<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR376322_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Re-integratieverordening WerkSaam Westfriesland 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:RegionaalSamenwerkingsorgaan">WerkSaam Westfriesland</dcterms:creator><dcterms:modified>2015-09-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Drechterland</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Enkhuizen</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Hoorn</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Koggenland</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Medemblik</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Opmeer</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Stede Broec</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Blad Gemeenschappelijke Regeling</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Re-integratieverordening WerkSaam Westfriesland 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Participatiewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanRegionaalSamenwerkingsorgaan">algemeen bestuur</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-06-18</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-07-02</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2015-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2020-03-09</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Re-integratieverordening WerkSaam Westfriesland 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Het Algemeen Bestuur van de gemeenschappelijke regeling WerkSaam
                        Westfriesland, gevestigd te Hoorn;</al><al/><al>Gelezen het voorstel van het dagelijks bestuur WerkSaam Westfriesland dd 18
                        juni 2014;</al><al/><al>Gelet op de artikelen 8a, eerste lid, aanhef en onder a, c, d en e, en
                        tweede </al><al>lid, en 10b, vierde lid, van de Participatiewet;</al><al/><al>Gelet op artikel 15, lid 2, onderdeel c van de Gemeenschappelijke Regeling
                        WerkSaam Westfriesland</al><al/><al>Overwegende dat WerkSaam Westfriesland bij verordening nadere regels dient
                        vast te stellen met betrekking tot de re-integratie van werkzoekenden;</al><al/><al>Besluit de Re-integratieverordening WerkSaam Westfriesland 2015 te wijzigen
                        en deze als volgt vast te stellen.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>Algemeen Bestuur: Algemeen Bestuur van WerkSaam Westfriesland
                                </al></li><li nr="b."><al>Anw: Algemene nabestaandenwet</al></li><li nr="c."><al>Beleidsregels: nadere regels rondom re-integratievoorzieningen
                                    die door het dagelijks bestuur kunnen worden vastgesteld.</al></li><li nr="d."><al>Dagelijks bestuur: dagelijks bestuur van WerkSaam
                                    Westfriesland</al></li><li nr="e."><al>Doelgroep: Personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid onder a
                                    van de Participatiewet en personen die een uitkering ontvangen
                                    volgens de IOAW en IOAZ en te onderscheiden in:</al><lijst><li nr="·"><al>Groep 1: klanten van WerkSaam Westfriesland van wie de
                                            verdiencapaciteit op 100% van het wettelijk minimumloon
                                            ligt of daarboven.</al></li><li nr="·"><al>Groep 2: klanten van WerkSaam Westfriesland van wie de
                                            verdiencapaciteit (tijdelijk) 80% tot 100% van het
                                            wettelijk minimumloon bedraagt.</al></li><li nr="·"><al>Groep 3 (a en b): klanten van WerkSaam Westfriesland van
                                            wie de verdiencapaciteit langdurig 20%-80% van het
                                            wettelijk minimumloon bedraagt.</al></li><li nr="·"><al>Groep 4: klanten van WerkSaam Westfriesland van wie de
                                            verdiencapaciteit langdurig minder dan 20% van het
                                            wettelijk minimumloon bedraagt.</al></li><li nr="·"><al>Jongeren tot de leeftijd van 27 jaar</al></li><li nr="·"><al>Nugger: een niet-uitkeringsgerechtigde zoals omschreven
                                            in artikel 7 lid 1 sub a onder 7 van de Participatiewet.
                                        </al></li><li nr="·"><al>Anw-er: personen met een nabestaanden- of wezenuitkering
                                            op grond van de Algemene nabestaandenwet</al></li></lijst></li><li nr="f."><al>IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                    arbeidsongeschikte werkloze werknemers</al></li><li nr="g."><al>IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                    arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen</al></li><li nr="h."><al>Mantelzorg: langdurige zorg die niet in het kader van een
                                    hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende door
                                    personen uit diens directe omgeving, waarbij zorgverlening
                                    rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie en de
                                    gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar overstijgt</al></li><li nr="i."><al>Regiogemeenten: de gemeenten die deelnemen aan WerkSaam
                                    (Drechterland, Enkhuizen, Hoorn, Koggenland, Medemblik, Opmeer,
                                    Stede Broec)</al></li><li nr="j."><al>WerkSaam: De gemeenschappelijke regeling WerkSaam
                                    Westfriesland</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Beleid en financiën</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Evenwichtige verdeling en financiering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur houdt bij het aanbieden van de in deze
                                verordening opgenomen voorzieningen rekening met de omstandigheden
                                en functionele beperkingen van een persoon. De omstandigheden hebben
                                in ieder geval betrekking op zorgtaken van die persoon en de
                                mogelijkheid dat hij behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie of
                                gebruik maakt van de voorziening beschut werk. Onder zorgtaken wordt
                                in ieder geval verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>de opvang van ten laste komende kinderen tot vijf jaar,
                                        en</al></li><li nr="b."><al>de noodzakelijkheid van het verrichten van mantelzorg.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het algemeen bestuur informeert de gemeenteraad tweemaal per jaar
                                over de doeltreffendheid van het beleid. Hierin is in ieder geval
                                het oordeel van de cliëntenraad opgenomen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur kan een of meer budgetplafonds vaststellen
                                voor de verschillende voorzieningen of een plafond instellen voor
                                het maximaal aantal personen dat in aanmerking komt voor een
                                specifieke voorziening. Een door het dagelijks bestuur ingesteld
                                budgetplafond vormt een weigeringsgrond bij de aanspraak op een
                                specifieke voorziening.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur plaatst een persoon uit de doelgroep
                                uitsluitend als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet
                                onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing op de
                                arbeidsmarkt plaatsvindt. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Voorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Algemene bepalingen over voorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het algemeen bestuur stelt een beleidsplan vast waarin wordt
                                vastgelegd welke voorzieningen, waaronder ondersteunende
                                voorzieningen, het dagelijks bestuur in ieder geval kan aanbieden.
