<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR375807_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Besluit jeugdhulp Rijnwaarden 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Rijnwaarden</dcterms:creator><dcterms:modified>2015-08-21</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Zevenaar</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">GVOP</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Besluit jeugdhulp Rijnwaarden 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Besluit jeugdhulp Rijnwaarden 2015 (GVOP)</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">college van burgemeester en wethouders</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-08-11</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2021-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Sociale Zekerheid; Jeugdhulp; Persoonsgebonden Budget</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>
      Besluit jeugdhulp Rijnwaarden 2015
    </intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rijnwaarden gelet
                        op de Verordening jeugdhulp Rijnwaarden 2015; besluit</al><al>vast te stellen het Besluit jeugdhulp Rijnwaarden 2015</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In dit Besluit wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al>gesprek: gesprek als bedoeld in artikel 5;</al></li><li nr="b."><al>melding: melding van een hulpvraag als bedoeld in artikel 3, eerste
                                lid;</al></li><li nr="c."><al>verslag: schriftelijke weergave van het onderzoek als bedoeld in
                                artikel 4. Een ondertekend verslag kan door het college aangemerkt
                                worden als een aanvraag van een voorziening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Melding hulpvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Jeugdigen en ouders kunnen een hulpvraag melden bij het sociaal
                            team.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het sociaal team bevestigt de ontvangst van een melding
                            schriftelijk.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In spoedeisende gevallen treft het college zo spoedig mogelijk een
                            passende tijdelijke maatregel of vraagt het college een machtiging
                            gesloten jeugd hulp als bedoeld in hoofdstuk 6 van de wet.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Jeugdigen, ouders of verzorgers kunnen zich rechtstreeks wenden tot een
                            overige voorziening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Vooronderzoek</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college verzamelt alle voor het onderzoek, bedoeld in artikel 4,
                                van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de jeugdige en zijn
                                situatie en maakt vervolgens zo spoedig mogelijk met jeugdigen,
                                ouders en/of verzorgers een afspraak voor een gesprek.</al></li><li nr="2."><al>Voor het gesprek verschaffen de jeugdige en/of zijn ouders aan het
                                college alle overige gegevens en bescheiden die naar het oordeel van
                                het collegevoor het onderzoek nodig zijn en waarover zij
                                redelijkerwijs de beschikking kunnen krijgen. De jeugdige en/of zijn
                                ouders geven in ieder geval een identificatiedocument als bedoeld in
                                artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage. Het
                                college kan in overleg met de jeugdige of zijn ouders/verzorgers
                                afzien van een vooronderzoek als bedoeld in het eerste en tweede
                                lid. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Gesprek</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college onderzoekt in een gesprek tussen deskundigen en/of de
                                jeugdige of zijn ouders, zo spoedig mogelijk en voor zover
                                nodig:</al><lijst><li nr="a."><al>de behoeften, persoonskenmerken, voorkeuren, veiligheid,
                                        ontwikkeling en gezinssituatie van de jeugdige en het
                                        probleem of de hulpvraag;</al></li><li nr="b."><al>het gewenste resultaat van het verzoek om jeugdhulp;</al></li><li nr="c."><al>het vermogen van de jeugdige of zijn ouders om zelf of met
                                        ondersteuning van de naaste omgeving een oplossing voor de
                                        hulpvraag te vinden;</al></li><li nr="d."><al>de mogelijkheden om gebruik te maken van een andere
                                        voorziening;</al></li><li nr="e."><al>de mogelijkheden om jeugdhulp te verlenen met gebruikmaking
                                        van een overige voorziening;</al></li><li nr="f."><al>de mogelijkheden om een individuele voorziening te
                                        verstrekken;</al></li><li nr="g."><al>de wijze waarop een mogelijk toe te kennen individuele
                                        voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het
                                        gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning,
                                        of werk en inkomen;</al></li><li nr="h."><al>hoe rekening zal worden gehouden met de godsdienstige
                                        gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond
                                        van de jeugdige en zijn ouders, en</al></li><li nr="i."><al>de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een
                                        PGB, waarbij de jeugdige of zijn ouders in begrijpelijke
                                        bewoordingen worden ingelicht over de gevolgen van die
                                        keuze.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>In de gevallen bedoeld in artikel 8.2.1 van de wet informeert het
                                college de ouders dat een ouderbijdrage is verschuldigd en hoe deze
                                bijdragewordt geïnd. </al></li></lijst><lijst><li nr="3."><al>Het college informeert de jeugdige en/of zijn ouders over de gang
                                van zaken bij het gesprek, hun rechten en plichten en de
                                vervolgprocedure en kan hen toestemming om hun persoonsgegevens te
                                verwerken vragen.</al></li><li nr="4."><al>Het college kan in overleg met de jeugdige en/of zijn ouders afzien
