<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91-->
  
  
  
  
  
  
  
  
  <meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR376221_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening zuiveringsheffing 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Waterschap">Waterschap Scheldestromen</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-05-23</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Waterschap">Waterschap Scheldestromen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/wsb-2015-9975.html">Waterschapsblad, 28 december 2015</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening zuiveringsheffing waterschap Scheldestromen 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005108&amp;artikel=110">Waterschapswet, art. 110</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005108&amp;artikel=113">Waterschapswet, art. 113</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005108&amp;artikel=124">Waterschapswet, art. 124</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005108&amp;artikel=139">Waterschapswet, art. 139</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Waterschapswet, Hoofdstuk XVIIb</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Waterschapsbesluit, hoofdstuk 6, § 2</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeenschappelijke Regeling Belastingsamenwerking SaBeWa Zeeland</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanWaterschap">algemeen bestuur</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-12-16</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-12-29</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>aanpassing tarief</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2015036454</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging><overheidrg:externeBijlage>exb-2017-21940</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2017-21941</overheidrg:externeBijlage></cvdripm></meta>
  
  <body><intitule>
      Verordening zuiveringsheffing 2015
    </intitule>
    
    <regeling>
      <aanhef>
        <preambule>
          <al>De algemene vergadering van waterschap Scheldestromen;</al>
          <al/>
          <al>gezien het voorstel van het dagelijks bestuur van 5 november 2014, kenmerk
                        2014031919;</al>
          <al/>
          <al>gelet op de artikelen 110, 113, 124 ,139 en hoofdstuk XVIIb van de
                        Waterschapswet, hoofdstuk 6, § 2, van het Waterschapsbesluit alsmede op de
                        Gemeenschappelijke Regeling Belastingsamenwerking SaBeWa Zeeland;</al>
          <al/>
          <al>besluit:</al>
          <al/>
          <al>vast te stellen de:</al>
          <al/>
          <al>Verordening zuiveringsheffing 2015</al>
          <al/>
        </preambule>
      </aanhef>
      <regeling-tekst>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <titel>
              <vet>
                <cursief>Begripsbepalingen</cursief>
              </vet>
            </titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>1</nr>
            </kop>
            <al>Deze verordening verstaat onder:</al>
            <lijst>
              <li nr="a"><al>stoffen: de stoffen genoemd in artikel 6 van deze
                                    verordening;</al></li>
              <li nr="b"><al>riolering: een voorziening voor de inzameling en het transport
                                    van afvalwater, in beheer bij een gemeente;</al></li>
              <li nr="c"><al>zuiveringtechnisch werk: een werk voor het zuiveren van
                                    afvalwater of het transport van afvalwater, niet zijnde een
                                    riolering;</al></li>
              <li nr="d"><al>afvoeren: het brengen van stoffen op een riolering of op een
                                    zuiveringtechnisch werk in beheer bij het waterschap;</al></li>
              <li nr="e"><al>woonruimte: een ruimte die blijkens haar inrichting bestemd is
                                    om als een afzonderlijk geheel te voorzien in woongelegenheid en
                                    waarvan de delen blijkens de inrichting van die ruimte niet
                                    bestemd zijn om afzonderlijk in gebruik te worden gegeven;</al></li>
              <li nr="f"><al>bedrijfsruimte: een naar zijn of haar aard en inrichting als
                                    afzonderlijk geheel te beschouwen terrein of ruimte, niet zijnde
                                    een woonruimte, een zuiveringtechnisch werk of een
                                    riolering.</al></li>
              <li nr="g"><al>de ambtenaar belast met de heffing: de ambtenaar bedoeld in
                                    artikel 124, vijfde lid, onderdeel a, van de
                                    Waterschapswet;</al></li>
              <li nr="h"><al>drinkwater: drinkwater als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van
                                    de Drinkwaterwet;</al></li>
              <li nr="i"><al>ingenomen water: geleverd drink– en industriewater, warm
                                    tapwater, onttrokken grond– en oppervlaktewater en opgevangen
                                    hemelwater;</al></li>
              <li nr="j"><al>drinkwaterbedrijf: drinkwaterbedrijf als bedoeld in artikel 1,
                                    eerste lid, van de Drinkwaterwet;</al></li>
              <li nr="k"><al>warm tapwater: warm tapwater als bedoeld in artikel 1, eerste
                                    lid, van de Drinkwaterwet.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label/>
            <nr/>
            <titel>Bijlagen</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>2</nr>
              <titel/>
            </kop>
            <al>Bij deze verordening behoren de volgende bijlagen:</al>
            <al>– Bijlage I: voorschriften voor meting, bemonstering, analyse en
                            berekening;</al>
            <al>– Bijlage II: tabel afvalwatercoëfficiënten, zoals opgenomen in artikel
                            122k, derde lid, van de Waterschapswet. </al>
            <al/>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label/>
            <nr/>
            <titel>Belastbaar feit en heffingsplicht</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>3</nr>
              <titel/>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Ter bestrijding van kosten die zijn verbonden aan de behartiging van
                                de taak inzake het zuiveren van afvalwater, wordt onder de naam
                                zuiveringsheffing een directe belasting geheven ter zake van direct
                                of indirect afvoeren op een zuiveringstechnisch werk in beheer bij
                                het waterschap. </al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Aan de heffing worden onderworpen:</al>
              <al/>
              <lijst>
                <li nr="a"><al>ter zake het afvoeren vanuit een woonruimte of een
                                        bedrijfsruimte: degene die het gebruik heeft van die
                                        ruimte;</al></li>
                <li nr="b"><al>ter zake het afvoeren anders dan bedoeld onder a: degene die
                                        afvoert.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3</lidnr>
              <al>Voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel a, is
                                heffingsplichtig:</al>
              <lijst>
                <li nr="a"><al>in geval van gebruik van een woonruimte door de leden van
                                        een huishouden: degene die door de ambtenaar belast met de
                                        heffing is aangewezen;</al></li>
                <li nr="b"><al> in geval van gebruik door degene aan wie een deel van een
                                        bedrijfsruimte in gebruik is gegeven: degene die dat deel in
                                        gebruik heeft gegeven met dien verstande dat degene die het
                                        deel in gebruik heeft gegeven, bevoegd is de heffing als
                                        zodanig te verhalen op degene aan wie dat deel in gebruik is
                                        gegeven;</al></li>
                <li nr="c"><al> in geval van het voor volgtijdig gebruik ter beschikking
                                        stellen van een woonruimte of bedrijfsruimte: degene die de
                                        ruimte ter beschikking heeft gesteld, met dien verstande dat
                                        degene die de ruimte ter beschikking heeft gesteld, bevoegd
                                        is de heffing als zodanig te verhalen op degene aan wie de
                                        ruimte ter beschikking is gesteld.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4</lidnr>
              <al>Indien stoffen met behulp van een riolering worden afgevoerd, is
                                degene bij wie die riolering in beheer is, slechts voor die stoffen
                                die de beheerder zelf op de riolering heeft gebracht aan een heffing
                                onderworpen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>5</lidnr>
              <al>De opbrengst van de heffing kan tevens worden besteed:</al>
              <lijst>
                <li nr="a"><al>aan het verstrekken van subsidies ter tegemoetkoming in de
                                        kosten van het voorbereiden en uitvoeren van maatregelen die
                                        verband houden met het zuiveren van afvalwater aan diegenen
                                        die tot het treffen van die maatregelen zijn gehouden;</al></li>
                <li nr="b"><al>aan het verstrekken van subsidies aan heffingsplichtigen tot
                                        behoud van het gebruik van zuiveringtechnische werken
                                        teneinde een stijging van het tarief van de heffing zoveel
                                        mogelijk te voorkomen.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>6</lidnr>
              <al>Het afvoeren door het waterschap is vrijgesteld van de heffing.</al>
            </lid>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label/>
            <nr/>
            <titel>Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsevenredigheid</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>4</nr>
              <titel/>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>De heffing ter zake van woonruimten en bedrijfsruimten als bedoeld
                                in artikel 15 is verschuldigd bij het begin van het heffingsjaar of,
                                zo dit later is, bij de aanvang van de heffingsplicht.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Indien ter zake van woonruimten de heffingsplicht als bedoeld in het
                                eerste lid in de loop van het heffingsjaar aanvangt, is de heffing
                                verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar
                                verschuldigde belasting als er in dat jaar, na de aanvang van de
                                heffingsplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. Indien de
                                heffingsplicht aanvangt op de eerste dag van een kalendermaand wordt
                                die kalendermaand aangemerkt als een volle kalendermaand.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Indien ter zake van woonruimten de heffingsplicht bedoeld in het
                                eerste lid in de loop van het heffingsjaar eindigt, bestaat
                                aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor
                                dat jaar verschuldigde heffing als er in dat jaar, na het einde van
                                de heffingsplicht, nog volle kalendermaanden overblijven, tenzij het
                                bedrag van de ontheffing minder bedraagt dan € 5,00. Indien de
                                heffingsplicht eindigt op de eerste dag van een kalendermaand wordt
                                die kalendermaand aangemerkt als een volle kalendermaand.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4.</lidnr>
              <al>Indien de heffingsplicht voor woonruimten is beëindigd na de
                                dagtekening van de aanslag, kan de heffingsplichtige een aanvraag
                                tot ontheffing indienen bij de ambtenaar belast met de heffing.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>5.</lidnr>
              <al>Het tweede en het derde lid zijn niet van toepassing indien de
                                heffingsplichtige het gebruik van de woonruimte beëindigt en direct
                                aansluitend het gebruik heeft van een woonruimte binnen het gebied
                                van het waterschap en van waaruit eveneens wordt afgevoerd.</al>
            </lid>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label/>
            <nr/>
            <titel>Heffingsjaar</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>5</nr>
              <titel/>
            </kop>
            <al>Het heffingsjaar is gelijk aan het kalenderjaar.</al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label/>
            <nr/>
            <titel>Grondslag en heffingsmaatstaf</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>6</nr>
              <titel/>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Voor de heffing bedoeld in artikel 3 geldt als grondslag de
                                hoeveelheid en de hoedanigheid van de stoffen die in een
                                kalenderjaar worden afgevoerd.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Voor de heffing geldt als heffingsmaatstaf de vervuilingswaarde van
                                de stoffen die in een kalenderjaar worden afgevoerd. De
                                vervuilingswaarde wordt uitgedrukt in vervuilingseenheden.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot zuurstofbindende
                                stoffen wordt bepaald op basis van de som van het chemisch
                                zuurstofverbruik en het zuurstofverbruik door omzetting van
                                stikstofverbindingen, zoals voorgeschreven in Bijlage I van deze
                                verordening. Eén vervuilingseenheid vertegenwoordigt met betrekking
                                tot zuurstofbindende stoffen een verbruik in het heffingsjaar van
                                54,8 kilogram zuurstof.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4.</lidnr>
              <al>Het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot de stoffen chroom,
                                koper, lood, nikkel, zilver, zink, arseen, kwik en cadmium, wordt
                                bepaald op basis van de afgevoerde gewichtshoeveelheden, zoals
                                voorgeschreven in Bijlage I van deze verordening. Eén
                                vervuilingseenheid vertegenwoordigt een in het heffingsjaar
                                afgevoerde gewichtshoeveelheid van:</al>
              <lijst>
                <li nr="a"><al>1,00 kilogram van de stoffen chroom, koper, lood, nikkel,
                                        zilver en zink;</al></li>
                <li nr="b"><al>0,100 kilogram van de stoffen arseen, cadmium en kwik;</al></li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>5</lidnr>
              <al>De stoffen chloride, sulfaat en fosfor worden niet aan de heffing
                                onderworpen.</al>
            </lid>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label/>
            <nr/>
            <titel>Meting, bemonstering en analyse</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>7</nr>
              <titel/>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Het aantal vervuilingseenheden van zuurstofbindende en andere
                                stoffen wordt berekend met behulp van door meting, bemonstering en
                                analyse verkregen gegevens. De meting, bemonstering, analyse en
                                berekening geschieden met in achtneming van de in Bijlage I
                                opgenomen voorschriften.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>De in het eerste lid bedoelde meting, bemonstering en analyse
                                geschieden ieder etmaal van het heffingsjaar, behoudens het bepaalde
                                in artikel 8.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>De meting, bemonstering en analyse geschieden zodanig dat:</al>
              <lijst>
                <li nr="a"><al> de gemeten hoeveelheid afvalwater niet meer dan 5% afwijkt
                                        van de werkelijke hoeveelheid afvalwater;</al></li>
                <li nr="b"><al>het verkregen monster representatief is voor de totale
                                        hoeveelheid stoffen die gedurende de bemonsteringsperiode
                                        vanuit het bedrijf of het bedrijfsonderdeel wordt
                                        afgevoerd.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4</lidnr>
              <al>De heffingsplichtige brengt de wijze van meting en bemonstering met
                                een beschrijving van de daarvoor te gebruiken apparatuur, voor
                                aanvang van het heffingsjaar, ter kennis van de ambtenaar belast met
                                de heffing.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>5</lidnr>
              <al>De ambtenaar belast met de heffing:</al>
              <lijst>
                <li nr="a"><al> kan ambtshalve bepalen dat meting en bemonstering
                                        geschieden in afwijking van één of meer van de in Bijlage I,
                                        onderdeel A, opgenomen voorschriften, indien deze
                                        aannemelijk maakt dat dit noodzakelijk is ter voldoening aan