                            </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een voorziening kan worden beëindigd wanneer: </al><lijst><li nr="a."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn
                                        verplichting als bedoeld in de artikelen 9 en 17 van de
                                        Participatiewet, de artikelen 13 en 37 van de IOAW of de
                                        artikelen 13 en 37 van de IOAZ niet nakomt; </al></li><li nr="b."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer
                                        behoort tot de doelgroep;</al></li><li nr="c."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt algemeen
                                        geaccepteerde arbeid aanvaardt waarbij geen gebruik wordt
                                        gemaakt van een in deze verordening genoemde voorziening,
                                        tenzij het betreft een persoon als bedoeld in artikel 7,
                                        eerste lid, onderdeel a, van de Participatiewet;</al></li><li nr="d."><al>naar het oordeel van het dagelijks bestuur de voorziening
                                        onvoldoende bijdraagt aan arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="e."><al>de voorziening naar het oordeel van het dagelijks bestuur
                                        niet meer geschikt is voor de persoon die gebruik maakt van
                                        de voorziening;</al></li><li nr="f."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet naar
                                        behoren gebruik maakt van de aangeboden voorziening;</al></li><li nr="g."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer
                                        voldoet aan de voorwaarden die in deze verordening worden
                                        gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening.</al></li><li nr="h."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt verhuist buiten
                                        de gemeentegrenzen van de regiogemeenten, tenzij het een
                                        voorziening betreft als omschreven in artikel 12. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Werkstage / Werken met behoud van uitkering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur kan een persoon uit de doelgroep een werkstage
                                gedurende 6 maanden gericht op arbeidsinschakeling aanbieden als
                                deze behoort tot de doelgroep: groep 1, groep 2 of groep 3. Deze
                                periode kan maximaal met nog eens 6 maanden worden verlengd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het doel van een werkstage is het opdoen van werkervaring of het
                                leren functioneren in een arbeidsrelatie. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In een plan van aanpak wordt in ieder geval vastgelegd:</al><lijst><li nr="a."><al>het doel van de werkstage, en</al></li><li nr="b."><al>de duur van de stage, en</al></li><li nr="c."><al>de wijze waarop de begeleiding plaatsvindt.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Sociale activering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur kan een persoon die behoort tot de doelgroep,
                                groep 2 en groep 3, activiteiten aanbieden in het kader van sociale
                                activering voor zover de mogelijkheid bestaat dat hij op enig moment
                                algemeen geaccepteerde arbeid kan verkrijgen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur stemt de duur van de in het eerste lid
                                bedoelde activiteiten af op de mogelijkheden en capaciteiten van die
                                persoon. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Detacheringsbaan</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur kan zorgen voor toeleiding van een persoon die
                                behoort tot groep 1, 2 en 3 door middel van het inzetten van een
                                detachering, gericht op arbeidsinschakeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De persoon zoals bedoeld in lid 1 wordt voor het verrichten van
                                arbeid gedetacheerd bij een inlenende organisatie en ontvangt een
                                arbeidsovereenkomst van WerkSaam. De detachering wordt vastgelegd in
                                een schriftelijke overeenkomst tussen WerkSaam en inlenende
                                organisatie. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Scholing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur kan een persoon die behoort tot de doelgroep
                                groep 1, 2 en 3 een scholingstraject aanbieden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een scholingstraject voldoet in ieder geval aan de volgende
                                eisen:</al><lijst><li nr="a."><al>de scholing/opleiding moet noodzakelijk zijn voor het slagen
                                        van het traject of plan van aanpak; </al></li><li nr="b."><al>de scholing/opleiding wordt bij voorkeur ingezet als dit de
                                        kortste weg is naar algemeen geaccepteerde arbeid; </al></li><li nr="c."><al>Het eerste lid is niet van toepassing op personen jonger dan
                                        27 jaar die uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs kunnen
                                        volgen.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Participatieplaats</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur kan een persoon van 27 jaar of ouder met recht
                                op algemene bijstand overeenkomstig artikel 10a van de wet
                                onbeloonde additionele werkzaamheden laten verrichten. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur zorgt ervoor dat de te verrichten additionele
                                werkzaamheden worden vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst
                                die wordt ondertekend door het dagelijks bestuur, de werkgever en de
                                persoon die de additionele werkzaamheden gaat verrichten.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid, van de wet bedraagt
                                per termijn van 6 maanden:</al><lijst><li nr="a."><al>€ 150,-- bij een gemiddelde ureninzet van 3 tot 12 uur per
                                        week;</al></li><li nr="b."><al>€ 250,-- bij een gemiddelde ureninzet van 12 uur of meer per
                                        week</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De premie wordt alleen verstrekt mits in die zes maanden voldoende
                                is meegewerkt aan het vergroten van de kans op inschakeling in het
                                arbeidsproces. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Participatievoorziening beschut werk</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur kan de voorziening beschut werk aanbieden aan
                                een persoon uit de doelgroep, groep 3, die door een lichamelijke,
                                verstandelijke of psychische beperking een zodanige mate van
                                begeleiding op en aanpassingen van de werkplek nodig heeft dat van
                                een reguliere werkgever redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat
                                hij deze persoon in dienst neemt. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur maakt uit de personen uit de doelgroep een
                                voorselectie en wint bij het Uitvoeringsinstituut
                                werknemersverzekeringen advies in voor de beoordeling of zij
                                uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste
                                omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Om de in artikel 10b, eerste lid, van de Participatiewet, bedoelde
                                werkzaamheden mogelijk te maken kan het dagelijks bestuur
                                ondersteunende voorzieningen inzetten. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur bepaalt de omvang van het aanbod beschut werk
                                en legt vast hoeveel plekken voor beschut werk worden vastgesteld.
                            </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Ondersteuning bij leer-werktraject</titel></kop><al>Het dagelijks bestuur kan ondersteuning aanbieden aan een persoon uit de
                            doelgroep ten aanzien van wie het dagelijks bestuur van oordeel is dat
                            een leer-werktraject nodig is, voor zover het personen betreft:</al><lijst><li nr="a."><al>van zestien of zeventien jaar van wie de leerplicht of de
                                    kwalificatieplicht, bedoeld in de Leerplichtwet 1969, nog niet
                                    is geëindigd, of</al></li><li nr="b."><al>van achttien tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben
                                    behaald.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Persoonlijke ondersteuning / Jobcaching</titel></kop><al>Aan een persoon die behoort tot de doelgroep kan het dagelijks bestuur
                            persoonlijke ondersteuning bij het verrichten van de aan die persoon
                            opgedragen taken aanbieden in de vorm van structurele begeleiding als
                            hij zonder persoonlijke ondersteuning niet in staat is de aan hem
                            opgedragen taken te verrichten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Doelgroep loonkostensubsidie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur stelt vast of een persoon behoort tot de
                                doelgroep loonkostensubsidie. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Hierbij neemt het dagelijks bestuur de volgende criteria in acht: </al><lijst><li nr="a."><al>een persoon moet behoren tot de doelgroep zoals omschreven
                                        in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de
                                        Participatiewet; </al></li><li nr="b."><al>die persoon is niet in staat met voltijdse arbeid het
                                        wettelijk minimumloon te verdienen, en </al></li><li nr="c."><al>die persoon heeft mogelijkheden tot arbeidsparticipatie.
