<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR37625_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Winterswijk 2009</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Winterswijk</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-09-05</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Winterswijk</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Winterswijkse Weekkrant, 21-4-2009</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Winterswijk 2009</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet maatschappelijke ondersteuning, art. 5</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2009-03-26</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2009-04-29</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2009-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2009, nr. III-4</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning, in werking getreden op 29-4-2009</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Winterswijk
            2009</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>2009, nr. III-4.</al><al>De raad van de gemeente Winterswijk;</al><al/><al>overwegende dat:</al><al/><al>gelet op artikel 5 van de Wet maatschappelijke ondersteuning, het
                        noodzakelijk is bij verordening regels vast te stellen over de door het
                        college van burgemeester en wethouders te verlenen individuele voorzieningen
                        en de voorwaarden waaronder personen die aanspraak hebben op dergelijke
                        voorzieningen recht hebben op het ontvangen van die voorziening in natura,
                        het ontvangen van een financiële tegemoetkoming of een persoonsgebonden
                        budget;</al><al/><al>in verband met een noodzakelijke wijziging van artikel 7 van de Verordening
                        voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Winterswijk 2008 deze
                        verordening in zijn geheel wordt vervangen door een nieuwe verordening;</al><al/><al>gelezen het voorstel van van 16 maart 2009, nr. III-4;</al><al/><al><vet>b e s l u i t :</vet></al><al/><al>vast te stellen de</al><al/><al>VERORDENING VOORZIENINGEN MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING GEMEENTE
                        WINTERSWIJK 2009</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening en de daarop gebaseerde nadere regelgeving wordt
                            verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>Wet: Wet maatschappelijke ondersteuning;</al></li><li nr="b."><al>Compensatiebeginsel: de algemene verplichtingaan het
                                    gemeentebestuur om personen met aantoonbare beperkingen op grond
                                    van ziekte of gebrek door het treffen van voorzieningen een
                                    gelijkwaardige uitgangspositie te verschaffen zodat zij
                                    zelfredzaam zijn en in staat tot maatschappelijke
                                    participatie;</al></li><li nr="c."><al>Beperkingen: moeilijkheden die een persoon heeft met het
                                    uitvoeren van activiteiten;</al></li><li nr="d."><al>Persoon met beperkingen: een persoon die ten gevolge van ziekte
                                    of gebrek, inclusief chronische psychische en psychosociale
                                    problemen, aantoonbare beperkingen ondervindt bij het uitvoeren
                                    van activiteiten op het gebied van het voeren van het
                                    huishouden, bij het normale gebruik van de woning; bij het
                                    verplaatsen in en om de woning, bij het zich lokaal verplaatsen
                                    per vervoermiddel en bij het ontmoeten van medemensen en het op
                                    basis daarvan aangaan van sociale verbanden;</al></li><li nr="e."><al>Mantelzorger: een persoon, die mantelzorg verleent als bedoeld
                                    in artikel 1, lid 1, onder b. van de wet.;</al></li><li nr="f."><al>Zelfredzaamheid: het lichamelijk, verstandelijk, geestelijk en
                                    financiële vermogen om voorzieningen te treffen die deelname aan
                                    het normale maatschappelijke verkeer mogelijk maken;</al></li><li nr="g."><al>Maatschappelijke participatie: normale deelname aan het
                                    maatschappelijke verkeer, te weten het voeren van een
                                    huishouden, het normale gebruik van de woning; het zich in en om
                                    de woning verplaatsen; het zich zodanig verplaatsen dat
                                    aansluiting wordt gevonden bij regionale, bovenregionale en
                                    landelijke vervoersystemen; het ontmoeten van andere mensen en
                                    het aangaan en onderhouden van sociale verbanden om op die
                                    manier deel te nemen aan het lokale maatschappelijke leven;</al></li><li nr="h."><al>Algemene voorziening: een voorziening die wordt geleverd op
                                    basis van directe beschikbaarheid, een beperkte
                                    toegangsbeoordeling en die een snelle, regelarme en adequate
                                    oplossing biedt voor de beperkingen die een persoon
                                    ondervindt;</al></li><li nr="i."><al>Individuele voorziening: een voorziening die individueel wordt
                                    aangeboden indien een algemene voorziening geen adequate
                                    oplossing biedt;</al></li><li nr="j."><al>Eigen bijdrage of eigen aandeel in de kosten: een door het
                                    college van burgemeester en wethouders vast te stellen bijdrage,
                                    die bij respectievelijkde verstrekking van een voorziening
                                    in natura, een financiële tegemoetkoming (een eigen
                                    aandeel)of een persoonsgebonden budget (een eigen
                                    bijdrage) betaald moet worden en waarop de regels van het
                                    Besluit maatschappelijke ondersteuning van toepassing zijn;</al></li><li nr="k."><al>Voorziening in natura: een voorziening die in eigendom, in
                                    bruikleen, in huur of in de vorm van persoonlijke
                                    dienstverlening wordt verstrekt;</al></li><li nr="l."><al>Persoonsgebonden budget: een geldbedrag waarmee de aanvrager een
                                    of meer aan hem te verlenen voorzieningen kan verwerven en
                                    waarop de in deze verordening en het Besluit maatschappelijke
                                    ondersteuning te stellen regels van toepassing zijn;</al></li><li nr="m."><al>Financiële tegemoetkoming: een tegemoetkoming in de kosten van
                                    een voorziening welke kan worden afgestemd op het inkomen van de
                                    aanvrager;</al></li><li nr="n."><al>Algemeen gebruikelijk: naar geldende maatschappelijke normen tot
                                    het gangbare gebruiks - dan wel bestedingspatroon van een
                                    persoon als de aanvrager behorend;</al></li><li nr="o."><al>Meerkosten: kosten van een mogelijk krachtens de wet te verlenen
                                    voorziening, voorzover dit deel van de kosten uitgaat boven voor
                                    die persoon als algemeen gebruikelijk te beschouwen kosten van
                                    een dergelijke voorziening;</al></li><li nr="p."><al>Besparingsbijdrage: een door de aanvrager te betalen bijdrage,
                                    gelijk aan het bedrag dat ten gevolge van de verstrekking van
                                    een voorziening door de aanvrager wordt bespaard omdat deze
                                    verstrekte voorziening een algemeen gebruikelijke voorziening
                                    vervangt of kan vervangen;</al></li><li nr="q."><al>Huisgenoot: iedere meerderjarige met wie de aanvrager duurzaam
                                    gemeenschappelijk een woning bewoont;</al></li><li nr="r."><al>Budgethouder: een persoon aan wie ingevolge deze verordening een
                                    persoonsgebonden budget is toegekend en die aan het college
                                    verantwoording over de besteding van het persoonsgebonden budget
                                    verschuldigd is.</al></li><li nr="s."><al>Inkomen:- </al><al>a. netto-inkomen, inclusief vakantietoeslag; </al><al>b. het gezamenlijk netto-inkomen, inclusief vakantietoeslag van
                                    de persoon met beperkingen en zijn echtgenoot, indien de persoon
                                    met beperkingen een echtgenoot heeft in de zin van artikel 1 lid
                                    2 tot en met 7 Wmo;</al><al>c. het gezamenlijk netto-inkomen, inclusief vakantietoeslag van
                                    de ouders of pleegouder van de persoon met beperkingen indien de
                                    persoon met beperkingen jonger is dan 18 jaar en geen echtgenoot
                                    heeft in de zin van artikel 1 lid 2 tot en met 7Wmo.</al></li><li nr="t."><al>Norminkomen: de normen, genoemd in paragraaf 3.2 van de Wet werk
                                    en bijstand, omgerekend tot een bedrag per kalenderjaar, waarbij
                                    deze normen voor een belanghebbende van 21 jaar of ouder doch
                                    jonger dan 65 jaar die een alleenstaande of een alleenstaande
                                    ouder is, en die niet in een inrichting verblijft, eerst zijn
                                    verhoogd met de toeslag, genoemd in artikel 25 lid 2 van de Wet
                                    werk en bijstand, en de normen van een alleenstaande of gehuwde,
                                    die in een inrichting verblijft, eerst zijn verhoogd met de
                                    bedragen, genoemd in artikel 23 lid 2 van de Wet werk en
                                    bijstand;</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2 Voorwaarden voor toekenning</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een voorziening kan slechts worden toegekend voor zover:</al><lijst><li nr="a."><al>deze langdurignoodzakelijk is om de beperkingen op het
                                        gebied van het voeren van het huishouden, het verplaatsen in
                                        en om de woning, het zich lokaal verplaatsen per
                                        vervoermiddel en bij het ontmoeten van medemensen en op
                                        basis daarvan sociale verbanden aangaan op te heffen of te
                                        verminderen;</al></li><li nr="b."><al>deze, naar objectieve maatstaven gemeten, als de goedkoopst
                                        adequate voorziening kan worden aangemerkt;</al></li><li nr="c."><al>deze in overwegende mate op het individu is gericht;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Geen voorziening wordt toegekend:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de voorziening voor een persoon als de aanvrager
                                        algemeen gebruikelijk is;</al></li><li nr="b."><al>indien de aanvrager niet woonachtig is in de gemeente
                                        Winterswijk;</al></li><li nr="c."><al>voor zover de ondervonden problemen bij het normale gebruik
                                        van de woning voortvloeien uit de aard van de in de woning
                                        gebruikte materialen;</al></li><li nr="d."><al>voor zover de aangevraagde voorzieningen betrekking hebben
                                        op een hoger niveau dan het uitrustingsniveau voor sociale
                                        woningbouw;</al></li><li nr="e."><al>voor zover er aan de zijde van de aanvrager geen sprake is
                                        van aantoonbare meerkosten in vergelijking met de situatie
                                        voorafgaand aan het optreden van de beperkingen waarvoor de
                                        voorziening wordt aangevraagd;</al></li><li nr="f."><al>voorzover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de
                                        aanvrager voorafgaand aan het moment van beschikken heeft
                                        gemaakt;</al></li><li nr="g."><al>indien een voorziening als die waarop de aanvraag betrekking
                                        heeft reeds eerder krachtens deze, dan wel krachtens de aan
                                        deze verordening voorafgaande Verordening voorzieningen
                                        gehandicapten is verstrekt en de normale
                                        afschrijvingstermijn van de voorziening nog niet is
                                        verstreken, tenzij de eerder vergoede of verstrekte
                                        voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden
                                        die niet aan de aanvrager zijn toe te rekenen;</al></li><li nr="h."><al>indien deze als gevolg van de beperkingen van de aanvrager
                                        voor de aanvrager zelf of voor derden onveilig is of
                                        gezondheidsrisico’s met zich meebrengt.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 2 Vorm van te verstrekken individuele voorzieningen.</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 3. Keuzevrijheid.</label></kop><al>Een individuele voorziening kan verstrekt worden in natura, als
                            financiële tegemoetkoming en als persoonsgebonden budget. Het college
                            neemt in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Winterswijk
                            criteria op aan de hand waarvan kan worden vastgesteld in welke
                            situaties overwegende bezwaren als bedoeld in artikel 6 van de wet zich
                            verzetten tegen het bieden van een keuze tussen een voorziening in
                            natura en een persoonsgebonden budget.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4. Voorziening in natura</label></kop><al>Indien een voorziening in natura wordt verstrekt is de
                            bruikleenovereenkomst, huurovereenkomst of dienstverleningsovereenkomst
                            gemeente Winterswijk van toepassing. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5. Financiële tegemoetkoming.</label></kop><al>Bij verstrekking van een financiële tegemoetkoming worden de
                            toepasselijke voorwaarden zoals genoemd in het Besluit maatschappelijke
                            ondersteuning gemeente Winterswijk in de beschikking opgenomen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 6. Persoonsgebonden budget.</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op het persoonsgebonden budget zoals genoemd in artikel 6 van de
                                wet, zijn de volgende voorwaarden van toepassing:</al><lijst><li nr="a."><al>een persoonsgebonden budget wordt alleen verstekt ten
                                        aanzien van individuele voorzieningen;</al></li><li nr="b."><al>de omvang van het persoonsgebonden budget is de tegenwaarde
                                        van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate te
                                        verstrekken voorziening in natura, indien nodig aangevuld
                                        met een vergoeding voor instandhoudingskosten, zoals
                                        vastgelegd in het Besluit maatschappelijke ondersteuning
                                        gemeente Winterswijk;</al></li><li nr="c."><al>de wijze waarop het persoonsgebonden budget wordt
                                        vastgesteld wordt door het college vastgelegd in het Besluit
                                        maatschappelijke ondersteuning gemeente Winterswijk;</al></li><li nr="d."><al>op het persoonsgebonden budget is de Overeenkomst
                                        persoonsgebonden budget gemeente Winterswijk van
                                        toepassing;</al></li><li nr="e."><al>voorziening aangeschaft met een persoonsgebonden budget kan,
                                        zodra deze voorziening niet meer gebruikt een wordt, onder
                                        verrekening van eventueel ingebrachte eigen middelen, door
                                        het college worden opgehaald en voor herverstrekking
                                        beschikbaar gesteld.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De toekenning van het te verstrekken persoonsgebonden budget, de
                                omvang en de looptijd ervan worden bij beschikking vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij de beschikking wordt een program van eisen verstrekt waarin
                                aangegeven is aan welke vereisten de met het persoonsgebonden budget
                                te verwerven voorziening dient te voldoen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Na verzending van de beschikking wordt het persoonsgebonden budget
                                ter beschikking gesteld door storting op de rekening van de
                                aanvrager.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college gaat steekproefsgewijs na of het verstrekte
                                persoonsgebonden budget besteed is aan het doel waarvoor het
                                verstrekt is. De budgethouder is verplicht de daarvoor noodzakelijke
                                stukken, zoals genoemd in het Besluit maatschappelijke ondersteuning
                                gemeente Winterswijk , op verzoek van het college per omgaande te
                                verstrekken. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Na ontvangst van de in het vorige lid bedoelde bescheiden wordt door
                                het college beoordeeld of er aanleiding bestaat het persoonsgebonden
                                budget geheel of ten dele terug te vorderen of te verrekenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 7. Eigen bijdrage en eigen aandeel.</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij het verstrekken van individuele voorzieningen op grond van de
                                wet is de aanvrager een eigen bijdrage of eigen aandeel
                                verschuldigd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor een (sport)rolstoel wordt geen eigen bijdrage gevraagd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Er wordt geen eigen bijdrage/eigen aandeel gevraagd van ouders van
                                een aanvrager die jonger is dan 18 jaar.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij de collectieve vervoersvoorziening betalen mensen geen eigen
                                bijdrage via het Centraal Administratie Kantoor (CAK).</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Bij de hoogte van de eigen bijdrage/eigen aandeel wordt aangesloten
                                bij de bedragen zoals deze genoemd zijn in artikel 4.1 Besluit
                                maatschappelijke ondersteuning (Algemene Maatregel van
                                Bestuur).</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 3 Hulp bij het huishouden.</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 8. Vormen van hulp bij het huishouden. </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De door het college, ter compensatie van beperkingen ten gevolge van
                                ziekte of gebrek bij het voeren van een huishouden, te verstrekken
                                voorziening kan bestaan uit:</al><lijst><li nr="a."><al>een algemene voorziening;</al></li><li nr="b."><al>hulp bij het huishouden in natura;</al></li><li nr="c."><al>een persoonsgebonden budget te besteden aan hulp bij het
                                        huishouden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De langdurigheid zoals genoemd in artikel 2, lid 1 sub a, is niet
                                van toepassing op de verstrekking van een voorziening voor hulp bij
                                het huishouden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 9 Primaat van de algemene hulp bij het huishouden.</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g. onderdeel
                                4, 5 en 6 van de wet kan voor de in artikel 8 onder a. vermelde
                                voorziening in aanmerking worden gebracht indien: </al><lijst><li nr="a."><al>aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek
                                        of</al></li><li nr="b."><al>problemen bij het uitvoeren van de mantelzorg het zelf
                                        uitvoeren van een of meer huishoudelijke taken onmogelijk
                                        maken en de algemene hulp bij het huishouden dit snel en
                                        adequaat kan oplossen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel
                                4, 5 en 6 van de wet kan voor de in artikel 8 onder b. en c.
                                vermelde voorzieningen in aanmerking worden gebracht als: </al><lijst><li nr="a."><al>de in artikel 8 onder a. genoemde voorziening een
                                        onvoldoende oplossing biedt of</al></li><li nr="b."><al>niet beschikbaar is.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 10. Weigeringsgronden</label></kop><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2 lid 2 weigert het college een
                            huishoudelijke voorziening:</al><lijst><li nr="a."><al>indien tot de leefeenheid waar de aanvrager deel van uitmaakt
                                    een of meer huisgenoten behoren die wel in staat zijn het
                                    huishoudelijk werk te verrichten (gebruikelijke zorg);</al></li><li nr="b."><al>indien de aanvraag betrekking heeft op een woonruimte die niet
                                    bedoeld is voor permanente bewoning;</al></li><li nr="c."><al>indien de aanvrager verblijft in een AWBZ-instelling.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 11. Omvang van de hulp bij het huishouden</label></kop><al>De omvang van de hulp bij het huishouden wordt uitgedrukt in klassen,
                            waarbij de volgende klassen met de daarbij behorende uren kunnen worden
                            toegekend:</al><lijst><li nr=""><al>Klasse 1, 0 tot en met 1,9 uur per week;</al><al>Klasse 2, 2 tot en met 3,9 uur per week;</al><al>Klasse 3, 4 tot en met 6,9 uur per week;</al><al>Klasse 4, 7 tot en met 9,9 uur per week;</al><al>Klasse 5, 10 tot en met 12,9 uur per week;</al><al>Klasse 6, 13 tot en met 15,9 uur per week.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 12. Omvang van het persoonsgebonden budget.</label></kop><al>De bedragen die per klasse in de vorm van een persoonsgebonden budget
                            worden verstrekt, worden jaarlijks door het college vastgesteld en
                            vastgelegd in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente
                            Winterswijk. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 4 Woonvoorzieningen.</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 13 Vormen van woonvoorzieningen.</label></kop><al>De door het college, ter compensatie van beperkingen bij het voeren van
                            een huishouden, te verstrekken woonvoorziening kan bestaan uit:</al><lijst><li nr="a."><al>een algemene woonvoorziening;</al></li><li nr="b."><al>een woonvoorziening in natura;</al></li><li nr="c."><al>een persoonsgebonden budget te besteden aan een
                                    woonvoorziening;</al></li><li nr="d."><al>een financiële tegemoetkoming in de kosten van een
                                    woonvoorziening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 14 Primaat algemene woonvoorzieningen en recht op individuele woonvoorzieningen.</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel
                                5 en 6 van de wet kan voor de in artikel 13, onder a. vermelde
                                voorziening in aanmerking worden gebracht indien aantoonbare
                                beperkingen op grond van ziekte of gebrek een aanpassing aan de
                                woning noodzakelijk maken en de algemene woonvoorziening dit snel en
                                adequaat kan oplossen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel
                                5 en 6 van de wet kan voor de in artikel 13, onder b. c. en d.
