<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd" xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance"><meta><owmskern><dcterms:identifier>375858_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Voorzieningen fracties, raads- en commissieleden 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Delft</dcterms:creator><dcterms:modified>2015-08-24</dcterms:modified></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad, 6 februari 2015, nr 11038</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Voorzieningen fracties, raads- en commissieleden 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 149.</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>algemeen</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-01-29</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-30</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2015-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2016-07-20</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule><vet>Verordening Voorzieningen fracties, raads- en commissieleden
            2015</vet></intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Delft;</al><al>Gelezen het voorstel van het presidium van 22 januari 2015,</al><al>BESLUIT:</al><al>Vast te stellen de <vet>Verordening Voorzieningen fracties, raads- en
                            commissieleden 2015</vet> onder gelijktijdige intrekking van de
                        Verordening Voorzieningen fracties, raads- en commissieleden 2011. </al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>I</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>commissie: een raadscommissie als bedoeld in hoofdstuk V van de
                                    Gemeentewet; </al></li><li nr="b."><al>griffier: de griffier, bedoeld in artikel 107 van de
                                    Gemeentewet</al></li><li nr="c."><al>gemeentesecretaris: de secretaris, bedoeld in artikel 102 van de
                                    Gemeentewet</al></li><li nr="d."><al>fractie: een fractie zoals bedoeld in artikel 8, Reglement van
                                    orde van de gemeenteraad;</al></li><li nr="e."><al>raadslid: lid van de gemeenteraad, niet zijnde tevens
                                    wethouder;</al></li><li nr="f."><al>commissielid: lid van een commissie, bedoeld in artikel 1,
                                    onderdeel e, van het rechtspositiebesluit raads- en
                                    commissieleden;</al></li><li nr="g."><al>Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden: het Koninklijk
                                    Besluit van 22 maart 1994, Stb. 244 en de daarop sindsdien
                                    vastgestelde wijzigingen;</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>II</nr><titel>Voorzieningen voor raadsleden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Reiskosten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ten behoeve van de gemeente gemaakte kosten in verband met reizen
                                buiten het grondgebied van de gemeente ter uitvoering van een
                                beslissing van het gemeentebestuur worden aan het raadslid
                                vergoed.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde vergoeding betreft:</al><lijst><li nr="a."><al>bij gebruik van openbare middelen van vervoer, laagste
                                        klasse, en van een (trein)taxi: een volledige vergoeding van
                                        de in redelijkheid noodzakelijk gemaakte reiskosten, waarbij
                                        zoveel mogelijk de terzake voor de ambtenaren in dienst van
                                        de gemeente Delft vastgestelde regels worden
                                        gehanteerd;</al></li><li nr="b."><al>bij gebruik van een eigen motorvoertuig of bromfiets: een
                                        vergoeding van de in redelijkheid noodzakelijk gemaakte
                                        reiskosten overeenkomstig de bedragen zoals die gehanteerd
                                        worden voor ambtenaren in dienst van de gemeente Delft.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Verblijfkosten</titel></kop><al>De in redelijkheid noodzakelijk gemaakte verblijfskosten ter zake van
                            reizen buiten het grondgebied van de gemeente worden aan het raadslid
                            vergoed, tot ten hoogste de bedragen zoals die gehanteerd worden voor
                            ambtenaren in dienst van de gemeente Delft.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>III</nr><titel>Voorzieningen voor commissieleden/niet-raadsleden en overige
                            commissieleden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Vergoeding voor het bijwonen van commissievergaderingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergoeding voor het bijwonen van de vergaderingen van een
                                commissie en haar subcommissies als bedoeld in artikel 14 van het
                                Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden wordt toegekend
                                overeenkomstig de bij dat besluit behorende tabel IV. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op degene die
                                als lid van een commissie een vaste vergoeding voor de werkzaamheden
                                als bedoeld in artikel 96 van de Gemeentewet ontvangt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Geen vergoeding ontvangt degene die zitting heeft in een
                                commissie:</al><lijst><li nr="a."><al>als raadslid of wethouder;</al></li><li nr="b."><al>uit hoofde van dan wel als rechtstreeks uitvloeisel van een
                                        ambtelijke of bestuurlijke hoedanigheid dan wel van een
                                        functie bij een instelling die grotendeels van overheidswege
                                        wordt gesubsidieerd;</al></li><li nr="c."><al>als vertegenwoordiger van een belanghebbende instelling,
                                        organisatie of groepering, tenzij zijn lidmaatschap van de
                                        commissie tevens in belangrijke mate het gemeentelijk belang
                                        dient</al></li><li nr="d."><al>indien het lidmaatschap van de commissie uit een zakelijk
                                        belang rechtstreeks voortvloeit uit een bezoldigde functie,
                                        en betrokkene uit dien hoofde geacht kan worden voor de
                                        hieruit voortvloeiende werkzaamheden een honorering te
                                        ontvangen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De raad kan in afwijking van het bepaalde in het eerste lid een
                                hogere vergoeding vaststellen ten aanzien van:</al><lijst><li nr="a."><al>een lid van een commissie die op grond van zijn bijzondere
                                        beroepsmatige deskundigheid op het taakgebied van de
                                        commissie voor deelname aan haar werkzaamheden is
                                        aangetrokken, en </al></li><li nr="b."><al>een lid van een commissie ten aanzien waarvan de vergoeding
                                        niet geacht kan worden in een redelijke verhouding te staan
                                        tot de zwaarte van zijn taak en de omvang van de door hem te
                                        verrichten arbeid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien op dezelfde dag meer dan één vergadering van dezelfde
                                commissie wordt bijgewoond, wordt de vergoeding slechts éénmaal
                                genoten. Indien op dezelfde dag op elkaar aansluitende vergaderingen
                                van verschillende commissies worden bijgewoond, wordt de vergoeding
                                eveneens slechts éénmaal genoten. Vergaderingen worden geacht op
                                elkaar aan te sluiten als het tijdsverloop tussen de sluiting van de
                                eerste vergadering en de opening van de tweede vergadering niet meer