                                    </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Het dagelijks bestuur stelt vast of en zo ja welke externe
                                organisatie adviseert met betrekking tot het oordeel of een persoon
                                behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie, met in achtneming van
                                de in het tweede lid neergelegde criteria. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Vaststelling loonwaarde</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur stelt vast welke methode wordt gehanteerd om
                                de loonwaarde van een persoon vast te stellen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Hierbij neemt het dagelijks bestuur de volgende minimumeisen in
                                acht:</al><lijst><li nr="a."><al>de methode bevat richtlijnen op grond waarvan de prestatie
                                        van de werknemer wordt bepaald;</al></li><li nr="b."><al>de methode is transparant, betrouwbaar en inzichtelijk
                                        beschreven, en</al></li><li nr="c."><al>de loonwaarde hangt niet af van degene die de loonwaarde
                                        bepaalt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur stelt vast of en zo ja welke externe
                                organisatie adviseert met betrekking tot devaststelling van de
                                loonwaarde van een persoon. De externe organisatie neemt daarbij de
                                in artikel 2 lid 1 omschreven methode in acht.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur stemt het bepaalde in artikel 2, lid 1 tot en
                                met 3, af met de partners die betrokken zijn bij het
                                Werkbedrijf.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Uitstroompremie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur kan eenmalig een uitstroompremie toekennen aan
                                een langdurig werkloze die duurzaam uitstroomt naar algemeen
                                geaccepteerde arbeid en daardoor niet langer recht heeft op een
                                uitkering. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een langdurig werkloze in de zin van het eerste lid is een persoon
                                uit de doelgroep die gedurende een aaneengesloten periode van 24
                                maanden of langer op een uitkering aangewezen is of is geweest.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De premie kan worden aangevraagd vanaf de zevende tot de negende
                                maand na de indiensttreding, mits een dienstverband aanwezig
                                is.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De hoogte van de uitstroompremie bedraagt € 1.000.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Inkomstenvrijlating</titel></kop><al>Het dagelijks bestuur kan gebruik maken van de in artikel 31, lid 2, sub
                            n en r van de Participatiewet geboden mogelijkheden om inkomsten
                            gedeeltelijk vrij te laten en kan ter nadere uitvoering van de
                            inkomstenvrijlating beleidsregels vaststellen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Re-integratie niet-uitkeringsgerechtigden en Anw-ers</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur kan re-integratievoorzieningen inzetten voor
                                niet-uitkeringsgerechtigden en Anw-ers.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de re-integratie van niet-uitkeringsgerechtigden en Anw-ers
                                gelden de volgende eisen:</al><lijst><li nr="a."><al>de niet-uitkeringsgerechtigde of Anw-er heeft geen
                                        dienstbetrekking en is verplicht ingeschreven te staan als
                                        werkzoekende bij het UWV Werkbedrijf;</al></li><li nr="b."><al>de niet-uitkeringsgerechtigde of Anw-er moet zich voor
                                        minimaal 12 uur per week beschikbaar stellen voor algemeen
                                        geaccepteerde arbeid;</al></li><li nr="c."><al>de noodzaak voor ondersteuning moet aanwezig zijn en wordt
                                        vastgesteld door het dagelijks bestuur;</al></li><li nr="d."><al>de ondersteuning moet te allen tijde gericht zijn op
                                        bevordering van arbeidsinschakeling en vormt altijd de
                                        kortste weg richting algemeen geaccepteerde arbeid;</al></li><li nr="e."><al>het dagelijks bestuur bepaalt welk aanbod passend is.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur doet, als een niet-uitkeringsgerechtigde of
                                Anw-er aanspraak wil maken op ondersteuning, binnen maximaal 3
                                maanden een aanbod dat past binnen de kaders van deze verordening en
                                het beschikbaar gestelde budget.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur van WerkSaam kan met de betrokkene afspraken
                                maken over de gevolgen van het niet nakomen van afspraken of het
                                voortijdig afbreken van een re-integratietraject.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Er wordt geen re-integratievoorziening ingezet als het
                                (netto)inkomen van de aanvrager en diens partner tezamen hoger is
                                dan anderhalf keer de van toepassing zijnde bijstandsnorm. Het
                                vermogen van de aanvrager en diens partner tezamen mag niet hoger
                                zijn dan het toepasselijke vrij te laten vermogen als bedoeld in
                                artikel 34, lid 3 van de wet.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een persoon die gebruik maakt van een toegekende voorziening op
                                    grond van de Re-integratieverordening Wet werk en bijstand van
                                    een van de regiogemeenten, die moet worden beëindigd op grond
                                    van deze verordening, behoudt deze voorziening voor zover wordt
                                    voldaan aan de voorwaarden uit deze verordening voor de
                                    duur:</al><lijst><li nr="a)"><al>van 6 maanden, gerekend vanaf de inwerkingtreding van
                                            deze verordening, of</al></li><li nr="b)"><al>dat deze is verstrekt, als dat korter is dan de periode
                                            als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het dagelijks bestuur van WerkSaam besluit na afloop van de in
                                    het eerste lid, onderdeel a, bedoelde periode of een voorziening
                                    wordt voortgezet.</al></li><li nr="3."><al>De Re-integratieverordening Wet werk en bijstand blijft van
                                    toepassing ten aanzien van een voortgezette voorziening als
                                    bedoeld in het eerste lid. Dit betreffen de volgende
                                    re-integratieverordeningen:</al><al>Hoorn: Re-integratieverordening Wwb, Ioaw en Ioaz 2012 </al><al>Enkhuizen: Re-integratieverordening WWB, Ioaw en Ioaz 2012</al><al>Drechterland: Re-integratieverordening WWB Drechterland
                                    2010</al><al>Stede Broec: Verordening Re-integratie WWB, IOAW en IOAZ
                                    2012</al><al>Opmeer: Re-integratieverordening Opmeer 2010</al><al>Medemblik: Re-integratieverordening Wwb, Ioaw en Ioaz 2013</al><al>Koggenland: Re-integratieverordening Wwb, Ioaw en Ioaz
                                    2012.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur kan ten gunste van de persoon afwijken van de
                                bepalingen in deze verordening, indien toepassing van de verordening
                                leidt tot onbillijkheden van overwegende aard.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In gevallen, die de uitvoering van deze verordening betreffen,
                                waarin deze verordening niet voorziet, beslist het dagelijks
                                bestuur.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze gewijzigde verordening treedt in werking op de dag van
                                    bekendmaking en werkt terug tot en met 1 juni 2015.</al></li><li nr="2."><al>Deze gewijzigde verordening wordt aangehaald als:
                                    Re-integratieverordening WerkSaam Westfriesland 2015.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de vergadering van het algemeen bestuur van 18 juni
                        2015.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening>De secretaris </ondertekening><ondertekening>M.Olierook </ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening>De voorzitter</ondertekening><ondertekening>A.J. de Jong</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Algemeen</titel></kop><al/><al>Er is gekozen voor een algemene, globale verordening. Dit heeft te maken met de
                    aard van de opdracht die het algemeen bestuur heeft gekregen, te weten het bij
                    verordening regels stellen waarin het beleid van WerkSaam Westfriesland ten
                    aanzien van haar re-integratietaak wordt neergelegd. Hieruit moet onder andere
                    aandacht blijken voor de in de Participatiewet onderscheiden doelgroepen en de
                    daarbinnen te onderscheiden subgroepen. Dit leent zich niet tot het formuleren
                    van gedetailleerde regels die op iedere situatie van toepassing zijn. Immers,
                    re-integratie is maatwerk. Het is afhankelijk van iemands mogelijkheden en
                    beperkingen wat in het concrete geval een passend re-integratietraject is.
