<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR376186_3</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening op de watersysteemheffing 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Waterschap">Waterschap Scheldestromen</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-11-22</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Waterschap">Waterschap Scheldestromen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/wsb-2016-10078.html">Waterschapsblad, 16 december 2016</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening op de watersysteemheffing waterschap Scheldestromen 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005108&amp;artikel=110">Waterschapswet, art. 110</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005108&amp;artikel=113">Waterschapswet, art. 113</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005108&amp;artikel=117">Waterschapswet, art. 117</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005108&amp;artikel=122a">Waterschapswet, art. 122a</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005108&amp;artikel=122b">Waterschapswet, art. 122b</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005108&amp;artikel=124">Waterschapswet, art. 124</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005108&amp;artikel=139">Waterschapswet, art. 139</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeenschappelijke Regeling Belastingsamenwerking SaBeWa Zeeland</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanWaterschap">algemeen bestuur</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-11-24</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-12-17</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-11-23</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>aanpassing tarieven</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2016033942</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening op de watersysteemheffing 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De algemene vergadering van waterschap Scheldestromen;</al><al/><al>gelezen het voorstel van het dagelijks bestuur van 5 november 2014, kenmerk
                        2014031918;</al><al/><al>gelet op de artikelen 110, 113, 117, 122a, 122b, 124 en 139 van de
                        Waterschapswet, alsmede op de Gemeenschappelijke Regeling
                        Belastingsamenwerking SaBeWa Zeeland;</al><al/><al>besluit:</al><al/><al>vast te stellen de:</al><al>Verordening op de watersysteemheffing 2015</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>I</nr><titel>Inleidende bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>Deze verordening verstaat onder:</al><lijst><li nr="a."><al>ingezetene: degene die blijkens de basisregistratie personen bij
                                    het begin van het kalenderjaar woonplaats heeft in het gebied
                                    van het waterschap en die aldaar gebruik heeft van woonruimte,
                                    met dien verstande dat gebruik van woonruimte door de leden van
                                    een gezamenlijke huishouding wordt aangemerkt als gebruik door
                                    een lid van dat huishouden, dat wordt aangewezen door de in
                                    artikel 123, derde lid, onderdeel b, van de Waterschapswet
                                    bedoelde ambtenaar van het waterschap;</al></li><li nr="b."><al>heffingsambtenaar: de ambtenaar bedoeld in artikel 124, vijfde
                                    lid, onderdeel a, van de Waterschapswet;</al></li><li nr="c."><al>invorderingsambtenaar: de ambtenaar bedoeld in artikel 124,
                                    vijfde lid, onderdeel b, van de Waterschapswet; </al></li><li nr="d."><al>woonruimte: een ruimte die blijkens zijn inrichting bestemd is
                                    om als een afzonderlijk geheel te voorzien in woongelegenheid en
                                    waarvan de delen blijkens de inrichting van die ruimte niet
                                    bestemd zijn om afzonderlijk in gebruik te worden gegeven;</al></li><li nr="e."><al>kostentoedelingsverordening: de verordening van het waterschap,
                                    bedoeld in artikel 120, eerste lid, eerste volzin, van de
                                    Waterschapswet;</al></li><li nr="f."><al>natuurterreinen: ongebouwde onroerende zaken waarvan de
                                    inrichting en het beheer geheel of nagenoeg geheel en duurzaam
                                    zijn afgestemd op het behoud of de ontwikkeling van natuur.
                                    Onder natuurterreinen worden mede verstaan bossen en open
                                    wateren met een oppervlakte van tenminste één hectare; </al></li><li nr="g."><al>ongebouwde onroerende zaken: ongebouwde onroerende zaken die
                                    geen natuurterreinen zijn;</al></li><li nr="h."><al>gebied van het waterschap: het gebied dat is aangegeven op de
                                    bij het provinciaal reglement behorende kaart waarin de zorg
                                    voor het watersysteem en de zorg voor het wegenbeheer aan het
                                    waterschap zijn opgedragen;</al></li><li nr="i."><al>de heffing: de watersysteemheffing als genoemd in artikel 117,
                                    de wegenheffing als genoemd in artikel 122a van de
                                    Waterschapswet daarin begrepen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Belastbaar feit en belastingplichtigen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Ter bestrijding van kosten die zijn verbonden aan de zorg voor
                                    het watersysteem wordt onder de naam watersysteemheffing een
                                    directe belasting geheven.</al></li><li nr="2."><al>De heffing wordt geheven van hen die:</al><lijst><li nr="a."><al>ingezetenen zijn als bedoeld in artikel 1, onderdeel a,
                                            met dien verstande dat gebruik van woonruimte door de
                                            leden van een gezamenlijke huishouding wordt aangemerkt
                                            als gebruik door een door de heffingsambtenaar aan te
                                            wijzen lid van dat huishouden;</al></li><li nr="b."><al>krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot
                                            hebben van ongebouwde onroerende zaken in het gebied van
                                            het waterschap;</al></li><li nr="c."><al>krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot
                                            hebben van natuurterreinen in het gebied van het
                                            waterschap;</al></li><li nr="d."><al>krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot
                                            hebben van gebouwde onroerende zaken in het gebied van
                                            het waterschap;</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Heffingsplichtig in de zin van het tweede lid, onderdelen b, c
                                    en d, is degene die bij het begin van het kalenderjaar als
                                    rechthebbende in de basisregistratie kadaster is vermeld, tenzij
                                    blijkt dat hij op dat tijdstip geen rechthebbende krachtens
                                    eigendom, bezit of beperkt recht is;</al></li><li nr="4."><al>Voor de toepassing van het tweede lid, onderdelen b, c en d, is
                                    heffingsplichtig de:</al><lijst><li nr="a."><al>beperkt gerechtigde en niet de eigenaar, ingeval de
                                            onroerende zaak is onderworpen aan het recht van
                                            beklemming, van erfpacht, van opstal of van
                                            vruchtgebruik;</al></li><li nr="b."><al>eigenaar voor wat betreft het recht van opstal, indien
                                            dat recht uitsluitend is gevestigd ten behoeve van de
                                            aanleg of het onderhoud, dan wel ten behoeve van de
                                            aanleg en het onderhoud, van ondergrondse dan wel
                                            bovengrondse leidingen.</al></li></lijst></li><li nr="5."><al>Indien de onroerende zaak is onderworpen aan beperkte rechten
                                    als bedoeld in het vorige artikellid, heeft voor de
                                    heffingplicht:</al><lijst><li nr="a."><al>de vruchtgebruiker voorrang boven zowel de opstaller als