                                dan een uur bedraagt.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De presentiegelden voor commissieleden/niet-raadsleden worden
                                uitgekeerd op basis van de getekende presentielijsten. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Reiskosten</titel></kop><al>Aan het lid van een commissie dat geen raadslid of wethouder is en niet
                            in zijn hoedanigheid van ambtenaar tot lid van de commissie is benoemd
                            worden de reiskosten in verband met reizen buiten het grondgebied van de
                            gemeente voor het bijwonen van de vergaderingen van de commissie
                            vergoed. De vergoeding betreft:</al><lijst><li nr="a."><al>bij gebruik van openbare middelen van vervoer: een volledige
                                    vergoeding van de in redelijkheid noodzakelijk gemaakte
                                    reiskosten, waarbij zoveel mogelijk de terzake voor de
                                    ambtenaren in dienst van de gemeente Delft vastgestelde regels
                                    worden gehanteerd;</al></li><li nr="b."><al>bij gebruik van een eigen motorvoertuig of bromfiets: een
                                    vergoeding van de in redelijkheid noodzakelijk gemaakte
                                    reiskosten overeenkomstig de bedragen zoals die gehanteerd
                                    worden voor ambtenaren in dienst van de gemeente Delft.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Verblijfskosten</titel></kop><al>Aan het in het artikel bedoelde lid van de commissie worden vergoed de
                            noodzakelijk gemaakte verblijfkosten voor het bijwonen van de
                            vergaderingen van de commissie tot ten hoogste de bedragen zoals die
                            gehanteerd worden voor ambtenaren in dienst van de gemeente Delft.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Buitenlandse excursie of reis</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het presidium kan een raadscommissie toestemming verlenen voor een
                                excursie of reis naar het buitenland. Het presidium kan aan de
                                toestemming voorwaarden verbinden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde excursie of reis wordt door of vanwege
                                de gemeente <vet>georganiseerd</vet>.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De in redelijkheid gemaakte reis- en verblijfkosten komen voor
                                rekening van de gemeente, waarbij zoveel mogelijk de terzake voor de
                                ambtenaren in dienst van de gemeente Delft vastgestelde regels
                                worden gehanteerd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Computer en internetverbinding</titel></kop><al>Commissieleden/niet-raadsleden ontvangen voor de uitoefening van het
                            lidmaatschap van de commissie een tegemoetkoming voor een
                            internetverbinding, bijbehorende software en printfaciliteiten.</al><al>Het commissielid/niet-raadslid ontvangt per maand een bedrag van € 61,26
                            (prijspeil 2015) voor hard- en software, onderhoud en een
                            internetverbinding. Een commissielid/niet-raadslid kan afzien van het
                            ontvangen van deze vergoeding door dit schriftelijk te melden aan de
                            griffier.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>IV</nr><titel>De procedure van declaratie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Betaling van kosten</titel></kop><al>Betaling van kosten op grond van deze verordening vindt plaats door: </al><lijst><li nr="a."><al>betaling uit eigen middelen; of</al></li><li nr="b."><al>rechtstreekse toezending van de factuur aan de gemeente.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Declaratie van vooruit betaalde kosten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de vergoeding van de kosten, bedoeld in de artikelen 2, 3, 5, 6
                                en 7 wordt gebruik gemaakt van een declaratieformulier, waarvan het
                                model door het college is vastgesteld (zie bijlage 2), indien deze
                                kosten uit eigen middelen vooruit zijn betaald.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het declaratieformulier wordt volledig ingevuld en ondertekend en
                                binnen twee maanden bij de griffier, of een door hem aangewezen
                                ambtenaar ingediend, onder bijvoeging van de originele
                                bewijsstukken.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>V</nr><titel>Voorzieningen fractie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Hoogte van de fractievergoeding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De fracties zoals bedoeld in artikel 8, eerste lid, Reglement van
                                Orde, ontvangen jaarlijks een financiële bijdrage als tegemoetkoming
                                in de kosten voor het functioneren van de fractie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze bijdrage bestaat uit een vast deel van € 1.303,13 voor elke
                                fractie en een variabel deel van € 1.042,50 voor iedere raadszetel
                                (prijspeil 2015).</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Ingeval sprake is van een derde commissielid/niet-raadslid wordt het
                                beschikbaar te stellen fractiebudget voor de betreffende fractie
                                voor dat kalenderjaar verlaagd met het zogenaamde vaste bedrag per
                                fractie. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>(Niet) toegestane bestedingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Fracties besteden hun bijdrage om hun volksvertegenwoordigende,
                                kaderstellende en controlerende taak te versterken. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De bijdrage mag niet gebruikt worden ter bekostiging van:</al><lijst><li nr="a."><al>uitgaven die in strijd zijn met wettelijke bepalingen en
                                        overige regelingen;</al></li><li nr="b."><al>uitgaven aan politieke partijen, met politieke partijen
                                        verbonden instellingen of natuurlijke personen anders dan
                                        ter vergoeding van prestaties (diensten of goederen)
                                        geleverd ten behoeve van de fractie op basis van een
                                        gespecificeerde, reële onderbouwing;</al></li><li nr="c."><al>giften, leningen en voorschotten;</al></li><li nr="d."><al>uitgaven welke bestreden dienen te worden uit vergoedingen
                                        die de leden ingevolge het rechtspositiebesluit raads- en
                                        commissieleden toekomen;</al></li><li nr="e."><al>buitenlandse reizen;</al></li><li nr="f."><al>Uitgaven aan raads- en commissieleden voor werkzaamheden die
                                        zij als beleidsmedewerker of anderszins in opdracht van een
                                        fractie verrichten;</al></li><li nr="g."><al>Uitgaven ten behoeve van bedrijven of instellingen, waarover
                                        raadsleden middellijk of onmiddellijk zeggenschap
                                        hebben;</al></li><li nr="h."><al>Verkiezingscampagne of promotiedoeleinden. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien een fractie in strijd handelt met het tweede lid, kan de raad
                                besluiten dat de in het geding zijnde uitgaven binnen een door de
                                raad te bepalen termijn dienen te worden toegevoegd aan de liquide
                                middelen van de betreffende fractie. Indien een fractie in gebreke
                                blijft wordt de eerstvolgende betaling van de tegemoetkoming aan de
                                betreffende fractie opgeschort totdat de fractie aan haar