                                        het bepaalde in het derde lid, onderdelen a en b;</al></li>
                <li nr="b"><al>beslist op aanvraag van de heffingsplichtige, dat meting en
                                        bemonstering kunnen geschieden in afwijking van een of meer
                                        van de in Bijlage I, onderdeel A, opgenomen voorschriften,
                                        indien de heffingsplichtige aannemelijk maakt dat daarbij
                                        wordt voldaan aan het bepaalde in het derde lid, onderdelen
                                        a en b;</al></li>
                <li nr="c"><al>beslist op aanvraag van de heffingsplichtige, dat kan worden
                                        afgeweken van de in Bijlage I, onderdeel B, opgenomen
                                        analysevoorschriften, indien de heffingsplichtige
                                        aannemelijk maakt dat de nauwkeurigheid van de uitkomsten
                                        van de analyse hierdoor niet wordt beïnvloed;</al></li>
                <li nr="d"><al> kan omtrent de afwijkingen als bedoeld in de onderdelen a,
                                        b en c nadere voorschriften geven.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>6</lidnr>
              <al>De ambtenaar belast met de heffing neemt zijn beslissing, bedoeld in
                                het vijfde lid, onderdelen a, b en c, bij voor bezwaar vatbare
                                beschikking. Deze beschikking bevat in elk geval:</al>
              <lijst>
                <li nr="a"><al> de voorschriften van Bijlage I, onderdelen A en B, waarvan
                                        wordt afgeweken;</al></li>
                <li nr="b"><al>de afwijkingen bedoeld in het vijfde lid, onderdelen a, b en
                                        c;</al></li>
                <li nr="c"><al>de nadere voorschriften bedoeld in het vijfde lid, onderdeel
                                        d;</al></li>
                <li nr="d"><al> een vermelding van het heffingsjaar of de heffingsjaren
                                        waarvoor de beschikking wordt gegeven. </al></li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>7</lidnr>
              <al>De ambtenaar belast met de heffing is bevoegd twee of meer ingevolge
                                het vijfde lid genomen beschikkingen, die betrekking hebben op
                                hetzelfde bedrijf of hetzelfde bedrijfsonderdeel, in één geschrift
                                te verenigen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>8</lidnr>
              <al>De ambtenaar belast met de heffing kan bij veranderingen of te
                                verwachten veranderingen in de hoeveelheid of hoedanigheid van de
                                afgevoerde, respectievelijk af te voeren stoffen, de desbetreffende
                                beschikkingen, bedoeld in het vijfde lid, ambtshalve wijzigen of
                                intrekken in verband met het bepaalde in het eerste lid en het derde
                                lid.</al>
            </lid>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label/>
            <nr/>
            <titel>Beperkte meting, bemonstering en analyse</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>8</nr>
              <titel/>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Op aanvraag van de heffingsplichtige, die aannemelijk maakt dat voor
                                de berekening van het aantal vervuilingseenheden kan worden volstaan
                                met gegevens welke met behulp van meting, bemonstering en analyse in
                                een beperkt aantal etmalen zijn verkregen, besluit de ambtenaar
                                belast met de heffing dat meting en bemonstering geschieden in
                                afwijking van het bepaalde in artikel 7, tweede lid. Het besluit op
                                aanvraag wordt genomen bij een voor bezwaar vatbare beschikking.
                                Deze beschikking bevat in elk geval:</al>
              <lijst>
                <li nr="a"><al>een opgave van de afvalstromen en de stoffen welke in het
                                        onderzoek dienen te worden betrokken;</al></li>
                <li nr="b"><al>de tijdvakken waarin meting en bemonstering geschieden,
                                        hetzij ieder etmaal van die tijdvakken, hetzij één of meer
                                        daartoe aangewezen etmalen daarvan;</al></li>
                <li nr="c"><al>de wijze waarop de op de voet van letter b verkregen
                                        uitkomsten worden herleid tot het aantal vervuilingseenheden
                                        over een aldaar bedoeld tijdvak, onderscheidenlijk over het
                                        heffingsjaar;</al></li>
                <li nr="d"><al>een vermelding van het heffingsjaar of de heffingsjaren
                                        waarvoor de beschikking wordt gegeven. </al></li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2</lidnr>
              <al>De ambtenaar belast met de heffing kan bij veranderingen of te
                                verwachten veranderingen in de hoeveelheid of hoedanigheid van de
                                afgevoerde, respectievelijk af te voeren stoffen, de desbetreffende
                                beschikking, bedoeld in het eerste lid, ambtshalve wijzigen of
                                intrekken, indien toepassing van berekeningsvoorschrift III van
                                onderdeel C van bijlage I leidt tot een ander aantal etmalen dan in
                                die beschikking is opgenomen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3</lidnr>
              <al>De ambtenaar belast met de heffing neemt zijn beslissing, bedoeld in
                                het tweede lid, bij voor bezwaar vatbare beschikking.</al>
            </lid>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label/>
            <nr/>
            <titel>Hoedanigheidscorrectie</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>9</nr>
              <titel/>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Indien de uitkomst van de methode tot bepaling van het chemisch
                                zuurstofverbruik bedoeld in artikel 6 in belangrijke mate is
                                beïnvloed door biologisch niet of nagenoeg niet afbreekbare stoffen,
                                wordt op aanvraag van de heffingsplichtige op die uitkomst een
                                correctie toegepast.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al> De berekening van de correctie geschiedt met inachtneming van de
                                voorschriften welke zijn opgenomen in Bijlage I, onderdeel C.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>De ambtenaar belast met de heffing neemt zijn beslissing als bedoeld
                                in het eerste lid, bij voor bezwaar vatbare beschikking. Deze
                                beschikking bevat in elk geval:</al>
              <lijst>
                <li nr="a"><al>de wijze van berekening van de correctie;</al></li>
                <li nr="b"><al> de hoeveelheid en samenstelling van het afvalwater waarop
                                        de correctie van toepassing is;</al></li>
                <li nr="c"><al>de frequentie en de wijze van onderzoek met betrekking tot
                                        meting, bemonstering en analyse;</al></li>
                <li nr="d"><al>een vermelding van het heffingsjaar of de heffingsjaren
                                        waarvoor de beschikking wordt gegeven.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label/>
            <nr/>
            <titel>Tabel afvalwatercoëfficiënten</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>10</nr>
              <titel/>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>In afwijking van het bepaalde in artikel 7, eerste lid, kan het
                                aantal vervuilingseenheden met betrekking tot het zuurstofverbruik
                                in een kalenderjaar voor een bedrijfsruimte of een onderdeel daarvan
                                worden vastgesteld met behulp van de in Bijlage II van deze
                                verordening opgenomen tabel afvalwatercoëfficiënten, indien door de
                                heffingsplichtige aannemelijk is gemaakt dat het aantal
                                vervuilingseenheden met betrekking tot het zuurstofverbruik in een
                                kalenderjaar 1.000 of minder bedraagt en dit aantal aan de hand van
                                de hoeveelheid ingenomen water kan worden bepaald.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Het aantal vervuilingseenheden als bedoeld in het eerste lid wordt
                                berekend volgens de formule A x B, waarbij</al>
              <al>A = het aantal m³ in het kalenderjaar ten behoeve van de
                                bedrijfsruimte of het onderdeel van de bedrijfsruimte ingenomen
                                water;</al>
              <al> B = de afvalwatercoëfficiënt behorende bij de klasse van de in
                                Bijlage II opgenomen tabel met de klassengrenzen waarbinnen de
                                vervuilingswaarde met betrekking tot het zuurstofverbruik per m³ ten
                                behoeve van de bedrijfsruimte of van het onderdeel van de
                                bedrijfsruimte ingenomen water is gelegen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3</lidnr>
              <al>Indien de in het kalenderjaar ingenomen hoeveelheid water niet kan
                                worden vastgesteld aan de hand aan watermeterstanden die aan het
                                begin en aan het einde van het kalenderjaar zijn opgenomen, stelt de
                                ambtenaar belast met de heffing die hoeveelheid vast op een door hem
                                nader vast te stellen wijze.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4</lidnr>
              <al>De vervuilingswaarde met betrekking tot het zuurstofverbruik per m³
                                als bedoeld in het tweede lid wordt bepaald met toepassing van de
                                algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 122k van de
                                Waterschapswet.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>5</lidnr>
              <al>Indien het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot het
                                zuurstofverbruik in een kalenderjaar voor een bedrijfsruimte of een
                                onderdeel daarvan meer dan 1.000 bedraagt en de heffingsplichtige
                                aannemelijk maakt dat de berekening van het aantal
                                vervuilingseenheden met toepassing van de in het eerste lid, aanhef,
                                bedoelde tabel tot geen lagere uitkomst leidt dan die welke wordt
                                verkregen bij berekening op de voet van artikel 7, eerste lid,
                                beslist de ambtenaar belast met de heffing bij voor bezwaar vatbare
                                beschikking op aanvraag van heffingsplichtige dat het aantal
                                vervuilingseenheden wordt berekend met toepassing van de tabel.</al>
            </lid>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label/>
            <nr/>
            <titel>Vervuilingswaarde van tuinbouwkassen</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>11</nr>
              <titel/>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>In afwijking van artikel 7, eerste lid, wordt de vervuilingswaarde
                                van de stoffen die worden afgevoerd vanuit een bedrijfsruimte of een
                                onderdeel van een bedrijfsruimte bestemd om in het kader van de
                                uitoefening van een beroep of een bedrijf onder een permanente
                                opstand van glas of kunststof gewassen te telen, bepaald op basis
                                van het tweede lid.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>De vervuilingswaarde bedraagt drie vervuilingseenheden per hectare
                                vloeroppervlak waarop onder glas of kunststof wordt geteeld en per
                                deel van een hectare vloeroppervlak een evenredig deel van drie
                                vervuilingseenheden.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Indien in de loop van het kalenderjaar het gebruik van een in het
                                eerste lid bedoelde bedrijfsruimte of onderdeel van een
                                bedrijfsruimte, dan wel van een deel daarvan, door de gebruiker
                                aanvangt of eindigt, wordt hij in dat kalenderjaar voor die
                                bedrijfsruimte, voor dat onderdeel of voor dat deel voor een
                                evenredig gedeelte van het op basis van het tweede lid bepaald
                                aantal vervuilingseenheden aan een heffing onderworpen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4.</lidnr>
              <al>Een vervuilingswaarde voor de bedrijfsruimte of het onderdeel van
                                een bedrijfsruimte, berekend op basis van het tweede of derde lid,
                                van minder dan vijf vervuilingseenheden wordt op drie
                                vervuilingseenheden, en van één of minder dan één vervuilingseenheid
                                op één vervuilingseenheid gesteld.</al>
            </lid>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label/>
            <nr/>
            <titel>Franchise</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>12</nr>
              <titel/>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Voor de berekening van het aantal vervuilingseenheden in het
                                heffingsjaar voor de groep van stoffen chroom, koper, lood, nikkel,
                                zilver en zink wordt een aftrek toegepast, met dien verstande dat
                                het aantal vervuilingseenheden niet lager dan op nihil kan worden
                                gesteld. De aftrek wordt bepaald door het totaal aantal
                                vervuilingseenheden van de zuurstofbindende stoffen, als berekend op
                                grond van de artikelen 7 tot en met 11, te vermenigvuldigen met
                                0,0162.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Voor de berekening van het aantal vervuilingseenheden in het
                                heffingsjaar voor de groep van stoffen arseen, cadmium en kwik wordt
                                een aftrek toegepast, met dien verstande dat het aantal
                                vervuilingseenheden niet lager dan op nihil kan worden gesteld. De
                                aftrek wordt bepaald door het totaal aantal vervuilingseenheden van
                                de zuurstofbindende stoffen, als berekend op grond van de artikelen
                                7 tot en met 11, te vermenigvuldigen met 0,0027.</al>
            </lid>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label/>
            <nr/>
            <titel>Meetverplichting</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>13</nr>
              <titel/>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Indien de vervuilingswaarde met betrekking tot de zuurstofbindende
                                stoffen van een bedrijfsruimte minder bedraagt dan 1.000
                                vervuilingseenheden wordt, in af wijking van het bepaalde in artikel
                                7:</al>
              <lijst>
                <li nr="a"><al>het aantal vervuilingseenheden van de groep van stoffen
                                        chroom, koper, lood, nikkel, zilver en zink op nihil
                                        gesteld, tenzij de ambtenaar belast met de heffing
                                        aannemelijk maakt dat het aantal vervuilingseenheden met
                                        betrekking tot deze stoffen de in artikel 12, eerste lid
                                        bedoelde aftrek te boven gaat;</al></li>
                <li nr="b"><al> het aantal vervuilingseenheden van de groep van stoffen
                                        arseen, cadmium en kwik op nihil gesteld, tenzij de
                                        ambtenaar belast met de heffing aannemelijk maakt dat het
                                        aantal vervuilingseenheden met betrekking tot deze stoffen
                                        de in artikel 12, tweede lid, bedoelde aftrek te boven
                                        gaat.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2</lidnr>
              <al>Indien de vervuilingswaarde met betrekking tot de zuurstofbindende
                                stoffen van een bedrijfsruimte 1.000 vervuilingseenheden of meer
                                bedraagt, wordt, in afwijking van het bepaalde in artikel 7:</al>
              <lijst>
                <li nr="a"><al>het aantal vervuilingseenheden van de groep van stoffen
                                        chroom, koper, lood, nikkel, zilver en zink op nihil
                                        gesteld, indien de heffingsplichtige aannemelijk maakt dat
                                        het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot deze
                                        stoffen de in artikel 12, eerste lid, bedoelde aftrek niet
                                        te boven gaat;</al></li>
                <li nr="b"><al> het aantal vervuilingseenheden van de groep van stoffen
                                        arseen, cadmium en kwik op nihil gesteld, indien de
