<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR375773_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Regeling Voorrangsindicaties Woningen 2013</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Zaanstad</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-04-24</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Zaanstad</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad 2013, nr. 43</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Regeling Voorrangsindicaties Woningen 2013</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">college van burgemeester en wethouders</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>volkshuisvesting en woningbouw</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-07-09</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-07-19</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-07-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2013/165494</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>REGELING VOORRANGSINDICATIES WONINGEN 2013</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 1 </label></kop><al>In deze regeling gelden onverkort de definities als opgenomen in de
                            artikelen 1 en 2 van de Verordening Indicatiestelling woningen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2 </label></kop><al> Afgezien van het bepaalde in artikel 4:84 Algemene wet bestuursrecht,
                            worden slechts voorrangsindicaties afgegeven conform het hierna
                            bepaalde, waarbij de beleidsregels neergelegd in hoofdstuk 2 gelden als
                            een aanvulling op het bepaalde in dit hoofdstuk. Indien op grond van een
                            bepaling uit hoofdstuk 1 een voorrangsindicatie moet worden geweigerd,
                            kan deze weigering niet op grond van enige bepaling uit hoofdstuk 2
                            ongedaan gemaakt worden, tenzij dit expliciet bepaald wordt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 3 </label></kop><al> Geen voorrangsindicatie wordt afgegeven aan de belanghebbende die zijn
                            huisvestingsproblemen door eigen toedoen – een legitieme keuze daaronder
                            begrepen - zelf heeft veroorzaakt of verergerd, dan wel de
                            belanghebbende die niet voldoende tijdig al het nodige heeft gedaan ter
                            oplossing van een voorzienbaar huisvestingsprobleem.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4 </label></kop><al> Geen voorrangsindicatie wordt afgegeven aan de belanghebbende die niet
                            geregistreerd staat als woningzoekende in de regio en die niet
                            aantoonbaar zo vaak als mogelijk is op passende reguliere aanbiedingen
                            van woningen reageert.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5 </label></kop><al> Geen voorrangsindicatie wordt afgegeven aan een belanghebbende die tot
                            een jaar voor zijn aanvraag een passende regulier aangeboden woning
                            heeft geweigerd.</al><al>Indien een passende woning wordt geweigerd, vervalt de
                            voorrangsindicatie.</al><al>Geen indicatie wordt afgegeven indien twee jaar voorafgaand aan de
                            aanvraag reeds een indicatie is afgegeven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 6 </label></kop><al> Geen voorrangsindicatie wordt afgegeven aan de belanghebbende aan wie
                            op één van de gronden genoemd in artikel 8 van het Convenant
                            Woonruimteverdeling een huurovereenkomst kan worden geweigerd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 7 </label></kop><al> Geen voorrangsindicatie wordt afgegeven aan de belanghebbende met een
                            huishoudinkomen dat hoger is dan het bedrag zoals genoemd in artikel 10,
                            tweede lid, onder b. van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8 </label></kop><al> Geen voorrangsindicatie wordt afgegeven aan de belanghebbende die
                            beschikt, dan wel redelijkerwijs kan beschikken over een vermogen meer
                            dan het conform de Wet op de Inkomstenbelasting 2001 onbelaste vermogen.
