<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR37546_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening werkleeraanbod Wet investeren in jongeren gemeente Montfoort</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Montfoort</dcterms:creator><dcterms:modified>2009-10-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Montfoort</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Onbekend</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 147 Wet investeren in jongeren art. 12 eerste lid.</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2009-10-26</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2009-10-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2009-10-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2019-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening werkleeraanbod Wet investeren in jongeren gemeente Montfoort</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Montfoort; </al><al>gezien het advies van de Raadscommissie; </al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van Montfoort, d.d. 22
                        september 2009; </al><al>gelet op artikel 147, eerste lid, van de Gemeentewet en artikel 12, eerste
                        lid, onder a van de Wet investeren in jongeren; </al><al>overwegende dat het noodzakelijk is bij verordening regels te stellen
                        aangaande de inhoud van het werkleeraanbod in het kader van de Wet
                        investeren in jongeren; </al><al>b e s l u i t;</al><al>vast te stellen de <vet>“Verordening werkleeraanbod Wet investeren in
                        jongeren gemeente Montfoort” </vet></al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al>wet: de Wet investeren in jongeren;</al></li><li nr="b."><al>algemeen geaccepteerde arbeid: alle arbeid, niet zijnde arbeid
                                    in het kader van de Wet sociale werkvoorziening, die algemeen
                                    maatschappelijk aanvaard is en niet indruist tegen de openbare
                                    orde of goede zeden;</al></li><li nr="c."><al>startkwalificatie: een diploma van een opleiding als bedoeld in
                                    artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen b tot en met e, van de Wet
                                    educatie en beroepsonderwijs of een diploma hoger algemeen
                                    voortgezet onderwijs of voorbereidend wetenschappelijk onderwijs
                                    als bedoeld in artikel 7 onderscheidenlijk 8 van de Wet op het
                                    voortgezet onderwijs;</al></li><li nr="d."><al>College: het college van burgemeester en wethouders van de
                                    gemeente Montfoort.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Beleid en financiën</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Opdracht college</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college biedt jongeren die recht hebben op een werkleeraanbod,
                                algemeen geaccepteerde arbeid, ondersteuning bij de
                                arbeidsinschakeling of een voorziening gericht op
                                arbeidsinschakeling aan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan het werkleeraanbod ook invullen met een combinatie
                                van algemeen geaccepteerde arbeid, ondersteuning bij de
                                arbeidsinschakeling dan wel één of meerdere voorzieningen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het tweede lid kan een werkleeraanbod ook bestaan
                                uit een voorbereidingsperiode op een zelfstandig beroep of bedrijf,
                                als bedoeld in artikel 17, zesde lid van de wet.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college stemt het werkleeraanbod af op de omstandigheden,
                                krachten en bekwaamheden van de jongere, wiens recht op een
                                werkleeraanbod is vastgesteld. Bij de invulling van het
                                werkleeraanbod onderzoekt het college de mogelijkheden en
                                omstandigheden van de jongere. Zij beziet daarbij tevens in hoeverre
                                de wensen van de jongere bij de invulling van het werkleeraanbod
                                kunnen worden betrokken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Aanspraak op ondersteuning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Jongeren die recht hebben op een werkleeraanbod komen in aanmerking
                                voor ondersteuning bij de arbeidsinschakeling en op de naar het
                                oordeel van het college noodzakelijk geachte en beschikbare
                                voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college doet een werkleeraanbod dat past binnen de criteria die
                                gesteld zijn in deze verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Arbeidsinschakeling</titel></kop><al>Het college biedt jongeren die recht hebben op een werkleeraanbod en
                            naar het oordeel van het college direct inzetbaar zijn op de
                            arbeidsmarkt in beginsel algemeen geaccepteerde arbeid of ondersteuning
                            bij de arbeidsinschakeling aan. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>De voorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd artikel 4, kan het college jongeren die recht hebben op
                                een werkleeraanbod, één of meer van de volgende voorzieningen
                                aanbieden:</al><lijst><li nr="a."><al>ondersteuning bij een beroep op maatschappelijke opvang of
                                        medische zorg;</al></li><li nr="b."><al>ondersteuning bij maatschappelijke participatie;</al></li><li nr="c."><al>arbeidsactivering en –toeleiding;</al></li><li nr="d."><al>sociale activering;</al></li><li nr="e."><al>stages bij bedrijven of instellingen;</al></li><li nr="f."><al>opleidingen die de toegang tot de arbeidsmarkt
                                        bevorderen;</al></li><li nr="g."><al>gesubsidieerd werk;</al></li><li nr="h."><al>nazorg bij arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="i."><al>voorbereidingstrajecten voor zelfstandige arbeid;</al></li><li nr="j."><al>diagnose-instrumenten;</al></li><li nr="k."><al>ondersteunende instrumenten, waaronder kinderopvang,
                                        schuldhulpverlening, onderzoeken door deskundigen en taal-
                                        en beroepsgerichte scholing.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Inzet van de voorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij de inzet van voorzieningen kiest het college voor voorzieningen
                                die beschikbaar, adequaat en toereikend zijn voor het doel dat wordt
                                beoogd. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het doel van de inzet van voorzieningen is het bevorderen van
                                duurzame arbeidsparticipatie van jongeren door het opdoen van
                                werkervaring, het aanleren van vaardigheden en kennis, het opdoen
                                van werkritme, maatschappelijke participatie dan wel op andere wijze
                                vergroten van persoonlijke en maatschappelijke zelfredzaamheid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college vult de voorziening bedoeld in het eerste lid voor de
                                jongere die niet beschikt over een startkwalificatie in met scholing
                                of opleiding die de toegang tot de arbeidsmarkt bevordert, tenzij
                                naar het oordeel van het college een dergelijke scholing of
                                opleiding de krachten of bekwaamheden van de jongere te boven gaat
                                of onvoldoende bijdraagt aan vergroting van de kans op