                                            de erfpachter, onderscheidenlijk de beklemde meier;</al></li><li nr="b."><al>de opstaller voorrang boven de erfpachter,
                                            onderscheidenlijk de beklemde meier.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Heffingsmaatstaf</titel></kop><al>Voor de heffing geldt als heffingsmaatstaf:</al><lijst><li nr="a."><al>ter zake van ingezetenen: de woonruimte;</al></li><li nr="b."><al>ter zake van ongebouwde onroerende zaken en ter zake van
                                    natuurterreinen: de oppervlakte van de onroerende zaak,
                                    uitgedrukt in een aantal hectaren of een gedeelte daarvan;</al></li><li nr="c."><al>ter zake van gebouwde onroerende zaken: de waarde die voor het
                                    kalenderjaar voor de onroerende zaak wordt bepaald op de voet
                                    van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>II</nr><titel>Watersysteemheffing ingezetenen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Tarief ingezetenen</titel></kop><al>Met inachtneming van het bepaalde dienaangaande in de
                            Kostentoedelingsverordening, bedraagt het tarief van de
                            watersysteemheffing voor de categorie ingezetenen € 99,58 per
                            woonruimte. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>III</nr><titel>Watersysteemheffing ongebouwde onroerende zaken</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Belastingobject</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk en van artikel 2, lid 2,
                                onderdeel b en artikel 9, derde lid van deze verordening, wordt als
                                één ongebouwde onroerende zaak aangemerkt een kadastraal perceel of
                                een gedeelte daarvan, met dien verstande dat buiten aanmerking wordt
                                gelaten:</al><lijst><li nr="a"><al>hetgeen ingevolge artikel 9, eerste en tweede lid, wordt
                                        aangemerkt als een gebouwde onroerende zaak;</al></li><li nr="b"><al>een natuurterrein.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de heffing worden openbare land- en waterwegen en banen voor
                                openbaar vervoer per rail, een en ander met inbegrip van
                                kunstwerken, alsmede waterverdedigingswerken die worden beheerd door
                                organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke
                                rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken
                                die dienen als woning, aangemerkt als ongebouwde onroerende
                                zaken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Tarief ongebouwde onroerende zaken</titel></kop><al>Met inachtneming van het bepaalde dienaangaande in de
                            Kostentoedelingsverordening, bedraagt het tarief van de heffing voor
                            ongebouwde onroerende zaken € 75,12 per hectare.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>IV</nr><titel>Watersysteemheffing natuurterreinen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Belastingobject</titel></kop><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk en van artikel 2, tweede lid,
                            onderdeel c van deze verordening, wordt als één natuurterrein aangemerkt
                            een kadastraal perceel of gedeelte daarvan, met dien verstande dat
                            buiten aanmerking wordt gelaten:</al><lijst><li nr="a."><al>hetgeen ingevolge artikel 9, eerste en tweede lid wordt
                                    aangemerkt als een gebouwde onroerende zaak;</al></li><li nr="b."><al>hetgeen ingevolge artikel 5 wordt aangemerkt als een ongebouwde
                                    onroerende zaak.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Tarief natuurterreinen</titel></kop><al>Met inachtneming dienaangaande van het bepaalde in de
                            Kostentoedelingsverordening, bedraagt het tarief van de heffing voor
                            natuurterreinen € 8,16 per hectare.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>V</nr><titel>gebouwde onroerende zaken</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Belastingobject</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk en van artikel 2, tweede lid,
                                onderdeel d van deze verordening, wordt als één gebouwde onroerende
                                zaak aangemerkt:</al><lijst><li nr="a."><al>een gebouwd eigendom;</al></li><li nr="b."><al>een gedeelte van een gebouwd eigendom dat blijkens zijn
                                        indeling is bestemd om als een afzonderlijk geheel te worden
                                        gebruikt;</al></li><li nr="c."><al>een samenstel van twee of meer van de in onderdeel a
                                        bedoelde gebouwde eigendommen of van in onderdeel b bedoelde
                                        gedeelten daarvan die bij dezelfde belastingplichtige in
                                        gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij
                                        elkaar behoren;</al></li><li nr="d."><al>het binnen het gebied van een gemeente gelegen deel van een
                                        in onderdeel a bedoelde eigendom, van een in onderdeel b
                                        bedoeld gedeelte of van een in onderdeel c bedoeld
                                        samenstel;</al></li><li nr="e."><al>het binnen het gebied van het waterschap gelegen deel van
                                        een in onderdeel a bedoelde eigendom, van een in onderdeel b
                                        bedoeld gedeelte, van een in onderdeel c bedoeld samenstel
                                        of van een in onderdeel d bedoeld deel.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de toepassing van het eerste lid maken de ongebouwde
                                eigendommen voor zover die een samenstel vormen met een gebouwd
                                eigendom als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a tot en met e,
                                deel uit van de gebouwde onroerende zaak;</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in het vorige artikellid maken de
                                ongebouwde eigendommen, voor zover de waarde daarvan bij de
                                waardevaststelling op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering
                                onroerende zaken op basis van het bepaalde krachtens artikel 18,
                                vierde lid, van die wet buiten aanmerking wordt gelaten, geen deel
                                uit van de gebouwde onroerende zaak.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Tarief</titel></kop><al>Met inachtneming dienaangaande van het bepaalde in de
                            Kostentoedelingsverordening, bedraagt het tarief van de heffing voor
                            gebouwde onroerende zaken 0,0584% van de heffingsmaatstaf als bedoeld in
                            artikel 3, onderdeel c van deze verordening. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>VI</nr><titel>Heffing en Invordering</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Wijze van heffing</titel></kop><al>De heffing wordt bij wege van aanslag geheven. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Tenaamstelling en invordering belastingaanslag bij meer
                                belastingplichtigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien ter zake van hetzelfde voorwerp van de belasting of hetzelfde
                                belastbare feit twee of meer personen belastingplichtig zijn, stelt
                                de heffingsambtenaar de aanslag ten name van een van hen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de belastingplicht, bedoeld in het eerste lid, voortvloeit
                                uit het genot van een onroerende zaak krachtens eigendom, bezit of
                                beperkt recht en de aanslag ten name van een van de
                                belastingplichtigen is gesteld, kan de invorderingsambtenaar de
                                belastingaanslag op de gehele onroerende zaak verhalen op degene op
                                wiens naam de aanslag ingevolge het eerste lid is gesteld, zonder
                                rekening te houden met de rechten van de overige