                            Bij dit vermogen wordt tevens geteld het bedrag waarmee de waarde van de
                            eigendomswoning de voor de aankoop en verbetering van deze woning
                            aangegane schulden overtreft.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 9 </label></kop><al> Een voorrangsindicatie wordt slechts afgegeven aan de belanghebbende
                            van wie aannemelijk is dat zijn huisvestingsprobleem uitsluitend met
                            zelfstandige woonruimte kan worden opgelost.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 10 </label></kop><al> Voorafgaand aan het afgeven van een voorrangsindicatie kan aan de
                            belanghebbende de voorwaarde worden opgelegd dat hij schriftelijk
                            verklaart akkoord te gaan met financiële of maatschappelijke
                            begeleiding, indien het opleggen van een dergelijke voorwaarde wenselijk
                            is uit een oogpunt van goed huurderschap. Indien de belanghebbende
                            weigert vooraf schriftelijk akkoord te gaan met de voorgestelde
                            begeleiding, wordt geen voorrangsindicatie afgegeven.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 2 Specifieke situaties</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 11 Voorrang in verband met een calamiteit</label></kop><al> Een voorrangsindicatie wordt afgegeven aan degene die door een
                            calamiteit buiten diens macht dakloos is geworden, tenzij de
                            belanghebbende verkeert in de omstandigheden als bedoeld in artikel 7 of
                            artikel 8 of tenzij het risico van dakloosheid door belanghebbende is
                            verzekerd of had behoren te worden verzekerd. Bij calamiteiten valt te
                            denken aan brand, overstroming, een milieu- incident of een incident als
                            gevolg van ernstige bouwkundige problemen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 12 </label></kop><al> Geen indicatie wordt afgegeven vanwege het enkele feit dat het huwelijk
                            of de samenwoningsrelatie wordt ontbonden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 13 </label></kop><al> Wanneer een voorrangsindicatie wordt aangevraagd in verband met
                            omstandigheden die samenhangen met het ontbinden van een huwelijk of een
                            samenwoningsrelatie wordt geen voorrangsindicatie wordt afgegeven aan de
                            belanghebbende die vanwege onderlinge afspraken met de gewezen partner
                            slechts gedeeltelijk de zorg heeft voor minderjarige kinderen, dan wel
                            slechts de zorg heeft voor één of enkele van de minderjarige
                            kinderen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 14 </label></kop><al>Wanneer een voorrangsindicatie wordt aangevraagd in verband
                            omstandigheden die samenhangen met het ontbinden van een huwelijk, wordt
                            de voorrangsindicatie op zijn vroegst pas afgegeven nadat door de
                            rechter in verband met het verzoek tot echtscheiding voorlopige
                            voorzieningen zijn getroffen die de aanvrager opdragen de echtelijke
                            woning onverwijld te verlaten. Wanneer dergelijke voorlopige
                            voorzieningen niet worden getroffen, wordt een voorrangsindicatie in
                            verband met de ontbinding van een huwelijk op zijn vroegst pas afgegeven
                            nadat de ontbinding van het huwelijk onherroepelijk is geworden. Op een
                            geregistreerd partnerschap is deze bepaling van overeenkomstige
                            toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 15 </label></kop><al> Wanneer een voorrangsindicatie wordt aangevraagd in verband met
                            omstandigheden die samenhangen met het ontbinden van een
                            samenwoningsrelatie, wordt de voorrangsindicatie op zijn vroegst pas
                            afgegeven nadat het samenlevingscontract is ontbonden</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 16 </label></kop><al> Geen voorrangsindicatie wordt afgegeven aan de belanghebbende die als
                            medehuurder het huurrecht van de voormalige echtelijke of gezamenlijk
                            gehuurde woning heeft kunnen opeisen, maar dit heeft nagelaten. De
                            belanghebbende die zich als medehuurder heeft kunnen laten erkennen,
                            maar dit heeft nagelaten, wordt voor de toepassing van dit beleid
                            aangemerkt als medehuurder.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 17 </label></kop><al> Geen voorrangsindicatie wordt afgeven aan de belanghebbende die als
                            mede-eigenaar van de voormalige echtelijke of gezamenlijke woning heeft
                            nagelaten bij de scheiding en deling van de gezamenlijke boedel deze
                            woning voor zichzelf op te eisen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 18 </label></kop><al> Geen voorrangsindicatie wordt afgeven aan de belanghebbende die deze
                            verklaring in verband met haar zwangerschap aanvraagt voorafgaand aan de
                            geboorte van het kind.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 19 </label></kop><al> Wanneer een belanghebbende een voorrangsindicatie aanvraagt in verband
                            met de geboorte van een kind dan wordt – in afwijking van het bepaalde
                            in artikel 3 – deze verklaring uitsluitend afgegeven wanneer aan de
                            volgende voorwaarden is voldaan:</al><lijst><li nr="A."><al>de belanghebbende is alleenstaande ouder; </al></li><li nr="B."><al>de woonsituatie van belanghebbende leidt tot een onhoudbare en
                                    bedreigende toestand, die alleen door het op korte termijn
