<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR375919_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Re-integratie- en loonkostensubsidieverordening Participatiewet gemeente Twenterand 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Twenterand</dcterms:creator><dcterms:modified>2015-07-08</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Twenterand</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad 7 juli 2015</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Re-integratie- en loonkostensubsidieverordening Participatiewet</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Participatiewet;</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet en Algemene wet bestuursrecht.</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-06-30</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-07-08</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-05-15</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>BISNr. 015.038.0008</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Met de inwerkingtreding van deze verordening worden de Re-integratieverordening Wet werk en bijstand gemeente Twenterand en de Verordening wachtlijstbeheer Wet sociale werkvoorziening ingetrokken.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Re-integratie- en loonkostensubsidieverordening Participatiewet gemeente Twenterand 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Nr. 015.038.0008</al><al>De raad van de gemeente Twenterand;</al><al>gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders;</al><al><vet><cursief>besluit:</cursief></vet></al><al>vast te stellen de: </al><al><vet>Re-integratie- en loonkostensubsidieverordening Participatiewet
                            gemeente Twenterand 2015</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet
                            nader worden omschreven, hebben dezelfde</al><al> betekenis als in de Participatiewet, de Algemene wet bestuursrecht
                            (Awb) en de Gemeentewet. </al></li><li nr="2."><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><cursief>de wet</cursief>: de Participatiewet;</al></li><li nr="b."><al><cursief>het college</cursief>: het college van
                                            burgemeester en wethouders van de gemeente
                                            Twenterand;</al></li><li nr="c."><al><cursief>de raad</cursief>: de gemeenteraad van de
                                            gemeente Twenterand;</al></li><li nr="d."><al><cursief>doelgroep</cursief>: personen als bedoeld in
                                            artikel 7, eerste lid, onder a, van de wet.</al></li><li nr="e."><al><cursief>cliëntenraad</cursief>: het op grond van
                                            artikel 47 van de wet en de daaruit voortvloeiende
                                            verordening cliëntenparticipatie ingestelde
                                            overlegorgaan met personen uit de doelgroep of hun
                                            vertegenwoordigers.</al></li><li nr="f."><al><cursief>grote afstand tot de arbeidsmarkt</cursief>:
                                            deelname aan de arbeidsmarkt is redelijkerwijs niet
                                            mogelijk binnen één jaar;</al></li><li nr="g."><al><cursief>korte afstand tot de arbeidsmarkt</cursief>:
                                            deelname aan de arbeidsmarkt is redelijkerwijs mogelijk
                                            binnen één jaar.</al></li></lijst></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Beleid en financiën</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Evenwichtige verdeling en financiering</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan aan een persoon die behoort tot de doelgroep
                            ondersteuning bij de arbeidsinschakeling en voor zover</al><al> het college dat noodzakelijk acht een voorziening gericht op
                            arbeidsinschakeling aanbieden. </al></li><li nr="2."><al>Bij de keuze van de mogelijkheden van ondersteuning en het aanbieden
                            van voorzieningen, biedt het college maatwerk.</al><al> Daarbij wordt door het college een afweging gemaakt, waarbij gekeken
                            wordt of de voorziening, gelet op de </al><al> mogelijkheden, capaciteiten en wensen van de belanghebbende, het meest
                            doelmatig is met het oog op inschakeling in </al><al> de arbeid. </al></li><li nr="3."><al>Het college houdt bij het aanbieden van de in deze verordening
                            opgenomen voorzieningen rekening met de</al><al> omstandigheden en functionele beperkingen van een persoon. De
                            omstandigheden hebben in ieder geval betrekking op </al><al> zorgtaken van die persoon en de mogelijkheid dat hij behoort tot de
                            doelgroep loonkostensubsidie of gebruik maakt van </al><al> de voorziening beschut werk. Onder zorgtaken wordt in ieder geval
                            verstaan: </al><lijst><li nr="a."><al>de opvang van ten laste komende kinderen tot vijf jaar, en</al></li><li nr="b."><al>de noodzakelijkheid van het verrichten van mantelzorg.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al> Het college biedt periodiek aan de raad een voortgangsrapportage aan met betrekking tot de
                                    resultaten van het re-</al><al> integratiebeleid. Deze rapportage wordt ook aangeboden aan de
                            cliëntenraad. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Subsidieplafond</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een of meer subsidieplafonds vaststellen voor de
                                verschillende voorzieningen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan een plafond instellen voor het aantal personen dat
                                in aanmerking komt voor een specifieke voorziening.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Algemene bepalingen over voorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Algemene bepalingen over voorzieningen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan ter nadere uitvoering van deze verordening nadere
                                    regels stellen, waarin wordt vastgelegd welke</al><al> voorzieningen, waaronder ondersteunende voorzieningen, het college in
                                    ieder geval kan aanbieden en de voorwaarden </al><al> die daarbij gelden, voor zover daarover in deze verordening geen nadere
                                    bepalingen zijn opgenomen. Deze kunnen onder </al><al> meer betrekking hebben op: </al><lijst><li nr="a."><al>de voorwaarden waaronder een voorziening wordt aangeboden;</al></li><li nr="b."><al>de aanvraag van en de besluitvorming over voorzieningen,
                                            subsidies en premies;</al></li><li nr="c."><al>nadere criteria voor het vaststellen van de doelgroep
                                            loonkostensubsidie en de doelgroep beschut werken;</al></li><li nr="d."><al>de noodzakelijkheid van scholing, de duur daarvan en de maximaal
                                            te vergoeden kosten;</al></li><li nr="e."><al>mensen zonder een gemeentelijke uitkering
                                            (niet-uitkeringsgerechtigden en personen met een uitkering
                                            volgens de Algemene nabestaandenwet);</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het college kan een voorziening beëindigen als:</al><lijst><li nr="a."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn verplichting
                                            als bedoeld in de artikelen 9 en 17 van de wet en de artikelen
                                            13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                            arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de artikelen 13 en 37
                                            van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                            arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen niet nakomt;</al></li><li nr="b."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer behoort
                                            tot de doelgroep;</al></li><li nr="c."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt algemeen
                                            geaccepteerde arbeid aanvaardt waarbij geen gebruik wordt
                                            gemaakt van een in deze verordening genoemde voorzieningen,
                                            tenzij het betreft een persoon als bedoeld in artikel 7, eerste
                                            lid, onder a, van de wet;</al></li><li nr="d."><al>naar het oordeel van het college de voorziening onvoldoende
                                            bijdraagt aan een snelle arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="e."><al>de voorziening naar het oordeel van het college niet meer
                                            geschikt is voor de persoon die gebruik maakt van de
                                            voorziening;</al></li><li nr="f."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet naar behoren
                                            gebruik maakt van de aangeboden voorziening;</al></li><li nr="g."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer voldoet
