6

Artikel 7

Artikel 1 Karakter van de regeling

Deze regeling maakt de inzet mogelijk van bestanddelen van het brutoloon voor de betaling van vakbondscontributie.

Artikel 2 Vakbondscontributie

De volledige contributie over het betreffende kalenderjaar komt voor deze regeling in aanmerking.

Artikel 3 Voorwaarden voor belastingvrije vergoeding van de vakbondscontributie

Lid 1

Deze regeling is van toepassing op de werkne(e)m(st)er in dienst van de Veiligheidsregio Limburg-Noord:

met een vaste ambtelijke aanstelling of diegene die binnen een jaar in vaste dienst van de Veiligheidsregio zal komen en

die is aangesloten bij een van de centrales welke zijn toegelaten tot het centraal overleg met het College voor Arbeidszaken van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten.

Lid 2

Onder toegelaten organisaties zoals bedoeld in het vorige lid, worden verstaan de Algemene Centrale van Overheidspersoneel (ACOP), de Christelijke Centrale van Overheids- en Onderwijzend Personeel (CCOOP), de Centrale van Middelbare en Hogere functionarissen (CMHF) bij de overheid, onderwijs, bedrijven en instellingen dan wel een van de bij deze centrales aangesloten bonden en de Landelijke vereniging van Artsen in Dienstverband (LAD).

Lid 3

Een aanvraag kan, per betaald contributiebedrag, slechts eenmaal worden ingediend.

Lid 4

De werknemer is verantwoordelijk voor de gevolgen van een foutieve opgave.

Artikel 4 Bronnen

Voor de betaling van de vakbondscontributie in het betreffende kalenderjaar kunnen de volgende bronnen zoals bedoeld in artikel 4a:3 van CAR-UWO worden ingezet:

de bezoldiging zoals bedoeld in artikel 3:1 van CAR-UWO;

de eindejaarsuitkering zoals bedoeld in artikel 3:6 van CAR-UWO

de vakantietoelage zoals bedoeld in artikel 6:3 van CAR-UWO;

de vergoeding voor vakantie-uren zoals gedefinieerd in artikel 4a:1, lid 5 van de CAR-UWO.

Artikel 5 Procedure

Lid 1

De werkne(e)m(st)er moet vóór de eerste van de maand voorafgaand aan de maand waarin de eindejaarsuitkering wordt betaald aan de werkgever kenbaar maken, dat hij/zij van deze regeling uitwisseling arbeidsvoorwaarden vakbondscontributie gebruik wil maken.

Lid 2

Daartoe levert de werkne(e)m(st)er een volledig ingevuld aanvraagformulier en betalingsbewijs in bij de werkgever.

Lid 3

De werkne(e)m(st)er geeft aan welke bron/bronnen gebruikt worden.

Artikel 6

Het Dagelijks Bestuur is bevoegd in gevallen waarin deze regeling niet of niet in redelijkheid voorziet een voorziening te treffen.

Artikel 7

Deze regeling treedt in werking op 1 januari 2006.

Regeling uitwisseling arbeidsvoorwaardentegemoetkoming woon-werkverkeer

Inhoudsopgave

Artikel 1

Artikel 2

Artikel 3

Artikel 4

Artikel 5

Artikel 6

Artikel 4a Lokale uitwerking arbeidsvoorwaarden Veiligheidsregio Limburg-Noord (onderdeel uitwisseling arbeidsvoorwaarden)

Artikel 1

Lid 1

Ambtenaren in dienst van de Veiligheidsregio Limburg-Noord kunnen aanspraak maken op een tegemoetkoming in de kosten voor het regelmatig reizen tussen de woning en de plaats van tewerkstelling.

Lid 2

Deze aanspraak is alleen mogelijk indien de ambtenaar gebruik maakt van het uitwisselen van arbeidsvoorwaarden, op grond van artikel 4a:3 van de CAR/UWO.

Artikel 2

Er is sprake van doorgaans heen en weer reizen tussen de woning en de plaats van tewerkstelling indien: de ambtenaar de arbeidsplaats op jaarbasis tenminste 36 weken (70% van 52 weken) bezoekt. Voor een werknemer die deeltijd werkt of een aantal dagen per week naar een vaste arbeidsplaats reist, wordt deze regeling naar evenredigheid toegepast. Als een werknemer in deeltijd bijvoorbeeld doorgaans drie dagen per week naar een vaste arbeidsplaats reist, dient de uitkomst van de berekening met de factor 0,6 (3/5) te worden vermenigvuldigd.

Artikel 3

Voor de bepaling van de enkele reisafstand geldt de kortste afstand tussen de woonplaats en de plaats van tewerkstelling.

Artikel 4

Voor de bepaling van een vaste vrije vergoeding per maand wordt uitgegaan van de volgende factoren:

Aantal reguliere werkdagen per jaar: 260

Gemiddeld aantal dagen in verband met kortstondige afwezigheid (vakantie, verlof en ziekte): 54

De toegestane vrije vaste vergoeding voor reiskosten is dan op jaarbasis (260-54) x totale reisafstand x € 0,18.

De toegestane vaste vrije vergoeding per maand is het bedrag op jaarbasis gedeeld door 12.

Artikel 5

Het Dagelijks Bestuur is bevoegd in gevallen waarin deze regeling niet of niet in redelijkheid voorziet een voorziening te treffen.

Artikel 6

Lid 1

Deze regeling treedt in werking op 1 januari 2005 onder voorbehoud van wijziging van wet, beleid van de staatssecretaris en/of jurisprudentie.

Lid 2

Deze regeling is van toepassing tot het moment waarop de wet, beleid van de staatssecretaris, jurisprudentie en/of fiscale regels in het algemeen wijzigen. Medewerkers worden alsdan op geen enkele wijze gecompenseerd in eventuele nadelige financiële effecten in relatie tot het van kracht zijn van deze regeling.

Vakantieregeling

Inhoudsopgave

Artikel 1 Belanghebbende

Artikel 2 Vakantieduur

Artikel 3 Splitsing van vakantie

Artikel 4 Verhoging vakantie door leeftijd

Artikel 5 Vervallen

Artikel 6

Artikel 7 Overgangsbepaling

Artikel 8 Inwerkingtreding

Artikel 1 Belanghebbende

Deze regeling is van toepassing op de ambtenaar in de zin van deel I en op de werknemer in dienst op grond van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht, zoals bedoeld in artikel 2:5:6, derde lid, van deel I.

Artikel 2 Vakantieduur

Lid 1

De duur van de jaarlijkse vakantie van de belanghebbende, bedoeld in artikel 1, wordt bepaald aan de hand van onderstaande tabel, die is afgestemd op de indeling in de salarisschalen volgens de bezoldigingsregeling:

in de salarisschalen 1 t/m 9: 158,4 uren

in de salarisschalen 10 en hoger: 165,6 uren.

Lid 2

De duur van de vakantie van een belanghebbende bedoeld in het eerste lid, met een formele arbeidsduur van minder dan 36 uren per week, wordt naar evenredigheid verminderd.

Artikel 3 Splitsing van vakantie

Onverminderd het bepaalde in artikel 6:2:2, eerste lid, van deel I, kunnen de vakantieuren gesplitst worden opgenomen.

Artikel 4 Verhoging vakantie door leeftijd

De duur van de vakantie, als bedoeld in artikel 2, wordt voor de ambtenaar die vanaf 1 april 1997 in dienst is getreden van het Gewest Midden-Limburg of het Gewest Noord-Limburg en vanaf 1 januari 2002 in dienst treedt van de Regio Noord- en Midden Limburg verhoogd met:

7,2 uur te beginnen met het kalenderjaar waarin de belanghebbende, bedoeld in artikel 1, de leeftijd van 35 jaar bereikt;

14,4 uur te beginnen met het kalenderjaar waarin de belanghebbende, bedoeld in artikel 1, de leeftijd van 40 jaar bereikt;

21,6 uur te beginnen met het kalenderjaar waarin de belanghebbende, bedoeld in artikel 1, de leeftijd van 45 jaar bereikt;

28,8 uur te beginnen met het kalenderjaar waarin de belanghebbende, bedoeld in artikel 1, de leeftijd van 50 jaar bereikt.

Voor deeltijders geldt voornoemde verhoging van de duur van de vakantie naar rato van de betrekkingsomvang.

Artikel 5 Vervallen

(vervallen)

Artikel 6

Lid 1

Mede ter bescherming van het welzijn van de medewerker is het een groot goed om ernaar te streven om het jaarlijks toegekende verlof ook op te nemen in het jaar waarin het ontstaan is.

Lid 2

Maximaal 72 vakantie-uren (deeltijders naar rato) kunnen worden overgeschreven naar het volgende kalenderjaar. Heeft de ambtenaar aan het einde van het kalenderjaar meer dan 72 vakantie-uren niet opgenomen, dan kan hij het Dagelijks Bestuur met redenen omkleed verzoeken deze niet opgenomen vankantie-uren over te mogen schrijven naar het volgende kalenderjaar. Het Dagelijks Bestuur kan bij inwilliging van dit verzoek hier voorwaarden aan verbinden.

Lid 3

Er kunnen met individuele medewerkers c.q. groepen medewerkers afspraken gemaakt worden over extra vakantie-uren.

Artikel 7 Overgangsbepaling

Lid 1

De belanghebbende, bedoeld in artikel 1, die met ingang van inwerkingtreding van deze regeling in dienst treedt van de Veiligheidsregio én voor 1 april 1997 reeds in dienst was van het Gewest Midden- Limburg of het Gewest Noord- Limburg heeft, in afwijking van het bepaalde in artikel 4, aanspraak op de hierna vermelde verhoging van de vakantieduur;

7,2 uur te beginnen met het kalenderjaar waarin de leeftijd van 30 jaar wordt bereikt;

14,4 uur, te beginnen met het kalenderjaar waarin de leeftijd van 35 jaar wordt bereikt of 15 jaar in overheidsdienst is doorgebracht;

28,8 uur, te beginnen met het kalenderjaar waarin de leeftijd van 45 jaar wordt bereikt of 25 jaar in overheidsdienst is doorgebracht;

43,2 uur, te beginnen met het kalenderjaar waarin de leeftijd van 55 jaar wordt bereikt of 35 jaar in overheidsdienst is doorgebracht;

Lid 2

Voor de vaststelling van de overheidsdienst, bedoeld in het eerste lid, wordt in aanmerking genomen de overheidsdienst, als bedoeld in artikel 3:5:1 van deel I.

Artikel 8 Inwerkingtreding

Deze regeling kan worden aangehaald als “vakantieregeling” en treedt in werking met ingang van 1 januari 2002.

Regeling vergoeding van schade bij gebruik eigen motorvoertuig

Inhoudsopgave

Artikel 1 Algemene voorwaarden

Artikel 2 Afhandeling verzoek

Artikel 3

Artikel 1 Algemene voorwaarden

Om voor een vergoeding als bedoeld in artikel 15:1:23, lid 2, van deel I, in aanmerking te komen is vereist dat de ambtenaar toestemming van het Dagelijks Bestuur nodig heeft voor het gebruik van een eigen motorvoertuig voor de dienst. Het Dagelijks Bestuur heeft aan de toestemming de volgende algemene voorwaarden gesteld tot het gebruik van eigen motorrijtuigen voor dienstreizen:

een motorrijtuig dat niet ouder is dan vijf jaar, dient WA + casco (= ”all risks” ) verzekerd te zijn;

een motorrijtuig dat op het moment van de schade een dagwaarde heeft van € 4545,- of meer, dient WA + casco (= ” all risks” ) verzekerd te zijn. Praktijkvragen:

Geeft het Dagelijks Bestuur c.q. de sectordirecteur ook toestemming voor dienstreizen met een auto die ouder is dan vijf jaar en komt dan de ambtenaar in voorkomend geval voor schadevergoeding in aanmerking??Ja, ook voor oudere auto’s wordt toestemming verleend om dienstreizen te maken, ook als die alleen WA verzekerd zijn. In voorkomend geval zal de betrokken medewerker voor schadevergoeding door de Veiligheidsregio Limburg-Noord in aanmerking komen.

Als een dienstreis gemaakt wordt met een auto die nog geen vijf jaar oud is en die alleen WA verzekerd is, komt de medewerker dan in voorkomend geval voor schadevergoeding in aanmerking??Nee, de medewerker die zijn nieuwe auto alleen WA verzekert, voldoet niet aan de gestelde voorwaarden en dient het bewust gekozen risico zelf te dragen.

LET OP: de sectordirecteur zal niet elke keer als toestemming wordt verleend voor het gebruik van de eigen auto voor de dienst bij de medewerker informeren of de auto afdoende verzekerd is! Pas als een schade wordt gemeld, zal worden nagegaan of aan de voorwaarden is voldaan.

Artikel 2 Afhandeling verzoek

Voor de afhandeling van een schademelding heeft het Dagelijks Bestuur de volgende regels vastgesteld:

De medewerker dient in eerste instantie na te gaan of een eventuele tegenpartij de veroorzaker van de schade is. Zo ja, dan dient deze aansprakelijk te worden gesteld en vergoedt de Veiligheidsregio de schade niet.

Indien het motorrijtuig WA + casco verzekerd is, vergoedt de Veiligheidsregio óf de geleden schade, óf het verlies van no claim, zulks naar keuze van de Veiligheidsregio (in het algemeen zal het laagste bedrag vergoed worden).

Een gemotiveerd verzoek om voor vergoeding in aanmerking te komen dient binnen een week na het ontstaan van de schade via het afdelingshoofd te worden ingediend bij de sectordirecteur. Deze zal beoordelen of de claim terecht is en zo ja, vervolgens zorg dragen voor doorgeleiding naar de afdeling financiën van het Stafbureau Beheer, alwaar de claim wordt afgehandeld.

Artikel 3

Deze regeling kan worden aangehaald als “richtlijnen vergoeding van schade bij gebruik eigen auto”; ze gaat in per 1 januari 2002.

Beleidsregels verlof

Inhoudsopgave

  • 1.

    Inleiding

  • 2.

    Algemene informatie

  • 3.

    Principedata

  • 4.

    Normaal verlof

  • 5.

    Voorkeursverlof

  • 6.

    Verlof op voorhand

  • 7.

    Vakantieverlof

  • 8.

    Extra verlof

  • 9.

    Ruilingen

  • 10.

    Aanvulregeling

  • 11.

    Buitengewoon verlof

  • 12.

    Studie- en examenverlof

  • 13.

    Zwangerschaps- en ouderschapsverlof

  • 14.

    Overuren

  • 15.

    Dienstruilingen bij sportactiviteiten

  • 16.