                                    verkrijgen van zelfstandige woonruimte kan worden opgelost.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 20 </label></kop><al> Een belanghebbende wordt alleen geacht te verkeren in de toestand als
                            bedoeld in artikel 19, onderdeel B, wanneer dit blijkt uit een schrijven
                            van professionele psychiatrische en sociale hulpverleners, waarin de
                            betreffende aandoening of stoornis wordt benoemd, die een relatie heeft
                            met het woonprobleem van betrokkene. .</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 21 Voorrang in verband met een sociale noodsituatie</label></kop><al> Een voorrangsindicatie in verband met een sociale noodsituatie wordt
                            afgegeven aan de belanghebbende die zijn woning door huiselijk geweld
                            acuut heeft moeten verlaten en van wie, in verband met de ernstige
                            geweldsdreiging die van de achtergebleven huisgenoot of huisgenoten
                            uitgaat, niet mag worden gevergd dat hij naar de verlaten woning
                            terugkeert of dat hij deze opeist. De ernstige geweldsdreiging moet
                            blijken uit een proces verbaal van de politie, zo mogelijk aangevuld
                            door gegevens van justitie.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 22 Voorrang in verband met een medische noodsituatie</label></kop><al> Geen voorrangsindicatie wordt afgegeven aan de belanghebbende die deze
                            aanvraagt vanwege een lichamelijke aandoening en/of een psychische
                            stoornis tenzij kan worden aangetoond dat de betreffende aandoening
                            en/of stoornis chronisch is en overwegend wordt veroorzaakt door de
                            woonsituatie, danwel dat de behandeling van de aandoening/ stoornis in
                            hoge mate ongunstig wordt beïnvloed door de woonsituatie.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 23 </label></kop><al> Een belanghebbende wordt alleen geacht te verkeren in de toestand als
                            bedoeld in artikel 22, wanneer dit blijkt uit een schrijven van
                            professionele medische, psychiatrische en/of sociale hulpverleners,
                            waarin de betreffende aandoening of stoornis wordt benoemd, die een
                            relatie heeft met het woonprobleem van betrokkene. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 24 </label></kop><al> Indien wordt overwogen vanwege een chronische psychische stoornis een
                            voorrangsindicatie af te geven kan aan de belanghebbende de voorwaarde
                            worden opgelegd dat hij psychiatrische begeleiding aanvaardt en daarmee
                            voorafgaand aan het afgeven van de indicatie schriftelijk akkoord gaat.
                            Indien de belanghebbende weigert vooraf schriftelijk akkoord te gaan met
                            de voorgestelde begeleiding, wordt geen voorrangsindicatie
                            afgegeven.</al><al>Hoofdstuk 3 Overige afwijzingsgronden &amp; slotbepaling</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 25 </label></kop><al> Geen voorrangsindicatie wordt afgegeven aan een belanghebbende vanwege
                            het enkele feit dat deze beschikt over onzelfstandige woonruimte.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 26 </label></kop><al> Geen voorrangsindicatie wordt afgegeven indien deze uitsluitend vanwege
                            het (aanstaande) aflopen van een tijdelijke huurovereenkomst wordt
                            aangevraagd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 27 </label></kop><al> Geen voorrangsindicatie wordt afgegeven uitsluitend vanwege de
                            problemen die belanghebbende heeft met zijn woonomgeving. (Bijvoorbeeld
                            vanwege burenoverlast).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 28 </label></kop><al> Geen voorrangsindicatie wordt afgegeven aan de belanghebbende
                            uitsluitend omdat deze vanwege zijn werk naar Zaanstad moet of wil
                            verhuizen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 29 </label></kop><al> Geen voorrangsindicatie wordt afgegeven uitsluitend vanwege de slechte
                            staat van de woning.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 30 </label></kop><al> Geen voorrangsindicatie wordt afgegeven vanwege het enkele feit dat een
                            belanghebbende te klein of te groot is behuisd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 31 </label></kop><al> Geen voorrangsindicatie wordt afgegeven vanwege het enkele feit dat
                            belanghebbende uit detentie wordt vrijgelaten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 32 </label></kop><al> Geen voorrangsindicatie wordt afgegeven vanwege het enkele feit dat
                            belanghebbende of een lid van diens gezin last heeft van
                            flatneurose.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 33 </label></kop><al> Geen voorrangsindicatie wordt afgegeven vanwege het enkele feit dat
                            belanghebbende als gevolg van medische klachten niet meer in staat is om
                            de woning of de bijbehorende tuin te onderhouden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 34 </label></kop><al> Deze regeling treedt in werking op de dag nadat deze is gepubliceerd in
                            het gemeenteblad. </al><al> Op aanvragen die zijn ingediend voor de inwerkingtreding van deze
                            regeling is de Regeling voorrangsindicaties woningen van 2007 van
                            toepassing.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><nota-toelichting><kop><label>toelichting behorende bij DE REGELING VOORRANGSINDICATIES WONINGEN</label></kop><divisie><kop><label>ALGEMEEN</label></kop></divisie><divisie><kop><label>Inleiding</label></kop><al>De bevoegdheid van het college om voorrangsindicaties (in het spraakgebruik
                        ook wel ‘urgentieverklaringen’) af te geven is een vorm van beleidsvrijheid.