                                            aan de voorwaarden die in deze verordening worden gesteld om in
                                            aanmerking te komen voor die voorziening.</al></li></lijst></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Voorzieningen gericht op uitstroom naar regulier werk</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Proefplaats</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan een persoon, die behoort tot de doelgroep een
                            proefplaats gericht op arbeidsinschakeling aanbieden</al><al> voor zover dit gezien zijn afstand tot de arbeidsmarkt passend is. </al></li><li nr="2."><al>Het doel van een proefplaats is het beoordelen of een persoon
                            voldoende competenties heeft voor een beoogde</al><al> arbeidsplaats. </al></li><li nr="3."><al>De duur van de proefplaatsing is maximaal 3 maanden.</al></li><li nr="4."><al>Er wordt een schriftelijke overeenkomst opgesteld met de beoogde
                                    werkgever en de persoon die op de proefplaats</al><al> wordt geplaatst. In de overeenkomst worden de invulling van de
                            proefplaats en de wijze van begeleiding vastgelegd. </al></li><li nr="5."><al>Het college vergewist zich ervan voor de plaatsing dat de
                            aansprakelijkheids- en ongevallen risico’s ten behoeve van de</al><al> persoon zijn afgedekt. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Werkstage</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan een persoon een werkstage gericht op
                                    arbeidsinschakeling aanbieden als deze:</al><lijst><li nr="a."><al>behoort tot de doelgroep, en</al></li><li nr="b."><al>nog niet actief is geweest op de arbeidsmarkt of een
                                            afstand tot de arbeidsmarkt heeft door langdurige
                                            werkloosheid.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het doel van een werkstage is het opdoen van werkervaring of het
                                    leren functioneren in een arbeidsrelatie.</al></li><li nr="3."><al>De duur van de werkstage is maximaal drie maanden en kan
                                    éénmalig met maximaal drie maanden bij dezelfde</al><al> werkgever worden verlengd. </al></li><li nr="4."><al>Het college plaatst de persoon uitsluitend als hierdoor de
                            concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden</al><al> beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt. </al></li><li nr="5."><al>Er wordt een schriftelijke overeenkomst opgesteld met de werkgever die
                            de werkstage aanbiedt en de persoon die de</al><al> werkstage gaat verrichten. In de overeenkomst worden het doel van de
                            werkstage en de wijze van begeleiding </al><al> vastgelegd. </al></li><li nr="6."><al>Het college vergewist zich ervan voor de plaatsing dat de
                            aansprakelijkheids- en ongevallen risico’s ten behoeve van de</al><al> persoon zijn afgedekt. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Detacheringsbaan</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan zorgen voor toeleiding van een persoon die behoort tot
                            de doelgroep naar een dienstverband met een</al><al> detacheringsbedrijf of uitzendbureau, die als werkgever optreedt. </al></li><li nr="2."><al>De werknemer wordt voor het verrichten van arbeid gedetacheerd bij een
                            onderneming. De detachering wordt</al><al> vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst tussen zowel de werkgever
                            en inlenende organisatie als tussen de </al><al> werknemer en inlenende organisatie. </al></li><li nr="3."><al>Een werknemer wordt uitsluitend geplaatst als hierdoor de
                            concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden</al><al> beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Loonkostensubsidie</titel></kop><al>De loonkostensubsidie genoemd in dit artikel is niet noodzakelijk
                            gericht op personen met een arbeidsbeperking. Het gaat in hier dus niet
                            om de loonkostensubsidie die verstrekt kan worden aan personen als
                            bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Participatiewet
                            van wie is vastgesteld dat zij met voltijdse arbeid niet in staat zijn
                            tot het verdienen van een wettelijk minimumloon, doch wel mogelijkheden
                            tot arbeidsparticipatie hebben (artikel 6, eerste lid, onderdeel e, van
                            de Participatiewet). </al><lijst><li nr="1."><al>Het college kan een tijdelijke loonkostensubsidie verstrekken
                                    aan werkgevers die een persoon in dienst neemt die tot de
                                    doelgroep behoort benoemd in artikel 7, eerste lid, onderdeel a,
                                    van de Participatiewet. </al></li><li nr="2."><al>De subsidie wordt uitsluitend verstrekt als hierdoor de
                                    concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en
                                    geen verdringing plaatsvindt. </al></li><li nr="3."><al>De loonkostensubsidie wordt niet verstrekt als de werkgever op
                                    grond van een andere regeling aanspraak maakt op financiële
                                    tegemoetkomingen in verband met de indiensttreding van de
                                    werknemer. </al></li><li nr="4."><al>Het college kan ter nadere uitvoering van dit artikel regels
                                    stellen, waarin wordt vastgelegd welke voorwaarden daarbij
                                    gelden. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>No-riskpolis (compensatievoorziening voor
                                ziekteverzuimrisico).</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan de kosten van de no-riskpolis voor werkgevers
                                    vergoeden.</al></li><li nr="2."><al>De uitvoering van de No-riskpolis wordt conform landelijke
                                    afspraken namens de gemeenten verzorgd door het</al><al> Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) voor de doelgroep
                            met een arbeidsbeperking. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Persoonlijke ondersteuning</titel></kop><al>Aan een persoon die behoort tot de doelgroep kan het college
                            persoonlijke ondersteuning bij het verrichten van de aan die persoon
                            opgedragen taken aanbieden in de vorm van structurele begeleiding (job
                            coaching) als hij zonder persoonlijke ondersteuning niet in staat is de
                            aan hem opgedragen taken te verrichten. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Verwervingskosten</titel></kop><al>Het college kan aan een persoon die behoort tot de doelgroep een
                            bijdrage verstrekken in de aantoonbare en reële directe en
                            voorwaardenscheppende kosten die gemaakt moeten worden in het kader van
                            het re-integratietraject. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Scholing</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep
                                    scholing aanbieden.</al></li><li nr="2."><al>Scholing voldoet in ieder geval aan de volgende eisen:</al><lijst><li nr="a."><al>de persoon moet de mogelijkheden en capaciteiten hebben
                                            om de scholing binnen de gestelde termijn met</al><al> goed gevolg af te kunnen ronden, en </al></li><li nr="b."><al>de scholing vormt de kortste weg naar duurzame
                            arbeidsparticipatie</al></li></lijst></li></lijst><al>Het eerste lid is niet van toepassing op personen als bedoeld in artikel
                            7, derde lid, onder a, van de wet. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Ondersteuning bij leer-werktraject</titel></kop><al>Het college kan ondersteuning aanbieden aan een persoon uit de doelgroep
                            ten aanzien van wie het </al><al>college van oordeel is dat een leer-werktraject nodig is, voor zover
                            deze ondersteuning nodig is voor </al><al>het volgen van een leer-werktraject en het personen betreft: </al><lijst><li nr="a."><al>van 16 of 17 jaar van wie de leerplicht of de
                                    kwalificatieplicht, bedoeld in de Leerplichtwet 1969, nog niet
                                    is </al><al> geëindigd, of </al></li><li nr="b."><al>van 18 tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben
                                    behaald.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Voorzieningen niet gericht op regulier werk</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Participatievoorziening beschut werk</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan de voorziening beschut werk aanbieden aan een persoon
                            uit de doelgroep die door een lichamelijke,</al><al> verstandelijke of psychische beperking een zodanige mate van