                    Daarom wordt aan het dagelijks bestuur van WerkSaam de bevoegdheid gegeven om op
                    een aantal punten eigen afwegingen te maken. Artikel 10 van de Participatiewet
                    bepaalt dat personen uit de doelgroep aanspraak hebben op ondersteuning bij de
                    arbeidsinschakeling en de door het dagelijks bestuur van WerkSaam noodzakelijk
                    geachte voorziening binnen de kaders van de re-integratieverordening. Daarom is
                    ervoor gekozen in de verordening de voorzieningen vast te leggen die het
                    dagelijks bestuur in ieder geval kan aanbieden.</al><al/><al>Met betrekking tot de volgende voorzieningen is het dagelijks bestuur van
                    WerkSaam verplicht om regels op te nemen in deze verordening:</al><lijst><li nr="-"><al>scholing of opleiding, bedoeld in artikel 10a, vijfde lid, van de
                            Participatiewet (artikelen 8a, eerste lid, onderdeel c, en tweede lid,
                            onderdeel c, van de Participatiewet);</al></li><li nr="-"><al>de premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid, Participatiewet (artikelen
                            8a, eerste lid, onderdeel d, en tweede lid, onderdeel c, van de
                            Participatiewet);</al></li><li nr="-"><al>participatievoorziening beschut werk, bedoeld in artikel 10b van de
                            Participatiewet (artikelen 8a, eerste lid, onderdeel e, en 10b, vierde
                            lid, van de Participatiewet), en</al></li><li nr="-"><al>no riskpolis (artikel 8a, tweede lid, onderdeel b, van de
                            Participatiewet).</al><al/></li></lijst></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Artikelsgewijze toelichting</titel></kop><al/><al>Enkel die bepalingen die verdere toelichting behoeven worden hieronder
                    behandeld.</al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al>Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, Algemene wet
                        bestuursrecht of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk gedefinieerd in
                        deze verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing op deze
                        verordening.</al><al/><al><cursief>b. Doelgroep</cursief></al><al>De doelgroep wordt gevormd door personen zoals bedoeld in artikel 7, eerste
                        lid, onder a, van de Participatiewet. Het betreft:</al><al/><lijst><li nr="-"><al>personen die algemene bijstand ontvangen;</al></li><li nr="-"><al>personen als bedoeld in artikel 34a, vijfde lid onderdelen b en c,
                                van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (hierna: WIA),
                                artikel 35, vierde lid, onderdelen b en c, van de WIA en artikel 36,
                                derde lid, onderdelen b en c, van de WIA tot het moment dat het
                                inkomen uit arbeid in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten
                                jaren ten minste het minimumloon bedraagt en ten behoeve van die
                                persoon in die twee jaren geen loonkostensubsidie als bedoeld in
                                artikel 10d van de Participatiewet is verleend;</al></li><li nr="-"><al>personen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de
                                Participatiewet;</al></li><li nr="-"><al>personen met een nabestaanden- of wezenuitkering op grond van de
                                Algemene nabestaandenwet (hierna: Anw);</al></li><li nr="-"><al>personen met een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening
                                oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers
                                (hierna: IOAW);</al></li><li nr="-"><al>personen met een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening
                                oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen
                                (hierna: IOAZ);</al></li><li nr="-"><al>personen zonder uitkering;</al><al/></li></lijst><al>en, die voor de arbeidsinschakeling zijn aangewezen op een door het
                        dagelijks bestuur aangeboden voorziening.</al><al/><al>WerkSaam Westfriesland heeft haar doelgroepen verder onderverdeeld in
                        groepen 1 tot en met 4. </al><al/><al><cursief>Groep 1</cursief></al><al>Deze groep omvat de werkzoekenden die voldoende verdiencapaciteit hebben,
                        maar die geen werk hebben. De verdiencapaciteit ligt op 100% van het minimum
                        loon of daarboven. </al><al/><al><cursief>Groep 2</cursief></al><al>Groep 2 omvat de werkzoekenden die in potentie voldoende verdiencapaciteit
                        hebben, maar die (tijdelijk) ondersteuning nodig hebben. De
                        verdiencapaciteit ligt tussen de 80% en 100% WML. </al><al/><al><cursief>Groep 3 (a en b)</cursief></al><al>Groep 3 bestaat uit werkzoekenden die duurzaam ondersteuning nodig hebben
                        omdat er ook langdurig sprake is van een lagere verdiencapaciteit (20%-80%
                        WML). </al><al/><al><cursief>Groep 4</cursief></al><al>Groep 4 bestaat uit werkzoekenden die (tijdelijk of duurzaam) niet
                        beschikken over voldoende verdiencapaciteit om regulier werk te aanvaarden
                        en/of gebruik te maken van de hierboven genoemde ondersteuning. </al><al>Naast de indeling in verdiencapaciteit kent WerkSaam nog een drietal
                        belangrijke specifieke doelgroepen:</al><al><cursief>Jongeren tot 27 jaar</cursief></al><al>Jongeren vormen een aparte categorie, omdat de wet afwijkende regels heeft
                        opgesteld voor jongeren tot 27 jaar. Uitgangspunt hierbij is dat de jongere
                        een startkwalificatie behaalt of (duurzaam) uitstroomt naar werk, een stage
                        of een leerwerkplek. </al><al/><al><cursief>Zelfstandig ondernemers</cursief></al><al>Zelfstandig ondernemers die (tijdelijk) in de financiële problemen zitten,
                        kunnen in bepaalde gevallen bij WerkSaam terecht voor een bedrijfskapitaal
                        in het kader van de Bbz. Ook startende ondernemers en oudere zelfstandigen
                        met een niet-levensvatbaar bedrijf kunnen bij WerkSaam bedrijfskapitaal
                        aanvragen om hun onderneming te starten, danwel te beëindigen. </al><al/><al><cursief>Niet-uitkeringsgerechtigden (nuggers)</cursief></al><al>WerkSaam zet ook re-integratievoorzieningen in voor
                        niet-uitkeringsgerechtigden, ofwel nuggers. Dit zijn werkzoekenden die niet
                        in aanmerking komen voor een uitkering op grond van de Participatiewet
                        (bijvoorbeeld omdat de partner een te hoog inkomen heeft), maar die voor hun
                        re-integratie wel een beroep willen doen op de ondersteuning en
                        voorzieningen van WerkSaam. </al><al/></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Beleid en financiën</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Evenwichtige verdeling en financiering</titel></kop><al><cursief>Lid 1. Rekening houden met omstandigheden en functionele
                            beperkingen. </cursief></al><al>Op grond van artikel 8a, tweede lid, onderdeel a, van de Participatiewet
                        moet het dagelijks bestuur in de verordening de verdeling van de
                        voorzieningen over personen bepalen, waarbij rekening wordt gehouden met de
                        omstandigheden en de functionele beperkingen van die personen. Hierin ligt
                        besloten dat het dagelijks bestuur ook rekening houdt met de omstandigheden
                        en functionele beperkingen van personen met een handicap. Dit is in
                        overeenstemming met het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een
                        handicap. De doelstelling van dit verdrag is het bevorderen, beschermen en
                        waarborgen van het volledige genot door alle personen met een handicap van
                        alle mensenrechten en fundamentele vrijheden op voet van gelijkheid en het
                        bevorderen van de eerbiediging van hun inherente waardigheid. In dit artikel
                        is aan het voorgaande uitvoering gegeven.</al><al/><al><cursief>lid 2. Verslag doeltreffendheid</cursief></al><al>Het algemeen bestuur van WerkSaam zendt tweemaal per jaar een verslag over
                        de doeltreffendheid van het re-integratiebeleid. Dit verslag moet het
                        oordeel van de cliëntenraad bevatten. </al><al/><al><cursief>Lid 3. Budgetplafonds of maximaal aantal personen</cursief></al><al>Aan het inzetten van voorzieningen zijn kosten verbonden. Deze kosten
                        verschillen, afhankelijk van de aard van de voorziening. Het dagelijks
                        bestuur kan een grens stellen aan het aantal personen dat van een specifieke
                        voorziening gebruik mag maken.</al><al/><al><cursief>Lid 4. Concurrentieverhoudingen / Geen verdringing</cursief></al><al>In dit lid is bepaald dat de re-integratie voorziening uitsluitend wordt
                        verstrekt als er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Voorzieningen</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Algemene bepalingen over voorzieningen</titel></kop><al>Lid 1. </al><al>Behoeft geen verdere toelichting. </al><al/><al><cursief>Lid 2. Beëindiginggronden</cursief></al><al>Het tweede lid geeft aan dat het dagelijks bestuur een voorziening kan
                        beëindigen en in welke gevallen het dat kan doen. Onder beëindigen wordt
                        hierbij ook verstaan het stopzetten van de subsidie aan een werkgever of het
                        opzeggen van de arbeidsovereenkomst bij een detacheringsbaan. Bij deze
                        laatste wijze van beëindigen dienen vanzelfsprekend de toepasselijke
                        bepalingen uit het arbeidsrecht en de eventueel aanwezige
                        rechtspositieregeling in acht te worden genomen.</al><al/><al>Het dagelijks bestuur kan een voorziening beëindigen in de gevallen zoals
                        opgenomen in artikel 3, tweede lid, van deze verordening. Een voorziening
                        wordt bijvoorbeeld beëindigd als een persoon algemeen geaccepteerde arbeid
                        aanvaardt. Voor de persoon zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel
                        a onder 2, van de Participatiewet wordt op dit punt een uitzondering
                        gemaakt. Het gaat om de persoon zoals bedoeld in artikel 34a, vijfde lid,
                        onderdelen b en c, 35, vierde lid, onderdelen b en c en 36, derde lid,
                        onderdelen b en c, van de WIA. Voor deze doelgroep geldt dat het dagelijks
                        bestuur ondersteuning bij de arbeidsinschakeling moet bieden gedurende twee
                        aaneengesloten jaren, in het geval dat de beloning ten minste het
                        minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon in die twee jaren geen
                        loonkostensubsidie is verstrekt. </al><al/><al>De Participatiewet voorziet niet in een terugvorderingsgrond van
                        re-integratiekosten die onnodig zijn gemaakt. Noch van een
                        bijstandsgerechtigde, noch van een niet-bijstandsgerechtigde kunnen die
                        kosten worden teruggevorderd. Terugvordering dient te geschieden op grond
                        van het Burgerlijk Wetboek.</al><al/><al>Bij verhuizing blijft WerkSaam, die de loonkostensubsidie heeft vastgesteld,
                        gedurende de hele looptijd van de dienstbetrekking verantwoordelijk voor de
                        uitbetaling. Er is verder geen beperking in de duur van de
                        loonkostensubsidie. Die kan doorlopen zolang de dienstbetrekking duurt tot
                        de betrokkene de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Werkstage / Werken met behoud van uitkering (MBU)</titel></kop><al>Een werkstage onderscheidt zich van een gewone arbeidsovereenkomst. Bij een
                        beoordeling of er al dan niet sprake is van een arbeidsovereenkomst toetst
                        de rechter aan de drie criteria voor het bestaan van een
                        arbeidsovereenkomst: persoonlijk verrichten van arbeid, loon en
                        gezagsverhouding. Daarbij wordt gekeken naar een aantal aspecten zoals de
                        bedoeling van de partijen en wat al dan niet schriftelijk is overeengekomen.