                                belastingplichtigen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Niet opleggen van aanslagen</titel></kop><al>Geen aanslag wordt opgelegd ter zake van straatmeubilair, waaronder alle
                            zodanige gebouwde eigendommen –niet zijnde gebouwen- worden begrepen die
                            zijn geplaatst ten gerieve of in het belang van het publiek, ten dienste
                            van het verkeer of ter verfraaiing van een in het waterschapsgebied
                            gelegen gemeente, zoals lichtmasten, verkeers(regel)installaties,
                            standbeelden, monumenten, fonteinen, banken, abri’s, hekken en
                            palen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Betaaltermijnen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aanslag moet worden betaald in twee termijnen waarvan de eerste
                                vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de
                                dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede termijn
                                twee maanden na deze vervaldag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bedrag inzake een bestuurlijke boete moet worden betaald
                                uiterlijk op de laatste dag volgend op de maand die in de
                                dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien een machtiging voor automatische incasso is afgegeven kan van
                                de in het eerste lid vermelde termijnen worden afgeweken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Kwijtschelding</titel></kop><al>Van de watersysteemheffing natuurterreinen, de watersysteemheffing
                            ongebouwd en de watersysteemheffing gebouwd wordt geen kwijtschelding
                            verleend.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Nadere regels</titel></kop><al>Het dagelijks bestuur kan nadere regels geven met betrekking tot de
                            heffing en de invordering van de watersysteemheffing. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Intrekking, inwerkingtreding, tijdstip van ingang van de heffing
                                en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De Verordening op de watersysteemheffing 2014 van waterschap
                                    Scheldestromen, vastgesteld bij besluit van 14 november 2013,
                                    wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde
                                    datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van
                                    toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die
                                    datum hebben voorgedaan.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na die
                                    van haar bekendmaking.</al></li><li nr="3."><al>De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2015.</al></li><li nr="4."><al>Deze verordening kan worden aangehaald als ‘Verordening op de
                                    watersysteemheffing waterschap Scheldestromen 2015’.</al><al/></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de vergadering van 4 december 2014 van de algemene
                        vergadering van waterschap Scheldestromen.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>mr. drs. J.A. de Visser </ondertekening><ondertekening>secretaris–algemeen directeur</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>mr. drs. A.J.G. Poppelaars</ondertekening><ondertekening>dijkgraaf</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting op de Verordening watersysteemheffing Scheldestromen</titel></kop><al>ALGEMEEN</al><al/><al>Wettelijke basis</al><al>De Verordening op de watersysteemheffing is gebaseerd op de tekst van de
                    Waterschapswet, zoals die is komen te luiden na de inwerkingtreding van de Wet
                    modernisering waterschapsbestel (Staatsblad 2007, 208) en, wat betreft artikel
                    10 van de verordening, de inwerkingtreding van artikel XIII van de Wet van 3
                    juli 2008 (Staatsblad 2008, 262). Zoals blijkt uit het bepaalde in artikel XII
                    van de Wet modernisering waterschapbestel blijven de belastingbepalingen van
                    hoofdstuk XVII van de Waterschapswet gelden voor de belastingtijdvakken die vóór
                    1 januari 2009 zijn aangevangen. Ook op belastbare feiten die zich voor dat
                    tijdstip hebben voorgedaan, blijven laatstbedoelde belastingbepalingen van
                    toepassing. </al><al>In deze toelichting op de verordening worden de bepalingen uit het zojuist
                    genoemde hoofdstuk XVII van de Waterschapswet (Bijzondere bepalingen omtrent de
                    omslagen) ook wel aangeduid als de bepalingen uit de ‘oude’ Waterschapswet. De
                    term ‘nieuwe Waterschapswet’ staat in deze toelichting dan voor de bepalingen
                    van het nieuwe hoofdstuk XVII van de wet, getiteld: De watersysteemheffing.</al><al/><al>De watersysteemtaak</al><al>In artikel 1, tweede lid, van de Waterschapswet is “de zorg voor het
                    watersysteem” als eerste hoofdtaak van het waterschap vermeld. De zorg voor het
                    watersysteem omvat de zorg voor de waterkering en de zorg voor de
                    waterhuishouding, waaronder ook de zorg voor de waterkwaliteit. Tot voor kort
                    werden deze taken afzonderlijk benoemd. Met het gebruik van de term “zorg voor
                    het watersysteem” wordt benadrukt dat zij een nauwe onderlinge samenhang kennen
                    en als één integrale taak moeten worden uitgevoerd. </al><al>In artikel 1, lid 2, is de zorg voor de zuivering van afvalwater op de voet van
                    artikel 15a van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren als andere hoofdtaak
                    van het waterschap genoemd. Ook is bepaald dat de zorg voor een of meer andere
                    waterstaatsaangelegenheden aan de waterschappen kan zijn of worden opgedragen.
                    De uitvoering van de wegen- en de vaarwegentaak door een aantal waterschappen is
                    een uiting van dit laatste. </al><al>De zorg voor het watersysteem is één samenhangende taak die het waterschap,
                    uitzonderingen daargelaten, in zijn gehele beheersgebied uitoefent. Alhoewel de
                    wetgever dit niet met zoveel woorden aangeeft, moet worden aangenomen dat de
                    uitzonderingen gevallen betreffen waarin andere overheden dan de waterschappen
                    taken ter zake uitoefenen. In de Waterschapswet wordt de zorg voor het
                    watersysteem in algemene zin aan de waterschappen toegekend. De nadere invulling
                    ervan vindt plaats in het provinciale waterschapsreglement en in de praktijk ook
                    in belangrijke mate in bijzondere wetgeving, zoals het Waterschapsbesluit, de
                    Waterwet en het Waterbesluit. Op grond van artikel 2 van de Waterschapswet
                    worden het gebied en de taken van het waterschap door Provinciale Staten
                    bepaald. </al><al/><al>De watersysteemheffing</al><al>De watersysteemheffing is een nieuwe belasting die de waterschapsomslagen en de
                    oude verontreinigingsheffing (deels) vervangt. Belastingplichtig voor de
                    watersysteemheffing zijn:</al><al>de ingezetenen;</al><al>de eigenaren [noot: In de toelichting gebruiken wij gemakshalve de term
                    "eigenaren" (van ongebouwde onroerende zaken, natuurterreinen en gebouwde
                    onroerende zaken). De juridisch juiste term is "degene die krachtens eigendom,
                    bezit of beperkt recht het genot heeft" (van ongebouwde onroerende zaken,
                    natuurterreinen en gebouwde onroerende zaken).] van ongebouwde onroerende zaken,
                    niet zijnde natuurterreinen;</al><al>de eigenaren van natuurterreinen en</al><al>de eigenaren van gebouwde onroerende zaken.</al><al>Dit zijn de belastingplichtige categorieën. De watersysteemheffing kent ten
                    opzichte van de waterschapsomslagen dus een nieuwe belastingplichtige categorie:
                    de eigenaren van natuurterreinen. Natuurterreinen zijn in wezen ongebouwde
                    onroerende zaken. Onder de oude Waterschapswet behoorden zij dan ook tot de
                    categorie ongebouwd. Natuurterreinen hebben in de nieuwe Waterschapswet echter
                    een aparte status gekregen, omdat hun wensen en behoeften op het gebied van de
                    waterhuishouding nogal kunnen verschillen van die van het overige ongebouwd.
