<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91-->
  
  
  
  
  
  
  
  
  <meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR376205_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Afstemmingsverordening WerkSaam Westfriesland 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:RegionaalSamenwerkingsorgaan">WerkSaam Westfriesland</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-05-09</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Drechterland</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Enkhuizen</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Hoorn</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Koggenland</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Medemblik</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Opmeer</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Stede Broec</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Blad Gemeenschappelijke Regeling</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Afstemmingsverordening WerkSaam Westfriesland 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Participatiewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanRegionaalSamenwerkingsorgaan">algemeen bestuur</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-01-07</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-06-04</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2015-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta>
  
  <body><intitule>
      Afstemmingsverordening WerkSaam Westfriesland 2015
    </intitule>
    
    <regeling>
      <aanhef>
        <preambule>
          <al>Het algemeen bestuur van de gemeenschappelijke regeling WerkSaam
                        Westfriesland, gevestigd te Hoorn;</al>
          <al/>
          <al>Gelezen het voorstel van het dagelijks bestuur van WerkSaam Westfriesland dd
                        22 oktober 2014;</al>
          <al/>
          <al>Gelet op artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel a en e, van de
                        Participatiewet, artikel 35 van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                        gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en artikel 35 van de Wet
                        inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
                        zelfstandigen; </al>
          <al/>
          <al>Gelet op artikel 15, lid 2, onderdeel c van de Gemeenschappelijke Regeling
                        WerkSaam Westfriesland</al>
          <al/>
          <al>Overwegende dat WerkSaam Westfriesland bij verordening nadere regels dient
                        vast te stellen met betrekking tot het afstemmen van de uitkering;</al>
          <al/>
          <al>Besluit vast te stellen de Afstemmingsverordening WerkSaam Westfriesland
                        2015.</al>
        </preambule>
      </aanhef>
      <regeling-tekst>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>1.</nr>
            <titel>Algemene bepalingen</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>1.</nr>
              <titel>Begrippen</titel>
            </kop>
            <al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>Algemeen bestuur: het dagelijks bestuur van de
                                    gemeenschappelijke Regeling WerkSaam Westfriesland</al></li>
              <li nr="b."><al>benadelingsbedrag: netto-uitkering waarop eerder, langer of tot
                                    een hoger bedrag een beroep wordt of is gedaan ten gevolge van
                                    tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de
                                    voorziening in het bestaan;</al></li>
              <li nr="c."><al>bijstandsnorm: </al><lijst>
                  <li nr="o"><al>1° toepasselijke bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5,
                                            onderdeel c, van de Participatiewet, of</al></li>
                  <li nr="o"><al>2° grondslag van de uitkering als bedoeld in artikel 5
                                            van de IOAW of artikel 5 van de IOAZ voor zover sprake
                                            is van een uitkering op grond van de IOAW of de
                                            IOAZ;</al></li>
                </lijst></li>
              <li nr="d."><al>Dagelijks bestuur: het dagelijks bestuur van de
                                    gemeenschappelijke regeling WerkSaam Westfriesland </al></li>
              <li nr="e."><al>IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                    arbeidsongeschikte werkloze werknemers</al></li>
              <li nr="f."><al>IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                    arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen</al></li>
              <li nr="g."><al>Uitkering: algemene bijstand op grond van de Participatiewet of
                                    een uitkering op grond van de IOAW of de IOAZ.</al></li>
              <li nr="h."><al>WerkSaam: De gemeenschappelijke Regeling WerkSaam
                                    Westfriesland</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>2.</nr>
              <titel>Het besluit tot opleggen van een verlaging</titel>
            </kop>
            <al>In het besluit tot het opleggen van een verlaging van de uitkering als
                            bedoeld in artikelen 9a, twaalfde lid, 18, tweede, vijfde en zesde lid,
                            van de Participatiewet, de artikelen 20 en 38, twaalfde lid, van de IOAW
                            en de artikelen 20 en 38, twaalfde lid, van de IOAZ worden in ieder
                            geval vermeld: </al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>de reden van de verlaging;</al></li>
              <li nr="b."><al>de duur van de verlaging;</al></li>
              <li nr="c."><al>het bedrag of percentage waarmee de uitkering wordt verlaagd;
                                    en</al></li>
              <li nr="d."><al>indien van toepassing, de reden om af te wijken van de
                                    standaardverlaging.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>3.</nr>
              <titel>Horen van belanghebbende</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Voordat een verlaging wordt opgelegd wordt een belanghebbende in de
                                gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Het horen van een belanghebbende kan achterwege blijven als:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>de vereiste spoed zich daartegen verzet;</al></li>
                <li nr="b."><al>belanghebbende al eerder in de gelegenheid is gesteld zijn
                                        zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen
                                        nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan;</al></li>
                <li nr="c."><al>het dagelijks bestuur het horen niet nodig acht voor het
                                        vaststellen van de ernst van de gedraging of de mate van
                                        verwijtbaarheid, of</al></li>
                <li nr="d."><al>belanghebbende aangeeft hiervan geen gebruik te willen
                                        maken.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>4.</nr>
              <titel>Afzien van verlaging</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Het dagelijks bestuur ziet af van een verlaging als:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt;</al></li>
                <li nr="b."><al>de gedraging meer dan drie jaar voor constatering daarvan
                                        door het dagelijks bestuur heeft plaatsgevonden en voor die
                                        gedraging een verlaging van € 340 of minder kan worden
                                        opgelegd; of</al></li>
                <li nr="c."><al>de gedraging meer dan vijf jaar voor constatering daarvan
                                        door het dagelijks bestuur heeft plaatsgevonden en voor die
                                        gedraging een verlaging van meer dan € 340 kan worden
                                        opgelegd.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Het dagelijks bestuur kan afzien van een verlaging als het daarvoor
                                dringende redenen aanwezig acht.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Als het dagelijks bestuur afziet van een verlaging op grond van
                                dringende redenen, wordt een belanghebbende hiervan schriftelijk op
                                de hoogte gesteld.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>5.</nr>
              <titel>Ingangsdatum en tijdvak van een verlaging</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Een verlaging wordt toegepast op de uitkering over de kalendermaand
                                volgend op de maand waarin het besluit tot het opleggen van de
                                verlaging aan een belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt
                                uitgegaan van de op dat tijdstip voor die belanghebbende geldende
                                bijstandsnorm.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Een verlaging kan met terugwerkende kracht worden toegepast op de
                                uitkering over de periode waarop de gedraging betrekking heeft gehad
                                of over de periode waarin de gedraging heeft plaatsgevonden als een
                                verlaging overeenkomstig het eerste lid niet mogelijk is omdat de
                                uitkering is beëindigd of ingetrokken.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Als een verlaging niet of niet geheel ten uitvoer kan worden gelegd
                                als gevolg van de beëindiging of intrekking van de uitkering, wordt
                                de verlaging of dat deel van de verlaging dat nog niet is
                                uitgevoerd, alsnog opgelegd als belanghebbende binnen de termijn,
                                bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, opnieuw een uitkering
                                ontvangt.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>6.</nr>
              <titel>Berekeningsgrondslag</titel>
            </kop>
            <al>Een verlaging wordt berekend over de bijstandsnorm.</al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>2.</nr>
            <titel>Niet nakomen van de niet geüniformeerde verplichtingen met betrekking
                            tot de arbeidsinschakeling</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>7.</nr>
              <titel>Gedragingen Participatiewet</titel>
            </kop>
            <al>Gedragingen van een belanghebbende waardoor algemeen geaccepteerde
                            arbeid niet wordt verkregen of een verplichting op grond van de
                            artikelen 9, 9a en 55 van de Participatiewet niet of onvoldoende wordt
                            nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën:</al>
            <lijst>
              <li nr="a)"><al>eerste categorie: 1. het zich niet tijdig laten registreren als
                                    werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut
                                    werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten verlengen van
                                    de registratie; 2. het niet of onvoldoende nakomen van
                                    verplichtingen die verband houden met de aard en het doel van
                                    een bepaalde vorm van bijstand als bedoeld in artikel 55 van de
                                    Participatiewet;</al></li>
              <li nr="b)"><al>tweede categorie:</al><lijst>
                  <li nr="1."><al>het niet of onvoldoende meewerken aan het opstellen,
                                            uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak als
                                            bedoeld in artikel 44a van de Participatiewet;</al></li>
                  <li nr="2."><al>het onvoldoende nakomen van verplichtingen als bedoeld
                                            in de artikelen 9, eerste lid, of 55 van de
                                            Participatiewet, voor zover het gaat om een
                                            belanghebbende jonger dan 27 jaar, gedurende vier weken
                                            na een melding als bedoeld in artikel 43, vierde en
                                            vijfde lid, van de Participatiewet, voor zover deze
                                            verplichtingen niet worden genoemd in artikel 18, vierde
                                            lid, van de Participatiewet;</al></li>
                  <li nr="3."><al>het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken
                                            verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid,
                                            onderdeel b, van de Participatiewet niet te willen
                                            nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de
                                            ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande
                                            ouder, bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de
                                            Participatiewet;</al></li>
                  <li nr="4."><al>het niet of onvoldoende verrichten van een door het
                                            dagelijks bestuur opgedragen tegenprestatie naar
                                            vermogen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel
                                            c, van de Participatiewet;</al></li>
                  <li nr="5."><al> het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die
                                            strekken tot arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel
                                            55 van de Participatiewet;</al></li>
                  <li nr="6."><al>het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die
                                            strekken tot vermindering van de bijstand als bedoeld in
                                            artikel 55 van de Participatiewet;</al></li>
                </lijst></li>
              <li nr="c)"><al>derde categorie: 1. het niet naar vermogen proberen algemeen
                                    geaccepteerde arbeid te verkrijgen voor zover dit niet
                                    voortvloeit uit een gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde
                                    lid, van de Participatiewet; 2. het niet of onvoldoende nakomen
                                    van verplichtingen die strekken tot beëindiging van de bijstand
