<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.92--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR37551_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Maatregelen verordening Wet investeren in jongeren gemeente Montfoort</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Montfoort</dcterms:creator><dcterms:modified>2009-10-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Montfoort</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Maatregelen verordening Wet investeren in jongeren gemeente Montfoort</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 147</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2009-10-26</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2009-10-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2009-10-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2014-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Datum inwerkingtreding bij benadering</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Maatregelen verordening Wet investeren in jongeren gemeente Montfoort</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De Raad van de gemeente Montfoort; </al><al>gezien het advies van de Raadscommissie </al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van Montfoort d.d. 22
                        september 2009</al><al>gelet op artikel 147, eerste lid Gemeentewet, en de artikelen 12, eerste
                        lid, onder b en 41, eerste lid, van de Wet investeren in jongeren; </al><al/><al>overwegende dat het noodzakelijk is het verlagen van uitkeringen van
                        jongeren van 18 jaar of ouder doch jonger dan 27 jaar bij wijze van
                        sanctie bij verordening te regelen; </al><al>b e s l u i t;</al><al>vast te stellen de <vet>“Maatregelenverordening Wet investeren in
                        jongeren gemeente Montfoort”</vet></al><al/><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>wet: de Wet investeren in jongeren (WIJ);</al></li><li nr="b."><al>WIJ-norm: de op grond van hoofdstuk 4 van de wet op de
                                        jongere van toepassing zijnde norm, vermeerderd of
                                        verminderd met de op grond van dat hoofdstuk door het
                                        college vastgestelde verhoging of verlaging;</al></li><li nr="c."><al>maatregel: de verlaging van de inkomensvoorziening op grond
                                        van artikel 41, eerste lid WIJ;</al></li><li nr="d."><al>benadelingsbedrag: het bruto bedrag dat als gevolg van het
                                        niet of niet behoorlijk nakomen van een
                                        inlichtingenverplichting ten onrechte is verleend als
                                        inkomensvoorziening of werkleeraanbod op grond van de
                                        wet;</al></li><li nr="e."><al>college: het college van burgemeester en wethouders van de
                                        gemeente Montfoort</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In deze verordening wordt mede verstaan onder benadelingsbedrag: de
                                kosten van het werkleeraanbod.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Afstemming</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd artikel 42 van de wet, verlaagt het college,
                                overeenkomstig deze verordening, het bedrag van de aan de jongere
                                toegekende inkomensvoorziening, indien de jongere naar het oordeel
                                van het college de op hem rustende verplichtingen, bedoeld in
                                hoofdstuk 5 van de wet, of de uit artikel 30c, tweede lid of derde
                                lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
                                voortvloeiende verplichtingen, niet of onvoldoende nakomt, dan wel
                                zich jegens het college zeer ernstig misdraagt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate
                                van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de jongere en kan
                                daarom afwijken van de in deze verordening genormeerde
                                maatregelen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Berekeningsgrondslag</titel></kop><al>De maatregel wordt toegepast op de voor de jongere van toepassing zijnde
                            WIJ-norm. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Het besluit tot opleggen van een maatregel</titel></kop><al>In het besluit tot opleggen van een maatregel worden in ieder geval
                            vermeld: de reden van de maatregel, de duur van de maatregel, het bedrag
                            waarmee de inkomensvoorziening wordt verlaagd en, indien van toepassing,
                            de reden om af te wijken van een standaardmaatregel. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Horen van belanghebbende</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voordat een maatregel wordt opgelegd, wordt de jongere in de
                                gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het horen van de jongere kan achterwege worden gelaten indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de vereiste spoed zich daartegen verzet;</al></li><li nr="b."><al>de jongere reeds eerder in de gelegenheid is gesteld zijn
                                        zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen
                                        nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan;</al></li><li nr="c."><al>de jongere niet heeft voldaan aan een verzoek van het
                                        college of van een derde aan wie het college met toepassing
                                        van artikel 11, vierde lid, van de wet, werkzaamheden in het
                                        kader van de wet heeft uitbesteed, om binnen een gestelde
                                        termijn inlichtingen te verstrekken als bedoeld in artikel
                                        44 van de wet; of</al></li><li nr="d."><al>het college het horen niet nodig acht voor het vaststellen
                                        van de ernst van de gedraging of de mate van
                                        verwijtbaarheid.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Afzien van het opleggen van een maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd artikel 41, tweede lid, van de wet, ziet het college af
                                van het opleggen van een maatregel indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de gedraging meer dan <cursief>één jaar </cursief>vóór
                                        constatering van die gedraging door het college heeft
                                        plaatsgevonden, tenzij de gedraging een schending van de
                                        inlichtingenplicht inhoudt en als gevolg van die gedraging
                                        ten onrechte inkomensvoorziening is verleend. Een maatregel
                                        wegens schending van de inlichtingenplicht wordt niet
                                        opgelegd na verloop van <cursief>vijf jaren </cursief>nadat
                                        de betreffende gedraging heeft plaatsgevonden;</al></li><li nr="b."><al>het college dringende redenen aanwezig acht.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het college afziet van het opleggen van een maatregel op
                                grond van dringende redenen, wordt de jongere daarvan schriftelijk
                                mededeling gedaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Ingangsdatum</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De maatregel wordt opgelegd met ingang van de kalendermaand volgend
                                op de datum waarop het besluit tot het opleggen van de maatregel aan
                                de jongere is bekendgemaakt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de maatregel met terugwerkende
                                kracht worden opgelegd, voorzover de ingangsdatum daardoor niet voor
                                de datum van de gesanctioneerde gedraging komt te liggen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Samenloop</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien sprake is van een gedraging die schending oplevert van
                                meerdere in de wet genoemde verplichtingen, wordt één maatregel
                                opgelegd. Indien voor schending van die verplichtingen maatregelen
                                van verschillende hoogten gelden, wordt de hoogste maatregel
                                opgelegd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren
                                van één of meerdere in de wet genoemde verplichtingen, wordt voor
                                iedere gedraging een afzonderlijke maatregel opgelegd. Deze
                                maatregelen worden gelijktijdig opgelegd, tenzij dit gelet op
                                artikel 2, tweede lid, niet verantwoord is.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Het niet nakomen van de verplichtingen bedoeld in artikel 45 van de
                            wet</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Indeling in categorieën</titel></kop><al>Gedragingen van de jongere inhoudende het niet of onvoldoende nakomen
                            van de verplichtingen bedoeld in artikel 45 van de wet, worden
                            onderscheiden in de volgende categorieën: </al><lijst><li nr="1."><al>Eerste categorie: </al><lijst><li nr="a."><al>het onvoldoende meewerken aan het opstellen van een plan
                                            met betrekking tot de arbeidsinschakeling, waaronder
                                            begrepen het onvoldoende meewerken aan een onderzoek
                                            naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="b."><al>het zich niet onderwerpen aan een noodzakelijke
                                            behandeling van medische aard.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Tweede categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het stellen van onredelijke eisen in verband met door de
                                            jongere te verrichten algemeen geaccepteerde arbeid, die
                                            het aanvaarden of verkrijgen van algemeen geaccepteerde
                                            arbeid belemmeren;</al></li><li nr="b."><al>het niet of onvoldoende meewerken aan het behoud of
                                            bevorderen van de arbeidsbekwaamheid;</al></li><li nr="c."><al>het niet of onvoldoende meewerken aan activiteiten of
                                            werkzaamheden, gericht op de arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="d."><al>het nalaten de opgedragen werkzaamheden of activiteiten
                                            naar beste vermogen te verrichten.</al></li></lijst></li></lijst><al>. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>De hoogte en duur van de maatrege</titel></kop><al>l</al><lijst><li nr="1."><al>De maatregel wordt vastgesteld op:</al><lijst><li nr="a."><al>20 procent van de WIJ-norm bij gedragingen van de eerste
                                            categorie;</al></li><li nr="b."><al>40 procent van de WIJ-norm bij gedragingen van de tweede
                                            categorie.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>De duur van de maatregel bedoeld in het eerste lid wordt
                                    vastgesteld op een maand.</al></li><li nr="4."><al>In afwijking van het vorige lid kan de duur van de maatregel
                                    worden verdubbeld, indien de jongere zich binnen twaalf maanden
                                    na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is
                                    opgelegd, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging
                                    van dezelfde of hogere categorie. Met een besluit waarmee een
                                    maatregel is opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan
                                    af te zien op grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 6,
                                    tweede lid.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Niet nakomen van de inlichtingenplicht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Schending inlichtingenplicht zonder benadeling gemeente</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het niet, niet tijdig of niet behoorlijk nakomen van de
                                inlichtingenplicht, bedoeld in artikel 44, eerste lid, van de wet,
                                niet heeft geleid tot het ten onrechte toekennen of uitvoeren van
                                het werkleeraanbod of tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag
                                verlenen van de inkomensvoorziening, wordt een maatregel opgelegd
                                van 5 procent van de WIJ-norm,</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De duur van de maatregel bedoeld in het eerste lid wordt vastgesteld
                                op een maand.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het tweede lid kan de duur van de maatregel worden
                                verdubbeld, indien de jongere zich binnen twaalf maanden na
                                bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel wordt opgelegd
                                opnieuw schuldig maakt aan dezelfde als verwijtbare aan te merken
                                gedraging. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd wordt
                                gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van
                                dringende redenen, bedoeld in artikel 6, tweede lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Schending inlichtingenplicht met benadeling gemeente</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de
                                inlichtingenplicht, bedoeld in artikel 44, eerste lid, van de wet
                                heeft geleid tot het ten onrechte toekennen of uitvoeren van het
                                werkleeraanbod of tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag
                                verlenen van de inkomensvoorziening, wordt de maatregel afgestemd op
                                de hoogte van het benadelingsbedrag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De maatregel bedoeld in het eerste lid wordt op de volgende wijze
                                vastgesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>bij een benadelingsbedrag tot € 1000,-: 10 procent van de
                                        WIJ-norm;</al></li><li nr="b."><al>bij een benadelingsbedrag van € 1000,- tot € 2000,-: 20
                                        procent van de WIJ-norm;</al></li><li nr="c."><al>bij een benadelingsbedrag van € 2000,- tot € 4000,-: 40
                                        procent van de WIJ-norm; d. bij een benadelingsbedrag van €
                                        4000,- of meer: 100 procent van de WIJ-norm.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien het benadelingsbedrag gelijk is aan of meer bedraagt dan €
                                6.000,- wordt geen maatregel opgelegd, maar aangifte gedaan bij het
                                Openbaar Ministerie. Bij een seponering door het Openbaar Ministerie
                                dient alsnog een maatregel te worden overwogen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De duur van de maatregel, bedoeld in het eerste lid, wordt
                                vastgesteld op een maand.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Van een maatregel wordt afgezien:</al><lijst><li nr="a."><al>zodra ter zake van de gedraging strafvervolging is ingesteld
                                        en het onderzoek ter terechtzitting een aanvang heeft
                                        genomen;</al></li><li nr="b."><al>zodra het recht tot strafvervolging is vervallen, doordat
                                        het Openbaar Ministerie een schikking met belanghebbende
                                        heeft getroffen.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de jongere zich tegenover het college of zijn ambtenaren zeer
                                ernstig misdraagt als bedoeld in artikel 41, eerste lid van de wet,
                                wordt een maatregel opgelegd van 40% van de WIJ-norm.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De duur van de maatregel, bedoeld in het eerste lid, wordt
                                vastgesteld op een maand.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Van het opleggen van de maatregel bedoeld in het eerste lid kan,
                                indien sprake is van verbaal geweld, worden afgezien en worden
                                volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing, tenzij
                                het verbale geweld plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te
                                rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de jongere een
                                schriftelijke waarschuwing in verband met ernstige misdragingen is
                                gegeven.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan een maatregel worden opgelegd
                                van 100 procent van de WIJ-norm, indien binnen twaalf maanden na
                                bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel als bedoeld in
                                het eerste lid, is opgelegd, sprake is van eenzelfde als verwijtbaar
                                aan te merken gedraging. Met een besluit waarmee een maatregel is
                                opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om af te zien van het
                                opleggen van een maatregel op grond van dringende redenen, als
                                bedoeld in artikel 6, tweede lid.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Inwerkingtreding en terugwerkende kracht</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op de dag na de dag van bekendmaking
                            en werkt terug tot 1 oktober 2009.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als <vet>“Maatregelenverordening Wet
                                investeren in jongeren gemeente Montfoort”</vet>.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 26 oktober 2009 </ondertekening><ondertekening>De griffier, De voorzitter,</ondertekening><ondertekening>mw. D.E. van der Kamp E.L. Jansen BA</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><al><vet>To</vet><vet>elichting </vet></al><al><vet>De Wet investeren in jongeren en de inkomensvoorziening </vet></al><al>Evenals in de WWB geldt binnen de WIJ een stelsel van rechten en
                            plichten. De gemeente is verplicht een werkleeraanbod en eventueel een
                            inkomensvoorziening aan te bieden, de jongere is daartegenover verplicht
                            zich te houden aan diverse verplichtingen. Worden deze verplichtingen
                            geschonden, dan dient de inkomensvoorziening verlaagd te worden (artikel
                            41, eerste lid, WIJ). Die verlaging geschiedt conform de regels die in
                            een gemeentelijke verordening moeten zijn vastgelegd (artikel 12, eerste
                            lid, onderdeel b, WIJ). Dat is de Maatregelverordening. </al><al><vet>Reikwijdte Maatregelverordening WIJ </vet></al><al>In afwijking van het uitgangspunt van de wetgever om de WIJ zoveel
                            mogelijk WWB-conform in te richten, is de in de WIJ vastgelegde
                            reikwijdte van de gemeentelijke Maatregelverordening beperkter van aard
                            dan die in de WWB. Aan het werkleeraanbod en de inkomensvoorziening
                            kunnen minder uiteenlopende verplichtingen verbonden worden dan aan de
                            bijstand. Het scala is beperkter van aard. De verplichtingen die op
                            grond van artikel 41 WIJ kunnen worden gesanctioneerd betreffen de
                            inlichtingen-, medewerkings- en identificatieplicht (artikel 44 WIJ),
                            alsmede een aantal concreet benoemde verplichtingen m.b.t. de
                            arbeidsinschakeling en de totstandkoming en tenuitvoerlegging van een
                            werkleeraanbod (artikel 45 WIJ). </al><al>Een ander verschil tussen de WIJ en de WWB is dat de inkomensvoorziening
                            niet verlaagd kan worden als de jongere zich schuldig maakt aan
                            tekortschietend besef van verantwoordelijkheid in de voorziening in het
                            bestaan, anders dan in de vorm van schending van één van de in artikel
                            41 WIJ genoemde verplichtingen. Dat heeft tot gevolg dat de
                            inkomensvoorziening niet verlaagd kan worden in geval van het
                            onverantwoord interen van vermogen en bij verwijtbare werkloosheid, als
                            deze gedragingen leiden tot het indienen van een aanvraag voor een
                            werkleeraanbod. Het belang van duurzame arbeidsparticipatie van de
                            jongere heeft in deze geprevaleerd boven het als maatregelwaardig
                            aanmerken van de bovengenoemde gedragingen. De Maatregelverordening WIJ
                            heeft al met al dus een beperkter strekking en reikwijdte dan de
                            Maatregelverordening WWB en wijkt daarom af waar het de omschreven
                            maatregelwaardige gedragingen betreft. </al><al><vet>Verlagen is maatwerk </vet></al><al>Hoewel de gemeenteraad de regels stelt over het verlagen van de
                            inkomensvoorziening, is het verlagen van de inkomensvoorziening een vorm
                            van maatwerk, waarmee het college is belast . Evenals dat binnen de
                            kaders van de WWB het geval is, dient de maatregel afgestemd te worden
                            op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de
                            omstandigheden van de jongere. Het uitgangspunt wordt gevormd door de
                            regels die ter zake door de gemeenteraad zijn gesteld. In de
                            Maatregelverordening zijn de gedragingen die een schending van de
                            verplichtingen opleveren genormeerd. Die normering is echter niet
                            absoluut. Zowel in de ernst van de gedraging als de mate van
                            verwijtbaarheid of de omstandigheden van de jongere kan aanleiding
                            worden gevonden om van de standaardmaatregel af te wijken. Ontbreekt
                            elke vorm van verwijtbaarheid, dan is het college echter zonder meer
                            verplicht om van verlaging af te zien (artikel 41, tweede lid, WIJ).
                            Vanwege het karakter van de inkomensvoorziening als minimuminkomen is
                            tevens bepaald dat binnen drie maanden heroverweging van de verlaging
                            plaatsvindt. Daarmee wordt gewaarborgd dat de verlaging ook afgestemd
                            blijft op de omstandigheden van de jongere en deze niet onaanvaardbaar
                            lang over een te laag inkomen blijft beschikken. </al><al><vet>Berekeningsgrondslag en duur van de maatregel </vet></al><al>De maatregel wordt in deze verordening toegepast op de toepasselijke
                            WIJ-norm. Ingegeven door overwegingen van uitvoerbaarheid, zou de
                            gedachte kunnen rijzen dat het noemen van vaste bedragen in de
                            verordening wellicht handiger zou zijn. Daar tegenover staat echter dat
                            dit spoedig tot vormen van rechtsongelijkheid en disproportionaliteit
                            kan leiden. Een maatregel van € 250,- betekent voor een 20-jarige een
                            verlies van vrijwel de volledige inkomensvoorziening, terwijl dit voor
                            een 21-jarige verhoudingsgewijs een veel minder groot aandeel betreft.