                                van een gesprek.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Verslag</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Van het onderzoek en het gesprek wordt door het college een verslag
                                gemaakt, waarin het oordeel van het college over de wenselijkheid
                                van een individuele of vrij toegankelijke dan wel laagdrempelige
                                voorziening wordt vastgesteld onder vermelding van de aan de
                                jeugdige of zijn ouders en/of verzorgers kenbaar gemaakte
                                gevolgen.</al></li><li nr="2."><al>Indien het gesprek naar het oordeel van het college leidt tot de
                                wenselijkheid van een individuele voorziening, wordt ter zake een
                                handelingsplan opgesteld, tenzij dit gelet op de aard van de te
                                leveren hulp niet noodzakelijk is.</al></li><li nr="3."><al>Zo spoedig mogelijk, waar mogelijk binnen tien werkdagen na het
                                gesprek verstrekt het college aan de jeugdige of zijn ouders en/of
                                verzorgers een verslag van de uitkomsten van het onderzoek, tenzij
                                zij hebben meegedeeld dit niet te wensen.</al></li><li nr="4."><al>Opmerkingen of latere aanvullingen van de jeugdige en zijn ouders
                                en/of verzorgers worden aan het verslag toegevoegd.</al><al/></li></lijst><al>Het verslag en het handelingsplan worden door de jeugdige en zijn ouders
                        en/of verzorgers voor akkoord ondertekend. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien jeugdigen en ouders een aanvraag voor een individuele voorziening
                            willen indienen doen ze dat schriftelijk bij het college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan een voor akkoord ondertekend verslag van het gesprek
                            aanmerken als complete aanvraag voor een voorziening, als de jeugdige of
                            zijn ouders dat in het verslag hebben aangegeven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Voorwaarden, beoordeling en afweging toegang individuele
                            voorziening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kent een individuele voorziening toe voor zover in het
                            verslag zoals bedoeld in artikel 6 wordt vastgesteld dat de
                            jeugdige:</al><lijst><li nr="a."><al>op eigen kracht of met zijn ouders of andere personen uit zijn
                                    naaste omgeving geen oplossing voor zijn hulpvraag kan
                                    vinden;</al></li><li nr="b."><al>geen oplossing kan vinden voor zijn hulpvraag door, al dan niet
                                    gedeeltelijk, gebruik te maken van een andere voorziening,
                                    of;</al></li><li nr="c."><al>geen oplossing kan vinden voor zijn hulpvraag door, al dan niet
                                    gedeeltelijk, gebruik te maken van een overige voorziening.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kent eveneens een individuele voorziening toe voor zover met
                            betrekking tot de jeugdige een verwijzing zoals bedoeld in artikel
                            3,eerste lid van de Verordening is afgegeven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Hoogte persoonsgebonden budget</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De hoogte van een persoonsgebonden budget:</al><lijst><li nr="a."><al>wordt mede bepaald aan de hand van een door de cliënt opgesteld
                                    plan over hoe hij het persoonsgebonden budget gaat
                                    besteden;</al></li><li nr="b."><al>bedraagt niet meer dan de kostprijs van de in de betreffende
                                    situatie goedkoopst adequate voorziening in natura, indien nodig
                                    aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering;</al></li><li nr="c."><al>bedraagt nooit meer dan de werkelijk gemaakte kosten.</al></li></lijst><al/></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><lijst><li nr=""><al>De hoogte van een persoonsgebonden budget voor:</al></li><li nr="a."><al>een maatwerkvoorziening, niet zijnde een dienst, wordt bepaald
                                    op tenhoogste de kostprijs van de voorziening die de aanvrager
                                    op dat moment zou hebben ontvangen als de voorziening in natura
                                    zou zijn verstrekt. Als de naturaverstrekking een tweedehands
                                    voorziening betreft, kan de kostprijs daarop gebaseerd worden,
                                    met een looptijd gelijk aan de verkorte termijn waarop de
                                    voorziening technisch is afgeschreven, rekening houdend met
                                    onderhoud, reparatie en verzekering. Als de naturaverstrekking
                                    een nieuwe voorziening betreft, wordt de kostprijs daarop
                                    gebaseerd, rekening houdend met een eventueel door de gemeente
                                    te ontvangen korting en rekening houdend met onderhoud,
                                    reparatie en verzekering. </al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>huishoudelijke hulp bedraagt € 15,00 per uur.</al></li><li nr="c."><al>individuele begeleiding door een niet daartoe opgeleid persoon
                                    diemantelzorger is of afkomstig is uit het sociale netwerk van
                                    de cliënt, wordtbepaald per uur op basis van het tarief per uur
                                    voor mantelzorgers in de Wetlangdurige zorg; maximaal € 20,00
                                    per uur.</al></li></lijst><lijst><li nr="d."><al>individuele begeleiding door een daartoe opgeleid persoon (en
                                    aangesloten bij de voor deze branche van toepassing zijnde
                                    beroepsorganisatie) bedraagt € 32,26 per uur</al></li><li nr="e."><al>begeleiding groep of dagbesteding bedraagt € 39,87 per
                                    dagdeel</al></li><li nr="f."><al>vervoer bij begeleiding groep of dagbesteding bedraagt € 4,80
                                    per dag</al></li><li nr="g."><al>behandeling basis Jeugd GGZ door een daartoe opgeleid persoon
                                    (en aangesloten bij de voor deze branche van toepassing zijde