    Flexibele uren

  • 17.

    Bereikbaarheidsdienst

  • 18.

    Aanpassingen aan deze beleidsregels

Versiedatum: 1 januari 2011

Deze beleidsregels hebben als doel duidelijkheid te bieden ten aanzien van verlof voor al het repressieve beroepspersoneel in 24-uurdienst en dagdienst om interpretatieverschillen tussen ploegen en individuele functionarissen te voorkomen. Deze intern werkende beleidsregels vindt zijn basis in, en behelst een uitwerking op, het onderdeel verlof van de hoofdstukken 6 en 18a van de AGV (Arbeidsvoorwaardenregeling gemeente Venlo). Deze interne beleidsregels horen bij het 24-uursrooster zoals dat op 15 maart 2010 is besproken binnen het BMT van Brandweer Venlo en waar de OC van Brandweer Venlo op 30 maart 2010 mee instemt.

1. Inleiding

De verlofregelingen voor personeel in dienst bij brandweer Venlo staan vermeld in de Arbeidsvoorwaardenregeling Gemeente Venlo (hoofdstuk 6 en 18a). De werkafspraken die verwoord staan in deze specifieke beleidsregels zijn bedoeld voor het repressieve beroepspersoneel in 24-uurdienst en dagdienst. Het is aanvullend op de rechtspositieregeling en heeft als doel om op een heldere en objectieve wijze verlof toe te kunnen kennen. De rechtspositieregeling blijft echter maatgevend bij onduidelijkheden.

2. Algemene informatie

Het verlof wordt één dienst, van de betreffende ploeg, vooraf toegekend. Deze toekenning betreft aanvragen voor vaste bloktijden (zie paragraaf 4).lndien er meer aanvragen zijn dan er verlof kan worden toegewezen, vindt eerst de verdeling van voorkeur- en extraverlof plaats, en dan de loting waarbij geen onderscheid gemaakt wordt in prioriteit tussen de verschillende bloktijden. Indien de verlofaanvraag minder dan een kwart bloktijd (losse uren) betreft, wordt dit verlof pas op de dag waarop de verlofaanvraag betrekking heeft, door de ploegcommandant toegewezen. In het voorkomend geval er iemand wegens dienstbelang in opleiding is, geldt er een verlofbeperking voor de losse uren.

Het aan te vragen verlof dient uiterlijk één dienst vóór de betreffende verlofdag voor 09.00 uur via een "Verlofbriefje" aangemeld te zijn bij de leidinggevende van de eigen ploeg. Op de verlofaanvraag kan men zelf prioriteiten aangeven wat betreft de gewenste bloktijden. Indien hiervan geen gebruik gemaakt wordt, geldt alleen de aangevraagde verlofduur. Het toekennen van verlof op een verlofaanvraag die na bovengenoemde tijden wordt ingediend is alleen mogelijk indien voldoende personeel in dienst is. Verlof wordt uitsluitend toegewezen indien de dienst dit toelaat. Indien de dienst het noodzakelijk acht is het mogelijk dat al het toegekende verlof, wordt ingetrokken. Dit ter beoordeling van het hoofd afdeling repressie en nazorg. Tijdens verlof kan men nooit in dienst komen om aan te vullen op basis van overwerk. Uitzondering hierop betreft het opkomen bij korpsalarm, groeps- en/of duikalarm brandweer Venlo. Deze uren worden bijgeschreven op de verlofkaart. De toelage wordt verrekend zoals vastgesteld in hoofdstuk 3 van het AGV. Door de ploegcommandant wordt het verlofadvies opgesteld dat op de dag van toekenning voor 10.30 uur wordt bekend gemaakt. Over de tijdstippen dat het vakantieverlof en het verlof op voorhand moet worden aangevraagd wordt iedereen schriftelijk geïnformeerd (zie principedata). De verlofaanvrager moet bij voorkeursverlof de postcommandant beroeps voldoende informeren. Zie paragraaf 5.

Indien een medewerker voorhandverlof aanvraagt vanwege een meerdaagse reis, vermeldt de medewerker de periode op de verlofaanvraag. Na goedkeur van het voorhandverlof, wordt deze periode gemarkeerd in het rooster zodat de medewerker op die dagen niet ingeroosterd kan worden.

Onder kernfeestdagen voor medewerkers in 24-uursdienst worden verstaan: 1 januari en 25, 26 december. Onder "als weekeinde tellende dag" worden in deze beleidsregels verstaan: maandag en dinsdag tijdens Carnaval, 2e Paasdag, Koninginnedag, Bevrijdingsdag, Hemelvaartsdag en 2e Pinksterdag.

3. Principedata

In verband met het opstellen van het jaarrooster en het toekennen van bijzondere verlofaanvragen gelden de navolgende principedata:

Vóór 1 oktober vóór het betreffende jaar:basisrooster is bekend
Vóór 1 november vóór het betreffende jaar:indienen voorhandverlofdagen indienen verzoek vakantieverschuivingen
Vóór 1 december vóór het betreffende jaar:bekendmaken van het toegekende voorhandverlof
Vóór 1 december van het betreffende jaar:bekendmaken concept vakantierooster
Vóór 1 februari van het betreffende jaar:definitief rooster is bekend

4. Normaal verlof

Voor alle manschappen en bevelvoerders geldt dat bij meer verlofaanvragen dan dat er verlof kan worden uitgegeven, hierom geloot zal worden.

De ploegcommandant, in de ploeg zonder (onder)brandmeester, heeft de mogelijkheid van verlof door het invallen van een bevelvoerder uit de dagdienst.

De bevelvoerder op de wisselstoel coördinator repressie stemt zijn verlof af met de postcommandant beroeps.

Voor duikers, duikploegleiders en assistent duikers geldt dat ze kunnen meedingen naar verlof. Als na het uitgeven van het verlof blijkt dat er minder dan 2 parate duikers, 1 duikploegleider en 1 assistent duiker in dienst zijn, zal dit aantal door "vrije" duikers, duikploegleider(s) en assistent duikers aan de hand van de zogenaamde bellijst worden aangevuld op basis van urencompensatie. De extra bezetting die hiermee verkregen wordt, kan zo nodig aan niet-duiker(s), niet-duikploegleiders en niet-assistent duikers voor verlof worden uitgegeven.

De verloftijden zijn in vaste bloktijden ingedeeld. Het verlof in uren dat hiervoor wordt afgeschreven zijn de daadwerkelijke uren: Bloktijden:Bloktijden dagdienst:

Verlof van 08.00 tot 08.00 uur: een hele bloktijd24 uren
Verlof van 08.00 tot 17.00 uur: een halve bloktijd9 uren
Verlof van 17.00 tot 08.00 uur: een halve bloktijd15 uren
Verlof van 08.00 tot 13.00 uur: een kwart bloktijd5 uren
Verlof van 13.00 tot 17.00 uur: een kwart bloktijd4 uren
Verlof van 17.00 tot 23.00 uur: een kwart bloktijd6 uren
Verlof van 08.00 tot 17.00 uur: een hele bloktijd8 uren
Verlof van 08.00 tot 12.00 uur: een halve bloktijd4 uren
Verlof van 13.00 tot 17.00 uur: een halve bloktijd4 uren

Maximaal (72 x 1,333) = 95 uur (afgerond) van het verlof in 2011 mag worden meegenomen naar het volgende jaar. Het overige niet opgenomen verlof vervalt, tenzij er sprake is van bijzondere omstandigheden (bijvoorbeeld ziekte). De teamleider repressie bepaalt of extra verlofuren mogen worden meegenomen.

Voor manschappen en/of bevelvoerder(s) die ingeroosterd zijn voor flexibele uren geldt mogelijk een verlofbeperking. In bijlage 1 is deze verlofbeperking vermeld. Verlof kan dan enkel genoten worden indien de dienst dit toelaat of door een ruiling welke voldoet aan de criteria zoals deze omschreven staan in hoofdstuk 9.

Indien het verlof in zijn totaliteit genoten is, dient er met de hoofd afdeling repressie en nazorg en P&O een regeling te worden getroffen betreffende het toekennen van vervolgverlof.

Het personeel dat volgens het repressieve basisrooster is ingedeeld voor dagdienst (inbegrepen Jack en Pierre), en van 12.00 tot 13.00 uur de continudienst waarneemt, krijgt dit uur bijgeschreven op de verlofkaart.

5. Voorkeursverlof

Voorkeursverlof moet men 2 weken vooraf aanvragen. Verlof met voorkeur gaat van het normale verlofsaldo af. In de hierna genoemde gevallen .wordt in principe verlof gegeven met voorkeur. De bloktijden die worden aangegeven zijn maximumtijden. Men mag ook minder verlof opnemen.

Bij ondertrouw en/of huwelijk en geregistreerd partnerschap van uzelf, totaal 2 hele bloktijden verlof met voorkeur. Dit verlof op te nemen aansluitend op bovengenoemde gebeurtenis.

Bij huwelijk van bloed- of aanverwanten tot en met de 2e graad 1 hele bloktijd.

Bij 25-, 35-, 40- of 50-jarig ambtsjubileum of 25-, 40-, 50- en 60-jarig huwelijksjubileum van uw ouders, pleeg- of schoonouders, 1 hele bloktijd.

Bij 25- 35- of 40-jarig ambtsjubileum van uw partner en bij uw 25- en 40-jarig huwelijksjubileum, 1 hele bloktijd.

Bij kerkelijke bevestigingen zoals doop en Eerst H. Communie en dergelijke van uzelf, uw echtgenote, kinderen en stiefkinderen, 1 hele bloktijd.

6. Verlof op voorhand

Voor de bevelvoerders en manschappen gelden de volgende regels:

Iedereen komt in aanmerking voor 6 beurten per jaar, waarvan er maximaal 3 in het weekeinde of op als "weekeinde tellende dag" worden toegewezen.

Men heeft de mogelijkheid voorhandverlof vóór 1 november voorafgaand aan het betreffende jaar, aan te vragen voor het gehele jaar. Zijn er meer aanvragen voor dezelfde datum, volgt loting. Rekening houdend met de minimale bezetting van 7 manschappen en 1 bevelvoerder waarvan 2 duikers, 1 duikploegleider en 1 assistent duiker.

Men kan de niet aangevraagde voorhandverlofdagen ook gedurende het jaar als voorhand benutten. Dit is echter alleen mogelijk als op de bewuste datum nog niet het maximum aan voorhandverlofdagen zijn toegewezen en op deze dagen geen flexibele uren met verlofbeperking staan gepland. Hierbij wordt rekening gehouden met punt a.

Toekenning van aanvragen voor een bloktijd in 24-uurdienst en/of dagdienst gelden als één beurt.

Op het moment dat de verlofdagen volgens het systeem 'verlof op voorhand' zijn toegekend, worden deze van het verlofsaldo afgeschreven.

De al afgeboekte verlofdag( en), ten behoeve van verlof op voorhand worden teruggeboekt, indien men geen gebruik maakt van verlof op voorhand wegens ziekte of indien men op de bewuste dag(en) in aanmerking komt voor buitengewoon verlof (zie paragraaf 11 ).

Verlof op voorhand wordt niet toegekend tijdens de basisschoolvakantieperiode en niet op de kernfeestdagen. De minimale bezetting per dag in het vakantieblok is 8 manschappen en 1 bevelvoerder.

7. Vakantieverlof

In het vakantieblok van 12 weken, worden 4 vakantieblokken à 3 weken in de roosterplanning opgevoerd waarvan 2 blokken in de basisschool vakantie zijn gepland, en 2 buiten de basisschoolvakantie (1 blok vroeg en 1 blok laat).

Nadat het verlof op voorhand in het rooster is ingepland, kunnen er verzoeken worden ingediend voor vakantieverschuivingen.

Vakantieverschuivingen van mensen die buiten de 6 weken basisschoolvakantie zijn geroosterd, worden eerst behandeld.

Iedereen heeft recht op vakantie gedurende 3 aaneengesloten weken waarbij 3 weekeinden zijn inbegrepen.

Men is verplicht om minimaal 2 weken aaneengesloten vakantie te nemen met daarin 3 weekeinden.

Voor het vakantieverlof worden uren van het verlofsaldo afgeschreven. De overige uren worden in principe in het vakantieblok ingehaald c.q. ingepland.

Bij het indienen en toekennen van de vakantieverschuivingen deelt de dienst de inhaaldiensten in. De betrokkene kan hierbij zijn voorkeur aangeven. De dienst bepaalt de prioriteit en heeft de eindverantwoordelijkheid in de vaststelling van de inhaaldiensten.

Bij het opstellen van het vakantierooster wordt er rekening mee gehouden dat voldoende specialisten aanwezig zijn om de specialistische taken gegarandeerd uit te kunnen voeren.

Bij ziekte op een dag of meerdere dagen waarop vakantie gepland was, wordt het vakantieverlof herberekend. Blijven dan vakantiedagen over, dan worden deze opnieuw ingepland. Het inplannen geschiedt conform punt feng binnen het betreffende jaar. Lukt dit niet dan worden de dag( en) op de snipperkaart bijgeboekt. Hierbij geldt het basisrooster als leidraad.

Bij het opnieuw inplannen van dagen wordt rekening gehouden met het aantal weekeinden.

De basisbezetting met Kerst en Nieuwjaar is vastgelegd in een vijfjaarlijkse rooster.

8. Extra verlof

De mogelijkheid om extra verlof aan te vragen vindt plaats nadat het vakantieverlof en het verlof op voorhand zijn toegekend.

De regels die hierbij gelden zijn:

Extra verlof kan toegekend worden op die dagen dat er meer dan 7 manschappen en respectievelijk 1 bevelvoerder in dienst zijn. Deze regel is ook van toepassing tijdens het gehele vakantieblok.

Indien er meer aanvragen voor een bepaalde dag zijn ingediend vindt loting plaats.

Op het moment dat de dagen vastliggen, worden deze van het verlofsaldo afgeboekt.

Alléén bij ziekte of buitengewoon verlof wordt( en) deze dag( en) teruggeboekt.

Het is niet mogelijk vastgelegde dag( en) te verschuiven of te ruilen.

9. Ruilingen

Het in dienst komen voor een collega, middels ruilen, kan pas plaatsvinden indien het verlof afgewezen wordt.

Mogelijke ruilingen en terugruilingen dienen duidelijk op een verlofbriefje te worden aangegeven.

Een terugruiling dient minimaal 1 dienst van tevoren te worden aangemeld en door de dienst goedgekeurd te zijn.

Mocht de terugruiler niet in staat zijn aan zijn verplichtingen te voldoen, staat de dienst voor de terugruiling garant indien de terugruiling genoteerd staat in de roosterplanning.