                                        heffingsplichtige aannemelijk maakt dat het aantal
                                        vervuilingseenheden met betrekking tot deze stoffen de in
                                        artikel 12, tweede lid, bedoelde aftrek niet te boven
                                        gaat.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label/>
            <nr/>
            <titel>Totale vervuilingswaarde van een bedrijfsruimte</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>14</nr>
              <titel/>
            </kop>
            <al>De vervuilingswaarde van een bedrijfsruimte, wordt bepaald op de som van
                            de aantallen vervuilingseenheden als berekend overeenkomstig de
                            artikelen 7 tot en met 13, voorzover deze van toepassing zijn.</al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label/>
            <nr/>
            <titel>Vervuilingswaarde van kleine bedrijfsruimten</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>15</nr>
              <titel/>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>In afwijking van artikel 7, eerste lid, wordt de vervuilingswaarde
                                van de stoffen die vanuit een bedrijfsruimte of vanuit een
                                zuiveringtechnisch werk voor het zuiveren van afvalwater worden
                                afgevoerd gesteld op drie vervuilingseenheden indien door de
                                heffingsplichtige aannemelijk is gemaakt dat die vervuilingswaarde
                                minder dan vijf vervuilingseenheden bedraagt en op één
                                vervuilingseenheid indien door de heffingsplichtige aannemelijk is
                                gemaakt dat die één vervuilingseenheid of minder bedraagt.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Indien de aanslag in het heffingsjaar al is opgelegd voor drie
                                vervuilingseenheden en de heffingsplichtige aannemelijk maakt dat de
                                vervuilingswaarde één vervuilingseenheid of minder bedraagt, bestaat
                                aanspraak op vermindering. De heffingsplichtige kan daartoe na
                                afloop van het heffingsjaar of, bij beëindiging van de
                                heffingsplicht, in de loop van het heffingsjaar een aanvraag
                                indienen bij de ambtenaar belast met de heffing.</al>
            </lid>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label/>
            <nr/>
            <titel>Vervuilingswaarde van woonruimten</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>16</nr>
              <titel/>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>In afwijking van artikel 7, eerste lid, wordt de vervuilingswaarde
                                van de stoffen die vanuit een woonruimte worden afgevoerd, gesteld
                                op drie vervuilingseenheden. De vervuilingswaarde van de stoffen die
                                vanuit een door één persoon gebruikte woonruimte worden afgevoerd,
                                bedraagt één vervuilingseenheid.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Het eerste lid is niet van toepassing op de voor recreatiedoeleinden
                                bestemde woonruimten die zich bevinden op een voor
                                verblijfsrecreatie bestemd terrein dat als zodanig wordt
                                geëxploiteerd. De in de vorige volzin bedoelde woonruimten worden
                                tezamen aangemerkt als een bedrijfsruimte dan wel als onderdeel van
                                een bedrijfsruimte.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Indien de in het eerste lid bedoelde situatie dat een woonruimte
                                wordt gebruikt door één persoon ontstaat in de loop van het
                                heffingsjaar, wordt de vervuilingswaarde op één vervuilingseenheid
                                vastgesteld met ingang van de eerste dag van de kalendermaand
                                volgend op de kalendermaand waarin die situatie is ontstaan. Indien
                                de hiervoor bedoelde situatie ontstaat op de eerste dag van een
                                kalendermaand, wordt de vervuilingswaarde met ingang van die dag op
                                één vervuilingseenheid vastgesteld.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4.</lidnr>
              <al>Indien de in het derde lid bedoelde situatie ontstaat na de
                                dagtekening van de aanslag, bestaat aanspraak op vermindering. De
                                heffingsplichtige kan daartoe een aanvraag indienen bij de ambtenaar
                                belast met de heffing.</al>
            </lid>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label/>
            <nr/>
            <titel>Schatting</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>17</nr>
              <titel/>
            </kop>
            <al>De ambtenaar belast met de heffing kan het aantal vervuilingseenheden in
                            een kalenderjaar geheel of gedeeltelijk door middel van schatting
                            vaststellen, indien door de heffingsplichtige:</al>
            <lijst>
              <li nr="a"><al>zonder de in artikel 8 genoemde toestemming niet is voldaan aan
                                    de in artikel 7, tweede lid, opgenomen verplichting;</al></li>
              <li nr="b"><al>niet of niet geheel is voldaan aan de voorwaarden, verbonden aan
                                    de in artikel 8 genoemde toestemming;</al></li>
              <li nr="c"><al>meting, bemonstering en analyse niet of niet geheel zijn
                                    geschied in overeenstemming met de in bijlage I opgenomen
                                    voorschriften;</al></li>
              <li nr="d"><al>niet is voldaan aan de in artikel 7, eerste lid, eerste volzin,
                                    opgenomen verplichting en bepaling van de vervuilingswaarde
                                    overeenkomstig artikel 10, eerste en vijfde lid, of de artikelen
                                    11, 15 en 16 niet mogelijk is, dan wel bepaling van de
                                    vervuilingswaarde op basis van artikel 10, vijfde lid, wel
                                    mogelijk is en door de heffingsplichtige gedurende het
                                    heffingsjaar geen aanvraag als bedoeld in artikel 10, vijfde
                                    lid, is ingediend.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label/>
            <nr/>
            <titel>Tarief</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>18</nr>
              <titel/>
            </kop>
            <al>Het tarief bedraagt € 55,72 per vervuilingseenheid.</al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label/>
            <nr/>
            <titel>Wijze van heffing</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>19</nr>
              <titel/>
            </kop>
            <al>De belasting wordt geheven bij wege van aanslag.</al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label/>
            <nr/>
            <titel>Betaaltermijnen</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>20</nr>
              <titel/>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>De aanslag moet worden betaald in twee termijnen waarvan de eerste
                                vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de
                                dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede termijn
                                twee maanden na deze vervaldag.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Het bedrag inzake een bestuurlijke boete moet worden betaald
                                uiterlijk op de laatste dag volgend op de maand die in de
                                dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Indien een machtiging voor automatische incasso is afgegeven kan van
                                de in het eerste lid vermelde termijnen worden afgeweken.</al>
            </lid>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label/>
            <nr/>
            <titel>Nadere regels</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>21</nr>
              <titel/>
            </kop>
            <al>Het dagelijks bestuur kan nadere regels geven met betrekking tot de
                            heffing en de invordering van de zuiveringsheffing.</al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label/>
            <nr/>
            <titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>22</nr>
              <titel/>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>De Verordening zuiveringsheffing 2014 van waterschap Scheldestromen,
                                vastgesteld bij besluit van 14 november 2013, wordt ingetrokken met
                                ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de
                                heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de
                                belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na die van
                                de bekendmaking.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2015.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4.</lidnr>
              <al>Deze verordening wordt aangehaald als ‘Verordening zuiveringsheffing
                                waterschap Scheldestromen 2015’.</al>
              <al/>
            </lid>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
      </regeling-tekst>
      <regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering>
        
        <ondertekening>Aldus vastgesteld in de vergadering van 4 december 2014 van de
                        algemene vergadering van waterschap Scheldestromen.</ondertekening>
        <ondertekening/>
        <ondertekening>mr. drs. J.A. de Visser,</ondertekening>
        <ondertekening>secretaris–algemeen directeur </ondertekening>
        <ondertekening/>
        <ondertekening> mr. drs. A.J.G. Poppelaars,</ondertekening>
        <ondertekening>dijkgraaf</ondertekening>
      </regeling-sluiting>
      <nota-toelichting>
        <kop>
          <label/>
          <nr/>
          <titel>Toelichting op de Verordening zuiveringsheffing Scheldestromen</titel>
        </kop>
        <tussenkop>A ALGEMEEN</tussenkop>
        <tussenkop>Doelstelling en karakter zuiveringsheffing</tussenkop>
        <al>Bij de inwerkingtreding van de, inmiddels vervallen, Wet verontreiniging
                            oppervlaktewateren (Wet van 13 november 1969, Stb. 536) kreeg de
                            zuiveringsheffing als doelstelling de financiering van de kosten van
                            maatregelen tot het tegengaan en voorkomen van de verontreiniging van
                            oppervlaktewateren (artikel 18, eerste lid). De zuiveringsheffing is dus
                            een bestemmingsheffing (dekkingsmiddel van kosten). </al>
        <al/>
        <al>De maatregelen om verontreiniging van oppervlaktewater tegen te gaan
                            zijn onder te verdelen in actief beheer (het feitelijk transporteren en
                            zuiveren van afvalwater, alsmede het verbranden van zuiveringsslib) en
                            passief beheer (vergunningverlening, toezicht en controle, handhaving,
                            waterkwaliteitsbeheersplannen). Deze activiteiten samen werden tot
                            dusver geduid als de zorg voor de kwaliteit van het oppervlaktewater. </al>
        <al>Met de inwerkingtreding van de Wet modernisering waterschapsbestel (Wet
                            van 21 mei 2007, Stb. 208) is hier verandering in gekomen.</al>
        <al/>
        <al>Het zuiveren van stedelijk afvalwater is, zoals blijkt uit artikel 3.4
                            van de Waterwet, nog altijd een zorg die aan het waterschap is
                            toebedeeld. De financiering daarvan (de Waterschapswet spreekt van: de
                            behartiging van de taak inzake het zuiveren van afvalwater) gebeurt met
                            ingang van 2009 uit de opbrengst van de zuiveringsheffing, waarvoor de
                            bepalingen zijn opgenomen in de artikelen 122c tot en met 122k van de
                            Waterschapswet.</al>
        <al/>
        <al>Alle overige activiteiten die niet tot het zuiveren en/of transporteren
                            van afvalwater behoren, zijn samen met de zorg voor de waterkering en de
                            zorg voor de beheersing van het oppervlaktewater nu ondergebracht in de
                            zorg voor het watersysteem. De kosten daarvan worden bestreden uit de
                            opbrengst van de watersysteemheffing, die in de plaats is gekomen van de
                            traditionele waterschapsomslagen (artikel 117 van de
                            Waterschapswet).</al>
        <al/>
        <tussenkop>B ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING</tussenkop>
        <tussenkop>
          <vet>Considerans</vet>
        </tussenkop>
        <tussenkop>Bevoegdheid algemeen bestuur</tussenkop>
        <al>Uitsluitend het algemeen bestuur is bevoegd tot het vaststellen van de
                            belastingverordening. Dit vloeit voort uit artikel 110 van de
                            Waterschapswet. Het dagelijks bestuur is belast met de voorbereiding van
                            debelastingverordening (artikel 84 van de Waterschapswet).</al>
        <al/>
        <tussenkop>Wettelijke grondslag en uitwerking</tussenkop>
        <al>De wettelijke basis voor het door waterschappen heffen van de
                            zuiveringsheffing ligt in hoofdstuk XVIIb van de Waterschapswet. Voorts
                            zijn in hoofdstuk 6 van het Waterschapsbesluit nog enkele nadere regels
                            gesteld.</al>
        <al>Vanwege de overdracht van de bevoegdheid tot heffen en invorderen van de
                            zuiveringsheffing aan SaBeWa Zeeland wordt verwezen naar de
                            onderliggende gemeenschappelijke regeling van de
                            belastingsamenwerking.</al>
        <al/>
        <tussenkop>
          <vet>Begripsbepalingen</vet>
        </tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 1</tussenkop>
        <al>Om duidelijkheid te scheppen over een aantal in de verordening
                            voorkomende begrippen en om de leesbaarheid van de tekst te bevorderen,
                            is van deze begrippen een omschrijving gegeven in artikel 1. Daarbij is
                            aangesloten bij de begripsbepalingen in artikel 122c van de
                            Waterschapswet.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Onderdeel a</tussenkop>
        <al>Voor de omschrijving van ‘stoffen’ is verwezen naar de stoffen genoemd
                            in artikel 6. In dat artikel zijn de stoffen opgenomen die door het
                            waterschap in de heffing worden betrokken, alsmede de gewichtseenheden
                            van die stoffen.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Onderdeel b</tussenkop>
        <al>Onder riolering wordt verstaan het gemeentelijk rioolstelsel zoals dat
                            wordt bedoeld in artikel 10.33, eerste lid, van de Wet
                            milieubeheer.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Onderdeel c</tussenkop>
        <al>Een zuiveringtechnisch werk is voor de Waterschapswet een voorziening
                            voor het zuiveren of het transporteren van afvalwater. Het begrip omvat
                            naast afvalwaterzuiveringsinstallaties ook gemalen, persleidingen,
                            vrijvervalleidingen, open en dichte afvoergoten en pompstations ten
                            behoeve van het afvalwater. Ook voorzieningen voor individuele
                            behandeling van afvalwater (IBA’s) vallen onder het begrip
                            zuiveringstechnisch werk. De gemeentelijke riolering wordt hier niet
                            onder begrepen (zie onderdeel b, waarbij het begrip riolering is
                            gedefinieerd).</al>
        <al/>
        <tussenkop>Onderdeel d</tussenkop>
        <al>Afvoeren is het brengen van stoffen op een riolering of op een
                            zuiveringstechnisch werk in beheer bij het waterschap.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Onderdeel e</tussenkop>
        <al>Dit onderdeel regelt wat onder een woonruimte moet worden verstaan. Niet
                            elke bewoonde ruimte kan als woonruimte worden aangemerkt. Een
                            woonruimte wordt geacht te zijn bestemd om als een afzonderlijk geheel
                            te voorzien in woongelegenheid. Of dit het geval is moet blijken uit de
                            inrichting van de ruimte. In deze definitie wordt tot uitdrukking
                            gebracht dat het moet gaan om een ruimte die zelfstandig bruikbaar is en
                            derhalve niet meer dan bijkomstig afhankelijk is van elders in het
                            gebouw aanwezige voorzieningen die voor de woonfunctie wel van wezenlijk
                            belang zijn. Hierbij moet worden gedacht aan het met gebruikers van
                            andere ruimten delen van faciliteiten als kookgelegenheid, sanitair of
                            bad- en douchegelegenheid. Dit komt vaak in onder meer studentenhuizen
                            en pensions voor. In een dergelijke situatie kan niet worden gesproken
                            van een woonruimte in de zin van deze verordening. Zie hiervoor ook de
                            arresten van de Hoge Raad van 23 juli 1984, BNB 1984/282, Belastingblad
                            1984, blz. 544, 8 februari 1995, BNB 1995/92, Belastingblad 1995, blz.