                                verplichtingen heeft voldaan. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De onderbouwing als bedoeld in het tweede lid, sub b van dit artikel
                                bestaat uit:</al><lijst><li nr="a."><al>een betalingsbewijs aan de begunstigde indien het bedrag de
                                        wettelijk vrijgestelde landelijke vrijwilligersvergoeding
                                        niet overschrijdt (2015: € 1.500,- per jaar);</al></li><li nr="b."><al>een (arbeids)contract/overeenkomst met een omschrijving van
                                        de functie/werkzaamheden (bij vaste inzet) of een
                                        maandelijkse urenspecificatie (bij een wisselende inzet) bij
                                        een omvang die deze vrijwilligersvergoeding
                                        overschrijdt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Fracties kunnen hun bijdrage, in het kader van papierloos
                                vergaderen, gebruiken voor de aanschaf van tablets voor raadsleden
                                en commissieleden/niet-raadsleden als bedoeld in artikel 4, tweede
                                lid. De tablets worden door de fracties in bruikleen gegeven en
                                worden door de gebruiker aan de fractie teruggegeven na afloop van
                                het raads- of commissielidmaatschap. De fracties zijn zelf
                                verantwoordelijk voor de aanschaf, het beheer en onderhoud van de
                                tablets.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Betaling voorschotten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De financiële bijdrage wordt als voorschot uitgekeerd in twee
                                termijnen, in de maanden januari en juli. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de fractie niet tijdig conform artikel 16 haar verantwoording
                                heeft overlegd wordt, in afwijking van het eerste lid, het tweede
                                voorschot van de financiële bijdrage ingehouden, totdat de
                                verantwoording van de financiële bijdrage conform artikel 16 is
                                ingediend. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In een jaar waarin verkiezingen plaatsvinden wordt, in afwijking van
                                het eerste lid, het voorschot verstrekt voor de maanden tot en met
                                de maand waarin de verkiezingen plaatsvinden. In de eerste maand na
                                de maand waarin de eerste vergadering van de nieuw gekozen raad
                                plaatsvindt wordt het voorschot verstrekt voor de overige maanden
                                van dat jaar. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het voorschot wordt verrekend met teveel ontvangen voorschotten in
                                jaren waarvoor de raad de bedragen heeft vastgesteld bedoeld in
                                artikel 16 viv vi erde lid. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De fractie maakt voor de ontvangst van de financiële bijdrage op
                                grond van deze verordening en voor de uitgaven in het kader van de
                                fractiekostenvergoeding gebruik van één giro-of bankrekening op naam
                                van de fractie. Deze rekening wordt niet gebruikt voor andere
                                doeleinden. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het is de fractie niet toegestaan een tijdelijk of permanent
                                liquiditeitenoverschot op een andere rekening te storten dan de in
                                lid 5 van dit artikel genoemde rekening. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Wijziging zetelaantal</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het zeteltal van een fractie ten gevolge van verkiezingen
                                verandert, wijzigt de variabele bijdrage op de eerste dag van de
                                maand waarin de eerste vergadering van de nieuw gekozen raad
                                plaatsvindt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij splitsing van een fractie tijdens de zittingsperiode wordt het
                                in artikel 11, tweede lid, bedoelde vaste deel uitgekeerd aan de
                                oorspronkelijke fractie. De afgesplitste fractie ontvangt geen vast
                                deel.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het variabele deel als bedoeld in artikel 11, tweede lid, wordt
                                vanaf de maand volgend op de raadsvergadering waarin de afsplitsing
                                is geformaliseerd, naar rato toegekend aan de afgesplitste fractie
                                en vanaf dan in mindering gebracht op de bijdrage van de
                                oorspronkelijke fractie.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De nieuwe fractie kan geen aanspraak maken op de door de fractie in
                                oude samenstelling opgebouwde reserve. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Reservevorming</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De fractie die de bijdrage voor fractieondersteuning niet of
                                    slechts gedeeltelijk heeft besteed, mag dit reserveren. De
                                    omvang van de reserve mag niet groter zijn dan de bijdrage die
                                    de fractie in het betreffende jaar, ingevolge artikel 11 lid 1
                                    en 2 en artikel 14, toekwam. Het meerdere niet bestede geld
                                    wordt door de fractie teruggestort in de gemeentekas.</al></li><li nr="2."><al>Het terugstorten als genoemd in het eerste lid vindt plaats
                                    overeenkomstig artikel 16 lid 4.</al></li><li nr="3."><al>De omvang en het beroep op de reserve, komt tot uitdrukking in
                                    de afrekening als bedoeld in artikel 16 over dat jaar.</al></li><li nr="4."><al>De reserve blijft na de verkiezingen beschikbaar voor de fractie
                                    die onder dezelfde naam terugkeert, dan wel voor de fractie die
                                    naar het oordeel van de raad als rechtsopvolger kan worden
                                    beschouwd.</al></li><li nr="5."><al>Als bij zetelverlies de reserve voor een fractie hoger zou
                                    worden dan aangegeven in het eerste lid, vervalt het recht op
                                    het meerdere.</al></li><li nr="6."><al>De fractie, die na verstrijken van een raadsperiode niet
                                    terugkeert in de gemeenteraad stort het bedrag, dat resteert na
                                    de datum van de ontbinding van de raad binnen twee maanden na
                                    die datum terug in de gemeentekas.</al></li><li nr="7."><al>Negatieve reservevorming is niet toegestaan.</al></li></lijst><lijst><li nr=""><al></al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Verantwoording</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Elke fractie legt, binnen twee maanden na het einde van een
                                    kalenderjaar, aan de raad verantwoording af over de besteding
                                    van de bijdrage voor fractieondersteuning onder overlegging van
                                    het verantwoordingsmodel (inclusief onderbouwing bestaande uit
                                    de facturen danwel deugdelijke verantwoording en
                                    bankafschriften) zoals opgenomen in bijlage 1 behorende bij deze
                                    verordening. Bij de verantwoording van fractiebijeenkomsten is
                                    de relatie met de raadswerkzaamheden aantoonbaar inzichtelijk
                                    gemaakt.</al><lijst><li nr="2."><al>Controle van de verslagen vindt plaats door de
                                            accountant, belast met de controle van de jaarrekening.