                                    beroepsorganisatie) bedraagt maximaal € 59,66 per uur.</al></li><li nr="h."><al>behandeling specialistische jeugd GGZ door een daartoe opgeleid
                                    persoon (en aangesloten bij de voor deze branche van toepassing
                                    zijnde beroepsorganisatie) bedraagt maximaal €74,63,- per
                                    uur.</al></li><li nr="i."><al>kortdurend verblijf- en respijtzorg, uitgevoerd door daartoe
                                    opgeleide personen, bedraagt maximaal € 101,- per etmaal.</al></li><li nr="j."><al>persoonlijke verzorging, door een daartoe opgeleid persoon (en
                                    aangesloten bij de voor deze branche van toepassing zijnde
                                    beroepsorganisatie) bedraagt maximaal € 27,02 per uur.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Tussenpersonen of belangenbehartigers mogen niet uit het
                            persoonsgebonden budget worden betaald.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Verantwoording persoonsgebonden budget</titel></kop><al>Degene die een persoonsgebonden budget ontvangt waar het trekkingsrecht niet
                        op van toepassing is, verstrekt op verzoek van het college binnen in de
                        beschikking vastgestelde termijn:</al><lijst><li nr="a."><al>een factuur van de voorziening;</al></li><li nr="b."><al>voor zover van toepassing het onderhoud/reparatie en
                                verzekeringscontract inclusief betalingsbewijs van de gemaakte
                                kosten;</al></li><li nr="c."><al>gegevens waaruit blijkt aan welke vereisten de aangeschafte
                                voorziening voldoet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Bijdrage voor maatwerkvoorzieningen of persoonsgebonden
                            budgetten</titel></kop><al>Hoofdstuk 3 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 bevat rekenregels voor de
                        berekening van de bijdrage voor een maatwerkvoorziening of een
                        persoonsgebonden budget.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Kwaliteitseisen jeugdhulp</titel></kop><al>Door het voeren van jaarlijkse evaluatiegesprekken met aanbieders en
                        onafhankelijke klanttevredenheidsonderzoeken, wordt toezicht gehouden op het
                        naleven van de kwaliteitseisen zoals vastgelegd in artikel 8, van de
                        verordening.</al><al/><al>Voor de Zorg in Natura aanbieders gelden de standaardregels zoals opgenomen
                        in de contractering. Voor PGB zorgaanbieders gelden daarbij de volgende
                        kwaliteitseisen:</al><lijst><li nr="a."><al>Vog verklaring van de professionals</al></li><li nr="b."><al>Een zorgaanbieder mag niet op de zwarte lijst van de gemeente staan
                                vanwege ondeskundige zorg, het handelen in strijd met de Jeugdwet,
                                de nadere regels en de gemeentelijke voorwaarden en beleid,
                                misleiding, fraude en uitbuiting personeel. </al></li><li nr="c."><al>Jeugdhulpverleners zijn geregistreerd in het beroepsregister zoals
                                bedoeld in het besluit. </al></li><li nr="d."><al>Hulpaanbieders zijn verplicht te melden in de verwijsindex (VIR) en
                                hanteren de meldcode Huiselijk Geweld en Kindermishandeling. </al></li><li nr="e."><al>Hulpverleners kunnen de grenzen van het eigen kunnen en bevoegdheden
                                inschatten en aangeven wanneer specialistische ondersteuning is
                                gewenst, bijvoorbeeld van uit het flexibele aanbod dan wel
                                specialistische hulp. </al></li><li nr="f."><al>De hulpaanbieder werkt actief samen met andere jeugdhulpverleners
                                wanner er sprake is van een bedreiging van de veiligheid of welzijn
                                van de jeugdige of betrokkenen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Meldingsregeling calamiteiten en geweld</titel></kop><al>Calamiteiten en geweldsincidenten dienen zo spoedig mogelijk maar uiterlijk
                        binnen 5 werkdagen gemeld te worden bij de toezichthoudend ambtenaar.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Waardering mantelzorgers</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De jaarlijkse blijk van waardering voor mantelzorgers van cliënten
                                in de gemeente bestaat uit een bedrag van € 100,00 en wordt in
                                november uitgekeerd.</al></li><li nr="2."><al>Alle cliënten die langer dan 1 jaar gebruik maken van een
                                maatwerkvoorziening ontvangen in juni een aanvraagformulier. Zij
                                kunnen één mantelzorger aangeven om in aanmerking te komen voor de
                                blijk van waardering.</al></li><li nr="3."><al>Als bij een keukentafelgesprek blijkt dat geen maatwerkvoorziening
                                wordt verstrekt, omdat de mantelzorger de nodige zorg levert, komt
                                deze mantelzorger ook in aanmerking voor een blijk van waardering.
                                De consulent reikt een aanvraagformulier hiervoor uit.</al></li><li nr="4."><al>Om in aanmerking te komen voor dit bedrag moet de cliënt het
                                aanvraagformulier voor 1 september inleveren bij de gemeente.</al></li></lijst><lijst><li nr="5."><al>Per cliënt wordt maximaal één blijk van waardering per kalenderjaar
                                toegekend en uitbetaald.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Indexering</titel></kop><al>De bedragen genoemd in dit Besluit worden vanaf 1 januari 2015 jaarlijks
                        geïndexeerd aan de hand van de consumentenprijsindex alle huishoudens van
                        het Centraal Bureau voor de Statistiek voor zover deze geen betrekking
                        hebben op de bedragen die gelden voor de eigen bijdrage. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2015.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Dit besluit wordt aangehaald als: besluit jeugdhulp Rijnwaarden
                            2015.</al></lid></artikel></regeling-tekst><bijlage><al><vet>Toelichting bij Besluit jeugdhulp Rijnwaarden 2015 </vet></al><al/><al><vet>Artikel 1. Begripsbepalingen </vet></al><al>De definities van ‘gesprek’ en ‘melding’ zijn nodig omdat deze begrippen niet
                    zijn gedefinieerd in de wet en het gebruik hier afwijkt van het normaal
