<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR376065_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Algemene subsidieverordening Regio West-Brabant 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:RegionaalSamenwerkingsorgaan">Regio West-Brabant</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-01-16</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Aalburg</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Alphen-Chaam</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Baarle-Nassau</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Bergen op Zoom</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Breda</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Drimmelen</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Etten-Leur</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Geertruidenberg</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Halderberge</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Moerdijk</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Oosterhout</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Roosendaal</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Rucphen</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Steenbergen</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Tholen</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Werkendam</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Woudrichem</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Woensdrecht</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Zundert</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="http://gemeenteblad">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Algemene subsideverordening Regio West-Brabant 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanRegionaalSamenwerkingsorgaan">algemeen bestuur</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-03-17</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-01-12</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Algemene subsidieverordening Regio West-Brabant 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Subsidieverordening</vet></al><al><vet>GemeenschappelijkeRegeling</vet></al><al><vet>Regio West-Brabant</vet></al><al><vet>Het Algemeen Bestuur van de Regio West-Brabant</vet>, </al><al>gelezen het voorstel van het Dagelijks Bestuur van 15 januari 2015,
                            inzake de Algemene Subsidieverordening <cursief>Regio West-Brabant
                                2015;</cursief></al><al>gelet op artikel 33 van de Wet Gemeenschappelijke Regelingen, ju.
                            artikel 149 van de gemeentewet en artikel 4:23 van de Algemene wet
                            bestuursrecht;</al><al>besluit vast te stellen de volgende verordening: </al><al><vet>ALGEMENE SUBSIDIEVERORDENING Regio West-Brabant 2015</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1</nr><titel>- Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al>Dagelijks Bestuur: Dagelijks Bestuur van de Regio
                                    West-Brabant;</al></li><li nr="b."><al>Eenmalige subsidie: Subsidie ten behoeve van bijzondere
                                    incidentele projecten of activiteiten die niet behoren tot de
                                    reguliere bezigheden van de aanvrager en waarvoor het Dagelijks
                                    Bestuur slechts voor een van tevoren bepaalde tijd van maximaal
                                    vier jaar subsidie wil verstrekken;</al></li><li nr="c."><al>Subsidie: een subsidie als bedoeld in artikel 4:21 van de
                                    Algemene wet bestuursrecht;</al></li><li nr="d."><al>Subsidieplafond: een bedrag zoals bedoeld in artikel 4:22 van de
                                    Algemene wet bestuursrecht;</al></li><li nr="e."><al>Algemeen Bestuur: Algemeen Bestuur van de Regio
                                    West-Brabant.</al></li><li nr="f."><al> algemene groepsvrijstellingsverordening: verordening (EG) nr.
                                    800/2008 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 6
                                    augustus 2008 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de
                                    artikelen 87 en 88 van het Verdrag met de gemeenschappelijke
                                    markt verenigbaar worden verklaard („de algemene
                                    groepsvrijstellingsverordening”) (PbEU L 214/3) , dan wel later
                                    daarvoor in de plaats tredende Europese regelgeving;</al></li><li nr="g."><al> de-minimisverordening: verordening (EG) nr. 1998/2006 van de
                                    Commissie van Europese Gemeenschappen van 15 december 2006
                                    betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het
                                    Verdrag op de-minimissteun (PbEU L379/5), verordening (EG) nr.
                                    1535/2007 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 20
                                    december 2007 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en
                                    88 van het Verdrag op de-minimissteun in de
                                    landbouwproductiesector (PbEU L 337/35) en verordening (EG) nr.
                                    875/2007 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 24
                                    juli 2007 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88
                                    van het Verdrag op de-minimissteun in de visserijsector en tot
                                    wijziging van Verordening (EG) nr. 1860/2004 (PbEU L 193/6) ,
                                    dan wel later daarvoor in de plaats tredende Europese
                                    regelgeving;</al></li><li nr="h."><al> Europees steunkader: een mededeling, richtsnoer, kaderregeling,
                                    besluit of vrijstellingsverordening op het gebied van
                                    staatssteun die de Europese Commissie of de Raad van de Europese
                                    Unie, gelet op de artikelen 106, derde lid , 107, 108 en 109 van
                                    het Verdrag heeft vastgesteld;</al></li><li nr="i."><al> onderneming: iedere eenheid, ongeacht haar rechtsvorm of wijze
                                    van financiering, die een economische activiteit uitoefent;</al></li><li nr="j."><al> Verdrag: Verdrag betreffende de Werking van de Europese
                                    Unie.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:2</nr><titel>Reikwijdte verordening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de volgende beleidsterreinen kan subsidie worden verstrekt: </al><lijst><li nr="a."><al>Algemeen Bestuur en externe betrekkingen;</al></li><li nr="b."><al>verkeer, vervoer en waterstaat;</al></li><li nr="c."><al>economische zaken;</al></li><li nr="d."><al>onderwijs;</al></li><li nr="e."><al>cultuur, recreatie en evenementen;</al></li><li nr="f."><al>sociale voorzieningen en maatschappelijke
                                        dienstverlening;</al></li><li nr="g."><al>volksgezondheid en milieu;</al></li><li nr="h."><al>ruimtelijke ordening en volkshuisvesting;</al></li><li nr="i."><al>en andere terreinen, indien en voor zover daartoe het
                                        Algemeen Bestuur bij vaststelling van de RWB begroting een
                                        doel benoemt en financiële middelen beschikbaar stelt. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het Dagelijks Bestuur kan nadere regels stellen waarin de te
                                subsidiëren activiteiten, de doelgroepen en de verdeling van de
                                subsidie per beleidsterrein zoals bedoeld in het eerste lid worden
                                omschreven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:3</nr><titel>Bevoegdheid Dagelijks Bestuur</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het Dagelijks Bestuur is bevoegd te beslissen op aanvragen voor
                                    subsidies met in achtneming van de in de RWB begroting opgenomen
                                    financiële middelen en/of het subsidieplafond.</al></li><li nr="2."><al>Het Dagelijks Bestuur is bevoegd om voorschriften aan de
                                    beschikking tot subsidieverlening te verbinden. </al></li><li nr="3."><al>Het Dagelijks Bestuur is bevoegd te besluiten over het
                                    verstrekken van voorschotten.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:4</nr><titel>Europees steunkader</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voor zover dat ten behoeve van het voldoen aan een Europees
                                    steunkader noodzakelijk is, kunnen burgemeester en wethouders
                                    bij subsidieregeling afwijken van deze verordening en deze
                                    aanvullen.</al></li><li nr="2."><al>Bij subsidieregelingen waarbij is bepaald dat toepassing kan
                                    worden gegeven aan een Europees steunkader, verwijst de
                                    subsidieregeling naar het toepasselijke steunkader.</al></li><li nr="3."><al>Bij subsidies waar een Europees steunkader op van toepassing is,
                                    verwijst de verleningsbeschikking naar de toepasselijke
                                    bepalingen van het steunkader.</al></li><li nr="4."><al>Bij subsidies waarop een Europees steunkader van toepassing is,
                                    komen alleen de activiteiten, doelstellingen, resultaten en
                                    kosten in aanmerking die voldoen aan de eisen van het
                                    toepasselijke steunkader.</al></li><li nr="5."><al>Bij subsidies waarop de de-minimisverordening van toepassing is,
                                    komen onderneming alleen in aanmerking voor subsidies die
                                    voldoen aan de voorwaarden van de de-minimisverordening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:5</nr><titel>Aanvrager</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Subsidies kunnen worden aangevraagd door natuurlijke personen en
                                    rechtspersonen, met dien verstande dat subsidies groter dan €
                                    5.000,00 slechts kunnen worden aangevraagd door een
                                    rechtspersoon. </al></li><li nr="2."><al>Het Dagelijks Bestuur kan bij nadere regels afwijken van het
                                    gestelde in het eerste lid.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2</nr><titel>- Subsidieplafond en begrotingsvoorbehoud</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:1</nr><titel>Subsidieplafond en begrotingsvoorbehoud</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het Dagelijks Bestuur kan besluiten tot het instellen van een of
                                meerdere subsidieplafond(s).</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij vaststelling van een subsidieplafond wordt aangegeven op welke
                                wijze het beschikbare bedrag wordt verdeeld. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het Dagelijks Bestuur kan nadere regels stellen omtrent de verdeling
                                van het beschikbare bedrag. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij de bekendmaking van de subsidieplafonds kan worden gewezen op de
                                mogelijkheid van verlaging en de gevolgen daarvan voor reeds
                                ingediende aanvragen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Een subsidie ten laste van een begroting, die nog niet is
                                vastgesteld, wordt verleend onder de voorwaarde dat voldoende
                                middelen op de begroting beschikbaar zullen worden gesteld.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3</nr><titel>- Aanvraag van de subsidie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:1</nr><titel>Bij aanvraag in te dienen gegevens</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aanvraag voor een subsidie wordt schriftelijk ingediend bij het
                                Dagelijks Bestuur.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien door het Dagelijks Bestuur een aanvraagformulier is
                                vastgesteld, wordt de aanvraag om subsidie ingediend met behulp van
                                dit aanvraagformulier.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij een aanvraag om subsidie overlegt de aanvrager de volgende
                                gegevens:</al><lijst><li nr="a."><al>een beschrijving van de activiteiten waar subsidie voor
                                        wordt aangevraagd;</al></li><li nr="b."><al>de doelstellingen en resultaten, die daarmee worden
                                        nagestreefd, en hoe de activiteiten aan dat doel bijdragen.