                                arbeidsinschakeling van de jongere. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Combinatie arbeid en zorg</titel></kop><al>Onverminderd artikel 17, vierde lid, van de wet, betrekt het college bij
                            de invulling van het werkleeraanbod de beschikbaarheid van passende
                            kinderopvang, het belang van voldoende scholing en de belastbaarheid van
                            de jongere. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Gehandicapten</titel></kop><al>Onverminderd artikel 17, tweede lid, van de wet, stemt het college het
                            werkleeraanbod af op de medische beperkingen van de jongere en draagt
                            zorg voor passende voorzieningen ter ondersteuning bij de
                            arbeidsinschakeling. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Uitvoering door derden</titel></kop><al>Het college kan in verband met de invulling en uitvoering van het
                            werkleeraanbod afspraken maken met derden, waaronder werkgevers en
                            re-integratiebedrijven, alsmede subsidies verstrekken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Verplichtingen van de jongere</titel></kop><al>Een jongere die gebruik maakt van een voorziening is gehouden te voldoen
                            aan de verplichtingen die voortvloeien uit de wet, de Wet structuur uitvoering werk en inkomen,
                            deze verordening, alsmede aan de verplichtingen die het college aan de aangeboden voorziening heeft
                            verbonden. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Intrekking werkleeraanbod</titel></kop><al>Het college kan het werkleeraanbod intrekken of herzien, indien
                            wijziging optreedt in de omstandigheden, krachten of bekwaamheden van de
                            jongere dan wel indien de jongere niet voldoet aan een of meer op hem
                            rustende verplichtingen als bedoeld in hoofdstuk 5 van de wet en hem dit
                            te verwijten valt. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Budgetplafond</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een of meer budgetplafonds vaststellen voor de
                                verschillende voorzieningen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan een plafond instellen voor het aantal personen dat
                                in aanmerking komt voor een specifieke voorziening.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Subsidie en vergoedingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Subsidies</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan subsidie verlenen aan werkgevers die met een
                                    jongere een arbeidsovereenkomst sluiten, als tegemoetkoming in
                                    de loonkosten en in de kosten van voorbereiding op een beoogd
                                    dienstverband met de jongere.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan nadere regels stellen over de duur van de
                                    subsidie, de hoogte, en de verplichtingen die aan de subsidie
                                    worden verbonden.</al></li><li nr="3."><al>Het college kan een subsidieplafond vaststellen.</al></li></lijst><al>4. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Vergoedingen</titel></kop><al>Het college kan aan een jongere die ten behoeve van de uitvoering van
                            een werkleeraanbod noodzakelijke kosten maakt, een vergoeding voor die
                            kosten verstrekken. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Onvoorziene omstandigheden en hardheidsclausule</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In alle gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist het
                                college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in
                                deze verordening, als toepassing daarvan tot onbillijkheden van
                                overwegende aard leidt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Inwerkingtreding en terugwerkende kracht</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op de de dag na de dag van
                            bekendmaking en werkt terug tot 1 oktober 2009.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als<vet> “Verordening werkleeraanbod
                                Wet investeren in jongeren gemeente Montfoort”</vet>. </al><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de raadsvergadering van 26 oktober 2009 </ondertekening><ondertekening>De griffier, De voorzitter,</ondertekening><ondertekening>Mw. D.E. van der Kamp E.L. Jansen BA</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><al><vet>Toelichting </vet></al><al><vet>De Wet investeren in jongeren en het werkleeraanbod </vet></al><al>Op 1 oktober 2009 treedt de Wet investeren in jongeren (WIJ) in werking.
                            Doelstelling van deze wet is de duurzame arbeidsparticipatie in regulier
                            werk van jongeren tot 27 jaar. Om dit te bereiken is in de wet een recht
                            op een zogenaamd werkleeraanbod vastgelegd. Het werkleerrecht berust op
                            het uitgangspunt dat jongeren die goed geschoold zijn en over voldoende
                            kwalificaties beschikken gemakkelijker aan het werk zullen komen en
                            daardoor zelfstandig in hun levensonderhoud kunnen voorzien. </al><al>De WIJ verplicht gemeenten om te investeren in de arbeidsinschakeling
                            van alle jongeren, ook bij een grote afstand tot de arbeidsmarkt.
                            Daartoe moeten gemeenten jongeren in beginsel een werkleeraanbod doen.
                            Afgeleide van het werkleeraanbod is een inkomensvoorziening voor
                            jongeren vanaf 18 jaar als de jongere onvoldoende inkomsten heeft. Deze
                            inkomensvoorziening is alleen beschikbaar als het werkleeraanbod wegens
                            in de persoon van de jongere gelegen of niet verwijtbare omstandigheden
                            zijnerzijds geen optie is, dit aanbod onvoldoende inkomsten genereert of
                            er nog geen werkleeraanbod kan worden gedaan. De samenhang tussen het
                            werkleeraanbod enerzijds en de inkomensvoorziening anderzijds is een
                            bepalend element in de WIJ. </al><al>De relatie tussen werken/leren en een uitkering is fundamenteel anders
                            dan de WWB, waarbij het recht op bijstand vooropstaat met als afgeleide
                            de plicht tot arbeidsparticipatie. Met de WIJ wordt een
                            ‘paradigmawisseling’ beoogd: is het uitgangspunt in de WWB ‘een
                            uitkering, mits’ in de WIJ is dit omgedraaid en geldt als uitgangpunt
                            ‘geen uitkering, tenzij’. </al><al>Evenals in de WWB geldt binnen de WIJ een stelsel van rechten en
                            plichten. De gemeente is onder bepaalde voorwaarden verplicht een
                            werkleeraanbod en eventueel een inkomensvoorziening aan te bieden. De
                            jongere is verplicht zich te houden aan diverse verplichtingen. Worden
                            deze verplichtingen geschonden, dan kan het werkleeraanbod worden
                            ingetrokken en dient de inkomensvoorziening verlaagd te worden (artikel
                            41, eerste lid WIJ). Die verlaging geschiedt conform de regels die in
                            een gemeentelijke verordening moeten zijn vastgelegd (artikel 12, eerste
                            lid onderdeel b WIJ). Dat is de Maatregelverordening WIJ. </al><al><vet>Duurzame arbeidsparticipatie </vet></al><al>Voor jongeren in de leeftijd van 16 tot 27 jaar ontstaat onder de
                            voorwaarden die in de WIJ zijn genoemd, een individueel recht op een
                            werkleeraanbod. Dat is meer dan een recht op een eenmalige voorziening.