                            Bovendien roept het verlagen van de inkomensvoorziening met een vast
                            bedrag ook het beeld op van een boete. Mede om die redenen is de
                            maatregel in deze verordening gerelateerd aan de toepasselijke WIJ-norm. </al><al>In deze modelverordening wordt gekozen voor een maand als de reguliere
                            duur van de maatregel. Dit is echter bij de verschillende
                            sanctioneerbare gedragingen in een afzonderlijke bepaling benoemd, zodat
                            ter zake ook andere keuzes gemaakt kunnen worden. Bij recidive geldt als
                            regel dat deze duur verdubbeld wordt. Voor schending van de
                            inlichtingenplicht is dit expliciet opengelaten, zodat ook eenvoudig
                            gekozen kan worden voor verdubbeling van het percentage. </al><al><vet>De term 'maatregel' </vet></al><al>Het verlagen van de inkomensvoorziening op grond van het feit dat de
                            belanghebbende zijn verplichtingen niet of in onvoldoende mate is
                            nagekomen, wordt in de WIJ aangeduid als het verlagen van de
                            inkomensvoorziening. Gebruikelijk onder gemeenten is echter de term
                            ‘maatregel’. Daarmee wordt niet alleen aangesloten bij het spraakgebruik
                            dat ook binnen de bijstandspraktijk gangbaar is, maar wordt ook het
                            corrigerende karakter ervan benadrukt. Om die reden is in de verordening
                            de term ‘maatregel’ gebruikt om een verlaging aan te duiden. </al><al><vet>Verlaging of intrekking inkomensvoorziening? </vet></al><al>Aan het werkleeraanbod en de inkomensvoorziening zijn voor de jongere
                            verplichtingen verbonden. Tegenover het recht op een werkleeraanbod en
                            evt. inkomensvoorziening staat de verplichting van de jongere om mee te
                            werken aan de totstandkoming daarvan, bijv. door mee te werken aan een
                            onderzoek naar de arbeidsmogelijkheden. Ook dient de jongere naar beste
                            vermogen mee te werken aan het werkleeraanbod zodra dat vastgesteld is.
                            Daarnaast geldt een inlichtingen-, medewerkings- en identificatieplicht.
                            Deze verplichtingen zijn vastgelegd in artikel 44, respectievelijk 45
                            van de WIJ. </al><al>Komt de jongere een aan het werkleeraanbod verbonden verplichting
                            verwijtbaar niet na, dan staat de gemeente diverse instrumenten ter
                            beschikking. Onderscheid kan worden gemaakt tussen de verschillende
                            fasen waarop de verplichtingen betrekking hebben. </al><al><onderstreept>Aanvraagfase </onderstreept></al><al>Betreft het een schending van verplichtingen die betrekking hebben op de
                            aanvraagbehandeling, dan geldt het volgende: als de jongere in het
                            geheel niet meewerkt aan het opstellen van een plan voor zijn
                            arbeidsinschakeling en zo zijn arbeidsinschakeling belemmert, dan doet
                            het college de jongere geen werkleeraanbod (artikel 17, vijfde lid,
                            WIJ). Bijgevolg heeft de jongere, zolang hij niet wenst te voldoen aan
                            die verplichting, geen recht op inkomensvoorziening. Uit artikel 42,
                            eerste lid, onderdeel c, WIJ vloeit immers voort dat voor zover uit
                            houding en gedragingen van de jongere ondubbelzinnig blijkt dat hij de
                            verplichtingen, bedoeld in hoofdstuk 5 niet wil nakomen, geen recht op
                            inkomensvoorziening bestaat. Dit geldt in bredere zin ook voor andere
                            gedragingen van de jongere waaruit kan worden afgeleid dat deze de aan
                            het werkleeraanbod verbonden verplichtingen in het geheel niet wil
                            nakomen. Is sprake van een minder ernstige schending van de
                            verplichtingen m.b.t. de totstandkoming van het werkleeraanbod, dan kan
                            na toekenning van een werkleeraanbod de eventuele inkomensvoorziening
                            verlaagd worden conform de gemeentelijke Maatregelverordening (artikel
                            41, eerste lid, WIJ). Zo is het denkbaar dat de jongere wel wil
                            meewerken, maar dat de medewerking onvoldoende is. In dat geval zou een
                            maatregel aan de orde kunnen komen. </al><al><onderstreept>Van toekenning tot tenuitvoerlegging </onderstreept></al><al>Werkt de jongere wel mee aan de totstandkoming van een werkleeraanbod
                            maar weigert hij dit aanbod na ontvangst van de toekenningsbeschikking,
                            dan kan het werkleeraanbod worden ingetrokken (art. 21, onderdeel b
                            WIJ). Door de weigering bestaat geen recht op een inkomensvoorziening
                            (art. 42, eerste lid, onderdeel a WIJ). Zoals reeds aangegeven bestaat
                            dat recht evenmin als uit houding en gedrag van de jongere
                            ondubbelzinnig kan worden afgeleid dat hij de verplichtingen die
                            verbonden zijn aan het werkleeraanbod in het geheel niet wil nakomen
                            (artikel 42, eerste lid, onderdeel c ,WIJ). Het werkleeraanbod kan
                                <cursief>daarnaast </cursief>ook worden herzien of ingetrokken als
                            de jongere één of meerdere verplichtingen schendt die specifiek
                            betrekking hebben op de voorbereiding op en uitvoering van het
                            werkleeraanbod (artikel 21, onderdeel b, WIJ). Het kan dan bijvoorbeeld
                            gaan om het nalaten een behandeling van medische aard te ondergaan, of
                            het stellen van onredelijke eisen m.b.t. de te verrichten werkzaamheden.
                            Met de intrekking van het werkleeraanbod vervalt automatisch het recht
                            op inkomensvoorziening (artikel 42, eerste lid, onderdeel f, WIJ). Bij
                            een herziening blijft de inkomensvoorziening in stand. </al><al>Een andere sanctie op dergelijk gedrag is dat het werkleeraanbod wel in
                            stand blijft maar de inkomensvoorziening verlaagd wordt, conform de
                            gemeentelijke Maatregelverordening (artikel 41, eerste lid, WIJ). Het
                            college dient te kiezen welke weg bewandeld wordt, hetzij de intrekking
                            van werkleeraanbod en inkomensvoorziening, hetzij het handhaven van het
                            werkleeraanbod en verlaging van die voorziening. Het past evenwel in het
                            systeem van de WIJ om bij minder ernstige gedragingen tot verlaging van
                            de inkomensvoorziening te besluiten en bij ernstiger gedrag,
                            bijvoorbeeld waar sprake is van schending van meerdere verplichtingen of
                            van herhaald gedrag, het werkleeraanbod in te trekken. Het is immers in
                            de geest van de regeling om, met het oog op duurzame
                            arbeidsparticipatie, een werkleeraanbod niet te snel in te trekken. Dit
                            is in de wetgeving tot uitdrukking gebracht doordat verlaging van de
                            inkomensvoorziening bij schending van de verplichtingen
                                <cursief>imperatief </cursief>is voorgeschreven, waar intrekking van
                            het werkleeraanbod (artikel 21 WIJ) een <cursief>bevoegdheid
                            </cursief>is, juist vanwege de verstrekkende gevolgen daarvan. Bedacht
                            moet daarbij immers worden dat intrekking van het werkleeraanbod tevens
                            intrekking van de inkomensvoorziening tot gevolg heeft (indien
                            toegekend) en dus het effect van ‘dubbele’ bestraffing kan hebben. Het
                            is daarom raadzaam om niet lichtvaardig tot intrekking van het
                            werkleeraanbod over te gaan. Een beleid waarbij slechts in
                            uitzonderingsgevallen tot intrekking van het werkleeraanbod wordt
                            overgegaan, mag daarom in lijn met de bedoelingen van de wetgever worden
                            geacht. Een dergelijke uitzonderingssituatie zal zich in de aanloop naar
                            de feitelijke tenuitvoerlegging van het werkleeraanbod niet spoedig
                            voordoen. Daarvan kan sprake zijn als van de gemeente niet meer gevergd
                            kan worden dat uitvoering wordt gegeven aan het werkleeraanbod. In de
                            verordening Werkleeraanbod kan worden vastgelegd wanneer de gedragingen
                            van de jongere ernstig genoeg zijn om een intrekking van het
                            werkleeraanbod te rechtvaardigen. Het is ook denkbaar dat dit in
                            beleidsregels nader wordt uitgewerkt. </al><al><onderstreept>Vanaf de tenuitvoerlegging </onderstreept></al><al>Werkt de jongere onvoldoende mee aan de feitelijke uitvoering van het
                            werkleeraanbod, dan kan de evt. inkomensvoorziening worden verlaagd,
                            conform de Maatregelverordening (art. 41, eerste lid WIJ). Daarnaast
                            vervalt het recht op inkomensvoorziening als uit de houding en
                            gedragingen van de jongere ondubbelzinnig kan worden afgeleid dat deze
                            de verplichtingen die aan het werkleeraanbod zijn verbonden in het
                            geheel niet wil nakomen (artikel 42, eerste lid, onderdeel c, WIJ).