                                vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht indien de in het
                                vorige lid genoemde oplossing niet aanwezig is of niet tot een
                                snelle en adequate oplossing leidt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 15 Soorten individuele woonvoorzieningen.</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De in artikel 13 onder b., c. en d. genoemde voorzieningen kunnen
                                bestaan uit:</al><lijst><li nr="a."><al>een tegemoetkoming in de verhuis- en
                                        herinrichtingskosten;</al></li><li nr="b."><al>een bouwkundige of woontechnische woonvoorziening;</al></li><li nr="c."><al>een niet bouwkundige of niet woontechnische
                                        woonvoorziening;</al></li><li nr="d."><al>een uitraasruimte;</al></li><li nr="e."><al>kosten van onderhoud, keuring en reparatie van een
                                        liftinstallatie.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Woningaanpassingen waarvan de kosten het bedrag van € 50.000,- te
                                boven gaan worden niet verleend, tenzij weigering van de betrokken
                                woonvoorziening – gelet op het belang dat de wet beoogt te
                                beschermen – zou leiden tot onbillijkheden van overwegende
                                aard.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 16 Primaat van de verhuizing.</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel
                                5 en 6 van de wet kan voor een voorziening als bedoeld in artikel 15
                                onder a.( verhuis – en herinrichtingskosten)in aanmerking worden
                                gebracht wanneer aantoonbare beperkingen als gevolg van ziekte of
                                gebrek het normale gebruik van de woning belemmeren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel
                                5 en 6 van de wet 2 kan voor een voorziening als bedoeld in artikel
                                15 onder b. en c. in aanmerking worden gebracht wanneer de in het
                                eerste lid genoemde voorziening niet mogelijk is of niet de
                                goedkoopst adequate voorziening is.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel
                                5 en 6 van de wet kan voor een voorziening als bedoeld in artikel
                                15, onder d. in aanmerking worden gebracht wanneer de in het eerste
                                lid genoemde voorziening niet mogelijk is of niet de goedkoopst
                                adequate voorziening is en wanneer sprake is van een op basis van
                                aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek aanwezige
                                gedragsstoornis met ernstig ontremd gedrag tot gevolg waarbij alleen
                                het zich kunnen afzonderen kan leiden tot een situatie waarin deze
                                persoon tot rust kan komen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 17 Losse woonunit.</label></kop><al>Indien een bouwkundige woonvoorziening bestaat uit een aanbouw aan of
                            een aanzienlijke verbouwing van een woning die het eigendom is van een
                            verhuurder, die nietbereid is de aangepaste woning blijvend ter
                            beschikking te stellen van personen die op basis van aantoonbare
                            beperkingen ten gevolge van ziekte of gebrek behoefte hebben aan een
                            dergelijke woning, zal het college een herplaatsbare losse woonunit
                            verstrekken indien daartegen geen bezwaren van overwegende aard
                            bestaan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 18 Uitsluitingen.</label></kop><al>De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op het treffen
                            van voorzieningen aan hotels/pensions, trekkerswoonwagens, toer – en
                            stacaravans,kloosters, tweede woningen, vakantiewoningen,
                            recreatiewoningen, kamerverhuur en specifiek op gehandicapten en ouderen
                            gerichte woongebouwen voor wat betreft voorzieningen in
                            gemeenschappelijke ruimten of voorzieningen die bij nieuwbouw of
                            renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen kunnen
                            worden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 19 Hoofdverblijf.</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een woonvoorziening wordt slechts verleend indien de aanvrager zijn
                                hoofdverblijf heeft of zal hebben in de woonruimte waaraan de
                                voorziening wordt getroffen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het gestelde in het eerste lid kan een
                                woonvoorziening getroffen worden voor het bezoekbaar maken van één
                                woonruimte indien de aanvrager zijn hoofdverblijf heeft in een
                                AWBZ-instelling.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De aanvraag voor het bezoekbaar maken wordt ingediend in de gemeente
                                waar de aan te passen woning staat.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De woonvoorziening betreft slechts het bezoekbaar maken van de in
                                het tweede lid bedoelde woonruimte met een door het college in het
                                Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente vast te leggen
                                maximumbedrag.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Onder bezoekbaar maken wordt uitsluitend verstaan dat de aanvrager
                                de woonruimte, de woonkamer en een toilet kan bereiken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 20 Weigeringsgronden woonvoorzieningen.</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2 lid 2wordt de aanvraag voor
                                een woonvoorziening als bedoeld in dit hoofdstuk geweigerd
                                indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de noodzaak tot het treffen van de woonvoorziening het
                                        gevolg is van een verhuizing waartoe op grond van
                                        belemmeringen bij het normale gebruik van de woning ten
                                        gevolg van ziekte of gebrek geen aanleiding bestond en er
                                        geen andere belangrijke reden aanwezig was;</al></li><li nr="b."><al>de aanvrager niet is verhuisd naar de voor zijn of haar
                                        beperkingen op dat moment beschikbare meest geschikte
                                        woning, tenzij daarvoor tevoren schriftelijk toestemming is
                                        verleend door het college;</al></li><li nr="c."><al>deze betrekking heeft op voorzieningen in gemeenschappelijke
                                        ruimten anders dan automatische deuropeners, verbreding van
                                        toegangsdeuren, hellingbanen en extra trapleuningen;</al></li><li nr="d."><al>de woonvoorziening aangevraagd wordt op een moment dat op
                                        basis van leeftijd, gezinssituatie of woonsituatie te
                                        voorzien was dat deze voorziening noodzakelijk zou zijn en
                                        er geen sprake is van een onverwacht optredende
                                        noodzaak;</al></li><li nr="e."><al>de aanvragerverhuisd is vanuit of naar een woonruime
                                        die niet geschikt is het gehele jaar door bewoond te worden,
                                        verhuisd is naar een AWBZ -instelling of een andere
                                        instelling gericht op het verstrekken van zorg, of er in de
                                        verlaten woonruimte geen problemen met het normale gebruik
                                        van de woning zijn ondervonden;</al></li><li nr="f."><al>er geen rechtstreeks oorzakelijk verband bestaat tussen de
                                        beperking of het probleem en een of meer bouwkundige of
                                        woontechnische kenmerken van de woning;</al></li><li nr="g."><al>de beperking of het probleem niet in de woning zelf (waartoe
                                        ook de toegankelijkheid van de woning wordt begrepen) wordt
                                        ondervonden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de aanvraag verband houdt met een verhuizing en de aanvrager
                                voor het eerst zelfstandig gaat wonen, wordt alleen een
                                woonvoorziening verstrekt ten aanzien van de meerkosten als gevolg
                                van de ondervonden beperkingen. De algemeen gebruikelijke kosten van
                                een verhuizing komen in deze situatie niet voor vergoeding in
                                aanmerking.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 21 Terugbetaling bij verkoop.</label></kop><al>De eigenaar-bewoner, die krachtens deze verordening een woonvoorziening
                            heeft ontvangen, dient bij verkoop van deze woning binnen een periode
                            van 10 jaar na gereedmelding van de voorziening, deze verkoop van de
                            woning onverwijld aan het college te melden. De door de gemeente
                            betaalde investering, dient volgens het in het Besluit maatschappelijke
                            ondersteuning gemeente Winterswijk door het college vastgelegde
                            afschrijvingsschema te worden terugbetaald.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label> Hoofdstuk 5. Het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel.</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 22 Vormen van vervoersvoorzieningen</label></kop><al>De door het college, ter compensatie van beperkingen bij het zich lokaal
                            verplaatsen te verstrekken voorziening kan bestaan uit:</al><lijst><li nr="a."><al>een algemene voorziening;</al></li><li nr="b."><al>een collectieve vervoersvoorziening;</al></li><li nr="c."><al>een vervoersvoorziening in natura;</al></li><li nr="d."><al>een persoonsgebonden budget te besteden aan een
                                    vervoersvoorziening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 23 Het recht op een algemene voorziening</label></kop><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 5
                            en 6 van de wet kan voor de in artikel 22 onder a. en b. vermelde
                            voorziening in aanmerking worden gebracht indien er sprake is van een
                            individuele vervoersbehoefte en hijaantoonbare beperkingen op grond van
                            ziekte of gebrek ondervindt die:</al><lijst><li nr="a."><al>het gebruik van het openbaar vervoer of</al></li><li nr="b."><al>het bereiken van het openbaar vervoer onmogelijk maken.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 24 Het primaat van het collectief vervoer</label></kop><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 5
                            en 6 van de wet kan voor de in artikel 22, onder c. en d. vermelde
                            voorziening in aanmerking worden gebracht wanneer</al><lijst><li nr="a."><al>aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek het
                                    gebruik van een collectief systeem als bedoeld in artikel 22,
                                    onder b., onmogelijk maken dan wel</al></li><li nr="b."><al>een collectief systeem als bedoeld in artikel 22, onder b., niet
                                    aanwezig is.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 25 Algemeen gebruikelijke vervoersvoorzieningen</label></kop><al>Indien het inkomen van een ongehuwde persoon of het gezamenlijk inkomen
                            van gehuwde personen meer bedraagt dan 1,5 maal in het Besluit
                            maatschappelijke ondersteuning Winterswijk voor de diverse categorieën
                            genoemde inkomensgrenzen, wordt het bezit van een personenauto algemeen
                            gebruikelijk geacht, zodat een auto of een met een auto vergelijkbare
                            voorziening en de daarmee samenhangende gebruiks- en onderhoudskosten
                            niet in aanmerking komen voor verstrekking of vergoeding.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 26 Omvang in gebied en in kilometers.</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij de te verstrekken vervoersvoorziening wordt ten aanzien van de
                                vervoersbehoefte ten behoeve van maatschappelijke participatie
                                uitsluitend rekening gehouden met de verplaatsingen in de directe
                                woon - en leefomgeving in het kader van het leven van alledag,
                                tenzij zich een uitzonderingssituatie voordoet waarbij het gaat om
                                een bovenregionaal contact, dat uitsluitend door de aanvrager zelf
                                bezocht kan worden, terwijl het bezoek voor de aanvrager
                                noodzakelijk is om dreigende vereenzaming te voorkomen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De te verstrekken vervoersvoorziening zal maatschappelijke
                                participatie door middel van lokale verplaatsingen met tenminste een
                                omvang per jaar van 1500 kilometer met een bandbreedte tot 2000
                                kilometer mogelijk maken.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 6 Verplaatsen in en om de woning.</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 27 Vormen van rolstoelvoorzieningen.</label></kop><al>De door het college, ter compensatie van beperkingen bij het verplaatsen
                            in en om de woning, dan wel voor sportbeoefening te verstrekken
                            rolstoelvoorziening kan bestaan uit:</al><lijst><li nr="a."><al>een rolstoelvoorziening in natura;</al></li><li nr="b."><al>een persoonsgebonden budget, te besteden aan een
                                    rolstoelvoorziening;</al></li><li nr="c."><al>een persoonsgebonden budget, te besteden aan een
                                    sportrolstoel.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 28 Incidenteel en dagelijks rolstoelgebruik en sportrolstoel.</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g.,
                                onderdeel 5 en 6 van de wet kan voor de in artikel 27, onder a. en
                                b. vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht indien
                                aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek incidenteel of
                                dagelijks zittend verplaatsen in en om de woning noodzakelijk maken
                                en hulpmiddelen die verstrekt worden op grond van de Algemene Wet
                                Bijzondere Ziektekosten of een andere wettelijke regeling geen
                                adequate oplossing bieden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g.,
                                onderdeel 5 en 6 van de wet kan voor de in artikel 27, onder c.