                            Zo nodig is het een recht op een reeks voorzieningen gericht op de
                            kortste weg naar duurzame arbeidsparticipatie. Langs welke route die weg
                            verloopt, is een individueel gegeven dat wordt bepaald door de afstand
                            van de jongere tot de arbeidsmarkt en de beschikbaarheid van
                            voorzieningen. Onder duurzame arbeidsparticipatie wordt verstaan de
                            arbeidsinschakeling waarbij jongeren gedurende langere tijd en op eigen
                            kracht aan het arbeidsproces kunnen deelnemen en arbeid verrichten dat
                            past bij hun kennis en vaardigheden of deze kennis en vaardigheden
                            bevordert (Kamerstukken II 2008-2009, 31 775, nr. 7, p. 11). Tot dat
                            punt is bereikt is de gemeente verplicht de jongere (bij herhaling) een
                            werkleeraanbod te doen gericht op arbeidsinschakeling. Er is
                            nadrukkelijk voor gekozen om niet bij voorbaat te bepalen hoe lang de
                            algemeen geaccepteerde arbeid zou moeten duren voordat over ‘duurzame
                            arbeidsparticipatie’ kan worden gesproken (Handelingen TK 2008-2009, nr.
                            76, p. 6006). De jongere dient op het punt gebracht te worden dat hij
                            geen ondersteuning van het college meer nodig heeft. </al><al><vet>Inhoud werkleeraanbod </vet></al><al>Het begrip ‘werkleeraanbod’ moet ruim worden uitgelegd. Het
                            werkleeraanbod kan allerlei vormen hebben, variërend van een ‘echte’
                            baan tot vakgerichte scholing of een combinatie van beide. Een
                            werkleeraanbod kan ook bestaan uit voorzieningen die nodig worden geacht
                            op weg naar arbeidsinschakeling, zoals een sollicitatietraining, een
                            cursus gericht op de ontwikkeling van werknemersvaardigheden, een
                            stageplaats, schuldhulpverlening, sociale activering, nazorg en
                            gesubsidieerde arbeid. Afgezien van participatieplaatsen kan het gehele
                            instrumentarium dat gemeenten hebben ontwikkeld voor de re-integratie in
                            het kader van de WWB, ook op jongeren toegepast worden.
                            Participatieplaatsen zijn uitgezonderd. Bij jongeren zal de situatie
                            waarin de afstand tot de arbeidsmarkt dusdanig groot is dat die alleen
                            met de maximale drie jaar additionele arbeid te overbruggen is zich niet
                            in die mate voordoen dat de regering participatieplaatsen in de vorm van
                            artikel 10a WWB noodzakelijk acht. Ook uitgezonderd is het reguliere
                            onderwijs dat door het Rijk wordt bekostigd (zie ook artikel 23, eerste
                            lid, onderdeel a WIJ). Het college kan de jongere weliswaar adviseren
                            een dergelijke vorm van onderwijs te volgen of weer te gaan volgen als
                            dit zinvol wordt geacht, maar het is geen voorziening die de gemeente
                            kan inzetten om vorm te geven aan het werkleeraanbod. Een premie voor de
                            arbeidsinschakeling past niet bij het uitgangspunt dat jongeren die
                            daartoe in staat zijn moeten leren of werken. Daarom is er geen
                            aanleiding om werken en/of leren te belonen met een financiële
                            vrijlating van inkomsten uit deeltijdarbeid of van een premie i.v.m.
                            arbeidsinschakeling bij de inkomensvoorziening. Dat geldt evenzeer voor
                            een onkostenvergoeding voor vrijwilligerswerk, tenzij deze bestemd is
                            voor aantoonbaar gemaakte kosten. </al><al>Het college bepaalt de inhoud van het werkleeraanbod. Dat geldt ook voor
                            de vraag of het accent komt te liggen op werken of leren. Gelet op de
                            duurzame arbeidsparticipatie als einddoel, zal werken de hoogste
                            prioriteit hebben als de jongere daartoe in staat is. Zijn er echter
                            belemmeringen op de weg daar naartoe, dan kunnen allerlei voorzieningen
                            worden ingezet om dat einddoel te bereiken. Van belang daarbij is dat de
                            startkwalificatie binnen het werkleeraanbod een ijkpunt vormt, omdat
                            deze in belangrijke mate kan bijdragen aan duurzame arbeidsparticipatie.