Bij ruilingen dient rekening gehouden te worden met de dagelijkse basisbezetting.

De mogelijkheid tot ruilen van diensten bestaat ook voor het volgen van cursussen en opleidingen.

De mogelijkheid bestaat een blok van maximaal 4 uur te ruilen, waarbij de te ruilen uren worden verrekend via de verlofkaart. De medewerker die tot maximaal 4 uur overneemt krijgt 4 uur bijgeschreven op de verlofkaart en bij de medewerker die de 4 uur "ruilt" worden 4 uur afgeschreven van de verlofkaart.

Indien men flexibele uren met verlofbeperking ruilt, dient de terugruiling plaats te vinden op de datum dat flexibele uren met verlofbeperking herhaald worden.

10. Aanvulregeling

Aanvulling mag geschieden indien één of meer:

collega's ouderschapsverlof of zwangerschapsverlof opnemen;

collega's die gedetacheerd zijn in de dagdienst àf bij een andere organisatie;

collega's langer dan 4 weken aaneengesloten ziek zijn;

vacatureplaatsen voor collega('s) openstaan;

en geldt niet bij een verlofaanvraag minder dan een kwart bloktijd (losse uren);

collega's een opleiding in het belang van de dienst volgen.

Aanvulling om één of meerdere bovengenoemde reden(en) mag uitsluitend geschieden op de dagen dat eerder genoemde collega('s) volgens het rooster dienst zou(den) hebben. De mogelijkheid tot verlof vervalt indien geen personen zich beschikbaar (kunnen) stellen om als aanvuller in dienst te komen. De aanvulling dient bij voorkeur als volgt ingevuld te worden:

op werkdagen, zaterdag, zon- en feestdagen wordt de aanvulling zoveel mogelijk verzorgd door maximaal 1 vrijwilliger in de rang van minimaal brandwacht 1 e klas met dien verstande dat alle specialistische taken gewaarborgd blijven. In eerste instantie zullen de vrijwilligers van de Post Vrijwilligers Venlo benaderd worden;

indien in bijzondere gevallen de bovenstaande regelgeving niet voorziet, heeft de hoofd afdeling repressie en nazorg of de postcommandant beroeps de mogelijkheid ad hoc besluiten in deze te nemen.

De aanvullingsuren komen ten laste van de flexibele uren. De coördinator repressie behoudt hierin de regie.

11. Buitengewoon verlof

Buitengewoon verlof, ook wel bijzonder verlof genoemd, is geregeld in de Arbeidsvoorwaardenregeling gemeente Venlo, hoofdstuk 6 en de Wet Arbeid en Zorg.

Algemeen

buitengewoon verlof wordt verstrekt om noodzakelijke maatregelen te kunnen treffen of om aanwezig te kunnen zijn bij de hieronder genoemde gelegenheden of gebeurtenissen. Indien hiervan mag worden afgeweken wordt dit hierbij afzonderlijk vermeld;

indien buitengewoon verlof toegewezen en opgenomen wordt, behoudt men volledige bezoldiging, indien dit niet apart vermeld wordt in de regeling of bij de toezegging van het buitengewoon verlof;

er gelden vergelijkbare voorzieningen als sprake is van een duurzame niethuwelijkse relatievorm;

voor het te verlenen buitengewoon verlof moet altijd overleg gepleegd zijn met de directe bevelvoerder en de postcommandant beroeps; e) voor omschrijving bloktijden wordt verwezen naar paragraaf 4.

Calamiteiten-/ kortverzuimverlof Er bestaat aanspraak op calamiteiten- en ander kortverzuimverlof als de medewerker de werkzaamheden niet kan verrichten wegens: Voor dit verlof staat geen vast aantal dagen. Het is afhankelijk van de situatie en hoe lang het duurt om de noodzakelijke maatregelen te treffen. Het is een korte tijd die naar billijkheid berekend moet worden. Het verlof kan door de werkgever niet geweigerd worden, ook niet op grond van zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen. Uitzondering: bij dagvaarding in een strafzaak als verdachte van een misdrijf of overtreding.

Zeer bijzondere persoonlijke omstandigheden, onder andere bevalling van de partner, overlijden en de lijkbezorging van een huisgenoot of van bloed- of aanverwant in de rechte lijn of in de tweede graad van de zijlijn, plotselinge ziekte van kinderen, brand, gesprongen waterleidingen, andere onvoorziene gebeurtenissen die zich plotseling voordoen.

De uitoefening van een door de wet of overheid opgelegde verplichting, die niet in vrije tijd kan worden nagekomen en waarbij geen geldelijke vergoeding is geboden, onder andere het doen van aangifte van geboorte voor zover dit niet tijdens kraamverlof is gedaan, het doen van aangifte van overlijden en het uitoefenen van het actief kiesrecht.

Kraamverlof De medewerker heeft na bevalling van zijn echtgenote, geregistreerd partner of de persoon met wie hij ongehuwd samenwoont recht op kraamverlof voor twee werkdagen (1 heel blok of 2 halve blokken) naar keuze gedurende een tijdvak van vier weken nadat het kind feitelijk op hetzelfde adres woont als de moeder. De dagen (blokken) hoeven elkaar niet op te volgen. Bij de geboorte van een meerling heeft de medewerker eenmaal aanspraak op twee werkdagen kraamverlof. Kraamverlof kan niet geweigerd worden. Ook niet op grond van zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen.

1 x heel blok = 1 x 24 uur

2 x half blok = bv. 9 uur overdag en 15 uur avond/nacht

25 jarig ambtsjubileum Gedurende één werkdag (een half bloktijd) indien deze samenvalt met de dag waarop de medewerker zijn 25-jarig ambtsjubileum viert.

Vakbondsverlof Voor buitengewoon verlof voor vakbondsactiviteiten e.d. wordt verwezen naar de artikelen 6:4, 6:4:2 en 6:4:5a van de Arbeidsvoorwaardenregeling gemeente Venlo.

Huwelijk of geregistreerd partnerschap Op de dag dat het huwelijk of geregistreerd partnerschap wordt voltrokken.

Overige vormen van buitengewoon verlof Voor alle andere gevallen van (buitengewoon) verlof wordt verwezen naar de overige artikelen in hoofdstuk 6 van de Arbeidsvoorwaardenregeling gemeente Venlo.

12. Studie en examenverlof

Bij het toekennen van verlof en andere faciliteiten voor studie of examen wordt verwezen naar hoofdstuk 17 van de Arbeidsvoorwaardenregeling gemeente Venlo.

13. Zwangerschaps- en ouderschapsverlof

Voor wat betreft zwangerschap geldt dat, zodra de medewerkster hier melding van maakt, zij direct de 24-uursdienst verlaat en als dagdienstmedewerker actief blijft tot het ogenblik dat zij gebruik maakt van de mogelijkheid van zwangerschapsverlof.

Ten aanzien van ouderschapsverlof gelden de volgende afspraken:

een medewerker vraagt het ouderschapsverlof tijdig, schriftelijk, aan. Tijdig is drie maanden voor de ingangsdatum;

de verlofperiode kan maximaal een jaar duren, waarbij het verlof ten hoogste een kwart van de geldende arbeidsduur per week bedraagt;

gedurende de verlofperiode dient de geoefendheid en inzetbaarheid op het normale niveau te blijven, mede hierdoor gaat de voorkeur naar het opnemen van ouderschapsverlof in hele diensten;

voor aanvang van het ouderschapsverlof wordt een vast ritme van verlofopname afgesproken, rekening houdend met het dienstbelang;

per dag kan maximaal 1 medewerker gebruik maken van de ouderschapsverlofregeling;

de hoofd afdeling repressie en nazorg beslist over de toekenning van het verlof. Hierbij wordt tevens aangegeven hoe het verlof wordt ingeroosterd en welke aanvullende afspraken zijn gemaakt.

14. Overuren

De door de medewerker opgebouwde overuren worden maandelijks toegevoegd aan het verlofsaldo op de verlofkaart. Hierdoor worden de overuren gelijkgesteld aan de normale verlofuren zoals omschreven in hoofdstuk 3 van het AGV.

15. Dienstruilingen bij sportactiviteiten

Bij sportactiviteiten van het Volleybalteam en Zaalvoetbalteam, zijn ruilingen toegestaan. Individuele sportactiviteiten zijn ter beoordeling van de hoofd afdeling repressie en nazorg of de postcommandant beroeps.

Hier mogen ruilingen worden doorgevoerd ook al zijn de verlofmogelijkheden niet helemaal benut. Hierbij wordt rekening gehouden met paragraaf 9 (Ruilingen).

16. Flexibele uren

Flexibele uren zijn dagen of dagdelen waarop mogelijk een verlofbeperking zit. In dat geval wordt in beginsel geen verlof, anders dan buitengewoon verlof, verstrekt. De dagen of dagdelen zijn bestemd voor collectieve opleidings- en oefenactiviteiten of activiteiten die daaraan direct zijn gelieerd. Hierbij kan gedacht worden aan grote duikoefeningen, inzetoefeningen (bevelvoerders), oefeningen DSM, RRP, NS en Viecuri, multidisciplinaire inzetoefeningen, hittetrainingen (BOTC) en avondduiken (met vrijwilligers).

De flexibele uren worden ingepland in aaneengesloten blokken, waarbij wordt gestreefd naar blokken van minimaal 4 aaneengesloten uren en maximaal 8 aaneengesloten uren. Deze blokken kunnen overdag, 's avonds, tijdens werkdagen of in het weekend zijn. Indien er geen gebruik wordt gemaakt van deze geplande flexibele uren, vloeien deze terug in het restant flexibele uren.

Bij ziekte blijven geplande werkzaamheden staan en vloeien de uren niet terug in het restant flexibele uren. Bij langdurige ziekte (=langer dan 4 weken aaneengesloten ziek) wordt het restant flexibele uren afgebouwd. Per week wordt 1/52° deel in mindering gebracht, concreet is dit 128/52 = 2,5 uur per week.

Flexibele uren worden niet gepland in de basisschoolvakanties.

17. Bereikbaarheidsdienst (gele puntje)

Dagelijks is naast de ploeg die aanwezigheidsdienst heeft, 1 persoon in het rooster aangewezen om telefonisch bereikbaar en in voorkomend geval beschikbaar te zijn. De bereikbaarheid geldt van 07.30 uur tot 08.00 uur diezelfde dag. Deze persoon dient op afroep beschikbaar te zijn om 24-uursdienst te doen in geval van ziekte of andere onvoorziene omstandigheid van een collega uit de ploeg die dienst heeft. Indien de persoon wordt opgeroepen, zullen de uren bijgeschreven worden op de verlofkaart. Het zijn dus geen overuren. Wanneer deze persoon zelf ziek is zal de bellijst gehanteerd worden.

Bereikbaarheidsdiensten op 24, 25, 26, 31 december en 1 januari worden niet op voorhand ingeroosterd. Wanneer een persoon verlof neemt tijdens deze dagen heeft deze persoon automatisch voor die dag bereikbaarheidsdienst. Voorgaande is alleen van toepassing wanneer negen personen voor die dag zijn ingeroosterd.

18. Aanpassingen beleidsregels

Als gevolg van bijzondere en/of niet voorziene omstandigheden kan van deze beleidsregels worden afgeweken. Een afwijkende toepassing behoeft de goedkeuring van de postcommandant beroeps of hoofd afdeling repressie en nazorg. Een structurele aanpassing wordt ter instemming voorgelegd aan de Onderdeelcommissie Brandweer.

Regeling voorkoming en bestrijding ongewenste omgangsvormen

Inhoudsopgave

Artikel 1 Begripsbepalingen

Artikel 2 Werkingsgebied

Artikel 3 De vertrouwenspersoon

Artikel 4 De vertrouwenspersoon, algemeen

Artikel 5 De vertrouwenspersoon, taken

Artikel 6 De vertrouwenspersoon, instructies

Artikel 7 De klachtencommissie

Artikel 8 De klachtencommissie, instelling en samenstelling

Artikel 9 De klachtencommissie, taken en bevoegdheden

Artikel 10 De uitspraak

Artikel 11 De klachtencommissie, overige taken

Artikel 12 Geheimhouding

Artikel 13 Rechtsbescherming

Artikel 14 Overige bepalingen

Artikel 1 Begripsbepalingen

Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder:

bevoegde gezag: Dagelijks Bestuur van de Veiligheidsregio Limburg-Noord;

klager: de persoon die zich wendt tot de vertrouwenspersoon c.q. een klacht over ongewenste omgangsvormen indient - dan wel de vertrouwenspersoon die ambtshalve een klacht indient - bij de klachtencommissie;

beklaagde: de persoon tegen wie de klacht is gericht;

ongewenste omgangsvormen: opmerkingen en gedragingen, die de persoon tot wie ze gericht zijn, als ongewenst ervaart; voorts handtastelijkheden, op- of aanmerkingen over het uiterlijk, seksuele geaardheid, ras, geloof, landsaard en dergelijke, indien dit wordt gekenmerkt door eenzijdigheid, ongewenstheid of dwang;

klachtencommissie: de commissie die is ingesteld door het bevoegde gezag en belast is met het onderzoek naar een klacht over ongewenste omgangsvormen ingediend door een persoon als bedoeld onder b;

vertrouwenspersoon: de functionaris tot wie een persoon werkzaam bij de Veiligheidsregio Limburg-Noord zich kan wenden voor advies en ondersteuning wanneer deze meent slachtoffer te zijn van ongewenste omgangsvormen.

Artikel 2 Werkingsgebied

Deze regeling is van toepassing op een ieder die feitelijk werkzaam is bij de Veiligheidsregio Limburg-Noord, verder te noemen de Veiligheidsregio.

Artikel 3 De vertrouwenspersoon

Een ieder die werkzaam is bij de Veiligheidsregio en in of naar aanleiding van de werksituatie met ongewenste omgangsvormen wordt geconfronteerd, kan zich tot een vertrouwenspersoon wenden.

Artikel 4 De vertrouwenspersoon, algemeen

Lid 1

Het bevoegd gezag benoemt, met instemming van de ondernemingsraad, twee vertrouwenspersonen, waarvan één vrouw.

Lid 2

De vertrouwenspersoon is bevoegd om beklaagde, getuigen en andere betrokkenen te horen. Hiertoe wordt slechts overgegaan met toestemming van klager en voor zover de uitvoering van de taken daartoe noodzaakt. De vertrouwenspersoon zorgt er daarbij voor dat de persoonlijke levenssfeer van alle betrokkenen zoveel mogelijk wordt beschermd.

Lid 3

De vertrouwenspersoon is verplicht tot geheimhouding en legt verantwoording af over de in deze functie verrichte werkzaamheden aan de secretaris, anoniem over de gehele organisatie.