                            begeleiding op en aanpassingen van de werkplek nodig </al><al> heeft dat van een reguliere werkgever redelijkerwijs niet kan worden
                            verwacht dat hij deze persoon in dienst neemt. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college bepaalt - rekening houdend met de bepalingen in artikel 3
                            - de omvang van de participatievoorziening</al><al> beschut werk en legt vast hoeveel plekken voor beschut werk de gemeente
                            beschikbaar stelt. In verband hiermee </al><al> overlegt het college met het Uitvoeringsinstituut
                            werknemersverzekeringen, aan de gemeente gelieerde bedrijven en </al><al> andere reguliere werkgevers. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan uit de personen uit de doelgroep een voorselectie
                            maken en wint bij het Uitvoeringsinstituut</al><al> werknemersverzekeringen advies in voor de beoordeling of zij
                            uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste </al><al> omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. Het
                            college selecteert voor deze beoordeling uitsluitend </al><al> personen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt; </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Om de in artikel 10b, eerste lid, van de Participatiewet, bedoelde
                            werkzaamheden mogelijk te maken zet het college de</al><al> volgende ondersteunende voorzieningen in: fysieke aanpassingen van de
                            werkplek of de werkomgeving, uitsplitsing van </al><al> taken of aanpassingen in de wijze van werkbegeleiding, werktempo of
                            arbeidsduur. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Participatieplaats</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan een persoon van 27 jaar of ouder met recht op algemene
                            bijstand overeenkomstig artikel 10a van de wet</al><al> onbeloonde additionele werkzaamheden laten verrichten voor zover dit
                            gezien zijn afstand tot de arbeidsmarkt passend is. </al></li><li nr="2."><al>De duur van de participatieplaats is maximaal twee jaar, met de
                                    mogelijkheid van verlenging van twee maal één jaar.</al></li><li nr="3."><al>Er wordt een schriftelijke overeenkomst opgesteld met de
                                    werkgever die de participatieplaats aanbiedt en de persoon</al><al> die de onbeloonde additionele werkzaamheden gaat verrichten. In de
                            overeenkomst worden de uit te voeren </al><al> werkzaamheden en de wijze van begeleiding vastgelegd. </al></li><li nr="4."><al>Het college vergewist zich ervan voor de plaatsing dat de
                            aansprakelijkheids- en ongevallen risico’s ten behoeve van de</al><al> persoon zijn afgedekt. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Sociale activering</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep
                                    activiteiten aanbieden in het kader van sociale activering.</al></li><li nr="2."><al>Het college stemt de duur van de in het eerste lid bedoelde
                                    activiteiten af op de mogelijkheden en capaciteiten van die persoon. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Loonkostensubsidie</titel></kop><al>Het betreft hier loonkostensubsidie die verstrekt kan worden aan
                            personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de
                            Participatiewet van wie is vastgesteld dat zij met voltijdse arbeid niet
                            in staat zijn tot het verdienen van een wettelijk minimumloon, doch wel
                            mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben (artikel 6, eerste lid,
                            onderdeel e, van de Participatiewet).] </al><lijst><li nr="1."><al>Het college stelt vast of een persoon behoort tot de doelgroep
                                    loonkostensubsidie.</al></li><li nr="2."><al>Hierbij neemt het college de volgende criteria in acht:</al><lijst><li nr="a."><al>een persoon moet behoren tot de doelgroep conform
                                            artikel 7 lid 1 onderdeel a van de Participatiewet;</al></li><li nr="b."><al>die persoon is tijdelijk niet in staat met voltijdse
                                            arbeid het wettelijk minimumloon te verdienen, en</al></li><li nr="c."><al>die persoon heeft mogelijkheden tot
                                            arbeidsparticipatie.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het college kan bij de vaststelling of een persoon tot de
                                    doelgroep loonkostensubsidie behoort zich laten adviseren door
                                    een externe deskundige. Deze adviseur neemt daarbij de in het
                                    tweede lid neergelegde criteria in acht.</al></li><li nr="4."><al>Het college verstrekt de subsidie alleen als hierdoor de
                                    concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en
                                    er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt.</al></li><li nr="5."><al>Het college stelt de loonwaarde van een persoon vast aan de hand
                                    van het Koninklijk Besluit Loonkostensubsidie Participatiewet
                                    d.d. 6 oktober 2014 en de daarop gebaseerde Regeling
                                    Loonkostensubsidie Participatiewet d.d. 10 oktober 2014.</al></li><li nr="6."><al>Een deskundige adviseert het college met betrekking tot de
                                    vaststelling van de loonwaarde van een persoon. Deze neemt
                                    daarbij de in het vijfde lid bedoelde voorschriften in
                                    acht.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Premies</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan aan uitkeringsgerechtigden, niet zijnde jongeren, die
                            onbeloonde additionele werkzaamheden verrichten</al><al> conform artikel 10a, zesde lid, van de wet, een premie verstrekken. </al></li><li nr="2."><al>Het college verstrekt aan belanghebbende, telkens nadat hij gedurende
                            zes maanden heeft deelgenomen aan een</al><al> voorziening een premie indien hij naar het oordeel van het college in
                            die zes maanden voldoende heeft meegewerkt aan </al><al> het vergroten van zijn kans op inschakeling in het arbeidsproces. </al></li><li nr="3."><al>De premie bedraagt max. € 150 per half jaar of bij uitstroom
                                    naar rato.</al></li><li nr="4."><al>De premie kan maximaal gedurende de termijn van de voorziening
                                    worden verstrekt.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Nadere regels en hardheidsclausule</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffend,
                                    waarin de verordening niet voorziet, beslist het college.</al></li><li nr="2."><al>Voor zover noodzakelijk voor de uitvoering van deze verordening
                                    kan het college in beleidsregels nadere regels stellen.</al></li><li nr="3."><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de
                                    rechthebbende afwijken van de bepalingen van deze</al><al> verordening indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van
                            overwegende aard leidt. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Intrekken oude verordening</titel></kop><al>De re-integratieverordening Wet werk en bijstand gemeente Twenterand en
                            de verordening wachtlijstbeheer Wet sociale werkvoorziening worden
                            ingetrokken. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag
                                    na de datum van bekendmaking.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Re-integratie- en
                                    loonkostensubsidieverordening Participatiewet gemeente</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Twenterand 2015. </ondertekening><ondertekening>Vriezenveen, 30 juni 2015 </ondertekening><ondertekening>De raad voornoemd, </ondertekening><ondertekening>de griffier, de voorzitter, </ondertekening><ondertekening>drs. R.J.M. Ros ir. C.L. Visser </ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Algemene toelichting</titel></kop><al/><al><vet>Algemeen </vet></al><al>Deze verordening geeft uitvoering aan de nieuwe artikelen 6, 8a en 10b
                            van de Participatiewet. Overeenkomstig deze bepalingen dient de raad bij
                            verordening regels vast te stellen voor de doelgroep en de werkgevers.
                            Er is gekozen voor een algemene, kader stellende verordening. Dit heeft
                            te maken met de aard van de opdracht die de raad heeft gekregen, te
                            weten het bij verordening regels stellen waarbinnen het beleid van de
                            gemeente ten aanzien van haar re-integratietaak wordt neergelegd. In dit
                            beleid moet onder andere aandacht blijken voor de in de Participatiewet
                            onderscheiden doelgroepen en de daarbinnen te onderscheiden subgroepen.