                            Voorts kan het werkleeraanbod worden herzien of ingetrokken als de
                            jongere één van die verplichtingen niet nakomt (artikel 21, onderdeel b,
                            WIJ). Vindt intrekking plaats dan vervalt daarmee, zoals gezegd, tevens
                            het recht op inkomensvoorziening (artikel 42, eerste lid, onderdeel f,
                            WIJ). Hetgeen hierboven over de keuze tussen verlaging van de
                            inkomensvoorziening en intrekking van het werkleeraanbod is gezegd geldt
                            mutatis mutandis ook voor deze fase. </al><al>Factoren die betrokken kunnen worden bij het formuleren van beleid
                            m.b.t. de keus tussen intrekken van het werkleeraanbod of verlagen van
                            de inkomensvoorziening zouden kunnen zijn: </al><lijst><li nr="·"><al> is er sprake van herhaald gedrag? </al></li><li nr="·"><al> wat is de kans op herhaling? </al></li><li nr="·"><al> wat is het belang voor de jongere bij dit werkleeraanbod? </al></li><li nr="·"><al> wat zijn de kansen op arbeidsinschakeling bij voortzetting van
                                    het werkleeraanbod? </al></li><li nr="·"><al> heeft het gedrag de belangen van derden geschaad? </al></li><li nr="·"><al> kan van de instelling/bedrijf waar het werkleeraanbod feitelijk
                                    wordt uitgevoerd nog worden gevergd dat de jongere het
                                    werkleeraanbod daar voortzet? </al></li></lijst><al><vet>Relatie met Verordening </vet><vet>Werkleeraanbod</vet></al><al>De verordening Werkleeraanbod en de Maatregelverordening vormen twee
                            kanten van dezelfde medaille. Immers, de WIJ legt het college plicht op
                            om jongeren een werkleeraanbod te doen. Het werkleeraanbod wordt door de
                            verordening Werkleeraanbod gefaciliteerd. Anderzijds staat daar wel
                            tegenover dat de jongere verplicht is het aanbod te aanvaarden en de
                            verplichtingen die aan het werkleeraanbod zijn gekoppeld na te leven.
                            Komt de jongere die verplichtingen niet na, dan vormt de
                            Maatregelverordening het kader voor verlaging van de
                            inkomensvoorziening. Beide verordeningen sluiten dus op elkaar aan. In
                            de verordening Werkleeraanbod kan ook worden vastgelegd onder welke
                            voorwaarden en omstandigheden tot intrekking van het werkleeraanbod (en
                            daarmee de inkomensvoorziening) kan worden overgegaan. Dit is in de
                            modelverordening Werkleeraanbod vastgelegd in artikel 11. Daarmee wordt
                            dan tevens de grens afgebakend met het verlagen van de
                            inkomensvoorziening bij wijze van maatregel. Zoals gezegd is het in lijn
                            met de wetgever als slechts in bijzondere omstandigheden tot intrekking
                            van het werkleeraanbod wordt overgegaan. Zie verder de verordening
                            werkleeraanbod WIJ gemeente Woerden. </al><al><vet>DE VERPLICHTINGEN DIE TOT EEN MAATREGEL KUNNEN LEIDEN </vet></al><al>De verplichtingen die aan het werkleerrecht en de inkomensvoorziening
                            jegens het college zijn verbonden zijn de volgende: </al><al>• de inlichtingenplicht (artikel 44, eerste lid, WIJ) </al><al>• de medewerkingsplicht (artikel 44, tweede lid, WIJ) </al><al>• de identificatieplicht (artikel 44, derde lid, WIJ) </al><al>• verplichtingen m.b.t. de arbeidsinschakeling en het werkleeraanbod </al><al>Daarnaast heeft de jongere bij zijn aanvraag om een werkleeraanbod ook
                            een inlichtingenplicht jegens UWV WERKbedrijf, die bij schending ook tot
                            het opleggen van een maatregel kan leiden (artikel 41, eerste lid, WIJ). </al><al><vet>Schending inlichtingen- </vet><vet>medewerkings</vet><vet>- en
                                identificatieplicht </vet></al><al>Schending van de verplichtingen genoemd in artikel 44 WIJ verplicht in
                            beginsel tot verlaging van de inkomensvoorziening. De hier genoemde
                            verplichtingen betreffen de inlichtingen- medewerkings- en
                            identificatieplicht. Voor de twee laatstgenoemde verplichtingen geldt
                            dat schending van deze verplichtingen er in beginsel toe leidt dat het
                            recht op werkleeraanbod en op inkomensvoorziening niet kan worden
                            vastgesteld en daarom afgewezen, beëindigd of ingetrokken kan worden,
                            conform de WWB. Om die reden zijn ze in het kader van deze verordening
                            niet als ‘maatregelwaardige’ gedragingen aangemerkt, naar analogie van
                            het VNG-model van de Maatregelenverordening WWB. In de praktijk blijkt
                            dat dit niet als een gemis wordt ervaren. </al><al>Schending van de inlichtingenplicht heeft zowel betrekking op de
                            inkomensvoorziening als het werkleeraanbod en ziet niet alleen op de
                            informatieplicht van de jongere jegens het college maar ook UWV
                            WERKbedrijf. In dit model is ervoor gekozen om de hoogte van de
                            maatregel te relateren aan de mate van benadeling van de gemeente. Hoe
                            hoger de benadeling, hoe zwaarder de maatregel. </al><al><vet>Schending van de verplichtingen m.b.t. de arbeidsinschakeling en
                                het </vet><vet>werkleeraanbod</vet></al><al>In artikel 45 WIJ zijn tamelijk gedetailleerd de verplichtingen
                            omschreven die betrekking hebben op de arbeidsinschakeling en de
                            totstandkoming en de tenuitvoerlegging van het werkleeraanbod. Deze
                            verplichtingen gelden van rechtswege vanaf het moment dat de aanvraag
                            voor een werkleeraanbod wordt ingediend. Schending van één van deze
                            verplichtingen dient in beginsel te leiden tot verlaging van de
                            eventuele inkomensvoorziening. Voor het categoriseren van de gedragingen
                            die tot een verlaging van de inkomensvoorziening leiden bij schending
                            van de verplichtingen m.b.t. de arbeidsinschakeling en het
                            werkleeraanbod als bedoeld in artikel 45 WIJ zijn verschillende
                            mogelijkheden denkbaar. In dit model is gekozen voor een meervoudige
                            variant, dat wil zeggen: er worden uiteenlopende maatregelenpercentages
                            gehanteerd voor schending van de verschillende verplichtingen</al><al><onderstreept>Meervoudige variant, aansluiting bij WWB
                            </onderstreept></al><al>In deze variant wordt gedifferentieerd tussen de verschillende
                            verplichtingen. Dat kan op verschillende manieren gebeuren. In dit model
                            is gekozen voor de benadering waarbij zoveel mogelijk aansluiting wordt
                            gezocht de Maatregelverordening WWB. In die verordening zijn aan
                            schending van die verplichtingen maatregelen van uiteenlopende hoogte
                            verbonden. Gehandeld wordt in overeenstemming met de wens om
                            bijstandsgerechtigden en jongeren zoveel mogelijk gelijk te behandelen,
                            als bij het inrichten van de Maatregelverordening WIJ een
                            categorie-indeling wordt gemaakt van gedragingen die een schending van
                            de verplichtingen opleveren en daarbij een opbouw plaatsvindt in de
                            hoogte van de maatregelen, die zoveel mogelijk in overeenstemming met de
                            Maatregelverordening WWB is. </al><al>Om aansluiting te krijgen tussen de Maatregelverordeningen m.b.t. de WWB
                            en de WIJ is het zaak om de verplichtingen die in de
                            Maatregelverordening WWB zijn benoemd te vergelijken met die in artikel
                            45 WIJ. </al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="4*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="46*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="28*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="22*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al><cursief>Schematisch overzicht vergelijking
                                                  verplichtingen uit artikel 45 WIJ en de
                                                  verplichtingen, opgenomen in het
                                                  </cursief><cursief>VNG-model</cursief><cursief>
                                                  Maatregelenverordening WWB.