Lid 4

De vertrouwenspersoon is verplicht schriftelijke informatie zodanig te archiveren dat deze niet door derden is in te zien. Een jaar na sluiting van het dossier dienen de gegevens vernietigd te worden.

Artikel 5 De vertrouwenspersoon, taken

De vertrouwenspersonen hebben tot taak degenen die zich met klachten over ongewenste omgangsvormen tot hen wenden te ondersteunen en te adviseren, dit onder andere door:

het fungeren als aanspreekpunt voor personen die met ongewenste omgangsvormen worden geconfronteerd;

het op verzoek ondernemen van actie, bijvoorbeeld in de vorm van bemiddeling, ter voorkoming of bestrijding van ongewenste omgangsvormen; Uitgangspunt hierbij is niet de intentie van beklaagde, maar de beleving van dit gedrag door klager.

het eventueel doorverwijzen naar andere hulpverlenende instanties binnen of buiten de Veiligheidsregio Limburg-Noord;

het adviseren omtrent de mogelijkheid en wenselijkheid van het indienen van een klacht bij de in deze regeling bedoelde klachtencommissie;

de nazorg van personen, die met ongewenste omgangsvormen zijn geconfronteerd;

het verstrekken van inlichtingen en het geven van voorlichting over de mogelijkheden tot voorkoming en bestrijding van ongewenste omgangsvormen;

het signaleren van knelpunten in de uitvoering van het beleid ter voorkoming en bestrijding van ongewenste omgangsvormen.

Artikel 6 De vertrouwenspersoon, instructies

De vertrouwenspersonen dienen zich aan de volgende instructies te houden:

zij zullen in alle gevallen zorgvuldigheid betrachten met het oog op de belangen van de direct betrokkenen en van alle eventueel bij ongewenste omgangsvormen betrokken andere personen;

bij anonieme klachten zullen zij slechts kunnen optreden als gesprekspartner van de klager; verdergaande activiteiten van de vertrouwenspersonen zullen slechts mogelijk zijn indien de klager de anonimiteit opheft;

zij zullen alleen actie ondernemen met toestemming van degene die zich tot hen wendt in verband met ongewenste omgangsvormen;

zij zullen niet op eigen initiatief informatie bij derden inwinnen;

zij gaan niet in op geruchten over ongewenste omgangsvormen.

Artikel 7 De klachtencommissie

Er is een Klachtencommissie Ongewenste Omgangsvormen, die tot taak heeft klachten terzake te onderzoeken en daaromtrent te rapporteren aan het bevoegd gezag en deze te adviseren over eventueel te nemen (straf-) maatregelen.

Artikel 8 De klachtencommissie, instelling en samenstelling

Lid 1

Het bevoegde gezag stelt een klachtencommissie ongewenste omgangsvormen in. De ondernemingsraad heeft instemmingsrecht ter zake.

Lid 2

De klachtencommissie bestaat uit drie externe leden. De leden kiezen uit hun midden de voorzitter.

Lid 3

De klachtencommissie kent tenminste een vrouwelijk lid.

Lid 4

De leden bedoeld in lid 2 hebben ieder een plaatsvervanger.

Lid 5

De leden van de commissie mogen geen enkele relatie hebben met klager / beklaagde.

Lid 6

Het bevoegde gezag draagt zorg voor de aanwezigheid van voldoende juridische deskundigheid en deskundigheid met betrekking tot de problematiek van ongewenste omgangsvormen.

Lid 7

De leden en plaatsvervangers van de klachtencommissie worden benoemd voor een periode van 4 jaar. Zij treden na hun zittingsperiode af en zijn terstond hernoembaar.

Lid 8

Het bevoegde gezag stelt de klachtencommissie in de gelegenheid haar taken naar behoren uit te voeren.

Lid 9

De klachtencommissie wordt bijgestaan door een ambtelijk secretaris.

Lid 10

De leden, plaatsvervangers en ambtelijk secretaris zijn verplicht tot geheimhouding.

Artikel 9 De klachtencommissie, taken en bevoegdheden

Lid 1

De klachtencommissie neemt schriftelijke klachten van medewerkers bij de Veiligheidsregio Limburg-Noord over ongewenste omgangsvormen, in of naar aanleiding van de werksituatie, in behandeling.

Lid 2

De schriftelijke klacht bevat:

de naam en functie van de klager;

de omschrijving van de confrontatie(s) met ongewenste omgangsvormen;

de naam van de beklaagde(n);

de beschrijving van de door klager en/of vertrouwenspersoon ondernomen stappen.

De schriftelijke stukken die betrekking hebben op de ondernomen stappen worden aan de klachtencommissie overgelegd.

Lid 3

De klachtencommissie stelt de partijen, die bij het beweerde ongewenste gedrag zijn betrokken, in de gelegenheid afzonderlijk te worden gehoord. Bij de uitnodiging daarvoor wordt een afschrift van de klacht gevoegd. De partijen kunnen zich bij het horen laten bijstaan. De klachtencommissie kan ook derden horen en kan de situatie ter plaatse in ogenschouw nemen.

Lid 4

De zittingen van de commissie zijn niet openbaar.

Lid 5

De klachtencommissie maakt verslagen van het horen van de partijen en van derden. De partijen ontvangen een afschrift van de verslagen m.b.t. hun gesprek; zij kunnen binnen veertien dagen schriftelijk op de inhoud daarvan reageren. De betrokken derden ontvangen een afschrift van de verslagen voor zover deze betrekking hebben op hetgeen door hen aan de klachtencommissie is medegedeeld.

Lid 6

De partijen hebben recht op inzage van alle stukken die op de klacht betrekking hebben. Verslagen van het horen van partijen zijn slechts ter inzage nadat alle partijen zijn gehoord en de reactietermijn als bedoeld in het vorige lid is verstreken. Binnen een week kan een partij schriftelijk reageren op het verslag van de ander.

Lid 7

De klachtencommissie brengt over elke ingediende klacht binnen 6 weken na ontvangst van de klacht, door tussenkomst van de secretaris, schriftelijk advies uit aan het bevoegde gezag. Zowel de partijen als de vertrouwenspersoon ontvangen afschriften hiervan. De klachtencommissie stelt de respectieve hoofden van dienst in kennis van de conclusies op hoofdlijnen.

Lid 8

De termijn van 6 weken kan met ten hoogste 6 weken worden verlengd.

Lid 9

De commissie kan, indien dit nodig is, op een eerder tijdstip in de procedure het bevoegde gezag vragen op grond van een tussentijds advies, te komen tot een tijdelijke maatregel.

Artikel 10 De uitspraak

Lid 1

Binnen een maand na ontvangst van een advies van de klachtencommissie stelt het bevoegde gezag de klachtencommissie, de vertrouwenspersoon en de partijen en de desbetreffende sectordirecteur c.q. secretaris in kennis van het besluit dat naar aanleiding van het advies wordt genomen.

Lid 2

Indien het bevoegde gezag in afwijking van het advies van de klachtencommissie beslist, geeft het bij de beslissing aan waarom van het advies is afgeweken.

Artikel 11 De klachtencommissie, overige taken

Tevens heeft de klachtencommissie tot taak:

het gevraagd en ongevraagd adviseren aan het bevoegde gezag over een beleid inzake ongewenste omgangsvormen op de werkplek;

het jaarlijks schriftelijk verslag uitbrengen aan het bevoegd gezag en de commissie voor georganiseerd overleg over het aantal behandelde klachten, de aard daarvan en de ter zake door de klachtencommissie gegeven adviezen.

Artikel 12 Geheimhouding

Een ieder die betrokken is bij de uitvoering van deze regeling, is verplicht tot geheimhouding.

Artikel 13 Rechtsbescherming

Lid 1

Het bevoegde gezag draagt zorg dat het indienen van een klacht over ongewenste omgangsvormen niet leidt tot benadeling van de indiener in zijn positie als ambtenaar.

Lid 2

Het bevoegde gezag draagt zorg dat de beklaagde zodanige bescherming geniet dat hij geen benadeling ondervindt als ambtenaar. Hierbij is niet van belang of er al dan niet tot sancties maatregelen is overgegaan.

Artikel 14 Overige bepalingen

Lid 1

In gevallen waarin deze regeling niet voorziet beslist het bevoegde gezag.

Lid 2

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2002.

Lid 2

Deze regeling kan worden aangehaald als “Regeling Voorkoming en Bestrijding Ongewenste Omgangsvormen Veiligheidsregio Limburg-Noord”.

Regeling werkoverleg

Inhoudsopgave

Artikel 1 Begripsbepalingen

Artikel 2 Doel van het werkoverleg

Artikel 3 Deelnemers aan het werkoverleg

Artikel 4 Waarom werkoverleg

Artikel 5 Voorwaarden voor werkoverleg

Artikel 6 De inhoud van het werkoverleg

Artikel 7 Bevoegdheden van een werkoverleg

Artikel 8 De fasen van besluitvorming

Artikel 9 Tenslotte

Artikel 10 Inwerkingtreding

Artikel 1 Begripsbepalingen

werkoverleg: is een regelmatig terugkerende, geformaliseerde bespreking tussen de medewerkers en hun directe chef over het eigen werk, zoals inhoud, verantwoordelijkheden, bevoegdheden, problemenen werkomstandigheden, waarbij in principe alle personeelsleden van een afdeling/bureau bij zijn betrokken. Het is geen vrijblijvend overleg dat afhankelijk is van de willekeur van leiding of medewerkers.

directe chef: degene, onder wiens dagelijkse verantwoordelijkheid de medewerker zijn werkzaamheden verricht; bij twijfel hieromtrent beslist de directeur van de sector resp. de secretaris;

naast-hogere chef: de directe chef van de directe chef.

Artikel 2 Doel van het werkoverleg

Lid 1

Het werkoverleg beoogt het verbeteren van de communicatie, zodat leiding en medewerkers een beter inzicht krijgen in het totale afdelings- en bureaugebeuren.

Lid 2

Het werkoverleg houdt meer in dan het vanzelfsprekende contact tussen de directe chef en de medewerkers.

Lid 3

Het beoogt:

het tot stand brengen van een goede betrokkenheid van iedere medewerker bij zijn taak, zowel individueel als in groepsverband. Zo wordt de inbreng en onderlinge samenwerking gestimuleerd en kan samen gezocht worden naar oplossingen voor afdelings- of werkpro-blemen;

de medezeggenschap bij en de medeverantwoordelijkheid voor het afdelings-/ bureaugebeuren te stimuleren;

het verbeteren van de resultaten, zowel qua productiviteit als qua kwaliteit van de beroepsuitoefening;

het verbeteren van de werkomstandigheden op de afdeling, zowel ten aanzien van de werksfeer als de fysieke en psychische belasting, met als doel dat het plezier in het werk toeneemt.

Artikel 3 Deelnemers aan het werkoverleg

Lid 1

Het werkoverleg is samengesteld uit alle medewerkers van de afdeling c.q. het bureau/rayon.

Lid 2

De directe chef van de afdeling / het bureau is voorzitter.

Lid 3

Uit de groep wordt een notulist/ secretaris aangewezen.

Lid 4

Alle medewerkers worden geacht actief aan het werkoverleg deel te nemen.

Lid 5

Men kan besluiten om derden in het overleg onderwerpen nader toe te laten lichten.

Artikel 4 Waarom werkoverleg

Enkele redenen om werkoverleg in te voeren zijn:

De mogelijkheid van de medewerker om mee te praten over zijn werk(situatie).

De capaciteiten, kennis en ervaringen van de medewerkers kunnen op een dergelijke manier beter tot zijn recht komen in het belang van de afdeling en medewerker zelf.

De verwachting is dat de betrokkenheid van de medewerkers toeneemt en dat daardoor ook de motivatie verder toeneemt.

Het bevorderen van een betere teamgeest binnen de afdeling / het bureau.

Artikel 5 Voorwaarden voor werkoverleg

Lid 1

Alle deelnemers moeten de bereidheid hebben zich volledig in te zetten.

Lid 2

De bevoegdheden van het werkoverleg dienen vanaf het begin voor eenieder helder en duidelijk te zijn.

Lid 3

Men dient vertrouwen te hebben in de inbreng van bovenaf en van onderaf.

Lid 4

Alle deelnemers moeten voldoende geïnformeerd zijn om een zinvol overleg mogelijk te maken.

Lid 5

Leidinggevenden moeten bereid zijn om zich bij hun besluitvorming te laten beïnvloeden door de inzichten en wensen van de medewerkers.

Lid 6

Het werkoverleg moet leiden naar tastbare resultaten.

Artikel 6 De inhoud van het werkoverleg

De onderwerpen die zoal aan de orde kunnen komen, zijn:

De organisatie van het werk:

de (interne) taakverdeling;

de te hanteren werkmethodes;

de aanschaf en het onderhoud van materiaal;

de kwaliteitsnormen, die van toepassing zijn.

De arbeidsomstandigheden, waaronder:

de veiligheid en hygiëne:

het lawaai, de (kantoor)ruimte en de temperatuur;\

de inventaris, het meubilair;

Onderlinge verhoudingen:

hoe is de samenwerking;

hoe is overdracht van taken geregeld;

de waarneming (wie neemt wanneer wat waar);

welke stijl van leiding geven wordt gehanteerd;

hoe is de sfeer;

hoe zijn de onderlinge verhoudingen;

Personele zaken:

is opleiding / bijscholing noodzakelijk;

hoe is de bezetting / formatie;

hoe groot is de werkdruk;

is er verloop / is oorzaak bekend;

is er (veel) verzuim / is oorzaak bekend.

Onderwerpen die niet besproken dienen te worden, zijn:

kwesties, die een persoonlijk karakter dragen;

onderwerpen, die de afdeling / het bureau niet raken;

vertrouwelijke onderwerpen.

Artikel 7 Bevoegdheden van een werkoverleg

De bevoegdheden die men uit hoofde van zijn functie heeft, blijven ook in het werkoverleg gehandhaafd.

Vooraf dient duidelijk te zijn of het werkoverleg over een onderwerp een mening of advies dient te geven of dat het beslissingsbevoegdheid heeft. Opgemerkt wordt dat het werkoverleg alleen besluiten kan nemen over zaken die binnen de bevoegdheden van de voorzitter vallen.

Besluiten worden in onderling overleg genomen, waarbij de uiteindelijke verantwoordelijkheid voor de besluiten berust bij de voorzitter (de directe chef).