                            Dit leent zich niet tot het formuleren van gedetailleerde regels die op
                            iedere situatie van toepassing zijn. Immers, re-integratie en
                            participatie is maatwerk. </al><al>Het is helemaal afhankelijk van iemands mogelijkheden en beperkingen wat
                            in het concrete </al><al>geval een passend re-integratietraject is. Daarom wordt aan het college
                            de opdracht én bevoegdheid </al><al>gegeven om de kaders nader uit te werken. Artikel 10 van de
                            Participatiewet bepaalt dat personen uit </al><al>de doelgroep aanspraak hebben op ondersteuning bij de
                            arbeidsinschakeling en de door het college </al><al>noodzakelijk geachte voorziening binnen de kaders van de
                            re-integratieverordening. Daarom is ervoor </al><al>gekozen in de verordening de voorzieningen vast te leggen die het
                            college in ieder geval kan aanbieden. </al><al>Met betrekking tot de volgende voorzieningen is de raad verplicht om
                            regels op te nemen in </al><al>deze verordening: </al><lijst><li nr="1."><al>persoonlijke ondersteuning en het aanbieden van voorzieningen
                                    gericht op arbeidsinschakeling (artikelen 8a, eerste lid,
                                    onderdeel a en artikel 10, eerste lid, van de
                                    Participatiewet).</al></li><li nr="2."><al>scholing of opleiding, bedoeld in artikel 10a, vijfde lid, van
                                    de Participatiewet (artikelen 8a, eerste lid, onderdeel c, en
                                    tweede lid, onderdeel c, van de Participatiewet);</al></li><li nr="3."><al>de premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid, Participatiewet
                                    (artikelen 8a, eerste lid, onderdeel d, en tweede lid, onderdeel
                                    c, van de Participatiewet);</al></li><li nr="4."><al>participatievoorziening beschut werk, bedoeld in artikel 10b van
                                    de Participatiewet (artikelen 8a, eerste lid, onderdeel e, en
                                    10b, vierde lid, van de Participatiewet);</al></li><li nr="5."><al>loonkostensubsidie, als bedoeld in artikel 6, tweede lid van de
                                    Participatiewet;</al></li><li nr="6."><al>no riskpolis (artikel 8a, tweede lid, onderdeel b, van de
                                    Participatiewet).</al></li></lijst><al><vet>Voorzieningen </vet></al><al>Deze verordening regelt de verstrekking van voorzieningen aan haar
                            inwoners, werkgevers en andere </al><al>relevante organisaties. Dit roept natuurlijk de vraag op wat een
                            voorziening is. Bij een voorziening </al><al>gaat het in de eerste plaats om de verstrekking van de gemeente aan een
                            inwoner. De gemeente </al><al>streeft naar verbetering van de situatie voor een bewoner. Sommige
                            verstrekkingen hebben een indirect karakter bijvoorbeeld een
                            proefplaatsing bij een werkgever en de no-riskpolis. </al><al>Bij het beleid wordt onderscheid gemaakt tussen voorzieningen gericht op
                            directe instroom in regulier werk (hoofdstuk 4) en andere voorzieningen
                            die niet direct gericht zijn op regulier werk (hoofdstuk 5). Dit
                            onderscheid wordt onder meer gebaseerd op de afstand van de persoon tot
                            de arbeidsmarkt, waarbij wij onderscheiden: </al><al><cursief>Korte afstand tot arbeidsmarkt </cursief></al><al>Onder een korte afstand tot de arbeidsmarkt wordt verstaan dat een
                            persoon redelijkerwijs binnen één jaar geschikt is voor deelname aan de
                            arbeidsmarkt. </al><al><cursief>Grote afstand tot arbeidsmarkt </cursief></al><al>Onder een grote afstand tot de arbeidsmarkt wordt verstaan dat een
                            persoon redelijkerwijs niet binnen één jaar geschikt is voor deelname
                            aan de arbeidsmarkt. </al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Artikelsgewijze toelichting</titel></kop><al/><al>Enkel die bepalingen die verdere toelichting behoeven worden hieronder
                            behandeld. </al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al>Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, Algemene wet
                            bestuursrecht of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk gedefinieerd in
                            deze verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing op deze
                            verordening. </al><al><cursief>Doelgroep </cursief></al><al>De doelgroep wordt gevormd door personen zoals bedoeld in artikel 7,
                            eerste lid, onder a, van de </al><al>Participatiewet. Het betreft: </al><lijst><li nr="a."><al>die algemene bijstand ontvangen;</al></li><li nr="b."><al>als bedoeld in artikel 34a, vijfde lid onderdelen b en c, van de
                                    Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (hierna: WIA),</al></li></lijst><al> artikel 35, vierde lid, onderdelen b en c, van de WIA en artikel 36,
                            derde lid, onderdelen b en c, van de WIA tot het </al><al> moment dat het inkomen uit arbeid in dienstbetrekking gedurende twee
                            aaneengesloten jaren ten minste het </al><al> minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon in die twee jaren
                            geen loonkostensubsidie als bedoeld in artikel </al><al> 10d van de Participatiewet is verleend; </al><lijst><li nr="c."><al>personen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de
                                    Participatiewet;</al></li><li nr="d."><al>personen met een nabestaanden- of wezen uitkering op grond van
                                    de Algemene nabestaandenwet (hierna: ANW);</al></li><li nr="e."><al>personen met een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening
                                    oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze</al></li></lijst><al> werknemers (hierna: IOAW); </al><al>f.personen met een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere
                            en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen</al><al> zelfstandigen (hierna: IOAZ); </al><al>g.personen zonder uitkering (niet uitkerings-gerechtigden, hierna:
                            nuggers);</al><al> en die voor de arbeidsinschakeling zijn aangewezen op een door het
                            college aangeboden voorziening. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Evenwichtige verdeling en financiering</titel></kop><al>Op grond van artikel 8a, tweede lid, onderdeel a, van de Participatiewet
                            moet de raad in de </al><al>verordening ingaan op de verdeling van de voorzieningen over personen,
                            waarbij rekening wordt gehouden met de omstandigheden en de functionele
                            beperkingen van die personen. Hierin ligt besloten dat de raad ook
                            rekening houdt met de omstandigheden en functionele beperkingen van
                            personen met een handicap. Dit is in overeenstemming met het VN-verdrag
                            inzake de rechten van personen met een handicap. De doelstelling van dit
                            verdrag is het bevorderen, beschermen en waarborgen van het volledige
                            genot door alle personen met een handicap van alle mensenrechten en
                            fundamentele vrijheden op voet van gelijkheid en het bevorderen van de
                            eerbiediging van hun inherente waardigheid. In dit artikel is aan het
                            voorgaande uitvoering gegeven. </al><al><cursief>Rekening houden met omstandigheden en beperkingen
                            </cursief></al><al>Het college moet bij de inzet van voorzieningen rekening houden met de
                            omstandigheden en functionele beperkingen van een persoon. In artikel 2,
                            derde lid, is opgenomen waarmee het college in ieder geval rekening moet
                            houden. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Subsidieplafond</titel></kop><al>De wet stelt dat het ontbreken van financiële middelen alleen geen reden
                            kan zijn voor de afwijzing </al><al>van een aanvraag. De gemeente dient na te gaan welke andere, goedkopere
                            alternatieven er beschikbaar zijn. Dit houdt dus in dat er geen algemeen
                            plafond ingesteld kan worden. Wel kan per voorziening een plafond
                            ingebouwd worden; dit laat de mogelijkheid open dat er naar een andere
                            voorziening wordt uitgeweken. </al><al>De aan het college gegeven mogelijkheid om een subsidieplafond vast te
                            stellen, is ingesteld om ongewenste overschrijding van de beschikbare
                            middelen te voorkomen. Dat is nodig omdat vooraf niet exact bepaald kan
                            worden hoe groot de instroom in de uitkering zal zijn, hoe effectief het
                            re-integratiebeleid zal zijn, en wat de uitgaven zullen zijn die daar
                            het gevolg van zijn. Een subsidieplafond geldt voor voorzieningen die
                            subsidies inhouden. </al><al>Het subsidieplafond moet door het college per voorziening worden
                            vastgesteld. Een door het college ingesteld subsidieplafond vormt een
                            weigeringsgrond bij de aanspraak op de desbetreffende voorziening.