                        De rechter besteedt vooral aandacht aan de feitelijke invulling van de
                        overeenkomst.</al><al/><al><cursief>Werkstage is gericht op uitbreiden kennis en
                        ervaring</cursief></al><al>De Hoge Raad heeft bepaald dat er bij werkstages weliswaar sprake is van het
                        persoonlijk verrichten van arbeid, maar dat dit overwegend gericht is op het
                        uitbreiden van de kennis en ervaring van de werknemer. Daarnaast is bij een
                        werkstage in de regel geen sprake van beloning. Terughoudend zijn met het
                        verstrekken van een gerichte stagevergoeding ligt daarom voor de hand. Er
                        kan wel een onkostenvergoeding worden gegeven, mits er daadwerkelijk sprake
                        is van een vergoeding van gemaakte kosten.</al><al/><al><cursief>Doelgroep aanbieden werkstage/MBU</cursief></al><al>Het dagelijks bestuur kan een persoon die behoort tot de doelgroep (groep 1,
                        groep 2 of groep 3) een werkstage aanbieden. </al><al/><al><cursief>Doel van de werkstage/MBU</cursief></al><al>Het tweede lid geeft nog eens specifiek aan wat het doel is van de
                        werkstage, om het verschil met een normale arbeidsverhouding aan te geven.
                        Dit is vooral van belang om te voorkomen dat een persoon claimt dat sprake
                        is van een arbeidsovereenkomst en bij de rechter loonbetaling afdwingt.</al><al/><al>De werkstage kan twee doelen hebben. Op de eerste plaats kan het gaan om het
                        opdoen van specifieke werkervaring. Dit is vergelijkbaar met de zogenaamde
                        ‘snuffelstage’, waarbij een persoon de gelegenheid krijgt om te bezien of
                        het soort werk als passend kan worden beschouwd. Op de tweede plaats kan het
                        gaan om het leren werken in een arbeidsrelatie. In de werkstage kan een
                        persoon wennen aan aspecten als gezag, op tijd komen, werkritme en
                        samenwerken met collega’s.</al><al/><al><cursief>Opstellen plan van aanpak</cursief></al><al>In het derde lid is bepaald dat voor de werkstage een plan van aanpak wordt
                        opgesteld. Hierin kan expliciet het doel en de duur van de stage worden
                        opgenomen, evenals de wijze van begeleiding. Door dit plan van aanpak kan
                        nog eens worden gewaarborgd dat het bij een werkstage niet gaat om een
                        reguliere arbeidsverhouding.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Sociale activering</titel></kop><al>Volgens de Participatiewet dient ook sociale activering uiteindelijk gericht
                        te zijn op arbeidsinschakeling. Voor bepaalde doelgroepen is
                        arbeidsinschakeling echter een te hoog gegrepen doel. Voor deze personen
                        staat dan ook niet re-integratie, maar participatie voorop. </al><al/><al><cursief>Begrip sociale activering</cursief></al><al>Onder 'sociale activering' wordt verstaan: het verrichten van onbeloonde
                        maatschappelijk zinvolle activiteiten gericht op arbeidsinschakeling of, als
                        arbeidsinschakeling nog niet mogelijk is, op zelfstandige maatschappelijke
                        participatie (artikel 6, eerste lid, onderdeel c, Participatiewet). Bij
                        activiteiten in het kader van sociale activering kan worden gedacht aan het
                        zelfstandig, zonder externe begeleiding, verrichten van vrijwilligerswerk of
                        deelnemen aan activiteiten in de wijk of buurt.</al><al/><al><cursief>Doelgroep sociale activering</cursief></al><al>Het dagelijks bestuur kan aan een persoon die behoort tot de doelgroep
                        activiteiten aanbieden in het kader van sociale activering voor zover de
                        mogelijkheid bestaat dat hij op enig moment algemeen geaccepteerde arbeid
                        kan verkrijgen waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening
                        (artikel 5, eerste lid).</al><al/><al>Voor de verplichting op grond van artikel 9, eerste lid, onderdeel b, van de
                        Participatiewet gebruik te maken van een voorziening gericht op sociale
                        activering is vereist dat de mogelijkheid bestaat dat een persoon op enig
                        moment algemeen geaccepteerde arbeid kan verkrijgen waarbij geen gebruik
                        wordt gemaakt van een voorziening. Bestaat die mogelijkheid niet, dan kan
                        een persoon niet worden verplicht gebruik te maken van een dergelijke
                        voorziening. Sociale activering heeft tot doel personen met een grote
                        afstand tot de arbeidsmarkt terug te leiden naar de arbeidsmarkt, of als dit
                        nog niet mogelijk is, als tussendoel te bevorderen dat personen zelfstandig
                        kunnen deelnemen aan het maatschappelijk leven. Hieruit volgt dat als het
                        einddoel, arbeidsinschakeling, niet kan worden bereikt, er geen grond is die
                        persoon te verplichten om gebruik te maken van een voorziening gericht op
                        sociale activering.</al><al/><al><cursief>Het dagelijks bestuur stemt duur activiteiten af op de
                            persoon</cursief></al><al>Het tweede lid geeft het dagelijks bestuur de mogelijkheid om de duur van
                        activiteiten in het kader van sociale activering nader te bepalen. Het
                        dagelijks bestuur moet de duur afstemmen op de mogelijkheden en capaciteiten
                        van een persoon. Gezien de mogelijk sterk verschillende behoeften op dit
                        gebied, zal een al te rigide termijn moeilijk zijn.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Detacheringsbaan</titel></kop><al>De Participatiewet biedt de mogelijkheid personen uit de doelgroep een
                        dienstverband aan te bieden om op detacheringsbasis werkervaring op te doen.
                        In de verordening zijn de randvoorwaarden vastgelegd waarbinnen de banen
                        vormgegeven worden. </al><al/><al>Het eerste lid biedt de mogelijkheid tot het aangaan van het dienstverband.