                                    als bedoeld in artikel 55 van de Participatiewet.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>8.</nr>
              <titel>Gedragingen IOAW en IOAZ</titel>
            </kop>
            <al>Gedragingen van een belanghebbende waardoor algemeen geaccepteerde
                            arbeid niet wordt verkregen of een verplichting op grond van de
                            artikelen 37 en 38 van de IOAW of de artikelen 37 en 38 van de IOAZ niet
                            of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende
                            categorieën:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>eerste categorie: het zich niet tijdig laten registreren als
                                    werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut
                                    werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten verlengen van
                                    de registratie;</al></li>
              <li nr="b."><al>tweede categorie:</al><lijst>
                  <li nr="1."><al>het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een
                                            onderzoek naar de mogelijkheden tot
                                            arbeidsinschakeling;</al></li>
                  <li nr="2."><al>het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het
                                            dagelijks bestuur aangeboden voorziening als bedoeld in
                                            de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid,
                                            onderdeel e, van de IOAW of de artikelen 36, eerste lid,
                                            en artikel 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAZ,
                                            voor zover dit niet heeft geleid tot het geen doorgang
                                            vinden of tot voortijdige beëindiging van die
                                            voorziening;</al></li>
                  <li nr="3."><al>het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken
                                            de verplichtingen als bedoeld in artikel 37, eerste lid,
                                            onderdeel e, van de IOAW of artikel 37, eerste lid,
                                            onderdeel e, van de IOAZ niet te willen nakomen, wat
                                            heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de
                                            arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder als bedoeld
                                            in artikel 38, eerste lid, van de IOAW of artikel 38,
                                            eerste lid, van de IOAZ;</al></li>
                  <li nr="4."><al>het niet of onvoldoende verrichten van een door het
                                            dagelijks bestuur opgedragen tegenprestatie naar
                                            vermogen als bedoeld in artikel 37, eerste lid,
                                            onderdeel f, van de IOAW of artikel 37, eerste lid,
                                            onderdeel f, van de IOAZ;</al></li>
                </lijst></li>
              <li nr="c."><al>derde categorie:</al><lijst>
                  <li nr="1."><al>het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde
                                            arbeid te verkrijgen;</al></li>
                  <li nr="2."><al>het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde
                                            arbeid;</al></li>
                  <li nr="3."><al>het door eigen toedoen niet behouden van algemeen
                                            geaccepteerde arbeid;</al></li>
                  <li nr="4."><al>het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het
                                            dagelijks bestuur aangeboden voorziening gericht op
                                            arbeidsinschakeling als bedoeld in de artikelen 36,
                                            eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAW
                                            en de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid,
                                            onderdeel e, van de IOAZ, voor zover dit heeft geleid
                                            tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige
                                            beëindiging van die voorziening.</al></li>
                </lijst></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>9.</nr>
              <titel>Hoogte en duur van de verlaging</titel>
            </kop>
            <al>De verlaging, bij gedragingen als bedoeld in de artikelen 7 en 8, wordt
                            vastgesteld op:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>20% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand bij gedragingen van
                                    de eerste categorie;</al></li>
              <li nr="b."><al>50% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand bij gedragingen van
                                    de tweede categorie;</al></li>
              <li nr="c."><al>100% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand bij gedragingen van
                                    de derde categorie.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>3.</nr>
            <titel>Niet nakomen van de geüniformeerde verplichtingen met betrekking tot
                            de arbeidsinschakeling</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>10.</nr>
              <titel>Duur verlaging bij schending geüniformeerde
                                arbeidsverplichting</titel>
            </kop>
            <al>Als een belanghebbende een verplichting als bedoeld in artikel 18,
                            vierde lid, van de Participatiewet niet of onvoldoende nakomt, bedraagt
                            de verlaging 100 procent van de bijstandsnorm gedurende 1 maand.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>11.</nr>
              <titel>Verrekenen verlaging</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Het bedrag van de verlaging, bedoeld in artikelen 9, 10, 13 en 14,
                                wordt toegepast over de maand van oplegging van de maatregel.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Bij bijzondere omstandigheden wordt het bedrag van de verlaging
                                verrekend over de maand van oplegging en de volgende twee maanden.
                            </al>
            </lid>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>4.</nr>
            <titel>Overige gedragingen die leiden tot een verlaging</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>12.</nr>
              <titel>Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Een verlaging wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
                                voor de voorziening in het bestaan als bedoeld in artikel 18, tweede
                                lid, van de Participatiewet wordt afgestemd op het
                                benadelingsbedrag.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>De verlaging wordt vastgesteld op 100% van de bijstandsnorm voor de
                                duur van de periode dat de belanghebbende als gevolg van zijn
                                gedraging eerder of langer een beroep op bijstand doet c.q. heeft
                                gedaan dan zonder deze gedraging het geval zou zijn geweest. </al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>13.</nr>
              <titel>Zeer ernstige misdragingen</titel>
            </kop>
            <al>Als een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover personen en
                            instanties die zijn belast met de uitvoering van de Participatiewet als
                            bedoeld in artikel 9, zesde lid, van die wet, tegenover personen en
                            instanties die zijn belast met de uitvoering van de IOAW als bedoeld in
                            artikel 37, eerste lid, onder g, van die wet of tegenover personen en
                            instanties die zijn belast met de uitvoering van de IOAZ als bedoeld in
                            artikel 37, eerste lid, onder g, van die wet, wordt een verlaging
                            opgelegd van 100% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand. </al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>5.</nr>
            <titel>Samenloop en recidive</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>14.</nr>
              <titel>Samenloop van gedragingen</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Als sprake is van één gedraging die schending oplevert van meerdere
                                in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de
                                Participatiewet genoemde verplichtingen, wordt één verlaging
                                opgelegd. Voor het bepalen van de hoogte en duur van de verlaging
                                wordt uitgegaan van de gedraging waarop de hoogste verlaging is
                                gesteld.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van
                                één of meerdere in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van
                                de Participatiewet genoemde verplichtingen, wordt voor iedere
                                gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd. Deze verlagingen
                                worden gelijktijdig opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst van de
                                gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de
                                belanghebbende niet verantwoord is.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Als sprake is van één gedraging die schending oplevert van zowel een
                                in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de
                                Participatiewet genoemde verplichting als een in artikel 17, eerste
                                lid, van de Participatiewet genoemde verplichting, wordt geen
                                verlaging opgelegd, voor zover voor die schending een bestuurlijke
                                boete wordt opgelegd. </al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4.</lidnr>
              <al>Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van
                                zowel een in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de
                                Participatiewet genoemde verplichting als een in artikel 17, eerste
                                lid, van de Participatiewet genoemde verplichting, waarvoor een
                                bestuurlijke boete kan worden opgelegd, wordt voor iedere gedraging
                                een afzonderlijke verlaging opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst
                                van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden
                                van de belanghebbende niet verantwoord is. </al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>15.</nr>
              <titel>Recidive</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking
                                van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een
                                gedraging als bedoeld in de artikelen 7, onder b of c, , 8, onder b
                                of c, lid, 12 en 13 opnieuw schuldig maakt aan eenzelfde verwijtbare
                                gedraging, wordt telkens de duur van de oorspronkelijke verlaging
                                verdubbeld.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking
                                van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een
                                gedraging als bedoeld in de artikelen 7, onder a, en 8, onder a,
                                opnieuw schuldig maakt aan eenzelfde verwijtbare gedraging, wordt
                                telkens de hoogte van de oorspronkelijke verlaging verdubbeld.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking
                                van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een
                                gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de
                                Participatiewet, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare
                                gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de
                                Participatiewet, bedraagt de verlaging honderd procent van de
                                bijstandsnorm gedurende 2 maanden. </al>
            </lid>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>6.</nr>
            <titel>Blijvende of tijdelijke weigering IOAW/IOAZ</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>16.</nr>
              <titel>Samenloop bij weigeren uitkering IOAW/IOAZ</titel>
            </kop>
            <al>Als het dagelijks bestuur de uitkering op grond van artikel 20, eerste
                            lid, van de IOAW of artikel 20, tweede lid, van IOAZ blijvend of
                            tijdelijk weigert en de gedraging die tot deze weigering heeft geleid
                            tevens op grond van deze verordening tot een verlaging zou kunnen
                            leiden, blijft een verlaging ter zake van die gedraging achterwege.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>17.</nr>
              <titel>Blijvend en tijdelijk weigeren IOAW- of IOAZ-uitkering</titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Het dagelijks bestuur kan de uitkering tijdelijk weigeren naar
                                    de mate waarin de belanghebbende inkomen als bedoeld in of op
                                    grond van artikel 8 van de IOAW of de IOAZ zou hebben kunnen
                                    verwerven, als: </al><lijst>
                  <li nr="a."><al>aan de beëindiging van zijn dienstbetrekking een
                                            dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel
                                            678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en een persoon
                                            ter zake een verwijt kan worden gemaakt, of </al></li>
                  <li nr="b."><al>de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van
                                            een persoon zonder dat aan de voortzetting ervan
                                            zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting
                                            redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd.