                    spraakgebruik. </al><al>De melding is het eerste contact van jeugdigen en ouders met het college om aan
                    te geven dat zij behoefte hebben aan jeugdhulp. De melding (artikel 2) is iets
                    anders dan de aanvraag om een individuele voorziening; dit laatste is geregeld
                    in artikel 6. </al><al/><al>Het gesprek is het mondeling contact bij het onderzoek naar de hulpvraag waarin
                    het college - in de praktijk zal het college deze bevoegdheid mandateren aan
                    deskundigen - met degene die jeugdhulp vraagt zijn gehele situatie bespreekt ten
                    aanzien van de ondervonden problemen en de gevolgen daarvan en de gewenste
                    resultaten van de te kiezen oplossingen. </al><al/><al><vet>Artikel 2. tot en met 6. </vet></al><al>Algemeen</al><al>Voor het verkrijgen van een individuele, niet overige voorziening, geldt de in
                    artikel 2 tot en met 6 beschreven procedure. Bij het onderzoek ter beoordeling
                    van een aangemelde hulpvraag zal, zoals beschreven in artikel 4, in een gesprek
                    met de jeugdige en zijn ouders de gehele situatie worden bekeken en kan
                    bijvoorbeeld worden verwezen naar een overige jeugdhulpvoorziening in plaats
                    van, of naast, mogelijke toekenning van een individuele voorziening. </al><al/><al><vet>Artikel 2. Melding hulpvraag </vet></al><al>Artikel 2, eerste lid: het college is verantwoordelijk voor de inzet van de
                    noodzakelijke voorzieningen op het gebied van jeugdhulp. Het college is bevoegd
                    om de toegang tot jeugdhulp te verlenen op grond van de wet. In de praktijk zal
                    het college de beslissing over het inzetten van jeugdhulp niet zelf uitvoeren,
                    maar mandateren aan deskundigen. Ook op andere plaatsen in dit Besluit, de
                    verordening en in de wet waar staat “het college”, kan het college deze
                    bevoegdheid mandateren naar ondergeschikten dan wel niet-ondergeschikten op
                    grond van de algemene regels van de Awb. </al><al/><al>Artikel 2, vierde lid: de jeugdige of zijn ouders die een beroep willen doen op
                    een overige voorziening kunnen hier direct naartoe zonder meldingsprocedure</al><al>in de zin van artikel 2 van dit Besluit. Zoals in de algemene toelichting al is
                    aangehaald hebben jeugdigen en ouders onder de Jeugdwet geen wettelijk recht op
                    jeugdzorg en geen individuele aanspraken op jeugdzorg. Wel is er een
                    voorzieningenplicht voor de gemeente en het daaruit voortvloeiende recht van
                    jeugdigen en ouders op een zorgvuldige procedure. Dit besluit bevat bepalingen
                    die dit moeten waarborgen. </al><al>Hiermee kan ten onrechte de schijn worden gewekt dat het telkens om een
                    uitvoerig, onnodig bureaucratische proces gaat. Dit is echter geenszins</al><al>de bedoeling. Zo kan het vooronderzoek (artikel 3), afhankelijk van de inhoud
                    van de melding, meer of minder uitgebreid zijn. Er kan bovendien hiervan – en in
                    bepaalde gevallen ook van het gesprek (artikel 4) – in overleg met de jeugdige
                    of zijn ouders afgezien worden. Daartegenover staat dat, als dat nodig is, er
                    ook sprake kan zijn van meerdere (opeenvolgende gesprekken). Als de jeugdige al
                    bij de gemeente bekend is, zal een aantal gespreksonderwerpen niet meer
                    uitgediept hoeven te worden. Komen een jeugdige of zijn ouders voor het eerst
                    bij de gemeente, dan zal een gesprek nodig zijn om een totaalbeeld van de
                    jeugdige en zijn situatie te krijgen. Een vooronderzoek en gesprek zullen
                    uiteindelijk vaak wel in enige vorm nodig zijn, omdat voor een zorgvuldig te
                    nemen besluit het van belang is dat alle feiten en omstandigheden van de
                    specifieke hulpvraag worden onderzocht. Ook andere bepalingen (schriftelijke
                    verslaglegging (artikel 5) en schriftelijke indiening aanvraag (artikel 6) zijn
                    opgenomen met het oog op een zorgvuldige procedure en in het belang van een
                    zorgvuldige dossiervorming. </al><al/><al><vet>Artikel 3. Vooronderzoek </vet></al><al>Deze bepaling is hier opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen en te
                    zorgen dat jeugdigen en ouders goed worden geïnformeerd. Het eerste lid dient
                    ter voorbereiding van het gesprek waarbij voor het onderzoek naar aanleiding van
                    de melding relevante bekende gegevens in kaart worden gebracht, zodat cliënten
                    niet worden belast met vragen over zaken die bij de gemeente al bekend zijn en
                    een goede afstemming mogelijk is met eventuele andere voorzieningen op het
                    gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen.
                    De regels met betrekking tot de privacy van betrokkenen en gegevensuitwisseling
                    die gelden op grond van de Jeugdwet en de Wet bescherming persoonsgegevens zijn
                    hierop van overeenkomstige toepassing. Indien gegevens nodig zijn waartoe het
                    college geen toegang heeft in </al><al>verband met de privacyregels, kan het college de jeugdige of zijn ouders vragen
                    om toestemming om deze op te vragen of in te zien. Het is alleen zinvol om
                    toestemming te vragen voor die situaties waarin professionals van te voren weten
                    dat zij het antwoord van de betrokkene (zowel positief als negatief) zullen
                    accepteren en respecteren. Zo niet, dan wordt niet om ‘toestemming’ gevraagd.
                    Deze situatie zal zich bijvoorbeeld voordoen indien de jeugdhulp nodig is
                    teneinde ernstig nadeel voor de betrokkene te voorkomen. Daarvoor in de plaats
                    komt dan het transparantiebeginsel: de burger wordt op de hoogte gesteld van het
                    voornemen om gegevens over hem te delen, met wie en waarom. Het vooronderzoek
                    kan afhankelijk van de inhoud van de melding meer of minder uitgebreid zijn en
                    omvat ook de uitnodiging voor het gesprek. </al><al/><al>Tweede lid: bij de vaststelling van de datum, het tijdstip en de locatie voor
                    het gesprek kunnen dan ook al wat concrete vragen worden gesteld of aan de</al><al>jeugdige of zijn ouders worden verzocht om nog een aantal stukken te verleggen.