                                            De accountant brengt zijn “Rapport van Bevindingen” uit
                                            aan de raad.</al></li><li nr="3."><al>Fracties die na 1 maart hun, in lid 1 van dit artikel
                                            bedoelde, verantwoording inleveren kunnen
                                            verantwoordelijk gesteld worden voor aanvullende
                                            accountantskosten.</al></li><li nr="4."><al>De raad stelt na ontvangst van het rapport van de
                                            accountant de bedragen vast van de:</al></li></lijst></li></lijst><lijst><li nr="5."><lijst><li nr="a."><al>uitgaven van een fractie die in het vorige kalenderjaar
                                            uit de bijdrage bekostigd zijn;</al></li><li nr="b."><al>wijziging van de reserve;</al></li><li nr="c."><al>resterende reserve;</al></li><li nr="d."><al>verrekening tussen de in onderdeel a. genoemde uitgaven
                                            en het ontvangen voorschot en voorzover nodig, de hoogte
                                            van de terugvordering van ontvangen voorschotten.</al></li></lijst></li></lijst><al></al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>VI</nr><titel>Ambtelijke informatieverstrekking en ambtelijke bijstand raads- en
                            commissieleden/niet-raadsleden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Verzoek om feitelijke informatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een raadslid of commissielid/niet-raadslid kan zich via de griffier
                                of rechtstreeks tot een ambtenaar wenden met een verzoek om:</al><lijst><li nr="a."><al>feitelijke en beschikbare informatie van geringe omvang;
                                    </al></li><li nr="b."><al>inzage in of afschrift van documenten die openbaar zijn;
                                    </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De informatie bedoeld in het eerste lid, wordt door de betreffende
                                ambtenaar aan het raadslid gegeven.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien een ambtenaar twijfelt of het verzoek betrekking heeft op
                                informatie bedoeld in het eerste lid, legt hij het verzoek aan de
                                secretaris voor. De secretaris beslist met inachtneming van artikel
                                19.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Ambtelijke bijstand</titel></kop><al>Een raadslid kan zich tot de griffier wenden met een verzoek om
                            ambtelijke bijstand bij het formuleren van initiatiefvoorstellen,
                            amendementen en moties of andere bijstand. Indien de gevraagde bijstand
                            niet door de griffier of een medewerker van de griffie kan worden
                            verleend kan de griffier de secretaris verzoeken, één of meer ambtenaren
                            aan te wijzen, die de gevraagde bijstand zo spoedig mogelijk
                            verlenen.</al><al>De secretaris verstrekt de desbetreffende portefeuillehouder in het
                            college desgewenst inlichtingen omtrent verzoeken als bedoeld in het
                            eerste lid.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een verzoek om feitelijke informatie of ambtelijke bijstand op
                                verzoek van de griffier wordt verstrekt, tenzij: </al><lijst><li nr="a."><al>niet aannemelijk is gemaakt dat het verzoek betrekking heeft
                                        op de werkzaamheden van de raad als zodanig;</al></li><li nr="b."><al>dit het belang van de gemeente kan schaden;</al></li><li nr="c."><al>dit het werkbaar evenwicht als genoemd in artikel 22
                                        verstoort.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De secretaris beoordeelt of het verzoek op grond van het eerste lid
                                geweigerd wordt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien het verzoek op grond van het eerste lid wordt geweigerd deelt
                                de secretaris dit met redenen omkleed mee aan de griffier en aan het
                                raadslid dat het verzoek heeft ingediend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Weigering bijstand</titel></kop><al>Indien het verzoek om ambtelijke bijstand van een ambtenaar door de
                            secretaris wordt geweigerd kan de griffier of het betrokken raadslid het
                            verzoek voorleggen aan de burgemeester. De burgemeester beslist zo
                            spoedig mogelijk over het verzoek.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Verleende bijstand</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een raadslid niet tevreden is over door een ambtenaar
                                verleende bijstand, doet hij of de griffier hiervan mededeling aan
                                de secretaris.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien overleg met de secretaris niet leidt tot een voor beide
                                partijen bevredigende oplossing leggen zij de zaak voor aan de
                                burgemeester. De burgemeester beslist zo spoedig mogelijk over de
                                zaak.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Werkbaar evenwicht</titel></kop><al>De secretaris ziet toe op een werkbaar evenwicht tussen het aantal malen
                            dat een beroep gedaan wordt op het verlenen van ambtelijke bijstand als
                            bedoeld in artikel 18 en de beschikbare capaciteit van de reguliere
                            ambtelijke organisatie.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>VII</nr><titel>Overgangsbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Afbouwregeling</titel></kop><al>De artikelen 5 t/m 9 van de verordening “Secundaire Voorzieningen
                            Raadsleden Gemeente Delft 1993” (zie bijlage 3) blijven onverminderd van
                            kracht voor de raadsleden die op 1 december 2006 lid waren van de
                            gemeenteraad en op die datum aanspraak konden maken op deze
                            afbouwregeling. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>VIII</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als Verordening voorzieningen
                            fracties, raads- en commissieleden 2011.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt de dag na vaststelling in werking met
                            terugwerkende kracht tot 1 januari 2015.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 29 januari
                            2015.</al><al>mr. drs. G.A.A. Verkerk ,burgemeester.</al><al>A.P. Oostdijk ,wnd.griffier.</al></slotformulering></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting bij de Verordening Voorzieningen fracties, raads- en
                        commissieleden 2015</titel></kop><al>Algemeen</al><al>Wettelijke regelingen </al><al>De regeling van de rechtspositie van raadsleden en leden van gemeentelijke
                    commissies vindt op verschillende niveaus plaats, te weten bij wet, Algemene