                        Het is een bevoegdheid die op grond van artikel 7 van de Verordening
                        indicatiestelling woningen (verder: de Verordening) aan het college is
                        opgedragen. Het college heeft op grond van artikel 4:81 Awb dan de
                        bevoegdheid om met betrekking tot de invulling van deze beleidsvrijheid
                        beleidsregels vast te stellen. Zowel ter instructie van de met de uitvoering
                        van dit beleid belaste ambtenaren, als ter bevordering van de
                        rechtszekerheid van de burger is het vaststellen van beleidsregels zeer
                        gewenst. Daarom is in artikel 4 van de Verordening de opdracht om
                        beleidsregels vast te stellen opgenomen. Met de Regeling voorrangsindicaties
                        woningen wordt aan de beleidsopdracht in de Verordening voldaan.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikelsgewijs</label></kop></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen</label></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel 1 </label></kop><al>Met dit artikel wordt duidelijk gemaakt dat de Regeling voor
                        definitiekwesties aansluiting zoekt bij de Verordening.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 2 </label></kop><al>Dit artikel geeft een instructie over de wijze waarop deze beleidsregels
                        moeten worden toegepast. De verschillende artikelen dienen in hun onderlinge
                        samenhang toegepast te worden. Wanneer de algemene bepalingen een beletsel
                        voor het afgeven van een voorrangsindicatie opleveren, komen we in het
                        algemeen niet meer toe aan een beoordeling op grond van één van de latere
                        bepalingen. </al><al>Bijvoorbeeld:</al><al>een persoon die niet ingeschreven staat als woningzoekende in deze regio kan
                        aan een ernstige psychische stoornis lijden die chronisch is en overwegend
                        wordt veroorzaakt door de woonsituatie. Toch is er in dat geval geen
                        aanleiding voor het afgeven van een voorrangsindicatie, immers artikel 4
                        levert reeds een beletsel voor urgentieverlening op.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 3 </label></kop><al>In dit artikel wordt de nadruk gelegd op de eigen verantwoordelijkheid van
                        de woningzoekende. De bedoeling van dit artikel is om nader te preciseren
                        wat onder verwijtbaarheid zoal verstaan wordt. Ook laat dit artikel
                        duidelijk uitkomen dat ook het huisvestingsprobleem dat wordt veroorzaakt
                        door een legitieme, dus niet verwijtbare keuze, niet met een
                        voorrangsindicatie mag worden opgelost. </al><al>Dit speelt in de praktijk het meest bij echtscheidingen en bij de geboorte
                        van kinderen. De beslissing om een ontwricht huwelijk te ontbinden noch het
                        feit dat een persoon zwanger wordt kan als verwijtbaar worden gezien. Echter
                        evenmin is het redelijk om de vele andere woningzoekenden (veel) langer te
                        laten wachten op een woning omdat steeds met voorrang in de huisvesting van
                        zojuist gescheiden mensen en zojuist bevallen moeders moet worden voorzien.