                                vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht indien
                                aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek het sporten
                                zonder sportrolstoel onmogelijk maken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 29 Aanspraak op rolstoelvoorzieningen voor AWBZ-bewoners.</label></kop><al>In uitzondering op het gestelde in artikel 28, lid 1 komt een persoon
                            die verblijft in een op grond van artikel 5 van de Wet toelating
                            zorginstellingen erkende instelling uitsluitend voor een rolstoel in
                            aanmerking indien hij geen recht heeft op een rolstoel, verstrekt op
                            grond van de AWBZ.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 7 Het verkrijgen van voorzieningen en het motiveren van besluiten</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 30. Gebruik aanvraagformulier.</label></kop><al>Een aanvraag dient te worden ingediend door middel van een door het
                            college ter beschikking gesteld formulier.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 31 Relatie met de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten.</label></kop><al>De aanvraag dient te worden ingediend bij het Zorgloket van de gemeente
                            Winterswijk, in welk loket zowel aanvragen voor voorzieningen inzake de
                            wet alsook aanvragen zorg inzake de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten
                            kunnen worden ingediend.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 32 Inlichtingen, onderzoek, advies.</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college is bevoegd om,voor zover dit van belang kan zijn voor de
                                beoordeling van het recht op een voorziening, degene door wie een
                                aanvraag is ingediend:</al><lijst><li nr="a."><al>op te roepen in persoon te verschijnen op een door het
                                        college te bepalen plaats en tijdstip en hem te
                                        ondervragen;</al></li><li nr="b."><al> op een door het college te betalen plaats en tijdstip door
                                        een of meer daartoe aangewezen deskundigen te doen
                                        ondervragen en/of onderzoeken.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college vraagt een door hem daartoe aangewezen adviesinstantie
                                om advies indien:</al><lijst><li nr="a."><al>het handelt om een aanvraag een persoon betreffend die nog
                                        niet eerder een aanvraag in het kader van deze verordening
                                        heeft ingediend en het voorziening betreft waarvan de kosten
                                        naar verwachting het bedrag als genoemd in het Besluit
                                        maatschappelijke ondersteuning gemeente Winterswijk te boven
                                        zal gaan;</al></li><li nr="b."><al>de gevraagde voorziening om medische redenen wordt
                                        afgewezen;</al></li><li nr="c."><al>het college dat overigens gewenst vindt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een aanvrager is verplicht aan het college of de door hem aangewezen
                                adviesinstantie die gegevens te verschaffen of te doen verschaffen
                                die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de aanvraag.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij de advisering zoals genoemd in het eerste lid wordt door de
                                adviseur gebruik gemaakt van de systematiek zoals neergelegd in de
                                International Classification of Functions, Disabilities and
                                Impairments, de zogenaamde ICF classificatie.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De beschikking vermeldt op welke wijze de genomen beschikking
                                bijdraagt aan het behouden en bevorderen van de zelfredzaamheid en
                                de normale maatschappelijke participatie van mensen met een
                                beperking of een chronisch psychisch probleem en van mensen met een
                                psychosociaal probleem.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 33 Samenhangende afstemming. </label></kop><al>Om de verkrijging van individuele voorzieningen samenhangend af te
                            stemmen op de situatie van de aanvrager laat het college onderzoek
                            verrichten naar de situatie van de aanvrager.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 34 Wijzigingen in de situatie.</label></kop><al>Degene aan wie krachtens deze verordening een voorziening is verstrekt,
                            is verplicht aan het college mededeling te doen van feiten en
                            omstandigheden, waarvan redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze van
                            invloed kunnen zijn op het recht op een voorziening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 35 Intrekking van een voorziening</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een beschikking, genomen op grond van deze
                                verordening, geheel of gedeeltelijk intrekken indien:</al><lijst><li nr="a."><al>niet is voldaan aan de voorwaarden gesteld bij of krachtens
                                        deze verordening; </al></li><li nr="b."><al>op grond van gegevens beschikt is en gebleken is dat de
                                        gegevens zodanig onjuist waren dat, waren de juiste gegevens
                                        bekend geweest, een andere beslissing zou zijn genomen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een besluit tot verlening van een financiële tegemoetkoming of een
                                persoonsgebonden budget kan worden ingetrokken indien blijkt dat de
                                tegemoetkoming of het budget binnen zes maanden na uitbetaling niet
                                is aangewend voor de bekostiging van het middel waarvoor de
                                verlening heeft plaatsgevonden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 36 Terugvordering</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ingeval een voorziening is ingetrokken kan een op basis daarvan
                                reeds uitbetaalde financiële tegemoetkoming of persoonsgebonden
                                budget worden teruggevorderd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In geval het recht op een in eigendom verstrekte voorziening is
                                ingetrokken kan deze voorziening worden teruggevorderd indien de
                                voorziening is verleend op basis van valselijk verstrekte
                                gegevens.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 8 Slotbepalingen.</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 37 Hardheidsclausule.</label></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de aanvrager
                            afwijken van de bepalingen van deze verordening, indien toepassing van
                            de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 38 Indexering.</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan jaarlijks per 1 januari de in het kader van deze
                                verordening en het op deze verordening berustende Besluit
                                maatschappelijke ondersteuning gemeente Winterswijk geldende
                                bedragen verhogen of verlagen conform de ontwikkelingen van de
                                prijsindex zoals genoemd in de septembercirculaire van het
                                gemeentefonds, van het voorafgaande jaar.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indexering t.a.v. tarieven van hulp bij huishouden en hulpmiddelen
                                vindt plaats zoals in de overeenkomsten met de aanbieders is
                                vastgelegd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 39 Evaluatie.</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt minimaal eenmaal
                                per drie jaar geëvalueerd. Indien de evaluatie daartoe aanleiding
                                geeft wordt deze verordening aangepast. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college zendt na afloop van iedere evaluatie een verslag aan de
                                gemeenteraad over de doeltreffendheid en de effectiviteit van de
                                verordening in de praktijk.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 40 Inwerkingtreding.</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt met terugwerkende kracht in werking met
                                ingang van 1 januari 2009.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op dezelfde datum wordt de Verordening voorzieningen
                                maatschappelijke ondersteuning gemeente Winterswijk 2008,
                                vastgesteld bij raadsbesluit van 27 maart 2008, nr. IX-11,
                                ingetrokken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 41 Citeertitel.</label></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening voorzieningen
                            maatschappelijke ondersteuning gemeente Winterswijk 2009.</al><al/><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten door de raad van de gemeente Winterswijk in zijn openbare
                        vergadering gehouden op 26 maart 2009,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de voorzitter, de griffier,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Toelichting op de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning, gemeente Winterswijk 2009.</label></kop><al/><tussenkop>Algemene toelichting</tussenkop><al/><al>De kern van de Wet maatschappelijke ondersteuning wordt gevormd door het begrip
                    “compensatiebeginsel“. Dit begrip is bij amendement 65 in de Wmo opgenomen.</al><al>Het begrip compensatiebeginsel is afkomstig van de Raad voor de Volksgezondheid
                    en de Zorg. In hun briefadvies over de Wmo staat het volgende:</al><al><cursief>“Het verdient volgens de Raad aanbeveling om de wettelijke aanspraak op
                        maatschappelijke ondersteuning te relateren aan aard en ernst van de
                        beperking(en) van burgers, door gemeenten te verplichten zorg te dragen voor
                        compensatie van deze beperking(en). En wel zodanig dat de burger met een
                        beperking in een gelijkwaardige uitgangspositie wordt gebracht ten opzichte
                        van de burger zonder beperking(en). De gemeente heeft hierin een
                        resultaatsverplichting. Dit brengt met zich mee dat de gemeente zelf mag
                        bepalen welke voorzieningen zij aanbiedt om het wettelijk vastgestelde
                        doel/resultaat te bereiken. Teneinde tevens recht te doen aan het
                        uitgangspunt dat daar waar mogelijk beroep gedaan wordt op de eigen
                        verantwoordelijkheid van burgers moet het mogelijk zijn om aan de aanspraak
                        op ondersteuning een inkomenstoets te koppelen. Omdat het om
                        maatschappelijke participatie gaat, is dit te rechtvaardigen. Daartoe dienen
                        op centraal niveau regels gesteld te worden.</cursief></al><al><cursief>In het licht van de voorgestelde ‘compensatieplicht’ heeft het de
                        voorkeur van de</cursief></al><al><cursief>Raad om alleen individuele voorzieningen over te hevelen naar de WMO,
                        zodat de</cursief></al><al><cursief>wet een eenduidig karakter kan krijgen. In deze visie blijft naast de
                        WMO een Welzijnswet</cursief></al><al><cursief>bestaan, waarin de collectieve (gemeenschapsgerichte) voorzieningen
                        worden ondergebracht. Deze voorzieningen zijn immers algemeen van aard en
                        bedoeld voor iedere ingezetene van de gemeente, ongeacht diens eventuele
                        beperkingen. Voor deze voorzieningen acht de Raad het niet gewenst een
                        wettelijke aanspraak in het leven te roepen. Deze aanbeveling heeft
                        betrekking op het niveau van de aanspraak (c.q. voorziening), niet op het
                        niveau van de uitvoering. Op het tweede niveau kan immers, ook bij een
                        individuele aanspraak (bijvoorbeeld vervoer) een ‘collectieve’ voorziening
                        worden aangewend (bijvoorbeeld openbaar vervoer).</cursief></al><al><cursief>Door de aanspraak op ondersteuning niet te verankeren in een
                        verplichting om bepaalde met name te noemen voorzieningen te verstrekken
                        (zorgplicht), maar te omschrijven in termen van het te bereiken resultaat
                        (compensatieplicht), kan onzekerheid ontstaan over wat nu precies als recht
                        geldt. Om die reden is het volgens de Raad noodzakelijk om in de wet zelf op
                        te nemen wanneer sprake is van een gelijkwaardige uitgangspositie van
                        burgers. Dat is immers het resultaat waarop de gemeente, ook in rechte, kan
                        worden aangesproken. Dit betekent dat geoperationaliseerd moet worden wat de
                        termen ‘zelfredzaamheid’ en ‘maatschappelijke participatie’ betekenen: welke
                        activiteiten moet iemand daarvoor tenminste kunnen uitvoeren?</cursief></al><al><cursief>Door het te bereiken resultaat (de compensatie) als aangrijpingspunt te
                        nemen is het volgens de Raad niet noodzakelijk in de wet zelf criteria op te
                        nemen voor de indicatiestelling.”</cursief></al><al>Dit begrip is “vertaald” bij amendement en in de wet opgenomen. Het is met name
                    de toelichting op het amendement dat informatie geeft over de bedoeling van de
                    wetgever met het begrip compensatieplicht. De toelichting stelt:</al><al><cursief>“Ter vervanging van de verplichting gedurende drie jaar om te voorzien
                        in met name genoemde producten en diensten strekt het nieuw geformuleerde
                        artikel ertoe de algemene verplichting aan gemeenten op te leggen om
                        beperkingen in de zelfredzaamheid op het gebied van het voeren van een
                        huishouden, het zich verplaatsen in en om de woning en om zich lokaal per
                        vervoermiddel te verplaatsen, weg te nemen. Onder zelfredzaamheid wordt in
                        dit verband verstaan het lichamelijke, verstandelijke, geestelijke en
                        financiële vermogen om zelf voorzieningen te treffen die deelname aan het
                        normale maatschappelijke verkeer mogelijk maken. Onder normale deelname aan
                        het maatschappelijke verkeer wordt in ieder geval verstaan het kunnen voeren
                        van een huishouden; het normale gebruik van een woning; het zich in en om de
                        woning kunnen verplaatsen; het zich zodanig kunnen verplaatsen dat
                        aansluiting kan worden gevonden bij regionale, bovenregionale en landelijke
                        vervoerssystemen; het kunnen ontmoeten van andere mensen en het aangaan en
                        onderhouden van sociale verbanden om op die manier te kunnen deelnemen aan
                        het lokale sociaal-maatschappelijk leven. Voor de gemeentelijke
                        uitvoeringspraktijk biedt de International Classification of Functions,
                        Disabilities and Impairments (ICF classificatie) een uniform begrippenkader
                        dat als grondslag kan dienen om de behoefte aan voorzieningen in individuele
                        gevallen vast te stellen.</cursief></al><al><cursief> De opdracht om compenserende voorzieningen te treffen wordt met dit
                        artikel bij wet gegeven. De normering ervan wordt overeenkomstig de
                        bestuurlijke structuur van de wet op het lokale niveau bepaald met
                        inachtneming van alle bepalingen over de totstandkoming van het lokale
                        beleid en de betrokkenheid van burgers en cliënten daarbij.”</cursief></al><al>Omdat er geen begripsomschrijving van het begrip compensatiebeginsel in het
                    amendement is opgenomen, is in de verordening een begripsomschrijving opgenomen,
                    in artikel 1<vet>.1</vet> aanhef en onder b.</al><al>Het compensatiebeginsel geldt, zo geeft de tekst van artikel 4, lid 1 van de wet
                    aan, voor de onderdelen: </al><lijst><li nr=""><al>a. een huishouden te voeren,</al></li><li nr=""><al>b. zich te verplaatsen in en om de woning,</al></li><li nr=""><al>c. zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel en</al></li><li nr=""><al>d. medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te
                            gaan.</al></li></lijst><al>Uitgaande van een overgang van de drie Wvg-terreinen woonvoorzieningen,
                    vervoersvoorzieningen en rolstoelen plus de functie huishoudelijke verzorging
                    uit de AWBZ naar de Wmo worden de onderdelen uit artikel 4 van de wet in deze
                    verordening als volgt uitgewerkt:</al><lijst><li nr=""><al>a. onder het voeren van een huishouden wordt verstaan: zowel het wonen,
                            met name de woonvoorzieningen, als de eerdere functie huishoudelijke
                            verzorging, in deze verordening hulp bij het huishouden genoemd;</al></li><li nr=""><al>b. zich verplaatsen in en om de woning: de rolstoel inclusief
                            (uitsluitend) de sportrolstoel;</al></li><li nr=""><al>c. zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel: de vervoersvoorzieningen
                            uit de Wvg;</al></li><li nr=""><al>d. het ontmoeten van medemensen en het daaruit volgende aangaan van
                            sociale verbanden wordt beschouwd als doelstelling voor de eerste drie
                            verstrekkingenterreinen.</al></li></lijst><al>Deze indeling is in deze verordening terug te vinden in de
                    hoofdstukindeling.</al><al>In artikel 4 van de wet wordt de gemeente opgedragen ten behoeve van de
                    compensatie "voorzieningen te treffen". De wet stelt dus niet dat het steeds om
                    individuele voorzieningen moet gaan. Om te voorzien in het snel en regelarm
                    treffen van veel voorkomende eenvoudige voorzieningen is in deze verordening het
                    begrip algemene voorzieningen opgenomen. Dit type voorziening komt in de Wvg
                    voor onder de noemer “collectief vervoer”. In deze verordening wordt het begrip
                    algemene voorziening geïntroduceerd voor alle onderdelen van het
                    compensatiebeginsel. De mogelijkheid wordt geschapen voor algemene
                    woonvoorzieningen, algemene hulp bij het huishouden, algemene
                    vervoersvoorzieningen en algemene rolstoelvoorzieningen. Wat houden deze
                    algemene voorzieningen in concreto in ? Het kan gaan om scootermobielpools,
                    rolstoelen voor incidenteel gebruik (rolstoelpools), collectief vervoer,
                    klussen- en boodschappendiensten, etcetera. Deze opsomming is uitdrukkelijk niet
                    limitatief, aangezien het een nieuw type voorziening betreft, waarvoor de
                    komende jaren nieuwe invullingen zullen ontstaan. Met name op het terrein van
                    hulp bij het huishouden is het een nieuw begrip.</al><al>Kenmerkend voor algemene voorzieningen is dat de gemeente deze voorzieningen
                    organiseert, inkoopt en ter beschikking stelt, los van of vooruitlopend op
                    individuele aanvragen terzake. Het zal in de regel gaan om steunpunten, depots,
                    pools, waar de betreffende voorzieningen op voorraad worden gehouden, al of niet
                    op wijkniveau</al><al>Algemene voorzieningen zullen in de regel met een minimum aan procedures kunnen
                    worden aangeboden: met geen of slechts een lichte toegangstoets en zonder eigen
                    bijdragen.</al><al>De voordelen van deze algemene voorzieningen zijn een snelle en simpele
                    oplossing van de problemen, zonder bureaucratie en zonder eigen bijdragen. In
                    plaats van de soms complexe advisering wordt in dit kader van het veel lichtere
                    begrip toegangsbeoordeling gebruik gemaakt. Het is uitdrukkelijk niet de
                    bedoeling van deze algemene voorzieningen om daarmee de mogelijkheid van de
                    aanvrager tot het kiezen voor een PGB in te perken.</al><al>De verschillende verstrekkingenterreinen worden in de volgende hoofdstukken
                    behandeld. De laatste hoofdstukken zijn gereserveerd voor procedurele
                    aspecten.</al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><label>Artikelsgewijze toelichting.</label></kop><divisie><kop><label>Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen</label></kop></divisie><al/><divisie><kop><label>Artikel 1 Begripsbepalingen</label></kop><al>Ad a.</al><al>Deze bepaling spreekt voor zich; zie ook de in artikel 43 van de Wet
                        maatschappelijke ondersteuning opgenomen citeertitel van de wet.</al><al>Ad b.</al><al>Het compensatiebeginsel is via het amendement-Miltenburg c.s. (30 131, nr.
                        65) aan het wetsvoorstel toegevoegd. In het amendement is geen
                        begripsomschrijving van dit begrip opgenomen. Gevolg hiervan is dat er in de
                        wet een begripsomschrijving van het cruciale begrip compensatiebeginsel
                        ontbreekt. Daarom staat de begripsomschrijving van het compensatiebeginsel
                        in de verordening. Voor de begripsomschrijving is gebruik gemaakt van het
                        briefadvies van de Raad voor de Volksgezondheid en de Zorg, de ‘uitvinder’
                        van het compensatiebeginsel. Voor wat betreft de gelijkwaardige
                        uitgangspositie is gebruik gemaakt van de toelichting op het amendement,
                        evenals voor wat betreft de termen zelfredzaamheid en maatschappelijke
                        participatie. Het onderdeel “aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of
                        gebrek” is afkomstig uit artikel 1, lid 1, onder a. van de Wvg.</al><al>Ad c.</al><al>De term “beperkingen” is ontleend aan de ICF, de International
                        Classification of Functioning, Disability, and Health, opgesteld door de
                        Wereld Gezondheidsorganisatie (World Health Organisation, onderdeel van de
                        Verenigde Naties). Het onder de toelichting op onderdeel <vet>1.2</vet> van
                        dit artikel genoemde amendement-Miltenburg stelt over de ICF: “Voor de
                        gemeentelijke uitvoeringspraktijk biedt de International Classification of
                        Functions, Disabilities and Impairments (ICF classificatie) een uniform
                        begrippenkader dat als grondslag kan dienen om de behoefte aan voorzieningen
                        in individuele gevallen vast te stellen.”</al><al>Ad d.</al><al>De begripsomschrijving van het begrip “persoon met beperkingen” is afgeleid
                        van de begripsomschrijving van “beperkingen” en van de verschillende
                        terreinen waarvoor op grond van de wet voorzieningen kunnen worden
                        verstrekt. Daarnaast is vanuit de Wet voorzieningen gehandicapten het
                        onderdeel “aantoonbare beperkingen ten gevolge van ziekte of gebrek”
                        toegevoegd. Mede in verband met de begrenzing van de doelgroep zal immers
                        een objectief criterium nodig zijn. Hierdoor blijft jurisprudentie op grond
                        van de Wet voorzieningen gehandicapten ten aanzien van dit onderdeel op dit
                        begrip van toepassing. </al><al>Aan deze formulering is de nieuwe doelgroep “personen met een chronisch
                        psychisch of psychosociaal probleem” toegevoegd. Deze doelgroep is afkomstig
                        uit de AWBZ-regelgeving (Besluit zorgaanspraken).</al><al>Ad. e.</al><al>De begripsomschrijving van het begrip “ mantelzorger” is ontleend aan de
                        begripsomschrijving van “mantelzorg” in de wet (artikel 1, lid 1 onder b,
                        van de wet). </al><al>Ad f.</al><al>Deze begripsomschrijving komt uit de toelichting ophet eerder reeds
                        genoemde amendement-Miltenburg c.s., dat het compensatiebeginsel aan de wet
                        heeft toegevoegd.</al><al>Ad g.</al><al>Ook deze begripsomschrijving is, evenals de onder f. genoemde, ontleend aan
                        de toelichting op het amendement-Miltenburg c.s., dat het
                        compensatiebeginsel aan de wet heeft toegevoegd.</al><al>Ad h.</al><al>Het gaat hier om direct of uit voorraad beschikbare voorzieningen, die met
                        een minimum aan bureaucratie kunnen worden verstrekt. Daarbij valt te denken
                        aan een scala van reeds bestaande of nog te ontwikkelen voorzieningen:
                        collectief vervoer, scootmobielpools, algemene woonvoorzieningen als
                        klussendiensten en voorzieningendepots, rolstoelpools en
                        vrijwilligersdiensten. De verstrekkingsprocedure is eenvoudiger dan bij
                        individuele voorzieningen: een beperkte toegangsbeoordeling, geen formele
                        beslissing (beschikking) en geen eigen bijdragen. In de regel gaat het om
                        eenvoudige en veel voorkomende voorzieningen die bedoeld zijn voor
                        incidenteel of kortdurend gebruik. Kenmerk van algemene voorzieningen is
                        tenslotte dat zij altijd in natura verstrekt worden en nooit als financiële
                        tegemoetkoming of persoonsgebonden budget. Op verzoek zal er aan de
                        aanvrager wel een beschikking kunnen worden afgegeven, zodat
                        rechtsbescherming gewaarborgd is.</al><al>Ad i.</al><al>Algemene voorzieningen hebben in het kader van deze verordening voorrang op
                        individuele voorzieningen. Waar mogelijk zal eerst een algemene voorziening
                        worden aangeboden, waar nodig zal een individuele voorziening worden
                        verstrekt. Hoe de keuze zal worden gemaakt tussen beide categorieën
                        voorzieningen hangt uiteraard helemaal af van de individuele situatie van de
                        aanvrager. Door het college vast te stellen beleidsregels zullen
                        afwegingscriteria geven, verder zal een op de individuele situatie afgestemd
                        medisch advies vaak van groot belang zijn. De algemene voorzieningen, nu nog
                        genoemd in de vorm van een primaat, kunnen uitgroeien tot voorliggende
                        voorzieningen en op den duur uit deze verordening verdwijnen, wanneer zij
                        zodanig functioneren dat zij gerekend kunnen worden tot de groep
                        voorzieningen als maaltijdvoorzieningen en personenalarmering.</al><al>Het is mogelijk om een algemene voorziening in combinatie met een
                        individuele voorziening toe te kennen.</al><al>Ad j.</al><al>De bevoegdheid voor het vragen van een eigen bijdrage of eigen aandeel in de
                        kosten van een voorziening vloeit voort uit artikel 15 lid 1 van de wet.