                            Indien er geen subsidieplafond kan worden vastgesteld, kan het college
                            besluiten een plafond in te stellen aan het aantal personen dat gebruik
                            kan maken van de subsidie. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Algemene bepalingen over voorzieningen</titel></kop><al>De Participatiewet schrijft niet uitputtend voor welke voorzieningen het
                            college aan moet bieden. Het </al><al>enige criterium is dat de voorziening gericht moet zijn op de
                            arbeidsinschakeling en moet bijdragen </al><al>aan het (op termijn) mogelijk maken van reguliere arbeid door een
                            persoon. Al naar gelang de afstand </al><al>van een persoon tot de arbeidsmarkt kan een voorziening gericht zijn op
                            bijvoorbeeld sociale activering en het voorkomen van een isolement
                            (zoals het doen van vrijwilligerswerk met behoud van uitkering), het
                            leren van vaardigheden of kennis, of het opdoen van werkervaring
                            (bijvoorbeeld via gesubsidieerd werk). Ook is het mogelijk dat een
                            gemeente in individuele gevallen een persoonsgebonden
                            re-integratiebudget ter beschikking stelt. </al><al>Deelname aan re-integratie is niet vrijblijvend. De belanghebbende die
                            deelneemt aan een voorziening is gehouden te voldoen aan de
                            verplichtingen die voortvloeien uit de wet, alsmede aan de
                            verplichtingen die het college aan de aangeboden voorziening heeft
                            verbonden. Indien een uitkeringsgerechtigde die deelneemt aan een
                            voorziening, hier niet aan voldoet, kan het college een maatregel
                            opleggen conform hetgeen hierover is bepaald in de
                            maatregelenverordening Participatiewet. </al><al>Voor personen zonder uitkering (nuggers of anw-ers) die gebruik maken
                            van een voorziening, en niet voldoet aan de vastgestelde verplichtingen,
                            kan het college de kosten van de voorziening dan wel de subsidie geheel
                            of gedeeltelijk terugvorderen. De Participatiewet voorziet echter niet
                            in een terugvorderingsgrond van re-integratiekosten die onnodig zijn
                            gemaakt. Terugvordering van een uitkeringsgerechtigde en van een
                            niet-uitkeringsgerechtigde dient daarom te geschieden op grond van het
                            Burgerlijk Wetboek.<cursief>Beëindigingsgronden </cursief></al><al>Het vierde lid geeft aan dat het college een voorziening kan beëindigen
                            en in welke gevallen het dat kan doen. Onder beëindigen wordt hierbij
                            ook verstaan het stopzetten van de subsidie aan een werkgever of het
                            opzeggen van de arbeidsovereenkomst bij een detacheringsbaan. Bij deze
                            laatste wijze van beëindigen dienen vanzelfsprekend de toepasselijke
                            bepalingen uit het arbeidsrecht en de eventueel aanwezige
                            rechtspositieregeling in acht te worden genomen. </al><al>Een voorziening wordt bijvoorbeeld beëindigd als een persoon algemeen
                            geaccepteerde arbeid aanvaardt. Voor de persoon zoals bedoeld in artikel
                            7, eerste lid, onderdeel a onder 2, van de Participatiewet wordt op dit
                            punt een uitzondering gemaakt. Het gaat om de persoon zoals bedoeld in
                            artikel 34a, vijfde lid, onderdelen b en c, 35, vierde lid, onderdelen b
                            en c en 36, derde lid, onderdelen b en c, van de WIA. Voor deze
                            doelgroep geldt dat het college ondersteuning bij de arbeidsinschakeling
                            moet bieden tot het moment dat gedurende twee aaneengesloten jaren ten
                            minste het minimumloon is verdiend en aan die persoon in die twee jaren
                            geen loonkostensubsidie is verstrekt. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Proefplaats</titel></kop><al>Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep een proefplaats
                            aanbieden voor zover dit </al><al>passend is gezien zijn afstand tot de arbeidsmarkt. Het doel van de
                            proefplaats is het beoordelen van </al><al>iemands vaardigheden en kennis ten behoeve van een concrete werkplek. De
                            beoogde kandidaat </al><al>heeft een dermate afstand tot de arbeidsmarkt dat de normale
                            proefperiode, waarbij de kandidaat </al><al>direct in dienst komt van de werkgever niet reëel is. De beoogde
                            kandidaat heeft door de proefplaatsing geen recht op loon. In de term
                            proefplaats zit besloten, dat de werkgever wel voldoende vertrouwen
                            dient te hebben in de beoogde kandidaat met het oog op de
                            indienstneming. </al><al>Tijdens de proefplaatsing is de beoogd kandidaat maximaal 3 maanden met
                            behoud van uitkering aan het werk bij een werkgever. De werkgever heeft
                            de intentie, bij gebleken geschiktheid, de kandidaat een
                            arbeidsovereenkomst te geven voor de duur van minimaal een half jaar. </al><al>Het college legt in een schriftelijke overeenkomst de voorwaarden van de
                            proefplaatsing vast. Deze </al><al>overeenkomst wordt door de beoogd kandidaat en werkgever ondertekend.
                        </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Werkstage</titel></kop><al>Een werkstage is net als sommige andere voorzieningen in het kader van
                            de Participatiewet geen </al><al>arbeidsovereenkomst (participatieplaats, proefplaats). Bij een
                            beoordeling of er al dan niet sprake is </al><al>van een arbeidsovereenkomst toetst de rechter aan de drie criteria voor
                            het bestaan van een arbeids- </al><al>overeenkomst: persoonlijk verrichten van arbeid, loon en
                            gezagsverhouding. Daarbij wordt gekeken </al><al>naar een aantal aspecten zoals de bedoeling van de partijen en wat al
                            dan niet schriftelijk is overeengekomen. De rechter besteedt vooral
                            aandacht aan de feitelijke invulling van de overeenkomst. </al><al><cursief>Werkstage is gericht op uitbreiding kennis en ervaring
                            </cursief></al><al>De Hoge Raad heeft bepaald dat er bij werkstages weliswaar sprake is van
                            het persoonlijk verrichten </al><al>van arbeid, maar dat dit overwegend gericht is op het uitbreiden van de
                            kennis en ervaring van de </al><al>werknemer. Daarnaast is bij een werkstage in de regel geen sprake van
                            beloning. Terughoudend zijn </al><al>met het verstrekken van een gerichte stagevergoeding ligt daarom voor de
                            hand. Er kan wel een onkostenvergoeding worden gegeven, mits er sprake
                            is van het vergoeden van feitelijk gemaakte kosten. </al><al><cursief>Doelgroep werkstage </cursief></al><al>Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep een werkstage
                            aanbieden binnen de voorwaarden van deze verordening. </al><al><cursief>Doel van de werkstage </cursief></al><al>Het tweede lid geeft nog eens specifiek aan wat het doel is van de
                            werkstage, om het verschil met een </al><al>normale arbeidsverhouding aan te geven. De werkstage kan twee doelen
                            hebben. In de eerste plaats </al><al>kan het gaan om het opdoen van specifieke werkervaring. Dit is
                            vergelijkbaar met de zogenaamde </al><al>‘snuffelstage’, waarbij een persoon de gelegenheid krijgt om te bezien
                            of het soort werk als passend </al><al>kan worden beschouwd. In de tweede plaats kan het gaan om het leren
                            werken in een arbeidsrelatie. </al><al>In de werkstage kan een persoon wennen aan aspecten als gezag, op tijd
                            komen, werkritme en samenwerken met collega’s. </al><al><cursief>Duur </cursief></al><al>De duur van de werkstage is 3 maanden en kan indien dit ten goede komt
                            aan de ontwikkeling van de </al><al>kandidaat met maximaal 3 maanden worden verlengd. </al><al><cursief>Schriftelijke overeenkomst </cursief></al><al>In het vijfde lid is bepaald dat voor de werkstage een schriftelijke
                            overeenkomst wordt opgesteld. Hierin kan expliciet het doel van de
                            werkstage worden opgenomen, evenals de wijze van begeleiding. </al><al>Door deze schriftelijke overeenkomst kan nog eens worden gewaarborgd dat