                        De hardheid die dit oplevert is een voorzienbaar gevolg van de krapte op de
                        woningmarkt. Met de artikelen 12 en verder, alsmede 18 en verder wordt
                        bereikt dat in een aantal gevallen aan zojuist gescheiden ouders en zojuist
                        bevallen moeders toch een voorrangsindicatie kan worden afgegeven.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 4 </label></kop><al>Met dit artikel wordt beoogd te verzekeren dat wie een voorrangsindicatie
                        krijgt geen kansen als regulier woningzoekende in de regio heeft laten lopen
                        en zich dus op zijn minst als woningzoekende heeft geregistreerd in
                        Woningnet en steeds als dat mogelijk was heeft gereageerd op het aanbod van
                        woningen. Daarbij spreekt vanzelf dat wie voor een voorrangsindicatie in
                        aanmerking wil komen in het geheel niet kieskeurig kan zijn in de keuze van
                        woningen. Ook moet de belanghebbende op het beschikbare aanbod hebben
                        gereageerd, ongeacht de vraag of er kans was om als eerste geïnteresseerde
                        te eindigen. Voorop staat dat het altijd het beste is om een
                        huisvestingsprobleem op te lossen zonder dat het middel van de
                        voorrangsindicatie moet worden ingezet.</al><al>Het bepaalde in artikel 8 derde lid van de verordening blijft uiteraard
                        onverkort van toepassing. Dus woningzoekenden uit andere inliggende
                        gemeenten komen in Zaanstad pas in aanmerking voor een voorrangsindicatie
                        indien zij reeds een jaar een voorrangsindicatie van een andere inliggende
                        gemeente hebben en het feit dat deze voorrangsindicatie nog niet tot
                        huisvesting heeft geleid de aanvrager niet kan worden verweten.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 5 </label></kop><al>Ook met dit artikel wordt beoogd te verzekeren dat wie een
                        voorrangsindicatie krijgt geen kansen als regulier woningzoekende in de
                        regio heeft laten lopen. Wie daarom tot een jaar voor de aanvraag heeft
                        gereageerd op regulier woningaanbod en daarbij als eerste is geëindigd en
                        vervolgens de huurovereenkomst niet is aangegaan, die krijgt in geen geval
                        een voorrangsindicatie. Deze voorwaarde geldt niet als de reden van de
                        indicatie zeer recent is. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 6 </label></kop><al>Dit artikel verwijst naar het convenant woonruimteverdeling. Het convenant
                        woonruimteverdeling geeft een aantal redenen waarom corporaties mogen
                        weigeren om een huurovereenkomst met woningzoekenden aan te gaan. Het gaat
                        om kandidaat huurders van wie de huurovereenkomst met betrekking tot de
                        vorige woning is ontbonden vanwege het veroorzaken van overlast, huurschuld,
                        ernstige vernielingen aan de woning, etc. Het is vanzelfsprekend zinloos om
                        voor een dergelijke woningzoekende een voorrangsindicatie af te geven,
                        immers de corporaties kunnen en zullen ook als deze woningzoekenden urgent
                        gemaakt worden, weigeren met hen een huurovereenkomst aan te gaan.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 7 </label></kop><al>Met dit artikel wordt bereikt dat woningzoekenden die over voldoende inkomen
                        beschikken geen voorrangsindicatie kunnen krijgen. Zij kunnen immers hun
                        inkomen inzetten om een woning te kopen of in de vrije sector te huren.
                        Daarmee kunnen zij op eigen kracht voorzien in hun huisvestingsbehoefte. Bij
                        de vaststelling van de inkomensgrens is aansluiting gezocht bij de wet
                        'Huurverhoging op grond van inkomen'. De inkomensgrens van € 43.000,-
                        (prijspeil 2012) is hoger dan de maximale inkomensgrens voor de huurtoeslag.
                        Ter bevordering van de doorstroming op de huurmarkt wordt voor huurders van
                        een gereguleerde woning (d.w.z. een huurwoning met een huurprijs die lager
                        ligt dan de maximale huurgrens voor de huurtoeslag) met een huishoudinkomen
                        van meer dan € 43.000,- een hogere jaarlijkse huurverhoging mogelijk gemaakt
                        (een maximale huurprijsstijging van inflatie plus maximaal 5%). (Wet van 14
                        maart 2013 tot wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en de
                        Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte, huurverhoging op grond van
                        inkomen)</al><al>De definitie van huishoudinkomen is: het gezamenlijke bedrag van de
                        inkomensgegevens, bedoeld in artikel 21 onderdeel e van de Algemene wet
                        inzake rijksbelastingen, van de huurder en de overige bewoners van een
                        woonruimte, met dien verstande dat van een overige bewoner die op 1 januari
                        van het jaar waarin de voorgestelde dag van ingang van de voorgestelde
                        huurprijs is gelegen de leeftijd van 23 jaar nog niet heeft bereikt het
                        bedrag van het inkomensgegeven slechts in aanmerking wordt genomen voor
                        zover dat meer bedraagt dan de vrije voet, bedoeld in artikel 3.17 van de
                        Wet studiefinanciering 2000, als geldend in het peiljaar. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 8 </label></kop><al>Met dit artikel wordt bereikt dat woningzoekenden die over voldoende eigen