                    Maatregel van Bestuur, Koninklijk Besluit en gemeentelijke verordening. </al><al>In de Gemeentewet is aangegeven dat de nadere invulling van de rechtspositie van
                    raads- en commissieleden moet worden geregeld bij AMvB. Daartoe is het
                    Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden vastgesteld. Een aantal
                    voorzieningen, zoals de hoogte van de bezoldiging en de verschillende
                    onkostenvergoedingen is in dit rechtspositiebesluit geregeld in dwingende
                    bepalingen. Voor de secundaire voorzieningen van raadsleden geldt dat de
                    gemeente de vrijheid heeft om deze voorzieningen bij verordening te
                    treffen.</al><al>Hoofdlijnen gemeentelijke verordening </al><al>In deze verordening zijn bepalingen opgenomen inzake de rechtspositie van
                    raadsleden en leden van gemeentelijke commissies, voor zover niet reeds geregeld
                    via hogere wetgeving. Zo is bijvoorbeeld de vergoeding voor de jaarlijkse
                    aanvullende uitkering voor fractievoorzitters geregeld via een Koninklijk
                    Besluit en het recht op vervanging van een raadslid bij zwangerschap via de Wet
                    Regeling tijdelijke vervanging volksvertegenwoordigers wegens zwangerschap en
                    bevalling of ziekte. </al><al>Buiten hetgeen hun bij of krachtens de wet is toegekend genieten raads- en
                    commissieleden als zodanig geen inkomsten, in welke vorm dan ook, ten laste van
                    de gemeente (artikel 99 Gemeentewet) . Het tweede lid van die bepaling voegt
                    daaraan toe dat bij gemeentelijke verordening aan raads- en commissieleden
                    voordelen, anders dan in de vorm van vergoedingen en tegemoetkomingen, mogen
                    worden toegekend. Daarvoor is wel de goedkeuring van de Minister van
                    Binnenlandse Zaken vereist. </al><al>Ambtelijke bijstand en fractieondersteuning</al><al>Dit onderdeel van de verordening geeft uitvoering aan artikel 33 van de
                    Gemeentewet. Het legt expliciet vast dat de raad en individuele raadsleden een
                    recht op ambtelijke bijstand hebben. Voor politieke groeperingen bestaat
                    daarnaast een recht op fractieondersteuning. </al><al>De griffie is in principe het eerste aanspreekpunt als het gaat om ambtelijke
                    bijstand. De griffier vervult ook de rol van schakel tussen de raadsleden en de
                    reguliere ambtelijke organisatie. Raadsleden zijn ook bevoegd voor feitelijke
                    informatie rechtstreeks contact op te nemen met de betrokken ambtenaar. Indien
                    er een conflictsituatie ontstaat of dreigt te ontstaan, zal de burgemeester een
                    bemiddelende en uiteindelijk beslissende rol kunnen spelen vanwege zijn
                    spilfunctie tussen raad en college.</al><al>De verordening behandelt gedetailleerd de ambtelijke bijstand. Aangezien het de
                    verhouding betreft tussen de raadsleden en de reguliere ambtelijke organisatie,
                    is behoefte aan duidelijke regels. Deze ambtenaren werken doorgaans namelijk
                    voor het college. De wijziging van artikel 103 van de Gemeentewet laat dit
                    scherp zien. Voor de invoering van de Wet dualisering gemeentebestuur bepaalde
                    dit artikel dat de secretaris (en daarmee de onder hem ressorterende ambtelijke
                    organisatie) de raad en het college terzijde stond. In dualistische verhoudingen
                    staat de secretaris het college terzijde en wordt de raad bijgestaan door de
                    griffier. </al><al>Dat de raad sinds het dualisme beschikt over een griffier met griffie betekent
                    niet dat er geen behoefte meer zou zijn aan ambtelijke bijstand door de
                    reguliere ambtelijke organisatie. De griffie is, in vergelijking met de
                    reguliere organisatie beperkt in omvang. Voor specialistische hulp zal een
                    beroep op deze organisatie dan ook nodig blijven. De wetgever heeft dat
                    onderkend en het recht op deze vorm van ambtelijke ondersteuning expliciet
                    vastgelegd. Deze verordening vormt de uitwerking van dit recht. </al><al>De nieuwe formulering van artikel 33 van de Gemeentewet laat buiten twijfel dat
                    individuele raadsleden, dus ook die behorend tot een minderheid in de raad,
                    recht hebben op ambtelijke bijstand. Op deze verordening kan dus door alle
                    raadsleden een beroep worden gedaan. </al><al>In de verordening is geen bepaling opgenomen voor die gevallen waarin de tot het
                    verlenen van hulp aangewezen ambtenaar op grond van gewetensbezwaren daartoe
                    niet bereid is. In een dergelijk geval is er sprake van een rechtspositioneel
                    probleem dat binnen de ambtelijke organisatie tot een oplossing dient te worden
                    gebracht. </al><al>Artikelsgewijze toelichting</al><al>Artikelen 2, 5 Reiskosten </al><al>In deze artikelen is het de mogelijkheid van vergoeding van reiskosten buiten
                    het grondgebied van de gemeente geregeld. De grondslag hiervoor is te vinden in
                    artikel 97 van de Gemeentewet. De vergoeding kan worden toegekend als het raads-
                    of commissielid een dienstreis maakt ter uitvoering van een besluit van de raad,
                    het college of de burgemeester. Vergoed kunnen worden de kosten van openbaar
                    vervoer (onbelast) of bij gebruik van eigen vervoermiddelen een km-vergoeding
                    zoals die voor het gemeentepersoneel geldt. </al><al>Voor raadsleden die niet hebben geopteerd voor de loonbelasting geldt dat de
                    verstrekte vergoedingen bij de aangifte inkomstenbelasting als opbrengst moeten
                    worden verantwoord. De reiskosten kunnen binnen de geldende randvoorwaarden als
                    aftrekbare beroepskosten worden opgevoerd.</al><al>Artikelen 3, 6 Verblijfskosten </al><al>Deze artikelen regelen de vergoeding van verblijfkosten. De grondslag hiervoor
                    is te vinden in artikel 97 van de Gemeentewet. De vergoeding kan worden
                    toegekend als het raads- of commissielid een dienstreis maakt ter uitvoering van
                    een besluit van de raad, het college of de burgemeester. Daarvoor gelden
                    dezelfde richtinggevende bedragen als voor het gemeentepersoneel. </al><al>Voor raadsleden die niet hebben geopteerd voor de loonbelasting geldt dat de
                    vergoedingen en verstrekkingen naar de waarde in het economische verkeer bij de
                    aangifte inkomstenbelasting als opbrengst moeten worden verantwoord en dat de
                    gemaakte kosten binnen geldende landelijke randvoorwaarden als aftrekbare
                    beroepskosten kunnen worden opgevoerd.</al><al>Artikel 4 Vergoeding voor het bijwonen van commissievergaderingen</al><al>In dit artikel is het presentiegeld voor leden van gemeentelijke commissies
                    geregeld. Deze bepaling geldt niet voor raadsleden die in de commissie zitten.