                    In het kader van de rechtmatigheid wordt in ieder geval de identiteit van de
                    jeugdige of ouders vastgesteld aan de hand van een document als bedoeld in
                    artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht. Tevens kan worden beoordeeld of
                    sprake is van een voorliggende voorziening en of het college op grond van
                    artikel 1.2 van de wet al dan niet is gehouden om een voorziening op basis van
                    deze wet te treffen. </al><al/><al>In het derde lid is een bepaling opgenomen ter voorkoming van onnodige
                    bureaucratie. Als de gemeente al een dossier heeft van de jeugdige of zijn
                    ouders, en de jeugdige of zijn ouders geven (impliciet) toestemming om dit
                    dossier te gebruiken, dan kan een vooronderzoek achterwege blijven. </al><al>Een gesprek over de acute hulpvraag is dan in de regel nog wel nodig. Indien de
                    hulpvraag ook al bekend is, en het bijvoorbeeld over een vervolgvraag gaat, dan
                    kan in overleg met de jeugdige of zijn ouders ook van het gesprek worden
                    afgezien. Dit laatste is bepaald in artikel 5, vierde lid. Er kunnen zich ook
                    situaties voordoen op grond waarvan professionals tot het inzicht komen dat er
                    sprake is van een acute bedreiging van het de veiligheid en of welzijn van het
                    kind of gezin. In dat geval moet er soms eerst gehandeld worden voordat er een
                    gesprek kan plaats vinden. </al><al/><al><vet>Artikel 4. Gesprek </vet></al><al>Voor een zorgvuldig te nemen besluit is het van belang dat alle feiten en
                    omstandigheden van de specifieke hulpvraag worden onderzocht. Daarbij is </al><al>het van belang dat het onderzoek in samenspraak met de jeugdige en zijn ouders
                    wordt verricht. Vooreen zorgvuldig onderzoek is veelal persoonlijk contact nodig
                    om een totaalbeeld van de jeugdige en zijn ouders te krijgen. Het ligt daarom
                    ook voor de hand dat tijdens een gesprek met de jeugdige en zijn ouders het een
                    en ander wordt besproken. Of dit gesprek op een gemeentelocatie (Wmo loket of
                    sociaal team) plaatsvindt, op school, bij de jeugdige of zijn ouders thuis, of
                    bij een andere deskundige zal afhankelijk van de concrete situatie worden
                    besloten. Indien nodig voor het onderzoek, kan ook sprake zijn van meerdere
                    (opeenvolgende) gesprekken. In het gesprek zou duidelijk moeten worden hoe ook
                    de meest complexe individuele voorzieningen kunnen worden getroffen. De wetgever
                    omkleedt de procedure om te komen tot een individuele voorziening met allerlei
                    waarborgen rond een deskundige beoordeling. Het kan zelfs gaan om diagnostiek om
                    voor een psychiatrische behandeling in aanmerking te komen of voor een verblijf
                    in 24-uursopvang. Dat zijn zwaarwegende beslissingen waaraan professioneel
                    onderzoek en afweging ten grondslag liggen. </al><al/><al>Een gesprek kan ook worden aangegaan zonder dat er sprake is van een aanvraag
                    voor jeugdhulp. Professionals en medeopvoeders zijn ook verantwoordelijk voor de
                    veiligheid en welzijn van het kind. Zorgen worden via de reguliere communicatie
                    met ouders besproken. Wanneer ouders echter niet in staat of bereid zijn om daar
                    goed op te reageren moet er in het belang van het kind toch hulp worden ingezet.
                    In dat geval is er sprake van ongevraagde ondersteuning tot en met drang.
                    Daarbij staat altijd wel de dialoog met de ouders centraal staat maar is het
                    gesprek niet leidend. De jeugdhulp wordt namelijk op basis van een afweging van
                    deskundigen door de casusregisseur ingezet. In het eerste lid is opgenomen dat
                    het gesprek zo spoedig mogelijk moet plaatsvinden. Het hangt af van de situatie
                    hoe snel dat kan of moet plaatsvinden. In de onderdelen a tot en met i zijn de
                    onderwerpen van het gesprek weergegeven. Het betreft uiteraard altijd maatwerk.
                    Indien de jeugdige al bij de gemeente bekend is, zullen een aantal
                    gespreksonderwerpen niet meer uitgediept hoeven te worden en zal bijvoorbeeld
                    alleen kunnen worden gevraagd of er nog nieuwe ontwikkelingen zijn. Komen een
                    jeugdige of zijn ouders voor het eerst bij de gemeente, dan zal het gesprek
                    dienen om een totaalbeeld van de jeugdige en zijn situatie te krijgen. In
                    onderdeel c wordt de eigen kracht van jeugdigen en ouders voorop gesteld
                    overeenkomstig het in de considerans van de wet en de verordening vermelde
                    uitgangspunt dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van
                    jeugdigen allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf ligt. Een te verstrekken
                    voorziening kan ook juist nodig zijn om de mate van probleemoplossend vermogen
                    van de jeugdige en zijn ouders en die van de naaste omgeving te versterken. Ten
                    aanzien van de afstemmingsplicht in onderdeel g. valt te denken aan een
                    voorziening die een jeugdige ontvangt op grond van de AWBZ of de Zvw en een
                    voorziening op het gebied van passend onderwijs. </al><al>Het tweede lid dient ertoe ouders te informeren. Het college neemt niet de
                    hoogte van de bijdrage in de kosten in de beschikking op. Dat loopt via het door
                    het college daartoe aangewezen bestuursorgaan, evenals de mogelijkheid van
                    bezwaar en beroep daartegen. In artikel 8.2.3 van de wet is bepaald dat de
                    ouderbijdrage door ‘het bestuursorgaan dat (door Onze Ministers) met (de
                    vaststelling en) de inning is belast’ wordt vastgesteld en ten behoeve van de
                    gemeente wordt geïnd. Het Centraal Administratie Kantoor (CAK) gaat de
                    vaststelling en inning van de ouderbijdrage voor gemeenten uitvoeren. De
                    opbrengsten van de ouderbijdrage gaan naar de gemeente, die de ouderbijdrage
                    heeft opgelegd. De uitvoeringskosten van het CAK worden door het Rijk betaald.