                            Het is aan de gemeenten overgelaten om te beoordelen in hoeverre de
                            jongere in staat moet worden gesteld een dergelijke kwalificatie te
                            behalen of anderszins scholing te ontvangen die de toegang tot de
                            arbeidsmarkt bevordert. </al><al><vet>Maatwerk </vet></al><al>Uitgangspunt is dat maatwerk wordt geleverd: dat het werkleeraanbod
                            wordt afgestemd op de omstandigheden, krachten en capaciteiten van de
                            jongere (artikel 18, eerste lid WIJ). De wensen van jongeren worden
                            betrokken bij het vormgeven van het werkleeraanbod (artikel 14, eerste
                            lid WIJ). Het college is verplicht die wensen vast te leggen in de
                            rapportage die ten grondslag ligt aan het werkleeraanbod en dient
                            daarbij tevens aan te geven op welke wijze die wensen bij het
                            werkleeraanbod betrokken zijn. </al><al><vet>Werken en leren niet direct mogelijk </vet></al><al>Wanneer het doen van een werkleeraanbod bestaande uit werken en/of leren
                            niet direct mogelijk is, dient een aanbod gedaan te worden dat op
                            termijn perspectief biedt op arbeidsinschakeling. Dat kan betekenen dat
                            voorzieningen worden ingezet in de vorm van zorg- of hulpverlening,
                            waarbij ook aandacht kan worden besteed aan belemmerende factoren, zoals
                            psychische, sociale en cognitieve problemen. Het werkleeraanbod omvat
                            immers het geheel van re-integratievoorzieningen, dat gericht is op
                            duurzame arbeidsparticipatie. Is de jongere naar het oordeel van het
                            college in het geheel niet in staat dat om redenen van lichamelijk,
                            sociale of psychische aard uitvoering wordt gegeven aan een
                            werkleeraanbod, dan kan daarvan vooralsnog worden afgezien (artikel 17,
                            tweede lid WIJ). Zorgtaken kunnen worden aangemerkt als reden van
                            sociale aard, voor zover daarmee geen rekening kan worden gehouden door
                            middel van een voorziening. </al><al><vet>Alleenstaande ouders </vet></al><al>Bij de vormgeving van het werkleeraanbod in de WIJ is speciale aandacht
                            besteed aan alleenstaande ouders, vanwege hun zorgtaken en mogelijke
                            medische en/of fysieke beperkingen. Daarom geldt voor alleenstaande
                            ouders met een ten laste komend kind jonger dan vijf jaar, dat het
                            werkleeraanbod desgevraagd wordt ingevuld door middel van scholing of
                            opleiding die de toegang tot de arbeidsmarkt bevordert, tenzij een
                            dergelijke scholing de krachten of bekwaamheden van de jongere te boven
                            gaat (artikel 17, vierde lid, WIJ). </al><al>Daarmee loopt deze regeling parallel met de WWB (artikel 9a WWB). Anders
                            dan in de WWB echter is uit oogpunt van deregulering afgezien van een
                            maximale termijn van zes jaar. Dit omdat gezien de maximale duur van het
                            werkleerrecht (van 18 tot 27 jaar) deze maximale termijn in de meeste
                            gevallen reeds in de werkleerperiode zal zijn geïncorporeerd. </al><al><vet>Zelfstandigen </vet></al><al>Besloten is om zelfstandigen uit te zonderen van het recht op een
                            werkleeraanbod en van het recht op inkomensvoorziening (artikel 23,
                            eerste lid, onderdeel e jo. artikel 42, eerste lid, onderdeel m, WIJ).
                            Zij kunnen een beroep doen op algemene bijstand of bijstand ter
                            voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal op grond van artikel 78f
                            van de WWB, zodat de (jongere) zelfstandige zich geheel kan richten op
                            zijn bestaan als zelfstandige. In het zesde lid van artikel 17 WIJ wordt
                            evenwel bepaald dat het college de mogelijkheid (niet de verplichting)
                            heeft om aan de jongere die als zelfstandige wil beginnen een
                            werkleeraanbod te doen dat bestaat uit een voorbereidingsperiode op het
                            bestaan als zelfstandige. Dit werkleeraanbod duurt maximaal twaalf
                            maanden en kan slechts worden aangeboden op verzoek van de jongere. </al><al><vet>Gehandicapten </vet></al><al>Voor de groep jongeren met een medische beperking (die niet behoren tot
                            de doelgroep van de WAJONG) is het van belang dat het aanbod aansluit
                            bij hun mogelijkheden. Het uitgangspunt van maatwerk bij het
                            werkleerrecht zal vooral voor deze groep een cruciale rol spelen. Aan de
                            hand van de individuele situatie zal beoordeeld moeten worden welk
                            aanbod past bij de jongere gelet op zijn/haar mogelijkheden en
                            beperkingen. Het werkleeraanbod moet aansluiten bij de individuele
                            mogelijkheden van de persoon in verband met gezondheid en
                            belastbaarheid. Maatwerk betekent een zorgvuldige op de persoon
                            toegesneden afweging bij de uiteindelijke keuze van een traject. Voor de
                            groep jongeren die weinig perspectief heeft op arbeidsinschakeling
                            behoort sociale activering tot mogelijkheden. Als een werkleeraanbod
                            vanwege de medische situatie in het geheel niet mogelijk is, wordt de
                            gehandicapte geen aanbod gedaan. Wel kan aanspraak op een
                            inkomensvoorziening bestaan. </al><al><vet>Beleid werkleeraanbod in verordening </vet></al><al>Om recht te doen aan de beleidsruimte die gemeenten nodig hebben om door
                            maatwerk invulling te geven aan de gemeentelijke verantwoordelijkheid,
                            worden aan de vormgeving van het werkleeraanbod en de mate waarin
                            gemeente daartoe voorzieningen kan inzetten, geen wettelijke eisen
                            gesteld. Gezien de verantwoordelijkheid die de gemeenteraad in het kader
                            van dit wetsvoorstel heeft, en mede met het oog op de rechtszekerheid,
                            is bepaald dat het gemeentelijke beleid inzake de voorzieningen in een
                            verordening moet worden vastgelegd. De jongere moet uit de verordening
                            kunnen afleiden welke voorzieningen het college kan inzetten om het
                            doel, de duurzame arbeidsparticipatie, te bereiken. Tevens kan in de
                            verordening in hoofdlijnen worden bepaald voor welke doelgroepen welke
                            voorzieningen bij voorkeur kunnen worden ingezet. Gedacht kan
                            bijvoorbeeld worden aan voorbereidingstrajecten voor startende
                            zelfstandigen en speciale arbeids- of scholingstrajecten voor
                            alleenstaande ouders, evt. in combinatie met kinderopvang, zodat
                            scholing/arbeid en zorg kan worden gecombineerd. In de verordening kan
                            ook worden vastgelegd dat samengewerkt wordt met andere
                            uitvoeringsinstellingen, zoals gemeenten of UWV, bedrijfsleven en
                            onderwijsinstellingen en als dat het geval is, op welke wijze de
                            samenwerking plaatsvindt.</al><al><vet>Relatie met re-integratieverordening WWB </vet></al><al>Het instrumentarium dat reeds beschikbaar is voor de re-integratie in
                            het kader van de WWB kan, uitgezonderd participatieplaatsen en
                            vrijlating van inkomsten uit arbeid, tevens worden ingezet voor de
                            vormgeving van het werkleeraanbod. Om die reden is in deze
                            modelverordening in enkele alternatieve bepalingen verwezen naar de
                            Re-integratieverordening WWB. </al><al><vet>Relatie met Maatregelverordening </vet></al><al>De verordening Werkleeraanbod en de Maatregelverordening vormen twee
                            kanten van dezelfde medaille. Immers, de WIJ legt het college plicht op
                            om jongeren een werkleeraanbod te doen. Het werkleeraanbod wordt door
                            deze verordening gefaciliteerd. Anderzijds staat daar wel wat tegenover.