                    Onder overig ongebouwd moeten de ongebouwde onroerende zaken die geen
                    natuurterreinen zijn, worden verstaan. In de verordening zal steeds een
                    duidelijk onderscheid worden gemaakt in natuurterreinen enerzijds en ongebouwd,
                    niet zijnde natuur, anderzijds. </al><al>Blijkens de Memorie van Toelichting bij de Wet modernisering waterschapsbestel
                    hebben degenen die tot de belastingplichtige categorieën behoren per definitie
                    belang bij de uitoefening van de taken van het waterschap. Hun betaling is
                    hierop gebaseerd. </al><al/><al>De heffingsmaatstaven en de tarieven van de heffing</al><al>Anders dan onder de oude Waterschapswet het geval was, geeft de nieuwe
                    Waterschapswet in artikel 121 niet alleen voor de heffing ter zake van
                    ongebouwde en gebouwde onroerende zaken, maar ook voor de heffing ter zake van
                    de ingezetenen een duidelijke heffingsmaatstaf. De heffingsmaatstaf voor de
                    ingezetenen is de woonruimte. Voor ongebouwde onroerende zaken die geen
                    natuurterreinen zijn en voor natuurterreinen is de heffingsmaatstaf de
                    oppervlakte van de onroerende zaak en voor gebouwde onroerende zaken is de
                    heffingsmaatstaf de op de voet van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ)
                    vastgestelde waarde. Het tarief van de belasting moet op grond van de
                    Waterschapswet worden gesteld op een gelijk bedrag per woonruimte (ingezetenen),
                    op een gelijk bedrag per hectare (ongebouwd niet zijnde natuur en natuur) of op
                    een vast percentage van de WOZ-waarde (gebouwd). De watersysteemheffing kent
                    daarmee dus ook vier afzonderlijke tarieven.</al><al/><tussenkop><vet>Artikelgewijze toelichting</vet></tussenkop><al/><al>Aanhef</al><al>De watersysteemheffing is in 2009 geïntroduceerd. Het besluit om deze heffing in
                    te voeren, is een bevoegdheid van het algemeen bestuur van het waterschap, welke
                    wordt geconcretiseerd door de vaststelling van de belastingverordening. Dit
                    wordt in de aanhef van de verordening tot uitdrukking gebracht, waarbij ook de
                    relevante wettelijke bepalingen worden genoemd. Artikel 110 Waterschapswet is de
                    wettelijke bepaling die over het besluit tot invoering van de belasting en de
                    daarvoor benodigde vaststelling van de belastingverordening gaat. Artikel 113 is
                    de wettelijke bepaling die aangeeft welke belastingen en rechten door de
                    waterschappen geheven mogen worden en artikel 117 is de bepaling op grond
                    waarvan waterschappen ter bestrijding van kosten verbonden aan de zorg voor het
                    watersysteem, onder de naam watersysteemheffing een belasting mogen heffen. In
                    de aanhef wordt daarnaast tot uitdrukking gebracht dat aan de vaststelling van
                    de verordening door het algemeen bestuur een voordracht van het dagelijks
                    bestuur vooraf gaat. </al><al>De artikelen 122a en 122b duiden op de incorporatie van de wegenheffing in de
                    watersysteemheffing en artikel 139 op de bevoegdheid afwijkende voorschriften
                    ten aanzien van de invordering toe te passen.</al><al>Vanwege de overdracht van de bevoegdheid tot heffen en invorderen van de
                    watersysteemheffing aan SaBeWa Zeeland wordt verwezen naar de onderliggende
                    gemeenschappelijke regeling van de belastingsamenwerking. </al><al/><tussenkop>Hoofdstuk I Inleidende bepalingen</tussenkop><al/><al>Artikel 1 Begripsbepalingen</al><al>In dit artikel zijn omwille van de duidelijkheid omschrijvingen opgenomen van in
                    de verordening vaker voorkomende begrippen.</al><al/><al>a.Ingezetenen</al><al>De omschrijving van het begrip ingezetene is ontleend aan artikel 116, onder a,
                    van de Waterschapswet. Om als ingezetene aangemerkt te kunnen worden, moet
                    sprake zijn van het hebben van woonplaats en het gebruik van woonruimte in het
                    gebied van het waterschap. Of sprake is van het hebben van woonplaats, wordt aan
                    de hand van gegevens uit de basisregistratie persoonsgegevens bepaald. </al><al>De situatie bij het begin van het kalenderjaar is bepalend. </al><al>Woonruimte is iedere ruimte die blijkens zijn inrichting bestemd is om als een
                    afzonderlijk geheel te voorzien in woongelegenheid. Dit betekent dat de
                    gebruiker van de woonruimte niet anders dan bijkomstig afhankelijk mag zijn van
                    voorzieningen elders in het gebouw. In het geval van woonruimten moet worden
                    gedacht aan voorzieningen als keuken, douche en toilet. Deze moeten de gebruiker
                    van de woonruimte, met uitsluiting van anderen die niet tot zijn of haar
                    huishouden behoren, exclusief ter beschikking staan. Bewoners van verpleeg- en
                    verzorgingshuizen kunnen om deze reden veelal niet als ingezetenen in de zin van
                    artikel 116, onder a, van de Waterschapswet worden aangemerkt. Hetzelfde geldt
                    voor bewoners van studentenhuizen. </al><al/><al>b.Heffingsambtenaar</al><al>De ambtenaar die de heffingsbevoegdheden (inspecteurbevoegdheden) uit de
                    Algemene wet inzake rijksbelastingen uitoefent, wordt in de verordening de
                    ‘heffingsambtenaar’ genoemd. Tot de inspecteurbevoegdheden behoort de
                    bevoegdheid tot het vaststellen van belastingaanslagen en de bevoegdheid tot het
                    doen van uitspraken op bezwaarschriften. In verband met de samenwerking in een
                    gemeenschappelijke regeling neemt het dagelijks bestuur van SaBeWa Zeeland een
                    besluit waarin de heffingsambtenaar wordt aangewezen. De wettelijke basis is
                    artikel 124, vijde lid, onderdeel a, van de Waterschapswet.</al><al/><al>c.Invorderingsambtenaar</al><al>De ambtenaar die de ontvangersbevoegdheden uit de Invorderingswet 1990
                    uitoefent, wordt in de verordening met de term ‘invorderingsambtenaar’
                    aangeduid. Tot de ontvangersbevoegdheden behoort de bevoegdheid tot de