                    De ouderbijdrage geldt op grond van Artikel 8.2.1 van de wet alleen in situaties
                    van jeugdhulp buiten de thuissituatie. Zie ook artikel 5, vierde lid van de
                    verordening. Het gaat om jeugdhulp waarbij een jongere een etmaal of een deel
                    daarvan bij een pleegouder of in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder
                    verblijft. Hieronder valt ook verblijf (gedurende een etmaal of een dagdeel) in
                    een ggz-instelling.</al><al>Tijdens het gesprek wordt het transparantiebeginsel vervat in artikel 33 en 34
                    Wet bescherming persoonsgegevens gehanteerd. Het transparantiebeginsel houdt in
                    dat iedereen het recht heeft om te weten wat er waar van hem vastligt en wat er
                    tussen wie wordt uitgewisseld. Het college verstrekt die informatie aan
                    betrokkene(n). Het college kan aan de jeugdige en/of zijn ouders toestemming
                    vragen om persoonsgegevens te verwerken (waaronder het uitwisselen van
                    persoonsgegevens), maar reserveert die mogelijkheid -zoals hierboven ook
                    aangegeven- voor die situaties waarin het antwoord van de betrokkene(n)
                    geaccepteerd en gerespecteerd wordt. Zo niet, dan wordt niet om toestemming
                    gevraagd. Deze situatie zal zich bijvoorbeeld voordoen indien de jeugdhulp nodig
                    is teneinde ernstig nadeel voor de betrokkene te voorkomen. </al><al/><al/><al><vet>Vervoer</vet></al><al>In de Jeugdwet is opgenomen dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor het bieden
                    van vervoer voor de volgende zorgvormen:</al><al>• naar dagbesteding: Jeugdwet (gemeente)</al><al>• naar logeeropvang: Jeugdwet (gemeente)</al><al>• naar jeugd-ggz aanbieder: Jeugdwet (gemeente)</al><al/><al>Het vervoer naar bovenstaande zorgvormen is vooralsnog niet via zorgaanbieders
                    geregeld. We kijken als gemeente eerst of inwoners zelf of met ondersteuning van
                    hun omgeving een oplossing voor hun hulpvraag kunnen vinden (artikel 4.1.c).
                    Voor de beoordeling of mensen in aanmerking komen voor een vergoeding voor
                    vervoer, maken wij gebruik van de hardheidsclausule van de zorgverzekeringswet. </al><al/><al><cursief>Hardheidsclausule zorgverzekeringswet:</cursief></al><al>(aantal maanden behandeling in totaal) x (aantal keren</al><al>behandeling p/week) x (aantal weken behandeling p/maand) x</al><al>(aantal km enkele reis) x 0,25 (= wegingsfactor)</al><al/><al>De variabele onderdelen zijn afhankelijk van de persoonlijke situatie van een
                    verzekerde. Is de uitkomst gelijk aan of groter dan 250, dan kan een verzekerde
                    op grond van de hardheidsclausule</al><al>aanspraak maken op vervoer. </al><al/><al>- De regeling wordt niet terugwerkende kracht toegepast; de regeling gaat in op
                    moment van kenbaar maken van de vraag bij gemeente.</al><al>- Volgens de jeugdwet is de gemeente op grond van de jeugdwet niet
                    verantwoordelijk van vervoer van ouders naar de GGZ instelling. Als ouders dit
                    niet zelf kunnen organiseren, kunnen zij hiervoor een beroep doen op het WMO
                    vervoer.</al><al/><al><vet>Artikel 5. Verslag </vet></al><al>Deze bepaling is opgenomen in het belang van een zorgvuldige dossiervorming en
                    een zorgvuldige procedure. De invulling van deze verslagplicht is vormvrij.
                    Hierbij is een voorbeeld genomen aan de praktijk van de Wmo. In de memorie van
                    toelichting op het wetsvoorstel Wmo 2015 (Kamerstukken II 2013/14 33 841, nr.3)
                    staat hierover dat het college een weergave van de uitkomsten van het onderzoek
                    verstrekt om de cliënt in staat te stellen een aanvraag te doen voor een
                    maatwerkvoorziening. Dat moet in beginsel schriftelijk. Een goede weergave maakt
                    het voor de gemeente inzichtelijk om een juiste beslissing te nemen te nemen op
                    een aanvraag en draagt bij aan een inzichtelijke communicatie met de cliënt.