                                        </al></li>
                </lijst></li>
              <li nr="2."><al>Het dagelijks bestuur kan de uitkering blijvend weigeren naar de
                                    mate waarin de belanghebbende inkomen als bedoeld in of op grond
                                    van artikel 8 van de IOAW van de IOAZ zou hebben kunnen
                                    verwerven, als een persoon: </al><lijst>
                  <li nr="a."><al>nalaat algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden, of
                                        </al></li>
                  <li nr="b."><al>door eigen toedoen geen algemeen geaccepteerde arbeid
                                            verkrijgt.</al></li>
                </lijst></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>18.</nr>
              <titel>Overgangsbepaling</titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Afstemmeningsbesluiten van voor 1 januari 2015 op grond van de
                                    WWB, IOAW en IOAZ worden onverkort uitgevoerd door het dagelijks
                                    bestuur. </al></li>
              <li nr="2."><al>Afstemmingsbesluiten van voor 1 januari 2015 op grond van de
                                    WWB, IOAW en IOAZ worden door het dagelijks bestuur meegenomen
                                    in de besluitvorming bij afstemming in geval van recidive zoals
                                    genoemd in artikel 15. </al></li>
            </lijst>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>7.</nr>
            <titel>Slotbepalingen</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>19.</nr>
              <titel>Hardheidsclausule</titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Het dagelijks bestuur kan ten gunste van de persoon afwijken van
                                    de bepalingen in deze verordening, indien toepassing van de
                                    verordening leidt tot onbillijkheden van overwegende aard.</al></li>
              <li nr="2."><al>In gevallen, die de uitvoering van deze verordening betreffen,
                                    waarin deze verordening niet voorziet, beslist het dagelijks
                                    bestuur.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>20.</nr>
              <titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op de dag van bekendmaking en
                                    werkt terug tot en met 1 januari 2015.</al></li>
              <li nr="2."><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Afstemmingsverordening
                                    WerkSaam Westfriesland 2015.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
      </regeling-tekst>
      <regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering>
        
        <ondertekening>Aldus vastgesteld in de vergadering van het algemeen bestuur van 7
                            januari 2015.</ondertekening>
        <ondertekening/>
        <ondertekening/>
        <ondertekening>De secretaris</ondertekening>
        <ondertekening>M.Olierook</ondertekening>
        <ondertekening/>
        <ondertekening/>
        <ondertekening>De voorzitter</ondertekening>
        <ondertekening>A.J. de Jong</ondertekening>
      </regeling-sluiting>
      <nota-toelichting>
        <kop>
          <titel>Toelichting afstemmingsverordening WerkSaam Westfriesland 2015</titel>
        </kop>
        <al/>
        <al>
          <vet>Algemeen</vet>
        </al>
        <al>
          <cursief>Rechten en plichten in de Participatiewet</cursief>
        </al>
        <al>Gemeenten hebben een verantwoordelijkheid met betrekking tot de invulling van de
                    rechten en plichten van bijstandsgerechtigden. Mede gelet op de rechtszekerheid
                    van een bijstandsgerechtigde moet het beleid vastgelegd worden in een
                    verordening. Naast de rechten geldt dat uiteraard ook voor de plichten. Het
                    recht op een uitkering is namelijk altijd verbonden aan de verplichtingen zich
                    in te zetten om weer onafhankelijk te worden van de uitkering.</al>
        <al/>
        <al>Artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet spreekt over het afstemmen van de
                    bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen op de omstandigheden,
                    mogelijkheden en middelen van een belanghebbende. In deze bepaling wordt
                    benadrukt dat het vaststellen van de hoogte van de uitkering en de daaraan
                    verbonden verplichtingen voor bijstandsgerechtigden maatwerk is. Daarbij moet
                    recht worden gedaan aan de individuele situatie en de persoonlijke
                    omstandigheden. Artikel 18, tweede lid, van de Participatiewet legt een directe
                    koppeling tussen de rechten en plichten van de bijstandsgerechtigden: het recht
                    op een uitkering is altijd verbonden aan de verplichting zich in te zetten om
                    weer onafhankelijk te worden van de uitkering. Dit betekent dat de vaststelling
                    van de hoogte van de uitkering niet alleen afhangt van de toepasselijke
                    bijstandsnorm en de beschikbare middelen van de bijstandsgerechtigde, maar ook
                    van de mate waarin de verplichtingen worden nagekomen. De inspanningen die van
                    de bijstandsgerechtigde kunnen worden verwacht, spelen ook een rol.</al>
        <al/>
        <al>Wanneer WerkSaam tot het oordeel komt dat een bijstandsgerechtigde zijn
                    verplichtingen niet of in onvoldoende mate nakomt, verlaagt het de uitkering.