                            202, 10 januari 1996, BNB 1996/77, Belastingblad 1996, blz. 168).</al>
        <al>Dat het begrip woonruimte ruim moet worden uitgelegd valt af te leiden
                            uit het arrest van de Hoge Raad van 29 mei 1991 waarin een
                            kajuitzeilschip als woonruimte werd aangemerkt (BNB 1991/213,
                            Belastingblad 1991, blz. 479).</al>
        <al/>
        <tussenkop>Onderdeel f</tussenkop>
        <al>Bij de omschrijving van het begrip bedrijfsruimte is gekozen voor een
                            negatieve formulering om een zo groot mogelijke reikwijdte aan het
                            begrip te geven. Alles wat geen woonruimte is moet als een
                            bedrijfsruimte worden aangemerkt. Zo is bijvoorbeeld ook een stuk
                            landbouwgrond als een bedrijfsruimte aangemerkt (Gerechtshof
                            ‘s–Gravenhage 17 maart 1993, Belastingblad 1993, blz. 457). </al>
        <al>In een ogenschijnlijk soortgelijke situatie oordeelde de rechter echter
                            anders. Hierbij ging het om een kavel los land –deels akkerbouw, deels
                            weiland- dat niet als bedrijfsruimte kon worden aangemerkt. Er stonden
                            namelijk geen opstallen op en voor de exploitatie maakte de agrariër
                            gebruik van machines die elders, in de schuur achter zijn boerderij,
                            werden gestald. Hierdoor was hij meer dan bijkomstig afhankelijk van
                            elders aanwezige, voor de bedrijfsexploitatie wezenlijke, voorzieningen
                            (Gerechtshof ’s-Gravenhage, 18 februari 1997, Belastingblad 1997, blz.
                            729). </al>
        <al>Of daar ook sprake van was bij de zandopspuiting wordt uit de casus niet
                            duidelijk. Het Hof stelde alleen vast dat er sprake was van het afvoeren
                            van met slib verontreinigd perswater en liet de aanslag in stand
                            (Gerechtshof Arnhem 22 augustus 1997, Belastingblad 1997, blz. 745).
                            Voor de vraag of sprake is van één of van twee bedrijfsruimten is onder
                            andere van belang het arrest van de Hoge Raad van 14 juni 1995 (BNB
                            1995/233, Belastingblad 1995, blz. 627) waarin een bij twee
                            verschillende personen in gebruik zijnde stortplaats als één
                            bedrijfsruimte werd aangemerkt. Daarbij speelde onder andere een rol het
                            feit dat de stortplaats maar één ingang heeft, om de gehele stortplaats
                            een hek staat en er geen deugdelijke afscheiding is tussen beide delen
                            van de stortplaats.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Onderdeel g</tussenkop>
        <al>De inspecteur is het orgaan aan wie de wetgever door middel van de
                            Algemene wet inzake rijksbelastingen de bevoegdheid tot het opleggen van
                            aanslagen en het doen van uitspraak op bezwaarschriften heeft
                            geattribueerd. In artikel 123 van de Waterschapswet wordt onder meer de
                            Algemene wet inzake rijksbelastingen van toepssing verklaard voor het
                            heffen van belastingen door waterschappen. Dit artikel bepaalt voorts
                            dat de bevoegdheden van de inspecteur toekomen aan de daartoe aangewezen
                            ambtenaar van het waterschap. Die aanwijzing geschiedt bij een door het
                            dagelijks bestuur te nemen aanwijzingsbesluit. Behalve het opleggen van
                            aanslagen en het doen van uitspraak op bezwaarschriften komt krachtens
                            deze verordening aan deze functionaris ook de bevoegdheid tot het
                            afgeven van meetbeschikkingen toe (artikel 7 en verder).</al>
        <al/>
        <tussenkop>Onderdeel h</tussenkop>
        <al>In de Drinkwaterwet is het begrip drinkwater omschreven als water dat
                            bestemd of mede bestemd is om te drinken, te koken of voedsel te
                            bereiden dan wel voor andere huishoudelijke doeleinden, met uitzondering
                            van warm tapwater, dat door middel van leidingen ter beschikking wordt
                            gesteld aan consumenten of andere afnemers.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Onderdeel i</tussenkop>
        <al>Behalve via nutsbedrijven wordt ook op andere wijze water verkregen. Zo
                            wordt op steeds grotere schaal door bedrijven voor sanitair gebruik
                            hemelwater opgevangen. Omdat dit water na gebruik wordt afgevoerd, dient
                            het eveneens in de berekening van de vervuilingswaarde te worden
                            betrokken.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Onderdeel j</tussenkop>
        <al>Met drinkwaterbedrijf wordt bedoeld het bedrijf dat uitsluitend of mede
                            bestemd is tot openbare drinkwatervoorziening door levering van
                            drinkwater aan consumenten of andere afnemers of het bedrijf dat
                            uitsluitend of mede bestemd is tot levering van drinkwater aan een
                            bedrijf of bedrijven als hiervoor bedoeld.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Onderdeel k</tussenkop>
        <al>Met de inwerkingtreding van de Drinkwaterwet wordt het begrip warm
                            tapwater geïntroduceerd. Dit water is voor huishoudelijk gebruik
                            bestemd, maar wordt door de Drinkwaterwet uitgezonderd van het begrip
                            dinkwater. Het is echter wel water dat na gebruik wordt afgevoerd en
                            daarom valt binnen de ratio van ingenomen water.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>
            <cursief>Bijlagen</cursief>
          </vet>
        </al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 2</tussenkop>
        <al>De grondslag voor de zuiveringsheffing wordt gevormd door de hoeveelheid
                            en de hoedanigheid van de stoffen die worden afgevoerd. Als
                            heffingsmaatstaf geldt de vervuilingswaarde van de stoffen die in een
                            kalenderjaar worden afgevoerd, uitgedrukt in vervuilingseenheden. Zoals
                            blijkt uit artikel 122g van de Waterschapswet is de hoofdregel dat het
                            aantal vervuilingseenheden wordt vastgesteld met behulp van door middel
                            van meting, bemonstering en analyse verkregen gegevens. In Bijlage I
                            zijn nadere regels gesteld over de wijze van meting, bemonstering,
                            analyse en berekening. Zie in dit verband ook de artikelen 7, 8 en 9 van
                            de verordening.</al>
        <al>In de artikelen 122h, 122i en 122k van de Waterschapswet is ook een
                            aantal uitzonderingen op deze hoofdregel gegeven. Deze uitzonderingen,
                            in casu voor woonruimten, kleine bedrijfsruimten, glastuinbouwbedrijven
                            en bedrijven met een vervuilingswaarde van 1.000 vervuilingseenheden en
                            minder, zijn eveneens in deze verordening opgenomen.</al>
        <al>Voor bedrijven met een vervuilingswaarde met betrekking tot het
                            zuurstofverbruik van 1.000 vervuilingseenheden en minder kan onder
                            voorwaarden de berekening van het aantal vervuilingseenheden
                            plaatsvinden met behulp van de tabel afvalwatercoëfficiënten en dan niet
                            door middel van meting, bemonstering en analyse. Deze tabel is opgenomen
                            in artikel 122k, derde lid, van de Waterschapswet en volledigheidshalve
                            eveneens in Bijlage II. De wijze waarop deze tabel moet worden
                            toegepast, is geregeld in artikel 10.</al>
        <al>De Bijlagen I en II maken deel uit van de verordening.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Belastbaar feit en heffingsplicht</tussenkop>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 3</tussenkop>
        <tussenkop>Eerste lid</tussenkop>
        <al>De opbrengst van de zuiveringsheffing dient ter bestrijding van de
                            kosten die zijn verbonden aan het zuiveren van afvalwater. De
                            zuiveringsheffing is daarmee primair een bestemmingsheffing met een
                            retributief karakter. </al>
        <al/>
        <al>Het belastbare feit is het afvoeren van stoffen, dat wil zeggen het
                            direct of indirect afvoeren van stoffen op een zuiveringstechnisch werk
                            in beheer bij het waterschap. Om beheerder en daarmee heffingsbevoegd te
                            zijn, is het niet vereist dat de juridische eigendom van het
                            zuiveringstechnisch daadwerkelijk bij het waterschap berust. Dit is met
                            name van belang in situaties waar sprake is van zogeheten
                            grensoverschrijdend afvalwater. Dit is het afvalwater dat onstaat in het
                            gebied van het ene waterschap en wordt afgevoerd naar een
                            zuiveringstechnisch werk van een ander waterschap. In een dergelijk
                            geval is het ontvangende waterschap bevoegd om degene die de stoffen
                            heeft afgevoerd in de zuiveringsheffing te betrekken. Hierdoor kan de
                            situatie ontstaan dat ten aanzien van hetzelfde adres aanslagen worden
                            opgelegd door verschillende waterschappen.</al>
        <al>Die veelal ongewenste situatie kan worden voorkomen door het sluiten van
                            een medebeheersovereenkomst tussen de betrokken waterschappen. waarin
                            onder andere de wederzijdse financiële verplichtingen worden vastgelegd.