                    Uiteraard zal de weergave van de uitkomsten van het onderzoek variëren met de
                    uitkomsten van het onderzoek. Zo zal de weergave van het onderzoek </al><al>bijvoorbeeld heel beperkt kunnen zijn als de cliënt van mening is goed geholpen
                    te zijn en de uitkomst is dat geen aanvraag van een maatwerkvoorziening
                    noodzakelijk is. Bij meer complexe onderzoeken zal uiteraard een uitgebreidere
                    weergave noodzakelijk zijn. Desgewenst kan de gemeente de schriftelijke weergave
                    van de uitkomsten van het onderzoek ook gebruiken als een met de cliënt
                    overeengekomen plan (arrangement) waarin de gemaakte afspraken en de
                    verplichtingen die daaruit voortvloeien, zijn vastgelegd. Het is in dat geval
                    passend dat het college en de cliënt dit plan ondertekenen. </al><al/><al>Het later toevoegen van opmerkingen of het aanbrengen van wijzigingen of het
                    herstellen van feitelijke onjuistheden is eveneens vormvrij (derde lid). </al><al/><al><vet>Artikel 6. Aanvraag </vet></al><al>Deze bepaling is een uitwerking van de verplichte delegatiebepaling van artikel
                    2.9, onder a, van de wet, waarbij is bepaald dat de gemeente bij verordening in
                    ieder geval regels stelt met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning en de
                    wijze van beoordeling van, en de afwegingsfactoren bij een individuele
                    voorziening. Een aanvraag is nodig om een verleningsbeschikking voor een
                    individuele voorziening te verkrijgen. In de Awb worden regels gegeven omtrent
                    de aanvraag. Dit besluit wijkt daarvan niet af. Op grond van artikel 4:1 van de
                    Awb wordt een aanvraag tot het geven van een beschikking schriftelijk ingediend
                    bij het bestuursorgaan dat bevoegd is op de aanvraag te beslissen (hier het
                    college), tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald. In artikel 6 lid 2
                    is opgenomen dat het college het voor akkoord ondertekend verslag van het
                    gesprek kan aanmerken als complete aanvraag voor een voorziening, als de
                    jeugdige of zijn ouders dat in het verslag hebben aangegeven. </al><al/><al><vet>Beslistermijnen Awb </vet></al><al>In de verordening is geen termijn opgenomen om te beslissen op een aanvraag. De
                    regeling in de Awb geldt onverkort. In artikel 4:13 van de Awb is bepaald dat
                    een beschikking dient te worden gegeven binnen een redelijke termijn van acht
                    weken na ontvangst van de aanvraag. Indien een beschikking niet binnen acht
                    weken kan worden gegeven, dient het bestuursorgaan dit binnen deze termijn aan
                    de aanvrager mede te delen en daarbij een redelijk termijn te noemen waarbinnen
                    de beschikking wel tegemoet kan worden gezien (artikel 4:14, derde lid, van de
                    Awb). Deze termijnen zijn maximumtermijnen. Indien nodig kan na een melding
                    binnen enkele dagen een individuele voorziening worden verstrekt, in complexe
                    situaties zal in de regel in het belang van een zorgvuldig onderzoek een langere
                    termijn nodig zijn. Bijvoorbeeld, indien een langer durend diagnosetraject
                    benodigd is, kan dit ook tot een wat langere afhandelingsduur van de aanvraag
                    leiden. Ter voorkoming van onnodige administratieve lasten </al><al>is in het tweede lid van artikel 6 de mogelijkheid opgenomen om een door de
                    jeugdige of zijn ouders ondertekend verslag als aanvraag aan te merken. Het
                    uitgangspunt van de jeugdhulp is één gezin, één plan en één regisseur. De
                    casusregisseur zal in de regel een plan opstellen met het gezin en mogelijk
                    medeopvoeders. Het plan is de basis voor de aanvraag of kan als een aanvraag
                    worden aangemerkt. Het maakt het ook mogelijk om de wederkerigheid van de
                    jeugdhulp te formuleren. Niet alleen de gemeente biedt een voorziening maar ook
                    de ouders en of medeopvoeders gaan actief aan de slag. De actieve inzet van
                    ouders kan voorwaardelijk zijn voor de ondersteuning vanuit de gemeente. De
                    flexibele ondersteuning kan zonder beschikking worden ingezet. Voor de
                    intensieve ondersteuning kan op verzoek van ouders of verzorgers een beschikking
                    worden afgegeven (jeugdhulp verordening, artikel 3, lid 2). Omdat de toekenning
                    van jeugdhulp wordt gemandateerd aan de casusregisseur zal in veel gevallen geen
                    formele aanvraag worden ingediend en geen beschikking worden verstrekt. De
                    toegekende jeugdhulp en het plan worden wel geregistreerd. De </al><al>gemeenten schaffen hiervoor de benodigde instrumenten aan die door de
                    professionals maar ook ouders kunnen worden gebruikt. Alle aanvragen voor
                    jeugdhulp worden ter afhandeling bij de casusregisseurs neergelegd. </al><al>Wanneer een aanvrager het niet eens kan worden met een casusregisseur kan
                    diegene en/of de ouders schriftelijk een aanvraag indienen. De casusregisseur
                    zal deze moeten afhandelen conform de formele eisen van de Awb en een
                    beschikking afgeven. Bij een afwijzing kan de aanvrager bezwaar maken en een
                    voorlopige voorziening aanvragen conform de Awb. </al><al/><al>Wanneer de veiligheid en welzijn van het kind er om vragen kan het nodig zijn
                    dat de gemeente jeugdhulp inzet zonder dat er een aanvraag ligt. Naar het
                    oordeel van professionals en deskundigen wordt dan een voorziening ingezet.
                    Hierbij is sprake van drang. Dat wil zeggen dat er sprake is van een ernstige
                    situatie en dat het accepteren van een voorziening kan voorkomen dat een gang
                    naar het gedwongen kader moet worden gemaakt. In dat geval is het voor de
                    rechtsbescherming van de ouders van belang dat een beschikking wordt afgegeven. </al><al/><al><vet>Toegang </vet></al><al>In dat model gaan we er van uit dat toegang naar jeugdhulp zo dicht mogelijk bij
                    het kind en gezin wordt georganiseerd en geregisseerd onder de noemer
                    casemanagement. Aan de casusregisseur wordt de bevoegdheid van het college
                    gemandateerd om de noodzakelijke jeugdhulp in te zetten. Hiermee geven de
                    gemeenten vorm aan het uitgangspunt één gezin, één plan, één regisseur.