                        vermogen beschikken geen voorrangsindicatie kunnen krijgen. Zij kunnen
                        immers hun vermogen inzetten om een woning te kopen. Daarmee kunnen zij op
                        eigen kracht voorzien in hun huisvestingsbehoefte.</al><al>Bij de bepaling van de hoogte van het redelijk te achten vermogen wordt
                        aangeknoopt bij de het heffingsvrij vermogen voor de heffing op inkomen uit
                        sparen en beleggen (box 3) in de Wet inkomstenbelasting 2001. Het is
                        wenselijk dat ook de overwaarde in een eigen woning bij het vermogen geteld
                        wordt. Dit speelt in de praktijk vooral bij echtscheidingssituaties. Het is
                        redelijk dat degene die de voormalige echtelijke woning verlaat ook het
                        eigen aandeel in de overwaarde inzet om een eventueel huisvestingsprobleem
                        op te lossen. Met deze bepaling wordt daarom mede bereikt dat degene die de
                        voormalige gezamenlijke woning verlaat en daarin zijn aandeel in de
                        overwaarde zonder vergoeding achterlaat, niet in aanmerking komt voor een
                        voorrangsindicatie wanneer deze overwaarde geteld bij het overige vermogen
                        meer is dan de in deze bepaling gestelde grens.</al><al>Omdat het vermogensbegrip in de Wet Inkomstenbelasting 2001 de overwaarde in
                        de eigen woning uitsluit, is in dit beleid daarom het vermogensbegrip
                        uitgebreid. De overwaarde in de eigen woning wordt in de Wet IB 2001 immers
                        niet belast als inkomen uit sparen en beleggen, maar als inkomen uit werk en
                        woning.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 9 </label></kop><al>Met dit artikel wordt – ten overvloede – aangegeven dat voorrangsindicaties
                        alleen bedoeld zijn om te helpen voorzien in de noodzaak om op korte termijn
                        een zelfstandige woning te verkrijgen. Met een zelfstandige woning wordt
                        bedoeld een woning die ten minste is voorzien van een badkamer en een
                        keuken. De woningzoekende zal moeten kunnen aantonen dat voor hem de
                        noodzaak bestaat om op korte termijn een zelfstandige woning te vinden.
                        Indien de woningzoekende dit niet kan aantonen, moet ervan uit worden gegaan
                        dat ook door onzelfstandige woonruimte in zijn behoefte aan onderdak kan
                        worden voorzien. Dan is er geen aanleiding voor het afgeven van een
                        urgentieverklaring. (Op grond van artikel 8, tweede lid van de verordening
                        worden geen indicaties afgegeven voor onzelfstandige woningen).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 10 </label></kop><al>Wanneer er – op grond van concrete aanwijzingen – reden is om aan te nemen
                        dat goed huurderschap voor een belanghebbende een probleem zal worden dan
                        zal in sommige gevallen op grond van artikel 6 en het convenant een
                        voorrangsindicatie geheel geweigerd worden. In andere gevallen is er voor de
                        corporaties nog geen aanleiding om een huurovereenkomst met de
                        woningzoekende te weigeren, maar is er toch – redelijke en concrete –
                        twijfel aan diens vermogen om als goed huurder een woning te huren. In dat
                        geval kan het zin hebben om de belanghebbende financiële en/of
                        maatschappelijke begeleiding aan te bieden en hem pas een voorrangsindicatie
                        te verlenen als hij schriftelijk daarmee akkoord is gegaan. Deze
                        akkoordverklaring kan dan worden doorgestuurd naar de woningbouwcorporatie,
                        bij de voordracht van de belanghebbende voor een woning.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk 2 Specifieke situaties</label></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel 11 </label></kop><al>Dit artikel opent de mogelijkheid om urgenties af te geven in het geval een
                        woning door een ramp onbewoonbaar wordt of tenietgaat. Ook hier wordt
                        aangegeven dat de voorrangsindicatie alleen mag worden ingezet als de
                        belanghebbende redelijkerwijs niet zelf voldoende snel in huisvesting kan
                        voorzien. Dus de belanghebbende met voldoende vermogen of inkomen wordt
                        geacht zichzelf te kunnen redden op de vrije markt. Ook komt de
                        voorrangsindicatie niet in beeld wanneer de belanghebbende op voldoende is
                        verzekerd, dan wel zich redelijkerwijs voldoende had behoren te
                        verzekeren.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 12 &amp; 13 </label></kop><al>Veel urgentieaanvragen komen tegenwoordig voort uit echtscheidingen of uit
                        verbrekingen van een samenwoningsrelatie. Wanneer in deze gevallen niet zeer
                        terughoudend met het afgeven van urgenties wordt omgegaan, zal de reguliere
                        woningverdeling ernstig worden uitgehold. Het is daarom noodzakelijk op dit
                        punt harde beleidskeuzes te maken. In dit artikel wordt er om te beginnen
                        voor gekozen om geen indicaties af te geven vanwege het enkele feit dat het
                        huwelijk of de samenwoningsrelatie wordt ontbonden. </al><al>Artikel 13 is in dit verband een noodzakelijke aanscherping van artikel 12.