                            Het waterschap waar het afvalwater ontstaat wordt daardoor ook beheerder
                            van het ontvangende zuiveringstechnisch werk en mitsdien heffingsbevoegd </al>
        <al>(Hoge Raad 11 december 1991, nr. 27 512, Belastingblad 1992, blz.
                            350).</al>
        <al>Ook wordt de zuiveringsheffing aangemerkt als een directe belasting. Dat
                            is noodzakelijk voor de toepasselijkheid van de bepalingen inzake de
                            richtige heffing in hoofdstuk IV van de Algemene wet inzake
                            rijksbelastingen.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Tweede lid</tussenkop>
        <al>Heffingsplichtig zijn degenen die afvoeren. Dit afvoeren kan op
                            verschillende wijzen plaatsvinden. Voor de omschrijving van de
                            belastingplicht wordt daarbij een koppeling gemaakt met het object van
                            waaruit wordt afgevoerd.</al>
        <al>Aan de hand van de feitelijke omstandigheden moet worden beoordeeld wie
                            gebruiker is. Ingeval er meerdere gebruikers zijn, is het noodzakelijk
                            dat de ambtenaar belast met de heffing of het dagelijks bestuur
                            beleidsregels opstelt op grond waarvan één van de gebruikers als
                            heffingsplichtige kan worden aangewezen. Deze beleidsregels moeten
                            worden gepubliceerd zodat ze kenbaar zijn voor de heffingsplichtigen.
                            Ingeval van het ontbreken van dergelijke beleidsregels kan de keuze van
                            het waterschap voor één van de gebruikers als willekeurig en onredelijk
                            worden aangemerkt, wat tot vernietiging van de aanslag kan leiden. Zie
                            voor nadere informatie over dit onderwerp en mogelijkheden voor de
                            inhoud van de beleidsregels de brief van de Unie van Waterschappen aan
                            de leden–waterschappen van 23 maart 1995, nr. 951476 (Belastingblad
                            1995, blz. 326).</al>
        <al/>
        <tussenkop>Onderdeel a</tussenkop>
        <al>Vindt het afvoeren plaats vanuit een woonruimte of vanuit een
                            bedrijfsruimte, dan is de gebruiker van die ruimte aan de heffing
                            onderworpen. Het komt voor dat een woonruimte of een bedrijfsruimte aan
                            een gebruiker wordt verhuurd, waarbij één van de voorwaarden luidt dat
                            de belastingen, waar onder de zuiveringsheffing, worden gedragen door de
                            verhuurder. Dergelijke overeenkomsten doen niet af aan de
                            heffingsplicht: de gebruiker blijft heffingsplichtig. Deze kan op grond
                            van de huurovereenkomst zelf het bedrag van de aanslag terugvorderen bij
                            de verhuurder.</al>
        <al>De omschrijving van woonruimte is ook dusdanig dat er geen misverstand
                            kan bestaan dat studentenhuizen met onzelfstandige wooneenheden dienen
                            te worden aangemerkt als bedrijfsruimte, waarvoor de verhuurder op grond
                            van artikel 3, derde lid, onderdeel c, in de heffing kan worden
                            betrokken. (Zie ook Hoge Raad 23 juli 1984, BNB 1984/282, Belastingblad
                            1984, blz. 544 en Hoge Raad 8 februari 1995, BNB 1995/92).</al>
        <al>In zijn arrest van 1 mei 1991 oordeelde de Hoge Raad dat als gebruiker
                            van een bedrijfsruimte in de zin van de verordening slechts kan worden
                            aangemerkt degene die zich daadwerkelijk min of meer duurzaam te eigen
                            behoeve van de bedrijfsruimte kan bedienen. Daarom kon de aannemer die
                            in opdracht van de landeigenaar op een stuk grond werkzaamheden uitvoert
                            om deze geschikt te maken voor de bollenteelt, niet als gebruiker worden
                            aangemerkt (BNB 1991/188, Belastingblad 1991, blz. 478).</al>
        <al>Ook kan het gebruik van een woonruimte of van een bedrijfsruimte er op
                            zijn gericht om die voor kortere perioden ter beschikking te stellen van
                            wisselende, opeenvolgende gebruikers. In dergelijke gevallen is de
                            verhuurder/exploitant belastingplichtig.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Onderdeel b</tussenkop>
        <al>Vindt het afvoeren niet vanuit een woonruimte of vanuit een
                            bedrijfsruimte plaats, dan is degene die afvoert heffingsplichtig.</al>
        <al>Deze bepaling komt overeen met die in artikel 122d, tweede lid,
                            onderdeel b, van de Waterschapswet en welke is ingevoerd nadat was
                            gebleken dat (incidenteel) afvoeren vanuit een tankauto niet als
                            afvoeren vanuit een bedrijfsruimte kon worden aangemerkt. Bovendien
                            bleek in de praktijk het achterhalen van de identiteit van de
                            achterliggende vervuiler niet altijd mogelijk te zijn, evenals het
                            vastellen van indivuduele vervuilingswaarden indien de stoffen van meer
                            dan één adres afkomstig zijn. In die gevallen biedt deze bepaling
                            soelaas, omdat degene die feitelijk afvoert (in het geval van een
                            tankauto dus de vervoerder) rechtstreeks in de heffing kan worden
                            betrokken.</al>
        <al>Door de gekozen formulering zijn overigens niet alleen lozingen vanuit
                            tankauto’s aan de heffing onderworpen, maar ook alle andere denkbare
                            wijzen van afvoeren anders dan vanuit een woonruimte of een
                            bedrijfsruimte. Zo valt ook het afvoeren vanuit een zuiveringstechnisch
                            werk onder de ratio van deze bepaling.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Derde lid</tussenkop>
        <tussenkop>Onderdeel a</tussenkop>
        <al>Wanneer er met betrekking tot dezelfde woonruimte sprake is van meerdere
                            gebruikers, wijst de ambtenaar belast met de heffing voor het opleggen
                            van de aanslag één van hen aan als belastingplichtige. De criteria op
                            grond waarvan die belastingplichtige wordt aangewezen, liggen vast in
                            beleidsregels.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Onderdeel b</tussenkop>
        <al>Wanneer een (onzelfstandig) deel van een bedrijfsruimte in gebruik is
                            gegeven aan een ander, dan kan degene die dit in gebruik heeft gegeven
                            de aan dat deel toe te rekenen zuiveringsheffing verhalen op degene die
                            het in gebruik heeft. Hierbij kan worden gedacht aan
                            bedrijfsverzamelgebouwen en dergelijke.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Onderdeel c</tussenkop>
        <al>Wanneer het gaat om een woonruimte of een bedrijfsruimte die voor
                            kortere perioden aan wisselende, opeenvolgende gebruikers ter
                            beschikking wordt gesteld, kan de heffingsplichtige de zuiveringsheffing
                            verhalen op degenen aan wie hij de ruimte ter beschikking heeft
                            gesteld.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Vierde lid</tussenkop>
        <al>In verreweg de meeste gevallen vindt het afvoeren naar het
                            zuiveringstechnisch werk van het waterschap plaats via de gemeentelijke
                            riolering. Dit vierde lid voorziet er in dat in dergelijke gevallen niet
                            de gemeente, maar degene die via de riolering heeft afgevoerd in de
                            heffing wordt betrokken. De gemeente zelf is alleen heffingsplichtig
                            voor zover het gaat om het afvoeren vanuit objecten waarvan de gemeente
                            als gebruiker kan worden aangemerkt.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Vijfde lid</tussenkop>
        <al>Hier wordt aangegeven waar de opbrengst van de zuiveringsheffing, naast
                            het financieren van het zuiveren van afvalwater, aan kan worden
                            besteed.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Zesde lid</tussenkop>
        <al>Het waterschap kan er om doelmatigheidsredenen voor kiezen om het
                            afvoeren vanuit objecten die het zelf in gebruik heeft, vrij te stellen
                            van de zuiveringsheffing. Hoewel de Waterschapswet, anders dan de
                            vervallen Wet verontreiniging oppervlaktewateren, geen specifieke
                            vrijstellingsbepaling kent voor het afvoeren door het waterschap zelf,
                            kan een dergelijke vrijstellingsbepaling worden opgenomen op de voet van
                            artikel 122l van de Waterschapswet. </al>
        <al/>
        <tussenkop>Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar
                            tijdsevenredigheid</tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 4</tussenkop>
        <tussenkop>Eerste lid</tussenkop>
        <al>Hoewel de zuiveringsheffing een tijdvakheffing is, ontstaat bij
                            woonruimten en kleine bedrijfsruimten de materiële belastingschuld door
                            de regeling in het eerste lid toch bij het begin van het heffingsjaar.
                            Dit heeft als voordeel dat al in het heffingsjaar zelf aanslagen kunnen
                            worden opgelegd (formalisering van de belastingschuld) en dat niet
                            gewacht hoeft te worden tot het heffingsjaar voorbij is. Bij een
                            tijdvakbelasting is het echter niet zonder meer mogelijk om een
                            definitieve aanslag gedurende het heffingsjaar op te leggen, omdat de
                            omvang van de belastingschuld pas na afloop van het heffingsjaar bekend
                            is. Dit blijkt uit een aantal uitspraken van de belastingrechter. Zie
                            hiervoor Hoge Raad van 2 november 1994 inzake precariorechten (BNB
                            1995/12, Belastingblad 1994, blz. 819), Gerechtshof Amsterdam 15
                            december 1995 inzake liggeld woonschepen (Belastingblad 1996, blz. 331)
                            en Gerechtshof Amsterdam 23 april 1997 (Belastingblad 1997, blz. 495)
                            inzake zuiveringsheffing. Uit deze jurisprudentie valt af te leiden dat
                            om een definitieve aanslag al in het heffingsjaar zelf op te leggen, de
                            heffingsverordening in een aantal zaken moet voorzien. Het gaat hierbij
                            om:</al>
        <al>– een regeling op grond waarvan de belastingschuld wordt geacht bij het
                            begin van het heffingsjaar te ontstaan (artikel 4, eerste lid);</al>
        <al>– een regeling op grond waarvan aanspraak op ontheffing bestaat indien
                            de heffingsplicht in de loop van het jaar eindigt (voor woonruimten is
                            dit geregeld in artikel 4, derde en vierde lid en voor kleine
                            bedrijfsruimten voorziet artikel 15, tweede lid, daar in);</al>
        <al>– een regeling op grond waarvan aanspraak op vermindering bestaat indien
                            de heffingsmaatstaf in de loop van het heffingsjaar wijzigt (voor
                            woonruimten is dit geregeld in artikel 16, derde en vierde lid en voor
                            kleine bedrijfsruimten in artikel 15, tweede lid). </al>
        <al>Indien in de heffingsverordening dergelijke bepalingen ontbreken, kan
                            een waterschap in het heffingsjaar wel voorlopige aanslagen opleggen.
                            Artikel 13 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen geeft hiertoe de
                            bevoegdheid.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Tweede lid</tussenkop>
        <al>De vervuilingswaarde van een woonruimte wordt forfaitair vastgesteld op
                            drie vervuilingseenheden en bij bewoning door één persoon op één
                            vervuilingseenheid (artikel 16, eerste lid). De zuiveringsheffing is
                            echter een tijdvakbelasting. Dit betekent dat wanneer de heffingsplicht
                            zich niet gedurende het gehele heffingstijdvak voordoet, dit gevolgen
                            heeft voor de berekening van de hoogte van de verschuldigde heffing.