                    Alleen wanneer iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, ziet WerkSaam af van
                    een dergelijke verlaging. WerkSaam moet niettemin bij de vaststelling van de
                    verlaging rekening houden met de persoonlijke omstandigheden en de individueel
                    vastgestelde verplichtingen. Ook kan worden afgezien van een verlaging als
                    WerkSaam daartoe zeer dringende redenen aanwezig acht.</al>
        <al/>
        <al>Met ingang van 1 januari 2015 zijn in de Participatiewet geüniformeerde
                    arbeidsverplichtingen opgenomen. Voor schending van deze verplichtingen geldt
                    dat de bijstand in beginsel moet worden verlaagd met honderd procent gedurende
                    één tot drie maanden. In de verordening dient de duur van de verlaging
                    vastgelegd (artikel 18, vijfde lid, van de Participatiewet).</al>
        <al/>
        <al>Een verlaging krachtens de afstemmingsverordening is een punitieve sanctie voor
                    zover de verlaging wordt opgelegd omdat belanghebbende zich zeer ernstig heeft
                    misdragen. Als een betreffende gedraging ook een strafbaar feit oplevert, kan
                    belanghebbende hier strafrechtelijk voor worden vervolgd. Deze verlaging en de
                    strafvervolging kunnen alleen naast elkaar bestaan als sprake is van juridisch
                    te onderscheiden feiten. Bijvoorbeeld: belanghebbende beledigt opzettelijk een
                    ambtenaar. Strafrechtelijk bezien kan een geldboete worden opgelegd (of zelfs
                    een gevangenisstraf). Daarnaast is sprake van zich zeer ernstig misdragen zoals
                    bedoeld in artikel 9, zesde lid, van de Participatiewet op grond waarvan de
                    bijstand kan worden verlaagd.</al>
        <al/>
        <al>In andere gevallen waarin een verlaging wordt opgelegd krachtens de
                    afstemmingsverordening is sprake van een reparatoire sanctie (bijvoorbeeld bij
                    schending arbeidsverplichting). Als een betreffende gedraging ook een strafbaar
                    feit oplevert, kan belanghebbende hier strafrechtelijk voor worden vervolgd. De
                    verlaging en de strafvervolging kunnen naast elkaar bestaan omdat het hier gaat
                    om een reparatoire maatregel en een punitieve sanctie. </al>
        <al/>
        <al>
          <cursief>Afstemmen in de IOAW en de IOAZ</cursief>
        </al>
        <al>Ook op grond van de IOAW en IOAZ bestaat de mogelijkheid de uitkering te
                    verlagen of te weigeren als een belanghebbende de aan het recht op uitkering
                    verbonden verplichtingen niet of onvoldoende nakomt (artikel 20 van de IOAW en
                    artikel van de 20 IOAZ). Het beleid moet vastgelegd worden in een verordening
                    (artikel van de 35 IOAW en artikel 35 van de IOAZ).</al>
        <al/>
        <al>
          <cursief>Niet verlenen van medewerking</cursief>
        </al>
        <al>Het niet verlenen van medewerking kan ook aanleiding geven tot verlaging van de
                    bijstand. Het belangrijkste voorbeeld van de medewerkingsplicht is het toestaan
                    van een huisbezoek. In de praktijk zal het niet toestaan van een huisbezoek
                    echter leiden tot beëindiging of intrekking van het recht op bijstand omdat het
                    recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Het verlagen van de bijstand is
                    in dat geval niet aan de orde. Het niet voldoen aan een oproep om op een
                    bepaalde plaats en tijd te verschijnen in verband met arbeidsinschakeling valt
                    ook onder het niet voldoen aan de medewerkingsplicht. In de praktijk betreft het
                    echter veelal oproepen voor gesprekken om bepaalde inlichtingen te verstrekken
                    zodat het niet verschijnen dan wordt gezien als het niet nakomen van de
                    inlichtingenplicht. Daarom is ervoor gekozen het niet verlenen van medewerking
                    zoals bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de Participatiewet niet als
                    verlagingswaardige gedraging op te nemen in deze verordening.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Artikelsgewijze toelichting</vet>
        </al>
        <al>Enkel die bepalingen die nadere toelichting behoeven worden hier behandeld.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Artikel 1. Begrippen</vet>
        </al>
        <al> Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, de IOAW, de IOAZ, de
                    Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) of de Gemeentewet worden niet
                    afzonderlijk gedefinieerd in deze verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van
                    toepassing op deze verordening.</al>
        <al/>
        <al>
          <cursief>Bijstandsnorm</cursief>
        </al>
        <al>Onder de ‘bijstandsnorm’ wordt in deze verordening verstaan de in de situatie
                    van belanghebbende geldende bijstandsnorm. Dit is de toepasselijke norm,
                    vermeerderd met toeslagen, en verminderd met verlagingen, alles inclusief
                    vakantietoeslag. Voor zover sprake is van een uitkering op grond van de IOAW of
                    de IOAZ wordt onder bijstandsnorm verstaan de toepasselijke grondslag zoals
                    bedoeld in artikel 5 van de IOAW en artikel 5 van de IOAZ.</al>
        <al/>
        <al>
          <cursief>Benadelingsbedrag</cursief>
        </al>
        <al>Het benadelingsbedrag is de netto-uitkering waarop eerder, langer of tot een
                    hoger bedrag een beroep wordt of is gedaan ten gevolge van tekortschietend besef
                    van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. Voor het bepalen
                    van het benadelingsbedrag wordt uitgegaan van het nettobedrag van de uitkering,
                    zoals ook het geval is bij het benadelingsbedrag in het kader van de
                    bestuurlijke boete.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Artikel 2. Het besluit tot opleggen van een verlaging</vet>
        </al>
        <al>Het verlagen van een uitkering op grond van deze verordening vindt plaats door
                    middel van een besluit. Tegen dit besluit kan een belanghebbende bezwaar en
                    beroep indienen. In dit artikel is aangegeven wat in het besluit in ieder geval
                    moet worden vermeld. Deze eisen vloeien rechtstreeks voort uit de Awb en dan
                    vooral uit het motiveringsvereiste. Het motiveringsvereiste houdt onder andere
                    in dat een besluit kenbaar is en van een deugdelijke motivering is
                    voorzien.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Artikel 4. Afzien van verlaging</vet>
        </al>
        <al>
          <cursief>Afzien van verlagen</cursief>
        </al>
        <al>Het afzien van het opleggen van een verlaging “indien elke vorm van
                    verwijtbaarheid ontbreekt", is overgenomen uit artikel 18, negende lid, van de
                    Participatiewet, respectievelijk artikel 20, derde lid, van de IOAW en artikel
                    20, derde lid, van de IOAZ. Aangenomen moet worden dat hiervan uitsluitend
                    sprake is bij evidente afwezigheid van verwijtbaarheid. Het is aan WerkSaam te
                    beoordelen of elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt aan het betreffende
                    gedrag. Is vanwege de afwezigheid van elke vorm van verwijtbaarheid afgezien van
                    een verlaging, dan is het niet mogelijk om bij toepassing van recidive deze
                    gedraging mee te tellen (zie artikel 15 van deze verordening). Is vanwege de
                    afstemming op grond van artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet van een
                    verlaging afgezien dan is daarin geen reden gelegen om de betreffende gedraging
                    buiten beschouwing te laten in geval van recidive.</al>
        <al/>
        <al>Een andere reden om af te zien van het opleggen van een verlaging is dat de
                    gedraging te lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille van de
                    effectiviteit (“lik op stuk”) is het nodig dat een verlaging spoedig nadat de
                    gedraging heeft plaatsgehad, wordt opgelegd. </al>
        <al/>
        <al>WerkSaam kan geen verlaging opleggen voor gedragingen die langer dan drie of
                    vijf jaar geleden hebben plaatsgevonden. De vervaltermijn is afhankelijk van de
                    hoogte van de afstemming. Hiermee wordt aangesloten bij de vervaltermijnen zoals
                    genoemd in artikel 5:45, tweede lid, van de Awb. De bevoegdheid tot het
                    afstemmen vervalt na drie jaar nadat de overtreding heeft plaatsgevonden als een
                    verlaging van € 340 of minder kan worden opgelegd. De bevoegdheid tot het
                    afstemmen vervalt na vijf jaar nadat de overtreding heeft plaatsgevonden als een
                    verlaging van meer dan € 340 kan worden opgelegd. Deze verjaringstermijn laat
                    overigens onverlet dat het vanuit het oogpunt van effectiviteit (“lik op stuk”)
                    nastrevenswaardig wordt geacht zo spoedig mogelijk een verlaging op te leggen
                    nadat de gedraging heeft plaatsgevonden. Dat heeft bovendien als voordeel dat
                    een uitkeringsgerechtigde niet te lang in onzekerheid wordt gehouden over de
                    vraag of WerkSaam overgaat tot het opleggen van een verlaging.</al>
        <al/>
        <al>
          <cursief>Afzien van verlagen in verband met dringende redenen</cursief>
        </al>
        <al>In het tweede lid is geregeld dat kan worden afgezien van het opleggen van een
                    verlaging als daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. De verordening stelt een
                    algemene verplichting tot het opleggen van een verlaging voorop. Uitzonderingen
                    moeten echter mogelijk zijn als voor de belanghebbende onaanvaardbare
                    consequenties zouden optreden. Uit het woord "dringend" blijkt dat er wel iets
                    heel bijzonders en uitzonderlijks aan de hand moet zijn, wil een afwijking van
                    het algemene principe gerechtvaardigd zijn. Wat dringende redenen zijn, is
                    afhankelijk van de concrete situatie en kan dus niet op voorhand worden
                    vastgelegd. Er kan worden gedacht aan enerzijds een mindere mate van
                    verwijtbaarheid ten aanzien van de gedraging en anderzijds aan de verstrekkende
                    financiële of sociale gevolgen voor belanghebbende en/of diens gezin. Daarbij
                    moet worden opgemerkt dat ernstige financiële gevolgen op zichzelf geen reden
                    zijn om van een verlaging af te zien, omdat dit inherent is aan het verlagen van
                    een uitkering. </al>
        <al/>
        <al>
          <cursief>Afzien verlagen ook mogelijk bij geüniformeerde
                        arbeidsverplichtingen</cursief>
        </al>
        <al>De wet schrijft bij overtreding van een geüniformeerde arbeidsverplichting een
                    afstemming voor van honderd procent van de bijstand gedurende één tot drie
                    maanden. Op grond van artikel 18, tiende lid, van de Participatiewet moet
                    WerkSaam een op te leggen maatregel of een opgelegde maatregel afstemmen op de
                    omstandigheden van een belanghebbende en diens mogelijkheden om middelen te
                    verwerven. Dit als - volgens WerkSaam - dringende redenen daartoe noodzaken,
                    gelet op bijzondere omstandigheden. Op grond van bijzondere omstandigheden kan