                    Hun vergoeding is immers al geregeld in het rechtspositiebesluit. Uitgezonderd
                    zijn verder onder meer ambtenaren en bestuurders die in die hoedanigheid in de
                    commissie zitting hebben. </al><al>Uitgezonderd zijn tenslotte vertegenwoordigers van belangengroepen e.d. tenzij
                    hun lidmaatschap tevens in belangrijke mate het gemeentelijk belang dient. </al><al>Het bedrag van het presentiegeld wordt jaarlijks per 1 januari herzien; hiervoor
                    is in de gemeente geen nadere besluitvorming nodig omdat het bedrag van het
                    presentiegeld is gekoppeld aan het bedrag voor de gemeenteklasse dat het
                    Ministerie van Binnenlandse Zaken jaarlijks bijstelt via een Circulaire. </al><al> Artikel 7 Buitenlandse excursie of reis</al><al>Raadscommissies maken wel eens in het gemeentelijk belang excursies of reizen
                    naar het buitenland. Hiervoor moet het presidium van de gemeenteraad expliciet
                    toestemming verlenen. De reis of excursie wordt in alle gevallen door of vanwege
                    de gemeente georganiseerd. De voor het gemeentepersoneel geldende regeling is
                    daarbij richtsnoer.</al><al>Voor degenen die niet hebben geopteerd voor de loonbelasting geldt dat de
                    vergoedingen en verstrekkingen naar de waarde in het economische verkeer bij de
                    aangifte inkomstenbelasting als opbrengst moeten worden verantwoord en dat de
                    gemaakte kosten binnen de geldende randvoorwaarden als aftrekbare beroepskosten
                    kunnen worden opgevoerd.</al><al>Artikel 8 Computer en internetverbinding </al><al>In dit artikel is geregeld dat commissieleden/niet-raadsleden maandelijks een
                    bedrag ter beschikking wordt gesteld ter dekking van de kosten voor een eigen
                    pc, internetverbinding en andere communicatieapparatuur. Deze vergoeding is
                    belast.</al><al>Artikel 11 Hoogte van de fractievergoeding</al><al>Fractieondersteuning vindt zijn vorm in een financiële ondersteuning. De hoogte
                    van het budget voor deze vorm van ondersteuning is in de gemeentebegroting
                    opgenomen en wordt dus door de raad vastgesteld. Hierbij geldt een vast
                    basisbedrag van € 1.303,13 per fractie plus een vast bedrag per raadslid van €
                    1.042,50 (prijspeil 2015). </al><al>Het budget voor fractieondersteuning wordt jaarlijks aangepast met de
                    gemeentelijke nominale ontwikkeling voor subsidies.</al><al>Artikel 12 (Niet) toegestane bestedingen</al><al>De fracties wordt grotendeels de vrijheid gelaten wat betreft de inhoudelijke
                    besteding van de fractieondersteuning. Minimumvoorwaarde is wel dat de bijdrage
                    besteed wordt aan werkzaamheden die verband houden met het functioneren van de
                    fractie en ten behoeve van de volksvertegenwoordigende, kaderstellende en
                    controlerende taak te versterken. </al><al>Verder is een aantal doelen genoemd waarvoor de bijdrage niet gebruikt mag
                    worden. Daarmee wordt onder andere voorkomen dat met de bijdrage
                    verkiezingscampagnes worden gefinancierd en dat raadsleden hun eigen vergoeding
                    voor het raadswerk (vastgelegd in het rechtspositiebesluit raads- en
                    commissieleden, dat zijn grondslag vindt in de artikelen 95 en 96 van de
                    Gemeentewet) aanvullen met de bijdrage voor fractieondersteuning. </al><al>Het 2e lid onderdeel d, is nader uitgewerkt in de toelichting op de
                    rechtspositie raads- en commissieleden. Hier zijn kostensoorten opgenomen die
                    betaald dienen te worden uit de door raadsleden ontvangen onkostenvergoeding
                    overeenkomstig het rechtspositiebesluit en dus zijn uitgesloten van
                    betaling/declaratie uit het fractiebudget. Dit zijn:</al><lijst><li nr="-"><al>representatie;</al></li><li nr="-"><al>vakliteratuur;</al></li><li nr="-"><al>excursies;</al></li><li nr="-"><al>bureaukosten, porti;</al></li><li nr="-"><al>contributies, lidmaatschappen (m.u.v. landelijke beroepsverenigingen met
                            een</al></li></lijst><al>professionaliseringsdoelstelling); </al><lijst><li nr="-"><al>ontvangsten thuis;</al></li><li nr="-"><al>zakelijke giften.</al></li></lijst><al>Bij onderwerpen waar de fractievergoeding wel voor gebruikt mag worden kan
                    gedacht worden aan secretariële ondersteuning van de fractie, het bekostigen van
                    stageplaatsen alsmede het organiseren van vaardigheidstrainingen teneinde de
                    mogelijkheden als raadslid of commissielid adequaat te kunnen functioneren zo
                    optimaal mogelijk te doen zijn. </al><al>In het Besluit Harmonisering en Modernisering rechtspositie decentrale politieke
                    ambtsdragers uit juni 2014 is geregeld dat formeel aanspraak kan worden gemaakt
                    op vergoeding voor functiegerichte scholing en de contributie van
                    beroepsverenigingen voor raadsleden. Deze kosten kunnen ten laste van het
                    fractiebudget worden gebracht. </al><al>Omdat aanwending van het fractiebudget bij uitstek om politieke ondersteuning
                    gaat kan deze niet al te gedetailleerd geregeld worden. Fractieondersteuning in
                    de vorm van het beschikbaar stellen van gemeenteambtenaren voor de fracties
                    wordt niet wenselijk geacht, aangezien het vaak politiek getinte ondersteuning
                    betreft. Fracties moeten daarom vrij zijn in de keuze van de personen die de
                    fracties eventueel ondersteunen.</al><al>Artikel 13 Betaling voorschotten</al><al>De bijdrage wordt in twee termijnen (januari en juli) als voorschot verstrekt.
                    In een verkiezingsjaar vindt de eerste bevoorschotting plaats voor een periode
                    tot en met de maand voorafgaande aan de verkiezingen. De voorschotten worden op
                    een speciale rekening gestort die door de fractie voor dit doel is geopend. Het
                    storten van bijdragen op privé-rekeningen is derhalve niet toegestaan. Dit
                    vereenvoudigt de verantwoording en controle door de accountant (zie hierna).