                            het bij een werkstage </al><al>niet gaat om een reguliere arbeidsverhouding. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Detacheringsbaan</titel></kop><al>De Participatiewet biedt de mogelijkheid personen uit de doelgroep een
                            dienstverband aan te bieden </al><al>om op detacheringsbasis werkervaring op te doen. In de verordening zijn
                            de randvoorwaarden vastgelegd waarbinnen de banen vormgegeven worden. </al><al>Het eerste lid biedt de mogelijkheid tot het aangaan van het
                            dienstverband. Het college zorgt ervoor </al><al>dat een persoon een dienstverband krijgt aangeboden door een derde, die
                            als werkgever optreedt. Die derde kan bijvoorbeeld een
                            detacheringsbureau zijn. In het tweede lid wordt bepaald dat het gaat om
                            detachering. Daarbij worden op twee vlakken afspraken gemaakt. Ten
                            eerste tussen het inlenende bedrijf en de werkgever. Hierin worden zaken
                            geregeld als de verhouding tot de werkgever, de hoogte van de
                            inleenvergoeding en de wijze waarop de begeleiding wordt vormgegeven. In
                            de overeenkomst tussen werknemer en inlener worden afspraken gemaakt
                            over werktijden, verlof en de inhoud van het werk. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Loonkostensubsidie</titel></kop><al>Gesubsidieerde arbeid kan als één van de voorzieningen worden ingezet om
                            de arbeidsinschakeling te bevorderen. In de Participatiewet is geregeld
                            dat alle voorzieningen moeten dienen om een persoon uiteindelijk aan
                            regulier werk te helpen. </al><al>Compensatie Het doel van de loonkostensubsidie is het bieden van
                            compensatie voor het feit dat voor een persoon ten minste het wettelijk
                            minimumloon moet worden betaald, terwijl de werkgever een persoon (nog)
                            niet ten volle kan inzetten. Zo kan het college een loonkostensubsidie
                            aan de werkgever verstrekken om tijdelijk het verschil in
                            arbeidsproductiviteit te compenseren en zo de re-integratie van de
                            bijstandsgerechtigde te bewerkstelligen (Kamerstukken II 2004/05, 28
                            870, nr. 125). . In het eerste lid is de doelgroep opgenomen. Een nadere
                            uitwerking volgt in beleidsregels. De in artikel 8 van deze verordening
                            geregelde loonkostensubsidie moet worden onderscheiden van de
                            loonkostensubsidie zoals bedoeld in de artikelen 10c en 10d van de
                            Participatiewet. De laatstgenoemde loonkostensubsidie is geïntroduceerd
                            in de Participatiewet door de Invoeringswet Participatiewet en is
                            specifiek bedoeld voor personen met een arbeidsbeperking. De in artikel
                            8 opgenomen loonkostensubsidie is niet noodzakelijk gericht op personen
                            met een arbeidsbeperking, maar ondersteunt personen die kwetsbaar zijn
                            of tijdelijk het wettelijk minimum loon niet kunnen verdienen. </al><al>Het gaat in hier dus niet om de loonkostensubsidie die verstrekt kan
                            worden aan personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a,
                            van de Participatiewet van wie is vastgesteld dat zij met voltijdse
                            arbeid niet in staat zijn tot het verdienen van een wettelijk
                            minimumloon, doch wel mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben
                            (artikel 6, eerste lid, onderdeel e, van de Participatiewet).] </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>No-riskpolis (Compensatie voor ziekteverzuimrisico)</titel></kop><al>De no-riskpolis is een verzekering waarbij de werkgever bij ziekte van
                            de werknemer die een structurele functionele of andere beperking heeft
                            of ten behoeve van wie die werkgever een loonkostensubsidie ontvangt, in
                            aanmerking komt voor de no-riskpolis. </al><al>De no-riskpolis kan worden ingezet als ondersteuning bij de
                            arbeidsinschakeling (artikel 8a, tweede </al><al>lid, onderdeel b, van de Participatiewet). Het college kan de kosten van
                            de no-riskpolis voor werkgevers vergoeden. De no-riskpolis is een
                            belangrijk instrument om aarzelingen bij werkgevers weg te nemen om
                            mensen met arbeidsbeperkingen in dienst te nemen. De no-riskpolis zorgt
                            ervoor dat de werkgever compensatie ontvangt voor de loonkosten, wanneer
                            een werknemer met arbeidsbeperkingen ziek wordt. Een werkgever komt niet
                            in aanmerking voor een no-risk polis als artikel 29b van de Ziektewet
                            van toepassing is (artikel 8a, tweede lid, onderdeel b, van de
                            Participatiewet). </al><al>Op landelijk niveau is in december 2014 besloten om bij de plaatsing van
                            personen uit de doelgroep met een arbeidsbeperking (doelgroep
                            garantiebanen) gebruik te maken van de No-risk polis die wordt
                            uitgevoerd door het UWV. Voor andere werkzoekenden kan de gemeente
                            desgewenst een voorziening treffen. Daarnaast kunnen gemeenten, na
                            overleg met het UWV, nadere regels treffen met betrekking tot de
                            toekenning en/of de verantwoording met betrekking tot de No-risk polis. </al><al>Gezien de nog bestaande onduidelijkheid over de afbakening van de
                            doelgroep, wordt de invulling van dit artikel aan het college
                            overgelaten. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Persoonlijke ondersteuning</titel></kop><al>In dit artikel wordt de voorziening persoonlijke ondersteuning nader
                            geduid. Gedacht moet worden aan </al><al>een voorziening zoals een job-coach, die op vaste tijden en gedurende
                            een langere periode de werknemer met beperkingen bij het verrichten van
                            zijn taken ondersteunt. Het moet gaan om een systematische
                            ondersteuning. Daarnaast moet de ondersteuning noodzakelijk zijn in die
                            zin, dat de werknemer zonder die ondersteuning in redelijkheid niet zijn
                            werkzaamheden zou kunnen verrichten. Persoonlijke ondersteuning heeft
                            tot doel dat een werknemer wordt begeleid naar een situatie dat hij
                            uiteindelijk zonder begeleiding via een dergelijke voorziening bij een
                            reguliere werkgever werkzaam kan zijn. De mogelijkheid bestaat dat de
                            persoonlijke ondersteuning wordt verzorgd of georganiseerd door de
                            werkgever, waarvoor een vergoeding overeengekomen kan worden. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Verwervingskosten</titel></kop><al>Deze voorziening beoogt het college de mogelijkheid te geven om concrete
                            feitelijke kosten die ten laste van de persoon uit de doelgroep komen en
                            die een belemmering vormen voor het deelnemen </al><al>aan een re-integratietraject of het uitstromen naar betaalde arbeid te
                            vergoeden. Het kan hierbij o.a. gaan om: </al><lijst><li nr="a."><al>verhuiskosten;</al></li><li nr="b."><al>vervoerskosten;</al></li><li nr="c."><al>kosten voor kinderopvang;</al></li><li nr="d."><al>kosten van werkaanvaarding.</al></li></lijst><al>Hierop kan geen aanspraak worden gemaakt indien een beroep gedaan kan
                            worden op een voorliggende voorziening die gezien haar aard en doel
                            wordt geacht voor belanghebbende toereikend en passend te zijn. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Scholing</titel></kop><al>Gelet op artikel 2 van de verordening heeft het college de opdracht om
                            binnen de kaders van dit beleid de doelgroep voor scholing en de
                            voorwaarden nader uit te werken. </al><al><cursief>Startkwalificatie </cursief></al><al>Scholing kan worden aangeboden aan personen met of zonder
                            startkwalificatie. Onder startkwalificatie wordt verstaan een havo of
                            VWO-diploma of een diploma van het middelbaar </al><al>beroepsonderwijs (mbo), niveau twee. Vooral voor personen zonder
                            startkwalificatie kan scholing noodzakelijk zijn voor de re-integratie.