                            De jongere is verplicht het aanbod te aanvaarden en verplichtingen die
                            aan het werkleeraanbod zijn gekoppeld na te leven. Komt de jongere die
                            verplichtingen niet na, dan vormt dat een grond voor verlaging van de
                            inkomensvoorziening. Beide verordeningen sluiten dus op elkaar aan. In
                            verband daarmee is in de verordening Werkleeraanbod herhaald dat onder
                            de voorwaarden, genoemd in artikel 21 WIJ het werkleeraanbod ingetrokken
                            kan worden.</al><al>Omdat met deze intrekking tevens het recht op inkomensvoorziening
                            vervalt, is het van belang dat wordt afgebakend wanneer de
                            inkomensvoorziening verlaagd en wanneer deze ingetrokken wordt.
                            Uitgangspunt van de wetgever is daarbij geweest dat bij schending van
                            verplichtingen primair een maatregel aangewezen is en pas in tweede
                            instantie intrekking van het werkleeraanbod en daarmee tevens van de
                            inkomensvoorziening aan de orde komt. Het opleggen van een maatregel is
                            derhalve regel, het intrekken van het werkleeraanbod uitzondering. Het
                            is aan de gemeenten overgelaten om beleid vast te stellen over de
                            grensafbakening tussen maatregel en intrekking werkleeraanbod. </al><al><vet>Staatssteun </vet></al><al>De Europese regelgeving over staatssteun kan een beperking van de
                            mogelijkheden voor het gemeentelijke re-integratiebeleid en het beleid
                            m.b.t. het werkleeraanbod opleveren. Van belang is dat per 1 januari
                            2009 de Europese vrijstellingsverordening werkgelegenheidssteun (Nr.
                            2204/2002) is komen te vervallen. Wel van toepassing zijn de Verordening
                            de minimis-steun (Verordening (EG) Nr. 69/2001) en de Algemene
                            groepsvrijstellingsverordening (nr. 800/2008). </al><al>Heeft de staatssteun een generiek karakter of betreft het steun aan een
                            organisatie die geen economische activiteiten verricht? </al><al>Generiek houdt in dat de steunmaatregel in wezen non-discriminatoir
                            werkt. Elke onderneming kan voor de steunmaatregel in aanmerking komen.
                            Steun met een generiek karakter behoeft daarom niet gemeld te worden.
                            Dit zelfde geldt voor steun aan een organisatie die geen economische
                            activiteiten verricht. </al><al>In deze verordening wordt uitgegaan van een generiek karakter.iedere
                            ondernemer ongeacht de plaats van vestiging kan een beroep doen op
                            subsidies bij het in dienst nemen van jongeren.</al><al><vet>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING </vet></al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>Begrippen die in de verordening worden gebruikt hebben dezelfde
                            betekenis als in de WIJ. Daarom worden bepaalde begrippen, zoals
                            ‘werkleeraanbod’, ‘arbeidsinschakeling’ en ‘jongere’, niet opnieuw
                            gedefinieerd. Wel gedefinieerd zijn de begrippen ‘startkwalificatie’ en
                            ‘algemeen geaccepteerde arbeid’, omdat deze in de WIJ niet nader zijn
                            omschreven. Het begrip ‘startkwalificatie’ is afkomstig uit de Wet
                            educatie en beroepsonderwijs en wordt wel in de WWB gedefinieerd (art.
                            6, eerste lid, onderdeel d WWB). De omschrijving van ‘algemeen
                            geaccepteerde arbeid’ is afkomstig uit de nota naar aanleiding van het
                            verslag (Kamerstukken II 2008-2009, 31 775, nr. 7, p.28). </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Opdracht college</titel></kop><al>In het eerste lid is de opdracht aan het college verwoord, zoals deze
                            voortvloeit uit artikel 11, eerste lid WIJ. Hoewel de opdracht daar al
                            is opgenomen, is er uit een oogpunt van duidelijkheid voor gekozen de
                            opdracht aan het college nader te omschrijven. In het tweede lid is
                            tevens verduidelijkt dat het werkleeraanbod ook samengesteld kan zijn
                            uit een combinatie van algemeen geaccepteerde arbeid, ondersteuning bij
                            arbeidsinschakeling en één of meerdere voorzieningen. Onder voorziening
                            wordt verstaan een instrument dat wordt ingezet om de jongere dichterbij
                            de arbeidsmarkt te brengen. Dit kan zoals gezegd allerlei vormen hebben,
                            variërend van schuldhulpverlening tot training van
                            werknemersvaardigheden. </al><al>In het derde lid is vastgelegd dat een werkleeraanbod ook kan bestaan
                            uit ondersteuning bij een traject gericht op werk in zelfstandig beroep
                            of bedrijf. Dit volgt reeds uit artikel 17, zesde lid, WIJ. Uit een
                            oogpunt van herkenbaarheid en consistentie, alsmede gelet op het belang
                            dat gehecht wordt aan het begeleiden van jongeren naar zelfstandig werk,
                            is deze bepaling opgenomen. Aangetekend moet daarbij worden dat het een
                            zgn. ‘kan’-bepaling is: het college bepaalt of het zinvol is de jongere
                            een aanbod te doen gericht op ondersteuning richting zelfstandig bedrijf
                            of beroep. Ter zake kan beleid worden geformuleerd. </al><al>Het vierde lid vormt een herhaling van artikel 17, eerste lid, WIJ.