                                        In het bijzonder ook in welke mate de activiteiten gericht
                                        zijn op de RWB of haar ingezetenen en op door de RWB
                                        vastgestelde doelen of beleidsterreinen;</al></li><li nr="c."><al>een voldoende gespecificeerd(e) en toegelicht(e) begroting
                                        en dekkingsplan van de kosten van de activiteiten, waar de
                                        subsidie voor wordt aangevraagd. Het dekkingsplan bevat een
                                        opgave van bij andere bestuursorganen of private
                                        organisaties of personen aangevraagde subsidies of
                                        vergoedingen ten behoeve van dezelfde activiteiten, onder
                                        vermelding van de stand van zaken daarvan;</al></li><li nr="d."><al>indien van toepassing een recente positieve verklaring
                                        omtrent gedrag voor personen die bij de activiteiten direct
                                        in aanraking komen met minderjarigen.</al></li><li nr="e."><al>als de aanvrager een onderneming is:</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>I.</lidnr><al>een opgave van subsidies, vergoedingen of tegemoetkomingen in welke
                                vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die al zijn of zullen worden
                                ontvangen voor de activiteiten waarvoor de subsidie wordt
                                aangevraagd;</al></lid><lid><lidnr>II.</lidnr><al>een verklaring als bedoeld in de de-minimisverordening
                                (de-minimisverklaring).</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het Dagelijks Bestuur is bevoegd ook andere dan, of slechts enkele
                                van, de in het tweede en derde lid genoemde gegevens te verlangen,
                                indien die voor het nemen van een beslissing op de aanvraag
                                noodzakelijk, respectievelijk voldoende, zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:2</nr><titel>Aanvraagtermijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een aanvraag voor een eenmalige subsidie kan het gehele jaar door
                                worden ingediend, maar moet minimaal dertien weken voor aanvang van
                                de activiteiten worden ingediend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het Dagelijks Bestuur kan andere termijnen stellen voor het indienen
                                van een aanvraag voor daarbij aan te wijzen subsidies.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij aanvragen om een subsidie die overeenkomstig artikel 108, derde
                                lid, van het Verdrag worden aangemeld bij de Europese Commissie
                                wordt de termijn verdaagd totdat de Europese Commissie een
                                eindbeslissing heeft genomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:3</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het Dagelijks Bestuur beslist op een aanvraag voor een subsidie
                                binnen dertien weken na ontvangst van de volledige aanvraag, dan
                                wel, indien het Dagelijks Bestuur hiertoe nadere regels heeft
                                opgesteld, dertien weken gerekend vanaf de uiterste indieningtermijn
                                voor het aanvragen van de subsidie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan het Dagelijks Bestuur zijn
                                beslissing eenmaal voor ten hoogste acht weken verdagen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Van een beslissing tot verdaging stelt het Dagelijks Bestuur de
                                aanvrager vóór het verstrijken van de termijn als bedoeld in het
                                eerste lid op de hoogte onder vermelding van de reden tot
                                verdaging.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4</nr><titel>-. Weigering van de subsidie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:1</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd de artikelen 4:25, tweede lid, en 4:35 van de
                                    Algemene wet bestuursrecht weigert het Dagelijks Bestuur de
                                    subsidie in ieder geval:</al></li><li nr="a."><al>als de Europese Commissie overeenkomstig artikel 108, derde lid,
                                    van het Verdrag heeft vastgesteld dat de subsidie onverenigbaar
                                    is met de interne markt.</al></li><li nr="b."><al>als het betreft een aanvrager tegen wie een bevel tot
                                    terugvordering uitstaat ingevolge een eerdere beschikking van de
                                    Europese Commissie waarin de steun onrechtmatig en onverenigbaar
                                    met de gemeenschappelijke markt is verklaard.</al></li><li nr="2."><al>Het Dagelijks Bestuur kan, naast de in artikelen 4:25 en 4:35
                                    van de Algemene wet bestuursrecht genoemde gevallen, een
                                    aanvraag voor subsidie weigeren indien gegronde reden bestaan om
                                    aan te nemen dat:</al></li><li nr="a."><al>de activiteiten van de aanvrager niet gericht zullen zijn op de
                                    RWB of niet aanwijsbaar ten goede komen aan ingezetenen van de
                                    RWB;</al></li><li nr="b."><al>de gelden niet, of in onvoldoende mate, besteed zullen worden
                                    voor het doel waarvoor een subsidie beschikbaar wordt
                                    gesteld;</al></li><li nr="c."><al>de aanvrager doelstellingen beoogt of activiteiten zal
                                    ontplooien die in strijd zijn met de wet, goede zeden en / of
                                    het algemeen belang of de openbare orde;</al></li><li nr="d."><al>de subsidieverstrekking niet past binnen het beleid van de
                                    RWB;</al></li><li nr="e."><al>de aanvrager ook zonder de gevraagde subsidie over voldoende
                                    gelden, hetzij uit eigen middelen, hetzij uit middelen van
                                    derden kan of heeft kunnen beschikken om de kosten van de
                                    activiteiten te dekken; </al></li><li nr="f."><al>de aanvrager met uitvoering van de activiteiten beoogt winst te
                                    maken;</al></li><li nr="g."><al>de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd een overwegend
                                    partijpolitieke, godsdienstige of levensbeschouwelijke vorming
                                    ten doel hebben;</al></li><li nr="h."><al>de financiële middelen van de aanvrager, met inbegrip van de
                                    subsidie, onvoldoende zijn om de voorgenomen activiteiten uit te
                                    voeren;</al></li><li nr="i."><al>de aanvrager de behoefte aan de te subsidiëren activiteiten niet
                                    aannemelijk heeft kunnen maken;</al></li><li nr="j."><al>aan de aanvrager voor de aangevraagde subsidie reeds door enig
                                    bestuursorgaan een subsidie is verstrekt;</al></li><li nr="k."><al>de aanvrager niet alle benodigde vergunningen en ontheffingen
                                    ten behoeve van de gesubsidieerde activiteiten heeft of zal
                                    kunnen verkrijgen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:2</nr><titel>Anti-discriminatiebepaling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Subsidie wordt in ieder geval niet verleend indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de doelstelling of activiteiten van de aanvrager, dan
                                            wel het beoogde gebruik van de subsidie discriminatie
                                            opleveren of op zullen leveren wegens godsdienst,
                                            levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht,
                                            burgerlijke staat, seksuele gerichtheid, leeftijd of op
                                            welke grond dan ook, of, </al></li><li nr="b."><al>binnen de organisatie van de aanvrager of binnen de
                                            activiteiten waarvoor de aanvrager
                                            (mede-)verantwoordelijkheid draagt, discriminatie als
                                            omschreven onder a plaatsvindt of zal plaatsvinden, en
                                            de aanvrager ter voorkoming of beperking hiervan niet
                                            die maatregelen treft welke onder de gegeven
                                            omstandigheden in redelijkheid van de aanvrager mogen
                                            worden verwacht.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Onder discriminatie, bedoeld in het eerste lid, wordt voor de
                                    toepassing van deze bepaling niet begrepen het onderscheid ter
                                    opheffing van maatschappelijke achterstand.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:3</nr><titel>Wet BIBOB</titel></kop><al>Het Dagelijks Bestuur kan voor subsidies bepalen dat de gevraagde
                            subsidie wordt geweigerd of de verleende subsidie wordt ingetrokken in
                            het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet
                            bevordering integriteitbeoordelingen door het openbaar bestuur.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5</nr><titel>- Verlening van de subsidie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:1</nr><titel>Verlening subsidie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij het besluit tot verlenen van de subsidie geeft het Dagelijks
                                Bestuur aan op welke wijze de verantwoording van de te ontvangen
                                subsidie plaatsvindt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het Dagelijks Bestuur is bevoegd om voorschriften aan de beschikking
                                tot subsidieverlening te verbinden met betrekking tot het beheer en
                                gebruik van de subsidie.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:2</nr><titel>Betaling en bevoorschotting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een beschikking tot subsidievaststelling als bedoeld in
                                artikel 7:1, eerste lid, onderdeel a, wordt gegeven, vindt de
                                betaling van de gehele subsidie in één bedrag plaats.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een beschikking tot subsidieverlening als bedoeld in artikel
                                7:1, eerste lid, onderdeel b, wordt gegeven, wordt 100%
                                bevoorschot.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien besloten wordt tot bevoorschotting van de subsidie, worden in
                                het besluit tot subsidieverlening, de hoogte en de termijnen van de
                                voorschotten bepaald.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het Dagelijks Bestuur kan bij nadere regels afwijken van het
                                bepaalde in het eerste en tweede lid van dit artikel.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>6</nr><titel>- Verplichtingen van de subsidieontvanger</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:1</nr><titel>Tussentijdse rapportage</titel></kop><al>Bij subsidies van € 50.000,00 of meer die verleend worden voor
                            activiteiten die meer dan een jaar in beslag nemen, kan het Dagelijks
                            Bestuur de verplichting opleggen tot het tussentijds afleggen van
                            rekening en verantwoording omtrent de verrichte activiteiten en de
                            daaraan verbonden uitgaven en inkomsten. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:2</nr><titel>Meldingsplicht</titel></kop><al>De subsidieontvanger doet onverwijld melding aan het Dagelijks Bestuur
                            zodra aannemelijk is dat de activiteiten waarvoor de subsidie is
                            verleend, niet of niet geheel zullen worden verricht of dat niet of niet
                            geheel aan de aan de beschikking tot subsidieverlening verbonden
                            voorschriften zal worden voldaan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:3</nr><titel>Overige verplichtingen van de subsidieontvanger</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De subsidieontvanger verricht de activiteiten, waarvoor de subsidie
                                is verleend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De subsidieontvanger informeert het Dagelijks Bestuur zo spoedig
                                mogelijk schriftelijk over:</al><lijst><li nr="a."><al>besluiten of procedures die zijn gericht op de beëindiging
                                        van de activiteiten, waarvoor subsidie is verleend, dan wel
                                        ontbinding van de rechtspersoon</al></li><li nr="b."><al>relevante wijzigingen in de financiële en organisatorische
                                        verhouding met derden;</al></li><li nr="c."><al>ontwikkelingen die er toe kunnen leiden dat aan de
                                        beschikking tot subsidieverlening verbonden voorwaarden
                                        geheel of gedeeltelijk niet kunnen worden nagekomen;</al></li><li nr="d."><al>wijziging van de statuten voor zover het betreft de vorm van
                                        de rechtspersoon, de persoon van de bestuurder(s) en/of het
                                        doel van de rechtspersoon.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij verstrekte subsidies van € 50.000,00 of meer behoeft de
                                subsidieontvanger de toestemming van het Dagelijks Bestuur voor
                                handelingen als vermeld in artikel 4:71 van de Algemene wet
                                bestuursrecht. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>7</nr><titel>- Verantwoording en vaststelling van de subsidie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:1</nr><titel>Verantwoording subsidies tot en met € 5.000,00</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Subsidies tot en met € 5.000,00 worden door het Dagelijks
                                Bestuur:</al><lijst><li nr="a."><al>direct vastgesteld of;</al></li><li nr="b."><al>ambtshalve vastgesteld binnen dertien weken, nadat de
                                        activiteiten uiterlijk moeten zijn verricht.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij een ambtshalve vaststelling als bedoeld in het eerste lid,
                                onderdeel b, kan het Dagelijks Bestuur de aanvrager verplichten om
                                op de door hem aangegeven wijze aan te tonen dat de activiteiten,
                                waarvoor de subsidie wordt verstrekt, zijn verricht en dat is
                                voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het Dagelijks Bestuur kan binnen 3 jaar na de verstrekking als
                                bedoeld in het eerste lid bepalen dat de volgende gegevens en