                    WerkSaam besluiten de maatregel op een lager niveau, voor een kortere duur of op
                    nul vast te stellen. </al>
        <al/>
        <al>
          <cursief>Schriftelijke mededeling in verband met recidive</cursief>
        </al>
        <al>Het doen van een schriftelijke mededeling in een beschikking dat WerkSaam afziet
                    van het opleggen van een verlaging wegens dringende redenen is van belang in
                    verband met eventuele recidive (artikel 4, derde lid). Het opleggen van een
                    verlaging bij recidive is geregeld in artikel 15.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Artikel 5. Ingangsdatum en tijdvak van een verlaging</vet>
        </al>
        <al>Het verlagen van de uitkering die in de nabije toekomst wordt verstrekt, is de
                    gemakkelijkste methode van het opleggen van een verlaging. Dan hoeft niet te
                    worden overgegaan tot herziening van de uitkering en terugvordering van het te
                    veel betaalde bedrag. In de praktijk zal dit meestal inhouden dat een verlaging
                    wordt opgelegd met ingang van de eerste dag van de kalendermaand, die volgt op
                    de kalendermaand waarin het besluit bekend is gemaakt. Voor de berekening van de
                    hoogte van de verlaging moet worden uitgegaan van de voor die maand geldende
                    bijstandsnorm.</al>
        <al/>
        <al>
          <cursief>Verlagen met terugwerkende kracht (tweede lid)</cursief>
        </al>
        <al>Het is niet altijd mogelijk om een lopende uitkering af te stemmen. In die
                    gevallen kan de verlaging met terugwerkende kracht te worden toegepast. Het
                    afstemmingsbesluit dat in dat geval wordt genomen, is een bijzondere vorm van
                    herziening van de uitkering. Het besluit leidt namelijk tot te veel verstrekte
                    uitkering. De uitkering die op grond van het afstemmingsbesluit te veel is
                    verstrekt kan met toepassing van artikel 58, tweede lid, onderdeel a, van de
                    Participatiewet, respectievelijk artikel 25, tweede lid, van de IOAW en de IOAZ,
                    worden teruggevorderd. Afstemming met terugwerkende kracht is echter niet altijd
                    mogelijk. Als alle uitkering over de betreffende periode is ingetrokken en
                    teruggevorderd, resteert er niets meer om af te stemmen. Is geen duidelijke
                    datum te koppelen aan de gedraging van een belanghebbende of is de verlaging het
                    gevolg van een gedraging voorafgaande aan de aanvraag, dan is verlagen met
                    terugwerkende kracht evenmin mogelijk en kan de verlaging uitsluitend naar de
                    toekomst toe worden toegepast. Denk bijvoorbeeld aan het nalaten om voldoende te
                    solliciteren.</al>
        <al/>
        <al>
          <cursief>Verlaging uitvoeren op nieuwe uitkering (derde lid)</cursief>
        </al>
        <al>Een verlaging kan niet los worden gezien van het recht op bijstand. Het opleggen
                    van een verlaging is niet mogelijk als een belanghebbende geen recht op bijstand
                    (meer) heeft. Als een verlaging niet of niet geheel ten uitvoer kan worden
                    gelegd als gevolg van de beëindiging of intrekking van de uitkering, is het ook
                    mogelijk om de verlaging of dat deel van de verlaging dat nog niet is
                    uitgevoerd, alsnog op te leggen als belanghebbende binnen een bepaalde termijn
                    na beëindiging van de uitkering opnieuw een uitkering op grond van de wet
                    ontvangt. WerkSaam moet wel rekening houden met de vervaltermijn voor het
                    opleggen van een maatregel zoals bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b. </al>
        <al/>
        <al>Een dergelijke maatregel kan vanwege de samenhang met het recht op bijstand niet
                    bij voorbaat worden opgelegd. WerkSaam moet bij het opnieuw toekennen van het
                    recht op bijstand beoordelen in hoeverre er nog aanleiding bestaat om een
                    verlaging toe te passen. Pas dan is sprake van een afstemmingsbesluit en staat
                    de mogelijkheid van bezwaar tegen de maatregel open.]</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Artikel 6. Berekeningsgrondslag Bijstandsnorm</vet>
        </al>
        <al/>
        <al>
          <cursief>Bijstandsnorm</cursief>
        </al>
        <al>In dit artikel lid is het uitgangspunt vastgelegd dat een verlaging wordt
                    berekend over de bijstandsnorm. </al>
        <al/>
        <al>Bijzondere bijstand</al>
        <al>Aangezien is afgesproken dat het vaststellen van beleid ten aanzien van
                    bijzondere bijstand blijft voorbehouden aan de regiogemeenten, zijn in deze
                    verordening geen regels opgenomen over de verlaging van bijzondere bijstand.
                    Gemeenten dienen daar zelf in te voorzien.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Artikel 7. Gedragingen Participatiewet</vet>
        </al>
        <al>De artikelen 7 en 9 moeten in onderlinge samenhang worden gelezen. In artikel 7
                    worden schendingen van verplichtingen uit de Participatiewet geformuleerd. De
                    verwijtbare gedragingen die zijn genoemd in artikel 7 zijn ondergebracht in
                    categorieën. Aan die categorieën wordt in artikel 9 een gewicht toegekend in de
                    vorm van een verlagingspercentage. De categorieën zijn gerangschikt naar
                    toenemende zwaarte. Een gedraging wordt ernstiger geacht naarmate de gedraging
                    meer concrete gevolgen heeft voor het niet verkrijgen of behouden van betaalde
                    arbeid.</al>
        <al/>
        <al>
          <cursief>Niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen</cursief>
        </al>
        <al>De verwijtbare gedragingen omvatten zowel het niet als het onvoldoende nakomen
                    van diverse verplichtingen. Artikel 18, tweede lid, van de WWB zoals dat luidde
                    vóór 1 januari 2015 bepaalde dat het college moest afstemmen als een
                    belanghebbende de verplichtingen "niet of onvoldoende nakomt". Met het huidige
                    artikel 18, tweede lid, van de Participatiewet wordt dit gewijzigd in "het niet
                    nakomen van de verplichtingen". Het woord "onvoldoende" is hiermee weggevallen.
                    Gemeend wordt dat de wetgever hiermee echter geen inhoudelijke wijziging heeft
                    beoogd en dat dit moet worden gelezen als het niet of onvoldoende nakomen van
                    verplichtingen. Om onduidelijkheid hierover te voorkomen is daarom in artikel 7
                    neergelegd dat sprake is van een verwijtbare gedraging bij het niet of
                    onvoldoende nakomen van de verplichtingen. </al>
        <al/>
        <al>Het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen
                    (onderdeel c)</al>
        <al>Deze verwijtbare gedraging is niet aan de orde voor zover het gaat om het niet
                    naar vermogen proberen te verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid als dit
                    het gevolg is van een gedraging zoals bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de
                    Participatiewet. In artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet staan de
                    geüniformeerde arbeidsverplichtingen. Voor schending van een geüniformeerde
                    arbeidsverplichting geldt een apart afstemmingsregime: verlaging van de bijstand
                    met honderd procent gedurende een in de afstemmingsverordening vastgelegde duur
                    van ten minste een maand en ten hoogste drie maanden (artikel 18, vijfde lid,
                    van de Participatiewet). In deze verordening is de duur vastgelegd in artikel
                    10. </al>
        <al/>
        <al>Er is dus geen sprake van een verwijtbare gedraging zoals bedoeld in artikel 7,
                    onderdeel c, als het niet naar vermogen proberen te verkrijgen van algemeen
                    geaccepteerde arbeid voortvloeit uit een gedraging zoals bedoeld in artikel 18,
                    vierde lid, van de Participatiewet zoals: </al>
        <lijst>
          <li nr="-"><al>het niet verkrijgen of niet behouden van kennis en vaardigheden die
                            noodzakelijk zijn voor het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid,
                            en</al></li>
          <li nr="-"><al>het belemmeren van het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid door
                            kleding, gebrek aan persoonlijke verzorging en gedrag.</al><al/></li>
        </lijst>
        <al>
          <cursief>Inspanningen in eerste vier weken na de melding</cursief>
        </al>
        <al>De plicht tot arbeidsinschakeling geldt vanaf datum melding (zie artikel 9,
                    eerste lid, van de Participatiewet). Specifiek voor personen jonger dan 27 jaar
                    geldt dat zij worden beoordeeld op hun inspanningen in de eerste vier weken na
                    de melding (artikel 43, vierde en vijfde lid, van de Participatiewet). Is geen
                    enkele inspanning verricht, dan bestaat op grond van artikel 13, tweede lid,
                    onderdeel d, van de Participatiewet geen recht op bijstand. Zijn er wel
                    inspanningen verricht, maar naar het oordeel van WerkSaam onvoldoende, dan
                    verlaagt zij de uitkering. De verlaging kan in principe al worden toegepast op
                    basis van de grondslagen zoals genoemd in artikel 6 van deze verordening. </al>
        <al/>
        <al>Een aparte grondslag is strikt genomen niet noodzakelijk. Het zou wellicht zelfs
                    tot verwarring kunnen leiden als het bijvoorbeeld gaat om een belanghebbende die
                    in de vijfde of zesde week na de melding de fout in gaat. Desalniettemin is het
                    niet of onvoldoende verrichten van inspanningen vanwege de herkenbaarheid toch
                    als aparte gedraging opgenomen in de afstemmingsverordening (zie artikel 7,
                    onderdeel b, onder2).</al>
        <al/>
        <al>
          <cursief>Overige verplichtingen in het kader van artikel 55
                        Participatiewet</cursief>
        </al>
        <al>De Participatiewet geeft gemeenten de bevoegdheid om personen verplichtingen op
                    te leggen die volledig individueel bepaald zijn. Artikel 55 van de
                    Participatiewet biedt daartoe de mogelijkheid en beperkt deze tot een viertal
                    categorieën, te weten verplichtingen die:</al>
        <al/>
        <lijst>
          <li nr="1."><al>strekken tot arbeidsinschakeling;</al></li>
          <li nr="2."><al>verband houden met de aard en het doel van een bepaalde vorm van
                            bijstand;</al></li>
          <li nr="3."><al>strekken tot vermindering van de bijstand, en</al></li>
          <li nr="4."><al>strekken tot beëindiging van de bijstand.</al></li>
        </lijst>
        <al/>
        <al>De hoogte van de verlaging is in deze verordening per categorie verschillend
                    vastgesteld. Omdat de verplichtingen die WerkSaam op grond van artikel 55 van de
                    Participatiewet kan opleggen een zeer individueel karakter hebben, kan het
                    voorkomen dat de in de verordening vastgestelde verlaging niet is afgestemd op
                    de individuele omstandigheden van een belanghebbende. </al>
        <al/>
        <al>WerkSaam zal daarom altijd rekening moeten houden met de
                    individualiseringsbepaling van artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet.