                            Wederom uit een oogpunt van herkenbaarheid en consistentie, alsmede
                            gelet op het belang van maatwerk bij het vaststellen van het
                            werkleeraanbod, is dit artikel opgenomen. Toegevoegd is de gemeentelijke
                            onderzoeksplicht en de plicht om de wensen van de jongere bij de
                            invulling te betrekken. Met het oog op motivering en kansbenutting zal
                            het college daarmee rekening dienen te houden. Daarmee is niet gezegd
                            dat de jongere recht heeft op een bepaalde specifieke voorziening en
                            deze kan opeisen. De uiteindelijke invulling van de aard en de
                            samenstelling van het aanbod is voorbehouden aan het college. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Aanspraak op ondersteuning</titel></kop><al>Als spiegelbeeld van de opdracht van het college, zoals verwoord in
                            artikel 2, eerste lid, komen jongeren die recht hebben op een
                            werkleeraanbod in aanmerking voor ondersteuning bij de
                            arbeidsinschakeling en voorzieningen. Dit vloeit reeds voort uit artikel
                            13, eerste lid, WIJ maar is omwille van de herkenbaarheid en
                            eenduidigheid hier nader geconcretiseerd. Wat de vorm van de
                            ondersteuning is, bepaalt het college zelf (bijv. Kamerstukken II
                            2008-2009, 31 775, nr. 3, p. 22). </al><al>Voor de duidelijkheid is verder nog bepaald dat het om jongeren moet
                            gaan die recht op een werkleeraanbod hebben. Dat is niet iedere
                            ‘jongere’ in de zin van de WIJ (zie artikel 2, eerste lid, WIJ), want
                            daaronder wordt verstaan de jongere in de leeftijd van 16 tot 27 jaar.
                            Artikel 13, eerste lid, WIJ kadert de doelgroep af. </al><al>In het tweede lid wordt expliciet de koppeling gelegd tussen de algemene
                            aanspraak van de jongere en de criteria die gesteld zijn voor het
                            aanbieden van een werkleeraanbod. Daarbij wordt verwezen naar de
                            verordening </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Arbeidsinschakeling</titel></kop><al>Het staat het college vrij om bij het werkleeraanbod aan de jongere een
                            keuze te maken tussen het aanbieden van algemeen geaccepteerde arbeid,
                            ondersteuning bij de arbeidsinschakeling en een voorziening gericht op
                            arbeidsinschakeling. Deze zijn nevengeschikt. De kortste weg naar
                            duurzame arbeidsparticipatie is echter het doel van het in te zetten
                            werkleeraanbod. In dat verband kan de gemeenteraad als beleidslijn
                            opnemen dat jongeren die direct inzetbaar zijn op de arbeidsmarkt in
                            beginsel algemeen geaccepteerde arbeid wordt aangeboden, of
                            ondersteuning bij de arbeidsinschakeling, als bijv. arbeid niet direct
                            beschikbaar is. Het blijft uiteraard een kwestie van maatwerk of daar in
                            het concrete geval ook toe besloten wordt. De woorden ‘in beginsel’
                            moeten in die context worden gelezen. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>De voorzieningen</titel></kop><al>Naast het aanbieden van algemeen geaccepteerde arbeid en ondersteuning
                            bij de arbeidsinschakeling kan het college voorzieningen aanbieden. Die
                            voorzieningen zijn primair bedoeld voor jongeren die niet direct
                            inzetbaar zijn op de arbeidsmarkt, maar kan in een krimpende
                            arbeidsmarkt ook worden aangeboden aan jongeren zonder direct
                            aanwijsbare belemmeringen. </al><al>In dit artikel zijn de voorzieningen opgesomd die het college ter
                            beschikking staan. Het zal van het specifiek gemeentelijke beleid
                            afhangen hoe het lijstje er exact komt uit te zien. Dat hoeft trouwens
                            geen statisch geheel te zijn. Het is denkbaar dat het college nog andere
                            voorzieningen ontwikkelt die (nog) niet in de verordening zijn
                            opgenomen. Deze verordening staat daaraan niet in de weg. Uiteraard is
                            het ook denkbaar dat de beschikbare voorzieningen in de verordening nog
                            nader worden geduid, in die zin, dat tevens aangegeven wordt wat de
                            concrete inhoud is van de betreffende voorzieningen, wie de feitelijke
                            aanbieders zijn (opleidingsinstituten, re-integratiebedrijven e.d.) en
                            het aantal trajecten dat beschikbaar is. Daarbij kan ook per voorziening
                            worden aangegeven welk budget daarvoor beschikbaar wordt gesteld en of
                            er een budgetplafond van toepassing is. Het college kan niet gedwongen
                            worden om in een concreet geval een specifieke voorziening aan te
                            bieden. Het staat het college in beginsel vrij om het werkleeraanbod
                            zelf invulling te geven en daarbij ook te betrekken de mate waarin
                            voorzieningen noodzakelijk geacht worden en feitelijk beschikbaar zijn. </al><al>Aandachtspunt is wel dat een nadere concretisering (welke voorzieningen
                            door welke aanbieders) uitgelegd zou kunnen worden als een vorm van
                            staatssteun. Ter zake wordt verwezen naar wat daarover in de Algemene
                            toelichting is gesteld. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Inzet van de voorzieningen</titel></kop><al>In het eerste lid is het maatwerk-principe gerelateerd aan de inzet van
                            voorzieningen. De voorzieningen die worden ingezet moeten een adequaat
                            en toereikend middel zijn om het doel te bereiken. In het tweede lid is
                            het doel van de inzet van voorzieningen verwoord. Afhankelijk van de
                            aard van de voorziening zal sprake zijn van één van de aangegeven
                            (tussen)doelen, met als eindbestemming de duurzame arbeidsparticipatie. </al><al>Het behoort tot de gemeentelijke beleidsvrijheid om te bepalen of het
                            werkleeraanbod wordt ingevuld door werken of leren of een combinatie van
                            beide. Gelet op het belang dat door de wetgever wordt gehecht aan het
                            behalen van een startkwalificatie, wordt een voorziening ingevuld met
                            scholing of opleiding die de toegang tot de arbeidsmarkt bevordert als
                            de jongere daarover niet beschikt. Dit kan een opleiding zijn die tot
                            een startkwalificatie leidt, maar ook een andere scholing of opleiding
                            die de jongere dichterbij het perspectief van duurzame