                        Door ervoor te kiezen de zorg voor kinderen over beide partners te spreiden
                        is het voorzienbaar dat een huisvestingsprobleem ontstaat. Hoewel de keuze
                        om de zorg voor de kinderen te spreiden in de meeste gevallen een legitieme
                        keuze is, is het niet redelijk om de andere woningzoekenden vanwege deze op
                        zichzelf genomen legitieme keuze langer op een woning te laten wachten. Ook
                        komt het voor dat mensen bewust en (nagenoeg) uitsluitend op papier de zorg
                        voor hun kinderen over beide partners spreiden, om daarmee o.a. te trachten
                        in aanmerking te komen voor een voorrangsindicatie. Deze constructie wordt
                        met de voorgestelde artikelen 12 en 13 bestreden, voorzover het betreft de
                        voorrangsindicatie.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 14 </label></kop><al>Met dit artikel wordt bereikt dat urgenties bij echtscheidingen alleen
                        worden afgegeven als de wens tot echtscheiding boven alle twijfel verheven
                        is.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 15 </label></kop><al>Met dit artikel wordt bereikt dat urgenties bij ontbinding van een
                        samenwoningsrelatie alleen worden afgegeven als de wens om uit elkaar te
                        gaan boven alle twijfel verheven is.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 16 &amp; 17 </label></kop><al>Met deze bepalingen wordt bereikt dat urgenties bij echtscheidingen en bij
                        verbreking van concubinaten niet worden afgegeven als de aanvrager niet op
                        zijn minst zeer serieus gepoogd heeft om de voormalige echtelijke- of
                        gezamenlijke woning aan zichzelf toe te delen. De woningzoekende die zulks
                        niet heeft gedaan, heeft zelf het huisvestingsprobleem veroorzaakt. Daarbij
                        dient bedacht te worden dat artikel 16 en 17 pas tot toepassing komen als de
                        belanghebbende de partner met de volle zorg voor de kinderen is. De partner
                        die zonder kinderen achterblijft krijgt in beginsel op grond van artikel 3
                        en de artikelen 12 en 13 van deze beleidsregels al geen urgentie. Aan
                        toepassing van de artikelen 16 en 17 komen we dan niet meer toe. </al><al>De partner met de volle zorg voor de kinderen zal in de meeste gevallen de
                        voormalige echtelijke of gezamenlijke woning toegewezen krijgen. Dan is
                        afgifte van een voorrangsindicatie uiteraard niet nodig. Is het anders, dan
                        dient de belanghebbende uit te leggen waarom hij ondanks het bepaalde in
                        deze artikelen toch meent aanspraak te kunnen maken op een
                        voorrangsindicatie.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 18 </label></kop><al>Met dit artikel wordt bereikt dat voorrangsindicaties in verband met de
                        aanstaande geboorte van een kind pas worden afgegeven als het kind
                        daadwerkelijk (levend) geboren is.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 19 &amp; 20 </label></kop><al>Met deze artikelen wordt aangegeven dat ook in het geval van de geboorte van
                        een kind het afgeven van een voorrangsindicatie allerminst een automatisme
                        is. Ook van het krijgen van kinderen kan gezegd worden dat dit een keuze is.