                    Deze bepaling verplicht WerkSaam de bijstand af te stemmen op de omstandigheden,
                    mogelijkheden en middelen van een belanghebbende. In individuele gevallen kan
                    dus worden afgeweken van de in dit artikel vastgestelde verlaging.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Artikel 8. Gedragingen IOAW en IOAZ</vet>
        </al>
        <al>De artikelen 8 en 9 moeten in onderlinge samenhang worden gelezen. In artikel 8
                    worden schendingen van verplichtingen uit de IOAW en IOAZ geformuleerd. De
                    verwijtbare gedragingen die zijn genoemd in artikel 8, zijn ondergebracht in
                    categorieën. Aan die categorieën wordt in artikel 9 een gewicht toegekend in de
                    vorm van een verlagingspercentage. De categorieën zijn gerangschikt naar
                    toenemende zwaarte. Een gedraging wordt ernstiger geacht naarmate de gedraging
                    meer concrete gevolgen heeft voor het niet aanvaarden, verkrijgen of behouden
                    van betaalde arbeid.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Artikel 9. Hoogte en duur van de verlaging</vet>
        </al>
        <al>Zie voor de verlagingswaardige gedragingen de toelichting bij de artikelen 7 en
                    8.</al>
        <al/>
        <al>Er is gekozen voor een afstemmingsregime bij gedragingen zoals bedoeld in de
                    artikelen 7 en 8 dat afwijkt van de maatregel bij schending van de
                    geüniformeerde arbeidsverplichtingen als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van
                    de Participatiewet. Dit ondanks dat enkele van de in de artikelen 7 en 8
                    genoemde gedragingen verwant zijn aan de geüniformeerde
                    arbeidsverplichtingen.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Artikel 10. Duur verlaging bij schending geüniformeerde
                        arbeidsverplichting</vet>
        </al>
        <al>De eerste keer dat WerkSaam een verwijtbaar niet naleven van een geüniformeerde
                    arbeidsverplichting vaststelt, bedraagt de verlaging honderd procent van de
                    bijstandsnorm gedurende een bij deze verordening vast te stellen periode
                    (artikel 18, vijfde lid, eerste volzin, van de Participatiewet). Hiervoor is
                    door ons aangesloten bij de door de wetgever vastgestelde minimale periode van
                    een maand. </al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Artikel 11. Verrekenen verlaging</vet>
        </al>
        <al>WerkSaam heeft de mogelijkheid bij verlaging van de bijstand wegens schending
                    van een geüniformeerde arbeidsverplichting, de verlaging te verrekenen. Dit over
                    de maand van oplegging van de maatregel en ten hoogste over de twee volgende
                    maanden. Over de eerste maand moet minimaal een derde van het bedrag van de
                    verlaging worden verrekend (artikel 18, vijfde lid, tweede volzin, van de
                    Participatiewet). Wanneer belanghebbende tot inkeer komt, wordt de verlaging
                    stopgezet en ontvangt belanghebbende weer de volledige uitkering (artikel 18,
                    elfde lid, van de Participatiewet). Het gaat hier om een facultatieve bepaling. </al>
        <al/>
        <al>
          <cursief>Verrekenen bij bijzondere omstandigheden</cursief>
        </al>
        <al>Er is voor gekozen gebruik te maken van de mogelijkheid tot het verrekenen van
                    het bedrag van de verlaging bij een eerste schending van een geüniformeerde
                    arbeidsverplichting (of een herhaalde schending buiten de recidivetermijn) als
                    bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. Hierbij kan worden gedacht
                    aan:</al>
        <lijst>
          <li nr="-"><al>vergroting schuldenproblematiek;</al></li>
          <li nr="-"><al>(dreigende) huisuitzetting;</al></li>
          <li nr="-"><al>afsluiting van gas en elektriciteit;</al></li>
          <li nr="-"><al>aanwezigheid van minderjarige kinderen in het gezin.</al><al/></li>
        </lijst>
        <al>De maand van oplegging</al>
        <al>In het eerste en tweede lid wordt gesproken over de "maand van oplegging". Deze
                    term is overgenomen uit artikel 18, vijfde lid, van de Participatiewet. Met de
                    "maand van oplegging" wordt in deze verordening bedoeld: de maand waarin de
                    bijstand feitelijk wordt verlaagd (dus de maatregel geëffectueerd
                    wordt).</al>
        <al/>
        <al>
          <cursief>Geen verrekening bij recidive</cursief>
        </al>
        <al>Is sprake van een tweede of volgende schending van een
                    geüniformeerde arbeidsverplichting binnen de recidivetermijn, dan is verrekenen
                    van de maatregel niet mogelijk. </al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Artikel 12. Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</vet>
        </al>
        <al>Aan de Participatiewet ligt het beginsel ten grondslag dat iedereen in eerste
                    instantie in zijn eigen bestaan(skosten) dient te voorzien. Pas wanneer dat niet
                    mogelijk is, kan men een beroep doen op bijstand. Hoofdregel is dus dat iedereen
                    alles zal moeten doen en nalaten om een beroep op bijstand te voorkomen. Leidt
                    een gedraging ertoe dat belanghebbende eerder, langer of voor een hoger bedrag
                    is aangewezen op bijstand, dan is veelal sprake van een tekortschietend besef
                    van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. Hiervan is in ieder
                    geval sprake bij de volgende gedragingen (als die er toe leiden dat
                    belanghebbende eerder, langer of voor een hoger bedrag is aangewezen op
                    bijstand):</al>
        <al/>
        <lijst>
          <li nr="-"><al>het te snel interen van vermogen;</al></li>
          <li nr="-"><al>het door eigen schuld verliezen van het recht op een uitkering;</al></li>
          <li nr="-"><al>het door eigen schuld te laat aanvragen van een voorliggende
                            voorziening.</al><al/></li>
        </lijst>
        <al>Het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid moet
                    worden aangemerkt als een geüniformeerde arbeidsverplichting (zie de artikelen
                    9, eerste lid, onderdeel a, en 18, vierde lid, onderdeel g, van de
                    Participatiewet). Is sprake van het door eigen toedoen niet behouden van
                    algemeen geaccepteerde arbeid, dan moet afstemming plaatsvinden volgens de
                    regels van artikel 18 van de Participatiewet en artikel 10 en 15, derde lid, van
                    deze verordening.</al>
        <al/>
        <al>Op grond van artikel 12 van deze verordening kan een verlaging worden opgelegd
                    wegens het betonen van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de
                    voorziening in het bestaan. De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in de
                    hoogte van het benadelingsbedrag. Dat is in dit geval het gedeelte van de
                    uitkering waarop eerder, langer of tot een hoger bedrag een beroep wordt
                    gedaan.</al>
        <al/>
        <al>
          <cursief>Bijstand in de vorm van een geldlening</cursief>
        </al>
        <al>Als sprake is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid kan WerkSaam
                    tevens besluiten de bijstand in de vorm van een geldlening te verstrekken. Dit
                    volgt uit artikel 48, tweede lid, onderdeel b, van de Participatiewet. Als het
                    WerkSaam besluit beide instrumenten te gebruiken (leenbijstand èn verlaging)
                    moet het wel voldoende acht slaan op het totale effect hiervan voor de
                    bijstandsgerechtigde.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Artikel 13. Zeer ernstige misdragingen</vet>
        </al>
        <al>
          <cursief>Participatiewet (eerste lid)</cursief>
        </al>
        <al>Onder de term 'zeer ernstige misdraging' dient in elk geval te worden verstaan:
                    elke vorm van ongewenst en agressief fysiek contact met een persoon of het
                    ondernemen van pogingen daartoe. Hieronder valt bijvoorbeeld schoppen, slaan of
                    het (dreigen met) gooien van voorwerpen naar een persoon. Ook het toebrengen van
                    schade aan een gebouw of inventarisonderdeel, evenals het ondernemen van
                    pogingen daartoe in enige vorm wordt als zeer ernstige misdraging gezien.