                        Deze kan op het inkomen worden afgestemd, zij het dat daarvoor op basis van
                        artikel 15 lid 3 van de wet bij Algemene Maatregel van Bestuur nadere regels
                        kunnen worden gesteld. Van deze bevoegdheid is gebruik gemaakt door middel
                        van het vaststellen van het Besluit maatschappelijke ondersteuning (NOTA
                        BENE: het ontwerp-Besluit maatschappelijke ondersteuning is op 22 mei 2006
                        naar de Tweede Kamer gezonden; d.d. 13 juni 2006 is in de agenda van de
                        Tweede Kamer op 22 juni 2006 hierover een algemeen overleg gepland. De
                        exacte citeertitel en datum van deze AmvB zijn derhalve na het definitief
                        worden van deze toelichting verordening Wmo niet bekend). In de AmvB
                        wordt bepaald wat de ruimte is die gemeentebesturen hebben voor het
                        vaststellen van eigen bijdragen, als ze daartoe willen overgaan.</al><al>Ad k.</al><al>Naturavoorzieningen zijn voorzieningen die niet in de vorm van enigerlei
                        financiële tegemoetkoming worden verstrekt. Daarbij kan worden gedacht aan
                        verstrekking in huur, in bruikleen, in eigendom of in de vorm van
                        dienstverlening.</al><al>Ad l.</al><al>Persoonsgebonden budget: een geldbedrag dat de aanvrager onder door het
                        college bepaalde voorwaarden mag besteden aan een compenserende voorziening
                        naar zijn keuze. Nadere uitwerking omtrent de relatie tussen diverse
                        compenserende voorzieningen en daarbij behorende persoonsgebonden budgetten
                        vindt plaats in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente
                        Winterswijk.</al><al>Ad m.</al><al>Een financiële tegemoetkoming is een geldbedrag dat is bedoeld om een
                        bepaalde voorziening te verwerven. Het is niet perse een kostendekkende
                        vergoeding, maar een bedrag, bedoeld als tegemoetkoming in de kosten. </al><al>Ad n.</al><al>Evenals onder de Wet voorzieningen gehandicapten het geval was, is het ook
                        onder de Wet maatschappelijke ondersteuning niet de bedoeling dat de
                        gemeentelijke overheid voorzieningen verstrekt, waarover de aanvrager,
                        gezien zijn individuele situatie, ook zonder zijn handicap of beperking, zou
                        kunnen beschikken. Deze voorzieningen worden als algemeen gebruikelijk
                        beschouwd. Wat in een concrete situatie als algemeen gebruikelijk te
                        beschouwen is, hangt af van de geldende maatschappelijke normen van het
                        moment van de aanvraag. Het begrip “algemeen gebruikelijk” is
                        geconcretiseerd in de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep. Het
                        begrip heeft vaak voor verwarring gezorgd, omdat algemeen gebruikelijke
                        voorzieningen soms wel specifiek voor een handicap worden aangeschaft, maar
                        vanwege hun algemeen gebruikelijke karakter toch niet vergoed worden. Om
                        duidelijk te maken wat in de wet verstaan wordt onder dit begrip is de
                        begripsomschrijving vanuit de jurisprudentie in de verordening opgenomen.
                        Het gaat daarbij om voorzieningen:</al><lijst><li nr="-"><al>die in de reguliere handel verkrijgbaar zijn;</al></li><li nr="-"><al>die niet speciaal voor gehandicapten bedoeld zijn;</al></li><li nr="-"><al>die niet aanzienlijk duurder zijn dan vergelijkbare producten met
                                hetzelfde doel.</al></li></lijst><al>Het begrip “algemeen gebruikelijk” moet overigens niet worden verward met
                        “gebruikelijke zorg”, zoals dat onder de Algemene Wet Bijzondere
                        Ziektekosten is geformuleerd in beleidsregels. Het begrip “gebruikelijke
                        zorg” komt onder de Wet maatschappelijke ondersteuning terug, zie hieronder,
                        onder <vet>q</vet>. </al><al>Ad o.</al><al>Het begrip “meerkosten” hangt nauw samen met het begrip “algemeen
                        gebruikelijk”; deze twee begrippen zijn elkaars tegenhangers. De meerkosten
                        zijn de kosten, die in een direct oorzakelijk verband staan met het
                        compenseren van de ondervonden beperking of het psychosociaal probleem,
                        zoals die zijn genoemd in artikel 1, lid 1, onder g. achtste volzin van de
                        wet. Een met de persoon als de aanvrager vergelijkbaar persoon zonder die
                        beperking of dat psychosociale probleem heeft deze meerkosten per definitie
                        niet, omdat daarvoor in diens situatie geen noodzaak is. Mede op de
                        bestrijding van deze meerkosten, dus de kosten die voor een persoon als de
                        aanvrager niet algemeen gebruikelijk zijn, is de wet gericht.</al><al>Ad p.</al><al>Wanneer een voorziening wordt verstrekt waar een algemeen gebruikelijk deel
                        onderdeel van uitmaakt (er wordt een driewielfiets verstrekt, de fiets is
                        algemeen gebruikelijk en maakt daar onderdeel van uit: men hoeft zelf geen
                        fiets meer te kopen) zou sprake kunnen zijn van besparing: er hoeft immers
                        geen algemeen gebruikelijke voorziening meer aangeschaft te worden.
                        Aangezien verstrekking binnen de wet zich beperkt tot de meerkosten, kan in
                        die situatie van de aanvrager het bedrag dat bespaard wordt, gevraagd worden
                        als besparingsbijdrage. Dit is geen vorm van eigen bijdrage of eigen
                        aandeel, zodat de regels daaromtrent niet van toepassing zijn.</al><al>Ad q.</al><al>Het uitgangspunt van deze begripsomschrijving ligt in het Protocol
                        Gebruikelijke zorg, zoals tot aan de invoering van de wet door het Centrum
                        Indicatiestelling Zorg werd toegepast als verzameling beleidsregels voor de
                        AWBZ-indicatiestelling voor huishoudelijke zorg. Het is op enkele punten
                        aangepast om te voorkomen dat problemen die in de AWBZ met dit begrip
                        speelden ook naar de wet overgaan. Zo is in plaats van ‘volwassenen’ de term
                        ‘meerderjarigen’ opgenomen en is het begrip ‘gemeenschappelijke huishouding
                        voeren’ vervangen door het begrip ‘gemeenschappelijk een woning
                        bewonen’.</al><al>Ad r.</al><al>De invoering van het persoonsgebonden budget maakt het opnemen van het
                        begrip “budgethouder” noodzakelijk. De budgethouder is de persoon die de
                        beschikking krijgt over het budget en over de besteding daarvan ook
                        verantwoording af dient te leggen.</al><al>Ad s.</al><al>We gaan uit van een netto-inkomensbegrip. De officiële methode wordt
                        gehanteerd; de vakantietoeslag wordt meegerekend.</al><al>Ad t.</al><al>We gaan uit van een netto-inkomensgrens. De inkomensgrenzen sluiten aan bij
                        de voormalige Wet Voorzieningen Gehandicapten (WVG). De officiële methode
                        wordt gehanteerd; de vakantietoeslag wordt meegerekend.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 2 Voorwaarden voor toekenning</label></kop><al>Ad a.</al><al>Deze definitie is in zijn kern ontleend aan de verordening Wet voorzieningen
                        gehandicapten en aan de wet aangepast. Wat langdurig noodzakelijk is, is
                        afhankelijk van de concrete situatie. Het kan, in tijd uitgedrukt, gaan om
                        twee maanden, bijvoorbeeld bij mensen die in een terminaal ziektestadium
                        verkeren. Het kan ook gaan om veertig jaar, in situaties waarin de beperking
                        bijvoorbeeld aangeboren is en stabiel van aard is. Kenmerk is in beide
                        genoemde situaties dat de ondervonden beperking, naar de stand van de
                        medische wetenschap op het moment van de aanvraag, onomkeerbaar is. Er is
                        dus redelijkerwijs geen verbetering te verwachten in de situatie van de
                        aanvrager. In dit kader zal de prognose van groot belang zijn. Zegt de
                        prognose dat de betrokkene na enige tijd zonder de benodigde hulpmiddelen of
                        aanpassingen zal kunnen functioneren, dan mag men van kortdurende noodzaak
                        uitgaan. Bij een wisselend beeld, waarbij verbetering in de toestand
                        periodes van terugval opvolgen, kan echter uitgegaan worden van een
                        langdurige noodzaak. De medisch adviseur speelt bij het antwoord op de vraag
                        of er al dan niet sprake is van een langdurige noodzaak voor de betreffende
                        voorziening een belangrijke rol. Voor langere tijd betekent in ieder geval
                        dat wie tijdelijke beperkingen heeft, bijvoorbeeld door een ongeluk, terwijl
                        vast staat dat de handicap van voorbijgaande aard is, niet voor een
                        voorziening in het kader van deze verordening in aanmerking komt. Betrokkene
                        kan een beroep doen op de hulpmiddelendepots van de Thuiszorgorganisaties
                        die opgezet zijn in het kader van de AWBZ. Uit deze depots kan men twee maal
                        drie maanden een hulpmiddel gratis lenen, welke periode kan worden verlengd,
                        zij het dat dan huur is verschuldigd. Waar precies de grens ligt tussen
                        kortdurend en langdurig ligt zal van situatie tot situatie verschillen. </al><al>Een uitzondering op de regel dat de aangevraagde voorziening langdurig
                        noodzakelijk moet zijn, wordt gevormd door situaties waarin voor een
                        afzienbare periode hulp bij het huishouden nodig is, bijvoorbeeld bij
                        ontslag uit het ziekenhuis na een opname of bij een ontregeld huishouden. </al><al>Ad b.:</al><al>Voorzieningen die in het kader van deze verordening worden verstrekt dienen
                        naar objectieve maatstaven gemeten zowel adequaat als de meest goedkope
                        voorziening te zijn. Met nadruk wordt hierbij gesteld dat met het begrip
                        adequaat bedoeld wordt: volgens objectieve maatstaven nog toereikend. Hoewel
                        datgene wat de aanvrager als adequaat beschouwt mee zal moeten wegen in de
                        beoordeling van het adequaat zijn van de voorziening, zal ook het criterium
                        van het goedkoop zijn, de kosten van de voorziening, een rol spelen bij de
                        uiteindelijke beoordeling van het al dan niet adequaat zijn van een
                        voorziening. Het gaat immers om gemeenschapsgeld. Eigenschappen die
                        kostenverhogend werken zonder dat zij de voorziening meer adequaat maken,
                        zullen in principe niet voor vergoeding in aanmerking komen. Daarbij kan een
                        overweging zijn dat de bruikbaarheid van een voorziening niet alleen door
                        technische en functionele aspecten bepaald wordt. Tevens is het denkbaar dat
                        een product dat duurder is dan een vergelijkbaar product, langer meegaat en
                        dus uiteindelijk goedkoper is. Wat betreft het kwaliteitsniveau waarvan
                        uitgegaan kan worden, moge het duidelijk zijn dat bij een verantwoord, maar
                        ook niet meer dan dat, niveau dient te worden aangesloten. Het is uiteraard
                        wel mogelijk een adequate voorziening te verstrekken die duurder is dan de
                        goedkoopst adequate voorziening, mits de aanvrager bereid is het
                        prijsverschil uit eigen middelen te betalen. Het begrip goedkoopst adequaat
                        geeft het college mogelijkheden tot sturen binnen het beleid. </al><al>Ad c. </al><al>Het probleem van het individu dient op grond van de wet te worden
                        gecompenseerd. Dat individuele probleem staat dan ook centraal bij de
                        beoordeling van de aanvraag voor een voorziening op grond van de wet. </al><al><vet>Artikel 2 lid 2.</vet></al><al>Ad a. </al><al>Algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn voorzieningen waarover een met de
                        aanvrager vergelijkbare persoon, ook los van de beperking, zou kunnen
                        beschikken. Deze voorzieningen hoeven niet te worden verstrekt. Dit beginsel
                        wordt al tientallen jaren tijd gehanteerd in de sociale wetgeving (AAW/WAO,
                        voormalige Wet-Rea, Wvg) en heeft tot een omvangrijke jurisprudentie geleid,
                        die is vastgelegd in de definitie van dit begrip, zoals die is opgenomen in
                        artikel 1, onder n. van deze verordening. Wat in een concreet geval algemeen
                        gebruikelijk is, hangt dus in beginsel af van de aard van de gevraagde
                        voorziening. Daarnaast speelt de – financiële- situatie van de aanvrager een
                        rol, bezien in relatie tot de maatschappelijke normen op het moment van de
                        aanvraag. Met name die financiële situatie van de aanvrager kan leiden tot
                        een uitzondering op het beginsel dat geen algemeen gebruikelijke
                        voorzieningen worden verstrekt. Uit de bovengenoemde jurisprudentie blijkt
                        immers dat een dergelijke uitzondering zich voordoet als het inkomen van de
                        aanvrager – mede ten gevolge van aantoonbare kosten ten gevolge van zijn
                        beperking, onder het in diens situatie geldende bijstandsniveau dreigt te
                        geraken. Een andere uitzondering is het ten gevolge van een plotseling
                        optredende handicap moeten vervangen van zaken die nog niet zijn
                        afgeschreven; dat zou zonder die handicap immers ook niet gebeuren.</al><al>Ad b.:</al><al>In de wet is, in tegenstelling tot de situatie bij de Wet voorzieningen
                        gehandicapten, geen specifieke bepaling opgenomen waaruit blijkt dat de
                        compensatieplicht zich beperkt tot in de gemeente woonachtige personen,
                        hoewel artikel 11 van de wet spreekt over ingezetenen. Dit artikel moet
                        opgenomen worden om te voorkomen dat er aanvragen binnenkomen bij gemeenten
                        waar de aanvrager niet woonachtig is.</al><al>Ad c.:</al><al>Deze afwijzingsgrond is afkomstig uit de verordening Wet voorzieningen
                        gehandicapten, en is bedoeld voor situaties waarin gebruikte materialen voor
                        problemen zorgen. </al><al>Ad d.:</al><al>Het uitrustingsniveau voor sociale woningbouw is vastgesteld in het
                        Bouwbesluit 2003. Woonvoorzieningen die op dat uitrustingsniveau worden
                        verstrekt, zijn in beginsel van voldoende kwaliteit; duurdere of andere
                        voorzieningen hoeven niet te worden verstrekt. Een duidelijke begrenzing
                        derhalve. Garages bijvoorbeeld vallen daarom niet onder dit niveau. Alleen
                        in die gevallen dat bijvoorbeeld vanuit welstandstoezicht hogere eisen
                        worden gesteld, kan het college hierop een uitzondering maken. Over de
                        hiermee gepaard gaande kosten moeten in een concrete situatie afspraken
                        gemaakt worden. Ook bij hulp bij het huishouden speelt deze bepaling een
                        rol. Indien bijvoorbeeld aanzienlijk meer hulp wordt gevraagd vanwege het
                        feit dat men in een veel grotere of meer luxe woning woont, geeft deze
                        bepaling een duidelijke grens aan.</al><al>Ad e.:</al><al>In sommige gevallen gebruiken mensen al jaren voorzieningen en vragen zij na
                        het optreden van een beperking voorzieningen aan, die in hun situatie kunnen
                        leiden tot de conclusie dat het optreden van beperkingen geen meerkosten met
                        zich meebrengt. Daarvoor is deze onder e. genoemde bepaling bedoeld.</al><al>Ad f. en g.</al><al>In artikel 2 lid 2, onder f. en g. geeft de verordening een tweetal gronden
                        voor weigering aan. Onder f. wordt gedoeld op de situatie dat de aanvrager
                        een voorziening aanvraagt nadat deze reeds door de aanvrager gerealiseerd of
                        aangekocht is. Omdat het college dan geen mogelijkheden meer heeft de
                        voorziening volgens het vastgestelde beleid te verstrekken, noch anderszins
                        invloed heeft op de te verstrekken voorziening, kan in deze situatie de
                        voorziening worden geweigerd. Bijvoorbeeld nadat het college een beslissing
                        over de aanvraag voor een woningaanpassing heeft genomen mag een aanvang
                        worden gemaakt met de werkzaamheden. Pas op dat moment heeft het college
                        alle op de aanvraag betrekking hebbende gegevens beoordeeld en op grond
                        hiervan een besluit genomen over de te treffen voorziening.</al><al>Door deze regeling wordt voorkomen dat een voorziening waar vroegtijdig mee
                        is begonnen uiteindelijk niet overeenstemt met hetgeen het college als
                        goedkoopst adequate voorziening beschouwt. Het college kan bijvoorbeeld ook
                        factoren mee laten wegen die buiten de woonruimte van de aanvrager gelegen
                        zijn, zoals een beschikbare aangepaste of goedkoop aan te passen woning
                        elders, of een losse woonunit,waardoor een woningaanpassing wellicht niet
                        noodzakelijk is.</al><al>Pas nadat het college een positieve beschikking voor een
                        verhuiskostenvergoeding heeft gegeven, komt een aanvrager hiervoor in
                        aanmerking. Pas nadat advies is verkregen en de gemeente een afweging heeft
                        gemaakt welke oplossing het meest adequaat is kan de aanvrager tot verhuizen
                        overgaan. Met deze voorwaarde wordt tevens voorkomen dat de gemeente
                        achteraf, nadat de aanvrager reeds is verhuisd, met een claim voor een
                        verhuiskostenvergoeding geconfronteerd wordt. In bepaalde gevallen kan het
                        echter nodig zijn dat de aanvrager snel moet beslissen omdat de woning
                        anders aan een andere woningzoekende wordt toegewezen. In deze of andere
                        urgente gevallen is het verkrijgen van toestemming van het college ook
                        voldoende. Maar in alle gevallen dient de aanvrager voorafgaand aan de
                        verhuizing schriftelijk toestemming van de gemeente te hebben verkregen. Het