                    Betaling van het tweede voorschot wordt afhankelijk gesteld van een correcte
                    besteding en verantwoording aan de gemeenteraad.</al><al>Artikel 14 Wijziging zetelaantal</al><al>Het spreekt vanzelf dat de bijdrage aangepast zal moeten worden aan veranderde
                    verhoudingen in de raad. Als ijkpunt is gekozen de eerste vergadering van de
                    raad na de gewijzigde omstandigheden. Over die gehele maand ontvangen de
                    betreffende fracties een aangepaste bijdrage. </al><al>Artikel 15 Reservevorming</al><al>In dit artikel is opgenomen dat fracties bestedingen over het jaar heen mogen
                    uitstellen. Hiermee wordt de mogelijkheid gecreëerd om grotere uitgaven te
                    kunnen doen dan het jaarlijks beschikbare budget. Dit is noodzakelijk omdat het
                    eventueel afschrijven van investeringen over meerder jaren moet worden
                    voorkomen. Afschrijven maakt de verantwoording ingewikkeld en brengt met zich
                    mee dat ook een balans dient te worden overlegd. In dit artikel is tevens </al><al>geregeld dat de hoogte van de reservepositie niet hoger mag zijn dan de door de
                    fractie ontvangen brutobedrag aan fractiebudget in het betreffende jaar. Voor de
                    bepaling daarvan wordt artikel 11 lid 1 en 2 en artikel 14 in ogenschouw
                    genomen. Artikel 11, lid 3 valt daarbuiten. Dit, om te voorkomen dat een
                    ongelijkheid zou ontstaan voor fracties met een derde commissielid/niet-raadslid
                    waarbij, naast een reeds van toepassing zijnde korting op het fractiebudget,
                    tevens sneller aanvullende restituties aan de orde zouden zijn vanwege het
                    spoediger bereiken van de maximale stand van de reserve. </al><al>Artikel 16 Verantwoording</al><al>De methodiek voor het afleggen van financiële verantwoording is zo eenvoudig
                    mogelijk gehouden. De betreffende fractie legt verantwoording af in een verslag.
                    Het financiële verslag dient opgesteld te worden conform het model dat in
                    bijlage 1 van deze verordening is bijgesloten. Tevens dient van iedere betaling
                    een factuur dan wel deugdelijke verantwoording overlegd te worden. Aangezien
                    iedere fractie voor deze vergoeding een aparte bankrekening heeft behoren tevens
                    de dagafschriften van de rekening overlegd te worden.</al><al>Zo mogelijk vindt de controle van het verslag door de accountant gelijktijdig
                    plaats met de controle op de jaarrekening. Om te zorgen dat controle door de
                    accountant en verantwoording in de raad kan worden afgelegd voordat de 2e
                    bevoorschotting plaatsvindt, is de indieningstermijn vastgesteld op 1 maart.
                    Indien de accountant extra kosten maakt als gevolg van een te laat ontvangen
                    verantwoording worden deze kosten verrekend met de eerstvolgende bevoorschotting
                    van betreffende fractie(s).</al><al>Artikelen 17 en 18 Verzoek om feitelijke informatie en ambtelijke bijstand</al><al>Dit artikel maakt helder dat een raadslid zich voor feitelijke informatie
                    rechtstreeks tot een ambtenaar kan richten. Dan kan via de griffie maar dat
                    hoeft niet.</al><al>Verder is deze mogelijkheid nu ook toegekend aan de
                    commissieleden/niet-raadsleden.</al><al>Elk lid van de raad feitelijke en beschikbare informatie vragen aan ambtenaren
                    die het college </al><al>ondersteunen. Het betreft dan snel te beantwoorden feitelijke vragen naar
                    openbare gegevens.</al><al>Als een ambtenaar twijfelt over het verzoek, bijvoorbeeld omdat de vraag naar de
                    mening van de ambtenaar een politiek karakter heeft, informeert de ambtenaar de
                    gemeentesecretaris. De secretaris beslist met inachtneming van artikel 19.</al><al>Een raadslid kan bij de griffier een verzoek neerleggen om zgn. ambtelijke
                    bijstand voor het formuleren van initiatiefvoorstellen, moties of amendementen
                    of andere bijstand. Het verzoek geeft zo concreet mogelijk de aard en omvang aan
                    van de gevraagde activiteiten, evenals de termijn waarbinnen deze dienen te zijn
                    verricht. </al><al>De griffier bekijkt of de griffie de bijstand kan verlenen of dat (aanvullende)
                    ambtelijke bijstand nodig is vanuit de gemeentelijke organisatie via een verzoek
                    aan de gemeentesecretaris. </al><al>De door de gemeentesecretaris aangewezen ambtenaar levert de ondersteuning aan
                    het raadslid zonder dat hij of zij hierover door de betreffende wethouder kan
                    worden aangesproken. De ambtelijke bijstand wordt als het ware verleend “buiten”
                    de reguliere ambtelijke organisatie om. Dit om te voorkomen dat ambtenaren in
                    een spagaat terechtkomen. </al><al>In dat kader is een tweede lid aan dit artikel toegevoegd. Het informeren over
                    het verloop van de ambtelijke bijstand verloopt formeel dus via de
                    gemeentesecretaris en niet rechtstreeks tussen ambtenaar en portefeuillehouder.
                    Dit duurt zolang de ambtelijke bijstand wordt verleend.</al><al>Artikelen 19 en 20 Weigeringsgronden en weigering bijstand</al><al>Beoordeling of één van de genoemde weigeringsgronden zich voordoet vindt in
                    eerste instantie plaats door de gemeentesecretaris als hoofd van de reguliere
                    ambtelijke organisatie. Aldus wordt voorkomen dat er als het ware een ‘open
                    eind’ regeling ontstaat. In artikel 21 is aangegeven dat de uiteindelijke
                    beslissing over het niet verlenen van ambtelijke bijstand is voorbehouden aan de
                    burgemeester. Het ligt in de rede dat hij hierover overleg pleegt met de
                    secretaris en de griffier (en indien nodig ook het betrokken raadslid).