                                bescheiden worden overgelegd:</al><lijst><li nr="a."><al>een inhoudelijk jaarverslag waaruit blijkt of het doel is
                                        gerealiseerd en de activiteiten zijn uitgevoerd;</al></li><li nr="b."><al>een overzicht van de activiteiten en de hieraan verbonden
                                        uitgaven en inkomsten (financieel jaarverslag of
                                        jaarrekening).</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het Dagelijks Bestuur kan bepalen dat ook andere dan de in het derde
                                lid van dit artikel bedoelde gegevens en bescheiden worden
                                overgelegd.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het Dagelijks Bestuur kan bij nadere regels afwijken van het
                                bepaalde in het eerste lid van dit artikel.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:2</nr><titel>Verantwoording subsidies vanaf € 5.000,00 tot € 50.000,00</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de subsidieverlening meer bedraagt dan € 5.000,00, maar
                                minder dan </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>€ 50.000,00, dient de subsidieontvanger uiterlijk dertien weken na
                                het verricht zijn van de activiteiten een aanvraag tot vaststelling
                                in bij het Dagelijks Bestuur.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De aanvraag tot vaststelling bevat een inhoudelijk en financieel
                                verslag ingericht conform begroting waaruit blijkt dat de
                                activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het Dagelijks Bestuur kan bepalen dat ook andere of minder dan de in
                                dit artikel bedoelde gegevens en bescheiden die voor de vaststelling
                                van belang zijn, worden overgelegd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:3</nr><titel>Verantwoording subsidies van € 50.000,00 of meer</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de subsidieverlening € 50.000,00 of meer bedraagt, dient de
                                subsidieontvanger een aanvraag tot vaststelling in bij het Dagelijks
                                Bestuur:</al><lijst><li nr="a."><al>bij een eenmalige subsidie, uiterlijk dertien weken na het
                                        verricht zijn van de activiteiten;</al></li><li nr="b."><al>bij een jaarlijks verstrekte subsidie, uiterlijk vóór 1 mei
                                        in het jaar na afloop van het kalenderjaar, respectievelijk
                                        vier maanden na het subsidietijdvak waarvoor de subsidie is
                                        verleend.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanvraag tot vaststelling bevat:</al><lijst><li nr="a."><al>een inhoudelijk verslag, waaruit blijkt dat de activiteiten
                                        waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht;</al></li><li nr="b."><al>een overzicht van de activiteiten en de hieraan verbonden
                                        uitgaven en inkomsten (financieel verslag of jaarrekening)
                                        conform ingediende begroting;</al></li><li nr="c."><al>een balans van het afgelopen subsidietijdvak met een
                                        toelichting daarop;</al></li><li nr="d."><al>een accountantsverklaring. De subsidieontvanger is verplicht
                                        een controleopdracht te verstrekken aan een accountant als
                                        bedoeld in artikel 393, eerste lid, boek 2 van het
                                        Burgerlijk Wetboek, resulterend in een
                                        accountantsverklaring. De controle richt zich op de
                                        getrouwheid en rechtmatigheid van de
                                        verantwoordingsinformatie.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In aanvulling op het gestelde onder d van het tweede lid kan het
                                Dagelijks Bestuur besluiten tot het in gebruik stellen van een
                                accountantsprotocol.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het Dagelijks Bestuur kan bepalen dat ook andere, of minder dan, de
                                in dit artikel bedoelde gegevens en bescheiden die voor de
                                vaststelling van belang zijn, worden overgelegd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:4</nr><titel>Vaststelling subsidie</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het Dagelijks Bestuur stelt binnen dertien weken na ontvangst
                                    van de aanvraag tot subsidievaststelling de subsidie vast.</al></li><li nr="2."><al>Indien uit de aard van de subsidie, dan wel de verantwoording
                                    daarvan, volgt dat voor de beslissing op de vaststelling van de
                                    subsidie een langere termijn nodig is dan de in het eerste lid
                                    genoemde termijn, dan bericht het Dagelijks Bestuur de
                                    subsidieontvanger daarvan zo spoedig mogelijk na ontvangst van
                                    de aanvraag tot subsidievaststelling.</al></li><li nr="3."><al>Het Dagelijks Bestuur kan categorieën van subsidies of
                                    subsidieontvangers aanwijzen, waarvoor de subsidie direct wordt
                                    vastgesteld zonder dat de subsidieontvanger een aanvraag voor
                                    subsidievaststelling hoeft in te dienen. </al></li><li nr="4."><al>Indien de subsidieontvanger de gesubsidieerde activiteiten
                                    realiseert tegen een lager bedrag dan oorspronkelijk was
                                    begroot, kan het Dagelijks Bestuur de verleende subsidie lager
                                    vaststellen en alleen de daadwerkelijke gemaakte kosten in
                                    aanmerking nemen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:5</nr><titel>Te laat ingediende aanvraag vaststelling subsidie</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het Dagelijks Bestuur stelt subsidieontvangers waarvan geen
                                    aanvraag dan wel geen complete aanvraag tot subsidievaststelling
                                    is ontvangen, terstond na afloop van de daarvoor geldende
                                    termijn in de gelegenheid binnen een nadere termijn na
                                    verzending van een daartoe strekkend rappel alsnog een aanvraag
                                    tot subsidievaststelling in te dienen dan wel deze te
                                    completeren.</al></li><li nr="2."><al>Bij subsidieontvangers waarvan de aanvraag tot
                                    subsidievaststelling na afloop van de in het vorige lid bedoelde
                                    nadere termijn wordt ingediend en/of nog steeds niet compleet
                                    is, kan het Dagelijks Bestuur de subsidie vast stellen op
                                    maximaal 95% van het bedrag dat zou zijn vastgesteld indien de
                                    aanvraag tijdig dan wel compleet was ingediend.</al></li><li nr="3."><al>Aanvragen tot subsidievaststelling die worden ingediend op een
                                    tijdstip later dan acht weken na verloop van de in het tweede
                                    lid genoemde nadere termijn, kunnen door het college buiten
                                    behandeling worden gesteld, onverminderd de bevoegdheid van het
                                    college om de subsidie ambtshalve vast te stellen zoals bedoeld
                                    in artikel 7:6.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:6</nr><titel>Ambtshalve vaststelling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien de subsidieontvanger, met inbegrip van het in artikel 7:5
                                    eerste lid bedoelde rappel, niet binnen de daarvoor geldende
                                    termijn een aanvraag tot subsidievaststelling heeft ingediend,
                                    kan het Dagelijks Bestuur de verleende subsidie geheel of
                                    gedeeltelijk ambtshalve vast stellen.</al></li><li nr="2."><al>Het Dagelijks Bestuur kan, in het geval als bedoeld in het
                                    eerste lid, de verleende subsidie ambtshalve vaststellen op
                                    maximaal 95%van het bedrag waarop de subsidie zou zijn
                                    vastgesteld bij tijdige indiening van de aanvraag.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>8</nr><titel>- Overige bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8:1</nr><titel>Vermogensvorming subsidieontvanger</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De subsidieontvanger is, voor zover het verstrekken van de
                                    subsidie heeft geleid tot vermogensvorming, daarvoor in de
                                    volgende gevallen een vergoeding verschuldigd aan het Dagelijks
                                    Bestuur:</al><al>a.indien de subsidieontvanger een schadevergoeding ontvangt voor
                                    verlies of beschadiging van voor de gesubsidieerde activiteiten
                                    gebruikte of bestemde goederen;</al></li><li nr="b."><al>indien de gesubsidieerde activiteiten geheel of gedeeltelijk
                                    worden beëindigd;</al></li><li nr="c."><al>indien de subsidieverlening of de subsidievaststelling wordt
                                    ingetrokken of de subsidie wordt beëindigd;</al></li><li nr="d."><al>indien de rechtspersoon die subsidie ontvangt wordt
                                    ontbonden.</al></li><li nr="2."><al>De hoogte van de in het vorige lid bedoelde vergoeding wordt
                                    bepaald door het Dagelijks Bestuur, maar in geval van ontbinding
                                    van de rechtspersoon die subsidie ontvangt vervalt het batig
                                    saldo van de liquidatierekening - gelimiteerd tot het bedrag dat
                                    opgebouwd is met (behulp van) RWB subsidie - aan de RWB. </al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8:2</nr><titel>Standaardberekeningswijzen van uurtarieven en uniforme kostenbegrippen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien bij de bepaling van de subsidiabele kosten
                                            gebruik wordt gemaakt van uurtarieven, dienen deze
                                            tarieven door de subsidieaanvrager te worden berekend
                                            met gebruikmaking van een door het Dagelijks Bestuur
                                            voor te schrijven standaardberekeningswijze.</al></li><li nr="2."><al>Bij het hanteren van kostenbegrippen bij de berekening
                                            van uurtarieven wordt uitgegaan van door het Dagelijks
                                            Bestuur bepaalde definities.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8:3</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het Dagelijks Bestuur kan, in bijzondere gevallen een of
                                    meerdere artikelen van deze verordening buiten toepassing laten
                                    of daarvan afwijken voor zover toepassing gelet op het belang
                                    van de aanvrager of subsidieontvanger leidt tot onbillijkheid
                                    van overwegende aard. </al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8:4</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag volgend
                                    op haar bekendmaking. </al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8:5</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als Algemene
                                    subsidieverordening Regio West-Brabant 2015.</al><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering d.d. 17 maart
                                    2015.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>Het Algemeen Bestuur van de Regio West-Brabant</ondertekening><ondertekening>Directeur/Secretaris waarnemend voorzitter,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>ir. M.L.T.Dircks dr. F.A. Petter</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting Algemene subsidieverordening Regio West-Brabant 2015 </titel></kop><al/><al><vet>Algemene toelichting</vet></al><al>De Algemene wet bestuursrecht (Awb) kent in titel 4.2 een uitgebreide regeling
                    voor subsidieverstrekking door bestuursorganen. Deze regeling in de Algemene wet
                    bestuursrecht biedt de RWB veel vrijheid bij de invulling van hun
                    subsidiebeleid. </al><al>Bij de ontwikkeling van deze Algemene subsidieverordening is voor het grootste
                    gedeelte gebruik gemaakt van de recent door de Vereniging van Nederlandse
                    Gemeenten (VNG) opgestelde modelverordening. Een belangrijk aspect in het
                    subsidietraject is gelegen in vereenvoudiging van de regels voor de
                    verantwoording van de subsidie. Zo worden de financiële en inhoudelijke eisen
                    die aan de subsidieontvanger worden gesteld hoger naarmate het subsidiebedrag
                    hoger wordt.</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 1 - Grondslag verordening </vet></al><al>Wettelijk voorschrift</al><al>In de Algemene wet bestuursrecht staat dat de subsidieverstrekking moet zijn
                    gebaseerd op een wettelijk voorschrift. Deze eis komt voort uit de wens van de
                    wetgever, dat de rechtszekerheid van de subsidieaanvrager en subsidieontvanger
                    voldoende is gewaarborgd. Hiermee wordt tevens een doelmatige besteding van
                    overheidsuitgaven nagestreefd. Mogelijk onzorgvuldig of willekeurig handelen van
                    het overheidsorgaan of nalatigheid van de subsidieontvanger is immers beter te
                    toetsen aan de hand van een wettelijke regeling dan aan de hand van een op
                    zichzelf staand besluit van een bestuursorgaan.</al><al>Voor de RWB betekent dit, dat de subsidieverstrekking moet zijn gebaseerd op een
                    verordening van het Algemeen Bestuur (artikel 4:23 eerste lid Awb). Deze
                    verordening moet de essentiële elementen van het proces van subsidieverstrekking
                    bevatten, zoals een omschrijving of aanduiding van de te subsidiëren
                    activiteiten, de bevoegdheid tot het vaststellen van een subsidieplafond en de
                    bijbehorende verdelingsmaatstaf. </al><al/><al><vet>Gebruik en benaming nadere regels</vet></al><al>In de praktijk blijkt er veel onduidelijkheid te bestaan over het gebruik van
                    nadere regels in het kader van subsidieverstrekking. Hiervoor gebruiken
                    gemeenten zowel de vorm van deelverordeningen, maar ook vaak beleidsregels of
                    beleidsnota’s. </al><al>Subsidieverstrekking op basis van alleen beleidsregels is
                            <cursief><onderstreept>niet</onderstreept></cursief> mogelijk vanwege
                    het ontbreken van een wettelijke grondslag. Er is altijd een verordening nodig.