                    invordering van de belasting. Ook het verlenen van kwijtschelding van belasting
                    is een ontvangersbevoegdheid. In verband met de samenwerking in een
                    gemeenschappelijke regeling neemt het dagelijks bestuur van SaBeWa Zeeland een
                    besluit waarin de invorderingsambtenaar wordt aangewezen. Dit volgt uit artikel
                    124, vijfde lid, onderdeel b, van de Waterschapswet.</al><al/><al>d.Woonruimte</al><al>Voor een beschouwing op het begrip woonruimte wordt verwezen naar onderdeel a,
                    hiervoor. </al><al/><al>e.Kostentoedelingsverordening</al><al>Elk waterschap moet ingevolge artikel 120, eerste lid, eerste volzin, van de
                    Waterschapswet ten behoeve van de watersysteemheffing een verordening
                    vaststellen waarin de toedeling van het kostenaandeel voor elk van de
                    belastingplichtige categorieën is vastgelegd. Deze verordening wordt de
                    Kostentoedelingsverordening genoemd. Met ingang van 1 januari 2009 is de
                    Kostentoedelingsverordening ook voor het eventueel bepalen van
                    tariefdifferentiatie van belang. </al><al/><al>j.Natuurterreinen</al><al>De omschrijving van het begrip natuurterreinen is ontleend aan artikel 116,
                    onderdeel c, van de Waterschapswet. De wet geeft een kwalitatieve omschrijving
                    van het begrip, waarbij de nadruk op de duurzame inrichting en beheer als
                    natuurgebied ligt. Bij de beoordeling of sprake is van een ongebouwde onroerende
                    zaak waarvan de inrichting en het beheer geheel of nagenoeg geheel en duurzaam
                    zijn afgestemd op het behoud of de ontwikkeling van natuur (toetsing aan de
                    zojuist genoemde kwalitatieve omschrijving), zijn ook de feitelijke of
                    uiteindelijke bestemming van de onroerende zaak van belang. Zo zal een perceel
                    nog bouwrijp te maken grond dat al jaren niet is bewerkt en waar inmiddels
                    eventueel veel groen en leven aanwezig is, maar waar uiteindelijk wel gebouwd
                    zal worden, niet als een natuurterrein kwalificeren. Ook stadsparken,
                    plantsoenen en dergelijke zullen vanwege hun overwegende recreatieve functie
                    niet als natuurterrein in aanmerking genomen kunnen worden. </al><al>Onder natuurterreinen worden mede bossen en open wateren met een oppervlakte van
                    tenminste één hectare verstaan. Er is sprake van wetsduiding: zodra een bos of
                    open water een oppervlakte van één hectare of meer heeft, is sprake van een
                    natuurterrein. In deze gevallen is niet relevant of de inrichting en het beheer
                    van de onroerende zaak zijn afgestemd op het behoud of de ontwikkeling van
                    natuur. Dit leidt ertoe dat ook bedrijfsmatig geëxploiteerde bossen van
                    tenminste één hectare tot de categorie natuurterreinen worden gerekend. Geheel
                    of nagenoeg geheel staat overigens voor 90% of meer.</al><al/><al>k.Ongebouwde onroerende zaken</al><al>Waar in deze verordening wordt gesproken over ongebouwde onroerende zaken,
                    worden steeds ongebouwde onroerende zaken die geen natuurterrein zijn, bedoeld.
                    Het gaat om de ongebouwde onroerende zaken bedoeld in artikel 117, onder b, van
                    de Waterschapswet. </al><al/><al>l.Gebied van het waterschap</al><al>In artikel 1 van de Waterschapswet is het functionele karakter van de
                    waterschappen vastgelegd: hun taak is de waterstaatkundige verzorging van een
                    bepaald gebied. In verband hiermee is onder andere de zorg voor het watersysteem
                    aan hen opgedragen. De regeling van het gebied gebeurt door de provincie, bij
                    provinciaal reglement. In de praktijk wordt het gebied van het waterschap veelal
                    aangeduid op een (al dan niet elektronische) kaart die bij het provinciale
                    reglement behoort. Omdat de toekenning van ‘de zorg voor het watersysteem’ aan
                    de waterschappen niet impliceert dat <cursief>alle</cursief> zorg voor het
                    watersysteem in een bepaald gebied aan het waterschap is toegekend (ook andere
                    overheden kunnen immers ter zake taken uitoefenen), is in de verordening
                    opgenomen dat het moet gaan om het gebied waarin de zorg aan het waterschap is
                    opgedragen. </al><al/><al>m.De heffing</al><al>Waar in de verordening over ‘de heffing’ wordt gesproken, wordt steeds de
                    watersysteemheffing, genoemd in artikel 117, aanhef, van de Waterschapswet,
                    bedoeld. De watersysteemheffing vervangt de tot nu toe bestaande heffingen voor
                    waterkwantiteit, waterkering en het onderdeel van de Wvo-heffing waaruit het
                    passieve waterkwaliteitsbeheer van oppervlaktewateren bekostigd wordt. </al><al>Met verwijzing naar artikel 122b, derde lid, van de Waterschapswet is de
                    wegenheffing onderdeel van de watersysteemheffing. </al><al/><al>Artikel 2 Belastbaar feit en belastingplichtigen</al><al>In artikel 2 is aangegeven van wie de belasting wordt geheven. Tezelfdertijd is
                    in het artikel het belastbaar feit (beter gezegd: zijn in het artikel de
                    belastbare feiten) opgenomen. Deze vallen samen met de omschrijving van de
                    belastingplichtigen. Belastingplichtig zijn degenen te wiens aanzien het
                    belastbaar feit zich voordoet. In overeenstemming met artikel 117 van de
                    Waterschapswet zijn als belastingplichtigen respectievelijk aangewezen degenen
                    die woonachtig zijn in het gebied van het waterschap en die aldaar het gebruik
                    hebben van woonruimte (de ingezetenen) en degenen die in het gebied van het
                    waterschap eigenaar zijn van ongebouwde onroerende zaken die geen
                    natuurterreinen zijn, van natuurterrein of van gebouwde onroerende zaken. Deze
                    vier belastingplichtige categorieën zijn in artikel 2, tweede lid, onderdelen a
                    tot en met d, van de modelverordening opgenomen. </al><al>In het derde lid van het artikel is vastgelegd dat het begin van het