                                                  </cursief><vet>Verplichtingen artikel 45 WIJ
                                                </vet></al></entry><entry colname="col3" nameend="col4" namest="col3"><al><vet>Verplichtingen Artikel 9 Maatregelverordening
                                                  WWB </vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>a. </al></entry><entry colname="col2"><al>Meewerken aan het opstellen van een plan m.b.t. de
                                                arbeidsinschakeling, waaronder begrepen het
                                                meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden
                                                tot arbeidsinschakeling </al></entry><entry colname="col3"><al>Meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden
                                                tot arbeidsinschakeling </al></entry><entry colname="col4"><al>lid 2 onder b </al><al>20% </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>b. </al></entry><entry colname="col2"><al>Geen onredelijke eisen stellen in verband met de te
                                                verrichten algemeen geaccepteerde arbeid, die het
                                                aanvaarden of verkrijgen van algemeen geaccepteerde
                                                arbeid belemmeren </al></entry><entry colname="col3"><al>Gedragingen die de inschakeling in de arbeid
                                                belemmeren </al></entry><entry colname="col4"><al>Lid 3 onder a </al><al>40% </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>c. </al></entry><entry colname="col2"><al>Meewerken aan het behoud of bevorderen van de
                                                arbeidsbekwaamheid </al></entry><entry colname="col3"><al>Gebruikmaken van een door het college aangeboden
                                                voorziening gericht op arbeidsinschakeling,
                                                waaronder begrepen sociale activering </al></entry><entry colname="col4"><al>Lid 3 onder b </al><al>40% </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>d. </al></entry><entry colname="col2"><al>Meewerken aan activiteiten of werkzaamheden, gericht
                                                op arbeidsinschakeling </al></entry><entry colname="col3"><al>Idem </al></entry><entry colname="col4"><al>Idem </al><al>40% </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>e. </al></entry><entry colname="col2"><al>Opgedragen werkzaamheden of activiteiten naar beste
                                                vermogen verrichten </al></entry><entry colname="col3"><al>Idem </al></entry><entry colname="col4"><al>Idem </al><al>40% </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>f. </al></entry><entry colname="col2"><al>Op advies van een arts zich onderwerpen aan een
                                                noodzakelijke behandeling van medische aard </al></entry><entry colname="col3"><al>Meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden
                                                tot arbeidsinschakeling </al></entry><entry colname="col4"><al>lid 2 onder b </al><al>20% </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Gedragingen die in de WWB verordening zouden leiden tot een 100%
                            maatregel zijn niet in de WIJ verordening opgenomen omdat in de wet al
                            is opgenomen dat deze gedragingen leiden tot het uitsluiten van de
                            inkomensvoorziening.</al><al><vet>Zeer ernstige misdragingen </vet></al><al>Afzonderlijke aandacht verdient de verplichting om de
                            inkomensvoorziening te verlagen als de jongere zich zeer ernstig
                            misdraagt (artikel 41, eerste lid, WIJ). Het betreft gedragingen die in
                            het maatschappelijk verkeer in alle gevallen als onacceptabel worden
                            beschouwd </al><al>Zoals de CRvB onder meer in zijn uitspraak van 29 juli 2008, LJN BD7970,
                            heeft overwogen, is aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 18, tweede
                            lid, WWB voldaan indien sprake is van het niet of onvoldoende nakomen
                            van een of meer van de in dat artikellid bedoelde verplichtingen
                                <cursief>met als verzwarende omstandigheid </cursief>dat sprake is
                            van agressief, aan de belanghebbende toe te rekenen gedrag jegens het
                            college en bij de uitvoering van de WWB betrokken personen dat in het
                            normale menselijke verkeer in alle gevallen als onacceptabel kan worden
                            beschouwd. Een wegens dergelijk gedrag opgelegde verlaging van de
                            bijstand c.q. inkomensvoorziening dient te worden aangemerkt als
                            punitieve (bestraffende) sanctie en op het college rust de bewijslast om
                            voldoende aannemelijk te maken dat van agressie in de zin van de
                            genoemde bepaling sprake is geweest (zie ook de uitspraak van 31
                            december 2007, LJN BC1811). </al><al>Bezondigt de jongere zich herhaaldelijk een zeer ernstige misdragingen,
                            dan kan het college de jongere tijdelijk uitsluiten van het recht op een
                            werkleeraanbod (artikel 22, eerste lid, WIJ). Een dergelijk besluit moet
                            uiterlijk binnen een maand heroverwogen worden. Anders dan de memorie
                            van toelichting suggereert, betekent dit niet per definitie uitsluiting
                            van het recht op een inkomensvoorziening (zie Kamerstukken II 2008-2009,
                            31 775, nr. 3, p. 46/47 voor het standpunt van de regering ter zake).
                            Artikel 42 WIJ, dat daarvoor de grondslag zou moeten bieden, kent ‘
                            (tijdelijke) uitsluiting van het recht op een werkleeraanbod bij zeer
                            ernstige misdragingen’ niet als afzonderlijke uitsluitingsgrond voor de
                            inkomensvoorziening. Het is wel denkbaar dat het bij herhaling zeer
                            ernstig misdragen kan worden aangemerkt als houding en gedragingen van
                            de jongere waaruit ondubbelzinnig blijkt dat deze de verplichtingen,
                            bedoeld in hoofdstuk 5, niet wil nakomen. Om onzekerheid op dit punt uit
                            te sluiten, wordt in deze verordening gekozen voor het (verder) verlagen
                            van de inkomensvoorziening op grond van artikel 41, eerste lid, WIJ,
                            zodat feitelijk een tijdelijke uitsluiting ontstaat.</al><al><vet>ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING </vet></al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>De begrippen die in de verordening worden gebruikt hebben een
                            gelijkluidende betekenis als in de WIJ. </al><al>De term ‘WIJ-norm’ wordt in deze verordening gebruikt. Daarmee wordt
                            bedoeld de van toepassing zijnde norm, inclusief toeslag/verlaging. Het
                            equivalent in de WWB, de bijstandsnorm (artikel 5, onderdeel c, WWB) is
                            in de WIJ zelf niet opgenomen en gedefinieerd. Wel wordt in de memorie
                            van toelichting tweemaal gesproken van ‘inkomensvoorzieningsnorm’,
                            waarmee kennelijk hetzelfde begrip wordt bedoeld. In artikel 41 WIJ is
                            opgenomen dat het <cursief>bedrag </cursief>van de inkomensvoorziening
                            wordt verlaagd; bedoeld is echter de norm. Omdat hantering van het
                            begrip ‘inkomensvoorzieningsnorm’ of ‘bedrag van de inkomensvoorziening’
                            de leesbaarheid niet ten goede komt, is het begrip ‘WIJ-norm’
                            geïntroduceerd. </al><al>Er is een omschrijving van het begrip ‘benadelingsbedrag’ gegeven, omdat
                            dit begrip uitgangspunt is bij het bepalen van de hoogte van de
                            maatregel die verbonden is aan schending van de inlichtingenplicht (zie
                            artikel 12). Aangesloten is bij de omschrijving van dit begrip in het
                            Boetebesluit socialezekerheidswetten. In artikel 1, onderdeel s van dit
                            Besluit is het begrip ‘benadelingsbedrag’ gedefinieerd voor het opleggen
                            van boetes op grond van een vijftiental socialezekerheidswetten,
                            waaronder de IOAW en IOAZ, in verband met schending van de
                            inlichtingenplicht. Gegeven de toelichting op dit artikel wordt onder
                                <cursief>bruto </cursief>benadelingsbedrag tevens verstaan de
                            (inmiddels) afgedragen loonbelasting, premies volksverzekeringen en de
                            vergoeding bedoeld in de Zorgverzekeringswet, als bedoeld in artikel 54,
                            vierde lid WIJ. Voor zover er ten tijde van het maatregelbesluit nog
                            geen sprake is geweest van afdracht aan belastingen etc. , bijvoorbeeld
                            omdat de teveel verstrekte inkomensvoorziening reeds is terugbetaald in
                            hetzelfde kalenderjaar als waarin de inkomensvoorziening ten onrechte is
                            verstrekt, blijft het benadelingsbedrag uiteraard beperkt tot een netto
                            bedrag. </al><al>Onder benadelingsbedrag wordt niet slechts verstaan de ten onrechte
                            verstrekte uitkering (inkomensvoorziening) maar ook het werkleeraanbod,
                            eveneens conform artikel 1, onderdeel s van het Boetebesluit. Analoog
                            aan het Boetebesluit is daarnaast in het tweede lid nog expliciet
                            bepaald dat onder benadelingsbedrag in deze verordening mede wordt
                            verstaan de kosten die de gemeente maakt voor het ten onrechte
                            toegekende en/of uitgevoerde werkleeraanbod. Die kosten zullen niet
                            altijd eenvoudig zijn vast te stellen, maar als het een voorziening
                            betreft die de jongere ten onrechte heeft benut, is het meestal wel
                            mogelijk om een raming te maken van de daaraan verbonden kosten. Deze
                            kosten tellen mee voor het bepalen van de hoogte van de maatregel bij
                            schending inlichtingenplicht. Dit kan verder worden uitgewerkt in een
                            beleidsregel. Het staat gemeenten uiteraard vrij om te bepalen of het
                            gewenst wordt geacht de kosten van het werkleeraanbod te betrekken bij
                            het benadelingsbedrag. Als dit niet gewenst wordt, kan deze bepaling
                            uiteraard geschrapt worden. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Afstemming</titel></kop><al><onderstreept>Eerste lid </onderstreept></al><al>Herhaald is de wettelijke grondslag voor het opleggen van een maatregel
                            (artikel 41, eerste lid, WIJ). In de Aanwijzingen voor de decentrale
                            regelgeving wordt dit afgeraden, niettemin is deze grondslag omwille van
                            de leesbaarheid, duidelijkheid en consistentie, evenals in de het
                            VNG-model van de Maatregelverordening WWB, hier herhaald. Verwezen wordt
                            naar artikel 42 WIJ om aan te geven dat de imperatief voorgeschreven
                            verlaging middels een maatregel niets afdoet aan intrekking van de
                            inkomensvoorziening vanwege intrekking van het werkleeraanbod. Als
                            daartoe wordt besloten, dan komt verlaging veelal niet meer aan de orde. </al><al><onderstreept>Tweede lid </onderstreept>In het tweede lid is de
                            hoofdregel neergelegd: het college dient een op te leggen maatregel af
                            te stemmen op de individuele omstandigheden van de jongere en de mate
                            van verwijtbaarheid. Deze bepaling brengt met zich mee dat het college
                            bij elke op te leggen maatregel zal moeten nagaan of gelet op de
                            individuele omstandigheden van de betrokken jongere afwijking van de
                            hoogte en de duur van de voorgeschreven standaardmaatregel geboden is.