                            Artikel 122h, zesde lid, van de Waterschapswet bepaalt dat wanneer de
                            heffingsplicht in de loop van het jaar aanvangt, de heffingsplichtige
                            aan de heffing wordt onderworpen voor een evenredig gedeelte van het
                            vastgestelde aantal vervuilingseenheden. In de verordening moet zijn
                            aangegeven op welke wijze dat evenredig deel wordt vastgesteld.</al>
        <al>In deze verordening is gekozen voor de maandnauwkeurige variant. </al>
        <al/>
        <tussenkop>Derde lid</tussenkop>
        <al>Wanneer de heffingsplicht in de loop van het jaar eindigt, dan is de
                            heffing op grond van artikel 122h, zesde lid, Waterschapswet eveneens
                            voor een evenredig deel verschuldigd. Ook hierbij kan voor een andere
                            variant dan maandnauwkeurig worden gekozen. </al>
        <al>Er is tevens voorzien in de mogelijkheid om uit oogpunt van efficiency
                            voor geringe bedragen geen ontheffing te verlenen. </al>
        <al/>
        <tussenkop>Vierde lid</tussenkop>
        <al>Wanneer ná het opleggen van de aanslag de heffingsplicht in de loop van
                            het jaar eindigt, is de ambtenaar belast met de heffing niet in de
                            gelegenheid geweest om daar bij het vaststellen van de aanslag rekening
                            mee te houden. Artikel 132 van de Waterschapswet geeft aan op welke
                            wijze de heffingsplichtige aanspraak kan maken op ontheffing. Op de
                            aanvraag zoals die kan worden ingediend, moet worden beslist bij voor
                            bezwaar vatbare beschikking. Dit opent voor de heffingsplichtige in
                            voorkomende gevallen de volledige fiscale rechtsgang. Hiermee is deze
                            procedure uit het oogpunt van de rechtsbescherming van de
                            heffingsplichtige met voldoende waarborgen omkleed.</al>
        <al>Het staat het waterschap ook vrij om, op grond van eigen gegevens, uit
                            eigener beweging een dergelijke ontheffing te verlenen zonder een
                            aanvraag van de heffingsplichtige af te wachten.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Vijfde lid</tussenkop>
        <al>Wanneer de heffingsplichtige verhuist naar een andere woonruimte van
                            waaruit eveneens wordt afgevoerd, zijn zowel het tweede als het derde
                            lid van toepassing. Er kan immers worden gesteld dat ook in dat geval
                            sprake is van het eindigen van de heffingsplicht en het opnieuw ontstaan
                            van de heffingsplicht. Dit zou resulteren in een vermindering van een al
                            opgelegde, en mogelijk zelfs al betaalde, aanslag voor de oude woning en
                            een nieuwe aanslag voor de nieuwe woning. Om pragmatische redenen kan
                            worden bepaald dat in een dergelijk geval het tweede en het derde lid
                            niet van toepassing zijn. De aanslag verhuist dan als het ware mee.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Heffingsjaar</tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 5</tussenkop>
        <al>In artikel 5 is bepaald dat het heffingsjaar gelijk is aan het
                            kalenderjaar. Dit is wettelijk voorgeschreven zodat een afwijkende
                            regeling in de verordening niet meer mogelijk is.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Grondslag en heffingsmaatstaf</tussenkop>
        <al/>
        <al>Algemeen</al>
        <tussenkop>Artikel 6</tussenkop>
        <al>De grondslag van de heffing is de hoeveelheid en hoedanigheid van de
                            stoffen die in een kalenderjaar worden afgevoerd. In het tweede lid is
                            gekozen voor één uniforme heffingsmaatstaf, namelijk de
                            vervuilingswaarde van de stoffen die <onderstreept>in een
                                kalenderjaar</onderstreept> worden afgevoerd. Deze heffingsmaatstaf
                            geldt dus zowel voor de zuurstofbindende als de overige stoffen en is
                            gedefinieerd in relatie tot de stoffen ten aanzien waarvan het afvoeren
                            is belast. Een verbruik van 54,8 kilogram zuurstof per heffingsjaar
                            vertegenwoordigt één vervuilingseenheid. Voor de stoffen die worden
                            genoemd in het vierde lid, gelden verschillende gewichtshoeveelheden per
                            heffingsjaar. In het vierde lid zijn alle andere stoffen opgenomen die
                            in de heffing worden betrokken. Het waterschap heeft de keuze om die
                            stoffen niet in de heffing te betrekken. Daartoe dient op grond van
                            artikel 122f, derde lid, onderdeel a, van de Waterschapswet een
                            afzonderlijke bepaling in de verordening te worden opgenomen. Het vijfde
                            lid van artikel 6 voorziet daar in.</al>
        <al/>
        <al>Bij de heffingsmaatstaf is een onderscheid gemaakt tussen
                            zuurstofbindende stoffen en andere stoffen. In beide gevallen is de
                            heffingsmaatstaf de vervuilingswaarde uitgedrukt in vervuilingseenheden.
                            Bij zuurstofbindende stoffen gaat het om de hoeveelheid zuurstof die
                            nodig is om die stoffen af te breken. Die hoeveelheid wordt bepaald op
                            de som van het chemisch zuurstofverbruik en het zuurstofverbruik door
                            omzetting van stikstofverbindingen. Daarbij is één vervuilingseenheid de
                            zuurstofbehoefte die ontstaat door de gemiddelde afvoer van
                            huishoudelijk afvalwater van één persoon per jaar. Die gemiddelde
                            zuurstofbehoefte bedraagt 150 gram per etmaal, of wel 54,8 kilogram per
                            jaar.</al>
        <al>Bij de andere stoffen gaat het bij het vaststellen van de
                            vervuilingswaarde om de hoeveelheid van die stoffen die worden
                            afgevoerd. Daarbij is één vervuilingseenheid een omschreven hoeveelheid
                            van in het heffingsjaar afgevoerde stoffen. Bij chroom, koper, lood,
                            nikkel, zilver en zink is één afgevoerde kilogram één
                            vervuilingseenheid. Vanwege de grotere schadelijkheid is bij arseen,
                            cadmium en kwik een afgevoerde hoeveelheid van 100 gram al één
                            vervuilingseenheid. </al>
        <al/>
        <tussenkop>Meting, bemonstering en analyse</tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 7</tussenkop>
        <al>Hier is de hoofdregel opgenomen op grond waarvan bij de
                            zuiveringsheffing de vervuilingswaarde dient te worden vastgesteld. Deze
                            hoofdregel geldt niet alleen ter zake van het afvoeren vanuit
                            bedrijfsruimten, maar ook ter zake van het afvoeren vanuit
                            zuiveringtechnische werken of op andere wijze.</al>
        <tussenkop>Eerste lid</tussenkop>
        <al>Voor zowel de zuurstofbindende stoffen als voor de andere stoffen wordt
                            het aantal vervuilingseenheden bepaald door middel van meting,
                            bemonstering en analyse van het afvalwater. Daarbij maakt het niet uit
                            of dit elk etmaal geschiedt of gedurende een beperkt aantal
                            etmalen.</al>
        <al>In Bijlage I zijn nadere regels gesteld met betrekking tot:</al>
        <lijst>
          <li nr="-"><al>de wijze van meting, bemonstering en monsterbehandeling;</al></li>
          <li nr="-"><al>analysevoorschriften;</al></li>
          <li nr="-"><al>berekeningsvoorschriften.</al></li>
        </lijst>
        <al>De kosten van een dergelijk onderzoek zijn voor rekening van de
                            heffingsplichtige.</al>
        <al>Het spreekt voor zich dat de vervuilingswaarde zo nauwkeurig mogelijk
                            wordt vastgesteld. </al>
        <al>Echter niet tot elke prijs. Het Gerechtshof te ’s-Gravenhage oordeelde
                            op 16 maart 1988 dat de</al>
        <al>kosten in redelijke verhouding tot de verschuldigde heffing moeten staan
                            (Belastingblad 1988, </al>
        <al>blz. 626). Hiervan is sprake wanneer de kosten niet hoger zijn dan 40%
                            van de verschuldigde </al>
        <al>heffing.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Tweede lid</tussenkop>
        <al>Volgens het tweede lid dienen meting, bemonstering en analyse plaats te
                            vinden gedurende alle dagen van het heffingsjaar. Hiervan kan echter
                            onder omstandigheden worden afgeweken. Zie hierna onder artikel 8.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Derde lid</tussenkop>
        <al>In het derde lid zijn de voorwaarden opgenomen waar meting en
                            bemonstering aan moeten voldoen. De voorschriften van meting en
                            bemonstering in Bijlage I zijn een waarborg voor de in het derde lid
                            gestelde criteria. Als aan de voorschriften van Bijlage I niet kan
                            worden voldaan, kan hiervan onder omstandigheden worden afgeweken.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Vierde lid</tussenkop>
        <al>De wijze van meting en bemonstering wordt, samen met een beschrijving
                            van de te gebruiken apparatuur, vooraf megedeeld aan ambtenaar belast
                            met de heffing.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Vijfde lid</tussenkop>
        <al>De ambtenaar belast met de heffing mag onder voorwaarden afwijken van de
                            in Bijlage I opgenomen voorschriften. Dit mag hij:</al>
        <al>– ambtshalve wanneer hij aannemelijk maakt dat dit noodzakelijk is om te
                            voldoen aan de voorwaarden in het derde lid;</al>
        <al>– op aanvraag van de belastingplichtige indien deze aannemelijk maakt
                            dat ook dan nog steeds wordt voldaan aan de voorwaarden in het derde
                            lid;</al>
        <al>– op aanvraag van de belastingplichtige indien deze aannemelijk maakt
                            dat de nauwkeurigheid van de analyseresultaten er niet door wordt
                            beïnvloed.</al>
        <al>Verder mag hij nadere voorschriften stellen.</al>
        <al>De beslissing op aanvraag wordt bij een voor bezwaar vatbare beschikking
                            genomen. Hiertegen staat de gewone fiscale rechtsgang van bezwaar en
                            beroep open. Een belangrijk aandachtspunt daarbij is wel dat wanneer de
                            heffingsplichtige zich niet kan verenigen met de beschikking en gebruik
                            maakt van de hem ter beschikking staande rechtsmiddelen, de
                            voorschriften in die beschikking wel moeten worden nageleefd. Dit om te
                            voorkomen dat wanneer de heffingsplichtige in het ongelijk is gesteld en
                            de beschikking onherroepelijk vaststaat, hij over onvoldoende gegevens
                            beschikt om de vereiste aangifte te kunnen doen. De ambtenaar belast met
                            de heffing zal in dat geval de aanslag immers geheel of gedeeltelijk op
                            basis van schatting vaststellen en de heffingsplichtige kan vervolgens
                            bij het betwisten van die schatting</al>
        <al> onvoldoende of geen tegenbewijs leveren. </al>
        <al/>
        <tussenkop>Zesde lid</tussenkop>
        <al>Hier is aangegeven welke elementen de bedoelde beschikking in ieder
                            geval dient te bevatten.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Zevende lid</tussenkop>
        <al>Wanneer het gaat om meer dan één beschikking betreffende hetzelfde
                            bedrijf of bedrijfsonderdeel, dan mag de ambtenaar belast met de heffing
                            die in één geschrift combineren.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Beperkte meting en bemonstering</tussenkop>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 8</tussenkop>
        <al>In veel gevallen kan worden volstaan met een lagere frequentie dan ieder
                            etmaal meten, bemonsteren en analyseren, zonder al te veel afbreuk te
                            doen aan de nauwkeurigheid van het eindresultaat. Het spreekt voor zich
                            dat een lagere frequentie zich vertaalt in lagere kosten voor de
                            heffingsplichtige. De heffingsplichtige die aannemelijk weet te maken
                            dat met een lagere frequentie kan worden volstaan, kan daar door middel
                            van een aanvraag bij de ambtenaar belast met de heffing toestemming voor
                            vragen. Ook op deze aanvraag wordt beslist bij voor bezwaar vatbare
                            beschikking, waartegen de volledige fiscale rechtsgang open staat.