Het werkoverleg heeft dus zoveel bevoegdheden tot het nemen van besluiten als de aanwezige deelnemers door hun aanstelling hebben. Door middel van de uitgebrachte adviezen en door de vertegenwoordiging van het hoofd heeft het werkoverleg invloed op de besluitvorming op een hoger of ander echelon.

Artikel 8 De fasen van besluitvorming

Het nemen van besluiten gebeurt meestal in verschillende fasen:

Beeldvorming: het opbouwen van een juiste voorstelling van het op te lossen probleem of het te bereiken doel; het beschikken over de juiste informatie is van groot belang;

Oordeelvorming: het overwegen van de consequenties die verbonden zijn aan de oplossing c.q. het zoeken naar alternatieve oplossingen; hierbij dient ook over de grenzen van afdelingen / bureaus heem gekeken te worden.

Besluitvorming: het nemen van beslissingen door de groep, de voorzitter of het hogere echelon; vervolgens is het uitdragen van de genomen besluiten van groot belang.

Artikel 9 Tenslotte

Factoren die ertoe bijdragen om het werkoverleg tot een succes te maken:

De aard van het uit te voeren werk: er moet over het werk zinvol overleg te voeren zijn: in het algemeen geldt dat werkoverleg zinvoller wordt naarmate de werksituatie om meer overleg vraagt.

Het beschikken over relevante informatie en deskundigheid: de verschillen in informatie, kennis en deskundigheid tussen medewerkers en leiding mogen niet te groot zijn / worden, anders leidt werkoverleg tot frustraties bij de deelnemers (inspraak zonder inzicht leidt tot uitspraken zonder uitzicht).

Motivatie van de deelnemers: het invoeren van werkoverleg zal goed geïntroduceerd en begeleid moeten worden: dit is van belang voor een goede motivatie van medewerker en leiding.

Stijl van leiding geven: werkoverleg is een manier van samenwerken: de leiding zal open overleg dienen te plegen met de medewerkers, terwijl dit in een tweerichtingen -verkeer plaats dient te vinden. Als leiding zal men bevoegdheden moeten delen met de medewerkers en dit is een leerproces dat men doorgemaakt moet hebben.

Structurering: structurering in de vorm van het vastleggen van afspraken en het opstellen van een agenda e.d. is noodzakelijk: is deze niet aanwezig dan is de kans op vrijblijvendheid te groot en is de kans op mislukken dan ook levensgroot aanwezig.

Artikel 10 Inwerkingtreding

Deze regeling kan worden aangehaald als “regeling werkoverleg” en treedt in werking op 1 januari 2002.

Beleidsregels bij werving en selectie

Inhoudsopgave

Artikel 1 Begripsbepalingen

Artikel 2 Algemene uitgangspunten

Artikel 3 Werving

Artikel 4 Selectie

Artikel 5 Inwerkingtreding

Bijlage: Doelgroepenbeleid

Artikel 1 Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

vacature: een bestaande formatieplaats komt vrij en dient vervuld te worden, of een nieuwe functie in de formatie wordt opgenomen en vrijgegeven;

interne sollicitant: een medewerker die bij de Veiligheidsregio in dienst is en die aan het bevoegd gezag kenbaar maakt in aanmerking te willen komen voor een beschikbaar gestelde functie;

externe sollicitant: degene die niet in dienst is bij de Veiligheidsregio en die aan het bevoegd gezag kenbaar maakt in aanmerking te willen komen voor een beschikbaar gestelde functie;

bevoegd gezag: het tot aanstelling of benoeming bevoegde gezag.

Artikel 2 Algemene uitgangspunten

Lid 1

Het bepaalde in deze regeling geldt zowel voor interne als externe sollicitanten. Het beleid is er op de eerste plaats op gericht, overeenkomstig het bepaalde in artikel 2:4:2, eerste lid van de arbeidsvoorwaardenregeling, de vervulling van een vacature bij voorkeur uit het personeel van de Veiligheidsregio te laten plaatsvinden, tenzij naar het oordeel van het bevoegd gezag het dienstbelang zich hiertegen verzet. Deze bepaling is van overeenkomstige toepassing op degene die een wachtgeld of uitkering genieten ten laste van de Veiligheidsregio. Uitgangspunt is dat de interne wervingsprocedure over het algemeen eerst moet zijn afgerond, voordat de vacature extern bekend wordt gemaakt. Indien uit de interne werving geen geschikte kandidaat naar voren is gekomen, wordt extern geworven. Daartoe wordt in eerste instantie het Mobiliteitsbureau Noord- en Midden Limburg ingeschakeld, waarbij de Veiligheidsregio Limburg-Noord is aangesloten. De uitzendkracht/gedetacheerde, die minimaal zes maanden bij de Veiligheidsregio Limburg-Noord werkzaam is en degene die bij de Veiligheidsregio Limburg-Noord tewerk is gesteld ingevolge dan wel werkzaam is op basis van een van overheidswege gesubsidieerde werkgelegenheidsproject, wordt gelijkgesteld met de mobiliteitskandidaat. Wanneer het in redelijkheid waarschijnlijk of voorzienbaar is, dat er geen geschikte interne kandidaten voor de vacature zijn, kan –ter verkorting van de procedure– gelijktijdig met de interne werving externe werving plaatsvinden (bijvoorbeeld directeuren, sociaal geneeskundigen, brandweerofficieren).

Lid 2

Elke extern in te vullen vacature wordt ook bij het UWV Werkbedrijf gemeld.

Lid 3

De Veiligheidsregio streeft ernaar haar personeelsbestand zoveel als mogelijk een afspiegeling te laten zijn van haar bevolkingssamenstelling. Ze werkt hierbij met vast te stellen streefcijfers.

Lid 4

In het kader van de “werving en selectie” voert de Veiligheidsregio een specifiek doelgroepenbeleid met betrekking tot personen die op de arbeidsmarkt een achterstand hebben. Concreet betreft het de positie van minderheidsgroepen in relatie tot gelijke kansen en posities.

Lid 5

De sector personeelsadviseur is verantwoordelijk voor de procesbegeleiding en kwaliteitsbewaking van de werving- en selectieprocedure, zowel voor interne als externe sollicitanten.

Artikel 3 Werving

Lid 1

Ten behoeve van de bekendmaking van een vacature stelt het lijnmanagement, in samenspraak met de sector personeelsadviseur, een vacaturetekst op.

Lid 2

In het geval dat in een vacature intern wordt voorzien in het kader van schriftelijk vastgelegde afspraken met betrekking tot loopbaanontwikkeling of management development, herplaatsing gedeeltelijk arbeidsongeschikten, plaatsing op basis van een sociale en/of medische indicatie, sociaal statuut, en (her)plaatsing als gevolg van overtolligheid/opheffing functie bij organisatieaanpassing, vindt geen in en externe melding of bekendmaking van de vacature plaats.

Lid 3

Bij in en/of externe bekendmaking van een vacature worden in ieder geval inlichtingen verschaft over de functiebenaming, de voornaamste taken en bevoegdheden, plaats in de organisatie, de functie-eisen, het functieniveau, aantal formatieve uren, namen en telefoonnummer van de contactpersonen, het eventueel hanteren van een inspraakprocedure en de sluitingsdatum van de sollicitatieprocedure. Wanneer een aanvullend onderzoek (medisch, psychologisch of assessment center methode) deel uitmaakt of kan uitmaken van de selectieprocedure, wordt dit eveneens vermeld.

Lid 4

Het stellen van een leeftijdsgrens in een vacature is alleen dan toegestaan wanneer daarvoor een objectieve rechtvaardiging bestaat. De motivering voor de gehanteerde leeftijdsgrens moet in de vacature- / meldingstekst worden vermeld, e.e.a. overeenkomstig het wetsvoorstel “Verbod tot met maken van onderscheid op grond van leeftijd bij het aanbieden en aangaan van een arbeidsverhouding” en vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep.

Lid 5

De Veiligheidsregio richt zich bij het werven van nieuwe medewerkers op het verhogen van het aantal personen die op de arbeidsmarkt een achterstand hebben. In de wervingstekst wordt de standaardzin opgenomen: “leden van minderheidsgroepen worden nadrukkelijk uitgenodigd om te solliciteren”.

Lid 6

De sollicitaties dienen gericht te zijn aan de directeur van de sector.

Lid 7

Aan de sollicitant wordt onmiddellijk een bericht van ontvangst van zijn sollicitatie gezonden. Er wordt naar gestreefd dat de sollicitant uiterlijk veertien dagen na sluiting van de sollicitatietermijn op de hoogte is gebracht van de stand van zaken en verdere gang van zaken met betrekking tot zijn sollicitatie.

Artikel 4 Selectie

De selectieprocedure is functiegericht.

De personen die bij de selectie zijn betrokken treden niet verder in de persoonlijke levenssfeer van de sollicitant dan voor het selectieonderzoek noodzakelijk is.

In het geval een vacature intern is opengesteld, wordt iedere sollicitant uitgenodigd voor een sollicitatiegesprek.

Indien een vacature gelijktijdig in en extern is opengesteld, dient aan de externe sollicitant medegedeeld te worden, dat interne sollicitanten de voorkeur genieten.

Aan de sollicitant die voor een gesprek wordt uitgenodigd, worden bij die uitnodiging nadere gegevens verstrekt over de selectieprocedure en over andere voor hem/haar van belang zijnde zaken. Daarbij wordt de sollicitant in ieder geval geïnformeerd over de deelnemers aan het sollicitatiegesprek en hun functie. Wanneer een delegatie van het personeel betrokken is bij de uiteindelijke selectie van de sollicitanten, wordt de sollicitant hiervan eveneens op de hoogte gesteld.

Bij de beoordeling van de mate van geschiktheid van de sollicitant, vormen de eisen en de voorwaarden die aan de vervulling van de vacature zijn verbonden, het uitgangspunt. Tijdens de selectieprocedure worden de gestelde eisen en voorwaarden niet gewijzigd.

Aan de sollicitant worden geen vragen gesteld over zijn of haar sociale milieu.

Voor zover inlichtingen over de sollicitant worden gevraagd buiten het kader van een psychologisch of assessment onderzoek, worden deze alleen ingewonnen nadat met de sollicitant is overeengekomen bij wie en in welke fase van de selectieprocedure. De inlichtingen die op grond hiervan worden ingewonnen staan in direct verband met de te vervullen functie. De sollicitant wordt – op zijn/haar verzoek – medegedeeld, welke belangen aan de verkregen inlichtingen is toegekend en wie deze inlichtingen heeft verstrekt.

Gegevens van of over een sollicitant worden zonder de toestemming van de sollicitant niet ter beschikking gesteld, noch ter inzage gegeven aan personen of instellingen, die niet zijn betrokken bij de selectie voor de functie waarnaar hij of zij solliciteert.

Een psychologisch of assessmentonderzoek wordt slechts ingesteld als daaraan voor een verantwoorde beoordeling van de geschiktheid van de sollicitant behoefte bestaat. Voor psychologisch of assessmentonderzoek worden uitsluitend kandidaten voorgedragen, die in beginsel geschikt bevonden zijn.

Indien de sollicitant na kennisneming van het advies niet instemt met het doorgeven van het advies, bericht de psycholoog aan de Veiligheidsregio uitsluitend dat op die grond geen advies zal worden uitgebracht. In geval van nabespreking met de psycholoog dient de sollicitant uiterlijk binnen een week na het onderzoek uitsluitsel te geven aan de psycholoog ter zake het vrijgeven van het advies. Het niet beschikbaar stellen van het advies betekent automatisch dat de sollicitant zijn sollicitatie intrekt.

De contacten met de psycholoog lopen in eerste instantie via de sector personeelsadviseur.

Elk psychologisch advies, waaronder assessment, over sollicitanten wordt na het nemen van de beslissing tot niet benoemen onmiddellijk vernietigd. Indien overgegaan wordt tot benoeming wordt het advies bij de sector personeelsadviseur maximaal 2 jaar vertrouwelijk opgeborgen. Op deze manier kan het o.a. gehanteerd worden bij (bij)scholing/ begeleiding, doorgroei.

Een medisch onderzoek in verband met de aanstelling of arbeidsovereenkomst is ingevolge de Wet op de medische keuringen slechts dan toegestaan als aan de vervulling van de functie bijzondere eisen op het punt van de medische geschiktheid worden gesteld.

De vergoeding van reis- en verblijfkosten die de sollicitant maakt wanneer hij/zij op uitnodiging deelneemt aan de selectieprocedure, geschiedt op basis van openbaar vervoer c.q. kilometervergoeding op basis van laagste klasse openbaar vervoer.

Een beslissing, die leidt tot afwijzing van een (in of externe) sollicitant, wordt binnen een week aan betrokkene ter kennis gebracht. De afwijzing wordt zo goed mogelijk schriftelijk of mondeling gemotiveerd.

Afspraken met betrekking tot werkzaamheden en arbeidsvoorwaarden worden schriftelijk vastgelegd.

Indien drie maanden na sluiting van de sollicitatietermijn nog geen beslissing is genomen, wordt de sollicitant geïnformeerd over de stand van zaken en het verdere verloop van de selectieprocedure.

Artikel 5 Inwerkingtreding

Deze regels, welke kunnen worden aangehaald als “Beleidsregels bij werving en selectie” t.b.v. de Veiligheidsregio Limburg-Noord, treden in werking op 1 januari 2002.

Bijlage: Doelgroepenbeleid

Zowel de maatschappelijke ontwikkelingen als de hiermee samenhangende wetgeving hebben er toe geleid dat de arbeidsorganisaties maatregelen hebben genomen ten behoeve van specifieke groepen op de arbeidsmarkt. Het gaat dan om groepen die moeilijk in het arbeidsproces worden opgenomen of die een grote achterstand hebben zodra de concurrentie met reguliere markt in het geding is. Concreet betreft het – overigens om verschillende redenen – de positie van de vrouw in zijn algemeenheid en de herintredende vrouw in het bijzonder in relatie tot gelijke kansen en posities, alsook de groepen gehandicapten en allochtonen c.q. minderheden.

Het mag duidelijk zijn dat de haalbaarheid van het doelgroepenbeleid op langere termijn moet worden gezien. De opvatting dat de personele bezetting in een organisatie een afspiegeling behoort te zijn van onze maatschappij is algemeen aanvaard. De vraag is echter of de individuele organisatie hier ook op een redelijke termijn aan kan voldoen. Te meer daar hier enkele factoren, zoals kwaliteit en beschikbaarheid op de markt en vacante posities, een bepalende invloed doen gelden. De eisen met betrekking tot de continuïteit en het economisch verantwoord handelen worden nadrukkelijk gesteld en vervolgens centraal geplaatst. Dit betekent natuurlijk dat er wel mogelijkheden zijn maar dat de afweging van velerlei belangen geen eenzijdige prioriteit toestaat.