                            De scholing vormt de kortste weg naar duurzame arbeidsparticipatie. </al><al><cursief>Jongeren </cursief></al><al>Personen jonger dan 27 jaar die nog mogelijkheden hebben binnen het uit
                            's Rijks kas bekostigde </al><al>onderwijs kunnen sinds 1 juli 2012 geen voorziening ontvangen die hen
                            ondersteunt bij de arbeidsinschakeling (artikel 7, derde lid, onderdeel
                            a, van de Participatiewet). Dit is voor de volledigheid opgenomen in het
                            derde lid. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Ondersteuning bij leer-werktraject</titel></kop><al>Het college kan ondersteuning aanbieden aan een persoon uit de doelgroep
                            ten aanzien van wie het </al><al>college van oordeel is dat een leer-werktraject nodig is, voor zover
                            deze ondersteuning nodig is voor </al><al>het volgen van een leer-werktraject en het personen betreft: </al><lijst><li nr="a."><al>van 16 of 17 jaar van wie de leerplicht of de
                                    kwalificatieplicht, bedoeld in de Leerplichtwet 1969, nog niet
                                    is geëindigd, of</al></li><li nr="b."><al>van 18 tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben
                                    behaald.</al></li></lijst><al>Personen uit de doelgroep kunnen in aanmerking komen voor de voorziening
                            ondersteuning bij leerwerktrajecten. Het college moet dan wel van
                            oordeel zijn dat een leer-werktraject nodig is en de ondersteuning nodig
                            moet zijn voor het volgen van dat leer-werktraject. Dit is geregeld in
                            artikel 10 en </al><al>volgt uit artikel 10f van de Participatiewet. Dit artikel zorgt voor een
                            extra mogelijkheid voor het college </al><al>om een specifieke voorziening aan te bieden aan deze specifieke
                            doelgroep. </al><al>De voorziening ondersteuning bij leer-werktrajecten is inzetbaar voor
                            jongeren van 16 of 17 jaar oud </al><al>die dreigen uit te vallen uit school, maar middels een leer/werktraject
                            alsnog een startkwalificatie kunnen behalen. Om te voorkomen dat
                            jongeren onnodig uitvallen, wordt de mogelijkheid geboden extra
                            ondersteuning te bieden. Deze voorziening kan ook worden ingezet ter
                            voorkoming van schooluitval bij jongeren van 18 tot 27 jaar die door een
                            leer-werktraject alsnog een startkwalificatie kunnen behalen. </al><al>In artikel 10f van de Participatiewet is bepaald dat het college onder
                            omstandigheden ondersteuning </al><al>kan bieden aan personen jonger dan 18 jaar en aan personen van 18 tot 27
                            jaar die nog geen startkwalificatie hebben behaald en voor wie een
                            leer-werktraject nodig is. Er wordt vanuit gegaan dat het mogelijk is
                            een leer-werktraject aan te bieden aan personen die voldoen aan het
                            bepaalde in de artikelen 10 en 10f van de Participatiewet, in afwijking
                            van artikel 7, derde lid, onder a, van de Participatiewet. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Participatievoorziening beschut werk</titel></kop><al>Het college kan de voorziening beschut werk aanbieden aan een persoon
                            uit de doelgroep die door </al><al>een lichamelijke, verstandelijke of psychische beperking een zodanige
                            mate van begeleiding op en </al><al>aanpassingen van de werkplek nodig heeft dat niet van een reguliere
                            werkgever redelijkerwijs niet kan </al><al>worden verwacht dat hij deze in dienst neemt (eerste lid). </al><al><cursief>Omvang beschut werk </cursief></al><al>Het college moet de omvang van beschut werk (aantal werkplekken in fte)
                            nader bepalen binnen de </al><al>budgettaire mogelijkheden (artikel 3 van de verordening). </al><al><cursief>Stap 1: voorselectie </cursief></al><al>Als het college een participatievoorziening beschut werk wil toekennen,
                            doet de gemeente dit door </al><al>een voorselectie te maken uit de doelgroep. Ten aanzien van de wijze
                            waarop en in welke situaties </al><al>het college deze voorselectie maakt, kan het college nader beleid
                            ontwikkelen op grond van artikel 4, lid 2 van deze verordening. In het
                            eerste lid is reeds bepaald dat het gaat om personen die door een
                            lichamelijke, verstandelijke of psychische beperking die begeleiding
                            en/of aanpassingen van de werkplek nodig hebben. </al><al><cursief>Stap 2: advies Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
                                (UWV) </cursief></al><al>Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen adviseert het college
                            met betrekking tot het oordeel </al><al>of een persoon tot de doelgroep beschut werk behoort. Het UWV voert op
                            basis van landelijke criteria </al><al>een beoordeling uit. </al><al><cursief>Stap 3: besluit gemeente </cursief></al><al>Op basis van het advies van het Uitvoeringsinstituut
                            werknemersverzekeringen beslist de gemeente of </al><al>iemand tot de doelgroep 'beschut werk' behoort. Hierbij zij opgemerkt
                            dat de gemeente gehouden is </al><al>het advies te volgen, tenzij er bijvoorbeeld sprake is van een
                            onzorgvuldige totstandkoming. </al><al><cursief>Stap 4: dienstbetrekking 'beschut werk' </cursief></al><al>Nadat is vastgesteld dat iemand tot de doelgroep 'beschut werk' behoort,
                            kan de gemeente besluiten </al><al>tot plaatsing van deze persoon in een dienstbetrekking onder beschutte
                            omstandigheden. </al><al><cursief>Voorzieningen </cursief></al><al>In het vierde lid zijn de aanvullende voorzieningen vastgelegd die voor
                            arbeidsinschakeling ingezet worden om deze dienstbetrekking mogelijk te
                            maken. De loonkostensubsidie die als instrument voor deze doelgroep zeer
                            bruikbaar is, is uitgewerkt in artikel 8. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Participatieplaats</titel></kop><al>Een participatieplaats is bedoeld voor personen van 27 jaar en ouder.
                            Voor personen jonger dan 27 </al><al>jaar is ondersteuning in de vorm van een participatieplaats niet
                            mogelijk. Het eerste lid bepaalt dat het </al><al>gezien de afstand tot de arbeidsmarkt passend moet zijn om de
                            participatieplaats aan te bieden. Gelet </al><al>op het tweede artikel in deze verordening heeft het college de opdracht
                            om de doelgroep voor de participatieplaats binnen deze bepaling nader in
                            te vullen. </al><al><cursief>Additionele werkzaamheden </cursief></al><al>Op een participatieplaats worden additionele werkzaamheden verricht.
                            Niet de te verrichten werkzaamheden staan centraal, maar het leren
                            werken of het (opnieuw) wennen aan werken. Aspecten als omgaan met
                            gezag, op tijd komen, werkritme en samenwerking met collega’s zijn
                            allemaal zaken waaraan in een participatieplaats gewerkt kan worden. Ook
                            kan hiermee worden beoordeeld of het werkterrein past bij de
                            capaciteiten van de uitkeringsgerechtigde, zodat een persoon
                            bijvoorbeeld een opleiding op het betreffende terrein kan gaan volgen en
                            daarmee voor zichzelf een duurzaam perspectief op arbeid kan realiseren. </al><al><cursief>Duur </cursief></al><al>De duur van de participatieplaats is wettelijk beperkt tot maximaal vier
                            jaar (artikel 10a van de Participatiewet). Na negen maanden wordt
                            beoordeeld door het college of de participatieplaats de kans op
                            arbeidsinschakeling heeft vergroot (artikel 10a, achtste lid, van de
                            Participatiewet). Zo niet dan wordt de participatieplaats beëindigd.