                    In die verordening dienen tenminste de activiteiten globaal te worden
                    omschreven, die voor subsidie in aanmerking kunnen komen. Nu in de Algemene
                    subsidieverordening de activiteiten waarvoor subsidie verkregen kan worden niet
                    staan omschreven zijn er nadere regels nodig voor deze grondslag. De opzet van
                    de Algemene subsidieverordening is dusdanig dat alle algemene regels omtrent
                    subsidieverstrekking in de Algemene subsidieverordening zijn opgenomen. Regels
                    die alleen betrekking hebben op een speciaal beleidsterrein dienen in nadere
                    regels te worden uitgewerkt.</al><al>Ter bevordering van de duidelijkheid en eenvoud van de regelingen en de
                    onderlinge afstemming van de regelingen heeft het de voorkeur dat zo veel
                    mogelijk gebruik wordt gemaakt van deze Algemene subsidieverordening en dat er
                    een uniforme benaming en standaardmodel gebruikt wordt voor nadere regels. Het
                    gebruik van beleidsnota’s dient zoveel mogelijk te worden vermeden, omdat met
                    beleidsnota’s niet rechtstreeks verplichtingen aan burgers kunnen worden
                    opgelegd. Beleidsnota’s binden alleen het bestuursorgaan en werken niet extern.
                    In ieder geval kunnen zaken als termijnen en subsidieverplichtingen niet worden
                    geregeld via een beleidsregel. </al><al/><al><vet>Hoofdstuk 2 - Het subsidiebegrip</vet></al><al>Definitie subsidie</al><al>Om de subsidietitel uit de Algemene wet bestuursrecht op een juiste wijze toe te
                    passen, is het van belang dat helder is wat er onder subsidie wordt verstaan.
                    Subsidie is een materieel begrip en wordt omschreven in artikel 4:21, eerste lid
                    Awb. Voldoet een geldverstrekking aan de daar genoemde voorwaarden, dan is het
                    een subsidie, hoe ook genaamd.</al><al>Er is sprake van een subsidie als het gaat om geldverstrekkingen, die aan de
                    volgende kenmerken voldoen:</al><lijst><li nr="a."><al>het betreft een aanspraak op financiële middelen;</al></li><li nr="b."><al>die door een bestuursorgaan worden verstrekt;</al></li><li nr="c."><al>met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager;</al></li><li nr="d."><al>anders dan als betaling voor het bestuursorgaan geleverde goederen of
                            diensten.</al></li></lijst><al>In de praktijk kan het voorkomen, dat er afwijkende termen worden gebruikt,
                    zoals bijdrage, uitkering of vergoeding, terwijl het in feite een subsidie
                    betreft. De gekozen benaming is voor de toepasselijkheid van de subsidietitel
                    niet van belang, ze is gewoon van toepassing als aan de voorwaarden is
                    voldaan.</al><al/><al><vet>Subsidie versus opdracht: wat is het onderscheid?</vet></al><al>Met de zinsnede ‘anders dan als betaling voor aan het bestuursorgaan geleverde
                    goederen of diensten’, had de wetgever de bedoeling de subsidie te onderscheiden
                    van het begrip ‘opdracht’. Uit de definitie van artikel 4:21 Awb volgt dat, als
                    er sprake is van een betaling voor een opdracht (een financiële tegenprestatie),
                    deze betaling dan niet kan worden aangemerkt als een subsidieverstrekking of
                    omgekeerd. Oftewel: opdracht en subsidie sluiten elkaar uit. Toch blijkt dit
                    onderscheid in de praktijk niet altijd even scherp te maken.</al><al>Om diverse redenen is het relevant om helder te hebben of het al dan niet een
                    subsidie betreft. Zo zullen ondernemers over de door aan hen gedane betalingen
                    voor geleverde diensten BTW verschuldigd zijn, terwijl zij over aan hen
                    verstrekte subsidies in beginsel geen BTW hoeven af te dragen. En mocht er zich
                    een geschil voordoen, dan kan men in het geval van subsidieverstrekking naar de
                    bestuursrechter stappen, terwijl men zich bij een opdracht moet wenden tot de
                    civiele rechter. Bij Beleidsgestuurde Contractfinanciering (BCF) wordt vaak
                    gekozen voor een subsidie, waaraan een contract (uitvoeringsovereenkomst)
                    verbonden is. Ook daar is het van belang dat het karakter van de grondslag van
                    de verbintenis, namelijk de subsidierelatie, niet uit het oog wordt verloren.
                    Tenslotte kan een overheid te maken krijgen met aanbestedingsregels of wellicht
                    staatssteun. </al><al>Het is van belang te beseffen dat de feitelijke situatie bepalend is of iets
                    wordt aangemerkt als een subsidie of een opdracht: het naamkaartje dat eraan
                    hangt, speelt geen rol. Men dient daarom waakzaam te zijn bij het opstellen van
                    de subsidiebeschikking en moet voorkomen, dat de verstrekking kan worden
                    aangemerkt als betaling voor een opdracht. Het is daarom ook raadzaam om
                    terughoudend te zijn met de mogelijkheid om in een aan de subsidiebeschikking
                    gekoppelde uitvoeringsovereenkomst een verplichting tot nakoming op te nemen.
                    Daarnaast is de kans minder groot, dat de subsidie als opdracht wordt
                    aangemerkt, als niet de gehele activiteit wordt gesubsidieerd, maar slechts een
                    gedeelte en er daarnaast een eigen bijdrage van de ontvanger wordt
                    gevraagd.</al><al/><al><vet>Subsidies en Europese staatssteunregels</vet></al><al>Europese regelgeving ten aanzien van staatssteun is niet van toepassing, indien
                    de subsidie aan burgers wordt verstrekt. Ook is geen sprake van staatssteun als
                    de activiteiten, waarvoor de subsidie wordt verleend, geen
                    ondernemingsactiviteiten zijn. Zo is een subsidie aan een
                    (amateur-)sportvereniging geen staatssteun. Als de gesubsidieerde activiteiten
                    wel als onderneming kunnen worden aangemerkt, is er sprake van staatssteun als
                    de subsidie niet open staat voor alle ondernemingen, die deze activiteit
                    uitoefenen. Er moet sprake zijn van een selectief voordeel, wil men kunnen
                    spreken van staatssteun. Staatssteun is toegestaan als deze valt binnen een van
                    de vrijstellingsverordeningen van de Europese staatssteunregels. Zo is er een dé
                    minimis vrijstellingsverordening, die bijdragen aan een onderneming tot €
                    200.000,00 in de drie jaar vrij stelt. Valt de subsidie niet binnen de
                    reikwijdte van één van de vrijstellingsverordeningen voor staatssteun, dan is
                    hiervoor eerst toestemming van de Europese Commissie nodig. De steunverlening
                    moet dan vooraf door de Europese Commissie worden genotificeerd. </al><al/><al><vet>Hoofdstuk 3 - Vermindering van administratieve en bestuurlijke
                    lasten</vet></al><al/><al><vet>Beslistermijnen en Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig
                    beslissen</vet></al><al>Per 1 oktober 2009 is de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen in
                    werking getreden. Hierdoor loopt de RWBRWB, als zij zich niet aan de termijnen
                    houdt, het risico met een dwangsom te worden geconfronteerd. Het doel van de wet
                    is waarborgen dat de overheid een betrouwbare partner is van burgers, bedrijven
                    en maatschappelijke organisaties. In de wet staat dat de overheid dit onder
                    andere moet doen door tijdig te beslissen op een aanvraag. De aanvrager heeft
                    daar recht op. Tijdig betekent: binnen de geldende termijn. Dat kan een
                    wettelijke of een redelijke termijn zijn. Een beslissing moet zo nodig kunnen
                    worden afgedwongen. Onder bepaalde voorwaarden kan de RWB de beslistermijn
                    verlengen. De wet omschrijft de volgende situaties:</al><lijst><li nr="1."><al>De RWB verzoekt de aanvrager de aanvraag aan te vullen door meer
                            informatie te verschaffen.</al></li><li nr="2."><al>Als de RWB wacht op informatie uit het buitenland.</al></li><li nr="3."><al>Als de aanvrager schriftelijk instemt met uitstel.</al></li><li nr="4."><al>Als de vertraging de schuld is van de aanvrager, bijvoorbeeld als hij
                            steeds opnieuw vraagt om uitstel van aan te leveren gegevens of de dag
                            voor de beslistermijn afloopt een dik pak met aanvullende gegevens
                            opstuurt.</al></li><li nr="5."><al>Als de RWB door overmacht niet in staat is te beslissen. Er moeten dan
                            wel abnormale en onvoorziene omstandigheden zijn, waarop de RWB geen
                            invloed heeft, zoals het volledig afbranden of onder water lopen van het
                            RWB-kantoor.</al></li></lijst><al>In bijna alle gevallen dient de RWB de aanvrager direct mee te delen, dat de
                    beslistermijn is opgeschort en binnen welke termijn alsnog een beslissing moet
                    worden genomen. Met de in de verordening opgenomen mogelijkheid om de
                    beslistermijn te verlengen, moet dus niet al te makkelijk worden omgegaan. De in
                    deze verordening gekozen termijnen voor besluiten zijn met dertien weken aan de
                    ruime kant. Voor de beoordeling van complexe subsidieaanvragen heel redelijk;
                    voor afhandeling van een eenvoudig besluit tot subsidievaststelling zeer ruim.