De Veiligheidsregio is van oordeel dat tegen deze achtergrond ook het beleid geformuleerd en uitgevoerd moet worden, waarbij ervan wordt uitgegaan dat de doelstelling duidelijk is maar het tempo en de termijn in goed overleg bepaald moeten worden. In het kader van de personeelsvoorziening moet eigenlijk gelijktijdig aan verschillende aspecten worden voldaan, omdat kennelijk in de praktijk vanuit deze invalshoek wordt getoetst. Desalniettemin zal in de praktijk een zekere fasering onvermijdelijk zijn. Items als het aanbod op de arbeidsmarkt en de eis van verantwoorde kwaliteit behoeven in dit verband geen nadere toelichting.

Een andere kwestie vormt de concrete taakstelling. Met andere woorden, welke resultaten dienen op welke termijn te worden gehaald. Mede ten behoeve van de gewenste objectiviteit en de evaluatie van het beleid, wordt dan ook uitgegaan van landelijk vastgestelde (aanbevolen) streefcijfers. Hoewel een vergaande differentiatie naar organisatieonderdeel, functiegroepen en niveaus mogelijk is, wordt vooralsnog voorgesteld een integrale taakstelling (voor de totale organisatie) te hanteren.

Er is bewust voor gekozen om dit specifieke beleid met betrekking tot doelgroepen als een integraal onderdeel van het personeelsbeleid te beschouwen en dus ook zoveel mogelijk in de reguliere structuur op te nemen. Als uitgangspunten van beleid voor de komende jaren worden geformuleerd:

Voor de organisatie als geheel wordt het streefcijfer voor vrouwen op 50% vastgesteld. Het streefcijfer voor de doelgroep minderheden1 /gehandicapten wordt vastgesteld op 4 %.

In advertenties zal worden opgenomen dat leden van minderheidsgroepen nadrukkelijk worden uitgenodigd om te solliciteren.

Er zal extra aandacht besteedt worden aan bestaande flankerende arbeidsvoorwaarden als de mogelijkheid om in deeltijd te werken, het aanbieden van kinderopvang, ouderschapsverlof etc.

Interne werving kan gepaard gaan met loopbaanbegeleidings- en ontwikkelingstrajecten, mede op basis van de functioneringsgesprekken.

Veranderingen in de organisatiecultuur stimuleren. In dat verband dienen financiële middelen beschikbaar te worden gesteld (opleidingsplan).

Primair zullen de inspanningen gericht zijn op de beleids- en leidinggevende functies in de organisatie, door hier meer aandacht voor te vragen.

Formulieren

Door op de onderstaande linken te klikken, gaat u naar het formulier.

Declaratie vergoeding piketdienst

Declaratie bereik- en beschikbaarheidsdienst

Declaratie meeruren

Declaratie openbaar vervoer en verblijfskosten

Declaratie overuren

Declaratie reiskosten eigen auto buiten de regio

Declaratie reiskosten eigen auto t.b.v. studie

Declaratie dienstreis eigen auto binnen de regio

Declaratie reiskosten medewerkers PGA

Declaratie reiskosten woon-werkverkeer standplaatswijziging en/of sociaal statuut

Overige uitgaven freelancers en andere externen

Declaratie regionale oefeningen

Declaratie dienstreis eigen auto externen

Declaratie dienstreis eigen auto freelancers, voorlichter, instructeur

Reiskosten JGZ 0-4 kantoor o.b.v. Sociaal plan

Reiskosten JGZ 0-4 niet-kantoor o.b.v. Sociaal plan

Aanvraag ouderschapsverlof

Aanvraag studiedag, symposium, bijscholing

Aanvraag uitwisseling arbeidsvoorwaarden woon-werkverkeer

Aanvraag uitwisseling arbeidsvoorwaarden vakbondscontributie

Beoordelingsformulier

PRO-gespreksformulier

Aanvraag opleiding

Aanvraag zwangerschaps- en bevallingsverlof

Aanvraag Fietsplan

Formulier melding nevenwerkzaamheden

Declaratie overige uitgaven eigen personeel

Declaratieformulier fietsplan

Aanvraagformulier zorgverlof

Bijlagen

Bijlage I Salarisverhoging

In de bijlage van de in artikel 3:1, eerste lid, bedoelde bezoldigingsregeling worden met ingang van 1 april 1993 de daarin opgenomen schaalbedragen verhoogd met 2%.

Met ingang van 1 januari 1995 worden de schaalbedragen verhoogd met 0,5%.

Met ingang van 1 augustus 1995 worden de schaalbedragen verhoogd met 1,25%, behoudens de schaalbedragen van personeel werkzaam bij gemeentelijke zorginstellingen. Ten aanzien van personeel dat op of na 1 augustus 1995 werkzaam is bij gemeentelijke   ziekenhuizen, gemeentelijke verpleegtehuizen of gemeentelijke psychiatrische ziekenhuizen, geldt dat zij in januari 1996 een eenmalige uitkering ontvangen ter grootte van 1,25% van de grondslag. De grondslag bestaat uit de over de maanden augustus tot en met december 1995 genoten bezoldiging, vermeerderd met 8% vakantietoeslag. Deze uitkering wordt niet verstrekt aan personeel dat voor 1 januari 1996 uit dienst is getreden en in de periode van 1 augustus tot en met 31 december 1995 minder dan 100 uur bij één instelling heeft gewerkt.

Met ingang van 1 januari 1996 is de gemeentelijke salarismutatie ook op personeel van zorginstellingen van toepassing.

Met ingang van 1 augustus 1996 worden de schaalbedragen verhoogd met 1,25%.

Vanaf 1997 wordt een structurele eindejaarsuitkering uitgekeerd van 0,3% van het jaarsalaris.

Per 1 juni 1997 worden de schaalbedragen met 3,0% verhoogd.

Met ingang van 1 april 1998 worden de schaalbedragen verhoogd met 2,25%.

Met ingang van 1 april 1999 worden de schaalbedragen verhoogd met 2,0%.

Met ingang van 1 oktober 1999 worden de schaalbedragen verhoogd met 1,0%.

Degenen die op 1 december 1999 in dienst zijn van de gemeente krijgen in die maand een eenmalige uitkering van ƒ 350,– bruto bij een volledige betrekking. Bij een deeltijdbetrekking wordt dit bedrag naar rato vastgesteld. De uitkering werkt door naar de postactieven.

Degenen die op 1 april 2000 in dienst zijn van de gemeente krijgen in die maand een eenmalige uitkering van ƒ 350,– bruto bij een volledige betrekking. Bij een deeltijdbetrekking wordt dit bedrag naar rato vastgesteld. De uitkering werkt door naar de postactieven.

Met ingang van 1 augustus 2000 worden de schaalbedragen verhoogd met 1,5%.

Met ingang van 1 oktober 2000 worden de schaalbedragen verhoogd met 1,5%.

In 2000 wordt de structurele eindejaarsuitkering van 0,8% eenmalig verhoogd met 0,5% onder een gelijktijdige verhoging van het minimale bedrag met ƒ 250,-. Dit resulteert voor 2000 in een eindejaarsuitkering van 1,3% met een minimaal bedrag van ƒ 650,-.

Met ingang van 1 januari 2001 worden de schaal;bedragen gebruteerd met 1,9% met een maximum van ƒ 1.745,-.

Met ingang van 1 mei 2001 worden de schaalbedragen verhoogd met 3,3%.

Vanaf 2001 wordt de eindejaarsuitkering met 0,95% structureel verhoogd naar 1,75%. Tevens wordt vanaf 2001 het minimale bedrag verhoogd van ƒ 400,- naar ƒ 1.125,- bruto. In 2001 wordt deze minimale uitkering eenmalig opgehoogd met ƒ 50,- naar ƒ 1.175,-

Vanaf 2002 bedraagt de eindejaarsuitkering 1,75% met een minimaal bedrag van € 511,-.

Met ingang van 1 februari 2002 worden de schaalbedragen verhoogd met 3 %.

Met ingang van 1 oktober 2002 worden de schaalbedragen verhoogd met 0,5 %.

Vanaf 2002 wordt de eindejaarsuitkering structureel met 1 procentpunt verhoogd naar 2,75 %. Tevens wordt vanaf 2002 het minimale bedrag verhoogd van € 511,- naar € 611,- bruto. Vanaf 2002 is de grondslag van de eindejaarsuitkering het jaarsalaris.

Met ingang van 1 april 2003 worden de schaalbedragen verhoogd met 2 %.

Vanaf 2003 wordt de eindejaarsuitkering structureel met 0,25 procentpunt verhoogd naar 3 %. Tevens wordt vanaf 2003 het minimale bedrag verhoogd van € 611,- naar € 836,- bruto.

Degenen die op 1 oktober 2003 in dienst zijn van de gemeente krijgen in die maand een eenmalige uitkering van € 200,- bruto bij een volledige betrekking. Bij een deeltijdbetrekking wordt dit bedrag naar rato vastgesteld. De uitkering werkt niet door naar de pensioenen en de uitkeringen in verband met ontslag en werkloosheid, zowel wat betreft opbouw als indexatie.

Met ingang van 1 juni 2005 worden de schaalbedragen verhoogd met 1 %.

Met ingang van 1 februari 2006 worden de schaalbedragen verhoogd met 1,6 %.

Met ingang van 1 februari 2007 worden de schaalbedragen verhoogd met 0,8%.

Met ingang van 1 juni 2007 worden de schaalbedragen verhoogd met 2,2%. In 2007 wordt de eindejaarsuitkering structureel verhoogd met 0,5 procentpunt. Dit resulteert in een eindejaarsuitkering van 3,5%. De bodem van de eindejaarsuitkering wordt niet verhoogd en blijft € 836,-.

Met ingang van 1 juni 2008 worden de schaalbedragen verhoogd met 2,2%. In 2008 wordt de eindejaarsuitkering structureel verhoogd met 1,5 procentpunt. Dit resulteert in een eindejaarsuitkering van 5%. De bodem van de eindejaarsuitkering wordt niet verhoogd en blijft € 836,-.

In 2010 wordt de eindejaarsuitkering structureel verhoogd met 0,5 procentpunt. Dit resulteert in een eindejaarsuitkering van 5,5%. De bodem in de eindejaarsuitkering wordt verhoogd van € 836, - naar € 1.750, -. Degenen die (een deel van) de maand april 2010 in dienst zijn van de gemeente ontvangen een eenmalige uitkering van 1% en een eenmalige uitkering van 0,5%. Beide eenmalige uitkeringen worden berekend over het salaris dat de medewerker ontvangen heeft in de maand april 2010 vermenigvuldigd met de factor 12. Voor medewerkers met een deeltijdbetrekking worden de twee eenmalige uitkeringen vastgesteld naar rato van de betrekkingsomvang. De eenmalige uitkeringen zijn pensioengevend en hebben geen invloed op de hoogte van bovenwettelijke uitkeringen in verband met ontslag en werkloosheid (uitkeringen op grond van hoofdstuk 9, 9a, 9b, 9c, 10, 10a, 10d, 11 en 11a van de CAR).

Met ingang van 1 januari 2011 worden de schaalbedragen verhoogd met 0,5% en wordt de eindejaarsuitkering structureel verhoogd met 0,5 procentpunt. Dit resulteert in een eindejaarsuitkering van 6,0%. De bodem van de eindejaarsuitkering wordt niet verhoogd en blijft € 1.750, -.

Met ingang van 1 januari 2012 worden de schaalbedragen verhoogd met 1,0%.

Met ingang van 1 april 2012 worden de schaalbedragen verhoogd met 1,0%.

Met ingang van 1 oktober 2014 worden de schaalbedragen verhoogd met 1%.

Degenen die op 15 juli 2014 in dienst zijn van de gemeente krijgen in die maand een eenmalige uitkering van € 350 bruto bij een volledige betrekking. Bij een deeltijdbetrekking wordt dit bedrag naar rato vastgesteld. De uitkering werkt niet door naar de pensioenen en de uitkeringen in verband met ontslag en werkloosheid, zowel wat betreft opbouw als indexatie.

Met ingang van 1 april 2015 worden de schaalbedragen verhoogd met 50 euro.

Bijlage II Schaalindeling

Salaristabellen

Deze bijlage bevat de schaalindeling, als onderdeel van de bezoldigingsregeling, bedoeld in artikel 3:1, eerste lid.

Salaristabel gemeente ambtenaren per 1 april 2015, oude structuur (bijlage II)

Salaristabel gemeente ambtenaren per 1 april 2015, nieuwe structuur (bijlage IIa)

Salaristabel gemeente ambtenaren per 1 april 2015, nieuwe structuur*

periodiekSchaal
12345678910
01448148215201563160817151924220224442636
11482153215821633168517932005229125482759
21518158216451702176118712087238126522881
31554163117081772183819492167247027563004
41591168117701841191520282249255928603127
51627173118331911199121062330264829643250
61663178018961981206821832411273830693372
71699183019582051214522622492282731733495
81735188020212121222223402573291732773617
91772192920842190229924182654300633813740
101808197921472260237524962736309534863862
111844202922092330245225752816318435903985
periodiekSchaal
10A1111A12131415161718
02906315834763794423645004839518157336355
13032328836063925436446555017538959586597
23157341937374054449248095196559761826838
33283355038674182462049645375580664077079
43409368039974310474851185554601466327321
53535381141254438487652735732622268567562
63660394242544566500454285911643070817803
73786407143824694513255836090663873058045
83912419945104822526057386269684775308286
94037432746374950538858926448705577548528
104160445547665078551660476626726379798769
114283458348945207564462016805747282049011

* Als het schaalbedrag onder het voor de medewerker geldende minimumloon ligt, heeft de medewerker recht op het voor hem geldende minimumloon overeenkomstig de bepalingen in de WML.