                    Handelingen die door hun grote en mogelijk blijvende impact op de desbetreffende
                    persoon of personen grote invloed hebben zoals het opzetten van gerichte
                    lastercampagnes, seksuele intimidatie, het tonen van steek en/of vuurwapens
                    evenals (pogingen tot) opsluiting in een ruimte zijn eveneens als zeer ernstige
                    misdraging te beschouwen. Ook verbaal geweld valt onder de noemer 'zeer ernstige
                    misdraging', evenals iedere vorm van intimidatie, agressie of beïnvloeding via
                    direct contact, telefoon, post, mail, en/of sociale media.</al>
        <al/>
        <al>Het gaat dus om alle vormen van zeer ernstige misdragingen tegenover de met de
                    uitvoering van de Participatiewet belaste personen en instanties (WerkSaam, SVB
                    en re-integratiebedrijven) tijdens het verrichten van hun werkzaamheden. Met de
                    zinsnede 'tijdens het verrichten van de werkzaamheden' wordt aangegeven dat de
                    misdraging dient plaats te vinden in het kader van de uitvoering van de
                    Participatiewet. Dat is anders als betrokkenen elkaar buiten werktijd tegen
                    komen: dan is alleen het strafrecht van toepassing.</al>
        <al/>
        <al>Met ingang van 1 januari 2015 is de verplichting om zich te onthouden van zeer
                    ernstige misdragingen een zelfstandige verplichting die is opgenomen in artikel
                    9, zesde lid, van de Participatiewet. Deze verplichting staat dus op zichzelf.
                    Vóór 1 januari 2015 was dit een onzelfstandige verplichting. Om een
                    belanghebbende te sanctioneren wegens zeer ernstige misdragingen, moest sprake
                    zijn van een samenhang tussen de zeer ernstige misdragingen met het niet nakomen
                    van een of meer verplichtingen die voortvloeien uit de toenmalige WWB, IOAW of
                    IOAZ.</al>
        <al/>
        <al>
          <cursief>IOAW enIOAZ (tweede lid)</cursief>
        </al>
        <al>Onder de term ‘zeer ernstige misdragingen’ kunnen diverse vormen van agressie
                    worden verstaan, zij het dat er sprake moet zijn van verwijtbaarheid en van
                    gedrag dat in het normale menselijke verkeer in alle gevallen als onacceptabel
                    wordt beschouwd. Ook verbaal geweld valt onder de noemer 'zeer ernstige
                    misdraging'. WerkSaam kan alleen een verlaging opleggen als er een verband
                    bestaat tussen de ernstige misdraging en (mogelijke) belemmeringen bij het
                    vaststellen van het recht op een uitkering. De IOAW en IOAZ bevatten immers geen
                    afzonderlijke plicht tot het nalaten van zeer ernstige misdragingen. Het recht
                    op uitkering kan daarom alleen worden afgestemd wegens het zich zeer ernstig
                    misdragen als dit heeft plaatsgevonden bij het (niet) nakomen van een (andere)
                    aan de uitkering verbonden verplichting. Vandaar dat in het tweede lid wordt
                    bepaald dat de zeer ernstige misdragingen moeten hebben plaatsgevonden onder
                    omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van IOAW of
                    IOAZ. Als een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt, geheel los van een
                    (andere) aan de uitkering verbonden verplichting - hij komt bijvoorbeeld uit
                    eigen beweging stennis maken - dan is binnen de IOAW en IOAZ tegen deze
                    gedraging geen sanctie mogelijk.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Artikel 14. Samenloop van gedragingen</vet>
        </al>
        <al>
          <cursief>Samenloop bij één gedraging waardoor meerdere verplichtingen worden
                        geschonden</cursief>
        </al>
        <al>Het eerste lid regelt samenloop als sprake is van één gedraging die schending
                    oplevert van meerdere verplichtingen, die zijn genoemd in deze verordening,
                    artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet of in beide regelingen. In dat
                    geval wordt één verlaging opgelegd. Voor het bepalen van de hoogte en de duur
                    van de verlaging wordt uitgegaan van de gedraging waarop de hoogste verlaging is
                    gesteld.</al>
        <al/>
        <al>
          <cursief>Samenloop bij meerdere gedraging waardoor één of meerdere
                        verplichtingen worden geschonden</cursief>
        </al>
        <al>Het tweede regelt samenloop als sprake is van meerdere gedraging die schending
                    opleveren van één of meerdere verplichtingen, die zijn genoemd in deze
                    verordening, artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet of in beide
                    regelingen. Dit wordt 'meerdaadse samenloop' genoemd. In dat geval wordt voor
                    iedere gedraging een afzonderlijke verlaging toegepast. Deze verlagingen worden
                    in principe gelijktijdig opgelegd. Dit is anders als dit niet verantwoord is.