                        Het dagelijks bestuur zorgt ervoor dat een persoon een dienstverband krijgt
                        aangeboden door een derde, de werkgever. Die derde kan bijvoorbeeld een
                        detacheringsbureau zijn. In het tweede lid wordt bepaald dat het gaat om
                        detachering. Daarbij worden op twee vlakken afspraken gemaakt. Ten eerste
                        tussen het inlenende bedrijf en de werkgever. Hierin worden zaken geregeld
                        als de verhouding tot de werkgever, de hoogte van de inleenvergoeding en de
                        wijze waarop de begeleiding wordt vormgegeven. In de overeenkomst tussen
                        werknemer en inlener worden afspraken gemaakt over werktijden, verlof en de
                        inhoud van het werk. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Scholing</titel></kop><al><cursief>Startkwalificatie</cursief></al><al>Onder startkwalificatie wordt verstaan een HAVO- of VWO-diploma of een
                        diploma van het middelbaar beroepsonderwijs (mbo), niveau twee. Scholing kan
                        worden aangeboden aan personen met of zonder een dergelijke
                        startkwalificatie. Vooral voor personen zonder startkwalificatie kan
                        scholing noodzakelijk zijn voor de re-integratie.
                            <cursief>Jongeren</cursief>Personen jonger dan 27 jaar die nog
                        mogelijkheden hebben binnen het uit 's Rijks kas bekostigde onderwijs kunnen
                        sinds 1 juli 2012 geen voorziening ontvangen die hen ondersteunt bij de
                        arbeidsinschakeling (artikel 7, derde lid, onderdeel a, van de
                        Participatiewet). Dit is voor de volledigheid opgenomen in het derde
                        lid.</al><al/><al><cursief>Scholing in combinatie met participatieplaats</cursief></al><al>Wanneer een persoon die in aanmerking komt voor een participatieplaats niet
                        over een startkwalificatie beschikt, dient het dagelijks bestuur aan deze
                        persoon scholing of opleiding aan te bieden. Dit geldt vanaf zes maanden na
                        aanvang van de werkzaamheden op de participatieplaats. De scholing of
                        opleiding moet gericht zijn op vergroting van de kansen op de arbeidsmarkt. </al><al/><al>Het dagelijks bestuur hoeft aan een persoon alleen geen scholing of
                        opleiding aan te bieden als dergelijke scholing of opleiding naar zijn
                        oordeel de krachten of bekwaamheden van de persoon te boven gaan of als naar
                        zijn oordeel scholing of opleiding niet bijdraagt aan vergroting van de kans
                        op inschakeling in het arbeidsproces van de persoon. Dit volgt uit artikel
                        10a, vijfde lid, van de Participatiewet. </al><al/><al>Zie ook artikel 8 van deze verordening over de voorziening
                        participatieplaatsen. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Participatieplaats</titel></kop><al>Een participatieplaats is bedoeld voor personen uit de doelgroep: groep 3.
                        Voor personen jonger dan 27 jaar is ondersteuning in de vorm van een
                        participatieplaats niet mogelijk (artikel 7, achtste lid, van de
                        Participatiewet [en het eerste lid van artikel 8 van deze verordening]). Het
                        dagelijks bestuur kan dan ook enkel aan personen van 27 jaar of ouder met
                        recht op algemene bijstand een participatieplaats aanbieden.</al><al/><al><cursief>Additionele werkzaamheden</cursief></al><al>Op een participatieplaats worden additionele werkzaamheden verricht. Niet de
                        te verrichten werkzaamheden staan centraal maar het leren werken of het
                        (opnieuw) wennen aan werken. Aspecten als omgaan met gezag, op tijd komen,
                        werkritme en samenwerking met collega’s zijn allemaal zaken waaraan in een
                        participatieplaats gewerkt kan worden. Ook kan hiermee worden beoordeeld of
                        het werkterrein past bij de capaciteiten van de uitkeringsgerechtigde, zodat
                        een persoon bijvoorbeeld een opleiding op het betreffende terrein kan gaan
                        volgen en daarmee voor zichzelf een duurzaam perspectief op arbeid kan
                        realiseren. De duur van de participatieplaats is wettelijk beperkt tot
                        maximaal vier jaar (artikel 10a van de Participatiewet). </al><al/><al>Na negen maanden wordt beoordeeld door het dagelijks bestuur of de
                        participatieplaats de kans op arbeidsinschakeling heeft vergroot (artikel
                        10a, achtste lid, van de Participatiewet). Zo niet dan wordt de
                        participatieplaats beëindigd. Uiterlijk 24 maanden na aanvang van de
                        participatieplaats wordt opnieuw beoordeeld of de participatieplaats wordt
                        voorgezet. Als het dagelijks bestuur van WerkSaam concludeert dat
                        voortzetting van de participatieplaats met het oog op in de persoon gelegen
                        factoren aanmerkelijk bijdraagt tot de arbeidsinschakeling, dan kan de
                        participatieplaats nog één jaar verlengd worden. Echter in dat geval dient
                        een andere werkomgeving geboden te worden (artikel 10a, negende lid, van de
                        Participatiewet). Na 36 maanden vindt opnieuw een dergelijke beoordeling
                        plaats (artikel 10a, tiende lid, van de Participatiewet).</al><al/><al><cursief>Premie</cursief></al><al>De persoon die werkzaamheden verricht op een participatieplaats heeft recht
                        op een premie voor het eerst na zes maanden en vervolgens iedere zes maanden
                        na aanvang van de additionele werkzaamheden (artikel 10a, zesde lid, van de
                        Participatiewet). Voorwaarde is dat de persoon naar het oordeel van het
                        dagelijks bestuur voldoende heeft meegewerkt aan het vergroten van zijn
                        kansen op de arbeidsmarkt. De hoogte van de premie moet in de verordening
                        vastgelegd worden (artikel 8a, eerste lid, onderdeel d, van de
                        Participatiewet). De premie wordt vrijgelaten op grond van artikel 31,
                        tweede lid, onderdeel j, van de Participatiewet. In verband hiermee is de
                        hoogte van de premie begrensd door het in de vrijlatingsbepaling genoemde
                        bedrag. Daarnaast moet bij het bepalen van de hoogte van de premie ook de
                        risico's van de armoedeval worden betrokken. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Participatievoorziening beschut werk</titel></kop><al>Het dagelijks bestuur kan de voorziening beschut werk aanbieden aan een
                        persoon uit de doelgroep die door een lichamelijke, verstandelijke of
                        psychische beperking een zodanige mate van begeleiding op en aanpassingen
                        van de werkplek nodig heeft dat van een reguliere werkgever redelijkerwijs
                        niet kan worden verwacht dat hij deze in dienst neemt (eerste lid).</al><al/><al><cursief>Stap 1: voorselectie</cursief></al><al>Ten behoeve van de participatievoorziening beschut werk voert het dagelijks
                        bestuur van WerkSaam een voorselectie uit. Tijdens de voorselectie bepaalt
                        het dagelijks bestuur welke mensen in aanmerking kunnen komen voor beschut
                        werk, en op welk moment. In de verordening moet vastgelegd worden hoe zij
                        deze voorselectie uitvoeren. Daarom is in het tweede lid bepaald dat het
                        dagelijks bestuur uitsluitend personen uit de doelgroep: groep 3 selecteert
                        voor de beoordeling of zij uitsluitend in een beschutte omgeving
                        mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. Voor dit criterium is gekozen
                        omdat personen uit groep 1 en groep 2 veelal niet uitsluitend in een
                        beschutte omgeving mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. Onder de
                        personen uit groep 3 is het aannemelijk dat daartoe personen behoren die
                        uitsluitend in een beschutte omgeving kunnen werken. </al><al/><al>Het dagelijks bestuur kan ambtshalve vaststellen of een persoon uitsluitend
                        in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot
                        arbeidsparticipatie heeft (artikel 10b, eerste lid, van de Participatiewet).