                    kalenderjaar bepalend is voor de belastingplicht van de eigenaren van ongebouwde
                    onroerende zaken niet zijnde natuurterreinen, de eigenaren van natuurterreinen
                    en de eigenaren van gebouwde onroerende zaken. Dit volgt uit artikel 119, eerste
                    lid, van de Waterschapswet. Indien het genot krachtens eigendom, bezit of
                    beperkt recht van een onroerende zaak in de loop van het jaar aanvangt of
                    eindigt, heeft dat dus geen invloed op de belastingplicht vanwege het
                    tijdstipkarakter van de heffing. Het begin van het kalenderjaar is blijkens
                    artikel 1, onderdeel a, van de verordening overigens ook bepalend voor de
                    ingezetenen. Deze bepaling stoelt op artikel 116, onder a, van de
                    Waterschapswet. </al><al>In artikel 119, tweede en derde lid, van de wet is voor een aantal specifieke
                    situaties de rangorde bij het bepalen van de heffingplichtige aangegeven. Deze
                    regelingen zijn in het vierde en vijfde lid van artikel 2 van de verordening
                    overgenomen. </al><al/><al>Artikel 3 Heffingsmaatstaf</al><al>Artikel 3 geeft per belastingplichtige categorie de heffingsmaatstaf aan. De
                    bepaling is gebaseerd op artikel 121, eerste lid, van de Waterschapswet. De
                    heffingsmaatstaf voor ingezetenen is de woonruimte en voor natuurterreinen en
                    ongebouwde onroerende zaken die geen natuurterreinen zijn, is de
                    heffingsmaatstaf de oppervlakte van de onroerende zaak. Voor gebouwde onroerende
                    zaken is de heffingsmaatstaf de voor het kalenderjaar vastgestelde WOZ-waarde. </al><tussenkop><vet>Hoofdstuk II Watersysteemheffing
                    ingezetenen</vet></tussenkop><al/><al>Artikel 4 Tarief ingezetenen</al><al>In artikel 4 is de relatie tussen het tarief en de Kostentoedelingsverordening
                    tot uitdrukking gebracht en is, conform het bepaalde in artikel 121, eerste lid,
                    onder a, van de Waterschapswet, vastgelegd dat het tarief op een gelijk bedrag
                    per woonruimte wordt gesteld. </al><al/><tussenkop><vet>Hoofdstuk III Watersysteemheffing
                        ongebouwde</vet><vet> onroerende zaken </vet></tussenkop><al/><al>Artikel 5 Belastingobject ongebouwde onroerende zaken </al><al>De voorschriften voor de afbakening van de objecten waarop de heffing betrekking
                    heeft, staan in artikel 118 van de Waterschapswet. Het derde lid regelt de
                    afbakening van een ongebouwde onroerende zaak die geen natuurterreinen is. Het
                    ongebouwd wordt afgebakend op basis van de kadastrale registratie: als één
                    ongebouwde onroerende zaak wordt aangemerkt een kadastraal perceel of een
                    gedeelte daarvan. Hierbij geldt wel de nuancering dat hetgeen ingevolge de wet
                    wordt aangemerkt als een gebouwde onroerende zaak en hetgeen ingevolge de wet
                    een natuurterrein is, bij de afbakening van het ongebouwde object buiten
                    aanmerking moet worden gelaten. In artikel 5, eerste lid, van de
                    modelverordening komt deze wettelijke regeling terug. </al><al>In het tweede lid van artikel 5 is hetgeen in artikel 118, vijfde lid, van de
                    Waterschapswet, is bepaald, weergegeven. Er is niet zozeer sprake van een
                    afbakeningsvoorschrift, maar van een fictiebepaling op grond waarvan de in dit
                    artikellid genoemde objecten als ongebouwde eigendommen, niet zijnde
                    natuurterreinen, worden aangemerkt. Het gaat om openbare land- en waterwegen en
                    banen voor openbaar vervoer per rail en hun kunstwerken. Ook
                    waterverdedigingswerken die worden beheerd door organen, instellingen of
                    diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen worden in genoemde wettelijke
                    bepaling als ongebouwde onroerende zaken, niet zijnde natuurterreinen,
                    aangemerkt. Ook voor deze objecten geldt trouwens dat de afbakening plaatsvindt
                    op basis van kadastrale grenzen. Delen van waterverdedigingswerken die worden
                    aangemerkt als woning, kwalificeren uitdrukkelijk niet als ongebouwde objecten. </al><al/><al>Artikel 6 Tarief ongebouwde onroerende zaken </al><al>Op grond van het bepaalde in artikel 121, eerste lid, onder b, van de
                    Waterschapswet, wordt het tarief van de heffing ter zake van ongebouwde
                    onroerende zaken gesteld op een gelijk bedrag per hectare. Deze bepaling en de
                    relatie met de Kostentoedelingsverordening, zijn in het eerste lid van artikel 6
                    opgenomen. </al><al/><al><vet>Hoofdstuk IV Watersysteemheffing natuurterreinen</vet></al><al/><al>Artikel 7 Belastingobject </al><al>Het voorwerp van de belasting is het natuurterrein. De wet merkt een kadastraal
                    perceel of gedeelte daarvan als één natuurterrein aan. Ook natuurterreinen
                    worden dus op basis van de kadastrale registratie afgebakend. Hierbij wordt
                    hetgeen als een gebouwde onroerende zaak en hetgeen als een ongebouwde
                    onroerende zaak, niet zijnde een natuurterrein, wordt aangemerkt, buiten
                    aanmerking gelaten (artikel 118, lid 4, Waterschapswet). </al><al>Een natuurterrein is een ongebouwde onroerende zaak waarvan de inrichting en het
                    beheer geheel of nagenoeg geheel en duurzaam zijn afgestemd op het behoud of de
                    ontwikkeling van natuur. Of een onroerende zaak een natuurterrein is, wordt met
                    andere woorden door de feitelijke en niet door de toekomstige bestemming of de
                    bestemming volgens het bestemmingsplan bepaald. Geheel of nagenoeg geheel staat
                    voor 90% of meer, terwijl gebruik van het woord ‘duurzaam’ erop duidt dat geen
                    sprake mag zijn van een situatie die als tijdelijk is bedoeld. </al><al>Bossen en open wateren met een oppervlakte van tenminste één hectare worden op
                    grond van artikel 116, onderdeel c, van de Waterschapswet als natuurterreinen