                    Hierbij spelen factoren zoals de ernst van de gedraging, de mate van
                    verwijtbaarheid en de omstandigheden van een belanghebbende een rol. Daarvoor
                    moet altijd gekeken worden naar de individuele omstandigheden. De verlaging
                    wordt dan over meerdere maanden uitgesmeerd.</al>
        <al/>
        <al>
          <cursief>Samenloop met een bestuurlijke boete</cursief>
        </al>
        <al>Het derde en vierde lid regelen in hoeverre een verlaging kan worden opgelegd
                    als sprake is van een verlagingswaardige gedraging die tevens een boetewaardige
                    gedragingen is. </al>
        <al/>
        <al>Als sprake is van één gedraging die zowel schending van een in deze verordening
                    opgenomen verplichting als schending van de inlichtingenplicht oplevert, kan de
                    schending van deze verplichtingen niet gezamenlijk worden afgedaan, omdat
                    schending van de inlichtingenplicht (wettelijk) is geregeld in de vorm van een
                    bestuurlijke boete. In het geval zich de situatie voordoet dat er sprake is van
                    samenloop tussen de bestuurlijke boete en afstemming dient WerkSaam in het
                    individuele geval te beoordelen welke sanctie wordt opgelegd. Bij eendaadse
                    samenloop ligt het voor de hand één sanctie op te leggen. WerkSaam bepaalt of al
                    dan niet een boete wordt opgelegd. Is dit het geval, dan wordt geen verlaging
                    meer opgelegd (derde lid).</al>
        <al/>
        <al>Bij meerdaadse samenloop ligt het voor de hand de gedraging te sanctioneren door
                    het opleggen van een bestuurlijke boete voor zover sprake is van een gedraging
                    waarin ook een beboetbare gedraging zit. Daarnaast kan WerkSaam in dit geval nog
                    een of meer maatregelen opleggen, waarbij bij de hoogte van de afstemming zo
                    nodig rekening kan worden gehouden met de boete en de eventuele andere
                    maatregelen (vierde lid).</al>
        <al/>
        <al>Als sprake is van één gedraging die zowel schending van een in artikel 18,
                    vierde lid, van de Participatiewet benoemde verplichting als schending van de
                    inlichtingenplicht oplevert, is het voorgaande ook van toepassing.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Artikel 15. Recidive</vet>
        </al>
        <al>
          <cursief>Verdubbeling duur verlaging</cursief>
        </al>
        <al>Als binnen twaalf maanden na een eerste verwijtbare gedraging wederom sprake is
                    van een verwijtbare gedraging waarmee dezelfde verplichting wordt geschonden,
                    wordt de grotere mate van verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een
                    verdubbeling van de hoogte of duur van de verlaging. Een verlaging kan nooit
                    hoger zijn dan honderd procent. Daarom is bij gedragingen waar relatief zware
                    verlagingen voor gelden, gekozen voor een verdubbeling van de duur van de
                    maatregel in plaats van de hoogte. Met de eerste verwijtbare gedraging wordt de
                    eerste gedraging bedoeld die aanleiding is geweest tot een verlaging, ook als
                    wegens dringende redenen - op grond van artikel 4, tweede lid, van deze
                    verordening en eventueel 18, tiende lid, van de Participatiewet - is afgezien
                    van het opleggen van een verlaging. Dit geldt ook als van afstemming op grond
                    van artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet is afgezien van het opleggen
                    van een verlaging. Is vanwege de afwezigheid van elke vorm van verwijtbaarheid
                    afgezien van een verlaging, dan is het niet mogelijk om bij toepassing van
                    recidive deze gedraging mee te tellen. Voor het bepalen van de aanvang van de
                    termijn van twaalf maanden, geldt het tijdstip waarop het besluit waarmee de
                    verlaging is opgelegd, is verzonden.</al>
        <al/>
        <al>Verdubbeling hoogte verlaging</al>
        <al>Als binnen twaalf maanden na een eerste verwijtbare gedraging wederom sprake is
                    van een verwijtbare gedraging waarmee dezelfde verplichting wordt geschonden,
                    wordt de grotere mate van verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een
                    verdubbeling van de hoogte van de verlaging. </al>
        <al/>
        <al>
          <cursief>Recidive op recidive bij niet geüniformeerde
                        arbeidsverplichtingen</cursief>
        </al>
        <al>Ook in het geval dat een belanghebbende voor een derde of volgende keer een niet
                    geüniformeerde arbeidsverplichting schendt, is de recidivebepaling van artikel
                    15, derde lid, van deze verordening van toepassing. Dit wordt tot uitdrukking
                    gebracht door het woord "telkens" in de recidivebepaling. Voor toepassing van de
                    recidivebepaling is vereist dat het opnieuw schenden van dezelfde verplichting
                    plaatsvindt binnen twaalf maanden na bekendmaking van het vorige besluit waarmee
                    een verlaging is toegepast. </al>
        <al/>
        <al>Is sprake van een derde of volgende schending, dan geldt – evenals bij de eerste
                    keer recidive – dat ofwel de hoogte ofwel de duur van de oorspronkelijke
                    verlaging wordt verdubbeld. Bij lichte gedragingen geldt een verdubbeling van de
                    hoogte van de verlaging. Bij zware gedragingen geldt een verdubbeling van de
                    duur van de verlaging.</al>
        <al/>
        <al>Telkens wordt de hoogte of de duur van de oorspronkelijke verlaging verdubbeld.
                    Dit is de verlaging die geldt bij een eerste schending van de verplichting. Er
                    is expliciet niet voor gekozen de hoogte of de duur van de vorige verlaging te
                    verdubbelen. Uitgangspunt is verdubbeling van de hoogte of de duur van de
                    oorspronkelijke verlaging. Hiermee wordt stapeling van verdubbeling van de
                    verlaging voorkomen. </al>
        <al/>
        <al>
          <cursief>Eenzelfde gedraging vereist voor recidive</cursief>
        </al>
        <al>Voor recidive als bedoeld in het eerste en tweede lid is vereist dat sprake moet
                    zijn van "eenzelfde verwijtbare gedraging" als de gedraging waarvoor de eerste
                    verlaging is opgelegd. Voorwaarde is dus dat dezelfde verplichting wordt
                    geschonden. Is dit niet het geval, dan moet de verwijtbare gedraging worden
                    aangemerkt als een eerste schending van een verplichting. Heeft een persoon zich
                    zeer ernstig misdragen binnen twaalf maanden nadat een verlaging is opgelegd
                    wegens het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij
                    Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (artikel 7, onder a), dan is geen
                    sprake van recidive aangezien het niet "eenzelfde gedraging" betreft. Evenmin is
                    sprake van recidive als een belanghebbende niet meewerkt aan het opstellen van
                    een plan van aanpak (artikel 7, onderdeel b, onder 1) en vervolgens een
                    opgedragen tegenprestatie niet verricht (artikel 7, onderdeel b, onder 4). Ook
                    dan is geen sprake van eenzelfde gedraging aangezien twee verschillende
                    verplichtingen zijn geschonden. </al>
        <al/>
        <al>
          <cursief>Recidive schending geüniformeerde arbeidsverplichting</cursief>
        </al>
        <al>Is sprake van het niet of onvoldoende nakomen van een geüniformeerde
                    arbeidsverplichting binnen twaalf maanden nadat aan een belanghebbende een
                    eerste maatregel is opgelegd wegens schending van een geüniformeerde
                    arbeidsverplichting, dan bedraagt de verlaging honderd procent gedurende twee
                    maanden. Dit valt binnen de in artikel 18, zesde lid, van de Participatiewet
                    gegeven marges.</al>
        <al/>
        <al>Bij een derde, vierde en volgende schending van een geüniformeerde
                    arbeidsverplichting, telkens binnen twaalf maanden na oplegging van de vorige
                    maatregel, bedraagt de verlaging honderd procent gedurende drie maanden (artikel
                    18, zevende en achtste lid, van de Participatiewet).</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Artikel 16. Samenloop bij weigeren uitkering IOAW/IOAZ</vet>
        </al>
        <al>WerkSaam is op grond van artikel 20 van de IOAW en artikel 20 van de IOAZ
                    bevoegd de uitkering blijvend of tijdelijk te weigeren als een belanghebbende,
                    kort gezegd, inkomen uit arbeid had kunnen verwerven, maar dit nalaat. Dit is
                    een discretionaire bevoegdheid van WerkSaam. De vraag of een verlaging moet
                    worden toegepast, zal pas aan de orde komen als WerkSaam zich een oordeel heeft
                    gevormd over de eventuele weigering van de uitkering. Deze beoordeling gaat in
                    beginsel voor. Pas als WerkSaam concludeert dat van een weigering geen sprake
                    is, kan op grond van deze verordening een verlaging worden toegepast. Artikel 16
                    van deze verordening is derhalve bedoeld om samenloop te voorkomen.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Artikel 17. Blijvend en tijdelijk weigeren IOAW- of
                    IOAZ-uitkering</vet>
        </al>
        <al>Artikel 20, eerste lid, van de IOAW en artikel 20, tweede lid, van de IOAZ geeft
                    het dagelijks bestuur de bevoegdheid om de uitkering tijdelijk of blijvend te
                    weigeren naar de mate waarin de belanghebbende inkomen als bedoeld in of op
                    grond van artikel 8 van de IOAW of de IOAZ zou hebben kunnen verwerven, indien: </al>
        <al/>
        <lijst>
          <li nr="a."><al>aan de beëindiging van zijn dienstbetrekking een dringende reden ten
                            grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk
                            Wetboek en de belanghebbende ter zake een verwijt kan worden
                            gemaakt;</al></li>
          <li nr="b."><al>de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de
                            belanghebbende zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren
                            waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou
                            kunnen worden gevergd.</al></li>
          <li nr="c."><al>de belanghebbende nalaat algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden;
                            of</al></li>
          <li nr="d."><al>de belanghebbende door eigen toedoen geen algemeen geaccepteerde arbeid
                            verkrijgt.</al><al/></li>
        </lijst>
        <al>Als sprake is van een situatie die valt onder a of b dan kan het dagelijks
                    bestuur de uitkering tijdelijk weigeren. Beide situaties spelen zich af
                    voorafgaand aan de aanvraag van de uitkering. Als sprake is van een situatie die
                    valt onder c of d dan kan het dagelijks bestuur de uitkering blijvend weigeren.
                    Beide situaties spelen zich af tijdens de uitkering.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Artikel 18. Overgangsbepaling</vet>
        </al>
        <al>Besluiten over afstemming die voor de invoering van de Participatiewet zijn
                    genomen door de gemeenten Drechterland, Enkhuizen, Hoorn, Koggenland, Medemblik,
                    Opmeer en Stede Broec blijven onverkort van toepassing voor de duur van de
                    vastgestelde afstemming. Gedragingen voor 1 januari 2015 worden meegenomen in de
                    besluitvorming rondom de recidive. </al>
      </nota-toelichting>
    </regeling>
  </body>
</cvdr>