                    De praktijk leert dat overheden wel alert zijn op het verstrijken van de termijn
                    bij een besluit tot aanvraag van een subsidie en minder alert bij besluiten op
                    verzoeken tot vaststellen van een subsidie. De wet biedt voldoende handvatten om
                    proactief te reageren. Geadviseerd wordt om, indien nodig, vooral gebruik te
                    maken van de mogelijkheid om de aanvrager schriftelijk te laten instemmen met
                    onvoorzien uitstel.</al><al/><al><vet>Sanctiebeleid</vet></al><al>In deze verordening zijn geen bepalingen opgenomen over de werkwijze en
                    procedures indien subsidieontvangers zich niet houden aan de procedures en
                    verplichtingen. De Algemene wet bestuursrecht geeft hiervoor voldoende
                    handvatten. Zo kan de RWB bijvoorbeeld, indien de aanvrager niet voldoet aan
                    zijn verplichtingen, op grond van de artikelen 4:46 tot en met 4:50 van de
                    Algemene wet bestuursrecht de subsidieverlening intrekken of wijzigen.</al><al/><al><vet>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</vet></al><al/><al><vet>Hoofdstuk 1 - Grondslag verordening </vet></al><al/><al><vet>Artikel 1:1 Begripsomschrijvingen</vet></al><al>In dit artikel wordt een aantal begrippen verduidelijkt, dat in de verordening
                    wordt gehanteerd. </al><al>Er is sprake van alleen eenmalige subsidies. Dit zijn subsidies die voor een
                    eenmalige activiteit of een activiteit, waarvoor het Dagelijks Bestuur slechts
                    voor een van te voren bepaalde tijd van maximaal vier jaar subsidie wil
                    verlenen. Te denken valt aan een subsidie ten behoeve van het doorgang doen
                    vinden van de gebruikelijke activiteiten van de subsidieontvanger, terwijl die
                    doorgang door bijzondere, incidentele omstandigheden anders niet gewaarborgd zou
                    zijn. Hierbij kan worden gedacht aan het vervangen van een teloor gegaan
                    bedrijfsgebouw of iets dergelijks. Of aan projectsubsidies die worden gegeven
                    voor door de subsidieontvanger te realiseren bijzondere projecten, zoals
                    bijvoorbeeld een dansvoorstelling of kunstmanifestatie. Eenmalige subsidies
                    hebben een looptijd, afhankelijk van de duur van het project en kunnen onder
                    omstandigheden dus een looptijd hebben van langer dan een jaar.</al><al/><al><vet>Artikel 1:2 Reikwijdte verordening</vet></al><al>In het eerste lid wordt aangegeven voor welke beleidsterreinen subsidies kunnen
                    worden verstrekt. </al><al>Door de veelheid en verscheidenheid van subsidiemogelijkheden is uiteraard niet
                    te vermijden, dat op onderdelen nadere regels noodzakelijk zullen blijken. Die
                    verscheidenheid onderbrengen in een algemene verordening is mogelijk, maar komt
                    de met een algemene verordening nagestreefde overzichtelijkheid niet ten goede.
                    Daarbij komt dat beleidsdoelen en prioriteiten wijzigen en dit, naar aangenomen
                    mag worden, in een hoger tempo zullen doen dan de Algemene subsidieverordening
                    aan wijziging toe is.</al><al>Wijziging van een alsdan complexe en uitgebreide verordening, die veel
                    beleidsterreinen bestrijkt, gaat gepaard met aanzienlijke bestuurlijke en
                    administratieve lasten. Met deze algemene verordening, die de kaders geeft voor
                    nadere regels, worden deze lasten beperkt in aantal en kwaliteit. Zo zal het bij
                    een eventuele wijziging van de verordening niet noodzakelijk zijn alle
                    beleidsafdelingen van de RWB daarbij anders dan in informerende zin te
                    betrekken. Het is op grond van deze verordening niet toegestaan op basis van een
                    post op de RWB-begroting subsidie te verlenen. Uitvoering van subsidies vindt
                    plaats door het Dagelijks Bestuur.</al><al/><al><vet>Nadere regels</vet></al><al>Het betreft hier algemeen verbindende voorschriften, ook wel deelverordeningen
                    genoemd. Het betreft hier dus geen beleidsregels omdat dit geen algemeen
                    verbindende voorschriften zijn. In ons geval zal het Dagelijks Bestuur aan de
                    bestuurscommissie KCV de bevoegdheid tot het stellen van nadere regels delegeren
                    en de directeur mandateren. De diverse portefeuillehoudersoverleggen zullen
                    gevraagd worden in voorkomende gevallen de op hun beleidsterrein relevante
                    nadere regels op te stellen (Reap, RpA, SEZ, Duurzaamheid, etc.). De concepten
                    zullen vervolgens door het Dagelijks Bestuur bekrachtigd worden.</al><al><vet>Artikel 1:3 Bevoegdheid Dagelijks Bestuur</vet></al><al>Het Dagelijks Bestuur besluit ingevolge het eerste lid binnen de daarvoor door
                    de raad vastgestelde kaders, zoals neergelegd in de RWB-begroting en deze
                    Algemene subsidieverordening. Dit betekent dat het Dagelijks Bestuur geen
                    subsidies kan verlenen, die niet stroken met de door het Algemeen Bestuur
                    vastgestelde algemene regels. Met besluiten over het verstrekken van subsidies
                    in plaats van verlenen van subsidies wordt beoogd de bevoegdheid te besluiten
                    over het gehele subsidieproces, dus ook het bevoorschotten, lager vaststellen,
                    terugvorderen en dergelijke.</al><al>In het eerste lid is bepaald dat het Dagelijks Bestuur daarbij de RWB-begroting
                    en subsidieplafonds in acht neemt. </al><al>In het tweede lid is de bevoegdheid van het Dagelijks Bestuur geregeld om
                    voorwaarden aan de subsidie te verbinden. Zie hiertoe ook artikel 4:33 van de
                    Algemene wet bestuursrecht en voor het verschil met verplichtingen artikel 4:37
                    van de Algemene wet bestuursrecht.</al><al>In het derde lid is de bevoegdheid opgenomen voor het Dagelijks Bestuur om
                    voorschotten te verlenen zoals bedoeld in artikel 4:95 van de Algemene wet
                    bestuursrecht.</al><al>Het Dagelijks Bestuur zal haar bevoegdheid voor wat betreft subsidies in het
                    kader van Kleinschalig Collectief Vervoer delegeren aan de bestuurscommissie
                    KCV. De beginselen van deze verordening zijn uiteraard daarbij van
                    toepassing.</al><al/><al>Artikel 1:4 Aanvrager </al><al>De aanvraag voor subsidie kan worden ingediend door zowel natuurlijke als
                    rechtspersonen om in de Algemene subsidieverordening geen ongewenste
                    uitzonderingen te creëren. Er is voor gekozen dat subsidies die groter zijn dan
                    € 5.000,00 alleen aangevraagd kunnen worden door rechtspersonen, omdat de
                    verantwoording van subsidies van meer dan € 5.000,00 bij rechtspersonen "in de
                    boeken" dient te gebeuren, die een wat stringenter regime kennen dan de
                    boekhouding van natuurlijke personen. Onder het begrip "rechtspersoon" wordt
                    verstaan de rechtspersoon als bedoeld in artikel 3 van boek 2 van het Burgerlijk
                    Wetboek.</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 2 - Het subsidiebegrip</vet></al><al/><al><vet>Artikel 2:1 Subsidieplafond en begrotingsvoorbehoud</vet></al><al>In de Algemene wet bestuursrecht zijn in de artikelen 4:25 tot en met 4:28 de
                    belangrijkste bepalingen rondom het werken met een ‘subsidieplafond’ gegeven.
                    Ingevolge het eerste lid van artikel 2:1 kan het Dagelijks Bestuur
                    subsidieplafonds vaststellen. In de regel valt dit qua tijdstip samen met de
                    vaststelling van de begroting. Het Dagelijks Bestuur stelt subsidieplafonds vast
                    en maakt daarbij de wijze van verdeling van de beschikbare middelen bekend. </al><al>Met het oog op de rechtszekerheid verlangt de Algemene wet bestuursrecht, dat
                    het subsidieplafond bekend wordt gemaakt, vóórdat de periode waarop het plafond
                    betrekking heeft, ingaat. Zo kunnen potentiële aanvragers tijdig weten hoeveel
                    geld beschikbaar is. Maar vooral van belang is, dat subsidieaanvragen zonder
                    nadere motivering worden afgewezen op het moment dat het subsidieplafond bereikt
                    is. </al><al>Belangrijk is de verplichting om nadere regels te stellen over de verdeling van
                    de beschikbare bedragen. Er zijn twee mogelijkheden. </al><lijst><li nr="1."><al>De meest eenvoudige vorm is een verdeelmechanisme op volgorde van
                            binnenkomst, “wie het eerst komt, het eerst maalt”, waarbij aanvragen in
                            volgorde van ontvangst van de volledige aanvraag worden behandeld.</al></li><li nr="2."><al>Een andere vorm is een tendersysteem, waarbij het beschikbare budget
                            wordt verdeeld over de complete aanvragen door middel van een onderlinge
                            vergelijking van de aanvragen en dat de beste aanvragen voor subsidie in
                            aanmerking komen. Van belang bij dit systeem is dat helder is voor de
                            aanvrager op basis van welke criteria de aanvragen worden getoetst en in
                            rangorde worden gezet. Zoals eerder aangegeven kan het Dagelijks Bestuur
                            hiertoe besluiten op grond van artikel 2:1 tweede lid. De criteria,
                            waaraan een aanvraag wordt getoetst, dienen zoveel mogelijk eenduidig te
                            zijn. </al></li></lijst><al>Bij lid 4 komt de strekking van de tekst overeen met die van artikel 4:28 onder
                    c van de Algemene wet bestuursrecht. Indien deze bepaling niet zou zijn
                    opgenomen, heeft een verlaging geen gevolgen voor voordien ingediende
                    aanvragen.</al><al>Uit lid 5 volgt dat als de RWBbegroting nog niet is vastgesteld en er formeel
                    dus nog geen financiële ruimte door de raad beschikbaar is gesteld, subsidie
                    slechts wordt verleend onder de voorwaarde dat de raad daarvoor geld beschikbaar
                    zal stellen, het zogenoemde begrotingsvoorbehoud.</al><al/><al><vet>HOOFDSTUK 3 - Aanvraag van de subsidie</vet></al><al/><al><vet>Artikel 3:1 Bij aanvraag in te dienen gegevens</vet></al><al>In het eerste lid is bepaald dat een aanvraag voor subsidie schriftelijk dient
                    te worden gedaan. Met ‘schriftelijk’ is meer bedoeld dan ‘op papier geschreven’.