Salaristabel gemeenteambtenaren per 1 april 2015, oude structuur*

Nr. Salaris Salaris Schaal                                    
 01-10-201401-04-2015A123456789101112131415161718
A1 139814480                                    
A2 144914991                                    
1 1502155220                                  
2 15351585    0                                
3 1569161931  0                              
4 16031653    110                            
5 1635168542    1                            
6 16661716    22  0                          
6a 1678172853                                  
7 17011751  6    2                            
8 17381788  833  1                          
9 17851835    4  3  0                        
9a 17941844  10                                  
10 18401890    74  21                        
11 19051955    954                            
12 19692019      6532                        
12a 19792029    11                                
13 20302080      964  0                      
14 20912141      117531                      
15 21492199        1064                        
15a 21592209      13                              
16 22072257        12752                      
17 22652315          86                        
17a 22802330        14                            
18 23222372          11730                    
19 23822432            84                      
19a 24022452          13                          
20 24402490            951  0                
21 24952545              6                      
21a 25252575            10                        
22 25562606              7201                
23 26172667              8                      
24 26802730              9312                
25 27522802                4                    
25a 27662816              10                      
26 28192869                523                
27 28762926                6                    
28 29392989                734                
29 30033053                8                    
30 30633113                945                
31 31173167                                      
31a 31343184                10                    
32 31733223                  56                
34 32863336                  670              
36 34103460                  781              
38 35213571                    92              
38a 35403590                  8                  
40 36323682                    103              
42 37433793                    114              
44 38683918                      5              
44a 39353985                    12                
46 39914041                      60            
48 41074157                      71            
50 42234273                      82            
52 43394389                      93            
54 44514501                      104            
55 45114561                                      
55a 45334583                      11              
56 45694619                        50          
58 46864736                        61          
60 47984848                        720        
62 49144964                        831        
64 50605110                        942        
65 51315181                                      
65a 51575207                        10            
66 52045254                          530      
68 53505400                          641      
70 54965546                          752      
71 55665616                                      
71a 55945644                          8          
72 56415691                            630    
74 57955845                            741    
76 59536003                            852    
78 61156165                              630  
78a 61516201                            9        
80 63106360                              741  
82 65126562                              852  
84 67196769                                630
84a 67556805                              9      
86 69346984                                741
88 71557205                                852
90 73837433                                  63
90a 74227472                                9    
92 76197669                                  74
94 78637913                                  85
96 81148164                                    6
96a 81548204                                  9  
98 83738423                                    7
100 86418691                                    8
102 89178967                                      
102a 89619011                                    9

* Als het schaalbedrag onder het voor de medewerker geldende minimumloon ligt, heeft de medewerker recht op het voor hem geldende minimumloon overeenkomstig de bepalingen in de WML.

Bijlage IIb en IIc Vergoedingentabel vrijwilligers bij de gemeentelijke brandweer

Vergoedingentabellen

De actuele tabellen kunt u vinden in hoofdstuk 19 Rechtspositieregeling vrijwilligers bij de gemeentelijke brandweer.

Vergoedingentabel vrijwilligers bij de gemeentelijke brandweer per 1 april 2015.

Gebruteerde vergoedingentabel vrijwilligers bij de gemeentelijke brandweer per 1 april 2015.

Bijlage III Hoorbepaling

Deze tekst bevat een alternatieve tekst voor hoofdstuk 12, bestemd voor gemeenten waar geen commissie voor georganiseerd overleg is ingesteld.

Artikel 12:1

Lid 1

Met de organisaties waarbij de ambtenaren zijn aangesloten vindt overleg plaats aangaande aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand van de ambtenaren met inbegrip van de algemene regels volgens welke het personeelsbeleid zal worden gevoerd, voor zover daarin niet wordt voorzien door het LOGA-overleg tussen het College voor Arbeidszaken van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en de centrales van overheidspersoneel.

Lid 2

Als organisaties bedoeld in het vorige lid worden aangemerkt de landelijke verenigingen van overheidspersoneel aangesloten bij de centrales van overheidspersoneel, toegelaten tot het overleg in het vorige lid bedoeld.

Lid 3

Het overleg wordt gevoerd door aan een organisatie een ontwerp van het voorgenomen besluit met toelichting toe te zenden, met het verzoek binnen een daarbij te stellen termijn, welke niet korter dan veertien dagen zal zijn, vermeldt het college schriftelijk haar gevoelen kenbaar te maken. Indien de organisatie dit verlangt wordt zij tot mondelinge toelichting toegelaten.

Lid 4

Aan de bepaling van het eerste lid wordt geacht te zijn voldaan, indien de organisatie in gebreke is gebleven binnen de in het vorige lid bedoelde termijn van haar gevoelen te doen blijken.

Lid 5

Behoort het nemen van het in het derde lid bedoelde besluit tot de bevoegdheid van de raad, dan vermeldt het college bij het ontwerp van het besluit tevens het gevoelen van de organisaties terzake.

Lid 6

Het college zendt een afschrift van zijn besluiten en een eventueel besluit van de raad binnen veertien dagen nadat deze zijn genomen aan de organisaties.

Bijlage IV Salarisschalen kunsteducatie per 1 april 2015

 5678910
aanloopbedrag 1174117771814186221102467
aanloopbedrag 2  18621917198422312583
aanloopbedrag 3      211023492706
0181419842048223124672771
1186220482110229125262844
2191721102172234925832911
3198421722231240726442969
4204822312291246727063033
5211022912349252627713098
6217223492407258328443159
7223124072467264429113214
8229124672526270629693271
9234925262583277130333328
10240725832644284430983385
11  26442706291131593449
12    2771296932143512
13    2844303332713569
14    2911309833283624
15    2969315933853678
uitloopbedrag 1252627713098332835123792
uitloopbedrag 2  29113214351236243911
uitloopbedrag 3      362437374037

Bijlage IVa Sjabloon voor de verdeling van werkzaamheden voor onderwijzend personeel in de kunsteducatie

Sjabloon voor de verdeling van werkzaamheden voor onderwijzend personeel in de kunsteducatie LOGA-partijen vinden dat bij de verhouding lesgebonden versus niet-lesgebonden uren binnen de aanstelling lokaal maatwerk gewenst is. Daarom is in artikel 19b:5 vastgelegd dat de werkgever, met toepassing van de Wet op de ondernemingsraden (WOR), een lokale regeling vaststelt waarin per discipline de verhouding wordt vastgesteld van de verschillende soorten werkzaamheden binnen lesgebonden en niet-lesgebonden uren. Van een vaste verhouding naar een lokale regeling Tot 1 januari 2009 kende de aanvullende rechtspositieregeling voor onderwijzend personeel een vaste maximale verhouding van 26 lesgebonden uren en 10 overige niet-lesgebonden uren. Per 1 januari 2009 wordt deze vaste maximale verhouding losgelaten. Reden daarvoor is dat een centraal voorgeschreven verhouding geen recht kan doen aan verschillen per discipline, per instelling of per onderwijzend personeelslid. Met een lokale regeling kan wel ingespeeld worden op deze specifieke kenmerken. Status sjabloon In dit sjabloon worden mogelijke werkzaamheden binnen lesgebonden en niet-lesgebonden uren opgesomd. Die opsomming is niet limitatief. In een instelling kan worden vastgesteld dat bepaalde in het sjabloon genoemde werkzaamheden niet binnen de instelling voorkomen en dus niet in de lokale regeling worden opgenomen. Daarentegen kan ook worden vastgesteld dat er instellingsspecifieke werkzaamheden zijn die niet in het sjabloon voorkomen, maar die wel in de lokale regeling moeten worden genoemd. Het sjabloon is dus een handvat voor de lokale regeling waarin onder andere rekening wordt gehouden met Opbouw Sjabloon Schematisch is de opbouw van het sjabloon als volgt: Categorieën van werkzaamheden Dit sjabloon onderscheidt als hoofdcategorieën: De categorie niet-lesgebonden uren kan vervolgens weer opgedeeld worden in drie subcategorieën: De (sub)categorieën zijn hierna verder uitgewerkt:

de ervaring van de ambtenaar,

het cursustype dat de ambtenaar geeft en

de discipline van de ambtenaar.

lesgebonden uren en

niet-lesgebonden uren.

2a. Voorbereiding en nazorg van de lesgebonden uren. Deze subcategorie hangt direct samen met de lesgebonden uren.

2b. Algemene werkzaamheden Deze subcategorie staat los van het aantal lesgebonden uren.

2c. Variabele werkzaamheden Deze subcategorie staat los van het aantal lesgebonden uren.

Lesgebonden uren in uren per schooljaar/cursusjaar/seizoen Het gaat in deze categorie om het aantal te verzorgen lesgebonden uren op jaarbasis. Het betreft alle door een discipline uit te voeren les- of cursuswerkzaamheden, al of niet te onderscheiden naar bijvoorbeeld:

Type lessen/cursussen: individuele lessen, combinatielessen, groepslessen, klassikale lessen

Homogene ensembles

Heterogene ensembles

Koren

Orkesten

Regulier onderwijs

Speciaal onderwijs

Niet-lesgebonden uren in uren per schooljaar/cursusjaar/seizoen Van sjabloon naar lokale regeling Om een beeld te geven hoe aan de hand van het sjabloon een lokale regeling tot stand kan komen geeft het LOGA een voorbeeld. U dient dit voorbeeld niet op te vatten als een door het LOGA gewenste verdeling van de verhouding lesgebonden uren versus niet-lesgebonden uren. Het gaat om de wijze waarop aan de hand van het sjabloon een lokale regeling kan worden opgesteld. Binnen instelling X is onderwijzend personeel werkzaam in drie verschillende disciplines: Binnen instelling X geldt per discipline de volgende verhouding lesgebonden versus niet-lesgebonden uren: Binnen instelling X zijn de aanstellingen van het onderwijzend personeel in omvang zeer verschillend. Daarom wordt er in instelling X voor gekozen om binnen de categorie niet-lesgebonden uren per aanstellingsomvang een uitsplitsing te maken in de subcategorieën. Die uitsplitsing is als volgt: In dit voorbeeld is de verdeling van niet-lesgebonden uren over de subcategorieën voor alle disciplines gelijk. Het is ook mogelijk om elke discipline een aparte verdeling van niet-lesgebonden uren over de subcategorieën te maken. Individuele afwijkmogelijkheden op de verhouding per discipline Er zijn individuele omstandigheden voorstelbaar waarin het onredelijk is vast te houden aan de verhouding lesgebonden versus niet-lesgebonden die per discipline is bepaald. Bijvoorbeeld door rekening te houden met: In de lokale regeling kunnen individuele afwijkingsmogelijkheden op de verhouding die per discipline is vastgelegd worden opgenomen. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden voordat individuele afwijking is toegestaan, dienen in de lokale regeling te worden opgenomen. Deze individuele afwijkmogelijkheden bepalen tezamen met de verhouding lesgebonden versus niet-lesgebonden uren die voor de discipline van de ambtenaar is vastgelegd, welke verhouding voor de individuele ambtenaar geldt. Voorbeeld: Voor discipline D staat in de lokale regeling dat de verhouding 70% lesgebonden uren en 30% niet-lesgebonden uren geldt. In de lokale regeling is ook vastgelegd dat voor discipline D een individuele afwijkmogelijkheid bestaat voor ambtenaren met minder dan 3 jaar ervaring. Die ambtenaren krijgen ten koste van het aantal lesgebonden uren 5% meer niet-lesgebonden uren voor de voorbereiding en nazorg van de lesgebonden uren. Het college stelt bij toepassing van de lokale regeling voor een ambtenaar met discipline D en minder dan 3 jaar ervaring de verhouding vast op 65% lesgebonden en 35% niet-lesgebonden uren. Deze 5% extra voor niet-lesgebonden uren wordt binnen de subcategorieën geheel toegeschreven aan subcategorie 2a. Tot slot Te overwegen valt om een beperkt percentage van de tijd niet toe te wijzen aan specifieke activiteiten. Niet alles valt namelijk op voorhand te plannen. Aan een aantal kleinere werkzaamheden uit de eerder genoemde (sub)categorieën hoeft dan eveneens niet specifiek tijd te worden toegewezen; zij kunnen tot de vrij in te delen tijd worden gerekend.

2a. Voorbereiding en nazorg van de lesgebonden uren Het gaat in deze subcategorie om de werkzaamheden van elke discipline in een bepaalde verhouding tot het aantal lesgebonden uren. Dit is afhankelijk van het type instelling en het type lessen/werkzaamheden. Deze uren worden ook wel “aanstellingsafhankelijke of leerling- of cursistafhankelijke uren” genoemd. Het betreft bijvoorbeeld:

Roosterwerkzaamheden

Inhoudelijke voorbereiding en nazorg van de lessen

Bijhouden van lesvorderingen en lesresultaten, leerlingvolgsysteem en dergelijke

Administratieve afwikkeling van de lessen/cursussen (bijvoorbeeld presentielijsten)

Rapporten/studieverslagen voor van de leerlingen/cursisten

(Voortgangs)gesprekken met ouders/verzorgers/leerlingen

Bijhouden van de pedagogische, methodische en didactische ontwikkelingen

Bijhouden van vakliteratuur

Onderhouden van de direct aan de lespraktijk verbonden artistieke vaardigheden

Examens/toetsen

2b. Algemene werkzaamheden Het gaat in deze subcategorie om werkzaamheden die losstaan van het aantal lesgebonden uren. Deze uren worden ook wel “organisatiegebonden uren” genoemd. Het betreft bijvoorbeeld:

Personeelsvergaderingen, afdelingsvergaderingen, sector- en sectievergaderingen

Collegiaal overleg (intern en extern)

Voorbereiding en deelname aan open dagen

Functioneringsgesprekken, ontwikkelingsgesprekken, persoonlijk ontwikkelingsplan

Overleg over het jaarlijkse cursusboekje/studiegids

Zorg voor het instrumentarium van de instelling en (indien gebruik door de werkgever verplicht is gesteld) van het eigen instrument/gereedschap

2c. Variabele werkzaamheden Het gaat in deze subcategorie om specifieke werkzaamheden die losstaan van het aantal lesgebonden uren. Deze uren worden ook wel “persoonsgebonden uren” genoemd. Het betreft bijvoorbeeld:

Werkzaamheden voor onderzoek en ontwikkeling in relatie tot de lessen en lesmaterialen

Materiële voorbereiding en nazorg van de lessen

Lidmaatschap van de ondernemingsraad of personeelsvertegenwoordiging

Stagebegeleiding

Organisatie en voorbereiding van leerlingenuitvoeringen/-concerten (intern en/of extern)

Organisatie en voorbereiding van concerten speciaal voor onderwijzend personeelsleden (intern en/of extern)

Organisatie en voorbereiding van exposities (intern en/of extern)

Organisatie en voorbereiding van instellingspresentaties (intern en/of extern)

Deelname aan activiteiten en evenementen voor zover niet genoemd onder subcategorie 2b.

Organiseren van kunstuitingen van cursisten, zoals voorspeelavonden en tentoonstellingen

Begeleiden van een collega bij een voorspeelavond

Coördinatiewerkzaamheden

Algemene organisatiewerkzaamheden, bijvoorbeeld voor nieuwsbrief/schoolkrant van de instelling

Adviseren van leerlingen ten aanzien van instrument- of materiaalkeuzes

Bijhouden van de vakgebonden bibliotheek van de instelling

Bijdragen aan het jaarlijkse cursusboekje/studiegids

Opleiding en ontwikkeling, of andere activiteiten die ertoe bijdragen de eigen vakbekwaamheid op peil te houden

Deelname aan studiedagen van bijvoorbeeld beroepsverenigingen, vakgroepen, mits de werkgever toestemming heeft verleend

Het in opdracht van de werkgever reizen tussen locaties van dezelfde instelling voor kunsteducatie.