                    Uiteraard kan de raad via de gebruikelijke weg hierover de burgemeester
                    verzoeken verantwoording af te leggen (artikel 180 Gemeentewet).</al><al>Artikel 21 Verleende bijstand</al><al>Ook indien – naar de mening van het raadslid – op onvoldoende wijze aan zijn of
                    haar verzoek om hulp gehoor gegeven wordt, kan de zaak aan een hogere instantie
                    worden voorgelegd: de burgemeester is daar gezien zijn eigenstandige positie in
                    het gemeentelijk bestuur de meest aangewezen instantie voor. Wel dient het
                    betrokken raadslid of de griffier hierover eerst overleg te voeren met de
                    secretaris.</al><al>Artikel 22 Werkbaar evenwicht</al><al>Gekozen is voor een flexibele en vooral praktijkgerichte oplossing met een
                    zekere minimum waarborg. Om de gemeentesecretaris enig houvast te geven is het
                    criterium ‘werkbaar evenwicht’ in de verordening opgenomen. Bijlage 1
                    Verantwoording budget fractieondersteuning over het jaar 20..</al><al>Fractienaam ………………</al><lijst><li nr="1."><al>Stand van de reserve aan het begin van het kalenderjaar €</al></li><li nr="2."><al>Inkomsten: €</al></li></lijst><al>2a Brutobijdrage €</al><al>2b Evt. korting (ingeval van derde commissielid) -/- €</al><al>2c Rente € </al><lijst><li nr="3."><al>Totaal beschikbaar in kalenderjaar (1 + 2) €</al></li><li nr="4."><al>Uitgaven</al></li></lijst><al>Uitgaven die voldoen aan de voorwaarden van de verordening (specificatie
                    bijvoegen)</al><al> no: omschrijving factuurdatum factuurbedrag </al><al>1 ……………………… …………….. €</al><al>2 ……………………… …………….. €</al><al>3 ……………………… …………….. €</al><al>4 ……………………… …………….. €</al><al>5 ……………………… …………….. €</al><al>6 ……………………… …………….. €</al><al>7 ……………………… …………….. €</al><al>8 ……………………… …………….. €</al><al>9 ……………………… …………….. €</al><al>10 ……………………… …………….. €</al><al>etc.</al><al> Totaal uitgaven €</al><lijst><li nr="5."><al>Per saldo resterend budget aan het einde van het kalenderjaar (3 -/- 4)
                            €</al></li><li nr="6."><al>Per saldo terug te storten (2a -/- 5), indien negatief: “0” invullen
                            €</al></li><li nr="7."><al>Stand reserve op 31 december van het kalenderjaar €</al></li><li nr="8."><al>Stand giro-/bankrekening op 31 december van het kalenderjaar €</al></li></lijst><al>N.B. een verschil tussen de stand op de giro/bankrekening kan enkel bestaan als
                    gevolg van rechtmatige nog te betalen kosten, welke zijn onderbouwd via
                    onderliggende stukken. Dit in het kader van het baten en lastenstelsel dat voor
                    gemeenten geldt. </al><al>Aldus naar waarheid opgesteld te …………………</al><al>Naam en voorletters opsteller …………………</al><al>Functie opsteller …………………</al><al>Handtekening opsteller …………………</al><al>Datum …………………</al><al>Handtekening fractievoorzitter …………………</al><al>Datum …………………</al><al> Bijlage 2 </al><al>Kostendeclaratieformulier.</al><al>Het (actuele) kostendeclaratieformulier is op te vragen bij de griffie.</al><al> Bijlage 3: Artikelen 5 t/m 9 van de verordening “Secundaire Voorzieningen
                    Raadsleden </al><al> Gemeente Delft 1993”</al><al>Artikel 5</al><lijst><li nr="1."><al>Wanneer voor een raadslid het raadslidmaatschap eindigt, en het
                            betrokken raadslid:</al><lijst><li nr="a."><al>in verband met zijn raadslidmaatschap een betrekking in
                                    loondienst heeft opgegeven;</al></li><li nr="b."><al>in verband met zijn raadslidmaatschap werkzaamheden, anders dan
                                    in loondienst heeft beëindigd;</al></li><li nr="c."><al>de omvang van de dienstbetrekking of werkzaamheden, als bedoeld
                                    bij a. of b. in verband met zijn raadslidmaatschap heeft
                                    teruggebracht;</al></li><li nr="d."><al>in verband met zijn raadslidmaatschap heeft afgezien van het
                                    aangaan van een dienstbetrekking dan wel van het verrichten van
                                    werkzaamheden anders dan in loondienst;</al></li></lijst></li></lijst><al>kan de burgemeester een uitkering toekennen in de vorm van een financiële
                    afbouwregeling. </al><al>2.Het bij 1. gestelde geldt niet, indien er aanspraak bestaat op een uitkering
                    op grond van de Uitkerings- en pensioenverordening wethouders gemeente Delft
                    1992.</al><al>Artikel 6</al><al>Bij het vaststellen van de uitkering als bedoeld in artikel 5 wordt zoveel
                    mogelijk aansluiting gezocht bij het bepaalde in de Werkloosheidswet.</al><al>Waar in de Werkloosheidswet wordt gesproken over een arbeidsverleden, wordt bij
                    de uitvoering van artikel 5 de ononderbroken duur van het raadslidmaatschap als
                    arbeidsverleden aangemerkt.</al><al>Waar in de Werkloosheidswet wordt gesproken van dagloon, wordt bij de uitvoering
                    van artikel 5 het conform de voorschriften in de Werkloosheidswet tot een bedrag
                    per dag berekende deel van de vergoeding voor het raadslidmaatschap als dagloon
                    aangemerkt.</al><al>Artikel 7</al><al>Het gewezen raadslid, dat van mening is dat hij voor een uitkering als bedoeld
                    in artikel 5 in aanmerking komt, kan bij de burgemeester een aanvraag indienen
                    tot het treffen van een dergelijke regeling.</al><al>Hij verschaft in verband hiermee de burgemeester de door hem benodigde
                    informatie.</al><al>Artikel 8</al><al>Het hoofd van de Concernafdeling Personeel, Organisatie en Informatie adviseert
                    de burgemeester over een aanvraag als bedoeld in artikel 7.</al><al>Artikel 9</al><lijst><li nr="1."><al>Wanneer een raadslid tijdens de duur van de uitkering als bedoeld in
                            artikel 5 nieuwe inkomsten uit arbeid of loondienst verwerft, worden
                            deze inkomsten gekort op deze uitkering.</al></li><li nr="2."><al>Het raadslid, dat een uitkering als bedoeld in artikel 5 ontvangt, doet
                            de burgemeester terstond mededeling van het verkrijgen van inkomsten als
                            bedoeld in lid 1.</al></li><li nr="3."><al>Het hoofd van de Concernafdeling Personeel, Organisatie en Informatie
                            van de Bestuursdienst adviseert de burgemeester ten aanzien van de
                            gevolgen van de nieuwe inkomsten voor de uitkering, bedoeld in artikel
                            5.</al></li></lijst></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>