                    Zo kan een aanvraag ook digitaal worden gedaan, mits het Dagelijks Bestuur het
                    door hem vastgestelde formulier ook in digitale vorm beschikbaar heeft gesteld.
                    Ingevolge artikel 4:29 van de Algemene wet bestuursrecht begint het
                    subsidieproces met een aanvraag. Wat een aanvraag is en aan welke eisen deze
                    moet voldoen staat in afdeling 4.1.1. van de Algemene wet bestuursrecht. </al><al>In het tweede lid is bepaald dat als het Dagelijks Bestuur een aanvraagformulier
                    vast stelt, de aanvraag met behulp van dit aanvraagformulier dient te worden
                    ingediend.</al><al>Uit het derde lid volgt welke gegevens de aanvrager dient te overleggen bij zijn
                    subsidieaanvraag. Onder andere bestuursorganen dient te worden verstaan: andere
                    buiten de RWB Breda gelieerde of gevestigde bestuursorganen. Ten aanzien van de
                    te overleggen verklaring omtrent gedrag dient het volgende te worden opgemerkt.
                    Afhankelijk van de aard en doelstelling van de te subsidiëren activiteiten met
                    behulp van het vijfde lid nadere regels hierover stellen.</al><al/><al><vet>Artikel 3:2 Aanvraagtermijn</vet></al><al>In lid 1 wordt de termijn voor het aanvragen van subsidies genoemd.</al><al>Het tweede lid dient als volgt te worden uitgelegd. Wanneer je voor een periode
                    van 4 jaren een subsidieaanvraag te laat hebt ingediend heeft de aanvrager niet
                    tijdig een aanvraag ingediend voor het eerste subsidiejaar. Dit betekent
                    uiteraard dat voor de overige 3 jaren de aanvraag wel tijdig is ingediend en dat
                    hierop beslist dient te worden. </al><al>De RWB kan er ook voor kiezen om andere termijnen vast te stellen. De
                    bevoegdheid hiervoor ligt bij het Dagelijks Bestuur en is geregeld in het tweede
                    lid.</al><al>Uitdrukkelijk dient te worden opgemerkt dat de lex silencio positivo hier niet
                    van toepassing is. Dit wil zeggen dat bij niet tijdig beslissen geen automatisch
                    positief besluit volgt. </al><al><vet>Artikel 3:3 Beslistermijn</vet></al><al>In dit artikel worden de termijnen gegeven, waarbinnen het Dagelijks Bestuur
                    gehouden is te beslissen op een aanvraag voor subsidie. In de Algemene wet
                    bestuursrecht staan geen strikte beslistermijnen op een aanvraag voor subsidie.
                    In de regel wordt een termijn van acht tot dertien weken redelijk geacht. Het is
                    mogelijk voor het Dagelijks Bestuur om zijn beslissing te verdagen voor ten
                    hoogste acht weken onder vermelding van de reden tot verdaging. </al><al/><al><vet>HOOFDSTUK 4 - Weigering van de subsidie</vet></al><al/><al><vet>Artikel 4:1 Weigeringsgronden</vet></al><al>Op grond van artikel 4:25 lid 2 van de Algemene wet bestuursrecht moet de
                    subsidie worden geweigerd als door de verstrekking van de subsidie het
                    subsidieplafond wordt overschreden.</al><al>De algemeen geldende weigeringsgronden, opgenomen in artikel 4:35 van de
                    Algemene wet bestuursrecht, worden hier met een nadere, op de RWB-praktijk
                    toegesneden grond aangevuld. </al><al>Onder derden dient te worden verstaan: externen, niet zijnde de RWB. </al><al>Ten aanzien van de uitleg over het begrip bestuursorgaan dient te worden
                    verwezen naar de toelichting bij artikel 3:1, derde lid, sub c.</al><al/><al><vet>Artikel 4:2 Anti-discriminatiebepaling</vet></al><al>In dit artikel worden gronden opgesomd waarop het Dagelijks Bestuur een aanvraag
                    moet weigeren. </al><al/><al><vet>Artikel 4:3 Wet Bibob</vet></al><al>Een bijzondere weigeringsgrond is opgenomen in artikel 4:3. Het betreft het
                    geval dat de aanvrager van een subsidie de toets van de Wet bevordering
                    integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob) niet kan
                    doorstaan. Indien deze weigeringsgrond niet zou zijn opgenomen, dan zou het
                    kunnen betekenen dat het Dagelijks Bestuur gehouden is subsidie te verlenen aan
                    aanvragers aan wie het Dagelijks Bestuur geen vergunning voor niet-subsidiabele
                    activiteiten zou verlenen. Daarbij is niet van belang of de activiteiten,
                    waarvoor subsidie wordt gevraagd, op zichzelf beoordeeld subsidiabel zijn. Het
                    gaat bij deze weigeringsgrond louter om de persoon, dan wel rechtspersoon van de
                    aanvrager.</al><al/><al><vet>HOOFDSTUK 5 - Verlening van de subsidie</vet></al><al/><al><vet>Artikel 5:1 Verlening van de subsidie</vet></al><al>Ingevolge het eerste lid geeft het Dagelijks Bestuur al in het besluit tot
                    verlening van de subsidie aan op welke wijze de verantwoording van de ontvangen
                    subsidies dient plaats te vinden. Hiermee wordt bereikt dat voor degene, aan wie
                    de subsidie is toegekend, van meet af aan duidelijk is aan welke voorwaarden en
                    administratieve eisen hij dient te voldoen. </al><al>In het tweede lid is geregeld dat het Dagelijks Bestuur de ontvanger
                    verplichtingen kan opleggen.</al><al>Hierbij kan worden gedacht aan bijvoorbeeld het verzekeren van de zaken, die
                    voor de uitvoering van de gesubsidieerde activiteit noodzakelijk zijn, de
                    arbeidsvoorwaarden voor het personeel van de subsidieontvanger, reservevorming,
                    het bestuur, het aanstellen van toezichthouders, de inrichting van de
                    administratie en de benodigde toestemming van het Dagelijks Bestuur voor het
                    aangaan van rechtshandelingen als bedoeld in artikel 4:71 van de Algemene wet
                    bestuursrecht.</al><al/><al><vet>Artikel 5:2 Betaling en bevoorschotting</vet></al><al>Voorschotten worden automatisch (ambtshalve) verstrekt volgens het in de
                    subsidieregeling of de verleningsbeschikking opgenomen bevoorschottingsritme. De
                    bevoorschottingsbeschikking wordt ambtshalve gegeven op het moment van de
                    verleningsbeschikking. De subsidieaanvrager hoeft geen aanvra(a)g(en) voor
                    bevoorschotting in te dienen of tussentijdse overzichten van prestaties of
                    uitgaven te overleggen. Dit leidt tot lastenbesparingen bij zowel de
                    subsidieontvanger als de subsidieverstrekkende RWB.</al><al>Omdat de bevoorschotting mede afhankelijk is van de aard van de te subsidiëren
                    activiteit is er voor gekozen om de termijnen, waarop de (automatische)
                    bevoorschotting plaats vindt, niet in de verordening te noemen. Het
                    bevoorschottingsritme en de hoogte van de voorschotten worden in de
                    verleningsbeschikking vermeld.</al><al>De subsidieontvanger is volgens artikel 6:2 verplicht te melden, indien er
                    omstandigheden zijn die van invloed zijn op de hoogte van het verleende bedrag.
                    Het Dagelijks Bestuur kan vervolgens, indien nodig, door een wijziging van de
                    verleningsbeschikking het bevoorschottingsritme en de hoogte van de voorschotten
                    aanpassen. Na vaststelling van de subsidie wordt het resterende bedrag (het
                    vastgestelde bedrag verminderd met de verleende voorschotten) uitgekeerd aan de
                    subsidieontvanger.</al><al>Met de algemene formulering van dit artikel is de mogelijkheid open gelaten om,
                    zonder dat daartoe wijziging van de verordening noodzakelijk is, recht te doen
                    aan de wijziging van de voorschotregeling, die beslag heeft gekregen met de
                    invoering van de vierde tranche van de Algemene wet bestuursrecht. Indien in de
                    verleningsbeschikking niet anders is bepaald, vindt betaling van het voorschot
                    binnen zes weken na verzending van de verleningsbeschikking plaats. Zie artikel
                    4:87, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht. </al><al/><al><vet>HOOFDSTUK 6 - Verplichtingen van de subsidieontvanger</vet></al><al/><al><vet>Artikel 6:1 Tussentijdse rapportage </vet></al><al>In het kader van het terugdringen van de administratieve lasten is ervoor
                    gekozen aan meerjarig verstrekte subsidies, hoger dan € 50.000,00, de
                    mogelijkheid te verbinden om jaarlijks een tussentijdse verantwoording te
                    vragen. Het Dagelijks Bestuur moet vooraf bepalen welke vereisten worden gesteld
                    aan de tussentijdse, inhoudelijke en financiële verantwoording, bij voorkeur
                    door middel van standaardformulieren. Het ligt voor de hand dat dit regime in
                    ieder geval lichter is dan het regime wat is opgesteld voor de
                    eindverantwoording.</al><al/><al><vet>Artikel 6:2 Meldingsplicht</vet></al><al>De meldingsplicht is bedoeld als tegenhanger van het geven van meer vertrouwen
                    in de vorm van onder andere het niet standaard verantwoording afleggen bij
                    subsidies tot € 5.000,00, het vragen van minder tussenrapportages en
                    automatische bevoorschotting. </al><al>De subsidieontvanger is verplicht tijdig (zonder nodeloos tijdsverloop) te
                    melden bij de RWB als het aannemelijk is dat de gesubsidieerde activiteit niet,
                    niet tijdig, niet geheel of niet volgens alle daaraan verbonden verplichtingen
                    zal worden verricht. In dat geval zal de subsidie lager of op nihil worden
                    vastgesteld of zullen nadere afspraken worden gemaakt over het aanpassen van de
                    verplichtingen, bijvoorbeeld het geven van meer tijd voor de uitvoering van de
                    activiteiten. </al><al>Bij het niet voldoen aan deze meldingsplicht kan, indien dat achteraf mocht
                    blijken, met toepassing van artikel 4:49 van de Algemene wet bestuursrecht
                    alsnog de subsidievaststelling worden ingetrokken, omdat de ontvanger wist of
                    behoorde te weten dat de vaststelling onjuist was. Terugvordering van de
                    subsidie, inclusief wettelijke rente van het hele subsidiebedrag, kan in zo'n
                    geval proportioneel worden geacht, omdat de ontvanger dan misbruik maakte van
                    het gegeven vertrouwen, dat ten grondslag ligt aan de onderhavige
                    subsidieverordening.</al><al>Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat de meldingsplicht niet geldt na
                    vaststelling van de subsidie of voor zover er (op verzoek van de belanghebbende)
                    door de subsidieverlener een ontheffing is verleend van de verplichting om een
                    prestatie overeenkomstig de subsidietoekenning uit te voeren.</al><al/><al><vet>Artikel 6:3 Overige verplichtingen van de subsidieontvanger</vet></al><al>In artikel 6:3 zijn de overige verplichtingen van de ontvanger van de subsidie
                    opgenomen, als ook de plicht belangrijke wijzigingen te melden aan het Dagelijks
                    Bestuur. Overigens moet “schriftelijk” hier niet al te letterlijk worden
                    opgevat; een melding per e-mail kan ook voldoende zijn.</al><al/><al><vet>HOOFDSTUK 7 - Verantwoording en vaststelling van de subsidie</vet></al><al/><al><vet>Artikel 7:1 Verantwoording subsidies tot en met € 5.000,00 </vet></al><al>Kenmerkend voor subsidies tot en met € 5.000,00 is dat een vast bedrag (lump
                    sum) wordt verstrekt en dat de subsidieontvanger achteraf niet standaard
                    verantwoording hoeft af te leggen aan het Dagelijks Bestuur. De
                    subsidieontvanger hoeft geen aanvraag voor subsidievaststelling (verantwoording)
                    in te dienen. Hierdoor kunnen de lasten voor zowel de subsidieaanvrager als het
                    Dagelijks Bestuur worden bespaard.</al><al>In het geval van directe vaststelling (eerste lid, onderdeel a) worden de
                    bewijsstukken van de prestatie direct met de aanvraag meegestuurd. Ook indien de
                    activiteiten nog niet hebben plaatsgevonden, kan onderdeel a worden toegepast.