                        hoeft hier uiteraard niet te gaan om de feitelijke verhuizing, maar om een
                        situatie waarin men bepaalde onomkeerbare stappen heeft gezet die in de
                        regel voorafgaan aan een verhuizing, zoals het sluiten van een koop- huur-
                        of erfpachtovereenkomst inzake de te betrekken woning. </al><al>Onder g. wordt in dit artikel aangegeven dat de aanvraag geweigerd kan
                        worden als het gaat om een vergoeding of verstrekking die reeds eerder heeft
                        plaatsgehad, terwijl het de aanvrager verwijtbaar is dat het middel verloren
                        is gegaan, bijvoorbeeld door roekeloosheid of verwijtbare onachtzaamheid,
                        dus niet indien de aanvrager geen schuld treft. Indien een ander
                        aansprakelijk is voor het verloren gaan, dient bekeken te worden of het
                        mogelijk is deze derde door de aanvrager hiervoor aansprakelijk te doen
                        stellen om zodoende de kosten te kunnen verhalen. Indien in een woning een
                        verstelbare keuken of een andere dure voorziening is aangebracht heeft dit
                        gevolgen voor de te verzekeren waarde van de opstal. Dit risico dient in de
                        opstalverzekering gedekt te worden. Indien bijvoorbeeld bij brand blijkt dat
                        de woning onvoldoende verzekerd is, dan kan op dat moment geen beroep op
                        deze verordening worden gedaan.</al><al>Onder h wordt gedoeld op bijvoorbeeld het niet veilig kunnen deelnemen aan
                        het wegverkeer of het niet adequaat bedienen van het vervoermiddel.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk 2. Vorm van te verstrekken individuele voorzieningen.</label></kop></divisie><al/><divisie><kop><label>Artikel 3. Keuzevrijheid.</label></kop><al>De in artikel 6 van de wet genoemde verplichting om bij een aanspraak op een
                        individuele voorzieningen de keuze te bieden tussen een persoonsgebonden
                        budget en een naturaverstrekking, is niet absoluut. Er kunnen overwegende
                        bezwaren bestaan om niet over te gaan tot verstrekking van een
                        persoonsgebonden budget. Het college kan regels stellen om af te wegen in
                        welke gevallen er sprake is van bezwaren van overwegende aard, die reden
                        zijn om geen persoonsgebonden budget te verstrekken.</al><al>Naast deze keuzevrijheid bestaat er nog een tweede vorm van keuzevrijheid:
                        namelijk de vrijheid om bij voorzieningen in natura te kiezen uit meerdere
                        aanbieders. Deze keuzevrijheid wordt niet in deze verordening, maar in het
                        Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Winterswijk uitgewerkt.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 4. Voorziening in natura</label></kop><al>Het doel van deze bepaling is het vastleggen van de rechten en plichten van
                        het college en de aanvrager. Deze bepaling ziet op de situatie waarin het
                        college eigenaar blijft van de verstrekte naturavoorziening of het college
                        de zorg in natura zelf geregeld heeft. Artikel 10 van de wet stelt weliswaar
                        dat het verlenen vaan maatschappelijke ondersteuning zo veel mogelijk aan
                        derden moet worden overgelaten, maar als dat redelijkerwijs niet mogelijk is
                        kan gekozen worden voor het door de gemeente zelf verlenen van de
                        maatschappelijke ondersteuning.</al><al>Als een voorziening in eigendom wordt verstrekt is er uiteraard niet een
                        dergelijke overeenkomst nodig.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 5. Financiële tegemoetkoming.</label></kop><al>Om te waarborgen dat de verstrekte financiële tegemoetkoming wordt besteed
                        aan een noodzakelijke voorziening, en niet aan zaken die los staan van de
                        doelen die met de wet worden beoogd, kunnen bij beschikking voorwaarden
                        worden verbonden aan de verstrekking van een tegemoetkoming op grond van de
                        wet. Deze bepaling, die moet worden bezien in relatie tot de bepalingen uit
                        hoofdstuk 7 van deze verordening, biedt daartoe de mogelijkheid. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 6. Persoonsgebonden budget.</label></kop><al>Het persoonsgebonden budget dient gezien te worden als een manier waarop een
                        toegekende voorziening wordt verstrekt. De onder lid 1, onder a., van dit
                        artikel genoemde bepaling spreekt dan ook voor zich en sluit aan op de
                        bepaling in artikel 6 van de wet. Hierin is vastgelegd dat alleen bij
                        toekenning van individuele voorzieningen in beginsel de keuze voor een
                        persoonsgebonden budget moet worden geboden. Algemene voorzieningen vallen
                        niet onder deze eis.</al><al>Onder b. is bepaald dat de hoogte van het persoonsgebonden budget is
                        gekoppeld aan de tegenwaarde van de in de te verstrekken goedkoopst adequate
                        voorziening. Er moet immers een referentiebedrag zijn, waarop het
                        persoonsgebonden budget kan worden gebaseerd. “Goedkoopst adequaat” is een
                        objectief vaststelbaar referentiepunt. Voorts kan een aanvullend bedrag
                        worden vastgesteld voor de instandhoudingskosten van de voorziening. Voor de
                        diverse soorten voorzieningen zal een nadere regeling moeten worden gegeven
                        in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Winterswijk, dat door
                        het college moet worden vastgesteld. Lid 1, onder c. bepaalt dat het college
                        de omvang van een persoonsgebonden budget bepaalt. Het zal immers gaan om
                        een veelheid van verschillende persoonsgebonden budgetten voor verschillende
                        voorzieningen. Daarbij zullen, ter bevordering van de rechtsgelijkheid,
                        eenduidige richtlijnen noodzakelijk zijn. Invulling van deze richtlijnen
                        vindt plaats in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente
                        Winterswijk en de beleidsregels. Verder is onder d. , bepaald dat er, om
                        misverstanden zoveel mogelijk te voorkomen, een overeenkomst wordt getekend
                        omtrent de voorwaarden waaronder het persoonsgebonden budget wordt
                        verstrekt. </al><al>Onder e. is bepaald dat indien een persoonsgebonden budget gebruikt is om
                        een voorziening aan te schaffen en deze voorziening niet meer gebruikt
                        wordt, omdat hij niet meer nodig is, omdat het gebruik niet meer mogelijk is
                        of door overlijden van de gebruiker, de voorziening door het college
                        teruggehaald kan worden. De voorziening is immers met gemeenschapsgeld
                        aangeschaft en het kan niet de bedoeling zijn dat de opbrengst van de
                        voorziening ten gunste komt van de gebruiker. Door de voorziening terug te
                        halen is het college in staat tot herverstrekking van deze voorziening,
                        waardoor het gemeenschapsgeld optimaal wordt gebruikt. </al><al>De budgethouder is verplicht meldingen over niet meer gebruiken van
                        voorzieningen aan het college te verstrekken. Deze plicht vloeit voort uit
                        artikel 34 van deze verordening.</al><al>Uiteraard worden extra eigen middelen, door de budgethouder besteed bij de
                        aanschaf van de voorziening, op afschrijvingsbasis, terugbetaald.</al><al>Lid 2 bepaalt dat in elk geval de belangrijkste aspecten van het
                        persoonsgebonden budget in de toekenningsbeschikking worden vastgelegd. Het
                        gaat om de omvang ervan (de hoogte van het budget), maar het kan ook gaan om
                        de periode waarover het wordt toegekend. Het spreekt voor zich dat
                        dergelijke beschikkingen uiterst zorgvuldig worden geformuleerd.</al><al>In lid 3 is neergelegd de algemene eis dat er een program van eisen wordt
                        vastgesteld, waarin wordt aangegeven aan welke eisen de met het
                        persoonsgebonden budget te verwerven voorziening moet voldoen. Het program
                        van eisen is dus een belangrijk document; als niet aan het program van eisen
                        wordt voldaan kan dat gevolgen hebben voor de afrekening van het toegekende
                        budget. </al><al>Lid 4 van artikel 6 regelt tenslotte de feitelijke betaling van het
                        persoonsgebonden budget. Over de wijze waarop de betaling plaatsvindt kunnen
                        door het college nadere regels worden gesteld. Gedacht kan worden aan
                        betaling in termijnen, bijvoorbeeld bij hulp bij het huishouden of in
                        situaties waarin er twijfels zijn over het budgetbeheer. Zo kunnen
                        financiële risico’s voor de gemeente worden beperkt en worden aanvragers
                        minder snel geconfronteerd met hoge terugvorderingsbedragen.</al><al>Lid 5. De gemeente is zelf verantwoordelijk voor de rechtmatige en
                        doelmatige besteding van gelden op grond van de wet, en heeft ook zelf de
                        bevoegdheid om vast te stellen in hoeverre er wordt gecontroleerd of
                        aanvragers hun persoonsgebonden budgets besteden conform de
                        toekenningsvoorwaarden. In lid 5 is de steekproefgewijze controle opgenomen,
                        waarbij een bepaald gedeelte van de toegekende persoongebonden budgetten
                        wordt gecontroleerd via het opvragen van gegevens bij de
                        budgethouders.</al><al>Mocht uit de controle blijken dat er aanleiding is het toegekende
                        persoonsgebonden budget van de budgethouder terug te vorderen, dan dient de
                        in hoofdstuk 7 genoemde procedure te worden gevolgd. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 7 Eigen bijdragen en eigen aandeel. </label></kop><al>Artikel 15 van de wet biedt de mogelijkheid bij verstrekking van
                        voorzieningen in natura of een persoonsgebonden budget eigen bijdragen te
                        vragen. Artikel 19 van de wet biedt de mogelijkheid de hoogte van financiële
                        tegemoetkomingen af te stemmen op het inkomen van degene aan wie
                        maatschappelijke ondersteuning wordt verleend: het zogeheten eigen aandeel.
                        In dit artikel stelt de raad vast van deze mogelijkheid gebruik te maken.
                        Daarbij wordt aan gesloten bij de bedragen zoals genoemd in het Besluit
                        maatschappelijke ondersteuning (een Algemene Maatregel van Bestuur).</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk 3 Hulp bij het huishouden.</label></kop></divisie><al/><divisie><kop><label>Artikel 8. Vormen van hulp bij het huishouden. </label></kop><al>In artikel 4 lid 1 van de wet wordt het college opgedragen om voorzieningen
                        aan te bieden ter ondersteuning van het voeren van een huishouden. In deze
                        verordening wordt dit onderdeel opgesplitst in twee onderdelen. In hoofdstuk
                        3 van deze verordening gaat het om de voorziening “hulp bij het huishouden”,
                        in hoofdstuk 4 om “woonvoorzieningen” . Bij het interpreteren van het begrip
                        “voeren van een huishouden” is er van uitgegaan dat een persoon pas behoefte
                        kan hebben aan hulp bij het huishouden indien dat huishouden in een voor hem
                        geschikte woning is gesitueerd. Vandaar dat de onder de Wet voorzieningen
                        gehandicapten bestaande woonvoorzieningen onder dit begrip zijn gebracht. </al><al>Onder de AWBZ werd gesproken van de functie huishoudelijke verzorging. Om
                        aan te geven dat onder de Wmo sprake is van een eigen begrip wordt in deze
                        verordening het begrip ‘hulp bij het huishouden’ geïntroduceerd.</al><al>Hulp bij het huishouden kan in drie vormen als voorziening worden
                        aangeboden. Onder a. wordt genoemd de algemene voorziening; een snelle en
                        eenvoudige dienstverleningsoplossing zonder veel administratieve rompslomp
                        voor gemeente en aanvrager. Gedacht moet worden aan vormen van direct
                        beschikbare hulp bij het huishouden vanuit bijvoorbeeld een wijksteunpunt,
                        met name voor eenvoudige werkzaamheden, al dan niet op basis van een
                        kortdurende hulpbehoefte. Het is aan een gemeente om te bezien of zij deze
                        vorm van hulp bij het huishouden in hun verstrekkingenpakket wil
                        opnemen.</al><al>Onder b. wordt genoemd de hulp bij het huishouden in natura. Ook hier gaat
                        het om een vorm van persoonlijke dienstverlening, net als bij de onder a.
                        genoemde vorm. Het verschil zit echter in de toekenningsprocedure, die meer
                        op de persoon is afgestemd, en in de regel meer geschikt zal zijn voor de
                        wat grotere en langduriger behoefte aan hulp.</al><al>Onder c. is genoemd het persoonsgebonden budget (pgb) voor hulp bij het
                        huishouden. Met dit pgb moet de aanvrager zelf hulp inhuren.</al><al>In lid 2 wordt een uitzondering genoemd op de regel dat de aangevraagde
                        voorziening langdurig noodzakelijk moet zijn; in situaties waarin voor een
                        afzienbare periode hulp bij het huishouden nodig is, bijvoorbeeld na een
                        ongeval of een ziekenhuisopname van de persoon die een aanmerkelijk aandeel
                        in de huishoudelijke verzorging had, kan een indicatie worden afgegeven.
                        Voorts valt te denken aan situaties waarbij huisgenoten gedurende een korte
                        periode instructie ontvangen om activiteiten in het kader van het leveren
                        van gebruikelijke zorg aan te leren.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 9 Primaat van de algemene hulp bij het huishouden.</label></kop><al>In artikel 9 lid 1 wordt geregeld onder welke basisvoorwaarden men gebruik
                        kan maken van een algemene voorziening voor hulp bij het huishouden, indien
                        deze in de gemeente voorhanden is. In aanmerking komen in eerste instantie
                        personen met een aantoonbare beperking ten gevolge van ziekte of gebrek.
                        Verder komen in aanmerking mantelzorgers in het kader van de zogenaamde
                            <vet>“</vet>respijtzorg<vet>”, </vet>dat wil zeggen dat de noodzaak
                        aanwezig is om mantelzorgers te ontlasten. Nota bene: het is daarbij niet de
                        bedoeling van de wetgever dat het huishouden van de mantelzorger wordt
                        overgenomen, maar overname van het huishouden van degene die de mantelzorg
                        ontvangt is wel degelijk mogelijk.</al><al>Algemeen aangeboden hulp bij het huishouden is in de vorm van een primaat in
                        deze verordening neergelegd. Dat houdt in dat in eerste instantie wordt
                        bezien of deze vorm van hulp bij het huishouden het probleem op adequate
                        wijze kan oplossen. </al><al>2.</al><al>Als de in het vorige lid genoemde algemene voorziening onvoldoende adequaat
                        is of niet aanwezig is, komt de individuele voorziening voor hulp bij het
                        huishouden aan de orde. Lid 2 moet dus in samenhang met lid 1 worden
                        gelezen. De individuele voorziening kan bestaan uit een voorziening in
                        natura of uit een persoongebonden budget. Het college bepaalt wanneer iemand
                        voor een persoonsgebonden budget in aanmerking kan komen. Deze criteria zijn
                        vastgelegd in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente
                        Winterswijk.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 10. Weigeringsgronden</label></kop><al>In de aanhef van artikel 10 wordt verwezen naar artikel 2 lid 2. Daarin
                        staan meer weigeringsgronden. Hieronder wordt deze weergegeven.</al><al><onderstreept>Andere weigeringsgrond:</onderstreept></al><al>*artikel 2, lid 2, sub d: voor zover de voorziening betrekking heeft op een
                        hoger niveau dan het niveau van voorzieningen in de sociale woningbouw.</al><al>Bij andere weigeringsgrond:</al><al>* Het uitrustingsniveau van de sociale woningbouw is vastgesteld in het
                        Bouwbesluit 2003. Voorzieningen die op dat uitrustingsniveau worden
                        verstrekt, zijn in beginsel van voldoende kwaliteit. Duurdere of andere
                        voorzieningen hoeven niet te worden vertrekt. Een duidelijke begrenzing dus.
                        Een voorziening voor huishoudelijke verzorging die betrekking heeft op een
                        ruimer uitrustingsniveau dan het niveau in de sociale woningbouw, wordt niet
                        verstrekt. Het feit dat men een veel grotere of meer luxe woning bewoont kan
                        er niet toe leiden dat ook een ruimere voorziening voor huishoudelijke
                        verzorging wordt verstrekt.</al><al>Ad. a:Bij het vaststellen van de aanspraak op hulp bij het huishouden
                        wordt allereerst bezien of en in hoeverre eventueel andere personen binnen
                        de leefeenheid zelf de problemen kunnen oplossen. Deze ontwikkeling is al
                        onder de AWBZ-indicatiestelling in gang gezet vanaf het midden van de jaren
                        ’90 van de vorige eeuw. Voorzover de ondervonden problemen door middel van
                        dergelijke gebruikelijke zorg kunnen worden opgelost, is er geen aanspraak
                        op hulp bij het huishouden. In de door het college vast te stellen
                        beleidsregels wordt bepaald hoe er rekening wordt gehouden met gebruikelijke
                        zorg bij het vaststellen van een aanspraak op een voorziening voor hulp bij
                        het huishouden.</al><al>Ad. b: Hier wordt gedoeld op vakantieadressen.</al><al>Ad. c: Gedoeld wordt op feitelijke intramurale AWBZ opname; de kosten voor
                        hulp bij het huishouden vallen onder de AWBZ.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 11. Omvang van de hulp bij het huishouden.</label></kop><al>In de AWBZ werd tot de invoering van de wet geïndiceerd in klassen. Klassen
                        zijn te vergelijken met standaardporties. Elke klasse is gekoppeld aan
                        minimaal en een maximaal aantal uren per week binnen een vaste bandbreedte.