                            Hierbij geldt eveneens dat de voorschriften moeten worden nageleefd
                            indien de heffingsplichtige zich niet kan verenigen met de beschikking
                            en zolang deze nog niet onherroepelijk vaststaat.</al>
        <al>In zijn beschikking geeft hij in ieder geval voorschriften met
                            betrekking tot de in de onderdelen a t/m d genoemde onderwerpen.</al>
        <al>In dit kader zijn tevens van belang de model–meetbeschikking (brief van
                            de Unie van Waterschappen aan de leden–waterschappen van 28 oktober
                            1994, kenmerk 942196 AJBZ/EK, Belastingblad 1994, blz. 802) en de
                            richtlijnen in het ‘Rapport bepaling meetfrequentie ter vaststelling van
                            de vervuilingswaarde van afvalwater’ van de Commissie Integraal
                            Waterbeheer van augustus 1998. </al>
        <al/>
        <tussenkop>Hoedanigheidscorrectie</tussenkop>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 9</tussenkop>
        <al>Bij het bepalen van het chemisch zuurstofverbruik (CZV) kan in de
                            uitkomst ook zuurstofverbruik tot uitdrukking komen van stoffen die in
                            het natuurlijk milieu niet of nagenoeg niet afbreekbaar zijn. Op grond
                            van jurisprudentie komt “nagenoeg niet” overeen met een percentage van
                            niet meer dan 10%. Wanneer het gevonden zuurstofverbruik van dergelijke
                            stoffen het totale chemisch zuurstofverbruik in belangrijke mate
                            beïnvloedt, dan wordt de gevonden CZV gecorrigeerd. In de jurisprudentie
                            staat “in belangrijke mate” voor ten minste 25%. De correctie die dan
                            plaatsvindt, wordt veelal als T-correctie geduid.</al>
        <al>Artikel 9 voorziet erin dat de voorschriften die het waterschap
                            betreffende de T–correctie stelt, kenbaar zijn voor de
                            heffingsplichtigen (zie ook Bijlage I, onderdeel C). De voorschriften
                            zijn in Bijlage I opgenomen.</al>
        <al>Daarnaast is in het artikel bepaald dat de heffingsplichtige voor
                            toepassing van de T–correctie een aanvraag moet indienen. De ambtenaar
                            belast met de heffing beslist hier op in een voor bezwaar vatbare
                            beschikking. Dit opent voor de heffingsplichtige in voorkomende gevallen
                            de volledige fiscale rechtsgang. Hiermee is deze procedure uit het
                            oogpunt van de rechtsbescherming van de heffingsplichtige met voldoende
                            waarborgen omkleed.</al>
        <al>Tevens is voorgeschreven welke elementen de bedoelde beschikking dient
                            te bevatten.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Tabel afvalwatercoëfficiënten </tussenkop>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 10</tussenkop>
        <al>Meting, bemonstering en analyse van afvalwater kan onder voorwaarden
                            achterwege blijven. Bij verreweg de meeste bedrijven gebeurt dit ook en
                            daar wordt het aantal vervuilingseenheden van het zuurstofverbruik
                            berekend met behulp van de tabel afvalwatercoëfficiënten. Deze tabel is
                            opgenomen in Bijlage II en kent vijftien klassen met elk een
                            afvalwatercoëfficiënt.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Eerste lid</tussenkop>
        <al>Toepassing van de tabel is toegestaan indien:</al>
        <al>1 de heffingsplichtige aannemelijk maakt dat toepassing van de tabel
                                <onderstreept>niet</onderstreept> leidt tot een aantal
                            vervuilingseenheden van meer dan 1.000 en</al>
        <al>2 er een relatie bestaat tussen de hoeveelheid ingenomen water en de
                            vervuilingswaarde van de afgevoerde stoffen.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Tweede lid</tussenkop>
        <al>De vervuilingswaarde van de over het heffingsjaar door het bedrijf of
                            het bedrijfsonderdeel afgevoerde stoffen kan met behulp van de tabel
                            worden berekend door het aantal kubieke meters in het heffingsjaar
                            ingenomen water te vermenigvuldigen met de bij de klasse behorende
                            afvalwatercoëfficiënt.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Derde lid </tussenkop>
        <al>Vaak is de feitelijk in het heffingsjaar ingenomen hoeveelheid water
                            niet direct vast te stellen, omdat de verbruiksperiode waarover het
                            drinkwaterbedrijf afrekent, niet gelijk is aan het kalenderjaar. Ook kan
                            er sprake zijn van een andere tariefstructuur dan gemeten waterverbruik.
                            In dergelijke gevallen worden de beschikbare gegevens herleid tot
                            verbruiken over het kalenderjaar. De wijze waarop dit gebeurt, liggen
                            vast in beleidsregels van het waterschap.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Vierde lid</tussenkop>
        <al>De indeling in een klasse is afhankelijk van de aard van het bedrijf of
                            het bedrijfsonderdeel. Daarbij wordt uitgegaan van de conversietabel in
                            artikel 2 van het Besluit vervuilingswaarde ingenomen water (Besluit van
                            12 december 2008, Stb.609).</al>
        <al>Uit onderzoek op initiatief van zowel de heffingsplichtige als de
                            ambtenaar belast met de heffing kan blijken dat het bedrijf of het
                            bedrijfsonderdeel in een andere klasse moet worden ingedeeld. De
                            voorwaarden daarvoor staan in artikel 4 van het Besluit
                            vervuilingswaarde ingenomen water.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Vijfde lid</tussenkop>
        <al>De tabel kan ook worden toegepast bij vervuilingswaarden van 1.000
                            vervuilingseenheden en meer. Voorwaarde is dan wel dat dit niet leidt
                            tot een vervuilingswaaarde die lager is dan de vervuilingswaarde die
                            wordt gevonden op basis van meting, bemonstering en analyse.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Belasting van tuinbouwkassen</tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 11</tussenkop>
        <al>Op basis van artikel 11 worden tuinbouwkassen waarbinnen onder een
                            permanente opstand van glas of kunststof het telen van gewassen
                            plaatsvindt in de heffing betrokken op basis van een forfait van drie
                            vervuilingseenheden per hectare permanente opstand. Bij de
                            totstandkoming van de nieuwe tabel afvalwatercoëfficiënten is gebleken
                            dat de vervuilingswaarde van tuinbouwkassen geen relatie heeft met de
                            hoeveelheid ingenomen water. Bepaling van de vervuilingswaarde op basis
                            van meting, bemonstering en analyse bleek gezien de relatief hoge
                            perceptiekosten evenmin een reële mogelijkheid. In verband daarmee is
                            voor tuinbouwkassen thans een heffingsmaatstaf op basis van oppervlakte
                            in de wet opgenomen (artikel 122i, tweede lid, Waterschapswet).</al>
        <al>Indien de vervuilingswaarde als berekend op grond van artikel 11 minder
                            dan vijf vervuilingseenheden bedraagt, is de forfaitregeling voor kleine
                            bedrijfsruimten van artikel 15 van toepassing.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Franchise</tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 12</tussenkop>
        <al>Artikel 12 bepaalt dat bij de berekening van de vervuilingswaarde voor
                            bedrijfsruimten ten aanzien van de niet–zuurstofbindende stoffen een
                            heffingsvrije grens (aftrek) in acht wordt genomen. De hoogte van deze
                            aftrek is bepaald op de gemiddelde vervuilingswaarde van huishoudelijk
                            afvalwater met betrekking tot genoemde stoffen. De achterliggende
                            gedachte bij de aftrek is dat woonruimten uitsluitend worden aangeslagen
                            voor het afvoeren van zuurstofbindende stoffen en niet voor het afvoeren
                            van andere stoffen. Uit onderzoek blijkt echter dat ook in huishoudelijk
                            afvalwater een, zij het zeer geringe, hoeveelheid van die andere stoffen
                            zit. Deze blijven bij woonruimten echter onbelast. Om te voorkomen dat
                            een ongelijkheid ontstaat tussen woonruimten en bedrijfsruimten is in
                            artikel 12 een aftrek opgenomen gelijk aan de gemiddelde
                            vervuilingswaarde van huishoudelijk afvalwater met betrekking tot
                            genoemde stoffen.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Meetverplichting</tussenkop>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 13</tussenkop>
        <al>Artikel 13 heeft als doel duidelijk te maken welke bedrijven onderzoek
                            dienen te verrichten naar de samenstelling van het afvoeren van
                            niet–zuurstofbindende stoffen (= andere stoffen). In de artikelen 7 en 8
                            staat dat de vervuilingswaarde voor bedrijfsruimten wordt vastgesteld
                            door middel van (al dan niet dagelijkse) meting, bemonstering en
                            analyse. Dit voorschrift geldt zowel voor de zuurstofbindende stoffen
                            als voor de andere stoffen.</al>
        <al>Volgens artikel 13 kunnen meting, bemonstering en analyse ten aanzien
                            van de andere stoffen in beginsel achterwege blijven bij bedrijfsruimten
                            waarvoor de vervuilingswaarde met betrekking tot de zuurstofbindende
                            stoffen minder dan 1.000 vervuilingseenheden bedraagt. Indien de
                            ambtenaar belast met de heffing echter aannemelijk maakt dat de
                            vervuilingswaarde van de andere stoffen hoger is dan de heffingsvrije
                            grens als bedoeld in artikel 12, dienen meting, bemonstering en analyse
                            plaats te vinden. Dit is geregeld in het eerste lid van artikel 13.</al>
        <al>Voor bedrijfsruimten waarvoor de vervuilingswaarde met betrekking tot de
                            zuurstofbindende stoffen meer dan 1.000 vervuilingseenheden bedraagt,
                            geldt het omgekeerde. Ten aanzien van de andere stoffen dient in dat
                            geval meting, bemonstering en analyse plaats te vinden, tenzij het
                            bedrijf aannemelijk maakt dat de vervuilingswaarde van die stoffen lager
                            is dan de heffingsvrije grens als bedoeld in artikel 12. Dit is geregeld
                            in het tweede lid van artikel 13.</al>
        <al/>
        <al>Ter verduidelijking van de artikelen 12 en 13 volgt hierna een
                            voorbeeld.</al>
        <al>Stel een bedrijf heeft een vervuilingswaarde aan zuurstofbindende
                            stoffen van 900 vervuilingseenheden. Ingevolge artikel 13 wordt het
                            aantal vervuilingseenheden van de overige stoffen in dit geval (minder
                            dan 1.000 vervuilingseenheden) in beginsel op nihil gesteld en behoeft
                            het bedrijf voor die overige stoffen dus niet te bemeten en te
                            bemonsteren. Stel echter dat het waterschap aannemelijk heeft gemaakt
                            dat het bedrijf een hoeveelheid lood loost dat groter is dan de in
                            artikel 12 bedoelde aftrek. Die aftrek bedraagt in dit geval 900 x
                            0,0162 = 14,58 vervuilingseenheden. Het bedrijf zal dus moeten gaan
                            meten en bemonsteren voor de overige stoffen (niet alleen lood maar in
                            beginsel ook de andere stoffen van dezelfde gewichtsgroep). Stel dat
                            daaruit blijkt dat een hoeveelheid van 25 kilogram lood wordt afgevoerd
                            met een vervuilingswaarde van 25 vervuilingseenheden. Daarop moet als
                            gevolg van artikel 12 de aftrek (14,58) in mindering worden gebracht. De
                            totale vervuilingswaarde is dus 900 + (25 – 14,58) = 910,52
                            vervuilingseenheden.</al>
        <al>In geval naast de aangegeven hoeveelheid lood ook nog vier kilogram zink
                            (vier vervuilingseenheden) en 300 gram arseen (drie vervuilingseenheden)
                            wordt afgevoerd, geldt het volgende. In dat geval geldt een aftrek van
                            14,58 voor de stoffen lood en zink samen (per groep) en een aftrek van
                            2,43 voor arseen (900 x 0,0027). De totale vervuilingswaarde is dus 900
                            + (29 – 14,58) + (3 – 2,43) = 915,09 vervuilingseenheden.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Totale vervuilingswaarde van een
                            bedrijfsruimte</tussenkop>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 14</tussenkop>
        <al>Dit artikel voorziet in de totalisering van het bij de artikelen 7 t/m
                            13 berekende aantal vervuilingseenheden aan zuurstofbindende stoffen
                            voor een bedrijfsruimte. Een dergelijke totalisering is onder meer van
                            belang indien binnen één bedrijfsruimte:</al>
        <al>– voor de verschillende onderdelen van die bedrijfsruimte afzonderlijke
                            meting, bemonstering en analyse plaatsvindt;</al>
        <al>– voor de verschillende onderdelen van die bedrijfsruimte afzonderlijke
                            afvalwatercoëfficiënten van toepassing zijn;</al>
        <al>– voor een onderdeel van die bedrijfsruimte wordt gemeten, bemonsterd en
                            geanalyseerd en voor een ander onderdeel van die bedrijfsruimte een
                            afvalwatercoëfficiënt van toepassing is;</al>
        <al>– naast zuurstofbindende stoffen eveneens niet–zuurstofbindende stoffen
                            worden afgevoerd die in de heffing worden betrokken (na aftrek van de
                            heffingsvrije grens van niet–zuurstofbindende stoffen).</al>
        <al> De vervuilingswaarde kan worden uitgedrukt in hele getallen of tot in
                            decimalen nauwkeurig. Indien hiervoor verschillende uitkomsten moeten
                            worden opgeteld, moet worden uitgegaan van niet afgronde waarden. De
                            uiteindelijke totale vervuilingswaarde kan niet worden afgerond volgens
                            de gebruikelijke afrondingsregels. Er dient te worden “gekapt”. Zo
                            wordt, afhankelijk van de keuze, 7,94 uiteindelijk 7,9 of 7 op het
                            aanslagbiljet en 20,49 wordt 20,4 of 20.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Forfaits voor kleine bedrijfsruimten</tussenkop>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 15</tussenkop>
        <tussenkop>Eerste lid</tussenkop>
        <al>De regeling voor kleine bedrijfsruimten vindt haar basis in artikel
                            122i, eerste lid, van de Waterschapswet. Indien de heffingsplichtige
                            aannemelijk maakt dat het aantal vervuilingseenheden minder dan vijf
                            bedraagt, wordt de vervuilingswaarde op drie vervuilingseenheden gesteld
                            en op één vervuilingseenheid indien die één of minder bedraagt.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Tweede lid</tussenkop>
        <al>Hoewel de zuiveringsheffing een tijdvakbelasting is, wordt aan bedrijven
                            met een vervuiligswaarde van minder dan vijf vervuilingseenheden in veel
                            gevallen al aan het begin van het heffingsjaar een aanslag voor drie
                            vervuilingseenheden opgelegd. Dit is in artikel 4, eerste lid, geregeld.