                            Afwijking van de standaardmaatregel kan zowel een verzwaring als een
                            matiging betekenen en kan zowel zijn gebaseerd op de ernst van de
                            gedraging als de mate van verwijtbaarheid of de omstandigheden van de
                            jongere afzonderlijk. Waar verderop in de verordening gedragingen worden
                            genormeerd, kan daarvan dus worden afgeweken op de genoemde gronden. Dat
                            is om redactionele redenen expliciet verwoord, zodat bij de normering
                            van de maatregelen in het vervolg van de verordening niet steeds hoeft
                            te worden gesteld dat de maatregel een x-percentage bedraagt
                            ‘onverminderd artikel 2, tweede lid’, m.a.w. met de mogelijkheid af te
                            wijken. </al><al>Dit betekent dat het college bij het beoordelen of een maatregel moet
                            worden opgelegd, en zo ja welke, telkens de volgende drie stappen moet
                            doorlopen: </al><al>Stap 1: vaststellen van de ernst van de gedraging. </al><al>Stap 2: vaststellen van de verwijtbaarheid. </al><al>Stap 3: vaststellen van de omstandigheden van de jongere. </al><al>De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in het
                            standaardpercentage waarmee de inkomensvoorziening wordt verlaagd. Wat
                            betreft de beoordeling van de mate van verwijtbaarheid wordt verwezen
                            naar de toelichting bij artikel 6. Matiging van de opgelegde maatregel
                            wegens persoonlijke omstandigheden kan bijvoorbeeld in de volgende
                            gevallen aan de orde zijn: </al><al>• bijzondere financiële omstandigheden van de jongere, zoals
                            bijvoorbeeld hoge woonlasten of andere vaste lasten of uitgaven van
                            bijzondere aard waarvoor geen financiële tegemoetkoming mogelijk is; </al><al>• sociale omstandigheden, gezinnen met kinderen bijvoorbeeld; </al><al>• bij een opeenstapeling van maatregelen: de zwaarte van het geheel van
                            maatregelen is niet evenredig aan de ernst van de gedraging en de mate
                            van verwijtbaarheid. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>De berekeningsgrondslag</titel></kop><al>In dit artikel is het uitgangspunt vastgelegd dat een maatregel wordt
                            opgelegd over de toepasselijke WIJ-norm. Zie artikel 1 voor een
                            begripsomschrijving. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Het besluit tot opleggen van een maatregel</titel></kop><al>Het verlagen van de inkomensvoorziening omdat een maatregel wordt
                            opgelegd, vindt plaats door middel van een besluit. In dit artikel wordt
                            aangegeven wat in het besluit in ieder geval moet worden vermeld. Deze
                            eisen vloeien rechtstreeks voort uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
                            en dan met name het motiveringsbeginsel. Het motiveringsbeginsel houdt
                            onder andere in dat een besluit aan betrokkene kenbaar is gemaakt en
                            deugdelijk is gemotiveerd (afdeling 3.7 Awb ). </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Horen van belanghebbende</titel></kop><al>Op grond van afdeling 4.1.2. van de Awb is in een aantal gevallen het
                            horen van de belanghebbende verplicht bij de voorbereiding van
                            beschikkingen. Deze hoorplicht geldt echter niet bij de voorbereiding
                            van beschikkingen die betrekking hebben op een financiële aanspraak
                            (artikel 4:12), behalve bij subsidies. </al><al>In dit artikel wordt het horen van de belanghebbende voordat een
                            maatregel wordt opgelegd in beginsel voorgeschreven. Het tweede lid
                            bevat een aantal uitzonderingen op deze hoorplicht. De onderdelen a en
                            b. staan ook genoemd in artikel 4:11 van de Algemene wet bestuursrecht. </al><al>Voor de goede orde: het opnemen van een regeling voor het horen van
                            belanghebbenden in deze verordening is facultatief. Gemeenten kunnen
                            zo'n regeling ook achterwege laten. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Afzien van het opleggen van een maatregel</titel></kop><al>Naast de redenen genoemd in dit artikel waarin afgezien kan worden van
                            het opleggen van een maatregel wordt verwezen naar artikel 41, tweede
                            lid, WIJ waarin is vastgelegd dat van een maatregel wordt afgezien als
                            iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Daarnaast is het denkbaar dat
                            in plaats van het opleggen van een maatregel eerst een waarschuwing
                            wordt gegeven. Dit kan bij diverse bepalingen in deze verordening worden
                            ingeregeld. </al><al><onderstreept>Eerste lid </onderstreept></al><al>Een reden om af te zien van het opleggen van een maatregel is dat de
                            gedraging te lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille van
                            de effectiviteit is het nodig dat een maatregel spoedig nadat de
                            gedraging heeft plaatsgehad, wordt opgelegd. Om deze reden wordt onder
                            b. geregeld dat het college geen maatregelen oplegt voor gedragingen die
                            langer dan één jaar geleden hebben plaatsgevonden. Gemeenten kunnen
                            uiteraard voor een kortere of langere periode kiezen. </al><al>Voor gedragingen die een schending van de informatieplicht inhouden en
                            als gevolg waarvan ten onrechte inkomensvoorziening is verleend of een
                            te hoog bedrag aan inkomensvoorziening is verleend, geldt in de
                            verordening een verjaringstermijn van vijf jaar. Met deze termijn wordt
                            aangesloten bij de termijn die gelet op artikel 14e van de Algemene
                            bijstandswet gold in verband met het opleggen van een boete wegens
                            niet-nakoming van de informatieplicht. Een termijn van vijf jaar ligt
                            voor de hand gelet op de ernst van de gedraging (fraude) en gelet op het
                            feit dat de gemeente vaak tijd nodig zal hebben om de omvang van de
                            fraude (het benadelingsbedrag) vast te stellen. </al><al>Ten slotte kan in individuele omstandigheden wegens dringende redenen
                            worden afgezien van het opleggen van een maatregel. Van dringende
                            redenen is sprake als de gevolgen van het opleggen van een maatregel
                            onaanvaardbaar zijn. Dat vergt een beoordeling van de situatie van de
                            jongere maar daarvan zal niet spoedig sprake zijn. </al><al><onderstreept>Tweede lid </onderstreept>Het doen van een schriftelijke
                            mededeling dat het college afziet van het opleggen van een maatregel
                            wegens dringende redenen is van belang in verband met eventuele
                            recidive. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Ingangsdatum</titel></kop><al><onderstreept>Eerste lid </onderstreept>Het opleggen van een maatregel
                            vindt plaats door het verlagen van de WIJ-norm. Verlaging van de
                            WIJ-norm kan in beginsel op twee manieren: </al><al>1.met terugwerkende kracht, door middel van een herziening van de
                            inkomensvoorziening; of 2. door middel van verlaging van de WIJ-norm in
                            de eerstvolgende maand(en).</al><al>Het verlagen van de WIJ-norm die in de nabije toekomst wordt verstrekt,
                            is de gemakkelijkste methode. Gemeenten hoeven in dat geval niet over te
                            gaan tot herziening van de inkomensvoorziening en het te veel betaalde
                            bedrag aan inkomensvoorziening terug te vorderen. Om die reden is in dit
                            lid vastgelegd dat een maatregel wordt opgelegd met ingang van de
                            eerstvolgende kalendermaand, waarbij wordt uitgegaan van de voor die
                            maand geldende WIJ-norm. </al><al><onderstreept>Tweede lid </onderstreept>Is toepassing van lid 1 niet aan
                            de orde, omdat de inkomensvoorziening reeds beëindigd is, dan biedt het
                            tweede lid de mogelijkheid dat met terugwerkende kracht een maatregel
                            worden opgelegd. Wanneer een uitkeringsbedrag nog niet (volledig) aan de
                            jongere is uitbetaald, is het praktisch om de verlaging van de uitkering
                            te verrekenen met het bedrag dat nog moet worden uitbetaald. In dat
                            geval moet de inkomensvoorziening wel worden herzien en teruggevorderd.