                        Indien men bijvoorbeeld een indicatie heeft voor 1,5 uur hulp, wordt men
                        ingedeeld in klasse 1. Mocht de behoefte aan hulp van de aanvrager enigszins
                        stijgen of dalen binnen de bandbreedte van de toegekende klasse, dan hoeft
                        daarvoor niet opnieuw geïndiceerd en beschikt te worden. Voor de gemeente is
                        dat een administratief voordeel, voor aanvragers ook. Materieel kan het voor
                        aanvragers binnen de speelruimte van de klasse echter enigszins negatief of
                        positief uitpakken, afhankelijk van de daadwerkelijk noodzakelijke uren
                        zorg. Als die zorgbehoefte, uitgedrukt in uren, zich onderaan de bandbreedte
                        bevindt, is men voordelig uit; is de behoefte aan uren gelegen vlak onder
                        het plafond van de klasse, is het voordeel minder. Zolang de objectief
                        vastgestelde behoefte echter binnen de bandbreedte blijft, is er sprake van
                        een toereikende voorziening. Voor zover hulp bij de huishouding nodig is die
                        klasse 6 overstijgt is het mogelijk additionele uren aan deze hoogste klasse
                        toe te voegen. In het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente
                        Winterswijk wordt door het college jaarlijks het daarbij passende uurbedrag
                        vastgelegd.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 12. Omvang van het persoonsgebonden budget.</label></kop><al>Deze bepaling spreekt voor zich en sluit nauw aan op de tweede optie,
                        genoemd in artikel 11. Jaarlijkse vastlegging houdt verband met
                        prijsindexering, zoals genoemd in artikel 38.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk 4 Woonvoorzieningen.</label></kop></divisie><al/><divisie><kop><label>Artikel 13 Woonvoorzieningen.</label></kop><al>De woonvoorziening kan worden verstrekt in vier hoofdvormen:</al><al>Ad a. de algemene woonvoorziening. Hierbij moet worden gedacht aan een
                        mogelijkheid om snel oplossingen voor vaak minder complexe woonproblemen te
                        krijgen. Hierbij moet worden gedacht aan klussendiensten, snel beschikbare
                        voorzieningen uit depot en mogelijk andere, nog te ontwikkelen
                        voorzieningen.</al><al>Ad b. een woonvoorziening in natura. Dergelijke woonvoorzieningen worden
                        niet in de vorm van financiële tegemoetkoming, op individuele basis, worden
                        verstrekt, bijvoorbeeld de losse tillift of een douchestoel. </al><al>Ad c.: het persoonsgebonden budget, bijvoorbeeld een
                        verhuiskostenvergoeding;</al><al>Ad d.: de financiële tegemoetkoming voor woningeigenaren die niet zelf huren
                        en soms ook rechtspersoon zijn. Deze financiële tegemoetkoming wordt genoemd
                        in artikel 7 lid 2 van de wet.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 14 Primaat collectieve woonvoorzieningen en recht op individuele woonvoorzieningen</label></kop><al>In eerste instantie zal worden bezien of een woonprobleem kan worden
                        opgelost met een algemene voorziening. Deze voorziening heeft voorrang bij
                        het zoeken naar een oplossing voor een voor de wet relevant woonprobleem,
                        dus een probleem bij het normale gebruik van de woning<vet>, </vet>zie de
                        toelichting op het amendement dat leidde tot artikel 4 van de wet
                        (amendement Miltenburg c.s., 30 131, nr. 65). Als een algemene voorziening
                        niet volstaat als oplossing ofwel niet aanwezig is in de gemeente, moet het
                        probleem middels een individuele voorziening worden opgelost; dat kan zijn
                        een woonvoorziening in natura of een persoonsgebonden budget.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 15 Soorten woonvoorzieningen.</label></kop><al>Ad a.:</al><al>Het college kan besluiten om een tegemoetkoming te verstrekken in de
                        verhuis- en inrichtingskosten, indien verhuisd wordt naar een aangepaste of
                        een goedkoper aan te passen woning dan de reeds bewoonde woning . Het
                        college maakt de afweging tussen verstrekking van een tegemoetkoming in de
                        verhuiskosten en een woningaanpassing. Een woonvoorziening, en dus ook een
                        verhuiskostenvergoeding is, volgens de Wvg-jurisprudentie van de Centrale
                        Raad van Beroep, alleen bedoeld voor situaties waarin de ondervonden
                        problemen in direct oorzakelijk verband staan met bouwkundige of
                        woontechnische aspecten van de te verlaten woning zelf. Omgevingsfactoren
                        als lawaai, stank, onveiligheidsgevoelens, overlast etcetera zijn dus niet
                        van belang. Uitgangspunt van het gemeentelijk beleid is dat zo goed mogelijk
                        gebruik wordt gemaakt van de voorraad aangepaste woningen in de
                        gemeente.</al><al>Ad b en c.: </al><al>Een bouwkundige of woontechnische woningaanpassing is een aanpassing van de
                        woning zelf, ter compensatie van de problemen die in de woning spelen ten
                        aanzien van de bewoner met een beperking. Onder een woonvoorziening waarbij
                        geen sprake is van een ingreep van bouw- of woontechnische aard zal in de
                        praktijk met name een persoonsgebonden budget voor woningsanering i.v.m.
                        CARA verstaan worden. Ook kan onder deze categorie worden begrepen
                        hulpmiddelen voor baden, wassen en douchenwelke niet nagelvast aan
                        de woning zijn bevestigd, alsmede mobiele patiëntenliften. Deze laatste twee
                        categorieën roerende woonvoorzieningen kunnen ook in de vorm van een
                        voorziening in natura worden verstrekt, bijvoorbeeld in bruikleen of huur,
                        zodat hergebruik mogelijk is.</al><al>Ad d.:</al><al>Omdat met de Wet maatschappelijke ondersteuning niet wordt beoogd om het
                        inhoudelijke beleidsterrein ten opzichte van de vervallen Wet voorzieningen
                        te verbreden, noch om dat te versmallen, is de uitraasruimte als
                        woonvoorziening opgenomen. Een uitraasruimte is een ruimte die op basis van
                        het vervallen artikel 1, lid 1, onder e. van de Wet voorzieningen
                        gehandicapten kan worden gedefinieerd als een verblijfsruimte, waarin een
                        persoon die tengevolge van een beperking in de vorm van een ernstige
                        gedragsstoornis ernstig ontremd gedrag vertoont, zich kan afzonderen of tot
                        rust kan komen. Een zeer specifieke voorziening derhalve, die alleen op
                        basis van een specifieke noodzaak en op basis van een specifieke beperking
                        kan worden verstrekt. Het zal in de regel gaan om een kleine, veilige en
                        prikkelarme ruimte.</al><al>Lid 2.Onder de Wet voorzieningen gehandicapten konden gemeenten
                        woningaanpassingen duurder dan € 20.420,-- onder bepaalde voorwaarden
                        declareren bij het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Onder
                        de Wet maatschappelijke ondersteuning vervalt deze mogelijkheid en zullen de
                        kosten voor rekening van de gemeenten komen. Daarom is er een grens
                        ingesteld.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 16 Primaat van de verhuizing.</label></kop><al>Al onder de Wet voorzieningen gehandicapten gold de regel dat bij een
                        aanvraag voor een woningaanpassing eerst werd bezien of verhuizing naar een
                        andere woning een oplossing kon bieden. Dit is het zogenaamde primaat van de
                        verhuizing. In feite gaat het om een uitwerking van de regel dat in beginsel
                        wordt gekozen voor de goedkoopst adequate voorziening. De mogelijkheid tot
                        het hanteren van het primaat van de verhuizing is onder de Wet voorzieningen
                        gehandicapten in de jurisprudentie erkend, zij het dat wel enkele duidelijke
                        voorwaarden zijn gesteld. In de eerste plaats moeten de financiële gevolgen
                        van de verhuizing voor de woonlasten binnen aanvaardbare financiële grenzen
                        vallen, een eis die ook onder de wet gesteld kan worden. Verder moet
                        duidelijk zijn dat de oplossing in de vorm van een verhuizing kan worden
                        gerealiseerd binnen een uit het advies blijkende medisch verantwoorde
                        termijn. Dat houdt dus in dat het college zicht moet hebben op de
                        woningvoorraad om een indicatie te kunnen geven van de mogelijkheden om
                        binnen die medisch verantwoorde termijn te kunnen verhuizen naar een
                        geschikte aangepaste of goedkoper aan te passen woning. Ook diverse andere
                        relevante aspecten, nader uit te werken in de gemeentelijke beleidsregels,
                        kunnen, afhankelijk van de situatie een rol spelen bij de afweging omtrent
                        het toepassen van het primaat van de verhuizing in een concreet geval. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 17 Primaat van de losse woonunit.</label></kop><al>Onder de Wet voorzieningen gehandicapten konden gemeenten woningaanpassingen
                        duurder dan € 20.420,-- onder bepaalde voorwaarden declareren bij het
                        Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Onder de Wet
                        maatschappelijke ondersteuning vervalt deze mogelijkheid en zullen de kosten
                        voor rekening van de gemeenten komen. Als het gaat om grote aanpassingen aan
                        huurwoningen die opnieuw kunnen worden verhuurd voor de huisvesting van
                        mensen met beperkingen, kan de investering over een langere periode
                        afgeschreven worden. In gevallen waarin dat niet speelt, wordt in principe
                        uitgegaan van het primaat van losse woonunits. In situaties waarin de
                        mogelijkheid in de concrete situaties bestaat, wordt aan gebruik van een
                        dergelijke unit voorrang gegeven middels deze bepaling<cursief>.
                        </cursief></al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 18 Uitsluitingen.</label></kop><al>Een persoonsgebonden budget of een financiële tegemoetkoming voor het
                        treffen van voorzieningen wordt alleen verstrekt als het woonruimten betreft
                        die als zelfstandige woonruimte in het kader van de Wet op de huurtoeslag
                        ook als zodanig aangemerkt worden. Een uitzondering zijn aanpassingen aan
                        woonschepen en binnenschepen; deze komen weinig voor en worden apart
                        geregeld in het verstrekkingenbeleid. Verder worden geen woonvoorzieningen
                        verstrekt in gemeenschappelijke ruimten van woongebouwen voor ouderen of
                        gehandicapten of voorzieningen die in dergelijke gebouwen, ook in de
                        wooneenheden, bij nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten
                        kunnen worden meegenomen. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 19 Hoofdverblijf.</label></kop><al>In tegenstelling tot de Wet voorzieningen gehandicapten wordt in de wet niet
                        expliciet vermeld dat de gemeentelijke compensatieplicht alleen geldt voor
                        de inwoners van de gemeente. Artikel 11 van de wet geeft echter wel een
                        aanwijzing in die richting door vermelding van “ingezetenen”, mede gezien
                        het feit dat er met de wet geen inhoudelijke uitbreiding van de werking van
                        de Wet voorzieningen gehandicapten is beoogd. </al><al>In eerste instantie geeft de gemeentelijke basisadministratie uitsluitsel.
                        Voor bepaalde gezondheidszorginstellingen geldt dat de bewoners een
                        briefadres elders kunnen aanhouden. De gemeente waar de aanvrager van de
                        voorziening daadwerkelijk verblijft heeft de verplichting tot compensatie
                        van beperkingen. In het geval van AWBZ-bewoners heeft deze verplichting geen
                        betrekking op de woonvoorzieningen. Het is noodzakelijk de zinsnede 'of zal
                        hebben' op te nemen voor situaties waarin de aanvrager naar een andere
                        gemeente wil verhuizen en in die gemeente een woning wil laten bouwen of
                        aanpassen voordat deze daadwerkelijk wordt betrokken, zie ook artikel 20,
                        onder b.</al><al>Lid 2. Onder de Wet voorzieningen gehandicapten waren AWBZ-bewoners
                        uitgesloten van het recht op woonvoorzieningen. Een bovenwettelijke
                        uitzondering hierop werd door gemeenten gemaakt voor het zogenaamde
                        bezoekbaar maken van een woonruimte voor bezoek aan ouders of andere
                        familieleden. Deze uitzondering was gebaseerd op de verordening. Omdat met
                        de wet niet wordt beoogd om de omvang van de onder de Wet voorzieningen
                        gehandicapten geregelde zorgplicht in te krimpen of uit te breiden, is de
                        optie van het bezoekbaar maken ook weer in de verordening opgenomen in
                        artikel 19. Verdere verplichtingen dan hier genoemd in de verordening heeft
                        de gemeente derhalve niet. “Bezoekbaar maken” wordt in de verordening daarom
                        gelimiteerd tot het bereikbaar maken van de woonruimte zelf en enkele
                        essentiële ruimten daarin, en kan bovendien in financiële zin worden
                        gemaximeerd, zie lid 4. Onder de Wet voorzieningen gehandicapten werd
                        hiervoor vaak een bedrag gehanteerd dat gelijk was aan het bedrag voor een
                        verhuiskostenvergoeding.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 20 Weigeringsgronden woonvoorzieningen.</label></kop><al>Om in aanmerking te komen voor woonvoorzieningen moet er een duidelijke
                        samenhang zijn tussen de ondervonden woonproblemen en de beperking die men
                        heeft. Aanvragen voor woonvoorzieningen die hun oorzaak vinden in andere
                        factoren dan die beperking, kunnen worden geweigerd op grond van artikel 20.
                        In de aanhef van artikel 20 wordt verwezen naar artikel 2 lid 2. Daarin
                        staan meer weigeringsgronden. Hieronder worden deze weergegeven.</al><al><onderstreept>Andere weigeringsgronden:</onderstreept></al><al>* artikel 2, lid 2 sub c: indien de beperking of het probleem voortvloeit
                        uit de aard van de in de woning gebruikte materialen.</al><al>* artikel 2, lid 2 sub d: voor zover de voorziening betrekking heeft op een
                        hoger niveau dan het niveau van voorzieningen in de sociale woningbouw.</al><al>* artikel 2, lid 2 sub f: indien de aanvraag verband houdt met een
                        verhuizing en deze verhuizing dan wel de acceptatie van de nieuwe woning
                        heeft plaatsgevonden voordat het college een besluit heeft genomen naar
                        aanleiding van de aanvraag.</al><al>Ad a.:</al><al>Onder a. wordt de verhuizing naar een inadequate woning genoemd als
                        weigeringsgrond voor woonvoorzieningen. Niet de ondervonden beperking, maar
                        de verhuizing naar een niet geschikte woning is dan de voornaamste oorzaak
                        van de ondervonden problemen. Deze bepaling heeft voornamelijk betrekking op
                        situaties waarin men gaat verhuizen zonder specifieke reden, maar gewoon
                        omdat men daar zin in heeft. Uitzondering in deze bepaling is de zogeheten
                        “belangrijke reden”. Daarbij moet gedacht worden aan een verhuizing vanwege
                        samenwoning, huwelijk of het aanvaarden van werk elders.</al><al>Ad. b.:</al><al>Als een persoon met beperkingen verhuist, zal deze, in relatie tot die
                        beperkingen, moeten zoeken naar een zo geschikt mogelijke woning. Het is
                        niet de bedoeling dat men zo maar een ongeschikte woning kiest en vervolgens
                        de rekening voor aanpassingen bij de gemeente indient. Met “verhuizen” wordt
                        hier overigens niet alleen gedoeld op de feitelijke verhuizing, maar ook op
                        alle onomkeerbare handelingen die normaal gesproken voorafgaan aan een
                        verhuizing, zoals het tekenen van een koop-, huur- of erfpachtcontract, zie
                        ook artikel 19, lid 1, waarin wordt bepaald dat het gaat om een situatie
                        waarin men in de betreffende woning “zijn hoofdverblijf heeft of zal
                        hebben”. </al><al>Voor de toepassing van deze weigeringsgrond geldt dat ook de gemeente ervoor
                        zal moeten zorgen zicht te hebben op de aangepaste of makkelijk aan te
                        passen woningvoorraad, niet alleen sociale huurwoningen, maar ook in de
                        vrije sector en zonodig het koopwoningenbestand. Daarnaast zal de gemeente
                        haar burgers goed moeten informeren over de gang van zaken bij dit soort
                        verhuizingen. Alleen dan kan worden gemotiveerd dat iemand al dan niet is
                        verhuisd naar de voor zijn situatie meest geschikte woning.</al><al>Ad c.:</al><al>Op basis van het feit dat voorzieningen op grond van de wet in hoofdzaak
                        zijn gericht op het individu, worden in beginsel geen voorzieningen in
                        gemeenschappelijke ruimten van wooncomplexen verstrekt. Evenals onder de Wet
                        voorzieningen gehandicapten gold, zijn er uitzonderingen gemaakt voor de in
                        de verordening genoemde voorzieningen in gemeenschappelijk ruimten. De
                        opsomming is limitatief, dat wil zeggen dat er niet meer hoeft te worden
                        verstrekt dan er in de verordening is genoemd.</al><al>Ad d.</al><al>Onder d. wordt met name gedoeld op verhuiskostenvergoedingen; veel
                        verhuizingen zijn als algemeen gebruikelijk te beschouwen, ook los van de
                        beperking die men heeft. Te denken valt aan verhuizingen van het ouderlijk
                        huis naar een zelfstandige woonruimte, verhuizing van senioren naar een
                        kleinere woning, omdat de eengezinswoning te bewerkelijk is geworden en
                        kinderen reeds zelfstandig wonen. </al><al>Ad e.:</al><al>Verhuizingen naar AWBZ- en andere zorginstellingen leiden ertoe dat de
                        aanvrager buiten de doelgroep van de wet valt; deze mensen kunnen immers
                        niet meer zelfstandig participeren, en hebben dus geen aanspraak op
                        woonvoorzieningen, ook al omdat ze die onder de Wvg ook al niet hadden. Als
                        er in de te verlaten woning geen problemen bij het normale gebruik van de
                        woning werden ervaren, is de verhuizing naar de nieuwe woning kennelijk de
                        oorzaak van de problemen en is men verhuisd naar een inadequate woning. In
                        dergelijke situaties is er, evenals onder de Wet voorzieningen gehandicapten
                        geen aanspraak op woonvoorzieningen, hetgeen al meermaals door de Centrale
                        Raad van Beroep is bevestigd.</al><al>Ad. f: </al><al>Om in aanmerking te komen voor woonvoorzieningen moet er een duidelijke
                        samenhang zijn tussen de ondervonden woonproblemen en de beperking die men
                        heeft. Aanvragen voor woonvoorzieningen die hun oorzaak vinden in andere
                        factoren dan die beperking, kunnen worden geweigerd op grond van dit
                        artikel.</al><al>Ad.g:</al><al>Hiermee wordt bijvoorbeeld bedoeld het niet meer kunnen onderhouden van een
                        grote tuin. Dit is geen grond voor het toekennen van een
                        woonvoorziening.</al><al>Lid 2: </al><al>Is opgenomen met het oog op mensen met een beperking die voor het eerst
                        zelfstandig gaan wonen. Zij kunnen m.b.t. noodzakelijke aanpassingen i.v.m.