                            arbeidsinschakeling brengt. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Combinatie arbeid en zorg</titel></kop><al>Bij de vormgeving van het werkleeraanbod in de WIJ is speciale aandacht
                            besteed aan alleenstaande ouders, vanwege hun zorgtaken en mogelijk
                            verminderde belastbaarheid. Daarom geldt voor alleenstaande ouders met
                            een ten laste komend kind jonger dan vijf jaar, dat het werkleeraanbod
                            desgevraagd wordt ingevuld door middel van scholing of opleiding die de
                            toegang tot de arbeidsmarkt bevordert, tenzij een dergelijke scholing de
                            krachten of bekwaamheden van de jongere te boven gaat (artikel 17,
                            vierde lid, WIJ). Daaraan wordt in artikel 7 van deze verordening
                            toegevoegd dat het college bij de invulling van het werkleeraanbod de
                            situatie van de alleenstaande ouder betrekt, ongeacht de leeftijd van
                            het kind. Evt. kosten voor kinderopvang die niet toereikend door
                            voorliggende voorzieningen worden gecompenseerd, kunnen op grond van
                            artikel 10 (of 14) worden vergoed en ten laste van het
                            participatiebudget worden gebracht. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Gehandicapten</titel></kop><al>De gehandicapte jongeren nemen eveneens een bijzondere positie in binnen
                            de WIJ. Voor deze groep jongeren met een medische beperking is het van
                            belang dat het aanbod aansluit bij hun mogelijkheden. Het uitgangspunt
                            van maatwerk bij het werkleerrecht zal vooral voor deze groep een
                            cruciale rol spelen. Aan de hand van de individuele situatie zal het
                            college beoordelen welk aanbod past bij de jongere met inachtneming van
                            zijn/haar mogelijkheden en beperkingen. Voor de groep jongeren die
                            weinig perspectief heeft op arbeidsinschakeling behoort sociale
                            activering tot mogelijkheden. Is arbeidsinschakeling in het geheel (nog)
                            niet aan de orde, dan brengt artikel 17, tweede lid, WIJ met zich mee
                            dat (tijdelijk) geen werkleeraanbod wordt gedaan. Er bestaat gedurende
                            die periode wel aanspraak op inkomensvoorziening. Zodra de belemmeringen
                            zijn opgeheven, dient een gericht werkleeraanbod te worden gedaan. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Uitvoering door derden</titel></kop><al>In artikel 11, vierde lid van de WIJ is bepaald dat het college de
                            uitvoering van de WIJ, behoudens het vaststellen van de rechten en
                            plichten en de daarvoor noodzakelijke beoordeling van zijn
                            omstandigheden, door derden kan laten verrichten. De genoemde
                            vaststelling kan wel worden gemandateerd aan bestuursorganen. Er zijn in
                            de WIJ geen wettelijke belemmeringen opgeworpen om de feitelijke
                            werkzaamheden m.b.t. de uitvoering van het werkleeraanbod of de
                            inrichting van het werkleeraanbod in handen te stellen van derden, zoals
                            opleidingsinstituten en re-integratiebedrijven. Binnen de beleidskaders
                            die de gemeenteraad vaststelt kan het college nadere afspraken maken met
                            deze derden. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Verplichtingen van de jongere</titel></kop><al>In de WIJ is vastgelegd welke verplichtingen verbonden zijn aan het
                            recht op een werkleeraanbod (zie de artikelen 44 en 45 WIJ). Daaraan is
                            toegevoegd dat de jongere de verplichtingen dient na te komen die
                            voortvloeien uit de verordening of die in concreto aan een voorziening
                            zijn verbonden. Dit kunnen verplichtingen van uiteenlopende aard zijn,
                            die een concretisering vormen van de in de WIJ opgenomen verplichtingen.
                            Zo kan bepaald worden dat een jongere gedurende het traject op gezette
                            tijden met de consulent de voortgang bespreekt. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Intrekking werkleeraanbod</titel></kop><al>Dit artikel vormt een herhaling van artikel 21 WIJ. De meerwaarde van
                            opname van deze bepaling in de verordening werkleeraanbod is gelegen in
                            de overweging dat intrekking van het werkleeraanbod complementair is aan
                            het voeren van beleid m.b.t. de invulling het werkleeraanbod. Daar waar
                            het recht op werkleeraanbod wordt toegekend en ingevuld, kan dit ook
                            worden ingetrokken, onder de voorwaarden, genoemd in artikel 21 WIJ. Met
                            betrekking tot intrekking van het werkleeraanbod in verband met
                            schending van de verplichtingen verbonden aan het werkleeraanbod, wordt
                            het aan het college overgelaten om te bepalen onder welke voorwaarden
                            daartoe kan worden besloten. Het is niet aan de gemeenteraad om daarover
                            voorschriften te geven, niettemin dient het intrekken van het
                            werkleeraanbod met terughoudendheid plaats te vinden, zoals reeds in de
                            Algemene toelichting is opgemerkt. Intrekking is in wezen slechts aan de
                            orde als er een situatie is ontstaan dat niet langer kan worden gevergd
                            dat het werkleeraanbod wordt voortgezet en een andere invulling (via
                            gedeeltelijke herziening) evenmin soelaas biedt. Gedacht kan worden aan
                            herhaalde misdragingen jegens andere jongeren of begeleiders op de
                            werk/leerplek of veelvuldig verzuim. Daarbij kunnen bijv. ook een rol
                            spelen de positie van gemotiveerde jongeren die wachten op een
                            werk/leerplek, de staat van de arbeidsmarkt en de kosten van de
                            voorziening. Het verdient aanbeveling als het college bij de invulling
                            van het gemeentelijk beleid met deze kaders rekening houdt en slechts
                            tot intrekking besluit nadat de individuele situatie zorgvuldig
                            afgewogen is. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Budgetplafonds</titel></kop><al>De gemeente kan een verdeling maken van de beschikbare middelen over de
                            verschillende voorzieningen. Dit kan in het beleidsplan of de begroting
                            gebeuren. Het uitgeput zijn van begrotingsposten kan echter nooit een
                            reden zijn om geen werkleeraanbod te doen. De verplichting daartoe is
                            immers vastgelegd in artikel 13, eerste lid WIJ. Wel kan de invulling
                            van het werkleeraanbod beïnvloed worden door budgettaire beperkingen.