                        Hiervoor is dus geen aanvraag van een persoon nodig. Het dagelijks bestuur
                        maakt uit de personen uit de doelgroep een voorselectie. Het dagelijks
                        bestuur moet bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen advies
                        inwinnen voor de beoordeling of de geselecteerde personen uitsluitend in een
                        beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot
                        arbeidsparticipatie hebben. </al><al/><al><cursief>Stap 2: advies Uitvoeringsinstituut
                            werknemersverzekeringen</cursief></al><al>Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen adviseert het dagelijks
                        bestuur met betrekking tot het oordeel of een persoon tot de doelgroep
                        beschut werk behoort. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen voert
                        op basis van landelijke criteria een beoordeling uit (artikel 10b, tweede
                        lid, van de Participatiewet). </al><al/><al><cursief>Stap 3: besluit WerkSaam Westfriesland</cursief></al><al>Op basis van het advies van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
                        beslist Het dagelijks bestuur of iemand tot de doelgroep 'beschut werk'
                        behoort. Alleen als sprake is van een onzorgvuldige totstandkoming van het
                        advies van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, kan het
                        dagelijks bestuur van WerkSaam besluiten het advies niet te volgen.</al><al/><al><cursief>Stap 4: dienstbetrekking 'beschut werk'</cursief></al><al>Nadat is vastgesteld dat iemand tot de doelgroep 'beschut werk' behoort,
                        zorgt het dagelijks bestuur ervoor dat deze persoon in een dienstbetrekking
                        onder beschutte omstandigheden aan de slag gaat (artikel 10b, derde lid, van
                        de Participatiewet). Het kan dan gaan om een privaatrechtelijke of een
                        publiekrechtelijke dienstbetrekking (artikel 6, eerste lid, onderdeel f, van
                        de Participatiewet). Hoe de dienstbetrekking wordt georganiseerd, behoort
                        tot de beleidsvrijheid van het dagelijks bestuur van WerkSaam. Een
                        dienstbetrekking kan bijvoorbeeld worden georganiseerd via een gemeentelijke
                        dienst, NV, BV of stichting. Ook kunnen personen (via detachering) in een
                        beschutte omgeving bij reguliere werkgevers werken.</al><al/><al><cursief>Omvang beschut werk</cursief></al><al>Het dagelijks bestuur bepaalt de omvang van het aanbod beschut werk en legt
                        vast hoeveel plekken voor beschut werk beschikbaar zijn. Het aanbod is mede
                        afhankelijk van het aantal geschikte en beschikbare plaatsen bij werkgevers.
                        Daarom moet het dagelijks bestuur overleg voeren met partners om de omvang
                        van het aanbod te kunnen bepalen (vierde lid).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Ondersteuning bij leer-werktraject</titel></kop><al>Personen uit de doelgroep kunnen in aanmerking komen voor de voorziening
                        ondersteuning bij leer-werktrajecten. Het dagelijks bestuur moet dan wel van
                        oordeel zijn dat een leer-werktraject nodig is en de ondersteuning nodig
                        moet zijn voor het volgen van dat leer-werktraject. Dit is geregeld in
                        artikel 10 en volgt uit artikel 10f van de Participatiewet.</al><al/><al>Artikel 10f van de Participatiewet bepaalt voorts dat het dagelijks bestuur
                        uitsluitend ondersteuning bij een leer-werktraject kan aanbieden aan
                        personen:</al><al/><lijst><li nr="-"><al>van zestien of zeventien jaar van wie de leerplicht of de
                                kwalificatieplicht, bedoeld in de Leerplichtwet 1969, nog niet is
                                geëindigd, of</al></li><li nr="-"><al>van achttien tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben
                                behaald.</al></li></lijst><al/><al>De voorziening ondersteuning bij leer-werktrajecten is inzetbaar voor
                        jongeren van zestien of zeventien jaar oud die dreigen uit te vallen uit
                        school, maar middels een leer/werktraject alsnog een startkwalificatie
                        kunnen behalen. Om te voorkomen dat jongeren onnodig uitvallen, wordt de
                        mogelijkheid geboden extra ondersteuning te bieden. Deze voorziening kan ook
                        worden ingezet ter voorkoming van schooluitval bij jongeren van achttien tot
                        27 jaar die door een leer-werktraject alsnog een startkwalificatie kunnen
                        behalen.</al><al/><al>Bijstandsgerechtigden jonger dan 27 jaar die uit 's Rijks kas bekostigd
                        onderwijs kunnen volgen, zijn uitgesloten van ondersteuning op grond van
                        artikel 7, derde lid, onder a, van de Participatiewet. Voor de conclusie dat
                        een jongere uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs kan volgen is vereist dat
                        de jongere uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs volgt of daarvoor in
                        aanmerking komt. In het kader van artikel 7, derde lid, onder a, van de
                        Participatiewet betekent dit dat het dagelijks bestuur vanaf het moment dat
                        de jongere uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs volgt of kan volgen geen
                        ondersteuning bij de arbeidsinschakeling kan bieden. </al><al/><al>In artikel 10f van de Participatiewet is bepaald dat het dagelijks bestuur
                        onder omstandigheden ondersteuning kan bieden aan personen jonger dan
                        achttien jaar en aan personen van achttien tot 27 jaar die nog geen
                        startkwalificatie hebben behaald en voor wie een leer-werktraject nodig is.
                        Er wordt vanuit gegaan dat het mogelijk is een leer-werktraject aan te
                        bieden aan personen die voldoen aan het bepaalde in de artikelen 10 en 10f
                        van de Participatiewet, in afwijking van artikel 7, derde lid, onder a, van
                        de Participatiewet.]</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Persoonlijke ondersteuning of Jobcoaching</titel></kop><al>In artikel 11 wordt de voorziening persoonlijke ondersteuning nader geduid.
                        Het gaat dan om een voorziening zoals een jobcoach, die op vaste tijden en
                        gedurende een langere periode de werknemer met beperkingen bij het
                        verrichten van zijn taken ondersteunt. Het moet dan ook gaan om een
                        systematische ondersteuning. Daarnaast moet de ondersteuning noodzakelijk
                        zijn in die zin, dat de werknemer zonder die ondersteuning in redelijkheid
                        niet zijn werkzaamheden zou kunnen verrichten. Persoonlijke ondersteuning
                        heeft tot doel dat een werknemer wordt begeleid naar een situatie dat hij
                        uiteindelijk zonder begeleiding via een dergelijke voorziening bij een
                        reguliere werkgever werkzaam kan zijn.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Loonkostensubsidie</titel></kop><al>Gesubsidieerde arbeid kan als één van de voorzieningen worden ingezet om de
                        arbeidsinschakeling te bevorderen. In de Participatiewet is geregeld dat
                        alle voorzieningen moeten dienen om een persoon uiteindelijk aan regulier
                        werk te helpen. </al><al/><al><cursief>Compensatie</cursief></al><al>Het doel van de loonkostensubsidie is het bieden van compensatie voor het
                        feit dat voor een persoon ten minste het wettelijk minimumloon moet worden
                        betaald, terwijl de werkgever een persoon (nog) niet ten volle kan inzetten.