                        hun beperkingen wel een beroep doen op de Wmo. Voor het algemeen
                        gebruikelijke deel van de verhuis- en inrichtingskosten komen zij, net als
                        ieder ander die voor het eerst zelfstandig gaat wonen, niet in
                        aanmerking.</al><al><onderstreept>Bij andere weigeringsgronden:</onderstreept></al><al>* art. 2, lid 2 sub c:</al><al>Geen woonvoorziening wordt verleend indien de in of aan de woning gebruikte
                        materialen (mede) de oorzaak zijn van de ondervonden beperking, zoals
                        bijvoorbeeld een allergie. Een uitzondering geldt indien er sprake is van
                        niet voorziene, onverwacht optredende meerkosten waarvoor de
                        ondersteuningsbehoevende niet heeft kunnen reserveren, bijvoorbeeld in het
                        geval dat uit een medisch onderzoek plotseling blijkt dat de
                        ondersteuningsbehoevende lijdt aan een ziekte of gebrek (bijvoorbeeld CARA)
                        waardoor hij zijn woning dient te saneren. Ook wordt geen woonvoorziening
                        verleend indien de ondervonden beperking het gevolg is van achterstallig
                        onderhoud of vocht en tocht, veroorzaakt door in de woning gelegen factoren.
                        De eigenaar van een woning (al dan niet in de sociale huursector) dient zijn
                        woning deugdelijk te onderhouden. Alleen in die situaties dat de
                        ondersteuningsbehoevende met een inkomen op het sociaal minimum te maken
                        heeft met een woningeigenaar die weigert tot onderhoud/aanpassing (al dan
                        niet gepaard gaande met een huurverhoging) over te gaan, kan een voorziening
                        worden verleend.</al><al>* art. 2, lid 2 sub d:</al><al>Het uitrustingsniveau voor sociale woningbouw is vastgesteld in het
                        Bouwbesluit 2003. Woonvoorzieningen die op dat uitrustingsniveau worden
                        verstrekt, zijn in beginsel van voldoende kwaliteit; duurdere of andere
                        voorzieningen hoeven niet te worden verstrekt. Een duidelijke begrenzing
                        derhalve. Garages bijvoorbeeld vallen daarom niet onder dit niveau. Alleen
                        in die gevallen dat bijvoorbeeld vanuit welstandstoezicht hogere eisen
                        worden gesteld, kan het college hierop een uitzondering maken. Over de
                        hiermee gepaard gaande kosten moeten in een concrete situatie afspraken
                        gemaakt worden. Ook bij hulp bij het huishouden speelt deze bepaling een
                        rol. Indien bijvoorbeeld aanzienlijk meer hulp wordt gevraagd vanwege het
                        feit dat men in een veel grotere of meer luxe woning woont, geeft deze
                        bepaling een duidelijke grens aan.</al><al>* art. 2, lid 2 sub f:</al><al>Het college moet in staat worden gesteld om vast te stellen of de oude
                        woonruimte inderdaad inadequaat is voor de aanvrager. Adequaat betekent dan
                        dat er een afweging is gemaakt tussen de mogelijkheid van aanpassing van de
                        huidige woning en de verhuizing naar een nieuwe woning en deze afweging in
                        het voordeel van verhuizing uitvalt maar ook dat de nieuwe woonruimte
                        voldoende tegemoetkomt aan de beperkingen van de aanvrager. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 21 Terugbetaling bij verkoop.</label></kop><lijst><li nr=""><al>Een woningaanpassing kan tot een waardestijging van de woning
                                leiden. Om dit te bepalen moet voor en na de aanpassing een taxatie
                                worden uitgebracht. In de praktijk is dit omslachtig en vaak
                                overbodig. Daarom wordt uitsluitend gesproken over het terugbetalen
                                van het door de gemeente betaalde deel van de woningaanpassing.
                                Begrensd tot 10 jaar na de datum van gereedmelding.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk 5 Het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel.</label></kop></divisie><al/><divisie><kop><label>Artikel 22 Vormen van te verstrekken voorzieningen.</label></kop><al>Ad a.:</al><al>Er is nog geen sprake van een algemene voorziening. Er kan worden gedacht
                        aan de mogelijkheden voor het opzetten van scootmobielpools.</al><al>Ad b.:</al><al>De collectieve vervoersvoorziening is al bekend in de vorm van het
                        collectief vraagafhankelijk vervoer, zoals dat zich vanaf 1994 onder de Wet
                        voorzieningen gehandicapten heeft ontwikkeld.. </al><al>Ad c.:</al><al>Individuele voorzieningen in natura kunnen bestaan uit een diversiteit van
                        vervoermiddelen, evenals onder de Wet voorzieningen gehandicapten. In het
                        Verstrekkingenbeleid wordt uitgewerkt onder welke voorwaarden men voor een
                        bepaald soort voorziening in aanmerking komt. </al><al>Ad d.:</al><al>Belangrijkste aanvulling ten opzichte van de Wet voorzieningen gehandicapten
                        is het persoonsgebonden budget. De vaststelling van de hoogte van het
                        persoonsgebonden budget door het college wordt in het Besluit
                        maatschappelijke ondersteuning gemeente Winterswijk uitgewerkt.</al><al>Resumerend betekent dit de volgende vervoersvoorzieningen:</al><lijst><li nr="a."><al>een collectief systeem van aanvullend al dan niet openbaar
                                vervoer;</al></li><li nr="b."><al>een vergoeding van vervoer per eigen auto;</al></li><li nr="c."><al>vervoer per taxi;</al></li><li nr="d."><al>vervoer per rolstoeltaxi;</al></li><li nr="e."><al>een aanpassing van een eigen auto;</al></li><li nr="f."><al>een al dan niet aangepaste auto;</al></li><li nr="g."><al>een al dan niet aangepaste gesloten buitenwagen;</al></li><li nr="h."><al>een scootmobiel;</al></li><li nr="i."><al>een training voor het gebruik van een scootmobiel of een gesloten
                                buitenwagen;</al></li><li nr="j."><al>een ander vervoermiddel dan de vervoermiddelen genoemd in de
                                onderdelen f, g en h.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel 23 Het recht op een algemene voorziening.</label></kop><al>Door deze formulering is bepaald dat louter de aantoonbare beperkingen van
                        de persoon in relatie tot de beperkingen van de bestaande vervoerssystemen
                        bepalend zijn voor de vraag of, en zo ja in hoeverre de aanvrager in
                        aanmerking komt voor een voorziening terzake. </al><al>Algemeen criterium om in aanmerking te kunnen komen voor een vervoermiddel
                        is het ten gevolge van een beperking niet kunnen gebruiken van het openbaar
                        vervoer. Die regel stamt uit de aan de Wet voorzieningen gehandicapten
                        voorafgaande AAW, en wordt in de praktijk beoordeeld door te kijken naar de
                        loopafstand van een aanvrager (de bekende 800-metergrens).</al><al>Doordat de streekbus, bijvoorbeeld voor iemand met een functionele beperking
                        niet toegankelijk is, heeft men recht op een vervoersvoorziening. Psychische
                        problemen (men durft niet in een drukke bus, men is bang voor de trein) zijn
                        daardoor in principe geen indicatie voor een vervoersvoorziening. Hier moet
                        een adequate voorziening getroffen worden. Deze kan wellicht beter gevonden
                        worden buiten de wet, door middel van een therapie waardoor de blokkade
                        opgeheven kan worden. Is in zo'n situatie de problematiek op te lossen, dan
                        was de problematiek tijdelijk en viel deze derhalve terecht niet onder de
                        wet, bij gebrek aan een langdurige noodzaak. Anders wordt het als blijkt dat
                        het probleem niet therapeutisch opgelost kan worden. Dan is wel een
                        langdurige noodzaak aanwezig en zou wel een vervoersvoorziening verstrekt
                        kunnen worden.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 24 Het primaat van de collectieve vervoersvoorziening.</label></kop><al>Artikel 24 geeft het primaat van de algemene voorzieningen aan boven de
                        individuele verstrekkingen zoals genoemd onder b. en c. van artikel 22. Men
                        kan voor individuele verstrekkingen in aanmerking komen: </al><al>a indien men door de aard van de beperking geen gebruik kan maken van een
                        collectieve vervoersvoorziening of; </al><al>b indien er geen collectieve voorziening aanwezig is.</al><al>Individuele voorzieningen kunnen echter ook in aanvulling op het gebruik van
                        een collectief systeem verstrekt worden. Dit is het geval wanneer het
                        collectief systeem de vervoersbehoefte van de aanvrager die een aanspraak
                        heeft niet volledig dekt. Dit is volgens de jurisprudentie van de Centrale
                        Raad van Beroep onder de Wet voorzieningen gehandicapten van bijzonder
                        belang bij mensen die slechts zeer beperkt mobiel zijn (mensen met een
                        loopafstand van maximaal circa 100 meter). Alleen collectief vervoer is voor
                        deze categorie mensen geen adequate voorziening.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 25 Algemeen gebruikelijke vervoersvoorzieningen.</label></kop><al>Onder de Wet voorzieningen gehandicapten is in de rechtspraak van de
                        Centrale Raad van Beroep bepaald dat het stellen van een inkomensgrens voor
                        een forfaitaire tegemoetkoming in vervoerskosten bij een inkomen van 1,5 x
                        de bijstandsnorm niet in strijd was met de geldende zorgplicht. Iemand met
                        een dergelijk inkomen wordt geacht de kosten van het lokaal vervoer of bezit
                        en gebruik van een auto zelf te kunnen dragen. Waarbij een auto en de
                        daarmee samenhangende kosten als algemeen gebruikelijk kunnen worden
                        beschouwd.</al><al>Er is een duidelijke relatie met het begrip “algemeen gebruikelijk”;
                        indirect worden de kosten van vervoer in relatie tot het inkomen algemeen
                        gebruikelijk geacht. </al><al>Deze bepaling geldt niet voor collectief vraagafhankelijk vervoer.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 26 Omvang in gebied en in kilometers.</label></kop><al>Onder de Wet voorzieningen gehandicapten is de zorgplicht voor vervoer
                        beperkt tot verplaatsingen in het kader van het leven van alledag in de
                        directe woon- of leefomgeving; de wet spreekt nu in artikel 4 lid 1, onder
                        c. over “het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel”. Dit lijkt nog
                        beperkter te zijn dan de zorgplicht onder de Wet voorzieningen
                        gehandicapten, maar aangezien met de Wet maatschappelijke ondersteuning niet
                        is beoogd de reikwijdte van de Wet voorzieningen gehandicapten te beperken
                        of uit te breiden, is er geen reden om aan te nemen dat de alleen de
                        letterlijk lokale verplaatsingen onder de wet zullen vallen. Vandaar dat in
                        artikel 26, conform de onder de Wet voorzieningen gehandicapten gevormde
                        jurisprudentie, wordt uitgegaan van de eigen woon- of leefomgeving, met als
                        uitzondering de bovenregionale zorgplicht, zoals die ook in de
                        Wvg-jurisprudentie is omschreven.</al><al>Sinds maart 2002 houdt de vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van
                        Beroep onder de Wet voorzieningen gehandicapten in dat een
                        vervoersvoorziening of een combinatie van voorzieningen de mogelijkheid moet
                        bieden om op jaarbasis minimaal 1.500-2.000 kilometer af te leggen. Deze
                        jurisprudentie wordt hier vastgelegd, aangezien met de wet niet wordt beoogd
                        de werkingssfeer van de Wet voorzieningen gehandicapten uit te breiden.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk 6 Rolstoelen.</label></kop></divisie><al/><divisie><kop><label>Artikel 27 Diverse typen rolstoelvoorzieningen.</label></kop><al>Onder de Wet voorzieningen gehandicapten waren rolstoelen in de wet zelf als
                        aparte categorie voorzieningen opgenomen. In de Wet maatschappelijke
                        ondersteuning is dat niet het geval, maar aangezien met deze wet niet wordt
                        beoogd het beleidsterrein ten opzichte van de voorafgaande Wet voorzieningen
                        gehandicapten te verbreden of te versmallen, wordt de rolstoel gehandhaafd
                        als de enige voorziening waarmee beperkingen bij het verplaatsen in en rond
                        de woning in het kader van de wet gecompenseerd kunnen worden. Een definitie
                        van een rolstoel is niet te geven, daarom dient hier onder het begrip
                        “rolstoel” een rolstoel begrepen te worden zoals iedereen die kent. Deze
                        rolstoel kan zowel handbewogen als elektrisch aangedreven zijn. Een
                        trippelstoel wordt niet als rolstoel beschouwd en wordt niet op grond van de
                        wet verstrekt. De trippelstoel valt onder de door de Regeling
                        Zorgverzekering te verstrekken voorzieningen. Een elektrisch voortbewogen
                        trippelrolstoel valt wel onder de werking van deze verordening. Een rolstoel
                        kan zowel worden gebruikt als een verplaatsingsmiddel voor binnen als voor
                        buiten. Primair doel van de rolstoel is het zittend verplaatsen, omdat
                        lopend verplaatsen, ook met op grond van andere regelingen te verstrekken
                        voorzieningen als looprekken, rollators, wandelstokken en krukken niet of
                        onvoldoende mogelijk is. Kosten van onderhoud en reparatie van de rolstoel
                        vallen eveneens onder de wet.</al><al>Voorzieningen die geen verband houden met het genoemde primaire
                        verstrekkingsdoel, het verplaatsen, omdat ze nodig zijn in verband met
                        therapeutische doeleinden, worden eveneens op grond van de wet verstrekt.
                        Hierbij valt te denken aan aanpassingen voor het gebruik van
                        zuurstofapparatuur en andere aanpassingen. Bij accessoires gaat het
                        uiteraard alleen om medisch noodzakelijke en niet-algemeen gebruikelijke
                        zaken.</al><al>De sportrolstoel valt in het kader van deze verordening onder het begrip
                        rolstoel. Onder de Wet voorzieningen gehandicapten was de sportrolstoel,
                        meestal verstrekt in de vorm van een forfaitaire financiële tegemoetkoming,
                        een bovenwettelijke voorziening die alleen op basis van de verordening werd
                        verstrekt.</al><al>De verstrekking betreft een verstrekking in natura en in de vorm van een
                        persoonsgebonden budget voor rolstoelen voor dagelijks zittend gebruik
                        alsmede voor sportrolstoelen. Dit houdt in dat rolstoelen voor incidenteel
                        gebruik in principe niet worden verstrekt, omdat niet voldaan wordt aan het
                        criterium “voor dagelijks zittend verplaatsen”. Hiermee wordt aangesloten op
                        het verstrekkingencriterium, zoals dat onder de Wet voorzieningen
                        gehandicapten gold.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 28 Incidenteel, danwel dagelijks rolstoelgebruik en sportrolstoel.</label></kop><al>In dit artikel is geregeld dat een aanvrager voor een rolstoel in aanmerking
                        kan komen als het gaat om incidenteel of dagelijks gebruik van de rolstoel,
                        waarbij deze een rolstoel in natura of in de vorm van een persoonsgebonden
                        budget verstrekt zal worden als de rolstoel voor het dagelijks zittend
                        verplaatsen in en om de woning langdurig medisch noodzakelijk is.</al><al>Geen rolstoel wordt verstrekt als hulpmiddelen als krukken, een rollator, of
                        andere hulpmiddelen een voldoende oplossing bieden voor het
                        verplaatsingsprobleem. Wel kan, als dit noodzakelijk is, een rolstoel
                        verstrekt worden in aanvulling op dergelijke voorzieningen, mits het gebruik
                        dagelijks noodzakelijk is. De nadere verstrekkingscriteria worden vastgelegd
                        in de beleidsregels.</al><al>Een sportrolstoel, in principe altijd te verstrekken als een
                        persoonsgebonden budget, zal verstrekt worden als zonder de sportrolstoel
                        sportbeoefening niet mogelijk is of zal zijn. Daarbij dient onder het begrip
                        sportrolstoel uitsluitend een sportrolstoel verstaan te worden. Andere
                        sportvoorzieningen worden niet verstrekt, evenmin als hulpmiddelen aan een
                        sportrolstoel zoals een handbike, die alleen voor sportbeoefening, en niet
                        voor het lokaal verplaatsen nodig is.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 29 Aanspraak op rolstoelvoorzieningen voor AWBZ-bewoners.</label></kop><al>Recht op een op grond van de AWBZ verstrekte rolstoel aan AWBZ-bewoners
                        bestaat alleen indien de AWBZ-bewoner zowel de AWBZ-functie “verblijf”, als
                        de functie “behandeling” geniet in één en dezelfde erkende AWBZ-instelling.