                    De toepassing is dan onder meer afhankelijk van de aard van de subsidie en
                    risicoafweging van de subsidieverstrekker. Steekproefsgewijze controle na de
                    vaststelling is mogelijk.</al><al>In het geval van verlening, gevolgd door ambtshalve vaststelling (eerste lid,
                    onderdeel b), wordt in de subsidiebeschikking vermeld wanneer de gesubsidieerde
                    activiteiten moeten zijn verricht. De subsidie wordt vervolgens, binnen dertien
                    weken na de datum waarop de activiteiten uiterlijk moeten zijn verricht,
                    ambtshalve vastgesteld door de subsidieverstrekker. De ambtshalve vaststelling
                    zal in de praktijk veelal al vóór het verstrijken van de termijn gebeuren,
                    namelijk als het vanuit oogpunt van een efficiënte werkwijze wenselijk wordt
                    geacht, dat dergelijke vaststellingsbeschikkingen op een vaste datum worden
                    genomen. Wel dient de RWB binnen een beperkte termijn, hier is gekozen voor
                    dertien weken na afloop van de activiteit, te reageren.</al><al>Door te kiezen voor het systeem van ambtshalve vaststelling is er juridisch meer
                    mogelijkheid om op te treden, indien de RWB bemerkt dat de activiteit niet
                    (geheel) is gerealiseerd. De subsidie is immers niet bij verstrekking reeds
                    vastgesteld. De subsidieontvanger dient, desgevraagd, op een door het Dagelijks
                    Bestuur in de beschikking aangegeven wijze, aan te tonen dat de activiteiten,
                    waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de
                    subsidie verbonden verplichtingen. Het Dagelijks Bestuur zal steekproefsgewijs
                    van deze bevoegdheid gebruik maken. Deze steekproef zal altijd binnen vijf jaar
                    na de (ambtshalve) vaststelling worden verricht. Dit omdat conform artikel 4:49
                    lid 3 van de Algemene wet bestuursrecht de subsidievaststelling niet meer kan
                    worden gewijzigd of ingetrokken na 5 jaar.</al><al/><al><vet>Artikel 7:2 Verantwoording subsidies vanaf € 5.000,00 tot €
                    50.000,00</vet></al><al>In dit artikel is aangegeven op welke wijze de subsidieontvanger de aan hem
                    verleende subsidie aan het Dagelijks Bestuur dient te verantwoorden. Ingevolge
                    artikel 5:1 eerste lid, wordt de wijze van verantwoording al bij het besluit tot
                    verlening van de subsidie aan de ontvanger bekend gemaakt.</al><al>Wanneer de activiteit niet zal plaatsvinden/ heeft plaatsgevonden dient op grond
                    van artikel 4:48 Awb intrekken dan wel wijziging van de subsidieverlening plaats
                    te vinden.</al><al>Het tweede lid bepaalt, dat de subsidieontvanger moet aantonen dat de
                    activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, zijn uitgevoerd. Daarbij zal
                    vooraf door de subsidieverstrekker al moeten zijn aangegeven op welke manieren
                    het aantonen kan plaatsvinden. Er kunnen daarbij verschillende instrumenten
                    worden gebruikt, zoals bestuurs- en activiteitenverslagen, een
                    managementverklaring, een deskundigenverklaring of andere bewijsstukken
                    (bijvoorbeeld een publicatie) enz.</al><al>Ook hier kan het Dagelijks Bestuur bepalen dat bepaalde categorieën van
                    subsidies, dan wel subsidieontvangers, niet tot verantwoording van de aan hun
                    verleende subsidie hoeven over te gaan. Te denken valt daarbij aan subsidies van
                    een beperkte omvang of subsidies, die aan een vertrouwde ontvanger worden
                    verstrekt, dan wel subsidies die voor een doel worden aangewend, dat nadere
                    verantwoording van de besteding van het geld overbodig maakt</al><al>Ingevolge het derde lid kan het Dagelijks Bestuur bepalen dat het voor de
                    verantwoording daarvan andere stukken en bewijzen verlangt dan gebruikelijk en
                    uit hoofde van de gewone bedrijfsvoering van de subsidieontvanger al worden
                    opgesteld. Te denken valt aan de verslagen, die rechtspersonen uit hoofde van de
                    wet al dienen op te stellen en die natuurlijk naar gelang van de hoedanigheid
                    van de betreffende rechtspersoon verschillen.</al><al/><al><vet>Artikel 7:3 Verantwoording subsidies van € 50.000,00 of meer</vet></al><al>Bij subsidies van € 50.000,00 of meer wordt uitgegaan van de traditionele
                    afrekening van subsidies, namelijk op basis van gerealiseerde kosten en baten.
                    De vaststelling van de subsidie vindt - tenzij de voorschriften voor subsidies
                    tot € 50.000,00 worden toegepast - plaats op basis van uitgevoerde activiteiten
                    en gerealiseerde kosten. Bij de financiële verantwoording mag de
                    subsidieverstrekker een door een accountant opgesteld stuk vragen. Het is echter
                    niet verplicht daar in alle gevallen om te vragen. Zekerheid kan ook worden
                    verkregen door steekproefsgewijze controles van de uitvoeringsinstanties of door
                    verantwoording in de jaarrekening van een instelling.</al><al>Indien er wordt gekozen voor het opvragen van een accountantsverklaring, is het
                    van belang dat de RWB en de subsidieontvanger voorafgoede afspraken maken
                    over de wijze van verantwoorden en over de aspecten, die in de controle worden
                    betrokken. Hierbij kan het raadzaam zijn om ook de accountant te consulteren. In
                    de regel worden drie niveaus van controle onderscheiden: </al><lijst><li nr="1."><al>een getrouwheidsverklaring bij een financiële verantwoording;</al></li><li nr="2."><al>een rechtmatigheidsverklaring bij een financiële verantwoording;</al></li><li nr="3."><al>een rechtmatigheidsverklaring bij een financiële verantwoording plus een
                            Assurance-rapport bij het activiteitenverslag.</al></li></lijst><al>Bovenstaande kan conform lid 3 worden vastgelegd middels een
                    accountantsprotocol. Hierin worden de verwachtingen en eisen die worden gesteld
                    aan de controle en bijhorende accountantsverklaring beschreven.</al><al>In de artikelen 7:1, 7:2 en 7:3 is een ander regime voor de verantwoording van
                    subsidies opgenomen. Hiermee is aansluiting gezocht bij de nota ‘Kaderbeheer
                    financieel beheer rijkssubsidies’ in die zin, dat de wijze van verantwoording
                    afhankelijk is gemaakt van de hoogte van de subsidies.</al><al>Vanuit het oogpunt van lastenverlichting wordt in lid 3 van artikel 7:2 en lid 4
                    van artikel 7:3 geregeld dat ook alternatieve verantwoordingsbewijzen kunnen
                    worden gevraagd. Daarmee geeft de RWB invulling aan het uitgangspunt, dat de
                    verantwoordingslasten in verhouding moeten zijn met de hoogte van het
                    subsidiebedrag.</al><al/><al><vet>Artikel 7:4 Vaststelling subsidie</vet></al><al>In dit artikel is geregeld binnen welke termijn het Dagelijks Bestuur besluit
                    ter zake van de vaststelling van de subsidie.</al><al>Ingevolge het derde lid kan het Dagelijks Bestuur categorieën van subsidies of
                    subsidieontvangers aanwijzen voor wie de subsidie wordt vastgesteld zonder dat
                    hiervoor door de subsidieontvanger een aanvraag moet worden ingediend. Hierdoor
                    kunnen de lasten voor zowel de subsidieaanvrager als het Dagelijks Bestuur
                    worden bespaard.</al><al>Uit het vierde lid volgt dat als achteraf blijkt dat de begrote kosten in
                    werkelijkheid lager zijn uitgevallen, het Dagelijks Bestuur kan besluiten om de
                    subsidie lager vast te stellen en bij de vaststelling alleen de daadwerkelijke
                    gemaakte kosten in aanmerking te nemen. Bij besluitvorming op grond van dit
                    artikel dient rekening te worden gehouden met vermogensvorming ex artikel 8:1
                    van de subsidieverordening. Normaliter dient het restbedrag te worden
                    teruggevorderd. Echter, kan het Dagelijks Bestuur hierbij artikel 8:1, eerste
                    lid, in acht nemen. Dit betekent dat de vaststelling op grond van artikel 7:4,
                    vierde lid, ook als een indirect verzoek op grond van artikel 8:1, eerste lid,
                    moet worden aangemerkt.</al><al/><al>Artikel 7:5 Te laat ingediende aanvraag vaststelling subsidie</al><al>In het eerste lid is geregeld dat als er binnen de daarvoor geldende termijn
                    geen aanvraag of een incomplete aanvraag tot subsidievaststelling door het
                    Dagelijks Bestuur is ontvangen, het Dagelijks Bestuur aan de subsidieontvanger
                    een rappel stuurt om de aanvraag in te dienen dan wel compleet te maken.</al><al>Ingevolge het tweede lid kan het Dagelijks Bestuur de subsidie vaststellen op
                    een bedrag van maximaal 95% van het bedrag dat zou zijn vastgesteld bij een
                    tijdige dan wel complete indiening van de aanvraag.</al><al>In het derde lid wordt aangegeven dat aanvragen tot definitieve vaststelling die
                    veel te laat worden ingediend – te weten meer dan acht weken na het verstrijken
                    van de termijn uit het rappel – door het Dagelijks Bestuur buiten behandeling
                    kunnen worden gesteld. Het Dagelijks Bestuur behoudt hierbij wel haar
                    bevoegdheid om de aanvraag ambtshalve vast te stellen.</al><al/><al>Artikel 7:6 Ambtshalve vaststelling</al><al>Dit artikel bepaalt dat het Dagelijks Bestuur de verleende subsidie ambtshalve
                    kan vast stellen indien de termijn uit het rappel zoals bedoeld in artikel 7:5
                    eerste lid is verstreken. </al><al>Op grond van het tweede lid kan het Dagelijks Bestuur de subsidie lager vast
                    stellen, te weten op maximaal 95% van het bedrag waarop de subsidie bij een
                    tijdige indiening van de aanvraag zou zijn vastgesteld.</al><al/><al><vet>HOOFDSTUK 8 - Overige bepalingen</vet></al><al/><al><vet>Artikel 8:1 Vermogensvorming subsidieontvanger</vet></al><al>Het is ontvangers van incidentele subsidies niet toegestaan eventuele
                    exploitatieoverschotten te reserveren. Voor het exploitatieoverschot moet een
                    egalisatiereserve worden gevormd. Om het exploitatie-overschot te mogen doteren
                    aan de egalisatiereserve is vooraf toestemming van het Dagelijks Bestuur nodig.