Discipline A

Discipline B

Discipline C

Discipline1. Lesgebonden uren 2. Niet-lesgebonden uren
Discipline A 65%35%
Discipline B 60%40%
Discipline C70%30%
De verdeling van niet-lesgebonden uren over de subcategorieën
Aanstellingsomvang2a. Voorbereiding en nazorg van de lesgebonden uren2b. Algemene werkzaamheden2c. Variabele werkzaamheden
Meer dan 27 uur per week30%30%40%
18 tot en met 27 uur per week35%35%30%
7,2 tot en met 18 uur per week40%40%20%
tot en met 7,2 uur per week 47%47% 6%

zeer veel of zeer weinig ervaring van het onderwijzend personeellid of

het cursustype dat het onderwijzend personeelslid geeft (groepslessen versus individuele lessen)

Bijlage IVa1 Functiebeschrijvingen onderwijzend personeel in de kunsteducatie

Functiebeschrijvingen1. Consulent

Beschrijving van de functie Functiebenaming: consulent Functie-eisen: HBO-niveau Taken

Het in overleg met cliënten opstellen van een steunfunctie-activiteitenplan

Het verzorgen van steunfunctieactiviteiten

Het bijdragen aan de ontwikkeling van beleid, producten en programma’s

Beschrijving van de taken 2. Docent3. Balletbegeleider

B.1 Het in overleg met cliënten opstellen van een steunfunctie-activiteitenplan Informeert en adviseert (potentiële) cliënten over de mogelijkheden van steunfunctieactiviteiten. Overlegt met (de leiding van) potentiële cliënten over wensen en verwachtingen. Stelt een activiteiten- of begeleidingsplan op of ondersteunt de cliënt daarbij. Overlegt waar nodig met externe instanties.

B.2 Het verzorgen van steunfunctieactiviteiten Geeft informatie en adviezen over methoden en leermiddelen. Verzorgt teamtrainingen en individuele begeleiding van docenten. Adviseert bij de aanschaf van leermiddelen en ontwikkelt, waar nodig, zelf leermiddelen en methodieken. Organiseert met de cliënt producties, tentoonstellingen en andere evenementen. Begeleidt bij de opstelling van werkplannen. Bewaakt de afspraken met betrekking tot begroting, planning en inzet.

B.3 Het bijdragen aan de ontwikkeling van beleid, producten en programma’s Volgt en signaleert relevante ontwikkelingen op het terrein van de kunstzinnige vorming. Levert bijdragen aan beleidsontwikkeling, marktanalyses en aan de ontwikkeling van nieuw aanbod en marktontwikkelingsplannen; overlegt met opdrachtgevers en andere instanties over organisatie en uitvoering van projecten. Werkt voorstellen uit in projectbeschrijvingen.

Beschrijving van de functie Functiebenaming: docent Functie-eisen: HBO-niveau Taken

Het verzorgen van de inhoud van onderwijsactiviteiten

Het geven van de onderwijsactiviteiten

Het bijdragen aan de ontwikkeling van KV-producten en -programma’s

Het verrichten van overige werkzaamheden

Beschrijving van de taken

B.1 Het verzorgen van de inhoud van onderwijsactiviteiten Verzorgt het (meerjaren)leerplan; stemt het leerplan af met leiding en collega’s. Bepaalt vanuit het leerplan de inhoud van de onderwijsactiviteiten. Zorgt voor les- en documentatiemateriaal.

B.2 Het geven van de onderwijsactiviteit Bereidt de activiteit voor; stemt af op het niveau van de groep. Geeft de onderwijsactiviteit; doet voor en stuurt bij. Zorgt voor variatie in presentatie en lesvorm. Houdt rekening met persoonlijkheid en doelstelling deelnemers. Bespreekt regelmatig de vorderingen met (ouders van) deelnemers en evalueert de onderwijsactiviteit; stelt eventueel leerdoelstellingen bij. Organiseert kunstuitingen van en voor deelnemers.

B.3 Het bijdragen aan de ontwikkeling van KV-producten en -programma’s Volgt en signaleert relevante ontwikkelingen op het terrein van de kunstzinnige vorming. Levert bijdragen aan marktanalyses, de ontwikkeling van nieuw aanbod en marktontwikkelingsplannen; overlegt met opdrachtgevers en andere instanties over organisatie en uitvoering van projecten. Werkt voorstellen uit in projectbeschrijvingen.

B.4 Het verrichten van overige werkzaamheden Woont diverse overlegvormen bij. Houdt ontwikkelingen op het vakgebied bij; neemt deel aan na- en bijscholing. Levert bijdragen aan evenementen/instellingsactiviteiten.

Beschrijving van de functie Functiebenaming: Balletbegeleider Functie-eisen: MBO-niveau Taken

Het instrumentaal begeleiden van lessen

Het bijhouden van ontwikkelingen op het vakgebied

Het verrichten van overige werkzaamheden

Beschrijving van de taken

B.1 Het instrumentaal begeleiden van lessen Begeleidt klassieke balletlessen en andere lesvormen op piano en andere instrumenten. Zorgt waar nodig voor improvisatie en zorgt ervoor dat het karakter van de oefening muzikaal wordt ondersteund. Past gedurende de oefening tempo en sfeer aan en legt andere accenten als de docent dit aangeeft. Verzorgt de instrumentale begeleiding van uitvoeringen.

B.2 Het bijhouden van ontwikkelingen op het vakgebied Houdt ontwikkelingen binnen het vakgebied bij.

B.3 Het verrichten van overige werkzaamheden Voert periodiek overleg met de docent over het afstemmen van het spel op de oefeningen en de samenwerking tussen docent en begeleider.

Bijlage IVb Reglement benoembaarheidseisen kunstzinnige vorming

(Vervallen)

Bijlage V Aanvullende rechtspositieregeling voor de ambtenaar behorend tot het onderwijzend personeel in de Kunstzinnige vorming

(Vervallen)

Bijlage Va Afvloeiingsreglement ten behoeve van docenten, consulenten en Balletbegeleiders werkzaam in de Kunstzinnige Vorming

(Vervallen)

Bijlage VI Vervallen

(Vervallen)

Bijlage VIIa Aanstellingskeuring brandweerpersoneel

Onderstaand schema geeft per bijzondere functie-eis aan welke signaalvragen, screeningsinstrumenten en functionele tests bij de aanstellingskeuring gebruikt dienen te worden. De uitwerking van onderstaande onderdelen en de beoordeling hiervan is vastgelegd in de aanstellingskeuring zoals die is ontwikkeld door het Coronel Instituut. Deze uitwerking is te vinden op www.vng.nl.

Bijzondere functie-eis:Aspect van de belastbaarheid opgenomen mag worden in keuring:
1.Waakzaamheid en oordeelsvermogenSignaalvragen (mondeling of schriftelijk) naar: bekendheid met aanpassingsprobleem bij onregelmatige diensten, ooit doorgemaakte psychose, schizofrenie, epilepsie aanwezigheid van hoogtevrees aanwezigheid van claustrofobie ooit doorgemaakte warmtestuwing gebruik medicatie tegen epilepsie afgelopen 5 jaar huidig medicijngebruik (mee laten nemen) Inzet gevalideerd screeningsinstrument ter detectie van de huidige aanwezigheid van: hoge mate van slaperigheid (checklist) depressieve klachten (checklist) angstklachten (checklist) Inzet gevalideerde fysiek functionele test ter detectie van: hoogtevrees (laddertest)
2.Emotionele piekbelastingSignaalvragen (mondeling of schriftelijk) naar: recent doorgemaakt trauma Inzet gevalideerd screeningsinstrument ter detectie van de huidige aanwezigheid van: posttraumatische stressklachten (checklist)
3.Energetische piekbelastingSignaalvragen (mondeling of schriftelijk) naar: fysieke activiteit inzetbaarheid (PAR-Q) belangrijkste risicofactoren hart- en vaatziekten (familiair voorkomen HVZ; eerder doorgemaakte- of huidige hartziekte; roken) Inzet gevalideerd screeningsinstrument ter detectie van de huidige aanwezigheid van verhoogd risico op toekomstig HVZ (ter regulering en niet ter afkeuring): te hoge BMI of buikvet hoge bloeddruk diabetes mellitus afwijkingen ECG Inzet gevalideerde fysiek functionele test die een indruk geeft van het piek-anaerobe inspanningsvermogen. (aanstellingsbrandweertraplooptest)
4.Goed gezichtsvermogenSignaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar: huidige problemen met gezichtsvermogen Inzet gevalideerd test ter detectie van de huidige aanwezigheid van: onvoldoende scherp zicht (lees en afstand) onvoldoende kleurenzicht onvoldoende mobiliteit nekwervelkolom onvoldoende gezichtsveld
5.Goed gehoorsvermogenSignaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar: huidige problemen met gehoorsvermogen Inzet gevalideerde test ter detectie van de huidige aanwezigheid van: onvoldoende vermogen om spraak-in-ruis te horen
6.Risico op expositie aan stof, rook, gas of dampenSignaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar: overgevoeligheid huid / huidige huidaandoening overgevoeligheid longen / huidige klachten luchtweg/longen Inzet gevalideerde test ter detectie van de huidige aanwezigheid van: mogelijke huidaandoening op armen/handen (eczeem/atopie) mogelijke longaandoening (astma/atopie)
7.Risico op (verspreiding van) infectieziektenSignaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar: geldige inentingen huidige aanwezigheid infectieziekten (Hepatitis, Difterie, Tetanus, Tuberculose, HIV)
8.Tillen/dragenSignaalvragen (mondeling of schriftelijk) naar: problemen met tillen huidige nek-, rug- en schouderklachten problemen met krachtleverantie met geheven armen Inzet gevalideerde fysieke, functionele til/draag test (tijdens aanstellingskeuring-brandbestrijdingstest)
9.Knielen/hurkenSignaalvragen (mondeling of schriftelijk) naar: huidige duizeligheidsklachten Inzet gevalideerde fysieke, functionele kniel/hurk test (tijdens aanstellingskeuring-brandbestrijdingstest)
10.Klimmen/klauteren/traplopenSignaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar: huidige duizeligheidsklachten Inzet gevalideerde fysieke, functionele klim/klauter test (laddertest) (brandweertraplooptest)
11.Houdingen en krachtleverantie met rugSignaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar: huidige rugklachten

Kort NA aanstelling worden als intredekeuring de volgende basismetingen verricht om latere effecten van mogelijke blootstelling aan factoren van het werk te kunnen aantonen:

longfunctiebepaling met behulp van spirometrie

audiogram afname

Bijlage VIIb Periodiek Preventief Medisch Onderzoek

Onderstaand schema geeft per bijzondere functie-eis aan welke signaalvragen, screeningsinstrumenten en functionele tests bij het Periodiek Preventief Medisch Onderzoek gebruikt dienen te worden. De uitwerking van onderstaande onderdelen en de beoordeling hiervan is vastgelegd in het PPMO zoals die is ontwikkeld door het Coronel Instituut. Deze uitwerking is te vinden op www.vng.nl.

Bijzondere functie-eis:Aspect van de belastbaarheid opgenomen mag worden in keuring:
1.Waakzaamheid en oordeelsvermogenSignaalvragen (mondeling of schriftelijk) naar: aanpassingsprobleem door onregelmatige diensten, aanwezigheid van hoogtevrees aanwezigheid van claustrofobie doorgemaakte warmtestuwing sinds vorige keuring gebruik medicatie tegen epilepsie nu of geslikt sinds vorige keuring huidig medicijngebruik (mee laten nemen) Inzet gevalideerd screeningsinstrument ter detectie van de huidige aanwezigheid van: hoge mate van slaperigheid (checklist) depressieve klachten (checklist) angstklachten (checklist) hoge werkgerelateerde vermoeidheid (checklist)
2.Emotionele piekbelastingSignaalvragen (mondeling of schriftelijk) naar: recent doorgemaakt trauma Inzet gevalideerd screeningsinstrument ter detectie van de huidige aanwezigheid van: posttraumatische stressklachten (checklist)
Bijzondere functie-eis:Aspect van de belastbaarheid wat opgenomen mag worden in keuring:
3.Energetische piekbelastingSignaalvragen (mondeling of schriftelijk) naar: fysieke activiteit inzetbaarheid (PAR-Q) belangrijkste risicofactoren hart- en vaatziekten (familiair voorkomen HVZ; eerder doorgemaakte- of huidige hartziekte; roken) Inzet gevalideerd screeningsinstrument ter detectie van de huidige aanwezigheid van verhoogd risico op toekomstig HVZ (ter regulering en niet ter afkeuring): te hoge BMI of buikvet hoge bloeddruk diabetes mellitus afwijkingen ECG Inzet gevalideerde fysiek functionele test die een indruk geeft van het piek-anaerobe inspanningsvermogen. (brandweertraplooptest)
4.Goed gezichtsvermogenSignaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar: huidige problemen met gezichtsvermogen tijdens werk Inzet gevalideerd test ter detectie van de huidige aanwezigheid van: onvoldoende scherp zicht (lees en afstand) onvoldoende kleurenzicht onvoldoende mobiliteit nekwervelkolom onvoldoende gezichtsveld
5.Goed gehoorsvermogenSignaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar: huidige problemen met gehoorvermogen tijdens werk Inzet gevalideerde test ter detectie van de huidige aanwezigheid van: onvoldoende vermogen om spraak-in-ruis te horen
Bijzondere functie-eis:Aspect van de belastbaarheid wat opgenomen mag worden in keuring:
6.Risico op expositie aan stof, rook, gas of dampenSignaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar: overgevoeligheid huid / huidige huidaandoening overgevoeligheid longen / huidige klachten luchtweg/longen Inzet gevalideerde test ter detectie van de huidige aanwezigheid van: mogelijke huidaandoening op armen/handen (eczeem/atopie) mogelijke longaandoening (astma/atopie)
7.Risico op (verspreiding van) infectieziektenSignaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar: huidige aanwezigheid infectieziekten die een gevaar voor anderen kunnen opleveren
8.Tillen/dragenSignaalvragen (mondeling of schriftelijk) naar: problemen met tillen huidige nek-, rug- en schouderklachten problemen met krachtleverantie met geheven armen Inzet gevalideerde fysieke, functionele til/draag test (t