                        Als een AWBZ-bewoner niet aan deze voorwaarde voldoet, is er ook geen recht
                        op een AWBZ-rolstoel, en zal er door de gemeente een rolstoel moeten worden
                        verstrekt op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning. </al><al>Onduidelijkheid kan ontstaan, wanneer een instelling met alleen erkenning
                        voor de AWBZ-functie “verblijf” (bijvoorbeeld een verzorgingshuis) de
                        AWBZ-functie “behandeling”als het ware inkoopt bij een voor die functie wél
                        erkende instelling. Het “verzorgingshuis met verpleegafdeling” is een
                        veelvoorkomende situatie, waarin in de instelling wél beide AWBZ-functies
                        kunnen worden “genoten”, maar de instelling zelf geen erkenning heeft voor
                        beide AWBZ-functies, maar alleen voor de functie “verblijf”. Het gevolg is
                        dat er geen recht op een AWBZ-rolstoel bestaat in een dergelijke situatie,
                        juist omdat beide functies op die verpleegafdeling niet door één en dezelfde
                        erkende AWBZ-instelling worden verzorgd, maar door twee verschillende
                        AWBZ-instellingen, waarbij de ene instelling gebruik maakt van de erkenning
                        van de andere instelling. </al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk 7 Het verkrijgen van voorzieningen en het motiveren van besluiten</label></kop></divisie><al/><divisie><kop><label>Artikel 30 Gebruik aanvraagformulier.</label></kop><al>In artikel 4:1 van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald dat een aanvraag
                        tot het geven van een beschikking schriftelijk wordt ingediend, tenzij bij
                        wettelijk voorschrift anders is bepaald. Dat betekent dat er altijd een
                        eerste handeling van de kant van de aanvrager noodzakelijk is: er moet eerst
                        een aanvraag worden ingediend. Een persoon uit de doelgroep van deze wet kan
                        dus niet verwachten dat vanuit de gemeente op eigen initiatief iets in zijn
                        of haar richting wordt ondernomen. In dit artikel is bepaald dat de aanvraag
                        plaats dient te vinden op een daartoe beschikbaar gesteld aanvraagformulier.
                        De aanvraag in het kader van de wet die niet op het beschikbaar gestelde
                        aanvraagformulier is ingediend, kan echter niet zonder meer buiten
                        behandeling worden gelaten. De Algemene wet bestuursrecht bepaalt immers dat
                        de aanvraag in ieder geval naam en adres van de aanvrager en een aanduiding
                        van de beschikking die gevraagd wordt, dient te bevatten en verder
                        ondertekend moet zijn. Jurisprudentie leert dat een ondertekend formulier,
                        dat overigens niet is ingevuld, geaccepteerd dient te worden als de overige
                        benodigde bescheiden daarbij zijn gevoegd. Het ligt voor de hand in een
                        dergelijke situatie te verzoeken om aanvulling van de gegevens.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 31 Relatie met de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten.</label></kop><al>Op basis van het amendement-Mosterd c.s. (kamerstuk nr. 30 131-54 ) is in
                        artikel 5, lid 2, onder a. van de wet opgenomen dat de gemeenteraad bij
                        verordening regels moet vaststellen omtrent de wijze waarop de toegang tot
                        individuele voorzieningen in samenhang met voorzieningen op het gebied van
                        wonen en zorg als bedoeld in de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten is
                        geregeld. </al><al>Gezien de toelichting op dit amendement, waarbij is vermeld dat lid 2, onder
                        a. ertoe strekt dat “de gemeente bepaalt hoe achter één loket de samenhang
                        van toegang tot voorzieningen krachtens deze wet met toegang tot
                        zorgvoorzieningen krachtens de AWBZ of toegang tot voorzieningen op het
                        gebied van wonen is geregeld”, wordt gedoeld op de zogenaamde
                        één-loketgedachte. Wetsbepaling en toelichting lopen echter enigszins uit
                        elkaar, omdat in de wetsbepaling “voorzieningen op het gebied van wonen en
                        zorg als bedoeld in de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten” gebundeld (als
                        vallend onder de AWBZ) worden genoemd, terwijl in de toelichting op het
                        amendement waarop de wetsbepaling is gebaseerd onderscheid wordt gemaakt
                        tussen toegang tot zorgvoorzieningen krachtens de AWBZ en toegang tot
                        voorzieningen op het gebied van het wonen. Verder wordt er, zoals hierboven
                        al geciteerd, in de toelichting geen onderscheid meer gemaakt tussen raad en
                        college, slechts “de gemeente” wordt genoemd. Praktisch gezien zalde
                        concrete uitvoering van activiteiten in het Zorgloket en de werking ervan
                        een typische uitvoeringsactiviteit, dus naar zijn aard vallend onder de
                        verantwoordelijkheid van het college. De door de raad vast te stellen
                        verordening beperkt zich daarom tot het aanwijzen van een loket, waarbij de
                        nadere uitwerking daarvan via het college geregeld moet worden. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 32 Inlichtingen, onderzoek, advies.</label></kop><al>Lid 1 onder a. en b. van dit artikel in de Verordening bepaalt dat het
                        college bevoegd is de aanvrager op te roepen in persoon te verschijnen en te
                        ondervragen op een door het college te bepalen plaats en tijdstip en te
                        laten onderzoeken en/of ondervragen door een of meer daartoe aangewezen
                        deskundigen. Dit alles met de beperking dat dit in het belang moet zijn van
                        de aanvraag.</al><al>Lid 2. Afdeling 3:3 van de Algemene wet bestuursrecht, geeft in een vijftal
                        artikelen enige algemene bepalingen over (externe) advisering. Artikel 3:5
                        lid 1 Algemene wet bestuursrecht geeft aan dat in deze afdeling onder
                        adviseur verstaan wordt: een persoon of college, bij of krachtens wettelijk
                        voorschrift belast met het adviseren inzake door een bestuursorgaan te nemen
                        besluiten en niet werkzaam onder verantwoordelijkheid van dat
                        bestuursorgaan. </al><al>In tegenstelling tot hetgeen er was bepaald in de Wet voorzieningen
                        gehandicapten is in de wet niet geregeld dat er een adviseur benoemd moet
                        worden. Advies zal in het kader van de uitvoering van de wet echter
                        onontbeerlijk zijn. De gemeente dient één of meer adviseurs aan te wijzen om
                        in het kader van de wet advies uit te brengen. In de verordening wordt niet
                        opgenomen wie de adviseur is. Men kan immers meer adviseurs in
                        verschillende, zelfs wisselende situaties hebben, hetgeen een eenduidige
                        vermelding onmogelijk maakt. </al><al>Advies wordt in ieder geval gevraagd wanneer het een eerste aanvraag door de
                        betrokkene betreft. Dit bijvoorbeeld om te kunnen beoordelen of het wellicht
                        om een progressief ziektebeeld gaat, waarbij vooruitlopend op dit proces
                        reeds eerder ingrijpender maatregelen getroffen dienen te worden dan op het
                        moment van de aanvraag nodig lijkt. Doorslaggevend is echter dat vanaf het
                        begin duidelijk geobjectiveerd wordt wat er medisch gezien speelt bij de
                        betrokken aanvrager. Het spreekt voor zich dat bij overgang van AWBZ en Wvg
                        naar deze wet voor diegenen die al een voorziening hadden niet gesproken
                        wordt van eerste aanvraag. Van eerste aanvraag wordt gesproken als een
                        aanvrager in zijn geheel niet bekend is bij deze wet.</al><al>Een afwijzing om medische redenen, zoals bedoeld onder b., kan uiteraard
                        alleen maar op basis van een medisch advies. </al><al>Met name wanneer de aard van de aandoening niet echt duidelijk is, is advies
                        onontbeerlijk. Er moet worden voorkomen, dat een voorziening wordt verstrekt
                        die anti revaliderend kan werken. Dat kan bij verstrekking van voorzieningen
                        zelfs tot invaliderende effecten voor de aanvrager en onnodige kosten voor
                        de gemeente leiden. Dit probleem speelt in het bijzonder bij een aantal
                        zogeheten (medisch) moeilijk objectiveerbare aandoeningen (m)moa’s.</al><al> Tot slot vraagt het college advies, indien dit overigens gewenst wordt
                        geacht. Het zal duidelijk zijn dat hier een scala aan argumenten op te
                        voeren valt. Door deze bepaling is het echter te allen tijde mogelijk om
                        advies te vragen. Het is verstandig hierbij te (kunnen) motiveren waarom
                        advies gevraagd wordt, met het oog op een eventuele beroepsprocedure, waarin
                        dit een rol zou kunnen spelen. </al><al>Lid 3. Deze bepaling spreekt voor zich; het is duidelijk dat gegevens inzake
                        de medische toestand, het inkomen, de woonsituatie en allerlei andere
                        gegevens noodzakelijk kunnen zijn om een aanvraag te kunnen beoordelen. Er
                        is een duidelijke praktische samenhang met artikel 32 lid 1 van deze
                        verordening, inzake het gebruik van een door het college te verstrekken
                        formulier. Door middel van gebruik van een formulier kunnen de procedures
                        inzake de gegevensverstrekking worden gestroomlijnd.</al><al>Uiteraard moet er niet meer worden opgevraagd dan noodzakelijk is voor het
                        nemen van een besluit op de aanvraag, zie hieromtrent ook artikel 4:3
                        Algemene wet bestuursrecht. Weigert de aanvrager echter de voor het nemen
                        van het besluit noodzakelijke gegevens te verstrekken, dan rest het college
                        niets anders dan de aanvraag volgens de procedure van artikel 4:5 Algemene
                        wet bestuursrecht buiten behandeling te laten. </al><al>Ten aanzien van het omgaan met de – vaak privacygevoelige – gegevens moet de
                        gemeente rekening houden met de verplichtingen die voortvloeien uit de Wet
                        bescherming persoonsgegevens (Wbp). </al><al>Lid 4 geeft aan dat bij de advisering gebruik gemaakt moet worden van de
                        zogenaamde ICF-classificatie van de Wereld Gezondheidsorganisatie. Deze
                        bepaling is in de verordening opgenomen naar aanleiding van de toelichting
                        op amendement 65, waarin staat “Voor de gemeentelijke uitvoeringspraktijk
                        biedt de International Classification of Functions, Disabilities and
                        Impairments (ICF classificatie) een uniform begrippenkader dat als grondslag
                        kan dienen om de behoefte aan voorzieningen in individuele gevallen vast te
                        stellen.”</al><al>Mede omdat bij de indicatiestelling van de diverse functies in de Algemene
                        Wet Bijzondere Ziektekosten eveneens van deze classificatie gebruik wordt
                        gemaakt kan het gebruik van de ICF-classificatie afstemming tussen de
                        Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten en deze wet vergemakkelijken.</al><al>Lid 5 vertaalt de opdacht van artikel 26 lid 1 van de wet naar de
                        verordening en bepaalt dat de beschikking dient te vermelden op welke wijze
                        de genomen beschikking bijdraagt aan het behouden en bevorderen van de
                        zelfredzaamheid en de normale maatschappelijke participatie van mensen met
                        een beperking of een chronisch psychisch probleem en van mensen met een
                        psychosociaal probleem.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 33 Samenhangende afstemming. </label></kop><al>In artikel 5, lid 2, onder b. van de wet is vastgelegd dat de raad in de
                        verordening bepaalt op welke wijze de verkrijging van individuele
                        voorzieningen samenhangend afgestemd wordt op de situatie van de aanvrager.
                        Deze bepaling is bedoeld om, naast de toepassing van algemene
                        bestuursrechtelijke zorgvuldigheidseisen, de inhoud van de voorzieningen
                        zelf, vanuit cliëntperspectief, in samenhang te bezien. Evenals het genoemde
                        in de toelichting op artikel 31 van deze verordening, gaat het hier naar
                        zijn aard om uitvoeringsbeleid.Er is een specifieke onderzoeksverplichting
                        aan het college opgelegd.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 34 Wijzigingen in de situatie.</label></kop><al>Het spreekt voor zich dat wijzigingen in de situatie gemeld dienen te worden
                        in al die gevallen dat zij van invloed zijn op de verstrekte of te
                        verstrekken voorzieningen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 35 Intrekking van een voorziening</label></kop><al>Duidelijk is, dat de verstrekking van voorzieningen gebonden is aan
                        voorwaarden. Het is in verband met het kenbaarheidsvereiste, verwoord in de
                        passage “waarvan redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze van invloed
                        zijn op het recht op een voorziening”, van groot belang om de
                        beschikkingsvoorwaarden duidelijk te vermelden in een beschikking. Het is
                        daarom raadzaam om een belanghebbende te wijzen op de voorwaarden die het
                        recht op de voorziening met zich meebrengen. Daarnaast is het belangrijk in
                        de beschikking ook expliciet te wijzen op de verplichting om wijzigingen in
                        de situatie aan het college door te geven. Mocht er sprake zijn van een, om
                        wat voor reden dan ook, ten onrechte toegekende voorziening, dan
                        vergemakkelijkt een duidelijke formulering in de beschikking een eventuele
                        beëindiging of terugvordering van (het recht op) een voorziening , omdat de
                        betrokkene zich dan niet kan beroepen op onbekendheid met de feiten. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 36 Terugvordering</label></kop><al>De wet bevat geen bepalingen omtrent terugvordering van voorzieningen, wat
                        reden is om deze mogelijkheid op te nemen in de verordening, omdat er anders
                        geen juridische basis is om voorzieningen terug te vorderen. Indien er, naar
                        later blijkt, ten onrechte is uitbetaald of geleverd (voorziening in natura)
                        is, kan het college de voorziening geheel of gedeeltelijk terugvorderen. Het
                        besluit tot herziening van het recht op de voorziening en de daaraan
                        gekoppelde terugvordering biedt echter geen executoriale titel, zoals
                        bijvoorbeeld in de Wet werk en bijstand het geval is bij terugvordering. Er
                        is wel sprake van een civielrechtelijke vordering op grond van
                        onverschuldigde betaling waarvoor het Burgerlijk Wetboek, boek 6 artikel 203
                        e.v. de wettelijke basis biedt. Aan de gerechtelijke procedure zijn kosten
                        verbonden, met name in gevallen waarin de vordering hoger is dan € 5.000,-
                        en dus een procedure met procureurstelling bij de rechtbank noodzakelijk is.
                        Bij lagere bedragen kan een eenvoudige dagvaardingsprocedure bij de
                        kantonrechter gevolgd worden, zonder verplichte procureurstelling.</al><al>Het ligt voor de hand dat van de mogelijkheid tot terugvordering in ieder
                        geval gebruik wordt gemaakt indien er aan de zijde van de aanvrager sprake
                        is van verwijtbaarheid.Wanneer deze dus bewust verkeerde gegevens heeft
                        verstrekt, bijvoorbeeld over zijn inkomen. Ook kan terugvordering van een
                        voorziening in natura aan de orde zijn wanneer de aanvrager in gebreke
                        blijft zijn eigen bijdrage binnen de gestelde termijn en na aanmaning te
                        voldoen. Het is raadzaam vooraf een inschatting te maken van de kosten en te
                        verwachten baten, gezien de mogelijke kosten van een civielrechtelijke
                        procedure. Daarbij moet niet alleen gekeken worden naar de kosten van
                        inschakeling van een procureur, maar ook naar mogelijke invorderingskosten,
                        zoals de kosten van inschakeling van een deurwaarder. Niet alleen een kosten
                        - baten - analyse, doch ook de gevolgen van precedentwerking moeten in de
                        beoordeling worden betrokken.</al><al>Wanneer blijkt dat een financiële tegemoetkoming of een gemaximeerde
                        vergoeding binnen zes maanden na de uitbetaling niet is aangewend voor de
                        bekostiging van de voorziening waarvoor deze is verleend, kan deze betaling
                        ook worden teruggevorderd. Het gaat hierbij om voorzieningen waarbij de
                        uitbetaling van de tegemoetkoming of de vergoeding aan de aanschaf van de
                        voorziening voorafgaat. Bij woningaanpassingen zal dit in de regel niet
                        voorkomen omdat de uitbetaling pas dan plaatsvindt nadat de woningaanpassing
                        is uitgevoerd. Artikel 36 is dus niet van toepassing op
                        woningaanpassingen.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk 8 Slotbepalingen.</label></kop></divisie><al/><divisie><kop><label>Artikel 37 Hardheidsclausule.</label></kop><al>Artikel 37 bepaalt dat het college in bijzondere gevallen ten gunste van de
                        aanvrager kan afwijken van de bepalingen van deze verordening, en dus niet
                        van de in de wet zelf genoemde bepalingen. Zonodig wordt hierbij advies
                        ingewonnen. Dit afwijken kan alleen maar ten gunste, en nooit ten nadele van
                        de betrokken persoon met beperkingen of de eigenaar van de woonruimte. Bij
                        de woningeigenaar, bijvoorbeeld een corporatie kan gedacht worden aan een
                        situatie waar het van belang is dat een woonruimte ook langer dan zes
                        maanden leeg staat, omdat bijvoorbeeld bekend is dat een persoon met
                        beperkingen voor wie de aangepaste woning uitermate geschikt is, op het punt
                        staat om uit een revalidatiecentrum te worden ontslagen. In die gevallen kan
                        het doelmatiger zijn om een langere periode een tegemoetkoming in de
                        huurderving te verstrekken. Verder is met nadruk gemeld: in bijzondere
                        gevallen. Het gebruik maken van de hardheidsclausule moet beschouwd worden
                        als een uitzondering en niet als een regel. Het college moet in verband met
                        precedentwerking dan ook duidelijk aangeven waarom in een bepaalde situatie
                        van de verordening wordt afgeweken.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 38 Indexering.</label></kop><al>Deze bepaling maakt het mogelijk alle bedragen, genoemd in het op de
                        verordening gebaseerde Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente
                        Winterswijk, te indexeren.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 39 Evaluatie.</label></kop><al>Op grond van dit artikel dient het gemeentelijk beleid periodiek geëvalueerd
                        te worden. Dat beleid omvat zowel het algemene beleid, zoals door de
                        gemeenteraad neergelegd in de verordening, als het uitvoeringsbeleid, dat
                        onder de bevoegdheid van het college is neergelegd in beleidsregels. Indien
                        de evaluatie daartoe aanleiding geeft, bijvoorbeeld omdat het
                        voorzieningenniveau te hoog of te laag blijkt te zijn, dient de evaluatie te
                        leiden tot aanpassing van de verordening of van de beleidsregels.</al><al>Voor de evaluatie van het beleid en de interne controle wordt aangesloten op
                        het model dat voor de afdeling Sociale Zaken geldt.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikelen 40 en 41 Inwerkingtreding en citeertitel.</label></kop><al>Deze bepalingen spreken voor zich en worden niet nader toegelicht.</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>