                            Zijn er vanwege die beperkingen voor bepaalde voorzieningen geen
                            middelen meer dan dient te worden nagegaan welke andere instrumenten
                            beschikbaar zijn. Dit houdt dus in dat er geen algemeen plafond
                            ingesteld kan worden. Wat wel kan is dat per voorziening een plafond
                            wordt ingebouwd. Dit laat de mogelijkheid open dat er naar een ander
                            instrument wordt uitgeweken om tot duurzame arbeidsparticipatie te
                            komen. </al><al>Bij dit artikel wordt uitgegaan van de bevoegdheid van het college om
                            plafonds in te stellen. Een mogelijkheid is dat bij de vaststelling van
                            de plafonds wordt verwezen naar de bedragen die in het beleidsplan of in
                            de begroting voor de verschillende voorzieningen worden gereserveerd.
                        </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Subsidies</titel></kop><al>Het werkleeraanbod kan worden ingevuld met gesubsidieerde arbeid. Dit
                            wordt ook als voorziening aangemerkt. In het eerste lid is vastgelegd
                            dat de subsidie aan de werkgever kan bestaan in een tegemoetkoming in de
                            loonkosten of andere bijkomende kosten. Deze subsidie vormt als zodanig
                            een noodzakelijke voorwaarde voor de voorziening. Voor het verstrekken
                            van een subsidie is een wettelijke grondslag vereist (art. 4:23, eerste
                            lid Awb). Om die reden is een specifiek artikel opgenomen dat deze
                            grondslag biedt. In het eerste lid worden loonkostensubsidies en
                            subsidies ter voorbereiding van een dienstverband van een grondslag
                            voorzien. </al><al>De hoogte van de subsidies en de voorwaarden waaronder subsidie wordt
                            verleend, dienen afzonderlijk te worden geregeld. Dat kan in deze
                            verordening maar zal doorgaans in het beleidsplan worden
                            afgekaderd.</al><al>Op grond van het tweede lid kan het college nadere regels stellen over
                            enkele zaken over de subsidiëring. Hoewel uitgangspunt is dat het beleid
                            over het werkleeraanbod door de gemeenteraad wordt vastgesteld, is reeds
                            eerder aangegeven dat waar het om uitvoeringsbeleid gaat, dit door het
                            college ter hand kan worden genomen. </al><al>De gemeente kan, om de financiële risico’s te beheersen,
                            subsidieplafonds vaststellen. </al><al>Om subsidies te kunnen weigeren bij ontbrekende middelen is het een
                            vereiste dat een dergelijk plafond is ingesteld, zie ook art. 4:24 e.v.
                            Awb. In lid 3 is de bevoegdheid van het college vastgesteld om plafonds
                            in te stellen. Een mogelijkheid is dat bij de vaststelling van de
                            plafonds wordt verwezen naar de bedragen die in het beleidsplan of in de
                            begroting voor de verschillende soorten subsidie worden gereserveerd.
                            Een subsidieplafond dient wel bekendgemaakt te worden vóór de periode
                            waarvoor deze geldt (art. 4:27 lid 1 Awb). </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Vergoedingen</titel></kop><al>Kosten die voor de jongere verbonden zijn aan het uitvoeren van het
                            werkleeraanbod kunnen worden vergoed op grond van dit artikel. Gedacht
                            kan bijvoorbeeld worden aan kosten van kinderopvang, voor zover de
                            voorliggende voorziening (Wet Kinderopvang) daarin onvoldoende voorziet.
                            Ook noodzakelijke reiskosten en andere kosten, bijvoorbeeld voor
                            verplichte kleding of schoeisel, kunnen voor vergoeding in aanmerking
                            komen, mits de kosten aantoonbaar en noodzakelijk zijn en er geen andere
                            voorzieningen zijn. De kosten kunnen ten laste worden gebracht van het
                            participatiebudget. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Onvoorziene omstandigheden en hardheidsclausule</titel></kop><al>In de bevoegdheidsverdeling tussen gemeenteraad en college past het dat
                            de gemeenteraad beleidskaders vaststelt. Dat is in deze verordening
                            uitgewerkt. Het college is belast met de uitvoering van dat beleid en op
                            sommige onderdelen, met de nadere uitwerking daarvan. Doen zich
                            situaties voor waarin niet is voorzien of waarin onverkorte toepassing
                            van de gestelde bepalingen onverhoopt tot onbillijkheden van overwegende
                            aard leidt, dan is het aan het college om besluiten te nemen waarin
                            recht wordt gedaan aan enerzijds het belang van handhaving van het
                            gemeentelijk beleid en anderzijds het individuele belang van de jongere.
                            Dat kan onder omstandigheden betekenen dat besluiten worden genomen die
                            afwijken van deze verordening. </al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>