                        Een legitieme keuze, maar ook voor deze legitieme keuze geldt dat het niet
                        redelijk is om de andere woningzoekenden langer te laten wachten. Met
                        artikel 20 wordt nader omschreven welke gegevens nodig zijn om de aanvraag
                        in dit verband te kunnen beoordelen. Met ‘schrijven’ van professionele
                        psychiatrische en sociale hulpverleners wordt bedoeld ‘schrijven’ van
                        meerdere artsen, specialisten daaronder begrepen, maatschappelijk werkers,
                        sociaal verpleegkundigen etc. waaruit consistent blijkt dat er sprake is van
                        een ernstige noodsituatie die snelle voorziening in zelfstandige woonruimte
                        noodzakelijk maakt.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 21 </label></kop><al>Met dit artikel wordt in beginsel uitsluitend huiselijk geweld als sociale
                        noodsituatie erkend. Andere sociale noodsituaties zijn hiermee niet
                        uitgesloten, maar komen zo weinig voor dat zij niet in beleidsregels benoemd
                        kunnen worden.</al><al>Wil de voorrangsindicatie in gevallen van huiselijk geweld in beeld komen,
                        dan moet de toestand zodanig zijn dat van de belanghebbende terugkeer naar
                        de verlaten woning redelijkerwijs niet meer gevergd mag worden. Inmiddels
                        zijn er meer mogelijkheden om degene die zich schuldig maakt aan huiselijk
                        geweld uit huis te zetten en uit de buurt van het huis te houden. Hoe reëler
                        deze mogelijkheden worden, hoe meer van het slachtoffer van huiselijk geweld
                        gevraagd mag worden om terug te keren naar de verlaten woning.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 22 &amp; 23 </label></kop><al>Met deze artikelen wordt aangegeven dat ook in het geval van een medische
                        noodsituatie het afgeven van een voorrangsindicatie geen automatisme is. De
                        noodsituatie moet chronisch zijn en moet in overwegende mate veroorzaakt
                        worden door de woonsituatie, anders is een voorrangsindicatie niet aan de
                        orde. Wanneer er om andere redenen een medische noodsituatie is ontstaan,
                        die door de woonsituatie wordt beïnvloed of enigszins verergerd, dan is er
                        in beginsel geen reden voor het afgeven van een voorrangsindicatie. Met
                        artikel 23 wordt nader omschreven welke gegevens nodig zijn om de aanvraag
                        in dit verband te kunnen beoordelen. Dit artikel heeft dezelfde functie als
                        artikel 20. ‘Verklaringen’ van professionele medische, psychiatrische of
                        sociale hulpverleners is vervangen door een ‘schrijven, waarin de
                        betreffende aandoening en/of stoornis wordt benoemd, die een relatie heeft
                        met het woonprobleem van betrokkene’. Dit op grond van richtlijnen van de
                        Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst
                        (KNMG).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 24 </label></kop><al>Wanneer wordt overwogen vanwege een chronische psychische stoornis een
                        voorrangsindicatie af te geven, kan er in beginsel wel van worden uitgegaan
                        dat er termen aanwezig zijn om de belanghebbende financiële en/ of
                        maatschappelijke begeleiding aan te bieden, zoals bedoeld in artikel 10 van
                        deze beleidsregels. Daarnaast kan in deze gevallen aanleiding zijn om ook
                        psychiatrische begeleiding aan te bieden. Om deze begeleiding als voorwaarde
                        bij de afgifte van de indicatie te kunnen stellen is dit artikel
                        opgenomen.</al><al>Hoofdstuk 3 Overige afwijzingsgronden &amp; slotbepaling</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 25 t.m. 33 </label></kop><al>De bepalingen in deze artikelen betreffen een zogenaamde negatieve lijst:
                        d.w.z. wanneer alleen om de redenen genoemd in deze bepalingen een
                        voorrangsindicatie wordt aangevraagd, dient deze aanvraag te worden
                        afgewezen. Bij de beoordeling van aanvragen moeten natuurlijk wel steeds
                        alle door de aanvrager gestelde en aangetoonde feiten in aanmerking worden
                        genomen. Wanneer een aanvrager bijvoorbeeld vanwege een flatneurose en
                        vanwege de geboorte van een kind een voorrangsindicatie aanvraagt, dan mag
                        de aanvraag niet uitsluitend met een beroep op artikel 29 van dit beleid
                        worden afgewezen. Immers dan zal ook moeten worden beoordeeld of
                        belanghebbende in verband met de geboorte van haar kind een
                        voorrangsindicatie dient te krijgen en van deze beoordeling zal moeten
                        blijken door een voldoende draagkrachtige motivering in het besluit op de
                        aanvraag.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 34 </label></kop><al>Dit is de slotbepaling. De datum waarop de Regeling Voorrangsindicaties
                        Woningen 2013 van kracht wordt is bepalend, evenals de datum waarop de
                        aanvraag om een voorrangsindicatie wordt ingediend. Wordt de aanvraag
                        ingediend voordat de regeling van kracht wordt, dan geldt nog het oude
                        beleid, daarna geldt het hierboven beschreven beleid.</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>