                            Dat is ook nog mogelijk indien de inkomensvoorziening reeds is
                            uitbetaald. Uit de jurisprudentie van de Raad blijkt dat de uiterste
                            begrenzing ligt op het moment waarop de gedraging plaatsgevonden heeft.
                            Wordt een dergelijke maatregel opgelegd, dan moet een tevens besluit tot
                            herziening van de inkomensvoorziening op grond van artikel 40, derde
                            lid, WIJ worden genomen. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Samenloop</titel></kop><al>De regeling voor de samenloop heeft betrekking op de schending van de
                            verplichtingen genoemd in de wet (artikelen 44 en 45 WIJ). Indien sprake
                            is van één gedraging die als een schending van meerdere verplichtingen
                            kan worden aangemerkt, dan dient voor het toepassen van de maatregel te
                            worden uitgegaan van de verplichting waarop de zwaarste maatregel van
                            toepassing is. Bij de enkelvoudige variant is deze vorm van samenloop
                            uiteraard ook denkbaar maar is deze optie niet van belang, omdat voor
                            schending van alle verplichtingen m.b.t. het werkleeraanbod één uniform
                            maatregelpercentage geldt </al><al>Is sprake van verschillende gedragingen (meerdaadse samenloop) dan dient
                            voor iedere gedraging afzonderlijk het maatregelpercentage te worden
                            berekend en gelijktijdig te worden opgelegd, tenzij dit niet verantwoord
                            is. Zo kan bijvoorbeeld als beleid gehanteerd worden dat een jongere
                            altijd moet kunnen blijven beschikken over 50% van de WIJ-norm. In dat
                            geval kan de maatregel over meerdere maanden worden uitgesmeerd.
                            Daarnaast dient altijd de individuele toets aan artikel 2, tweede lid te
                            worden toegepast. </al><al>Gemeenten kunnen er ook voor kiezen géén regeling voor de samenloop van
                            gedragingen in de verordening op te nemen. In dat geval zal het college
                            voor het individuele geval één of meerdere maatregelen moeten
                            vaststellen, met in achtneming van artikel 2, tweede lid. </al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Het niet nakomen van de verplichtingen bedoeld in artikel 45 van de
                            wet</titel></kop><al>De gedragingen die een schending van artikel 45 WIJ inhouden betreffen
                            de arbeidsinschakeling en de totstandkoming en tenuitvoerlegging van het
                            werkleeraanbod. In de verordening is een drietal varianten gepresenteerd
                            die in grote lijnen op het volgende neerkomen: </al><al>• enkelvoudige variant: één uniform maatregelpercentage bij schending
                            van een verplichting; </al><al>• meervoudige variant (conform WWB): verschillende maatregelpercentages
                            bij schending van verschillende verplichtingen; </al><al>• idem, maar niet conform WWB </al><al>Voor een verdere uitleg wordt verwezen naar de Algemene toelichting.
                        </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>De hoogte van de maatregel</titel></kop><al>Zoals reeds in de Algemene toelichting gesteld, wordt in deze variant
                            gedifferentieerd in categorieën. Gekozen kan worden voor zoveel mogelijk
                            aansluiting bij de Maatregelverordening WWB, er kan ook voor afwijkend
                            beleid worden gekozen. Dit model biedt beide opties. Desgewenst kan de
                            categorie-indeling verder worden verbijzonderd en één of meerdere
                            gedragingen uit de hier benoemde twee categorieën in een derde categorie
                            worden ondergebracht waarvoor afzonderlijke maatregelpercentages worden
                            vastgesteld in artikel 10. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>De hoogte en de duur van de maatregel</titel></kop><al>In aansluiting op het vorige artikel en de daarin gepresenteerde
                            varianten worden verschillende percentages genoemd bij de verschillende
                            varianten. </al><al>Indien binnen één jaar na bekendmaking van het besluit waarmee een
                            eerdere maatregel is opgelegd sprake is van een herhaling van de
                            verwijtbare gedraging, wordt de grotere mate van verwijtbaarheid tot
                            uitdrukking gebracht in een verdubbeling van de duur van de maatregel. </al><al>Op basis van deze bepaling kan een recidivemaatregel slechts één keer
                            worden toegepast. Indien de jongere na een tweede verwijtbare gedraging
                            wederom hetzelfde verwijtbaar gedrag vertoont, zal de hoogte en de duur
                            van de maatregel individueel moeten worden vastgesteld, waarbij gekeken
                            zal moeten worden naar de ernst van de gedraging, de mate van
                            verwijtbaarheid en de individuele omstandigheden van de jongere. Een
                            zwaardere maatregel dan in geval van recidive is dan doorgaans
                            verdedigbaar. </al><al>Gemeenten kunnen er ook voor kiezen geen regeling voor recidive in de
                            verordening op te nemen. In dat geval zal ook bij recidive de hoogte en
                            de duur van de maatregel individueel moeten worden bepaald. </al><al><vet>Hoofdstuk 3. Niet nakomen van de inlichtingenplicht </vet>In dit
                            hoofdstuk worden twee vormen van het niet nakomen van de
                            informatieplicht onderscheiden: </al><lijst><li nr="1."><al>het niet tijdig verstrekken van inlichtingen aan de gemeente. In
                                    deze situatie is artikel 40, eerste lid WIJ van toepassing. Het
                                    college kan in dat geval het recht op inkomensvoorziening
                                    opschorten en de jongere in de gelegenheid stellen binnen een
                                    door hem te stellen termijn het verzuim te herstellen. In dat
                                    geval kan ook een maatregel aan de orde zijn.</al></li><li nr="2."><al>Artikel 44 WIJ: het verstrekken van onjuiste of onvolledige
                                    inlichtingen aan de gemeente. Daardoor is het mogelijk dat er
                                    ten onrechte of een te hoog bedrag aan inkomensvoorziening is
                                    verstrekt of ten onrechte een werkleeraanbod is toegekend. Het
                                    is ook denkbaar dat het inlichtingenverzuim niet tot benadeling
                                    heeft geleid. In beide gevallen kan een maatregel aan de orde
                                    zijn.</al></li></lijst><al>Het kan ook voorkomen dat bepaalde gevraagde gegevens bij een aanvraag
                            niet aan de gemeente worden verstrekt. In dat geval kan het college de
                            rechtmatigheid van het werkleeraanbod en de inkomensvoorziening niet
                            vaststellen. De aanvraag moet dan worden afgewezen. Het opleggen van een
                            maatregel is in dergelijke gevallen niet aan de orde. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Schending inlichtingenplicht zonder benadeling gemeente</titel></kop><al>Indien een jongere de voor het werkleeraanbod of de inkomensvoorziening
                            van belang zijnde gegevens of gevorderde bewijsstukken niet op tijd
                            verstrekt, kan het college het recht op inkomensvoorziening opschorten
                            (artikel 40, eerste lid, WIJ). Het college geeft de jongere vervolgens
                            een termijn waarbinnen hij zijn verzuim kan herstellen (de
                            hersteltermijn). Wordt de gevraagde informatie niet binnen de gestelde
                            termijn aan de gemeente verstrekt, dan kan het college de het besluit
                            tot vaststelling van de inkomensvoorziening intrekken (artikel 40,
                            vierde lid, tweede volzin, WIJ). Worden de gevraagde gegevens wél binnen
                            de hersteltermijn verstrekt, wordt de inkomensvoorziening voortgezet,
                            maar wordt tevens een maatregel opgelegd. </al><al>Dit lid regelt de hoogte van de maatregel. Tevens wordt daarin de
                            zogeheten 'nulfraude' geregeld: het verstrekken van onjuiste of
                            onvolledige inlichtingen, zonder dat deze gedraging gevolgen heeft voor
                            het werkleeraanbod of de inkomensvoorziening. Een voorbeeld van
                            nulfraude kan zijn het niet melden van een niet-rechthebbende partner.