                    Uitgaande van dit model zal de casusregisseur ook gemandateerd worden om
                    jeugdhulp in te zetten wanneer de toegang via de huisarts loopt. Met de
                    huisartsen en de zorgaanbieders moeten over de uitvoering afspraken worden
                    gemaakt. In de praktijk kunnen tussen de professionals onderling en of met de
                    opvoeders verschillen van inzichten ontstaan over het plan en de in te zetten
                    jeugdhulp. Daarom moeten binnen de afspraken de rollen en verantwoordelijkheden
                    helder worden beschreven en duidelijke procesafspraken worden gemaakt. </al><al/><al><vet>Artikel 8 tot en met 10. Regels voor PGB </vet></al><al>In artikel 8.1.1, vijfde lid, onderdeel a, van de wet is bepaald dat het college
                    een PGB kan weigeren voor zover de kosten van het betrekken van de jeugdhulp van
                    derden hoger zijn dan de kosten van de individuele voorziening. Zo wordt
                    voorkomen dat inkoopvoordelen zouden wegvallen als te veel personen zelf
                    ondersteuning willen inkopen met een PGB. Een PGB is gemiddeld genomen ook
                    goedkoper dan zorg in natura omdat er minder overheadkosten hoeven te worden
                    meegerekend. De maximale hoogte van een PGB is in dit Besluit begrensd op de
                    kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate door het college
                    ingekochte individuele voorziening in natura. </al><al/><al><vet>Ureninzet </vet></al><al>In het gesprek wordt de benodigde inzet en het aantal uren bepaald. Voor het al
                    dan niet inzetten van de hulp in de vorm van een PGB hanteren wij de 10-</al><al>uurs grens. We doen dat om meer sturing te krijgen om deze vorm van zorg en de
                    bijbehorende uitgaven. Wij gaan er vanuit gaan dat de PGB vooral een effectief
                    en efficiënt instrument is bijzwaardere vormen van hulp en ondersteuning. </al><al/><al>Wanneer een jeugdige meer ondersteuning nodig heeft dan 10 uur per week dan kan
                    de zorg in de vorm van een PGB worden toegekend. </al><al/><al><vet>Inzet pgb voor eigen netwerk </vet></al><al>We verstrekken alleen bij hoge uitzondering een PGB voor de bekostiging aan
                    familie, huisgenoten of de sociale omgeving van een inwoner. Dit kan alleen in
                    uitzonderlijke gevallen en situaties waarin sprake is van een zware beperking
                    die bijv. ondersteuning of hulp noodzakelijk maakt bij het zelfstandig wonen. We
                    hanteren hierbij de volgende overwegingen: </al><al>• De benodigde ondersteuning of hulp is niet goed vooraf in te plannen. </al><al>• De benodigde ondersteuning of hulp moet op ongebruikelijke tijden geleverd
                    worden. </al><al>• De benodigde ondersteuning of hulp moet op veel korte momenten per dag geboden
                    worden </al><al>• De ondersteuning moet op verschillende locaties worden geleverd. </al><al>• Als het noodzakelijk is om 24 uur ondersteuning of hulp op afroep te
                    organiseren. </al><al>• Als de ondersteuning of hulp door de aard van de beperking door een vaste
                    hulpverlener moet worden geboden. Denk hierbij bijvoorbeeld aan een persoon met
                    autisme of hechtingsproblematiek. Het uurtarief voor geboden zorg door het eigen
                    netwerk bedraagt maximaal € 20,-. </al><al/><al><vet>Kwaliteitseisen </vet></al><al>Deze eisen zijn bedoeld om de kwaliteit van de PGB zorg op gelijke hoogte te
                    krijgen als zorg in natura. Een PGB kan geweigerd worden wanneer de kwaliteit
                    van de zorg niet gegarandeerd is. Hiermee voorkomen we dat malafide aanbieders
                    hulp in onze gemeente gaan aanbieden. </al><al/><al><vet>Vervoer </vet></al><al>In artikel 8, lid 2.F geven we aan dat iemand voor een pgb vergoeding voor
                    vervoer in aanmerking kan komen. In de toelichting op artikel 4 (gesprek) geven
                    we aan wanneer iemand voor een vergoeding vervoer in aanmerking komt, hetzij in
                    de vorm van zorg in natura, hetzij in pgb vorm. </al><al/><al><vet>PGB niet inzetbaar voor </vet></al><lijst><li nr="1."><al>kinderen met een indicatie voor intensieve kindzorg (IKV) met grondslag
                            LG gaan onder de Zvw vallen. Deze kinderen hebben na behandeling in een
                            ziekenhuis medisch specialistische verpleging nodig. Het zijn ernstig
                            zieke kinderen met vaak een levensbedreigende ziekte. De zorgverzekeraar
                            gaat hen zorg toekennen en betalen</al></li><li nr="2."><al>kinderen die verpleging nodig hebben, moeten zich voor deze zorg wenden
                            tot de zorgverzekeraar. </al></li><li nr="3."><al>kinderen van wie vrijwel zeker is dat zij zich niet kunnen ontwikkelen
                            tot een niveau waarop zij met ondersteuning zelfstandig kunnen wonen,
                            gaan naar de nieuwe Awbz: de Wlz, Wet langdurige zorg; dat zijn kinderen
                            die permanent toezicht nodig hebben of 7x24 uur zorg en/of die zijn
                            geïndiceerd in een hoog zzp.</al></li></lijst><al/><al/><al/><al/></bijlage></regeling></body></cvdr>