                    aangemerkt. Zij hoeven niet aan het vereiste te voldoen dat zij geheel of
                    nagenoeg geheel en duurzaam moeten zijn afgestemd op het behoud of de
                    ontwikkeling van natuur. Dit leidt ertoe dat ook bossen die bedrijfsmatig worden
                    geëxploiteerd onder het begrip natuurterreinen vallen. De wetgever heeft
                    hiervoor gekozen omdat het onderscheid in niet-bedrijfsmatig geëxploiteerde
                    bossen enerzijds en bossen die wel als zodanig worden geëxploiteerd, in de
                    praktijk moeilijk is te maken. [noot: Zie de toelichting op het
                    Waterschapsbesluit, Staatsblad 2007, 497, bladzijde 131.]</al><al>Natte veenweidegebieden worden, op grond van de overweging dat deze gebieden ook
                    een agrarische functie hebben, door de wetgever niet als natuurterrein maar als
                    agrarische grond aangemerkt. </al><al>De objectafbakeningsvoorschriften van artikel 118, lid 4, van de wet gelden ook
                    voor bossen en open wateren. Bij open wateren moet overigens worden gedacht aan
                    wateren met een weids karakter. Openbare waterwegen behoren niet tot deze
                    categorie, maar tot de categorie ongebouwd niet zijnde natuur. </al><al>Artikel 8 Tarief natuurterreinen</al><al>Het tarief van de heffing wordt op een gelijk bedrag per hectare gesteld. Dit is
                    in artikel 121, eerste lid, onderdeel c, van de Waterschapswet bepaald. In
                    artikel 8 van de verordening wordt dit ook zo aangegeven. Daarnaast wordt in
                    deze bepaling de relatie met de Kostentoedelingsverordening tot uitdrukking
                    gebracht.</al><al/><tussenkop>Hoofdstuk V Watersysteemheffing gebouwde onroerende
                    zaken</tussenkop><al/><al>Artikel 9 Belastingobject</al><al>Het belastingobject is in dit geval de gebouwde onroerende zaak. Wat onder één
                    gebouwde onroerende zaak moet worden verstaan, blijkt uit artikel 118, eerste en
                    tweede lid, van de Waterschapswet. De regeling van de Waterschapswet is in
                    artikel 9 van de verordening overgenomen. </al><al>De Waterschapswet sluit wat betreft de afbakening ter zake van gebouwde
                    onroerende zaken zoveel als mogelijk aan bij de objectafbakening van de Wet
                    waardering onroerende zaken (hierna ook Wet WOZ genoemd). De wetgever heeft deze
                    aansluiting vorm gegeven door bij een samenstel van ongebouwde en gebouwde
                    eigendommen te bepalen dat sprake is van één gebouwde onroerende zaak. De
                    ongebouwde onroerende zaak gaat in deze gevallen deel uitmaken van de gebouwde
                    onroerende zaak. Onder de ‘oude’ Waterschapswet gold voor de vorming van
                    samenstellen tussen gebouwde en ongebouwde eigendommen nog het
                    dienstbaarheidscriterium. Indien het ongebouwde deel niet dienstbaar was aan het
                    gebouwde deel, konden geen samenstellen worden gevormd en moest een dergelijk
                    object deels als een gebouwd en deels als een ongebouwd object worden
                    aangemerkt. Deze objecten moesten dus ook deels naar de waarde in het
                    economische verkeer en deels naar de oppervlakte in de heffing worden betrokken.
                    Voorbeelden van dergelijke objecten zijn sportterreinen met kantine en
                    kleedkamers, golfbanen met clubgebouw, maneges, campings en kazerneterreinen met
                    oefenterreinen. Door de nieuwe regeling van de Waterschapswet zijn deze objecten
                    voortaan in hun geheel als gebouwde objecten aan te merken. De bepaling leidt
                    ertoe dat het aantal gebouwde objecten toe- en het aantal ongebouwde objecten
                    afneemt. De gemeentelijke objectafbakening is leidend. </al><al>Het is van belang op te merken dat niet alle ongebouwde eigendommen een
                    samenstel met een gebouwd eigendom kunnen vormen. Dit is in het derde lid van
                    artikel 9 tot uitdrukking gebracht. Op grond van deze bepaling kunnen ongebouwde
                    eigendommen die bij de waardevaststelling op grond van de Wet waardering
                    onroerende zaken buiten aanmerking worden gelaten, geen deel uitmaken van de
                    gebouwde onroerende zaak. Het gaat concreet om de ongebouwde eigendommen die
                    zijn opgenomen in de Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten Wet WOZ, dus
                    bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond, Natuurschoonwetlandgoederen,
                    natuurterreinen, openbare land- en waterwegen en spoorwegen inclusief hun
                    kunstwerken. Deze onroerende zaken blijven, ook al vormen ze een samenstel met
                    een gebouwd eigendom, dus ongebouwd. </al><al/><al>Artikel 10 Tarief</al><al>Het tarief van de belasting wordt voor gebouwde onroerende zaken op een vast
                    percentage van de WOZ-waarde gesteld. Deze regeling, die in artikel 121, eerste
                    lid, onderdeel d, van de Waterschapswet is opgenomen, is in de verordening
                    overgenomen. Daarnaast geeft artikel 10 van de verordening de relatie met de
                    Kostentoedelingsverordening aan. </al><al/><tussenkop>Hoofdstuk VI Heffing en invordering</tussenkop><al/><al>Artikel 11 Wijze van heffing</al><al>Ingevolge artikel 125 van de Waterschapswet kunnen waterschapsbelastingen op de
                    volgende wijzen worden geheven:</al><al>bij wege van aanslag;</al><al>bij wege van voldoening op aangifte of</al><al>op andere wijze.</al><al>Heffing bij wege van afdracht op aangifte is niet mogelijk. De toegestane
                    heffingstechnieken verschillen van elkaar. Voor welke heffingswijze wordt
                    gekozen zal veelal van de aard en de ingewikkeldheid van de te heffen belasting
                    afhangen. De huidige praktijk is dat de waterschapsheffingen veelal bij wege van
                    aanslag worden geheven. De ingezetenenheffing vormt hierop in een aantal
                    gevallen een uitzondering. Deze heffing kan op andere wijze (via het meeliften
                    met de nota’s van nutsbedrijven) worden geheven. In de verordening is de heffing
                    bij wege van aanslag daarom als hoofdregel opgenomen. In afwijking hiervan is