                        </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Schending inlichtingenplicht met benadeling gemeente</titel></kop><al>Eerste lid In artikel 44, eerste lid, WIJ is bepaald dat de jongere op
                            verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten
                            en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij
                            van invloed kunnen zijn op zijn werkleeraanbod of het recht op
                            inkomensvoorziening. Het college zal moeten vaststellen wat het onder
                            'onverwijld' verstaat. De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in
                            de hoogte van het benadelingsbedrag. Dat is het door de gemeente te veel
                            betaalde bedrag aan inkomensvoorziening alsmede de kosten van het
                            werkleeraanbod. Hoewel dit niet met zoveel woorden in de tekst van de
                            verordening tot uitdrukking is gebracht, kan uiteraard ook de keus
                            gemaakt worden om het werkleeraanbod niet te betrekken bij de
                            vaststelling van het benadelingsbedrag. Uit een oogpunt van
                            uitvoerbaarheid is daar wel iets voor te zeggen. Daar staat tegenover
                            dat het ook denkbaar is dat een jongere wel gebruik heeft gemaakt van
                            een werkleeraanbod, maar geen inkomensvoorziening heeft ontvangen, omdat
                            het aanbod voldoende inkomsten genereert. In dat geval kan het gewenst
                            zijn om bij schending van de inlichtingenplicht toch een maatregel te
                            kunnen opleggen, die wordt afgestemd op de kosten van het
                            werkleeraanbod. </al><al>Tweede lid De maatregel wegens het niet of niet behoorlijk nakomen van
                            de inlichtingenplicht wordt afhankelijk gesteld van de hoogte van het
                            bedrag aan inkomensvoorziening dat als gevolg van de schending van die
                            verplichting ten onrechte of te veel aan de jongere is betaald. </al><al>De maatregel wordt in de regel toegepast op de toekomstige
                            inkomensvoorziening van de jongere maar kan ook met terugwerkende kracht
                            worden opgelegd, zie artikel 7, tweede lid. </al><al>Derde lid </al><al>Het opleggen van een sanctie in reactie op schending van de
                            inlichtingenplicht is in beginsel een </al><al>verantwoordelijkheid van de gemeente zelf. In de Aanwijzing sociale
                            zekerheidsfraude hebben de Procureurs- generaal echter richtlijnen
                            gegeven onder welke omstandigheden ter zake van de aan de schending
                            klevende strafrechtelijke delicten (veelal oplichting en valsheid in
                            geschrifte) vervolging door het OM moet plaatsvinden. </al><al>Per 1 januari 2009 is de bestaande Aanwijzing sociale zekerheidsfraude
                            gewijzigd (zie Stcrt. 2008/187). </al><al>Uitgangspunt is het zogenaamde ‘una via’-beginsel. De jongere wordt
                            hetzij door de gemeente, hetzij door de strafrechter gesanctioneerd.
                            Niet door beide. </al><al>In grote lijnen komt het erop neer dat als er een redelijk vermoeden
                            bestaat dat het benadelingsbedrag (bruto) € 10.000 of hoger is, er
                            aangifte en vervolging door het OM dient plaats te vinden. Is er echter
                            sprake van ‘witte’ fraude (door koppeling van bestanden etc. aan het
                            licht gebracht), dan is de gemeente primair verantwoordelijk tot een
                            benadelingsbedrag van € 35.000. Is de benadeling groter dan is altijd
                            het OM aan zet. Dat geldt ook voor gevallen waarin er met de jongere
                            geen uitkeringsrelatie meer bestaat en dus geen maatregel meer kan
                            worden toegepast. </al><al>In het derde lid is vastgelegd dat van een maatregel wordt afgezien als
                            inmiddels vervolging is ingesteld door het OM of als een schikking is
                            getroffen. In dergelijke situaties is een maatregel niet meer opportuun.
                        </al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><al>Zie ook de Algemene Toelichting op dit onderdeel. </al><al>Eerste lid </al><al>Onder de term 'zeer ernstige misdragingen' kunnen diverse vormen van
                            agressie worden verstaan, zij het dat er sprake moet zijn van
                            verwijtbaarheid en van gedrag dat in het normale menselijke verkeer in
                            alle gevallen als onacceptabel wordt beschouwd. Gemeenten kunnen alleen
                            een maatregel opleggen indien er een verband bestaat tussen de ernstige
                            misdraging en (mogelijke) belemmeringen voor de gemeente bij het
                            vaststellen van het recht op een werkleeraanbod en/of
                            inkomensvoorziening. Vandaar dat in dit artikel wordt bepaald dat de
                            zeer ernstige misdragingen moeten hebben plaatsgevonden onder
                            omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de
                            WIJ (zie ook de Algemene toelichting op dit onderdeel). In artikel 41,
                            eerste lid, WIJ wordt gesproken over 'het zich jegens het college zeer
                            ernstig misdragen'. Dit betekent dat alleen (zeer) agressief gedrag
                            tegenover leden van het college en hun ambtenaren aanleiding kan zijn
                            voor het opleggen van een maatregel. Of dit ook ‘a contrario’ betekent
                            dat geen maatregel kan worden opgelegd als er sprake is van zeer
                            ernstige misdragingen jegens externe uitvoerders van de WIJ, zoals het
                            UWV-WERKbedrijf, re-integratiebedrijven, opleidingsinstituten e.d. is
                            niet duidelijk. De Centrale Raad van Beroep heeft zich daar tot dusver
                            niet over uitgelaten </al><al>Bij het vaststellen van de maatregel in de situatie dat een jongere zich
                            ernstig heeft misdragen, zal evenzeer gekeken moeten worden naar de
                            ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de persoonlijke
                            omstandigheden van de jongere. Wat betreft het vaststellen van de ernst
                            van de gedraging, kunnen de volgende vormen van agressief gedrag in een
                            oplopende reeks (steeds ernstiger) worden onderscheiden: a. verbaal
                            geweld (schelden); b. discriminatie; c. intimidatie (uitoefenen van
                            psychische druk); d. zaakgericht fysiek geweld (vernielingen); e.
                            mensgericht fysiek geweld; f. combinatie van agressievormen. </al><al>Voor het bepalen van verwijtbaarheid van de misdraging zal gekeken
                            moeten worden naar de omstandigheden waaronder de misdraging heeft
                            plaatsgehad. In dit verband is het relevant een onderscheid te maken
                            tussen instrumenteel geweld en frustratiegeweld. Van instrumenteel
                            geweld is sprake als iemand het toepassen van geweld bewust gebruikt om
                            een bepaald doel te bereiken (bijvoorbeeld het verkrijgen van een
                            uitkering). Agressie die ontstaat door onmacht, ontevredenheid,
                            onduidelijkheid en dergelijke kan worden aangeduid met
                            frustratieagressie. Het zal duidelijk zijn dat de mate van
                            verwijtbaarheid bij instrumenteel geweld in beginsel groter is dan bij
                            frustratiegeweld. </al><al>Het opleggen van een maatregel staat geheel los van het doen van
                            aangifte bij de politie. Het college legt een maatregel op, terwijl de
                            functionaris tegen wie de agressie zich richtte aangifte kan doen bij de
                            politie. Het is aan te bevelen dat een gemeente over een
                            agressieprotocol beschikt waarin is aangegeven hoe wordt omgegaan met
                            lastige en agressieve klanten. In zo'n agressieprotocol kan een relatie
                            worden gelegd met het maatregelenbeleid ten aanzien van agressieve
                            klanten, in de vorm van beleidsregels. </al><al>Derde lid </al><al>In lid 3 is vastgelegd dat evenals bij andere vormen van verwijtbaar
                            gedrag soms een waarschuwing op zijn plaats kan zijn en gegeven kan
                            worden. </al><al>Vierde lid </al><al>In het vierde lid komt evenals bij andere gedragingen tot uitdrukking
                            dat recidive een reden kan zijn de maatregelduur te verlengen. Vergelijk
                            ook hetgeen in de Algemene toelichting is gesteld over de mogelijkheid
                            om bij herhaald wangedrag de jongere wel tijdelijk uit te sluiten van
                            het recht op werkleeraanbod maar niet van de inkomensvoorziening. Gelet
                            op de wens van de wetgever om bij herhaald zeer ernstige misdragingen de
                            jongere (tijdelijk) uit te sluiten van een inkomensvoorziening, is bij
                            recidive in beginsel een percentage van 100% van toepassing, gedurende
                            de periode van uitsluiting van het werkleeraanbod. Er kan uiteraard ook
                            gekozen worden voor een periode van een maand of enkele maanden. Wel
                            geldt daarbij dat binnen een maand de uitsluiting van het werkleeraanbod
                            heroverwogen moet worden, vanwege de grote consequenties en gelet op het
                            belang van duurzame arbeidsparticipatie.</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>