                            Na afloop van het heffingsjaar kan echter blijken dat de
                            vervuilingswaarde één of minder vervuilingseenheid bedraagt. </al>
        <al>Daarom moet de verordening ook voorzien in een deugdelijke regeling voor
                            ontheffing of vermindering. Indien de heffingsplichtige aannemelijk
                            maakt dat het aantal vervuilingseenheden één of minder bedraagt, wordt
                            op aanvraag van de belastingplichtige de vervuilingswaarde op 1
                            vervuilingseenheid gesteld. Het betreft hier een aanvraag in de zin van
                            artikel 132, eerste lid, van de Waterschapswet. Deze moet worden
                            ingediend binnen zes weken nadat de omstandigheid zich heeft voorgedaan.
                            De vermindering kan door de ambtenaar belast met de heffing ook
                            ambtshalve worden verleend.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Forfaits voor woonruimten</tussenkop>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 16</tussenkop>
        <tussenkop>Eerste lid</tussenkop>
        <al>In navolging van artikel 122h, eerste lid, van de Waterschapswet wordt
                            de vervuilingswaarde voor een woonruimte vastgesteld op drie
                            vervuilingseenheden, met dien verstande dat die wanneer de woonruimte
                            door één persoon wordt bewoond één vervuilingseenheid bedraagt.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Tweede lid</tussenkop>
        <al>Een uitzondering op deze hoofdregel geldt voor woonruimten die voor
                            recreatiedoeleinden zijn bestemd en zich bevinden op een voor
                            recreatiedoeleinden bestemd terrein dat als zodanig wordt geëxploiteerd.
                            Samen met de andere voorzieningen op dat terrein worden zij als één
                            bedrijfsruimte aangemerkt. De exploitant van het terrein is dan de
                            heffingsplichtige.</al>
        <al/>
        <al>Deze regeling gaat echter niet in alle gevallen op. Steeds vaker komt
                            het voor dat recreatiewoningen op een recreatieterrein in eigendom zijn
                            bij particulieren. Die kunnen de woning dan alleen voor zichzelf
                            beschikbaar houden, of de woning via de exploitant verhuren aan
                            wisselende gebruikers gedurende de weken dat zij er zelf niet zijn.</al>
        <al>In zijn arrest van 22 november 2002, nummer 37 361, geeft de Hoge Raad
                            aan dat dit onder voorwaarden gevolgen kan hebben voor de
                            heffingsplicht. Hoewel deze procedure betrekking had op het
                            gebruikersdeel van de onroerende-zaakbelastingen, is zij ook van
                            betekenis voor de zuiveringsheffing.</al>
        <al>Indien de woonruimte alleen ter beschikking staat van de eigenaar, dan
                            is hij de heffingsplichtige en is het gewone woonruimteforfait van
                            toepassing. Bij het vaststellen van de aanslag voor het recreatieterrein
                            moet de woonruimte buiten beschouwing worden gelaten. Wordt de
                            woonruimte echter ook via de exploitant aan anderen verhuurd, dan is de
                            heffingsplicht afhankelijk van de vraag op wie het exploitatierisico
                            drukt. Krijgt de eigenaar een vaste vergoeding ongeacht de werkelijke
                            verhuurde periode(s), dan wordt de woonruimte als onderdeel van de
                            bedrijfsruimte beschouwd en is de exploitant van het recreatieterrein
                            heffingsplichtig. Is de vergoeding die de eigenaar krijgt wel
                            afhankelijk van de werkelijke verhuurde periode(s), dan rust het
                            exploitatierisico bij hem en is hij als heffingsplichtige het gewone
                            woonruimteforfait verschuldigd.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Derde lid</tussenkop>
        <al>Na aanvang van de heffingsplicht kan het aantal bewoners verminderen tot
                            één. Dit heeft gevolgen voor de vervuilingswaarde. Het is, analoog aan
                            artikel 4, derde lid, de keuze van het waterschap hoe dit naar
                            tijdsevenredigheid in de aanslag tot uitdrukking komt.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Vierde lid</tussenkop>
        <al>Omdat de aanslag voor een woonruimte meestal al aan het begin van het
                            heffingsjaar wordt opgelegd, moet de verordening voorzien in een
                            regeling waardoor aanspraak op vermindering kan worden gemaakt. Dit
                            gebeurt door middel van een aanvraag in de zin van artikel 132, eerste
                            lid, Waterschapswet. Deze moet worden ingediend binnen zes weken nadat
                            de omstandigheid zich heeft voorgedaan. De vermindering kan door de
                            ambtenaar belast met de heffing ook ambtshalve worden verleend.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Schatting</tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 17</tussenkop>
        <al>In artikel 122j van de Waterschapswet is expliciet bepaald dat onder
                            bepaalde, nader omschreven, omstandigheden de vervuilingswaarde kan
                            worden vastgesteld door middel van schatting. Bijvoorbeeld indien een
                            bedrijf niet voldoet aan zijn verplichting tot meting, bemonstering en
                            analyse of indien het bedrijf dat doet op een wijze die niet in
                            overstemming is met de in de verordening of meetbeschikking opgenomen
                            voorschriften.</al>
        <al>De bepaling is tevens een vangnetbepaling voor het afvoeren ter zake van
                            stoffen vanuit objecten waarvoor in de verordening geen bijzondere
                            regelingen zijn opgenomen en waarvoor de hoofdregel van artikel 7
                            (meting, bemonstering en analyse) niet kan worden toegepast.</al>
        <al>Overigens sluit dit artikel niet uit dat er ook andere omstandigheden
                            kunnen zijn op grond waarvan schatting kan plaatsvinden. </al>
        <al/>
        <tussenkop>Tarief</tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 18 </tussenkop>
        <al>Dit artikel regelt het tarief per vervuilingseenheid.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Wijze van heffing </tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 19</tussenkop>
        <al>Ingevolge artikel 125 van de Waterschapswet kunnen
                            waterschapsbelastingen worden geheven bij wege van aanslag, bij wege van
                            voldoening op aangifte of op andere wijze. Het gaat hier om drie
                            verschillende heffingstechnieken. Het hangt van de aard en de
                            ingewikkeldheid van de desbetreffende belasting af, welke van deze drie
                            heffingstechnieken het meest doelmatig is. Voorts kunnen overwegingen
                            uit een oogpunt van perceptiekosten of op grond van het beginsel dat de
                            belastingheffing voor de belastingplichtige met de minste pijn moet
                            plaatsvinden, bepalend zijn voor de keuze van de te hanteren
                            heffingstechniek. Het gaat het bestek van deze toelichting te buiten
                            nader in te gaan op de werking en de voor– en nadelen van de genoemde
                            drie </al>
        <al>heffingstechnieken. In dit artikel is gekozen voor de heffing bij wege
                            van aanslag.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Betalingstermijnen</tussenkop>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 20</tussenkop>
        <al>Van de bevoegdheid om afwijkende betalingstermijnen in de
                            belastingverordening op te nemen (artikel 139, eerste lid,
                            Waterschapswet) is gebruik gemaakt. </al>
        <al>De betalingstermijnen in het tweede en in het derde lid zijn derhalve
                            afwijkend van die in artikel 9 van de Invorderingswet 1990. Het ligt
                            voor de hand de betalingstermijnen voor de aanslag en de bestuurlijke
                            boete aan elkaar gelijk te laten zijn, aangezien die in hetzelfde
                            geschrift zijn verenigd.</al>
        <al>Het derde lid voorziet in afwijkende betalingstermijnen indien de
                            heffingsplichtige een machtiging voor automatische incasso heeft
                            afgegeven.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Nadere regels</tussenkop>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 21</tussenkop>
        <al>In verband met de inwerkingtreding van de derde tranche van de Algemene
                            wet bestuursrecht (Stb. 1996, 333) en de daarop gebaseerde
                            aanpassingswetgeving (Stb. 1997, 510 en 580) komen de bevoegdheden die
                            in de Algemene wet inzake rijksbelastingen en de Invorderingswet 1990
                            zijn toebedeeld aan de Minister van Financiën vanaf 1 januari 1998 toe
                            aan het dagelijks bestuur van het waterschap (zie artikel 123, derde
                            lid, onderdeel a, van de Waterschapswet). Voor die datum kwamen deze
                            formele belastingbevoegdheden toe aan het algemeen bestuur van het
                            waterschap. </al>
        <al>In artikel 21 is het toekomen van de bevoegdheid aan het dagelijks
                            bestuur van het waterschap uitdrukkelijk vermeld.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Inwerkingtreding en citeertitel</tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 22</tussenkop>
        <tussenkop>Eerste lid</tussenkop>
        <al>Het eerste lid regelt dat de oude verordening wordt ingetrokken met
                            ingang van de datum van ingang van de heffing. De oude verordening
                            blijft echter gelden voor de belastbare feiten die zich voor die datum
                            hebben voorgedaan. Voor die feiten kunnen dus nog aanslagen worden
                            opgelegd op basis van de oude verordening.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Tweede lid</tussenkop>
        <al>Artikel 73, eerste lid, van de Waterschapswet schrijft voor dat
                            besluiten van het waterschapsbestuur die algemeen verbindende regels
                            inhouden, niet verbinden dan wanneer zij zijn bekendgemaakt. Dit geldt
                            derhalve ook voor belastingverordeningen. Zoals verder blijkt uit
                            artikel 73 geschiedt bekendmaking door plaatsing in een vanwege het
                            waterschapsbestuur algemeen verkrijgbaar gestelde publicatie en door het
                            doen van mededeling daarvan in een plaatselijk verschijnend dag– of
                            nieuwsblad. De bekendgemaakte besluiten treden conform artikel 74 van de
                            Waterschapswet in werking met ingang van de achtste dag na die van de
                            bekendmaking, </al>
        <al>tenzij in deze besluiten daarvoor een ander tijdstip is aangewezen.
                            Daarvan is sprake. De verordening treedt in werking met ingang van de
                            dag na die van de bekendmaking.</al>
        <al/>
        <al>Voor een goed begrip van een en ander wordt erop gewezen dat regeling
                            van het tijdstip van inwerkingtreding nog niet inhoudt dat op dat
                            tijdstip met de heffing op de voet van de nieuwe verordening kan worden
                            begonnen. Dat is slechts mogelijk wanneer in de verordening het tijdstip
                            van ingang van de heffing wordt genoemd. Zie voor laatstgenoemd tijdstip
                            de toelichting op het derde lid.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Derde lid</tussenkop>
        <al>Als gevolg van artikel 111 van de Waterschapswet is een van de
                            onderwerpen die in de belastingverordening moet worden geregeld het
                            tijdstip van ingang van de heffing. Dit tijdstip kan samenvallen met het
                            tijdstip van inwerkingtreding, maar dit is niet beslist noodzakelijk. In
                            de toelichting op het tweede lid is uiteengezet dat het niet nodig is
                            dat het tijdstip van inwerkingtreding in de verordening wordt vermeld,
                            omdat bij gebreke daarvan die verordening automatisch in werking treedt
                            acht dagen na haar bekendmaking.</al>
        <al>Het tijdstip van ingang van de heffing is wel essentieel, omdat daarmee
                            duidelijk wordt op welk moment de nieuwe financiële verplichtingen die
                            aan de burgers worden opgelegd, een aanvang nemen.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Vierde lid</tussenkop>
        <al>Als gevolg van het vierde lid van het onderhavige artikel 22 wordt de
                            verordening voorzien van een citeertitel.</al>
        <al>– – – – –</al>
        <al/>
      </nota-toelichting>
      <bijlage>
        <kop>
          <label>Bijlage</label>
          <nr>I Voorschriften voor meting, bemonstering, analyse en berekening</nr>
        </kop>
        <al/>
        <al>
          <extref doc="/cvdr/images/Waterschap Scheldestromen/i259009.pdf">Bijlage I</extref>
        </al>
      </bijlage>
      <bijlage>
        <kop>
          <titel>Bijlage II Tabel afvalwatercoëfficiënten (artikel 122k, derde lid,
                        Waterschapswet)</titel>
          <subtitel/>
        </kop>
        <al>
          <extref doc="/cvdr/images/Waterschap Scheldestromen/i259010.pdf">Bijlage II</extref>
        </al>
      </bijlage>
    </regeling>
  </body>
</cvdr>