                        Zo kan het dagelijks bestuur van WerkSaam een loonkostensubsidie aan de
                        werkgever verstrekken om tijdelijk het verschil in arbeidsproductiviteit te
                        compenseren en zo de re-integratie van de bijstandsgerechtigde te
                        bewerkstelligen.</al><al/><al>In artikel 10c van de Participatiewet is geregeld wanneer wordt vastgesteld
                        of een persoon tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort: op schriftelijke
                        aanvraag of ambtshalve. Ambtshalve vaststelling is alleen mogelijk bij:-
                        personen die algemene bijstand ontvangen;- personen als bedoeld in de
                        artikelen 34a, vijfde lid, onderdeel b, 35, vierde lid, onderdeel b, en36,
                        derde lid, onderdeel b, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
                        (hierna: WIA) tot het moment dat het inkomen uit arbeid in dienstbetrekking
                        gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon bedraagt en
                        ten behoeve van die persoon in die twee jaren geen loonkostensubsidie als
                        bedoeld in artikel 10d is verleend;- personen als bedoeld in artikel 10,
                        tweede lid, van de Participatiewet;- personen met een uitkering op grond van
                        de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                        werkloze werknemers, en- personen met een uitkering op grond van de Wet
                        inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
                        zelfstandigen.</al><al/><al>In artikel 10c van de Participatiewet is ook bepaald dat het aan het
                        dagelijks bestuur is om vast te stellen of een persoon tot de doelgroep
                        loonkostensubsidie behoort. Binnen de kaders van de wet is het aan het
                        dagelijks is om vast te stellen op welke wijze zij bepalen of mensen tot de
                        doelgroep loonkostensubsidie behoren en of loonkostensubsidie voor hen wordt
                        ingezet (zie Kamerstukken II 2013/14, 33 161, nr. 107, blz. 62). In artikel
                        1, tweede lid, is vastgelegd welke criteria daarbij in acht genomen worden.
                        Deze cumulatieve criteria zijn ontleend aan artikel 6, eerste lid, onderdeel
                        e, van de Participatiewet. Daarin is immers wettelijk de doelgroep
                        loonkostensubsidie vastgelegd.</al><al/><al>Bij de vaststelling of iemand behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie
                        kan het dagelijks bestuur zich eventueel laten adviseren door een derde
                        partij. Het dagelijks bestuur draagt dan personen voor die zouden kunnen
                        behoren tot de doelgroep loonkostensubsidie bij deze derde partij en neemt
                        daarbij eveneens de in het tweede lid neergelegde criteria in acht. Op basis
                        van het advies beslist het dagelijks bestuur of iemand tot de doelgroep
                        loonkostensubsidie behoort</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Vaststelling loonwaarde</titel></kop><al>In artikel 10d, eerste lid, van de Participatiewet is bepaald dat als een
                        persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie en een werkgever
                        voornemens is een dienstbetrekking aan te gaan met die persoon, het
                        dagelijks bestuur de loonwaarde van die persoon vaststelt. Hiervoor is geen
                        aanvraag vereist. Het dagelijks bestuur kan zich laten adviseren door een
                        derde partij met betrekking tot de vaststelling van de loonwaarde van een
                        persoon (artikel 12, tweede lid, van deze verordening). De vastgestelde
                        loonwaarde legt het dagelijks bestuur vast in een beschikking waartegen
                        zowel de betrokken persoon als diens (potentiële) werkgever bezwaar en
                        beroep kunnen instellen.</al><al/><al>Als een dienstbetrekking tot stand komt, verleent het dagelijks bestuur
                        loonkostensubsidie aan de werkgever met inachtneming van artikel 10d van de
                        Participatiewet.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Uitstroompremie</titel></kop><al>Het verstrekken van een uitstroompremie is alleen mogelijk als een persoon
                        die algemene bijstand ontving, uitstroomt. De premie kan worden aangevraagd
                        vanaf zeven maanden na indiensttreding. Onder langdurig werkloze wordt
                        verstaan een persoon die gedurende een aaneengesloten periode van 24 maanden
                        of langer aangewezen is (geweest) op een uitkering. Daarnaast moet een
                        persoon bij aanvraag van de premie in dienst zijn bij een werkgever. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Inkomstenvrijlating</titel></kop><al>Behoeft geen verdere toelichting aangezien de regels in de Wet zijn benoemd
                        en nadere regels zijn genoemd in de beleidsregels. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Re-integratie niet-uitkeringsgerechtigden en ANW-ers</titel></kop><al>Gelet op het feit dat er minder budget voor re-integratie beschikbaar is dan
                        in voorgaande jaren, maar er mogelijk wel meer niet-uitkeringsgerechtigden
                        (nuggers) een beroep doen op ondersteuning bij re-integratie (vanwege de
                        wijzigingen voor jonggehandicapten), worden er eisen gesteld aan nuggers.
                        Voor Anw-ers gelden dezelfde eisen.</al><al/><al>Een nugger/Anw-er moet, als hij in aanmerking wil komen voor ondersteuning,
                        in ieder geval ingeschreven staan als werkzoekende bij het UWV. Ook geldt er
                        een inkomens- en vermogenstoets. Daarnaast moet de noodzaak voor
                        ondersteuning aanwezig zijn. Het dagelijks bestuur stelt de noodzaak voor
                        ondersteuning bij re-integratie vast. </al><al/><al>Wanneer een nugger/Anw-er in aanmerking komt voor ondersteuning, dan wordt
                        er binnen de redelijke termijn van 3 maanden een aanbod gedaan.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>en 18. Overgangsrecht</titel></kop><al>In artikel 17 is onder andere het overgangsrecht neergelegd. Het kan
                        voorkomen dat personen een voorziening toegekend hebben gekregen op grond
                        van de oude re-integratieverordening, die niet meer voldoet aan de
                        voorwaarden uit deze verordening. Hierbij kan worden gedacht aan de situatie
                        waarin de oude re-integratieverordening voorzieningen bevat die na
                        inwerkingtreding van deze verordening niet meer worden verstrekt. Ook is het
                        denkbaar dat een persoon op grond van de oude re-integratieverordening wel
                        in aanmerking zou komen voor een voorziening, maar door inwerkingtreding van
                        deze verordening niet meer. De toegekende voorziening zou dan op grond van
                        artikel 3, tweede lid, van deze verordening moeten worden beëindigd. Om dit
                        te voorkomen is in artikel 17, tweede lid, geregeld dat dergelijke
                        voorzieningen worden behouden voor een bepaalde duur. Een dergelijke
                        voorzieningen wordt behouden voor ten hoogste de duur van 6 maanden of - als
                        dit eerder is - voor de duur dat deze is verstrekt. </al><al/><al>Dit uiteraard voor zover wordt voldaan aan de voorwaarden uit de
                        Verordeningen genoemd onder artikel 17 lid 3 te weten: </al><al>Hoorn: Re-integratieverordening Wwb, Ioaw en Ioaz 2012 </al><al>Enkhuizen: Re-integratieverordening WWB, Ioaw en Ioaz 2012</al><al>Drechterland: Re-integratieverordening WWB Drechterland 2010</al><al>Stede Broec: Verordening Re-integratie WWB, IOAW en IOAZ 2012</al><al>Opmeer: Re-integratieverordening Opmeer 2010</al><al>Koggenland: Re-integratieverordening Wwb, Ioaw en Ioaz 2012.</al><al>Medemblik: Re-integratieverordening Wwb, Ioaw en Ioaz 2013 </al><al/><al>Wordt niet meer aan die voorwaarden voldaan, dan moet de voorziening worden
                        beëindigd, bijvoorbeeld als een belanghebbende geen aanspraak meer heeft op
                        ondersteuning bij de arbeidsinschakeling. De periode van 6 maanden begint te
                        lopen vanaf het moment van inwerkingtreding van deze verordening.</al><al/><al>De Verordeningen genoemd onder artikel 17 lid 3 worden individueel
                        ingetrokken door de gemeenteraden van de regiogemeenten. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Dit artikel heeft betrekking op de hardheidsclausule en maakt het mogelijk
                        in het voordeel van de cliënt af te wijken van hetgeen in de verordening is
                        vastgelegd.</al><al/><al>Het dagelijks bestuur beslist in gevallen waarin deze verordening onverhoopt
                        niet voorziet.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><al>Dit artikel behoeft geen verdere toelichting.</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>