                    In geval van toestemming zal het Dagelijks Bestuur in ieder geval de volgende
                    eisen stellen:</al><lijst><li nr="a."><al>aan de egalisatiereserve is een maximum verbonden van 10% van de laatst
                            ontvangen subsidie;</al></li><li nr="b."><al>de egalisatiereserve wordt gedurende een periode van drie jaar na het
                            vormen van deze reserve aangewend voor het opvangen van eventuele
                            exploitatietekorten.</al></li></lijst><al><onderstreept>Ad a</onderstreept>:</al><al>Maximum egalisatiereserve: Het maximumpercentage is toegevoegd om het vormen van
                    zogenaamde ‘reservepotjes’ te voorkomen.</al><al><onderstreept>Ad b</onderstreept>:</al><al>Aanwending egalisatiereserve: De periode van drie jaar voor het aanwenden van
                    deze reserve voor het opvangen van eventuele exploitatietekorten is toegevoegd
                    om te voorkomen dat subsidieontvangers de opgebouwde reserve tot in lengte van
                    jaren moeten reserveren om toekomstige exploitatietekorten op te vangen. Een
                    periode van drie jaar is redelijk. Als er na afloop van deze periode nog
                    middelen uit de egalisatiereserve over zijn, mogen deze daarna worden aangewend
                    voor andere doeleinden dan het opvangen van exploitatietekorten.</al><al>Bij een systematiek van subsidie waarbij de subsidieontvanger zelf
                    verantwoordelijk is voor het resultaat, moet zij ook in staat worden gesteld
                    deze verantwoordelijkheid daadwerkelijk te kunnen dragen. Daarbij hoort de
                    mogelijkheid een financiële buffer te kunnen vormen. In bepaalde gevallen is de
                    subsidieontvanger niettemin een vergoeding verschuldigd voor de vermogensopbouw
                    (derde lid).</al><al>Volgens artikel 4:41 van de Algemene wet bestuursrecht is een vergoeding slechts
                    verschuldigd in bepaalde, in de wet genoemde gevallen en indien de verordening
                    hiertoe de mogelijkheid biedt. De gevallen die in de verordening worden genoemd,
                    zijn toegestaan volgens artikel 4:41 van de Algemene wet bestuursrecht.</al><al>De Algemene wet bestuursrecht stelt verder als voorwaarde dat aangegeven moet
                    zijn hoe de hoogte van de vergoeding wordt bepaald. De hoogte wordt in principe
                    door het Dagelijks Bestuur bepaald (vierde lid). Hierin heeft het
                    beleidsvrijheid. In het geval van ontbinding van de rechtspersoon die de
                    subsidie ontving is er echter geen beleidsvrijheid. In dat geval is de
                    vergoeding namelijk gelijk aan dat deel van het vermogen dat gerelateerd is aan
                    de verstrekte subsidie. Dit houdt in dat – indien sprake is van vermogensvorming
                    over een periode van meerdere jaren - bij de jaarlijkse vaststelling aangegeven
                    wordt, welk deel van het opgebouwd vermogen gerelateerd kan worden aan de
                    verstrekte subsidie.</al><al/><al><vet>Artikel 8:2 Standaardberekeningswijzen van uurtarieven en uniforme
                    kostenbegrippen</vet></al><al>Een veel gebruikte methode voor de bepaling van de omvang van het subsidiebedrag
                    is de berekening van de (gedeeltelijke) bijdrage aan de werkelijke kosten van
                    subsidiabele activiteiten. Hierbij is een belangrijke basis voor de
                    financiering/subsidie (kostengrondslag) de inzet van personeel. De
                    subsidieontvanger moet zich verantwoorden over het aantal subsidiabele uren en
                    de totstandkoming van de uurtarieven. Dit brengt hoge lasten met zich mee.
                    Vooral de verschillende uitgangspunten en definities per subsidie ten aanzien
                    van de subsidiabele kosten (bijvoorbeeld overheadkosten) leggen een grote
                    (lasten)druk op de administratieve systemen van subsidieontvangers. </al><al>Bij het bepalen van de standaardberekeningswijzen voor de berekening van
                    uurtarieven kan het Dagelijks Bestuur aansluiten bij de berekeningswijzen, zoals
                    die in het Rijksbrede subsidiekader worden gehanteerd: </al><lijst><li nr="a."><al>berekening op basis van integrale kosten;</al></li><li nr="b."><al>berekening op basis van kosten per kostendrager, vermeerderd met een
                            forfaitair vastgestelde opslag voor indirecte kosten of</al></li><li nr="c."><al>een forfaitair vastgesteld uurtarief.</al></li></lijst><al>Voor de toepassing van de berekeningswijze op basis van kosten per kostendrager
                    wordt het daarin van toepassing zijnde opslagpercentage voor de indirecte kosten
                    door het Dagelijks Bestuur voorgeschreven. Voor de toepassing van een forfaitair
                    vastgesteld uurtarief wordt het van toepassing zijnde uurtarief per kostendrager
                    door het Dagelijks Bestuur voorgeschreven.</al><al>Forfaitaire elementen zijn een hulpmiddel om de bepaling van de subsidiabele
                    kosten, en daarmee van het subsidiebedrag, te vereenvoudigen en te uniformeren.
                    Voorbeelden van forfaitaire elementen zijn: het aantal werkbare uren op
                    jaarbasis, het uurtarief voor kosten van eigen arbeid (niet zijnde loonkosten)
                    en het uurtarief voor categorieën van loonkosten, bijvoorbeeld op basis van de
                    Handleiding Overheidstarieven. Zo wordt voor de berekening van uurtarieven
                    uitgegaan van een forfaitair vastgestelde standaard van 1.600 werkbare uren op
                    jaarbasis. </al><al>Bij het bepalen van kostenbegrippen bij de berekening van uurtarieven kan het
                    Dagelijks Bestuur aansluiten bij de volgende definities, zoals die in het
                    Rijksbrede subsidiekader worden gehanteerd:</al><lijst><li nr="§"><al>Subsidiabele kosten: de kosten die bij het verlenen en vaststellen van
                            de subsidie in aanmerking worden genomen, respectievelijk de feitelijke
                            hoogte van die kosten.</al></li><li nr="§"><al>Kostendrager: kostenplaats of volume-eenheid voor kostenberekening,
                            bijvoorbeeld personeels-/arbeidsuren, apparaat-/machine-uren en overige
                            kostendragers als output van apparaten en machines en verbruikte
                            materialen.</al></li><li nr="§"><al>Afschrijvingskosten: kosten die de economische waardevermindering
                            weergeven van een investering tegen historische kostprijs gedurende de
                            economische levensduur (periode waarna de investering economisch
                            verouderd is), de eventuele restwaarde na de economische levensduur
                            behoren niet tot de subsidiabele kosten.</al></li><li nr="§"><al>Loonkosten: de optelsom van de bruto loonkosten, niet winstafhankelijke
                            emolumenten, dan wel extra verdiensten naast het loon, werkgeverslasten,
                            kosten van secundaire arbeidsvoorwaarden en, indien van toepassing, een
                            evenredig deel van de begrote kosten voor een eventuele
                            wachtgelduitkering na ontslag, voor personeel dat werkzaamheden verricht
                            ten behoeve van subsidiabele activiteiten.</al></li><li nr="§"><al>Urenbasis: het aantal werkbare uren per fte per jaar.</al></li><li nr="§"><al>Directe kosten: kosten van een kostendrager en kosten derden, die
                            rechtstreeks aan de subsidiabele activiteit worden toegerekend.</al></li><li nr="§"><al>Indirecte kosten of overhead: kosten die niet rechtstreeks aan een
                            subsidiabele activiteit worden toegerekend, maar via toerekening van een
                            kostendrager.</al></li><li nr="§"><al>Kosten derden: op factuur aantoonbare aan derden verschuldigde kosten
                            die direct voor de subsidiabele activiteit worden gemaakt, bijvoorbeeld
                            door uitbesteding van een deel van de subsidiabele activiteit en kosten
                            van voor de subsidiabele activiteit geleverde goederen en diensten.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 8:3 Hardheidsclausule</vet></al><al>Een te treffen voorziening, die niet in de verordening is voorzien, dient altijd
                    binnen de doelstellingen van de subsidie te passen. De toepassing van de
                    hardheidsclausule dient beperkt te blijven tot individuele gevallen. Zodra de
                    toepassing van een hardheidsclausule voor bepaalde gevallen voldoende is
                    uitgekristalliseerd en daardoor en bestendig karakter heeft gekregen, dient dit
                    beleid in de Algemene subsidieverordening of in nadere regels te worden
                    neergelegd.</al><al/><al><vet>Artikel 8:4 Inwerkingtreding, </vet></al><al/><al><vet>Artikel 8:5 Citeertitel</vet></al><al>Voor de hier opgenomen overgangs- en slotbepalingen is gebruik gemaakt van de
                    daarvoor gebruikelijke formuleringen.</al><al/><al>Aldus vastgesteld in de vergadering van het Algemeen Bestuur van de RWB van 17
                    maart 2015.</al><al/><al>Voorzitte, Secretaris</al><al>Paul Depla, Mart Dircks</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>