                            Uiterlijk 24 maanden na aanvang van de participatieplaats wordt opnieuw
                            beoordeeld of de participatieplaats wordt voorgezet. Als de gemeente
                            concludeert dat voortzetting van de participatieplaats met het oog op in
                            de persoon gelegen factoren aanmerkelijk bijdraagt tot de
                            arbeidsinschakeling, dan kan de participatieplaats nog één jaar verlengd
                            worden. Echter in dat geval dient een andere werkomgeving geboden te
                            worden (artikel 10a, negende lid, van de Participatiewet). Na 36 maanden
                            vindt opnieuw een dergelijke beoordeling plaats (artikel 10a, tiende
                            lid, van de Participatiewet). </al><al><cursief>Scholing in combinatie met participatieplaats </cursief></al><al>Wanneer een persoon die in aanmerking is gebracht voor een
                            participatieplaats niet over een startkwalificatie beschikt, dient het
                            college aan deze persoon scholing of opleiding aan te bieden. Dit geldt
                            vanaf zes maanden na aanvang van de werkzaamheden op de
                            participatieplaats. De scholing of opleiding moet zijn gericht zijn
                            vergroting van de kansen op de arbeidsmarkt. Het college hoeft aan een
                            persoon alleen geen scholing of opleiding aan te bieden als dergelijke
                            scholing of opleiding naar zijn oordeel de krachten of bekwaamheden van
                            de persoon te boven gaan of als naar zijn oordeel scholing of opleiding
                            niet bijdraagt aan vergroting van de kans op inschakeling in het
                            arbeidsproces van de persoon. Dit volgt uit artikel 10a, vijfde lid, van
                            de Participatiewet. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Sociale activering</titel></kop><al>Volgens de Participatiewet dient ook sociale activering uiteindelijk
                            gericht te zijn op arbeidsinschakeling. Voor bepaalde doelgroepen is
                            arbeidsinschakeling echter een te hoog gegrepen doel. Voor deze personen
                            staat dan ook niet re-integratie, maar participatie voorop. </al><al><cursief>Begrip sociale activering </cursief></al><al>Onder 'sociale activering' wordt verstaan: het verrichten van onbeloonde
                            maatschappelijk zinvolle </al><al>activiteiten gericht op arbeidsinschakeling of, als arbeidsinschakeling
                            nog niet mogelijk is, op zelfstandige maatschappelijke participatie
                            (artikel 6, eerste lid, onderdeel c, Participatiewet). Bij activiteiten
                            in het kader van sociale activering kan worden gedacht aan het
                            zelfstandig, zonder externe begeleiding, verrichten van
                            vrijwilligerswerk of deelnemen aan activiteiten in de wijk of buurt. </al><al><cursief>Doelgroep sociale activering </cursief></al><al>Het college kan aan een persoon die behoort tot de doelgroep
                            activiteiten aanbieden in het kader van </al><al>sociale activering. Sociale activering heeft tot doel personen met een
                            grote afstand tot de arbeidsmarkt terug te leiden naar de arbeidsmarkt,
                            of als dit nog niet mogelijk is, als tussendoel te bevorderen dat
                            personen zelfstandig kunnen deelnemen aan het maatschappelijk leven. </al><al>Voor de verplichting op grond van artikel 9, eerste lid, onderdeel b,
                            van de Participatiewet is vereist dat sociale activering wordt ingezet
                            omdat arbeidsinschakeling nog niet mogelijk is. Is het duidelijk dat
                            deze mogelijkheid er (ook niet in de toekomst) niet is, dan kan een
                            persoon niet worden verplicht gebruik te maken van een dergelijke
                            voorziening. </al><al><cursief>College stemt duur activiteiten af op de persoon
                            </cursief></al><al>Het tweede lid geeft het college de opdracht om de duur van activiteiten
                            in het kader van sociale activering nader te bepalen. Hierbij moet het
                            college de duur afstemmen op de mogelijkheden en capaciteiten van een
                            persoon. Het gaat hierbij om individueel maatwerk. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Loonkostensubsidie</titel></kop><al>De loonkostensubsidie zoals beschreven in dit artikel kan uitsluitend
                            worden ingezet als de </al><al>persoon in kwestie behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie, als
                            bedoeld in artikel 6 lid 1 onderdeel e Participatiewet: mensen met een
                            arbeidsbeperking. Deze nieuwe vorm van loonkostensubsidie is niet per
                            definitie tijdelijk, maar kan indien nodig voor een langere periode
                            worden ingezet. Met dit instrument compenseert de gemeente werkgevers
                            voor de verminderde productiviteit van de werknemer (Kamerstukken M
                            2013/14, 33 161, nr. 107, blz. 60).</al><al>Het college kan op verzoek of ambtshalve vaststellen wie tot de
                            doelgroep loonkostensubsidie behoort </al><al>(artikel 10c Participatiewet). Personen zoals bedoeld in artikel 7 lid 1
                            onderdeel a Participatiewet die </al><al>mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben en van wie is vastgesteld
                            dat zij met voltijdse arbeid niet </al><al>in staat zijn tot het verdienen van het wettelijk minimumloon, behoren
                            tot de doelgroep loonkostensubsidie (artikel 6 lid 1 onderdeel e
                            Participatiewet). </al><al>In artikel 10c Participatiewet is ook bepaald dat het aan college is om
                            vast te stellen of een persoon tot </al><al>de doelgroep loonkostensubsidie behoort. Binnen de kaders van de wet is
                            het aan de gemeente om </al><al>vast te stellen op welke wijze zij bepalen of mensen tot de doelgroep
                            loonkostensubsidie behoren en of loonkostensubsidie voor hen wordt
                            ingezet (Kamerstukken II 2013/14, 33 161, nr. 107, bIz. 62). In het
                            tweede lid is vastgelegd welke criteria daarbij in acht genomen worden.
                            Deze cumulatieve criteria zijn ontleend aan artikel 6 lid 1 onderdeel e
                            Participatiewet. Daarin is immers wettelijk de doelgroep
                            loonkostensubsidie vastgelegd. </al><al>Indien nodig laat het college zich bij de vaststelling of iemand behoort
                            tot de doelgroep loonkostensubsidie adviseren door een derde. Deze derde
                            neemt daarbij eveneens de in het tweede lid neergelegde criteria in
                            acht. Op basis van het advies beslist het college of iemand tot de
                            doelgroep loonkostensubsidie behoort. Alleen als sprake is van een
                            onzorgvuldige totstandkoming van het advies, kan besloten worden het
                            advies niet te volgen. </al><al>Heeft het college vastgesteld dat een persoon behoort tot de doelgroep
                            loonkostensubsidie en is een </al><al>werkgever voornemens met die persoon een dienstbetrekking aan te gaan,
                            dan stelt het college in </al><al>beginsel de loonwaarde van die persoon vast (artikel l0d lid 1
                            Participatiewet). Hiervoor is geen aanvraag vereist. De vastgestelde
                            loonwaarde legt het college vast in een beschikking waartegen zowel de
                            betrokken persoon als diens (potentiële) werkgever bezwaar en beroep
                            kunnen instellen. </al><al>De loonwaarde is een vastgesteld percentage van het rechtens geldende
                            loon voor de door een persoon - die behoort tot de doelgroep
                            loonkostensubsidie - verrichte arbeid in een functie naar evenredigheid
                            van de arbeidsprestatie in die functie van een gemiddelde werknemer met
                            een soortgelijke opleiding en ervaring, die niet tot de doelgroep
                            loonkostensubsidie behoort (artikel 6 lid 1 onderdeel g
                            Participatiewet). </al><al>In artikel 8 wordt vermeld dat in nadere regels de methode wordt
                            vastgelegd die het college gebruikt om de loonwaarde van die persoon te
                            bepalen omschreven. Het college maakt daarbij gebruik van een nog nader
                            vast te stellen methodiek om de loonwaarde van een persoon te bepalen.
                            Hiervoor worden regionale afspraken gemaakt binnen de arbeidsmarktregio
                            Twente c.q. het regionaal werkbedrijf. Als een dienstbetrekking tot
                            stand komt, verleent het college loonkostensubsidie aan de werkgever met
                            inachtneming van artikel 10d Participatiewet. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Premies</titel></kop><al>De persoon die onbeloonde additionele werkzaamheden verricht heeft recht
                            op een premie voor het </al><al>eerst na zes maanden en vervolgens iedere zes maanden na aanvang van de
                            additionele werkzaamheden (artikel 10a, zesde lid, van de
                            Participatiewet). Voorwaarde is dat de persoon naar het oordeel van het
                            college voldoende heeft meegewerkt aan het vergroten van zijn kansen op
                            de arbeidsmarkt. </al><al>De hoogte van de premie moet in de verordening vastgelegd worden
                            (artikel 8a, eerste lid, onderdeel d, van de Participatiewet). De premie
                            wordt vrijgelaten op grond van artikel 31, tweede lid, onderdeel j, van
                            de Participatiewet. In verband hiermee is de hoogte van de premie
                            begrensd door het in de vrijlatingsbepaling genoemde bedrag. Daarnaast
                            moet bij het bepalen van de hoogte van de premie ook de risico's van de
                            armoedeval worden betrokken. Er is gekozen voor een premie van telkens €
                            150,- per zes maanden bij minimaal een inzet van 18 uur per week. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Nadere regels en hardheidsclausule</titel></kop><al>Dit artikel behoeft geen verdere toelichting. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Intrekken oude verordening</titel></kop><al>Dit artikel behoeft geen verdere toelichting. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel.</titel></kop><al>Dit artikel behoeft geen verdere toelichting.</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>