                    bij de heffing ter zake van ingezetenen bepaald dat deze op andere wijze kan
                    worden geheven. In gevallen waarin de belasting op andere wijze wordt geheven,
                    bepaalt de belastingverordening welke wijze dit is en op welke wijze de
                    belastingschuld aan de belastingschuldige bekend wordt gemaakt. Dit vloeit voort
                    uit artikel 125a, eerste lid, van de Waterschapswet. </al><al/><al>Artikel 12 Tenaamstelling en invordering belastingaanslag bij meer
                    belastingplichtigen</al><al>Waterschappen zijn bevoegd te bepalen om in gevallen waarin ter zake van
                    hetzelfde voorwerp van de belasting of ter zake van hetzelfde belastbare feit
                    twee of meer personen belastingplichtig zijn, de belastingaanslag ten name van
                    een van hen te stellen. Vloeit de belastingplicht voort uit de eigendom van een
                    onroerende zaak en is de aanslag ten name van een van de belastingplichtigen
                    gesteld, dan kan de invorderingsambtenaar de gehele belastingschuld op
                    laatstbedoelde persoon verhalen. Deze persoon moet het gehele bedrag van de
                    aanslag voldoen. Hij is wel bevoegd hetgeen hij meer heeft voldaan dan
                    overeenkomt met zijn belastingplicht, naar evenredigheid van ieders
                    belastingplicht op de overige belastingplichtigen te verhalen. Dit blijkt uit
                    artikel 142, eerste tot en met derde lid, van de Waterschapswet. De regeling van
                    artikel 142 Waterschapswet maakt de toevoeging ‘cum suis’, die in het verleden
                    in voorkomende gevallen wel eens op het aanslagbiljet placht te worden
                    opgenomen, overbodig. </al><al/><al>Artikel 13 Niet opleggen van aanslagen</al><al>In artikel 13 is een bepaling voor het niet opleggen van aanslagen voor
                    straatmeubilair opgenomen. Formeel behoort straatmeubilair tot de categorie
                    gebouwde onroerende zaken. Om doelmatigheidsredenen worden deze zaken (sinds
                    jaar en dag) niet in de heffing betrokken.</al><al/><al>Artikel 14 Betaaltermijnen</al><al>Artikel 9 van de Invorderingswet kent een regeling op het gebied van
                    betaaltermijnen, waarvan ingevolge artikel 139 van de Waterschapswet kan worden
                    afgeweken.</al><al>Artikel 14 beoogt van deze bevoegdheid gebruik te maken en daaraan, vanwege de
                    belastingsamenwerking, door SaBeWa Zeeland nadere invulling te laten geven. </al><al/><al>Artikel 15 Kwijtschelding</al><al>Op grond van het derde lid van artikel 144 Waterschapswet kan het algemeen
                    bestuur van een waterschap bepalen dat in het geheel geen dan wel slechts
                    gedeeltelijk kwijtschelding van belasting wordt verleend. In de verordening
                    wordt ervan uitgegaan dat het algemeen bestuur van de bevoegdheid om in het
                    geheel geen kwijtschelding te verlenen, gebruik maakt ten aanzien van de
                    watersysteemheffing natuurterreinen, de watersysteemheffing ongebouwd en de
                    watersysteemheffing gebouwd. Van de watersysteemheffing ingezetenen wordt op
                    grond van deze bepaling dus wel kwijtschelding verleend. </al><al/><al>Artikel 16 Nadere regels</al><al>In verband met de inwerkingtreding van de derde tranche van de Algemene wet
                    bestuursrecht (Stb. 1996, 333) en de daarop gebaseerde aanpassingswetgeving
                    (Stb. 1997, 510 en 580) komen de bevoegdheden die in de Algemene wet inzake
                    rijksbelastingen en de Invorderingswet 1990 zijn toebedeeld aan de Minister van
                    Financiën vanaf 1 januari 1998 tot aan het dagelijks bestuur van het waterschap
                    (zie artikel 123, derde lid, onderdeel a, van de Waterschapswet). Voor die datum
                    kwamen deze formele belastingbevoegdheden toe aan het algemeen bestuur van het
                    waterschap.</al><al>In artikel 16 is het toekomen van de bevoegdheid aan het dagelijks bestuur van
                    het waterschap uitdrukkelijk vermeld.</al><al/><al>Artikel 17 Intrekking, inwerkingtreding, tijdstip van ingang van de heffing en
                    citeertitel</al><al>In het eerste lid van artikel 17 wordt de oude heffingsverordening ingetrokken
                    met ingang van de datum van de heffing. De datum van ingang de heffing is 1
                    januari 2014. De oude verordeningen blijven van toepassing op belastbare feiten
                    die zich vóór 1 januari 2014 hebben voorgedaan. Het blijft dus mogelijk om deze
                    belastbare feiten op basis van de oude verordening te belasten, ook al is de
                    verordening ingetrokken. </al><al>Ingevolge het tweede lid van artikel 17 treedt de verordening acht dagen na haar
                    bekendmaking in werking. Deze regeling is gebaseerd op artikel 74 van de
                    Waterschapswet. Het opnemen van een andere termijn dan acht dagen is mogelijk. </al><al>Daarvan is sprake. De verordening treedt in werking met ingang van de dag na die
                    van de bekendmaking.</al><al>Omtrent de bekendmaking van de verordening is verder hetgeen in artikel 73 van
                    de Waterschapswet is bepaald, van belang. Bekendmaking van de verordening is
                    essentieel, want zonder bekendmaking heeft de verordening immers geen
                    verbindende kracht. </al><al/><al>De verordening moet op grond van artikel 73, vierde lid, Waterschapswet,
                    tegelijk met de bekendmaking gedurende 12 weken voor een ieder ter inzage liggen
                    op de secretarie van het waterschap of op een andere door het waterschapsbestuur
                    te bepalen plaats. Deze ter inzage legging is kosteloos. Het gaat er om dat een
                    ieder die dat wenst kennis kan nemen van de verordening. Alhoewel de wet vrij
                    strikt is geformuleerd waar het de termijn van ter inzage legging betreft, is
                    het naar onze mening mogelijk om de periode van ter inzage legging in de
                    praktijk ruimer te stellen. </al><al>In het vierde lid is de citeertitel van de verordening en het jaartal genoemd.
                </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>